SRU-HvJ-1986-1

Hof van Justitie

24 januari 1986, G.R. 11913

(Mrs. S. Gangaram Panday, J.R. von Niesewand, O.W. Abendanon)

[appellant], wonende aan. [adres 1], in [district 1], thans [district 2], advokaat Mr. W.P. Siwpersad, appellant in conventie en in reconventie

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] beneden te [district 2], advokaat Mr. L.Y. Ho Kang You, geïntimeerde in conventie en in reconventie.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het. Eerste Kanton respectievelijk van l december 1981, 15 maart 1983 en 19 juli 1983 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 augustus 1983, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

0verwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in. eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende aan [adres 2] beneden te [district 2];

2. dat eiser eigenaar is van het woonhuis gelegen aan [adres 2] te [district 2];

3. dat eiser bij overeenkomst van huur en verhuur aan gedaagde heeft verhuurd gelijk gedaagde van eiser heeft gehuurd, het beneden gedeelte van voormelde woning aan [adres 2] te [district 2], zulks voor een maandelijkse huurprijs van Sƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand;

4. dat gedaagde het pand thans verwaarloost en slecht onderhoudt er zelf niet in woont en er zelden naar toegaat en het gehuurde daarvoor aan gevaar blootstelt;

5. dat gedaagde bovendien een gedeelte van het pand aan derden heeft verhuurd zonder medeweten van eiser, wat in strijd is met de wet;

6. dat eiser op grond van het bovenstaande gerechtigd is een vordering tot ontruiming tegen de gedaagde in te stellen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden, althans voor ontbonden zal worden verklaard;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 2 maanden na het in deze te wijzen vonnis, althans een zodanige door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het gemelde gehuurde te ontruimen met alle personen en goederen welke zich op/of in het gehuurde van zijnentwege mochten bevinden en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met machtiging op deze om bij gebreke van dien de ontruiming van het gehuurde zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

c. tenslotte gedaagde zal worden veroordeeld om zolang hij in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen, maandelijks te betalen het bedrag van Sƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN), gelijkstaande aan de huur als voormeld gerekend vanaf 1 december 1980, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in reconventie heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist alhetgeen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu;

2. Gedaagde erkent de gestelde huurovereenkomst, doch ontkent dat hij het litigieuze pand verwaarloost en slecht onderhoudt;

3. Voorts ontkent gedaagde een gedeelte van het litigieuze pand aan derden verhuurd te hebben;

4. Gedaagde is van mening dat eiser de onderhavige ontruimingsvordering slechts heeft ingesteld omdat gedaagde geen gevolg heeft gegeven aan eisers schrijven dd. 7 oktober 1980, waarin eiser middels zijn raadsman aan gedaagde mededeelde dat de huurprijs van het litigieuze pand ingaande 1november 1980 wordt verhoogd van Sƒ 500,– naar Sƒ750,– per maand;

5. Met een dergelijke eenzijdige beslissing tot verhoging van de huurprijs kon gedaagde zich uiteraard niet verenigen, wat tot gevolg had dar de verhouding tussen partijen enigszins vertroebeld raakte;

6. Bovendien is door eiser vanaf de aanvang der huurovereenkomst steeds een veel te hoge huurprijs geïnd, aangezien door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo een huurprijs van Sƒ 166,93 voor het litigieuze pand is vastgesteld, terwijl gedaagde steeds Sƒ 500,– per maand heeft betaald;

7. Ten bewijze van het bovenstaande wordt hierbij in fotocopie overgelegd de beschikking d.d. 19 december 1980 van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo, met verzoek de inhoud daarvan als hierbij ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

8. Het teveel aan huur betaalde zal gedaagde in reconventie dan ook terugvorderen;

en voor eis in reconventie heeft gesteld:

1. Blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde huurovereenkomst bedraagt de huurprijs met ingang van 1 september 1977 voor het litigieuze pand Sƒ 500,– per maand, welk bedrag ook steeds prompt en op tijd door eiser is voldaan;

2. Doch blijkens de eveneens overgelegde beschikking van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo mag de huurprijs voor het litigieuze pand niet meer bedragen dan ƒ166,93 per maand;

3. Nu gedaagde toch een hogere huurprijs dan de door de Distrikts-Commissaris vastgestelde heeft geïnd, handelt hij in strijd met de wet en wel met artikel 3 lid 2 van het “Huurbesluit 1949 (G.B.1949 no. 127), gewijzigd bij besluit van 6 januari 1950 (G.B.1950, no. 2)”;

4. Eiser wenst derhalve het onverschuldigd betaalde bedrag groot ƒ 13.988,94 dat thans opeisbaar is terug te bekomen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conventie:

dat eisers vordering zal worden afgewezen als zijnde ongegrond en onbewezen;

en voor eis in reconventie:

dat gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen:

a. Het bedrag groot 42 x ƒ 333,07 is ƒ 13.988,94 terzake van de ten rekeste omschreven onverschuldigde betaling over de periode 1 september 1977 tot en met 28 februari 1981, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang – 3 februari 1981 – tot aan die der algehele voldoening;

b. Tenslotte gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser gevallen, hebbende hij daarbij producties overgelegd;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn bekentenis;

2. Voorzover hier van toepassingt wenst gedaagde hier als ingelast te beschouwen al hetgeen door hem in conventie naar voren is gebracht;

3. Gedaagde wenst te stellen dat artikel 3 lid 2 van het “Huurbesluit 1959” (G.B.1949 no.127) gewijzigd bij besluit van 6 januari 1950 (G.B.1950 no. 2) in casu niet van toepassing is aangezien het hier gaat om huur van bedrijfsruimte en voormelde wet slechts toepasselijk is op de huur van woonruimte;

4. Dat nu blijkt dat de door partijen overeengekomen huurprijs van Sƒ 500,– per maand rechtens relevant, in casu van onverschuldigde betaling zijdens eiser geen sprake is, brengende zulks mede dat aan eisers vordering de rechtsgrond is komen te ontvallen;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gronden voor antwoord in reconventie heeft geconcludeerd, dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn eerder genomen conclusiën;

0verwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

0verwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 1 december 1981 een comparitie van partijen heeft gelast, welke niet is gehouden;

0verwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies na niet gehouden comparitie van partijen hadden genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 15 maart 1983 heeft overwogen:

In conventie:

dat Wij eiser akte zullen verlenen van de vermindering van zijn vordering met de ontruiming;

dat nu eiser slechts vordert de achterstallige huur vanaf december 1980 tot december 1982 en eiser in reconventie vordert de teveel door hem betaalde huur ad ƒ 13.988,94 Wij partijen in de gelegenheid zullen stellen Ons schriftelijk in te lichten op welk tijdstip het laatst huur door de gedaagde is voldaan en op welk tijdstip hij het gehuurde heeft ontruimd, alsook het tijdstip waarop deze is aangevangen;

In reconventie:

dat Wij iedere beslissing zullen aanhouden totdat in conventie is beslist;

0verwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

eiser akte heeft verleend van de vermindering van zijn vordering met de ontruiming;

partijen in de gelegenheid heeft gesteld hem schriftelijk in te lichten op welk tijdstip het laatst huur door de gedaagde is voldaan en op welk tijdstip hij bet gehuurde heeft ontruimd, alsook het tijdstip waarop de huur was aangevangen;

en in reconventie:

iedere beslissing heeft aangehouden totdat in conventie is beslist;

Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1983 heeft overwogen:

In conventie:

dat de gestelde huurovereenkomst als erkend rechtens tussen partijen vaststaat;

dat als erkend eveneens vaststaat, dat de huur ƒ 500,– bedroeg, terwijl bij beschikking van de Distrikts-Commissaris het litigieuze gebouw voor niet meer dan ƒ 166,93 mocht worden verhuurd;

dat gedaagde zich erop beroept te veel huur betaald te hebben, welk bedrag hij in reconventie terugvordert;

dat nu als niet weersproken vaststaat, dat de ontruiming van het litigieuze gebouw per ultimo december 1982 heeft plaats gehad en tot en met november 1980 de gedaagde huur heeft voldaan, hij over deze periode huur verschuldigd is en wel tot het totaal bedrag van 24 x ƒ 166,93 = ƒ 4.006,32;

dat aangezien gedaagde vanaf september 1977 tot en met november 1980 huur ad ƒ 500,– heeft voldaan hij telkens ƒ 333,07 hem te veel heeft betaald of te wel 39 x ƒ 333,07 = ƒ13.332,80;

dat nu de ontruiming reeds heeft plaats gehad en eiser man gedaagde verschuldigd is ƒ13.332,80 – ƒ 4.006,32 = ƒ 9.316,48, eiser’s vordering hem als ongegrond dient te worden ontzegd;

In reconventie:

dat Wij hier overnemen hetgeen daaromtrent in conventie is overwogen;

dat aangezien daar is overwogen, dat gedaagde aan eiser verschuldigd is het bedrag van ƒ 9.316,48, Wij gedaagde tot betaling daartoe zullen veroordelen;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

eiser diens vordering heeft ontzegd en hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ Nihil;

In reconventie:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ9.316,48 (NEGEN DUIZEND EN DRIEHONDERD EN ZESTIEN 48/100 GULDEN), vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar, vanaf 3 februari 1981 tot aan de dag der algehele voldoening;

dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ Nihil;

het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder S. Hoebba van 12 september 1983 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

0verwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 10 januari 1986, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

0verwegende, dat appellant tijdig in appèl is gekomen van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken vonnis van 19 juli 1983;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt:

1. dat appellant aan geïntimeerde heeft verhuurd het benedengedeelte van het gebouw gelegen te [district 2] aan de [adres 2] en wel als woonbuis en bedrijfsruimte, ingaande 1 september 1977 tegen een huurprijs van ƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand bij vooruitbetaling te voldoen;

2. dat aan deze huurovereenkomst tussen partijen een einde is gekomen ultimo december 1982 en

3. dat geïntimeerde de huur ad ƒ 500,–(VIJFHONDERD GULDEN) per maand tot en met de maand november 1980 aan appellant heeft voldaan;

4. dat op verzoek van de geïntimeerde door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo bij beschikking dd. 19 december 1980 no. 3592, de huurprijs van het benedengedeelte van het verdiepingsgebouw aan de Kwattaweg no. 95 (het verhuurde) is vastgesteld op ƒ 166,93 (EENHONDERD EN ZES EN ZESTIG 93/100 GULDEN) per maand;

Overwegende, dat de eerste rechter bij de beoordeling van de geldende huurprijs tussen partijen ervan is uitgegaan dat de door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo vastgestelde huurprijs dd. 19 december 1980 van den beginne van de huurovereenkomst van partijen af, te weten 1 september 1977 tussen partijen geldt, en hiertegen de door appellant aangevoerde grief is gericht, namelijk namelijk dat die vaststelling door de Distrikts-Commissaris geen terugwerkende kracht heeft, zoals de Kantonrechter heeft aangenomen;

Overwegende, dat deze grief gegrond is omdat de bepaling van de huur door de bovengenoemde functionaris slechts voor de toekomst werking heeft, hebbende beide partijen immers de bevoegdheid die huurbepaling te doen plaatsvinden, terwijl tussen partijen de tussen hen overeengekomen huur geldt tot de vaststelling daarvan door de Distrikts-Commissaris, waarna deze huurprijs geldt;

Overwegende, dat hoewel het Huurbesluit 1949 (G.B.1949 no. 127, gewijzigd bij besluit 6 januari 1950, G.B. 1950 no.2) spreekt van gebouwen en daarbij geen onderscheid maakt tussen huur daarvan als woonhuis en als bedrijfsruimte, bij het bepalen van de huurprijs toch onderscheid naar de aard en het doel van het gebruik van het gehuurde zal moeten worden gemaakt, wordend, namelijk doorgaans een bedrijfsruimte veel intensiever gebruikt dan een woonbuis, met het doel door het gebruik daarvan winst te behalen, terwijl een woonhuis door de huurder wordt gebruikt als huisvesting van hem en zijn familie, waarbij mede in het oog moet worden gehouden, dat bij de totstandkoming van het huurbesluit het grootste deel van (toen bestaande) [district 2] uit woonhuizen bestond en de laatste 20 jaren vooral de binnenstad van [district 2] meer en meer bedrijfspanden is gaan omvatten, welke panden door het intensief gebruik daarvan onder andere meer reparaties etcetera behoeven, dan woonhuizen;

Overwegende, dat het huurbesluit voorts ervan is uitgegaan de zwakkere partij, de huurder, in bescherming te nemen tegen de sterkere partij, de eigenaar en de verhuurder, welke situatie zich in geval van huur van woonhuis voordoet, terwijl dit in veel mindere mate het geval is bij huur en verhuur van bedrijfsruimte, omdat daarbij veelal van een zwakkere en van een sterkere partij niet kan worden gesproken en niet het bewonen van het gebouw, doch het gebruik voor het behalen van winst of het gebruik daarvan als ruimte voor dienstverlening zich voordoet;

0verwegende, dat met het vorenstaande als overwegingen ten overvloede naar voren gebracht wordt dat met het verstrijken van de jaren de bepalingen van het Huurbesluit zin en inhoud worde gegeven die past in het huidige gebruik door huurders van het gehuurde, waarbij gelet wordt op de aard en doel van dat gebruik en de consequenties daarvan voor de partijen, een evenwichtige aanpak derhalve van deze aangelegenheden, met als doel te voorkomen dat de ene partij de andere benadeelt;

Overwegende, dat in casu het bovenoverwogene tot gevolg heeft dat de huurvaststelling door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo vanaf de datum van de beschikking (19 december 1980) de som van ƒ166,93 (EENHONDERD EN ZES EN ZESTIG 93/100 GULDEN) als huur voor het gehuurde tussen partijen zal hebben te gelden, waarmede de appellant zich blijkens de· stellingen van zijn pleitnota in hoger beroep kan verenigen;

0verwegende, dat geïntimeerde aan appellant aan huur derhalve nog verschuldigd is: een halve maand december 1980 naar rato van ƒ 500,– per maand, dat is ƒ 250,–(TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) plus 24½ maand ad ƒ 166,93 per maand dat is ƒ4.089,78 in totaal derhalve een bedrag van ƒ 4.339,78 (VIER DUIZEND DRIEHONDERD EN NEGEN EN DERTIG EN 78/100 GULDEN) zijnde de huur over de periode 1 december 1980 tot eind december 1982,. het tijdstip van het einde van. de huurovereenkomst tussen partijen;

0verwegende, dat appellant echter het bedrag van ƒ 4.006,32 (VIER DUIZEND EN ZES GULDEN EN TWEE EN DERTIG CENT) vordert van geïntimeerde (zie pleitnota, het 3e sustenu) en het Hof danook tot dit bedrag de vordering van appellant zal toewijzen;

0verwegende, dat het vorenstaande tot gevolg heeft dat het vonnis van de Kantonrechter, waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie zal worden vernietigd en de vordering in conventie van appellant ten bedrag van ƒ 4.006,32 zal worden toegewezen, met kosten als gevorderd, terwijl de vordering in reconventie aan geïntimeerde als ongegrond zal .worden ontzegd, met diens veroordeling als de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten aan de zijde van de appellant gevallen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken op 19 juli 1983, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

In conventie:

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ4.006,32 (VIER DUIZEND EN ZES GULDEN EN TWEE EN DERTIG CENT);

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van appellant gevallen en begroot:

in eerste aanleg op ƒ 56,50

in hoger beroep op ƒ 81,50

In reconventie:

Ontzegt aan geïntimeerde diens oorspronkelijke vordering;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van appellant gevallen en begroot:

in eerste aanleg op ƒ Nihil

in hoger beroep op ƒ 100,–

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van ƒ 100,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op ƒ 100,–.

 

SRU-HvJ-2017-8

G.R.No 15012

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],

wonende aan de [adres 1]

in [district],

appellante,

gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende aan de [adres 2]

in [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G.O. Koulen, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 23 april 2012 (A.R.No.11-1587) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk de vrouw en de man.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– Het schrijven van de advocaat van de vrouw gedateerd 02 mei 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton op 03 mei 2012 – waaruit blijkt dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 23 april 2012.

– De schriftelijke pleitnota de dato 04 november 2016.

– De schriftelijke antwoordpleitnota de dato 06 januari 2017.

– De schriftelijke repliekpleitnota de dato 03 februari 2017.

– De schriftelijke dupliekpleitnota de dato 03 maart 2017.

– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 21 april 2017 en vervolgens op 20 oktober 2017 doch ambtshalve bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd op 30 december 1971 in Nederland, Gemeente Rotterdam, met alle wettelijke gevolgen van dien. Voorts heeft de man gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap waarin hij met de vrouw is gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen;

1.1 De kantonrechter heeft bij vonnis van 23 april 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd gelast, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

2.1 De vrouw heeft blijkens de aantekening van de Griffier der Kantongerechten door tussenkomst van haar advocaat bij schrijven gedateerd 02 mei 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton op 03 mei 2012 – appèl aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 23 april 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest en is de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier zoals bedoeld in artikel 119 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedateerd 11 juni Gelet op het voorgaande heeft de vrouw ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

2.2 De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

2.2.1 Partijen zijn op 30 december 1971 te Rotterdam, Nederland in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2.2. De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van de vrouw van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht op grond waarvan de man gerechtigd is een verzoek tot echtscheiding tegen de vrouw in te dienen. Ter adstructie van de duurzame ontwrichting heeft de man in het inleidend verzoekschrift een aantal feiten en/of omstandigheden aangegeven;

2.4 De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het juist is dat er gedurende lange tijd spanningen zijn, echter zijn die spanningen te wijten aan het gedrag van de man die niet heeft geschroomd de vrouw nu al langer dan 10 jaren regelmatig te mishandelen. Volgens haar is er geen sprake van verzoening van de zijde van de man en is de ontwrichting in zijn geheel te wijten aan de man;

2.5 In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog niet-ontvankelijkverklaring van de man;

2.6 Daartoe heeft de vrouw als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd –kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de kantonrechter ten onrechte in het beroepen vonnis onder 4.3. heeft opgenomen dat de vrouw de duurzame ontwrichting heeft erkend;

2.7. De man heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat de grief geen opgeld doet. Immers heeft de vrouw bij haar conclusie van antwoord in eerste aanleg de duurzame ontwrichting van het huwelijk wel degelijk erkend maar verder bloot aangegeven dat de spanningen te wijten zijn aan het gedrag van de man die er niet voor geschroomd zou hebben om haar al langer dan tien jaren regelmatig te mishandelen. Hoewel de man in het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg en wel onder punt 4 daarvan gespecificeerde feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd ter staving van de duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft de vrouw gekozen om daar niet op in te gaan bij haar antwoord hoewel dat op haar weg had gelegen. De vaststelling door de kantonrechter dat de vrouw de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen heeft erkend waardoor dit rechtens vaststaat tussen partijen is derhalve naar het oordeel van het hof een terechte vaststelling geweest. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen de vrouw heeft aangevoerd in hoger beroep en dat er op neer komt dat de kantonrechter in strijd met het bepaalde in artikel 263 SBW heeft gehandeld nu vast stond dat de ontwrichting in overwegende mate te wijten was aan de man en de kantonrechter het huwelijk niet had mogen ontbinden, althans de man niet had mogen ontvangen. Zoals hiervoor aangegeven is dat verweer in eerste aanleg bloot aangevoerd zonder dat dat op enigerlei wijze is gestaafd geworden. In de visie van het hof heeft de kantonrechter het voorgaande terecht overwogen onder 4.3. van het beroepen vonnis waarbij zij heeft aangegeven dat de vrouw heeft aangevoerd dat de ontwrichting in zijn geheel aan de man te wijten is doch zonder daar een conclusie aan te verbinden casu quo er een beroep op te doen. Daarenboven heeft de kantonrechter het huwelijk niet ontbonden maar de echtscheiding uitgesproken. Ingevolge het rechtssysteem hier te lande wordt het huwelijk ontbonden door de inschrijving van het in kracht van gewijsde gegane echtscheidingsvonnis, binnen de daarvoor gestelde termijn, in de registers van de Burgerlijke Stand en niet door de uitspraak van het echtscheidingsvonnis;

2.9. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

2.10 De vrouw zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van de man in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 23 april 2012, A.R.No. 11-1587, waarvan beroep;

Veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding aan de zijde van de man in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc., gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-1

M.R.S.

A – 343.

[verzoeker], wonende te Paramaribo aan [adres] te [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.E.NAARENDORP, advokaat

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name, kantoorhoudende te Paramari­bo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van res­pectievelijk 15 maart 1996, 11 november 1996 en 7 februari 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en be­slist; Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusies tot uitlating hadden genomen, zij vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn inter­locutoir vonnis gewezen tussen partijen en uitgesproken op 7 februari 1997;Overwegende, dat ter gelegenheid van de ingevolge voormeld interlocutoir vonnis gehouden comparitie van partijen op 21 februari d.a.v., waarbij aanwezig waren, verzoeker in persoon en zijn gemachtigde advokaat Mr.E.Naarendorp, de heer O.Renfrum, voormalig (Onder) directeur Sportzaken van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, uiteindelijk uit de doeken is gedaan en dan ook duidelijk uit de verf is gekomen:

– dat verzoeker, per 1 december 1981 in Overheids­dienst getreden als Stafambtenaar B 2e klasse en te­werkgesteld bij de afdeling Zelfbouw van het toenmalige Ministerie van Openbare Werken, Telecommunicatie en Bouwnijverheid (vide beschikking d.d. 14 oktober 1982 [nummer 1] van de Minister van Arbeid en Sociale Zaken), bij beschikking van augustus 1986 Bureau [nummer 2] van de Ministers van Sport en Jeugdzaken en van Sociale Zaken en Volksontwikkelijk werd overgeplaatst naar het toenmalige Ministerie van Sport en Jeugdzaken;

– dat verzoeker in november 1987 opgedragen werd tot het verrichten van werkzaamheden op de afdeling Sport­ acomodatie en ruimten, alwaar hij zeer verantwoordelijk taken heeft verricht (zelf oppert hij dat hij met de ”waarneming” van de functie van onder-directeur was belast;

– dat verzoeker blijkens de processtukken ook wel werd betiteld als ”coördinator”;

– dat verzoeker zeker tot januari 1994 met meerdere en verantwoordelijker werkzaamheden was belast, zonder evenwel door het bevoegde gezag met de waarneming van die werkzaamheden te zijn aangewezen;

– dat blijkens een zich onder de processtukken bevindende Missive d.d. 24 mei 1991, Raad van Ministers No. 927/R.v.M., had de Raad van Ministers goedgekeurd, dat verzoeker, in die Missive genoemd ”coördinator”, wordt bevorderd tot hoofdambtenaar A 2e klasse (catego­rie GZ, schaal 20 oud (2986 – 3411), welke Missive nimmer in een beschikking van een Minister is geëffec­tueerd en mitsdien geen rechtskracht heeft om daarop rechtens een beroep te doen;

Overwegende, dat hoewel verzoeker niet door het bevoegde gezag met de waarneming van de door hem ver­langde functie was belast, vast is komen te staan, dat hij meerdere en verantwoordelijker werkzaamheden heeft verricht, waarvoor hij vooralsnog geen financiële waardering heeft ontvangen;

– dat nu -derhalve- verzoekers vordering hem niet kan worden toegewezen, het Hof niettemin van oordeel is, dat verzoeker wel aanspraak maakt op een financiële waardering voor meerdere en verantwoordelijker werk­zaamheden verricht in de periode november 1987 tot januari 1994, gevende het Hof verweerder zulks dan ook in gunstige overweging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoeker,s vordering verzoeker. Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JUNI 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigde, advokaten Mr.E.Naarendorp en Mr.Dr.C.D.Oo­ft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting versche­nen.

SRU-HvJ-1982-1

Hof van Justitie

4 juni 1982, G.R. 11002

(Mrs. Dr. L.Th. Waaldijk, S.H. Gangaram Panday, O.W. Abendanon)

1. [appellant sub 1] en

2. [appellant sub 2], beide wonende in [district 1], advokaat mr. C. Gonçalves, appellanten,

tegen

A. [geïntimeerde sub 1] en

B. [geïntimeerde sub 2], beiden wonende in [district 1], advokaat Mr. J. Lachmon, geïntimeerden,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk dd. 15 augustus 1980 en 9 januari 1981 tussen partijen gewezen, alsmede het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging op vrijdag, 20 februari 1981;

Ten aanzien van de feiten

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat nadat het Hof een descente had bevolen, welke op 20 februari 1981 is gehouden en de benoemde en beëdigde deskundigen, te weten de heren: G. L, A. D en CH. K een rapport van metingen en schattingen hadden uitgebracht, de advokaten van partijen schriftelijke conclusies tot uitlating na deskundigenrapport hebben genomen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna bij mondelinge pleidooien hebben gepersisteerd bij hun eerder genomen conclusiën, waarna zij vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 8 januari 1982, daarna op 19 februari 1982;

Overwegende, dat partijen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw vonnis hebben gevraagd, zijnde de uitspraak daarvan alstoen bepaald op 19 maart 1982, daarna ambtshalve aangehouden en op 4 juni 1982 uitgesproken;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het Hof overneemt hetgeen in zijn interlocutoir vonnis van 9 januari 1981 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat in zoverre hier van belang, uit de gedingstukken in eerste aanleg en uit de gewisselde stukken in hoger beroep is gebleken dat:

1. appellanten voor het 1/16 deel onverdeeld gerechtigd zijn in het perceelland groot twee hectaren, gelegen aan de [wegen] in [district 1], bekend als [nummer 1];

dat immers appellant sub I, het 1/16 gedeelte onverdeeld in voormeld onroerend goed verkreeg bij akte van koop en verkoop van 18 mei 1973, verleden ten overstaan van notaris D.A. Samson waarbij de deelgerechtigde [geïntimeerde sub 1] als erfgenaam van zijn vader, de heer [geïntimeerde sub 1], zijn aandeel in dat goed aan de appellant sub I heeft verkocht, van welke akte een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op 23 mei 1973 in [register deel en nummer 1];

dat voorts bij akte van 25 mei 1973, eveneens ten overstaan van notaris D.A. Samson verleden, appellant sub I aan appellant sub 2 het levenslange recht van vruchtgebruik op het bovenvermelde 1/16 gedeelte heeft verleend, van welke akte een afschrift werd overgeschreven ten hypotheekkantore op 30 mei 1973 in [register deel en nummer 2];

2. geïntimeerden voor het 15/16 gedeelte onverdeeld in het sub I vermeld onroerend goed zijn gerechtigd, te weten: geïntimeerde sub I voor het 9/16 gedeelte in de blote eigendom en voor 6/16 gedeelte de volle eigendom en de geïntimeerde sub 2 tot het levenslange recht van vruchtgebruik op het 9/16 gedeelte;

dat toch ten processe gebleken is, dat geïntimeerde sub I van het 9/16 gedeelte de blote eigendom en de geïntimeerde sub 2 daarvan het vruchtgebruik verkregen, bij akte van koop en verkoop, onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik op 10 september 1970 ten overstaan van de notaris H.M. Vas verleden, waarvan een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op 22 september 1970 in [register deel en nummer 3], terwijl de geïntimeerde sub 2 van het overige 6/16 gedeelte de volle eigendom verkreeg op de wijze als vermeld in de akte van koop en verkoop van 31 augustus 1973 ten overstaan van notaris B.R. Oostvriesland verleden en waarvan een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op 31 augustus 1973 in [register deel en nummer 4]];

dat uit bovenvermelde notariële akten tevens blijkt, dat geïntimeerde sub 2, in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met [geïntimeerde sub 1], en dat het bovengenoemde perceel tot deze gemeenschap heeft behoord tot aan het overlijden van [geïntimeerde sub 1] op 8 juni 1964 en dat hierna de geïntimeerde sub 2 en de andere erfgenamen tot verkoop en levering zijn overgegaan van gedeelten in dat goed, tengevolge waarvan de deelgerechtigdheid is ontstaan als hierboven vermeld;

3. dat de deelgerechtigdheid als vermeld onder 1 en 2 tussen partijen in confesso is, nu zij de transacties die daartoe hebben geleid hebben erkend, casu quo die hebben bekrachtigd;

4. dat geïntimeerden bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 25 mei 1976 in de zaak bekend onder A.R. 75/3552, zijn veroordeeld met appellanten over te gaan tot scheiding en deling van bovenvermeld onroerend goed, en zo partijen over de keuze van een notaris geen overeenstemming met elkaar zouden bereiken, werd notaris R.S. Hirasing als notaris aangewezen om de werkzaamheden van de scheiding en deling te verrichten, terwijl als onzijdig persoon om de geïntimeerden te vertegenwoordigen, indien zij ingebreke zouden blijven aan de scheiding en deling mede te werken werd benoemd Mr. W.L. Man A Hing, advokaat;

5. dat procespartijen ten overstaan van notaris R.S. Hirasing zijn aangevangen met de scheiding en deling, doch dat er zwarigheden tussen partijen zijn gerezen met betrekking tot de wijze van verdeling van het litigieuze perceel;

dat de notaris op grond daarvan op 19 februari 1977 een proces-verbaal van zwarigheden heeft opgemaakt, bevattende de standpunten en stellingen van partijen, en vervolgens dat proces-verbaal ter Griffie van het Kantongerecht in het Eerste Kanton overgelegd;

dat op grond daarvan de appellanten zich bij verzoekschrift tot die Kantonrechter hebben gewend om op de gerezen zwarigheden een beslissing te geven, welke beslissing echter is uitgebleven, hebbende de Kantonrechter in plaats van een partijen bindende beslissing te geven, aan appellanten de vordering bij vonnis van 17 april 1979 ontzegd;

Overwegende, dat – appellanten van deze beslissing van de Kantonrechter in beroep zijn gekomen en daardoor de beslechting van de zwarigheden aan het Hof is voorgelegd;

Overwegende, dat in gevallen als de onderhavige de Rechter slechts competent is geschillen tussen partijen, welke zijn vastgelegd in het proces-verbaal van zwarigheden te beslechten;

Overwegende nu, dat uit het proces-verbaal van zwarigheden van 19 februari 1977 blijkt, dat partijen slechts verdeeld zijn over de wijze van verdeling – en dus niet over de vraag of een verdeling in natura al dan niet mogelijk is – van het bovenvermeld perceel in verband met de meerwaarde van het hoekgedeelte, gevormd door de [wegen 2], alwaar de appellant sub 2 zijn woon- en winkelgebouw heeft staan, boven de andere delen van dat perceel, terwijl ieder van beide partijen dat hoekgedeelte aan zich toegescheiden wensten te hebben; de appellanten omdat zij daar gevestigd zijn en de geïntimeerden in verband met de betere ligging en de meerwaarde;

Overwegende, dat het voorstel van geïntimeerden om het gehele perceel aan hen toe te delen, als tegenprestatie waartegen zij bereid zijn aan appellanten uit hoofde van overbedeling een vergoeding in geld uit te keren, niet de goedkeuring van appellanten heeft verkregen;

Overwegende, dat de verkoop van het litigieuze perceel in zijn geheel, onderhands of in het openbaar, bij de scheidingswerkzaamheden geen rol heeft gespeeld, althans is hiervan niets gebleken uit het proces-verbaal van zwarigheden, zodat het Hof daarover dan ook geen beslissing kan geven;

Overwegende, dat voor zover de geïntimeerden door verkoop van het perceel aan de onverdeeldheid daarvan een einde wensten te maken, zij de weg hadden moeten volgen, welke artikel 1103 B.W. juncto de artikelen 566 e.v. Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangeeft;

Overwegende mitsdien, dat het in de onderhavige procedure daarop aandringen vruchteloos blijft;

Overwegende, dat wat daarvan ook zij de goede trouw, welke de rechtsverhouding tussen de deelgerechtigden in een boedel beheerst, met zich kan meebrengen dat een onroerend goed, dat vatbaar is voor verdeling in natura, niet in het openbaar wordt verkocht, indien gerechtvaardigde belangen van een of meer deelgerechtigden daardoor zouden worden geschaad;

Overwegende, dat geïntimeerden als verweer tegen het voorstel van de appellanten, vermeld in het proces-verbaal van zwarigheden, hebben aangevoerd en daarna in dit proces verdedigd, dat hen het bovenvermeld hoekgedeelte, desnoods het deel dat zij werkelijk in gebruik hebben, behoorde te worden toebedeeld;

Overwegende, dat geïntimeerden ter staving daarvan hebben aangevoerd, dat appellanten met negering van waarschuwingen zijdens geïntimeerde, zelfs bij deurwaardersexploit van deurwaarder S. Hoebba van 24 februari 1976 en van deurwaarder B.S. Ramkhelawan van 28 juni 1977, zijn doorgegaan het eerder op het hoekgedeelte gestaan hebbende houten winkelgebouw te vervangen door een ander gebouw en dit verder uit te breiden in steen, en mitsdien appellanten onrechtvaardig jegens geïntimeerden zouden hebben gehandeld, waardoor, indien appellanten dat stuk toch toebedeeld zouden krijgen, zulks een beloning zou zijn voor hun onrechtmatig optreden;

Overwegende, dat deze opvatting van geïntimeerde in feite inhoudt, dat appellanten het hoekgedeelte van het perceel onrechtmatig occuperen;

Overwegende, dat het Hof zich met dit standpunt echter niet kan verenigen;

Overwegende toch, dat de beschikkingsmacht van een deelgerechtigde in een boedel niet verder beperkt is, dan de verkoop en overdracht van zijn aandeel in een bepaald goed van de boedel;

Overwegende, dat appellant sub 2 aanvankelijk huurder was van het litigieuze hoekperceel, doch vanaf mei 1973 daarvan mede-eigenaar is geworden en wel, tesamen met geïntimeerden;

Overwegende, dat naar ‘s Hoven oordeel ieder van hen als mede-eigenaar de bevoegdheid heeft daarop bouwactiviteiten te ontplooien en een gedeelte daarvan te gebruiken, met eerbieding van de rechten van de ander;

Overwegende immers, dat de vraag of een deelgerechtigde bij de verdeling dat deel waarop hij heeft gebouwd toebedeeld krijgt, afhangt van de vraag of de bovenomschreven goede trouw dat met zich meebrengt;

Overwegende, dat het Hof om de tussen partijen gerezen geschillen te beslechten gerechtelijke plaatsopneming heeft gedaan en daarbij aan de deskundige, de landmeter Ch. Kanhai, aanwijzingen heeft gegeven om het perceel in twee delen te splitsen en van die delen kaarten te vervaardigen, terwijl het Hof daarnevens nog twee deskundigen heeft benoemd en beëdigd teneinde de waarde van die betrokken twee delen vast te stellen, aangezien de gerechtigdheid van partijen als boven aangegeven in de waarde van het onroerend goed en niet in de oppervlakte daarvan bestaat;

Overwegende, dat bij de opmeting van het perceel door landmeter Ch. Kanhai is gebleken dat het perceel 1.7418 ha instede van 2 ha groot is en dat de twee delen, waarin de landmeter het perceel verdeeld heeft zijn:

1. het perceel groot 550 m², op diens kaart van 20 maart 1981 aangeduid met de letter A-F-G-H;

2. het perceel groot 16.868 m², op diens kaart van 20 maart 1981 aangeduid met de letter B-C-D-E-F-G-H;

Overwegende, dat de deskundigen aan het sub 1 omschreven perceel een waarde van f.5.500,- en aan het andere perceel de waarde van f.84.340,– hebben toegekend,

Overwegende, dat op grond van het bovenoverwogene, de verklaring van geïntimeerde sub 1 ter gelegenheid van de descente, dat hij geen handelaar is en momenteel niet geïnteresseerd in het hoekperceel en de omstandigheid dat de appellant sub 2 daarop zijn woon- en winkelpand heeft staan, waarin de appellant sub 1 hem als blote eigenaar tezijnertijd zal opvolgen, de toedeling van het hoekperceel, op bovenvermelde kaart aangeduid met de letter AFGH, aan appellanten en de rest van het perceel, op bovenvermelde kaart aangeduid met de letters BCDEFGH, aan geïntimeerden rechtvaardigen, zulks met vergoeding door geïntimeerden aan appellanten, wegens overbedeling, van een bedrag van f.115,– (zie deskundigenrapport);

Overwegende, dat het Hof in casu de boedelscheiding, de zogenaamde adiudicatio, niet zelf tot stand kan brengen, vermits het in casu de verdeling van onroerend goed betreft en artikel 1096 juncto 670 BW, die oplossing in de weg staat door te bepalen dat een notariële akte daarvoor vereist is;

Overwegende, dat uit het bovenoverwogene volgt dat het vonnis van de Kantonrechter, waartegen beroep, niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd en dat het Hof opnieuw rechtdoende de notaris R.S. Hirasing, die de akte van zwarigheden heeft opgemaakt, zal belasten om de akte van scheiding en deling met inachtneming van het bovengestelde te verlijden, waarbij bij weigering door de geïntimeerde om aan die scheiding mede te werken, de medewerking zal kunnen worden ingeroepen van de onzijdig persoon, die benoemd is bij bovenaangehaald vonnis van de Kantonrechter in het eerste Kanton van 25 mei 1976;

Overwegende, dat het Hof aanleiding vindt de proceskosten in dier voege tussen partijen te compenseren dat iedere partij haar eigen kosten drage, nu het in deze de verdeling van een boedelperceel betreft, waarbij meningsverschillen normaal zijn en de rechter geroepen kan worden die te beslechten in geval de notaris daarin niet slaagt, zulks echter met uitzondering van het honorarium van de deskundigen, dat elke partij voor de helft voor haar rekening zal moeten nemen, omdat uitmeting en waardebepaling in casu voor de boedelscheiding noodzakelijk zijn;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 17 april 1979 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Gelast notaris R.S. Hirasing om de akte van scheiding en deling tussen partijen op te maken en te verlijden en daarbij toe te delen aan:

1. de appellanten, te weten de appellant sub 2 het levenslange recht van vruchtgebruik en de appellant sub 1 de blote eigendom van het perceel groot 550 m², op de kaart van de landmeter Ch. Kanhai dd. 20 maart 1981 aangeduid met de AFGH en

2. de geïntimeerden, te weten de geïntimeerde sub 1 de blote eigendom van het 9/16 gedeelte en de volle eigendom van het 6/16 gedeelte en de geïntimeerde sub 2 het levenslange recht van vruchtgebruik van het 9/16 gedeelte in: het perceel groot 16. 868 m², op de kaart van de landmeter G. Kanhai dd. 20 maart 1981 aangeduid met de B.C.D.E.F.G.H., welke percelen deel uitmaken van het perceel gelegen in [district 1] op de hoek van de [wegen 2] en bekend als perceel [nummer 1], waarbij geïntimeerden aan appellanten wegens overbedeling zullen hebben te vergoeden het bedrag van f.115,– (EENHONDERD EN VIJFTIEN GULDEN);

Compenseert de proceskosten in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Bepaalt het salaris van de deskundigen op f.1000,– (EENDUIZEND GULDEN), waarin iedere partij voor de helft bijdraagt.

 

SRU-K3-2016-1

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON

A.R. no. 16-3004

30 juni 2016

Vonnis in kort geding inzake:

 

[naam 1],
wonende in het [district] ,
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie in het kort geding,
hierna te noemen [naam 1],
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name
a) het Ministerie van Defensie en
b) het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
domicilie kiezend ten parkette van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudend aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie in het kort geding,
hierna te noemen De Staat,
gemachtigde voor gedaagde sub a: majoor mr. Th. Roos, jurist en gemachtigde voor gedaagde sub b: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

 

  1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van het geding blijkt uit:
– het verzoekschrift met producties ingediend bij de griffie der kantongerechten op 16 juni 2016 en de daarbij behorende conclusie van eis;
– een schriftelijke conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties zijdens gedaagde sub a en een schriftelijke conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub b met uitlating producties;
– een schriftelijke conclusie van repliek zijdens eiser in conventie en gedaagde in reconventie met uitlating producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie zijdens gedaagde sub a en een schriftelijke conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub b;
– en schriftelijke conclusie van dupliek in reconventie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten in conventie en in reconventie

2.1 [naam 1] heeft bij beschikking van 7 oktober 2015 onder [nummer 1] het recht van grondhuur verkregen op het perceelland groot 695,70 vierkante meter gelegen in het [district ] , op de hoek van [straat 1] en [straat 2] en deel uitmakende van [gebied], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.I. Amelo van 22 juni 2015 met de letters ABCD, thans bekend als [gebied] [ nummer 2].

2.2 De Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer heeft bij beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] bovengenoemde beschikking ingetrokken. [naam 1] is bij schrijven van 3 juni 2016 van de Minister van Defensie, geïnformeerd over de vervallenverklaring van het recht van grondhuur en is hij gesommeerd om uiterlijk 1 juli 2016 het perceel te ontruimen en te verlaten.

2.3 De beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] is niet conform het besluit onder III van de beschikking – aantekenen aan de belanghebbende – danwel per deurwaardersexploit aan [naam 1] bekend gemaakt.

2.4 De woning op het perceelland is een dienstwoning van het Ministerie van Defensie. In maart 2004 is de dienstwoning ter beschikking gesteld aan [naam 2], zijnde de inmiddels overleden echtgenote van [naam 1]. Zij was te rekenen vanaf 16 september 1994 naar [district] gemuteerd. Daar de woning werd gerenoveerd heeft [naam 2] met [naam 1] verblijf gehouden in een woning van het Ministerie van Financiën en wel vanaf het jaar 2004 tot en met het jaar 2008. [naam 1] heeft pas in het jaar 2008 de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] betrokken met zijn echtgenote.

2.5 Eiser is op 1 mei 2009 op eigen verzoek ontslagen als ambtenaar bij het ministerie van Defensie en is daarna nog in de dienstwoning gebleven.

2.6 Bij beschikking van 12 mei 2010 onder LaD [nummer 5] is het perceelland waarop de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] staat, ter beschikking gesteld van het Ministerie van Defensie, ten behoeve van het Nationaal Leger.

2.7 Uit het hypothecair uittreksel van 27 oktober 2015 onder LaD [nummer 6] blijkt dat het perceelland in het jaar 2014 (LaD [nummer 6]) werd aangevraagd door [naam 1] en op 7 oktober 2015 aan hem in grondhuur werd toegewezen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer van gedaagde in conventie

3.1 Eiser vordert dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a) De beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3], ook nadat deze conform de wet aan eiser bekend is gemaakt, in haar werking wordt geschorst totdat er door de rechter in de bodemprocedure wordt beslist;
b) gedaagde wordt verboden om tot de ontruiming van het litigieus perceel over te gaan totdat er door de rechter in de bodemprocedure is beslist;
c) gedaagde wordt verboden om met betrekking tot het onderhavig perceel aan anderen dan [naam 1], rechten te verlenen totdat er door de rechter in de bodemprocedure is beslecht;
d) gedaagde bij overtreding van de hierboven vermelde verboden bij wijze van dwangsom een bedrag van SRD 150.000,= zal verbeuren;
e) gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2 De grondslag van de vordering is een onrechtmatige daad omdat gedaagden in strijd hebben gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De beschikking van 16 maart 2016 treedt niet in werking jegens eiser omdat de wettelijke verplichting tot bekendmaking van de vervallenverklaring per aangetekend schrijven danwel per deurwaardersexploit aan eiser niet is geschied. Dit is dus in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechten van de eiser op het perceel zijn ouder dan die van gedaagde sub a. Eiser had vanaf 1989 tot en met 2004 en vervolgens vanaf 2008 het perceel in bruikleen van de staat. De beschikking van de dienstwoning is een gemengde overeenkomst namelijk een huurovereenkomst en dienstbetrekking nu er sprake is van een oneigenlijke dienstwoning. Derhalve is de huurbeschermingswet van toepassing en kan geen ontruiming worden gevraagd in een kort geding zaak, daar de ontruiming een definitieve voorziening is die zich niet leent voor een beslissing in kort geding. De beschikking van 16 maart 2016 kan derhalve niet aan eiser worden tegengeworpen. Eiser heeft een spoedeisend belang bij de vordering daar hij gesommeerd is om uiterlijk 1 juli 2016 te ontruimen.

3.3. Gedaagden voeren als verweer:

a) De vervallenverklaring van het recht van grondhuur van eiser bij bovenvermelde beschikking is terecht en in het algemeen belang ten behoeve van het Nationaal Leger. De vervallenverklaring gaat in met de dag van overschrijving in de registers van het hypotheekkantoor. Bij vervallenverklaring in het algemeen belang is het geen vereiste om de beschikking per deurwaardersexploit te doen betekenen.
b) Er is geen sprake van een gemengde overeenkomst tussen eiser en gedaagde sub a. Eiser heeft nimmer huur betaald voor de woning. De overeenkomst van bruikleen van de dienstwoning was gesloten tussen de thans wijlen echtgenote van eiser en gedaagde sub a en was het verblijf van eiser in de dienstwoning dus slechts vanwege zijn wijlen echtgenote. Nu die echtgenote is komen te overlijden verblijft eiser zonder recht of titel in de dienstwoning.
c) Eiser heeft bij zijn aanvraag van het recht op grondhuur van het litigieus perceel, niet aan gedaagde sub b medegedeeld dat gedaagde sub a het litigieus perceel reeds in gebruik had. Onbekend met de wetenschap heeft gedaagde sub b het litigieus perceel dus aan eiser toegewezen. Gedaagde sub a heeft de woning dringend nodig voor eigen gebruik, daar er andere ambtenaren van gedaagde sub a in de woning moeten worden geaccomodeerd.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer van gedaagde in reconventie

3.4 Eiser sub a vordert dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde wordt veroordeeld om binnen een maand na uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het perceelland met daarop staande woning gelegen op de hoek van [straat 1] en [straat 2] [nummer 4], deel uitmakende van de van [gebied] in het [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiser te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven, eiser gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.

3.5 De grondslag van de vordering is een onrechtmatige daad. Gedaagde zijn echtgenote had van eiser sub a het recht van gebruik van de dienstwoning en na haar overlijden is gedaagde in de dienstwoning gebleven. Het karakter van de dienstwoning brengt met zich mee dat het ter beschikking wordt gesteld van ambtenaren van eiser sub a, om hun dienst te vergemakkelijken. Het recht van gebruik is geëindigd met het overlijden van gedaagde zijn echtgenote. Gedaagde is diverse keren in gebreke gesteld om de woning te ontruimen daar hij zonder recht of titel in de woning verblijft, echter heeft hij geen gevolg gegeven aan de ingebrekestelling.

3.6 Gedaagde voert als verweer dat hij het recht van grondhuur rechtmatig heeft verkregen en dat de vervallenverklaring van de beschikking van 16 maart 2016 geen werking jegens hem heeft gekregen daar de beschikking nimmer aan hem is betekend op de door de wet voorgeschreven wijze. Voorts blijkt uit de beschikking niet dat de vervallenverklaring door het algemeen belang werd gevorderd en op artikel 31 van het decreet uitgifte domeingrond is gestoeld. Gedaagde heeft de beschikking van 16 maart 2016 niet “ontvangen” maar zelf naar aanleiding van de brief van 3 juni 2016, ten hypotheekkantore een afschrift van de beschikking aangevraagd. Slechts een bekendmaking conform de wet doet een vervallenverklaring jegens gedaagde intreden.

  1. De beoordeling in conventie

4.1 Het spoedeisend belang is uit de stellingen en weren van partijen voldoende aannemelijk gemaakt.

4.2 Het geschil tussen partijen strekt zich ten eerste uit tot de vraag welke consequentie wordt nu de Staat Suriname de beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] niet per deurwaardersexploit aan [naam 1] heeft betekend en het ook niet per aangetekend schrijven naar hem heeft gestuurd. Artikel 32 lid 2 van het Decreet Uitgifte Domeingrond vermeldt dat de beschikking van vervallenverklaring van het recht van grondhuur per deurwaardersexploit aan de belanghebbende moet worden betekend, maar dit artikel vermeldt niet wat de consequenties zijn van het niet naleven van deze bepaling. Opgemerkt zij dat dit artikel 32 spreekt over vervallenverklaring bij het niet naleven van de gestelde voorwaarden bij grondhuur door de grondhuurder (zie lid 1 en lid 3), waarvan in onderhavige zaak geen sprake is daar dat niet uit de beschikking van 16 maart 2016 blijkt. Uit dit artikel 32 valt dus niet te lezen dat de bekendmaking van vervallenverklaring op grond van andere redenen dan die vermeld in lid 1, per deurwaardersexploit aan de belanghebbende moet worden betekend. Kennelijk is daarom in de beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] onder kopstuk “heeft besloten” onderdeel III bepaald dat een afschrift van de beschikking onder aangetekend schrijven naar de belanghebbende (in deze [naam 1]) moest worden verzonden. Dat aangetekend schrijven heeft nimmer plaatsgevonden, echter vermeldt de beschikking niet wat de consequenties zijn bij het nalaten van deze bepaling door de Staat Suriname, in deze gedaagde sub b. Feit is dat eiser een afschrift van de beschikking van 16 maart 2016 heeft aangevraagd bij gedaagde sub b, nadat gedaagde sub a een schrijven gedateerd 3 juni 2016 aan eiser had gericht. Eiser was dus op de hoogte van de inhoud van voormelde beschikking en is het ten processe niet gebleken op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad. Derhalve zal de nalatigheid van gedaagde sub b om eiser niet per aangetekend schrijven op de hoogte te stellen van de inhoud van de beschikking van 16 maart 2016, er niet toe kunnen leiden dat de inwerkingtreding van voormelde beschikking niet tegen eiser kan worden ingeroepen.

4.3 De tweede vraag die partijen verdeeld houdt is of er sprake is van een gemengde overeenkomst tussen gedaagde sub a en eiser. Eiser had ter staving van zijn stelling dat er sprake was van een huurovereenkomst tussen hem en gedaagde sub a, nader feiten en omstandigheden moeten aandragen om zijn stelling te onderbouwen, echter heeft hij dat niet gedaan. Anders dan eiser beweert, heeft hij niet aannemelijk kunnen maken dat er sprake is van een gemengde overeenkomst tussen hem en gedaagde sub a en zijn de bepalingen van de huurbeschermingswet waarop hij zich beroept, derhalve niet van toepassing.

4.4 Uit de feiten onder 2 blijkt dat gedaagde sub b het perceelland met daarop staande woning aan de [straat 1] [nummer 4] in het [district], reeds jaren ter beschikking heeft gesteld aan gedaagde sub a en dat de woning op desbetreffende perceel als dienstwoning werd gebruikt voor ambtenaren van gedaagde sub a. Eiser en zijn wijlen echtgenote zijn vanaf het jaar 2004 tot en met 2008 in de woning van het Ministerie van Financiën gebleven omdat de dienstwoning aan de [straat 1] werd gerenoveerd. Eiser heeft pas in het jaar 2008 de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] betrokken met zijn echtgenote. De overeenkomst van gebruik was aangegaan tussen gedaagde sub a en de thans wijlen echtgenote van eiser, en is deze overeenkomst door het overlijden van de echtgenote van eiser beëindigd. Bovendien is eiser sedert 1 mei 2009 niet meer in dienst van gedaagde sub a. Thans blijft eiser dus zonder recht of titel op het litigieus perceel. Uit de feiten onder 2 blijkt ook dat de rechten van gedaagde sub a op het perceel ouder zijn dan die van eiser, immers had gedaagde sub a reeds jaren het gebruik van het litigieus perceel en is bij beschikking van 12 mei 2010 onder LaD [nummer 5] het perceelland waarop de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] staat ter beschikking gesteld van gedaagde sub a, terwijl eiser zijn aanvraag dateert van het jaar 2014 en zijn beschikking van het jaar 2015.

4.5 Het karakter van een dienstwoning brengt met zich mee dat de ambtenaar de dienstwoning zal moeten verlaten wanneer de dienst niet meer vergt dat hij in de dienstwoning verblijft. Nu eiser niet meer in dienst is van gedaagde sub a, heeft hij dus ook geen reden om zijn verblijf in de woning te continueren. De vervallenverklaring van het recht van grondhuur zoals vervat in de beschikking van 16 maart 2016 is terecht daar gedaagde sub a een ouder recht heeft op het litigieus perceel en dient dit recht ook te worden gerespecteerd. De omstandigheid dat in de beschikking van 16 maart 2016 niet is opgenomen dat de vervallenverklaring is gestoeld op algemeen belang, staat de rechtmatigheid van de vervallenverklaring niet in de weg. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde sub b de beschikking van 16 maart 2016 voldoende gemotiveerd.

4.6 Uit bovenstaande overweging volgt dat eiser een onrechtmatige daad pleegt omdat hij zonder recht of titel in de woning verblijft. De vordering van eiser in conventie wordt afgewezen en hij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

  1. De beoordeling in reconventie

Eiser sub a (de Staat Suriname, in deze het Ministerie van Defensie) heeft het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Al hetgeen wordt overwogen in conventie wordt ook overwogen in reconventie. De conclusie is dat de vordering van eiser sub a wordt toegewezen op de wijze als in het dictum is vermeld.

  1. De beslissing in conventie in kort geding

De kantonrechter:

6.1 Wijst de vordering af.

6.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten van dit geding en tot op heden begroot op nihil.

  1. De beslissing in reconventie in kort geding

De kantonrechter:

7.1 Veroordeelt gedaagde, de heer [naam 1], om binnen twee maanden na uitspraak van dit vonnis, het perceelland met daarop staande woning gelegen op de hoek van de [straat 1]en [straat 2] [nummer 4], deel uitmakende van [gebied] in het [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiser te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven, eiser sub a (De Staat Suriname, in deze het Ministerie van Defensie) gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.

7.2 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door de kantonrechter mr. M.V. Kuldip Singh en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.C. Johanns, in kort geding op maandag 30 juni 2016 in het derde kanton te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

w.g. M. Oedit Doebe w.g. M.V. Kuldip Singh

w.g. A.C. Johanns

SRU-HvJ-2017-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],

wonende in [district],

verzoekster,

gemachtigde: I.D. Kanhai Bsc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, VEEETEELT EN VISSERIJ,

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. M. Winter, Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het verzoekschrift d.d. 11 maart 2016 met producties;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 10 mei 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 augustus 2015;

– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 02 december 2016.

2. De feiten

Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoekster” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 Verzoekster is tot aan haar ontslag werkzaam geweest als ambtenaar, in de functie van Aspirant Landbouwvoorlichter L.V.V. ingedeeld in de functiegroep 05 (schaal 05B), in vaste dienst bij de Hoofdafdeling Regio West van het Onderdirectoraat Landbouw van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij.

2.2 Verzoekster heeft middels aangetekende post op 22 december 2015 een ontslagbeschikking ontvangen, gedateerd 29 oktober 2015 met het [nummer].

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

3.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:

A. De beschikking gedateerd 29 oktober 2015 [nummer] nietig te verklaren, althans te vernietigen, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Ambtenarenpensioenwet;

B. Om bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen, verweerder te veroordelen en te gelasten om binnen een week na uitspraak van het vonnis:

1. De beschikking gedateerd 29 oktober 2015 [nummer], met terugwerkende kracht vanaf 29 oktober 2015 ongedaan te maken, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Ambtenarenpensioenwet;

2. Verzoekster in de gelegenheid te stellen om haar werkzaamheden als normaal voort te zetten en haar daarin niet te hinderen;

3. Aan verzoekster te voldoen het salaris en alle daarbij gepaard gaande emolumenten vanaf januari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot en met de dag der algehele kwijting;

4. Het voldoen van een dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of iedere keer dat hij in strijd met het onder B 1 en 2 gevorderde zal handelen;

5. Tot betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten voor vastrecht ad SRD 60,-; deurwaarderskosten ad SRD 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.500,-.

Verzoekster heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij blijkens haar ontslagbeschikking is ontslagen op grond van een verklaring van de geneeskundige commissie gedateerd 25 juni 2015, waarin is aangegeven, dat verzoekster blijvend ongeschikt is voor de verdere dienst.

De ontslagbeschikking is in strijd met de Personeelswet vanwege het feit dat het ontslag ingevolge artikel 69 lid 2 onder f verleend zou moeten zijn en niet artikel 71 lid 4 zoals is vermeld onder de 2e overweging in de ontslagbeschikking.

Verzoekster diende overigens in aanmerking te komen voor een Invaliditeitspensioen, conform artikel 20 lid 1 sub b van de Ambtenarenpensioenwet 1972. Dit is echter nagelaten in de voornoemde beschikking.

Voorts is verzoekster van mening dat de Geneeskundige Commissie niet bevoegd is om een dergelijke verklaring af te leggen, daar de instructies betreffende het geneeskundig onderzoek bij ambtenaren conform artikel 44 van de Landsverordening van 03 december 1938 (G.B. 1938 no. 131) nimmer zijn vastgesteld.

De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat verzoekster vanaf het jaar 2013 tot en met het jaar 2015 niet aan het werk is verschenen vanwege ziekte. Er zijn geen mogelijkheden bekeken om verzoekster aangepaste werkzaamheden te laten verrichten, omdat zij niet aan het werk verscheen.

Pogingen van het waarnemend hoofd Personeelszaken om met verzoekster in contact te treden, teneinde mogelijkheden te bespreken om haar te reïntegreren zijn vruchteloos gebleven, omdat verzoekster niets van het Ministerie van LVV wilde horen. Vervolgpogingen om met verzoekster in contact te treden zijn eveneens mislukt, daar verzoekster telefonisch niet bereikbaar was. Vervolgens is de ontslagprocedure van verzoekster ingezet, daar zij door de Geneeskundige Commissie is afgekeurd voor verdere dienst.

4.De beoordeling van het geschil

4.1 Verzoekster is ingevolge artikel 80 lid 1 onder b van de Personeelswet tardief met het instellen van haar vordering. Zij verzoekt het Hof haar vordering op grond van overmacht niettemin ontvankelijk te verklaren. Immers is de vordering te laat ingesteld door omstandigheden buiten haar schuld.

4.1.1 Het Hof overweegt dat de termijn voor het instellen van een vordering bij de Burgerlijke Rechter in Ambtenarenzaken van openbare orde is.

Echter mogen niet alle termijnoverschrijdingen worden gevolgd door een niet-ontvankelijkheid. De mogelijkheid om de vordering alsnog ontvankelijk te verklaren dient te worden geopend, indien in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De indiener zal dan ook aannemelijk moeten maken dat het geschrift is ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs van hen kan worden verlangd. Onderscheid kan dan worden gemaakt tussen bijzondere omstandigheden die de indiener persoonlijk treffen zoals bijvoorbeeld ziekte of een ongeval, danwel omstandigheden die aan de kant van het Bestuursorgaan liggen.

Naar het oordeel van het Hof is in casu niet gebleken van een omstandigheid die aan de zijde van het Bestuursorgaan heeft gelegen. Evenmin is in casu sprake van een dusdanige omstandigheid aan de zijde van verzoekster, dat zij in redelijkheid niet in staat moest worden geacht haar vordering tijdig in te dienen. Naar het oordeel van het Hof is nalatigheid van de (gewezen) gemachtigde geen grond welk een beroep op overmacht rechtvaardigt en zal verzoekster ingevolge artikel 80 lid 1 sub b niet worden ontvangen in haar vordering.

4.2 Ten overvloede overweegt het Hof, dat ook indien verzoekster in haar vordering was ontvangen, de beslissing in haar nadeel zou zijn gevallen.

Immers is uit de stellingen en weren gebleken dat verzoekster over de kalenderjaren 2013 en 2014 in totaal 551 ziektedagen heeft genoten en gedurende die twee kalenderjaren geen werkzaamheden heeft verricht wegens ziekte. De Geneeskundige Commissie is conform artikel 1 van de Instructiën van de Geneeskundige Commissie en van den Secretaris dier Commissie bevoegd alle voorstellen te doen die haar in het belang van de haar opgedragen taak geraden voorkomen. Indien de landsdienaar blijvend ongeschikt wordt bevonden voor de verdere waarneming in zijn of haar ambt, wordt dit ter kennis aan de Gouverneur (lees President) gebracht.

Het niet bestaan van het Staatsbesluit inhoudende voorschriften met betrekking tot de geneeskundige controle ingevolge artikel 42 van de Personeelswet, levert naar het oordeel van het Hof geen ongeldig advies op. Verzoekster heeft zich immers aangemeld voor de herkeuring en zij is volgens de gebruikelijke procedure door de Geneeskundige Commissie onderworpen aan de keuring.

Voorts heeft de Geneeskundige Commissie een zelfstandige beoordelingsruimte naar aanleiding van het door hen ingesteld onderzoek en levert het niet overnemen van de aanbevelingen van de deskundige geen misleiding en bedrog op.

Blijkens de verklaring van de Ressortleider Regio Landbouw, Veeteelt en Visserij ([district]), [naam 1] is voor de leiding trouwens geen mogelijkheid geweest om aangepaste werkzaamheden voor verzoekster te creëren, daar zij niet op het werk verscheen in de eerdergenoemde periode.

Verzoekster heeft, blijkens de op de terechtzitting van 02 december 2016 afgelegde verklaringen, daarnaast geweigerd in gesprek te gaan met het waarnemend hoofd van de afdeling Personeelszaken, [naam 2] teneinde te trachten tot een minnelijke oplossing te komen.

Het Hof is tenslotte van oordeel dat het niet opnemen van het recht op Invaliditeitspensioen in de ontslagbeschikking, deze beschikking niet nietig maakt.

Gezien al het voorgaande, is niet komen vast te staan dat de beschikking van 29 oktober 2015 [nummer] in strijd met de Personeelswet en/of de Ambtenarenpensioenwet tot stand is gekomen.

5. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc. en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-6

G.R.No. 15122A

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A.[appellant sub A],

B.[appellant sub B],

C.[appellante sub C],

D.[appellant sub D],

E.[appellant sub E],

F.[appellant sub F],

allen wonende in [district], appellanten, gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

1.[geïntimeerde sub 1],

2.[geïntimeerde sub 2],

3.[geïntimeerde sub 3], allen wonende in [district], geïntimeerden, gemachtigde: mr. J.R. Garib, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 20 oktober 2015 (A.R.No. 12-2335) tussen appellanten als eisers in eerste aanleg en geïntimeerden als gedaagden in eerste aanleg, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 21 oktober 2015 hoger beroep hebben ingesteld;

– de memorie van grieven met een productie overgelegd op 24 december 2015;

– ten dage bepaald voor pleidooi, heeft de procesgemachtigde van appellanten mondeling gepersisteerd bij de memorie van grieven en heeft hij gevraagd om vonnis te wijzen terwijl de procesgemachtigde van geïntimeerden eveneens mondeling heeft gevraagd om vonnis te wijzen;

– de rechtsdag voor de uitspraak die nader was bepaald op 3 maart 2017, doch bij vervroeging op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

Partijen waren op de dag van de uitspraak (20 oktober 20 1 5) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Appellanten hebben bij schrijven van hun procesgemachtigde op 21 oktober 2015 appel aangetekend, terwijl een afschrift van het vonnis per griffiersbrief d.d. 08 december 2015 naar partijen is verzonden. Gesteld noch gebleken is dat appellanten niet tijdig in appel zijn gekomen, zodat appellanten in hun appel kunnen worden ontvangen.

3. De feiten

3.1 Aan [naam 1] gehuwd met [naam 2], is bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 03 maart 2003, LaD [nummer], het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur van 40 jaren, verleend op het perceelland groot 3,0348 ha, gelegen in [district] te [adres] bekend als [nummers] en nader aangeduid op in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD.

3.2 Blijkens onderhandse koopovereenkomst I d.d. 14 januari 2010, hebben dhr. [naam 1] en mevr. [naam 2] (thans erflaters), die hun respectieve duimafdrukken na voorlezing in de hindoestaanse taal door een beëdigde tolk, in tegenwoordigheid van de alhier residerende notaris mr. G.M.R.S. Ramautar onder de koopovereenkomst hebben geplaatst, aan geïntimeerde sub 1 verkocht: het deel groot 71 33,56 m2 gelegen in [district] te [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter C.A. Cairo, Les., d.d. 05 oktober 2009 met de letters AFED, deel uitmakende van het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, vervallen 25 april 2043, op het perceelland groot 3, 0348 ha, gelegen in [district] te [adres], bekend als [nummers] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD (hierna onroerend goed I), voor de koopsom van SRD 1,- waarvoor kwijting is verleend en waarbij aan de koper onherroepelijke last en volmacht is verleend om het gekochte na verkregen toestemming op zijn naam te doen overschrijven, van welke koopovereenkomst op 18 januari 2010 aantekening is gemaakt in de registers ten hypotheekkantore onder [nummer 2].

3.3 Blijkens onderhandse koopovereenkomst II d.d. 14 januari 2010, hebben dhr. [naam 1] en mevr. [naam 2] (thans erflaters), die hun respectieve duimafdrukken na voorlezing in de hindoestaanse taal door een beëdigde tolk, in tegenwoordigheid van de alhier residerende notaris mr. G.M.R.S. Ramautar onder de koopovereenkomst hebben geplaatst, aan geïntimeerde sub 2 verkocht: het deel groot 0,8114 ha, gelegen in [district] te [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter H Soedhwa, Lcs., d.d. 14 december 2009 met de letters EFGH, deel uitmakende van het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, vervallen 25 april 2043, op het perceelland groot 3, 0348 ha, gelegen in [district] te [adres], bekend als [nummers] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD (hierna onroerend goed II), voor de koopsom van SRD 1,– waarvoor kwijting is verleend en waarbij aan de koper onherroepelijke last en volmacht is verleend om het gekochte na verkregen toestemming op zijn naam te doen overschrijven, van welke koopovereenkomst op 20 januari 2010 aantekening is gemaakt in de registers ten hypotheekkantore onder [nummer 3].

3.4 [naam 1] is op 19 mei 2010 te Paramaribo overleden en is gehuwd geweest met [naam 2], die op 09 september 2012 te Paramaribo is overleden (de erflaters).

3.5 Appellanten sub A t/m D en geïntimeerden zijn kinderen van de erflaters, terwijl appellanten sub E en F kleinkinderen zijn van de erflaters, zijnde kinderen van een vooroverleden zoon van de erflaters

3.6 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 16 oktober 2014, LaD [nummer 4] is goedgekeurd dat door [naam 1] wordt overgedragen aan geïntimeerde sub B het navolgend onroerend goed: het recht van grondhuur op het stuk grond groot 0,8114 ha, nader aangeduid op de overgelegde kaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa, Lcs., d.d. 14 december 2009 met de letters EFGH, deel uitmakende van het bij dezerzijdse beschikking van 02 januari 2003 [nummer 5] in grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw afgestane perceelland groot 3,0348 ha, gelegen in [district] te [adres], bekend als [nummers].

3.7 Blijkens verklaring van de alhier residerende notaris mr. J.G. Kemp d.d. 10 februari 2015, is heden aan geïntimeerde sub B geleverd het navolgend onroerend goed: Een stuk grand met de titel ’grondhuur ’, groot 08114 4 ha, gelegen in [district], te [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter H Soedhwa, Lcs., d.d. 17 december 2014 met de letters EFGH, waarbij aan de ommezijde van de kaart aantekening is gesteld door de landmeter G.A. Halfhide, BSc., d.d. 1 6 december 2014, dat het perceelland voortaan bekend zal staan als [adres] [nummer 6], deel uitmakende het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur vervallende 25 april 2043, groot 3,0348 ha te [adres], [nummers] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD.

Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 20 oktober 2015 tussen partijen bekend onder A.R.No. 12-2335, waarvan beroep, is voor recht verklaard dat de tussen de erflaters en gedaagden sub A en B aangegane overeenkomsten van koop/verkoop d.d. 14 januari 201 0 en 16 januari 2010 schenkingen betreffen en dat die dienen te worden ingebracht bij de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters.

4. De vordering in eerste aanleg

Appellanten hebben, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. geïntimeerden te veroordelen om binnen 1 maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, samen met appellanten over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de heer [naam 1] overleden op 19 mei 2010 en van [naam 2] overleden op 09 september 2012;

B. te benoemen een notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden, voor zover partijen het hierover niet eens mochten worden binnen een maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en van een of meer onzijdige personen voor gedaagden, indien zij weigeren mochten of nalaten zullen, hun medewerking te verlenen aan de scheiding en deling;

C.I Primair: nietig te verklaren, althans te vernietigen de overeenkomsten van koop/verkoop d.d. 14 januari 2010 en 16 januari 2010 m.b.t. de onroerende goederen I en II;

Subsidiair: voor recht te verklaren dat genoemde overeenkomsten van koop/verkoop, voorgenomen schenkingen betreffen en dienen te worden ingebracht bij de scheiding en deling van de nalatenschap van [naam 1];

C.2 de doorhaling te gelasten van de inschrijvingen van bedoelde overeenkomsten in de registers van het hypotheekkantoor onder [nummer 2] en [nummer 3].

5. De grieven

Appellanten hebben een viertal grieven aangevoerd welke bij de beoordeling van het geschil zullen worden verwoord en behandeld.

6. De vordering in Hoger Beroep

Appellanten concluderen in dit hoger beroep op deze gronden appellanten ontvankelijk te willen verklaren in hun beroep en te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende geïntimeerden alsnog te veroordelen zoals gevorderd in eerste aanleg.

7. Het verweer

Geïntimeerden hebben op de door appellanten aangevoerde grieven geen verweer gevoerd, doch hebben vonnis gevraagd.

8. De beoordeling

8.1 Grief I: de conclusie dat er geen nalatenschap is.

8.1.1 Appellanten voeren aan dat de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte de gevorderde scheiding en deling heeft afgewezen, terwijl tussen partijen in confesso is dat de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters niet heeft plaatsgevonden. Immers, appellanten hebben nimmer gesteld dat slechts het recht van grondhuur op het perceelland het enige vermogen is.

8.1.2 Geïntimeerden hebben in eerste aanleg aangevoerd dat zij geen bezwaar hebben tegen de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters, doch is het volgens hun van eminent belang dat de onroerende goederen I en II niet vallen in de nalatenschap, weshalve er dus geen scheiding en deling daarvan kan plaatsvinden.

8.1.3 Het hof overweegt dat als niet betwist vaststaat tussen partijen dat er een te verdelen boedel bestaat, welke meer omvat dan het in grondhuur uitgegeven perceelland. Meer nog, naar het oordeel van het hof omvatten de onroerende goederen I en II samen – zonder nog te praten over de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomsten – slechts de helft van het in grondhuur uitgegeven perceelland aan de vader van partijen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte geconcludeerd tot afwijzing van de gevorderde scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters, nu vaststaat dat er een opengevallen nalatenschap is waarvan de scheiding en deling nog niet heeft plaatsgevonden. Grief I is derhalve gegrond en leidt reeds tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

8.2 Grief II: de conclusie dat het recht van grondhuur van rechtswege is vervallen.

8.2.1 Appellanten voeren aan dat de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte onder 4.1 van de beoordeling heeft geconcludeerd dat het recht van grondhuur van rechtswege zou zijn vervallen op grond van artikel 16 van het Decreet Uitgifte Domeingrond (DUD), waarbij de kantonrechter naar hun oordeel voorbij is gegaan aan de zinsnede van het bepaalde in lid 2 van dat wetsartikel: ”…tenzij in geval van overmacht… ”, waarvan in casu sprake is, daar er weigerachtige erfgenamen zijn en er een rechtsgeschil is over de rechtsgeldigheid van de door de erflaters en bepaalde erfgenamen gepleegde rechtshandelingen. Immers, ook al zou het recht van grondhuur op bedoelde percelen zijn vervallen, dan nog komt de beterschap op het perceelland aan de erfgenamen toe. Overigens achten appellanten het bepaalde in voornoemd artikel in strijd met het karakter van het zakenrecht, daar zakelijke rechten op onroerende goederen niet van rechtswege kunnen vervallen.

8.2.2 Het hof overweegt dat ingevolge artikel 16 lid 1 DUD uitdrukkelijk voorschrijft dat het recht van grondhuur van rechtswege vervalt, doch is dit niet zonder meer het geval, met name indien er sprake is van overmacht ingevolge artikel 16 lid 2 DUD. Voorts is het in de praktijk gebleken dat erfgenamen ook na de 18 maanden na het overlijden van de grondhuurder, in de gelegenheid worden gesteld om alsnog in aanmerking te komen voor het recht van grondhuur op het perceel. Bovendien, overweegt het hof dat geïntimeerden sub A en B reeds een onherroepelijke volmacht hebben om toestemming te verkrijgen met betrekking tot de aan hun geschonken delen op hun namen. In ieder geval blijkt naar het oordeel van het hof uit de overgelegde producties dat aan geïntimeerde sub B reeds toestemming is verleend voor overdracht van een deel van het onroerend goed op zijn naam, hetgeen volgens verklaring van de notaris reeds is geschied.

De kantonrechter heeft in eerste aanleg derhalve ten onrechte geconcludeerd dat het recht van grondhuur op het perceelland van rechtswege reeds was vervallen. Grief II is gegrond en leidt eveneens tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

8.3 Grief III: de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomsten.

8.3.1 Appellanten voeren aan dat de kantonrechter in eerste aanleg de gevorderde nietigverklaring dan wel vernietiging van de koopovereenkomsten niet dan wel niet voldoende gemotiveerd heeft afgewezen, terwijl de kantonrechter voorbij is gegaan aan hun ter zake aangeboden

8.3.2 Appellanten hebben in eerste aanleg aangevoerd dat de koopovereenkomsten niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, doch was de erflater wel voornemens om het perceelland onder bepaalde kinderen te verdelen (schenken); echter is de verdeling niet voltooid omdat de erflater alstoen ernstig ziek was en alzo niet in staat was zijn wil (naar behoren) kenbaar te maken. Appellanten hebben uitdrukkelijk bewijs aangeboden ten aanzien van de gezondheidstoestand van de vader, die overigens aannemer was in de bouw en kon lezen en schrijven, weshalve hij in staat was zijn handtekening te plaatsen, reden waarom zij zich afvragen waarom de vader een duimafdruk moest plaatsen op de koopovereenkomsten in plaats van een handtekening.

8.3.3 Geïntimeerden hebben in eerste aanleg aangevoerd dat de erflaters ten overstaan van de notaris de onroerende goederen I en II aan geïntimeerden sub A en B hebben verkocht, terwijl appellanten niet kunnen bewijzen dat het in casu om een schijnkoop gaat. Volgens geïntimeerden zijn de erflaters er niet meer, zodat nimmer achterhaald zou kunnen worden wat zij precies zouden hebben gewild. Volgens geïntimeerden hebben de erflaters willens en wetens ten overstaan van de notaris de onroerende goederen I en II aan geïntimeerden sub A en B verkocht, terwijl appellanten hun verzoek hebben onderbouwd met blote stellingen.

8.3.4 Het hof overweegt dat, hoewel appellanten in eerste aanleg hebben gesteld dat ze zich afvragen waarom hun vader een duimafdruk onder de koopovereenkomsten heeft geplaatst terwijl hij kon lezen en schrijven, appellanten voornoemde stelling niet hebben onderbouwd middels overlegging van een stuk waaruit de of een handtekening van hun vader zou moeten blijken; evenmin hebben appellanten gesteld dat de koopovereenkomsten vals zijn, althans dat het niet de duimafdrukken van de erflaters Bovendien praten appellanten slechts over de handtekening dan wel duimafdruk van hun vader, terwijl de duimafdruk van hun moeder eveneens onder voormelde koopovereenkomsten staat, hetgeen niet wordt betwist of van valsheid beticht.

8.3.5 Voorts overweegt het hof dat appellanten in eerste aanleg hebben aangevoerd dat hun vader, ten tijde van de ondertekening van de koopovereenkomsten niet in staat was zijn wil (naar behoren) kenbaar te maken, terwijl appellanten eveneens hebben aangevoerd dat het de bedoeling was om het perceelland aan bepaalde kinderen te schenken, doch dat de verdeling niet voltooid werd omdat hun vader alstoen ernstig ziek was en alzo niet in staat was zijn wil (naar behoren) te verklaren. Naar het oordeel van het hof hebben appellanten ook deze stelling, dat hun vader ernstig ziek was en niet in staat was zijn wil (naar behoren) te bepalen, niet onderbouwd middels een doktersverklaring of enig ander stuk, terwijl appellanten niet hebben betwist dat de erflaters in tegenwoordigheid van de notaris voornoemd, hun duimafdruk hebben geplaatst onder de koopovereenkomsten. Appellanten spreken daarbij naar het oordeel van het hof, zichzelf tegen door aan de andere kant te stellen dat het de bedoeling was het hele perceelland onder bepaalde kinderen te verdelen c.q. schenken, doch dat deze niet is voltooid, waarmee appellanten erkennen dat zij op de hoogte waren van de bedoeling van de erflaters, doch is het bij de uitvoering slechts gebleven bij de verdeling ten aanzien van de geïntimeerden sub A en B, terwijl de helft van het perceelland nog onverdeeld is. Bovendien heeft de ondertekening in januari 2010 plaatsgevonden, terwijl de vader in mei 2010 is overleden.

8.3.6 Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter in eerste aanleg derhalve terecht voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van appellanten, als zijnde niet voldoende onderbouwd, nu de akten die bindend zijn tussen partijen, niet gemotiveerd zijn betwist of van valsheid zijn beticht.

8.3.7 Het hof stelt voorop, dat er in casu sprake is van giften, nu uit de koopovereenkomsten duidelijk blijkt dat het niet anders kan zijn geweest, dan dat het de bedoeling van de erflaters was om geïntimeerden sub A en B te bevoordelen middels de koopovereenkomsten, aangezien de koopsom van SRD 1,- nimmer de reële waarde van de respectieve onroerende goederen kan zijn. Naar het oordeel van het hof is er hiervoor geen taxatierapport als bewijs vereist. Grief III is derhalve ongegrond.

8.4. Grief IV: tegenstrijdigheid van de beslissing.

8.4.1 Appellanten voeren aan dat naar hun oordeel het vonnis waarvan beroep tegenstrijdig is, nu de kantonrechter aan de ene kant de gevorderde scheiding en deling heeft afgewezen, terwijl hij aan de andere kant voor recht verklaart dat de koopovereenkomsten schenkingen betreffen die ingebracht dienen te worden bij de scheiding en deling van de nlatenschap.

8.4.2 Appellanten hebben in eerste aanleg aangevoerd dat indien de kantonrechter de koopovereenkomsten rechtsgeldig verklaart, het in casu zou moeten gaan om een schijnkoop (een koop tegen een te lage prijs), zodat de voorgenomen overdracht als een schenking moeten worden gezien en dus zouden moeten worden

8.4.3 Geïntimeerden betwisten dat de onroerende goederen I en II zouden moeten worden ingebracht.

8.4.4 Het hof overweegt, mede in acht nemende hetgeen is overwogen onder 8.3.6 van dit vonnis, dat aangezien uit de koopovereenkomsten niet blijkt dat de gedane giften zijn vrijgesteld van inbreng, de onroerende goederen I en II ingevolge artikel 1113 lid 1 BW dienen te worden ingebracht in de nalatenschap van de erflaters. De kantonrechter heeft in eerste aanleg terecht geoordeeld dat de onroerende goederen I en II ingebracht dienen te worden, doch heeft hij onterecht geconcludeerd dat de scheiding en deling diende te worden afgewezen. Grief IV is derhalve gegrond en leidt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

8.5 Het hof concludeert dat nu de door appellanten aangevoerde grieven I, II en IV gegrond zijn bevonden, het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve vernietigd worden.

8.6 Aangezien tussen partijen vaststaat dat er een te verdelen boedel tussen hen bestaat waartoe zij allen gerechtigd zijn en over de wijze van verdeling waarvan geen overeenstemming kan worden bereikt, zal het door appellanten in eerste aanleg gevorderde onder A en B als op de wet gegrond worden toegewezen.

8.7 Het hof overweegt voorts dat gelet op hetgeen is overwogen onder 8.3 van dit vonnis, het subsidiair gevorderde onder C. I. van het petitum als op de wet gegrond zal worden toegewezen. Het overig door appellanten gevorderde zal als niet op de wet gegrond worden afgewezen. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring van dit vonnis zal eveneens als ongegrond worden afgewezen, vanwege de aard van de vordering.

8.8 Nu, het in casu een te verdelen boedel betreft, zullen de proceskosten ten laste van de te verdelen boedel worden opgebracht.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen op 20 oktober 2015 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.No. 12-2335, waarvan beroep, en

OPNIEUW RECHTDOENDE

9.2 Veroordeelt geïntimeerden om binnen een maand na betekening van dit vonnis, met appellanten over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de heer [naam 1] overleden op 19 mei 2010 en van [naam 2] overleden op 09 september 2012, met benoeming tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden, G.H.B. Blom, dan wel diens waarnemer of opvolger, voor zover partijen alsdan geen overeenstemming hebben kunnen bereiken omtrent een aan te wijzen notaris;

tevens worden tot onzijdige personen benoemd, voor het geval een der partijen weigeren mocht om mede te werken aan de scheiding en deling voornoemd, aan de zijde van appellanten: mr. L.E. Palmburg, advocaat, en aan de zijde van geïntimeerden: mr. V.V.C. Pique, advocaat.

9.3 Verklaart voor recht dat de koopovereenkomsten I en II, d.d. 14 januari 2010 giften betreffen die ingebracht dienen te worden bij de scheiding en deling van de nalatenschap van wijlen [naam 1] en van [naam 2].

9.4 Bepaalt dat de proceskosten tot heden ten laste zullen komen van de te verdelen boedel en begroot op Nihil.

9.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Loi Tam Loi namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens mr. R. Garib, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

mr. S.K. Ghopie, Wnd.Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2017-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

APINTIE N.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

appellante in kort geding,

gemachtigde: mr. H.A.M. Essed, advocaat,

tegen

SURINAME CABLE & COMMUNICATION NETWORK N.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

geïntimeerde in kort geding,

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 21 november 2016 (A.R.NO.16-5309) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk “SCCN” en “Apintie”;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

– Het schrijven van de advocaat van Apintie gedateerd 01 december 2016 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 01 december 2016 – waaruit blijkt dat Apintie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 21 november 2016;

– De memorie van grieven zijdens appellante, onder overlegging van producties;

– De memorie van antwoord zijdens geïntimeerde, onder overlegging van een productie;

– De repliekpleitnota en uitlating productie de dato 05 mei 2017;

– De dupliekpleitnota de dato 12 mei 2017;

– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 SCCN heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad Apintie zal worden verboden de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden. Voorts heeft zij gevorderd dat Apintie zal worden verboden de samenvattingen (highlights) van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden. Eveneens heeft zij gevorderd dat Apintie zal worden verboden programma’s van de sportchannels SportMax/SportsMax2 seizoen 2016/2017 of van enige andere omroeporganisatie, waartoe alleen SCCN is gerechtigd, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden. Daarnaast heeft SCCN gevorderd dat Apintie zal worden veroordeeld het te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,- per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het bepaalde in het te wijzen vonnis te voldoen. Ten slotte heeft SCCN gevorderd dat Apintie zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

1.2 De kantonrechter heeft bij vonnis van 21 november 2016 (A.R.No. 16-5309) – kort gezegd -de vordering van SCCN toegewezen en is Apintie in de kosten van het geding aan de zijde van SCCN gevallen veroordeeld.

2.1 Apintie heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 01 december 2016 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 01 december 2016 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 21 november 2016. Tevens blijkt uit laatstvermeld vonnis dat SCCN vertegenwoordigd door advocaat mr. C. Meynaar namens haar gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest terwijl advocaat E.C.M. Hooplot namens de gemachtigde van Apintie bij de uitspraak in eerste aanleg tegenwoordig is geweest. Nu de appèlaantekening op 01 december 2016 heeft plaatsgevonden heeft Apintie ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

2.2 Apintie heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

2.2.1 La Liga Nacional de Footbol Professional is de rechtmatige eigenaar van de door haar georganiseerde Eerste Divisie van de Spaanse voetbal competitie in Spanje, de Primera Division meer bekend als La Liga.

2.2.2 Bij overeenkomst van 30 september 2016 heeft de International Media Content LTD, hierna te noemen IMC, aan SCCN verleend de uitzendrechten van alle wedstrijden gespeeld in het kader van het seizoen 2016/2017.

2.2.3 Bij schrijven van 26 september 2016 afkomstig van IMC aan SCCN heeft de managing Director van IMC aan SCCN bevestigd dat zij aan niemand anders dan SCCN en ESPN een licentie hebben afgestaan.

2.2.4 Bij e-mail bericht van 30 september 2016 heeft SCCN aan een aantal televisie- en radiostations, waaronder Apintie, te kennen gegeven dat zij de televisie uitzendrechten bezit van La Liga seizoen 2016/2017. Als bijlage heeft SCCN bijgesloten de “IMC rights confirmation letter”.

2.2.5 Bij e-mail bericht van 5 oktober 2016 afkomstig van [naam] van SportsMax Limited gericht aan Apintie wordt onder de aandacht van Apintie gebracht dat [naam] IMC vertegenwoordigd en in dat kader aan Apintie te kennen geeft dat IMC sublicenties heeft verstrekt aan SCCN en ESPN alleen. In dat bericht wordt Apintie verzocht om de rechten van de sublicenties SCCN en ESPN te respecteren.

2.2.6 Bij e-mailbericht van 11 oktober 2016 heeft Apintie aan [naam] teruggeschreven dat het bericht van haar voor hun verwarrend is. Apintie stelt daarin dat zij eerst een schrijven hebben ontvangen welke van IMC zou zijn. Echter wordt nu een e-mailbericht ontvangen van SportsMax Limited. Apintie voert voorts aan in dat schrijven dat is geprobeerd om met de directeur van IMC in contact te treden, doch dat dat niet is gelukt. Apintie geeft aan dat zij een brief van IMC wensen en dat zij geen brieven kunnen accepteren zonder officieel brievenhoofd of contact informatie.

2.2.7 [naam] heeft bij e-mailbericht van 17 oktober 2016 gereageerd op het schrijven van Apintie waarbij zij uiteen heeft gezet dat SportsMax Ltd een dochteronderneming is van IMC. Dat IMC de rechten heeft verleend aan SCCN en ESPN alleen en dat er geen andere gerechtigden zijn voor Suriname. Zij vraagt in dat bericht aan Apintie om de rechten van IMC en SCCN te respecteren, bij gebreke waarvan er gerechtelijke stappen zullen worden ondernomen.

2.2.8 Op 29 oktober 2016 is bij exploit van deurwaarder S.W. Niekoop LLB, met nummer 1574, aan Apintie betekend het schrijven d.d. 28 oktober 2016 afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN waarin zij onder de aandacht van Apintie brengt dat deze ondanks de brieven van SCCN, IMC en [naam], toch wedstrijden van La Liga uitzendt. De raadsvrouwe heeft in dat schrijven Apintie aangemaand om onmiddellijk te stoppen met het uitzenden, bij gebreke waarvan juridische stappen tegen Apintie zullen worden ondernomen.

2.2.9 Op 29 oktober 2016 is een tweede brief, gedateerd 29 oktober 2016, afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN aan Apintie betekend waarin wordt aangehaald dat Apintie, ondanks het schrijven van 28 oktober toch op 29 oktober weer wedstrijden heeft uitgezonden. Ook in dit schrijven maant zij Apintie aan om de uitzendrechten van SCCN te respecteren.

2.2.10 Aan deze aanmaningen heeft Apintie geen gevolg gegeven.

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft SCCN – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat IMC de exclusieve bezitter is van de commerciӫle rechten van de Spanish First Division Football League, beter bekend als La Liga, inclusief de uitzendrechten op de televisiebeelden en of satelietbeelden van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld in het kader van de La Liga Competitie. IMC heeft deze rechten voor de periode 2015 tot 2020 verkregen van de Liga Nacional de Futbol Profesional. IMC is voor het Caribisch gebied de enige die op wettige wijze aan omroeporganisaties c.q. broadcasters de bevoegdheid kan geven om de betreffende beelden uit te zenden. SCCN heeft op 26 september 2016 een overeenkomst met IMC gesloten uit hoofde waarvan SCCN de exclusieve uitzendrechten heeft verworven voor het uitzenden van de La Liga Competition 2016/2017 voor onder andere televisie in Suriname. Tot het programma van de La Liga behoren de voetbalwedstrijden, de highlights van de wedstrijden en alle andere evenementen terzake de La Liga Competition. SCCN heeft aan al haar concurrenten, inclusief Apintie, per mail van 30 september 2016 medegedeeld dat zij de exclusieve rechten heeft verworven voor het uitzenden van de La Liga Competitie van 2016/2017. Ondanks dit schrijven zendt Apintie toch de wedstrijden uit. Hiermee schendt zij de exclusieve uitzendrechten van SCCN en handelt zij onrechtmatig. Alsgevolg van dit onrechtmatig handelen lijdt SCCN schade, immers is SCCN om de kosten voor de verwerving van de exclusieve uitzendrechten terug te kunnen verdienen, afhankelijk van bedrijven die de uitzendingen middels advertenties wensen te sponsoren. Door de beelden ook uit te zenden en onrechtmatig ook sponsors op de toch al kleine Surinaamse markt te werven beconcurreert Apintie SCCN op een onrechtmatige wijze en zal SCCN niet in staat zijn voldoende sponsoring voor de activiteiten te vergaren. Hierdoor zal zij verlies lijden;

2.4 Apintie heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij betwist dat IMC de bezitter is van de exclusieve commerciële rechten van La Liga en dat SCCN dat op geen enkele wijze heeft aangetoond. In het verlengde hiervan heeft zij aangevoerd dat IMC geen exclusieve uitzendrechten aan SCCN heeft overgedragen nu uit de overeenkomst blijkt dat er sprake is van “non-exclusive rights”. Voorts heeft zij aangevoerd dat zolang niet blijkt dat La Liga het IMC de exclusieve rechten heeft verleend, niet ervan kan worden uitgegaan dat IMC rechten aan SCCN zou kunnen hebben verleend. Eveneens heeft zij aangevoerd dat uit de door Apintie overgelegde producties blijkt dat eerder ook door media brieven zijn gestuurd waarin wordt beweerd dat exclusieve rechten zijn verleend voor een competitie, doch dat later bleek dat de rechten door de eigenaar van de rechten aan een ander medium waren verleend. Ten slotte heeft zij aangevoerd dat op grond van het voorgaande het niet aannemelijk is dat Apintie zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen;

2.5 In hoger beroep concludeert Apintie tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende SCCN niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar vordering af te wijzen als te zijn ongegrond en onbewezen, met veroordeling van SCCN in de kosten van beide instanties;

2.6 Apintie heeft voorts grieven aangevoerd tegen voormeld vonnis de dato 21 november 2016 en aangegeven – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – dat de kantonrechter ten onrechte is voorbij gegaan aan het door Apintie gestelde bij antwoord dat uit geen enkel door SCCN overgelegde overeenkomst de rechtsrelatie tussen IMC en Sportsmax blijkt. De kantonrechter heeft zonder meer aangenomen dat Sportsmax een rechtsverhouding tot IMC heeft op grond waarvan zij verklaringen namens IMC kan afleggen. Voorts heeft Apintie aangevoerd – kort gezegd – dat de kantonrechter ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat IMC de uitzendrechten van La Liga verkregen heeft, terwijl die gerechtigdheid juist het begin van de bewijsketen moet zijn. Apintie heeft er uitdrukkelijk op gewezen dat al de documenten (met uitzondering van de overeenkomst tussen IMC en SCCN) eenzijdige verklaringen van of IMC of Sportsmax zijn en dat die in rechte geen bewijs kunnen opleveren voor een meerzijdige rechtsverhouding tussen La Liga en IMC. Evenmin kan voornoemde overeenkomst een bewijs opleveren voor zulk een rechtsverhouding tussen La Liga en IMC. Als tweede grief heeft Apintie aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in punt 5.10 van het vonnis heeft overwogen dat “Apintie geen enkel document heeft overgelegd welke een weerlegging inhoudt van hetgeen in de mails, de overeenkomst en de press-release staat en op de website staat vermeld. Het verweer van Apintie is daardoor niet voldoende om de aannemelijkheid van de feiten zoals door SCCN gesteld, te weerleggen”. Als derde grief heeft Apintie aangevoerd dat de kantonrechter geheel ten onrechte voorbij is gegaan aan de vraag die Apintie heeft gesteld in punt 8 van het dupliek, namelijk of niet IMC de vordering tegen Apintie zou moeten instellen. In dat geval zou IMC namelijk deugdelijk bewijs moeten overleggen van haar rechtsverhouding tot La Liga, welke rechtsverhouding mede – grondslag van de vordering is;

2.7. SCCN heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grieven. Gelet op de samenhang tussen de grieven zal de kantonrechter die gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen. Naar het oordeel van het hof bestrijdt Apintie eerstens dat SCCN bij de aangegane overeenkomst met het IMC, de exclusieve uitzendrechten heeft verworven op het uitzenden van de La Liga Competition 2016/2017 voor o.a. televisie binnen Suriname. Daarbij wordt door Apintie – kort gezegd – het accent gelegd op het woord “non-exclusive right” onder de artikelen 9 en 10 van voormelde overeenkomst. In het verlengde hiervan trekt Apintie – althans zo vat het hof dat op – de beschikkingsbevoegdheid van IMC in twijfel. Met name voert zij aan dat niet is gebleken dat IMC beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de uitzendrechten van de voetbalwedstrijden van La Liga. Naar het oordeel van het hof gaat deze grief niet op. Evenals de kantonrechter onder 5.7, 5.8, 5.9 en 5.10 van het vonnis waarvan beroep, heeft overwogen is het hof van oordeel dat uit de inhoud van de in het geding gebrachte documenten in onderling verband en samenhang beschouwd voldoende aannemelijk is geworden dat IMC beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de uitzendrechten van de voetbalwedstrijden van de La Liga Competition 2016/2017 en derhalve SCCN die rechten rechtsgeldig heeft verworven voor o.a. televisie binnen Suriname. Uit het bepaalde in artikel 15 van voormelde overeenkomst de dato 26 september 2016 onder de kop “ Clearances “ blijkt met name dat IMC de garantie geeft dat zij beschikkingsbevoegd is ten aanzien van het commercialiseren van de competities van La Liga zoals genoemd in de overeenkomst. Apintie heeft daartegen bloot aangevoerd dat zij de beschikkingsbevoegdheid van IMC in twijfel trekt en dat voormelde passage in de overeenkomst een zgn. partijverklaring betreft, waaraan geen bewijskracht – althans zo vat het hof dat op – kan worden toegekend. Aan voormelde grief van Apintie zal worden voorbijgegaan aangezien voormelde bepaling in de litigieuze overeenkomst tussen IMC en SCCN niet voor velerlei interpretaties vatbaar is en niet in redelijkheid van SCCN kan worden gevergd dat zij daarnaast additioneel onderzoek doet naar en aannemelijk maakt de onderliggende rechtsverhouding tussen IMC en Liga Nacional de Futbol Profesional (“La Liga”). Voor zover Apintie meent gemotiveerd verweer dienaangaande te moeten voeren dan had het op haar weg gelegen om het tegendeel aannemelijk te maken hetgeen zij heeft nagelaten zoals de kantonrechter in het beroepen vonnis terecht heeft overwogen. De grief van Apintie dat de kantonrechter daarmede de bewijslast zou hebben omgekeerd is derhalve eveneens ongegrond gebleken aangezien de kantonrechter heeft geconstateerd – kort gezegd – dat de grondslag van het gevorderde uit de inhoud van de door SCCN in het geding gebrachte producties voldoende aannemelijk is geworden terwijl Apintie heeft volstaan met die aannemelijkheid bloot te weerspreken zonder dat op enigerlei wijze te staven. De rechtsrelatie tussen IMC en Sportsmax Ltd is onder de vaststaande feiten in het beroepen vonnis en onder 2.2.7. van dit vonnis eveneens uitgewerkt zodat dat geen verdere bespreking behoeft;

2.9. De grief van Apintie dat ertoe strekt – kort gezegd – dat niet SCCN maar IMC de vordering tegen haar diende in te stellen haalt het niet in rechte. Met de vaststelling dat SCCN de exclusieve uitzendrechten van IMC heeft verkregen is SCCN naar het oordeel van het hof gerechtigd om op te treden tegen inbreuken op die rechten door derden;

2.10. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grieven geen opgeld doen en dienen te worden verworpen. De consequentie van het voorgaande is dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd en Apintie zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van SCCN in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

2.11. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal het hof – als voor de beslissing niet langer relevant zijnde – achterwege laten.

3.De beslissing in kort geding in hoger beroep

Het hof:

3.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 21 november 2016, A.R.No. 16-5309, waarvan beroep.

3.2 Veroordeelt Apintie in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van SCCN gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus in kort geding gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 19 mei 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. J.A. Nazir namens advocaat mr. H.A.M. Essed en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. M.G.A. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2017-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME G.R.No. 15178

BESCHIKKING

Gelezen het schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker], hierna aangeduid als [verzoeker] , van 23 augustus 2016, waarbij het middel van hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 17 augustus 2016 gegeven in de procedure bekend onder A.R.No. 16-3971 welke door [verzoeker] is aangelegd tegen de Stichting La Prevoyance en [gedaagde], hierna aangeduid als “de Stichting”en “[gedaagde]”;

Constaterende, dat zijdens [verzoeker] geen grieven tegen de betreffende beschikking zijn aangebracht;

Constaterende voorts, dat [verzoeker] in de betreffende beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 augustus 2016 per abuis is aangeduid als “[naam]”, zodat in dit appel zulks wordt verbeterd;

Overwegende:

1. Dat [verzoeker] bij verzoekschrift d.d. 10 augustus 2016 in de procedure bekend onder A.R.No. 16-3971 heeft gesteld:

a. dat hij op 16 oktober 2007 met [gedaagde] een huurovereenkomst heeft gesloten ten aanzien van het perceel gelegen te [woonplaats] op de hoek van [adres] – hierna aangeduid als “het perceel”, alsook dat daarbij uitdrukkelijk een optie tot koop van het gehuurde is bedongen;

b. dat de huurovereenkomst steeds stilzwijgend is verlengd;

c. dat [gedaagde] op 4 maart 2009 het perceel heeft overgedragen aan de Stichting;

d. dat [gedaagde] enig bestuurder is van de Stichting;

e. dat in januari 2016 hij met [gedaagde], in de hoedanigheid van enig bestuurder van de Stichting, heeft afgesproken dat de koopoptie sindsdien geldt tegen de Stichting, alsook dat de koopoptie op schrift zou worden gesteld en ondertekend ten kantore van de notaris mr. T.A. Jaipersaud-Badal;

f. dat [gedaagde] het op de afgesproken datum heeft laten afweten en sindsdien niet bereikbaar is voor hem, [verzoeker];

g. dat hij door [gedaagde] bij deurwaardersexploot is gesommeerd tot ontruiming van het perceel;

h. dat [gedaagde] een procedure tot ontruiming tegen hem heeft aangelegd, welke bekend onder A.R.No. 16-3340;

i. dat de Stichting en [gedaagde] weigeren de aan hem verleende optie volgens afspraak te ondertekenen ten overstaan van de notaris;

j. dat de Stichting en [gedaagde] zich schuldig maken aan een onrechtmatige daad jegens hem; zij hebben immers zich niet gehouden aan de afspraak tot het vastleggen van de koopoptie en [gedaagde] heeft, als enig bestuurslid van de Stichting, nadat de optie was verleend een hypotheek gevestigd op het perceel;

k. dat hij bevreesd is dat de Stichting doende is het perceel te verkopen aan een derde; in een door [gedaagde] tegen hem, [verzoeker] aangelegde procedure strekkende tot ontruiming van het perceel, is door [gedaagde] gesteld dat hij een koper heeft die de woning vrij van huur wenst over te nemen;

l. dat hij schade lijdt door de wanprestatie van de Stichting en [gedaagde] , althans door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en nog meer schade zal lijden indien de Stichting, althans [gedaagde] als enig bestuurslid van de Stichting, de kans krijgt om het perceel te vervreemden alvorens hij zijn vordering tot levering van het perceel op grond van de optie in rechte kan afdwingen;

2. dat [verzoeker] in voormeld verzoekschrift heeft gevorderd hem toestemming te verlenen ten laste van de Stichting en [gedaagde] conservatoir beslag te doen leggen ter verzekering van zijn vordering begroot op de door partijen in de optie overeengekomen koopsom van het perceel ad € 225.000,=;

3.dat bij beschikking d.d. 17 augustus 2016 het verzoek tot het verlenen van toestemming voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van de Stichting en [gedaagde] door de Kantonrechter in het Eerste Kanton is afgewezen. Daartoe is overwogen dat [verzoeker] niet summierlijk blijk heeft gegeven van een deugdelijke, op geld waardeelbare vordering, gelijk de artikelen 591 en 592 juncto artikel 639 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschrijven; de grondslag van de vordering is immers nakoming van de overeenkomst met betrekking tot het verstrekken van een koopoptie en is door [verzoeker] gesteld noch gebleken op welke wijze de vermeende wanprestatie van gedaagden, de door [verzoeker] op € 225.000,= begrote schade zou veroorzaken;

4. dat naar het oordeel van het Hof uit het door [verzoeker] ingediend verzoekschrift niet blijkt van enige verplichting tot levering van het perceel, zodat zulks niet kan leiden tot het verlenen van de door hem gevraagde toestemming tot het doen leggen van het conservatoir beslag;

5. dat in casu het verwijt aan de Stichting en [gedaagde] is dat zij, in strijd met hetgeen is afgesproken, hebben nagelaten de koopoptie ten overstaan van de notaris te ondertekenen; dat immers een dergelijke verplichting tot schriftelijke vastlegging van hetgeen tussen partijen is overeengekomen, naar het oordeel van het Hof, niet op geld waardeerbaar is;

Concluderende, dat gelet op het hiervoor onder 4. en 5. overwogene, de Kantonrechter in het Eerste Kanton in diens beschikking van 17 augustus 2016 terecht heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat [verzoeker] een op geld waardeerbare vordering heeft op de Stichting en [gedaagde], welk besluit evenwel onvoldoende is gemotiveerd, zodat deze beschikking zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

Beschikkende:

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 augustus 2016 in de procedure bekend onder A.R.No. 16-3971 onder aanvulling van gronden.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 april 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],

wonende in [district],

appellante,

gemachtigde: mr. M. Tjon-Jaw-Chong, advocaat,

tegen

A. [geintimeerde sub A], wonende te [district],

B. [geintimeerde sub B], wonende te [woonplaats] in de Verenigde Staten van Amerika,

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 juni 2015 (A.R.No. 14-3078) tussen geïntimeerden als eisers in eerste aanleg en appellante als gedaagde sub B in eerste aanleg, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 16 juli 2015 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota met producties overgelegd op 20 mei 2016;

– de antwoordpleitnota overgelegd op 05 augustus 2016;

– de repliekpleitnota overgelegd op 02 december 2016;

– de dupliekpleitnota overgelegd op 06 januari 2017;

– de rechtsdag voor de uitspraak die is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Niet gesteld of gebleken is dat partijen op de dag van de uitspraak (24 juni 2015) van het vonnis in eerste aanleg in persoon of bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig dan wel vertegenwoordigd waren. Appellante heeft bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 16 juli 2015 appèl aangetekend. Aan partijen is een afschrift van het vonnis waarvan beroep op 21 juli 2015 afgegeven, zodat appellante het appèl tijdig heeft ingesteld en daarin kan worden ontvangen, nu dit in ieder geval binnen dertig dagen na de dag van uitspraak is geschied.

3. De feiten

3.1 Appellante en geïntimeerde sub B, zijn kinderen, terwijl geïntimeerde sub A en de oorspronkelijke gedaagde sub A, kinderen zijn van een vóóroverleden kind van de op 17 maart 2006 in [district] overleden [naam 1] (de erflater).

3.2 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 november 2009 in de zaak met A.R.No. 09-1685, zijn partijen veroordeeld met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de erflater, met benoeming tot boedelnotaris mr. D.S.P. Chitoe.

3.3 Tot de nalatenschap van de erflater behoort het navolgend onroerend goed:

het recht van grondhuur – vervallende op 26 april 2024 – op het perceelland groot 0,8527 ha, gelegen in [district] aan [adres], deel uitmakende van het perceelland bekend als serie C no. 8b van de voormalige dorpsgemeente [naam 2], thans bekend als [nummer], nader aangeduid op de overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname F. Emanuels d.d. 25 september 1981 door de figuur met de letters BCEF.

3.4 Partijen hebben ten overstaan van de boedelnotaris voornoemd geen overeenstemming kunnen bereiken, weshalve het proces-verbaal van zwarigheden d.d. 09 december 2013 door notaris mr.D.S.P. Chitoe is opgemaakt en neergelegd ter Griffie der Kantongerechten.

3.5 Bij beschikking d.d. 28 januari 2015 heeft de kantonrechter in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.No. 14-3078, tot deskundige benoemd de heer K. Sholles, teneinde de getaxeerde waarde van het onroerend goed vast te stellen.

3.6 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 24 juni 2015, waarvan beroep, is de boedelnotaris mr. D.S.P. Chitoe bevolen om een akte van scheiding en deling op te maken tussen partijen met onder andere de navolgende inhoud:

– het onroerend goed wordt toebedeeld aan appellante en zal zij ook alle lasten dragen die op het onroerend goed rusten.

– volgens het taxatierapport bedraagt de waarde van het onroerend goed ten tijde van de bezichtiging op 16 februari 2015, Euro 120.270,-. Appellante zal wegens overbedeling, het aandeel van ieder der deelgerechtigden genoemd in het proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt door notaris mr.D.S.P. Chitoe op 09 december 2013, aan hen uitkeren en wel binnen zes maanden na uitspraak van het vonnis.

4. De vordering in eerste aanleg

Appellante heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, op grond van artikel 1101 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW) gevorderd om bij beschikking partijen te doen oproepen ter terechtzitting te verschijnen en dat de behandeling der zaak zal worden bepaald, dat de akte van boedelscheiding zal worden verleden met inachtneming van het standpunt van appellante, zoals vervat in de akte van non-comparitie t.n.v. erfgenamen [naam 3] d.d. 09 december 2013 afkomstig van notaris mr. D.S.P. Chitoe.

5. De grieven

Appellante heeft een tweetal grieven aangevoerd op grond waarvan het vonnis waarvan beroep vernietigd dient te worden, die in de beoordeling nader zullen worden besproken.

6. De vordering in Hoger Beroep

Appellante concludeert op deze gronden het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende, alsnog het gevorderde toe te wijzen.

7. Het verweer

Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan, ten slotte concluderende om het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

8. De beoordeling

8.1 Grief I: alle mede-eigenaren zijn verantwoordelijk voor het in stand houden van het onroerend goed vanaf het overlijden van de erflater.

8.1.1 Appellante stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima onder andere heeft beslist dat het litigieus onroerend goed aan haar wordt toebedeeld en dat zij ook alle lasten zal dragen die op het onroerend goed rusten, waaruit appellante begrijpt dat het die lasten zijn die vanaf de scheiding en deling het geval zullen zijn en dat tot het moment van de scheiding en deling, de erfgenamen als mede-eigenaren delen in de waardeverandering van het onroerend goed. Ter adstructie wordt verwezen naar pagina 159, Hoofdlijnen van het Surinaams Erfrecht, mr. C.R. Jadnanansing en mr. C.A. Kraan, 1998. Appellante voert aan dat hoewel zij in prima hierop uitdrukkelijk heeft gewezen, de kantonrechter daaraan voorbij is gegaan.

8.1.2 Geïntimeerden voeren hiertegen aan dat appellante hen de toegang tot het perceel en de opstallen, na het overlijden van de erflater, heeft verboden c.q. ontzegd, waardoor het aan appellante heeft gelegen dat zij alles heeft onderhouden. Geïntimeerden voeren voorts aan dat indien appellante van oordeel is dat zij vergoed dient te worden voor het onderhoud, dat deze kosten door drie dient te worden gedeeld. Tevens zijn geïntimeerden de mening toegedaan dat appellante alleen van de vruchten van de zich op het onroerend goed bevindende fruitbomen, heeft genoten, deze heeft geoogst en verkocht en de gelden ten eigen bate heeft aangewend. Volgens geïntimeerden dient appellante hiermee in te komen en aan hen af te staan. Geïntimeerden eisen tevens vergoeding van appellante voor het gebruik door haar van hun deel van de nalatenschap. De door appellante overgelegde kwitanties worden van valsheid beticht, omdat de werkzaamheden nooit zo zijn verricht en appellante de kwitanties nu pas produceert, terwijl zij deze zou moeten hebben gehad sinds de scheiding en deling gaande was.

8.1.3 Appellante ontkent dat zij geïntimeerden de toegang tot het onroerend goed heeft ontzegd en dat zij vruchten verkoopt.

8.1.4 Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 1110 BW de boedelscheiding een declaratief karakter heeft, hetgeen betekent dat iedere erfgenaam geacht wordt onmiddellijk te zijn opgevolgd in het hem toebedeelde, dat wil zeggen vanaf het openvallen van de nalatenschap. De overige erfgenamen worden derhalve geacht nimmer de eigendom van het reeds toebedeeld goed te hebben gehad. Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat het onroerend goed in casu vanaf het openvallen van de nalatenschap aan appellante in eigendom heeft toebehoord, met als gevolg dat de kosten van onderhoud en overige kosten met betrekking tot het onroerend goed vanaf het openvallen van de nalatenschap, in alle redelijkheid ten laste komen van appellante. Bovendien, is naar het oordeel van het hof niet gesteld of gebleken dat appellante, die het uitsluitend gebruik van het onroerend goed heeft gehad vanaf het openvallen van de nalatenschap, de vermeende uitgaven zou hebben gedaan na daartoe toestemming te hebben verkregen van de overige erfgenamen dan wel dat het uitgaven zouden betreffen die onverwijld gedaan moesten worden. De kantonrechter in prima heeft dan ook terecht beslist dat het onroerend goed wordt toebedeeld aan appellante en dat zij ook alle lasten zal dragen die op het onroerend goed rusten.

Grief I is naar het oordeel van het hof derhalve ongegrond.

8.2 Grief II: het taxatierapport van taxateur K.A. Sholles.

8.2.1 Appellante stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat ze het niet eens is met het taxatierapport van Sholles dat veel hoger ligt dan het rapport dat in opdracht van geïntimeerde sub A is opgemaakt, en wel een verschil van € 28.929,-, terwijl in het rapport van Sholles slechts het Euro-bedrag is opgenomen en niet het SRD-bedrag op het moment van de taxatie.

8.2.2 Geïntimeerden voeren hiertegen aan dat het oude taxatierapport niet goed was, omdat de taxateur de toegang tot het perceel was verboden, waardoor het werk niet naar behoren was verricht. Bovendien dient bij de scheiding en deling een recent taxatierapport aanwezig te zijn. Dat alleen het Euro-bedrag in het taxatierapport is opgenomen, doet er niet toe, omdat volgens geïntimeerden appellante niet verboden is om in Surinaamse Dollars te betalen tegen de dagkoers voor de verkoop van Euro op de dag van betaling.

8.2.3 Appellante ontkent dat de eerste taxateur de toegang was ontzegd, getuige de foto’s van binnen en buiten de woning die zijn aangehecht aan het rapport, terwijl Sholles niet eens in de woning is geweest. Volgens appellante was de koers op de dag van de taxatie voor de Euro: 3,642 – 3,775, zodat de waarde in SRD op die dag volgens het taxatierapport is: SRD 438.023,34 – SRD 454.019,25. Appellante voert aan dat nergens in de wet is opgenomen dat bij scheiding en deling in Euro’s moet worden afgewikkeld, terwijl zij slechts een lening in SRD kan krijgen.

8.2.4 Het hof stelt voorop dat de tot de nalatenschap behorende goederen bij een scheiding en deling, moeten worden gewaardeerd naar de waarde die zij op het moment van de scheiding en deling hebben. Dit brengt met zich dat een vooraf, vóór de scheiding en deling, opgemaakt taxatierapport niet geldig is, tenzij partijen het eens zijn geworden dat de in dat rapport toegekende waarde tussen partijen zal gelden, hetgeen in casu niet is gebleken. De kantonrechter heeft derhalve terecht ingevolge artikel 1105 BW een deskundige benoemd voor de taxatie, waartegen overigens niet is gebleken dat er bezwaar is aangevoerd. Dat de taxatiewaarde in het rapport slechts is aangeduid in Euro’s, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de rechtsgeldigheid van het rapport van Sholles, nu appellante niet gehouden is het aandeel van de andere erfgenamen in Euro’s uit te betalen, doch zulks kan doen tegen de op de dag van uitbetaling geldende dagkoers voor de Euro. Aangezien appellante er niet voor heeft gekozen om de aandelen uit te keren binnen de door de kantonrechter bepaalde termijn, komt een eventuele waardevermindering en/of – vermeerdering voor rekening en risico van appellante. Grief II is naar het oordeel van het hof eveneens ongegrond.

8.3 Nu de door appellante aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden en het Hof ambtshalve geen termen aanwezig acht om de vordering opnieuw te beoordelen, zal de bespreking van het overig door partijen aangevoerde, als niet ter zake doende, buiten beschouwing worden gelaten. Het vonnis waarvan beroep zal, gelet op het vorenoverwogene, worden bevestigd, onder aanvulling van gronden als hiervoor overwogen.

8.4 Appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerden in hoger beroep gevallen en zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton op 24 juni 2015 gewezen in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.No. 14-3078, waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt appellante in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerden in hoger beroep gevallen en tot aan de uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 mei 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. M. Tjon-Jaw-Chong, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld.