SRU-HvJ-2017-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],

wonende te [district],

verzoeker,

gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat (thans wijlen),

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie (JusPol),

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. A.R. Rathipal, Substituut Officier van Justitie, spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het verzoekschrift met producties dat op 06 mei 2015 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift d.d. 16 juni 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 22 juni 2015, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 juni 2015 met 6 weken is verlengd;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift d.d. 29 juli 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 05 augustus 2015, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 03 augustus 2015 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 07 december 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 januari 2016;

– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 januari 2015;

– de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens verweerder op 04 maart 2016, met producties;

– de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoeker op 06 mei 2016;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 21 oktober 2016.

De motivering

De feiten

1.Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 Bij schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 04 november 2013, is verzoeker in gebreke gesteld en op grond van artikel 44 van het Politie Handvest in de gelegenheid gesteld om zich binnen 7 dagen te verweren.

1.2 Verzoeker heeft zich bij schrijven d.d. 06 november 2013 schriftelijk verweerd bij de Korpschef.

1.3 Bij schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], is onder meer aan verzoeker medegedeeld:

“(…) Na nadere informatie te hebben verzameld kom ik toch tot de conclusie dat uw voertuig achter het voertuig van [naam 1] stond geparkeerd waardoor zij met heel veel moeite kon wegrijden. U belemmerde opzettelijk en wederrechtelijk met uw voertuig de inrit. Op grond van het bovenstaande heb ik het besluit genomen om de tuchtstraf van een (1) week schorsing voor te stellen aan de Minister van Justitie en Politie. (…)”

1.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie, Bureau [nummer], d.d. 17 december 2014, is besloten om verzoeker wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een week op te leggen, met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode, waarbij onder meer is overwogen dat:

– verzoeker misbruik heeft gemaakt van zijn positie als politieambtenaar en [naam 1] opzettelijk en wederrechtelijk in haar vrijheid heeft belemmerd;

– verzoeker op woensdag 29 mei 2013 door misbruik van gezag dwang heeft uitgeoefend op de directrice van de [naam school] en uiteindelijk de mobiele telefoon heeft teruggekregen;

– de gepleegde handelingen door verzoeker in strijd zijn met de ambtsinstructies;

1.5 Bij schrijven van de Korpschef van het Korps Politie Suriname, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 24 december 2014, is aan verzoeker onder andere mede gedeeld dat het samenvattend resultaat van het beoordelingstraject in verband met zijn bevordering in naast hogere rang, negatief is, omdat hij zich in het beoordelingstraject schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en er disciplinaire maatregelen tegen hem zijn getroffen.

1.6 Bij schrijven d.d. 30 december 2014, heeft verzoeker bezwaar aangetekend tegen het schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 24 december 2014.

1.7 Bij schrijven d.d. 19 januari 2015, heeft verzoeker zijn beklag ingediend bij de President van de Republiek Suriname tegen het besluit om hem niet meer te bevorderen tot onderinspecteur.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

2.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om:

1. voor recht te verklaren dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzoeker;

2. nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van verweerder d.d. 24 december 2014, kenmerk K.A.[nummer];

3. nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van verweerder d.d. 17 december 2014, kenmerk K.A.[nummer];

4. verweerder te veroordelen om verzoeker te bevorderen in de naast hogere rang tot onderinspecteur per ingaande 24 oktober 2014 en wel binnen een maand na uitspraak;

5. verweerder te veroordelen om aan verzoeker bij wege van dwangsom te betalen het bedrag groot SRD 10.000,- voor elke keer of dag dat verweerder in strijd handeltmet de veroordeling onder 4;

6. verweerder te veroordelen dit vonnis te gehengen en te gedogen.

2.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij op 27 december 2014 een schrijven, kenmerk K.A. [nummer], van de Korpschef heeft ontvangen met de mededeling dat in het kader van zijn beoordeling het samenvattend resultaat negatief is, met als redenen dat hij tijdens het beoordelingstijdvak zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat er disciplinaire maatregelen tegen hem zijn getroffen.

Verzoeker stelt dat hij op 30 december 2014 tegen voormeld besluit in beroep is gegaan bij de politie (het hof begrijpt: Minister van Justitie en Politie) en op 19 januari 2015 zijn beklag heeft ingediend bij de President van de Republiek Suriname, doch heeft hij geen reactie ontvangen van de Korpschef en is ten aanzien van het beklag geen besluit genomen, terwijl hij op 26 maart 2015 een besluit van de Minister van JusPol heeft ontvangen waaruit blijkt dat hij geschorst is. Verzoeker stelt dat verweerder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door niet te reageren op het beroep en/of het beklag, alsmede dat er sprake is van machtsmisbruik, aangezien hij, verzoeker, nimmer buiten functie is gesteld.

Volgens verzoeker lijdt hij door dit onrechtmatig handelen schade en heeft hij er belang bij dat deze onrechtmatigheid wordt opgeheven en hij per 24 oktober 2014 evenals alle anderen wordt bevorderd.

2.3 Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

2. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:

a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;

b. tot verlaging van rang;

c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;

d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;

e. tot schorsing of ontslag.

Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.

Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren. Dit betekent dat het Hof niet de bevoegdheid heeft te oordelen over de door verzoeker ingestelde vorderingen onder 1, 4 en 6 van het petitum. Deze vorderingen strekken immers niet tot nietigverklaring van een besluit of tot vergoeding van schade die het gevolg is van een besluit of de weigering een besluit te nemen, dan wel wegens strijd met voorschriften van de Personeelswet, zoals limitatief opgesomd onder lid 2 van voornoemde artikel.

3.3 Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich bevoegd om van het gevorderde onder 2, 3 en 5 van het petitum kennis te nemen.

3.4 Het hof overweegt dat, nu verzoeker de beschikking van de Minister van Justitie en Politie, Bureau [nummer], d.d. 17 december 2015, op voormelde datum heeft ontvangen, hij zijn vordering tot nietigverklaring van voornoemd besluit, bij het hof had dienen in te stellen op uiterlijk 16 januari 2015. Nu, verzoeker de vordering pas op 06 mei 2015 heeft ingediend, is verzoeker naar het oordeel van het hof ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 PW niet-ontvankelijk in zijn vordering onder 3 van het petitum.

3.5 Het hof overweegt voorts dat verzoeker het schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 24 december 2014, op 27 december 2014 heeft ontvangen. Dit brengt met zich mee dat hij zijn vordering bij het hof had dienen in te stellen uiterlijk op 26 januari 2015. Aangezien verzoeker zijn vordering pas op 06 mei 2015 heeft ingediend, is hij naar het oordeel van het hof ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 PW tardief met zijn vordering onder 2 van het petitum, weshalve hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard daarin.

3.6 Aangezien de vordering onder 5 van het petitum een sequeel is van het gevorderde onder 4 van het petitum, zal verzoeker eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard daarin.

3.7 Verzoeker zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

4. De beslissing

Het Hof:

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering onder 1, 4 en 6 van het petitum.

4.2 Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in de onderdelen van zijn vordering onder 2, 3 en 5 van het petitum.

4.3 Veroordeelt verzoeker in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. V.V.C. Pique, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

 

 

SRU-HvJ-1997-2

A – 378.

[verzoeker], wonende te [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combeweg no.25-27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, (rechtspersoon), met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname , te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Persoonsnummer [nummer 1]). Verzoeker is namelijk in dienst van gedaagde (lees:’verweerder’) en hij diende laatstelijk in vaste dienst in de rang van agent van politie 2e klasse bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie onder toekenning van een bezoldiging van Sf.2170,– per maand;

3. Verzoeker werd op 30 april 1993 in verzekering gesteld en op 2 december 1993 werd verzoeker veroordeeld door de Kantonrechter in het Tweede Kanton tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk. Proeftijd van 3 jaar. Met als bijzondere voorwaarde, dat indien de verdachte binnen de proeftijd zich schuldig maakt aan een strafbaar feit hij uit de dienst zal worden ontzet;

4. Verzoeker is nimmer buiten functie gesteld en ook is verzoeker nimmer in de gelegenheid gesteld om zichzelf te verweren. Ook ontkent en betwist verzoeker als zou hij (van rechtswege) zijn geschorst. In ieder geval heeft verzoeker nimmer een schorsingbeschikking ontvangen en ook al zou verzoeker zijn geschorst – quod non est – dan moet die schorsing ergens in het jaar 1994 reeds zijn geexpireerd;

5. Op 10 februari 1997 ontvangt verzoeker van gedaagde (lees:’verweerder’) een beschikking de dato 18 november 1996 K.A.[nummer 2], welke beschikking hierbij in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen. Verzoeker heeft zijn vordering aldus tijdig ingesteld en is dus ontvankelijk in zijn rechtsvordering;

6. De bovenaangehaalde beschikking is echter niet correct in de eerste overweging, waar wordt gesteld als zou verzoeker op grond van artikel 66 lid 1 en 2 sub a van de Personeelswet van rechtswege zijn geschorst. Immers kan verzoeker niet op grond van beide artikelen worden geschorst, temeer waar de schorsing o.g.v. lid 1 en lid 2 sub a verschillend eindigen. Dit is ook van belang i.v.m. de aanspraken van verzoeker op zijn salaris gedurende de schorsing. Verzoeker is echter van mening, dat hij nimmer conform de wet is geschorst;

7. Verzoeker is verder van mening, dat artikel 61 van de Personeelswet een LIMITATIEVE opsomming geeft van de tuchtstraffen en dat de tuchtstraf zoals die is opgelegd aan verzoeker in de beschikking van 18 november 1996 K.A.[nummer 2] elke rechtsgrond mist c.q. niet op de wet is gebaseerd;

8. Verzoeker is ook van oordeel, dat het een en ander niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan;

9. Op basis van het bepaalde in artikel 79 en 80 van de Personeelswet wenst verzoeker dan ook nietig verklaring van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 18 november 1996 K.A.[nummer 2] casu quo toepassing van artikel 82 lid 4 van de Personeelswet door het Hof van Justitie; Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis:

PRIMAIR:

NIETIG zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 18 november 1996 K.A.[nummer 2] wegens strijd met artikel 61 van de Personeelswet;

SUBSIDIAIR:

Op basis van het bepaalde in artikel 82 lid 4 van de Personeelswet een naar het oordeel van het Hof passende tuchtstraf zal worden bepaald ten aanzien van verzoeker;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 5 mei 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, Mr.A.R.BAARH, gemachtigde van verweerder en Mevr.K.Hussainali-Mathoera, Hoofd-Inspecteur van Politie namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 juni 1997, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker tijdig het Hof als Ambtenarengerecht heeft geadieerd met zijn verzoek, de beschikking, de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 18 november 1996 K.A.[nummer 2], waarbij verzoeker werd ontheven als agent van politie 2e klasse en hem aan te stellen in de rang van stafambtenaar B 2e klasse, met behoud van zijn bezoldiging, als door hem genoten wordende, NIETIG TE VERKLAREN, en hem, verzoeker, een naar het oordeel van het Hof passende tuchtstraf op te leggen;

Overwegende, dat verzoeker als agent van politie werd veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de periode van 30 april 1993 tot en met 26 augustus 1993 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, wegens OPLICHTING, welk feit, naar ’s Hoven oordeel, dermate laakbaar is, dat dit, gepleegd door een ”wetsdienaar”, zoals een politieman wel eens wordt aangeduid, alleszins rechtvaardigt, dat verzoeker uit de politiedienst wordt verwijderd;

– dat s’ Ministers voormelde beschikking danook TERECHT is gegeven, als zijnde in overeenstemming met de ernst van het door verzoeker gepleegde plichtsverzuim;

– dat desalniettemin verzoeker -overigens terecht- niet voor salarisachteruitgang in aanmerking is gebracht;

– dat verzoekers vordering(en) hem danook als ongegrond zal (zullen) worden afgewezen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Wijst verzoekers vordering(en) af;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.Th.OOSTERLING, President, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President BIJ VERVROEGING uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 juni 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advokaat, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-9

G.R.No. 15081

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

1.[naam 1],

hierna aangeduid als “[naam 1]”, en

2.[naam 2],

hierna aangeduid als ”[naam 2]”, echtelieden,

beiden wonende te [woonplaats], [land],

appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als ”[appellanten]”,

gemachtigde voor beide appellanten: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

A.[naam3],

wonende in [district],

hierna aangeduid als ”[naam 3]”,

B.[naam 4] ,

wonende te [woonplaats], [land],

hierna aangeduid als ”[naam 4]”,

C.[naam 5],

wonende in [district],

hierna aangeduid als ”[naam 5]”,

D.[naam 6] ,

wonende in [district],

hierna aangeduid als ”[naam 6]”,

geïntimeerden, hierna gezamenlijk aangeduid als ”[geïntimeerden]”,

gemachtigde voor alle geïntimeerden: mr. K. Bhoendie, advocaat, inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 13 januari 2015 (A.R.No. 11-2024) tussen [appellanten] als eisers en Ramgolam c.s. als gedaagden, hierna aangeduid als ”het vonnis”,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellanten] bij schrijven van hun procesgemachtigde op 22 januari 2015 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 15 juli 2016, met producties;

– de antwoord pleitnota en uitlating producties d.d. 18 november 2016, met producties;

– de repliek pleitnota d.d. 6 januari 2017;

– de dupliek pleitnota d.d. 3 februari 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2 [appellanten] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 23 februari 2015 aan partijen toegezonden.

[appellanten] heeft bij schrijven van hun gemachtigde op 22 januari 2015 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft [appellanten] tijdig appèl aangetekend tegen het vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na dagtekening van de griffiersbrief is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten

3.1 [naam 3] is gehuwd geweest met [naam 7], die op 15 februari 2008 is overleden. [naam 4], [naam 5] en [naam 6] zijn kinderen van [naam 3] en [naam 7] hiema aangeduid als ”de erflater”.

3.2 De erflater is eigenaar geweest van het perceelland groot 406 m², gelegen in [district], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato 05 september 1958 met de letters ABCD en thans genummerd afdeling [gebied 1] [nummer 1], deel uitmakende van het resterend gedeelte van het perceelland groot 2.8050 ha. gelegen aan het [gebied 2], welk perceelland bestaat uit de percelenland bekend als Afdeling [gebied 1] [nummers] met de helft van de langs voormeld perceel lopende wegen, hierna aangeduid als ”het perceelland”.

3.3 Bij akte de dato 24 augustus 2006 verleden ten overstaan mr. drs. P. Bishoen, notaris in Suriname, hebben de erflater en [naam 3] het perceelland geschonken aan [naam 5]. De akte van schenking en aanneming is op 28 augustus 2006 overgeschreven in de registers van het Hypotheekkantoor in register C [nummer 2].

3.4 De erflater is in de procedure bekend onder A.R.No. 06-3772 bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 14 december 2006 in kort geding veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te betalen de som van € 19.352,50, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars, vanaf 27 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.5 [naam 5] heeft bij akte de dato 26 juni 2007 verleden ten overstaan van mr. D.S.P. Chitoe, notaris in Suriname, het perceelland verkocht en overgedragen aan [naam 4]. Voornoemde akte is op 28 juni 2007 overgeschreven ten hypotheekkantore in register C [nummer 3].

De procedure in eerste aanleg

4.1 [appellanten] heeft in eerste aanleg gevorderd:

1. te vernietigen, althans nietig te verklaren de overeenkomst van 24 augustus 2006 bevattende de schenking van het perceelland vervat in de notariële akte d.d. 24 augustus 2006 verleden ten overstaan van notaris mr. P. Bishoen.

2. de doorhaling te gelasten van de overschrijving van de overeenkomst in de registers van het Hypotheekkantoor op 28 augustus 2006 in register C [nummer 2];

3. te vernietigen, althans nietig te verklaren de overeenkomst van 26 juni 2007 bevattende de koop en verkoop van het perceelland als vermeld in de notariële akte d.d. 26 juni 2007 verleden ten overstaan van notaris mr. D. Chitoe;

4. de doorhaling te gelasten van de overschrijving van de overeenkomst in de registers van het Hypotheekkantoor op 28 juni 2007 in register C [nummer 3].

Mede is gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten.

4.2 [appellanten] heeft aan de vordering in eerste aanleg, naast voormelde vaststaande feiten, ten grondslag gelegd dat de erflater, zonder daartoe verplicht te zijn en zonder dat daartoe enige aanleiding bestond, het perceelland heeft overgedragen aan [naam 5]. Ook is gesteld dat het perceelland is verkocht aan [naam 4] maar dat er nooit een koopsom is betaald. Verder is gesteld dat gelet op de familierelatie tussen de erflater en [naam 4] en [naam 5] het duidelijk is dat de schenking en de verkoop van het perceelland zijn gepleegd om het verhaalsrecht van ”[appellanten] illusoir te maken, daar zij bekend waren met het feit dat de erflater bij vonnis van 14 december 2006 in de procedure bekend onder A.R.No. 06-3772 was veroordeeld om [appellanten] een bedrag van € 19.352,50 met rente te betalen en dat [appellanten] bezig was het perceelland uit te winnen. Zowel de erflater als [geïntimeerden] hebben, aldus [appellanten], bewust de rechtshandelingen verricht om het perceelland aan het verhaalsrecht van [appellanten] te onttrekken.

4.3 De Kantonrechter heeft in het vonnis de vordering afgewezen. Daartoe is overwogen dat is gebleken dat de vordering bekend onder A.R.No.06-3772 ter griffie der kantongerechten is ingediend op 27 september 2006 terwijl de schenkingsakte op 24 augustus 2006 is verleden. Geconcludeerd is dat niet is komen vast te staan dat de erflater volledig op de hoogte was van het lopend proces.

Tevens is voorbijgegaan aan de stelling van [appellanten] dat op de erflater geen rechtsplicht rustte om het perceelland aan [naam 5] te schenken, daar dit indruist tegen het beginsel van de contractsvrijheid van partijen en deze stelling onvoldoende feitelijk is onderbouwd. In het verlengde daarvan is ook voorbij gegaan aan de stelling dat de koopovereenkomst tussen [naam 5] en [naam 4] nietig is.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 [appellanten] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog toewijzen van de vordering

5.2 [naam 1] heeft tegen het vonnis de volgende grieven opgeworpen:

1. De Kantonrechter heeft ten onrechte geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat de erflater niet volledig op de hoogte was van het lopend proces.

[appellanten] heeft gesteld dat zij vóór de indiening van de vordering op 27 september 2006 reeds bezig waren om voorbereidende handelingen te treffen zoals ingebrekestelling d.d. 16 augustus 2006. Op de ingebrekestelling is door de procesgemachtigde van de erflater gereageerd bij schrijven d.d. 23 augustus 2006, zodat de erflater volledig op de hoogte was dat er hoogstwaarschijnlijk een proces zou volgen, hetgeen ook is gebeurd.

2. De kantonrechter heeft ten onrechte beslist dat aan de stelling van [appellanten] dat op de erflater geen rechtsplicht rustte om het perceelland aan [Naam 5] te schenken, (het Hof begrijpt: wordt voorbijgegaan) daar dit indruist tegen het beginsel van de contractsvrijheid van partijen.

Gesteld is dat de Kantonrechter over het hoofd heeft gezien dat er voor de erflater geen enkele verplichting bestond om het perceelland te schenken aan [naam 5].

3. Het vonnis is niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Gesteld is dat de Kantonrechter zonder deugdelijke motivering geen beslissing heeft genomen omtrent het gestelde in de punten 3 en 4 van het petitum;

Gesteld is dat de Kantonrechter niet zonder deugdelijke onderbouw kan beslissen dat voorbij wordt gegaan aan de stelling dat de koopovereenkomst tussen [naam 5] en [naam 4] nietig is.

4. De Kantonrechter heeft ten onrechte beslist dat de vordering niet in rechte is komen vast te staan;

Gesteld is dat [appellanten] volledig heeft aangetoond de familierelatie en het zonder enige grond schenken en verkopen en overdragen van het perceelland aan [naam 5] en [naam 4]. Gesteld is tevens dat, ook als de stelling van de Kantonrechter met betrekking tot de schenkingsakte juist zijn, de akte van 26 juni 2007 over blijft en [appellanten] daarop verhaal kunnen zoeken voor hun vordering, daar het duidelijk is dat [naam 5] geen enkele reden had om het perceelland over te dragen op naam van [naam 4] .

5.3 [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1 Het Hof constateert allereerst dat zijdens [geïntimeerden] in eerste aanleg bij conclusie van antwoord is verklaard ”gedaagde sub A is ten rechte geheten [naam 3] (…) Gedaagde sub D is ten rechte geheten [naam 6].”

[naam 1] heeft vervolgens akte van correctie verzocht, gelijk in hoofde van dit vonnis is weergegeven.

6.2 [geïntimeerden] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat de schenking niet bedoeld was om [appellanten] te benadelen; de redenen daarvoor die in eerste aanleg zijn aangegeven, zijn niet weerlegd door [appellanten], aldus [geïntimeerden]. Aangevoerd is verder dat de eerste grief faalt, omdat een ingebrekestelling alleen – waarop omstandig gereageerd is – niet voldoende is om iemand te weerhouden van zijn contractsvrijheid gebruik te maken, zoals, naar de mening van [geïntimeerden],terecht door de Kantonrechter is overwogen.

6.3 Het Hof stelt voorop dat het beginsel van de contractsvrijheid een der beginselen is die het contractenrecht beheerst en dat dit beginsel inhoudt dat men in het algemeen naar vrije verkiezing overeenkomsten mag aangaan.

Het beginsel van de contractsvrijheid is derhalve niet zonder meer van invloed op de schenking, nu de schenking een eenzijdige rechtshandeling is. Hier doet niet aan af dat de schenking gevolgd dient te worden door een andere eenzijdige rechtshandeling: de aanneming. Op de koop- en verkoopovereenkomst die gevolgd is op de schenking door de erflater en de aanneming van de schenking door [naam 5] is het beginsel van de contractsvrijheid wel van toepassing.

Uit het vonnis blijkt evenwel dat het beginsel van de contractsvrijheid is toegepast ten aanzien van de stelling dat op de erflater geen rechtsplicht rustte het perceel te schenken, zodat deze motivering niet overeind kan blijven.

6.4 Geconstateerd wordt dat [geïntimeerden] in eerste aanleg hebben ontkend en betwist dat de erflater zonder daartoe verplicht te zijn en zonder dat daartoe enige aanleiding bestond het perceelland heeft geschonken aan [naam 5]. Aangevoerd is dat zulks is geschied uit dankbaarheid en morele verplichtingen, omdat [naam 5], gedurende de ziekte van de erflater zich over de erflater heeft ontfermd en hem heeft bijgestaan met alle zorg en medische kosten, alsook dat het in de praktijk gebruikelijk is bij de hindostanen dat overdracht plaatsvindt aan de oudste zoon. Verder is aangevoerd dat de erflater en [naam 3], zoals het goede ouders betaamt, het perceelland hebben overgedragen aan [naam 5], die hun oudste zoon is, zonder dat er nog enig zicht was omtrent de veroordeling van de erflater in de procedure bekend onder A.R.No. 06-3772.

6.5 Het Hof merkt op dat van een onverplicht verrichte rechtshandeling sprake is als de schuldenaar niet op grond van de wet of een overeenkomst gehouden is om de rechtshandeling te verrichten. Aangezien in casu [geïntimeerden] heeft aangevoerd dat zij op grond van een gebruik onder de hindostanen en morele verplichtingen het perceelland aan hun oudste zoon, [naam 5], hebben overgedragen, is naar het oordeel van het Hof in casu sprake van een onverplicht verrichte eenzijdige rechtshandeling van de erflater. Nu [naam 5] geen tegenprestatie diende te verrichten, is eveneens sprake van een handeling om niet.

Ingevolge artikel 1362 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BV) kan, indien de nietigheid van dergelijke handelingen wordt ingeroepen, de schuldeiser volstaan met aan te tonen dat de schuldenaar, in casu de erflater, op het ogenblik der handeling wist dat hij daardoor zijn schuldeisers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.

6.6 Het Hof overweegt dat enkel uit een ingebrekestelling niet waarschijnlijk valt te achten dat een schuldenaar in een daarop in te stellen procedure zal worden veroordeeld. De ingebrekestelling die is vooraf gegaan aan de schenking is dan ook onvoldoende om te geraken tot de conclusie dat er bij de erflater de wetenschap aanwezig was dat hij zijn schuldeiser middels de schenking van het perceelland benadeelde.

Nu een dergelijke wetenschap vereist is voor het toewijzen van een vordering ex artikel 1362 BW, is de vordering in eerste aanleg tot nietigverklaring van de schenking en de doorhaling van de inschrijving daarvan ten hypotheekkantore terecht afgewezen.

Het perceelland is door de schenking deel geworden van het vermogen van [naam 5], zodat hij rechtmatig dat heeft mogen verkopen aan [naam 4].

Gesteld noch gebleken is dat [naam 5] schuldenaar was van [appellanten], zodat toewijzing van de vordering tot nietigverklaring van de verkoop van het perceel ex artikel 1362 BW niet mogelijk is.

Het vonnis zal derhalve, onder verbetering van gronden, worden bevestigd.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 13 januari 2015, A.R.No. 11 -2024, waarvan beroep, onder verbetering van gronden.

7.2 Veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerden] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Chatterpal, Fungerend-President en mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-1986-1

Hof van Justitie

24 januari 1986, G.R. 11913

(Mrs. S. Gangaram Panday, J.R. von Niesewand, O.W. Abendanon)

[appellant], wonende aan. [adres 1], in [district 1], thans [district 2], advokaat Mr. W.P. Siwpersad, appellant in conventie en in reconventie

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] beneden te [district 2], advokaat Mr. L.Y. Ho Kang You, geïntimeerde in conventie en in reconventie.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het. Eerste Kanton respectievelijk van l december 1981, 15 maart 1983 en 19 juli 1983 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 augustus 1983, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

0verwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in. eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende aan [adres 2] beneden te [district 2];

2. dat eiser eigenaar is van het woonhuis gelegen aan [adres 2] te [district 2];

3. dat eiser bij overeenkomst van huur en verhuur aan gedaagde heeft verhuurd gelijk gedaagde van eiser heeft gehuurd, het beneden gedeelte van voormelde woning aan [adres 2] te [district 2], zulks voor een maandelijkse huurprijs van Sƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand;

4. dat gedaagde het pand thans verwaarloost en slecht onderhoudt er zelf niet in woont en er zelden naar toegaat en het gehuurde daarvoor aan gevaar blootstelt;

5. dat gedaagde bovendien een gedeelte van het pand aan derden heeft verhuurd zonder medeweten van eiser, wat in strijd is met de wet;

6. dat eiser op grond van het bovenstaande gerechtigd is een vordering tot ontruiming tegen de gedaagde in te stellen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden, althans voor ontbonden zal worden verklaard;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 2 maanden na het in deze te wijzen vonnis, althans een zodanige door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het gemelde gehuurde te ontruimen met alle personen en goederen welke zich op/of in het gehuurde van zijnentwege mochten bevinden en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met machtiging op deze om bij gebreke van dien de ontruiming van het gehuurde zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

c. tenslotte gedaagde zal worden veroordeeld om zolang hij in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen, maandelijks te betalen het bedrag van Sƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN), gelijkstaande aan de huur als voormeld gerekend vanaf 1 december 1980, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in reconventie heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist alhetgeen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu;

2. Gedaagde erkent de gestelde huurovereenkomst, doch ontkent dat hij het litigieuze pand verwaarloost en slecht onderhoudt;

3. Voorts ontkent gedaagde een gedeelte van het litigieuze pand aan derden verhuurd te hebben;

4. Gedaagde is van mening dat eiser de onderhavige ontruimingsvordering slechts heeft ingesteld omdat gedaagde geen gevolg heeft gegeven aan eisers schrijven dd. 7 oktober 1980, waarin eiser middels zijn raadsman aan gedaagde mededeelde dat de huurprijs van het litigieuze pand ingaande 1november 1980 wordt verhoogd van Sƒ 500,– naar Sƒ750,– per maand;

5. Met een dergelijke eenzijdige beslissing tot verhoging van de huurprijs kon gedaagde zich uiteraard niet verenigen, wat tot gevolg had dar de verhouding tussen partijen enigszins vertroebeld raakte;

6. Bovendien is door eiser vanaf de aanvang der huurovereenkomst steeds een veel te hoge huurprijs geïnd, aangezien door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo een huurprijs van Sƒ 166,93 voor het litigieuze pand is vastgesteld, terwijl gedaagde steeds Sƒ 500,– per maand heeft betaald;

7. Ten bewijze van het bovenstaande wordt hierbij in fotocopie overgelegd de beschikking d.d. 19 december 1980 van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo, met verzoek de inhoud daarvan als hierbij ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

8. Het teveel aan huur betaalde zal gedaagde in reconventie dan ook terugvorderen;

en voor eis in reconventie heeft gesteld:

1. Blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde huurovereenkomst bedraagt de huurprijs met ingang van 1 september 1977 voor het litigieuze pand Sƒ 500,– per maand, welk bedrag ook steeds prompt en op tijd door eiser is voldaan;

2. Doch blijkens de eveneens overgelegde beschikking van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo mag de huurprijs voor het litigieuze pand niet meer bedragen dan ƒ166,93 per maand;

3. Nu gedaagde toch een hogere huurprijs dan de door de Distrikts-Commissaris vastgestelde heeft geïnd, handelt hij in strijd met de wet en wel met artikel 3 lid 2 van het “Huurbesluit 1949 (G.B.1949 no. 127), gewijzigd bij besluit van 6 januari 1950 (G.B.1950, no. 2)”;

4. Eiser wenst derhalve het onverschuldigd betaalde bedrag groot ƒ 13.988,94 dat thans opeisbaar is terug te bekomen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conventie:

dat eisers vordering zal worden afgewezen als zijnde ongegrond en onbewezen;

en voor eis in reconventie:

dat gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen:

a. Het bedrag groot 42 x ƒ 333,07 is ƒ 13.988,94 terzake van de ten rekeste omschreven onverschuldigde betaling over de periode 1 september 1977 tot en met 28 februari 1981, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang – 3 februari 1981 – tot aan die der algehele voldoening;

b. Tenslotte gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser gevallen, hebbende hij daarbij producties overgelegd;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn bekentenis;

2. Voorzover hier van toepassingt wenst gedaagde hier als ingelast te beschouwen al hetgeen door hem in conventie naar voren is gebracht;

3. Gedaagde wenst te stellen dat artikel 3 lid 2 van het “Huurbesluit 1959” (G.B.1949 no.127) gewijzigd bij besluit van 6 januari 1950 (G.B.1950 no. 2) in casu niet van toepassing is aangezien het hier gaat om huur van bedrijfsruimte en voormelde wet slechts toepasselijk is op de huur van woonruimte;

4. Dat nu blijkt dat de door partijen overeengekomen huurprijs van Sƒ 500,– per maand rechtens relevant, in casu van onverschuldigde betaling zijdens eiser geen sprake is, brengende zulks mede dat aan eisers vordering de rechtsgrond is komen te ontvallen;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gronden voor antwoord in reconventie heeft geconcludeerd, dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn eerder genomen conclusiën;

0verwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

0verwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 1 december 1981 een comparitie van partijen heeft gelast, welke niet is gehouden;

0verwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies na niet gehouden comparitie van partijen hadden genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 15 maart 1983 heeft overwogen:

In conventie:

dat Wij eiser akte zullen verlenen van de vermindering van zijn vordering met de ontruiming;

dat nu eiser slechts vordert de achterstallige huur vanaf december 1980 tot december 1982 en eiser in reconventie vordert de teveel door hem betaalde huur ad ƒ 13.988,94 Wij partijen in de gelegenheid zullen stellen Ons schriftelijk in te lichten op welk tijdstip het laatst huur door de gedaagde is voldaan en op welk tijdstip hij het gehuurde heeft ontruimd, alsook het tijdstip waarop deze is aangevangen;

In reconventie:

dat Wij iedere beslissing zullen aanhouden totdat in conventie is beslist;

0verwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

eiser akte heeft verleend van de vermindering van zijn vordering met de ontruiming;

partijen in de gelegenheid heeft gesteld hem schriftelijk in te lichten op welk tijdstip het laatst huur door de gedaagde is voldaan en op welk tijdstip hij bet gehuurde heeft ontruimd, alsook het tijdstip waarop de huur was aangevangen;

en in reconventie:

iedere beslissing heeft aangehouden totdat in conventie is beslist;

Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1983 heeft overwogen:

In conventie:

dat de gestelde huurovereenkomst als erkend rechtens tussen partijen vaststaat;

dat als erkend eveneens vaststaat, dat de huur ƒ 500,– bedroeg, terwijl bij beschikking van de Distrikts-Commissaris het litigieuze gebouw voor niet meer dan ƒ 166,93 mocht worden verhuurd;

dat gedaagde zich erop beroept te veel huur betaald te hebben, welk bedrag hij in reconventie terugvordert;

dat nu als niet weersproken vaststaat, dat de ontruiming van het litigieuze gebouw per ultimo december 1982 heeft plaats gehad en tot en met november 1980 de gedaagde huur heeft voldaan, hij over deze periode huur verschuldigd is en wel tot het totaal bedrag van 24 x ƒ 166,93 = ƒ 4.006,32;

dat aangezien gedaagde vanaf september 1977 tot en met november 1980 huur ad ƒ 500,– heeft voldaan hij telkens ƒ 333,07 hem te veel heeft betaald of te wel 39 x ƒ 333,07 = ƒ13.332,80;

dat nu de ontruiming reeds heeft plaats gehad en eiser man gedaagde verschuldigd is ƒ13.332,80 – ƒ 4.006,32 = ƒ 9.316,48, eiser’s vordering hem als ongegrond dient te worden ontzegd;

In reconventie:

dat Wij hier overnemen hetgeen daaromtrent in conventie is overwogen;

dat aangezien daar is overwogen, dat gedaagde aan eiser verschuldigd is het bedrag van ƒ 9.316,48, Wij gedaagde tot betaling daartoe zullen veroordelen;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

eiser diens vordering heeft ontzegd en hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ Nihil;

In reconventie:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ9.316,48 (NEGEN DUIZEND EN DRIEHONDERD EN ZESTIEN 48/100 GULDEN), vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar, vanaf 3 februari 1981 tot aan de dag der algehele voldoening;

dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ Nihil;

het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder S. Hoebba van 12 september 1983 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

0verwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 10 januari 1986, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

0verwegende, dat appellant tijdig in appèl is gekomen van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken vonnis van 19 juli 1983;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt:

1. dat appellant aan geïntimeerde heeft verhuurd het benedengedeelte van het gebouw gelegen te [district 2] aan de [adres 2] en wel als woonbuis en bedrijfsruimte, ingaande 1 september 1977 tegen een huurprijs van ƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand bij vooruitbetaling te voldoen;

2. dat aan deze huurovereenkomst tussen partijen een einde is gekomen ultimo december 1982 en

3. dat geïntimeerde de huur ad ƒ 500,–(VIJFHONDERD GULDEN) per maand tot en met de maand november 1980 aan appellant heeft voldaan;

4. dat op verzoek van de geïntimeerde door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo bij beschikking dd. 19 december 1980 no. 3592, de huurprijs van het benedengedeelte van het verdiepingsgebouw aan de Kwattaweg no. 95 (het verhuurde) is vastgesteld op ƒ 166,93 (EENHONDERD EN ZES EN ZESTIG 93/100 GULDEN) per maand;

Overwegende, dat de eerste rechter bij de beoordeling van de geldende huurprijs tussen partijen ervan is uitgegaan dat de door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo vastgestelde huurprijs dd. 19 december 1980 van den beginne van de huurovereenkomst van partijen af, te weten 1 september 1977 tussen partijen geldt, en hiertegen de door appellant aangevoerde grief is gericht, namelijk namelijk dat die vaststelling door de Distrikts-Commissaris geen terugwerkende kracht heeft, zoals de Kantonrechter heeft aangenomen;

Overwegende, dat deze grief gegrond is omdat de bepaling van de huur door de bovengenoemde functionaris slechts voor de toekomst werking heeft, hebbende beide partijen immers de bevoegdheid die huurbepaling te doen plaatsvinden, terwijl tussen partijen de tussen hen overeengekomen huur geldt tot de vaststelling daarvan door de Distrikts-Commissaris, waarna deze huurprijs geldt;

Overwegende, dat hoewel het Huurbesluit 1949 (G.B.1949 no. 127, gewijzigd bij besluit 6 januari 1950, G.B. 1950 no.2) spreekt van gebouwen en daarbij geen onderscheid maakt tussen huur daarvan als woonhuis en als bedrijfsruimte, bij het bepalen van de huurprijs toch onderscheid naar de aard en het doel van het gebruik van het gehuurde zal moeten worden gemaakt, wordend, namelijk doorgaans een bedrijfsruimte veel intensiever gebruikt dan een woonbuis, met het doel door het gebruik daarvan winst te behalen, terwijl een woonhuis door de huurder wordt gebruikt als huisvesting van hem en zijn familie, waarbij mede in het oog moet worden gehouden, dat bij de totstandkoming van het huurbesluit het grootste deel van (toen bestaande) [district 2] uit woonhuizen bestond en de laatste 20 jaren vooral de binnenstad van [district 2] meer en meer bedrijfspanden is gaan omvatten, welke panden door het intensief gebruik daarvan onder andere meer reparaties etcetera behoeven, dan woonhuizen;

Overwegende, dat het huurbesluit voorts ervan is uitgegaan de zwakkere partij, de huurder, in bescherming te nemen tegen de sterkere partij, de eigenaar en de verhuurder, welke situatie zich in geval van huur van woonhuis voordoet, terwijl dit in veel mindere mate het geval is bij huur en verhuur van bedrijfsruimte, omdat daarbij veelal van een zwakkere en van een sterkere partij niet kan worden gesproken en niet het bewonen van het gebouw, doch het gebruik voor het behalen van winst of het gebruik daarvan als ruimte voor dienstverlening zich voordoet;

0verwegende, dat met het vorenstaande als overwegingen ten overvloede naar voren gebracht wordt dat met het verstrijken van de jaren de bepalingen van het Huurbesluit zin en inhoud worde gegeven die past in het huidige gebruik door huurders van het gehuurde, waarbij gelet wordt op de aard en doel van dat gebruik en de consequenties daarvan voor de partijen, een evenwichtige aanpak derhalve van deze aangelegenheden, met als doel te voorkomen dat de ene partij de andere benadeelt;

Overwegende, dat in casu het bovenoverwogene tot gevolg heeft dat de huurvaststelling door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo vanaf de datum van de beschikking (19 december 1980) de som van ƒ166,93 (EENHONDERD EN ZES EN ZESTIG 93/100 GULDEN) als huur voor het gehuurde tussen partijen zal hebben te gelden, waarmede de appellant zich blijkens de· stellingen van zijn pleitnota in hoger beroep kan verenigen;

0verwegende, dat geïntimeerde aan appellant aan huur derhalve nog verschuldigd is: een halve maand december 1980 naar rato van ƒ 500,– per maand, dat is ƒ 250,–(TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) plus 24½ maand ad ƒ 166,93 per maand dat is ƒ4.089,78 in totaal derhalve een bedrag van ƒ 4.339,78 (VIER DUIZEND DRIEHONDERD EN NEGEN EN DERTIG EN 78/100 GULDEN) zijnde de huur over de periode 1 december 1980 tot eind december 1982,. het tijdstip van het einde van. de huurovereenkomst tussen partijen;

0verwegende, dat appellant echter het bedrag van ƒ 4.006,32 (VIER DUIZEND EN ZES GULDEN EN TWEE EN DERTIG CENT) vordert van geïntimeerde (zie pleitnota, het 3e sustenu) en het Hof danook tot dit bedrag de vordering van appellant zal toewijzen;

0verwegende, dat het vorenstaande tot gevolg heeft dat het vonnis van de Kantonrechter, waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie zal worden vernietigd en de vordering in conventie van appellant ten bedrag van ƒ 4.006,32 zal worden toegewezen, met kosten als gevorderd, terwijl de vordering in reconventie aan geïntimeerde als ongegrond zal .worden ontzegd, met diens veroordeling als de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten aan de zijde van de appellant gevallen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken op 19 juli 1983, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

In conventie:

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ4.006,32 (VIER DUIZEND EN ZES GULDEN EN TWEE EN DERTIG CENT);

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van appellant gevallen en begroot:

in eerste aanleg op ƒ 56,50

in hoger beroep op ƒ 81,50

In reconventie:

Ontzegt aan geïntimeerde diens oorspronkelijke vordering;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van appellant gevallen en begroot:

in eerste aanleg op ƒ Nihil

in hoger beroep op ƒ 100,–

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van ƒ 100,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op ƒ 100,–.

 

SRU-HvJ-2017-8

G.R.No 15012

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],

wonende aan de [adres 1]

in [district],

appellante,

gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende aan de [adres 2]

in [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G.O. Koulen, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 23 april 2012 (A.R.No.11-1587) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk de vrouw en de man.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– Het schrijven van de advocaat van de vrouw gedateerd 02 mei 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton op 03 mei 2012 – waaruit blijkt dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 23 april 2012.

– De schriftelijke pleitnota de dato 04 november 2016.

– De schriftelijke antwoordpleitnota de dato 06 januari 2017.

– De schriftelijke repliekpleitnota de dato 03 februari 2017.

– De schriftelijke dupliekpleitnota de dato 03 maart 2017.

– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 21 april 2017 en vervolgens op 20 oktober 2017 doch ambtshalve bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd op 30 december 1971 in Nederland, Gemeente Rotterdam, met alle wettelijke gevolgen van dien. Voorts heeft de man gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap waarin hij met de vrouw is gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen;

1.1 De kantonrechter heeft bij vonnis van 23 april 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd gelast, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

2.1 De vrouw heeft blijkens de aantekening van de Griffier der Kantongerechten door tussenkomst van haar advocaat bij schrijven gedateerd 02 mei 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton op 03 mei 2012 – appèl aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 23 april 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest en is de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier zoals bedoeld in artikel 119 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedateerd 11 juni Gelet op het voorgaande heeft de vrouw ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

2.2 De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

2.2.1 Partijen zijn op 30 december 1971 te Rotterdam, Nederland in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2.2. De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van de vrouw van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht op grond waarvan de man gerechtigd is een verzoek tot echtscheiding tegen de vrouw in te dienen. Ter adstructie van de duurzame ontwrichting heeft de man in het inleidend verzoekschrift een aantal feiten en/of omstandigheden aangegeven;

2.4 De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het juist is dat er gedurende lange tijd spanningen zijn, echter zijn die spanningen te wijten aan het gedrag van de man die niet heeft geschroomd de vrouw nu al langer dan 10 jaren regelmatig te mishandelen. Volgens haar is er geen sprake van verzoening van de zijde van de man en is de ontwrichting in zijn geheel te wijten aan de man;

2.5 In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog niet-ontvankelijkverklaring van de man;

2.6 Daartoe heeft de vrouw als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd –kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de kantonrechter ten onrechte in het beroepen vonnis onder 4.3. heeft opgenomen dat de vrouw de duurzame ontwrichting heeft erkend;

2.7. De man heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat de grief geen opgeld doet. Immers heeft de vrouw bij haar conclusie van antwoord in eerste aanleg de duurzame ontwrichting van het huwelijk wel degelijk erkend maar verder bloot aangegeven dat de spanningen te wijten zijn aan het gedrag van de man die er niet voor geschroomd zou hebben om haar al langer dan tien jaren regelmatig te mishandelen. Hoewel de man in het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg en wel onder punt 4 daarvan gespecificeerde feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd ter staving van de duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft de vrouw gekozen om daar niet op in te gaan bij haar antwoord hoewel dat op haar weg had gelegen. De vaststelling door de kantonrechter dat de vrouw de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen heeft erkend waardoor dit rechtens vaststaat tussen partijen is derhalve naar het oordeel van het hof een terechte vaststelling geweest. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen de vrouw heeft aangevoerd in hoger beroep en dat er op neer komt dat de kantonrechter in strijd met het bepaalde in artikel 263 SBW heeft gehandeld nu vast stond dat de ontwrichting in overwegende mate te wijten was aan de man en de kantonrechter het huwelijk niet had mogen ontbinden, althans de man niet had mogen ontvangen. Zoals hiervoor aangegeven is dat verweer in eerste aanleg bloot aangevoerd zonder dat dat op enigerlei wijze is gestaafd geworden. In de visie van het hof heeft de kantonrechter het voorgaande terecht overwogen onder 4.3. van het beroepen vonnis waarbij zij heeft aangegeven dat de vrouw heeft aangevoerd dat de ontwrichting in zijn geheel aan de man te wijten is doch zonder daar een conclusie aan te verbinden casu quo er een beroep op te doen. Daarenboven heeft de kantonrechter het huwelijk niet ontbonden maar de echtscheiding uitgesproken. Ingevolge het rechtssysteem hier te lande wordt het huwelijk ontbonden door de inschrijving van het in kracht van gewijsde gegane echtscheidingsvonnis, binnen de daarvoor gestelde termijn, in de registers van de Burgerlijke Stand en niet door de uitspraak van het echtscheidingsvonnis;

2.9. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

2.10 De vrouw zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van de man in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 23 april 2012, A.R.No. 11-1587, waarvan beroep;

Veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding aan de zijde van de man in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc., gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-1

M.R.S.

A – 343.

[verzoeker], wonende te Paramaribo aan [adres] te [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.E.NAARENDORP, advokaat

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name, kantoorhoudende te Paramari­bo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van res­pectievelijk 15 maart 1996, 11 november 1996 en 7 februari 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en be­slist; Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusies tot uitlating hadden genomen, zij vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn inter­locutoir vonnis gewezen tussen partijen en uitgesproken op 7 februari 1997;Overwegende, dat ter gelegenheid van de ingevolge voormeld interlocutoir vonnis gehouden comparitie van partijen op 21 februari d.a.v., waarbij aanwezig waren, verzoeker in persoon en zijn gemachtigde advokaat Mr.E.Naarendorp, de heer O.Renfrum, voormalig (Onder) directeur Sportzaken van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, uiteindelijk uit de doeken is gedaan en dan ook duidelijk uit de verf is gekomen:

– dat verzoeker, per 1 december 1981 in Overheids­dienst getreden als Stafambtenaar B 2e klasse en te­werkgesteld bij de afdeling Zelfbouw van het toenmalige Ministerie van Openbare Werken, Telecommunicatie en Bouwnijverheid (vide beschikking d.d. 14 oktober 1982 [nummer 1] van de Minister van Arbeid en Sociale Zaken), bij beschikking van augustus 1986 Bureau [nummer 2] van de Ministers van Sport en Jeugdzaken en van Sociale Zaken en Volksontwikkelijk werd overgeplaatst naar het toenmalige Ministerie van Sport en Jeugdzaken;

– dat verzoeker in november 1987 opgedragen werd tot het verrichten van werkzaamheden op de afdeling Sport­ acomodatie en ruimten, alwaar hij zeer verantwoordelijk taken heeft verricht (zelf oppert hij dat hij met de ”waarneming” van de functie van onder-directeur was belast;

– dat verzoeker blijkens de processtukken ook wel werd betiteld als ”coördinator”;

– dat verzoeker zeker tot januari 1994 met meerdere en verantwoordelijker werkzaamheden was belast, zonder evenwel door het bevoegde gezag met de waarneming van die werkzaamheden te zijn aangewezen;

– dat blijkens een zich onder de processtukken bevindende Missive d.d. 24 mei 1991, Raad van Ministers No. 927/R.v.M., had de Raad van Ministers goedgekeurd, dat verzoeker, in die Missive genoemd ”coördinator”, wordt bevorderd tot hoofdambtenaar A 2e klasse (catego­rie GZ, schaal 20 oud (2986 – 3411), welke Missive nimmer in een beschikking van een Minister is geëffec­tueerd en mitsdien geen rechtskracht heeft om daarop rechtens een beroep te doen;

Overwegende, dat hoewel verzoeker niet door het bevoegde gezag met de waarneming van de door hem ver­langde functie was belast, vast is komen te staan, dat hij meerdere en verantwoordelijker werkzaamheden heeft verricht, waarvoor hij vooralsnog geen financiële waardering heeft ontvangen;

– dat nu -derhalve- verzoekers vordering hem niet kan worden toegewezen, het Hof niettemin van oordeel is, dat verzoeker wel aanspraak maakt op een financiële waardering voor meerdere en verantwoordelijker werk­zaamheden verricht in de periode november 1987 tot januari 1994, gevende het Hof verweerder zulks dan ook in gunstige overweging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoeker,s vordering verzoeker. Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JUNI 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigde, advokaten Mr.E.Naarendorp en Mr.Dr.C.D.Oo­ft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting versche­nen.

SRU-HvJ-1982-1

Hof van Justitie

4 juni 1982, G.R. 11002

(Mrs. Dr. L.Th. Waaldijk, S.H. Gangaram Panday, O.W. Abendanon)

1. [appellant sub 1] en

2. [appellant sub 2], beide wonende in [district 1], advokaat mr. C. Gonçalves, appellanten,

tegen

A. [geïntimeerde sub 1] en

B. [geïntimeerde sub 2], beiden wonende in [district 1], advokaat Mr. J. Lachmon, geïntimeerden,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk dd. 15 augustus 1980 en 9 januari 1981 tussen partijen gewezen, alsmede het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming en bezichtiging op vrijdag, 20 februari 1981;

Ten aanzien van de feiten

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat nadat het Hof een descente had bevolen, welke op 20 februari 1981 is gehouden en de benoemde en beëdigde deskundigen, te weten de heren: G. L, A. D en CH. K een rapport van metingen en schattingen hadden uitgebracht, de advokaten van partijen schriftelijke conclusies tot uitlating na deskundigenrapport hebben genomen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna bij mondelinge pleidooien hebben gepersisteerd bij hun eerder genomen conclusiën, waarna zij vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 8 januari 1982, daarna op 19 februari 1982;

Overwegende, dat partijen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw vonnis hebben gevraagd, zijnde de uitspraak daarvan alstoen bepaald op 19 maart 1982, daarna ambtshalve aangehouden en op 4 juni 1982 uitgesproken;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het Hof overneemt hetgeen in zijn interlocutoir vonnis van 9 januari 1981 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat in zoverre hier van belang, uit de gedingstukken in eerste aanleg en uit de gewisselde stukken in hoger beroep is gebleken dat:

1. appellanten voor het 1/16 deel onverdeeld gerechtigd zijn in het perceelland groot twee hectaren, gelegen aan de [wegen] in [district 1], bekend als [nummer 1];

dat immers appellant sub I, het 1/16 gedeelte onverdeeld in voormeld onroerend goed verkreeg bij akte van koop en verkoop van 18 mei 1973, verleden ten overstaan van notaris D.A. Samson waarbij de deelgerechtigde [geïntimeerde sub 1] als erfgenaam van zijn vader, de heer [geïntimeerde sub 1], zijn aandeel in dat goed aan de appellant sub I heeft verkocht, van welke akte een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op 23 mei 1973 in [register deel en nummer 1];

dat voorts bij akte van 25 mei 1973, eveneens ten overstaan van notaris D.A. Samson verleden, appellant sub I aan appellant sub 2 het levenslange recht van vruchtgebruik op het bovenvermelde 1/16 gedeelte heeft verleend, van welke akte een afschrift werd overgeschreven ten hypotheekkantore op 30 mei 1973 in [register deel en nummer 2];

2. geïntimeerden voor het 15/16 gedeelte onverdeeld in het sub I vermeld onroerend goed zijn gerechtigd, te weten: geïntimeerde sub I voor het 9/16 gedeelte in de blote eigendom en voor 6/16 gedeelte de volle eigendom en de geïntimeerde sub 2 tot het levenslange recht van vruchtgebruik op het 9/16 gedeelte;

dat toch ten processe gebleken is, dat geïntimeerde sub I van het 9/16 gedeelte de blote eigendom en de geïntimeerde sub 2 daarvan het vruchtgebruik verkregen, bij akte van koop en verkoop, onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik op 10 september 1970 ten overstaan van de notaris H.M. Vas verleden, waarvan een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op 22 september 1970 in [register deel en nummer 3], terwijl de geïntimeerde sub 2 van het overige 6/16 gedeelte de volle eigendom verkreeg op de wijze als vermeld in de akte van koop en verkoop van 31 augustus 1973 ten overstaan van notaris B.R. Oostvriesland verleden en waarvan een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op 31 augustus 1973 in [register deel en nummer 4]];

dat uit bovenvermelde notariële akten tevens blijkt, dat geïntimeerde sub 2, in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met [geïntimeerde sub 1], en dat het bovengenoemde perceel tot deze gemeenschap heeft behoord tot aan het overlijden van [geïntimeerde sub 1] op 8 juni 1964 en dat hierna de geïntimeerde sub 2 en de andere erfgenamen tot verkoop en levering zijn overgegaan van gedeelten in dat goed, tengevolge waarvan de deelgerechtigdheid is ontstaan als hierboven vermeld;

3. dat de deelgerechtigdheid als vermeld onder 1 en 2 tussen partijen in confesso is, nu zij de transacties die daartoe hebben geleid hebben erkend, casu quo die hebben bekrachtigd;

4. dat geïntimeerden bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 25 mei 1976 in de zaak bekend onder A.R. 75/3552, zijn veroordeeld met appellanten over te gaan tot scheiding en deling van bovenvermeld onroerend goed, en zo partijen over de keuze van een notaris geen overeenstemming met elkaar zouden bereiken, werd notaris R.S. Hirasing als notaris aangewezen om de werkzaamheden van de scheiding en deling te verrichten, terwijl als onzijdig persoon om de geïntimeerden te vertegenwoordigen, indien zij ingebreke zouden blijven aan de scheiding en deling mede te werken werd benoemd Mr. W.L. Man A Hing, advokaat;

5. dat procespartijen ten overstaan van notaris R.S. Hirasing zijn aangevangen met de scheiding en deling, doch dat er zwarigheden tussen partijen zijn gerezen met betrekking tot de wijze van verdeling van het litigieuze perceel;

dat de notaris op grond daarvan op 19 februari 1977 een proces-verbaal van zwarigheden heeft opgemaakt, bevattende de standpunten en stellingen van partijen, en vervolgens dat proces-verbaal ter Griffie van het Kantongerecht in het Eerste Kanton overgelegd;

dat op grond daarvan de appellanten zich bij verzoekschrift tot die Kantonrechter hebben gewend om op de gerezen zwarigheden een beslissing te geven, welke beslissing echter is uitgebleven, hebbende de Kantonrechter in plaats van een partijen bindende beslissing te geven, aan appellanten de vordering bij vonnis van 17 april 1979 ontzegd;

Overwegende, dat – appellanten van deze beslissing van de Kantonrechter in beroep zijn gekomen en daardoor de beslechting van de zwarigheden aan het Hof is voorgelegd;

Overwegende, dat in gevallen als de onderhavige de Rechter slechts competent is geschillen tussen partijen, welke zijn vastgelegd in het proces-verbaal van zwarigheden te beslechten;

Overwegende nu, dat uit het proces-verbaal van zwarigheden van 19 februari 1977 blijkt, dat partijen slechts verdeeld zijn over de wijze van verdeling – en dus niet over de vraag of een verdeling in natura al dan niet mogelijk is – van het bovenvermeld perceel in verband met de meerwaarde van het hoekgedeelte, gevormd door de [wegen 2], alwaar de appellant sub 2 zijn woon- en winkelgebouw heeft staan, boven de andere delen van dat perceel, terwijl ieder van beide partijen dat hoekgedeelte aan zich toegescheiden wensten te hebben; de appellanten omdat zij daar gevestigd zijn en de geïntimeerden in verband met de betere ligging en de meerwaarde;

Overwegende, dat het voorstel van geïntimeerden om het gehele perceel aan hen toe te delen, als tegenprestatie waartegen zij bereid zijn aan appellanten uit hoofde van overbedeling een vergoeding in geld uit te keren, niet de goedkeuring van appellanten heeft verkregen;

Overwegende, dat de verkoop van het litigieuze perceel in zijn geheel, onderhands of in het openbaar, bij de scheidingswerkzaamheden geen rol heeft gespeeld, althans is hiervan niets gebleken uit het proces-verbaal van zwarigheden, zodat het Hof daarover dan ook geen beslissing kan geven;

Overwegende, dat voor zover de geïntimeerden door verkoop van het perceel aan de onverdeeldheid daarvan een einde wensten te maken, zij de weg hadden moeten volgen, welke artikel 1103 B.W. juncto de artikelen 566 e.v. Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangeeft;

Overwegende mitsdien, dat het in de onderhavige procedure daarop aandringen vruchteloos blijft;

Overwegende, dat wat daarvan ook zij de goede trouw, welke de rechtsverhouding tussen de deelgerechtigden in een boedel beheerst, met zich kan meebrengen dat een onroerend goed, dat vatbaar is voor verdeling in natura, niet in het openbaar wordt verkocht, indien gerechtvaardigde belangen van een of meer deelgerechtigden daardoor zouden worden geschaad;

Overwegende, dat geïntimeerden als verweer tegen het voorstel van de appellanten, vermeld in het proces-verbaal van zwarigheden, hebben aangevoerd en daarna in dit proces verdedigd, dat hen het bovenvermeld hoekgedeelte, desnoods het deel dat zij werkelijk in gebruik hebben, behoorde te worden toebedeeld;

Overwegende, dat geïntimeerden ter staving daarvan hebben aangevoerd, dat appellanten met negering van waarschuwingen zijdens geïntimeerde, zelfs bij deurwaardersexploit van deurwaarder S. Hoebba van 24 februari 1976 en van deurwaarder B.S. Ramkhelawan van 28 juni 1977, zijn doorgegaan het eerder op het hoekgedeelte gestaan hebbende houten winkelgebouw te vervangen door een ander gebouw en dit verder uit te breiden in steen, en mitsdien appellanten onrechtvaardig jegens geïntimeerden zouden hebben gehandeld, waardoor, indien appellanten dat stuk toch toebedeeld zouden krijgen, zulks een beloning zou zijn voor hun onrechtmatig optreden;

Overwegende, dat deze opvatting van geïntimeerde in feite inhoudt, dat appellanten het hoekgedeelte van het perceel onrechtmatig occuperen;

Overwegende, dat het Hof zich met dit standpunt echter niet kan verenigen;

Overwegende toch, dat de beschikkingsmacht van een deelgerechtigde in een boedel niet verder beperkt is, dan de verkoop en overdracht van zijn aandeel in een bepaald goed van de boedel;

Overwegende, dat appellant sub 2 aanvankelijk huurder was van het litigieuze hoekperceel, doch vanaf mei 1973 daarvan mede-eigenaar is geworden en wel, tesamen met geïntimeerden;

Overwegende, dat naar ‘s Hoven oordeel ieder van hen als mede-eigenaar de bevoegdheid heeft daarop bouwactiviteiten te ontplooien en een gedeelte daarvan te gebruiken, met eerbieding van de rechten van de ander;

Overwegende immers, dat de vraag of een deelgerechtigde bij de verdeling dat deel waarop hij heeft gebouwd toebedeeld krijgt, afhangt van de vraag of de bovenomschreven goede trouw dat met zich meebrengt;

Overwegende, dat het Hof om de tussen partijen gerezen geschillen te beslechten gerechtelijke plaatsopneming heeft gedaan en daarbij aan de deskundige, de landmeter Ch. Kanhai, aanwijzingen heeft gegeven om het perceel in twee delen te splitsen en van die delen kaarten te vervaardigen, terwijl het Hof daarnevens nog twee deskundigen heeft benoemd en beëdigd teneinde de waarde van die betrokken twee delen vast te stellen, aangezien de gerechtigdheid van partijen als boven aangegeven in de waarde van het onroerend goed en niet in de oppervlakte daarvan bestaat;

Overwegende, dat bij de opmeting van het perceel door landmeter Ch. Kanhai is gebleken dat het perceel 1.7418 ha instede van 2 ha groot is en dat de twee delen, waarin de landmeter het perceel verdeeld heeft zijn:

1. het perceel groot 550 m², op diens kaart van 20 maart 1981 aangeduid met de letter A-F-G-H;

2. het perceel groot 16.868 m², op diens kaart van 20 maart 1981 aangeduid met de letter B-C-D-E-F-G-H;

Overwegende, dat de deskundigen aan het sub 1 omschreven perceel een waarde van f.5.500,- en aan het andere perceel de waarde van f.84.340,– hebben toegekend,

Overwegende, dat op grond van het bovenoverwogene, de verklaring van geïntimeerde sub 1 ter gelegenheid van de descente, dat hij geen handelaar is en momenteel niet geïnteresseerd in het hoekperceel en de omstandigheid dat de appellant sub 2 daarop zijn woon- en winkelpand heeft staan, waarin de appellant sub 1 hem als blote eigenaar tezijnertijd zal opvolgen, de toedeling van het hoekperceel, op bovenvermelde kaart aangeduid met de letter AFGH, aan appellanten en de rest van het perceel, op bovenvermelde kaart aangeduid met de letters BCDEFGH, aan geïntimeerden rechtvaardigen, zulks met vergoeding door geïntimeerden aan appellanten, wegens overbedeling, van een bedrag van f.115,– (zie deskundigenrapport);

Overwegende, dat het Hof in casu de boedelscheiding, de zogenaamde adiudicatio, niet zelf tot stand kan brengen, vermits het in casu de verdeling van onroerend goed betreft en artikel 1096 juncto 670 BW, die oplossing in de weg staat door te bepalen dat een notariële akte daarvoor vereist is;

Overwegende, dat uit het bovenoverwogene volgt dat het vonnis van de Kantonrechter, waartegen beroep, niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd en dat het Hof opnieuw rechtdoende de notaris R.S. Hirasing, die de akte van zwarigheden heeft opgemaakt, zal belasten om de akte van scheiding en deling met inachtneming van het bovengestelde te verlijden, waarbij bij weigering door de geïntimeerde om aan die scheiding mede te werken, de medewerking zal kunnen worden ingeroepen van de onzijdig persoon, die benoemd is bij bovenaangehaald vonnis van de Kantonrechter in het eerste Kanton van 25 mei 1976;

Overwegende, dat het Hof aanleiding vindt de proceskosten in dier voege tussen partijen te compenseren dat iedere partij haar eigen kosten drage, nu het in deze de verdeling van een boedelperceel betreft, waarbij meningsverschillen normaal zijn en de rechter geroepen kan worden die te beslechten in geval de notaris daarin niet slaagt, zulks echter met uitzondering van het honorarium van de deskundigen, dat elke partij voor de helft voor haar rekening zal moeten nemen, omdat uitmeting en waardebepaling in casu voor de boedelscheiding noodzakelijk zijn;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 17 april 1979 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende

Gelast notaris R.S. Hirasing om de akte van scheiding en deling tussen partijen op te maken en te verlijden en daarbij toe te delen aan:

1. de appellanten, te weten de appellant sub 2 het levenslange recht van vruchtgebruik en de appellant sub 1 de blote eigendom van het perceel groot 550 m², op de kaart van de landmeter Ch. Kanhai dd. 20 maart 1981 aangeduid met de AFGH en

2. de geïntimeerden, te weten de geïntimeerde sub 1 de blote eigendom van het 9/16 gedeelte en de volle eigendom van het 6/16 gedeelte en de geïntimeerde sub 2 het levenslange recht van vruchtgebruik van het 9/16 gedeelte in: het perceel groot 16. 868 m², op de kaart van de landmeter G. Kanhai dd. 20 maart 1981 aangeduid met de B.C.D.E.F.G.H., welke percelen deel uitmaken van het perceel gelegen in [district 1] op de hoek van de [wegen 2] en bekend als perceel [nummer 1], waarbij geïntimeerden aan appellanten wegens overbedeling zullen hebben te vergoeden het bedrag van f.115,– (EENHONDERD EN VIJFTIEN GULDEN);

Compenseert de proceskosten in dier voege, dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Bepaalt het salaris van de deskundigen op f.1000,– (EENDUIZEND GULDEN), waarin iedere partij voor de helft bijdraagt.

 

SRU-K3-2016-1

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON

A.R. no. 16-3004

30 juni 2016

Vonnis in kort geding inzake:

 

[naam 1],
wonende in het [district] ,
eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie in het kort geding,
hierna te noemen [naam 1],
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name
a) het Ministerie van Defensie en
b) het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,
domicilie kiezend ten parkette van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudend aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie in het kort geding,
hierna te noemen De Staat,
gemachtigde voor gedaagde sub a: majoor mr. Th. Roos, jurist en gemachtigde voor gedaagde sub b: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

 

  1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van het geding blijkt uit:
– het verzoekschrift met producties ingediend bij de griffie der kantongerechten op 16 juni 2016 en de daarbij behorende conclusie van eis;
– een schriftelijke conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties zijdens gedaagde sub a en een schriftelijke conclusie van antwoord zijdens gedaagde sub b met uitlating producties;
– een schriftelijke conclusie van repliek zijdens eiser in conventie en gedaagde in reconventie met uitlating producties;
– een schriftelijke conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie zijdens gedaagde sub a en een schriftelijke conclusie van dupliek zijdens gedaagde sub b;
– en schriftelijke conclusie van dupliek in reconventie zijdens eiser.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten in conventie en in reconventie

2.1 [naam 1] heeft bij beschikking van 7 oktober 2015 onder [nummer 1] het recht van grondhuur verkregen op het perceelland groot 695,70 vierkante meter gelegen in het [district ] , op de hoek van [straat 1] en [straat 2] en deel uitmakende van [gebied], nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter in Suriname, R.I. Amelo van 22 juni 2015 met de letters ABCD, thans bekend als [gebied] [ nummer 2].

2.2 De Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer heeft bij beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] bovengenoemde beschikking ingetrokken. [naam 1] is bij schrijven van 3 juni 2016 van de Minister van Defensie, geïnformeerd over de vervallenverklaring van het recht van grondhuur en is hij gesommeerd om uiterlijk 1 juli 2016 het perceel te ontruimen en te verlaten.

2.3 De beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] is niet conform het besluit onder III van de beschikking – aantekenen aan de belanghebbende – danwel per deurwaardersexploit aan [naam 1] bekend gemaakt.

2.4 De woning op het perceelland is een dienstwoning van het Ministerie van Defensie. In maart 2004 is de dienstwoning ter beschikking gesteld aan [naam 2], zijnde de inmiddels overleden echtgenote van [naam 1]. Zij was te rekenen vanaf 16 september 1994 naar [district] gemuteerd. Daar de woning werd gerenoveerd heeft [naam 2] met [naam 1] verblijf gehouden in een woning van het Ministerie van Financiën en wel vanaf het jaar 2004 tot en met het jaar 2008. [naam 1] heeft pas in het jaar 2008 de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] betrokken met zijn echtgenote.

2.5 Eiser is op 1 mei 2009 op eigen verzoek ontslagen als ambtenaar bij het ministerie van Defensie en is daarna nog in de dienstwoning gebleven.

2.6 Bij beschikking van 12 mei 2010 onder LaD [nummer 5] is het perceelland waarop de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] staat, ter beschikking gesteld van het Ministerie van Defensie, ten behoeve van het Nationaal Leger.

2.7 Uit het hypothecair uittreksel van 27 oktober 2015 onder LaD [nummer 6] blijkt dat het perceelland in het jaar 2014 (LaD [nummer 6]) werd aangevraagd door [naam 1] en op 7 oktober 2015 aan hem in grondhuur werd toegewezen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer van gedaagde in conventie

3.1 Eiser vordert dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a) De beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3], ook nadat deze conform de wet aan eiser bekend is gemaakt, in haar werking wordt geschorst totdat er door de rechter in de bodemprocedure wordt beslist;
b) gedaagde wordt verboden om tot de ontruiming van het litigieus perceel over te gaan totdat er door de rechter in de bodemprocedure is beslist;
c) gedaagde wordt verboden om met betrekking tot het onderhavig perceel aan anderen dan [naam 1], rechten te verlenen totdat er door de rechter in de bodemprocedure is beslecht;
d) gedaagde bij overtreding van de hierboven vermelde verboden bij wijze van dwangsom een bedrag van SRD 150.000,= zal verbeuren;
e) gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2 De grondslag van de vordering is een onrechtmatige daad omdat gedaagden in strijd hebben gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De beschikking van 16 maart 2016 treedt niet in werking jegens eiser omdat de wettelijke verplichting tot bekendmaking van de vervallenverklaring per aangetekend schrijven danwel per deurwaardersexploit aan eiser niet is geschied. Dit is dus in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechten van de eiser op het perceel zijn ouder dan die van gedaagde sub a. Eiser had vanaf 1989 tot en met 2004 en vervolgens vanaf 2008 het perceel in bruikleen van de staat. De beschikking van de dienstwoning is een gemengde overeenkomst namelijk een huurovereenkomst en dienstbetrekking nu er sprake is van een oneigenlijke dienstwoning. Derhalve is de huurbeschermingswet van toepassing en kan geen ontruiming worden gevraagd in een kort geding zaak, daar de ontruiming een definitieve voorziening is die zich niet leent voor een beslissing in kort geding. De beschikking van 16 maart 2016 kan derhalve niet aan eiser worden tegengeworpen. Eiser heeft een spoedeisend belang bij de vordering daar hij gesommeerd is om uiterlijk 1 juli 2016 te ontruimen.

3.3. Gedaagden voeren als verweer:

a) De vervallenverklaring van het recht van grondhuur van eiser bij bovenvermelde beschikking is terecht en in het algemeen belang ten behoeve van het Nationaal Leger. De vervallenverklaring gaat in met de dag van overschrijving in de registers van het hypotheekkantoor. Bij vervallenverklaring in het algemeen belang is het geen vereiste om de beschikking per deurwaardersexploit te doen betekenen.
b) Er is geen sprake van een gemengde overeenkomst tussen eiser en gedaagde sub a. Eiser heeft nimmer huur betaald voor de woning. De overeenkomst van bruikleen van de dienstwoning was gesloten tussen de thans wijlen echtgenote van eiser en gedaagde sub a en was het verblijf van eiser in de dienstwoning dus slechts vanwege zijn wijlen echtgenote. Nu die echtgenote is komen te overlijden verblijft eiser zonder recht of titel in de dienstwoning.
c) Eiser heeft bij zijn aanvraag van het recht op grondhuur van het litigieus perceel, niet aan gedaagde sub b medegedeeld dat gedaagde sub a het litigieus perceel reeds in gebruik had. Onbekend met de wetenschap heeft gedaagde sub b het litigieus perceel dus aan eiser toegewezen. Gedaagde sub a heeft de woning dringend nodig voor eigen gebruik, daar er andere ambtenaren van gedaagde sub a in de woning moeten worden geaccomodeerd.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer van gedaagde in reconventie

3.4 Eiser sub a vordert dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde wordt veroordeeld om binnen een maand na uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het perceelland met daarop staande woning gelegen op de hoek van [straat 1] en [straat 2] [nummer 4], deel uitmakende van de van [gebied] in het [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiser te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven, eiser gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.

3.5 De grondslag van de vordering is een onrechtmatige daad. Gedaagde zijn echtgenote had van eiser sub a het recht van gebruik van de dienstwoning en na haar overlijden is gedaagde in de dienstwoning gebleven. Het karakter van de dienstwoning brengt met zich mee dat het ter beschikking wordt gesteld van ambtenaren van eiser sub a, om hun dienst te vergemakkelijken. Het recht van gebruik is geëindigd met het overlijden van gedaagde zijn echtgenote. Gedaagde is diverse keren in gebreke gesteld om de woning te ontruimen daar hij zonder recht of titel in de woning verblijft, echter heeft hij geen gevolg gegeven aan de ingebrekestelling.

3.6 Gedaagde voert als verweer dat hij het recht van grondhuur rechtmatig heeft verkregen en dat de vervallenverklaring van de beschikking van 16 maart 2016 geen werking jegens hem heeft gekregen daar de beschikking nimmer aan hem is betekend op de door de wet voorgeschreven wijze. Voorts blijkt uit de beschikking niet dat de vervallenverklaring door het algemeen belang werd gevorderd en op artikel 31 van het decreet uitgifte domeingrond is gestoeld. Gedaagde heeft de beschikking van 16 maart 2016 niet “ontvangen” maar zelf naar aanleiding van de brief van 3 juni 2016, ten hypotheekkantore een afschrift van de beschikking aangevraagd. Slechts een bekendmaking conform de wet doet een vervallenverklaring jegens gedaagde intreden.

  1. De beoordeling in conventie

4.1 Het spoedeisend belang is uit de stellingen en weren van partijen voldoende aannemelijk gemaakt.

4.2 Het geschil tussen partijen strekt zich ten eerste uit tot de vraag welke consequentie wordt nu de Staat Suriname de beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] niet per deurwaardersexploit aan [naam 1] heeft betekend en het ook niet per aangetekend schrijven naar hem heeft gestuurd. Artikel 32 lid 2 van het Decreet Uitgifte Domeingrond vermeldt dat de beschikking van vervallenverklaring van het recht van grondhuur per deurwaardersexploit aan de belanghebbende moet worden betekend, maar dit artikel vermeldt niet wat de consequenties zijn van het niet naleven van deze bepaling. Opgemerkt zij dat dit artikel 32 spreekt over vervallenverklaring bij het niet naleven van de gestelde voorwaarden bij grondhuur door de grondhuurder (zie lid 1 en lid 3), waarvan in onderhavige zaak geen sprake is daar dat niet uit de beschikking van 16 maart 2016 blijkt. Uit dit artikel 32 valt dus niet te lezen dat de bekendmaking van vervallenverklaring op grond van andere redenen dan die vermeld in lid 1, per deurwaardersexploit aan de belanghebbende moet worden betekend. Kennelijk is daarom in de beschikking van 16 maart 2016 onder [nummer 3] onder kopstuk “heeft besloten” onderdeel III bepaald dat een afschrift van de beschikking onder aangetekend schrijven naar de belanghebbende (in deze [naam 1]) moest worden verzonden. Dat aangetekend schrijven heeft nimmer plaatsgevonden, echter vermeldt de beschikking niet wat de consequenties zijn bij het nalaten van deze bepaling door de Staat Suriname, in deze gedaagde sub b. Feit is dat eiser een afschrift van de beschikking van 16 maart 2016 heeft aangevraagd bij gedaagde sub b, nadat gedaagde sub a een schrijven gedateerd 3 juni 2016 aan eiser had gericht. Eiser was dus op de hoogte van de inhoud van voormelde beschikking en is het ten processe niet gebleken op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad. Derhalve zal de nalatigheid van gedaagde sub b om eiser niet per aangetekend schrijven op de hoogte te stellen van de inhoud van de beschikking van 16 maart 2016, er niet toe kunnen leiden dat de inwerkingtreding van voormelde beschikking niet tegen eiser kan worden ingeroepen.

4.3 De tweede vraag die partijen verdeeld houdt is of er sprake is van een gemengde overeenkomst tussen gedaagde sub a en eiser. Eiser had ter staving van zijn stelling dat er sprake was van een huurovereenkomst tussen hem en gedaagde sub a, nader feiten en omstandigheden moeten aandragen om zijn stelling te onderbouwen, echter heeft hij dat niet gedaan. Anders dan eiser beweert, heeft hij niet aannemelijk kunnen maken dat er sprake is van een gemengde overeenkomst tussen hem en gedaagde sub a en zijn de bepalingen van de huurbeschermingswet waarop hij zich beroept, derhalve niet van toepassing.

4.4 Uit de feiten onder 2 blijkt dat gedaagde sub b het perceelland met daarop staande woning aan de [straat 1] [nummer 4] in het [district], reeds jaren ter beschikking heeft gesteld aan gedaagde sub a en dat de woning op desbetreffende perceel als dienstwoning werd gebruikt voor ambtenaren van gedaagde sub a. Eiser en zijn wijlen echtgenote zijn vanaf het jaar 2004 tot en met 2008 in de woning van het Ministerie van Financiën gebleven omdat de dienstwoning aan de [straat 1] werd gerenoveerd. Eiser heeft pas in het jaar 2008 de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] betrokken met zijn echtgenote. De overeenkomst van gebruik was aangegaan tussen gedaagde sub a en de thans wijlen echtgenote van eiser, en is deze overeenkomst door het overlijden van de echtgenote van eiser beëindigd. Bovendien is eiser sedert 1 mei 2009 niet meer in dienst van gedaagde sub a. Thans blijft eiser dus zonder recht of titel op het litigieus perceel. Uit de feiten onder 2 blijkt ook dat de rechten van gedaagde sub a op het perceel ouder zijn dan die van eiser, immers had gedaagde sub a reeds jaren het gebruik van het litigieus perceel en is bij beschikking van 12 mei 2010 onder LaD [nummer 5] het perceelland waarop de dienstwoning aan de [straat 1] [nummer 4] staat ter beschikking gesteld van gedaagde sub a, terwijl eiser zijn aanvraag dateert van het jaar 2014 en zijn beschikking van het jaar 2015.

4.5 Het karakter van een dienstwoning brengt met zich mee dat de ambtenaar de dienstwoning zal moeten verlaten wanneer de dienst niet meer vergt dat hij in de dienstwoning verblijft. Nu eiser niet meer in dienst is van gedaagde sub a, heeft hij dus ook geen reden om zijn verblijf in de woning te continueren. De vervallenverklaring van het recht van grondhuur zoals vervat in de beschikking van 16 maart 2016 is terecht daar gedaagde sub a een ouder recht heeft op het litigieus perceel en dient dit recht ook te worden gerespecteerd. De omstandigheid dat in de beschikking van 16 maart 2016 niet is opgenomen dat de vervallenverklaring is gestoeld op algemeen belang, staat de rechtmatigheid van de vervallenverklaring niet in de weg. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde sub b de beschikking van 16 maart 2016 voldoende gemotiveerd.

4.6 Uit bovenstaande overweging volgt dat eiser een onrechtmatige daad pleegt omdat hij zonder recht of titel in de woning verblijft. De vordering van eiser in conventie wordt afgewezen en hij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

  1. De beoordeling in reconventie

Eiser sub a (de Staat Suriname, in deze het Ministerie van Defensie) heeft het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Al hetgeen wordt overwogen in conventie wordt ook overwogen in reconventie. De conclusie is dat de vordering van eiser sub a wordt toegewezen op de wijze als in het dictum is vermeld.

  1. De beslissing in conventie in kort geding

De kantonrechter:

6.1 Wijst de vordering af.

6.2 Veroordeelt eiser in de proceskosten van dit geding en tot op heden begroot op nihil.

  1. De beslissing in reconventie in kort geding

De kantonrechter:

7.1 Veroordeelt gedaagde, de heer [naam 1], om binnen twee maanden na uitspraak van dit vonnis, het perceelland met daarop staande woning gelegen op de hoek van de [straat 1]en [straat 2] [nummer 4], deel uitmakende van [gebied] in het [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle van zijnentwege aanwezige personen en goederen en door afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiser te stellen, met bepaling dat indien gedaagde hiertoe in gebreke mocht blijven, eiser sub a (De Staat Suriname, in deze het Ministerie van Defensie) gerechtigd zal zijn de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm.

7.2 Verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door de kantonrechter mr. M.V. Kuldip Singh en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter-plaatsvervanger mr. A.C. Johanns, in kort geding op maandag 30 juni 2016 in het derde kanton te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

w.g. M. Oedit Doebe w.g. M.V. Kuldip Singh

w.g. A.C. Johanns

SRU-HvJ-2017-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],

wonende in [district],

verzoekster,

gemachtigde: I.D. Kanhai Bsc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, VEEETEELT EN VISSERIJ,

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. M. Winter, Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het verzoekschrift d.d. 11 maart 2016 met producties;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 10 mei 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 augustus 2015;

– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 02 december 2016.

2. De feiten

Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoekster” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 Verzoekster is tot aan haar ontslag werkzaam geweest als ambtenaar, in de functie van Aspirant Landbouwvoorlichter L.V.V. ingedeeld in de functiegroep 05 (schaal 05B), in vaste dienst bij de Hoofdafdeling Regio West van het Onderdirectoraat Landbouw van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij.

2.2 Verzoekster heeft middels aangetekende post op 22 december 2015 een ontslagbeschikking ontvangen, gedateerd 29 oktober 2015 met het [nummer].

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

3.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:

A. De beschikking gedateerd 29 oktober 2015 [nummer] nietig te verklaren, althans te vernietigen, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Ambtenarenpensioenwet;

B. Om bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen, verweerder te veroordelen en te gelasten om binnen een week na uitspraak van het vonnis:

1. De beschikking gedateerd 29 oktober 2015 [nummer], met terugwerkende kracht vanaf 29 oktober 2015 ongedaan te maken, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Ambtenarenpensioenwet;

2. Verzoekster in de gelegenheid te stellen om haar werkzaamheden als normaal voort te zetten en haar daarin niet te hinderen;

3. Aan verzoekster te voldoen het salaris en alle daarbij gepaard gaande emolumenten vanaf januari 2016, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang tot en met de dag der algehele kwijting;

4. Het voldoen van een dwangsom ad SRD 10.000,- voor iedere dag of iedere keer dat hij in strijd met het onder B 1 en 2 gevorderde zal handelen;

5. Tot betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten voor vastrecht ad SRD 60,-; deurwaarderskosten ad SRD 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.500,-.

Verzoekster heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij blijkens haar ontslagbeschikking is ontslagen op grond van een verklaring van de geneeskundige commissie gedateerd 25 juni 2015, waarin is aangegeven, dat verzoekster blijvend ongeschikt is voor de verdere dienst.

De ontslagbeschikking is in strijd met de Personeelswet vanwege het feit dat het ontslag ingevolge artikel 69 lid 2 onder f verleend zou moeten zijn en niet artikel 71 lid 4 zoals is vermeld onder de 2e overweging in de ontslagbeschikking.

Verzoekster diende overigens in aanmerking te komen voor een Invaliditeitspensioen, conform artikel 20 lid 1 sub b van de Ambtenarenpensioenwet 1972. Dit is echter nagelaten in de voornoemde beschikking.

Voorts is verzoekster van mening dat de Geneeskundige Commissie niet bevoegd is om een dergelijke verklaring af te leggen, daar de instructies betreffende het geneeskundig onderzoek bij ambtenaren conform artikel 44 van de Landsverordening van 03 december 1938 (G.B. 1938 no. 131) nimmer zijn vastgesteld.

De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat verzoekster vanaf het jaar 2013 tot en met het jaar 2015 niet aan het werk is verschenen vanwege ziekte. Er zijn geen mogelijkheden bekeken om verzoekster aangepaste werkzaamheden te laten verrichten, omdat zij niet aan het werk verscheen.

Pogingen van het waarnemend hoofd Personeelszaken om met verzoekster in contact te treden, teneinde mogelijkheden te bespreken om haar te reïntegreren zijn vruchteloos gebleven, omdat verzoekster niets van het Ministerie van LVV wilde horen. Vervolgpogingen om met verzoekster in contact te treden zijn eveneens mislukt, daar verzoekster telefonisch niet bereikbaar was. Vervolgens is de ontslagprocedure van verzoekster ingezet, daar zij door de Geneeskundige Commissie is afgekeurd voor verdere dienst.

4.De beoordeling van het geschil

4.1 Verzoekster is ingevolge artikel 80 lid 1 onder b van de Personeelswet tardief met het instellen van haar vordering. Zij verzoekt het Hof haar vordering op grond van overmacht niettemin ontvankelijk te verklaren. Immers is de vordering te laat ingesteld door omstandigheden buiten haar schuld.

4.1.1 Het Hof overweegt dat de termijn voor het instellen van een vordering bij de Burgerlijke Rechter in Ambtenarenzaken van openbare orde is.

Echter mogen niet alle termijnoverschrijdingen worden gevolgd door een niet-ontvankelijkheid. De mogelijkheid om de vordering alsnog ontvankelijk te verklaren dient te worden geopend, indien in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De indiener zal dan ook aannemelijk moeten maken dat het geschrift is ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs van hen kan worden verlangd. Onderscheid kan dan worden gemaakt tussen bijzondere omstandigheden die de indiener persoonlijk treffen zoals bijvoorbeeld ziekte of een ongeval, danwel omstandigheden die aan de kant van het Bestuursorgaan liggen.

Naar het oordeel van het Hof is in casu niet gebleken van een omstandigheid die aan de zijde van het Bestuursorgaan heeft gelegen. Evenmin is in casu sprake van een dusdanige omstandigheid aan de zijde van verzoekster, dat zij in redelijkheid niet in staat moest worden geacht haar vordering tijdig in te dienen. Naar het oordeel van het Hof is nalatigheid van de (gewezen) gemachtigde geen grond welk een beroep op overmacht rechtvaardigt en zal verzoekster ingevolge artikel 80 lid 1 sub b niet worden ontvangen in haar vordering.

4.2 Ten overvloede overweegt het Hof, dat ook indien verzoekster in haar vordering was ontvangen, de beslissing in haar nadeel zou zijn gevallen.

Immers is uit de stellingen en weren gebleken dat verzoekster over de kalenderjaren 2013 en 2014 in totaal 551 ziektedagen heeft genoten en gedurende die twee kalenderjaren geen werkzaamheden heeft verricht wegens ziekte. De Geneeskundige Commissie is conform artikel 1 van de Instructiën van de Geneeskundige Commissie en van den Secretaris dier Commissie bevoegd alle voorstellen te doen die haar in het belang van de haar opgedragen taak geraden voorkomen. Indien de landsdienaar blijvend ongeschikt wordt bevonden voor de verdere waarneming in zijn of haar ambt, wordt dit ter kennis aan de Gouverneur (lees President) gebracht.

Het niet bestaan van het Staatsbesluit inhoudende voorschriften met betrekking tot de geneeskundige controle ingevolge artikel 42 van de Personeelswet, levert naar het oordeel van het Hof geen ongeldig advies op. Verzoekster heeft zich immers aangemeld voor de herkeuring en zij is volgens de gebruikelijke procedure door de Geneeskundige Commissie onderworpen aan de keuring.

Voorts heeft de Geneeskundige Commissie een zelfstandige beoordelingsruimte naar aanleiding van het door hen ingesteld onderzoek en levert het niet overnemen van de aanbevelingen van de deskundige geen misleiding en bedrog op.

Blijkens de verklaring van de Ressortleider Regio Landbouw, Veeteelt en Visserij ([district]), [naam 1] is voor de leiding trouwens geen mogelijkheid geweest om aangepaste werkzaamheden voor verzoekster te creëren, daar zij niet op het werk verscheen in de eerdergenoemde periode.

Verzoekster heeft, blijkens de op de terechtzitting van 02 december 2016 afgelegde verklaringen, daarnaast geweigerd in gesprek te gaan met het waarnemend hoofd van de afdeling Personeelszaken, [naam 2] teneinde te trachten tot een minnelijke oplossing te komen.

Het Hof is tenslotte van oordeel dat het niet opnemen van het recht op Invaliditeitspensioen in de ontslagbeschikking, deze beschikking niet nietig maakt.

Gezien al het voorgaande, is niet komen vast te staan dat de beschikking van 29 oktober 2015 [nummer] in strijd met de Personeelswet en/of de Ambtenarenpensioenwet tot stand is gekomen.

5. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc. en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. Danning namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-6

G.R.No. 15122A

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A.[appellant sub A],

B.[appellant sub B],

C.[appellante sub C],

D.[appellant sub D],

E.[appellant sub E],

F.[appellant sub F],

allen wonende in [district], appellanten, gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

1.[geïntimeerde sub 1],

2.[geïntimeerde sub 2],

3.[geïntimeerde sub 3], allen wonende in [district], geïntimeerden, gemachtigde: mr. J.R. Garib, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 20 oktober 2015 (A.R.No. 12-2335) tussen appellanten als eisers in eerste aanleg en geïntimeerden als gedaagden in eerste aanleg, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 21 oktober 2015 hoger beroep hebben ingesteld;

– de memorie van grieven met een productie overgelegd op 24 december 2015;

– ten dage bepaald voor pleidooi, heeft de procesgemachtigde van appellanten mondeling gepersisteerd bij de memorie van grieven en heeft hij gevraagd om vonnis te wijzen terwijl de procesgemachtigde van geïntimeerden eveneens mondeling heeft gevraagd om vonnis te wijzen;

– de rechtsdag voor de uitspraak die nader was bepaald op 3 maart 2017, doch bij vervroeging op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

Partijen waren op de dag van de uitspraak (20 oktober 20 1 5) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Appellanten hebben bij schrijven van hun procesgemachtigde op 21 oktober 2015 appel aangetekend, terwijl een afschrift van het vonnis per griffiersbrief d.d. 08 december 2015 naar partijen is verzonden. Gesteld noch gebleken is dat appellanten niet tijdig in appel zijn gekomen, zodat appellanten in hun appel kunnen worden ontvangen.

3. De feiten

3.1 Aan [naam 1] gehuwd met [naam 2], is bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 03 maart 2003, LaD [nummer], het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur van 40 jaren, verleend op het perceelland groot 3,0348 ha, gelegen in [district] te [adres] bekend als [nummers] en nader aangeduid op in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD.

3.2 Blijkens onderhandse koopovereenkomst I d.d. 14 januari 2010, hebben dhr. [naam 1] en mevr. [naam 2] (thans erflaters), die hun respectieve duimafdrukken na voorlezing in de hindoestaanse taal door een beëdigde tolk, in tegenwoordigheid van de alhier residerende notaris mr. G.M.R.S. Ramautar onder de koopovereenkomst hebben geplaatst, aan geïntimeerde sub 1 verkocht: het deel groot 71 33,56 m2 gelegen in [district] te [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter C.A. Cairo, Les., d.d. 05 oktober 2009 met de letters AFED, deel uitmakende van het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, vervallen 25 april 2043, op het perceelland groot 3, 0348 ha, gelegen in [district] te [adres], bekend als [nummers] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD (hierna onroerend goed I), voor de koopsom van SRD 1,- waarvoor kwijting is verleend en waarbij aan de koper onherroepelijke last en volmacht is verleend om het gekochte na verkregen toestemming op zijn naam te doen overschrijven, van welke koopovereenkomst op 18 januari 2010 aantekening is gemaakt in de registers ten hypotheekkantore onder [nummer 2].

3.3 Blijkens onderhandse koopovereenkomst II d.d. 14 januari 2010, hebben dhr. [naam 1] en mevr. [naam 2] (thans erflaters), die hun respectieve duimafdrukken na voorlezing in de hindoestaanse taal door een beëdigde tolk, in tegenwoordigheid van de alhier residerende notaris mr. G.M.R.S. Ramautar onder de koopovereenkomst hebben geplaatst, aan geïntimeerde sub 2 verkocht: het deel groot 0,8114 ha, gelegen in [district] te [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter H Soedhwa, Lcs., d.d. 14 december 2009 met de letters EFGH, deel uitmakende van het recht van grondhuur, ter uitoefening van de tuinbouw, vervallen 25 april 2043, op het perceelland groot 3, 0348 ha, gelegen in [district] te [adres], bekend als [nummers] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD (hierna onroerend goed II), voor de koopsom van SRD 1,– waarvoor kwijting is verleend en waarbij aan de koper onherroepelijke last en volmacht is verleend om het gekochte na verkregen toestemming op zijn naam te doen overschrijven, van welke koopovereenkomst op 20 januari 2010 aantekening is gemaakt in de registers ten hypotheekkantore onder [nummer 3].

3.4 [naam 1] is op 19 mei 2010 te Paramaribo overleden en is gehuwd geweest met [naam 2], die op 09 september 2012 te Paramaribo is overleden (de erflaters).

3.5 Appellanten sub A t/m D en geïntimeerden zijn kinderen van de erflaters, terwijl appellanten sub E en F kleinkinderen zijn van de erflaters, zijnde kinderen van een vooroverleden zoon van de erflaters

3.6 Bij beschikking van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 16 oktober 2014, LaD [nummer 4] is goedgekeurd dat door [naam 1] wordt overgedragen aan geïntimeerde sub B het navolgend onroerend goed: het recht van grondhuur op het stuk grond groot 0,8114 ha, nader aangeduid op de overgelegde kaart van de landmeter in Suriname H. Soedhwa, Lcs., d.d. 14 december 2009 met de letters EFGH, deel uitmakende van het bij dezerzijdse beschikking van 02 januari 2003 [nummer 5] in grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw afgestane perceelland groot 3,0348 ha, gelegen in [district] te [adres], bekend als [nummers].

3.7 Blijkens verklaring van de alhier residerende notaris mr. J.G. Kemp d.d. 10 februari 2015, is heden aan geïntimeerde sub B geleverd het navolgend onroerend goed: Een stuk grand met de titel ’grondhuur ’, groot 08114 4 ha, gelegen in [district], te [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter H Soedhwa, Lcs., d.d. 17 december 2014 met de letters EFGH, waarbij aan de ommezijde van de kaart aantekening is gesteld door de landmeter G.A. Halfhide, BSc., d.d. 1 6 december 2014, dat het perceelland voortaan bekend zal staan als [adres] [nummer 6], deel uitmakende het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur vervallende 25 april 2043, groot 3,0348 ha te [adres], [nummers] en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname Frits M. Sanrawi, MSc., d.d. 24 september 2002 met de letters ABCD.

Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 20 oktober 2015 tussen partijen bekend onder A.R.No. 12-2335, waarvan beroep, is voor recht verklaard dat de tussen de erflaters en gedaagden sub A en B aangegane overeenkomsten van koop/verkoop d.d. 14 januari 201 0 en 16 januari 2010 schenkingen betreffen en dat die dienen te worden ingebracht bij de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters.

4. De vordering in eerste aanleg

Appellanten hebben, zakelijk weergegeven, na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. geïntimeerden te veroordelen om binnen 1 maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, samen met appellanten over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de heer [naam 1] overleden op 19 mei 2010 en van [naam 2] overleden op 09 september 2012;

B. te benoemen een notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden, voor zover partijen het hierover niet eens mochten worden binnen een maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis en van een of meer onzijdige personen voor gedaagden, indien zij weigeren mochten of nalaten zullen, hun medewerking te verlenen aan de scheiding en deling;

C.I Primair: nietig te verklaren, althans te vernietigen de overeenkomsten van koop/verkoop d.d. 14 januari 2010 en 16 januari 2010 m.b.t. de onroerende goederen I en II;

Subsidiair: voor recht te verklaren dat genoemde overeenkomsten van koop/verkoop, voorgenomen schenkingen betreffen en dienen te worden ingebracht bij de scheiding en deling van de nalatenschap van [naam 1];

C.2 de doorhaling te gelasten van de inschrijvingen van bedoelde overeenkomsten in de registers van het hypotheekkantoor onder [nummer 2] en [nummer 3].

5. De grieven

Appellanten hebben een viertal grieven aangevoerd welke bij de beoordeling van het geschil zullen worden verwoord en behandeld.

6. De vordering in Hoger Beroep

Appellanten concluderen in dit hoger beroep op deze gronden appellanten ontvankelijk te willen verklaren in hun beroep en te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende geïntimeerden alsnog te veroordelen zoals gevorderd in eerste aanleg.

7. Het verweer

Geïntimeerden hebben op de door appellanten aangevoerde grieven geen verweer gevoerd, doch hebben vonnis gevraagd.

8. De beoordeling

8.1 Grief I: de conclusie dat er geen nalatenschap is.

8.1.1 Appellanten voeren aan dat de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte de gevorderde scheiding en deling heeft afgewezen, terwijl tussen partijen in confesso is dat de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters niet heeft plaatsgevonden. Immers, appellanten hebben nimmer gesteld dat slechts het recht van grondhuur op het perceelland het enige vermogen is.

8.1.2 Geïntimeerden hebben in eerste aanleg aangevoerd dat zij geen bezwaar hebben tegen de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters, doch is het volgens hun van eminent belang dat de onroerende goederen I en II niet vallen in de nalatenschap, weshalve er dus geen scheiding en deling daarvan kan plaatsvinden.

8.1.3 Het hof overweegt dat als niet betwist vaststaat tussen partijen dat er een te verdelen boedel bestaat, welke meer omvat dan het in grondhuur uitgegeven perceelland. Meer nog, naar het oordeel van het hof omvatten de onroerende goederen I en II samen – zonder nog te praten over de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomsten – slechts de helft van het in grondhuur uitgegeven perceelland aan de vader van partijen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte geconcludeerd tot afwijzing van de gevorderde scheiding en deling van de nalatenschap van de erflaters, nu vaststaat dat er een opengevallen nalatenschap is waarvan de scheiding en deling nog niet heeft plaatsgevonden. Grief I is derhalve gegrond en leidt reeds tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

8.2 Grief II: de conclusie dat het recht van grondhuur van rechtswege is vervallen.

8.2.1 Appellanten voeren aan dat de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte onder 4.1 van de beoordeling heeft geconcludeerd dat het recht van grondhuur van rechtswege zou zijn vervallen op grond van artikel 16 van het Decreet Uitgifte Domeingrond (DUD), waarbij de kantonrechter naar hun oordeel voorbij is gegaan aan de zinsnede van het bepaalde in lid 2 van dat wetsartikel: ”…tenzij in geval van overmacht… ”, waarvan in casu sprake is, daar er weigerachtige erfgenamen zijn en er een rechtsgeschil is over de rechtsgeldigheid van de door de erflaters en bepaalde erfgenamen gepleegde rechtshandelingen. Immers, ook al zou het recht van grondhuur op bedoelde percelen zijn vervallen, dan nog komt de beterschap op het perceelland aan de erfgenamen toe. Overigens achten appellanten het bepaalde in voornoemd artikel in strijd met het karakter van het zakenrecht, daar zakelijke rechten op onroerende goederen niet van rechtswege kunnen vervallen.

8.2.2 Het hof overweegt dat ingevolge artikel 16 lid 1 DUD uitdrukkelijk voorschrijft dat het recht van grondhuur van rechtswege vervalt, doch is dit niet zonder meer het geval, met name indien er sprake is van overmacht ingevolge artikel 16 lid 2 DUD. Voorts is het in de praktijk gebleken dat erfgenamen ook na de 18 maanden na het overlijden van de grondhuurder, in de gelegenheid worden gesteld om alsnog in aanmerking te komen voor het recht van grondhuur op het perceel. Bovendien, overweegt het hof dat geïntimeerden sub A en B reeds een onherroepelijke volmacht hebben om toestemming te verkrijgen met betrekking tot de aan hun geschonken delen op hun namen. In ieder geval blijkt naar het oordeel van het hof uit de overgelegde producties dat aan geïntimeerde sub B reeds toestemming is verleend voor overdracht van een deel van het onroerend goed op zijn naam, hetgeen volgens verklaring van de notaris reeds is geschied.

De kantonrechter heeft in eerste aanleg derhalve ten onrechte geconcludeerd dat het recht van grondhuur op het perceelland van rechtswege reeds was vervallen. Grief II is gegrond en leidt eveneens tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

8.3 Grief III: de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomsten.

8.3.1 Appellanten voeren aan dat de kantonrechter in eerste aanleg de gevorderde nietigverklaring dan wel vernietiging van de koopovereenkomsten niet dan wel niet voldoende gemotiveerd heeft afgewezen, terwijl de kantonrechter voorbij is gegaan aan hun ter zake aangeboden

8.3.2 Appellanten hebben in eerste aanleg aangevoerd dat de koopovereenkomsten niet rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, doch was de erflater wel voornemens om het perceelland onder bepaalde kinderen te verdelen (schenken); echter is de verdeling niet voltooid omdat de erflater alstoen ernstig ziek was en alzo niet in staat was zijn wil (naar behoren) kenbaar te maken. Appellanten hebben uitdrukkelijk bewijs aangeboden ten aanzien van de gezondheidstoestand van de vader, die overigens aannemer was in de bouw en kon lezen en schrijven, weshalve hij in staat was zijn handtekening te plaatsen, reden waarom zij zich afvragen waarom de vader een duimafdruk moest plaatsen op de koopovereenkomsten in plaats van een handtekening.

8.3.3 Geïntimeerden hebben in eerste aanleg aangevoerd dat de erflaters ten overstaan van de notaris de onroerende goederen I en II aan geïntimeerden sub A en B hebben verkocht, terwijl appellanten niet kunnen bewijzen dat het in casu om een schijnkoop gaat. Volgens geïntimeerden zijn de erflaters er niet meer, zodat nimmer achterhaald zou kunnen worden wat zij precies zouden hebben gewild. Volgens geïntimeerden hebben de erflaters willens en wetens ten overstaan van de notaris de onroerende goederen I en II aan geïntimeerden sub A en B verkocht, terwijl appellanten hun verzoek hebben onderbouwd met blote stellingen.

8.3.4 Het hof overweegt dat, hoewel appellanten in eerste aanleg hebben gesteld dat ze zich afvragen waarom hun vader een duimafdruk onder de koopovereenkomsten heeft geplaatst terwijl hij kon lezen en schrijven, appellanten voornoemde stelling niet hebben onderbouwd middels overlegging van een stuk waaruit de of een handtekening van hun vader zou moeten blijken; evenmin hebben appellanten gesteld dat de koopovereenkomsten vals zijn, althans dat het niet de duimafdrukken van de erflaters Bovendien praten appellanten slechts over de handtekening dan wel duimafdruk van hun vader, terwijl de duimafdruk van hun moeder eveneens onder voormelde koopovereenkomsten staat, hetgeen niet wordt betwist of van valsheid beticht.

8.3.5 Voorts overweegt het hof dat appellanten in eerste aanleg hebben aangevoerd dat hun vader, ten tijde van de ondertekening van de koopovereenkomsten niet in staat was zijn wil (naar behoren) kenbaar te maken, terwijl appellanten eveneens hebben aangevoerd dat het de bedoeling was om het perceelland aan bepaalde kinderen te schenken, doch dat de verdeling niet voltooid werd omdat hun vader alstoen ernstig ziek was en alzo niet in staat was zijn wil (naar behoren) te verklaren. Naar het oordeel van het hof hebben appellanten ook deze stelling, dat hun vader ernstig ziek was en niet in staat was zijn wil (naar behoren) te bepalen, niet onderbouwd middels een doktersverklaring of enig ander stuk, terwijl appellanten niet hebben betwist dat de erflaters in tegenwoordigheid van de notaris voornoemd, hun duimafdruk hebben geplaatst onder de koopovereenkomsten. Appellanten spreken daarbij naar het oordeel van het hof, zichzelf tegen door aan de andere kant te stellen dat het de bedoeling was het hele perceelland onder bepaalde kinderen te verdelen c.q. schenken, doch dat deze niet is voltooid, waarmee appellanten erkennen dat zij op de hoogte waren van de bedoeling van de erflaters, doch is het bij de uitvoering slechts gebleven bij de verdeling ten aanzien van de geïntimeerden sub A en B, terwijl de helft van het perceelland nog onverdeeld is. Bovendien heeft de ondertekening in januari 2010 plaatsgevonden, terwijl de vader in mei 2010 is overleden.

8.3.6 Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter in eerste aanleg derhalve terecht voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van appellanten, als zijnde niet voldoende onderbouwd, nu de akten die bindend zijn tussen partijen, niet gemotiveerd zijn betwist of van valsheid zijn beticht.

8.3.7 Het hof stelt voorop, dat er in casu sprake is van giften, nu uit de koopovereenkomsten duidelijk blijkt dat het niet anders kan zijn geweest, dan dat het de bedoeling van de erflaters was om geïntimeerden sub A en B te bevoordelen middels de koopovereenkomsten, aangezien de koopsom van SRD 1,- nimmer de reële waarde van de respectieve onroerende goederen kan zijn. Naar het oordeel van het hof is er hiervoor geen taxatierapport als bewijs vereist. Grief III is derhalve ongegrond.

8.4. Grief IV: tegenstrijdigheid van de beslissing.

8.4.1 Appellanten voeren aan dat naar hun oordeel het vonnis waarvan beroep tegenstrijdig is, nu de kantonrechter aan de ene kant de gevorderde scheiding en deling heeft afgewezen, terwijl hij aan de andere kant voor recht verklaart dat de koopovereenkomsten schenkingen betreffen die ingebracht dienen te worden bij de scheiding en deling van de nlatenschap.

8.4.2 Appellanten hebben in eerste aanleg aangevoerd dat indien de kantonrechter de koopovereenkomsten rechtsgeldig verklaart, het in casu zou moeten gaan om een schijnkoop (een koop tegen een te lage prijs), zodat de voorgenomen overdracht als een schenking moeten worden gezien en dus zouden moeten worden

8.4.3 Geïntimeerden betwisten dat de onroerende goederen I en II zouden moeten worden ingebracht.

8.4.4 Het hof overweegt, mede in acht nemende hetgeen is overwogen onder 8.3.6 van dit vonnis, dat aangezien uit de koopovereenkomsten niet blijkt dat de gedane giften zijn vrijgesteld van inbreng, de onroerende goederen I en II ingevolge artikel 1113 lid 1 BW dienen te worden ingebracht in de nalatenschap van de erflaters. De kantonrechter heeft in eerste aanleg terecht geoordeeld dat de onroerende goederen I en II ingebracht dienen te worden, doch heeft hij onterecht geconcludeerd dat de scheiding en deling diende te worden afgewezen. Grief IV is derhalve gegrond en leidt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

8.5 Het hof concludeert dat nu de door appellanten aangevoerde grieven I, II en IV gegrond zijn bevonden, het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve vernietigd worden.

8.6 Aangezien tussen partijen vaststaat dat er een te verdelen boedel tussen hen bestaat waartoe zij allen gerechtigd zijn en over de wijze van verdeling waarvan geen overeenstemming kan worden bereikt, zal het door appellanten in eerste aanleg gevorderde onder A en B als op de wet gegrond worden toegewezen.

8.7 Het hof overweegt voorts dat gelet op hetgeen is overwogen onder 8.3 van dit vonnis, het subsidiair gevorderde onder C. I. van het petitum als op de wet gegrond zal worden toegewezen. Het overig door appellanten gevorderde zal als niet op de wet gegrond worden afgewezen. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring van dit vonnis zal eveneens als ongegrond worden afgewezen, vanwege de aard van de vordering.

8.8 Nu, het in casu een te verdelen boedel betreft, zullen de proceskosten ten laste van de te verdelen boedel worden opgebracht.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen op 20 oktober 2015 in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.No. 12-2335, waarvan beroep, en

OPNIEUW RECHTDOENDE

9.2 Veroordeelt geïntimeerden om binnen een maand na betekening van dit vonnis, met appellanten over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de heer [naam 1] overleden op 19 mei 2010 en van [naam 2] overleden op 09 september 2012, met benoeming tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden, G.H.B. Blom, dan wel diens waarnemer of opvolger, voor zover partijen alsdan geen overeenstemming hebben kunnen bereiken omtrent een aan te wijzen notaris;

tevens worden tot onzijdige personen benoemd, voor het geval een der partijen weigeren mocht om mede te werken aan de scheiding en deling voornoemd, aan de zijde van appellanten: mr. L.E. Palmburg, advocaat, en aan de zijde van geïntimeerden: mr. V.V.C. Pique, advocaat.

9.3 Verklaart voor recht dat de koopovereenkomsten I en II, d.d. 14 januari 2010 giften betreffen die ingebracht dienen te worden bij de scheiding en deling van de nalatenschap van wijlen [naam 1] en van [naam 2].

9.4 Bepaalt dat de proceskosten tot heden ten laste zullen komen van de te verdelen boedel en begroot op Nihil.

9.5 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Loi Tam Loi namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens mr. R. Garib, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

mr. S.K. Ghopie, Wnd.Substituut-Griffier