SRU-HvJ-1969-1

HOF VAN JUSTITIE, Civiele Kamer, 3 oktober 1969.

[appellante], gescheiden echtgenote van [echtgenoot], wonende in [district 1], appellante, adv. G.J.C, van der Schroeff,

tegen :

[geïntimeerde], wonende te [district 2], geint. adv. Mr. H. R. Lim A Po.

T.a.v. de feiten:

Een tot de huwelijksgemeenschap van appellante en haar echtgenoot behorend onroerend goed is in 1962 met hypotheek belast. In 1964 laat appellant bij de aanvang van een echtscheidingsprocedure maritale beslagen op dit goed leggen. In febr. 1968 wordt de echtscheiding ingeschreven. Inmiddels is bij vonnis van 4 jan. 1966 haar echtgenoot veroordeeld f. 5000,– met rente en kosten aan zijn [broer] te betalen, waarbij een conservatoir beslag op het verbonden onroerende goed werd van waarde verklaard. De hypothecaire schuldeiser deed dit goed in sept. 1966 op een openbare veiling verkopen. De meerdere opbrengst werd aan [broer] uitgekeerd.

In okt. 1966 kwam appellant tegen dit vonnis in derden-verzet en bij vonnis van 10 okt. 1967 werd het vonnis van 4 jan. 1966 vernietigd, voorzover door de executie daarvan haar rechten werden verkort.

In het onderhavige geding vorderde geint. in kort geding als koper doorhaling van de gelegde maritale beslagen.

Appe. verzette zich daartegen, zolang niet de uitkering aan [broer] is ongedaan gemaakt.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton overwoog te dien aanzien bij vonnis d.d. 5 sept. 1968:

dat als tussen partijen in confesso rechtens vaststaat:

1. dat de bovenvermelde beslagen zijn gelegd;

2. dat eiser blijkens proces-verbaal van openbare veiling en toewijzing, d.d. 23 september 1966, gehouden ten overstaan van notaris D. A. Samson, krachtens artikel 1207 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek en de daarop gevolgde overschrijving van dat proces-verbaal ten hypotheekkantore te Paramaribo op 3 oktober 1966 en wel in het [register deel en nummer 1], eigenaar is geworden van ”het erf, met daarop staande gebouwen, gelegen te [district 2] aan de [straat] bekend onder [wijk en nummer]” ;

dat voormeld onroerend goed ten tijde vóór de gemelde overschrijving viel in de gemeenschap waarin gedaagde met [echtgenoot] alstoen was gehuwd;

dat zich ten deze onder meer het geval voordoet, dat de gedaagde als echtgenote (na en door haar ingestelde vordering tot echtscheiding c.q. scheiding van tafel en bed) het behoedmiddel heeft gebezigd, welke de wet haar toekent door het leggen van de litigieuze maritale-conservatoire beslagen;

dat gedaagde als echtgenote daardoor evenwel niet de kwaliteit heeft verkregen van schuldeiseres jegens de andere echtgenoot, nu zij die kwaliteit eerst zou kunnen verwerven, nadat bij vonnis in het geding tot scheiding van echt of van tafel en bed haar aanspraken zouden zijn verleend, danwel die aanspraken daarbij zouden zijn erkend;

dat derhalve, – nu de gelegde maritale-conservatoire beslagen op een aanvankelijk tot de gemeenschap behoord hebbend onroerend goed, niet bestemd zijn om in een verhaalsbeslag over te gaan, of tot verhaal te leiden, bij gebruikmaking van het beding van eigenmachtige verkoop, als bedoeld in artikel 1207 B.W., door de eerste hypotheekhouder deze daarbij niet wordt belemmerd door de gelegde maritale beslagen;

dat mitsdien thans beantwoording verlangt de vraag of het bepaalde in artikel 378, van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de koper, die het goed heeft verkregen ingevolge een veiling krachtens het beding van art. 1207 Surinaams Burgerlijk Wetboek, kan worden tegen geworpen;

dat Wij deze vraag voorhands ontkennend zullen beantwoorden;

dat weliswaar genoemd artikel 378 in het vierde lid met betrekking tot vervreemding van in beslag genomen onroerende goederen bepaalt, dat zodanige vervreemding is verbonden aan de partij tegen welke het beslag is gedaan, met het gevolg dat overeenkomsten, door die party in strijd met dit verbod aangegaan, tegen de beslaglegger niet kunnen worden ingeroepen, doch wijders :

enerzijds, uit het stelsel der wet volgt, dat tot de akten van vervreemding door die partij niet kan worden gerekend het proces-verbaal van toewijzing, opgemaakt terzake van de verkoop door de eerste hypothecaire schuldeiser krachtens het in voormeld artikel 1207 bedoeld beding van het aan hem verbonden onroerende goed ;

dat toch de hypotheekhouder die uit krachte van dit beding verkoopt op de wijze als in artikel 1239 Surinaams Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven, hoewel hij zijn bevoegdheid daartoe ontleent aan de eigenaar – in casu gedaagde en haar echtgenote nu ten tijde der verkoop der scheiding en deling der gemeenschap nog niet had plaats gevonden – en hij deze in zoverre vertegenwoordigt, niettemin tegen die eigenaar een verhaalsrecht als schuldeiser uitoefent; (vgl. arrest H.R. van 24 januari 1964 N.J. 1964 no. 450);

bovendien, in de derde titel (”van gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen”) van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en in desbetreffende artikelen van het Surinaams Faillissements.besluit aan de uitoefening van dit verhaalsrecht van de hypothecaire schuldeiser, die het beding van artikel 1207 heeft gemaakt, voorrang is toegekend ten opzichte van schuldeisers die reeds executoriaalbeslag hadden gelegd, c.q. te aanzien van de curator in het inmiddels uitgesproken faillissement van de schuldenaar, in dier voege, dat die hypotheekhouder, niettegenstaande de gelegde beslagen of de staat van faillissement van de schuldenaar desverkiezende tot de verkoop op de wijze, bij dit artikel bepaald kan overgaan of die verkoop, indien hij daarmede reeds een aanvang had gemaakt, kan voortzetten;

dat zulks a fortiori, in casu geldt voor de maritale beslaglegster, de gedaagde, nu het door haar gebezigde behoedmiddel kennelijk niet in enig verhaalsrecht is overgegaan, vermits niet werd gesteld noch is gebleken, dat zij – gelijk hierboven bereids overwogen – de kwaliteit van schuldeiseres heeft verworven ;

dat naar Ons voorlopig oordeel de litigieuze beslagen niet langer kunnen worden gehandhaafd, weshalve Wij de doorhaling daarvan zullen gelasten;

dat hoger vermelde beslissing zonder meer onverkort laat de aanspraken van gedaagde op het superfluum voor zover zij door de afgifte daarvan aan derden in haar rechten als deelgerechtigde in de boedelgemeenschap zou zijn verkort, verwijzende Wij in dit verband mede naar het vonnis van Onze Ambtgenoot van 10 oktober 1967 (en bekend onder A.S. 2416 van 1966);

O., dat de Kantonrechter op deze gronden de doorhaling heeft gelast van:

a. het conservatoir-maritaalbeslag bij proces-verbaal van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, K. Bechan dd. 12 september 1964 en overgeschreven ten hypotheekkantore alhier op 12 september 1964 in [register deel en nummer 2];

b. het conservatoir-maritaalbeslag bij proces-verbaal van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, R. Kappel dd. 17 juni 1965, overgeschreven ten hypotheekkantore gemeld op 17 juni 1965 in [register deel en nummer 3]; enz.

O., dat blijkens hogervermeld proces-verbaal partij [appellante] voornoemd in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis dd. 5 september 1968; enz.

In hoger beroep overwoog het Hof van Justitie.

T.a.v. het recht :

O., dat appellante bij pleidooi in hoger beroep heeft verklaard geen bepaalde grieven tegen hetgeen de Kantonrechter in zijn vonnis heeft overwogen te hebben;

O., dat ook het Hof zich met de overwegingen van de Kantonrechter kan verenigen en deze tot de Zijne maakt;

O., dat appellante niettemin heeft aangevoerd dat zij zich door de beslissing, waartoe de Kantonrechter is gekomen, bezwaard gevoelt omdat bij de beantwoording van de vraag, of de gelegde maritale beslagen al dan niet dienen te worden opgeheven, geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het vonnis dd. 4 januari 1966 tussen haar toenmalige [echtgenoot] en diens [broer], waarbij eerstgenoemde is veroordeeld aan laatstgenoemde f. 5000,– met rente en kosten te betalen en waarbij een gelegd conservatoir beslag op onroerend goed is van waarde verklaard, op een door haar ingesteld derde-verzet bij vonnis van 10 oktober 1967 is vernietigd voor zover door de executie daarvan haar rechten op de huwelijksgemeenschap tussen haar en [echtgenoot] worden verkort;

O., dat appellante ter toelichting nader in appèl heeft gesteld, dat door voormeld geslaagd derde-verzet het vonnis van 4 januari 1966 zijn kracht tegen haar heeft verloren, weshalve ten onrechte aan [broer] ingevolge dat vonnis ten laste van de huwelijksgemeenschap van goederen, waarin zij, appellante, toen nog met [echtgenoot] was gehuwd, een bedrag van f. 5000,– met rente en kosten is uitgekeerd, moetende volgens appellante wegens de terugwerkende kracht van het vonnis in derde-verzet ”de klok worden teruggedraaid” en de maritale beslagen gehandhaafd blijven tot dat voormelde uitkering aan [broer] – voorzover zij daardoor is benadeeld – is ongedaan gemaakt, met welk een en ander de Kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden;

O. daaromtrent:

dat appellantes stelling, dat de Kantonrechter het vonnis in derde-verzet dd. 10 oktober 1967 niet in zijn beschouwingen heeft betrokken, feitelijke grondslag mist, aangezien de Kantonrechter in zijn laatste rechtsoverweging heeft overwogen, dat zijn beslissing tot doorhaling der gelegde maritale beslagen zonder meer onverkort laat de aanspraken van appellante op het superfluum voorzover zij door de afgifte daarvan aan derden in haar rechten als deelgerechtigde in de huwelijksgemeenschap met [echtgenoot] zou zijn verkort, met welk oordeel het Hof zich – gelijk voorzegd – kan verenigen;

dat thans zal moeten worden nagegaan of appellante terecht iedere medewerking aan deze doorhaling weigert zolang bedoeld superfluum niet aan haar is uitgekeerd:

dat als tussen partijen in confesso rechtens vaststaat, dat geïntimeerde de eigendom van het onroerend goed, waarop deze maritale beslagen rusten, heeft verkregen door overschrijving ten hypotheekkantore op 3 oktober 1966 van een proces-verbaal van openbare veiling en toewijzing dd. 23 september 1966, gehouden krachtens artikel 1207 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek ten overstaan van notaris D. A. Samson;

dat ook al gaf de van waarde verklaring van een op dat onroerende goed door [broer] gelegd conservatoir beslag bij vonnis van 4 januari 1966 tot voormelde verkoop door de eerste hypothecaire schuldeiser, de Stichting Pensioenfonds van de Centrale Bank van Suriname, ex artikel 1207 van genoemd Wetboek aanleiding, het vonnis in derde-verzet dd. 10 oktober 1967 de eigendomsovergang van dit onroerend goed op geïntimeerde niet heeft aangetast;

dat als niet betwist rechtens vaststaat, dat geïntimeerde de kooppenningen heeft voldaan en de omstandigheid dat door het vonnis in derde-verzet is komen vast te staan, dat een deel dezer penningen ten onrechte aan [broer] is uitgekeerd – en bovendien in strijd met het bepaalde in artikel 688 lid 2 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering – geintimeerdes rechtpositie niet raakt, zijnde hij als koper niet met de verdeling der kooppenningen belast geweest, zodat hij daarbij niet met zijn broers [echtgenoot] – en [broer] kan hebben samengespannen;

O. dat uit het vorenstaande – mede in aanmerking genomen het door de Kantonrechter overwogene – volgt, dat appellante aan het slagen van haar derde-verzet niet het recht vermag te ontlenen de maritale beslagen tegenover geïntimeerde te handhaven zolang meergenoemd superfluum niet aan haar is uitgekeerd;

O., dat mitsdien het beroepen vonnis – zij het onder aanvulling van gronden – behoort te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP;

Bevestigt onder aanvulling van gronden het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 5 september 1968 tussen partijen gewezen, waarvan beroep; enz.

SRU-HvJ-1994-4

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 16 december 1994

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoekster], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr. F.F.P. TRUIDEMAN, advokaat, aan de Grote Combéweg no. 25-27, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no. 3 te Paramaribo, advokaat Mr. B.·A. HALFHIDE, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend waarin zij heeft gesteld:

  1. dat de verzoekster de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette op de hoek van de Gravenstraat en Tourtonnelaan te Paramaribo, verweerder;
  2. dat de verzoekster langer dan 30 jaren ambtenaar is geweest in de zin van de Personeelswet;
  3. dat de verzoekster bij resolutie van de President d.d. 29 augustus 1992 [nummer 1] te rekenen van 1 december 1992 ontslag uit staatsdienst werd verleend, waardoor zij recht op pensioen heeft verkregen, met verzoek de inhoud van deze resolutie als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  4. dat de verzoekster laatstelijk heeft gediend in de rang van Hoofd Algemene Zaken van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen en wel in de rang van Hoofdambtenaar B 3e klasse schaal 16;
  5. dat de verzoekster reeds langer dan 15 jaren deze funktie naar volle tevredenheid heeft vervuld, vandaar dat bij missive van de Raad van Ministers d.d. 17 december 1987 [nummer 2] Raad van Ministers werd goedgekeurd, dat de verzoekster te rekenen van 1 oktober 1987 werd bevorderd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse schaal 17 (1902 – 2190), waarvan wordt verzocht de inhoud van deze missive als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  6. dat deze beslissing van de Raad van Ministers zowel tijdens haar aktieve dienstverband als na verzoeksters pensionering niet is uitgevoerd, zodat de verzoekster genoodzaakt was de President van de Republiek te schrijven als zijnde het bevoegde orgaan in deze, hetgeen is geschied bij schrijven d.d. 14 juli 1992, met verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  7. dat ondanks het feit dat de verzoekster de President bij schrijven d.d. 4 december 1992 heeft herinnerd aan enige reactie op haar bedoelde schrijven, deze tot op heden is uitgebleven, met verzoek dit schrijven eveneens als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  8. dat de verzoekster hierbij opmerkt dat niet vergeten mag worden dat het bekleden van een funktie van Hoofd Algemene Zaken langer dan 15 jaren en daarna een goedkeuringsbesluit van de Raad van Ministers, zonder meer de verwachting wekt en impliceert dat de daarvoor vereiste formaliteiten zullen worden vervuld, namelijk het gieten van de benoeming in een resolutievorm, zodat indien zulks niet geschiedt er duidelijk sprake is van schade voor de verzoekster, daar deze schade voortvloeit uit het niet c.q. niet tijdig nemen van een besluit c.q. het achterwege laten van een handeling door het bevoegde gezag en daardoor in strijd wordt gehandeld met het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet (art. 79 lid 1 onder c P.W.; zie ook vonnis Hof van Justitie d.d. 15 augustus 1975, Griffie no. A37), voorkomende in de bundel geschillen tussen de Overheid en de burger;
  9. dat de verweerder nu zij de termijn van artikel 78 lid 2 Personeelswet heeft overschreden, verzoekster naar redelijkerwijze mag aannemen dat de verweerder een afwijzend besluit heeft genomen, en is de verzoekster gerechtigd om met toepassing van artikel 80 lid 2 onder c van de Personeelswet daartegen bij Uw Hof op te komen;
  10. dat de verzoekster hierbij aantekent dat niet is gebleken dat deze raadsbeslissing in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet;
  11. dat de verzoekster dan ook met gebruikmaking van artikel 80 lid 2 onder c van de Personeelswet tegen dit nalaten van de verweerder tijdig daartegen bij Uw Hof in beroep is gekomen;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. het besluit van de verweerder als bedoeld in artikel 78 lid 2 onder b van de Personeelswet, rechtens geacht moet worden te hebben genomen ten aanzien van verzoekster, nietig zal worden verklaard;
  2. de verweerder zal worden veroordeeld om die handeling te verrichten c.q. besluit te nemen waardoor alsnog uitvoering wordt gegeven aan het besluit van de Raad van Ministers d.d. 17 december 1987 [nummer 2]/RvM betreffende haar benoeming tot Hoofdambtenaar B 2e klasse schaal 17 (1902 – 2190), alles onder verbeurte van een dwangsom van Sf. 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de bij de wet gestelde termijn een verweerschrift is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verzoekster heeft bij rekest van 1 april 1993 bij Uw Hof als Ambtenarengerecht gevorderd nietig te verklaren een besluit terzake het niet bevorderen van verzoekster. Dit vermeende besluit is ingevolge artikel 79 lid 2 van de Personeelswet niet vatbaar voor vernietiging door Uw Hof, weshalve verzoekster niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar vordering.
  2. Verzoekster heeft bij voormeld rekest eveneens gevorderd een veroordeling van verweerder om een handeling te verrichten c.q. een besluit te nemen tot bevordering van verzoekster, welke vordering geen steun vindt in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet. Verzoekster behoort ook terzake daarvan niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.
  3. Het sub 3 ten rekeste gestelde is juist.
  4. Het is onjuist dat verzoekster langer dan 15 jaren de funktie van Hoofd Algemene Zaken vervult. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde resolutie van 14 juli 1986, bureau [nummer 3], is verzoekster te rekenen van 1 januari 1986 bevorderd tot Hoofdambtenaar ”B” 3e klasse in de funktie (niet rang) van Hoofd van de afdeling Algemene Zaken (Schaal 16).

Vanaf 11 januari 1989 heeft verzoekster zich ziek gemeld tot haar ontslag per 1 februari 1993 wegens arbeidsongeschiktheid.

  1. Verweerder wenst op te merken dat de door verzoekster overgelegde missive d.d. 17 december 1987 nimmer aan verzoekster is uitgereikt en aldus bij haar nimmer de verwachting is gewekt dat zij zou worden benoemd tot Hoofdambtenaar B 2e klasse schaal 17. Zij is op onregelmatige wijze in het bezit gekomen van deze missive.

Deze missive heeft interne werking.

  1. Verzoekster heeft de funktie van Hoofdambtenaar B 2e klasse schaal 17 nimmer vervuld.
  2. Ingevolge artikel 78 lid 1 van de Personeelswet is een besluit, rakende de toepassing van voormelde wet, binnen een maand vatbaar voor schriftelijk beklag.

Voorzover verweerder bekend, heeft verzoekster niet eerder dan bij haar schrijven aan de Secretaris van de President haar beklag gedaan. De door verzoekster overgelegde brief van 14 juli 1992 is niet gericht aan de President, zoals verzoekster beweert, doch aan de Secretaris van de President; aldus is dit beklag niet gedaan bij een hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft moeten nemen.

Doch ook indien zou mogen worden aangenomen dat het beklag gedaan was bij een hoger gezag – quod non -, dan nog heeft verzoekster haar beklag niet gedaan binnen de door de wet vastgestelde termijn.

De brief van 4 december 1992 is slechts een brief ter herinnering aan een brief die niet gericht is aan de President.

De aangehaalde missive is van 1987 en de brief aan de Secretaris van de President is van 1992. Verzoekster is derhalve niet-ontvankelijk in haar vordering;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans haar deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 14 juni 1993 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, advokaat Mr. KRUISLAND namens verweerder, CH. STIJNBERG, onder-direkteur administratieve diensten van het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 november 1994, doch na enige malen te hebben aangehouden nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekster in het onderhavige proces vordert:

  1. a) nietigverklaring van het (beweerde fictieve) ”besluit” van verweerder, als bedoeld in artikel 78 lid 2 sub b van de Personeelswet (P.W.);
  2. b) veroordeling van verweerder om die handelingen te verrichten, c.q. besluit te nemen, waardoor alsnog uitvoering wordt gegeven aan het besluit van de Raad van Ministers d.d. 17 december 1987 [nummer 2]/RvM, betreffende haar benoeming tot hoofdambtenaar B 2e klasse, schaal 17 (1902,– – 2190,–), alles onder verbeurte van een dwangsom van Sf. 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft om aan de inhoud van het vonnis te voldoen;

Overwegende aangaande de vordering sub a):

– dat naar ’s Hoven oordeel, van een (fictief) genomen besluit, geen sprake is;

de brief van verzoekster d.d. 14 juli 1992 is immers gericht aan de heer PIGOT zelf (vide eerste en voorlaatste alinea pagina 2 van die brief), zijnde de heer PIGOT weliswaar Secretaris van de President;

– dat de President, naar ’s Hoven oordeel, niet hoefde te reageren op de later aan hem gerichte brief van 4 december 1992, anders dan wellicht om de ontvangst daarvan te bevestigen en verzoekster ”op het rechte spoor” te zetten, nu toch de brief van 14 juli, zoals bereids aangegeven, niet aan hem gericht was;

Overwegende, dat verzoekster mitsdien niet-ontvankelijk is in haar vordering sub a), nu er van een besluit geen sprake is;

Overwegende bovendien, dat zo er wel van een ”besluit” sprake zou zijn, dit één tot niet-bevordering van verzoekster zou zijn en een dergelijk besluit niet genoemd wordt in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet;

Overwegende, aangaande de vordering sub b):

– dat deze evenmin voor toewijzing in aanmerking komt;

– dat immers het besluit (beslissing) van de Raad van Ministers d.d. 17 december 1987 [nummer 2]/RvM, slechts interne werking heeft en geen enkele rechtskracht tegenover verzoekster bezit, zolang de desbetreffende resolutie niet door het bevoegde gezag is opgemaakt en goedgekeurd;

Overwegende, dat ook het onder b) gevorderde met een niet-ontvankelijkheidsverklaring dient te worden begroet;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar vorderingen sub a) en b).

SRU-HvJ-1994-3

HOF VAN JUSTITIE (Civiele Kamer), 18 november 1994.

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre).

UNITED DISTILLER’s PLc. (”U.D”), een vennootschaprechtspersoon naar het recht van het Koninkrijk van Groot Brittanië en Noord-Ierland, gevestigd en kantoorhoudende te Distillers House, 33 Ellersly Road, Edinburgh, Scotland EH12 6 JW, voor als gemachtigde optreedt, Mr. H.E. STRUIKEN, advokaat, appellante in kort geding,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP SURINAM HOUSING PRODUCTS, gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica aan de Livorno Middenweg B.R. 202, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F.J. LEEFLANG, advokaat, geïntimeerde in kort geding.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegde vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 1 februari 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 februari 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat UNITED DISTILLERS plc. (”U.D.”) als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering in kort geding wenst in te stellen tegen DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP SURINAM HOUSING PRODUCTS, gevestigd en kantoorhoudende in het distrikt Wanica aan de Livorno Middenweg B.R. 202, gedaagde;
  2. dat eiseres is eigenaar en houder van het handelsmerk ”MACKENZIE”, welke zij behalve in Suriname, in zestig (60) andere landen als eerste heeft gebruikt en nog gebruikt ter onderscheiding van haar waren met name wijnen, spiritualiën en likeuren; eiseres legt hierbij over de ten verzoeke van P. Mackenzie & Co., Distillers Limited op 15 februari 1969 gedane inschrijving van voormeld handelsmerk, welke beeld- en woordmerk op 10 mei 1991 is overgedragen aan eiseres, blijkende zulks uit het hierbij in fotocopie overgelegde verzoek tot aantekening van overgang d.d. 6 mei 1991;
  3. dat eiseres op grond van het bepaalde in artikel 2 van de wet houdende bepalingen omtrent de fabrieks- en handelsmerken gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van sub 2 genoemd handelsmerk;
  4. dat eiseres voorts tot voormeld uitsluitend gebruik in Suriname gerechtigd is op grond van artikel 2 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de Industriële Eigendom, (Tractatenblad voor het Koninkrijk der Nederlanden, jg. 1970 No. 187), aangezien zowel het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, Schotland alsmede Suriname deelnemers aan voormeld verdrag zijn en uit hoofde van voormeld verdragsartikel de nationalen van de deelnemers, zoals eiseres van het Verenigd Koninkrijk is, dezelfde bescherming genieten in het land van een andere deelnemer zoals Suriname, Indien zij, gelijk eiseres, hun handelsmerk in dat land gebruiken;
  5. dat gedaagde wijnen, spiritualiën en likeuren, althans soortgelijk waar als sub 2 vermeld in Suriname in het verkeer brengt en/of adverteert en/of verkoopt en levert aan het publiek in Suriname, althans heeft gedaagde voormelde waar ter aflevering en verkoop in voorraad;
  6. dat gedaagde de sub 5 vermelde handelingen verricht onder het merk ”BURN McKENZIE” voor de sub 5 bedoelde waren, welk merk een nabootsing is van, althans een soortgelijk merk is als ”MACKENZIE” tot het gebruik van welk merk eiseres bij uitsluiting van ieder ander gerechtigd is;
  7. dat de handelingen van gedaagde zoals sub 5 en 6 omschreven, een inbreuk vormen op eiseresses recht van uitsluitend gebruik van het merk ”MACKENZIE”, aangezien het merk waaronder gedaagde haar waar als bovenvermeld op de markt brengt, namelijk ”BURN McKENZIE’’ in hoofdzaak gelijk is, althans een nabootsing is van eiseresses bovenvermeld handelsmerk, welke eiseres lang voor gedaagde in Suriname gebruikte ter onderscheiding van haar waar, gelijksoortig aan die welke door gedaagde wordt gebruikt. Zulks is tegenover eiseres onrechtmatig op grond van het bepaalde in artikel 10 van de wet, houdende bepalingen omtrent de fabrieks- en handelsmerken (G.B. 1946 No. 73);
  8. dat gedaagde haar handelingen als bovenbedoeld voorts onrechtmatig zijn op grond van het bepaalde in artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de Industriële Eigendom.

Ingevolge voormelde verdragsbepaling is namelijk het gebruik van een handelsmerk, dat een reproduktie of nabootsing, welke verwarring kan wekken, is van een merk dat in het land van gebruik algemeen bekend is, als zijnde reeds het merk van iemand, gerechtigd tot het genieten van de voordelen van voormeld verdrag en gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren.

Uit het voorgaande blijkt ook, dat vooreerst ”BURN McKENZIE” in elk geval een nabootsing is van ”MACKENZIE”.

Het is van algemene bekendheid – zulks moet reeds uit de door eiseres gedane inschrijving worden afgeleid – dat het handelsmerk ”MACKENZIE” in Suriname algemeen bekend staat als handelsmerk van eiseres, althans van een andere dan gedaagde. Eiseres is als Schotse Vennootschap gerechtigd tot het genieten van de voordelen van voormeld verdrag van Parijs;

Eiseres mag terzake verwijzen naar de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 20 juli 1984 inzake de Lee Couper Group PLC contra Prodo Kaka N.V., welke zij hierbij overlegt;

  1. dat eiseres de gedaagde bij deurwaarders exploit d.d. 16 oktober 1992 No. 563 van de deurwaarder D.E. Hew A Kee heeft aangezegd dat zij tegenover haar onrechtmatig handelt en haar gesommeerd de geïncrimineerde handelingen te staken, waartoe eiseres aan gedaagde ruimschoots de tijd heeft geboden;
  2. dat gedaagde weigert aan eiseresses sommatie gevolg te geven en zet tot heden haar handelingen als voormeld voort, terwijl verwachtbaar is – gelet op gedaagde haar weigering en haar voortzetting der handelingen na voormelde sommatie – dat zij zulks ook in de toekomst voortdurend zal blijven doen;
  3. dat eiseresses waar, uitgebracht onder haar handelsmerk als sub 2 omschreven hierdoor schade lijdt, althans kan daardoor schade lijden, aangezien het ernstig valt te betwijfelen of gedaagde haar waar van dezelfde hoge kwaliteit is;

Eiseres lijdt voorts ernstige schade, aangezien zoals duidelijk is, de door gedaagde verhandelde waren verwarring wekken met eiseresses waar, het doen voorkomen alsof ook gedaagde haar waar van eiseres afkomstig is. Eiseresses bedrijfsdebiet of marktaandeel wordt daardoor op ernstige wijze in negatieve zin aangetast, althans kan zulks het geval zijn;

  1. dat eiseres dan ook gerechtigd is te vorderen dat aan gedaagde verboden wordt het gebruik van het handelsmerk ”BURN McKENZIE” voor gelijksoortige waren als eiseres op de markt brengt, onder het handelsmerk ”MACKENZIE”.

Eiseresses belang vordert, gelet op het sub 11 gestelde terzake een onverwijlde voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

  1. gedaagde zal worden verboden om wijnen, spiritualiën en likeuren althans soortgelijke waren in Suriname middels advertenties en woord, geschrift en beeld aan het publiek ten verkoop aan te bieden, in het handelsverkeer te brengen, te verkopen, af te leveren en/of ten verkoop of aflevering in voorraad te hebben, onder het handelsmerk ”BURN McKENZIE” en zal worden bevolen die of soortgelijke handelingen onmiddellijk te staken, eventueel totdat over de rechtmatigheid van die handelingen zijdens gedaagde uiteindelijk door de rechter is beslist, eventueel onder de door de rechter te stellen voorwaarden;
  2. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres voor elke keer of elke dag dat zij elk van de sub I te geven verboden en/of bevelen overtreedt, ten titel van dwangsom te betalen, het bedrag van f. 25.000,– (VIJFENTWINTIG DUIZEND GULDEN), kosten rechtens;

Overwegende, dat SURINAM HOUSING PRODUCTS N.V. als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

– dat eiseres niet in haar vordering zal worden ontvangen, althans dat aan haar de toewijzing ervan zal worden onthouden wegens ongegrondheid en onbewezenheid, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter eiseres in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating produktie zijdens eiseres, de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie heeft genomen, onder overlegging van een produktie, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produktie eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating produktie zijdens gedaagde, de gemachtigde van gedaagde geen conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis in kort geding van 1 februari 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Aan eiseres de gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;

Eiseres in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal UNITED DISTILLERS Plc. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in kort geding van 1 februari 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E. Kolf van 1 juni 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat het Hof hierna bij rolbeschikking d.d. 7 januari 1994 overlegging van doppen en etiketten zijdens appellante heeft gelast, waarna appellante 2 whisky flessen met inhoud heeft overgelegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde vervolgens heeft gepersisteerd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 maart 1994 doch na enige malen te zijn aangehouden nader werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 1 februari 1993;

Overwegende, dat appellante een tweetal grieven tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, luidende:

  1. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat er geen gevaar voor verwarring bij het Surinaams Whisky gebruikend publiek te duchten valt.

Edoch is sinds 15 februari 1969 onder nummer 6266 in het register van het Hulpbureau van de Industriële Eigendom in Suriname ingeschreven als ”woord- en beeldmerk” voor whisky het handelsmerk ”MACKENZIE” en is de appellante, vermits de rechten van voormeld handelsmerk aan haar zijn overgedragen, gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van voormeld handelsmerk.

Het handelsmerk voor whisky ”BURN McKENZIE” is niet ingeschreven in het register van het Hulpbureau voor Industriële Eigendom en de whisky van het merk BURN McKENZIE is pas een jaar geleden in de handel in Suriname gebracht.

Appellante heeft geen actie ondernomen tegen BURN McKENZIE in Engeland, omdat het produkt niet wordt verkocht in Engeland of Schotland. BURN McKENZIE heeft wel geprobeerd in Engeland registratie te bewerkstelligen, maar het verzoek werd geweigerd in december 1988 door de officiële handelsmerken registratie van Engeland (U.K. Trade Marks Registry). Appellante legt hierbij in fotocopie over de verklaring van U.K. Trade Marks, waaruit de weigering tot registratie van BURN McKENZIE blijkt en verzoekt het Hof de inhoud daarvan als letterlijk herhaald en geïnsereerd te beschouwen.

De door appellante op de markt in Suriname gebrachte whisky wordt in handels en gebruikerskring kort aangeduid als ”MACKENZIE”. Het is gebruikelijk in whiskykringen dat men een whisky kort aanduidt zoals bijv. ”Johnny Walker” waarbij ter onderscheiding van de kwaliteit men dan vraagt naar ”red” of ”black label”.

Het feit dat de uiterlijkheden van twee verschillende whisky soorten niet gelijksoortig zijn, wil niet zeggen dat er geen verwarring kan ontstaan. De aard van het produkt geeft aan dat het vaak verkocht wordt in hotels en bars en dat de klant slechts de naam van de whisky noemt zonder de fles te zien.

Tot de recente introductie van ”BURN McKENZIE”, was MACKENZIE als merk de enige in Suriname verkrijgbare whisky die de naam MACKENZIE of MCKENZIE insloot als deel van de merknaam.

Als gevolg van de gewoonte om af te korten, wordt de whisky van appellante genoemd MACKENZIE en niet The Real Mackenzie. Als daarom een toekomstige gebruiker vraagt naar een ”MACKENZIE” verwacht hij The Real Mackenzie te krijgen met welke hij bekend is. Indien aan hem een ander merk wordt opgediend (BURN McKENZIE) is de gebruiker misleid.

In het belangrijke Union arrest van 20 mei 1983 N.J. 1984, 72 m.nt. LWH. Bijblad bij de industriële Eigendom 1984, 137 M.nt. DWF.V heeft het Benelux Gerechtshof bepaald dat van overeenstemming tussen merk en teken sprake is wanneer – mede gezien de bijzonderheden van het gegeven geval en met name de onderscheidende kracht van het merk – merk en teken elk in zijn geheel en in onderling verband beschouwd AUDITIEF VISUEEL of BEGRIPSMATIG zodanige gelijkenis vertonen dat reeds daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij iemand die met het teken wordt geconfronteerd associaties tussen het teken en het merk wordt gewekt. (vide Merkenrecht Mr. Ch. Gielen en Mr. L. Wichers Hoeth Nr. 1077 Tjeenk Willink Zwolle 1992 blz. 441 en 442).

De Kantonrechter heeft zich in casu alleen geconcentreerd op het visuele verschil tussen de twee woord- en beeldmerken, maar heeft het belangrijke in het oog springende AUDITIEVE aspect n.l. de uitspraak ”MACKENZIE” en MCKENZIE welke verwarringwekkend en overeenstemmend is, niet in beoordeling genomen.

De Kantonrechter heeft ook geen rekening gehouden met het feit dat het publiek de merken vrijwel nooit tegelijkertijd ziet, dit in tegenstelling tot de rechter, die ze beide in het proces-dossier aantreft of voor zich op tafel kan waarnemen. De rechter moet zich dus losmaken van de gelijktijdige waarneming en zich afvragen welk meestal vaag herinneringsbeeld van het ene merk bij het publiek is overgebleven op het moment dat dit – later en/of elders – het andere merk waarneemt. Dit herinneringsbeeld zal vaak niet het gehele merk omvatten, maar alleen het meest in het oog springende of indrukwekkende bestanddeel daarvan.

Zie over dit beginsel van niet gelijktijdige confrontatie: Hof’s-Gravenhage 23 januari 1985 N.J. 1986 No. 500 Double you en Hof Amsterdam 28 augustus 1986 (IER) Intellectuele Eigendom en Reclamerecht 1987 15 BF./Belfe Vide Merkenrecht Mr. Ch. Gielen no. 1084 blz. 446.

Het is vaste regel dat de conflicterende merken in hun geheel moeten worden beoordeeld, derhalve met inbegrip van eventueel ondeugdelijke of zwak onderscheidende bestanddelen.

Het gaat om de totaalindruk. Die indruk, dat wil zeggen datgene wat door de zintuigen (o.a. oog en oor) wordt opgevangen, in de geest verwerkt en ten slotte in het geheugen bewaard wordt, wordt mede bepaald door bestanddelen die gebruikelijk of beschrijvend zijn of geen dan wel slechts geringe onderscheidende kracht hebben. Dit neemt echter niet weg dat in een merk een origineel opvallend bestanddeel meer indruk maakt en daardoor vaster in het geheugen blijft hangen dan een banaal onderdeel en dat daardoor ook het geheel weer uit het geheugen kan worden ingediept, vide Merkenrecht Mr. Ch. Gielen blz. 454 No. 1101.

Voor overeenstemming is volgens het Union arrest nodig dat merk en teken AUDITIEF/VISUEEL of BEGRIPSMATIG gelijkenis vertonen. Uiteraard, kan die gelijkenis zodanig zijn dat in abstracto associatierisico bestaat. Voor dit associatieproces is (slechts) relevant wat gehoord, gezien of begrepen wordt. Helbach, in een noot in BIE 1984, 262 Mirbell/Birkel, leert dat het zich voordoen van een van de drie factoren als voldoende is; evenzo steinhauser, noot in BIE 1986, 244 vide Merkenrecht Mr. Ch. Gielen blz. 459 Nr. 1111 en 1112

  1. Ten onrechte heeft de Kantonrechter in dit casu geen auditieve gelijkenis of overeenstemming aangenomen.

De appellante is van mening dat er hier een schoolvoorbeeld is van auditieve gelijkenis, omdat het uitgesproken klankbeeld MACKENZIE EN (BURN) MCKENZIE min of meer gelijk is: vide Merkenrecht Mr. Ch. Gielen blz. 460 No. 1114 en 1115 en de daar aangehaalde rechtspraak.

Appellante legt in fotocopie de bladzijden van de daar aangehaalde rechtspraak die overvloedig is, over en verzoekt het Hof die als letterlijk herhaald en in deze pleitnota geïnsereerd te beschouwen;

met conclusie:

dat het Hof op gronden hiervorenaangehaald, het vonnis a quo zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellante zal toewijzen, kosten rechtens;

Overwegende, dat geïntimeerde de grieven heeft bestreden, met conclusie:

dat het Hof opnieuw rechtdoende, de vordering van appellante zal afwijzen;

Overwegende m.b.t. voormelde grieven:

– dat naar ’s Hoven voorlopig oordeel, als merk van appellante is gedeponeerd een etiket (vide verzoek tot inschrijving als bijlage bij het inleidend rekest) en wel voor ”whisky”;

– dat dit etiket, blijkens de ten processe overgelegde flessen (met inhoud) van appellante en geïntimeerde, zowel naar opmaak en kleur zodanig verschillen, dat gevaar voor verwarring bij het Surinaams whisky gebruikend publiek – naar ’s Hoven voorlopig oordeel – niet aanwezig is; (vide uitvoerig vonnis Hof Amsterdam 4 januari 1990, gepubliceerd in Intellectuele Eigendom en Reclamerecht (I.E.R. 1990 No. 15) inz. Spa/Sourcy;

– dat, naar ’s Hoven voorlopig oordeel, ook auditief geen overeenstemming aanwezig wordt geacht tussen ”THE REAL McKENZIE” en ”BURN McKENZIE” (Mac, uitgesproken: Maek, terwijl bij Mc de ae voormeld niet wordt uitgesproken, dus Mk);

Overwegende, dat de grieven dan ook als ongegrond zijn aangevoerd, weshalve het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen tussen partijen en uitgesproken op 1 februari 1993, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op f. 500,–.

 

SRU-HvJ-1999-1

M.R.S.

GENERALE ROL NO.13984.

CULTUURONDERNEMING ALUPI (Rijstbedrijf) Naamloze Vennootschap, rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Rijweg naar Kwatta no. 254 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optrad Mr.P.E.BEMMEL, advokaat, die thans vervangen wordt door advokaat Mr.S.MANGROELAL,

appellante,

t e g e n

[geïntimeerde], zaakdoende onder de [naam] Import en Export Industry, aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optrad, Mr.A.W.VAN DER SAN,

geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder;

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 10 december 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 januari 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [naam], als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiser wenst de hierna volgende vordering in te stellen tegen de Cultuuronderneming ALUPI (Rijstbedrijf) Naamloze Vennootschap, rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Rijweg naar Kwatta no. 254 te Paramaribo, gedaagde;

2. dat blijkens een hierbij in fotocopie overgelegde akte betreffende bevestiging van de koop en verkoop van 700 metrieke ton ureum (kunstmest) aan gedaagde d.d. 13 april 1995, waarvan wordt verzocht de inhoud daarvan als hier geinsereerd te willen beschouwen (productie I) gedaagde door tussenkomst van eiser 700 metrieke ton ureum bij [bedrijf] N.V.Kantoor houdende te Antwerpen, België, heeft gekocht gelijk [bedrijf] N.V. aan gedaagde heeft verkocht voor het bedrag van $ 203.300,– (TWEEHONDERD DRIEDUIZEND EN DRIEHONDERD AMERIKAANSE DOLLARS);

3. dat terwijl vorenmelde overeenkomst werd uitgevoerd gedaagde bij schrijven van d.d. 24 april 1995, aan verzoeker te kennen heeft gegeven dat zij wegens bijzondere omstandigheden niet in staat is de bestelde kunstmest (ureum) af te nemen. Ten blijke hiervan wordt een copie van bedoeld schrijven hierbij toegevoegd (productie II);

4. dat in verband met de annulering van de vermelde overeenkomst de leverancier [bedrijf] N.V. te Antwerpen, België, per schrijven van d.d. 25 april 1995 aan eiser kenbaar heeft gemaakt dat zij reeds kosten voor de levering van de bestelde kunstmest had gemaakt, met name voor verpakkingsmateriaal, bestaande uit bedrukte zakken en dat deze kosten $ 6.310,– (ZESDUIZEND DRIEHONDERD EN TIEN AMERIKAANSE DOLLARS) belopen. Een fotocopie van bedoeld schrijven wordt hierbij overgelegd ten blijke van het vorenstaande (productie III);

5. dat de leverancier [bedrijf] N.V. alsgevolg van het feit dat gedaagde de bestelde ureum (kunstmest) niet meer heeft afgenomen en door de kosten die zij gemaakt had voor het verpakkingsmateriaal van bedoeld ureum, na gevoerde correspondentie met eiser, in de maand mei 1995 het bedrag van $ 3.339,– (DRIEDUIZEND DRIEHONDERD NEGEN EN DERTIG AMERIKAANS DOLLARS), van eiser uit gelden die zij van eiser onder zich had, heeft achter gehouden ter compensatie van de gemaakte kosten voor het verpakkingsmateriaal dat bestemd was voor de door gedaagde gekochte kunstmest. Eiser legt hierbij een fax bericht d.d. 9 mei 1995 van [bedrijf] N.V., en een copie van een overmakingsbewijs van de Surinaamsche Bank N.V. d.d. 19 mei 1995 over, ten blijke van het hiervoren gestelde (productie IV en V);

6. dat gedaagde zich heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie door de gekochte kunstmest niet meer af te nemen, nadat zij zich met de koop geconfirmeerd had en eiser de leverancier het groenlicht tot verscheping van de kunstmest gegeven had, als gevolg waarvan eiser schade heeft geleden;

7. dat gedaagde ondanks herhaalde mondelinge toezeggingen, het verschuldigd bedrag nimmer aan eiser heeft betaald en volhardt gedaagde in haar weigering ondanks schriftelijke aanmaningen van eiser;

8. dat eiser derhalve opeisbaar van gedaagde te vorderen heeft het bedrag van $ 3.339,–(DRIEDUIZEND DRIEHONDERD EN NEGEN EN DERTIG AMERIKAANSE DOLLARS);

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van $ 3.339,– (DRIEDUIZEND DRIEHONDERD NEGEN EN DERTIG AMERIKAANSE DOLLARS) of de tegenwaarde daarvan in Surinaams geld volgens de koers van de dag van betaling met de wettelijke interessen van de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, kostens rechtens;

Overwegende, dat Cultuuronderneming Alupi (Rijstbedrijf) Naamloze Vennootschap als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen c.q. hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 10 december 1996 op de daarin opgenomen gronden: gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van $ 3.339,– (DRIEDUIZEND DRIEHONDERD NEGEN EN DERTIG AMERIKAANSE DOLLARS) of de tegenwaarde daarvan in Surinaams geld volgens de koers van de dag van betaling met de wettelijke interessen vanaf 6 februari 1996 tot aan die der algehele voldoening;

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.2436,25 (TWEEDUIZEND VIERHONDERD ZES EN DERTIG EN 25/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Cultuuronderneming Alupi (Rijstbedrijf) Naamloze Vennootschap in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 10 december 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 1 augustus 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 3 juli 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, d.d. 10 december 1996;

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen en de overgelegde produkties blijkt dat de geintimeerde,[naam], slechts als vertegenwoordiger van de firma [bedrijf] N.V., gevestigd te Antwerpen in België, opgetreden is bij de aankoop door de appellante van die vennootschap van 700 metrieke ton ureum (kunstmest) en had dus deze firma – en dus niet [geïntimeerde] – de onderhavige vordering moeten instellen tegen de appellante;

Overwegende, dat de eerste rechter de geintimeerde danook niet ontvankelijk had moeten verklaren in haar vordering omdat zij daarbij geen belang heeft en nu hij dat nagelaten heeft, zal het Hof dat verzuim herstellen, hetgeen met zich meebrengt dat niet ingegaan behoeft te worden op de feitelijke stellingen van partijen en dus ook niet op de grieven die de appellante ter berde gebracht heeft;

Overwegende, dat danook recht als na te melden zal worden gedaan, met veroordeling van de geintimeerde in de gedingkosten van beide instanties en wel als de in het ongelijk gestelde partij;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 10 december 1996, waarvan beroep;

Verklaart de geintimeerde alsnog niet ontvankelijk in haar vordering jegens de appellante;

Veroordeelt geintimeerde in de gedingkosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en begroot op:

– in eerste aanleg op f.NIHIL;

– in hoger beroep op f.9.395,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH, en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MAART 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van appellante, advokaat Mr.S.Mangroelal, terwijl de geintimeerde noch in persoon, noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-1952-1

Hof Van Justitie

21 maart 1952, G.R. 6780

(Mrs. A. Leydesdorff, F. van Blerkom en J.D. Carriere)

[appellant], wonende te [district], appellant,

tegen:

[geïntimeerde], wonende te [district], geïntimeerde, vertegenwoordigd door advocaat H.M.C. Bergen, namens diens gemachtigde, advocaat Mr. F.H.R. Lim A Po.

De waarnemend President spreekt in deze zaak in naam der Koningin het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie in Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 2 oktober 1951 tussen partijen gewezen;

2. proces-verbaal d.d. 16 oktober 1951 van de Griffier van het Kantongerecht in het Eerste Kanton, waaruit blijkt dat op gemelde datum [appellant], eiser in prima, heeft verklaard gebruik te willen maken van het middel van hoger beroep van het voormeld vonnis;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg voor zover thans van belang blijkt, dat appellant, oorspronkelijk verzoeker bij verzoekschrift zich tot de Kantonrechter heeft gewend, daarbij stellende, dat hij aan geïntimeerde, gedaagde in prima, voor onbepaalde tijd en tot wederopzeggings toe een woning heeft verhuurd aan [adres] tegen de huurprijs van ƒ 15,– per maand en dat hij per brief dd. 1 October 1950 de huur heeft opgezegd aan geïntimeerde-gedaagde terzake van het onbehoorlijk gebruik maken van het gehuurde en daaruit voortvloeiende overlast, althans en in elk geval aan het gehuurde geven van een andere bestemming dan waarvoor en waartoe het is verhuurd; dat hij geïntimeerde-gedaagde een concreet aanbod heeft gedaan per brief van 23 Februari 1951 en hem drie woningen heeft aangeboden op [woonplaats] in dezelfde prijsklasse en van dezelfde soort als het gehuurde, doch dat geïntimeerde-gedaagde heeft geweigerd te verhuizen; met verzoek:

1. dat voor recht worde verklaard de ontbinding der huurovereenkomst tussen partijen;

2. de ontruiming van het gehuurde te willen gelasten, alles met uitvoerbaar verklaring van het vonnis bij voorraad en met bepaling, dat indien [geïntimeerde] dan ingebreke mocht blijven tot de ontruiming hiervan over te gaan, deze zal geschieden desnoods met behulp van de Sterke Macht; kosten rechtens;

dat geïntimeerde-gedaagde bij antwoord de huurovereenkomst heeft erkend, doch al hetgeen de appellant-eiser verder in zijn verzoekschrift heeft gesteld ontkend als zijnde in strijd met de waarheid, en voorts dat appellant-eiser zijn vordering in strijd met de Huurbeschermingsverordening heeft ingesteld, vermits daarin uitdrukkelijk de gronden zijn aangegeven, waarop een vordering tot ontruiming moet steunen, hebbende de geïntimeerde-gedaagde geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaren van eiser in zijn vordering althans dat deze hem zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 2 October 1951 de appellant-eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn gedaan verzoek, daarbij overwegende: dat eiser zijn vordering steunt op de omstandigheid dat gedaagde de door hem van eiser gehuurde woning een andere bestemming heeft gegeven dan waarvoor de woning werd verhuurd en dat dit echter geen der gronden is, genoemd in artikel 4 der Huurbeschermingsverordening 1949, op grond waarvan ontruiming kan worden gevorderd;

dat appellant-eiser blijkens het in hoofde dezes vermeld proces-verbaal in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis en een memorie van appèl heeft ingediend waarin hij zijn grieven tegen het beroepen vonnis heeft ontwikkeld;

dat aanzegging van het ingesteld hoger beroep en betekening van de memorie van appèl aan geïntimeerde-gedaagde hebben plaats gevonden, blijkens exploit van de deurwaarder J.G. Elmont dd. 14 November 1951, terwijl de aanzegging van de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep blijkt uit het exploit van deurwaarder A.Ch.Chr. Slaterus van 30 Januari 1952;

Overwegende, dat ten dienende dage partijen, appellant in persoon, geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat H.M.C. Bergen, namens diens gemachtigde advocaat Mr. F.H.R. Lim A Po vonnis hebben gevraagd, hetwelk door het Hof is bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het hoger beroep niet kan worden ontvangen;

dat immers de onderhavige vordering en de daarop gegeven beslissing van de Kantonrechter zijn gegrond op artikel 4 der Huurbeschermingsverordening 1949 en ten dage van de beslissing van de Kantonrechter, zijnde 2 October 1951, nog in werking was de bepaling van artikel 8 dier verordening, krachtens welke tegen rechterlijke beslissingen ex artikel 4 geen rechtsmiddel openstond, welke bepaling eerst is komen te vervallen op 22 November 1951, de datum van in werking treding van de Landsverordening van 21 November 1951 (G.B. No.157);

dat deze nieuwe verordening met ingang van de genoemde datum harer inwerkingtreding de mogelijkheid van hoger beroep van rechterlijke beslissingen ex artikel 4 der Huurbeschermingsverordening 1949 heeft gebracht; doch, bij het ontbreken van enige bepaling omtrent terugwerkende kracht, deze mogelijkheid niet mede tot vonnissen, voordien gewezen, heeft uitgestrekt;

Overwegende nog, dat het Hof aanleiding vindt, er appellant op te wijzen, dat wel is waar de onderhavige zaak door het vonnis van de Kantonrechter in hoogste ressort is beslist, doch hij, indien het door hem gestelde onbehoorlijk gebruik en ondervonden ernstige overlast mochten voortduren, alsnog zich andermaal ter zake met een ontruimingsvordering tot de Rechter kan wenden;

Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Verklaart het appèl niet-ontvankelijk;

Verwijst appellant in de kosten der appellatoire instanties aan zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

 

SRU-HvJ-1994-2

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 18 november 1994

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand en E.S. Ombre)

[verzoeker], wonende in Nederland, domicilie kiezende te Paramaribo ten kantore van zijn gemachtigde, advokaat Mr. A.L. TJON KWAN PAW, aan de Grote Combéweg No. 25-27, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat No. 3, voor wie als gemachtigde optreedt Mr. F. KRUISLAND, advokaat, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

[verzoeker] heeft zich bij verzoekschrift tot het Hof gewend, daarbij stellende:

  1. dat de verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Heer Procureur-Generaal, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat No. 3, verweerder;
  2. dat de verzoeker sedert 1 april 1946 in Staatsdienst is getreden en derhalve ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;
  3. dat de verzoeker sedert maart 1970 is te werk gesteld op het toenmalige Kabinet van de gevolmachtigde minister van Suriname te Den Haag thans Ambassade van de Republiek Suriname;
  4. dat aan de verzoeker blijkens een onduidelijke beschikking d.d. 24 oktober 1985 [nummer 1], met verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen, ontslag uit Staatsdienst is verleend;
  5. dat de onduidelijkheid van de beschikking moge blijken uit het feit dat het opschrift van de beschikking luidt: De Minister van Binnenlandse Zaken, Distriktsbestuur en Justitie, terwijl aan de voet van de beschikking is vermeld: De Minister van Algemene Zaken en Buitenlandse Zaken;
  6. dat de verzoeker hierbij aantekent dat dit ontslag hem werd verleend, terwijl hij met vrijstelling van dienst wegens ziekte was, blijkende zulks uit de gezamenlijke beschikking van de ministers van Buitenlandse Zaken en minister van Binnenlandse Zaken, Distriktsbestuur en Volksmobilisatie d.d. 30 juli 1985 [nummer 2], waarbij aan de verzoeker vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend van 1 juni 1983 tot en met 31 december 1983, terwijl blijkens de verklaring van de Medische Keuringscommissie de verzoeker na de periode vanaf zijn ziekte toestand opnieuw zou worden beoordeeld, hetgeen tot op heden niet is gebeurd;
  7. dat de verzoeker zich dan ook bij schrijven d.d. 11 november 1990 tot de Minister van Buitenlandse Zaken heeft gewend en in dit schrijven zijn bezwaren naar voren heeft gebracht tegen de geïncrimineerde beschikking d.d. 24 oktober 1985 [nummer 1], op welk schrijven tot op heden door de terzake bevoegde organen niet is gereageerd, met verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  8. dat de verzoeker derhalve genoodzaakt was een gemachtigde in de hand te nemen en wel het advokatenkantoor Tjon Kwan Paw, om zijn belangen te behartigen;
  9. dat de gemachtigde van de verzoeker dan ook bij schrijven d.d. 30 maart 1993, met verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen de verweerder heeft gevraagd om de financiële positie van de verzoeker overeenkomstig de Personeelswet te regelen;
  10. dat de verzoeker bij dit schrijven ook een attest van Dr. J. FIOLET heeft overgelegd, dat de ziekte toestand van de verzoeker nog steeds voortduurt, met verzoek de inhoud van dit attest als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  11. dat de verweerder dan ook bij schrijven d.d. 20 mei 1993 [nummer 3] de verzoeker heeft bericht, dat hij bereid is het salaris over de periode 1 juni 1983 tot en met 31 december 1983 aan de verzoeker te betalen. Na 31 december 1983 geen salarisuitbetaling, daar de verzoeker overeenkomstig de wettelijke voorgeschreven procedure uit Staatsdienst is ontslagen, met verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  12. dat de verzoeker nu hij zich met de punten b en c van het schrijven van 20 mei 1993 van de verweerder niet kan verenigen hij met toepassing van artikel 80 lid 1 onder b en 2 onder b en c tijdig bij het Hof als Ambtenarenrechter in beroep is gekomen;
  13. dat de verzoeker opmerkt dat het aan hem gegeven ontslag in strijd is met het wettelijke voorschrift als bedoeld in artikel 79 lid 1 onder a van de Personeelswet, omdat tijdens ziekte geen ontslag aan een landsdienaar kan worden verleend, volgende zulks uit artikel 47 lid 9 onder b van de Personeelswet;
  14. dat de verweerder, zoals gebruikelijk, geen enkele verklaring kan overleggen dat de verzoeker wederom arbeidsgeschikt is en zijn actieve dienst kan hervatten;
  15. dat de litigieuze beschikking geen stand kan houden en derhalve dient te worden vernietigd;
  16. dat de verzoeker met inachtneming van artikel 79 lid 1 onder b van de Personeelswet ook schade lijdt daar de verweerder nalaat die handelingen te verrichten waardoor aan hem alsnog zijn salaris wordt uitbetaald van 1 januari 1984 tot aan de datum van zijn ontslag, daar hij volgens de Personeelswet niet verplicht was te werken, aangezien zijn ziektetoestand nog voortduurt;
  17. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen, zodat de verzoeker tijdig het Hof zijn beklag komt doen;

Verzoeker heeft op deze gronden gevorderd:

– dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken d.d. 24 oktober 1985 [nummer 1];
  2. de verweerder zal worden veroordeeld met toepassing van artikel 82 lid 4 van de Personeelswet:
  3. die handelingen te verrichten waardoor aan de verzoeker alsnog zijn salaris wordt uitbetaald over de periode 1 januari 1984 tot aan de dag van zijn ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
  4. de verzoeker ontslag te verlenen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, e.e.a. wat sub b en·e onder verbeurte van een dwangsom van f. 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven, kosten rechtens;

Verweerder heeft binnen de bij de wet voorgeschreven termijn een verweerschrift ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist met klem al hetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend.

Verweerder biedt van zijn stellingen bewijs aan, indien en voor zover de bewijslast daarvan op hem mocht rusten.

  1. Verzoeker ageert tegen de beschikking van de minister van Algemene en Buitenlandse Zaken d.d. 24 oktober 1985, waarbij aan hem op grond van plichtsverzuim ontslag uit de Staatsdienst werd verleend. Voormelde beschikking is vervolgens daags daarna ter kennis van verzoeker gebracht.

Uit het 7e ”sustenu” van het inleidend rekest blijkt, dat verzoeker in elk geval op 11 november 1990 bekend was met voormelde beschikking en deze derhalve vóór die datum te zijner kennis moet zijn gebracht. Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet had dan ook de onderhavige vordering op uiterlijk 9 december 1990 moeten zijn ingesteld.

Aangezien echter de instelling van voormelde vordering heeft plaatsgevonden op 1 juni 1993, is verzoeker mitsdien in zijn vordering niet-ontvankelijk.

  1. Verzoeker grondt zijn vordering op het feit, dat hij wegens ziekte verhinderd was de aan zijn functie verbonden werkzaamheden te verrichten, kennelijk zulks betrekking hebbende op de periode 1 januari 1984 – 24 oktober 1985, en gedurende die periode zich naar Suriname te begeven voor het verrichten van die werkzaamheden.

Verweerder weerspreekt echter met klem, dat verzoeker verhinderd zou zijn geweest als door hem gesteld.

Van zijn stelling terzake heeft verzoeker ook geen enkel bewijs bijgebracht of die stelling aannemelijk gemaakt.

Het door verzoeker overgelegde attest van de psychiater J. FIOLET, kan daarvan namelijk het bewijs niet leveren, aangezien dat attest dateert van 24 juni 1983 en mede op basis daarvan aan verzoeker vrijstelling van dienst wegens ziekte werd verleend tot en met 31 december 1983.

Over de daarna voIgende periode is door verzoeker geen medische verklaring overgelegd, dat hij nog steeds ziek zou zijn.

Verzoeker heeft erkend, dat hij vanaf 1 januari 1984 de aan zijn functie verbonden werkzaamheden niet heeft verricht.

Aangezien, zoals uit het voorgaande blijkt, verzoeker geen wettige reden van verhindering te dier zake heeft kunnen waarmaken, heeft hij zich mitsdien daadwerkelijk schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en is terecht op die grond aan hem ontslag verleend.

  1. Aangezien verzoeker niet heeft aangegeven of en wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, is het petitum sub b als vaag en onduidelijk niet voor toewijzing vatbaar.

Verweerder heeft op deze gronden geconcludeerd:

– dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd;

Ingevolge ’s Hofs beschikking van 20 augustus 1993 zijn in Raadkamer verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door advokaat Mr. F.F.P. TRUIDEMAN namens advokaat Mr. A.L. TJON KWAN PAW, gemachtigde van verzoeker en advokaat Mr. F. KRUISLAND, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

De gemachtigde van partijen hebben hierna de zaak bij pleidooi nader toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had·bepaald op 21 oktober 1994, doch nader op heden.

OVERWEGENDE TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Het beroep van verweerder op niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn vordering omdat hij – verzoeker – die vordering niet binnen de bij artikel 80 lid 1 sub b Personeelswet gestelde termijn van een maand heeft ingesteld, komt het Hof gegrond voor.

Naar luid van artikel 5 lid 2 sub b Personeelswet wordt een besluit geacht ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het desbetreffende stuk als aangetekende brief aan hem in persoon is uitgereikt.

Tussen partijen is in confesso, dat verzoeker bij beschikking van de minister van Algemene en Buitenlandse Zaken d.d. 24 oktober 1985 [nummer 1] is ontslagen.

In het door verzoeker als produktie in het onderhavige geding gebracht schrijven, in fotocopie d.d. 30 maart 1993, aan de minister van Buitenlandse Zaken, stelt verzoeker: ”werd hem via de post een aangetekende beschikking d.d. 24 oktober 1985 uitgereikt”. De bedoeling van eerder gemelde wettelijke bepaling kan naar ’s Hoven oordeel geen andere zijn, dan dat belanghebbende van de inhoud van het besluit op de hoogte zal zijn, opdat hij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kan beraden. Deze bedoeling wordt uiteraard niet bereikt indien het als aangetekende brief verzonden besluit door betrokkene niet wordt ontvangen en die brief als onbestelbaar wordt geretourneerd. Nu, naar uit het door verzoeker als produktie in het onderhavige proces gebracht schrijven in fotocopie d.d. 30 maart 1993 blijkt, dat de beschikking d.d. 24 oktober 1985 [nummer 1] de verzoeker alstoen had bereikt en de bedoeling van artikel 5 lid 2 sub b Personeelswet dus ook was bereikt en verzoeker, naar uit het verzoekschrift blijkt, pas op 1 juni 1993, dus langer dan een maand na 30 maart 1993 zijn vordering heeft ingesteld, is hij daarin niet-ontvankelijk; het door verweerder terzake gedaan beroep is mitsdien gegrond.

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.

SRU-HvJ-1994-1

Hof van Justitie

12 augustus 1994, G.R. 13395

(Mrs. S. Gangaram Panday, A.I. Ramnewash, P.G. Wolff)

[appellant], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J. Kraag, advokaat, appellant,

tegen

A. N.V. De Surinaamsche Waterleiding Maatschappij, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr. 9 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advokaat,

B. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Arbeid, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie, te zijnen Parkette aan de Gravenstraat nr. 52-54 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. J.J. Emanuelson, advokaat, geïntimeerden,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 april 1993 tussen partijen gewezen; .
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 april 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

Eiser wenst de navolgende vordering op verkorte termijn in te stellen tegen:

A. N.V. De Surinaamse Waterleiding Maatschappij rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr. 9 te Paramaribo, gedaagde.

B. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Arbeid, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie, te zijnen Parkette aan de Gravenstraat nr. 52-54.

  1. Eiser is ongeveer 11 (elf) jaren in dienst geweest van gedaagde sub a.
  2. Eiser is door gedaagde sub a per 1 oktober 1991 buiten functie gesteld vanwege ernstig plichtsverzuim hetwelk naar eiser ’s mening geheel en al onterecht is geschied althans niet conform de vigerende wettelijke bepalingen op dit gebied.
  3. Eiser is tevens bij besluit van de Ontslag-Commissie zijnde het vertegenwoordigheidsorgaan van gedaagde sub b d.d. 28 november 1991, ter kennis gebracht dat de aanvraag van gedaagde sub a ter verkrijging ener vergunning tot beëindiging van bovenstaand dienstverband door hun werd gehonoreerd;
  4. Eiser is bij schrijven d.d. 10 december 1991 door gedaagde op de hoogte gesteld dat de tussen hen bestaande dienstbetrekking door haar werd opgezegd en beëindigd per 1 mei 1992.
  5. Eiser is van mening de beëindiging van het dienstverband althans het aan hem verleend ontslag door gedaagde kennelijk onredelijk is.
  6. Eiser is tevens ervan overtuigend dat het genomen besluit van gedaagde sub b in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid welke in acht diende te worden jegens zijn persoon en/of goed, ten gevolge waarvan hij schade lijdt mitsdien is te kwalificeren als een onrechtmatige daad jegens eiser en de geleden en nog te lijden schade ontstaan is ten gevolge van de schuld gedaagde sub b, voorlopig gelijk te stellen aan het bedrag door de rechter vast te stellen als zijnde het gederfde loon bij eventueel herstel der dienstbetrekking vanaf de 1 mei 1992 t/m de dag der hervatting der werkzaamheden althans aan de door de rechter vast te stellen afkoopsom
  7. Eiser is derhalve gerechtigd gedaagden in rechte aan te spreken, meer speciaal gedaagde sub a die in strijd met de bij haar geldende C.A.O. bepalingen onder meer artikel 8.C daarvan en eiser aanspraak maakt op de doorbetaling van zijn salaris en alle aan de dienstbetrekking verbonden emolumenten.
  8. dat de eiser zich ten alle tijde bereid heeft gesteld en gehouden de bedongen arbeid te verrichten.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zover als mogelijk uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. het aan eiser verleende ontslag zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard;

b. gedaagden zullen worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, zijn salaris ad f.1100,– per maand vanaf de maand mei 1992 en alle aan bedoelde dienstbetrekking verbonden emolumenten totdat de dienstbetrekking op regelmatige wijze zal zijn beëindigd, kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigden van gedaagden hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen waarbij de gemachtigde van gedaagde sub A tevens een produktie heeft overgelegd waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor repliek en uitlating produktie bepaald de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie heeft genomen waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor dupliek peremptoir bepaald de gemachtigde van de gedaagde sub B heeft gepersisteerd, terwijl de gemachtigde van gedaagde sub A een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 6 april 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser ‘s vorderingen heeft afgewezen;

Hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 6 april 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Sh. Kandhai van 31 augustus 1993 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende advokaat Mr. Emanuelson ten dage voor dupliek peremptoir bepaald gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 15 juli 1994, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat de appellant tijdig in appèl gekomen is van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 6 april 1993 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Overwegende, dat de appellant 4 (vier) grieven tegen dat vonnis aangevoerd heeft, die echter geen doel treffen omdat die voorbijgaan aan de motivering van de beslissing van de eerste rechter dat de appellant met als grondslag kennelijk onredelijk ontslag voor de ontslagverlening door de geïntimeerde sub A, de S.W.M., aan hem, slechts schadevergoeding of herstel van de dienstbetrekking had kunnen vorderen en niet – zoals de appellant gedaan heeft – de vernietiging of nietigverklaring van de ontslagverlening, met veroordeling van elk der geïntimeerden, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om het salaris ad f.1100,– (elfhonderd gulden) vanaf de maand mei 1992, enzovoorts, aan de appellant te voldoen, en wel totdat de dienstbetrekking op een regelmatige wijze beëindigd zal zijn (zie het petitum);

Overwegende, dat i.c. van een regelmatige beëindiging van de dienstbetrekking tussen de appellant en de S.W.M. sprake is, nu laatstgenoemde aan de daarvoor geldende wettelijke vereiste voldaan heeft, te weten de verkrijging van een ontslagvergunning van de geïntimeerde sub B, de Staat Suriname;

Overwegende, dat dat ontslag desondanks kennelijk onredelijk kan zijn, doch dat de appellant alsdan gemotiveerd zal moeten aangeven op grond waarvan dat het geval is, en hierin is de appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet alleen te kort geschoten, doch heeft hij – als boven aangegeven – voorzieningen gevorderd, die aan die grondslag vreemd zijn (zie de artikelen 1615s en 1615t S.B.W.);

Overwegende, dat het verlenen van de ontslagvergunning door de geïntimeerde sub B, de Staat Suriname, aan de geïntimeerde sub A, de S.W.M., om de dienstbetrekking met de appellant te beëindigen, de geïntimeerde sub B niet tot schadeplichtige partij jegens de appellant maakt, omdat de wet de onderhavige ontslagverlening door de geïntimeerde sub A aan de appellant aan een vergunning van de geïntimeerde sub B gebonden heeft, aan welke vereiste de geïntimeerde sub A moet voldoen om een van rechtswege nietige ontslagverlening te voorkomen en van welke verkregen vergunning de geïntimeerde sub A geen gebruik behoeft te maken;

Overwegende, dat hoe de Staat Suriname daarbij jegens de appellant zich schuldig zou kunnen maken aan een onrechtmatige daad heeft de appellant niet alleen niet gemotiveerd aangegeven, doch lijkt het het Hof ook niet tot de mogelijke grondslag van een schadevergoeding te behoren;

Overwegende, dat afwijzen van de vordering van de appellant ook de niet-ontvankelijk verklaring van die vordering inhoudt, omdat de appellant jegens de geïntimeerde sub B niet-ontvankelijk is in zijn vordering;

Overwegende, dat het Hof de aangevochten beslissing danook zal bevestigen, met veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten aan de zijde van de geïntimeerden gevallen;

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 6 april 1993 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en begroot op f.300,–;

met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.300,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.300,–.

 

 

 

 

 

 

SRU-aa–2087

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant], wonende te [district],
appellant, verder te noemen [appellant],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman,

tegen

[geintimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde, verder te noemen [geintimeerde],
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn,
inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 juli 2009 (A.R.No. 07-1285) tussen geïntimeerde als eiseres en appellant als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

– een pleitnota van 16 december 2011, met één productie;
– een antwoordpleitnota van 17 februari 2012;
– een repliekpleitnota van 16 maart 2012 en
– een dupliekpleitnota van 18 mei 2012.

De vaststaande feiten
1.Tussen partijen staan de volgende feiten vast:
a) [geintimeerde] heeft in de periode maart- april 2005 haar winkelinventaris ter verkoop aangeboden. [appellant], op dat moment samenwonend met de dochter van [geintimeerde], trad op als bemiddelaar.
b) De winkelinventaris is verkocht. Er is een bedrag betaald.

De stellingen en verweren in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter

2. [geintimeerde] stelt dat de winkelinventaris door bemiddeling van [appellant] is verkocht voor een bedrag van US$ 22.000,–, dat [appellant] slechts een bedrag van US$ 4.500,– aan haar heeft afgedragen en dat zij daarom nog US$ 17.500,– van hem tegoed heeft. Zij vordert de betaling van dit bedrag met rente en kosten en vanwaardeverklaring van het gelegde beslag. [appellant] erkent als bemiddelaar te zijn opgetreden en voert aan dat al het verschuldigde is voldaan. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis een bedrag van US$ 15.500,– (althans de tegenwaarde daarvan in Surinaamse dollars) toegewezen, met vanwaardeverklaring van het gelegde beslag en proceskostenveroordeling van [appellant].

Beoordeling

  1. [appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. Hij bestrijdt de juistheid van het bestreden vonnis. [geintimeerde] daarentegen kan zich in het vonnis vinden. Zij komt niet op tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar vordering.
  2. Uit de stellingen en verweren over en weer komt het Hof (anders dan de kantonrechter) tot het oordeel dat de winkelinventaris is verkocht voor US$ 22.000,– (zie de erkenning door [appellant] in de conclusie van antwoord onder 3.) en dat [appellant] recht had op een commissie van US$ 2.000,– (door hem aangevoerd bij diezelfde conclusie van antwoord onder 3. en door [geintimeerde] niet betwist).
  3. De vraag in deze procedure is, wat er met de (restant) koopsom van US$ 20.000,– is gebeurd. [geintimeerde] stelt dat zij slechts US$ 4.500,– heeft ontvangen. [appellant] voert aan dat hij van de koper rechtstreeks US$ 7.000,– heeft ontvangen en dat hij daarvan US$ 5.000,– heeft doorbetaald aan [geintimeerde] en US$ 2.000,– als commissie voor zijn bemiddeling heeft behouden. De restantkoopsom van US$ 15.000,– is door de koper aan de toenmalige vriendin van [appellant] betaald, (de dochter van [geintimeerde] ). Daarmee is aldus [appellant], de hele koopsom betaald. Hij legt in dit verband in hoger beroep een verklaring over van een zekere [naam 1], die aangeeft de winkelinventaris te hebben gekocht van [appellant] en op grond van die overeenkomst aan [appellant] US$ 7.000,– te hebben betaald en aan ‘zijn echtgenote [echtgenote]’ US$ 13.000,–. [geintimeerde] ontkent dat de restant koopsom aan haar dochter is betaald, maar voert bovenal aan dat met de betaling aan haar dochter evenmin aan de overeenkomst is voldaan omdat [appellant] het bedrag aan haar, [geintimeerde], had moeten doorgeven.
  4. Met de kantonrechter stelt het Hof vast dat waar [geintimeerde] stelt US$ 4.500,– van [appellant] te hebben ontvangen en [appellant] aanvoert dat hij US$ 5.000,– aan [geintimeerde] heeft betaald, het op de weg van [appellant] ligt om dit te bewijzen. Hij heeft dit echter niet, althans onvoldoende gespecificeerd, ten bewijze aangeboden, zodat het bewijsaanbod wordt gepasseerd en het hof er van uitgaat dat [appellant] US$ 4.500,– heeft betaald aan [geintimeerde]. Voor wat de resterende US$ 15.500,– betreft, [appellant] voert niet aan dat dit bedrag aan [geintimeerde] is betaald (los van het feit dat hij spreekt van US$ 15.000,–, terwijl in de overgelegde verklaring wordt gesproken van US$ 13.000,–). Daar waar [geintimeerde] onweersproken heeft gesteld dat de overeenkomst is gesloten tussen haar en [appellant] en dat haar dochter daar buiten staat, geldt een betaling aan de dochter van [geintimeerde] (wat daar verder van zij) niet als een betaling krachtens de gesloten bemiddelingsovereenkomst, zodat dit verweer wordt gepasseerd. Dit leidt tot de conclusie dat [appellant] een bedrag van US$ 15.500,– (US$ 20.000,– minus US$ 4.500,–) aan [geintimeerde] dient te betalen, waartoe de kantonrechter hem ook heeft veroordeeld. Het bestreden vonnis kan dan ook met aanvulling van gronden worden bevestigd. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter echter niet beslist op de gevorderde wettelijke rente van 6 % per jaar over het verschuldigde bedrag. Het hof corrigeert dit ambtshalve, als na te melden
  5. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in hoger beroep te dragen.

De beslissing

  1. Bevestigt het bestreden vonnis onder aanvulling van gronden en met dien verstande dat over het verschuldigde bedrag van US$ 15.500,– (vijftienduizendvijfhonderd US dollar) de wettelijke rente van 6% per jaar is verschuldigd vanaf 5 april 2007;
  2. Verijst [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geintimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld