SRU-HvJ-2004-15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14105

[appellant], wonende [plaats] aan [straatnaam 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.Oemar, advokaat,

appellant,

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende [plaats] aan [straatnaam 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,

geintimeerde,                                                                                                    

                                                                     

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 8 april 1997 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 april 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [GEÏNTIMEERDE] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de eiser en gedaagde vanaf de maand maart 1995, verschillende geldzaken hebben gedaan o.a. heeft de eiser aan de gedaagde in de maand maart 1995, een geldsbedrag van F.18.000.000.—(Achttien miljoen gulden), voorgeschoten, teneinde onroerende goederen op te kopen en die tegen winsten door te verkopen;
  2. dat de gedaagde per 10 juli 1995, aan de eiser per saldo had te voldoen, een bedrag van f.10.262.500.–;
  3. dat door de gedaagde vanaf 10 juli 1995 tot en met 29 april 1996, aan de eiser geen enkele rekening en verantwoording heeft gegeven omtrent de geboekte winsten;
  4. dat naar de maatstaven van eerder aan de eiser door gedaagde uitgekeerde winsten, de gedaagde in de periode van 10 juli 1995 tot en (lees erbij: met) 29 april 1996, een totale winst heeft gemaakt van F.4,525.000.—waarvan de helft of te wel een bedrag van F.2.262.500.—aan de eiser toekomt;
  5. dat de eiser per 29 april 1996 aldus van de gedaagde opeisbaar had te vorderen de bedragen van t.w.: als saldo hoofdsom een bedrag van F.10.262.500.—plus de gemaakte winst ad F.2.262.500.–;
  6. dat de eiser de gedaagde omtrent een generale afrekening herhaaldelijk heeft aangesproken, echter heeft de gedaagde altijd geweigert tot een algehele afrekening en betaling aan de eiser te doen;
  7. dat de eiser daarom de gedaagde blijkens bijgaande schrijven van de Deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd.29 april 1996, welk schrijven bij exploit van dezelfde deurwaarder dd. 29 april 1996 aan de gedaagde werd betekend heeft doen sommeren om voormeld aan de eiser toekomende bedragen van in totaal F.12.525.000.—binnen 2 dagen nadien te voldoen, echter is door de gedaagde na de sommatie slechts een bedrag en F.354.700.—als in mindering betaald latende een saldo bedrag van F.12.170.300.–;
  8. dat de eiser gerechtigd is het saldo opeisbaar bedrag in rechte van de gedaagde te vorderen, nu als gesommeerd geen betaling van het volledig bedrag is kunnen bekomen; 
  9. dat eiser ter verzekering zijner voormelde vordering na daartoe verkregen verlof van de Edelachtbare Heer Kantonrechter in het Eerste Kanton, bij proces-verbaal van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd. 6 mei 1996, conservatoir beslag heeft doen leggen op het ½ aandeel en de blote eigendom van de gedaagde op de in dit proces-verbaal omschreven roerende goederen van de gedaagde; 
  10. dat dit beslag bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd. 6 mei 1996 aan de gedaagde werd betekend; 
  11. dat dit beslag behoort te worden vanwaarde verklaard;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten van het geding, gedaagde  zal worden  veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a.als saldo hoofdsom een bedrag van F.9.907.800.–, terzake als ten rekeste is omschreven, vermeerderd met de wettelijke rente hier over ad 6% ‘s jaars vanaf de dag der indiening  van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening;

b.de som van F.2.262.500.—terzake als ten rekeste omschreven.

Voorts dat vanwaarde zal worden verklaard het gelegd conservatoir beslag; Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding, daaronder begrepen die van het gelegd beslag en de betekening daarvan.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.J.Lachmon en Mr.T.Gangaram Panday ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 8 oktober 1996 de gemachtigde van gedaagde heeft verklaard dat partijen zich in termen van schikking bevinden;

Overwegende, ten dage voor antwoord bepaald met peremptoirstelling casu quo uitlating schikking er geen conclusie is genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 8 april 1997 op de daarin opgenomen gronden:

  1. Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.9.907.800.—(NEGENMILJOEN NEGENHONDERD ZEVENDUIZEND EN ACHTHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 15 mei 1996 tot aan de algehele voldoening.
  2. Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.2.262.500.—(TWEEMILJOEN TWEEHONDERD TWEE EN ZESTIG DUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 15 mei 1996 tot aan de algehele voldoening.

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

Van waarde heeft verklaard het door B.S.Ramkhelawan deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname d.d. 6 mei 1996 onder no. 63 gelegd conservatoir beslag.

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten daaronder begrepen de beslagkosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.11353,50 (ELFDUIZEND DRIEHONDERD EN DRIE EN VIJFTIG 50/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [APPELLANT]in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis  van 8 april 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tj.Jhagroe van 28 juni 2000 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT: 

Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde, op de tegen hem ingestelde vordering in eerste aanleg zich niet verweerd hebbende, ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is om in hoger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding ter eerste instantie zijn gedekt;

Overwegende, dat de appellant, waar hij als gedaagde in het geheel geen verweer op de tegen hem door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg heeft gevoerd, op grond van de aangehaalde wetsbepaling in hoger beroep daartoe wel bevoegd is;

Overwegende, echter, dat deze bevoegdheid in hoger beroep door de appellant slechts kan worden uitgeoefend in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van vermeld wetboek;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene opmerkt, dat zich onder de gedingstukken in het procesdossier bevindt een van 6 mei 1997 daterende door de procesgemachtigde van appellant ondertekende Memorie van Grieven in drievoud;

Overwegende evenwel, dat niet blijkt dat voormelde Memorie van Grieven is overgelegd of ingediend aan de Griffier van het Kantongerecht, die van de ontvangst in voege als voren aantekening houdt, zoals artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitdrukkelijk voorschrijft;

Overwegende, dat de consequentie van het zojuist overwogene is dat het Hof geen acht zal slaan op voormelde Memorie van Grieven en haar buiten geding houden als zijnde niet overgelegd of ingediend;

Overwegende, dat nu appellant van de bevoegdheid tot het voeren van verweer op de tegen hem door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg bij het houden der pleidooien evenwel geen gebruik kan maken, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op de reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen en dat het doen bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van voormelde wet niet kan omvatten het inbrengen van nieuwe weren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van voormeld wetboek en een pleitnota als inhoudende hetgeen de advokaat ten behoeve van en voor zijn client mondeling ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie in de zin van artikel 271 of van artikel 274 dan wel een stuk als bedoeld in artikel 280 van voormeld wetboek is;

Overwegende, dat nu appellant voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep zijn verweer ten principale tegen de hem als gedaagde door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering heeft gevoerd, op grond van de voorgaande overwegingen op dit verweer geen acht kan worden geslagen en de appellant ook in hoger beroep niet geacht kan worden op de voormelde vordering te hebben geantwoord;

Overwegende, dat derhalve evenals in eerste aanleg ook in hoger beroep de vordering van de eiser/geintimeerde als door gedaagde/appellant niet weersproken moet worden aangemerkt en dat mitsdien het vonnis, waarvan beroep, alszijnde juist en conform de wettelijke regeling gewezen in hoger beroep behoort te worden bevestigd met veroordeling van de appellant in de kosten van het geding in hoger beroep;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

          RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis, gewezen en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton van 8 april 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen de geintimeerde als eiser en de appellant als gedaagde (algemeen Register No.1442/96);

Veroordeelt de appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op SRD 50 ; 

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris ad SRD 50 ;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant voor het door hem gehouden pleidooi eveneens op SRD 50 ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden  en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 maart 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.A.R.Baarh namens de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.S.Dulam, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2005-5

                                      

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.14104 

[Appellant], wonende aan [adres] in het [district],  voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.CH. de Noten, advokaat  

appellant,

 t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [adres] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.Asarfi-Lalji, advokaat,

geintimeerde,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

    Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 26 maart 1991, 26 oktober 1993 en 27 juni 1995 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 juli 1995 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

    Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiser van de Overheid van Suriname in huur heeft een perceelland groot 4 ha. gelegen te [aanduiding perceel];
  2. dat eiser in de maand mei 1989, althans in de eerste helft van het jaar 1989, op verzoek van de gedaagde aan hem, gedaagde, een stuk perceel groot ongeveer 20 bij 20 meters, deel uitmakende van het in alinea 1 vermeld perceelland, kosteloos had toegestaan, om met eigen middelen een woonhuis daarop op te zetten en zulks te bewonen;
  3. dat partijen waren overeengekomen, dat gedaagde in de eerste week van juni 1989 zou aanvangen om op voormeld gedeelte van het perceel met eigen middelen een woonhuis op te zetten en na zulks te hebben opgezet binnen twee jaar na mei 1989 weder het door hem gebouwde woonhuis op voormeld gedeelte van het perceel zou verwijderen of doen verwijderen;
  4. dat  partijen waren overeengekomen, dat gedurende de tijd dat gedaagde bezig zou zijn het woonhuis op voormeld gedeelte van het perceel te bouwen of te doen bouwen, gedaagde bij eiser  met zijn vrouw en 2 kinderen zou inwonen t.w. [straatnaam] in het [district] en nadat gedaagde zijn eigen woonhuis op meerbedoelde perceel zou hebben gebouwd, het woonhuis van eiser zou verlaten en/of ontruimen;
  5. dat gedaagde de eiser te kennen had gegeven dat hij het woonhuis in kwestie uiterlijk eind juni 1989 zou hebben afgebouwd;
  6. dat gedaagde slechts een deel van het woonhuis heeft gebouwd en zulks nog niet geschikt is om daarin te wonen en verder heeft gestopt met de verdere bouw;
  7. dat de echtgenote van gedaagde met haar 2 kinderen het woonhuis van eiser bereids hebben verlaten, echter weigert de gedaagde het woonhuis van eiser, gelegen te [aanduiding perceel] (thans [straatnaam]) in het [district] te verlaten, trots dat eiser de gedaagde herhaaldelijk heeft gevraagd dit woonhuis te ontruimen;
  8. dat wanneer eiser de gedaagde vraagt  om eiser’s woonhuis te ontruimen, gedaagde de eiser en zijn echtgenote bedreigt te zullen mishandelen en het recentelijk nog is voorgekomen, dat de gedaagde  eiser en zijn echtgenote heeft mishandeld en heeft eiser in verband hiermede een strafklacht bij de Politie te [plaats] ingediend;
  9. dat eiser op grond van het voorgaande gerechtigd is van de gedaagde te vorderen, dat gedaagde het woonhuis van de eiser ontruimt en het door hem op voormeld gedeelte van het perceel bedoeld in punt 2 hierboven gebouwde gedeelte van het woonhuis af te breken en te verwijderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten:

  1. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de Kantonrechter bij vonnis te bepalen termijn het gebouw gelegen  aan de [straatnaam] in het [district], met alle daarin van zijnentwege zich bevindende  personen en goederen te ontruimen, te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen, met machtiging op de eiser, dat indien gedaagde  binnen de gestelde termijn ingebreke mocht blijven met de ontruiming, deze zelf te doen uitvoeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;
  1. gedaagde zal worden veroordeeld om onmiddellijk na de uitspraak, althans  binnen een door de Kantonrechter bij vonnis te bepalen termijn het door gedaagde gebouwde gedeelte van het  woonhuis op een gedeelte van het perceelland, gelegen te [aanduiding perceel] (thans [straatnaam]) in het [district] af te breken of te doen afbreken, en het perceel in kwestie te verlaten en ter vrije  en algehele beschikking van de eiser te stellen, met machtiging op de eiser om, indien gedaagde binnen de gestelde termijn ingebreke mocht blijven het gedeelte van het gebouwde woonhuis in kwestie te breken of te doen afbreken, deze zelf te doen uitvoeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;

Met verzoek deze zaak op verkorte termijn te willen doen behandelen;

Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding.

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord –  welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans die hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 26 maart 1991 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen, partijen in persoon tevens bijgestaan door hun gemachtigden zijn verschenen, die hebben verklaard gelijk  in het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor beëdiging deskundige bepaald, de heer J.S.Kolhoe, de vereiste eed op de wettelijke voorgeschreven wijze heeft afgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging rapport bepaald, de deskundige het verlangde rapport ten processe heeft overgelegd, wordende de inhoud hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie tot uitlating deskundig rapport hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast  moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 26 oktober 1993 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast tot het beproeven van een schikking en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen nadere comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen zijdens partijen diens gemachtigden een schriftelijke conclusie hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 27 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:

eiser niet ontvankelijk in zijn vordering heeft verklaard;

eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 27 juni 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 20 juli 1998 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoordpleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 augustus 2005 advokaat Mr.G.Ramai-Badal namens advokaat Mr.I.Asarfi-Lalji heeft gepersisteerd bij haar stellingen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat naar luid van artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het hoger beroep aanvangt met eene verklaring dat men van dat  middel gebruik wil maken, door den eischer in beroep of diens daartoe gemachtigde ter Griffie van het Kantongerecht afgelegd of aldaar schriftelijk ingediend;

Overwegende, dat het Hof één zo’n verklaring niet in het procesdossier heeft aangetroffen;

Overwegende, dat ofschoon van voormelde verklaring melding wordt gemaakt in de tot de zaak betrekkelijke stukken als bedoeld in artikel 276 van gemeld Wetboek, zij zich toch niet onder die stukken bevindt;

Overwegende, dat het Hof appellant als meestgerede partij de gelegenheid zal bieden alsnog in het onderhavige geding te doen brengen de in artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde verklaring en wel op een in het dictum van dit vonnis te bepalen rechtsdag, achtende het Hof zulks noodzakelijk als bewijs van het feit dat appel tegen het vonnis de dato 27 juni 1995 is aangetekend;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

        RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Biedt appellant de gelegenheid alsnog in het onderhavige geding te doen brengen de in artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verklaring;

Bepaalt, dat deze zaak daartoe zal worden afgeroepen ter terechtzitting van  het Hof van Justitie van vrijdag, 4 november 2005 des voormiddags te Half Negen uur;

Houdt elke verdere uitspraak aan;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr. K.PULTOO, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 OKTOBER 2005, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.Veldkamp, namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.Ch.de Noten en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.M.S.Ishaak namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.I.Asarfi-Lalji, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.  

                                                                                             

 

                                                                                    

 

SRU-HvJ-2005-4

GENERALE ROL: 14101

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME:

Gelezen het door (wijlen) advocaat Mr. E.J. Bruma namens [naam 1] ingediend verzoekschrift, hetwelk op 2 november 1999 ter griffie van het Hof is ingekomen. 

Gezien het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van 4 mei 2001 en de overige stukken van het geding, waaronder de namens gerekestreerden genomen conclusie tot uitlating dd 1 juni 2001.

Het Hof overweegt als volgt:

Op grond van de gedingstukken staat het volgende vast[naam 2], [naam 3], [naam 5] hebben tegen de hierboven genoemde rekestrant alsmede tegen de Staat Suriname bij het Kantongerecht in het Eerste Kanton een vordering in kort geding aanhangig gemaakt. De zaak staat bekend onder AR nummer 994283. Bij de aanvang van de behandeling van die zaak heeft rekestrant een akte van wraking overgelegd. Bij die akte werd de Kantonrechter voor wie dat kort geding diende, Mr. J.R. von Niesewand, gewraakt. Genoemde Kantonrechter heeft het wrakingsverzoek behandeld en heeft bij vonnis van 25 oktober 1999 in het incident de voorgestelde wraking afgewezen en heeft in de hoofdzaak partijen gelegenheid gegeven om te pleiten en wel ter terechtzitting van diezelfde datum. 

In het verzoekschrift heeft rekestrant verzocht dat het Hof alsnog zal  beslissen over zijn wraking van de Kantonrechter in kort geding, Mr. J. von Niesewand, en dat aan hem zal worden medegedeeld of hij gehouden is voor de door hem gewraakte Rechter te verschijnen.

Gerekestreerden hebben, samengevat weergegeven het volgende aangevoerd: 

  1. de artikelen 30-44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kennen geen rechtstreekse verzoekschriftprocedure bij het Hof van Justitie voor zover de wraking van de Kantonrechter betreft;
  2. rekestrant kan geen eigen rechtsgang scheppen en moet de gewone regels van het hoger beroep voor vonnissen, ook die welke in een incident zijn gewezen, volgen;
  3. rekestrant ontbeert elk belang bij het verzoek, omdat de Kantonrechter in de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan eindvonnis heeft gewezen op 28 april 2000, welk eindvonnis niet teniet gedaan kan worden door de enkele gegrondbevinding van het onderhavig verzoek.

Op de eerste, voor het verhoor van partijen, bepaalde dag heeft de rekestrant bij monde van advocaat mr. Baldew zijn verzoek gehandhaafd.

Het verzoek strekt ertoe om de beslissing van de Kantonrechter over de wraking aan hoger beroep te onderwerpen. Volgens artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering evenwel is de beslissing inzake van wraking niet aan enig beroep onderworpen. Bovendien is het hoger beroep niet ingesteld door het afleggen of de schriftelijke indiening ter griffie van de Kantongerechten van een verklaring dat men van het middel van hoger beroep gebruik wil maken en wel tegelijk met het beroep van het eindvonnis, dat op 28 april 2000 is uitgesproken,maar door middel van het indienen van hoger bedoeld verzoekschrift en wel op een tijdstip waarop nog geen eindvonnis in de zaak AR nummer 994283 was uitgesproken. Rekestrant is dan ook niet ontvankelijk in het hoger beroep.

Het Hof tekent ten overvloede aan dat pogingen om tot een minnelijke regeling te geraken in de zaak AR 994283 (GR 14128) vruchteloos zijn gebleven.

B E S C H I K K E N D E:

Verklaart de rekestrant niet ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gewezen  door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 maart 2005, door de Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

SRU-HvJ-2004-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14096

 

[Appellant], wonende in het [district] aan [straatnaam], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat, 

 appellant,

 t   e  g  e  n 

 

DE STAAT SURINAME met name HET MINISTERIE VAN ARBEID, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.Struiken, advokaat,

geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 21 maart 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

 TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.F.F.P.Truideman en advokaat Mr.H.E.Struiken, gemachtigde van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen; hebbende advokaat Mr.H.E.Struiken gepersisteerd bij zijn stellingen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 juni 2003, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant in onderdeel a van het petitum vordert, dat voor recht wordt  verklaard dat de dienstbetrekking tussen hem – appellant – en de Surinam American Industries (SAIL) nog steeds voortduurt;

Overwegende, dat appellant door het gevorderde in onderdeel a van het petitum een declaratoire uitspraak van het Hof verlangt;

Overwegende, toch, dat declaratoir de beslissing is welke strekt tot het vaststellen wat omtrent een rechtsverhouding rechtens is;

Overwegende, dat, naar blijkt, appellant zijn vordering tegen geintimeerde blijkens de aantekening van de Griffier op 13 oktober 1995 heeft ingediend;

Overwegende, dat appellant bij het op 11 april 2003 gehouden verhoor desgevraagd heeft verklaard in het jaar 1996 door de direktie van SAIL te zijn ontslagen;

Overwegende, dat nu appellant in het jaar 1996 is ontslagen en de dienstbetrekking tussen hem en de Surinam American Industries Ltd (SAIL) in het jaar 1996 door zijn ontslag is beëindigd, dient toewijzing van het in onderdeel a van het petitum gevorderde achterwege te blijven kunnende het Hof immers anno 2004 niet meer geven, een beslissing hiertoe strekkende dat een dienstbetrekking, die in het jaar 1996 door ontslag van de werknemer rechtens beëindigd is, nog steeds voortduurt;

Overwegende, dat Wij ten aanzien van het in onderdeel b van het petitum gevorderde opmerken, dat een gerechtelijke aktie van een werknemer tegen een beschikking van de Minister van Arbeid als voormeld uitgesloten is omdat de bevoegdheid van de Minister de rechtspositie van de werknemer niet raakt wordende die rechtspositie immers uitsluitend beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met de werkgever en de daarop van toepassing zijnde rechtsregels, neergelegd in de artikelen 1613 a BW;

Overwegend, dat de Kantonrechter, zij het op andere gronden, appellant terecht niet ontvankelijk verklaard heeft in zijn vordering;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis de dato 17 maart 1998 ontwikkelende grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, dat vonnis, zij het onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, zal bevestigen;

Gezien de betrekkelijk wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 17 maart 1998 tussen partijen gewezen  waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op sf….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op sf……..

 

Aldus gewezen door:  Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en  Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 februari 2004, in tegenwoordigheid van Mr..M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

SRU-HvJ-2004-13

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14086.

DE STICHTING “BIANCA”, rechtspersoon en gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,
appellante in Kort Geding,

t e g e n

DU MARONI INTERNATIONAL N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.W.C.Pengel, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 19 juli 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens appellante bepaald advokaat Mr.J.Nibte namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot uitstel heeft gevraagd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl advokaat Mr.E.C.M.Hooplot vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 21 februari 2003, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat in het hiernavolgende de procespartijen Du Maroni Internationaal N.V., de Stichting “Bianca”, [naam 1], Mr.R.G.Rodrigues gemakshalve (ook) respectievelijk aangeduid zullen worden als Du Maroni, Bianca, [naam 1] en de instrumenterende notaris. Ook het vonnis van de kort gedingrechter gewezen en uitgesproken op 31 oktober 1996 zal in het hiernavolgende (ook) aangeduid worden als het bestreden vonnis;
Overwegende, dat hier gepersisteerd wordt bij hetgeen bereids in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. Aannemelijk is geworden dat Du Maroni bij de bodemrechter binnen 2 weken na uitspraak van het bestreden vonnis een vordering tegen Bianca en [naam 1] heeft aangelegd inzake de onderwerpelijke materie, welke aanhangig making op straffe van verval van het bestreden vonnis was bepaald. Bijgevolg heeft Bianca een rechtens te respecteren belang bij dit hoger beroep.
Overwegende, dat het hoger beroep, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, tijdig en op de juiste wijze ingesteld is. Bianca is danook in haar beroep ontvankelijk.
Overwegende, dat ook in hoger beroep het spoedeisend belang genoegzaam aanwezig blijkt te zijn.
Overwegende, dat in de overgelegde pleitnota d.d. 20 juli abusievelijk staat vermeld dat Du Maroni de appellante is, met als gemachtigde Mr.E.C.M.Hooplot en Bianca, de geintimeerde is, met als gemachtigde Mr.W.C.Pengel. Dit abuis wordt hersteld. Bianca is appellante met als gemachtigde Mr.E.C.M.Hooplot en Du Maroni is geintimeerde met als gemachtigde Mr.W.C.Pengel. Terzake hiervan wordt aan partijen de verzochte akte verleend.
Overwegende, dat Bianca tegen het bestreden vonnis grieven heeft ontwikkeld, zoals door haar zijn verwoord in haar pleitnota, welke hier herhaald en overgenomen gelden, e.e.a. voorzover van belang;
Overwegende, dat hier, als blijkende uit de niet bestreden produkties, ervan uitgegaan kan worden dat Bianca op 15 oktober 1996 heeft willen overgaan tot executie ingevolge artikel 1207 BW, van hypothecair verbonden goederen toebehorende aan Du Maroni, waarvan de akten van geldlening en hypotheekstelling dateren van 5 december 1994 en 12 april 1995;
Overwegende, dat Du Maroni zich tegen de voorgenomen executie met succes heeft verzet bij de Kortgeding Rechter, die Du Maroni in het gelijk stellende, de schorsing van de executie heeft bevolen om redenen zoals aangehaald in dat vonnis, waarvan thans beroep;
Overwegende, dat – thans overgaande tot bespreking van de aangevoerde grieven – grief A geen stand kan houden, vermits de Kantonrechter terecht heeft overwogen dat een partij in een geding heeft bevoegd is het mandaat van de advokaat van de wederpartij te betwisten, omdat in het algemeen de vereiste opdracht van de advokaat wordt verondersteld te zijn verstrekt, zolang niet de door die advokaat vertegenwoordigde partij zich daartegen met vrucht heeft verzet op de in artikel 191 E.V. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven wijze;
Overwegende, dat de artikelen 191 E.V. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onverkort van toepassing zijn op alle soorten gedingen en dat terzake voormeld incident het Kortgeding – ook niet naar de aard genomen – geen uitzondering vormt;
Overwegende, dat voormelde opvatting aldus geen ruimte laat om, buiten gemelde incident afgelegde verklaringen door deze of gene, voorlopige waarde toe te kennen in voege dat daaraan consequenties verbonden moeten worden als ware er sprake van een desaveu-incident;
Overwegende, dat ook indien anders zou worden geoordeeld, Bianca niet succesvol zou zijn in haar grief, vermits uit de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 30 november 1995, [naam 2] tot algemeen direkteur van Du Maroni is benoemd, nadat [naam 3] met onmiddellijke ingang als direkteur was ontslagen, die op geen enkele wijze in gemeld Kortgeding kenbaar heeft gemaakt de gerechtelijke verrichtingen van de advokaat van Du Maroni te ontkennen. Mitsdien moet, naar het voorshands oordeel van het Hof, het ervoor gehouden worden dat de gemachtigde namens Du Maroni bevoegdelijk optreedt. De grief, die van een tegenovergestelde opvatting uitgaat, moet danook falen;
Overwegende, dat grief B ertoe strekt te betogen dat nu de eerste rechter ten aanzien van de instrumenterende notaris heeft geoordeeld dat deze niet onzorgvuldig heeft gehandeld, zulks tot voordeel van Bianca had moeten strekken, zodat Bianca terecht ervan mocht uitgaan dat Du Maroni behoorlijk en bevoegd vertegenwoordigd was bij de litigieuze geldleningen met hypotheekstelling. Deze grief is vruchteloos voorgesteld en wel om tweeërlei redenen. Allereerst heeft de Kantonrechter in zijn bestreden vonnis geen gewag gemaakt dat de instrumenterende notaris niet onzorgvuldig heeft gehandeld, doch slechts overwogen dat het verwijt gericht aan de instrumenterende notaris door deze gemotiveerd is weersproken, waartegen nu het Kortgeding zich niet leent voor bewijsopdrachten van – kort gezegd – ingewikkelde aard. De eerste rechter was bovendien zoals terecht in het bestreden vonnis is overwogen tot het geven van een inhoudelijk oordeel – het al dan niet onzorgvuldig handelen – jegens de instrumenterende notaris niet gehouden nu jegens deze geen concrete en specifieke vordering was ingesteld. Ten tweede dat de gemotiveerde weerspreking zijdens de instrumenterende notaris niet noodwendig tot de conclusie moet leiden dat Bianca ervan uit mocht gaan dat Du Maroni behoorlijk en bevoegdelijk vertegenwoordigd was. Immers aan een instrumenterende notaris gelden eisen, die voornamelijk uit de Wet op het Notarisambt voortvloeien, terwijl voor een partij als Bianca zulks niet geldt;
Overwegende, dat de grieven C en D zich voor gezamenlijke bespreking lenen aangezien deze – uiteindelijk – de vraag oproepen – kort en krachtig gezegd – of Bianca op goede gronden op de opgewekte schijn van Du Maroni mocht afgaan bij het aangaan van de litigieuze geldleningen met de hypotheekstelling. Voorshands moet als vaststaand worden aangenomen dat [naam 1] niet op de statutair voorgeschreven wijze, immers in strijd met art. 8 lid 12 van de statuten van Du Maroni, tot President-Commissaris is gekozen. Op deze graond heeft de eerste rechter dan ook zijn beslissing gebaseerd erop neerkomende , dat [naam 1] onbevoegd was de in de litigieuze akten gerelateerde rechtshandelingen – de geldleningen met hypotheekstelling – aan te gaan. De eerste rechter heeft echter nagelaten de vraag te bespreken zoals zoeven in deze overweging is weergegeven. In zoverre zijn de grieven C en D terecht voorgesteld. Evenwel kunnen deze grieven niet tot de beoogde vernietiging van het bestreden vonnis leiden, nu deze grieven op de navolgende gronden stranden: Bianca stelt – kort gezegd – de schijn te ontlenen aan de brief van [naam 3] d.d. 28 maart 1994, waarin vermeld staat dat [naam 1] aangewezen is als President-Commissaris en de persoonlijke aanwezigheid van [naam 3] bij het verlijden van de litigieuze akten van geldleningen. Naar het voorlopig oordeel van het Hof zijn deze gestelde omstandigheden ontoereikend om de gestelde schijn te goeder trouw aan te nemen, nu de hier bedoelde brief door [naam 3] als persoon, en niet in een bepaalde hoedanigheid is getekend. Daarnaast miste [naam 3]de bevoegdheid de brief met uitsluiting van andere meerderheids – aandeelhouder te tekenen. Voorts kan aan de aanwezigheid van [naam 3] geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, nu deze minderheidsaandeelhouder is hetgeen Bianca wist of redelijkerwijs kon weten door op eenvoudige wijze een onderzoek naar deze omstandigheden in te stellen weshalve zij niet te goeder trouw een beroep op de opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegden doet.
Overwegende, dat nu geen der grieven slaagt komt het bestreden vonnis, onder verbetering en aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking en dient Bianca als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit hoger beroep te worden veroordeeld;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Verleent aan partijen akte zoals verzocht;
Bevestigt, onder verbetering en aanvulling van gronden, het vonnis van de Kantonrechter tussen partijen gewezen en uitgesproken in het Eerste Kanton op 31 oktober 1996, waarvan beroep;
Veroordeelt Bianca in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Du Maroni gevallen en welke begroot worden op SRD……..
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD…….
Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen eveneens op SRD………

Aldus gewezen door: Mr.A.I.Ramnewash, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 november 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Janbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-2004-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14085.

I. DE COÖPERATIEVE LANDBOUW ONDERNEMING NICKERIE G.A., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende in het distrikt Nickerie, en
II.a. [Appellant sub A], wonende te [plaats],
b. [Appellant sub B], wonende in het [district],
c. [Appellant sub C], wonende in het [district], allen ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, voor wie als hun aller gemachtigde optrad, Mr.B.A.Halfhide die thans vervangen wordt door Mr.I.D.KANHAI, advokaat,
appellanten in conventie en
in reconventie,

t e g e n

A. [Geïntimeerde sub A], wonende aan [straatnaam 1] in het [district],
B. [Geïntimeerde sub B], wonende aan [straatnaam 2] in het [district], en
C. [Geïntimeerde sub C], wonende aan [straatnaam 2] in het [district], voor wie als hun aller gemachtigde optreedt, Mr.B.G.BECKLES, advokaat,
geïntimeerden in conventie
en in reconventie,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 7 december 2001 en 2 april 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat het Hof overneemt en verwijst naar hetgeen bereids
in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de heer [appellant sub A], voorzitter van appellanten en advokaat Mr.L.H.R.Rogers, voorzitter van de verkiezingscommissie Cooperatieve Landbouw Onderneming Nickerie G.A., die hebben verklaard gelijk in de daarvan hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
in conventie en in reconventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 2 april 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat Mr.Lesley Henry Ruben Rogers, advokaat bij het Hof van Justitie, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van 16 juli 2004 verschenen, in zijn hoedanigheid van Voorzitter van de Commissie ter voorbereiding en het houden van verkiezingen voor de Cooperatieve Landbouw Onderneming Nickerie G.A. heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;
Overwegende, dat nu appellanten bij conclusie tot uitlating over het proces-verbaal van de Verkiezingscommissie de dato 3 september 2002
bij wege van uitlating hebben doen zeggen dat zij zich kunnen terugvinden in de werkwijze alsook in het resultaat van de verkiezingen zoals gehouden op 2 september 2002, zoals vervat in het proces-verbaal de dato 3 september 2002 en dat zij zich voor het overige, opgemeld proces-verbaal betrekking hebbend, refereren aan het oordeel van het Hof, zal het Hof appellanten alsnog niet ontvankelijk verklaren in het door hen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 12 september 1996 aangetekend appel nu zij daar, naar thans blijkt, geen belang meer bij hebben;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Verklaart appellanten alsnog niet ontvankelijk in het door hen ingesteld appel tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken te Paramaribo de dato 12 september 1996;
Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD 250.
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD 250.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op SRD 250.

Aldus gewezen door: Mr.J.R Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 8 oktober 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-2005-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL:14056

ABB LUMMUS GLOBAL B.V., rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Sir Winston Churchillweg 79 in het distrikt Wanica, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Troon, advokaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende op de Phi lippijnen,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 19 februari 1999 en 22 oktober 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen onder overlegging van produkties, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 7 april 2000 een brief gedateerd 14 januari 2000 zijdens geintimeerde is ontvangen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft overgelegd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 16 juni 2000, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In de hoofdzaak:
1. Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 22 oktober 1999 is overwogen en beslist;
2. Overwegende, dat de Kantonrechter in zijn vonnis van 10 maart 1997, voor zoveel hier van belang, heeft overwogen dat, naar blijkt uit de daarvan opgemaakte akte, de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst aangevangen is op 25 januari 1996 voor de duur van 15 maanden en mitsdien eindigt op 25 april 1997;
3. Overwegende, dat de juistheid van voormeld feit in hoger beroep niet is bestreden, zodat ook in hoger beroep van dit feit wordt uitgegaan;
4. Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet, althans niet gemotiveerd, betwist, tussen partijen voorts het volgende vaststaat:
4.1. geintimeerde is krachtens bovenbedoelde arbeidsovereenkomst als “Foreman Camp Cook” in dienst van appellante getreden en wel tegen een salaris van US$ 4,50 per uur, te betalen op de laatste werkdag van iedere maand; het aantal werkuren bedroeg per dag 9,6 uur en per week 48 uur; de arbeidsovereenkomst is onderworpen aan het Surinaams recht (artikel 20);
4.2.1 appellante was krachtens de arbeidsovereenkomst (artikel 17) bevoegd om, zo daarvoor gronden bestonden, het dienstverband ten allen tijde te beëindigen;
4.2.2 appellante diende volgens artikel 9 van de arbeidsovereenkomst de geintimeerde te voorzien van geschikte huisvesting ter plaatse van het werkkamp en van voedzame maaltijden, te weten ontbijt, lunch en middagmaal (”dinner”);
4.3 geintimeerde is op 7 oktober 1996 op staande voet ontslagen door appellante; dit ontslag is niet gemeld bij de afdeling Arbeidsinspektie (van het Ministerie van Arbeid);
4.3. appellante heeft bij brief van 20 december 1996 bij het Ministerie van Arbeid een verzoek ingediend tot het verkrijgen van een vergunning om geintimeerde te ontslaan wegens het schaden van het in hem gestelde vertrouwen als kok;
4.4 de aangevraagde ontslagvergunning is bij beschikking van de Minister van Arbeid van 17 januari 1997 aan appellante verleend;
4.5 bij brief van 17 januari 1997 heeft appellante aan geintimeerde, voor zoveel hier van belang, het volgende geschreven:
“In accordance with the decision of the Ministry of Labour, see attached letter, we hereby inform you that as from Friday January 17, 1997 you are officially dismissed and are no longer an employee of ABB Lumnus Global.
The amount in connection with your final payment and your ticket Paramaribo-Manila are available at our office.”
5.1 Appellant heeft vier grieven aangevoerd, waarvan grief no.3 als volgt luidt:
“In zijn vonnis van 10 maart 1997 heeft de Rechter overwogen dat het verleende ontslag niet met inachtneming van de bepalingen van het Decreet E 39-A heeft plaatsgevonden, hetgeen slechts waar zou zijn voor het oorspronkelijk verleende ontslag op staande voet, waarop het Decreet betrekking heeft, maar niet voor het op 17 januari 1997 verleende ontslag na verkregen vergunning van de Ontslagcommissie, welk ontslag berust op Decreet E-39;
Om tot deze onjuiste overweging te kunnen komen heeft de Kantonrechter – met terzijdestelling van de feitelijke toedracht der zaak – gesteld dat verzoeker (appellante) in haar schrijven dd. 17 januari 1997 het wil doen voorkomen dat zij gerekestreerde (lees: eiser) op die datum met onmiddellijke ingang heeft ontslagen. Daarmede stelt de Kantonrechter zowel het aanvragen als bepleiten van de ontslagvergunning ten overstaan van de Ontslagcommissie als de verwijzing van appellante (toen verzoekster) naar de beslissing van de Ontslagcommissie – met inachtneming van de opzegtermijn – en de aan de gerekesteerde toekomende vergoedingen, die ten kantore van de verzoekster beschikbaar gesteld zijn voor gerekestreerde terzijde. Deze feiten immers verzetten zich tegen de in het vonnis opgenomen bewering.
5.2.1 Overwegende, dat geintimeerde zijn op 19 december 1996 ter griffie ingediende vordering oorspronkelijk heeft gebaseerd op het op 7 oktober 1996 gegeven ontslag, welke naar hij beweerde zou zijn verleend zonder dat appellante in het bezit was van een ontslagvergunning (en op het niet voorzien in zijn voeding en huisvesting);
5.2.2 Overwegende evenwel, dat geintimeerde voormelde grondslag (afgezien van het niet voorzien in voeding en huisvesting) bij conclusie van eis dd. 23 januari 1997 en nadere conclusie dd 3 februari 1997 heeft laten varen en heeft vervangen door, kort gezegd, het op 17 januari 1997 gegeven ontslag, hetwelk, naar hij beweerde, nietig is, omdat in de door partijen gesloten overeenkomst een bepaalde termijn voor beëindiging van die overeenkomst is overeengekomen, te weten 28 (lees kennelijk: 25) april 1997 en appellante deze overeenkomst niet eenzijdig kon ontbinden, terwijl de ontslagvergunning appellante geen vrijbrief gaf om de arbeidsovereenkomst vòòr de beëindiging te ontbinden door een ontslag;
5.3 Overwegende, dat appellante in eerste aanleg, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft aangevoerd het op 7 oktober 1996 gegeven ontslag per abuis niet te hebben gemeld bij de Arbeidsinspektie en bij brief van haar gemachtigde van 20 december 1996 vergunning te hebben aangevraagd om geintimeerde te ontslaan; dat, nadat partijen door de Ontslagcommissie waren gehoord, de vergunning is verleend op 17 januari 1997 en de dienstbetrekking op genoemde datum overeenkomstig de verleende vergunning is beëindigd; dat, afgezien van het bepaalde in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst, bij arbeidsovereenkomsten op termijn ook volgens de wet ontslag mogelijk blijft bij het bestaan van geldige redenen gedurende de termijn mits met een ontslagvergunning of op staande voet gevolgd door melding van het ontslag;
5.4.1 Overwegende, dat door de verwijzing naar de ingesloten (“attached”) beschikking van de Minister (het Ministerie) van Arbeid in de brief van 17 oktober 1996, het voor de geintimeerde duidelijk kon zijn dat hij werd ontslagen wegens het schaden van het in hem gestelde vertrouwen;
5.4.2 Overwegende evenwel, dat in die brief nergens wordt gesteld dat appellante vorenbedoelde ontslagreden als een dringende reden in de zin van artikel 1615 BW beschouwde, terwijl, ook indien moet worden aangenomen dat het schenden van het vertrouwen van de werkgever in het algemeen een dringende reden voor ontslag oplevert, het, naar het voorlopig oordeel van het Hof, van de feiten, die de schending hebben veroorzaakt, afhangt of in het specifieke geval van de betreffende werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij de dienstbetrekking voortzet;
5.4.3 Overwegende, dat nu omtrent die feiten daarin niets is gesteld, het Hof, mede gelet op hetgeen onder 5.2.1 tot en met 5.3 is overwogen, voorshands van oordeel is dat de Kantonrechter uit de brief van 17 oktober 1996 niet redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat bij die brief aan geintimeerde ontslag werd verleend wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek;
5.5 Overwegende, dat de hierboven vermelde grief dus slaagt en de door de Kantonrechter gewezen vonnissen dienen te worden vernietigd, waarbij wordt aangetekend dat de overige grieven, gelet op het voorgaande, geen bespreking behoeven;
6.1 Overwegende, dat, zoals uit de hierboven als vaststaand aangenomen feiten blijkt, het hier betreft een voor bepaalde tijd, te weten 25 januari 1996 tot 25 april 1997, aangegane arbeidsovereenkomst, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de werkgever het dienstverband, zo daarvoor gronden bestaan, ten allen tijde kan beëindigen;
6.2.1 Overwegende, dat het Hof, in overeenstemming met de heersende leer, voorlopig van oordeel is dat het partijen vrijstaat om bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te bedingen dat de dienstbetrekking tussentijds kan worden beëindigd, zodat de stelling van geintimeerde dat appellante de overeenkomst niet eenzijdig kon “ontbinden” als onjuist wordt verworpen;
6.2.2 Overwegende evenwel, dat op tussentijdse opzegging, naar eveneens voorshands wordt aangenomen, de wettelijke bepalingen omtrent opzegging van toepassing zijn, zodat, nu ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 1 BW, de termijn van opzegging voor appellante een maand bedroeg en het beding volgens welke appellante het dienstverband ten allen tijde kan opzeggen daarmee in strijd is, dit beding ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 2 BW, nietig is met gevolg dat voormelde wettelijke termijn heeft te gelden;
6.2.3 Overwegende, dat, nu bij de opzegging bij brief van 17 januari 1997 de wettelijke opzegtermijn niet acht is genomen en niet is gesteld of gebleken dat geintimeerde daarmee heeft ingestemd, een gerede kans bestaat dat de rechter in een bodemgeschil zal beslissen dat de dienstbestrekking door die opzegging weliswaar met ingang van genoemde datum is geëindigd, maat dat die opzegging onrechtmatig is;
7.1 Overwegende, dat geintimeerde, voor zoveel hier van belang, oorspronkelijk heeft gevorderd betaling bij wege van voorschot van:
een bedrag groot US $ 4.660,= bestaande uit (1) US$ 2.160 terzake van loon vanaf 7 oktober 1996 tot 14 december 1996 ad en (II) US$ 2.500 terzake van kosten van huisvesting, voeding, etc. tot 18 december 1996;
b. het loon vanaf 15 december 1996 tot 25 april 1997 ad US$ 216 per week; 7.2.1 Overwegende, dat, naar tussen partijen rechtens vaststaat, appellante in de loop van het geding in eerste aanleg, aan de geintimeerde in totaal US$ 1.296 heeft betaald;
7.2.2 Overwegende, dat geintimeerde in verband met het voorgaande zijn vordering als volgt heeft aangepast:
a.I. loon van 7 oktober 1996 tot en met 3 februari 1997 per saldo (US$ 3.456 minus US$ 1.296=) US$ 2.160;
a.II de hierboven vermelde kosten van huisvesting, voeding, etc. tot 25 april 1997, beperkt tot US$ 2.500;
het loon vanaf 1 februari 1997 tot en met 25 april 1997 ad US$ 864 per maand;
7.2.3. Overwegende, dat geintimeerde bij conclusie dd. 26 juni 1997 zijn vordering, met betrekking tot de kosten van voeding, huisvesting, etc. heeft aangepast in die zin dat hij de post “Advokaatkosten ad US 200 “heeft laten vallen en, onder overlegging van een specifikatiestaat en notas, welke laatste volgens geintimeerde betrekking hebben op de periode 10 oktober 1996 tot en met 25 april 1997, heeft opgegeven dat de totale kosten US$ 5.287,95 bedroegen;
7.3 Overwegende, dat geintimeerde die, naar rechtens vaststaat, bereid was de bedongen arbeid te verrichten, gelet op hetgeen onder 6.2.3 is overwogen, aanspraak maakte op betaling van het loon tot 17 januari 1997 (voor de periode 7 oktober 1996 tot 17 januari 1997 bedraagt het loon: 14 weken à US$ 216 = US$ 3.024);
7.4.1 Overwegende, dat appellante gehouden was om het bepaalde in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst (zie hierboven onder 4.2.2) tot aan het einde van de dienstbetrekking op 17 januari 1997 jegens geintimeerde na te komen;
7.4.2 Overwegende, dat nu appellante daartegen geen grief heeft aangevoerd het Hof uitgaat van de juistheid van het, hier zakelijk weergegeven, oordeel van de Kantonrechter dat geintimeerde terecht had gesteld dat appellante haar jegens hem uit artikel 9 van de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting sinds 10 oktober 1996 niet meer is nagekomen, althans zich jegens hem, geintimeerde, aan de verplichting heeft onttrokken;
7.4.3.1 Overwegende, dat nu de dienstbetrekking op 17 januari 1997 is geëindigd, geintimeerde slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de schade welke hij heeft geleden doordat appellante bovenvermelde verplichting niet heeft nagekomen van 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997;
7.4.3.2.1 Overwegende, dat appellant in bovenvermelde specificatiestaat een aantal posten heeft vermeld, gegroepeerd naar een aantal perioden;
7.4.3.2.2 Overwegende, dat gelet op hetgeen onder 7.4.3.1 is overwogen, allereerst voor overweging in aanmerking komen de posten, die op de specificatiestaat zijn vermeld voor de periode 10 oktober 1996 tot en met 12 december 1996;
7.4.3.2.3 Overwegende, dat van deze posten alleen de volgende kunnen worden gerekend tot de kosten van voeding en huisvesting, te weten: Johnny’s Hotel ad US $ 720, Ambassador Hotel US$ 90, Corp Diplomatic Hotel US$ 15,75, Food Ambassador Hotel US$ 21, Food Cafe- restaurant de Keizer US$ 750, alles in totaal bedragende US$ 1.596,75;
7.4.3.2.4 Overwegende, dat verder voor overweging in aanmerking komen de kosten van 13 december 1996 tot 17 januari 1997;
7.4.3.2.5 Overwegende echter, dat geintimeerde op de specificatiestaat de kosten voor een langere periode, te weten 13 december 1997 tot en met 3 februari 1997, heeft opgenomen, zodat aan de hand van deze posten schattenderwijs zal worden nagegaan wat de kosten voor de periode van 13 december 1996 tot 17 januari 1997 kunnen hebben bedragen;
7.4.3.2.6 Overwegende, dat om de onder 7.4.3.2.2 vermelde reden alleen de volgende posten voor overweging in aanmerking komen, te weten Johnny’s Hotel ad US$ 636, Cafe- restaurant de Keizer US$ 675, alles in totaal bedragende
US$ 1.311;
7.4.3.2.6 Overwegende, dat nu de periode 13 december 1996 tot en met 13 februari 1997 53 dagen en de periode 13 december 1996 tot 17 januari 1997 35 dagen telt, het bedrag aan voeding en huisvestring voor laastgenoemde periode kan worden geschat op 35/53 X US$ 1.311 + US$ 865,26;
7.4.4 Overwegende, dat geintimeerde als vergoeding voor de kosten van voeding en huisvesting voor de periode 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997, naar schatting, aanspraak zou maken op US$ 1.596,75 + US$ 856,26 =
US$ 2.462,01;
7.5 Overwegende, dat, nu het standpunt van de geintimeerde dat de dienstbetrekking ook na 17 januari 1997 is blijven voortduren voorshands als onjuist wordt aangemerkt, er geen plaats is voor toewijzing van loon of vergoeding van kosten van voeding en huisvesting voor de periode vallende na deze datum;
8.1 Overwegende, dat geintimeerde, gelet op hetgeen onder 7.1 tot en met 7.5 is overwogen, voor de periode 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997, naar schatting, terzake van loon en kosten van voeding en huisvesting, aanspraak zou maken op US$ 3.024 + US$ 2.462,01 = US$ 5.486,01;
8.2.1 Overwegende, dat de Kantonrechter bij het op 10 maart 1997 in deze zaak uitgesproken tussenvonnis, onder overweging, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, dat geintimeerde zijn loon over de periode 7 oktober 1996 tot en met 18 november 1996 uitgekeerd had gekregen, appellante heeft veroordeeld om aan geintimeerde te betalen US$ 3.456, terzake van loon over de periode 25 november 1996 tot en met maart 1997, alsmede het loon ad US$ 216 per week vanaf 17 maart 1997 tot 25 april 1997;
8.2.2 Overwegende, dat, als door appellante gesteld en door geintimeerde niet betwist, vaststaat dat eerstgenoemde aan het onder 7.3.2 genoemd vonnis heeft voldaan en het salaris via het advokatenkantoor Lim A Po in haar geheel aan de geintimeerde heeft uitbetaald;
8.3 Overwegende, dat geintimeerde derhalve heeft ontvangen US$ 1.296 + US$ 3.456 + US$ 1.512 (te weten loon vanaf 17 maart 1997 tot 25 april 1997) = US$ 6.264, terwijl hij, naar het voorlopig oordeel van het Hof, aanspraak maakt op US$ 3.024 + US$ 2.462,01 = US$ 5.486,01;
8.4 Overwegende, dat, gelet op hetgeen onder 8.3 is overwogen, de conclusie is dat geen plaats is voor toewijzing van de gevraagde voorziening;
8.5 Overwegende overigens, dat geintimeerde, in antwoord op een aan hem door de griffier toegezonden brief, bij schrijven van 14 januari 2000 vanuit de Fillipijnen heeft doen weten dat hij om persoonlijke redenen genoodzaakt is zich van de zaak afzijdig te houden en afziet van elk belang dat hij bij de onderhavige zaak heeft;
9. Overwegende, dat aangezien elk van de partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, de proceskosten van zowel het geding in eerste aanleg als het geding in hoger beroep, in dit laatste geval met begrip van de op het incident gevallen kosten, zullen worden gecompenseerd op de hierna te bepalen wijzen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
In de hoofdzaak:
Vernietigt de vonnissen, die door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen zijn gewezen en uitgesproken in de zaak AR 964566;
Compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen op SRD.75.-elk;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Weigert de gevraagde voorziening;
Compenseert de proceskosten in eerste aanleg gevallen, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 15 JULI 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-2004-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14018

[Appellant], wonende aan [straatnaam 1] in [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.OEMAR, advokaat,
appellant,
t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 2] in [district 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
geïntimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 20 april 2001 en 1 maart 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, appellant tevens bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.R.M.F.Oemar, hebbende partijen verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen, terwijl de gemachtigde van geintimeerde geen conclusie heeft overgelegd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 mei 2003, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 1 maart 2002 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat partijen, bij de op 12 april 2002 gehouden verenigingscomparitie in persoon verschenen, op een alstoen door de Rechter-Commissaris terzake gedaan voorstel, het eens zijn geworden over, en tussen hen tot stand gekomen is, een minnelijke schikking, welke alsvolgt luidt: geïntimeerde zal aan appellant terugbetalen het bedrag van
Sf.90.000,–, dat hij van appellant op 8 januari 1983 had ontvangen, in Euro, na omrekening van de koers van toen met de huidige;
Overwegende, dat de constatering van voormelde minnelijke schikking in een daarvan opgemaakt proces-verbaal is vastgelegd en de inhoud daarvan in dat proces-verbaal opgenomen;
Overwegende, dat naar appellant onweersproken heeft gesteld bij conclusie tot uitlating de dato 14 februari 2003 hij, appellant, van geïntimeerde omgerekend ontvangen moet Euro 1930;
Overwegende, dat nu de in gemeld proces-verbaal vastgelegde schikking tot een executoriale titel strekt, een veroordeling bij vonnis niet slechts niet nodig, maar zelfs onnodig is;
Overwegende immers, dat door de totstandkoming van de schikking het geschil tussen partijen een einde heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof deze zaak, verwijzen zal naar de zitting van vrijdag, 23 januari 2004 ter fine van royement;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verwijst deze zaak naar de terechtzitting van vrijdag, 23 januari 2004 des voormiddags te 8.30 uur ter fine van royement;
Bepaalt, dat zij daartoe alsdan zal worden afgeroepen;
Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 9 januari 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

w.g. M.E.Van Genderen-Relyveld    w.g. J.R.Von Niesewand

 

SRU-HvJ-2004-10

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO.13981.

[APPELLANT], gehandeld hebbende onder de naam [handelsnaam], gevestigd aan [adres] [plaats], gewoond hebbende [plaats], overleden op 30 mei 2002, oorspronkelijke appellant, zijnde het geding, wegens overlijden, geschorst en hervat ten name van de gezamenlijke erfgenamen van [appellant], t.w.:
1. [appellant sub 1];
2. [naam], thans geheten [appellant sub 2];
3. [appellant sub 3];
4. [appellant sub 4];
5. [appellant sub 5];
6. [appellant sub 6];
[appellant sub 7],
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
appellanten in conventie en in reconventie,

t e g e n

[Geïntimeerde], rechtspersoon, domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no.36 boven te Paramaribo, ten kantore van Mr.J.KRAAG en Mr.H.P.BOLDEWIJN, advokaten,
geïntimeerde in conventie en in reconventie,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 maart 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten ten dage daarvoor bepaald een repliek pleidooi heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd, terwijl ten dage voor dupliek pleidooi bepaald, advokaat Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens de advokaten Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn heeft gepersisteerd bij hun stellingen;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 21 mei 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, nadat de erflater van appellanten, wijlen [appellant], als gedaagde in eerste aanleg, bij de uitspraak de dato 6 mei 1997 van het vonnis waarvan beroep noch in persoon, noch bij gemachtigde tegenwoordigd was geweest, de Griffier der Kantongerechten van Paramaribo bij overgelegde aangetekende dienstbrief de dato 6 juni 1997, gericht aan het adres, waarop het inleidend exploit van oproeping hem in persoon was uitgereikt, aan de erflater van appellanten de inhoud van dat vonnis heeft medegedeeld;
Overwegende, dat nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, het Hof ervan uitgaat en mitsdien als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt, dat de dienstbrief zijn bestemming heeft bereikt en door de erflater van appellanten is ontvangen;
Overwegende, dat mitsdien overeenkomstig het bepaalde in het behoorlijk nageleefde artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de dagtekening van deze dienstbrief – 6 juni 1997 – moet worden geacht de dag te zijn, waarop de mededeling van de inhoud van het vonnis aan de erflater van appellanten heeft plaatsgehad;
Overwegende, dat krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt, te rekenen vanaf de dag, waarop het eindvonnis is medegedeeld;
Overwegende, dat aangezien de erflater van appellanten, naar uit de verklaring de dato 19 mei 1997 blijkt, hoger beroep aangetekend heeft op 19 mei 1997 en niet vanaf de dag waarop het eindvonnis aan hem is medegedeeld en mitsdien niet binnen de termijn van dertig dagen na de mededeling van het eindvonnis, dienen appellanten alsnog niet ontvankelijk verklaard te worden in hun hoger beroep, zijnde immers van dit middel gebruik gemaakt zonder artikel 264 lid 3 van meergenoemd wetboek in acht te hebben genomen;
Overwegende, dat het Hof appellanten als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geïntimeerde gevallen zal veroordelen, komende de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief door de door het Hof te geven beslissing niet meer aan de orde;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellanten alsnog niet ontvankelijk in het aangetekend hoger beroep;
Veroordeelt appellanten in de kosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en in hoger beroep begroot op SRD 125.
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaten van geïntimeerde voor het door hun gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 125.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op SRD 125.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 juni 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

SRU-HvJ-2004-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 13960

[Appellante], gescheiden echtgenote van [geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 1] [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.CH.Bhagwandien, advokaat,
appellante in conventie
en in reconventie,
t e g e n

[Geïntimeerde], gescheiden echtgenoot van appellante voornoemd, wonende aan [straatnaam 2] [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geintimeerde in conventie
en in reconventie,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 2 juli 1999 en 9 januari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.C.Ch.Bhagwandien en Mr.F.F.P.Truideman, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 19 maart 2004, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie:
In conventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 9 augustus 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat nu pogingen van het Hof tussen partijen een vereniging tot stand te brengen tevergeefs zijn geweest, rest het Hof niets anders dan, conform het verzoek van partijen daartoe, recht te doen als na te melden;
Overwegende, dat appellante, in haar verweer tegen de tegen haar ingestelde vordering tot scheiding en deling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap, gerefereerd heeft aan de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer ‘95/3054, waarin op vordering van haar bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 3 juli 1995 de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien nadat geintimeerde zich ten aanzien van het gestelde overspel dat appellante geintimeerde verweet, aan het oordeel van de rechter had gerefereerd;
Overwegende, dat, naar tussen partijen als onweersproken vaststaat, geintimeerde, nadat hij op 7 juli 1995 voor berusting had getekend, dat echtscheidingsvonnis op genoemde datum, 7 juli 1995, heeft doen inschrijven in de daartoe bestemde registers, blijkende e.e.a. zowel uit het getuigschrift op bladzijde 3 van het echtscheidingsvonnis als uit de desbetreffende akte in fotokopie de dato 7 juli 1995, zich in het procesdossier bevindend;
Overwegende, dat appellante naar uit het procesdossier tevens blijkt, op 28 juli 1995 appel heeft doen aantekenen tegen het vonnis, waarbij de echtscheiding op vordering van haar tussen partijen werd uitgesproken;
Overwegende, dat het Hof in verband met het zo juist overwogene opmerkt, dat met de mogelijkheid van appel de wet tweeërlei beoogt: zij wil een partij, die zich met de beslissing van de eerste rechter niet verenigen kan, een kans bieden van een hogere rechter een voor haar gunstiger beslissing te verkrijgen; zowel voor het geval de eerste rechter onjuist zou hebben geoordeeld als voor het geval de ongunstige uitslag van het proces veroorzaakt zou zijn door eigen processuele fouten van die partij;
Overwegende, dat het Hof op grond van het zo juist overwogene van oordeel is, dat appellante de Kantonrechter in hoger beroep niet zou kunnen verwijten door te beslissen als is beslist, aan het doel van het hoger beroep voorbij gegaan is;
Overwegende voorts, dat het Hof met betrekking tot de, naar appellante – betwist – heeft gesteld, tussen partijen gemaakte afspraken omtrent de scheiding en deling, waar geintimeerde volgens appellante zich niet aan gehouden heeft, wenst op te merken, dat het verzet van appellante tegen de scheiding en deling, de toewijzing daarvan op zich niet mag beletten. Immers , na het bevel daartoe zou de akte van boedelscheiding niet mogen worden verleden voordat de, overigens door geintimeerde betwist gestelde afspraken omtrent de scheiding en deling, zouden zijn nagekomen door geintimeerde;
Overwegende, dat het Hof de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde, uit vijf punten bestaande, grief gelijk besproken hebbend, die grief als niet terzake doende dan ook verwerpt;
Overwegende, dat het Hof, zij het ten overvloede nog opmerkt, dat artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering naast artikel 56 van dit wetboek zelfstandige toepassing vindt. Een vonnis tot scheiding en deling kan, ofschoon niet in artikel 56 van meergemelde wetboek genoemd, bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard in de gevallen van artikel 55;
Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van de bewering van geintimeerde dat tegen het vonnis tot scheiding en deling appel niet mogelijk is, daar de ontbonden huwelijksgemeenschap volgens de wet gescheiden en gedeeld moet worden, oordeelt, dat de vraag of hoger beroep van een rechterlijke beslissing openstaat, bij uitsluiting aan de wetgever is voorbehouden;
Overwegende, dat nu het Hof geen wettelijke bepaling bekend is waaruit uitsluiting van een hogere voorziening van een beslissing, waarbij scheiding en deling is gelast, voortvloeit, dient de bewering van geintimeerde als geen steun vindend in de wet, te worden verworpen;
Overwegende, dat op grond van het hiervoren overwogene het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 gewezen en uitgesproken, waarvan beroep met aanvulling en verbetering der rechtsgronden behoort te worden bevestigd;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

In reconventie:
Overwegende, dat het Hof aanstonds opmerkt, dat appellante, anders dan de Kantonrechter heeft overwogen, hierom niet ontvankelijk is in haar primaire vordering omdat zij, naar het Hof gebleken is, niet aan haar stelplicht heeft voldaan, hebbende appellante immers geen feiten gesteld waaruit volgen zou dat de inschrijving van het echtscheidingsvonnis vernietigbaar is;
Overwegende, dat het Hof, wat het subsidiair gevorderde betreft enkel zal gelasten de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap waartegen geintimeerde zich overigens niet blijkt te hebben verzet met afwijzing van het meer of anders gevorderde nu dat gevorderde betreft de vraag of de volledige huwelijksgoederengemeenschap aan appellante moet worden toebedeeld, waaromtrent tussen partijen geen overeenstemming blijkt te bestaan en bij de werkzaamheden der scheiding en deling aan de orde zal komen;
Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal vernietigen en doende wet de Kantonrechter heeft nagelaten, beslissen zal als in het dictum te melden;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie:
Bevestigt onder aanvulling en verbetering der rechtsgronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;
Veroordeelt, de appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot op deze uitspraak begroot op
SRD 200.
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 200.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 200.
In reconventie:
Verklaart appellante niet ontvankelijk in haar primaire vordering;
Veroordeelt geintimeerde met appellante over te gaan tot scheiding en deling van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap; met benoeming van Mr.C.Calor, notaris in Suriname, ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen plaatsvinden alsmede van Mr.H.P.Boldewijn, advokaat bij het Hof van Justitie, als onzijdige persoon teneinde geintimeerde, zo hij daartoe behoorlijk opgeroepen zijnde niet verschijnt of wel verschenen, weigeren mocht aan de werkzaamheden mede te werken, daarbij te vertegenwoordigen;
Compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten in diervoege dat iedere partij de hare draagt;
Wijst af het meer of anders gevorderde;
In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 8 oktober 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.