SRU-HvJ-2017-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

APINTIE N.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

appellante in kort geding,

gemachtigde: mr. H.A.M. Essed, advocaat,

tegen

SURINAME CABLE & COMMUNICATION NETWORK N.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

geïntimeerde in kort geding,

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 21 november 2016 (A.R.NO.16-5309) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk “SCCN” en “Apintie”;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

– Het schrijven van de advocaat van Apintie gedateerd 01 december 2016 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 01 december 2016 – waaruit blijkt dat Apintie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 21 november 2016;

– De memorie van grieven zijdens appellante, onder overlegging van producties;

– De memorie van antwoord zijdens geïntimeerde, onder overlegging van een productie;

– De repliekpleitnota en uitlating productie de dato 05 mei 2017;

– De dupliekpleitnota de dato 12 mei 2017;

– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 SCCN heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad Apintie zal worden verboden de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden. Voorts heeft zij gevorderd dat Apintie zal worden verboden de samenvattingen (highlights) van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld gedurende de periode 2016 tot en met 2017 in het kader van de La Liga Competitie seizoen 2016/2017, waartoe alleen SCCN gerechtigd is, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden. Eveneens heeft zij gevorderd dat Apintie zal worden verboden programma’s van de sportchannels SportMax/SportsMax2 seizoen 2016/2017 of van enige andere omroeporganisatie, waartoe alleen SCCN is gerechtigd, hetzij rechtstreeks hetzij met vertraging of achteraf uit te zenden. Daarnaast heeft SCCN gevorderd dat Apintie zal worden veroordeeld het te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,- per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het bepaalde in het te wijzen vonnis te voldoen. Ten slotte heeft SCCN gevorderd dat Apintie zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

1.2 De kantonrechter heeft bij vonnis van 21 november 2016 (A.R.No. 16-5309) – kort gezegd -de vordering van SCCN toegewezen en is Apintie in de kosten van het geding aan de zijde van SCCN gevallen veroordeeld.

2.1 Apintie heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 01 december 2016 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 01 december 2016 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 21 november 2016. Tevens blijkt uit laatstvermeld vonnis dat SCCN vertegenwoordigd door advocaat mr. C. Meynaar namens haar gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest terwijl advocaat E.C.M. Hooplot namens de gemachtigde van Apintie bij de uitspraak in eerste aanleg tegenwoordig is geweest. Nu de appèlaantekening op 01 december 2016 heeft plaatsgevonden heeft Apintie ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

2.2 Apintie heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

2.2.1 La Liga Nacional de Footbol Professional is de rechtmatige eigenaar van de door haar georganiseerde Eerste Divisie van de Spaanse voetbal competitie in Spanje, de Primera Division meer bekend als La Liga.

2.2.2 Bij overeenkomst van 30 september 2016 heeft de International Media Content LTD, hierna te noemen IMC, aan SCCN verleend de uitzendrechten van alle wedstrijden gespeeld in het kader van het seizoen 2016/2017.

2.2.3 Bij schrijven van 26 september 2016 afkomstig van IMC aan SCCN heeft de managing Director van IMC aan SCCN bevestigd dat zij aan niemand anders dan SCCN en ESPN een licentie hebben afgestaan.

2.2.4 Bij e-mail bericht van 30 september 2016 heeft SCCN aan een aantal televisie- en radiostations, waaronder Apintie, te kennen gegeven dat zij de televisie uitzendrechten bezit van La Liga seizoen 2016/2017. Als bijlage heeft SCCN bijgesloten de “IMC rights confirmation letter”.

2.2.5 Bij e-mail bericht van 5 oktober 2016 afkomstig van [naam] van SportsMax Limited gericht aan Apintie wordt onder de aandacht van Apintie gebracht dat [naam] IMC vertegenwoordigd en in dat kader aan Apintie te kennen geeft dat IMC sublicenties heeft verstrekt aan SCCN en ESPN alleen. In dat bericht wordt Apintie verzocht om de rechten van de sublicenties SCCN en ESPN te respecteren.

2.2.6 Bij e-mailbericht van 11 oktober 2016 heeft Apintie aan [naam] teruggeschreven dat het bericht van haar voor hun verwarrend is. Apintie stelt daarin dat zij eerst een schrijven hebben ontvangen welke van IMC zou zijn. Echter wordt nu een e-mailbericht ontvangen van SportsMax Limited. Apintie voert voorts aan in dat schrijven dat is geprobeerd om met de directeur van IMC in contact te treden, doch dat dat niet is gelukt. Apintie geeft aan dat zij een brief van IMC wensen en dat zij geen brieven kunnen accepteren zonder officieel brievenhoofd of contact informatie.

2.2.7 [naam] heeft bij e-mailbericht van 17 oktober 2016 gereageerd op het schrijven van Apintie waarbij zij uiteen heeft gezet dat SportsMax Ltd een dochteronderneming is van IMC. Dat IMC de rechten heeft verleend aan SCCN en ESPN alleen en dat er geen andere gerechtigden zijn voor Suriname. Zij vraagt in dat bericht aan Apintie om de rechten van IMC en SCCN te respecteren, bij gebreke waarvan er gerechtelijke stappen zullen worden ondernomen.

2.2.8 Op 29 oktober 2016 is bij exploit van deurwaarder S.W. Niekoop LLB, met nummer 1574, aan Apintie betekend het schrijven d.d. 28 oktober 2016 afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN waarin zij onder de aandacht van Apintie brengt dat deze ondanks de brieven van SCCN, IMC en [naam], toch wedstrijden van La Liga uitzendt. De raadsvrouwe heeft in dat schrijven Apintie aangemaand om onmiddellijk te stoppen met het uitzenden, bij gebreke waarvan juridische stappen tegen Apintie zullen worden ondernomen.

2.2.9 Op 29 oktober 2016 is een tweede brief, gedateerd 29 oktober 2016, afkomstig van de raadsvrouwe van SCCN aan Apintie betekend waarin wordt aangehaald dat Apintie, ondanks het schrijven van 28 oktober toch op 29 oktober weer wedstrijden heeft uitgezonden. Ook in dit schrijven maant zij Apintie aan om de uitzendrechten van SCCN te respecteren.

2.2.10 Aan deze aanmaningen heeft Apintie geen gevolg gegeven.

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft SCCN – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat IMC de exclusieve bezitter is van de commerciӫle rechten van de Spanish First Division Football League, beter bekend als La Liga, inclusief de uitzendrechten op de televisiebeelden en of satelietbeelden van de voetbalwedstrijden die worden gespeeld in het kader van de La Liga Competitie. IMC heeft deze rechten voor de periode 2015 tot 2020 verkregen van de Liga Nacional de Futbol Profesional. IMC is voor het Caribisch gebied de enige die op wettige wijze aan omroeporganisaties c.q. broadcasters de bevoegdheid kan geven om de betreffende beelden uit te zenden. SCCN heeft op 26 september 2016 een overeenkomst met IMC gesloten uit hoofde waarvan SCCN de exclusieve uitzendrechten heeft verworven voor het uitzenden van de La Liga Competition 2016/2017 voor onder andere televisie in Suriname. Tot het programma van de La Liga behoren de voetbalwedstrijden, de highlights van de wedstrijden en alle andere evenementen terzake de La Liga Competition. SCCN heeft aan al haar concurrenten, inclusief Apintie, per mail van 30 september 2016 medegedeeld dat zij de exclusieve rechten heeft verworven voor het uitzenden van de La Liga Competitie van 2016/2017. Ondanks dit schrijven zendt Apintie toch de wedstrijden uit. Hiermee schendt zij de exclusieve uitzendrechten van SCCN en handelt zij onrechtmatig. Alsgevolg van dit onrechtmatig handelen lijdt SCCN schade, immers is SCCN om de kosten voor de verwerving van de exclusieve uitzendrechten terug te kunnen verdienen, afhankelijk van bedrijven die de uitzendingen middels advertenties wensen te sponsoren. Door de beelden ook uit te zenden en onrechtmatig ook sponsors op de toch al kleine Surinaamse markt te werven beconcurreert Apintie SCCN op een onrechtmatige wijze en zal SCCN niet in staat zijn voldoende sponsoring voor de activiteiten te vergaren. Hierdoor zal zij verlies lijden;

2.4 Apintie heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – aangevoerd dat zij betwist dat IMC de bezitter is van de exclusieve commerciële rechten van La Liga en dat SCCN dat op geen enkele wijze heeft aangetoond. In het verlengde hiervan heeft zij aangevoerd dat IMC geen exclusieve uitzendrechten aan SCCN heeft overgedragen nu uit de overeenkomst blijkt dat er sprake is van “non-exclusive rights”. Voorts heeft zij aangevoerd dat zolang niet blijkt dat La Liga het IMC de exclusieve rechten heeft verleend, niet ervan kan worden uitgegaan dat IMC rechten aan SCCN zou kunnen hebben verleend. Eveneens heeft zij aangevoerd dat uit de door Apintie overgelegde producties blijkt dat eerder ook door media brieven zijn gestuurd waarin wordt beweerd dat exclusieve rechten zijn verleend voor een competitie, doch dat later bleek dat de rechten door de eigenaar van de rechten aan een ander medium waren verleend. Ten slotte heeft zij aangevoerd dat op grond van het voorgaande het niet aannemelijk is dat Apintie zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen;

2.5 In hoger beroep concludeert Apintie tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende SCCN niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar vordering af te wijzen als te zijn ongegrond en onbewezen, met veroordeling van SCCN in de kosten van beide instanties;

2.6 Apintie heeft voorts grieven aangevoerd tegen voormeld vonnis de dato 21 november 2016 en aangegeven – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – dat de kantonrechter ten onrechte is voorbij gegaan aan het door Apintie gestelde bij antwoord dat uit geen enkel door SCCN overgelegde overeenkomst de rechtsrelatie tussen IMC en Sportsmax blijkt. De kantonrechter heeft zonder meer aangenomen dat Sportsmax een rechtsverhouding tot IMC heeft op grond waarvan zij verklaringen namens IMC kan afleggen. Voorts heeft Apintie aangevoerd – kort gezegd – dat de kantonrechter ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat IMC de uitzendrechten van La Liga verkregen heeft, terwijl die gerechtigdheid juist het begin van de bewijsketen moet zijn. Apintie heeft er uitdrukkelijk op gewezen dat al de documenten (met uitzondering van de overeenkomst tussen IMC en SCCN) eenzijdige verklaringen van of IMC of Sportsmax zijn en dat die in rechte geen bewijs kunnen opleveren voor een meerzijdige rechtsverhouding tussen La Liga en IMC. Evenmin kan voornoemde overeenkomst een bewijs opleveren voor zulk een rechtsverhouding tussen La Liga en IMC. Als tweede grief heeft Apintie aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in punt 5.10 van het vonnis heeft overwogen dat “Apintie geen enkel document heeft overgelegd welke een weerlegging inhoudt van hetgeen in de mails, de overeenkomst en de press-release staat en op de website staat vermeld. Het verweer van Apintie is daardoor niet voldoende om de aannemelijkheid van de feiten zoals door SCCN gesteld, te weerleggen”. Als derde grief heeft Apintie aangevoerd dat de kantonrechter geheel ten onrechte voorbij is gegaan aan de vraag die Apintie heeft gesteld in punt 8 van het dupliek, namelijk of niet IMC de vordering tegen Apintie zou moeten instellen. In dat geval zou IMC namelijk deugdelijk bewijs moeten overleggen van haar rechtsverhouding tot La Liga, welke rechtsverhouding mede – grondslag van de vordering is;

2.7. SCCN heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;

2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grieven. Gelet op de samenhang tussen de grieven zal de kantonrechter die gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen. Naar het oordeel van het hof bestrijdt Apintie eerstens dat SCCN bij de aangegane overeenkomst met het IMC, de exclusieve uitzendrechten heeft verworven op het uitzenden van de La Liga Competition 2016/2017 voor o.a. televisie binnen Suriname. Daarbij wordt door Apintie – kort gezegd – het accent gelegd op het woord “non-exclusive right” onder de artikelen 9 en 10 van voormelde overeenkomst. In het verlengde hiervan trekt Apintie – althans zo vat het hof dat op – de beschikkingsbevoegdheid van IMC in twijfel. Met name voert zij aan dat niet is gebleken dat IMC beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de uitzendrechten van de voetbalwedstrijden van La Liga. Naar het oordeel van het hof gaat deze grief niet op. Evenals de kantonrechter onder 5.7, 5.8, 5.9 en 5.10 van het vonnis waarvan beroep, heeft overwogen is het hof van oordeel dat uit de inhoud van de in het geding gebrachte documenten in onderling verband en samenhang beschouwd voldoende aannemelijk is geworden dat IMC beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de uitzendrechten van de voetbalwedstrijden van de La Liga Competition 2016/2017 en derhalve SCCN die rechten rechtsgeldig heeft verworven voor o.a. televisie binnen Suriname. Uit het bepaalde in artikel 15 van voormelde overeenkomst de dato 26 september 2016 onder de kop “ Clearances “ blijkt met name dat IMC de garantie geeft dat zij beschikkingsbevoegd is ten aanzien van het commercialiseren van de competities van La Liga zoals genoemd in de overeenkomst. Apintie heeft daartegen bloot aangevoerd dat zij de beschikkingsbevoegdheid van IMC in twijfel trekt en dat voormelde passage in de overeenkomst een zgn. partijverklaring betreft, waaraan geen bewijskracht – althans zo vat het hof dat op – kan worden toegekend. Aan voormelde grief van Apintie zal worden voorbijgegaan aangezien voormelde bepaling in de litigieuze overeenkomst tussen IMC en SCCN niet voor velerlei interpretaties vatbaar is en niet in redelijkheid van SCCN kan worden gevergd dat zij daarnaast additioneel onderzoek doet naar en aannemelijk maakt de onderliggende rechtsverhouding tussen IMC en Liga Nacional de Futbol Profesional (“La Liga”). Voor zover Apintie meent gemotiveerd verweer dienaangaande te moeten voeren dan had het op haar weg gelegen om het tegendeel aannemelijk te maken hetgeen zij heeft nagelaten zoals de kantonrechter in het beroepen vonnis terecht heeft overwogen. De grief van Apintie dat de kantonrechter daarmede de bewijslast zou hebben omgekeerd is derhalve eveneens ongegrond gebleken aangezien de kantonrechter heeft geconstateerd – kort gezegd – dat de grondslag van het gevorderde uit de inhoud van de door SCCN in het geding gebrachte producties voldoende aannemelijk is geworden terwijl Apintie heeft volstaan met die aannemelijkheid bloot te weerspreken zonder dat op enigerlei wijze te staven. De rechtsrelatie tussen IMC en Sportsmax Ltd is onder de vaststaande feiten in het beroepen vonnis en onder 2.2.7. van dit vonnis eveneens uitgewerkt zodat dat geen verdere bespreking behoeft;

2.9. De grief van Apintie dat ertoe strekt – kort gezegd – dat niet SCCN maar IMC de vordering tegen haar diende in te stellen haalt het niet in rechte. Met de vaststelling dat SCCN de exclusieve uitzendrechten van IMC heeft verkregen is SCCN naar het oordeel van het hof gerechtigd om op te treden tegen inbreuken op die rechten door derden;

2.10. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grieven geen opgeld doen en dienen te worden verworpen. De consequentie van het voorgaande is dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd en Apintie zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van SCCN in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

2.11. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal het hof – als voor de beslissing niet langer relevant zijnde – achterwege laten.

3.De beslissing in kort geding in hoger beroep

Het hof:

3.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 21 november 2016, A.R.No. 16-5309, waarvan beroep.

3.2 Veroordeelt Apintie in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van SCCN gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus in kort geding gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 19 mei 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. J.A. Nazir namens advocaat mr. H.A.M. Essed en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. M.G.A. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2017-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME G.R.No. 15178

BESCHIKKING

Gelezen het schrijven van de procesgemachtigde van [verzoeker], hierna aangeduid als [verzoeker] , van 23 augustus 2016, waarbij het middel van hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 17 augustus 2016 gegeven in de procedure bekend onder A.R.No. 16-3971 welke door [verzoeker] is aangelegd tegen de Stichting La Prevoyance en [gedaagde], hierna aangeduid als “de Stichting”en “[gedaagde]”;

Constaterende, dat zijdens [verzoeker] geen grieven tegen de betreffende beschikking zijn aangebracht;

Constaterende voorts, dat [verzoeker] in de betreffende beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 augustus 2016 per abuis is aangeduid als “[naam]”, zodat in dit appel zulks wordt verbeterd;

Overwegende:

1. Dat [verzoeker] bij verzoekschrift d.d. 10 augustus 2016 in de procedure bekend onder A.R.No. 16-3971 heeft gesteld:

a. dat hij op 16 oktober 2007 met [gedaagde] een huurovereenkomst heeft gesloten ten aanzien van het perceel gelegen te [woonplaats] op de hoek van [adres] – hierna aangeduid als “het perceel”, alsook dat daarbij uitdrukkelijk een optie tot koop van het gehuurde is bedongen;

b. dat de huurovereenkomst steeds stilzwijgend is verlengd;

c. dat [gedaagde] op 4 maart 2009 het perceel heeft overgedragen aan de Stichting;

d. dat [gedaagde] enig bestuurder is van de Stichting;

e. dat in januari 2016 hij met [gedaagde], in de hoedanigheid van enig bestuurder van de Stichting, heeft afgesproken dat de koopoptie sindsdien geldt tegen de Stichting, alsook dat de koopoptie op schrift zou worden gesteld en ondertekend ten kantore van de notaris mr. T.A. Jaipersaud-Badal;

f. dat [gedaagde] het op de afgesproken datum heeft laten afweten en sindsdien niet bereikbaar is voor hem, [verzoeker];

g. dat hij door [gedaagde] bij deurwaardersexploot is gesommeerd tot ontruiming van het perceel;

h. dat [gedaagde] een procedure tot ontruiming tegen hem heeft aangelegd, welke bekend onder A.R.No. 16-3340;

i. dat de Stichting en [gedaagde] weigeren de aan hem verleende optie volgens afspraak te ondertekenen ten overstaan van de notaris;

j. dat de Stichting en [gedaagde] zich schuldig maken aan een onrechtmatige daad jegens hem; zij hebben immers zich niet gehouden aan de afspraak tot het vastleggen van de koopoptie en [gedaagde] heeft, als enig bestuurslid van de Stichting, nadat de optie was verleend een hypotheek gevestigd op het perceel;

k. dat hij bevreesd is dat de Stichting doende is het perceel te verkopen aan een derde; in een door [gedaagde] tegen hem, [verzoeker] aangelegde procedure strekkende tot ontruiming van het perceel, is door [gedaagde] gesteld dat hij een koper heeft die de woning vrij van huur wenst over te nemen;

l. dat hij schade lijdt door de wanprestatie van de Stichting en [gedaagde] , althans door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en nog meer schade zal lijden indien de Stichting, althans [gedaagde] als enig bestuurslid van de Stichting, de kans krijgt om het perceel te vervreemden alvorens hij zijn vordering tot levering van het perceel op grond van de optie in rechte kan afdwingen;

2. dat [verzoeker] in voormeld verzoekschrift heeft gevorderd hem toestemming te verlenen ten laste van de Stichting en [gedaagde] conservatoir beslag te doen leggen ter verzekering van zijn vordering begroot op de door partijen in de optie overeengekomen koopsom van het perceel ad € 225.000,=;

3.dat bij beschikking d.d. 17 augustus 2016 het verzoek tot het verlenen van toestemming voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van de Stichting en [gedaagde] door de Kantonrechter in het Eerste Kanton is afgewezen. Daartoe is overwogen dat [verzoeker] niet summierlijk blijk heeft gegeven van een deugdelijke, op geld waardeelbare vordering, gelijk de artikelen 591 en 592 juncto artikel 639 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorschrijven; de grondslag van de vordering is immers nakoming van de overeenkomst met betrekking tot het verstrekken van een koopoptie en is door [verzoeker] gesteld noch gebleken op welke wijze de vermeende wanprestatie van gedaagden, de door [verzoeker] op € 225.000,= begrote schade zou veroorzaken;

4. dat naar het oordeel van het Hof uit het door [verzoeker] ingediend verzoekschrift niet blijkt van enige verplichting tot levering van het perceel, zodat zulks niet kan leiden tot het verlenen van de door hem gevraagde toestemming tot het doen leggen van het conservatoir beslag;

5. dat in casu het verwijt aan de Stichting en [gedaagde] is dat zij, in strijd met hetgeen is afgesproken, hebben nagelaten de koopoptie ten overstaan van de notaris te ondertekenen; dat immers een dergelijke verplichting tot schriftelijke vastlegging van hetgeen tussen partijen is overeengekomen, naar het oordeel van het Hof, niet op geld waardeerbaar is;

Concluderende, dat gelet op het hiervoor onder 4. en 5. overwogene, de Kantonrechter in het Eerste Kanton in diens beschikking van 17 augustus 2016 terecht heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat [verzoeker] een op geld waardeerbare vordering heeft op de Stichting en [gedaagde], welk besluit evenwel onvoldoende is gemotiveerd, zodat deze beschikking zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

Beschikkende:

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 augustus 2016 in de procedure bekend onder A.R.No. 16-3971 onder aanvulling van gronden.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 april 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],

wonende in [district],

appellante,

gemachtigde: mr. M. Tjon-Jaw-Chong, advocaat,

tegen

A. [geintimeerde sub A], wonende te [district],

B. [geintimeerde sub B], wonende te [woonplaats] in de Verenigde Staten van Amerika,

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 juni 2015 (A.R.No. 14-3078) tussen geïntimeerden als eisers in eerste aanleg en appellante als gedaagde sub B in eerste aanleg, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/-handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 16 juli 2015 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota met producties overgelegd op 20 mei 2016;

– de antwoordpleitnota overgelegd op 05 augustus 2016;

– de repliekpleitnota overgelegd op 02 december 2016;

– de dupliekpleitnota overgelegd op 06 januari 2017;

– de rechtsdag voor de uitspraak die is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Niet gesteld of gebleken is dat partijen op de dag van de uitspraak (24 juni 2015) van het vonnis in eerste aanleg in persoon of bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig dan wel vertegenwoordigd waren. Appellante heeft bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 16 juli 2015 appèl aangetekend. Aan partijen is een afschrift van het vonnis waarvan beroep op 21 juli 2015 afgegeven, zodat appellante het appèl tijdig heeft ingesteld en daarin kan worden ontvangen, nu dit in ieder geval binnen dertig dagen na de dag van uitspraak is geschied.

3. De feiten

3.1 Appellante en geïntimeerde sub B, zijn kinderen, terwijl geïntimeerde sub A en de oorspronkelijke gedaagde sub A, kinderen zijn van een vóóroverleden kind van de op 17 maart 2006 in [district] overleden [naam 1] (de erflater).

3.2 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 10 november 2009 in de zaak met A.R.No. 09-1685, zijn partijen veroordeeld met elkaar over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de erflater, met benoeming tot boedelnotaris mr. D.S.P. Chitoe.

3.3 Tot de nalatenschap van de erflater behoort het navolgend onroerend goed:

het recht van grondhuur – vervallende op 26 april 2024 – op het perceelland groot 0,8527 ha, gelegen in [district] aan [adres], deel uitmakende van het perceelland bekend als serie C no. 8b van de voormalige dorpsgemeente [naam 2], thans bekend als [nummer], nader aangeduid op de overgelegde uitmetingskaart van de landmeter in Suriname F. Emanuels d.d. 25 september 1981 door de figuur met de letters BCEF.

3.4 Partijen hebben ten overstaan van de boedelnotaris voornoemd geen overeenstemming kunnen bereiken, weshalve het proces-verbaal van zwarigheden d.d. 09 december 2013 door notaris mr.D.S.P. Chitoe is opgemaakt en neergelegd ter Griffie der Kantongerechten.

3.5 Bij beschikking d.d. 28 januari 2015 heeft de kantonrechter in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.No. 14-3078, tot deskundige benoemd de heer K. Sholles, teneinde de getaxeerde waarde van het onroerend goed vast te stellen.

3.6 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 24 juni 2015, waarvan beroep, is de boedelnotaris mr. D.S.P. Chitoe bevolen om een akte van scheiding en deling op te maken tussen partijen met onder andere de navolgende inhoud:

– het onroerend goed wordt toebedeeld aan appellante en zal zij ook alle lasten dragen die op het onroerend goed rusten.

– volgens het taxatierapport bedraagt de waarde van het onroerend goed ten tijde van de bezichtiging op 16 februari 2015, Euro 120.270,-. Appellante zal wegens overbedeling, het aandeel van ieder der deelgerechtigden genoemd in het proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt door notaris mr.D.S.P. Chitoe op 09 december 2013, aan hen uitkeren en wel binnen zes maanden na uitspraak van het vonnis.

4. De vordering in eerste aanleg

Appellante heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, op grond van artikel 1101 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW) gevorderd om bij beschikking partijen te doen oproepen ter terechtzitting te verschijnen en dat de behandeling der zaak zal worden bepaald, dat de akte van boedelscheiding zal worden verleden met inachtneming van het standpunt van appellante, zoals vervat in de akte van non-comparitie t.n.v. erfgenamen [naam 3] d.d. 09 december 2013 afkomstig van notaris mr. D.S.P. Chitoe.

5. De grieven

Appellante heeft een tweetal grieven aangevoerd op grond waarvan het vonnis waarvan beroep vernietigd dient te worden, die in de beoordeling nader zullen worden besproken.

6. De vordering in Hoger Beroep

Appellante concludeert op deze gronden het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende, alsnog het gevorderde toe te wijzen.

7. Het verweer

Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd, waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan, ten slotte concluderende om het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

8. De beoordeling

8.1 Grief I: alle mede-eigenaren zijn verantwoordelijk voor het in stand houden van het onroerend goed vanaf het overlijden van de erflater.

8.1.1 Appellante stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima onder andere heeft beslist dat het litigieus onroerend goed aan haar wordt toebedeeld en dat zij ook alle lasten zal dragen die op het onroerend goed rusten, waaruit appellante begrijpt dat het die lasten zijn die vanaf de scheiding en deling het geval zullen zijn en dat tot het moment van de scheiding en deling, de erfgenamen als mede-eigenaren delen in de waardeverandering van het onroerend goed. Ter adstructie wordt verwezen naar pagina 159, Hoofdlijnen van het Surinaams Erfrecht, mr. C.R. Jadnanansing en mr. C.A. Kraan, 1998. Appellante voert aan dat hoewel zij in prima hierop uitdrukkelijk heeft gewezen, de kantonrechter daaraan voorbij is gegaan.

8.1.2 Geïntimeerden voeren hiertegen aan dat appellante hen de toegang tot het perceel en de opstallen, na het overlijden van de erflater, heeft verboden c.q. ontzegd, waardoor het aan appellante heeft gelegen dat zij alles heeft onderhouden. Geïntimeerden voeren voorts aan dat indien appellante van oordeel is dat zij vergoed dient te worden voor het onderhoud, dat deze kosten door drie dient te worden gedeeld. Tevens zijn geïntimeerden de mening toegedaan dat appellante alleen van de vruchten van de zich op het onroerend goed bevindende fruitbomen, heeft genoten, deze heeft geoogst en verkocht en de gelden ten eigen bate heeft aangewend. Volgens geïntimeerden dient appellante hiermee in te komen en aan hen af te staan. Geïntimeerden eisen tevens vergoeding van appellante voor het gebruik door haar van hun deel van de nalatenschap. De door appellante overgelegde kwitanties worden van valsheid beticht, omdat de werkzaamheden nooit zo zijn verricht en appellante de kwitanties nu pas produceert, terwijl zij deze zou moeten hebben gehad sinds de scheiding en deling gaande was.

8.1.3 Appellante ontkent dat zij geïntimeerden de toegang tot het onroerend goed heeft ontzegd en dat zij vruchten verkoopt.

8.1.4 Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 1110 BW de boedelscheiding een declaratief karakter heeft, hetgeen betekent dat iedere erfgenaam geacht wordt onmiddellijk te zijn opgevolgd in het hem toebedeelde, dat wil zeggen vanaf het openvallen van de nalatenschap. De overige erfgenamen worden derhalve geacht nimmer de eigendom van het reeds toebedeeld goed te hebben gehad. Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat het onroerend goed in casu vanaf het openvallen van de nalatenschap aan appellante in eigendom heeft toebehoord, met als gevolg dat de kosten van onderhoud en overige kosten met betrekking tot het onroerend goed vanaf het openvallen van de nalatenschap, in alle redelijkheid ten laste komen van appellante. Bovendien, is naar het oordeel van het hof niet gesteld of gebleken dat appellante, die het uitsluitend gebruik van het onroerend goed heeft gehad vanaf het openvallen van de nalatenschap, de vermeende uitgaven zou hebben gedaan na daartoe toestemming te hebben verkregen van de overige erfgenamen dan wel dat het uitgaven zouden betreffen die onverwijld gedaan moesten worden. De kantonrechter in prima heeft dan ook terecht beslist dat het onroerend goed wordt toebedeeld aan appellante en dat zij ook alle lasten zal dragen die op het onroerend goed rusten.

Grief I is naar het oordeel van het hof derhalve ongegrond.

8.2 Grief II: het taxatierapport van taxateur K.A. Sholles.

8.2.1 Appellante stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat ze het niet eens is met het taxatierapport van Sholles dat veel hoger ligt dan het rapport dat in opdracht van geïntimeerde sub A is opgemaakt, en wel een verschil van € 28.929,-, terwijl in het rapport van Sholles slechts het Euro-bedrag is opgenomen en niet het SRD-bedrag op het moment van de taxatie.

8.2.2 Geïntimeerden voeren hiertegen aan dat het oude taxatierapport niet goed was, omdat de taxateur de toegang tot het perceel was verboden, waardoor het werk niet naar behoren was verricht. Bovendien dient bij de scheiding en deling een recent taxatierapport aanwezig te zijn. Dat alleen het Euro-bedrag in het taxatierapport is opgenomen, doet er niet toe, omdat volgens geïntimeerden appellante niet verboden is om in Surinaamse Dollars te betalen tegen de dagkoers voor de verkoop van Euro op de dag van betaling.

8.2.3 Appellante ontkent dat de eerste taxateur de toegang was ontzegd, getuige de foto’s van binnen en buiten de woning die zijn aangehecht aan het rapport, terwijl Sholles niet eens in de woning is geweest. Volgens appellante was de koers op de dag van de taxatie voor de Euro: 3,642 – 3,775, zodat de waarde in SRD op die dag volgens het taxatierapport is: SRD 438.023,34 – SRD 454.019,25. Appellante voert aan dat nergens in de wet is opgenomen dat bij scheiding en deling in Euro’s moet worden afgewikkeld, terwijl zij slechts een lening in SRD kan krijgen.

8.2.4 Het hof stelt voorop dat de tot de nalatenschap behorende goederen bij een scheiding en deling, moeten worden gewaardeerd naar de waarde die zij op het moment van de scheiding en deling hebben. Dit brengt met zich dat een vooraf, vóór de scheiding en deling, opgemaakt taxatierapport niet geldig is, tenzij partijen het eens zijn geworden dat de in dat rapport toegekende waarde tussen partijen zal gelden, hetgeen in casu niet is gebleken. De kantonrechter heeft derhalve terecht ingevolge artikel 1105 BW een deskundige benoemd voor de taxatie, waartegen overigens niet is gebleken dat er bezwaar is aangevoerd. Dat de taxatiewaarde in het rapport slechts is aangeduid in Euro’s, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de rechtsgeldigheid van het rapport van Sholles, nu appellante niet gehouden is het aandeel van de andere erfgenamen in Euro’s uit te betalen, doch zulks kan doen tegen de op de dag van uitbetaling geldende dagkoers voor de Euro. Aangezien appellante er niet voor heeft gekozen om de aandelen uit te keren binnen de door de kantonrechter bepaalde termijn, komt een eventuele waardevermindering en/of – vermeerdering voor rekening en risico van appellante. Grief II is naar het oordeel van het hof eveneens ongegrond.

8.3 Nu de door appellante aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden en het Hof ambtshalve geen termen aanwezig acht om de vordering opnieuw te beoordelen, zal de bespreking van het overig door partijen aangevoerde, als niet ter zake doende, buiten beschouwing worden gelaten. Het vonnis waarvan beroep zal, gelet op het vorenoverwogene, worden bevestigd, onder aanvulling van gronden als hiervoor overwogen.

8.4 Appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerden in hoger beroep gevallen en zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton op 24 juni 2015 gewezen in de zaak tussen partijen bekend onder A.R.No. 14-3078, waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt appellante in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerden in hoger beroep gevallen en tot aan de uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 mei 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. M. Tjon-Jaw-Chong, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

 

SRU-HvJ-2017-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],

wonende in [district],

appellant, hierna aangeduid als “de man”,

gemachtigde: mr. L. Punwasi-Raghoebier, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,

gemachtigde: mr. J.R. Garib, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 15 juni 2015 (A.R.No. 14-2872) tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat namens de man op 22 juli 2015 hoger beroep is ingesteld;

– pleidooi d.d. 18 maart 2016;

– antwoordpleidooi d.d. 06 mei 2016;

– repliekpleidooi d.d. 15 juli 2016;

– dupliekpleidooi d.d. 05 augustus 2016;

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 17 februari 2017, doch is nader bepaald op heden.

De beoordeling

2 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Partijen zijn op 04 juni 1982 in het ressort Sur/NM = 1982, ingeschreven onder [nummer], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Uit dit huwelijk zijn er twee kinderen geboren, die thans meerderjarig zijn.

2.2. De vrouw heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd:

– dat de echtscheiding werd uitgesproken van het tussen partijen gesloten huwelijk op 04 juni 1982 in het ressort Suriname;

– de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van degene die mocht weigeren of in gebreke blijft aan de scheiding en deling mee te werken;

2.3 De Kantonrechter heeft bij vonnis van 15 juni 2015 de echtscheiding uitgesproken als verzocht, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd bevolen, en voorts – kort – gezegd – een boedelnotaris en twee onzijdige personen benoemd.

2.4 De man concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot alsnog afwijzing van de toegewezen vorderingen van de vrouw.

2.5 Uit de aantekening van de griffier op het vonnis van 15 juni 2015 volgt dat partijen in persoon dan wel bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg zijn verschenen. Artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering geeft aan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag van de uitspraak of indien de eiser in hoger beroep bij die uitspraak niet aanwezig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis aan hem volgens de wet is medegedeeld. Aangezien de man volgens de verklaring van de griffier op 22 juli 2015, meer dan dertig dagen na 15 juni 2015, hoger beroep heeft ingesteld, is dit niet tijdig geschied en is hij derhalve niet ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl.

2.6 Het Hof concludeert dat de man niet tijdig in appèl is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter d.d. 15 juni 2015 weshalve hij reeds op grond hiervan niet – ontvankelijk zal worden verklaard in het door hem ingestelde beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Verklaart de man niet – ontvankelijk in het door hem ingestelde appèl tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 15 juni 2015 (A.R.No. 14-2872).

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 april 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. J.R. Garib, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

DE STAAT SURINAME, met name de Ministeries van Regionale Ontwikkeling en van Openbare Werken, rechtspersoon, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, zetelende te diens Parkette te Paramaribo,

appellant,

gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 21 juni 2011 (A.R.no. 05-0986) tussen geïntimeerde als eiser in eerste aanleg en appellant als gedaagde in eerste aanleg, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant op 18 oktober 2011 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota overgelegd op 20 november 2015;

– het antwoordpleidooi overgelegd op 01 april 2016;

– het repliekpleidooi met een productie overgelegd op 03 juni 2016;

– het dupliekpleidooi en uitlating productie, met een productie, overgelegd op 05 augustus 2016;

– de conclusie tot uitlating productie overgelegd op 07 oktober 2016;

– de rechtsdag voor de uitspraak die is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (21 juni 2011) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig dan wel vertegenwoordigd. Appellant heeft eerst bij schrijven van zijn procesgemachtigde d.d. 04 juli 2011 appèl aangetekend, doch is voornoemd appèl bij schrijven van dezelfde procesgemachtigde d.d. vrijdag 14 oktober 2011, ter griffie ingekomen op dinsdag 18 oktober 2011, ingetrokken onder gelijktijdige aantekening van een nieuw appèl. Aan partijen is een afschrift van het vonnis waarvan beroep per griffiersbrief d.d. 15 september 2011 verzonden, zodat appellant het appèl in ieder geval uiterlijk 15 oktober 2011 moest hebben ingesteld.

2.2 Appellant voert aan dat hij de griffiersbrief op 13 oktober 2011 heeft ontvangen en daarom bij schrijven d.d. 14 oktober 2011 appèl heeft aangetekend.

2.3 Geïntimeerde stelt zich op het standpunt dat appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn appèl, omdat hij tardief is daarmee. Voorts voert geïntimeerde aan dat appellant niet heeft aangetoond dat hij de griffiersbrief op 13 oktober heeft ontvangen en indien appellant de griffiersbrief op 13 oktober 2011 zou hebben ontvangen – quod non – appellant de mogelijkheid had om verlenging van de termijn te vragen aan de Kantonrechter ex artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2.4 Appellant voert hiertegen aan dat hij tijdig appèl heeft aangetekend, nu hij de griffiersbrief op 13 oktober 2011 heeft ontvangen en bij schrijven d.d. 14 oktober 2011 opnieuw appèl heeft aangetekend, uitgaande van de dagtekening van de griffiersbrief, weshalve hij niet begrijpt dat hij te laat is daarmee en geen enkele behoefte had om verlenging van de termijn te vragen.

2.5 Geïntimeerde persisteert dat appellant tardief is en voert aan dat het hof zal moeten beslissen over de betreffende rechtsvraag.

2.6 Het hof stelt voorop dat het vaste rechtspraak en rechtspraktijk is dat de appèltermijn begint te lopen vanaf de dagtekening van de griffiersbrief, hetgeen uitdrukkelijk wordt vermeld op de griffiersbrief,waarbij in beginsel wordt uitgegaan van de verzendtheorie, dagtekening griffiersbrief, en niet van de ontvangsttheorie, dag van ontvangst door partijen, tenzij uit feiten en/of omstandigheden mocht blijken dat door toedoen van de griffier een partij de griffiersbrief niet tijdig had kunnen ontvangen en derhalve niet op de hoogte was c.q. op de hoogte had kunnen zijn van de uitspraak. Het hof stelt eveneens voorop dat het instellen van appèl voordat de griffiersbrief is verzonden in beginsel niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid, tenzij de andere partij daardoor in zijn/haar belangen wordt geschaad. Tevens wordt vooropgesteld dat voor de indiening van stukken ter griffie niet van belang is de dagtekening van het ingediend stuk, doch de aantekening van de griffier daarop van de datum waarop het stuk op de griffie is binnengekomen.

2.7 Naar het oordeel van het hof staat vast dat appellant (opnieuw) appèl heeft aangetekend op 18 oktober 2011 en niet op 14 oktober 2011 zoals hij stelt. Voorts heeft appellant – gelijk door geïntimeerde aangevoerd – naar het oordeel van het hof in ieder geval niet kunnen aantonen dat hij de griffiersbrief op 13 oktober 2011 heeft ontvangen en/of dat het aan de griffie gelegen is dat hij de griffiersbrief pas op 13 oktober 2011 zou hebben ontvangen. Eveneens staat vast dat appellant in ieder geval vóór 13 oktober 2011 op de hoogte was van de uitspraak, getuige het eerste appèl. Tenslotte overweegt het hof dat niet gesteld of gebleken is dat appellant zich in een overmachtssituatie bevond, waardoor het appèl niet tijdig kon worden ingediend. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot het oordeel dat appellant tardief is met zijn hernieuwde appèl aantekening, weshalve hij daarin niet kan worden ontvangen.

2.8 Appellant zal, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen, zoals begroot in de beslissing.

3. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1 Verklaart appellant niet-ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep.

3.2 Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 03 maart 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g.S.C.Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S.J. Lo Tam Loi namens advocaat mr. A.R. Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-1996-1

Hof van Justitie

17 mei 1996, G.R.13490

(Mrs. S. Gangaram-Panday, P.G. Wolff, K. Pultoo)

A. Appellant sub A

B. Appellant sub B,

beiden wonende te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E.C.M. Hooplot, advocaat, appellanten in Kort Geding,

tegen

A. [geïntimeerde sub A], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende in [district 2] aan [adres 1];

B. [geïntimeerde sub B], wonende in [district 2], door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld, mr. F. Kruisland, advocaat, geïntimeerden in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 5 januari 1996 tussen partijen gewezen en uitgesproken:

Ten aanzien van de feiten

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat: ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, geïntimeerde sub B in persoon, Direkteur van [geïntimeerde sub A] en in privé, appellant sub A in persoon, bijgestaan door hun respektieve raadslieden, advocaten mr. F. Kruisland en mr. E.C.M. Hooplot, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen – verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen na gehouden comparitie van partijen bepaaId, hun gemachtigden hebben verklaard, dat geen schikking is bereikt, waarna zij vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij al hetgeen bij tussenvonnis van 5 januari 1996 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat de bij dat tussenvonnis bevolen comparitie van partijen gehouden is op 26 januari 1996 en voortgezet is op 8 maart 1996, op welke laatste comparitie-zitting door de Rechter-Commissaris aan de partijen de problemen voorgelegd zijn die in dit geding aan de orde zijn en aan partijen gevraagd is om een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en die problemen met elkaar in alle rust te bespreken en met gebruikmaking van het gezonde verstand op te lossen en zich daarover uit te laten op de zitting van het Hof van 19 april 1996;

Overwegende, dat de geïntimeerden op die zitting van 19 april 1996 een schrijven d.d. 18 april 1996 van hun raadsman hebben overgelegd waarbij om nog twee maanden uitstel wordt verzocht omdat zij nog in beraad zijn omtrent implicaties en gevolgen die het ingaan op de vertogen van de Rechter-Commissaris kunnen hebben voor de onderneming van de geïntimeerde sub A en de wijze waarop die in positieve zin kunnen worden opgevangen, waartegen de procesgemachtigde van de appellanten bezwaar heeft gemaakt met te stellen dat de door het Hof voorgestelde algemene vergadering van aandeelhouders niet bijeengeroepen is en dat de geïntimeerde sub B, die direkteur is van de geïntimeerde sub A, bezig is de onderneming uit te hollen en daarom om vonniswijzing heeft verzocht, welke het Hof op heden heeft bepaald, daar het Hof-voorstel bedoeld was dat partijen gezamenlijk die implicaties zouden bezien om tot voor hen aanvaardbare oplossingen te geraken;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg en in hoger beroep (de stellingen van partijen, hun verklaringen ter gehouden comparities en overgelegde produkties) het navolgende – in zoverre hier van belang-rechtens tussen partijen vaststaat:

1. dat de navolgende personen aandeelhouders zijn in [geïntimeerde sub A], te weten:

a. [appellant sub A] voor 65 aandelen;

b. [persoon 1] voor 50 aandelen;

c. [appellant sub B] voor 50 aandelen;

d. [persoon 2] voor 65 aandelen;

e. [geïntimeerde sub B], ([geïntimeerde sub B, die tevens de enige direkteur is van [geïntimeerde sub A]) voor 60 aandelen en

f. [persoon 3] voor 60 aandelen, hetgeen in totaal 350 aandelen zijn;

2. dat niet zeker is of er een aandelenregister heeft bestaan en dat dat register in ieder geval niet te vinden is en er geen nieuw register aangelegd is;

3. dat gedagtekend 24 februari 1988 door [geïntimeerde sub B] de sub 1 genoemde aandeelhouders op de daarin vermelde adressen opgeroepen zijn tot het bijwonen van een algemene vergadering van aandeelhouders van de [naam], (afgekort [geïntimeerde sub A]), met als o.a. agendapunten (…) 2. Bespreking credit arrangement, (…), met vermelding van plaats en tijd, te weten De Surinaamse Bank N.V. Gravenstraat no. 26 en om 11.00 uur des v.m. op zaterdag [datum] en met vermelding aan de linkerbovenkant “Aangetekend”;

4. dat de geïntimeerde bij conclusie tot overlegging stukken d.d. 3 juni 1994 (in eerste aanleg) de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van 19 maart 1988 (zie sub 3) overgelegd hebben, waaruit blijkt dat op die vergadering aanwezig zijn geweest de sub 1 (boven) onder d, e en f genoemde aandeelhouders, terwijl de sub a, b en c aldaar genoemde aandeelhouders afwezig waren (zie die notulen pagina’s 1 en 2), waaronder de appellanten, terwijl tevens uit die notulen blijkt dat de aandeelhouder [persoon 2], opgeroepen op het [adres 2], opgemerkt heeft dat de overige aandeelhouders nooit bij de vorige vergaderingen uitgenodigd zijn;

5. dat die notulen slechts door de voorzitter getekend zijn en niet tevens door een door de voorzitter aangewezen aandeelhouder, commissaris of direkteur, die de notulen gehouden heeft, en dat uit die notulen niet blijkt dat die door de voorzitter en de notulist gearresteerd zijn (zie artikel 17 van de statuten van [geïntimeerde sub A]);

6. dat de appellanten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld hebben dat zij en de aandeelhouder [persoon 1] niet opgeroepen zijn voor de vergadering van 19 maart 1988, althans die oproeping hen nimmer bereikt heeft, welke oproep door de geïntimeerde sub B gedaan zou zijn op het [adres 3], en voor welke oproeping de Surinaamse Bank N.V. zou hebben zorggedragen en daar het aandelenregister ontbreekt (zie sub 2) ook niet na te gaan is of het bovenvermeld adres van die aandeelhouders ook het adres is als ingeschreven in dat register (zie artikel 18 van de statuten), of hun woonadres, omdat in de oproeping vermeld staat p/a; (per adres);

7. dat [geïntimeerde sub A] gevestigd is in [district 2] (zie artikel 1 van de statuten) en dat de inhoud van het agendapunt: ”Bespreking Credit Arrangement” niet ter inzage ten kantore van het vennootschap gelegd is, waarvan de aandeelhouders kennis zouden kunnen nemen en uitmaken dat punt tevens emissie van aandelen aan de Surinaamse Trustmaatschappij N.V. inhield, zoals uit dat arrangement d.d. 30 december 1987 blijkt (zie pagina 4 onder A van dat arrangement en artikel 15 van de statuten en artikel 86 van het Wetboek van Koophandel);

8. dat van de aandeelhoudersvergadering van 19 maart 1988 twee versies van de opgemaakte notulen ten processe overgelegd zijn bij conclusie d.d. 8 december 1995 door de appellanten, welke onderling verschillen vertonen en welke onweersproken alleen door de direkteur van [geïntimeerde sub A] ondergetekend zijn en niet tevens door de notulist (zie sub 5 boven);

9. dat van de algemene vergadering van aandeelhouders van 23 november 1993 een notarieel procesverbaal opgemaakt is door notaris mr. drs. P. Bisoen, waaruit blijkt:

a. dat de aandeelhouders [persoon 1] en [appellant sub B] voor die vergadering niet opgeroepen zijn, omdat hun aandelen terug zouden zijn in de portefeuille van [geïntimeerde sub A];

b. dat [appellant sub A] en de aandeelhouder [persoon 2] gesteld hebben nimmer de notulen van de vergadering van 19 maart 1988 ontvangen te hebben, die ook niet ter inzage gelegd zijn en dat de appellant sub A gesteld heeft niet voor de vergadering van 19 maart I988 opgeroepen te zijn geweest, waarop de voorzitter gezegd heeft dat de Surinaamse Bank N.V. hem bij aangetekend schrijven opgeroepen had, hetgeen hij bij die bank zou natrekken;

c. dat die notulen met 270 stemmen voor en 65 stemmen tegen goedgekeurd zijn, waarbij de geïntimeerde sub B als houder van 210 aandelen aan de stemming heeft deelgenomen, omdat hij 150 aandelen van de Surinaamse Trustmaatschappij N.V. zou hebben overgenomen;

10. dat in het bovengenoemde credit arrangement (zie sub 7 boven) op pagina 4 onder A de bijzondere voorwaarde was opgenomen: ”De niet geplaatste aandelen van Uw vennootschap ad nominaal Sf. 150.000,- zullen gedurende de looptijd van het krediet worden geplaatst bij de Surinaamse Trustmaatschappij N.V. Tenzij tussentijds andere regelingen worden getroffen (…) zullen deze aandelen na beëindiging van de kredietverlening wederom aan Uw vennootschap of aan de aandeelhouders worden overgedragen”, doch dat de Surinaamse Trustmaatschappij N.V. in strijd hiermede die 150 aandelen, waarover zij als zekerheidsstelling de beschikking gehad heeft, aan de geïntimeerde sub B, in privé, [geïntimeerde sub B] (de direkteur [geïntimeerde sub A]) overgedragen heeft (zie de akte van overdracht d.d. 18 juni 1993) en dus niet aan die vennootschap of aan alle aandeelhouders zoals in het arrangement was vastgelegd;

11. dat bij de sub 10 genoemde overdracht van aandelen artikel 8 van de statuten van [geïntimeerde sub A] niet in acht genomen is, dat voorschrijft welke procedure op straffe van nietigheid van de overdracht, in acht moet worden genomen bij zo’n overdracht;

12. dat de aandeelhouder [persoon 1] inmiddels kinderloos overleden is, zijn echtgenote achterlatende en dat de aandeelhouder [appellant sub B], inmiddels van echt gescheiden is, doch dat exacte gegevens omtrent die feiten niet bekend zijn;

Overwegende, dat de appellanten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerig de gronden hebben aangegeven voor het aanvechten van de besluiten van de algemene vergaderingen van aandeelhouders van 19 maart 1988 en van 23 november 1993 en dat uit boven als tussen partijen vaststaande aangenomen feiten blijkt, dat de besluiten van beide vergaderingen de toets van het bepaalde in artikel 101 van het Wetboek van Koophandel niet kunnen doorstaan en dat de appellanten terecht de tegenpartij van kwade trouw bij het nemen van die besluiten betichtigen, aangezien:

a. zij voor de vergadering van 19 maart 1988 niet op de statutair juiste wijze opgeroepen zijn doch per [adres 3], zonder dat het bekend is of dit adres toen hun woonadres geweest is of het adres dat bij de vennootschap geregistreerd (geweest) is en zonder dat de geïntimeerden na gemotiveerde betwisting door de appellanten dat die oproeping hen nimmer bereikt heeft, dit aannemelijk gemaakt hebben. Dat voorts daarvan (van die kwade trouw) blijkt uit het feit dat bij de oproeping niet tevens melding gemaakt is dat het krediet- arrangement (als agendapunt) tevens een emissie van aandelen inhield en aldus een belangrijke informatie aan hen onthouden is en voorts uit het feit dat toen de in [district 2] wonende aandeelhouder ([persoon 2]) die op die vergadering aanwezig was de mededeling deed dat hij en de niet aanwezige aandeelhouders niet voor de eerdere algemene vergaderingen van die vennootschap uitgenodigd waren, daarop geen acht geslagen is en de vergadering gewoon voortgang heeft gevonden, waarop verstrekkende besluiten genomen zijn;

b. voor de vergadering van 23 november 1993 twee aandeelhouders, waaronder de appellant sub B. door de geïntimeerden opzettelijk niet opgeroepen zijn om die bij te wonen om redenen als in de notulen (notarieel opgemaakt) van die vergadering vermeld is en de geïntimeerde sub B aan de stemming op die vergadering met 150 stemmen extra deelgenomen heeft, terwijl hij wist of behoorde te weten dat hij die aandelen in strijd met de statutaire bepalingen van die vennootschap verkregen had;

Overwegende, dat nu ook aan de uitgifte van die aandelen aan de Surinaamse Trustmaatschappij N.V gebreken kleven als boven overwogen is, ook deze nimmer houder van die aandelen geweest is en kon zij die dan ook niet overdragen aan de geïntimeerde sub B of aan wie dan ook;

c. dat door de geïntimeerden niet betwist is dat de besluiten van die vergaderingen niet aan de appellanten ter kennisneming gezonden zijn en ook niet dat die niet ten kantore van de vennootschap ter inzage gelegd zijn, waardoor zij daarvan kennis konden nemen.

Overwegende dat uit de tussen partijen vaststaande feiten en uit het bovenoverwogene met betrekking de emissie en overdracht van de 150 aandelen blijkt dat de grieven die de appellanten tegen de aangevochten beslissing van Kantonrechter in het Derde Kanton hebben aangedragen (zie pleidooi d.d. 21 april 1995) en die als hier aangehaald worden beschouwd, gegrond zijn en dat die beslissing dan ook zal worden vernietigd en recht zal worden gedaan als na te melden, met de veroordeling van de geïntimeerden, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten van beide instanties en met verlening van akte van rectificatie van de misslagen als door de appellanten bij de conclusie van repliek in eerste aanleg verzocht is, waartegen de geïntimeerden geen bezwaren hebben gemaakt;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in Derde Kanton, in kort geding gewezen van 8 juli 1994, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende in kort geding

a. Verleent de appellanten akte van rectificatie als verzocht bij conclusie van repliek in eerste aanleg;

b. Schorst alle besluiten die door de algemene vergaderingen van aandeeIhouders van de geïntimeerde sub A op 19 maart 1988 en op 23 januari 1993 genomen zijn, totdat in een door de appellanten en/of hun rechtsopvolgers in een binnen drie maanden na deze uitspraak aanhangig gemaakt bodemgeschil (zo die niet aanhangig is) daarover definitief zal zijn beslist;

c. Verbiedt [geïntimeerde sub B] zich als eigenaar te gedragen van de 150 aandelen op naam genummerd 351 tot en met 500 in [geïntimeerde sub A], totdat in een bodemgeschil over de rechtsgeldigheid over de emissie van die aandelen en de overdracht daarvan aan hem definitief is beslist, welk geding de appellanten en/of hun rechtsopvolgers, zo die nog niet aanhangig is, binnen drie maanden na deze uitspraak aanhangig zullen moeten maken;

d. Verbiedt de geïntimeerden [appellant sub B], te verhinderen zijn rechten als aandeelhouder van 50 aandelen in [geïntimeerde sub A] uit te oefenen.

Bepaalt als dwangsom het bedrag van Sf. 1000.000.–(een miljoen gulden) voor iedere keer dat de geïntimeerde in gebreke mochten blijken aan de veroordelingen sub C en sub D te voldoen;Wijst het meer of anders gevorderde af;

Veroordeelt geïntimeerden in de proceskosten zowel in eerste aanleg als hoger beroep aan de zijde van appellanten gevallen en begroot;

– in eerste aanleg op Sf. …

– in hoger beroep op f …

met in begrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van Sf. 1000,–;

Bepalend het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerden eveneens op Sf. 1000,–

SRU-HvJ-1976-1

Hof van Justitie

3 december 1976, G.R. 10520

(Mrs. O.E.G. van der Geld, mr. O.W. Abendanon en H.C.U.J. Huber)

[bedrijf], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres], advocaat Mr. C.R. Jadnanansing, appellante in conventie en in reconventie,

tegen

de Naamloze Vennootschap De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Domineestraat no. 11, advocaat Mr. H.R. Lim A Po, geïntimeerde in conventie en in reconventie,

De President spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton respectievelijk dd. 6 augustus 1974 en 5 augustus 1975 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton dd. 3 september 1975 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [bedrijf] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de Naamloze Vennootschap De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Domineestraat no. 11, gedaagde;

2. dat eiseres per 1 juli 1972 voor de tijd van drie jaren aan gedaagde heeft verhuurd, gelijk deze van gene heeft gehuurd het gedeelte van het pand, gelegen aan de Domineestraat no. 11 rechts van de ingang en groot omstreeks 5 X 8 meter en wel voor de tussen partijen overeengekomen huurprijs van ƒ 500,– per maand;

3. dat gedaagde reeds van 1 augustus 1972 geen huur heeft betaald, zodat zij thans aan eiseres verschuldigd is een bedrag van 5 X ƒ 500,– dat is gelijk aan ƒ 2.500,– (Tweeduizend vijfhonderd gulden);

4. dat gedaagde ondanks herhaaldelijk daartoe te zijn aangemaand, geweigerd heeft, althans in gebreke is gebleven om de achterstallige huurtermijnen te voldoen, zodat eiseres zich genoopt ziet tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan;

5. dat eiseres op grond van de door gedaagde gepleegde wanprestatie gerechtigd is ontruiming en schadeloosstelling in rechte van gedaagde te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, voorzover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

a. gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijke kwijting aan eiseres terzake voormeld te betalen de som van ƒ 2.500,– (Tweeduizend vijfhonderd gulden) met de wettelijke interessen hierover ad 6% ‘s jaars vanaf de dag van rechtsingang – dd. 29 december 1973 – tot aan die der voldoening;

b. de hiervoor sub 2 vermelde huurovereenkomst, wegens wanprestatie zijdens gedaagde ontbonden zal worden verklaard, alsmede gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn met alle zich daarin van harentwege bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en ter algehele en vrije beschikking van eiseres te stellen, met machtiging van eiseres om indien gedaagde in gebreke mocht blijven om binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn het verhuurde te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Macht;

c. gedaagde zal worden veroordeeld om te rekenen van 1 januari 1974 als schadeloosstelling maandelijks aan eiseres te betalen de som van ƒ 500,– (Vijfhonderd gulden) en wel zolang gedaagde in gebreke blijft het verhuurde te ontruimen; Kosten rechtens;

Overwegende, dat de Naamloze Vennootschap De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:

dat gedaagde ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door haar wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van haar aveu en onder aanbod van bewijs van haar stellingen door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, zij het onder protest tegen de gehoudenheid daartoe;

dat gedaagde kan erkennen van eiseres in huur te hebben het bij inleidend rekest aangeduid gedeelte van het pand aan de Domineestraat no. 11;

dat van 1 januari 1972 tot en met 30 juni 1972 de huurprijs uit kracht van een mondelinge overeenkomst tussen partijen bedroeg ƒ 300,– per maand en daarna ƒ 500,– uit kracht van een in augustus 1973 opgemaakte schriftelijke overeenkomst;

dat gedaagde de overeengekomen huurpenningen tot en met juli 1973 en derhalve belopende een bedrag van ƒ 8.300,– heeft betaald;

dat evenwel, blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde beschikking van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo dd. 3 augustus 1973, de wettelijke maximaal toelaatbare huurprijs voor het verhuurde ƒ 200,– per maand bedraagt, weshalve gedaagde tot en met februari 1974 aan eiseres had moeten betalen een bedrag van ƒ 5.200,–, hebbende gedaagde aldus een bedrag van ƒ 3.100,– aan eiseres teveel betaald, waarvan ƒ 1.400,– moet worden geacht te zijn gecompenseerd met de huurpenningen verschuldigd over de periode van augustus 1973 tot en met februari 1974;

dat de vordering van eiseres danook ongegrond is;

en voor eis in reconventie heeft gesteld:

dat eiseres de navolgende vorderingen tegen gedaagde wenst in te stellen:

1. Eiseres heeft terzake bij antwoord in conventie omschreven, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, van gedaagde per 1 maart 1974 als onverschuldigd betaald te vorderen een bedrag van ƒ 3.100,–;

2. Eiseres heeft, blijkens de hierbij overgelegde copieën van de desbetreffende facturen, in de periode van juni tot en met oktober 1973 aan gedaagde verkocht, gelijk gedaagde van eiseres heeft gekocht, vliegbiljetten tot een bedrag van ƒ 4.773,76, welk bedrag onbetaald is gebleven;

dat eiseres op grond van het voorgaande totaal van gedaagde te vorderen heeft een bedrag van ƒ 7.873,76 waarvan zij in der minne geen betaling kan bekomen, weshalve zij belang heeft dit in rechte te vorderen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conventie:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans deze haar zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen; Kosten rechtens;

en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld om terzake voorschreven aan eiseres te betalen het bedrag ƒ 7.873,76, vermeerderd met de wettelijke interessen daarover ad 6% ‘s jaars vanaf de dag van rechtsingang – dd. 19 februari 1974 – tot aan de voldoening; Kosten rechtens;

hebbende zij daarbij producties overgelegd;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd;

dat zij al hetgeen hierboven in conclusie is gesteld als hier woordelijk herhaald en geïnsereerd wenst te zien beschouwd;

dat zij op de hiervoor in conventie genoemde gronden ontkent dat eiseres een bedrag van ƒ 3.100,– onverschuldigd aan haar zou hebben betaald;

dat gedaagde erkent van eiseres vliegtickets tot een bedrag van ƒ 4.773,76 gekocht te hebben, doch dat dit bedrag nog niet opeisbaar is, daar tussen partijen een rekening-courant verhouding bestaat;

Overwegende , dat op deze gronden voor antwoord in reconventie is geconcludeerd, dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans dat deze haar zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen; Kosten rechtens;

en voor repliek in conventie heeft gepersisteerd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 6 augustus 1974 een comparitie van partijen heeft bevolen en de griffier heeft opgedragen, het dossier bekend onder A.R. No. 3200/1973, aangehaald in het 4e “dat” van de conclusie van repliek in conventie, bij het onderhavig geding te voegen;

Overwegende, dat nadat de comparitie geen voortgang had gehad, de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies na comparitie hebben genomen, waarvan de inhoud als hier geïnsereerd moet worden beschouwd, waarna de kantonrechter bij vonnis dd. 5 augustus 1975 heeft overwogen:

In conventie en in reconventie:

Voor zover thans van belang is tussen partijen als in confesso, rechtens komen vast te staan:

1. de gestelde huurovereenkomst met betrekking tot het litigieuze pand aan de Domineestraat no. 11 te Paramaribo, tegen een aanvankelijke huur van ƒ 300,– per maand, nader tegen een huur van ƒ 500,– per maand;

2. dat bij beschikking van de Districts-Commissaris van Paramaribo dd. 3 augustus 1973 no. 711 de maximale huur voor het pand is vastgesteld op ƒ 200,– per maand;

3. dat partij Surinaamse Luchtvaart Maatschappij mitsdien tot en met februari 1974 een bedrag van ƒ 3.100,– aan huur aan partij [bedrijf] teveel heeft betaald;

4. dat partij Surinaamse Luchtvaart Maatschappij vliegbiljetten aan partij [bedrijf] heeft verkocht tot een bedrag van ƒ 4.773,76;

5. partij [bedrijf] beroept zich op een tussen partijen in dit kantongerecht gevoerd geding, bekend onder A.R. 3200 van 1973, strekkende tot vernietiging van vorenbedoelde, hierboven onder 2 aangehaalde beschikking van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo;

Ons is bij ambtshalve inzage van gemeld procesdossier (A.R. 3200/1973) gebleken, dat op verzoek van partijen voormeld is geroyeerd op 18 juni 1974,

Op grond hiervan is de beschikking van voornoemde Distrikts-Commissaris van kracht gebleven en inmiddels onaantastbaar geworden,

De vorderingen van partij [bedrijf] dienen haar mitsdien als ongegrond te worden ontzegd, terwijl de vorderingen van partij Surinaamse Luchtvaart Maatschappij dienen te worden toegewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

eiseres haar vorderingen heeft ontzegd;

haar heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1,– (Een gulden);

en in reconventie:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 7.873,76 (Zeven duizend achthonderd drie en zeventig 76/100 gulden), met de rente hierover ad 6% ‘s jaars, vanaf 19 februari 1974 tot aan de dag der voldoening;

dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1,– (Een gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld procesverbaal [bedrijf] zowel in conventie als in rereconventie in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis dd. 5 augustus 1975;

Overwegend, dat bij exploit van deurwaarder A.Ch.Chr. Slaterus dd. 3 november 1975 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dag recht op stukken hebben gevraagd, waarna de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat nu de appellante in hoger beroep geen grieven tegen de vonnissen a quo heeft aangevoerd en het Hof zich met de beslissingen van de kantonrechter en de overwegingen, die tot deze beslissingen hebben geleid geheel kan verenigen, de vonnissen waarvan beroep behoren te worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep:

In conventie en in reconventie:

Bevestigt de vonnissen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 5 augustus 1975 tussen partijen gewezen waarvan beroep;

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep aan zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op ƒ nihil.

SRU-HvJ-1974-2

Hof van Justitie

6 december 1974, G.R. 10116

(Mrs. O.E.G. van der Geld, O.W. Abendanon en Dr. L.Th. Waaldijk)

[appellant], wonende te [district 1] aan [adres], advokaat Mr. H.R. Komproe, appellant,

tegen

[geïntimeerde] , wonende in het [district 2], advokaat Mr. C.R. Jadnanansing, geïntimeerde;

De President spreekt in deze zaak in naam der Koningin het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hofs Interlocutoir vonnis op 21 Juni 1974 tussen partijen gewezen;

Ten aanzien van de feiten

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis partijen in persoon ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte -als hier ingevoegd te beschouwen- afzonderlijke processen-verbaal staat gerelateerd; Overwegende, dat nadat geïntimeerde een als hier geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na comparitie had genomen, vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn interlocutoir vonnis van 21 juni 1974 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat nu de appellant ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen heeft erkend dat hij de litigieuze woning dringend voor eigen gebruik nodig had, in verband met plaatsing van zijn kinderen op scholen in [district 1], die niet in [district 2] waren, deze feiten rechtens vaststaan tussen partijen;

Overwegende, dat nu eveneens als onbetwist rechtens is komen vast te staan, dat de appellant de huurachterstand over de maanden oktober tot en met december 1973 en vijf huurtermijnen over 1974 niet aan de geïntimeerde heeft voldaan;

Overwegende, dat mitsdien de vordering van de geïntimeerde jegens de appellant tot ontruiming van de litigieuze woning als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is;

Overwegende, dat het vonnis waarvan beroep op grond van het hiervorenoverwogene met aanvulling der rechtsgronden behoort te worden bevestigd met dien verstande dat de datum van ontruiming wordt gesteld op 15 december 1974;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in Hoger Beroep:

Bevestigt met aanvulling der rechtsgronden het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 11 december 1973 met dien verstane dat de datum van ontruiming wordt bepaald op 6 januari 1975;

Veroordeelt de appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op ƒ 25,– met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden, pleidooi toegekende salaris van ƒ 25,– bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op ƒ25.–.

SRU-HvJ-1974-1

Hof van Justitie

21 juni 1974, G.R. 10116

(Mrs. O.E.G. van der Geld, O.W. Abendanon, dr. L.TH. Waaldijk)

[appellant], wonende te [district 1] aan [adres], advokaat Mr. H.R. Komproe, appellant,

tegen

[geïntimeerde] , wonende in het [district 2], advokaat Mr. C.R. Jadnanansing, geïntimeerde;

De President spreekt in deze zaak in naam der Koningin het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis dd. 11 december 1973 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton dd. 7 januari 1974 bevattende het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat hij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: [appellant], wonende te [district 1] aan [adres], gerekestreerde;

dat rekestrant aan gerekestreerde per 16 april 1973 heeft verhuurd, gelijk gerekestreerde van rekestrant heeft gehuurd: Het huis met erf gelegen te [district 1], aan [adres] zulks voor de huurprijs van ƒ 65,– per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

dat rekestrant, aan wie gemeld huis en erf op 16 april 1973 in eigendom werd overgedragen, gerekestreerde te kennen had gegeven dat de huur ten hoogste vier maanden zou duren, met welke voorwaarde gerekestreerde akkoord was gegaan;

dat de overeengekomen huurperiode mitsdien op 16 augustus is verstreken, maar gerekestreerde ondanks herhaalde aanmaningen weigert het gehuurde te ontruimen;

dat rekestrant, die gemeld huis en erf speciaal voor eigen gebruik gekocht heeft, daar hij voornemens is [district 2] te verlaten en dat hij zijn huis aldaar reeds verkocht heeft, thans in grote moeilijkheden is komen te verkeren;

dat twee kinderen van rekestrant onderwijs instellingen moeten bezoeken die niet in [district 2] aanwezig zijn, zodat rekestrant hen voorlopig in een internaat heeft moeten onderbrengen, hetgeen kosten met zich meebrengt, die hij gelet op zijn inkomen, nauwelijks kan dragen;

dat gerekestreerde bovendien de huur niet op tijd betaalt en dat hij ingebreke is gebleven met de betaling van de huur over de maanden augustus, september en oktober 1973, zodat hij thans aan rekestrant verschuldigd is een bedrag van 3 x ƒ 65,– = ƒ 195,–;

dat gerekestreerde, ondanks herhaaldelijk daartoe te zijn aangemaand geweigerd heeft althans ingebreke is gebleven om de achterstallige huurtermijnen te voldoen, zodat rekestrant zich genoodzaakt ziet tot het nemen van rechtsmaatregelen over te gaan;

dat rekestrant op grond van de door gerekestreerde gepleegde wanprestatie alsmede op grond dat hij door kennelijke nood gedwongen het verhuurde goed voor eigen gebruik nodig heeft, gerechtigd is ontruiming en schadeloosstelling in rechte te vorderen;

Overwegende dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Gerekestreerde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijke kwijting aan rekestrant te betalen de som van ƒ 195,– (eenhonderd vijf en negentig gulden) terzake voormeld met de wettelijke interessen hierover ad 6% ‘s jaars vanaf de dag der rechtsingang 13 oktober 1973 tot aan de voldoening;

II. De hiervoor sub 2 vermelde huurovereenkomst op grond van wanprestatie zijdens gerekestreerde en/of op grond dat rekestrant het verhuurde onroerend goed door kennelijke nood gedwongen voor eigen gebruik nodig heeft, ontbonden zal worden verklaard alsmede gerekestreerde zal worden veroordeeld om binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn het verhuurde onroerend goed met alle zich daarin van zijnentwege bevindende personen en goederen te ontruimen en ter algehele en vrije beschikking van rekestrant te stellen met machtiging aan rekestrant om indien gerekestreerde in gebreke mocht blijven om binnen de door de Kantonrechter te bepalen termijn het verhuurde te ontruimen de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de Sterke Macht;

III. Gerekestreerde zal worden veroordeeld om te rekenen van 1 oktober 1973 maandelijks aan rekestrant te betalen de som van ƒ 65,– (vijf en zestig gulden) en wel zolang gerekestreerde in gebreke blijft het verhuurde te ontruimen;

Verzoekende rekestrant de Kantonrechter tenminste toe te staan dat deze zaak op verkorte termijnen worde opgeroepen;

Alles met veroordeling van gerekestreerde in de kosten van het geding;

Overwegende dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg voor mondeling antwoord heeft gezegd:

dat hij de huurovereenkomst erkent;

dat hij niet achter is met betaling van de huur;

dat hij de huur via de Surinaamse Bank, per automatische giro betaalt;

dat hij de huur over de maanden augustus en september al heeft betaald en die van oktober aan eind van deze maand zal betalen;

dat hij 2 maanden nodig heeft om te verhuizen;

Overwegende dat de Kantonrechter bij vonnis van 1 december 1973 heeft overwogen:

dat waar eiser niet gemotiveerd heeft weergegeven dat gedaagde de huur over de maanden augustus en september 1973 heeft betaald, dit ten rechte is komen vast te staan;

dat nu gedaagde heeft erkend de huur over de maand oktober 1973 schuldig te zijn en niet heeft besproken dat eiser, het verhuurde dringend voor eigen gebruik nodig heeft, eiser’s vordering in voege als in het dictum te melden zal worden toegewezen;

Overwegende dat de Kantonrechter op deze gronden de in het inleidend verzoekschrift gestelde overeenkomst ontbonden heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld om op uiterlijk 15 januari 1974 het huis met erf gelegen aan [adres] met alle daarop of daarin van zijnentwege zich bevindende personen en goederen te ontruimen en ter algehele en vrije beschikking van eiser te stellen;

C. eiser heeft gemachtigd om, indien gedaagde ingebreke blijft het vermelde gehuurde te ontruimen, deze ontruiming zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de Sterke Macht;

D. gedaagde voorts heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ 65,–(vijf en zestig gulden) met de rente hierover ad 6% ‘s jaars, vanaf 13 oktober 1973 tot aan de dag der voldoening;

E. gedaagde heeft veroordeeld om zolang hij ingebreke blijft het vermelde gehuurde te ontruimen, maandelijks, te rekenen van 1 november 1973, aan eiser te betalen de som van ƒ 65,– (vijf en zestig gulden)

dit vonnis tot zover vermeld sub B tot en met E uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 41,– (een en veertig gulden);

Overwegende dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis d.d. 11 december 1973;

Overwegende dat bij exploit van deurwaarder W.C. Leysner dd. 31 januari 1974 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende dat de advokaten van partijen ten dienende dage – onder overlegging van produkties – de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht een comparitie van partijen te gelasten tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een vereniging, op welke comparitie partijen justificatoire bescheiden aan het Hof dienen over te leggen.

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Alvorens definitief te beslissen;

Gelast partijen ambtshalve om in persoon op vrijdag, 26 juli 1974 des voormiddags te half negen uur voor het Hof van Justitie te verschijnen tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een vereniging;

Wijst aan als Rechter-Commissaris voor wie deze comparitie zal worden gehouden de President van dit Hof:

Houdt elke verdere uitspraak aan;

SRU-HvJ-1971-1

HOF VAN JUSTITIE

16 juli 1971

[appellant], wonende in [district 1], appellant, advocaat J. Lachmon,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district 2], geïntimeerde., advocaat G.J.C. van der Schroeff.

Ten aanzien van de feiten

Eiser [appellant] stelde in prima dat hij aan gedaagde [geïntimeerde] een gebouw met de daaraan verbonden vergunningen en inventaris „zijnde dus het gehele bedrijf met goodwill”, waarin in het beneden gedeelte een café-restaurant en in het boven gedeelte een hotel-pension was gevestigd, had verhuurd tegen ƒ 325.– per maand.

Gedaagde antwoordde, dat de hoogst toelaatbare huurprijs van het gebouw door de D.C. op ƒ 98.45 plus ƒ 92.66 en de hoogst toelaatbare vergoeding voor het gebruik van de inrichting op ƒ 14.50, alles per maand was vastgesteld, zodat eiser niet meer dan ƒ 205.61 maandelijks mocht in rekening brengen. Eiser betoogde hiertegen, dat de vaststelling van de vergoeding voor het gebruik van een lopend bedrijf met goodwill buiten de competentie van de D.C. valt. De Kantonrechter in het Eerste Kanton verwierp in de rechtsoverwegingen van zijn tussenvonnis d.d. 21 juli 1970 deze stelling op grond dat ,,in der partijen. overeenkomst uitsluitend wordt gesproken over een gebouw met de daaraan verbonden vergunningen en inventaris, waaruit Wij slechts af kunnen leiden, dat eiser aan gedaagde een gebouw heeft verhuurd, dat, gelet op de aard der vergunningen, door gedaagde geëxploiteerd zou worden als hotel- annex restaurant enerzijds en anderzijds door gedaagde zou worden bewoond”. In het dictum van zijn tussenvonnis droeg de Kantonrechter aan gedaagde bewijs op omtrent een betaald voorschot. Bij eindvonnis d.d. 24 november 1970 wees de Kantonrechter eisers vordering slechts ten dele toe.

In het door eiser ingestelde hoger beroep beriep gedaagde – geïntimeerde, zich erop, dat – nu eiser niet tegen het tussenvonnis had geappelleerd – het Hof aan hetgeen daarin was overwogen, als hiervoren gereleveerd, was gebonden.

Het Hof overwoog:

Ten aanzien van het recht

O., dat nu in het dictum van het tussenvonnis in prima dd. 21 juli 1970 geen enkele eindbeslissing voorkomt, appellants hoger beroep – anders dan geïntimeerde meent – krachtens het bepaalde in art. 269 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering medebrengt, dat het Hof mede kennis neemt van en dient te oordelen over de in dat tussenvonnis aan de orde gestelde vragen;

O., dat als tussen partijen in confesso rechtens vaststaat, dat zij op 20 juli 1966 de overgelegde overeenkomst van die datum hebben gesloten;

O., dat appellant blijkens punt 2 dier overeenkomst het gebouw gelegen te [district 2] aan [adres], ,,met de daaraan verbonden vergunningen en inventaris” aan geïntimeerde met ingang van 1 augustus 1966 heeft verhuurd tegen een huurprijs van ƒ 325.– per maand;

O., dat uit de overgelegde beschikkingen van de Distrikts-Commissaris van [district] dd. 16 oktober 1968 [nummer 1] en [nummer 2] blijkt, dat de hoogst toelaatbare huurprijs van voormeld gebouw is vastgesteld op ƒ 98.45 plus ƒ 92.66 en de hoogst toelaatbare vergoeding voor het gebruik van het huisraad, de aankleding en inrichting op ƒ 14.50, in totaal ƒ 205,61, alles per maand;

O., dat appellant evenwel op het standpunt staat, dat hij niet enkel een gebouw met inventaris aan geïntimeerde heeft verhuurd, maar een lopend bedrijf met daaraan verbonden vergunningen en goodwill, vallende de vaststelling van de vergoeding daarvoor volgens appellant buiten de werkingssfeer van het Huurbesluit 1949 (G.B. 1949 nr. 127) en buiten de competentie van de Distrikts-Commissaris;

O. daaromtrent:

dat krachtens de artikelen 1 en 3 van genoemd Besluit is verboden voor het gebruik van een gebouw een vergoeding, onder welke naam ook, in rekening te brengen of te ontvangen, welke hoger is dan in die bepalingen aangegeven, terwijl volgens art. 2 van dat Besluit het voorts is verboden voor het gebruik van een gebouw voorzien van huisraad, aankleding of inrichting een vergoeding, onder welke naam ook, in rekening te brengen of te ontvangen, welke hoger is dan door de Distrikts-Commissaris is vastgesteld, bepalende lid 3 van laatstgenoemd artikel dat de Gouverneur richtlijnen kan geven voor de berekening van het door de Distrikts-Commissaris vast te stellen bedrag;

dat bij Resolutie van 8 maart 1950 nr. 1178 (G.A.B. 10 maart 1950 nr. 21) door de Gouverneur, ter uitvoering van art. 2 lid 3 van het Huurbesluit 1949, de bedoelde richtlijnen zijn vastgesteld in dier voege, dat de Distrikts-Commissaris het bedrag, dat jaarlijks voor huisraad, aankleding of inrichting van een gebouw berekend mag worden, bepaalt op 20% van de getaxeerde waarde van het huisraad, de aankleding of inrichting;

dat uit deze bepalingen volgt, dat de vaststelling van een vergoeding voor het gebruik van een gebouw met inrichting wel degelijk onder de werkingssfeer van her Huurbesluit 1949 en de competentie van de Distrikts-Commissaris valt;

dat blijkens punt 2 van der partijen overeenkomst dd. 20 juli 1966 appellant aan geïntimeerde als voormeld heeft verhuurd een gebouw met daaraan verbonden vergunningen en inventaris, terwijl in punt 3 enkel wordt gesproken van huur van de inventaris en het gebouw;

dat huur en verhuur van vergunningen als de onderhavige wettelijk niet is geoorloofd en uit punt 4 van der partijen contract dan ook blijkt, dat in feite de vergunningen niet door appellant aan geïntimeerde werden verhuurd, maar dat partijen overeenkwamen dat appellant zijn medewerking eraan zou verlenen dat de vergunningen op naam van geïntimeerde zouden worden overgeschreven;

dat onder deze omstandigheden aan der partijen overeenkomst van 20 juli 1966, waarin over goodwill niet wordt gerept, geen grond kan worden ontleend om aan te nemen dat de daarin belichaamde huur en verhuur niet onder de werking van het Huurbesluit 1949 zou vallen en aan de competentie van de Distrikts-Commissaris zou zijn onttrokken;

dat mitsdien het hier besproken standpunt van appellant moet worden verworpen;

O., dat waar appellant geen verdere grieven heeft aangevoerd en het Hof zich met het vonnis a quo kan verenigen, dit vonnis – zij het onder aanvulling van gronden – behoort te worden bevestigd;

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt onder aanvulling van gronden het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 24 november 1970 tussen partijen gewezen, waarvan beroep; enz.