SRU-HvJ-2023-16

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnisnummer: 69/2023
Uitspraak: 20 december 2023
Parketnummer: SPG 3979/07
TEGENSPRAAK

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

APPÈL-STRAFKAMER IN MILITAIRE STRAFZAKEN

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Krijgsraad, gewezen en uitgesproken op 29 november 2019 tegen de verdachte:

DENDOE, STEPHANUS MARINUS,

geboren op 29 januari 1955 in het [district] en wonende aan de [adres] te [plaats], voorheen militair van beroep in de rang van majoor, niet in detentie verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn advocaat I.D. Kanhai, B.Sc.

Ontvankelijkheid appèl
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke door de griffier van de Krijgsraad aan het Hof zijn overgelegd, is gebleken, dat de verdediging op 02 december 2019, en de vervolging op 09 december 2019, op de voorgeschreven wijze appèl hebben aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Krijgsraad.
Gelet op het vorenstaande hebben zowel de verdediging, als ook de vervolging tijdig appèl aangetekend tegen het voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding
Tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn geen preliminaire verweren gevoerd die strekken tot nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie
Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus worden voortgezet.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde in artikel 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Ingevolge het systeem van de wet is het Hof bij het onderzoek ter terechtzitting gebonden aan de tenlastelegging zoals die door het Openbaar Ministerie is opgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting is daarmee begrensd.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar alsmede van hetgeen door de verdachte en diens advocaat naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Krijgsraad in eerste aanleg gewezen en uitgesproken op 29 november 2019, waarbij de verdachte ter zake medeplegen van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, onder aanvulling van de door haar aangehaalde bewijsmiddelen, de verdachte voor hetgeen hem ten laste is gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren en zijn gevangenneming zal gelasten.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Krijgsraad de dato 29 november 2019, is de verdachte – verkort weergegeven – veroordeeld ter zake medeplegen van moord, tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.
In het navolgende zal het Hof verder ingaan op het over en weer aangevoerde ten aanzien van het beroepen vonnis.

De tenlastelegging:
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat hij als militair in de rang van sergeant majoor, in werkelijke dienst bij het Nationaal Leger en ingedeeld bij stafcompagnie van het Nationaal Leger, in ieder geval als militair in de zin van art. 38 of art. 39 van het Wetboek van Militair Strafrecht:
A. Op of omstreeks 07 en/of 08 december en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DESIRÉ DELANO en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, in ieder geval alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad de hierna te noemen perso(o)n(en) van het leven heeft beroofd, namelijk BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden;

Althans, indien en voor zover het onder A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO, althans alleen, opzettelijk middels misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging met geweld en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, heeft uitgelokt tot het plegen van na te melden misdrijf,
hebbende laatstgenoemde perso(o)n(en) [RITFELD, EDGAR en/of (een) ander(en)] tezamen en in vereniging, althans alleen, op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;
opzettelijk en met voorbedachte raad de perso(o)n(en) van BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ van het leven beroofd door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRAJD en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden, hebbende hij verdachte immers op vorenvermelde tijd en plaats tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO althans alleen, genoemde RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, opzettelijk dreigend opgedragen (bevolen) (gesommeerd) tot het plegen van voren omschreven handeling(en) en/of hem (hen) daarvoor en/of daarbij opzettelijk dreigend te kennen gegeven dat hij (zij) het zou(den) ontgelden, althans het ergste zou(den) moeten vrezen, indien hij (zij) voormelde opdracht(en) niet zou(den) uitvoeren, in ieder geval woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of betekenis en aldus tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, opzettelijk die RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n uitgelokt tot het plegen van vorenvermeld misdrijf.

Althans, indien en voor zover het onder A en B gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

C. Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname opzettelijk BOUTERSE, DESIRÉ DELANO en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO, en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n behulpzaam is geweest bij en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) heeft verschaft tot het plegen van na te melden misdrijf, te weten;Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, heeft BOUTERSE, DELANO DESIRÉ tezamen en in vereniging met (onder meer) BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, in ieder geval alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad de hierna te noemen perso(o)n(en) van het leven heeft beroofd, namelijk BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ, door toen aldaar tezamen en in vereniging al voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRAJD en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden,
hebbende hij verdachte, daartoe op vermelde tijd en plaats tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen opzettelijk één of meer van laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) opgehaald en/of daarbij (daarna) bij die woning(en) casu quo verblijfplaats(en) één of meer militairen (personen) doen postvatten, althans doen wachthouden en/of opzettelijk de telefoonkabel(s) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) doorgeknipt (doorgesneden), althans opzettelijk de telefoonverbinding onklaar gemaakt en/of opzettelijk dreigend de huisgeno(o)t(en) van voornoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) medegedeeld (voorgehouden) zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) niet (meer) te verlaten, althans dat voornoemde huisgeno(o)t(en) zich diende(n) op te houden in een bepaalde ruimte in bedoelde woning(en) casu quo verblijfplaats(en) en/of (vervolgens) opzettelijk laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia en aldus opzettelijk BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of GEFFERIE, ERNST en/of ESAJAS, ROY en/of NELOM, JOHN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n behulpzaam geweest bij en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of een inlichting(en) verschaft tot het plegen van voormeld misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De verweren
Door de verdachte is – verkort en zakelijk weergegeven – verklaard, dat hij het niet eens is met het vonnis van de Krijgsraad, omdat er geen sprake was van voorbedachte raad,want de voorbedachte raad is op niets gebaseerd en alles dat tegen hem is verklaard berust niet op de waarheid.
Voorts heeft hij verklaard dat de Krijgsraad heeft nagelaten gebruik te maken van ontlastende verklaringen van de getuigen Mohammedsaid, Henk; Vrede, Evert; Moeslikan, Soepardie en Dijksteel, Iwan.

De advocaat heeft bepleit – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de verdachte van de algehele tenlastelegging vrijgesproken dient te worden op grond van het navolgende:
1. de verdachte heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan het strafbaar feit moord met voorbedachte raad en tezamen en in vereniging, omdat hij niet aanwezig was en geen deelgenoot was bij de december gebeurtenissen van 08 december 1982;
2. de verdachte wist niets af over de plannen met betrekking tot het ophalen van de mensen. Evenmin is hij erbij gehaald in een vergadering in verband met 07, 08 en 09 december 1982;
3. hij was op geen enkele vergadering van de groep van zestien aanwezig;
4. de voorbedachte raad en het tezamen en in vereniging doen plegen van het omschreven strafbaar feit, zoals de vervolgingsambtenaar dat omschrijft, zijn nimmer bewezen;
5. het medeplegen en de voorbedachte raad moeten betrekking hebben op het strafbaar feit en niet op het ophalen, welke immers twee aparte handelingen betreffen;
6. de vervolgingsambtenaar maakt geen onderscheid tussen het ophalen en de gebeurtenissen;
7. het ophalen was legitiem;
8. de alibi’s van de verdachte, [naam 1] en [naam 2] (zussen van de verdachte), hebben verklaard, dat de verdachte bij zijn biologische vader te Koesoewe in het Cottica gebied was toen de mensen dood zijn gegaan;
9. de getuige Monsels, Samuel, heeft op de terechtzitting van de Krijgsraad, de dato 30 oktober 2009, het volgende verklaard: “Ik kan mij niet herinneren of deze verdachte bij de schietoefening aanwezig was.”;
10. de verklaringen van de getuige [naam 3] (weduwe van Baboeram) en Monsels, over de wijze waarop Baboeram is opgehaald, zijn tegenstrijdig. Monsels heeft verklaard dat de verdachte Dendoe, Baboeram uit zijn kamer is gaan halen en dat hij in de woonkamer is gebleven. De getuige [naam 3] heeft verklaard: “John haastte zich daarop, alleen gekleed in een lange broek met ontbloot bovenlijf, om de schuifdeur van het balkon open te doen. Ik liep achter hem aan. Toen de deur een beetje open was, werd hij meteen naar buiten getrokken”.
Volgens deze verklaring is noch Monsels, noch de verdachte in haar woning geweest en wie kan dat beter weten dan deze getuige. Monsels heeft een leugenachtig verhaal opgemaakt niet wetende wat de getuige [naam 3] had verklaard;
11. de bedoeling om het reisdocument van de verdachte te laten zien, was om hetgeen is gezegd, dat de groep van zestien overal samen was en als groep besluiten nam, te ontkrachten. Het is helemaal niet waar dat de groep van zestien telkens bij elkaar was of afstemde of als groep collectief besluiten nam;
12. de verdachte benadrukt dat hij de getuige Monsels niet persoonlijk kende. Hij werd in het laatste kwartaal van 1980 uitgeleend aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken, terwijl Monsels in november 1981 in dienst trad van het Nationaal Leger. De verdachte ging pas begin 1983 terug naar de Memre Boekoe Kazerne. De verklaringen van Monsels zijn absoluut niet waar. De verdachte is niemand met Monsels gaan ophalen. Hij was in die periode niet eens in het Fort Zeelandia;
13. de getuige Monsels heeft verklaard, dat Dendoe en hij op elkaar leken. De getuige Flohr kende Monsels niet en heeft Monsels voor de verdachte aangezien bij het vuurpeloton;
14. het is helemaal niet waar dat de hele groep van zestien zich in het kabinet van Bouterse bevond. De getuige Flohr vergist zich en heeft een verklaring afgelegd die niet op waarheid berust met betrekking tot de aanwezigheid van de verdachte in het Fort Zeelandia. Flohr heeft bij proces-verbaal, de dato 12 december 2002, afgenomen door Ristie, Tjark, Eugene, eerste luitenant der Militaire Politie, verklaard: “Ik begaf mij in het kabinet van Bouterse. Op dat moment bevonden zich de volgende militairen in deze kantoorruimte, te weten: Bouterse, Horb, Bhagwandas, Rozendaal, Dendoe, Geffery, Zeeuw, Sital, Hardjoprajitno. Om kort te zijn, de hele groep van zestien bevond zich in de ruimte met uitzondering van Brondenstein en Tolud.”
Bij proces-verbaal, de dato 15 december 2002, afgenomen door de Rechter-Commissaris, moest Flohr terugkomen op zijn verklaring dat hij zich vergist had en heeft hij verklaard: “De persoon van Zeeuw heb ik die morgen niet in de kamer gezien.”
Flohr heeft aangenomen dat de hele groep van zestien zich daar bevond en noemde slechts acht namen van leden van de groep van zestien. Hawker was sedert maart 1982 overleden. De verdachte was niet daar en Sital was geen lid van de groep van zestien, maar van het militair gezag. Zo is te zien hoe men omging met het gezegde “de groep van zestien” of “de hele groep van zestien”.
Flohr heeft overal waar hij maar kon de naam van de verdachte genoemd om zo geloofwaardig over te komen. Hij heeft dit gedaan om de dood van zijn commandant, vriend en partner Horb, op de verdachte en anderen van de groep van zestien te wreken, omdat hij gelooft dat Horb door toedoen van de groep van zestien dood is gegaan;
15. in het vonnis van de Krijgsraad, de dato 29 november 2019, is op pagina 31 onder punt 11, met als titel: “De strafbaarheid van de verdachte”, geoordeeld, dat de verdachte aanwezig was bij hun voorgeleiding.
De getuige Flohr heeft bij voormeld proces-verbaal, de dato 12 december 2002, afgenomen door Ristie, Tjark, Eugene, eerste luitenant der Militaire Politie, niet verklaard dat de gearresteerde personen in de kantoorruimte van Bouterse waren;
16. bij het formuleren van het vonnis van de Krijgsraad is het proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad, de dato 23 januari 2009, gebezigd, waar de getuige Flohr heeft verklaard: ”Op die bewuste dag gaf Rozendaal mij door dat ik mij moest melden bij Bhagwandas. Bhagwandas verwees mij door naar de zolder. Bouterse was op zijn kabinet. Op dat moment waren er leden van de groep van zestien in die ruimte. De namen waren: Bouterse, Horb, Bhagwandas, Rozendaal, Dendoe, Geffery, Zeeuw, Sital, Hardjoprajitno. Die negen mensen waren in die ruimte.”
Wat is nou waar? De getuige Flohr heeft bij dit proces-verbaal, weer de naam van Zeeuw genoemd. Zijn verklaringen komen niet overeen;
17. in het requisitoir van het OM, de dato 31 januari 2023, is opgenomen dat het groepslid, Rozendaal, Ruben bij de gerechtelijke plaatsopneming, de dato 15 november 2010, heeft verklaard: “Ik kwam om half 6 aan in het Fort. Ik zag Dendoe, Horb en lijken.”
Dit is niet waar. Rozendaal heeft zich op een gegeven moment om onbekende redenen gekeerd tegen de groep van zestien. Hij wist niet waar de verdachte in die periode was;
18. als aan de getuigen expliciet naar de aanwezigheid van de verdachte werd gevraagd, gingen sommigen van het gezegde uit, dat de groep van zestien daar was. Dus nam men aan dat de verdachte automatisch ook daar aanwezig moet zijn geweest. Dat is het geval met de getuige Dijksteel en anderen aan wie expliciet is gevraagd naar de aanwezigheid van de verdachte op 08 december 1982 in het Fort Zeelandia. Er kan gevoeglijk worden aangenomen dat de getuige Dijksteel zeer inconsistent is met zijn verklaring over de aanwezigheid van de verdachte op 08 december 1982 in het Fort Zeelandia. Hawker, lid van de groep van zestien, was in maart 1982 overleden. Het is dus nooit waar geweest dat de hele groep van zestien op 07, 08 en 09 december 1982 in het Fort Zeelandia was.
19. de getuige Dijksteel heeft bevestigend geantwoord op de vraag van het Hof of de verdachte aanwezig was in het Fort Zeelandia, om meineed te voorkomen;
20. zowel de getuigen Mohammedsaid, Henk als ook Vrede, Evert, hebben verklaard dat de verdachte niet in het Fort Zeelandia was. Vrede was soldaat van de dag en kon zich vrijelijk bewegen in het Fort Zeelandia. Hij moest in de gaten houden en rapporteren aan zijn directe commandant wie in en uit het Fort Zeelandia ging. Hij heeft dus van begin tot eind alles met betrekking tot 07, 08 en 09 december 1982 meegemaakt;
21. de getuige Moeslikan, Soepardie heeft bij proces-verbaal, de dato 14 mei 2002, afgenomen door de Rechter-Commissaris in Nederland, verklaard: “Vrijwel de hele groep van zestien heeft zich op die dag ook in het Fort Zeelandia bevonden. Ten aanzien van de persoon van Dendoe wil ik een voorbehoud maken, omdat ik meen te weten dat hij in Cuba was.”
Moeslikan dacht dat de verdachte nog in Cuba was, omdat hij geen contact met het leger noch met de groep van zestien had gemaakt toen hij uit Cuba naar Suriname was teruggekeerd. De verdachte is met goedkeuring van de medeverdachte Bouterse direct zijn vader gaan opzoeken in het binnenland. Moeslikan kwam frequent in de kantoorruimte van Bouterse om post en koffie te brengen. Als de verdachte zich daar ophield, zou Moeslikan de verdachte daar hebben gezien en gewoon verklaren dat hij in het Fort Zeelandia was;
22. de getuige Jankipersadsingh, Birendresingh nam vanwege het gezegde, “de groep van zestien”, aan, dat als een paar leden van de groep van zestien ergens waren gesignaleerd, dat de hele groep van zestien automatisch daar aanwezig was en moest de verdachte dus automatisch ook daar aanwezig zijn. Op de gerechtelijke plaatsopneming van het Hof, de dato 29 november 2022, is Jankipersadsingh teruggekomen op zijn verklaring en heeft met zoveel woorden verklaard dat de verdachte niet in het Fort Zeelandia aanwezig was in de periode 07, 08 en 09 december 1982;
23. De verklaringen over de opdracht aan Monsels en Rozendaal om mensen op te halen verschillen hemelsbreed van mekaar. De getuige Rozendaal heeft bij proces-verbaal, de dato 11 december 2000, afgenomen door de Rechter-Commissaris, verklaard: “De grote groep werd toen onderverdeeld in kleinere groepen en werd ik aangewezen als leider van de groep van zeven tot acht militairen. De namen van mensen uit de groep die ik mij nog kan herinneren zijn Mahadew en Esajas. Ik kreeg de namen en adressen op een stuk papier van Bhagwandas overhandigd.” Monsels heeft verklaard dat hij met de verdachte, nog een soldaat en een burger, dogla type, een man van Hindoestaanse afkomst heeft opgehaald. Dus de heer Baboeram is door drie mannen opgehaald. Monsels heeft ook verklaard dat de instructie aan de groep van Dendoe om Baboeram op te halen rechtstreeks aan de groep van drie personen door Bhagwandas gegeven was. Waarom zou volgens verklaring van Rozendaal, de commandant Bhagwandas groepen van acht militairen samenstellen, waarbij in de groep van Rozendaal drie leden van de groep van zestien waren, die nog bij het operationele van het leger waren en Dendoe, die niet meer bij het Nationaal Leger was ingedeeld, maar naar het Ministerie van Buitenlandse zaken was overgeplaatst en frequent in het buitenland vertoefde, plotseling met Monsels en een soldaat een gelijke opdracht geven met veel minder militairen zonder eens een lid van de groep van zestien aan toe te voegen. Zoals Bhagwandas bekend was, zou hij niet plotseling afwijken om Dendoe de opdracht, net als bij Rozendaal, op een blaadje te geven, in plaats van in het openbaar bekend te maken wat de opdracht was en had hij zeker ook één of twee leden van de groep van zestien aan de groep Dendoe toegevoegd;
24. het is niet juist wat de vervolging in haar repliek op pagina 7 aangeeft, dat: “Uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, alsook in appèl zijn diverse verklaringen van getuigen, die door verschillende instanties zijn gehoord, waaronder de militaire politie en de RC, waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ophalen van de slachtoffers is komen vast te staan.”
Er is maar één getuige die verklaard heeft dat hij met Dendoe en een soldaat de heer Baboeram is gaan ophalen, namelijk Monsels en niet diverse getuigen en die verklaring komt niet overeen met de verklaring van mevrouw Baboeram;
25. er zijn diverse verklaringen van getuigen, die door verschillende instanties zijn gehoord, die verklaard hebben dat de verdachte niet in het Fort Zeelandia was op 07, 08 en 09 december 1982, te weten Mohammedsaid, Vrede, Moeslikan en Jankipersadsingh.

Hetgeen de advocaat hiervoren in de punten 01 tot en met 25 heeft aangevoerd vat het Hof samen als te zijn een beroep op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet, medeplegen van het ten laste gelegde strafbaar feit door de verdachte omdat hij gedurende de periode 07, 08 en 09 december 1982 niet ter plekke zou zijn geweest.

De vervolgingsambtenaar is ingegaan op de door verdachte en diens raadsman aangevoerde verweren en is – kort gezegd – tot de conclusie gekomen dat de verweren niet slagen.

Het Hof zal hierna op deze verweren nader ingaan
Vooropgesteld dient te worden dat het aan de rechter, die over de feiten moet oordelen, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, uit het voorhanden zijnde materiaal te selecteren hetgeen hem, ook uit een oogpunt van betrouwbaarheid, voor het bewijs dienstig voorkomt.
Die selectie behoeft geen andere motivering dan besloten ligt in de weergave van de gebezigde bewijsmiddelen.

Met betrekking tot het verweer dat, door de Krijgsraad de ontlastende verklaringen afgelegd door de getuigen à decharge [getuige 1]; [getuige 2]; Mohammedsaid, Henk; Vrede, Evert en Moeslikan, Soepardie niet voor het bewijs zijn gebezigd
Het Hof is van oordeel dat, dit verweer niet opgaat.
De getuigen [naam 1] en [naam 2] hebben ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato 23 juli 2010, afzonderlijk verklaard dat de verdachte Dendoe in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, bij zijn vader in het Cottica gebied in het district Marowijne was.
De getuige Vrede heeft bij proces-verbaal de dato 11 juni 2001, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat de verdachte Dendoe zich, in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, in het buitenland bevond.
De getuige Moeslikan heeft bij proces-verbaal de dato 14 mei 2002, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat hij meende te weten dat de verdachte zich, in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, in Cuba bevond.
De getuige Mohamedsaid heeft ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato, 20 februari 2009, verklaard, dat hij zich niet kon herinneren dat de verdachte in de periode van 07, 08 en 09 december 1982 in het Fort Zeelandia was. Ter terechtzitting van het Hof van Justitie, de dato 17 augustus 2022, heeft hij verklaard dat de verdachte hem had opgebeld en hem te kennen heeft gegeven, dat hij kan worden gedagvaard om als getuige gehoord te worden. Bij die gelegenheid heeft hij voorts verklaard dat hij de verdachte niet in het Fort Zeelandia heeft gezien in de periode van 07, 08 en 09 december 1982.
De verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het strafbaar feit en heeft evenals de getuigen [naam 1] en [naam 2] bij proces-verbaal verklaard, dat hij zich in de periode van 07, 08 en 09 december 1982, bij zijn vader in het Cottica gebied bevond.
Daarentegen hebben de getuigen à charge, Rozendaal, Ruben; Flohr, Onno; Monsels, Samuel; Dijksteel, Iwan en Jankipersadsingh, Birendresingh bij proces-verbaal onder ede verklaard, dat de verdachte wel in het Fort Zeelandia was op 07, 08 en 09 december 1982.
De getuige Rozendaal was lid van de groep van zestien en heeft bij proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato, 23 maart 2012, verklaard dat hij de verdachte Dendoe en Horb heeft gezien toen hij op 08 december 1982 (het Hof begrijpt: kennelijk 09 december 1982 in plaats van 08 december 1982), ‘s morgens om 05.30 uur in het Fort Zeelandia aankwam nadat hij de gebouwen had platgeschoten. Voorts heeft getuige Rozendaal verklaard dat de verdachte Dendoe ook aanwezig was bij de schietoefeningen.
De getuige Flohr, heeft bij proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato, 23 januari 2009, verklaard dat, hij de verdachte Dendoe op 08 december 1982, tezamen met andere leden van de groep van zestien en leden van de regering in het kabinet van Bouterse heeft gezien op het moment dat zij in vergadering met elkaar waren.
Daarnaast heeft de getuige Flohr zowel bij eerder vermeld proces-verbaal alsook bij het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming van de Krijgsraad de dato, 23 maart 2012, verklaard dat de verdachte Dendoe achter het vuurpeloton stond toen hij, Flohr, daaraan had deelgenomen.
De getuige Dijksteel heeft ter terechtzitting van het Hof van Justitie, de dato 17 augustus 2022, verklaard dat hij de verdachte Dendoe wel op enig moment in het Fort Zeelandia heeft gezien in de periode 07, 08 en 09 december 1982.
De getuige Jankipersadsingh heeft bij proces-verbaal de dato 07 mei 2002, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard, dat de leden van de groep van zestien heel goed bij hem bekend waren. Hij heeft daarbij nadrukkelijk verklaard dat alle leden van de groep van zestien zich op 08 december 1982 in het Fort Zeelandia bevonden en dat hij de verdachte Dendoe heel goed kent en zich absoluut niet kan vergissen in hem.
De getuige Monsels, heeft bij proces-verbaal ter terechtzitting van de Krijgsraad de dato 30 oktober 2009, verklaard dat, hij tezamen met de verdachte Dendoe en een soldaat de persoon van Baboeram is gaan ophalen, waarbij de verdachte Dendoe, Baboeram uit zijn huis heeft gehaald.
De getuige [naam 4] (echtgenote van het slachtoffer Oemrawsingh en zus van de getuige [naam 3]) heeft bij proces-verbaal, de dato 15 mei 2002, onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris in Nederland verklaard, dat drie militairen haar man in opdracht van hogerhand waren komen halen. Zij waren in een militaire jeep gekomen en waren gewapend met Uzi’s. Nadat de militair, die de wacht op het terras hield, bij daglicht werd opgehaald, is zij naar de woning van Baboeram gegaan. Daar zag zij dat het huis overhoop lag en zag zij kogelinslagen buiten aan de zijkant van de woning.
In het verlengde van deze verklaring concludeert het Hof dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen Monsels en [naam 3], dat Baboeram door 3 militairen is opgehaald, te weten de verdachte Dendoe, Monsels en een soldaat en dat de verdachte Dendoe, Baboeram uit zijn huis heeft gehaald.

Het Hof overweegt naar aanleiding van het door de verdediging gestelde dat de verdachte niet op de plaats delict was als volgt:
1. Uit de bewijsmiddelen is naar voren gekomen dat in het kader van de uitvoering van het strafbaar feit, de slachtoffers door leden van de groep van zestien met wie Bouterse een vertrouwensband had – met ondersteuning van daartoe aangewezen militairen – zijn opgehaald en geëxecuteerd. Uit het onderzoek is voorts genoegzaam gebleken dat de groep van zestien erbij werd gehaald wanneer er zich bepaalde zaken voordeden.
2. Dat de getuige Jankipersadsingh bij de gerechtelijke plaatsopneming in appèl heeft verklaard, dat hij de verdachte Dendoe op die bewuste dagen niet in het Fort Zeelandia heeft gezien, komt ongeloofwaardig over bij het Hof. Hetgeen de getuige, ongeveer 20 jaren eerder in eerste instantie heeft verklaard komt bij het Hof plausibeler over, daar dat moment aanzienlijk dichterbij lag bij het gebeuren in december 1982 dan bij de naderhand ter gelegenheid van de gerechtelijke plaatsopneming afgelegde verklaring in 2022.
3. Hetgeen de getuigen Moeslikan en Vrede hebben verklaard, erop neerkomende dat verdachte Dendoe in de periode 07, 08 en 09 december 1982 niet in het land was staat haaks op de bewering van verdachte Dendoe zelf die heeft aangegeven wel in het land te zijn geweest. Die verklaringen van Moeslikan en Vrede worden derhalve niet geloofwaardig geacht door het Hof.
4. Met betrekking tot de verklaringen van de getuigen à décharge [naam 1] en [naam 2] acht het Hof deze eveneens niet geloofwaardig gelet op de duidelijke en consistente verklaringen van 5 getuigen te weten Rozendaal, Ruben; Flohr, Onno; Monsels, Samuel; Dijksteel, Iwan en de eerdere verklaringen van Jankipersadsingh, Birendresingh dat de verdachte wel in het Fort Zeelandia was op 07, 08 en 09 december 1982.
Overigens zijn de getuigen à décharge [naam 1] en [naam 2] zussen van de verdachte Dendoe waardoor het Hof in het kader van de geloofwaardigheid van die verklaringen met gepaste behoedzaamheid daarmee zal omgaan.
In dat kader heeft het Hof deze getuigenverklaringen in perspectief geplaatst tegenover de verklaringen van bovengenoemde ooggetuigen en helt de balans qua geloofwaardigheid in de visie van het Hof in de richting van de ooggetuigen.
5. Vijf verschillende getuigen hebben verklaard dat de verdachte in het Fort Zeelandia aanwezig was in de periode 07, 08 en 09 december 1982 en wat zijn bijdrage is geweest vóór, tijdens en na het plegen van het strafbaar feit. Het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, is naar het oordeel van het Hof niet aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, maar op basis van de verklaringen van meerdere getuigen, die in onderling verband en in onderlinge samenhang met elkaar zijn beschouwd.
Wanneer de ontkennende verklaring van de verdachte wordt afgezet tegenover de in het vonnis van de Krijgsraad aangehaalde bewijsmiddelen aangevuld met de in dit appèl aangehaalde bewijsmiddelen, met name de verklaringen van de verschillende getuigen, in het bijzonder de getuigen Rozendaal, Ruben; Flohr, Onno; Monsels, Samuel; Dijksteel, Iwan; Jankipersadsingh, Birendresingh; [naam 3] en [naam 4], kan de ontkennende verklaring van de verdachte worden opgevat als een kennelijk leugenachtige verklaring met de bedoeling om de waarheid te bemantelen.

Uit bovengenoemde punten is onomstotelijk komen vast te staan dat het de verdachte Dendoe is geweest die Baboeram tezamen met 2 andere militairen heeft opgehaald, hem naar het Fort Zeelandia heeft gebracht, in vergadering met medeverdachte Bouterse en anderen in het kabinet van medeverdachte Bouterse aanwezig was en achter het vuurpeloton heeft gestaan toen enkele slachtoffers werden geëxecuteerd.
Overigens acht het Hof het niet aannemelijk dat de verdachte toestemming van medeverdachte Bouterse zou hebben gehad om zich in deze periode naar het district Marowijne te begeven. Immers stond het machtsbehoud van de militairen op het spel.
Het Hof komt derhalve tot het oordeel dat het verweer betreffende de alibi van de verdachte faalt en zal het Hof daaraan voorbijgaan.

Ten aanzien van het verweer betreffende de deelnemingsvorm medeplegen
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake was van medeplegen, omdat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het Hof kan zich verenigen met de zienswijze van de Krijgsraad. Immers dient de vraag te worden beantwoord of de bewezenverklaarde intellectuele of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
Bij de vorming van het oordeel dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte, uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger zal niet alleen worden geleverd tijdens het begaan van het strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar ook in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbaar feit. Daarbij is de lijfelijke aanwezigheid niet noodzakelijk voor de kwalificatie van medeplegen van het ten laste gelegde delict.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is reeds genoegzaam gebleken dat de verdachte tezamen met onder meer Bouterse, Desiré; Bhagwandas, Paul; Horb, Roy; Gorré, Arthy; Gefferie, Ernst; Esajas, Roy; Nelom, John; Zeeuw, Marcel; Brondenstein, Benny; Rozendaal, Ruben; Mahadew, Guno; Leefland, Ewoud; Tolud, Roy; Dijksteel, Iwan; Lewis, Lucien, Flohr, Onno; Monsels, Samuel en Kempes, Kenneth, betrokken was bij de uitvoering van het plan om de mensen op te halen die tegen het militair regiem waren en hen van het leven te beroven.
Ook het plan over het ophalen was onderdeel van het draaiboek. De verdachte heeft steeds ontkend betrokken te zijn geweest bij het strafbaar feit, doch is naar het oordeel van het Hof uit getuigenverklaringen het tegendeel komen vast te staan.
De verdachte heeft zowel bij de voorbereiding als ook bij de uitvoering van het strafbaar feit een belangrijke rol vervuld. Bij de voorbereiding van het strafbaar feit heeft hij een rol vervuld bij het ophalen van het slachtoffer Baboeram en was hij daarna tezamen met anderen aanwezig tijdens een vergadering in het kabinet van medeverdachte Bouterse en bij de uitvoering van het strafbaar feit was hij aanwezig bij de executie van enkele slachtoffers.

Het Hof komt op grond van de hiervoren aangehaalde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de bewezenverklaarde bijdrage van de verdachte aan het delict van zwaarwegend gewicht is geweest, zodat hier sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

De vraag die vervolgens gesteld moet worden is of de verdachte wist dat er meerdere mensen werden opgehaald met de bedoeling hen van het leven te beroven.
Ten aanzien daarvan overweegt het Hof als volgt:
1. De getuige [naam 3] (weduwe van het slachtoffer Baboeram), heeft ten aanzien van een door een soldaat, die in de woning van Baboeram was achtergebleven, gemaakte opmerking bij proces-verbaal de dato 20 december 2001, afgenomen door agent van politie Vermeer, L. het navolgende verklaard:
“jouw man had president van het land willen worden. We pakken ze allemaal. Misschien is hij met de anderen nu al in de hemel of in de hel”,
2. De getuige [naam 5] (weduwe van het slachtoffer Kamperveen) heeft bij proces-verbaal de dato 14 mei 2002 ten overstaan van de brigadier-rechercheur van politie, Bol, Patrick, onder andere, verklaard: “Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden” en
3. De getuige Derby, Frederik heeft bij proces-verbaal de dato 28 oktober 2000 afgelegd ten overstaan van inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving, onder andere verklaard: “Hoost vroeg op een gegeven moment naar water en kreeg van de militairen op het balkon te horen dat zij geen water geven aan mensen die zij straks dood gaan schieten, dat is vermorsen van het water”.

Het Hof stelt vast dat als ondergeschikte militairen, die lager in rang waren, wisten dat er meerdere mensen werden opgehaald met de bedoeling hen van het leven te beroven, de verdachte Dendoe als lid van de groep van zestien en tevens deel uitmakende van de groep militairen die Baboeram ging ophalen, dat ook moet hebben geweten. Derhalve concludeert het Hof dat de groepen, die werden samengesteld om de personen op te halen, op de hoogte waren van het feit dat deze mensen van hun leven zouden worden beroofd en dus ook de verdachte Dendoe, die de leiding had van de groep die het slachtoffer Baboeram heeft opgehaald, dit zou moeten hebben geweten.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van opzet
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake moet zijn geweest van voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden.

Het Hof kan zich niet verenigen met deze zienswijze van de Krijgsraad en dient de vraag te worden beantwoord of de gedraging de bedoeling had dat een bepaald gevolg zal intreden.
Er is sprake van opzet als oogmerk indien de verdachte willens en wetens een handeling heeft verricht en het effect of gevolg daarvan ook heeft beoogd.
Niet ter discussie staat dat verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen de slachtoffers van het leven heeft beroofd. Dit volgt naar het oordeel van het Hof reeds uit de wijze waarop het eraan is toegegaan. Hiervoor is reeds vermeld op welke wijze verdachte te werk is gegaan, waarbij hij tezamen met anderen is overgegaan tot uitvoering van het plan (draaiboek).
Naar het oordeel van het Hof zijn dergelijke gedragingen naar hun aard gericht op het om het leven brengen van de slachtoffers. Uit getuigenverklaringen is komen vast te staan dat de verdachte zowel bij de voorbereiding en uitvoering van het strafbaar feit betrokken is geweest. Door een rol te hebben vervuld bij het ophalen van het slachtoffer Baboeram, daarna tezamen met anderen aanwezig te zijn geweest in het kabinet van medeverdachte Bouterse en vervolgens bij de executie van enkele slachtoffers, heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof voldoende blijk gegeven dat hij willens en wetens deze handelingen heeft verricht en het gevolg daarvan ook heeft beoogd.
Hij heeft zich nimmer gedistantieerd van de hiervoren vermelde handelingen. De verdachte had als lid van de groep van zestien immers alle baat bij om te participeren aan de actie van het militair gezag, zodat zij aan de macht kon blijven.
Hier is derhalve in de visie van het Hof geen sprake van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet doch van opzet als oogmerk. Het van het leven beroven van de slachtoffers door verdachte tezamen en in vereniging met anderen is willens en wetens gebeurd. Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt verworpen en wordt het beroepen vonnis in zoverre ambtshalve verbeterd.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van de voorbedachte raad
Door de verdachte is ter terechtzitting aangegeven dat hij zich, op het moment van het strafbaar feit, bij zijn vader in het binnenland bevond, waardoor er geen sprake geweest kan zijn van voorbedachte raad om de opgehaalde personen dood te schieten.

Uit de bewoordingen van de verdachte begrijpt het Hof, dat hij zich erop beroept dat er geen sprake was van voorbedachte raad om de opgehaalde personen te doden, omdat hij naar zijn zeggen niet in het Fort Zeelandia was in die periode, maar bij zijn vader in het Cottica gebied in het district Marowijne. Het Hof begrijpt dat de verdachte hiermee wenst aan te geven dat hij niet in het Cottica gebied zou zijn als er plannen waren de opgehaalde mensen van het leven te beroven.

Het Hof heeft hiervoor al overwogen en vastgesteld dat het alibi van de verdachte Dendoe niet is komen vast te staan. Met voorgaande vaststelling is het daartoe strekkend verweer reeds verworpen.
Voorts is het Hof van oordeel dat van voorbedachte raad sprake is wanneer de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.
Het gaat dus niet om daadwerkelijk nadenken of zich rekenschap geven, maar om de tijd en gelegenheid daartoe. Dat tijdsverloop hoeft helemaal niet lang te zijn en mag zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen, zeker als die enige tijd in beslag nemen.
Het Hof neemt in dit kader de volgende feiten en omstandigheden, die uit de bewijsmiddelen zijn voortgekomen, in aanmerking te weten:
1. Het toenmalig militair gezag heeft zorgvuldig een draaiboek opgesteld met de bedoeling om een operatie uit te voeren. Het plan (draaiboek) dat is gemaakt had de bedoeling om het tij te keren;
2. In het kader van het draaiboek zijn er lijsten opgemaakt van personen die opgehaald en overgebracht zouden worden naar het Fort Zeelandia;
3. Ter uitvoering van genoemd draaiboek zijn in de ochtend van 07 december 1982 door daartoe geselecteerde militairen (voornamelijk bestaande uit leden van de groep van zestien),
geselecteerde militairen van de Echo Compagnie, lijfwachten en mensen van de inlichtingendiensten schietoefeningen gehouden;
4. De groep personen die de schietoefeningen hadden gehouden verzamelden zich in de vooravond van 07 december 1982 in het Fort Zeelandia alwaar er groepjes werden samengesteld die instructie kregen wie zij moesten ophalen en op welke manier dat moest plaatsvinden.
Met name diende voorkomen te worden dat de op te halen personen danwel huisgenoten contact zouden maken met anderen. In voorkomende gevallen werden telefoonlijnen doorgesneden en werden er militairen ten huize van de opgehaalde personen achtergelaten ter voorkoming dat de achtergebleven huisgenoten het huis zouden verlaten. Door de daarmee belaste groepjes militairen werden de in de nacht van 07 op 08 december 1982 opgehaalde personen overgebracht naar het Fort Zeelandia;
5. De verdachte was in december 1982 lid van de groep van zestien, die ter uitvoering van het draaiboek, de opdracht kreeg om het slachtoffer Baboeram op te halen;
6. Ook Rambocus, Soerendra Sradhanand en Sheombar, Djiewansingh werden uit de cel van respectievelijk de penitentiaire inrichting te Santo Boma en de Memre Boekoe kazerne, alwaar zij gedetineerd waren, gehaald en overgebracht naar het Fort Zeelandia;
7. Daartoe geïnstrueerde militairen hebben in de avond van 07 op 08 december 1982 het gebouw van de Moederbond opgeblazen en werden de radiostations Radika en ABC alsook het gebouw waarin het dagblad de Vrije Stem was ondergebracht in brand gestoken. Militairen verhinderden dat de brandweer de branden kon blussen;
8. Als afleidingsmanoeuvre hebben daartoe geïnstrueerde militairen die zich bevonden in het Fort Zeelandia gedurende de periode van de avond van 07 december 1982 tot de ochtend van 09 december 1982 op verschillende momenten schoten gelost;
9. Vanaf de vroege ochtend tot laat in de avonds van 08 december overgaand in 09 december 1982 zijn de 16 opgehaalde personen op verschillende momenten door militairen in verschillende groepssamenstellingen, al dan niet alleen, gebracht bij medeverdachte Bouterse, die besliste over het lot van de voorgeleide personen. Kort hierna werden, met uitzondering van Frederik Derby die later op vrije voeten werd gesteld, de latere slachtoffers op verschillende momenten gemarteld casu quo zwaar mishandeld en vervolgens om het leven gebracht. Daartoe werden er ook vuurpelotons samengesteld, die de opdracht kregen de daartoe aangewezen slachtoffers dood te schieten;
10. De verdachte was tezamen met andere leden van de groep van zestien aanwezig in het kantoor van Bouterse tijdens de beraadslaging en vervolgens bij de executie van enkele slachtoffers tijdens een samengesteld vuurpeloton;

Uit de hiervoren weergegeven 10 punten valt af te leiden dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het genomen besluit om de slachtoffers van het leven te beroven. Immers vanaf het ophalen van het slachtoffer Baboeram en het moment waarop de verdachte zich in het kantoor van medeverdachte Bouterse bevond tot op het moment waarop hij bij de executie van enkele slachtoffers aanwezig was, heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Op dat moment waren een aantal slachtoffers nog in leven en lag het naar het oordeel van het Hof in de lijn der verwachting dat deze slachtoffers hetzelfde noodlot te wachten stond. Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt op grond van het voorgaande verworpen.

Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van het Hof onomstotelijk dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachte raad de 15 slachtoffers van het leven heeft beroofd.
Concluderend is het Hof van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde verweren, neerkomende op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet danwel medeplegen falen. Al hetgeen de verdediging dienaangaande heeft aangevoerd wordt derhalve verworpen.

De door het Hof gebruikte aanvullende bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de bewijsmiddelen van het beroepen vonnis alsmede in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.
Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2022, inhoudende de verklaring van de getuige Dijksteel, Iwan Leendert, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Volgens mij heb ik de verdachte DENDOE in die drie dagen wel op enig moment gezien in het Fort Zeelandia. Ik heb daadwerkelijk bevestigd dat de hele groep van zestien aanwezig was en dat het een komen en gaan was van de leden van deze groep. Ik heb de verdachte DENDOE wel even gezien in het Fort Zeelandia, maar ik weet niet meer op welke dag.”

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Krijgsraad van 23 maart 2012, inhoudende de verklaring van de getuige Rozendaal, Ruben, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Bij de Moederbond was ik met Esajas en Dijksteel. Ik heb met een bazooka de Moederbond opgeblazen. Ik ben toen controle gaan uitoefenen op andere plaatsen. Ik probeerde toen Bhagwandas te bereiken en het lukte niet. Ik besloot mij toen terug te trekken. Ik ging naar het Fort. Toen ik daar aankwam, zei een officier aan mij: “ga boven kijken”. Boven aangekomen, zag ik lijken verspreid liggen. Ik weet niet precies om hoeveel lijken het ging. Ik heb Horb en Dendoe gezien. Het was niet helder. Het was schemerig. Het waren 7-8 lijken. Ik heb daarna begrepen dat het om vijftien personen ging. Ik heb tot 5 uur schoten gehoord.”

3. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3], (weduwe het slachtoffer van Baboeram) in wettelijke vorm opgemaakt door agent van politie Vermeer, Letitia Marlene van 20 december 2001, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“In de nacht van 7 op 8 december 1982 was het zover. Omstreeks 02.00 uur werd onze nachtrust ruw verstoord door roepende stemmen op het balkon van onze woning, aan de [straatnaam], [perceelnummer] te [plaats], gepaard gaande met schoten uit een of meer vuurwapens. John, die als eerste wakker werd, zei “ze zijn mij komen halen”. Hiermee bedoelde hij dat hij door militairen was opgehaald. Hij begon zijn kleren aan te trekken. Buiten werd het geroep steeds harder en ongeduldiger. Er werd iets geroepen in de trant van “Baboeram, je moet naar buiten komen. Maak open”. Omdat het een en ander blijkbaar niet snel genoeg ging, werd er weer geschoten. Daarop luidde een luid kermend geblaf van onze hond en ik zei “ze hebben Hira doodgeschoten”. John haastte zich daarop, alleen gekleed in een lange broek en met bloot boven lijf om de schuifdeur van het balkon open te doen. Ik liep achter hem aan. Toen de deur een beetje open was, werd hij meteen naar buiten getrokken. Een gewapende soldaat, wiens naam mij onbekend is, liep het huis binnen en werd er vanaf het balkon geroepen “die vrouw moet binnen blijven”. Ik hoorde John nog zeggen “wacht even dan kleed ik mij verder aan”, maar dat werd hem niet gegund. Hij werd meteen weggevoerd in een gereedstaande auto. Hoeveel mensen er op het balkon hebben gestaan, weet ik niet, omdat ik niets heb kunnen zien. De soldaat die binnen was gekomen, bleef achter. Hij was een vrij jonge man. Hij maakte de telefoon onklaar en gebood mij om aan de keuken tafel te gaan zitten. Hij gebruikte allerlei liederlijke taal zoals “als je niet rustig blijf dan blaas ik het heel huis met baby en al op. Hij hield mij een granaat onder de neus. Hij sprak vrij diep Surinaams, waarbij ik niet alles van begreep. Ik dacht dat hij misschien tot een bosneger stam behoorde en dat hij die taal ook tussendoor sprak, waardoor het niet helemaal voor mij te volgen was. Hij sprak ook Nederlands. Hij zei dat mijn man President van het land had willen worden en zei “we pakken ze allemaal. Misschien is hij nu met de anderen al in de hemel of in de hel”. Toen ik zei dat hij voor wat betreft de ambities van John meer wist dan ik, werd hij boos en sloot mij op in het toilet. Hij was achter gebleven om de wacht te houden. Het was rond 07.00 uur, maar mijn deur was nog op slot. De soldaat kwam naar boven en maakte de deur open. Hij vloekte, omdat hij nog steeds niet was opgehaald, maar kort daarna kwam de militaire auto aan en hij verdween. De telefoon in de slaapkamer bleek nog te werken nadat ik de stekker in het stop contact had gedaan. Ook bleek de hond niet dood te zijn. In het huis waren er aan de achterkant bij de achterdeur kogel inslagen in de muur te zien”.

4. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 4], (weduwe van het slachtoffer Oemrawsingh), onder ede afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris in Nederland van 15 mei 2002, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Mij wordt gevraagd wat er precies gebeurde in de vroege ochtend van 08 december 1982. Het was een paar minuten voor 01.30 uur toen drie militairen mijn man kwamen halen. Wij werden verrast. Ik kan mij geen beeld meer voor de geest halen hoe die militairen eruitzagen. Zij waren in tenue. Zij hadden uzi’s bij zich. Zij waren in een militaire jeep gekomen. Ik weet niet meer precies wat zij zeiden. Het kwam neer op: “wij moeten u meenemen”. Zij zeiden dat het een opdracht was van hogerhand. Één militair is achtergebleven. Ik weet nu niet meer zeker of er één of twee waren. De telefoon was afgesneden. De militair hield wacht op het terras. Mijn man is niet hardhandig meegenomen. Er is niet geschoten. Mijn man heeft zich niet verzet. Toen het dag werd, is de militair opgehaald. Ik ging als eerst naar de advocaat van mijn man, die toevallig ook mijn zwager is. Het bleek dat die ook was opgehaald. Mij bleek dat zich daar ergere taferelen hadden voorgedaan. Ik zag dat het huis overhoop lag. Ik zag kogelinslagen buiten aan de zijkant van het huis. Ik meen me te herinneren dat wij op 10 december 1982 in het mortuarium waren. De dag nadat we steeds geruchten hadden gehoord dat ze samen in één gat begraven zouden worden. De lijken lagen niet in kasten, maar op een soort bedden, die naast elkaar met een tussenruimte, in één ruimte stonden. Het was daar een bloedbad. Overal lag bloed op de grond. Over mijn man lag een laken. Ik zag alleen zijn hoofd. Ik zag bij zijn linkerwang een schotwond en aan de rechterkant van zijn hoofd een grote wond.”

5. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 5], (weduwe van het slachtoffer Kamperveen) ter uitvoering van de rogatoire commissie in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, in wettelijke vorm opgemaakt door de brigadier-rechercheur van politie, Bol, Patrick van 14 mei 2002, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden”.

6. Het Proces-verbaal van verhoor van de getuige Derby, Frederik, onder ede afgelegd ten overstaande van de inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving, van 28 oktober 2000, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Hoost vroeg op een gegeven moment naar water en kreeg van de militairen op het balkon te horen dat zij geen water geven aan mensen die zij straks dood gaan schieten, dat is vermorsen van het water”.

Aanvulling en verbetering van de bewezenverklaring door het Hof
Het is het Hof ambtshalve gebleken dat de door de Krijgsraad in eerste aanleg gebezigde bewezenverklaring aanvulling behoeft met de namen van Lewis, Lucien en Monsels, Samuel nu deze namen niet zijn opgenomen als te zijn ook de personen met wie de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft begaan.
Voorts behoeft de door de Krijgsraad in eerste aanleg gebezigde bewezenverklaring verbetering in dier voege dat de namen van de personen, Hardjoprajitno, Johnny; Sital, Badrisein en Graanoogst, Ivan, dienen te worden doorgehaald, aangezien de bewezenverklaring ten aanzien van deze personen niet is komen vast te staan.
Het Hof zal na deze constatering de bewezenverklaring in dier voege ambtshalve aanvullen en verbeteren.

Nadere bewijsoverwegingen
Uit het politioneel dossier, alsmede uit het onderzoek ter terechtzittingen in zowel eerste aanleg als in hoger beroep, blijkt het navolgende. De verdachte was in de periode 07, 08 en 09 december 1982 lid van de groep van zestien.
Voorafgaand aan de gebeurtenissen van 07, 08 en 09 december 1982 was er onrust binnen grote delen van de samenleving. Er waren spanningen in het land waarbij de sfeer grimmig was. Alleen Palu (Progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie) en de RVP (Revolutionaire Volkspartij) mochten politieke activiteiten ontplooien. De partijen die het niet eens waren met het bewind werden verboden bijeenkomsten te houden. Dat werd officieel afgekondigd. Er was geen persvrijheid.
Er waren opstanden van maatschappelijke groeperingen zoals massastakingen van vakbonden die op straat gingen en studenten onrust, waarbij de universiteit en middelbare scholen gesloten werden. Grote delen van de samenleving eisten herstel van de democratische rechtsorde. Voorts werd geëist dat het militair gezag haar belofte moest waarmaken door verkiezingen in oktober 1982 uit te schrijven om zodoende de regeermacht over te dragen aan een burgerregering.
Echter viel dit niet in goede aarde bij het militair gezag. Immers was machtsbehoud voor hen belangrijker dan teruggaan naar de democratische rechtsorde. Naar aanleiding hiervan heeft het militair gezag het plan gemaakt om het tij te keren door voorvechters van de democratie en rechtsstaat, uit te schakelen casu quo te elimineren. Het plan heeft de zegen van de medeverdachte Bouterse gehad. Het plan is in het draaiboek vastgelegd. Het draaiboek is zorgvuldig voorbereid tijdens vergaderingen, die de medeverdachte Bouterse leidde en waarbij een beperkt aantal mensen aanwezig waren, die een strikte geheimhoudingsplicht hadden.
De toenmalige legerleider heeft zelf te kennen gegeven dat het militair gezag niet over één nacht ijs is gegaan om het draaiboek voor te bereiden.
Op 07 december 1982 zijn er schietoefeningen gehouden, waarbij nieuwe wapens (FAL) werden uitgetest op de schietbaan te OP-Savanne achter Zanderij. Daarbij was een groot deel van de groep van zestien aanwezig, waaronder ook deze verdachte.

Als onderdeel van het draaiboek is een lijst met namen gemaakt van de mensen die opgehaald moesten worden. Burgers werden ingezet om de adressen van de mensen aan te wijzen. Enkele personen die opgehaald moesten worden zijn niet aangetroffen.

In de nacht van dinsdag 07 december 1982 en gedurende de daaropvolgende dag, 08 december 1982, zijn zestien mensen in opdracht van de medeverdachte Bouterse opgehaald door groepen bestaande uit de leden van de groep van zestien. De opdracht was dat de mensen opgehaald moest worden en dat moest zo snel mogelijk gebeuren. Het liefst in het holst van de nacht. Daarbij moest iedereen tegelijk worden aangepakt en moest de communicatie met andere comparanten voorkomen worden, zodat zij elkaar niet konden waarschuwen. Dat heeft ook volgens het boekje plaatsgevonden en is het er gewelddadig aan toe gegaan.

Onderdeel van het draaiboek, naast het ophalen van de 16 mensen en de wijze hoe dat moest gebeuren, was ook het in brand steken van diverse mediahuizen en het vakbondsgebouw van “De Moederbond”. Het telecommunicatiebedrijf Telesur werd in die periode door militairen bewaakt. Er mochten geen buitenlandse gesprekken gevoerd worden en telefoongesprekken werden afgetapt.

De mensen zijn naar het Fort Zeelandia overgebracht. Van de 16 mensen werden 11 in de veelbesproken Bermuda driehoek ingesloten, te weten Derby, Riedewald, Hoost, Baboeram, Gonsalves, Kamperveen, Daal, Rambocus, Sheombar, Slagveer en Wijngaarde. Zij waren alleen gekleed in hun ondergoed. Van de lijfwachten van medeverdachte Bouterse, die boven op het balkon stonden, kregen zij op agressieve wijze te horen dat zij niet met elkaar mochten communiceren, niet tegen de muren mochten leunen en ook niet mochten zitten.
Vanuit deze ruimte is medeverdachte Bouterse in de vroege ochtend van 08 december 1982 gezien. Hij zat achter zijn bureau met zijn rug naar de 11 slachtoffers toegekeerd. De overige 5 mensen, te weten Rahman, Behr, Oemrawsingh, Sohansingh en Leckie, waren elders in het Fort Zeelandia ingesloten.

De slachtoffers werden door de dag heen op verschillende momenten in groepjes danwel afzonderlijk gebracht casu quo voorgeleid voor de verdachte Bouterse. Na deze voorgeleiding werden de slachtoffers afgevoerd naar een andere plaats aan de achterzijde van het Fort Zeelandia te weten de Bastion Veere. Aldaar werden zij door ingestelde vuurpelotons doodgeschoten.

Op hetzelfde moment werd ook aan de voorzijde, bij de ingang van het Fort Zeelandia, als afleidingsmanoeuvre geschoten. Aan de manschappen was doorgegeven dat wapens in het Fort Zeelandia zouden worden uitgetest.

Op 08 december 1982, tussen 08.00-12.00 uur, is er een video-opname van de latere slachtoffers Kamperveen, André en Slagveer, Jozef Kamperveen en Slagveer gemaakt, waaruit blijkt dat zij onder druk van het militair gezag een voorgeschreven verklaring hebben moeten voorlezen, dat zij tezamen met het buitenland met coupplannen bezig waren.

Alleen Derby heeft in opdracht van de medeverdachte Bouterse het Fort Zeelandia levend mogen verlaten.

De lijken zijn op 09 december 1982 in groene tenthelften opgerold, ingeladen in de laadbak van een blauw gelakte pick-up en naar het mortuarium vervoerd door militairen. Aan de nabestaanden werd door de militair Ruimveld voorgehouden dat de slachtoffers in een vluchtpoging zijn doodgeschoten. Hij heeft met machtiging van de Procureur-Generaal op 21 december 1982 aangifte van het overlijden van de slachtoffers gedaan, waarbij 09 december 1982, omstreeks 12.00 uur als datum en tijdstip van overlijden is doorgegeven.
Het mortuarium werd zwaar bewaakt door militairen. Nabestaanden mochten slechts met toestemming van de militairen hun familielid identificeren en mochten alleen het gezicht zien. Er mocht geen sectie op de lijken verricht worden. Het personeel van het mortuarium mocht ook niet administreren dat de lijken op die dag binnen zijn gebracht. De militairen hadden het beheer over de sleutels van de koelcellen van het mortuarium. Na de begrafenis werden de begraafplaatsen gedurende twee weken bewaakt door militairen.

Op 10 december 1982 is de medeverdachte Bouterse op de televisie verschenen met een verklaring dat de slachtoffers waren opgepakt, omdat zij bezig waren met een coup en tijdens een vluchtpoging zijn doodgeschoten.

De strafbaarheid van het feit:
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Nadere overwegingen omtrent de strafoplegging
Het Hof kan zich verenigen met de strafmotivering van de Krijgsraad zoals opgenomen in het beroepen vonnis de dato 29 november 2019 en neemt deze over onder aanvulling en verbetering als volgt.

Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor na te melden duur met zich meebrengt. Daarbij is het Hof in het bijzonder uitgegaan van het navolgende:
– De ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum zoals dat gold ten tijde van het plegen van het delict en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
– Het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de geschokte maatschappelijke rechtsorde die daarvan het gevolg is geweest alsmede de vrees en de gevoelens van onveiligheid die dat gedurende vele jaren heeft veroorzaakt bij grote delen van de samenleving;
– De verdachte heeft, naar het oordeel van het Hof, nimmer spijt betuigd over het gebeurde en ook geen enkel teken van berouw getoond naar de nabestaanden toe;
– Het belang van de samenleving bij normhandhaving door berechting enerzijds afgezet tegen het belang van de samenleving om te worden beschermd tegen dergelijk gewelddadig gedrag is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het Hof op zijn plaats;
– Het Hof rekent het de verdachte ook aan dat hij geen openheid van zaken heeft willen geven over het gebeuren.
– Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen deelgenomen aan het van het leven beroven van de slachtoffers, het ergste wat een mens een ander kan aandoen. Verdachte heeft daarmee vele echtgenotes, partners, kinderen en andere naasten leed en verdriet toegebracht. Hun leed is onherstelbaar, hun gemis blijft.
– Een moord is schokkend voor de samenleving.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor een moord, zal de rechter meestal denken aan een tijdelijke langdurige gevangenisstraf.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor meerdere moorden, zal de rechter ook overwegen of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf nodig is. Verdachte wordt nu veroordeeld voor het medeplegen van meerdere ernstige levensdelicten.
Voor het Hof is het belangrijkste doel bij het opleggen van een straf in deze zaak de vergelding voor wat verdachte anderen heeft aangedaan. Daarnaast ziet het Hof als doel van de bestraffing dat anderen ervan worden weerhouden om dit soort misdrijven te plegen.

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen de tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren te rekwireren en heeft de Krijgsraad een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren opgelegd. In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen wederom te rekwireren tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren, thans aangevuld met de vordering een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen.

Heden zijn reeds ruim 41 (eenenveertig) jaren verstreken nadat het feit is gepleegd. Degenen die gerechtigheid zochten in deze zaak hebben engelengeduld gehad. Een aantal nabestaanden hebben helaas deze dag niet kunnen meemaken.

Dat het zo lang heeft geduurd voordat in hoogste en laatste instantie een eindoordeel wordt gegeven heeft gelegen aan verschillende factoren, waaronder:

  • het feit dat het niet mogelijk was kort nadat de misdaden waren gepleegd justitieel onderzoek te verrichten;
  • de omvang en complexiteit van het gerechtelijk onderzoek;
  • de gehanteerde tactiek van de verdediging gedurende het proces wat ook heeft bijgedragen aan de vertraging;
  • de proceshouding van de verdachte;
  • de gepoogde interventies in het proces, waaronder:
  • -door de toenmalige wetgevende macht en regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse middels het aannemen en afkondigen van de Amnestiewet de dato 05 april 2012 Staatsblad 2012 nummer 49 en
  • -vanwege de opdracht gegeven door de regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse, op grond van het bepaalde in artikel 148 van de Grondwet van Suriname, aan de toenmalige Procureur Generaal bij het Hof van Justitie tot stopzetting van het proces;
  • de structurele onderbezetting en stelselmatige benedenmaatse facilitering van de Rechterlijke Macht met Rechtspraak belast;

Gelet op al het voorgaande en mede in acht nemende de huidige leeftijd van de verdachte ziet het Hof geen aanleiding om een levenslange gevangenisstraf op te leggen.

Het Hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen door de vervolgingsambtenaar is gevorderd.
Daarbij heeft het Hof in het bijzonder acht geslagen op de rol, casu quo het aandeel die deze verdachte had bij de voorbereiding en uitvoering van de moorden ten opzichte van het aandeel van de medeverdachte Bouterse. Laatstgenoemde had de leiding en een allesbepalende stem bij het geheel terwijl de verdachte de rol van een van de uitvoerders had gekregen en ook op zich had genomen.

Nu de door de verdediging aangevoerde verweren falen en het het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden moeten leiden tot integrale vernietiging van het beroepen vonnis, zal dit vonnis worden bevestigd, onder aanvulling en verbetering van gronden zoals hierna te melden en met partiële vernietiging van het vonnis voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het Hof ziet geen aanleiding om deze verdachte qua strafoplegging geheel gelijk te stellen met de hoofdverdachte Bouterse in deze zaak zoals de vervolging heeft voorgesteld.

Gelet op de ondergeschikte rol van deze verdachte bij het geheel ziet het Hof daarin aanleiding om aan deze verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren op te leggen hetgeen passend en geboden wordt geacht.

De consequentie van het voorgaande is dat het beroepen vonnis op het stuk van de strafoplegging zal worden vernietigd en er dienaangaande opnieuw recht zal worden gedaan als na te melden.

Met betrekking tot het gevorderde bevel tot gevangenneming van de verdachte door de vervolgingsambtenaar overweegt het Hof dat dit onderdeel van het gevorderde zal worden verworpen. Immers heeft de vervolgingsambtenaar geen gronden aangevoerd die een bevel tot gevangenneming in deze fase van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zouden kunnen schragen.
Voor zover de vervolgingsambtenaar ervan is uitgegaan dat de verdachte naar aanleiding van het requisitoir en de door haar voorgestelde straf terstond in voorlopige hechtenis diende te worden genomen heeft de vervolgingsambtenaar verzuimd de daartoe benodigde gronden aan te voeren. Evenmin is het het Hof ambtshalve gebleken dat de noodzaak daartoe aanwezig was.
In het geval dat de vervolgingsambtenaar het standpunt heeft gehuldigd dat bij een veroordeling met strafoplegging in hoger beroep de gevangenneming van de verdachte aan de veroordeling dient te worden gekoppeld, ziet het Hof de noodzaak daarvan niet in.

In casu betreft het een vonnis van het Hof rechtsprekend in hoogste instantie waartegen er geen gewoon rechtsmiddel openstaat waardoor het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen en voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

Ingevolge het systeem van de wet ligt het op de weg van de vervolging om in het natraject van het uitgesproken vonnis tot ten uitvoerlegging daarvan conform de toepasselijke wettelijke bepalingen over te gaan.

De toepasselijke wettelijke bepalingen
Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 72 en 349 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Krijgsraad op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken tegen de verdachte Dendoe, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden, met uitzondering van de daarin aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

Vernietigt het beroepen vonnis van de Krijgsraad op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte Dendoe ten aanzien van de strafoplegging;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend – President, mr. A. Charan, lid en kolonel D. Kamperveen, lid-plaatsvervanger, bijgestaan door F.G.Z. Chandoe, LLM, fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo door de fungerend – president voornoemd, op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 20 december 2023.

w.g. F.G.Z. Chandoe              w.g. D.D. Sewratan
                                               w.g. A. Charan
                                               w.g. D. Kamperveen

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

SRU-HvJ-2023-15

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnisnummer: 68/2023
Uitspraak: 20 december 2023
Parketnummer: SPG 3976/07
TEGENSPRAAK

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

APPÈL-STRAFKAMER IN MILITAIRE STRAFZAKEN

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Krijgsraad, gewezen en uitgesproken op 29 november 2019, tegen de verdachte:

BRONDENSTEIN, BENNY STUART,

geboren op 06 mei 1955 in het [district] en wonende aan de [adres] te [plaats], voorheen militair van beroep, niet in detentie verkerend.
De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn advocaat I.D. Kanhai, B.Sc.

Ontvankelijkheid appèl
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke door de griffier van de Krijgsraad aan het Hof zijn overgelegd, is gebleken, dat de verdediging op 02 december 2019, en de vervolging op 09 december 2019, op de voorgeschreven wijze appèl hebben aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Krijgsraad.
Gelet op het vorenstaande hebben zowel de verdediging, als ook de vervolging tijdig appèl aangetekend tegen het voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

De geldigheid van de dagvaarding
Tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn geen preliminaire verweren gevoerd die strekken tot nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie
Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus worden voortgezet.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde in artikel 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Ingevolge het systeem van de wet is het Hof bij het onderzoek ter terechtzitting gebonden aan de tenlastelegging zoals die door het Openbaar Ministerie is opgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting is daarmee begrensd.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar alsmede van hetgeen door de verdachte en diens advocaat naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Krijgsraad in eerste aanleg gewezen en uitgesproken op 29 november 2019, waarbij de verdachte ter zake medeplegen van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, onder aanvulling van de door haar aangehaalde bewijsmiddelen, de verdachte voor hetgeen hem ten laste is gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren en zijn gevangenneming zal gelasten.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Krijgsraad de dato 29 november 2019, is de verdachte – verkort weergegeven – veroordeeld ter zake medeplegen van moord, tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.
In het navolgende zal het hof verder ingaan op het over en weer aangevoerde ten aanzien van het beroepen vonnis.

De tenlastelegging:
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat hij als militair in de rang van sergeant 1ste klasse, in werkelijke dienst bij het Nationaal Leger en ingedeeld bij de staf verzorgingscompagnie, in ieder geval als militair in de zin van art. 38 of art. 39 van het Wetboek van Militair Strafrecht;
A. Op of omstreeks 07 en/of 08 december en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DESIRÉ DELANO en/of GEFFERIE, ERNST en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of NELOM, JOHN en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of ESAJAS, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of ZEEUW, MARCEL en/of DENDOE, STEPHANUS en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of DE BIE, DICK en/of THEMEN, IMRO en/of NAARENDORP, HARVEY en/of KROLIS, IWAN en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, in ieder geval alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade de hierna te noemen perso(o)n(en) van het leven heeft beroofd, namelijk BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden;

Althans, indien en voor zover het onder A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of GEFFERIE, ERNST en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of NELOM, JOHN en/of ESAJAS, ROY en/of DENDOE, STEPHANUS en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of ZEEUW, MARCEL en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of DE BIE, DICK en/of THEMEN, IMRO en/of NAARENDORP, HARVEY en/of KROLIS, IWAN en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL, althans alleen, opzettelijk middels misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging met geweld en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en), RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, heeft uitgelokt tot het plegen van na te melden misdrijf,
hebbende laatstgenoemde perso(o)n(en) [RITFELD, EDGAR en/of (een) ander(en)] tezamen en in vereniging, althans alleen,
op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname; opzettelijk en met voorbedachte rade de perso(o)n(en) van BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ van het leven beroofd door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRAJD en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) casu quo verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden,
hebbende hij verdachte immers op vorenvermelde tijd en plaats tezamen en in vereniging met (onder meer) BOUTERSE, DELANO DESIRÉ en/of GEFFERIE, ERNST en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of NELOM, JOHN en/of ESAJAS, ROY en/of DENDOE, STEPHANUS en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of ZEEUW, MARCEL en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of DE BIE, DICK en/of THEMEN, IMRO en/of NAARENDORP, HARVEY en/of KROLIS, IWAN en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL althans alleen, genoemde RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, opzettelijk dreigend opgedragen (bevolen) (gesommeerd) tot het plegen van voren omschreven handeling(en) en/of hem (hen) daarvoor en/of daarbij opzettelijk dreigend te kennen gegeven dat hij (zij) het zou(den) ontgelden, althans het ergste zou(den) moeten vrezen, indien hij (zij) voormelde opdracht(en) niet zou(den) uitvoeren, in ieder geval woorden van soortgelijke dreigende stekking en/of betekenis en aldus tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, opzettelijk die RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n uitgelokt tot het plegen van vorenvermeld misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De verweren
Door de verdachte is – verkort en zakelijk weergegeven – verklaard, dat hij het niet eens is met het vonnis van de Krijgsraad, omdat het Openbaar Ministerie gebruik heeft gemaakt van verklaringen van getuigen die hebben verklaard dat hij lijken in lijkzakken heeft gezet. Echter berust dat niet op waarheid. Voorts heeft verdachte ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het hem verweten strafbaar feit.

De advocaat heeft bepleit – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de verdachte van de algehele tenlastelegging vrijgesproken dient te worden op grond van het navolgende:
1. er is een gebrek aan bewijs;
2. het ophalen van de mensen was legitiem. De verdachte was vanwege zijn verantwoordelijkheid daartoe verplicht. Dit kan dus niet als bewijs worden gebruikt voor het strafbaar feit. Het bewijs voor de legitimiteit blijkt uit de verklaring van [naam 1];
3. de verdachte was ondergeschikte militair, die uit hoofde van zijn ondergeschiktheid en de daarbij behorende discipline opdrachten diende uit te voeren;
4. de getuige Rozendaal heeft verklaard dat hij Bouterse niet in het Fort Zeelandia heeft gezien en dat zij geen opdrachten van Bouterse kregen, waardoor de tezamen en in vereniging hiermede is ontzenuwd;
5. een afspraak om te vermoorden heeft nimmer bestaan in de groep van zestien. Rozendaal behoorde tot de groep van zestien en was hoger in rang. Hij heeft de vergaderingen meegemaakt en als hij niet wist wat de bedoeling was, kon de verdachte het ook niet weten;
6. de vervolging leidt het bewijs af door de aanwezigheid van de verdachte in het Fort Zeelandia. Het ontgaat haar dat alle militairen vanwege de op handen zijnde invasie, die geïnstigeerd is geworden door Nederland, geconsigneerd waren;
7. door de nuancering in de verklaring van de getuige Dijksteel, dat het een komen en gaan was van de groep van zestien, wordt bewezen dat ook Dijksteel niet overtuigd was wie er wel was en wie niet. Bovendien zegt de getuige Jankipersadsingh dat de verdachte zich ophield bij de Echo Compagnie, welke verklaring in strijd is met de verklaring van de getuige [naam 2], die zegt dat de verdachte en Tolud bij de poort stonden en de verdachte dus niet in het Fort Zeelandia was;
8. de verdachte was bij geen enkel strafbaar feit betrokken;
9. het beschrijven van het rapport van de patholoog, zonder aan te geven wie geschoten zou hebben en onder welke omstandigheden kan gekwalificeerd worden als bladvulling. Als wij voor de dood een verklaring zouden willen zoeken, dan zou dat mogelijk een gevolg kunnen zijn van de bijzondere psychologische of psychiatrische conditie van de betrokken militairen in het zicht van de veronderstelde dodelijke huurlingenaanval, die onder de geldende condities (onder andere van inadequate bewapening) tegemoet werd gezien;
10. het verzoek tot de vereiste psychiatrische expertise ter beoordeling van de geestelijke conditie van de manschappen en leidinggevenden tijdens het rampzalig gebeuren in het Fort Zeelandia is nooit gehonoreerd door de Krijgsraad;
11. het door de vervolgingsambtenaar als aandachtspunt aangevoerde dat verdachte en zijn mededaders zich hebben verzet tegen burgers die terug wilden naar de democratie is onjuist. Bij die burgers ging het niet om teruggaan naar de democratie maar zij hebben zich ingezet voor de rekolonisatie van ons land.
12. het ophalen kan niet als bewijs worden gebruikt voor het strafbaar feit dat ten laste is gelegd;
13. er bestaat absoluut geen oorzakelijk verband tussen de schietoefeningen en de gebeurtenissen;
14. de omstandigheden in onderhavige zaak kunnen niet worden aangeduid als gericht op enig kalm beraad;
15. het samenstellen van een draaiboek behoorde tot de normale werkzaamheden van de militairen en kan derhalve niet als een voorbereiding worden aangemerkt. Uit getuigenverklaringen blijkt dat de verdachte zich alleen heeft bezig gehouden met het ophalen van mensen, die bezig waren met staatsgevaarlijke activiteiten;
16. zelfs als de verdachte had meegedaan aan de vergaderingen van de groep van zestien, blijkt uit het verhoor van de getuige Rozendaal, dat op geen enkele vergadering was afgesproken dat de opgehaalde personen vermoord zouden worden;
17. het is onjuist dat de verdachte in opdracht van Bouterse een handeling zou hebben gepleegd, want uit het verhoor van de getuige Doorson blijkt dat het commando in handen van Bhagwandas, Paul was;
18. niemand kan een gedegen antwoord geven op de vraag onder welke omstandigheden het één en ander is gebeurd. Het moet bekend zijn dat een militair niet meer dan twee maximaal drie kogels nodig heeft om iemand op korte afstand dood te schieten. Toch blijkt uit de schouw dat er overal kogelgaten waren. Hoe zijn de kogelgaten ontstaan en wat was de psychische situatie van de militairen toen het gerucht de ronde deed dat de invasie versneld zou worden uitgevoerd, ondanks het blind maken van de bruggenhoofden, zoals blijkt uit het verhoor van [naam 1]. Dit zou onderzocht moeten worden door psychologen en/of psychiaters. Deze omstandigheden zijn absoluut niet ideaal om rustig te overleggen en in kalm beraad een handeling te plegen;
19. de vervolging heeft de verklaringen van familieleden gebruikt als bewijs. Echter kunnen zij niets aangeven over wat zich in het Fort Zeelandia heeft afgespeeld;
20. uit het verhoor van de getuige Doorson blijkt, dat een situatie moet zijn ontstaan die niemand meer in de hand had.

Hetgeen de advocaat hiervoren in de punten 1 tot en met 20 heeft aangevoerd vat het Hof samen als te zijn een beroep op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet, en medeplegen van het ten laste gelegde strafbaar feit door de verdachte.

De vervolgingsambtenaar is ingegaan op de door verdachte en diens advocaat aangevoerde verweren en is – kort gezegd – tot de conclusie gekomen dat de verweren niet slagen.

Het Hof zal hierna op deze verweren nader ingaan.
Vooropgesteld dient te worden dat het aan de rechter, die over de feiten moet oordelen, is voorbehouden om binnen de door de wet getrokken grenzen, uit het voorhanden zijnde materiaal te selecteren hetgeen hem, ook uit een oogpunt van betrouwbaarheid, voor het bewijs dienstig voorkomt, terwijl die selectie geen andere motivering behoeft
dan besloten ligt in de weergave van de gebezigde bewijsmiddelen.

Met betrekking tot het verweer, dat het Openbaar Ministerie niet de waarheid heeft gesproken en de ontlastende verklaringen dus niet voor het bewijs zijn gebezigd
Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet opgaat. In de visie van het Hof zijn deze verklaringen niet relevant gebleken voor de bewijsbeslissing in deze zaak.
[naam 1] heeft namelijk bij proces-verbaal de dato 30 juni 2009 afgenomen door Ristie, Tjark Eugene, Kapitein der Militaire Politie verklaard:
“Met betrekking tot hetgeen zich in het Fort Zeelandia zou hebben afgespeeld doelende op het ophalen of arresteren en overbrengen van tegenstanders van het Regime Bouterse, het in brand steken van diverse radiobedrijven en of andere panden en het uiteindelijk al dan niet op de vlucht doodschieten van deze tegenstanders waaronder de heren Rambocus, Gonsalves, Kamperveen en anderen in de periode 7, 8 en 9 december 1982, in ieder geval in de maand december 1982, moet ik u antwoorden dat ik geen relevante informatie hieromtrent kan verschaffen. Wat ik hieromtrent weet is wat ik via diverse media daarover heb gehoord, gelezen en of gezien.”

Voor wat betreft het beroep van de verdachte en diens advocaat op – kort gezegd – dat de invasie versneld zou worden uitgevoerd, ondanks het blind maken van de bruggenhoofden, komt het Hof tot de slotsom dat, dat niet aannemelijk is geworden uit het ingesteld onderzoek in deze zaak. Het is gebleven bij een blote bewering zijdens de getuige [naam 1] en de verdachte waar er nergens ondersteuning voor is gevonden tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Ten aanzien van het verweer betreffende de deelnemingsvorm medeplegen
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake was van medeplegen, omdat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het Hof kan zich verenigen met de zienswijze van de Krijgsraad. Immers dient de vraag te worden beantwoord of de bewezenverklaarde intellectuele of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Bij de vorming van het oordeel dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte, uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal niet alleen worden geleverd tijdens het begaan van het strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar ook in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbaar feit. Daarbij is de lijfelijke aanwezigheid niet noodzakelijk voor de kwalificatie van medeplegen van het ten laste gelegde delict.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is reeds genoegzaam gebleken dat de verdachte tezamen met onder meer Bouterse, Desiré; Bhagwandas, Paul; Horb, Roy; Gorré, Arthy; Gefferie, Ernst; Esajas, Roy; Nelom, John; Zeeuw, Marcel; Brondenstein, Benny; Rozendaal, Ruben; Mahadew, Guno;, Ewoud; Tolud, Roy; Dijksteel, Iwan; Lewis, Lucien, Flohr, Onno; Monsels, Samuel en Kempes, Kenneth, betrokken was bij de uitvoering van het plan om de mensen op te halen die tegen het militair regiem waren en hen van het leven te beroven. Ook het plan over het ophalen was onderdeel van het draaiboek.
Uit getuigenverklaringen is komen vast te staan dat verdachte tezamen met anderen aanwezig was bij de schietoefeningen, bij de briefing tussen het militair gezag en overige leden van de groep van zestien, de bewaking en executie van enkele slachtoffers en bij het plaatsen van de lijken in body bags. De verdachte heeft zowel bij de voorbereiding als ook bij de uitvoering van het strafbaar feit een belangrijke rol vervuld. Bij de voorbereiding van het strafbaar feit was hij aanwezig bij de schietoefeningen. Bij de uitvoering van het strafbaar feit was hij aanwezig bij de bewaking en executie van enkele slachtoffers. Na het strafbaar feit was hij aanwezig bij het plaatsen van de lijken in body bags.

De vraag die vervolgens gesteld moet worden is of de verdachte wist dat er meerdere mensen werden opgehaald met de bedoeling hen van het leven te beroven.

Ten aanzien daarvan overweegt het Hof als volgt:
De getuige [naam 3] (weduwe van het slachtoffer Baboeram), heeft ten aanzien van een door een soldaat, die in de woning van Baboeram was achtergebleven, gemaakte opmerking bij proces-verbaal de dato 20 december 2001, afgenomen door agent van politie Vermeer, L. het navolgende verklaard:
“jouw man had president van het land willen worden. We pakken ze allemaal. Misschien is hij met de anderen nu al in de hemel of in de hel”,
2. De getuige [naam 4] (weduwe van het slachtoffer Kamperveen) heeft bij proces-verbaal de dato 14 mei 2002 ten overstaan van de brigadier-rechercheur van politie, Bol, Patrick, onder andere, verklaard: “Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden” en
3. De getuige Derby, Frederik heeft bij proces-verbaal de dato 28 oktober 2000 afgelegd ten overstaan van inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving, onder andere verklaard: “Hoost vroeg op een gegeven moment naar water en kreeg van de militairen op het balkon te horen dat zij geen water geven aan mensen die zij straks dood gaan schieten, dat is vermorsen van het water”.
Het Hof stelt vast dat als ondergeschikte militairen, die lager in rang waren, wisten dat er meerdere mensen werden opgehaald met de bedoeling hen van het leven te beroven, de verdachte Brondenstein als lid van de groep van zestien, dat ook moet hebben geweten. Derhalve concludeert het Hof dat de groepen, die werden samengesteld om de personen op te halen, op de hoogte waren van het feit dat deze mensen van hun leven zouden worden beroofd en dus ook de verdachte Brondenstein, die de slachtoffers bij de ingang van het Fort Zeelandia geeft ontvangen.

Het Hof komt op grond van de hiervoren aangehaalde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de bewezenverklaarde bijdrage van de verdachte aan het delict van zwaarwegend gewicht is geweest, zodat hier sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van opzet
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake moet zijn geweest van voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden.

Het Hof kan zich niet verenigen met deze zienswijze van de Krijgsraad en dient de vraag te worden beantwoord of de gedraging de bedoeling had dat een bepaald gevolg zal intreden. Er is sprake van opzet als oogmerk indien de verdachte willens en wetens een handeling heeft verricht en het effect of gevolg daarvan ook heeft beoogd.
Niet ter discussie staat dat verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen de slachtoffers van het leven heeft beroofd. Dit volgt naar het oordeel van het Hof reeds uit de wijze waarop het eraan is toegegaan. Hiervoor is reeds vermeld op welke wijze verdachte te werk is gegaan, waarbij hij tezamen met anderen is overgegaan tot uitvoering van het plan (draaiboek).
Naar het oordeel van het Hof zijn dergelijke gedragingen naar hun aard gericht op het om het leven brengen van de slachtoffers.
Uit getuigenverklaringen is komen vast te staan dat de verdachte niet alleen bij de voorbereiding en uitvoering van het strafbaar feit betrokken is geweest, maar ook daarna. Door aanwezig te zijn geweest bij de schietoefening en vervolgens bij de briefing tussen het militair gezag en overige leden van de groep van zestien, het ontvangen van de slachtoffers bij de ingang van het Fort Zeelandia, bij de bewaking en executie van enkele slachtoffers en vervolgens bij het plaatsen van de lijken in body bags, heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof voldoende blijk gegeven dat hij willens en wetens deze handelingen heeft verricht en het gevolg daarvan ook heeft beoogd. Hij heeft zich nimmer gedistantieerd van de hiervoren vermelde handelingen. Het is overigens niet komen vast te staan dat er een situatie is ontstaan die niemand meer in de hand had. De verdachte had als lid van de groep van zestien immers alle baat bij om te participeren aan de actie van het militair gezag, zodat zij aan de macht kon blijven.
Hier is derhalve in de visie van het Hof geen sprake van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet doch van opzet als oogmerk. Het van het leven beroven van de slachtoffers door verdachte tezamen en in vereniging met anderen is willens en wetens gebeurd. Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt verworpen en wordt het beroepen vonnis in zoverre ambtshalve verbeterd.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van de voorbedachte raad
Door de verdachte is ter terechtzitting aangegeven dat het Openbaar Ministerie gebruik heeft gemaakt van verklaringen van getuigen die hebben verklaard dat hij lijken in lijkzakken heeft gezet. Daarentegen heeft hij gesteld dat dit niet op waarheid berust, waardoor er geen sprake was van voorbedachte raad om de opgehaalde personen dood te schieten.
Uit de bewoordingen van de verdachte begrijpt het Hof, dat de verdachte zich erop beroept dat er geen sprake was van voorbedachte raad om de opgehaalde personen van het leven te beroven, immers was hij in die periode niet in het Fort Zeelandia, maar op het vaartuig, de S-402, waar hij de gezagvoerder van was en welk vaartuig bij de Marinetrap was aangemeerd, van waaruit het Fort Zeelandia werd bewaakt. Het Hof begrijpt dat de verdachte hiermee wenst aan te geven dat hij niet op voormeld vaartuig zou zijn als er plannen waren de opgehaalde mensen van het leven te beroven.
Naar het oordeel van het Hof gaat dit verweer niet op.
De verdachte heeft steeds ontkend betrokken te zijn geweest bij het strafbaar feit.
Het Hof bestempelt de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig en is die verklaring kennelijk afgelegd met de bedoeling om de waarheid te bemantelen.
Uit getuigenverklaringen van [naam 5] en Monsels, Samuel is komen vast te staan dat de verdachte tezamen met andere leden van de groep van zestien, lijfwachten van de medeverdachte Bouterse en mensen van de inlichtingendienst, heeft geparticipeerd aan de schietoefeningen te OP-Savanne.
In het Fort Zeelandia was hij aanwezig bij de briefing die het militair gezag hield met de overige leden van de groep van zestien. Korte tijd hierna hield Bhagwandas de groep voor dat er mensen in de samenleving waren die met staatsgevaarlijke activiteiten bezig waren. Vervolgens hield Leefland, Ewoud de groep voor dat er opgetreden zou worden tegen deze mensen die bezig waren met activiteiten tegen de militairen.
Het Hof concludeert derhalve dat de verdachte kennis droeg van hetgeen in de briefing was afgesproken, dat er tegen de op te halen personen zou worden opgetreden. Ingevolge de opdracht werden de personen na middernacht opgehaald.
De verdachte ontving Derby tezamen met Bhagwandas bij de ingang van het Fort Zeelandia.
Uit de getuigenverklaring van Chotkan, Rudi is komen vast te staan dat de verdachte aanwezig was bij de bewaking en executie van enkele slachtoffers. Bij de executie zaten een deel van de slachtoffers in aanwezigheid van zwaar bewapende militairen, waaronder de verdachte, op een verhoging toen er op hen werd geschoten met alle soorten wapens en zij dodelijk werden getroffen.
Uit de getuigenverklaring van [naam 6] is komen vast te staan dat de verdachte aanwezig was op het moment waarop de lijken in body bags werden geplaatst. Door op deze cruciale momenten aanwezig te zijn geweest en een rol te hebben vervuld vóór, tijdens en na het verweten strafbaar feit, heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof blijk gegeven dat hij goed op de hoogte was van het plan, dat absoluut geheim was. De slachtoffers zijn op verschillende momenten doodgeschoten.
Bij die momenten heeft de verdachte zich nimmer teruggetrokken.
De verdachte heeft zich dus gedurende enige tijd kunnen beraden op het genomen besluit en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Hierdoor wordt het door de verdachte geschetst alternatief scenario, dat hij zich op het vaartuig, de S-402, bevond, feitelijk weerlegd. Immers was het vaartuig niet ver van het Fort Zeelandia aangemeerd en hebben getuigen gezien dat de verdachte het vaartuig heeft verlaten. Dit brengt met zich dat deze lezing van de verdachte niet bijdraagt aan het ontkrachten van de ten laste gelegde voorbedachte raad van de verdachte om de opgehaalde personen van het leven te beroven.

Voorts is het Hof van oordeel dat van voorbedachte raad sprake is wanneer de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Het gaat dus niet om daadwerkelijk nadenken of zich rekenschap geven, maar om de tijd en gelegenheid daartoe. Dat tijdsverloop hoeft helemaal niet lang te zijn en mag zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen, zeker als die enige tijd in beslag nemen.

Het Hof neemt in dit kader de volgende feiten en omstandigheden, die uit de bewijsmiddelen zijn voortgekomen, in aanmerking te weten:
1. Het toenmalig militair gezag heeft zorgvuldig een draaiboek opgesteld met de bedoeling om een operatie uit te voeren. Het plan (draaiboek) dat is gemaakt had de bedoeling om het tij te keren;
2. In het kader van het draaiboek zijn er lijsten opgemaakt van personen die opgehaald en overgebracht zouden worden naar het Fort Zeelandia;
3. Ter uitvoering van genoemd draaiboek zijn in de ochtend van 07 december 1982 door daartoe geselecteerde militairen (voornamelijk bestaande uit leden van de groep van zestien, geselecteerde militairen van de Echo Compagnie, lijfwachten en mensen van de inlichtingendiensten) schietoefeningen gehouden;
4. De groep personen die de schietoefeningen hadden gehouden verzamelden zich in de vooravond van 07 december 1982 in het Fort Zeelandia alwaar er groepjes werden samengesteld die instructie kregen wie zij moesten ophalen en op welke manier dat moest plaatsvinden. Met name diende voorkomen te worden dat de op te halen personen danwel huisgenoten contact zouden maken met anderen. In voorkomende gevallen werden telefoonlijnen doorgesneden en werden er militairen ten huize van de opgehaalde personen achtergelaten ter voorkoming dat de achtergebleven huisgenoten het huis zouden verlaten. Door de daarmee belaste groepjes militairen werden de in de nacht van 07 op 08 december 1982 opgehaalde personen overgebracht naar het Fort Zeelandia;
5. De verdachte was in december 1982, lid van de groep van zestien, die ter uitvoering van het draaiboek, onder andere aanwezig was bij de bewaking en executie van enkele slachtoffers;
6. Ook Rambocus, Soerendra Sradhanand en Sheombar, Djiewansingh werden uit de cel van respectievelijk de penitentiaire inrichting te Santo Boma en de Memre Boekoe kazerne, alwaar zij gedetineerd waren, gehaald en overgebracht naar het Fort Zeelandia;
7. Daartoe geïnstrueerde militairen hebben in de avond van 07 op 08 december 1982 het gebouw van de Moederbond opgeblazen en werden de radiostations Radika en ABC alsook het gebouw waarin het dagblad de Vrije Stem was ondergebracht in brand gesticht. Militairen verhinderden dat de brandweer de branden kon blussen;
8. Als afleidingsmanoeuvre hebben daartoe geïnstrueerde militairen die zich bevonden in het Fort Zeelandia gedurende de periode van de avond van 07 december 1982 tot de ochtend van 09 december 1982 op verschillende momenten schoten gelost;
9. Vanaf de vroege ochtend tot laat in de avond van 08 december overgaand in 09 december 1982 zijn de 16 opgehaalde personen op verschillende momenten door militairen in verschillende groepssamenstellingen, al dan niet alleen, gebracht bij medeverdachte Bouterse, die besliste over het lot van de voorgeleide personen. Kort hierna werden, met uitzondering van Frederik Derby die later op vrije voeten werd gesteld, de latere slachtoffers op verschillende momenten gemarteld casu quo zwaar mishandeld en vervolgens om het leven gebracht. Daartoe werden er ook vuurpelotons samengesteld, die de opdracht kregen de daartoe aangewezen slachtoffers dood te schieten.

Uit de hiervoren weergegeven 9 punten valt af te leiden dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het genomen besluit om de slachtoffers van het leven te beroven. Immers vanaf het ontvangen van de slachtoffers bij de ingang van het Fort Zeelandia tot aan de bewaking en executie van enkele slachtoffers heeft de verdachte voldoende gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt verworpen.
Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van het Hof onomstotelijk dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachte raad de 15 slachtoffers van het leven heeft beroofd.

Van een voorbereiding van een gevaarlijke oorlogssituatie gericht tegen de leiding van het land danwel van een reeds ingezette invasie danwel begonnen oorlog zoals door de verdediging is opgeworpen is volstrekt niet gebleken uit het onderzoek. Immers is de verklaring van [naam 1] op geen enkele wijze ondersteund door bewijsmateriaal dat een invasie gaande was, danwel dat een oorlog werd voorbereid laat staan dat een oorlog was begonnen.

Concluderend is het Hof van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde verweren, neerkomende op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet danwel medeplegen falen. Al hetgeen de verdediging dienaangaande heeft aangevoerd wordt derhalve verworpen.

Nu de door de verdediging aangevoerde verweren falen en het het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden moeten leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis, zal dit vonnis worden bevestigd, onder aanvulling en verbetering van gronden zoals hierna te melden.

De door het Hof gebruikte aanvullende bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de bewijsmiddelen van het beroepen vonnis alsmede in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd te weten:

Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2022, inhoudende de verklaring van de getuige Dijksteel, Iwan Leendert, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Het klopt allemaal wat u mij tot zover heeft voorgehouden, dat naar mijn weten de hele groep van 16 aanwezig was. Ik weet vrijwel zeker dat Dendoe er ook bij was, evenals Brondenstein, Hardjoprajitno en Gefferie. Het was in feite een komen en gaan van de leden van de groep van 16. Ze onderhielden zich respectievelijk met Bhagwandas en Bouterse. De verdachte Gefferie, Ernst heb ik ook even gezien in het Fort Zeelandia.”

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2022, inhoudende de verklaring van de getuige Mohammedsaid, Henk Jozef Saridjan, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Ik heb DENDOE niet gezien op 07, 08 en 09 december 1982. Ik heb DIJKSTEEL en BRONDENSTEIN wel gezien. BRONDENSTEIN was gezagvoerder van de S – 401 of S2. Hij was aangemeerd bij de marine trap. Ik zag hem wel elke dag.”

3. Het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming in hoger beroep van 29 november 2022, inhoudende de verklaring van de getuige Jankipersadsingh, Birendresingh, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“De verdachten Brondenstein, Dijksteel en Gefferie heb ik wel in het Fort Zeelandia gezien in die periode. Brondenstein, Dijksteel en Gefferie spraken meer met Commandant Gorré in zijn werkruimte. Af en toe liepen zij in het Fort Zeelandia of gingen naar het toilet.”

4. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3], (weduwe van Baboeram) in wettelijke vorm opgemaakt door agent van politie Vermeer, Letitia Marlene van 20 december 2001, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“In de nacht van 7 op 8 december 1982 was het zover. Omstreeks 02.00 uur werd onze nachtrust ruw verstoord door roepende stemmen op het balkon van onze woning, aan de [straatnaam], [perceelnummer] te [plaats], gepaard gaande met schoten uit een of meer vuurwapens. John, die als eerste wakker werd, zei “ze zijn mij komen halen”. Hiermee bedoelde hij dat door militairen was opgehaald…. Hij zei dat mijn man President van het land had willen worden en zei “we pakken ze allemaal. Misschien is hij nu met de anderen al in de hemel of in de hel”.

5. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 4], (weduwe van het slachtoffer Kamperveen) ter uitvoering van de rogatoire commissie in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, in wettelijke vorm opgemaakt door de brigadier-rechercheur van politie, Bol, Patrick van 14 mei 2002, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden”.

6. Het Proces-verbaal van verhoor van de getuige Derby, Frederik, onder ede afgelegd ten overstaande van de inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving, van 28 oktober 2000, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Hoost vroeg op een gegeven moment naar water en kreeg van de militairen op het balkon te horen dat zij geen water geven aan mensen die zij straks dood gaan schieten, dat is vermorsen van het water”.

Aanvulling en verbetering van de bewezenverklaring door het Hof
Het is het Hof ambtshalve gebleken dat de door de Krijgsraad in eerste aanleg gebezigde bewezenverklaring aanvulling behoeft met de namen van Lewis, Lucien en Monsels, Samuel nu deze namen niet zijn opgenomen als te zijn ook de personen met wie de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft begaan.
Voorts behoeft de door de Krijgsraad in eerste aanleg gebezigde bewezenverklaring verbetering in dier voege dat de namen van de personen, Hardjoprajitno, Johnny; Sital, Badresein en Graanoogst, Ivan, dienen te worden doorgehaald, aangezien de bewezenverklaring ten aanzien van deze personen niet is komen vast te staan.
Het Hof zal na deze constatering de bewezenverklaring in dier voege ambtshalve aanvullen en verbeteren.

Nadere bewijsoverwegingen:
Uit het politioneel dossier, alsmede uit het onderzoek ter terechtzittingen in zowel eerste aanleg als in hoger beroep, blijkt het navolgende.
De verdachte maakte in de periode 07, 08 en 09 december 1982, deel uit van de groep van zestien. Hij was aanwezig bij de vergaderingen van de groep van zestien. Op 07 en 08 december 1982, was de verdachte gezagvoerder van het vaartuig, de S-402, welke bij de Marinetrap was aangemeerd. Hij was daarnaast ook aanwezig bij de bewaking en executie van enkele slachtoffers en bij het inladen van de lijken in een blauw gelakte pick-up.

Voorafgaand aan de gebeurtenissen van 07, 08 en 09 december 1982 was er onrust binnen grote delen van de samenleving. Er waren spanningen in het land waarbij de sfeer grimmig was. Alleen Palu (Progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie) en de RVP (Revolutionaire Volkspartij) mochten politieke activiteiten ontplooien. De partijen die het niet eens waren met het bewind werden verboden bijeenkomsten te houden. Dat werd officieel afgekondigd.
Er was geen persvrijheid. Er waren opstanden van maatschappelijke groeperingen zoals massastakingen van vakbonden die op straat gingen en studenten onrust, waarbij de universiteit en middelbare scholen gesloten werden. Grote delen van de samenleving eisten herstel van de democratische rechtsorde. Voorts werd geëist dat het militair gezag haar belofte moest waarmaken door verkiezingen in oktober 1982 uit te schrijven om zodoende de regeermacht over te dragen aan een burgerregering.
Echter viel dit niet in goede aarde bij het militair gezag. Immers was machtsbehoud voor hen belangrijker dan teruggaan naar de democratische rechtsorde. Naar aanleiding hiervan heeft het militair gezag het plan gemaakt om het tij te keren door voorvechters van de democratie en rechtsstaat, uit te schakelen casu quo te elimineren. Het plan heeft de zegen van de medeverdachte Bouterse gehad. Het plan is in het draaiboek vastgelegd. Het draaiboek is zorgvuldig voorbereid tijdens vergaderingen, die de medeverdachte Bouterse leidde en waarbij een beperkt aantal mensen aanwezig waren, die een strikte geheimhoudingsplicht hadden. De toenmalige legerleider heeft zelf te kennen gegeven dat het militair gezag niet over één nacht ijs is gegaan om het draaiboek voor te bereiden.

Op 07 december 1982 zijn er schietoefeningen gehouden, waarbij nieuwe wapens (FAL) werden uitgetest op de schietbaan te OP-Savanne achter Zanderij. Daarbij was een groot deel van de groep van zestien aanwezig, waaronder ook deze verdachte. Als onderdeel van het draaiboek is een lijst met namen gemaakt van de mensen die opgehaald moesten worden. Burgers werden ingezet om de adressen van de mensen aan te wijzen.
Enkele personen die opgehaald moesten worden zijn niet aangetroffen.

In de nacht van dinsdag 07 december 1982 en gedurende de daaropvolgende dag, 08 december 1982, zijn zestien mensen in opdracht van de medeverdachte Bouterse opgehaald door groepen bestaande uit de leden van de groep van zestien.
De opdracht was dat de mensen opgehaald moesten worden en dat moest zo snel mogelijk gebeuren. Het liefst in het holst van de nacht. Daarbij moest iedereen tegelijk worden aangepakt en moest de communicatie met andere comparanten voorkomen worden, zodat zij elkaar niet konden waarschuwen. Dat heeft ook volgens het boekje plaatsgevonden en is het er gewelddadig aan toe gegaan. Onderdeel van het draaiboek, naast het ophalen van de 16 mensen en de wijze hoe dat moest gebeuren, was ook het in brand steken van diverse mediahuizen en het vakbondsgebouw van “De Moederbond”. Het telecommunicatiebedrijf werd in die periode door militairen bewaakt. Er mochten geen buitenlandse gesprekken gevoerd worden en telefoongesprekken werden afgetapt.

Op 08 december 1982, omstreeks 10.00 uur was het schip, de S-402, aangemeerd aan de achterzijde van het Fort Zeelandia. De verdachte heeft zich op het terrein van het Fort Zeelandia begeven, waar hij zich met de groep van zestien heeft afgezonderd van de overige manschappen. Korte tijd hierna hield Bhagwandas de overige manschappen voor dat er mensen in de samenleving met staatsgevaarlijke activiteiten bezig waren en dat er opgetreden zal worden tegen de personen die bezig waren met activiteiten tegen de militairen.
De mensen zijn naar het Fort Zeelandia overgebracht. De verdachte stond binnen bij de ingang van het Fort Zeelandia toen de gearresteerde, Frederik Derby aan hem en Bhagwandas werd overgedragen. Van de 16 mensen werden 11 in de veelbesproken “Bermuda driehoek” ingesloten, te weten Derby, Riedewald, Hoost, Baboeram, Gonsalves, Kamperveen, Daal, Rambocus, Sheombar, Slagveer en Wijngaarde. Zij waren alleen gekleed in hun ondergoed. Van de lijfwachten van de medeverdachte Bouterse, die boven op het balkon stonden, kregen zij op agressieve wijze te horen dat zij niet met elkaar mochten communiceren, niet tegen de muren mochten leunen en ook niet mochten zitten. Vanuit deze ruimte is de medeverdachte Bouterse in de vroege ochtend van 08 december 1982 gezien. Hij zat achter zijn bureau met zijn rug naar de 11 slachtoffers toegekeerd. De overige 5 mensen, te weten Rahman, Behr, Oemrawsingh, Sohansingh en Leckie, waren elders in het Fort Zeelandia ingesloten.

De slachtoffers werden door de dag heen op verschillende momenten in groepjes danwel afzonderlijk gebracht casu quo voorgeleid voor de medeverdachte Bouterse. Na deze voorgeleiding werden de slachtoffers afgevoerd naar een andere plaats aan de achterzijde van het Fort Zeelandia te weten de Bastion Veere. Aldaar werden zij door ingestelde vuurpelotons doodgeschoten.
Op hetzelfde moment werd ook aan de voorzijde, bij de ingang van het Fort Zeelandia, als afleidingsmanoeuvre geschoten. Aan de manschappen was doorgegeven dat wapens in het Fort Zeelandia zouden worden uitgetest.
Alleen leden van de groep van zestien en de lijfwachten van medeverdachte Bouterse hadden toegang tot de ruimte waar medeverdachte Bouterse kantoor hield en de ruimte die bekend staat als Bastion Veere, waar de 15 mensen om het leven zijn gebracht.

Op 08 december 1982, tussen 08.00-12.00 uur, is er een video-opname van de latere slachtoffers Kamperveen, André en Slagveer, Jozef gemaakt, waaruit blijkt dat zij onder druk van het militair gezag een voorgeschreven verklaring hebben moeten voorlezen, dat zij tezamen met het buitenland met coupplannen bezig waren.

Alleen Derby heeft in opdracht van mede verdachte Bouterse het Fort Zeelandia levend mogen verlaten.

De lijken zijn op 09 december 1982 in groene tenthelften opgerold, ingeladen in de laadbak van een blauw gelakte pick-up en naar het mortuarium vervoerd door militairen. Aan de nabestaanden werd door de militair Ruimveld voorgehouden dat de slachtoffers in een vluchtpoging zijn doodgeschoten. Hij heeft met machtiging van de Procureur-Generaal op 21 december 1982 aangifte van het overlijden van de slachtoffers gedaan, waarbij 09 december 1982, omstreeks 12.00 uur als datum en tijdstip van overlijden is doorgegeven. Het mortuarium werd zwaar bewaakt door militairen. Nabestaanden mochten slechts met toestemming van de militairen hun familielid identificeren en mochten alleen het gezicht zien. Er mocht geen sectie op de lijken verricht worden. Het personeel van het mortuarium mocht ook niet administreren dat de lijken op die dag binnen zijn gebracht. De militairen hadden het beheer over de sleutels van de koelcellen van het mortuarium. Na de begrafenis werden de begraafplaatsen gedurende twee weken bewaakt door militairen.

Op 10 december 1982 is de medeverdachte Bouterse op de televisie verschenen met een verklaring dat de slachtoffers waren opgepakt, omdat zij bezig waren met een coup en dat zij tijdens een vluchtpoging zijn doodgeschoten.

De strafbaarheid van het feit:
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Nadere overwegingen omtrent de strafoplegging
Het Hof kan zich verenigen met de strafmotivering van de Krijgsraad zoals opgenomen in het beroepen vonnis de dato 29 november 2019 en neemt deze over onder aanvulling en verbetering als volgt.

Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor na te melden duur met zich meebrengt.
Daarbij is het Hof in het bijzonder uitgegaan van het navolgende:
– De ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum zoals dat gold ten tijde van het plegen van het delict en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
– Het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de geschokte maatschappelijke rechtsorde die daarvan het gevolg is geweest alsmede de vrees en de gevoelens van onveiligheid die dat gedurende vele jaren heeft veroorzaakt bij grote delen van de samenleving;
– De verdachte heeft, naar het oordeel van het Hof, nimmer spijt betuigd over het gebeurde en ook geen enkel teken van berouw getoond naar de nabestaanden toe;
– Het belang van de samenleving bij normhandhaving door berechting enerzijds afgezet tegen het belang van de samenleving om te worden beschermd tegen dergelijk gewelddadig gedrag is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het Hof op zijn plaats.
– Het Hof rekent het de verdachte ook aan dat hij geen volledige openheid van zaken heeft willen geven over het gebeuren.
– Verdachte heeft tezamen en in vereniging met anderen deelgenomen aan het van het leven beroven van de slachtoffers, het ergste wat een mens een ander kan aandoen. Verdachte heeft daarmee vele echtgenotes, partners, kinderen en andere naasten leed en verdriet toegebracht. Hun leed is onherstelbaar, hun gemis blijft.
– Een moord is schokkend voor de samenleving.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor een moord, zal de rechter meestal denken aan een tijdelijke langdurige gevangenisstraf.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor meerdere moorden, zal de rechter ook overwegen of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf nodig is.
Verdachte wordt nu veroordeeld voor het medeplegen van meerdere ernstige levensdelicten. Voor het Hof is het belangrijkste doel bij het opleggen van een straf in deze zaak de vergelding voor wat verdachte anderen heeft aangedaan.
Daarnaast ziet het Hof als doel van de bestraffing dat anderen ervan worden weerhouden om dit soort misdrijven te plegen.

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie in eerste aanleg ervoor gekozen de tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren te rekwireren en heeft de Krijgsraad een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren opgelegd. In hoger beroep heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen wederom te rekwireren tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren, thans aangevuld met de vordering een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen.

Heden is reeds ruim 41 (eenenveertig) jaren verstreken nadat het feit is gepleegd. Het geduld van degenen die gerechtigheid zochten in deze zaak is zeer op de proef gesteld. Een aantal nabestaanden hebben helaas deze dag niet kunnen meemaken. Dat het zo lang heeft geduurd voordat in hoogste en laatste instantie een eindoordeel wordt gegeven heeft gelegen aan verschillende factoren, waaronder:

  • het feit dat het niet mogelijk was kort nadat de misdaden waren gepleegd justitieel onderzoek te verrichten;
  • de omvang en complexiteit van het gerechtelijk onderzoek;
  • de gehanteerde tactiek van de verdediging gedurende het proces wat ook heeft bijgedragen aan de vertraging;
  • de proceshouding van de verdachte voornamelijk gedurende het proces in eerste aanleg;
  • de gepoogde interventies in het proces waaronder:

– door de toenmalige wetgevende macht en regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse middels het aannemen en afkondigen van de Amnestiewet de dato  5 april 2012 Staatsblad 2012 nummer 49;

– vanwege de opdracht gegeven door de regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse, op grond van het bepaalde in artikel 148 van de Grondwet van Suriname, aan de toenmalige Procureur Generaal bij het Hof van Justitie tot stopzetting van het proces;

  • de structurele onderbezetting en stelselmatige benedenmaatse facilitering van de Rechterlijke Macht met Rechtspraak belast.

Gelet op het voorgaande en mede in acht nemende de huidige leeftijd van de verdachte alsmede diens huidige gezondheidstoestand ziet het Hof geen aanleiding om een levenslange gevangenisstraf op te leggen.

Het Hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen door de vervolgingsambtenaar is gevorderd.
Daarbij heeft het Hof in het bijzonder acht geslagen op de rol casu quo het aandeel die deze verdachte had bij de voorbereiding en uitvoering van de moorden ten opzichte van de medeverdachte Bouterse. Laatstgenoemde had de leiding en een allesbepalende stem bij het geheel terwijl de verdachte de rol van een van de uitvoerders had gekregen en ook op zich had genomen.

Nu de door de verdediging aangevoerde verweren falen en het het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden moeten leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis, zal dit vonnis worden bevestigd, onder aanvulling en verbetering van gronden zoals hierna te melden.

Alles overziende acht het Hof de reeds door de Krijgsraad opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 vijftien jaren passend en geboden.

Met betrekking tot het gevorderde bevel tot gevangenneming van de verdachte door de vervolgingsambtenaar overweegt het Hof dat dit onderdeel van het gevorderde zal worden verworpen. Immers heeft de vervolgingsambtenaar geen gronden aangevoerd die een bevel tot gevangenneming in deze fase van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zouden kunnen schragen.
Voor zover de vervolgingsambtenaar ervan is uitgegaan dat de verdachte naar aanleiding van het requisitoir en de door haar voorgestelde straf terstond in voorlopige hechtenis diende te worden genomen heeft de vervolgingsambtenaar verzuimd de daartoe benodigde gronden aan te voeren. Evenmin is het het Hof ambtshalve gebleken dat de noodzaak daartoe aanwezig was.
In het geval dat de vervolgingsambtenaar het standpunt heeft gehuldigd dat bij een veroordeling met strafoplegging in hoger beroep de gevangenneming van de verdachte aan de veroordeling dient te worden gekoppeld, ziet het Hof de noodzaak daarvan niet in.
In casu betreft het een vonnis van het Hof rechtsprekend in hoogste instantie waartegen er geen gewoon rechtsmiddel openstaat waardoor het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen en voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

Ingevolge het systeem van de wet ligt het op de weg van de vervolging om in het natraject van het uitgesproken vonnis tot tenuitvoerlegging daarvan conform de toepasselijke wettelijke bepalingen over te gaan.

De toepasselijke wettelijke bepalingen
Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 72 en 349 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de Krijgsraad op 29 november 2019 gewezen en uitgesproken tegen de verdachte Brondenstein, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend – president, mr. A. Charan, lid en kolonel D. Kamperveen, lid-plaatsvervanger, bijgestaan door F.G.Z. Chandoe, LLM, fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo door de fungerend – president voornoemd, op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 20 december 2023.
w.g. F.G.Z. Chandoe                 w.g. D.D. Sewratan
                                                 w.g. A. Charan
                                                 w.g. D. Kamperveen

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

SRU-HvJ-2023-14

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!
Vonnisnummer: 67/2023
Uitspraak: 20 december 2023
Parketnummer: SPG 3975/07
TEGENSPRAAK

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

APPÈL-STRAFKAMER IN MILITAIRE STRAFZAKEN

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde verstekvonnis en verzetvonnis van de Krijgsraad, respectievelijk gewezen en uitgesproken op 29 november 2019 en 30 augustus 2021 tegen de verdachte:

BOUTERSE, DESIRÉ DELANO,

geboren op 13 oktober 1945 in het toenmalige [district] en wonende aan de [adres 1] te [plaats], voorheen militair van beroep in de rang van luitenant-kolonel, niet in detentie verkerend.
De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn advocaat I.D. Kanhai, B.Sc.

Ontvankelijkheid appèl
Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke door de griffier van de Krijgsraad aan het Hof zijn overgelegd, is gebleken, dat de verdediging op 01 september 2021, op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Krijgsraad.
Gelet op het vorenstaande heeft de verdediging tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk is.

De geldigheid van de dagvaarding
Tegen de dagvaarding zijn in hoger beroep geen preliminaire verweren gevoerd die strekken tot nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie
Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging
Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus worden voortgezet.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde in artikel 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Ingevolge het systeem van de wet is het Hof bij het onderzoek ter terechtzitting gebonden aan de tenlastelegging zoals die door het Openbaar Ministerie is opgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting is daarmee begrensd.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar alsmede van hetgeen door de verdachte en diens advocaat naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Krijgsraad in eerste aanleg gewezen en uitgesproken op 29 november 2019, waarbij de verdachte ter zake medeplegen van moord bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren, zal bevestigen onder aanvulling van de door haar aangehaalde bewijsmiddelen en dat het Hof de gevangenneming van de verdachte zal gelasten.

De verdediging heeft – kort en zakelijk weergegeven – geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep
Bij vonnis van de Krijgsraad de dato 30 augustus 2021, heeft de Krijgsraad het eerder door haar tegen verdachte bij verstek gewezen en uitgesproken vonnis de dato 29 november 2019 bekrachtigd. Bij laatstvermeld vonnis heeft de Krijgsraad – verkort weergegeven – de verdachte ter zake medeplegen van moord bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.
In het navolgende zal het Hof verder ingaan op het over en weer aangevoerde ten aanzien van het beroepen vonnis.

De tenlastelegging:
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat hij als militair in de rang van luitenant kolonel in werkelijke dienst bij het Nationaal Leger, in ieder geval als militair in de zin van art. 38 of art. 39 van het Wetboek van Militair Strafrecht:
A. Op of omstreeks 07 en/of 08 december en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) GEFFERIE, ERNST en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of NELOM, JOHN en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of ESAJAS, ROY en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of DENDOE, STEPHANUS en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO en/of RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, in ieder geval alleen, opzettelijk en met voorbedachte raad de hierna te noemen perso(o)n(en) van het leven heeft beroofd, namelijk BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) c.q. verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden;

Althans, indien en voor zover het onder A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. Op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met (onder meer) GEFFERIE, ERNST en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of NELOM, JOHN en/of ESAJAS, ROY en/of DENDOE, STEPHANUS en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO althans alleen, opzettelijk middels misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging met geweld en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, heeft uitgelokt tot het plegen van na te melden misdrijf,
hebbende laatstgenoemde perso(o)n(en) [RITFELD, EDGAR en/of (een) ander(en)] tezamen en in vereniging, althans alleen, op of omstreeks 07 en/of 08 en/of 09 december 1982, althans in het jaar 1982, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;
opzettelijk en met voorbedachte raad de perso(o)n(en) van BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of BEHR, ABRAHAM MAURITS en/of DAAL, CYRILL RICHARD DUNCAN en/of GONSALVES, KENNETH CARLOS en/of HOOST, EDMUND ALEXANDER en/of KAMPERVEEN, RUDIE ANDRÉ en/of LECKIE, GERARD en/of RAHMAN, LESLIE PAUL en/of RIEDEWALD, CORNELIS HAROLD en/of RAMBOCUS, SOERENDRA SRADHANAND en/of WIJNGAARDE, FRANK en/of OEMRAWSINGH, HARRIE en/of SLAGVEER, JOZEF HUBERTUS en/of SHEOMBAR, DJIEWANSINGH en/of SOHANSINGH, SOMRADJ van het leven beroofd door toen aldaar tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd, om laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRAJD en/of (een) ander(en) opzettelijk van het leven te beroven-, nadat die laatstgenoemde perso(o)n(en) BABOERAM, JOHN KHEMRADJ en/of (een) ander(en) van zijn (hun) woning(en) c.q. verblijfplaats(en) was (waren) opgehaald en/of afgevoerd naar één of meer locaties op het complex bekend als Fort Zeelandia, opzettelijk gewelddadig uit één of meer (semi) (automatische) (vuist)vuurwapens één of meer schoten op het (de) licha(a)men van die perso(o)n(en) af te vuren, ten gevolge waarvan die perso(o)n(en) zodanig(e) letsel(s) [verwonding(en)] heeft (hebben) bekomen, als gevolg van welke letsel(s) [verwonding(en)] die perso(o)n(en) is (zijn) overleden,
hebbende hij verdachte immers op vorenvermelde tijd en plaats tezamen en in vereniging met (onder meer) GEFFERIE, ERNST en/of BHAGWANDAS, PAUL en/of HORB, ROY en/of GORRÉ, ARTHY FRANK en/of NELOM, JOHN en/of ESAJAS, ROY en/of DENDOE, STEPHANUS en/of HARDJOPRAJITNO, JOHNNY SOEHARTO en/of ZEEUW, MARCEL en/of BRONDENSTEIN, BENNY en/of ROZENDAAL, RUBEN en/of MAHADEW, GUNO en/of LEEFLAND, EWOUD en/of TOLUD, ROY en/of BOERENVEEN, ETIENNE en/of SITAL, BADRESEIN en/of GRAANOOGST, IVAN en/of DE BIE, DICK en/of KROLIS, IWAN en/of NAARENDORP, HARVEY en/of CALDEIRA, WINSTON en/of ALIBUX, LIAKAT-ALI ERROL en/of THEMEN, IMRO althans alleen, genoemde RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n, opzettelijk dreigend opgedragen (bevolen) (gesommeerd) tot het plegen van voren omschreven handeling(en) en/of hem (hen) daarvoor en/of daarbij opzettelijk dreigend te kennen gegeven dat hij (zij) het zou(den) ontgelden, althans het ergste zou(den) moeten vrezen, indien hij (zij) voormelde opdracht(en) niet zou(den) uitvoeren, in ieder geval woorden van soortgelijke dreigende stekking en/of betekenis en aldus tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, opzettelijk die RITFELD, EDGAR en/of DIJKSTEEL, IWAN en/of LEWIS, LUCIEN en/of CARBIERRE, WIM en/of STOLK, JIMMY LEONARD EDUARD en/of HEIDANUS, ORLANDO GERRIT en/of FLOHR, ONNO en/of MONSELS, SAMUEL en/of SALESMAN, ROY en/of CHOTKAN, RUDY JOHAN en/of AFROEDOE, JOZEF en/of een zekere TANOESEMITO en/of een zekere GOEDHART en/of een zekere BROWN en/of een zekere WILSTERMAN en/of een zekere KENSENHUIS en/of een zekere WATERVAL en/of een zekere PINAS en/of een zekere PARTO en/of een zekere KEMPES en/of een zekere SWEDO en/of één of meer tot nog toe onbekend gebleven perso(o)n(e)n uitgelokt tot het plegen van vorenvermeld misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De verweren
Door de verdachte is – verkort en zakelijk weergegeven – verklaard, dat hij het niet eens is met de vonnissen van de Krijgsraad omdat er geen sprake was van voorbedachte raad. Voorts omdat de Krijgsraad heeft nagelaten gebruik te maken van ontlastende verklaringen van getuigen met name de verklaringen van [naam 1] en die van [naam 2].

De advocaat heeft bepleit – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de verdachte van de algehele tenlastelegging vrijgesproken dient te worden op grond van het navolgende:
1. de gebeurtenissen rond 07, 08 en 09 december 1982 moeten in een bepaald context geplaatst worden, waarbij er sprake was van een voorbereiding van een gevaarlijke oorlogssituatie gericht tegen de leiding van ons land. Dit werd veroorzaakt door het voormalig moederland om zijn koloniale dominantie van ons land te bestendigen hetgeen onder andere blijkt uit de getuigenis van [naam 1]. Het was de bedoeling een regiem change teweeg te brengen door de militaire regering omver te werpen en daartoe zou de invasie versneld worden uitgevoerd. Deze omstandigheden zijn absoluut niet ideaal om rustig te overleggen en in kalm beraad een handeling te plegen;
2. het medeplegen en de voorbedachte raad moeten betrekking hebben op het strafbaar feit en niet op het arresteren of ophalen, welke immers twee aparte handelingen betreffen;
3. vanaf het moment van de arrestaties was de oorlog begonnen, aangezien de invasie reeds was ingezet;
4. de getuigenis van [naam 1] is veronachtzaamd door zowel de Krijgsraad als ook door de vervolging in appèl;
5. het arresteren of ophalen van de verdachten (opmerking Hof: bedoeld is latere slachtoffers) was legitiem ;
6. er is geen oorzakelijk verband tussen de schietoefeningen en de gebeurtenissen;
7. het samenstellen van een draaiboek behoorde tot de normale werkzaamheden van de militairen en kan derhalve niet als een voorbereiding worden aangemerkt;
8. er wordt geen ondersteuning gevonden in hetgeen is gezegd dat de verdachte toentertijd de machtigste persoon binnen het leger was en daardoor kon voorkomen dat de slachtoffers werden doodgeschoten;
9. het commando was in handen van Bhagwandas, Paul;
10. het staat vast dat er een plan was beraamd voor een regiem change en het was dus noodzakelijk om in te grijpen en de bruggenhoofden blind te maken;
11. het verzoek tot de vereiste psychiatrische expertise ter beoordeling van de geestelijke conditie van de manschappen en leidinggevenden tijdens het rampzalig gebeuren in het Fort Zeelandia is nooit gehonoreerd;
12. het was niet de bedoeling om de mensen om te brengen.

Hetgeen de advocaat hiervoren in de punten 1 tot en met 12 heeft aangevoerd vat het Hof samen als te zijn een beroep op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet, en medeplegen van het ten laste gelegde strafbaar feit door de verdachte.

De vervolgingsambtenaar is ingegaan op de door verdachte en diens raadsman aangevoerde verweren en is – kort gezegd – tot de conclusie gekomen dat de verweren niet slagen.

Het Hof zal hierna op deze verweren nader ingaan.
Vooropgesteld dient te worden dat het aan de rechter, die over de feiten moet oordelen, is voorbehouden om binnen de door de wet getrokken grenzen, uit het voorhanden zijnde materiaal te selecteren hetgeen hem, ook uit een oogpunt van betrouwbaarheid, voor het bewijs dienstig voorkomt. Die selectie behoeft geen andere motivering dan besloten ligt in de weergave van de gebezigde bewijsmiddelen.

Met betrekking tot het verweer dat door de Krijgsraad de verklaringen afgelegd door [naam 1] niet voor het bewijs zijn gebezigd
Het Hof is van oordeel dat dit verweer niet opgaat. Immers zijn deze verklaringen niet relevant gebleken voor de bewijsbeslissing in deze zaak. [naam 1] heeft namelijk bij proces-verbaal de dato 30 juni 2009 afgenomen door Ristie, Tjark Eugene, Kapitein der Militaire Politie verklaard:
“Met betrekking tot hetgeen zich in het Fort Zeelandia zou hebben afgespeeld doelende op het ophalen of arresteren en overbrengen van tegenstanders van het Regime Bouterse, het in brand steken van diverse radiobedrijven en of andere panden en het uiteindelijk al dan niet op de vlucht doodschieten van deze tegenstanders waaronder de heren Rambocus, Gonsalves, Kamperveen en anderen in de periode 07, 08 en 09 december 1982, in ieder geval in de maand december 1982, moet ik u antwoorden dat ik geen relevante informatie hieromtrent kan verschaffen. Wat ik hieromtrent weet is wat ik via diverse media daarover heb gehoord, gelezen en of gezien.”
Voor wat betreft het beroep van de verdachte op – kort gezegd – subversieve activiteiten van de slachtoffers komt het Hof tot de slotsom dat dat niet aannemelijk is geworden uit het ingesteld onderzoek in deze zaak. Het is gebleven bij een blote bewering zijdens de getuige [naam 1] en de verdachte waar er nergens ondersteuning voor is gevonden tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van de voorbedachte raad
Door de verdachte is ter terechtzitting aangegeven dat er geen sprake was van voorbedachte raad om de opgehaalde personen dood te schieten.
Uit de bewoordingen van de verdachte begrijpt het Hof dat hij zich erop beroept dat er geen sprake was van voorbedachte raad om de opgehaalde personen te doden, immers had hij aan [naam 2] te kennen gegeven om een vliegtuig klaar te zetten om deze personen het land uit te zetten. Het Hof begrijpt dat verdachte hiermee wenst aan te geven dat er geen vliegtuig klaargezet zou hoeven te worden als er plannen waren de opgehaalde mensen van het leven te beroven.
Naar het oordeel van het Hof gaat dit verweer niet op. Immers heeft de getuige [naam 2] bij proces-verbaal de dato 13 juni 2001 onder ede ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard:
“Het is wel juist dat ik van Bouterse de vraag voorgeschoteld kreeg toen ik hem bij [naam 3] had opgezocht of ik wist hoe het zat met het vliegtuig. Ik heb hem toen te kennen gegeven dat ik daar niets van af wist. Hij hield mij zijdelings voor, dat Bhagwandas het een en ander in orde zou moeten maken. Deze opmerking van Bouterse verbaasde mij enigszins omdat ik de schakel vormde tussen de SLM en de Legerleiding, althans de gezagdragers. Ik heb naderhand geen navraag meer gedaan. Ik heb absoluut geen enkele opdracht gehad van de heer Bouterse om een vliegtuig ter beschikking te stellen, teneinde aangehouden personen, die achter Zanderij in barakken zouden zijn opgesloten naar het buitenland te doen vervoeren. U houdt mij een passage voor van de verklaring van [naam 4], waaruit zou moeten blijken dat ik als verbindingsman van het leger en de SLM van Bouterse de opdracht zou hebben gekregen om personen die waren opgehaald na verhoor af te voeren naar de barakken van de militairen te Zanderij, waarbij het de bedoeling was dat deze personen bij de eerstvolgende vlucht van de SLM naar Curaçao of St. Maarten zouden worden gebracht. Zoals ik u eerder heb verklaard is dit geenszins het geval geweest.
Naar het oordeel van het Hof wordt met bovenvermelde verklaring van [naam 2] het door de verdachte geschetst alternatief scenario betreffende het uitzetten van de opgehaalde personen feitelijk weerlegd. Dit brengt met zich dat deze lezing van verdachte niet bijdraagt aan het ontkrachten van de ten laste gelegde voorbedachte raad van de verdachte om de opgehaalde personen van het leven te beroven.
Voorts is het Hof van oordeel dat van voorbedachte raad sprake is wanneer de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Het gaat dus niet om daadwerkelijk nadenken of zich rekenschap geven, maar om de tijd en gelegenheid daartoe. Dat tijdsverloop hoeft helemaal niet lang te zijn en mag zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen, zeker als die enige tijd in beslag nemen.
Het Hof neemt in dit kader de volgende feiten en omstandigheden, die uit de bewijsmiddelen zijn voortgekomen, in aanmerking te weten:
1. In december 1982 was verdachte de hoogst verantwoordelijke in het land als bevelhebber en regeringsleider. Wat verdachte zei, dat gebeurde. Het plan (draaiboek) dat is gemaakt om het tij te keren heeft de zegen van verdachte gehad. Er is door de toenmalige militaire top, waaronder verdachte, zorgvuldig een draaiboek opgesteld met de bedoeling om een operatie uit te voeren;
2. In het kader van het draaiboek zijn er lijsten opgemaakt van personen die opgehaald en overgebracht zouden worden naar het Fort Zeelandia;
3. Ter uitvoering van genoemd draaiboek zijn in de ochtend van 07 december 1982 door daartoe geselecteerde militairen (voornamelijk bestaande uit leden van de groep van zestien, geselecteerde militairen van de Echo Compagnie, lijfwachten en mensen van de inlichtingendiensten) schietoefeningen gehouden;
4. De groep personen die de schietoefeningen hadden gehouden verzamelden zich in de vooravond van 07 december 1982 in het Fort Zeelandia alwaar er groepjes werden samengesteld die instructie kregen wie zij moesten ophalen en op welke manier dat moest plaatsvinden. Met name diende voorkomen te worden dat de op te halen personen danwel huisgenoten contact zouden maken met anderen. In voorkomende gevallen werden telefoonlijnen doorgesneden en werden er militairen ten huize van de opgehaalde personen achtergelaten ter voorkoming dat de achtergebleven huisgenoten het huis zouden verlaten. Door de daarmee belaste groepjes militairen werden de in de nacht van 07 op 08 december 1982 opgehaalde personen overgebracht naar het Fort Zeelandia;
5. Ook Rambocus, Soerendra Sradhanand en Sheombar, Djiewansingh werden uit de cel van respectievelijk de penitentiaire inrichting te Santo Boma en de Memre Boekoe kazerne, alwaar zij gedetineerd waren, gehaald en overgebracht naar het Fort Zeelandia;
6. Daartoe geïnstrueerde militairen hebben in de avond van 07 op 08 december 1982 het gebouw van de Moederbond opgeblazen en werden de radiostations Radika en ABC alsook het gebouw waarin het dagblad de Vrije Stem was ondergebracht in brand gestoken. Militairen verhinderden dat de brandweer de branden kon blussen;
7. Als afleidingsmanoeuvre hebben daartoe geïnstrueerde militairen die zich bevonden in het Fort Zeelandia gedurende de periode van de avond van 07 december 1982 tot de ochtend van 09 december 1982 op verschillende momenten schoten gelost;
8. Vanaf de vroege ochtend tot laat in de avond van 08 december overgaand in 09 december 1982 zijn de 16 opgehaalde personen op verschillende momenten door militairen in verschillende groepssamenstellingen, al dan niet alleen, gebracht bij verdachte die besliste over het lot van de voorgeleide personen. Kort hierna werden, met uitzondering van Frederik Derby, die later op vrije voeten werd gesteld, de latere slachtoffers op verschillende momenten gemarteld casu quo zwaar mishandeld en vervolgens om het leven gebracht. Daartoe werden er ook vuurpelotons samengesteld, die de opdracht kregen de daartoe aangewezen slachtoffers dood te schieten.

Uit de hiervoren weergegeven 8 punten valt af te leiden dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het genomen besluit om de slachtoffers – door verdachte bestempeld als bruggenhoofden – te elimineren. Immers vanaf het voornemen om de bruggenhoofden te elimineren en daartoe het opstellen van het draaiboek tot aan de uitvoering van het draaiboek heeft verdachte voldoende gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt verworpen.

Overigens wijst het Hof op de navolgende getuigenverklaringen te weten:
1. De getuige [naam 5] (weduwe van het slachtoffer Baboeram), heeft ten aanzien van een door een soldaat, die in de woning van Baboeram was achtergebleven, gemaakte opmerking bij proces-verbaal de dato 20 december 2001, afgenomen door agent van politie Vermeer, L. het navolgende verklaard:
“jouw man had president van het land willen worden. We pakken ze allemaal. Misschien is hij met de anderen nu al in de hemel of in de hel”,
2. De getuige [naam 6] (weduwe van het slachtoffer Kamperveen) heeft bij proces-verbaal de dato 14 mei 2002 ten overstaan van de brigadier-rechercheur van politie, Bol, Patrick, onder andere, verklaard: “Ze zeiden vervolgens dat ik mijn mond moest houden en moest stoppen met janken. Ik hoorde dat ze onder andere tegen elkaar zeiden dat ik nog jong was en wel een andere man zou vinden” en
3. De getuige Derby, Frederik heeft bij proces-verbaal de dato 28 oktober 2000 afgelegd ten overstaan van inspecteur van politie 2e klasse, Pierau, Irving, onder andere verklaard: “Hoost vroeg op een gegeven moment naar water en kreeg van de militairen op het balkon te horen dat zij geen water geven aan mensen die zij straks dood gaan schieten, dat is vermorsen van het water”.

Uit de hiervoor geciteerde verklaringen van genoemde getuigen blijkt dat zelfs ondergeschikte militairen wisten dat de op te halen personen van het leven zouden worden beroofd. Het kan dan ook niet anders dat zij deze informatie van hogerhand hebben verkregen waartoe ook de verdachte Bouterse behoorde.
Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien volgt naar het oordeel van het Hof onomstotelijk dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen met voorbedachte raad de 15 (vijftien) slachtoffers van het leven heeft beroofd.

Van een voorbereiding van een gevaarlijke oorlogssituatie gericht tegen de leiding van het land danwel van een reeds ingezette invasie danwel begonnen oorlog zoals door de verdediging is opgeworpen is volstrekt niet gebleken uit het onderzoek. Immers is de verklaring van [naam 1] op geen enkele wijze ondersteund door bewijsmateriaal dat een invasie gaande was, danwel dat een oorlog werd voorbereid laat staan dat een oorlog was begonnen.

Ten aanzien van het verweer betreffende het ontbreken van opzet
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake moet zijn geweest van voorwaardelijk opzet, omdat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden.

Het Hof kan zich niet verenigen met deze zienswijze van de Krijgsraad en dient de vraag te worden beantwoord of de gedraging de bedoeling had dat een bepaald gevolg zal intreden. Er is sprake van opzet als oogmerk indien de verdachte willens en wetens een handeling heeft verricht en het effect of gevolg daarvan ook heeft beoogd.
Niet ter discussie staat dat verdachte opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen de slachtoffers van het leven heeft beroofd. Dit volgt naar het oordeel van het Hof reeds uit de wijze waarop het eraan is toegegaan. Hiervoor is reeds vermeld op welke zorgvuldige wijze verdachte te werk is gegaan te weten, het maken van het plan (draaiboek) en het overgaan tot uitvoering daarvan.
Naar het oordeel van Hof zijn dergelijke gedragingen naar hun aard gericht op het om het leven brengen van de slachtoffers.
Hier is derhalve in de visie van het Hof geen sprake van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet doch van opzet als oogmerk. Het van het leven beroven van de slachtoffers door verdachte tezamen en in vereniging met anderen is willens en wetens gebeurd. Het daartoe strekkend verweer van de verdediging wordt verworpen en wordt het beroepen vonnis in zoverre verbeterd.

Ten aanzien van het verweer betreffende de deelnemingsvorm medeplegen
De Krijgsraad is tot de conclusie gekomen dat er sprake was van medeplegen, omdat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het Hof kan zich verenigen met de zienswijze van de Krijgsraad. Immers dient de vraag te worden beantwoord of de bewezenverklaarde intellectuele of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Bij de vorming van het oordeel dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte, uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal niet alleen worden geleverd tijdens het begaan van het strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering, maar ook in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbaar feit. Daarbij is de lijfelijke aanwezigheid niet noodzakelijk voor de kwalificatie van medeplegen van het ten laste gelegde delict.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen is reeds genoegzaam gebleken dat de verdachte tezamen met onder meer Bhagwandas en Horb een gedetailleerde plan heeft gemaakt om mensen die tegen het militair regiem waren, op te halen en van het leven te beroven. Ook het plan over het ophalen was onderdeel van het draaiboek. Het plan was absoluut geheim en slechts bekend bij de militaire top. Verdachte was de onbetwiste leider in dit geheel. Wat hij zei, dat gebeurde. Hij besliste over het lot van de opgehaalde personen.

Het Hof komt op grond van de hiervoren aangehaalde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de bewezenverklaarde bijdrage van de verdachte aan het delict van zwaarwegend gewicht is geweest, zodat hier sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. De verdachte heeft zonder meer als de hoogst verantwoordelijke in het land, als bevelhebber en regeringsleider, de opdracht aan ondergeschikten gegeven de slachtoffers van het leven te beroven. Dat de verdachte al dan niet zelf de trekker heeft overgehaald doet niets af aan feit dat hier sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Concluderend is het Hof van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde verweren, neerkomende op het ontbreken van voorbedachte raad, opzet danwel medeplegen falen. Al hetgeen de verdediging dienaangaande heeft aangevoerd wordt derhalve verworpen.

De door het Hof gebruikte aanvullende bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de bewijsmiddelen van het beroepen vonnis alsmede in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd te weten:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 05 januari 2022, inhoudende de verklaring van de verdachte, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Ik heb ook aangegeven, dat ik op 7 en 8 december 1982 in het Fort Zeelandia was. Ik heb inderdaad schoten gehoord. Het was geen aaneenschakeling van schoten. Echter vond ik geen aanleiding om iets daar achter te zoeken. Ik zeg dit, omdat er bepaalde verhoor technieken zijn. Dus ik maakte mij geen zorgen, dat er op mensen werd geschoten, want die opdrachten waren niet gegeven. Het zijn gewoon verhoortechnieken.
Ik moest op dat moment naar oplossingsmodellen zoeken en wel een model, waarbij wij zoveel als mogelijk succes zouden hebben.
Ik was destijds de hoogste feitelijke gezagsdrager. Ik heb ook gezegd dat ik de politieke verantwoordelijkheid op mij neem voor wat er is gebeurd. Echter geloofde ik het verhaal van de commandant over “op de vlucht geschoten” niet. Desondanks heb ik dat rapport aan de regering gepresenteerd, omdat het een officieel verslag aan de hoogste baas was. Ik kon de regering geen ander ding voorhouden dan het officieel document en zeggen dat dit verhaal mij te sterk lijkt, want ik geloof het niet. Dit was buiten de microfoon gezegd.
In de periode van 7, 8 en 9 december 1982, zijn de 16 mensen in opdracht van mij, opgehaald door groepen bestaande uit de leden van de groep van zestien. De opdracht was: ‘de club moet worden opgehaald”.
Op uw vraag waarom ik Bhagwandas niet direct in voorlopig arrest heb genomen, geef ik u te kennen, dat toen de commandant heeft overgenomen en ik de volgende dag terugkwam, hij mij een rapport heeft gegeven. Aan de hand van dat rapport heb ik gezegd dat, dit niet klopt en moet dit direct onderzocht worden. Ik heb nooit gezegd dat ik Bhagwandas als verdachte zie. Hij was de verantwoordelijke van het Fort Zeelandia. Als verantwoordelijke begin je niet op basis van een gedegen vermoeden van de persoon om die in arrest te zetten. Ik zeg, laat het onderzoek komen en daarna volgen de handelingen.”
2. Het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming in hoger beroep van 29 november 2022, inhoudende de verklaring van de verdachte, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Het was een komen en gaan van de veiligheidsmannen. Voor wat het overige betreft, is al hetgeen de getuige (Jankipersadsingh) heeft gezegd, juist. De stoffelijke overschotten heb ik op 9 december 1982 aangetroffen.”
3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023, inhoudende de verklaring van de verdachte, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Wij moesten die gasten, dan wel de bruggenhoofden, zoals wij hen in onze technische termen noemen, die collaboreerden, direct verwijderen. Dat gebeurde natuurlijk volgens boekje op een militaire wijze en dat staat ook in het boekje. Het moet zo snel mogelijk gebeuren. Het liefst in het holst van de nacht, iedereen moet tegelijk aangepakt worden en communicatie met andere comparanten moet voorkomen worden, zodat men elkaar geen wenken kon geven.
Na de dienstovergave verwijder ik mij om na al die dagen wat rust te nemen en proberen na te trekken bij onze intelligence aan de andere kant wat de stand van zaken is en kans berekeningen te maken.
Ruw geschat, wist ik in termen van weken vóór de gebeurtenissen van 8 december 1982, dat er personen waren, die een omwenteling teweeg wilden brengen. Wij hadden ook tijd om te kijken waar de bruggenhoofden zich ophielden. Zaken moesten in kaart worden gebracht. Het was heel vernuftig intelligence werk.
Op uw vraag wie betrokken waren bij het plan om de invasie te keren, antwoord ik u, dat het in eerste instantie om informatie en communicatie gaat. Als u die twee zaken in de gaten houdt, is er een grote mate van kans dat het strategisch concept tot een goed einde wordt gebracht. De intelligence excellenten, die het intelligence werk deden, waren betrokken bij het plan. Het zijn geen zaken die aan de borreltafel werden besproken. Ik was op dat moment de hoogst verantwoordelijke in het land als Bevelhebber en regeringsleider. Ik had een stem in het geheel. Wat ik zei, dat gebeurde. Het klopt dat het plan, dat is gemaakt om het tij te keren, mijn zegen heeft gehad.
Er komt een opdracht en die opdracht wordt vastgelegd in een draaiboek. Niet alles komt in een draaiboek.
Hetgeen de “rank and files” moeten doen, komt in een draaiboek te staan, zodat de hogere staf haar werk kan doen. Het is een heel gevoelige zaak, omdat het de bedoeling was dat wij de bruggenhoofden van hier wilden verwijderen. Het is absoluut geheim….
In de zaak Hawker heb ik de militaire strafrechtspleging wel uitgevoerd.
Volgens mijn betoog is het ons vandaag wel fataal komen te staan, omdat ik de militaire strafrechtspleging niet had ingezet, want dan was dit strafproces niet nodig geweest.
In alle eerlijkheid moet ik verklaren, dat ik denk dat als ik deze mensen de status van persona non grata zou geven en het land zou uitzetten, er veel meer rust in het land zou zijn dan wanneer ik hen in het land zou laten.
Het is correct dat er veel meer Surinamers dood zouden gaan als de bruggenhoofden in Suriname zouden blijven.”
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2022, inhoudende de verklaring van de getuige Graanoogst, Ivan Frank, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“Ik heb inderdaad gezegd dat de top van de legerleiding uit BOUTERSE, HORB en FERNANDES bestond. Als Minister van Leger en Politie had ik niet de bevoegdheid bevelen te geven aan het leger. Die bevoegdheid had de Bevelhebber en de President. Ik heb wel verklaard dat dit alleen de Bevelhebber van het Nationaal Leger kon, want destijds was er een ceremoniële President/Premier. Daarmee bedoel ik te zeggen dat de Premier formeel die bevoegdheid had, maar feitelijk had de Bevelhebber die bevoegdheid. Er was wel een hiërarchie, maar de legerleiding had het laatste woord. Er was een absolute legerleiding. Niemand kon buiten hem om andere dingen doen.”
5. Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 5], (weduwe van het slachtoffer Baboeram) in wettelijke vorm opgemaakt door agent van politie Vermeer, Letitia Marlene van 20 december 2001, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
“In de nacht van 7 op 8 december 1982 was het zover. Omstreeks 02.00 uur werd onze nachtrust ruw verstoord door roepende stemmen op het balkon van onze woning, aan de [straatnaam], [perceelnummer] te [plaats], gepaard gaande met schoten uit een of meer vuurwapens. John, die als eerste wakker werd, zei “ze zijn mij komen halen”. Hiermee bedoelde hij dat door militairen was opgehaald. …………….Hij zei dat mijn man President van het land had willen worden en zei “we pakken ze allemaal. Misschien is hij nu met de anderen al in de hemel of in de hel.”

Aanvulling van de bewezenverklaring door het Hof
Het is het Hof ambtshalve gebleken dat de door de Krijgsraad in eerste aanleg gebezigde bewezenverklaring aanvulling behoeft aangezien de namen van de navolgende personen met wie de verdachte het feit tezamen en in vereniging heeft begaan niet zijn opgenomen. Het betreft de navolgende personen te weten: Gefferie, Ernst; Gorre, Arthy; Nelom, John; Rozendaal, Ruben; Esajas, Roy; Zeeuw, Marcel; Brondenstein, Benny; Dendoe, Stephanus; Mahadew, Guno; Leeflang, Ewoud; Tolud, Roy; Dijksteel, Iwan; Lewis, Lucien; Kempes, Kenneth; Monsels, Samuel en Flohr, Onno. Het Hof zal na deze constatering de bewezenverklaring in dier voege ambtshalve aanvullen dat daarin zal worden gelezen dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan tezamen en in vereniging met de bovengenoemde personen naast de in het beroepen vonnis reeds genoemde namen.

Nadere bewijsoverwegingen
Uit het politioneel dossier, alsmede uit het onderzoek ter terechtzittingen in zowel eerste aanleg als in hoger beroep, blijkt het navolgende.

De verdachte maakte in de periode 07, 08 en 09 december 1982 tezamen met Horb deel uit van het militair gezag. Hij was als bevelhebber de hoogste feitelijke gezagsdrager. Hij had een bepalende stem in het geheel. Wat hij zei, dat gebeurde.

Voorafgaand aan de gebeurtenissen van 07, 08 en 09 december 1982 was er onrust binnen grote delen van de samenleving. Er waren spanningen in het land waarbij de sfeer grimmig was. Alleen Palu (Progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie) en de RVP (Revolutionaire Volkspartij) mochten politieke activiteiten ontplooien. De partijen die het niet eens waren met het bewind werden verboden bijeenkomsten te houden. Dat werd officieel afgekondigd.
Er was geen persvrijheid. Er waren opstanden van maatschappelijke groeperingen zoals massastakingen van vakbonden die op straat gingen en studenten onrust, waarbij de universiteit en middelbare scholen gesloten werden. Grote delen van de samenleving eisten herstel van de democratische rechtsorde. Voorts werd geëist dat het militair gezag haar belofte moest waarmaken door verkiezingen in oktober 1982 uit te schrijven om zodoende de regeermacht over te dragen aan een burgerregering.
Echter viel dit niet in goede aarde bij het militair gezag. Immers was machtsbehoud voor hen belangrijker dan teruggaan naar de democratische rechtsorde. Naar aanleiding hiervan heeft het militair gezag het plan gemaakt om het tij te keren door de voorvechters van de democratie en rechtsstaat, uit te schakelen casu quo te elimineren. Het plan heeft de zegen van de verdachte gehad. Het plan is in het draaiboek vastgelegd. Het draaiboek is zorgvuldig voorbereid tijdens vergaderingen, die de verdachte leidde en waarbij een beperkt aantal mensen aanwezig waren, die een strikte geheimhoudingsplicht hadden. De verdachte zelf heeft te kennen gegeven dat het militair gezag niet over één nacht ijs is gegaan om het draaiboek voor te bereiden.

Op 07 december 1982 zijn er schietoefeningen gehouden, waarbij nieuwe wapens (FAL) werden uitgetest op de schietbaan te OP-Savanne achter Zanderij. Daarbij was een groot deel van de groep van zestien aanwezig.

Als onderdeel van het draaiboek is conform een vooraf opgemaakte lijst met namen van de mensen die opgehaald moesten worden, het draaiboek verder tot uitvoering gebracht. Burgers werden ingezet om de adressen van de mensen aan te wijzen. Enkele personen die opgehaald moesten worden zijn niet aangetroffen.

In de nacht van dinsdag 07 december 1982 en gedurende de daaropvolgende dag, 08 december 1982, zijn zestien mensen in opdracht van de verdachte opgehaald door groepen bestaande uit de leden van de groep van zestien. De opdracht was dat de mensen opgehaald moesten worden en dat moest zo snel mogelijk gebeuren. Het liefst in het holst van de nacht. Daarbij moest iedereen tegelijk worden aangepakt en moest de communicatie met andere comparanten voorkomen worden, zodat zij elkaar niet konden waarschuwen. Dat heeft ook volgens het boekje plaatsgevonden en is het er gewelddadig aan toe gegaan. Onderdeel van het draaiboek, naast het ophalen van de 16 mensen en de wijze hoe dat moest gebeuren, was ook het in brand steken van diverse mediahuizen en het vakbondsgebouw van “De Moederbond”. Het telecommunicatiebedrijf werd in die periode door militairen bewaakt. Er mochten geen buitenlandse gesprekken gevoerd worden en telefoongesprekken werden afgetapt.

De mensen zijn naar het Fort Zeelandia overgebracht. Van de 16 mensen werden 11 in de veelbesproken “Bermuda driehoek” ingesloten, te weten Derby, Riedewald, Hoost, Baboeram, Gonsalves, Kamperveen, Daal, Rambocus, Sheombar, Slagveer en Wijngaarde. Zij waren alleen gekleed in hun ondergoed. Van de lijfwachten van de verdachte, die boven op het balkon stonden, kregen zij op agressieve wijze te horen dat zij niet met elkaar mochten communiceren, niet tegen de muren mochten leunen en ook niet mochten zitten. Vanuit deze ruimte is de verdachte in de vroege ochtend van 08 december 1982 gezien. Hij zat achter zijn bureau met zijn rug naar de 11 slachtoffers toegekeerd. De overige 5 mensen, te weten Rahman, Behr, Oemrawsingh, Sohansingh en Leckie, waren elders in het Fort Zeelandia ingesloten.

De slachtoffers werden door de dag heen op verschillende momenten in groepjes danwel afzonderlijk gebracht casu quo voorgeleid voor de verdachte. Na deze voorgeleiding werden de slachtoffers afgevoerd naar een andere plaats aan de achterzijde van het Fort Zeelandia te weten de Bastion Veere. Aldaar werden zij door ingestelde vuurpelotons doodgeschoten.
Op hetzelfde moment werd ook aan de voorzijde, bij de ingang van het Fort Zeelandia, als afleidingsmanoeuvre geschoten. Aan de manschappen was doorgegeven dat wapens in het Fort Zeelandia zouden worden uitgetest.

Op 08 december 1982, tussen 08.00-12.00 uur, is er een video-opname van de latere slachtoffers Kamperveen, André en Slagveer, Jozef gemaakt, waaruit blijkt dat zij onder druk van het militair gezag een voorgeschreven verklaring hebben moeten voorlezen, dat zij tezamen met het buitenland met coupplannen bezig waren.

Alleen Derby heeft in opdracht van de verdachte het Fort Zeelandia levend mogen verlaten.

De lijken zijn op 09 december 1982 in groene tenthelften opgerold, ingeladen in de laadbak van een blauw gelakte pick-up en naar het mortuarium vervoerd door militairen. Aan de nabestaanden werd door de militair Ruimveld voorgehouden dat de slachtoffers in een vluchtpoging zijn doodgeschoten. De militair Ruimveld heeft met machtiging van de Procureur-Generaal op 21 december 1982 aangifte van het overlijden van de slachtoffers gedaan, waarbij 09 december 1982, omstreeks 12.00 uur als datum en tijdstip van overlijden is doorgegeven. Het mortuarium werd zwaar bewaakt door militairen. Nabestaanden mochten slechts met toestemming van de militairen hun familielid identificeren en mochten alleen het gezicht zien. Er mocht geen sectie op de lijken verricht worden. Het personeel van het mortuarium mocht ook niet administreren dat de lijken op die dag binnen zijn gebracht. De militairen hadden het beheer over de sleutels van de koelcellen van het mortuarium. Na de begrafenissen werden de begraafplaatsen gedurende twee weken bewaakt door militairen.

Ofschoon de verdachte naar zijn zeggen twijfelde aan het rapport van Bhagwandas en het rapport niet geloofwaardig vond heeft hij Bhagwandas niet als verdachte aangemerkt en hem niet conform de wet Militaire Strafrechtspleging Staatsblad 1975 nummer 175 artikel 6 lid 1 voorlopig arrest aangezegd. Integendeel is de verdachte op 10 december 1982 op de televisie verschenen met een verklaring dat de slachtoffers waren opgepakt, omdat zij bezig waren met een coup en tijdens een vluchtpoging zijn doodgeschoten.

Met betrekking tot de bewering van de verdachte dat hij na het gebeuren op 07, 08 en 09 december 1982 de opdracht zou hebben gegeven een onderzoek in te stellen en dat het resultaat van dit onderzoek (dossier) in de kluis van de Surinaamsche Bank in bewaring was gegeven, echter zou dit dossier daarna zijn verdwenen, komt het Hof tot de navolgende slotsom.

Bij proces-verbaal de dato 22 juni 2001 heeft de toenmalige commandant der militaire politie Abrahams, Ramon, als getuige, ten overstaan van de Rechter-Commissaris in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, onder meer het navolgende verklaard:
“Niemand heeft mij gevraagd om een onderzoek in te stellen. En voor zover ik weet hebben leden van de militaire politie dat ook niet gedaan. In ieder geval is dit niet gebeurd tot de dag van 16 januari 1983 toen ik op eigen verzoek de dienst heb verlaten.”

Daarnevens heeft de toenmalige procureur-generaal René Reeder bij proces-verbaal de dato 26 augustus 2002 ten overstaan van de Rechter-Commissaris in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek, onder meer het navolgende verklaard:
“Indien Doorson verklaart dat hij drie dossiers heeft aangelegd waarvan twee exemplaren op het parket zijn achtergebleven en een exemplaar in bewaring is gegeven aan de toenmalige directeur van de Surinaamse Bank, de heer [naam 7], dan verbaast mij dit ten zeerste, omdat zoals eerder verklaard in mijn opdracht geen onderzoek is ingesteld waardoor nog minder gesproken kan worden van dossiers….Mij wordt voorgehouden dat [naam 7] heeft verklaard dat hij een dossier had gekregen van Doorson en dat het later is verdwenen. Er was geen dossier. Ik was te bang om zo’n onderzoek in te stellen…..Het was een onmogelijke taak om zo’n onderzoek in te stellen. We waren bang voor de repercussies.”

Het door de verdachte geschetste alternatief scenario is op grond van het voorgaande niet aannemelijk geworden voor het Hof. Uit het procesdossier is overigens wel komen vast te staan dat de verdachte pas bij schrijven de dato 4 september 2000 schriftelijk om een onderzoek heeft gevraagd aan de toenmalige procureur-generaal mr. H. Rozenblad en dat was dus bijkans achttien jaren na het gebeuren.

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op het feit dat hij tijdens de gebeurtenissen op 07, 08 en 09 december 1982 de hoogste feitelijke gezagsdrager was en dat hij daarom de politieke verantwoordelijkheid van deze gebeurtenissen op zich nam. Het Hof overweegt ten aanzien hiervan dat deze stelling niet opgaat.
Het vervullen van hoge staatsrechtelijke functies ontheft betrokkenen niet van hun strafrechtelijke aansprakelijkheid indien zij strafbare feiten plegen en zeker niet als zij zich schuldig maken aan ernstige mensenrechtenschendingen.

De verdachte heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het voormalige moederland casu quo het buitenland voornemens was middels een invasie casu quo coup Suriname wederom te koloniseren. Om de invasie te kunnen laten slagen waren de zogenaamde bruggenhoofden in de personen van de slachtoffers nodig, die hen dan – kort gezegd – wegwijs zouden kunnen maken. En dit was daarom de reden waarom deze bruggenhoofden geëlimineerd dienden te worden zodat de op handen zijnde aanval afgeslagen zou worden. Het Hof overweegt ten aanzien van dit standpunt dat uit het onderzoek ter terechtzitting op geen enkele wijze is gebleken dat de slachtoffers met de hulp van Nederland casu quo het buitenland voornemens waren een coup te plegen.
En mocht daadwerkelijk uit een daartoe ingesteld justitieel onderzoek zijn gebleken dat de slachtoffers dergelijke plannen hadden, dan had het voor de hand gelegen hen strafrechtelijk daarvoor te doen vervolgen door het Openbaar Ministerie.
Het Hof zal gelet op al het voorgaande voorbij gaan aan al hetgeen de verdachte dienaangaande heeft aangevoerd.

De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Nadere overwegingen omtrent de strafoplegging
Het Hof kan zich verenigen met de strafmotivering van de Krijgsraad zoals opgenomen in het beroepen vonnis de dato 29 november 2019 en neemt deze over onder aanvulling van het navolgende.
Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor na te melden duur met zich meebrengt.
Daarbij is het Hof in het bijzonder uitgegaan van het navolgende:
– De ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum zoals dat gold ten tijde van het plegen van het delict en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
– Het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde en de geschokte maatschappelijke rechtsorde die daarvan het gevolg is geweest alsmede de vrees en de gevoelens van onveiligheid die dat gedurende vele jaren heeft veroorzaakt bij grote delen van de samenleving;
– De verdachte heeft steeds ontkend de opdracht te hebben gegeven de mensen van het leven te beroven. Ondanks deze ontkenning liggen de feiten anders. Voorts heeft de verdachte, naar het oordeel van het Hof, nimmer oprecht spijt betuigd over het gebeurde en ook geen enkel teken van berouw getoond naar de nabestaanden toe;
– Het belang van de samenleving bij normhandhaving door berechting enerzijds afgezet tegen het belang van de samenleving om te worden beschermd tegen dergelijk gewelddadig gedrag is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het Hof op zijn plaats.
– Het Hof rekent het de verdachte ook aan dat hij geen openheid van zaken heeft willen geven over het gebeuren en uiteindelijk een – in de visie van het Hof onaannemelijke – relaas heeft gegeven, welke de indruk moest wekken dat er in kwestie sprake is van een uit de hand gelopen situatie in plaats van een bewuste en weloverwogen misdaad.
– Verdachte heeft het leven van de slachtoffers afgenomen, het ergste wat een mens een ander kan aandoen. Verdachte heeft gewetenloos beschikt en beslist over leven en dood. Verdachte heeft daarmee vele echtgenotes, partners, kinderen en andere naasten leed en verdriet toegebracht. Hun leed is onherstelbaar, hun gemis blijft.
– Een moord is schokkend voor de samenleving.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor een moord, zal de rechter meestal denken aan een tijdelijke langdurige gevangenisstraf.
Wanneer iemand wordt veroordeeld voor meerdere moorden, zal de rechter ook overwegen of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf nodig is.
Verdachte wordt nu veroordeeld voor het medeplegen van meerdere ernstige levensdelicten. Voor het Hof is het belangrijkste doel bij het opleggen van een straf in deze zaak de vergelding voor wat verdachte anderen heeft aangedaan.
Daarnaast ziet het Hof als doel van de bestraffing dat anderen ervan worden weerhouden om dit soort misdrijven te plegen.

In deze zaak heeft het OM ervoor gekozen de tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren te rekwireren en heeft de Krijgsraad conform de eis veroordeeld. In hoger beroep heeft het OM er voor gekozen wederom te rekwireren tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren, thans aangevuld met de vordering een bevel tot gevangenneming uit te vaardigen.

Heden zijn reeds ruim 41 (eenenveertig) jaren verstreken nadat het feit is gepleegd. Degenen die gerechtigheid zochten in deze zaak hebben engelengeduld gehad. Een aantal nabestaanden hebben helaas deze dag niet kunnen meemaken.

Dat het zo lang heeft geduurd voordat in hoogste en laatste instantie een eindoordeel wordt gegeven heeft gelegen aan verschillende factoren, waaronder:

  • het feit dat het niet mogelijk was kort nadat de misdaden waren gepleegd justitieel onderzoek te verrichten;
  • de omvang en complexiteit van het gerechtelijk onderzoek;
  • de gehanteerde tactiek van de verdediging gedurende het proces wat ook heeft bijgedragen aan de vertraging;
  • de proceshouding van de verdachte voornamelijk gedurende het proces in eerste aanleg;
  • de gepoogde interventies in het proces waaronder:
    • door de toenmalige wetgevende macht en regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse middels het aannemen en afkondigen van de Amnestiewet de dato 05 april 2012 Staatsblad 2012 nummer 49 en
    • vanwege de opdracht gegeven door de regering onder leiding van de toenmalige president D.D. Bouterse, op grond van het bepaalde in artikel 148 van de Grondwet van Suriname, aan de toenmalige Procureur Generaal bij het Hof van Justitie tot stopzetting van het proces;
  • de structurele onderbezetting en stelselmatige benedenmaatse facilitering van de Rechterlijke Macht met Rechtspraak belast;

Gelet op het voorgaande en mede in acht nemende de huidige leeftijd van de verdachte ziet het Hof geen aanleiding om een levenslange gevangenisstraf op te leggen.

Het Hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen tot een strafoplegging van de hoogst mogelijke tijdelijke gevangenisstraf dat gold ten tijde van het gepleegde strafbaar feit door de verdachte, hetgeen ook correspondeert met het door de vervolgingsambtenaar gevorderde.

Nu de door de verdediging aangevoerde verweren falen en het het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die zouden moeten leiden tot vernietiging van de beroepen vonnis(-sen) zullen deze vonnissen worden bevestigd, onder aanvulling en verbetering van gronden.

Alles overziende acht het Hof de reeds door de Krijgsraad opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren passend en geboden.
Met betrekking tot het gevorderde bevel tot gevangenneming van de verdachte door de vervolgingsambtenaar overweegt het Hof dat dit onderdeel van het gevorderde zal worden verworpen. Immers heeft de vervolgingsambtenaar geen gronden aangevoerd die een bevel tot gevangenneming in deze fase van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zouden kunnen schragen.
Voor zover de vervolgingsambtenaar ervan is uitgegaan dat de verdachte naar aanleiding van het requisitoir en de door haar voorgestelde straf terstond in voorlopige hechtenis diende te worden genomen heeft de vervolgingsambtenaar verzuimd de daartoe benodigde gronden aan te voeren. Evenmin is het het Hof ambtshalve gebleken dat de noodzaak daartoe aanwezig was.
In het geval dat de vervolgingsambtenaar het standpunt heeft gehuldigd dat bij een veroordeling met strafoplegging in hoger beroep de gevangenneming van de verdachte aan de veroordeling dient te worden gekoppeld, ziet het Hof de noodzaak daarvan niet in.
In casu betreft het een vonnis van het Hof rechtsprekend in hoogste instantie waartegen er geen gewoon rechtsmiddel openstaat waardoor het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen en voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

Ingevolge het systeem van de wet ligt het op de weg van de vervolging om in het natraject van het uitgesproken vonnis tot ten uitvoerlegging daarvan conform de toepasselijke wettelijke bepalingen over te gaan.

De toepasselijke wettelijke bepalingen
Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen, waaronder de artikelen 9, 11, 72 en 349 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:
Het Hof van Justitie:
Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt de vonnissen van de Krijgsraad gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte op 29 november 2019 respectievelijk 30 augustus 2021, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend – President, mr. A. Charan, lid en kolonel D. Kamperveen, lid-plaatsvervanger, bijgestaan door F.G.Z. Chandoe, LLM, fungerend-griffier, en uitgesproken te Paramaribo door de fungerend – president voornoemd, op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 20 december 2023.

w.g. F.G.Z. Chandoe      w.g. D.D. Sewratan
                                      w.g. A. Charan
                                      w.g. D. Kamperveen

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

SRU-HvJ-2023-13

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
Beschikking op het verzoek tot wraking
ex artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.)

In de zaak van
Martinus, Joel Timotheus en
Jongaman, Clifton
verzoekers tot wraking,
raadsman: I.D. Kanhai BSc., advocaat

welk verzoek strekt tot wraking van [naam], kantonrechter,
hierna te noemen de rechter,

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

1. Verloop van de procedure
Ter zitting van 17 juli 2023 heeft de raadsman namens verzoekers een schriftelijk verzoek tot wraking van de rechter gedaan.
De rechter heeft zich beraden over de wraking en heeft de wraking bij beschikking van 16 augustus 2023 ongegrond verklaard en voorts bepaald dat de behandeling van de strafzaken tegen verzoekers zal worden hervat op 6 november 2023 en wel in de stand waarin deze strafzaken zich bevonden ten tijde van de indiening van de wrakingsverzoeken.
Verzoekers zijn tegen laatstgemelde beslissing van de rechter in beroep gegaan.

Hierna is de behandeling van de zaak geschorst en is de zaak ingevolge artikel 439 lid 3 Wetboek van Strafvordering (Sv.) verwezen naar het Hof voor een beslissing op de wraking in hoger beroep.

2. De grondslag van het verzoek
2.1 Verzoekers hebben – zakelijk weergegeven – geconcludeerd dat er redenen zijn tot twijfelen aan de rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Verzoeker heeft daartoe enkele feiten opgesomd.
Het Hof komt – zover nodig – terug hierop in de beoordeling.

3. De beoordeling
3.1 Naar het Hof begrijpt, heeft de raadsman namens verzoekers ter terechtzitting een exceptie opgeworpen tegen de dagvaarding, met de conclusie dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard.
De rechter heeft op deze exceptie beslist en deze exceptie verworpen.

3.2 Hierna hebben verzoekers de rechter gewraakt. Volgens hen zijn er redenen tot twijfelen aan de rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Verzoekers hebben -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat er bij hen een opgewekte schijn en gerechtvaardigde vrees voor subjectieve partijdigheid is ontstaan, omdat de volledige neutraliteit van de rechter niet is gegarandeerd. Verzoekers voeren verder aan dat de rechter, eerder in haar loopbaan officier van justitie was en er bestond toen tussen haar en de behandelende officier van justitie die de strafzaken thans voorbrengt een werkrelatie. Hierdoor is de rechter vooringenomen, aldus de verzoekers, door tussenkomst van hun raadsman.

3.2.1 Om deze vooringenomenheid te onderbouwen, heeft de raadsman aangevoerd dat de rechter:

  • de exceptie over de dagvaarding op onjuiste gronden heeft verworpen;
  • opzettelijk de akte van uitreiking anders heeft gelezen dan is geschreven;
  • opzettelijk en kennelijk met de bedoeling verdachte (lees verzoeker) te veroordelen, in strijd heeft gehandeld met artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering. De dagvaarding is in plaats van aan de substituut-griffier, uitgereikt aan de griffier en er is geen aanplakking van de dagvaarding geweest;
  • het beginsel van een eerlijk proces heeft geschonden en er gegronde vrees daarvoor bestaat.

3.2.2. In de wrakingszaken van verzoekers heeft de rechter bij uitvoerig gemotiveerde beschikkingen gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2023, welker inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, de wrakingen ongegrond verklaard.

3.2.3. Als grief tegen voormelde beslissingen hebben verzoekers het volgende aangevoerd, te weten “De beschikking vermeld, dat de uitreikingen rechtsgeldig zijn geschied, terwijl in de akte van uitreiking uitgebreid is beschreven dat zulks niet het geval is weshalve de appellanten er belang bij hebben dat het Hof van Justitie de wraking zal toestaan nu de Kantonrechter [naam] zich niet heeft berust in de wraking.

3.3 Uit de hiervoor door verzoekers opgesomde feiten, concludeert het Hof dat verzoekers het niet eens zijn met de beslissing van de rechter ten aanzien van de door hen opgeworpen excepties met betrekking tot de dagvaarding.
Naar het oordeel van het Hof kan uit deze feiten geenszins worden geconcludeerd dat er twijfels zijn over de rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid.
Het niet eens zijn met de beslissing van de rechter kan in de visie van het Hof geenszins leiden tot wraking van de rechter. Verzoekers hebben hiertoe het rechtsmiddel van hoger beroep aan te wenden na de einduitspraak in de strafzaken.

3.4 Het Hof komt op grond van al het vorenoverwogene tot de slotsom dat het ingesteld hoger beroep tegen de beschikkingen van de rechter ongegrond is en zullen de beroepen beschikkingen derhalve worden bevestigd.

4. Beslissing
Het Hof:

4.1 Bevestigt de beslissingen van de rechter neergelegd in de beschikkingen gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2023 op de gedane wrakingsverzoeken van verzoekers;

4.2 Bepaalt dat de behandeling van de strafzaken tegen verzoekers wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavige wrakingsverzoeken op 17 juli 2023.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 25 oktober 2023 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van mr. E. Ommen-Dors, substituut-griffier.

w.g. E.Ommen-Dors        w.g. D.D. Sewratan
                                         w.g. A. Charan
                                         w.g. I. S. Chhangur-Lachitjaran

Voor eensluitend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
namens deze,
mr. E. Ommen-Dors

 

 

SRU-HvJ-2023-12

ATC-HB 21-01

HOF VAN JUSTITIE
dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

In de zaak van

[Verweerster],
advocaat,
kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, hierna te noemen “verweerster”,
procederend in persoon

tegen

[Klager],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna te noemen “klager”,
gemachtigde: mr. Y. Engkar, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de voorzitter van het Advocaten Tuchtcollege (hierna ook ATC genoemd) uitgesproken beslissing van 18 februari 2021 (no. 19/15) (hierna ook genoemd: de bestreden beslissing) tussen klager en verweerster als advocaat tegen wie de klacht is ingediend, spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, op grond van het bepaalde in artikel 54 e.v. van de Advocatenwet (S.B. 2004 no. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 42) de navolgende beslissing uit.

1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:

  • de brief d.d. 26 februari 2021 waaruit blijkt dat verweerster hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beslissing van het ATC, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 26 februari 2021 vergezeld van de memorie van grieven met producties;
  • het proces-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 20 april 2021;

1.2. De uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Op 18 februari 2021, was verweerster niet aanwezig bij de uitspraak van de bestreden tuchtbeslissing. Het afschrift van de bestreden beslissing heeft verweerster op 23 februari 2021 van de secretaris van het ATC ontvangen en zij heeft bij schrijven d.d. 26 februari 2021 appèl aangetekend tegen genoemde beslissing, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld appel.

3. De feiten
3.1. Klager heeft de gezusters [naam], die een hoge leeftijd hebben, langer dan twaalf jaren bijgestaan met diverse zaken, waaronder ook financiële zaken. De familie van de gezusters voornoemd had haar bedenkingen over de door klager aangeboden hulp en hebben verweerster benaderd voor rechtsbijstand.
3.2. Verweerster heeft als gemachtigde van de familie van de gezusters [naam] een vordering in zowel kortgeding als bodemprocedure ingediend tegen klager. Deze vorderingen hadden als doel om klager te veroordelen rekenschap en verantwoording af te leggen over de door hem namens de gezusters [naam] verrichtte werkzaamheden alsook tot veroordeling van klager om zijn taken als testamentair executeur af te handelen.
3.3 Ten tijde van de behandeling van de zaak heeft verweerster in haar hoedanigheid van gemachtigde van de familie van de gezusters [naam], brieven opgemaakt en verzonden, al dan niet per e-mail, naar verschillende instanties zoals mediahuizen en een christelijke instelling.
3.4. Bij vonnis d.d. 17 oktober 2020 in de procedure in kortgeding, bekend onder A.R. no. 19-0031, heeft de kantonrechter de familie niet-ontvankelijk verklaard in de, namens hen, ingestelde vordering.

4. De procedure in eerste aanleg
4.1. Klager heeft bij het Advocaten Tuchtcollege gevorderd dat er maatregelen worden getroffen tegen verweerster op grond van tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen door verweerster gepleegd.
4.2. Als grondslag voor de vordering heeft klager aangevoerd dat verweerster handelingen heeft gepleegd, namelijk namens haar cliënten berichten sturen naar verschillende mediahuizen en een christelijke instelling, die in strijd zijn met de waarheid en tot doel hebben zijn goede naam en eer aan te tasten.
4.3. Verweerster heeft het niet nodig geacht verweer te voeren bij het ATC en heeft bij schrijven d.d. 01 december 2020 het volgende aan het ATC bericht:
“Geachte leden van het Advocaten Tuchtcollege,

(…)

(…)

Ter voorkoming van enig misverstand wenst ondergetekende uitdrukkelijk aan te geven, dat zij zich in bedoeld schrijven nimmer heeft verweerd, maar de Deken erop heeft gewezen dat zij de door klager ingediende stukken beter moet lezen en dan tot de conclusie zal komen, dat alle brieven namens cliënten de deur zijn uitgegaan en dat cliënten daarbij uitdrukkelijk hebben aangegeven wat het doel van het zenden van desbetreffende mededelingen is.

Dat het standpunt van ondergetekende geenszins gewijzigd is en zij daarom geen enkele reden heeft om in te gaan op uw uitnodiging, inhoudende, om op vrijdag 11 december 2020 om 10.00 uur ter zitting te verschijnen op de Griffie der Kantongerechten, civiele zaken, aan de Grote Combeweg no. 02 te Paramaribo voor de behandeling van voornoemde tuchtklacht.

Indien de Leden van het Advocaten Tuchtcollege echter een andere mening zijn toegedaan, dan wordt hun besluit afgewacht, aangezien zij nimmer zal meewerken aan dergelijke scenario’s.”

4.4. Het ATC heeft hierna bij beslissing d.d. 18 februari 2021 met de daarin vermelde gronden, de klacht van klager gegrond verklaard en verweerster de tuchtmaatregel van schorsing voor de duur van drie maanden opgelegd.

5. De grieven
Verweerster heeft een tiental grieven aangevoerd tegen de bestreden beslissing, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief 1. Geen aansprakelijkheid voor het e-mailen van brieven.
Ten onrechte is het tuchtcollege ervan uitgegaan dat verweerster aansprakelijk kan worden gehouden voor het e-mailen van brieven. Volgens verweerster heeft klager in zijn klachtschrift erkend dat de brieven terzake zijn verstuurd namens haar cliënten en kan derhalve niet worden gesteld dat zij tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen heeft gepleegd. Het tuchtcollege heeft tevens nagelaten om gemotiveerd aan te geven op grond waarvan de berichten als lasterlijk kunnen worden aangemerkt, daar er hierin niets is aangegeven over de handelingen van klager. Het tuchtcollege heeft op basis van de blote beweringen van klager een besluit genomen en de klacht van klager gegrond verklaard. Verweerster erkent dat er een brief, namens haar cliënten, is gestuurd naar de media, maar dat hierbij uitdrukkelijk is aangegeven wat de bedoeling is, namelijk anderen te waarschuwen voor het onrechtmatig handelen van klager. De brief heeft de verschillende mediahuizen niet bereikt, waardoor verweerster het onbegrijpelijk acht dat er in casu sprake is van smaad en laster en het aantasten van de goede naam en eer van klager. Verweerster meent dat er pas sprake kan zijn van smaad en laster, indien onomstotelijk is komen vast te staan dat hetgeen waarvan de cliënten klager beschuldigen, niet op waarheid berust. Het tuchtcollege heeft onterecht volstaan met een ontkenning van klager.

Grief 2. Geen sprake van informeren van mediahuizen
Het Tuchtcollege heeft onder 4.2 van haar beslissing ten onrechte overwogen dat verweerster meende om, namens haar cliënten, diverse groepen in de samenleving te waarschuwen danwel te behoeden voor klager vanwege door hem jegens familieleden van de cliënten van verweerster gepleegde onoorbare handelingen. Zulks is niet correct daar de inhoud van de twee door verweerster opgemaakte brieven totaal verschillend zijn. Verder dat het nimmer de bedoeling is geweest om mediahuizen te informeren, doch dat zij de inhoud van de brief in hun respectieve bladen moesten opnemen. Echter heeft publicatie nimmer plaatsgevonden, waardoor het tuchtcollege wederom onterecht ervan is uitgegaan dat er in casu sprake is van smaad en laster. Alle berichten zijn tevens ook naar klager en zijn raadsvrouwe gestuurd. Het tuchtcollege is tevens voorbij gegaan aan het doel welke cliënten hadden met de berichtgeving en dat zij nimmer hebben beoogd om klager te beledigen, doch slechts in het algemeen belang hebben geprobeerd om anderen te waarschuwen en te behoeden. Het is ook niet komen vast te staan dat er sprake was van opzet om hem te beledigen.

Grief 3. De inhoud van het bericht kan niet als lasterlijk worden aangemerkt
Ten onrechte heeft het Tuchtcollege overwogen dat de inhoud van het bericht kan worden aangemerkt als lasterlijk en geen ander doel kan dienen dan om de goede naam en eer van klager aan te tasten. Hetgeen in de namens cliënten verzonden brief naar media is verwoord berust op waarheid. Klager heeft bewust handelingen gepleegd om te doen voorkomen alsof hij het perceelland van mevrouw [naam 2] heeft gekocht, terwijl dit perceelland hem is geschonken. Klager heeft de familie van de gezusters [naam 1] voorgehouden dat de zusters geen geld hadden, waardoor zij ter ondersteuning een maandelijkse bijdrage in Amerikaanse Dollars overmaakten. Achteraf bleek dat de zusters niet armlastig zijn en werd de maandelijkse ondersteuning stopgezet. Klager verplaatst zich tot op heden nog in de auto die niet aan hem toebehoort. Voorts heeft hij getracht om [naam 2] onder curatele te laten plaatsen, teneinde zich haar bezittingen toe te eigenen.

Grief 4. Het tuchtcollege heeft zich laten misleiden.
Volgens verweerster heeft het tuchtcollege zich laten misleiden. Ten onrechte gaat het tuchtcollege ervan uit dat verweerster door haar cliënten is aangetrokken om rechtsbijstand te verlenen, omdat zij hun bedenkingen hadden over de door klager aangeboden hulp. Verweerster heeft op 17 april 2018 een schrijven ontvangen van de familie, waarin zij hun problemen kenbaar hebben gemaakt. Klager heeft door tussenkomst van zijn gemachtigde een vordering tot onder curatele stelling van [naam 2] ingediend. In het kader van de behandeling van deze zaak had de kantonrechter aangegeven, dat ook familieleden van [naam 2] gehoord moesten worden. Echter heeft klager dit niet vooraf met de familie gedeeld ondanks hij een regelmatig contact met de familie had. Hij heeft in april 2018 contact opgenomen met de familie van [naam 2] en naar hun postadressen gevraagd, zonder daartoe de reden op te geven. Toen hij weigerachtig bleef om aan te geven, welke post hij had en waarvoor de postadressen nodig waren, heeft de familie het probleem aan verweerster voorgelegd. De verschillende brieven hebben dus niets met de vordering tot het onder curatele stellen van [naam 2] te maken, doch heeft klager het tuchtcollege hiervan kunnen overtuigen en zich derhalve laten misleiden.

Grief 5. Geen sprake van bedenkingen
Het tuchtcollege heeft onder 2.2 van haar beslissing gesteld dat de familie hun bedenkingen had over de door klager geboden hulp. Bij het doornemen van de correspondentie kan volgens verweerster worden geconstateerd dat er geen sprake is van bedenkingen, maar van voldoende bewijs dat klager onbetrouwbaar is en dat hij de familie in het bijzonder ten aanzien van de financiële informatie heeft misleid.

Grief 6. Geen sprake dat er berichten zijn opgesteld en per e-mail verzonden
Onder 2.5 van haar beslissing heeft het Tuchtcollege gesteld dat verweerster als advocaat van de familie berichten heeft opgemaakt en per e-mail heeft verzonden. Verweerster persisteert bij het feit dat uit de diverse berichten duidelijk blijkt, dat deze weliswaar door haar zijn opgesteld, maar dat het geenszins kan worden gesteld, dat zij daarvoor verantwoordelijk is, omdat zij de berichten heeft opgesteld. Verweerster heeft op basis van de aangegeven omstandigheden een concept opgemaakt en naar haar cliënten verstuurd. Nadat zij zich daarin konden terugvinden, werden de berichten gemaild.

Grief 7. Geen verband tussen verstuurde berichten en vordering
Ten onrechte wordt in 2.5 van de beslissing van het Tuchtcollege een verband gelegd door het tuchtcollege tussen de verstuurde berichten en de vordering die op dat moment bij de kantonrechter in behandeling was. In de brieven is duidelijk aangegeven wat de reden is tot het versturen daarvan en het tuchtcollege heeft op geen enkel moment gemotiveerd aangetoond dat er een verband bestaat tussen de vordering die op dat moment bij de rechter in behandeling was en de inhoud van de brieven. Het is onbegrijpelijk voor verweerster waarom een dergelijk verband wordt gelegd, daar het de kantonrechter is die vonnis zal wijzen en geen van deze brieven naar de kantonrechter zijn gestuurd.

Grief 8. Niet verschijnen niet in strijd met de Ere regelen
Het tuchtcollege overweegt onder 4.1 van de beslissing dat verweerster ondanks behoorlijk daartoe te zijn opgeroepen niet ter terechtzitting is verschenen en geen verweer heeft gevoerd. De Advocatenwet wekt de indruk dat verweerster verplicht is om ter terechtzitting te verschijnen. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij zich geenszins schuldig heeft gemaakt aan hetgeen klager aan het tuchtcollege heeft voorgehouden en persisteert daarbij. Zij had dus geen reden en ook alle recht om ervoor te kiezen om niet ter terechtzitting te verschijnen danwel om zich te verweren. Het is tevens onterecht en in strijd met de wet en het recht dat het tuchtcollege in overweging 4.3 van de beslissing er vanuit gaat, dat de houding van verweerster naar het tuchtcollege toe eveneens in beschouwing moet worden genomen. Het tuchtcollege heeft door een consequentie te verbinden aan het gegeven dat zij niet is verschenen ter terechtzitting, misbruik gemaakt van haar bevoegdheden welke de beslissing ondeugdelijk maakt. Het besluit van het tuchtcollege kan niet als onafhankelijk en onpartijdig worden beschouwd, daar er naar de mening van verweerster sprake is van rancune. Het is het persoonlijk recht van verweerster om geen gehoor aan de oproep van het tuchtcollege te geven en moet deze door het tuchtcollege worden gerespecteerd. Er is aldus nimmer sprake geweest van het overtreden van de Ere regelen. Het feit dat er respect verschuldigd is naar de rechterlijke autoriteiten betekend niet dat verweerster verplicht is gehoor te geven aan een oproep om ter terechtzitting te verschijnen.

Grief 9. Onafhankelijkheid is niet prijsgegeven
Ten onrechte heeft het tuchtcollege onder 4.2 van de beslissing de indruk gewekt alsof verweerster bij de uitoefening van haar beroep zich niet onafhankelijk heeft opgesteld. Verweerster heeft de brieven namens haar clienten verzonden, waardoor duidelijk is dat zij hiermee nadrukkelijk afstand heeft genomen. Het onafhankelijk zijn van verweerster wordt door het tuchtcollege getoetst aan de inhoud van de klacht en het feit dat klager stelt dat hetgeen in de brieven is vermeld niet op waarheid berust. Hiermee komt verweerster tot de conclusie dat de beslissing van het tuchtcollege elke grondslag ontbreekt.

Grief 10. Vrijheid niet overschreden
Ten onrechte stelt het tuchtcollege onder 4.2 van de beslissing dat verweerster door het doen voorkomen alsof klager zich schuldig maakt aan verduistering van bezittingen van oudere dames en mensen te waarschuwen tegen onoorbare handelingen van klager, de aan haar toekomende vrijheid heeft overschreden. In casu heeft klager zich daadwerkelijk schuldig gemaakt aan verduistering, waardoor er geen sprake is van enig doen voorkomen. In het bericht naar de media is duidelijk omschreven wat zich heeft voorgedaan en zijn er voldoende documenten overgelegd waaruit blijkt dat klager weigert om de goederen af te staan. De berichten zijn voorts namens haar clienten verzonden, waardoor er geen sprake kan zijn van het feit dat verweerster de aan haar toekomende vrijheid heeft overschreden.

6. De vordering in hoger beroep
Verweerster concludeert op bovengenoemde gronden tot vernietiging van de beslissing van het Advocaten Tuchtcollge waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de klacht als ongegrond te verklaren.

7. Het standpunt van klager in hoger beroep.
Verkort weergegeven, blijft klager op zijn standpunt ingenomen bij het ATC dat verweerster handelingen heeft gepleegd die in strijd zijn met de waarheid en erop gericht zijn om zijn goede naam en eer aan te tasten.

8. De beoordeling
8.1 Advocaten zijn op grond van artikel 37 van de Advocatenwet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van:

  • enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, 
  • ter zake van inbreuken op de ordebesluiten en 
  • ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. 

Ingevolge het bepaalde in artikel 17 lid 2 van de Advocatenwet zijn de ere-regelen op advocaten van toepassing. Deze ere-regelen, ook wel gedragsregels genoemd, kunnen als een leidraad dienen bij de beantwoording van de vraag of de tuchtrechtelijke norm van artikel 37 van de Advocatenwet is geschonden. Om te bepalen wat de advocaat in het concrete geval heeft te doen of heeft na te laten is de tuchtrechter vaak genoodzaakt zich uit te laten over de strekking van een gedragsregel. Daarbij zal rekening dienen te worden gehouden met voortschrijdende ontwikkelingen binnen de advocatuur, met name met veranderde opvattingen over hetgeen een behoorlijk advocaat al dan niet betaamt. Hierop zal in het navolgende worden ingegaan.

In de gevallen waarin de aangedragen grieven elkaar overlappen, verband houden met elkaar danwel waar er in herhaling wordt getreden zal het Hof deze dan ook gezamenlijk bespreken.

Het Hof overweegt met betrekking tot de aangevoerde grieven als volgt:
8.2. Met betrekking tot de grieven 1, 2, 3, 6, 9 en 10

De stelling van verweerster, dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het e-mailen van de brieven, daar deze namens haar cliënten zijn verstuurd is feitelijk onjuist. Verweerster diende er steeds op bedacht te zijn dat aan de waardigheid van de stand van de advocatuur geen afbreuk wordt gedaan. Voorts dient de vrijheid en onafhankelijkheid van een advocaat om in een proces op te treden niet worden aangetast. De advocaat moet steeds bedenken, dat zij als advocaat dominus litis is, en dus de leiding in de zaak dient te behouden onder haar verantwoordelijkheid. Verweerster heeft erkend dat zij de brieven heeft opgesteld en na instemming van de cliënten deze heeft doorgemaild met de bedoeling die te doen publiceren. Het is ongepast en onwaardig voor een advocaat om zich vervolgens te verschuilen achter haar cliënten omdat zij namens haar clienten zou hebben gehandeld. De advocaat is immers geen willoos werktuig.

Gelet op de klacht zoals verwoord in 4.2. met name dat verweerster handelingen heeft gepleegd, namelijk namens haar cliënten berichten te sturen naar verschillende mediahuizen en een christelijke instelling, die in strijd zijn met de waarheid en tot doel hebben zijn goede naam en eer aan te tasten is het dienstig na te gaan wat onder smaad, smaadschrift en laster wordt begrepen.

Artikel 320 van het wetboek van strafrecht luidt alsvolgt:
Smaad, smaadschrift
1. Degene die opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door beschuldiging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden en geldboete van de derde categorie, hetzij met één van beide straffen.
2. Indien dit geschiedt door middel van geschriften, afbeeldingen of gegevens uit geautomatiseerde werken, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen, of door geschriften of gegevens waarvan de inhoud openlijk ten gehore wordt gebracht, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en geldboete van de derde categorie, hetzij met één van beide straffen.
3. Noch smaad noch smaadschrift bestaat voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

Smaad is een specifieke vorm van belediging. Strafbaar wordt gesteld de aanranding van iemands eer of goede naam, door middel van de tenlastelegging van een bepaald feit. Die beschuldiging dient plaats te vinden met het kennelijke doel van ruchtbaarheid. Wordt er smaad gepleegd door geschriften of afbeeldingen publiek te maken, dan kan er sprake zijn van het qua strafbedreiging zwaardere smaadschrift (art. 261 lid 2). Wel is dan vereist dat de maker van het geschrift of de afbeelding deze voor de openbaarheid of verspreiding heeft bestemd. Smaad(schrift) kan ook worden gepleegd via bijvoorbeeld Facebook of gegevensdragers, zoals dvd’s, usb-sticks of cd(-roms).
Anders dan bij de laster en de lasterlijke aanklacht is voor smaad(schrift) niet per se vereist dat het bepaalde feit waarvan de beledigde wordt beschuldigd, onwaar is

Verweerster heeft een tweetal brieven naar de media gestuurd. Deze brieven zijn volgens verweerster niet gestuurd om de media te informeren, doch om die te publiceren. Een van deze brieven betreft een aanbiedingsbrief, waarin staat opgenomen:
“Beste redactie,
Als attachment treft u een bericht aan met het verzoek de daarin opgenomen informatie met het grote publiek te willen delen, zodat zij zijn gewaarschuwd.

Ten overvloede kan worden aangegeven, dat het geenszins de bedoeling van de familie is om de goede naam en eer van betrokkene te schaden, maar dat de familie geen andere keus heeft, nu betrokkene weigert de goederen van de tantes aan hen af te staan.
Reden waarom desbetreffend bericht mede aan betrokkene wordt opgestuurd, zodat hij hiervan kennis draagt en jullie altijd met hem in contact kunnen treden, zodat hij zijn kant van het verhaal met jullie deelt.

Voorts zijn alle documenten, met namen de correspondentie tussen familie en betrokkene op aanvraag beschikbaar.

Met vriendelijke groeten,
namens de procesgemachtigde van de familie,
[Verweerster]

In de bijlage van de hiervoor geciteerde aanbiedingsbrief, is een schrijven aangehecht met als onderwerp: “Verzoek ter voorkoming van herhaling onderhavig bericht in behandeling te willen nemen.” In de bijlage staat opgenomen:

“Geachte Redactie,
Hierbij doen de hierna te vermelden familieleden van mevrouw [naam 2], het dringend verzoek, om uw medewerking te willen verlenen, zodat anderen worden gewaarschuwd tegen het optreden van personen die lid zijn van kerkelijke organisaties en zogenaamd als christen het helpen van oudere dames als hun roeping zien, maar achteraf de bezittingen van hen verduisteren.
(…)
Dat de familie op een bepaald moment van de tantes, te weten: [naam 3] (overleden 25 november 2018) en [naam 2], heeft vernomen, dat een goede vriend van hen, met name de heer [klager] (hierna: de caretaker) geboren op 15 april 1947 te [plaats], houder van [ID-nummer], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 4] en wonende aan [adres] te [plaats], heb bij staat met het doen van allerlei zaken.
(…)
Reden waarom u wordt gewaarschuwd voor personen die zich verschuilen achter in casu:
“HET CHRISTENDOM”

Verweerster heeft in de brief d.d. 06 april 2019 gericht aan mevrouw [naam 5] als volgt aangegeven:

“Paramaribo, 06 april 2019

Beste mevrouw [naam 5],
Namens mijn clienten, ben ik genoodzaakt u bij deze zaak te betrekken nu blijkt dat de heer [geïntimeerde] ondanks diverse waarschuwingen zijn handelingen tegen de familie van mevrouw [naam 2] onverstoord voortzet.
Wij staan thans op het punt alle media in Suriname en het buitenland en social media hierover te informeren, maar wij kwamen vanmorgen toevallig de website van Kerkipassi.net tegen en besloten eerst jullie te benaderen.
De dochter van mevrouw [naam 3] heeft de volgende week intervieuws met de media, dus hopen wij dat hij uiterlijk morgen gehoor geeft aan hetgeen al weken van hem wordt geeist.
Deze mail wordt eveneens gestuurd naar zijn advocaat Mevr. Y. Engkar. Dat de zaak weliswaar in behandeling is bij de rechter, maar niemand de familie desondanks kan verbieden om ook de media te informeren over zijn praktijken.
Gelet op het feit dat [naam 6]haar laptob niet naar Suriname heeft meegenomen, omdat zij niet had verwacht dat de zaak een dergelijke wending zou nemen, heeft zij mij gevraagd om namens haar iedereen via email op de hoogte te stellen van haar besluit.
Als attachment treft u twee waarschuwingen en een kopie van het verzoekschrift terzake de rechtszaak die nu bij de kantonrechter in behandeling is.
Ten overvloede wensen wij aan te geven, dat het geenszins de bedoeling is om de goede naam en eer van de heer [geïntimeerde] aan te tasten, maar dat deze aktie van ons slechts bedoeld is om zijn onrechtmatig handelen jegens de familie en mevrouw [naam 2] terstond te beindigen, door al hetgeen haar en of haar familie toebehoort en hij dus ten onrechte onder zich heeft, terstond aan hen af te staan.
In de hoop u voldoende geïnformeerd te hebben, verblijven wij,

[Verweerster], advocaat

PS: Wij gaan vandaag deze email en de daarbij behorende bijlagen alvast naar de media sturen, omdat wij deze afspraak al met ze hadden in verband met de gesprekken de komende week. Vandaag zullen de diverse kerkgenootschappen eveneens geïnformeerd worden.

Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat het de bedoeling van verweerster was om de eer en goede naam van klager te schaden door aan bepaalde feiten ruchtbaarheid te geven. Of deze feiten waar of niet waar zijn is voor het strafbaar feit smaad(schrift) niet relevant. Wel is dit relevant voor het strafbaar feit laster. Aangezien het te ver zal voeren om in het kader van deze behandeling dat feit te onderzoeken, daartoe is een strafproces de meest geëigende weg, zal het hof aan dat deel niet verder wijden.

Het staat verweerster niet vrij om grievende uitspraken te uiten aan het adres van klager, al dan niet namens haar cliënten, en deze te delen met derden. Of deze brieven al dan niet zijn ontvangen danwel zijn gepubliceerd doet aan de bedoeling van verweerster niets af. Dit gedrag van verweerster acht het Hof zeer laakbaar.

Voorts concludeert het Hof dat het uitgangspunt is dat een advocaat een ruime mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn of haar cliënt te behartigen op de wijze dat hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is echter niet absoluut, maar wordt onder meer beperkt door het feit dat een advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen en bij de belangen behartiging van zijn cliënt erop moet toezien dat hij de belangen van de wederpartij niet onevenredig of onnodig schaad zonder redelijk doel. De advocaat behoort zich te onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. Door zich bewust op een dergelijke manier over klager uit te laten heeft verweerster de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid ver overschreden. Verweerster heeft door haar handelingen integendeel de belangen van klager onevenredig geschaad. De grieven 1, 2, 3, 6, 9 en 10 falen.

8.3. Met betrekking tot de grief 4, 5 en 7
Deze grieven missen relevantie voor wat betreft de aan de orde zijnde klacht van klager. Aangezien deze grieven niet tot een andersluidend oordeel zullen leiden als hieronder te melden zullen deze grieven worden gepasseerd.

8.4. Met betrekking tot grief 8
Deze grief gaat op.
Hoewel de afwezigheid van verweerder bij de behandeling van de klacht die tegen haar was ingediend in het algemeen hoogst ongewenst is, was zij niet verplicht te verschijnen bij de behandeling van de klacht ter zitting.
De tuchtrechter heeft de betrokken advocaat nodig om een goed inzicht in het gebeurde te krijgen en het is bovendien een kwestie van beleefdheid zowel tegenover de tuchtrechter als tegenover de klager. Bovendien loopt de niet verschijnende verweerster het risico dat door de klager gestelde feiten bij gebrek aan tegenspraak als vaststaand aangenomen worden.
Het opgaan van deze grief zal verweerster echter geen soelaas bieden, aangezien dit niet leidt tot een vernietiging van de bestreden beslissing. De gronden van de bestreden beslissing zullen in zoverre worden verbeterd.

8.5. Het Hof komt op grond van de hierboven besproken grieven tot de conclusie dat verweerster zeer ernstige misslagen in de praktijkuitoefening heeft begaan en daardoor heeft gehandeld op een wijze dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Verweerster heeft door haar handelen, klager ernstige schade toegebracht en hem aangetast in zijn goede naam en eer.
Het Hof verklaart de klacht van klager daarom gegrond en zal het Hof de bestreden beslissing van het ATC d.d. 18 februari 2021 bevestigen onder verbetering van de aangevoerde gronden doch met uitzondering van de duur van de opgelegde tuchtmaatregel die het Hof benedenmaats acht gelet op de zeer ernstige misslagen in de praktijkuitoefening die verweerster heeft begaan.
Bij het bepalen van de aan verweerster op te leggen tuchtmaatregel wordt rekening gehouden met het feit dat verweerster in tuchtrechtelijke zin first offender is.
Het Hof zal, gelet op het vorenoverwogene, aan verweerster de tuchtmaatregel van schorsing uit het ambt van advocaat voor de duur van zes maanden opleggen.
Gelet op het publieke belang van kennisneming van onderhavige materie zal het Hof tevens beslissen dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr). Voorts zal het Hof de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten opdragen om de in het dictum te noemen instanties c.q. personen in kennis te stellen van deze beslissing.

9. De beslissing in hoger beroep
     Het Hof:
9.1 Verklaart de klacht van klager gegrond;

9.2 Bevestigt de bestreden beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 18 februari 2021 gewezen op verzoek van de klager, onder verbetering van gronden, doch met uitzondering van de duur van de opgelegde tuchtmaatregel.

9.3 Vernietigt de beslissing van het ATC d.d. 18 februari 2021 ten aanzien van de aan verweerster opgelegde tuchtmaatregel;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

9.4 Legt op aan de verweerster de tuchtmaatregel van schorsing uit het ambt van advocaat voor de duur van zes maanden.

9.5 Bepaalt dat bovengenoemde tuchtmaatregel zal ingaan met ingang van de dag na ontvangst door verweerster van een afschrift van deze beslissing.

9.6. Bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

9.7 Beveelt de Deken van de Orde van Advocaten om van deze beslissing kennis te geven aan de leden van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast, de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie, de Surinaamse Bankiers Vereniging, de Surinaamse Notariële Beroepsorganisatie en de deurwaarders bij het Hof van Justitie.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. S.M.M. Chu en mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare zitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op 31 oktober 2023, in tegenwoordigheid van mr. C. Tamsiran-Harris, fg.griffier.

 

SRU-K1-2010-17

Kantongerecht in het Eerste Kanton
A.R. 090229
11 februari 2010
RGR

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[Eiser],
wonende in [district],
eiser in kort geding,
gemachtigde: mr.dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

De Centrale Bank van Suriname, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat.

De kantonrechter in het eerste kanton heeft in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis d.d. 5 november 2009 strekkende tot overlegging door gedaagde van relevante juripridentie.

  1. Het verdure verloop van het geding
  1. Hiervan blijkt uit de volgende processtukken-handelingen:
  • de conclusie tot overlegging van jurisprudentie zijdens gedaagde.
  • De conclusie tot uitlating zijdens eiser.
  1. De uitspraak van het vonnis is nadir bepaald op heden.
  1. De beoordeling

2.1 De kantonrechter neemt over hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis.

2.2 De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt betreft de vraag of in de gevallen als bedoeld in artikel 1615 e lid 2 sub 3 BW een ontslagvergunning is vereist.

2.3 Op grond van artikel 3 lid 1 sub b van de Wet Ontslagvergunning is een ontslagvergunning niet vereist als de dienstbetrekking van rechtswege wordt beëindigd als bedoeld in artikel 1615 e BW.

Krachtens artikel 1615 e lid 1 BW eindigt een dienstbetrekking die voor bepaalde tijd is aangegaan van rechtswege door het verstrijken van die tijd.

In de gevallen voornoemd in lid 2 van gemeld wetsartikel is bovendien vereist dat de dienstbetrekking vooraf wordt opgezegd. Aan dit vereiste moet naar het oordeel van de kantonrechter slechts de betokening van een administratieve handeling worden toegekend te weten een “reminder” aan de wederpartij dat het einde van de dienstbetrekki8ng nadert zodat men daarop is voorbereid. De arbeidsovereenkomst wordt echter ook in deze gevallen van rechtswege beëindigd door het verstrijken van de tijd, omdat anders in feite sprake zou zijn van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, aangezien beëindiging daarvan buiten partijen om afhankelijk zou zijn van een overheidsorgaan. (Vide: F. Kruisland in het Surinaams Juristen Blad, juli 2008 no. 2, pg’s 17 t/m 20).

2.4 Nu gedaagde de dienstbetrekking bij brief d.d. 13 juni 2008 heeft opgezegd en, zoals hierboven is gebleken, geen ontslagvergunning was vereist is naar het oordeel van de kantonrechter de dienstbetrekking rechtmatig beëindigd zodat de vordering moet worden afgewezen.

2.5 Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van deze procedure worden verwezen.

  1. De beslissing in kort geding

3.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

3.2 Verwijst eiser in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kort geding gewezen en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 11 februari 2010, door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. R.G. Rodrigues, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. R.G. Rodrigues

 

SRU-HvJ-2021-118

A-1040

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
met name het Ministerie van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: Majoor Vernon W. Pengel LL.M., jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaten,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof d.d. 29 september 2020;
  • het door de Staat ingediend verweerschrift d.d. 12 november 2020;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 20 januari 2021, waarbij het verhoor van partijen in Raadkamer is bepaald op vrijdag 19 februari 2021 des middags te 12.00 uur;
  • het proces-verbaal van het op 19 februari 2021 gehouden verhoor van partijen;
  • het proces-verbaal van het op 16 april 2021 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 juli 2021 doch nader op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], welke beschikking [verzoeker] op 09 september 2020 in ontvangst heeft genomen uit handen van de deurwaarder bij het Hof van Justitie LOUISE TRAN VAN CAN-DOESBURG, ontslagen uit Staatsdienst en wel ter zake plichtsverzuim. De Staat is namelijk de mening toegedaan dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, zulks daar zij meent dat [verzoeker] zonder toestemming van zijn superieuren in Paramaribo buiten het detachement is geweest, alsook dat [verzoeker] heeft nagelaten zaken die te maken hebben met de justitie aan zijn superieuren te rapporteren;
  2. [verzoeker] heeft zich na ontvangst van de beschikking afkomstig van de Minister van Defensie de dato 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1] binnen de daartoe aangegeven termijn gewend tot de President van de Republiek Suriname en wel bij schrijven d.d. 24 september 2020. [verzoeker] heeft op dit schrijven geen reactie ontvangen;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad:
  1. zal worden vernietigd althans nietig verklaard de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], waarbij [verzoeker] is ontslagen uit Staatsdienst ter zake plichtsverzuim;
  2. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 10.000,= voor iedere dag en/of keer dat de Staat in strijd handelt met het onder sub a van dit petitum gevorderde bij veroordeling daarvan;

Kosten rechtens.

  1. [Verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De grondslagen om hem te ontslaan zijn onterecht en kloppen niet. [verzoeker] heeft wel degelijk contact gemaakt met zijn superieur(en) en die heeft/hebben toestemming aan hem verleend om zich buiten het detachement te begeven en onderzoek daar te verrichten aan de hand van bekomen informatie. De superieur aan wie [verzoeker] zaken heeft gerapporteerd en wie toestemming aan hem heeft verleend is de detachementscommandant geweest die op 12 februari 2020 is komen te overlijden. Voorts is [verzoeker] de mening toegedaan dat de aan hem opgelegde straf casu quo sanctie niet correspondeert met het verwijt welke aan zijn adres wordt gemaakt. [Verzoeker] heeft de bevoegdheid gehad om te onderzoeken dat wat hij bezig was te onderzoeken en zulks valt niet buiten zijn werkbevoegdheid. Het feit dat de detachementscommandant na de aan [verzoeker] verleende toestemming geen contact met Paramaribo mocht hebben gemaakt, kan en mag niet in de schoenen van [verzoeker] worden geschoven. [verzoeker] heeft de lijn van het moeten vermelden van zaken en vragen om toestemming voor onderzoek gevolgd en mag het niet verder doorspelen van zaken door zijn meerdere hem niet worden verweten. De Staat stelt dat door het gedrag van [verzoeker] – het nalaten van de uit te voeren controle op de veiligheid van het detachement – er ontoelaatbare handelingen hebben plaatsgevonden waarvan [verzoeker] dan niet op de hoogte was, hetgeen tot gevolg heeft gehad de dood van twee militairen. [verzoeker] ontkent deze beschuldiging met klem. [verzoeker] geeft aan dat één van de twee overleden militairen de detachementscommandant is geweest aan wie hij zaken heeft gerapporteerd en van wie hij toestemming heeft verkregen om zaken buiten het detachement te mogen onderzoeken. [verzoeker] geeft aan dat er verwacht mag worden dat zijn meerdere, in deze de detachementscommandant, zich ook houdt aan de regels op veiligheid binnen het detachement en dat hij als hoogste in rang op dat moment zich niet bezig gaat houden met zaken die de veiligheid van de manschappen onder hem in gevaar gaat brengen. Verder is er niet bewezen dat het door de Staat gestelde nalatend handelen tot direct gevolg heeft gehad de dood van twee militairen. [verzoeker] geeft expliciet aan dat er geen causaal verband is tussen het eventueel nalatend handelen van hem en de dood van twee militairen. Van [verzoeker] kan en mag niet verwacht worden dat hij aan zijn meerdere, de detachementscommandant, gaat vragen wat die gaat doen, waar hij naar toe gaat en waarom. De commandant is de commandant en is de commandant aan niets en niemand anders verantwoording verschuldigd dan zijn meerdere(n) casu quo superieuren;
  1. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij het verhoor van partijen eveneens verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet , of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde in casu betreft een vernietiging dan wel nietigverklaring van een ontslagbeschikking en het opleggen van een dwangsom, het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderhavige vordering.

Ontvankelijkheid

4.4. Weliswaar is er gesteld doch niet gebleken dat [verzoeker] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020, hetwelk hij op 09 september 2020 in ontvangst heeft genomen, weshalve hij ontvankelijk is in de ingestelde vordering. Hetgeen de Staat heeft aangevoerd in haar verweerschrift en dat er op neer komt dat [verzoeker] prematuur is met het adiëren van de Ambtenarenrechter aangezien hij ingevolge artikel 78 PW beklag heeft ingediend bij de President van de Republiek Suriname, haalt het in de visie van het Hof niet in rechte. Immers is het publiek geheim dat de hogere instantie niet efficiënt en effectief het beklag behandelt en afhandelt terwijl de ambtenaar – in casu [verzoeker] – niet alleen in onzekerheid verkeert maar ook geen salaris ontvangt. Immers heeft het beklag geen schorsende kracht. Derhalve is [verzoeker] naar het oordeel van het Hof ontvankelijk in zijn verzoek;

4.5. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweerschrift en ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat de Staat zich op het standpunt stelt dat [verzoeker] zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat het op zijn weg ligt om het tegendeel te bewijzen.

4.6. Naar het oordeel van het Hof gaat het om het volgende. [verzoeker] is militair van beroep in de rang van Korporaal en ingedeeld bij de Militaire Politie. [verzoeker] werd op enig moment gedetacheerd te Koemakapan. Naar zeggen van [verzoeker] moest hij informatie verzamelen zowel binnen het detachement als daarbuiten. In dat kader is [verzoeker] samen met een collega van de Militaire Inlichtingendienst, Korporaal [naam 1], met de boot naar Yaw Pasi vertrokken om informatie te verzamelen. Sergeant [naam 2], de detachementscommandant, heeft hen samen met een bootsman gebracht naar Yaw Pasi. Daardoor vertoefden [naam 1] en [verzoeker] in de periode 04 februari 2020 tot en met 12 februari 2020 buiten het detachement. Op 12 februari 2020 is de boot waarin de detachementscommandant sergeant [naam 2] samen met onder andere de soldaten [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7] en de bootsman [naam 8] zat, gekapseisd en zijn daarbij de bootsman [naam 8], Soldaat [naam 3] en Sergeant [naam 2] verdronken. Er werd geen rekening gehouden met de veiligheidsvoorzieningen waardoor niemand een reddingsvest aan had en de boot overbeladen was met 09 man. Naderhand bleek dat de detachementscommandant sergeant [naam 2] de te Koemakapan gedetacheerde soldaten inzette voor beveiliging van een goudveld in de buurt van Anapaike (kennelijk tegen betaling). Op de fatale dag van het bootongeluk was sergeant [naam 2] de soldaten van het goudveld in de buurt van Anapaike met de boot gaan ophalen teneinde ze terug te brengen naar het detachement te Koemakapan.

4.7. Thans staat in de visie van het Hof de vraag overeind of de kennelijk illegale activiteiten van de detachementscommandant en het fatale bootongeluk op enige manier op het conto van [verzoeker] kunnen worden geschreven. [verzoeker] is van de afdeling Militaire Politie en door zich buiten het detachement te begeven heeft hij zich in de visie van de Staat schuldig gemaakt aan plichtsverzuim waardoor de detachementscommandant vrijelijk kon uitvaren. Indien [verzoeker] zich volgens de Staat niet buiten het detachement had begeven had de detachementscommandant niet de gelegenheid gehad om uit te varen en zou het fatale ongeluk kennelijk niet hebben plaatsgevonden (althans zo vat het Hof het standpunt van de Staat op). Naar het oordeel van het Hof dient voormelde vraag in ontkennende zin te worden beantwoord. Het standpunt van de Staat dat het primair de verantwoordelijkheid van [verzoeker] was om te voorkomen dat militairen op voornoemd detachement te Koemakapan ontoelaatbare handelingen zouden plegen is in de visie van het Hof onhoudbaar in rechte. Daargelaten het feit dat bij de behandeling van deze zaak het niet aannemelijk is geworden dat deze verantwoordelijkheid uitdrukkelijk onder de aandacht van [verzoeker] zou zijn gebracht door de dienstleiding, heeft de detachementscommandant naar het oordeel van het Hof een eigen verantwoordelijkheid en hoeft [verzoeker] niet perse continu ter plekke aanwezig te zijn om de detachementscommandant te controleren. En indien de detachementscommandant zich heeft bezig gehouden met ontoelaatbare handelingen dan kan [verzoeker] in de visie van het Hof niet aansprakelijk gesteld worden daarvoor. Waar [verzoeker] tekort is geschoten in de visie van het Hof is dat hij heeft verzuimd om zijn superieuren in Paramaribo telefonisch te informeren over hetgeen te Koemakapan gaande was en dat hij zich buiten het detachement zou begeven. De gebrekkige telefoonverbinding die [verzoeker] als excuus daarvoor heeft aangevoerd is in de visie van het Hof niet valide gebleken aangezien er wel telefonisch contact gemaakt kon worden door en met de andere militairen die ter plaatse gedetacheerd waren;

4.8. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat [verzoeker] zich wel heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim maar dat de tuchtstraf van ontslag – gelet op alle omstandigheden van het geval – in de visie van het Hof niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Het Hof ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek toe te wijzen in voege als na te melden. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu dat gekoppeld is aan iedere dag en/of keer terwijl er geen veroordeling is gevorderd dat gekoppeld is aan een termijn. Het Hof ziet op grond van al het voorgaande aanleiding om aan [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 PW juncto artikel 61 PW de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand op te leggen, welke tuchtstraf het Hof passend voor komt in het gegeven geval.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart nietig de beslissing van de Minister van Defensie d.d. 19 augustus 2020 Bureau No. L.P. Agno. [nummer 1], waarbij [verzoeker] is ontslagen uit Staatsdienst ter zake plichtsverzuim;
  1. Legt aan [verzoeker] op de tuchtstraf van schorsing voor de duur van èèn (1) maand;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen majoor [naam 9], gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-117

G.R. no. 15923
Beschikking

Het Hof van Justitie van Suriname

Gelezen de door [verzoeker] (hierna [verzoeker]) op 26 oktober 2020 bij de griffier der Kantongerechten ingediende akte van wraking van

[naam 1] (hierna [naam 1]) als kantonrechter in het eerste kanton in de zaak van [verzoeker], [naam 2] bekend onder A.R. No. 20-1408 (verzoek tot herziening vonnis), welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd;

Gelezen de schriftelijke verklaring van [naam 1] d.d. 28 oktober 2020

– welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd – hierop neerkomende, dat hij zich niet in de wraking wenst te berusten omdat de in het wrakingsverzoek genoemde feiten en omstandigheden ondeugdelijk zijn en geen grond tot wraking opleveren in de zin van artikel 31 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.);

Overwegende, dat het Hof uit de akte van wraking begrijpt dat [verzoeker] als grond voor de wraking aanvoert, dat er tussen hem en [naam 1] een hoge graad van vijandschap bestaat en zou dit blijken uit het volgende:

  1. De eerste behandeling van het herzieningsverzoek heeft op 12 augustus 2020 plaatsgevonden. Zijn procesgemachtigde, mevr. mr. H.H. Vreden, is weliswaar laat op de zitting verschenen, maar de tegenpartij heeft ruimschoots de tijd gehad verweer te voeren, ook na binnentreden van mr. Vreden. De kantonrechter heeft geweigerd om zijn procesgemachtigde mr. Vreden de gelegenheid te bieden om verweer te voeren, stellende dat de zitting reeds gesloten is. Aangezien de tegenpartij nog het woord voerde, waarbij zowel de tegenpartij en haar advocaat de gelegenheid hebben gehad om zich breedvoerig uit te laten en de kantonrechter hen enkele vragen heeft gesteld, kan nimmer er vanuit worden gegaan dat de zitting reeds gesloten was.
  2. [verzoeker] heeft in de zaak A.R.No.17-5198 moeten ervaren dat deze kantonrechter hem meerdere keren het woord heeft ontnomen en heeft afgesnauwd indien hij probeerde zijn standpunt duidelijk te maken. [Verzoeker] is niet rap van tong en dus had hij meer tijd nodig om zijn gedachten in woorden om te zetten, hetgeen hem in deze procedure duur is komen te staan.
  3. De kantonrechter heeft bepaalde zaken in het vonnis opgenomen die geheel in strijd zijn met hetgeen [verzoeker] en zijn toenmalige advocaat tijdens de procedure naar voren hebben gebracht. De in het geding zijnde woning was nog niet afgebouwd op het moment dat het echtscheidingsvonnis niet meer vatbaar was voor hoger beroep. Toch is de waarde van de in het geding zijnde woning daarna vastgesteld.
  4. Bij het bepalen van de waarde zijn goederen die zich in de woning bevonden meegenomen ondanks die niet vielen in de huwelijksgoederengemeenschap.
  5. De kantonrechter heeft een andere boedelnotaris aangewezen zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen daaromtrent verweer te voeren.

Overwegende, dat [naam 1]hierna een schriftelijke akte heeft genomen waarin hij gemotiveerd te kennen heeft gegeven – zakelijk weergegeven – dat hij weigert om zich van de kennisneming van de zaak te onthouden omdat er geen grove graad van vijandschap tussen hem en [verzoeker] bestaat en dat hij slechts zijn werk aan het doen was met inachtneming van de geldende regels;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat de door [verzoeker] aangevoerde gronden, daargelaten de juistheid hiervan, niet aangemerkt kunnen worden als bewijs dat er een hoge graad van vijandschap bestaat tussen hem en [naam 1] weshalve onderhavig verzoek reeds hierom ongegrond dient te worden verklaard;

Overwegende immers, dat [verzoeker] zelf heeft erkend dat op de dag van de behandeling van de zaak zijn advocaat, mr. Vreden, de zittingszaal laat binnenstapte; dat niet is gesteld noch is gebleken dat [verzoeker] niet de gelegenheid heeft gehad zijn zegje te doen; dat nu het ging om een verhoor van partijen het hoofdzakelijk de partijen zijn die aan het woord komen en wel beurtelings zoals gebruikelijk in het procesrecht; voorts dat vanwege de covid-19 pandemie er voor elke zaak tijdstippen zijn bepaald, met dien verstande dat laat arriverende advocaten het risico lopen geen gelegenheid meer te krijgen om de zaak toe te lichten; dat dit euvel niet aan de kantonrechter kan worden verweten wiens taak het ook is de duur van het proces te bewaken;

Overwegende ten aanzien van het aangevoerde onder punt 2 hiervoor, dat beide partijen zijn gehoord en dat daarna [naam 1], ook de advocaten de gelegenheid heeft geboden om zich schriftelijk uit te laten; dat aan [verzoeker] hierdoor dus voldoende gelegenheid is geboden om zijn standpunt kenbaar te maken;

Overwegende ten aanzien van het overige door [verzoeker] onder de punten 3, 4 en 5 aangevoerde, dat deze gronden inhoudelijke bezwaren zijn over de beslissing van de kantonrechter en dat indien [verzoeker] het niet eens was met die beslissing hij de mogelijkheid had om daartegen hoger beroep aan te tekenen; dat een eventueel nalaten hiervan voor risico komt van [verzoeker] en kan het instituut van wraking niet oneigenlijk worden gebruikt door de schuld van eigen falen op de kantonrechter af te wentelen;

Overwegende, dat een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden; dat het uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid); dat daarnaast er onder omstandigheden reden kan zijn voor wraking indien, geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid); dat het subjectieve oordeel van [verzoeker] dienaangaande niet doorslaggevend is;

Overwegende, dat [verzoeker] in de door hem ingediende akte van wraking geen feiten of omstandigheden heeft gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid; dat in het onderhavige verzoek evenmin is gebleken van (schijn van) objectieve partijdigheid;

Overwegende, dat de wraking dus ongegrond is weshalve het wrakingsverzoek zal worden afgewezen;

Beschikkende

Verklaart het verzoek van wraking tegen de Kantonrechter in het eerste kanton, [naam 1], belast met de behandeling van de zaak bekend onder A.R.No. 20-1408 (verzoek tot herziening vonnis) ongegrond en wijst het wrakingsverzoek af;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 11 februari 2021 door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, in tegenwoordigheid van mevr. mr. S.C. Berenstein, BSc. fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-116

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15185
15 oktober 2021

In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen [appellant],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 11 november 2016 bekend onder AR no. 16-4144 tussen [appellant] als eiser in kort geding en [geïntimeerde] als gedaagde in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Madjoe op 14 november 2016 hoger beroep heeft ingesteld;

– de ter griffie der kantongerechten ingediende memorie van grieven gedateerd 24 november 2016;

– het schrijven van de gemachtigde van Madjoe, gedateerd 19 mei 2017, tot intrekking van het ingestelde hoger beroep;

– de conclusie tot uitlating intrekking d.d. 7 juli 2017, zijdens [geïntimeerde].

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 19 januari 2018 doch nader op heden.

  1. De beoordeling

2.1 De gemachtigde van [appellant] heeft bij schrijven gedateerd 19 mei 2017 – voor zover van belang – aangegeven dat er geen belang meer is bij het door [appellant] ingestelde hoger beroep en dat de zaak wordt ingetrokken.

Het Hof begrijpt hieruit dat bedoeld wordt dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep in de onderhavige zaak wordt ingetrokken.

Het Hof concludeert dat hiermee het vonnis van de kantonrechter d.d. 11 november 2016 bekend onder AR no. 16-4144, in kracht van gewijsde zal gaan.

[Geïntimeerde] heeft zich niet verzet tegen de intrekking van het hoger beroep.

Het Hof zal daarom beslissen als in het dictum te melden.

  1. De beslissing

Het Hof:

Verstaat dat het ingestelde hoger beroep tegen het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 11 november 2016 bekend onder

AR no. 16-4144 is ingetrokken.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 15 oktober 2021 in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, fungerend-griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-115

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15694
I.L.

5 maart 2021

In de zaak van

[Appellante],
wonende in het [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde voorheen: mr. J.J. Korendijk, advocaat,
thans procederend in persoon,

tegen

[Geïntimeerde],
tijdelijk verblijfhoudende in het [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 december 2018 bekend onder AR no. 18-0590 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 12 februari 2019 hoger beroep heeft ingesteld.

1.2 Ten dage voor het nemen van een pleitnota zijdens de vrouw bepaald is er ondanks herhaaldelijk verleend uitstel geen pleitnota genomen.

1.3 De uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 4 juni 2021, is thans bij vervroeging bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de wettelijk gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

  1. De beoordeling

3.1 De vrouw heeft geen grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Ambtshalve is evenmin gebleken van de onjuistheid van het vonnis voornoemd zodat het Hof dit vonnis zal bevestigen.

3.2 De proceskosten in hoger beroep gevallen zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

  1. De beslissing

Het Hof:

4.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 december 2018 bekend onder AR no. 18-0590, waarvan beroep.

4.2 Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt en betaalt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 5 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld