SRU-K1-2024-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202400786
16 mei 2024

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. STICHTING GI JESI NA LELLIE (St. Gi Jesi);
B. STICHTING MARRON PLATFORM SURINAME (St. Marron platform);
C. VERENIGING ORGANISATIE VAN INHEEMSEN IN SURINAME (O.I.S.);
D. STICHTING KAMPOS SAMENWERKINGSVERBAND VAN TRIBALE VOLKEN IN SURINAME (St. Kampos);
E. [Eiser sub E], allen gevestigd of wonende te Paramaribo,
hierna gezamenlijk te noemen: “St. Gi Jesi e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “St. Gi Jesi, St. Marron platform, O.I.S, St. Kampos en [eiser sub E]”,
eisers,
gemachtigde: mr. A.C.A. Karg, advocaat,

tegen

A. STAAT SURINAME voornamelijk de ministeries van Grondbeleid & bosbeheer (GBB) en van Landbouw Veeteelt & Visserij (LVV). , in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gevolmachtigde van LVV: mevr. S. Nanda LL.B;
B. TERRA INVEST SURINAME & GUYANA NV,
gevestigd in het district Saramacca,
gemachtigde: mr. R.C. Ghogli, advocaat,
C. STICHTING KOVU & KIARA,
gevestigd in het district Wanica,
D. AGRICULTURE REINLAND NV,
gevestigd in het district Saramacca,
gemachtigde: mr. R.C. Ghogli, advocaat,
E. [NAAM], eenmanszaak
gevestigd in het district Wanica,
F. STICHTING TOGLIATTI VERMOGENSBEHEER,
G. SITCHTING GAZIANTEP VERMOGENSBEHEER;
H. STICHTING BRAEBURN APPLE, allen gevestigd in het district Wanica,
hierna gezamenlijk te noemen: “Staat e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “staat, Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn”,
gedaagden,

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 22 februari 2024 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 14 maart 2024;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van de staat in het bijzonder LVV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Terra invest NV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Reinland NV;
  • het tegen St. Kovu, [naam], St. Togliatti, St. Gaziantep en St. Braeburn verleent verstek.
  • de akte tot wijziging van de conclusie van eis, waarin St. Gi Jesi e.a. de gronden waarvan zij menen dat de bestemming wordt gewijzigd heeft aangegeven.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

St. Gi Jesi e.a. zijn organisaties die onder andere tot doel hebben de belangen te
behartigen van personen met een achterstand, tot slaaf gemaakten en inheemsen.
[eiser sub E] heeft een persoonlijk belang vanwege zijn inheemse achtergrond.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 St. Gi Jesi e.a. vorderen dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

a. de staat en Terra invest NV gelast om, binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zich te onthouden van gedragingen welke de strekking heeft wijziging van de bestemming van de onderstaande perceellanden:

  • groot 37046 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Maratakka- en de Nickerierivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCD;
  • groot 35194 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier en aan de noorderzijde van de weg naar west-Suriname, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKL;
  • groot 6533 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier ten westen van de Tibitirivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKLM;
  • groot 404,06 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Coppenamerivier en aan de noordzijde van de weg naar west-Suriname, nader aangeduid op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 15 mei 2023 met de letters ABCDE.

b. de staat verbiedt tot uitgifte in grondhuur van de omschreven perceellanden aan Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn tot in een bodemprocedure definitief over de rechtsgeldigheid van een dergelijke uitgifte beslist zal zijn.
c. de staat e.a. veroordeelt tot een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij weigeren of nalaten uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
d. de staat e.a. veroordeelt om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.
e. de staat e.a. veroordeelt in de kosten van het geding inclusief het liquidatietarief.

Subsidiair

a. de staat gelast om, binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zich te onthouden van gedragingen welke de strekking heeft wijziging van de bestemming van de onderstaande perceellanden:

  • groot 37046 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Maratakka- en de Nickerierivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCD;
  • groot 35194 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier en aan de noorderzijde van de weg naar west-Suriname, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKL;
  • groot 6533 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier ten westen van de Tibitirivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKLM;
  • groot 404,06 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Coppenamerivier en aan de noordzijde van de weg naar west-Suriname, nader aangeduid op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 15 mei 2023 met de letters ABCDE, totdat conform artikel 22 van de Milieu Raamwet de milieu effecten analyse zal zijn voltooid en informed consent zal zijn verkregen van de inheemsen en de in stam verband levende belanghebbenden.

b. de staat verbiedt tot uitgifte in grondhuur van de omschreven perceellanden aan Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn, dan wel het gebruik daarvan door hen of derden toe te staan, totdat conform artikel 22 van de Milieu Raamwet de milieu effecten analyse zal zijn voltooid en informed consent zal zijn verkregen van de inheemsen en de in stam verband levende belanghebbenden.
c. de staat e.a. veroordeelt tot een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij weigeren of nalaten uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
d. de staat e.a. veroordeelt om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.
e. de staat e.a. veroordeelt in de kosten van het geding inclusief het liquidatietarief.

3.2 St. Gi Jesi e.a. leggen aan hun vordering ten grondslag dat de staat voornemens is om 456.238 ha bos te bestemmen voor de landbouw en heeft ondanks de verstrekkende gevolgen van de bestemmingswijziging geen transparantie of openbaarheid van bestuur betracht door de volledige informatie en documentatie openbaar te maken of toe te lichten.

3.3 de staat, Terra Invest NV en Reinland NV hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 St. Gi Jesi e.a. stellen dat de staat voornemens is om 456.238 ha bos te bestemmen voor de landbouw en heeft ondanks de verstrekkende gevolgen van de bestemmingswijziging geen transparantie of openbaarheid van bestuur betracht door de volledige informatie en documentatie openbaar te maken of toe te lichten. De staat in het bijzonder LVV stelt dat zij onder andere als taak heeft het identificeren van grond dat geschikt is voor de landbouw. Dat LVV de bevoegdheid mist om grond uit te geven. Terra Invest NV en Reinland NV stellen dat zij, met in achtneming van de wettelijke regels en procedures, een aanvraag hebben gedaan tot het verkrijgen van het recht van grondhuur. Dat Terra Invest NV slechts beschikt over een bereidverklaring de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter uitoefening van de landbouw. Dat Terra Invest en Reinland NV geen landbouwactiviteiten ontplooien op voormelde grond. Dat zij thans bezig zijn invulling te geven aan de eisen die de Milieu Raamwet stelt en zich houden aan de terzake geldende procedures. Dat zij erkende rechten van de tribale volken wensen te eerbiedigen, mits deze groepen, door de wet en jurisprudentie, erkend zijn als te zijn in stam verband wonende tribale volken. Dat volgens de Tingi en Saramaka People v. Suriname vonnissen er stringente voorwaarden c.q. factoren worden gesteld voor het toekennen van collectieve rechten aan inheemsen en tribale volken op een bepaald grondgebied. Dat er geen wettelijke basis is voor collectieve rechten in Suriname, omdat er naar Surinaams recht geen sprake is van collectieve rechtspersoonlijkheid. Dat St. Gi Jesi e.a. geen binding hebben met de grond omdat zij verzuimd hebben over te leggen een aanvraag tot het verkrijgen van het recht van grondhuur of enige titel en moeten op die grond niet ontvankelijk worden verklaard. Dat St. Gi Jesi zich beroepen op artikel 4 van het Decreet Beginselen Grondbeleid, waarin is opgenomen dat bij het beschikken over domeingrond de rechten van in stamverband levende bosnegers en indianen op hun dorpen, nederzettingen en kostgronden geëerbiedigd moeten worden, voorzover het algemeen belang zich daartegen verzet. Dat onder het algemeen belang mede moet worden begrepen de uitvoering van een project in het kader van een goedgekeurde ontwikkelingsplan. Dat het ontplooien van landbouwactiviteiten geen ingrijpende gevolgen en of schadelijke risico’s voor het milieu met zich zal mee brengen. Dat het algemeen bekend is dat de levenswijze van de in stamverband levende volken, zoals het jagen, ontbossen, houtkap, veeteelt, landbouw en visvangst, om in hun levensbehoefte te voorzien, door het ontplooien van landbouwactiviteiten nadelige gevolgen zal ondervinden. Dat de door hen te ontplooien landbouwactiviteiten meer voordelen dan nadelen zal opleveren voor de ontwikkeling van Suriname als ook het creëren van werkgelegenheid voor deze in stamverband levende volken zoals is gebleken in de mijnbouwsector. Dat zij de inhoud van de kaart “massive planned deforestation in Amazon of Suriname” de dato januari 2024 omdat het slechts een kaart betreft en geen deskundige rapportage van een onafhankelijke deskundige. Dat de kaart niet betreft de conform de richtlijnen van de Milieu Raamwet of enig milieueffecten analyse (MEA) door de Nationale Milieu Autoriteit in de zin van artikel 2 van de Milieu Raamwet. Dat zij door St. Gi Jesi e.a. niet in gebreke zijn gesteld of aangemaand dan wel vooraf in kennis zijn gesteld van de kaart en St. Gi Jesi e.a. hen niet de gelegenheid hebben geboden om binnen een redelijke termijn nader onderzoek te doen. Dat de bereidverklaring welke aan Terra Invest NV is gegeven op 07 maart 2024 is verlopen.

4.2 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland NV dat St. Gi Jesi e.a. niet bevoegd zijn om vorderingen in te stellen voor de inheemsen en in stamverband levende volken omdat het Surinaams recht geen collectieve rechtspersoonlijkheid kent. De kantonrechter sluit aan bij de door het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten gehuldigde opvatting in het Samaaka v. Suriname vonnis waarin zij ten aanzien hiervan het volgende overwoog.

“At the current stage of the evolution of the Inter-American system for the protection of human rights, the empowerment of the alleged victims, their next of kin or representatives to submit pleadings, motions and evidence autonomously must be interpreted in accordance with their position as titleholders of the rights embodied in the Convention and as beneficiaries of the protection offered by the system. Nevertheless, there are certain limits to their participation in these proceedings, pursuant to the Convention and in the exercise of the Court’s jurisdiction. That is, the purpose of the representatives´ brief containing pleadings, motions and evidence is to give effect to the procedural attribute of locus standi in judicio that this Court has already recognized, in its jurisprudence, to the alleged victims, their next of kin or their representatives.”

4.3 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland NV dat St. Gi Jesi e.a. geen binding hebben met de grond omdat zij verzuimd hebben over te leggen een aanvraag tot het verkrijgen van het recht van grondhuur of enige titel. De kantonrechter volstaat met de herhaling van wat het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten heeft overwogen ten aanzien van de locus standi in judicio van de vertegenwoordigers van de inheemsen en in stamverband wonende volken.

4.4 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland dat zij niet in gebreke is gesteld of aangemaand dan wel vooraf in kennis zijn gesteld van de kaart en hen niet de gelegenheid is geboden om binnen redelijke termijn nader onderzoek te doen. De verplichting tot het betrekken van de tribale en in stamverband levende volken betreft een verplichting van de staat alvorens zij beslissingen neemt om enige vorm van economische activiteit in hun woongebied toe te laten. Het Free Prior Informed Consent principe uit het internationaal recht met betrekking tot inheemsen en tribale volken behelst de manier waarop de staat de inheemsen en tribale volken dient te betrekken in de besluitvorming, met betrekking tot activiteiten binnen hun woongebied. De inheemsen en tribale volken kunnen slechts op basis van gedegen informatie, de gebruikelijke processen van besluitvorming en vrije wil een weloverwogen besluit nemen of zij enige vorm van economische activiteit in hun woongebied toelaten. In die situaties waar er sprake is van een rechtstreeks belang voor de inheemsen en tribale volken binnen hun woongebied en waarbij aan personen vergunningen en/of concessies worden gegeven of besluiten worden genomen over het gebruik van hun woongebied, is de toestemming van de inheemsen en tribale volken vereist alvorens door de staat een besluit wordt genomen. In die gevallen waar het overheidsprojecten betreft opgenomen in door de volksvertegenwoordiging goedgekeurde beleidsprogramma’s moeten de inheemsen en tribale volken vooraf worden geconsulteerd alvorens enig recht aan derden wordt verleend.
Het feit dat de aan Terra Invest NV bij beschikking de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter
uitoefening van de landbouw verstrekte bereidverklaring reeds vervallen is, niet weg neemt dat de inheemsen of in stamverband levende volken een vordering tegen de staat kunnen instellen ter voorkoming dat de staat wederom ertoe overgaat om zonder aan haar verplichtingen tot consultatie van deze groepen te voldoen beslissingen neemt over de toekenning van het recht van grondhuur aan Terra Invest NV, op gronden waarin hun dorpen, kostgronden en jachtgebieden voorkomen en daarmee een bedreiging te vormen voor hun levenswijze en hun middelen van bestaan.

4.5 Het kort geding is bij uitstek het middel om een voorlopige voorziening te vorderen, in gevallen van verzuim van de staat om te voldoen aan haar verplichting tot consultatie van de inheemsen of tribale volken alvorens zij een besluit neemt over het gebruik van hun woongebied voor economische of andere activiteiten, welke activiteiten een impact kunnen hebben op hun leefwijze en middel van bestaan. In kort geding kan door St. Gi Jesi e.a. worden gevorderd hetzij een verbod op herhaling in de toekomst, hetzij tot herstel van een onrechtmatig verstoorde toestand. Niet gesteld noch gebleken is dat de staat alvorens een bereidverklaring af te geven aan Terra Invest NV bij beschikking de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter uitoefening van de landbouw, zij aan haar verplichting tot consultatie van de inheemsen dan wel de tribale volken in het Witagron gebied heeft voldaan, de staat zal worden veroordeeld om in de toekomst te voldoen aan haar consultatie verplichting van de inheemsen en tribale volken, ter verkrijging van een free informed consent, alvorens zij een beslissing neemt om het recht van grondhuur te verlenen aan derden in het woon- en jachtgebied van de inheemsen en tribale volken. De vordering van St. Gi Jesi om de staat te veroordelen om alvorens zij een beslissing neemt over het laten ontplooien van economische activiteiten in het woon- en jachtgebied van de inheemsen of tribale volken zij eerst informed consent moet hebben verkregen zal worden toegewezen.

4.6 De vorderingen tegen Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn zullen worden afgewezen nu het niet een verplichting tot consultatie van hen betreft voor het verkrijgen van informed consent.

4.7 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.8 De staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde St. Gi Jesi e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 50, – vastrecht, SRD 2.106, – kosten voor oproeping en SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief. Totaal SRD 9.656, – (negenduizend zeshonderd zesenvijftig Surinaamse dollar).

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het tegen Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn gevorderde,

5.2 veroordeelt de staat om, alvorens zij een besluit neemt om derden het recht van grondhuur te verstrekken om economische activiteiten in woon- en jachtgebieden van inheemsen en of tribale volken te ontplooien, deze te betrekken in de besluitvorming ter verkrijging van informed consent, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat de staat in gebreke blijft om te voldoen aan haar consultatie verplichting met een maximum van SRD 10.000.000, – (tienmiljoen Surinaamse dollar),

5.3 verklaart dit vonnis ten aanzien van het bepaalde in 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,

5.4 veroordeelt de staat in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van St. Gi Jesi e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 9.656, – (negenduizend zeshonderd zesenvijftig Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en ter
openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton
mr. S.M.M. Chu op donderdag 16 mei 2024 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-HvJ-2019-65

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

A-825

In de zaak van:

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. R.D. Neslo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid,
Afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG),
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. E. Danning, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoekster] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 17 oktober 2013;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 02 december 2013;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 december 2013, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 04 december 2013 is verlengd met zes weken;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 13 januari 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 15 januari 2014, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 15 januari 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift zijdens de Staat ingediend op 24 februari 2014; 
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 09 mei 2014, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 06 juni 2014;
  • het proces-verbaal van het op 06 juni 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat de dato 04 juli 2014;
  • de conclusie tot uitlating omtrent de door de Staat overgelegde stukken zijdens Naarden;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015 en vervolgens nader op 21 februari 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoekster] is per 16 juni 1977 in dienst getreden van het toenmalige Ministerie van Opbouw en tewerkgesteld bij het zogeheten Houtskoolproject;
2.2. [verzoekster] is per 1 januari 1980 overgeplaatst naar het Ministerie van Volksgezondheid, afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG), eerstens in de functie van schoonmaakster en later in de functie van telefoniste;
2.3. [verzoekster] heeft over de periode van haar tijdelijk dienstverband, gelegen tussen 16 juni 1977 en 31 juli 1980 pensioenrechten ingekocht en heeft daardoor vanaf 16 juni 1977 haar pensioenaanspraken opgebouwd;
2.4. [verzoekster] heeft in haar privé-leven nogal wat tegenslagen te verwerken gehad, hetgeen geleid heeft tot afwezigheid (het hof begrijpt: op de werkplek) wegens ziekte;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoekster] vordert –zakelijk weergegeven- dat de Staat zal worden veroordeeld om de dienstbetrekking met haar met terugwerkend te herstellen en aan haar de achterstallige bezoldiging, inclusief onder andere vakantietoelage vanaf de stopzetting daarvan aan haar uit te betalen. Voorts vordert zij veroordeling van de Staat om haar conform de FISO-bezoldiging in een vergelijkbare loongroep te doen inschalen:
3.2. [verzoekster] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar ziekteverzuim permanent middels doktersattesten gedekt waren. Desondanks werd zij bij hervatting van haar werkzaamheden door de Onderdirekteur Administratieve Diensten van het BOG namens de Direkteur van het BOG aangezegd vooruitlopend op een te nemen beslissing thuis te blijven. Zij heeft met klem tegen delen van de brief van de Direkteur van het BOG gericht aan de Direkteur van het Ministerie van Volksgezondheid gereageerd omdat zij nimmer ongeoorloofd heeft verzuimd en haar afwezigheid wegens ziekte altijd gedekt is geweest middels doktersattesten. Zij heeft zich nimmer ingevolge het bepaalde in artikel 42 van de Personeelswet in opdracht van of op verzoek van het BOG gedurende haar afwezigheid wegens ziekte, noch na haar herstel, aan een geneeskundige controle moeten onderwerpen. Na aanzegging in 2003 door de Direkteur van het BOG heeft zij zich overduidelijk en gemotiveerd wegens vermeend plichtsverzuim verweerd. Op voormeld verweer van haar is zijdens het Ministerie van Volksgezondheid, hoewel onterecht, nimmer zoals artikel 61 van de Personeelswet voorschrijft op schrift een tuchtstraf opgelegd doch heeft de leiding van het BOG het haar constant onmogelijk gemaakt haar werkzaamheden te continueren en zulks ondanks zij zich steeds aanmeldde om haar werkzaamheden te hervatten. Zij bleef door middel van brieven en bezoeken tevergeefs aan het BOG verzoeken haar werkzaamheden te mogen hervatten en kreeg zij in oktober/november 2004 op haar woonadres bezoek van het Hoofd Algemene Zaken van het BOG voor het in ontvangst nemen van een voor haar bestemde brief waarvan de inhoud niet werd medegedeeld. Zij heeft geweigerd de zojuist aangehaalde brief in ontvangst te nemen maar was daartoe op kantoor wel bereid om de dienstbrief, na over de inhoud daarvan geïnformeerd te zijn, in ontvangst te nemen. Zij beschikt niet over een ontslagbeschikking en voorzover die er mocht zijn heeft de Staat de voorgeschreven ambtelijke procedures niet in acht genomen;
3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het hof komt –voor zover nodig- daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 van de PW is het Hof van Justitie (hierna: het hof) optredende als gerecht in ambtenarenzaken slechts bevoegd om kennis te nemen van de navolgende vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald;

4.2. Hetgeen [verzoekster] heeft gevorderd valt naar het oordeel van het hof niet te categoriseren onder de limitatieve opsomming van voormelde wetsbepaling. Immers vordert [verzoekster]– kort gezegd -herstel van de dienstbetrekking met terugwerkende kracht en betaling van het achterstallig salaris alsmede inschaling in een vergelijkbare loongroep conform de Fiso-bezoldiging. Het hof heeft derhalve geen andere keus dan om – zoals de Staat terecht heeft aangevoerd – zich onbevoegd te verklaren om van het gevorderde kennis te nemen. Het daartoe strekkend verweer zijdens de Staat is derhalve gegrond gebleken;

4.3. Nu [verzoekster] door het in het onderhavige geding gebracht Certificaat van Onvermogen d.d. 30 april 2013 genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt niet bij machte te zijn de kosten van dit proces te bestrijden, zal het Hof het ter zake door haar gedaan verzoek inwilligend verstaan, dat haar is vergund ten deze kosteloos te procederen;

4.4. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen en zal beslissen als in het dictum te melden;

5. De beslissing
Het hof:

5.1. Verstaat dat aan [verzoekster] is vergund om ten deze kosteloos te procederen;

5.2. Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein       w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. R.D. Neslo, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2019-64

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-824

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te Amsterdam in Nederland,
thans tijdelijk verblijf houdende in Suriname,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: voorheen mr. S. Marica (wijlen), vervolgens mr. V.V.C. Piqué, advocaten,
thans mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: voorheen mr. A.R. Autar, thans mr. M.E. Danning, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 oktober 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 februari 2014 met producties;
  • de beschikking van het hof van 07 april 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 16 mei 2014, welk verhoor is verplaatst naar 18 juli 2014;
  • het proces-verbaal van het op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen; 
  • de pleitnota d.d. 03 oktober 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘antwoordpleitnota’;
  • de antwoordpleitnota, met een productie, overgelegd op 07 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘reactie pleitnota’;
  • de repliekpleitnota d.d. 21 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘dupliekpleitnota’;
  • het bij schriftelijke rolbeschikking d.d. 03 juni 2016 gelasten van een comparitie van partijen ter verkrijging van inlichtingen en/of beproeving van een minnelijke regeling;
  • het proces-verbaal van de op 05 mei 2017 gehouden comparitie van partijen;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de comparitie van partijen op 19 mei 2017 is voortgezet;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 01 december 2017, met producties;
  • het schrijven van mr. Piqué d.d. 18 mei 2018, waaruit blijkt dat hij zich als gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak heeft onttrokken;
  • de pleitnota tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 juli 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 december 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker] is op basis van een arbeidsovereenkomst met ingang van 01 december 2006 als chauffeur op de ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (Nederland) in dienst getreden van de Staat, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 650,- per maand conform de schaal verbonden aan de rang van ambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 6). Blijkens artikel VIII van deze overeenkomst is het dienstverband aangegaan voor de duur van een jaar, eindigende op 30 november 2007.

2.2 Artikel IX van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat deze door elk der partijen schriftelijk en per aangetekend schrijven zal worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand en voorts dat bij tussentijdse opzegging partijen een opzeggingstermijn van twee maanden in acht zullen nemen.

2.3 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2009 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Kraag-Keteldijk, L.Y., meegedeeld:
“Op 21 september 2007 werd ik ontboden door de kanselier Dhr. Nooitmeer die mij namens de ambassadeur mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werd beëindigd. Ik heb tot op heden geen brief ontvangen zoals mij dat werd toegezegd dat ik ontslagen ben. (…)
Tot mijn verbazing werd mijn salaris per 1 november 2007 stopgezet (…).
Ik verzoek u het daarheen te willen leiden dat ik mijn salaris met terugwerkende kracht alsnog mag ontvangen. Ik ga er nog steeds vanuit dat ik in dienst ben van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (…).”

2.4 Bij schrijven d.d. 20 juli 2011 is namens de waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Naar aanleiding van uw recentelijk verzoek met betrekking tot een mogelijke vordering uwerzijds bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt uw aandacht erop gevestigd dat deze aangelegenheid aan een beschouwing is onderworpen.
Aan u kan worden medegedeeld dat het onderzoek niet heeft uitgewezen dat er een dienstverband met u bestaat op grond waarvan aanspraken uwerzijds voortvloeien.”

2.5 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 11 januari 2012 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Lackin, W., meegedeeld:
“Ik heb mijn werk altijd tot volle tevredenheid verricht en was daarom zeer verrast toen ik op 21 september 2007 door de kanselier, de heer Nooitmeer, werd ik ontboden, die mij namens de ambassadeur zonder enige reden mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werden beëindigd. Tot op heden heb ik geen schrijven hieromtrent ontvangen, dan wel ontslag verkrijgen of een ontslagvergunning althans ontslagbeschikking ontvangen.
Tot mijn grote verbazing werd mijn salaris per 01 november 2007 stopgezet (…). Sindsdien heb ik diverse brieven verzonden naar het ministerie tot opheldering en doorbetaling van mijn salaris, helaas zonder succes. (…)
Gelet op het bovenstaande wordt u verzocht het daarheen te leiden dat ik mijn salaris sinds 01 november 2007 doorbetaald krijg, totdat de dienstbetrekking tenminste op richtige wijze is beëindigd.”

2.6 [Verzoeker] heeft bij schrijven van zijn toenmalige procesgemachtigde, mr. Marica, d.d. 02 april 2013 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken meegedeeld:
“Tot mij heeft zich gewend mijn client, de heer D.H. [verzoeker] die mij om juridische bijstand vroeg.
(…)
Op 21 september 2007 werd client ontboden door de Kanselier Nooitmeer die hem mede deelde dat zijn werkzaamheden beëindigd waren zonder enig opgaaf van redenen. En per 1 november 2007 werd zijn salaris stopgezet ook zonder redenen.
Client heeft vele malen geprobeerd de zaak minnelijk op te lossen het laatst op 11 januari 2012 per schrijven aan u gericht zonder enig bericht uwerzijds.
(…)
Gaarne verneem ik van u per ommegaande wat de rechtspositie van client is en bij welke funktionaris hij zich moet aanmelden.
Indien ik geen voor client bevredigend bericht van u mocht ontvangen heb ik opdracht om na zeven dagen van ontvangst van dit schrijven de rechter te adiëren.”

2.7 Op het schrijven d.d. 02 april 2013 is geen reactie van de minister ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker];
B. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen zijn loon over de afgelopen tien maanden, zijnde in totaal SRD 6.500,-;
C. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] per maand te betalen zijn loon ad SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) vanaf ultimo april 2013 en voorts voor iedere maand SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op 21 september 2007 heeft de kanselier, dhr. Nooitmeer, [verzoeker] mondeling meegedeeld dat zijn werkzaamheden beëindigd waren per 01 november 2007 zonder opgaaf van redenen. Het salaris van [verzoeker] werd per laatstgenoemde datum niet meer uitbetaald. Bij schrijven noch bij beschikking is een reden voor zijn ontslag opgegeven. Door het uitblijven van enige reactie van de minister op het in 2.6 vermeld schrijven, heeft de Staat in strijd gehandeld met het beginsel van correcte bejegening, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en het beginsel van deugdelijke besluitvorming. Op grond van deze beginselen is sprake van willekeur zijdens de Staat, hetgeen verboden is. De Staat handelt onrechtmatig jegens [verzoeker], als gevolg waarvan [verzoeker] schade lijdt in de zin van loonderving.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoeker], inhoudende dat de Staat aan [verzoeker] zal betalen het loon over tien maanden, in totaal SRD 6.500,-, met de aantekening dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 november 2007 van rechtswege is geëindigd overeenkomstig artikel VIII van genoemde overeenkomst. [Verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.2 Het hof constateert dat de Staat abusievelijk niet in de gelegenheid is gesteld om te dupliceren. De Staat zal evenwel niet alsnog daartoe in de gelegenheid worden gesteld, nu de Staat, gelet op het in 4.4.2 overwogene, naar het oordeel van het hof, daardoor niet in zijn belang wordt geschaad.

Bevoegdheid
4.3.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 van de Personeelswet (Pw). Deze wet is dan ook op [verzoeker] van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.3.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Het in 3.1 onder A gevorderde, te weten de verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [Verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder B en C gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het besluit om vanaf november 2007 geen salaris aan [verzoeker] te betalen. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit deel van het gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.4.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer, naar het hof begrijpt, aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] pas in oktober 2013 een vordering heeft ingesteld, terwijl de Staat [verzoeker] reeds op 20 juli 2011 in kennis had gesteld van zijn besluit.

4.4.2 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 2 sub b Pw een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat een genomen besluit, in casu het besluit tot stopzetting van de betaling van het loon aan [verzoeker], ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[Verzoeker] heeft bij pleitnota terecht gesteld dat de Staat op 20 juli 2011 (zie 2.4) geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot het dienstverband. De Staat heeft echter reeds bij zijn verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] op 08 november 2007 door de toenmalige ambassadeur is bericht dat zijn dienstbetrekking met de Staat ingaande 01 oktober 2007 was beëindigd en dat hij vanaf laatstgenoemde datum derhalve geen salaris meer zal ontvangen.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat [verzoeker] op 21 september 2007 was meegedeeld dat zijn werkzaamheden zouden worden beëindigd per 01 november 2007, dan wel dat hij op 08 november 2007 in kennis is gesteld van het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris. [Verzoeker] heeft gesteld dat zijn salaris vanaf november 2007 niet meer werd betaald. Het hof overweegt dat [verzoeker] derhalve reeds in december 2007 had kunnen constateren dat het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris daadwerkelijk was genomen. Nu [verzoeker] pas op 11 oktober 2013 – na bijna 6 jaren – zijn vordering bij het hof heeft ingesteld, is hij daarin tardief, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het gevorderde in 3.1 onder B en C. Het daartoe strekkend verweer slaagt.
Het hof gaat voorbij aan het betoog van [verzoeker], kort gezegd, dat de Staat gehouden was hem voor te houden dat er een beperkte termijn geldt voor het instellen van een vordering bij het hof, nu dit betoog is gedaan bij pleitnota tot uitlating producties – het laatste processtuk – en de Staat geen gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Ten overvloede wordt overwogen dat voormeld betoog, ook al had het hof dat wel betrokken bij zijn beslissing, [verzoeker] niet kan baten en wel om de volgende reden. Anders dan [verzoeker] meent, brengt geen enkel algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de door hem bedoelde verplichting van de Staat met zich mee. Een andere opvatting zou meebrengen dat iedere landsdienaar die tardief is met het instellen van een vordering tegen de Staat en die zich niet op overmacht ex artikel 80 lid 4 Pw kan beroepen, zich met vrucht zou kunnen beroepen op de omstandigheid dat de Staat hem niet in kennis heeft gesteld van de in artikel 80 Pw genoemde termijn voor het instellen van een vordering bij het hof. Dit betekent dat deze termijn, welke van openbare orde is, zou verworden tot een dode letter.

4.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof niet toe.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde in 3.1 onder A.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder B en C.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door mr. K.J. Kraag-Brandon namens mr. J. Kraag, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens
mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2019-63

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-820

In de zaak van

[Verzoeker], ten rechte geheten [verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 03 februari 2017.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • het proces-verbaal van het op 03 maart 2017 gehouden getuigenverhoor zijdens de Staat;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 21 juli 2017 waaruit blijkt dat [verzoeker] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 februari 2018, doch nader op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen.

2.2 Bij ongedateerde akte van rectificatie, overgelegd ter terechtzitting van 07 februari 2014, heeft [verzoeker] verzocht dat in het verzoekschrift in stede van [VERZOEKER], zal worden gelezen [VERZOEKER]. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoeker] ter zake daarvan akte zal worden verleend.

2.3 Een vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag vanaf welke dag [verzoeker] kennis droeg van het ontslagbesluit. Bij het tussenvonnis van 03 februari 2017 is de Staat toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis had van het ontslagbesluit.

2.4 De Staat heeft als productie 1 bij zijn verweerschrift overgelegd een door de onderinspecteur van politie Heinze, Lloyd F.J. (hierna: Heinze) opgemaakt resumé d.d. 26 november 2013, waarin laatstgenoemde, kort gezegd, het volgende heeft vermeld. Op maandag 13 mei 2013 heeft Heinze zich samen met brigadier van politie Baboeram, I. (hierna: Baboeram) begeven naar de woning van [verzoeker] teneinde een voor [verzoeker] bestemde envelop, met daarin de ontslagbeschikking, aan hem uit te reiken. [Verzoeker] was niet thuis en zijn broer [naam] heeft voormelde envelop in ontvangst genomen. Heinze heeft in tegenwoordigheid van Baboeram aan voormelde broer van [verzoeker] gevraagd om aan [verzoeker] door te geven dat hij zo gauw mogelijk contact moest opnemen met de afdeling Interne Tuchtzaken. De volgende dag, dinsdag 14 mei 2013, heeft [verzoeker] inderdaad telefonisch contact gemaakt met bovengenoemde afdeling, waarbij Heinze hem te woord heeft gestaan. [Verzoeker] heeft toen bevestigd de ontslagbeschikking te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben genomen. Hij vroeg wanneer het ontslag zou ingaan. Heinze heeft hem toen meegedeeld dat het ontslag ingaat op de dag volgende op die waarop [verzoeker] van de ontslagbeschikking kennis heeft genomen. [Verzoeker] heeft Heinze vervolgens te kennen gegeven dat hij het heeft begrepen.

2.5.1 Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft de Staat twee getuigen, te weten Heinze en Baboeram, doen horen. Ter gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor heeft Heinze hetgeen hij in voormeld resumé heeft vermeld, bevestigd. Heinze heeft tevens verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat hij met [verzoeker] zelf heeft gesproken. Hij heeft de stem van [verzoeker] kunnen herkennen, omdat hij vaker met hem in contact is geweest. [Verzoeker] is namelijk vaker op de afdeling Interne Tuchtzaken geweest, alwaar Heinze toen werkzaam was, aldus Heinze. Volgens Heinze heeft hij [verzoeker] vaker ontmoet en gesproken, ook over straat. Heinze heeft ten slotte verklaard dat de stem van [verzoeker] verschilt met die van zijn broer.

2.5.2 Ook Baboeram heeft ter gelegenheid van gehouden getuigenverhoor de inhoud van voormeld resumé bevestigd. Baboeram heeft daarbij, zakelijk weergeven, tevens het volgende verklaard. Op de dag volgende op die waarop Heinze en Baboeram de envelop met daarin de ontslagbeschikking hadden afgegeven aan de broer van [verzoeker] op het adres van [verzoeker], waren zij, Heinze en Baboeram, op de afdeling Interne Tuchtzaken aanwezig. Baboeram begreep op een gegeven moment van Heinze dat hij aan de telefoon was met [verzoeker]. Baboeram heeft het gesprek gevolgd. Tijdens het gesprek noemde Heinze de naam van [verzoeker]. Baboeram hoorde Heinze telefonisch doorgeven dat het ontslag zou ingaan de dag nadat kennis was genomen van de ontslagbeschikking.

2.5.3 Het hof acht de Staat geslaagd in het bewijs. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het hof acht de door Heinze en Baboeram onder ede afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat daarvan overigens zij, dat hij zich, ten tijde van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer, in het binnenland bevond en hij dientengevolge van voormelde afgifte niet op de hoogte was en derhalve geen contact kon hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag. Immers, het zich in het binnenland bevinden brengt, gezien de ontsluiting van grote delen van het binnenland op het gebied van de telecommunicatie, niet automatisch mee dat [verzoeker] niet telefonisch bereikbaar was voor zijn broer en dat [verzoeker] geen telefonisch contact had kunnen maken met de afdeling Interne Tuchtzaken. In het licht van de verklaringen van Heinze en Baboeram, had het op de weg van [verzoeker] gelegen om tegenbewijs aan te bieden, met name dat hij zich, op de dag van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer en de dag waarop hij telefonisch contact zou hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken, in het binnenland bevond en wel op een plek waar hij verstoken was van elke vorm van communicatie met de buitenwereld. [Verzoeker] heeft dit echter nagelaten en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat bewezen is dat [verzoeker] op 14 mei 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag en derhalve dat hij op voormelde datum kennis droeg van het ontslagbesluit.

2.6 Nu [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis droeg van het ontslagbesluit en hij de vordering strekkende tot nietigverklaring van dit besluit op 03 september 2013, derhalve meer dan een maand na 14 mei 2013, bij het hof heeft ingesteld, dient hij daarin op grond van artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft en dat dientengevolge de grondslag aan het mede gevorderde, te weten: de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang, met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest, alles onder verbeurte van een dwangsom, is komen te ontvallen, zodat dit dient te worden afgewezen.

3. De beslissing

Het hof:

3.1 Verleent aan [verzoeker] akte van rectificatie als verzocht.

3.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

3.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein               w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Koendan namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2019-62

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-818

In de zaak van

[Verzoeker],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster] ”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met een productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 19 augustus 2013;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 11 november 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 januari 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota, met een productie, d.d. 07 maart 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 04 april 2014;
  • de repliekpleitnota, met een productie, d.d. 02 mei 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 06 juni 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is op 17 april 2000 in dienst getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie. Zij is thans in vaste dienst bij de afdeling Algemene Dienst van voormeld ministerie.

2.2 [Verzoekster] is te rekenen van 01 juni 2008 bevorderd tot agent van politie 2e klasse.

2.3 [Verzoekster] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. no. [kenmerk 1] (hierna ook: de bevorderingsbeschikking) te rekenen van 01 juni 2011 bevorderd tot agent van politie 1e klasse. Daartoe is onder meer overwogen dat [verzoekster] gunstig is beoordeeld en dat zij voldoet aan de criteria zoals vastgesteld in artikel 48 van het Reglement Algemene Politie.

2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie no. [kenmerk 2] (hierna ook: de intrekkingsbeschikking), is besloten de bevorderingsbeschikking in te trekken en [verzoekster] weer aan te stellen als agent van politie 2e klasse, te rekenen van de dag waarop dit besluit tot haar kennis wordt gebracht. Daartoe is overwogen:
“- dat de Agent van Politie [VERZOEKSTER] (…) bij beschikking de dato 17 januari 2012 just. no. [kenmerk 1] te rekenen van 1 juni 2011 is bevorderd tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat er abusievelijk een bevorderingsbeschikking voor mej. [VERZOEKSTER] is opgemaakt tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat mej [VERZOEKSTER] was overgeplaatst naar het Ministerie van Regionale Ontwikkeling in de periode 26 april 2010 tot en met 01 oktober 2010 en dus een diensttijdonderbreking heeft gehad;
– dat mej. [VERZOEKSTER] aan een ernstige slaapstoornis lijdt;
– dat betrokkene als gevolg van haar ziektebeeld slechts met administratieve werkzaamheden wordt belast en niet van een dienstvuurwapen wordt voorzien;
– dat de beoordeling waarop de bevordering gebaseerd is, onjuist is bevonden;
– dat betrokkene niet voldoet aan de eisen van benoembaarheid vastgesteld in artikel 48 lid 5 van het Reglement Algemene Politie en de betreffende bevorderingsbeschikking dient te worden ingetrokken.”

2.5 [Verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, na rectificatie van het petitum, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de intrekkingsbeschikking, waarbij de Staat de beschikking tot bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse heeft ingetrokken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Staat in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 3 van de Personeelswet (Pw) de bevorderingsbeschikking heeft ingetrokken.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 [Verzoekster] heeft bij pleitnota akte van rectificatie verzocht, in die zin dat in het petitum van het verzoekschrift in stede van ‘agent van politie 2e klasse’ zal worden gelezen: agent van politie 1e klasse. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoekster] ter zake daarvan akte zal worden verleend, zoals reeds in 3.1 tot uitdrukking is gebracht.

Bevoegdheid
4.2.1 Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.2.2 De vordering van [verzoekster] strekt tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse, en weder aanstelling van [verzoekster] als agent van politie 2e klasse. [Verzoekster] heeft aan deze vordering een dwangsom gekoppeld. Voormeld besluit behelst naar het oordeel van het hof de verlaging van de rang van [verzoekster] van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw dan ook bevoegd om van het gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.3 Op grond van artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 2 sub b Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit tot verlaging van rang niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [Verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen. Nu zij het verzoekschrift op 19 augustus 2013 heeft ingediend, derhalve binnen de termijn van een maand, is zij ontvankelijk in haar vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit behelzende de verlaging van haar rang van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse.

4.4.1 Partijen twisten onder meer over de vraag of de bevorderingsbeschikking aan [verzoekster] is uitgereikt of niet. [Verzoekster] heeft gesteld dat de bevorderingsbeschikking aan haar is uitgereikt, terwijl de Staat, naar het hof begrijpt, heeft aangevoerd dat bedoelde uitreiking nimmer heeft plaatsgevonden zodat het besluit tot de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse niet formeel te harer kennis is gebracht en [verzoekster] zich ook niet daarop kan beroepen.

4.4.2 Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoekster], die niet door de Staat zijn weersproken, dat zij de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft ontvangen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [verzoekster] in de rang van agent van politie 1e klasse op de ‘Ranglijst KPS Politiepersoneel 2013’ nog voorkomt onder [nummer]. Op grond van het voorgaande wordt [verzoekster] geacht kennis te hebben genomen van het besluit tot haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. In dit licht kan het naar het oordeel van het hof in het midden blijven of de bevorderingsbeschikking al dan niet aan [verzoekster] is uitgereikt. Voor zover de Staat een andere mening is toegedaan, gaat hij uit van een onjuist standpunt.

4.5.1 Ingevolge artikel 24 lid 1 en 2 Pw kan het bevoegde gezag een ambtenaar, die daarvoor op grond van zijn geschiktheid, bekwaamheid, betrouwbaarheid en ervaring in aanmerking komt, tot een hogere rang bevorderen en worden nadere algemene vereisten voor bevordering bij staatsbesluit vastgesteld.
De Staat heeft aangevoerd dat [verzoekster] abusievelijk is bevorderd tot agent van politie 1e klasse te rekenen van 01 juni 2011. De Staat heeft daartoe onder meer verwezen naar de redenen vermeld in de, hierboven in 2.4 genoemde, intrekkingsbeschikking, waaronder het niet voldoen van [verzoekster] aan de in artikel 48 lid 6 van het Reglement Algemene Politie genoemde vereisten voor benoeming tot agent van politie 1e klasse – [verzoekster] heeft volgens de Staat niet vier jaren gediend in de rang van agent van politie 2e klasse noch ten minste twee jaren daarvan gediend buiten de gewesten Paramaribo en Suriname (Wanica) – en het lijden van [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis, te weten narcolepsie, als gevolg waarvan het dienstwapen van [verzoekster] werd ingenomen en [verzoekster] uiteindelijk slechts werd belast met administratieve werkzaamheden. Nu voormelde bevordering abusievelijk heeft plaatsgevonden, is deze conform wet en recht teniet gedaan middels de intrekkingsbeschikking, aldus de Staat.

4.5.2 De bevoegdheid tot intrekking van een besluit tot bevordering van een ambtenaar is neergelegd in artikel 24 lid 3 Pw. Dit artikel schrijft voor dat een besluit tot bevordering, nadat dit ter kennis van de ambtenaar is gebracht, niet meer wegens strijd met een bepaling, vastgesteld bij of krachtens de voorgaande leden van dit artikel, kan worden ingetrokken of buiten werking gesteld.
Het hof is van oordeel dat, gelijk [verzoekster] heeft betoogd, het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking in strijd met artikel 24 lid 3 Pw is genomen. Dit besluit is immers genomen nadat [verzoekster] reeds kennis droeg van haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. Het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking komt derhalve reeds wegens strijd met voormelde bepaling voor nietigverklaring in aanmerking. Daarbij komt dat de Staat pas elf maanden na de bevordering van [verzoekster] is overgegaan tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, overigens zonder voor het lange tijdsverloop een verklaring te geven. Voorts is [verzoekster], naar zij ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken heeft gesteld, voorafgaand aan de intrekking van de bevorderingsbeschikking niet door de Staat gehoord. Verder is gesteld noch gebleken dat [verzoekster] voorafgaand aan vorenbedoelde intrekking ten minste van het voornemen van de Staat daartoe op de hoogte is gesteld. Daarenboven staat als onweersproken in rechte tussen partijen vast dat [verzoekster] gedurende twee jaren met de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft rondgelopen, terwijl de Staat niet heeft aangevoerd dat hij op enig moment voormelde onderscheidingstekens vanwege de naar zijn mening onterechte bevordering van [verzoekster] heeft teruggenomen en zulks ook niet anderszins is gebleken.
Aan het oordeel van het hof dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, doen niet af de door de Staat aangevoerde en in de intrekkingsbeschikking opgesomde redenen tot ongedaanmaking van de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse.

4.6.1 [verzoekster] heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Staat heeft daartegen aangevoerd dat [verzoekster] weet dat zij niet voldoet aan de vereisten voor haar benoeming tot agent van politie 1e klasse en dus ook weet dat zij geen aanspraak maakt op de bevordering, zodat er van een daartoe strekkend gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake kan zijn.

4.6.2 Nu is overwogen dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, kan een bespreking van het beroep van [verzoekster] op het vertrouwensbeginsel achterwege blijven.

4.7 Uit hetgeen hierboven in 4.5.2 is overwogen volgt dat de vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, zal worden toegewezen.

4.8 De mede gevorderde dwangsom is niet gekoppeld aan het verder achterwege laten van een besluit of handeling dan wel het voortzetten of herhalen van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, zodat deze ingevolge artikel 79 lid 1 sub c van voormelde wet als ongegrond zal worden afgewezen.

4.9 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal eveneens worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.10 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.11 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verleent aan [verzoekster] akte van rectificatie als verzocht, zoals overwogen in 4.1 van de beoordeling.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie no. [kenmerk], vervatte besluit tot intrekking van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. no. [kenmerk], waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 19 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein          w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat
mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door
mr. R. Gravenbeek namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-61

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-809

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: l.D. Kanhai BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2013;
  • het verweerschrift ingediend op 27 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot aanbieding van aanvullende processtukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 21 februari 2014;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 04 april 2014;
  • de pleitnota d.d. 02 mei 2014;
  • de antwoordpleitnota overgelegd op 06 juni 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 18 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota, met producties, overgelegd op 15 augustus 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als: reactie op pleitnota;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 21 november 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 april 2015, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is omstreeks 2001 in dienst getreden bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk in vaste dienst bij het KPS in de rang van agent van politie 1e klasse.

2.2 [verzoeker] heeft in de ochtend van 11 mei 2012 meerdere schoten met zijn dienstvuistvuurwapen afgevuurd op de woning van zijn directe chef, de inspecteur van politie 3e klasse [naam] (hierna: [naam]). [verzoeker] is hiervoor strafrechtelijk vervolgd.

2.3 [verzoeker] is blijkens het strafdossier no. 91/2012 van de afdeling OPZ wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70 jo 69, 347 jo 70 jo 69, 414, 345 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht, ingaande 11 mei 2012 bij beschikking van de toenmalige waarnemend korpschef, H.A. Tjin Liep Shie, te rekenen van even vermelde datum buiten functie gesteld en op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.

2.4 [verzoeker] is op 12 december 2012 in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het op 10 januari 2013 gehouden korpsrapport mondeling verweer gevoerd.

2.5 Bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 11 maart 2013, Justitie no. J.13/02769, K.A. no. 1300/13 (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst opgelegd. Daartoe is onder meer overwogen:

“(…);

dat de agent van politie 1e klasse [verzoeker], op dinsdag 08 mei 2012 is gerapporteerd terzake het niet in dienst verschijnen door zijn toenmalige afdelingshoofd de inspecteur van politie 3e klasse [naam];

dat agent [verzoeker], in de vroege ochtend van vrijdag 11 mei 2012 omstreeks 02:00 uur, met de aan hem vanwege de dienst in bruikleen afgestane dienstvuistvuurwapen van het merk Glock GCP 369, schoten afvuurde op de woning van de inspecteur van politie 3e klasse [naam], zijnde zijn afdelingshoofd;

dat op dat moment de inspecteur voornoemd en zijn gezin zich in de woning bevonden;

dat agent [verzoeker] met zijn handelingen niet alleen vernielingen heeft aangebracht aan de woning van inspecteur [naam], doch ook het risico heeft genomen dat de afgevuurde projectielen de inspecteur en zijn gezin dodelijk geraakt konden hebben, danwel letsels konden hebben veroorzaakt;

dat agent [verzoeker] daarbij onder invloed van inwendig gebruik van alcoholhoudende dranken verkeerde en zijn voertuig naar en van de woning heeft bestuurd, hetgeen in strijd is met de verkeersregels;

(…);

dat tijdens de voorgeleiding van agent [verzoeker], hij had toegegeven de schoten te hebben gelost omdat hij gefrustreerd was geraakt;

(…);

dat de gedragingen gepleegd door agent [verzoeker] niet alleen onrechtmatig zijn, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies zoals ondermeer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82, de gedragscode en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname ernstig;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer [verzoeker] voornoemd weshalve hij bij schrijven van de toenmalige waarnemend korpschef, thans de korpschef, de hoofdcommissaris van politie, H.A. Tjin Liep Shie, de dato 12 december 2012 terzake ingebreke werd gesteld en derhalve in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn schrijven de dato 27 december 2012 heeft aangegeven zich mondeling te zullen verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013 het volgende heeft verklaard: ‘ik bied mijn verontschuldigingen hierbij aan en verklaar dat het geenszins mijn bedoeling was om zulke handelingen te plegen. Ik raakte gefrustreerd en kon met niemand erover praten ondanks vele pogingen daartoe. Ik ben daarom emotioneel geraakt en heb mij tegoed gedaan aan alcohol en raakte daardoor dronken. Toen ik langs de woning van inspecteur [naam] reed heb ik mijn dienstvuistvuurwapen gespannen en geschoten op de woning van genoemde inspecteur zonder verder na te denken. [naam] deed al een hele tijd een aanzoek bij mij en maakte seksistische opmerkingen naar mij toe, doch gaf ik hem te kennen dat ik geen homo ben en geen relatie met hem wilde aangaan. Ik heb echter willen praten met de hoofdinspecteur van politie A. Chin, doch is het niet gelukt’;

dat agent [verzoeker] in strijd heeft gehandeld met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82 luidende ‘de ambtenaar van politie gedraagt zich onder andere te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig, dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad’;

dat agent [verzoeker] ook in strijd heeft gehandeld met de gedragscode voor ambtenaren van politie onder andere luidende ‘elk korpslid is eerlijk en oprecht, is betrouwbaar en straalt gezag uit, gedraagt zich als een voorbeeldfiguur onder andere door het Korps en het overheidsgezag op een positieve manier uit te dragen en zich niet schuldig te maken aan strafbare feiten en overtredingen’;

dat de beschuldigingen tegen agent [verzoeker] uitermate ernstig zijn en de commotie die door deze zaak is ontstaan het vertrouwen in de politie ernstig heeft ondermijnd;

dat gelet op al het gebeurde de Korpsleiding geen vertrouwen meer heeft in de agent van politie 1e klasse [verzoeker],;

dat de zaak ter terecht zitting dient;

dat op grond van het door agent [verzoeker], gepleegd plichtsverzuim, de argumenten aangehaald in zijn schrijven de dato 27 december 2012 en zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013, wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst aan hem dient te worden opgelegd;”

2.6 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
b. de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende voor de ontslagbeschikking;
c. [verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de ontslagbeschikking te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
d. de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker] zoals door hem verdiend voor de ontslagbeschikking uit te betalen en daarmee voort te gaan;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw). Zijn directe chef heeft een homo sensuele (het hof begrijpt: homoseksuele) relatie met hem willen aangaan en heeft hem vaker op de werkplek aangeraakt en betast. De tegen [verzoeker] ingestelde strafzaak ter zake van zijn handeling genoemd in 2.2 is nog in behandeling bij de strafrechter. De ontslagbeschikking berust op onware feiten. De ontslagbeschikking is daarenboven in strijd met het beginsel van een deugdelijke motivering, hetgeen uit het volgende blijkt: de rechtvaardigingsgrond voor het ontslag van [verzoeker] is niet gemotiveerd in de beschikking aangegeven, er is ook niet aangegeven waarom zo lang is gewacht met het ontslag, er is geen onderzoek gedaan naar de seksuele handelingen van zijn chef en het is nog de vraag of sprake is van plichtsverzuim zoals bedoeld in de artikelen 61, 63 en 66 Pw, aangezien uit het psychologisch rapport blijkt dat aan de handeling van [verzoeker] frustraties zijn voorafgegaan. De echtgenote van [verzoeker] had al vernomen dat hij een relatie met zijn chef was begonnen, hetgeen een gerucht betreft dat door de chef zelf is verspreid. Het ontslag is voorts niet in overeenstemming met de door [verzoeker] gepleegde handeling en de omstandigheden waaronder die is begaan en wel om de volgende redenen: [verzoeker] is nooit meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag, in het psychologisch rapport en het mondeling verweer is nadrukkelijk aangegeven onder welke omstandigheden het feit is gepleegd en voorts is in dit rapport nadrukkelijk aangegeven dat het korps geen mogelijkheden heeft deze persoonlijke omstandigheden op te vangen, er is niet aangegeven waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is en er is geen onderzoek gedaan ter zake van de aantijgingen en het molest op de werkvloer en ten slotte blijkt uit de ontslagbeschikking niet dat de gevoelens van de procureur-generaal zijn gevraagd en overwogen, terwijl artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest nadrukkelijk bepaalt dat alvorens wordt overgegaan tot het opleggen van een tuchtstraf de gevoelens van de procureur-generaal daaromtrent moeten worden meegenomen. De ontslagbeschikking is tevens in strijd met de wet omdat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Om voormelde redenen komt de ontslagbeschikking voor vernietiging in aanmerking.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw is het hof dan ook bevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder a en e gevorderde, respectievelijk de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij aan een ambtenaar van politie de tuchtstraf van ontslag is opgelegd, als waarvan hier sprake is, en de vordering tot oplegging van een dwangsom.
Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Het hof overweegt ten overvloede dat de gevorderde rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een ambtenaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de tuchtstraf van ontslag – niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen. Nu hij het verzoekschrift op 12 juni 2013 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder a en derhalve ook in het gevorderde in 3.1 onder d en e dat als een sequeel daarvan heeft te gelden.

4.3 Het hof volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat het ontslagbesluit op onware feiten berust. [verzoeker] heeft immers toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan de aan hem verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging, te weten: het op 11 mei 2012 afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam].

4.4 Beoordeeld moet worden of de aan [verzoeker] verweten gedraging ernstig plichtsverzuim oplevert, of dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend en of de opgelegde straf evenredig is te achten aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.5 Naar het oordeel van het hof kon de minister de aan [verzoeker] verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging bezwaarlijk anders dan als ernstig plichtsverzuim aanmerken. Met deze gedraging die zo zeer indruist tegen de kerntaak van de politie heeft [verzoeker] ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het aanzien van de politie ernstig geschaad alsmede zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, zulks in strijd met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie en de gedragscode voor ambtenaren van politie. Het hof verwerpt derhalve de stelling van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert.

4.6 Ten aanzien van de vraag of het plichtsverzuim [verzoeker] kan worden toegerekend overweegt het hof als volgt. Vooropgesteld wordt dat bij de vraag of sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim van belang is of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat hij tot de aan hem verweten gedraging is overgegaan uit frustratie ter zake van het door hem gestelde seksueel molest zijdens [naam] en het nalaten van de korpsleiding om naar aanleiding van de klacht van [verzoeker] hierover, maatregelen tegen [naam] te treffen. [verzoeker] verwijst in dit kader naar het door hem in het geding gebrachte psychologisch rapport, opgemaakt door drs. H.E. Essed in opdracht van het openbaar ministerie, waarin ten aanzien van [verzoeker] onder meer het volgende wordt geconcludeerd: “Hij heeft zich danig gefrustreerd gevoeld om tot zulk ondoordacht, agressief en weinig effectief gedrag over te gaan. Van de ervaren politieman mocht een andere wijze van oplossen van zijn probleem verwacht worden. Toch zijn er verzachtende omstandigheden te vinden, in de situatie van onzakelijke en subjectieve gedragsuitingen zijdens zijn meerdere, waaraan hij werd blootgesteld indien zo. Indien schuldig bevonden aan het ten laste gelegde zou dat hem op grond van het bovenstaande mogen in iets verminderde mate mogen worden aangerekend.”
Naar het oordeel van het hof vindt het door [verzoeker] gestelde ten aanzien van het seksueel molest zijdens [naam] geen ondersteuning in het politie- noch het procesdossier. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat de Staat geen onderzoek heeft gedaan naar zijn aantijgingen jegens [naam], nu het op de weg van [verzoeker] had gelegen om het bestaan van verzachtende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarbij komt, naar het oordeel van het hof, dat uit het psychologisch rapport niet is gebleken van een zodanige stoornis als gevolg waarvan [verzoeker] de ontoelaatbaarheid van het afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam] niet heeft kunnen inzien of niet in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de conclusie uit het psychologisch rapport dat [verzoeker] in iets verminderde mate toerekenbaar zou zijn. Dit leidt tot de slotsom dat het plichtsverzuim volledig aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Hieraan doet niet af dat [verzoeker] ten tijde van de aan hem verweten gedraging in beschonken toestand verkeerde, nu dit op zichzelf geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van onder invloed daarvan gepleegd plichtsverzuim vormt.

4.7 Het hof acht het opgelegde strafontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het gericht met een vuistvuurwapen schieten op de woning van [naam], waarin hij en zijn gezin op het moment van de beschieting aanwezig waren, is immers zo een ernstig vergrijp dat de zwaarste tuchtstraf van ontslag zonder meer gerechtvaardigd is. [verzoeker] mag van geluk spreken dat er geen slachtoffers zijn gevallen. [verzoeker] heeft door zijn handelwijze in ernstige mate inbreuk gemaakt op de integriteit van het korps en het aanzien en de betrouwbaarheid van het korps in de ogen van het publiek in ernstige mate in gevaar gebracht. Het hof kent verder grote betekenis toe aan het feit dat van [verzoeker] als ambtenaar van politie mag worden verwacht dat hij van onbesproken gedrag is. [verzoeker] had als ambtenaar van politie beter moeten weten. Het hof heeft bij zijn oordeel tevens betrokken dat de discipline onder de ambtenaren van politie, zoals [verzoeker], conform artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest in militaire trant wordt gehandhaafd. De door [verzoeker] gestelde aanleiding tot de aan hem verweten gedraging, wat overigens daarvan zij, kan niet tot een ander oordeel leiden evenmin als de diensttijd van [verzoeker]. Hij kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als ambtenaar van politie wordt gehandhaafd.

4.8 Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hem nooit is meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag. Deze stelling is immers niet van belang voor de beoordeling of het ontslagbesluit al dan niet nietig verklaard moet worden.

4.9 Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat in de ontslagbeschikking niet is aangegeven waarom zijn verweer niet steekhoudend is bevonden. Dit kan echter niet leiden tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. De minister hoefde, naar het oordeel van het hof, in hetgeen [verzoeker] in zijn mondeling verweer heeft aangevoerd, geen aanleiding te vinden om tot een ander besluit te komen.
Aan [verzoeker] kan tevens worden toegegeven dat de ontslagbeschikking er geen blijk van geeft dat de procureur-generaal conform artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest in de gelegenheid is gesteld om zijn gevoelens omtrent een op te leggen tuchtstraf te doen kennen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. De aan [verzoeker] verweten gedraging levert zo ernstig plichtsverzuim op dat de procureur-generaal, naar het oordeel van het hof, niet anders dan tot het ontslag van [verzoeker] zou zijn gekomen. Vorenbedoelde nalatigheid kan in dit specifieke geval derhalve niet tot nietigverklaring van het ontslagbesluit leiden.

4.10 Uit hetgeen in 4.7 is overwogen volgt dat het beroep van [verzoeker] op de onevenredigheid van het ontslag aan het plichtsverzuim, geen doel treft. Van strijd met artikel 79 lid 3 Pw, als waarvan [verzoeker] kennelijk uitgaat, is dan ook geen sprake.
Het beroep van [verzoeker] op het motiveringsbeginsel treft evenmin doel, aangezien de ontslagbeschikking genoegzaam blijk geeft van de aan hem verweten gedraging die aan zijn ontslag ten grondslag is gelegd.
Voor zover [verzoeker] betoogt dat het ontslagbesluit wegens onzorgvuldigheid nietig verklaard moet worden omdat de besluitvorming veel te lang heeft geduurd, volgt het hof hem niet daarin. Immers zijn tussen de dag waarop [verzoeker] ter gelegenheid van het gehouden korpsrapport mondeling verweer heeft gevoerd, zijnde 10 januari 2013, en de dag waarop het ontslagbesluit is genomen, zijnde 11 maart 2013, amper twee maanden verstreken.

4.11 Uit al het voorgaande volgt dat er geen grond is voor nietigverklaring van het ontslagbesluit. Dit leidt tot de slotsom dat het gevorderde in 3.1 onder a zal worden afgewezen.

4.12 Nu het ontslagbesluit in stand blijft, zal het in 3.1 onder d en e gevorderde, dat als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder a heeft te gelden, eveneens als ongegrond worden afgewezen.

4.13 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.

5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein          w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat
I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. A. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2019-60

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-806

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 16 mei 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 02 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 04 april 2014;
  • de processen-verbaal van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen en de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting daarvan; 
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens de Staat d.d. 21 november 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 16 januari 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 17 april 2015, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is in vaste dienst geweest van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling in de functie van pijpfitter in de rang van ambtenaar B 1e klasse.

2.2 [verzoeker] is op 15 december 1994 in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van diefstal. Hij is op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid gesteld.

2.3 Bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, [ontslagbeschikking](hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] met inachtneming van artikel 69 lid 2 onder c van de Personeelswet (Pw) ontslag uit Staatsdienst verleend, onder de aantekening dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 Pw juncto artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek geen aanspraak maakt op salaris gedurende de periode waarin hij niet gewerkt heeft en wel vanaf 15 december 1994 tot en met de datum van het ontslag.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard, met handhaving van [verzoeker] in zijn functie;
b. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling c.q. doorbetaling van het salaris van [verzoeker] vanaf 22 maart 1996, totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze beëindigd is, met alle emolumenten, toelagen en aanpassingen van dit salaris vanaf 22 maart 1996 tot heden.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking, blijkens welke aan hem op grond van artikel 69 lid 2 onder c Pw ontslag is verleend wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid. De ontslagbeschikking (het hof begrijpt: het ontslagbesluit) is genomen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids-, het motiverings-, het rechtszekerheids-, het fair play beginsel en het vertrouwensbeginsel, aangezien het ontslag en de gronden daarvan niet voldoende zijn gemotiveerd. De gronden voor het ontslag van [verzoeker] zijn komen weg te vallen, nu hij op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid is gesteld en hij nadien niet strafrechtelijk is vervolgd. De Staat heeft geweigerd hem wederom tot de werkplek toe te laten om zijn werkzaamheden te hervatten, ondanks hij zich herhaaldelijk heeft aangemeld om ingedeeld c.q. ingeroosterd te worden. Als gevolg van het aan [verzoeker] op ongegronde feiten en derhalve onrechtmatig verleende ontslag, heeft hij sedert juli 1996 – reeds 18 jaren lang – geen salaris ontvangen. [verzoeker] was tot het aan hem verleend ontslag op 22 maart 1996, reeds 24 jaren in overheidsdienst zonder dat er enige op- en aanmerkingen dan wel klachten waren over zijn functioneren.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], gewezen ambtenaar, strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatdienst is verleend.
[verzoeker] vordert tevens betaling van achterstallig salaris vanaf 22 maart 1996. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat het ontslagbesluit dateert van 22 maart 1996 en dat [verzoeker] ingevolge artikel 79 lid 1 sub a juncto artikel 80 lid 1 sub b Pw zijn verzoekschrift niet binnen de wettelijke termijn heeft ingediend.

4.2.2 [verzoeker] heeft in reactie op het niet-ontvankelijksheidsverweer van de Staat ter gelegenheid van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen onder meer als volgt verklaard:
“Ik heb van niemand enig ontslagbeschikking ontvangen. Ik ben vanaf het jaar 1996 niet aan het werk geweest en ontvang vanaf toen geen salaris. Nadat ik in vrijheid ben gesteld en bemerkte dat er geen salaris op mijn rekening gestort werd ben ik bij de afdeling Loonadministratie aan de Herenstraat geweest. De afdeling Loonadministratie gaf mij te kennen dat mijn salaris geblokkeerd is. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij toen wel op het werk aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen en dus niet op het werk hoefde te verschijnen. (…) Ik had ook niet het idee dat ik met ontslag was. De afdeling loonadministratie heeft mij wel aangegeven dat mijn salaris geblokkeerd was omdat ik vanwege onwettig verzuim, zijnde de 43 dagen hechtenis, ontslagen was.”

4.2.3 In reactie op het door [verzoeker] verklaarde, heeft de gevolmachtigde van de Staat, mr. M. Dubois (hierna: Dubois), ter gelegenheid van de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen, zakelijk weergegeven, verklaard dat de Staat aan [verzoeker], nadat het door hem gevoerde verweer door de Staat ongegrond was bevonden, te kennen heeft gegeven dat hij is voorgedragen voor ontslag. Dubois heeft tevens verklaard dat haar is meegedeeld dat de ontslagbeschikking persoonlijk aan [verzoeker] is overhandigd en dat hij in een cahier voor ontvangst daarvan heeft getekend. Dit alles heeft zich vele jaren geleden afgespeeld en het cahier is niet meer in het bezit van de Staat, aldus Dubois.

4.2.4 [verzoeker] heeft daarop bij dezelfde gelegenheid, hierboven in 4.2.2 genoemd, onder meer als volgt verklaard:
“Ik ben in december 1994 ingesloten en in het jaar 1995 in vrijheid gesteld. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij gelijk bij mijn werkgever aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen omdat ik eerst een verklaring van de Procureur-Generaal moest overleggen waarna de Onderdirecteur Pahalwakhan over mijn zaak zou beslissen. Ik kreeg geen salaris. Bij navraag kreeg ik te horen dat mijn salaris geblokkeerd was. Ik ben op kantoor bij de heer Pahalwakhan geweest om mij hieromtrent te laten informeren. Van de heer Pahalwakhan kreeg ik te horen dat ik niet meer op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling werkzaam was. Dit alles is mij in het jaar 1996 medegedeeld. (…) Anders dan mevrouw Dubois aangeeft heb ik geen enkel ontslagbeschikking ontvangen en ook nergens daarvoor ondertekend.”

4.2.5 Partijen twisten over de vraag of [verzoeker] de ontslagbeschikking heeft ontvangen. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 Pw een vordering tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij sedert juli 1996 geen salaris meer heeft ontvangen en dat hem de toegang tot de werkplek is geweigerd. De Staat heeft ter gelegenheid van de voortzetting van het verhoor van partijen onweersproken aangevoerd dat, nadat het verweer van [verzoeker] ongegrond was bevonden, [verzoeker] ervan in kennis is gesteld dat hij is voorgedragen voor ontslag. Uit [verzoeker]s eigen verklaringen, afgelegd ter gelegenheid van (de voortzetting van) het verhoor van partijen, blijkt dat hij, bij navraag omtrent het uitblijven van de uitbetaling van zijn salaris, in het jaar 1996 van zowel de afdeling Loonadministratie als de onderdirecteur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, de heer Pahalwakhan, te horen heeft gekregen dat hij was ontslagen. Onder deze omstandigheden had [verzoeker], naar het oordeel van het hof, zo niet reeds in de maand juli 1996, dan toch wel in de loop van 1996 moeten begrijpen dat het besluit tot zijn ontslag reeds was genomen. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet pas in 2013 opkomen tegen het ontslagbesluit.
Uit het voorgaande volgt dat tussen het moment dat [verzoeker] heeft kennis heeft genomen van het ontslagbesluit en de indiening van de onderhavige vordering op 16 mei 2013, bijkans 17 jaren liggen, derhalve méér dan een maand, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat overigens daarvan zij, dat hij de ontslagbeschikking pas van de Staat heeft ontvangen toen hij (naar het hof begrijpt: in 2013) ging informeren naar zijn pensioen.

4.3 Nu het ontslagbesluit blijft gehandhaafd is van achterstallig loon c.q. schade geen sprake, zodat het in 3.1 onder b gevorderde dient te worden afgewezen.

4.4 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het in de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, [ontslagbeschikking], vervatte ontslagbesluit.

5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein             w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van verzoeker.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K3-2024-1

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON

CIVAR No. 202403415
21 november 2024

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

A. [Eiser sub A],
wonende aan de [straatnaam 1] in het district [district 1],
B. [Eiser sub B],
wonende aan de [straatnaam 2] in het district [district 2],
C. [Eiser sub C],
wonende aan de [adres 1],
D. [Eiser sub D],
wonende aan de [adres 2] in het [district 1],
E. [Eiser sub E],
wonende aan de [adres 3],
eisers,
gemachtigde: mr. H.H. Vreden, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Lala, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 14 augustus 2024 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis d.d. 22 augustus 2024;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde is sedert het jaar 2004 bezig met het plegen van aanpassingen binnen het onderwijssysteem.
Een van de aanpassingen die reeds in het onderwijssysteem is doorgevoerd, is de verruiming van een zesjarig lager onderwijs naar een tienjarig basisonderwijs. In dit nieuw onderwijssysteem (basisonderwijs) gaan leerlingen van het achtste leerjaar over naar het negende leerjaar middels een overgangsrapport.
In het tiende leerjaar wordt een toets afgenomen en ontvangen leerlingen die de toets hebben behaald een getuigschrift.
In het elfde leerjaar volgt de scheiding, waarbij leerlingen de mogelijkheid krijgen hun vervolgopleiding te volgen.

2.2 Vanwege het hiervoor vermeld nieuw onderwijssysteem, heeft de directeur AVO (Algemeen Vormend Onderwijs) per schrijven d.d. 06 augustus 2024 aan schoolhoofden van de basisscholen de instructie gegeven dat aan het eind van het achtste leerjaar geen getuigschrift zal worden verstrekt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a) het besluit van de directeur AVO d.d. 06 augustus 2024 opschort, totdat de kantonrechter in bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan een definitief besluit heeft genomen;
b) gedaagde veroordeelt om het vonnis te gehengen en gedogen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 250.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met dit vonnis handelt;
c) eisers in de gelegenheid stelt om een ter zake deskundige aan te stellen, om deze bij de nog in te stellen bodemprocedure ter terechtzitting te mogen oproepen als getuige deskundige;
d) gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 Eisers leggen aan het gevorderde ten grondslag dat gedaagde met het gegeven besluit als vermeld in 2.2 in dit vonnis in strijd handelt met de Wet van 22 september 1960 tot regeling van het Lager Onderwijs in Suriname en met de ministeriële beschikking van 03 september 1982 no. 6037, inhoudende de voorschriften voor het verkrijgen van een getuigschrift voor het gewoon lager onderwijs. Gedaagde handelt hiermee onrechtmatig jegens hun zoon, dochter, neef, nicht, buurjongen, buurmeisje, kortom elke leerling in de Republiek Suriname, die aan het eind van het schooljaar 2023-2024 conform de wet recht hebben op een getuigschrift. Als gevolg hiervan hebben zij schade geleden.

3.3 Gedaagde voert, verkort en zakelijk weergegeven, als verweer dat eisers op generlei hebben aangegeven op welke wijze zij belang hebben bij deze vordering. Evenmin hebben zij onderbouwd hoe leerlingen en hun ouders schade hebben geleden of schade zullen lijden als gevolg van het niet verkrijgen van een getuigschrift van leerjaar 8.
De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover nodig, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Eisers stellen dat zij in hun hoedanigheid van moeder, vader, verzorger, voogd, tante, oom, buurman, buurvrouw leerkracht en in het bijzonder in het belang van de leerlingen die in de Republiek Suriname woonachtig zijn en in het leerjaar 8 van het Lager Onderwijs zitten en conform de wet recht hebben op een getuigschrift, belang hebben bij deze vordering.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat deze stelling van eisers niet op en slaagt gedaagde in het door hem opgeworpen verweer. Dit, op grond van de volgende overwegingen.
Eisers wensen in deze op te komen voor de belangen van alle leerlingen die lager onderwijs in Suriname genieten en gaan zij, zoals de kantonrechter hen begrijpt, er vanuit dat zij namens al deze leerlingen mogen procederen.
Leerlingen die lager onderwijs genieten zijn minderjarig en worden in juridische bewoordingen gekwalificeerd als minderjarigen. Volgens de spelregels van het procesrecht kunnen slechts wettelijke vertegenwoordigers namens minderjarigen een vordering instellen, waarbij is vereist dat de volledige namen van de minderjarigen namens wie de vordering wordt ingesteld in het verzoekschrift wordt vermeld. Tevens dienen bij het indienen van de vordering bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat de indieners van het verzoekschrift de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen zijn. Gesteld noch gebleken is dat eisers de wettelijke vertegenwoordigers zijn van alle leerlingen die het lager onderwijs in Suriname genieten. Evenmin zijn de volledige namen van de leerlingen vermeld in het verzoekschrift en bescheiden ter zake overgelegd. Dit leidt tot de slotsom dat eisers de vordering in privé hebben ingediend en dus geen enkel belang hebben bij deze vordering. Zij zijn overigens geen leerlingen die momenteel lager onderwijs genieten. Om die reden zullen zij niet ontvankelijk worden verklaard in de gevorderde voorzieningen.

4.2 Nu eisers niet ontvankelijk zullen worden verklaard in de gevorderde voorzieningen, komt de kantonrechter niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de stellingen van eisers.
De overige stellingen en weren van partijen behoeven daarom geen bespreking.

4.3 Eisers zijn niet ontvankelijk verklaard in de gevorderde voorzieningen. Gangbaar is dat de partij die in het ongelijk is gesteld of niet ontvankelijk is verklaard in het gevorderde, in de proceskosten wordt veroordeeld. De kantonrechter zal van dit gebruik niet afwijken en eisers veroordelen in de proceskosten.
Gedaagde wordt niet bijgestaan door een advocaat, dus zullen deze kosten tot de dag van deze uitspraak worden begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kortgeding:
5.1 verklaart eisers niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen;

5.2 veroordeelt eisers in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag
21 november 2024 te Paramaribo door de kantonrechter in kortgeding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2024-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202403414
21 november 2024

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

A. NURMOHAMED, RIAD, in privé en in de hoedanigheid van Minister van Openbare Werken,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jaggernath Lachmonstraat no. 167 te Paramaribo,
eiser, hierna te noemen Nurmohamed,
gemachtigde: mr. C. Rambharos, advocaat,

B. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jaggernath Lachmonstraat no. 167 te Paramaribo,
eiser,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: voorheen mr. C. Rambharos, advocaat, die zich op 05 september 2024 per schrijven heeft onttrokken als gemachtigde van de Staat,

tegen

A. NETWORK STAR SURINAME N.V. (STARNIEUWS),
kantoorhoudende aan de Watermolenstraat no. 32 te Paramaribo,
B. RAMCHARAN, NITA KAMLAWATI,
wonende aan de [adres] in het district [district],
gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen als respectievelijk Starnieuws en Ramcharan,
gemachtigden van beiden: mr. E. Naarendorp, advocaat en mr. H.R. Schuurman, advocaat.

1 Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 14 augustus 2024 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis d.d. 22 augustus 2024;
– de conclusie van antwoord zijdens Starnieuws en Ramcharan, met producties;
– een schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie
d.d. 27 augustus 2024 zijdens de Staat;
– de conclusie van repliek zijdens Nurmohamed, met producties;
– de conclusie van dupliek zijdens Starnieuws en Ramcharan, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties zijdens Nurmohamed.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Starnieuws is een medium dat online nieuws editie beheert en berichten publiceert op de wetbsite www.starnieuws.com.
2.2 Naar aanleiding van online gepubliceerde berichten dat de IDB de aanbesteding van “het project van de van ’t Hogerhuys- en Slangenhoutstraat” heeft stoptgezet en daaruit voortvloeiend verschenen berichten dat het project geen voortgang zal vinden, heeft Nurmohamed op 30 juli 2024 het hierna volgende persbericht op de website van www.gov.sr geplaatst:
“ (…)

Voor wat betreft de rehabilitatie van de weg is op 20 februari 2024 de aanbesteding gehouden waarna het proces van evaluatie van de aanbiedingen is gestart. Zoals gebruikelijk wordt gedurende dit proces confidentieel omgegaan met de inschrijvingen en mag o.b.v. gebruikelijke esthetische regels geen informatie worden gedeeld met actoren buiten de formele actoren betrokken bij het project. Alzo is pre advies ter goedkeuring voorgelegd aan de IDB. Door de IDB zijn hierna conclusies getrokken dat informatie m.b.t. de evaluatie van de inschrijvingen terecht is gekomen bij derden en dat derhalve de confidentialiteit in het geding is. Voorts zij vermeld dat de IDB geen melding maakt van een integriteitsvraagstuk maar slechts twijfels heeft uitgesproken omtrent de confidentialiteit waarmee met de informatie is omgegaan.

Het is voor de interne organisatie en vanuit de inschrijvers wel duidelijk om confidentieel om te gaan met informatie omtrent de evaluatie van inschrijvingen, doch kan worden aangenomen dat delen uit voormelde groepen zich niet altijd bewust zijn hiervan. Dit leidt tot vertragende resultaten zoals het geval zich thans voordoet voor de aanbesteding van de rehabilitatie van de van ’t Hogerhuysstraat. Daarbij heeft de IDB kenbaar gemaakt dat een her-aanbesteding gehouden dient te worden o.b.v. aangescherpte gunningscriteria, welk proces is ingezet middels het inschrijven van het uitvoeringsdossier.

(…)
Tenslotte betreurt het Ministerie van Openbare Werken dat deze situatie zich heeft voorgedaan en roept media bedrijven op in het vervolg contact te maken met het ministerie voor de juiste informatie en eenzijdigheid te vermijden.”

2.3 Op 30 juli 2024 heeft Ramcharan een door haar geschreven column op Starnieuws geplaatst, met als kop “Riad verantwoordelijk uitlekken vertrouwelijke informatie”.
Ramcharan heeft in de column, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Zeker omdat de IDB, de top van de regering, de grootste constructiebedrijven in Suriname en China betrokken zijn bij het project “Rehabilitatie Van ’t Hogerhuys- en Slangenhoutstraat”. Het gaat om een project van ruim US$ 23 miljoen. (…)

Wat de situatie tot een thriller zou maken, is dat geheime informatie over de aanbesteding is uitgelekt. BH kwam niet in aanmerking voor de gunning omdat een belangrijk document over de joint venture ontbrak. Bij verificatie bleek dat het stuk niet was ingediend en kon het volgens de procedure achteraf ook niet erbij. Dit was case closed voor BH, die overigens de laagste aanbieder was. Aangezien het om een project van US$ 23 miljoen gaat, is dus het lobbywerk gestart om toch in aanmerking te komen voor de gunning. De tranen rolden op de hoogste niveaus in het land, ook bij IDB werden zakdoekjes gezocht om de ogen te deppen.

(…)

Intussen is OW met een zoetsappige reactie gekomen dat er in feite niet veel aan de hand is. De IDB heeft volgens minister Riad Nurmohamed twijfels uitgesproken over de confidentialiteit en heeft geconcludeerd dat de informatie is terechtgekomen bij derden. De minister zegt niks over dat hij als reden voor de heraanbesteding aangeeft dat het gaat om budgetbeperking. (…) In elk fatsoenlijk land zou de hoofdverantwoordelijke voor de lekkage nu moeten opstappen en niet na 10 maanden: Riad Nurmohamed!”

2.4 Naar aanleiding van de column die Ramacharan op Starnieuws heeft geplaatst, heeft Nurmohamed in de hoedanigheid van minister op 31 juli 2024 de volgende schriftelijke sommatie aan Starnieuws en Ramcharan gegeven:
“ Naar aanleiding van het op 30 juli 2024 gepubliceerd bericht op Starnieuws, als publicatie van Network Star Suriname NV, met de kop: “Riad verantwoordelijk uitlekken vertrouwelijke informatie”, wordt het volgende onder uw aandacht gebracht.
(…)

Vermeldenswaard is verder dat zijdens het Ministerie van Openbare Werken een verklaring is uitgegeven die eveneens via Starnieuws op 30 juli 2024 is gepubliceerd met als kop: “OW: IDB heeft twijfels over confidentialiteit aanbesteding”. In dit bericht is uitvoerig ingegaan op de ontstane situatie m.b.t. het project, het uitlekken van informatie en het verder te volgen traject van afronding, althans is een juiste stand van zaken weergegeven.

(…)

Hetgeen in de laatste alinea wordt aangehaald mist elke grondslag en wordt gezien als een onterechte beschuldiging. Verwezen wordt naar de laatste zin: “In elk fatsoenlijk land zou de hoofdverantwoordelijke voor de lekkage nu moeten opstappen en niet na 10 maanden: Riad Nurmohamed.”

Hierbij is aangegeven dat Riad Nurmohamed, die in dezelfde alinea is aangeduid als minister, de hoofdverantwoordelijke is voor de lekkage. Deze stellingname is niet onderbouwd en schaad de reputatie van de minister van Openbare Werken, dhr. Riad Nurmohamed zowel in zijn functie als in persoon. Bovendien wordt deze stellingname gekarakteriseerd als smaad en laster en wordt de reputatie aangetast.

U wordt derhalve gesommeerd om binnen 3 (drie) dagen na ontvangst van dit schrijven de onjuiste stellingname te rectificeren op dezelfde wijze zoals gepubliceerd via Starnieuws. Bij uitblijven hiervan is het treffen van de nodige rechtsmaatregelen niet uitgesloten.”

2.5 Starnieuws en Ramcharan hebben niet voldaan aan de hiervoor vermelde sommatie.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Nurmohamed en de Staat vorderen dat de kantonrechter in kortgeding bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
– Starnieuws en Ramcharan veroordeelt om binnen 1×24 uur na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, zich publiekelijk jegens Nurmohamed en de Staat te verontschuldigen door in de lokale dagbladen, via www.starnieuws.com en overige online nieuws sites de volgende rectificatie op een opvallende plek te plaatsen, te weten: “ Door Starnieuws is er op 30 juli 2024 een bericht gepubliceerd onder de kop “Riad verantwoordelijk uitlekken vertrouwelijke informatie” waarin Riad Nurmohamed als minister van Openbare Werken verantwoordelijk wordt gesteld voor het uitlekken van vertrouwelijke informatie m.b.t. de aanbesteding voor het overheidsproject: “Rehabilitatie van de van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat”. Hierbij wordt kenbaar gemaakt dat deze stelling in het bericht onjuist en onterecht is en tast de goede naam, eer en aanzien van dhr. Riad Nurmohamed alsook zijn privacy, waarvoor welgemeende verontschuldigingen wordt aangeboden aan het Ministerie van Openbare Werken en de minister Riad Nurmohamed ”, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 300.000,- per dag, voor iedere dag dat Starnieuws en Ramcharan ingebreke mocht blijven hieraan gevolg te geven.”

3.2 Nurmohamed en de Staat leggen aan het gevorderde ten grondslag dat Starnieuws en Ramcharan in strijd hebben gehandeld met de artikelen 1386 jo. 1393 t/m 1397 BW. Hiertoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, dat Nurmohamed in het artikel ten onrechte verantwoordelijk wordt gesteld voor het uitlekken van vertrouwelijke informatie met betrekking tot de aanbesteding van het overheidsproject “Rehabilitatie van de van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat”, welk project door de Inter American Development Bank (IDB) wordt gefinancierd. Starnieuws en Ramcharan hebben met de door hun in het openbaar gedane ongenuanceerde uitspraken c.q. geponeerde lasterlijke en ongefundeerde uitlatingen, de goede naam en eer van Nurmohamed die het ambt van minister bekleedt aangetast en het imago van de Staat te grabbel gegooid.

Starnieuws en Ramcharan hebben recht van vrijheid van meningsuiting, maar dit recht wordt beperkt als de verspreiding daarvan schending van eer en goede naam oplevert. Het door Starnieuws en Ramcharan gepubliceerd bericht dient geen enkel algemeen belang en daarnaast zijn de uitlatingen niet onderbouwd middels een deugdelijk feitenonderzoek.
Starnieuws en Ramcharan zijn bewust op de tour om de reputatie van Nurmohamed aan te tasten en hebben zij op geen enkel moment het principe van hoor en wederhoor toegepast zoals dat gangbaar is binnen de journalistiek.

Nurmohamed en de Staat stellen als spoedeisend belang dat door de uitlatingen van Starnieuws en Ramcharan het niet is uitgesloten dat de hele financiering van het thans in uitvoering zijnde overheidsproject betreffende vervanging van de brug over het Saramaccakanaal te Saramaccadoorsteek wordt stopgezet.

3.3 Starnieuws en Ramcharan concluderen bij conclusie van antwoord bij wege van verweer tot afwijzing van de vordering als te zijn ongegrond en onbewezen. Hiertoe voeren zij onder meer het volgende aan.
Het dagblad De West rapporteerde op 27 juli 2024 als eerst dat de aanbesteding van het project dat betrekking heeft op de rehabilitatie van de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat door de IDB was afgelast. Starnieuws vervolgde de berichtgeving daarover – na enig onderzoek – op
30 juli 2024: “volgens betrouwbare bron heeft de IDB de aanbesteding gecanceld, omdat de overheid zich niet integer heeft opgesteld bij de selectie van de aannemer”. Starnieuws putte deze wetenschap uit een in juni door de IDB aan het Ministerie van Openbare Werken gestuurde brief. De gebeurtenissen waarover werd bericht zijn voor de gemeenschap zeer ingrijpend en vormden voor Ramcharan aanleiding om daar een column aan te wijden op 30 juli 2024.
Nurmohamed en de Staat hebben niet onderbouwd hoe zij tot de conclusie zijn gekomen dat de uitlatingen ongenunaceerd, lasterlijk, ongefundeerd, bezwarend en onrespectvol zijn en Nurmohamed in zijn eer en goede naam is aangetast. De gebeurtenissen die in het artikel zijn vermeld en waarover is gerapporteerd, namelijk de afgelasting van de aanbesteding wegens schending van confidentialiteit, zijn juist.
Nurmohamed is niet beschuldigd voor het uitlekken van informatie, maar hij wordt als hoogste baas op het ministerie verantwoordelijk gesteld voor het uitlekken van vertrouwelijke informatie waardoor de belangen van de Staat Suriname, maar vooral het publiek, in gevaar zijn gebracht.
Het overheidsproject is niet door toedoen van Starnieuws in gevaar gekomen, maar door de twijfels die bij IDB zijn ontstaan over de confidentialiteit van informatie die bij derden zijn terechtgekomen.
Het algemeen belang heeft gemaakt dat het bericht is gemaakt en de columnist haar mening heeft gegeven over het ernstige verwijt dat de aanbesteding is stopgezet en dat er een integriteitsvraagstuk is ontstaan.
Starnieuws beschikt over documentatie zwart op wit, dus was er geen noodzaak voor wederhoor.

4. De beoordeling
4.1 Het verzoek van de Staat betreffende het afvoeren van de zaak van de rol
4.1.1 De Procureur-Generaal die ingevolge artikel 146 lid 2 van de Grondwet de Republiek Suriname in rechte vertegenwoordigt, heeft namens de Staat per schrijven d.d. 27 augustus 2024 het verzoek gedaan om de vordering die door de Staat is ingesteld van de rol af te voeren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de Staat geen enkel belang of betrokkenheid heeft bij deze rechtsvordering.
Starnieuws en Ramcharan hebben bezwaar geopperd tegen dit verzoek en hebben het verzoek gedaan om vonnis tegen de Staat te wijzen. Zij hebben betoogd dat een eenmaal ingestelde vordering, na de conclusie van antwoord, niet meer eenzijdig door de eisende partij kan worden ingetrokken.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat dit betoog van Starnieuws en Ramcharan niet op, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen. Zoals de kantonrechter het begrijpt, bedoelt de Staat met het verzoek tot het afvoeren van de zaak van de rol dat de vordering jegens Starnieuws en Ramcharan wordt ingetrokken. Om die reden zal de kantonrechter het verzoek van de Staat inlezen als te zijn een verzoek tot intrekking van de door hem jegens Starnieuws en Ramcharan ingestelde vordering.

Toetsing aan artikel 109 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
4.1.2 Vooropgesteld wordt dat een vordering tot intrekking kan worden aangemerkt als een vermindering van eis; in dit geval vermindering van de ingestelde vordering tot nihil.
Ingevolge artikel 109 Rv is de eiser bevoegd zijn vordering tot afloop van de zaak te verminderen, zonder het onderwerp van de vordering te mogen wijzigen.
Uit de inhoud van de in het dossier aanwezige processtukken blijkt dat het verzoek door de Staat is gedaan, voordat voor dupliek is geconcludeerd dan wel voordat in deze kortgedingzaak is uitgeprocedeerd. De slotsom is, dat het verzoek van de Staat voldoet aan de in het hiervoor vermeld artikel vermelde vereisten, hetgeen de kantonrechter aanleiding geeft de intrekking van de vordering van de Staat toe te staan. Aldus zal worden verstaan dat de kortgedingzaak van de Staat jegens Starnieuws en Ramcharan is ingetrokken.

4.2 De vordering van Nurmohamed gericht tot Starnieuws en Ramcharan
4.2.1 Zoals hiervoor in 4.1.2 is overwogen, zal worden verstaan dat de zaak van de Staat tegen Starnieuws en Ramcharan is ingetrokken. Daarom zal de kantonrechter zich hierna slechts toespitsen op de inhoudelijke beoordeling van de vordering van Nurmohamed tegen Starnieuws en Ramcharan.

Spoedeisend belang
4.2.2 Het door Nurmohamed gestelde spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter, zodat hij wordt ontvangen in het kortgeding.

De standpunten
4.2.3 Bij conclusie van repliek benadrukt Nurmohamed dat het bij hem puur gaat om rectificatie van zijn eer en goede naam, vanwege de ongefundeerde beschuldiging naar hem toe dat hij verantwoordelijk en de schuldige is voor het uitlekken van de informatie. Volgens Nurmohamed is er geen verificator waaruit blijkt dat het uitlekken van de informatie vanuit het ministerie heeft plaatsgevonden, terwijl Starnieuws en Ramcharan weten dat bij elke aanbesteding verschillende actoren betrokken zijn. Desondanks wordt hij door Starnieuws en Ramcharan in een kwaad daglicht gezet.
In reactie hierop voert Ramcharan aan dat de gewraakte column slechts stelt dat Nurmohamed als minister verantwoordelijk is voor het uitlekken van informatie op zijn ministerie en dat, nu dat het geval is, hij dient af te treden. Hiermee geeft de columniste Ramcharan enkel haar mening weer, welke in staatsrechtelijk opzicht geheel juist is. En ook al zou volgens Ramcharan de stelling omtrent de verantwoordelijkheid onjuist zijn, dan nog kan dat niet als onnodig grievend en krenkend worden gekwalificeerd.

Interpretatie van de gewraakte uitlating
4.2.4 De kantonrechter komt op grond van de standpunten van partijen tot het hierna volgend oordeel.
Niet in geschil is dat confidentiële informatie betreffende de aanbesteding van het project “Rehabilitatie van de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat” bij derden is beland of is uitgelekt. Dit is gewoon een feit waarvoor, zoals Starnieuws en Ramcharan terecht opwerpen, toepassing van hoor en wederhoor niet noodzakelijk is.
Wat wel in geschil is, is de beantwoording van de vraag of de door Ramcharan gedane uitlating in de column dat Nurmohamed hoofdverantwoordelijke is op het Ministerie van Openbare werken en daaruit voortvloeiend de uitlating dat hij de hoofdverantwoordelijke is voor het doen uitlekken van de bedoelde informatie, als een belediging dient te worden aangemerkt.
De kantonrechter stelt vast dat de gewraakte uitlating is gedaan in een column. Een column heeft veelal het karakter van een kort stukje prozawerk over een actuele kwestie en een mening van de schrijver over de aangekaarte actuele kwestie om een boodschap aan het lezerspubliek over te brengen en deze tevens aan het denken te zetten.
Naar het oordeel van de kantonrechter interpreteert Nurmohamed de gewraakte uitlating in de column letterlijk als te zijn een verwijt aan zijn adres, dat hij de confidentiële informatie heeft doen uitlekken naar buiten en hij hiervoor door Starnieuws en Ramcharan verantwoordelijk wordt gesteld, terwijl voor de lezer een boodschap achter de inhoud van de column van de schrijver schuilt. De kantonrechter leest als boodschap dat Nurmohamed het ambt van minister bekleedt en aldus de hoofdverantwoordelijke is voor hetgeen plaatsvindt op het ministerie dat onder zijn hoede valt.

De kwalificatie van de gewraakte uitlating “Nurmohamed is de hoofdverantwoordelijke”
4.2.5 De kantonrechter ziet zich uitgaande van de gewraakte uitlating “Nurmohamed is de hoofdverantwoordelijke” ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of deze uitlating als een belediging kan worden aangemerkt.
Ter beantwoording van deze vraag dient eerst te worden beoordeeld of de gewraakte uitlating als hetzij een feit, hetzij een mening dient te worden aangemerkt. Vanuit dat licht bekeken dient voor de kantonrechter als uitgangspunt het bepaalde in artikel 123 lid 1 van de Grondwet (GW), omdat Nurmohamed het ambt van minister bekleedt. In bovenvermelde bepaling is neergelegd dat de leden van de Raad van de Ministers belast zijn met de leiding van hun respectieve ministeries. Dit brengt de kantonrechter tot de slotsom dat Nurmohamed in zijn hoedanigheid als minister de hoofdverantwoordelijke is van het ministerie dat aan hem is toebedeeld en hij daaruit voortvloeiend als hoofverantwoordelijke dient te worden aangemerkt voor de confidentiële informatie die is uitgelekt. Of de informatie al dan niet vanuit zijn ministerie is uitgelekt doet niet ter zake, omdat hij als hoofdverantwoordelijke van het ministerie de beschikbare tools in handen heeft om zoveel als mogelijk te voorkomen dat confidentiële informatie uitlekt, zoals het leggen van de nadruk op de geheimhoudingsplicht die uit de wet of uit de met derden getekende geheimhoudingsverklaring voortvloeit voor degenen op wie de geheimhoudingsplicht van toepassing is, het doen instellen van een onderzoek om in beeld te brengen wie de confidentiële informatie aan derden heeft doen toekomen en het doen opleggen van een tuchtstraf bij schending van de geheimhoudingsplicht.
Dat Nurmohamed als hoofdverantwoordelijke van het ministerie dient te worden aangemerkt, kan overigens ook worden afgeleid uit zijn eigen handelen. Met name heeft hij, zoals hijzelf stelt en zoals dat in 2.2 in dit vonnis is weergegeven, op 30 juli 2024 op de website van www.gov.sr een artikel doen plaatsen waarin hijzelf de samenleving informeert over deze (toen actuele) kwestie, hetgeen de kantonrechter beschouwt als een vorm van afleggen van verantwoording naar de samenleving toe. Dat hij hoofdverantwoordelijke van het ministerie is en voor het doen uitlekken van de informatie, is dus gewoon een feit dat naar het oordeel van de kantonrechter geen beledigend karakter in zich draagt, zodat niet aannemelijk is dat Nurmohamed in zijn eer en goede naam is aangetast. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat, zoals Starnieuws en Ramcharan terecht opwerpen, Nurmohamed geen of niet voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk dat Starnieuws en Ramcharan met de gewraakte uitlating onrechtmatig jegens Nurmohamed hebben gehandeld. Daarom zullen de gevorderde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd.

4.2.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.2.7 Nurmohamed is in het ongelijk gesteld. Gangbaar is dat de procespartij die in het ongelijk is gesteld in de proceskosten wordt veroordeeld. De kantonrechter zal van dit gebruik niet afwijken en Nurmohamed in de proceskosten veroordelen. Deze zullen tot de dag van de uitspraak worden begroot dan wel beperkt tot het liquidatietarief ad SRD 7.500,-, zoals neergelegd in het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
ten aanzien van het gevorderde van Nurmohamed tegen Starnieuws en Ramcharan:
5.1 weigert de gevorderde voorzieningen;

5.2 veroordeelt Nurmohamed in de proceskosten die aan de zijde van Starnieuws en Ramcharan zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op
SRD 7.500,- (Zevenduizend en Vijfhonderd Surinaamse Dollar);

Ten aanzien van het gevorderde van de Staat tegen Starnieuws en Ramcharan:
5.3 verstaat dat de zaak van de Staat tegen Starnieuws en Ramcharan is ingetrokken.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag
21 november 2024 te Paramaribo door de kantonrechter in kortgeding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2024-8

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Beslissing van 14 oktober 2024

Op het hoger beroep ingediend door:

De vervolgingsambtenaar, R. CHOTKOE LL.M., namens het OPENBAAR MINISTERIE, appellant contra de verdachte [verdachte]

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake beklag ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 12 februari 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1. De vervolgingsambtenaar, R Chotkoe LL.M. heeft namens het Openbaar Ministerie op donderdag 15 februari 2024 hoger beroep ex artikel 232 Sv. aangetekend bij het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 12 februari 2024.

1.2. De behandeling van het beroepschrift in Raadkamer heeft plaatsgevonden op maandag 10 juni 2024, dinsdag 9 juli 2024 en maandag 12 augustus 2024 zijnde daarvan door de griffier processen-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevinden.

1.3. Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen op maandag 14 oktober 2024.

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – als grieven aangevoerd dat:

2.1. Naar de mening van de vervolging vindt de reden – zoals die vervat is in de beschikking van de Kantonrechter – om het verzoek gegrond te verklaren geen grondslag in art. 230 Sv. [verdachte] heeft op verschillende momenten het beschermingsbevel overtreden. In de periode 2 juli 2023 tot en met 24 juli 2023 heeft hij tenminste 5 tot 6 keren in strijd gehandeld met het beschermingsbevel, namelijk hij heeft telefonisch, via de mail en via facebook contact gezocht met het slachtoffer. Verder heeft hij op 8 juni 2023 contact met het slachtoffer gezocht toen zij zich in het restaurant Sarina bevond. Zij heeft op 8 juni 2023 aangifte gedaan en is hij op 27 juli 2023 in verzekering gesteld waarbij hij toegaf het slachtoffer meerdere malen te hebben gecontact. Hij geeft wel aan dat hij dit per abuis heeft gedaan. In ieder geval bekent de verdachte het beschermingsbevel te hebben overtreden. De strafbedreiging bij de eerste overtreding van een beschermingsbevel is maximaal 4 jaren en/of een geldboete. De strafbedreiging bij een tweede overtreding is maximaal 6 jaren en/of een geldboete. De strafbedreiging bij een derde overtreding is maximaal 8 jaren. De vervolging vraagt om de beschikking van de Kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende het bezwaar ongegrond te verklaren.

3. De reactie van de verdediging
3.1. De verdediging stelt dat het bij een bezwaarschrift gaat om het toetsen in hoeverre het O.M. lichtvaardig is overgegaan tot de vervolging. Wij zijn van mening dat er in deze zaak wel lichtvaardig is omgegaan met de belangen van de verdachte. Een vervolgingsinstituut moet bij het afwegen om al dan niet tot vervolging over te gaan danwel iemand te dagvaarden alle belangen tegen elkaar afwegen en dat merken wij wel in de beschikking van de Kantonrechter.

3.2. [Verdachte] zit vanaf januari 2024 ook in een andere relatie. Mevrouw [naam] is vorig jaar in het huwelijk getreden en heeft besloten om met haar partner naar Nederland te vertrekken.
Dus het beschermingsbevel zal in dit geval niet overtreden kunnen worden als de aangeefster in het buitenland zit.

3.3. [Verdachte] heeft in de liefde die hij had voor de aangeefster alles proberen te doen om die relatie in stand te houden. Uiteindelijk begon het zijn grenzen te overschrijden. [Verdachte] had zo een beetje een obsessie van de aangeefster en kon het niet accepteren toen de relatie beëindigd werd. Op 6 januari 2023 heeft hij een uiterste poging gedaan om de relatie instand te houden door thuis te gaan bij de aangeefster en op die dag is hij mishandeld
geworden door haar vader en beschoten geworden door haar broer. [Verdachte] heeft toen aangifte gedaan bij het politiebureau Livorno. De aangeefster heeft als gevolg van die aangifte hem gesmeekt om die zaak in te trekken. Zij gaf hem aan dat zij hun relatie nog zouden bespreken als hij die zaak zou intrekken en vroeg hem naar wat ruimte. Op 14 januari 2023 kreeg [verdachte] een appbericht van de aangeefster waarbij zij hem vroeg naar meer ruimte omdat zij de afgelopen dagen ziek was. Op 16 januari 2023 heeft zij een beschermingsbevel aangevraagd. Het lijkt er sterk op dat de aangeefster een beetje
gespeeld heeft met de emoties van [verdachte].

3.4. Dat de e-mail abusievelijk is verzonden blijkt uit de inhoud van het emailbericht. De mensen die werken bij de IDB bestellen vaak eten bij Sarina. [Verdachte] heeft op die bewuste dag eten besteld bij Sarina. Als hij uitstapt ziet hij het voertuig van de aangeefster en is hij snel terug gegaan naar zijn voertuig. Hij vroeg zich af wat hij moest doen want hij had eten besteld bij Sarina. Hij besloot in zijn auto te wachten totdat de aangeefster zou vertrekken. Op een gegeven moment besloot hij toch naar binnen te gaan want hij moest zijn eten halen. Op dat moment kwam de aangeefster naar buiten en zei hij tegen haar “gefeliciteerd Bhar. Ik heb begrepen dat je gaat trouwen”. Verder woont hij op Commewijne en moet hij de brug over de Surinamerivier die verbonden is met de van het Hogerhuysstraat gebruiken. Het staat niet vast dat hij haar heeft achtervolgd.

3.5. Verder heeft de Kantonrechter overwogen dat [verdachte] een goede baan heeft en als hij vervolgd wordt staat hij op het punt zijn goede baan te verliezen.

3.6. Hij heeft het beschermingsbevel overtreden door een email en 4 miscalls te verzenden naar de aangeefster. Er heeft geen fysiek contact plaatsgevonden. Voor de rest gaat het om mensen die verder gaan met hun leven. Als wij dit alles op een weegschaal plaatsen dan moeten wij concluderen dat de Kantonrechter terecht heeft overwogen dat het O.M. lichtvaardig is over gegaan tot de dagvaarding. Wij zijn van mening dat het bezwaarschrift terecht gegrond is verklaard door de Kantonrechter. Wij verzoeken u om de beschikking van de Kantonrechter te bevestigen.

4. De gewraakte beschikking
De Kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – overwogen dat naar het oordeel van de kantonrechter een strafvervolging tegen verzoeker voor het gebruik van social media naar die [naam] toe, waarbij [naam] ook zelf een paar keren gebruik heeft gemaakt van social media om te reageren naar klager toe en het verliezen van zijn goede baan niet proportioneel zijn. De feiten zijn ernstig (het beschermingsbevel is overtreden), doch niet ernstig genoeg om een strafvervolging tegen klager in te stellen zonder rekening te houden met het belang van klager namelijk het kwijtraken van een goede baan bij de IDB. In de visie van de Kantonrechter dient ook rekening te worden gehouden met het belang van de klager. Derhalve is een ernstige waarschuwing c.q. berisping geïndiceerd instede van een strafvervolging.

5. De beoordeling
De grieven en het verweer van de verdediging in onderling verband en samenhang beschouwend komt het Hof tot de slotsom dat het Hof zich kan verenigen met de overwegingen en de beslissing van de Kantonrechter. De feitelijkheden die de verdachte in casu heeft gepleegd doen – in perspectief bezien – naar het oordeel van het Hof bij een belangenafweging de balans in de richting van de verdachte uitslaan. Het algemeen belang – normhandhaving door berechting – dient in de visie van het Hof in casu, mede gelet op de feitelijke situatie van vertrek van de aangeefster naar het buitenland en een andere partnerkeuze harerzijds, te wijken voor het individueel belang van de verdachte. Immers moet strafvordering een redelijk doel dienen en zal het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie daarop afgestemd dienen te zijn. Mede in ogenschouw nemend het nadeel voor de verdachte om in het openbaar terecht te staan en dat afzettend in perspectief tegenover het individueel belang van de aangeefster alsmede het algemeen belang komt het Hof tot de slotsom dat de beroepen beschikking dient te worden bevestigd.

6. Beslissing in hoger beroep

6.1. Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking ongegrond;

6.2. Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter gegeven in het Tweede Kanton op 12 februari 2024, waarvan beroep;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 14 oktober 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.J.S. Bradley en mr. C. Klein, rechters met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.