SRU-HvJ-2003-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14161.

 

DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,  gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Mr.J.Lachmonstraat no.136, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat, verzoekster,

t   e  g  e  n 

PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.E.Debipersad, advokaat, verweerster,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken:

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  De Surinaamse Luchtvaartmaatschappij N.V. zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Appellante is bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 20 november 2001 (A.R.No.98-4909) veroordeeld om aan PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11 (nader geintimeerde), tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een som geld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgende de wet. Appellante is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen op 29 november 2001 blijkens een op die datum schriftelijk tot dat doel ter Griffie van het Kantongerecht in het Eerste Kanton ingediende verklaring. Appellante legt voormeld vonnis en voormelde verklaring hierbij over, met verzoek de inhoud van die bescheiden als hier  letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.
  2. Bij verzoekschrift d.d. 12 juni 2002 heeft geintimeerde aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton verzocht het bedrag der schade, als bedoeld in het sub 1 vermelde vonnis, vast te stellen – zo leest appellante het petitum- en op dat verzoekschrift heeft de Kantonrechter voornoemd een beschikking gegeven d.d. 19 juli 2002, waarbij is bepaald, dat voormeld verzoek zal worden behandeld ter terechtzitting van 5 november 2002. Appellante legt voormeld verzoekschrift en voormelde beschikking hierbij over, met verzoek de inhoud als hier geinsereerd te beschouwen.
  3. De sub 2 omschreven handelingen vormen een tenuitvoerlegging van het sub 1 vermelde vonnis, zij het dat in casu dan sprake is van een “execution par suite d’instance”. Echter ingevolge artikel 268 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de tenuitvoerlegging van een beroepen vonnis, zoals in casu, geschorst door het hoger beroep, indien dat vonnis niet bij voorraad mag worden tenuitvoergelegd, zodat in elk geval de Kantonrechter voornoemd voormelde beschikking niet had mogen geven en niet tot behandeling van de vervolgens aan de orde zijnde schadestaatprocedure had mogen overgaan, hetgeen hij wel  heeft gedaan door te bepalen, dat appellante op het sub 2 vermelde verzoek van antwoord moet dienen op 4 maart 2003.
  4. Geintimeerde beroept zich er evenwel op dat het sub 1 vermelde vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (vide het 6e “sustenu” van het sub 2 vermelde verzoekschrift), zulks echter geheel ten onrechte. Immers had voormeld vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad mogen worden verklaard, aangezien de artikelen 55 en 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daartoe geen enkele ruimte bieden.
  5. Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft appellante dan ook recht en belang bij uw Hof te vorderen, dat de tenuitvoerlegging van het sub 1 vermelde vonnis wordt gestaakt. Appellante heeft daarbij bovendien een spoedeisend belang, aangezien het ten zeerste te betwijfelen valt of bij een positieve uitslag van het sub 1 vermelde hoger beroep, geintimeerde in staat zal zijn tot terugbetaling van het mogelijk inmiddels aan haar toegewezen en op appellante alsdan verhaalde bedrag, gelet op de beslagen, die te haren laste zijn gelegd.

Overwegende, dat appellante op deze gronden het Hof heeft verzocht:

te bevelen de staking van de tenuitvoerlegging van het tussen partijen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 20 november 2001  gewezen vonnis  waarvan beroep (A.R.No.98-4909), in het bijzonder van de schadestaatprocedure, ingeleid bij verzoekschrift van geintimeerde d.d. 12 juni 2002, Kosten rechtens.

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen, respectievelijk advokaat Mr.F.Kruisland en Mr.A.E.Debipersad ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd; hebbende 

de gemachtigden van partijen  de zaak bij pleidooi nader toegelicht en verdedigd; 

Overwegende, dat het Hof hierna het verhoor van partijen heeft gesloten;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde vervolgens produktie’s heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante tenslotte – een hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating over de overgelegde produktie’s heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof uiteindelijk vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen verzoekster en verweerster op 20 november 2001 een vonnis is gewezen door de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton (ARNo.98/4909), waarbij verzoekster is veroordeeld aan verweerster tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een som geld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, zijnde dit vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, en met veroordeling van verzoekster in de kosten van dit geding; dat tegen dit vonnis verzoekster op 29 november 2001 appél heeft aangetekend; dat verweerster bij verzoekschrift de dato 12 juni 2002 aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton het verzoek heeft gedaan het bedrag van de schade, als bedoeld in voormeld vonnis, vast te stellen, hebbende de Kantonrechter een beschikking gegeven de dato 19 juli 2002, waarbij is bepaald dat het gedaan verzoek behandeld zal worden ter terechtzitting van 5 november 2002; dat de behandeling gaande is en wederom ter rolle van 6 mei 2003 zal dienen voor repliek zijdens verweerster;

Overwegende, dat verzoekster op grond van feiten, gesteld in het 3e “sustenu” en de 2e volzin van het 4e “sustenu” van het verzoekschrift welke feiten als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, het Hof het verzoek heeft gedaan van de ten uitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 20 november 2001, waarvan beroep, in het bijzonder van de schadestaatprocedure, ingeleid bij verzoekschrift van verweerster de dato 12 juni 2002, de staking te bevelen;

Overwegende, dat verweerster als meest verstrekkend verweer aangevoerd heeft, dat de schadeprocedure een vervolgprocedure is die voortgezet wordt bij dezelfde rechter; dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad weliswaar tot consequentie heeft dat de schorsende werking van de gewone rechtsmiddelen wordt opgeheven, doch dat dit onverlet laat dat de verzoekster hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis; dat zulks geheel in overeenstemming is met de heersende doctrine, ongeacht of het betreft de oneigenlijke executie van een einduitspraak; dat zij – verweerster – ten overvloede op wijst dat de jurisprudentie niet verbiedt dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gekoppeld wordt aan de veroordeling tot betaling van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de Wet; dat de vrees voor de zogenaamde restitutie risico de behandeling van de schadestaatprocedure niet in de weg kan en mag staan;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van voormeld verstrekkend verweer opmerkt, dat de artikelen 268 e.v.van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zowel de gerechtelijke tenuitvoerlegging, – “excecution forcée” – als de “execution par suite d’ instance” betreffen. Het voeren van een schadestaatprocedure is in laatstgenoemde zin een tenuitvoerlegging van een vonnis tot schadevergoeding;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is in verband met het zo juist overwogene dat nu ten onrechte de tenuitvoerbaarlegging bij voorraad van dit deel  van het vonnis, m.n: de “execution par suite” d’ instance”, is bevolen, dient ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de staking van de staatprocedure te worden bevolen;

Overwegende, dat verweerster zich tijdens de behandeling in Raadkamer de dato 3 april 2003, – zij het ten overvloede – tevens beroepen heeft op een drietal in Nederland gedane uitspraken, blijkbaar ter rechtvaardiging van het door de Kantonrechter-plaatsvervanger gegeven bevel tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis de dato 

20 november 2001, te weten:

– een arrest van de Hoge raad der Nederlanden de dato 31 januari 2003 in de zaak van Interplex B.V. contra Streekgewest Westelijke Mijnstreek;

– een vonnis van de Rechtbank van Maastricht de dato 27 juni 2002    in de zaak van Vedior Uitzendbureau B.V., appellante contra geintimeerde;

– een vonnis van de Rechtbank te Arnhem de dato 12 september 2002 inzake Houterman Lent B.V. contra van de Coolwijk VOF;

Overwegende, dat het beroep op voormelde uitspraken verweerster niet vermag te baten en mitsdien faalt, ziende verweerster immers over het hoofd, dat voormelde uitspraken, gelet op de datum van elk van die uitspraken, gedaan zijn onder vigeur van de wet van 14 december 2001 stb.623, i.w.tr. 1 januari 2002 (Tekstplaatsing art. 1 t/m 291, in het bijzonder; luidende het terzake relevante artikel 233 alsvolgt:

  1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit, kan de rechter, indien dit wordt gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. De rechter kan een vonnis, waarbij op de voet van artikel 195 wordt beslist omtrent een voorschot terzake van de kosten van deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
  2. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan het gehele vonnis betreffen of een gedeelte daarvan.
  3. De rechter kan aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden, dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld; zijnde immers genoemde wet in verband met de territoriale werking daarvan slechts binnen het eigen grondgebied van de onafhankelijke Staat der Nederlanden van kracht geworden;

Overwegende, dat het Hof danook zal beslissen als na te melden, onder verwijzing van verweerster in de proceskosten;

RECHTDOENDE:                                      

Gelast, dat de ten uitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 20 november 2001, waarvan beroep, bij wege van voortprocederen over de schadestaat, wordt gestaakt, alles met veroordeling van verweerster in de proceskosten, begroot op sf……

Aldus gewezen door Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-president, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Vice-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag, 30 april 2003, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd  door haar gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerster vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.Kruisland namens haar gemachtigde, advokaat  Mr.A.E.Debipersad, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                         

SRU-HvJ-2001-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.13707.

 

CYBIMEX S.A., rechtspersoon naar het recht van de Republiek Venezuela, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.NAARENDORP, advokaat, appellante,

t e g e n

BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ N.V., rechtsopvolgster van Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij B.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Slangenhoutstraat te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat, geïntimeerde,    

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 14 oktober 1994 en 11 november 1995 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 november 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat Cybimex S.A als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ N.V., rechtsopvolgster van BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Slangenhoutstraat te Paramaribo, gedaagde.
  2. Eiseres is met gedaagde in augustus 1980, althans in het jaar 1980, overeengekomen, dat laatstgenoemde aan eerstgenoemde zou betalen een commissie van 2%, voor dier bemiddeling bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen gedaagde en het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” ter zake van de levering van 500 geprefabriceerde woningen. Een fotokopie van de agentuurovereenkomst, vervat in de brief van 22 augustus 1980 van de Algemeen Directeur van gedaagde van eiseres, gaat hierbij, met verzoek de inhoud als letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  3. De overeenkomst tussen gedaagde en het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” is op 2 december 1981 tot stand gekomen en uitgevoerd door levering zijdens gedaagde van steeds 100 geprefabriceerde woningen, respectievelijk op 26 februari, 15 mei, 8 juli, 17 september en 19 november 1982 en betaling zijdens het ”Instituto Nacional de la Vivienda” van US$ 3,310,000.00 (DRIE MILJOEN DRIE HONDERD EN TIENDUIZEND US DOLLARS) middels onherroepelijk geconfirmeerde Letter of Credit, in welk bedrag begrepen was de aan eiseres toekomende commissie van 2%. De leveringsfacturen van bovengenoemde data gaan in fotokopie hierbij, met verzoek de inhoud als letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  4. Gedaagde is uit hoofde van de onder 2 genoemde agentuuroverenkomst aan eiseres, ter zake van de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst tussen het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” en gedaagde, verschuldigd het bedrag van US$ 64,901.95, (VIER EN ZESTIGDUIZEND NEGEN HONDERD ÉÉN 95/00 US DOLLARS) waarvan eiseres, herhaaldelijke aanmaning ten spijt, tot op heden geen betaling heeft mogen bekomen. De commissiefacturen terzake worden hierbij overgelegd, met verzoek de inhoud als hier aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  5. Door als voormeld te handelen maakt gedaagde zich jegens eiseres schuldig aan wanprestatie.
  6. Eiseres heeft gedaagde, door middel van haar vertegenwoordigster hier te lande, Scala International Consultants N.V., herhaaldelijk en laatstelijk bij exploot no. 330 van 3 juni 1993 van deurwaarder Tj.Jagroe behoorlijk in gebreke gesteld, zonder dat gedaagde aan de sommatie tot betaling gevolg heeft gegeven, waardoor eiseres thans het bedrag der schuld, in hoofdsom groot US$ 64,901.95, te vermeerderen met rente en kosten, respectievelijk US$ 44,748.05 en US$ 12,868.00, dus totaal US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS) opeisbaar van gedaagde te vorderen heeft. Het voormelde exploot wordt hierbij overgelegd met verzoek de inhoud als hier letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  7. Eiseres heeft er thans recht en belang bij om in rechte de nakoming van de overeenkomst te vorderen, benevens de vergoeding van kosten schade en interessen.
  8. Eiseres wenst het navolgende secundair aan haar vordering ten grondslag te leggen:

a. Eiseres heeft, voorafgaand aan de sub 2 vermelde transactie, meerdere malen ten behoeve van gedaagde bemiddeld bij de tot standkoming van exporten naar Venezuela en heeft daarvoor de haar toekomende commissie ontvangen.

b. Gedaagde heeft als gerenommeerd bedrijf in Suriname, mede door het hiervoren gestelde, in ieder geval bij eiseres de schijn gewekt, dat eiseres veilig met haar, gedaagde, zaken kon doen.

c. Mocht door enig nalaten van gedaagde om te voldoen aan de bepalingen van de wet die de boven haar gestelde overheid heeft gesteld voor de totstandkoming van overeenkomsten zoals de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst, en mocht daaruit de nietigheid van deze overeenkomst voortvloeien, dan heeft gedaagde daarmede jegens eiseres, die niet een Surinaams ingezetene is, als in strijd met de maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid, onrechtmatig gehandeld met haar schuld daaraan.

d. Eiseres lijdt door dit onrechtmatig handelen schade, gelijk aan commissie die haar uit de overeenkomst toekwam, thans te vermeerderen met rente en kosten, en totaal te begroten op US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), welk bedrag zij thans in rechte wenst te vorderen. Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld:

PRIMAIR:

tot betaling van de door haar, terzake van de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst van augustus 1980, aan gedaagde verschuldigde commissie, vermeerderd met rente en kosten een totaal bedrag van US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der rechtsingang tot die van de algehele voldoening.

SUBSIDIAIR:

tot vergoeding van de schade door eiseres geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde, welk schade beloopt het bedrag van US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der rechtsingang tot aan die van de algehele voldoening, Kosten rechtens;

Overwegende, dat Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij N.V., als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans deze haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiseres tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 11 oktober 1994 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast:

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen en gehouden comparitie van partijen, partijen in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan door de Griffier van het Kantongerecht opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen bepaald, de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie bepaald, de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud ook hier eveneens als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 14 november 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eiseresses vordering heeft ontzegd;

Eiseres in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Cybimex S.A. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 14 november 1995;

Overwegende, dat bij exploot van deurwaarder R.Kappel van 12 maart 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald, de gemachtigde van appellant recht op stukken heeft gevraagd en  advokaat Mr.A.R.Baarh  heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat het Hof vonnis had bepaald op 3 augustus 2001, doch bij rolbeschikking uitlating zijdens partijen met betrekking tot proces-verbaal 1e aanleg heeft gevraagd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen met betrekking tot proces-verbaal 1e aanleg bepaald, de gemachtigde van geïntimeerde  een hier als ingelast te beschouwen conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 7 december 2001, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is het hoger beroep van een vonnis, hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, niet ontvankelijk indien het is ingesteld binnen acht dagen na de dag van de uitspraak;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, appellante haar vordering bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton  de dato 14 november 1995 aan haar is ontzegd;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellante alstoen eiseres, bij de uitspraak vertegenwoordigd werd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R.Kappel, namens haar gemachtigde, Mr.E.Naarendorp, advokaat bij het Hof van Justitie; dat namens appellante bij schrijven de dato 16 november 1995 hoger beroep werd aangetekend tegen gemeld eindvonnis van 14 november 1995;

Overwegende, dat bij rolbeschikking van het Hof  de dato 6 juli 2001 partijen in de gelegenheid werden gesteld zich uit te laten over de vraag of was opgemaakt een proces-verbaal naar aanleiding van een op 20 februari 1995, in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen, nadat partijen ter terechtzitting van 1 juni 2001 gevraagd hadden om recht op stukken;

Overwegende, dat geïntimeerde, zich bij daartoe strekkende conclusie  de dato 5 oktober 2001 uitlatend over datgene  waartoe partijen bij rolbeschikking  de dato 6 juli 2001 in de gelegenheid zijn gesteld, onder meer gesteld heeft dat appellante te vroeg appel heeft aangetekend en dat zij – appellante – derhalve niet ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep, hebbende geïntimeerde daar een uitdrukkelijk beroep op gedaan; appellante heeft de gelegenheid haar bij gemelde rolbeschikking geboden evenwel niet te baat genomen, ondanks peremptoirstelling;

Overwegende, dat nu het vonnis  de dato 14 november 995 één is hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd en appellante binnen acht dagen na de dag van de uitspraak daartegen hoger beroep heeft aangetekend, dient appellante ingevolge artikel 264 lid 1 van eerder gemeld wetboek niet ontvankelijk te worden verklaard in haar tegen het beroepen vonnis aangetekend appel;

beantwoording van de vraag of van de  op 20 februari 1995 gehouden comparitie van partijen proces-verbaal is opgemaakt kan als niet tegen langer relevant, geheel in het midden worden gelaten;

Overwegende, dat appellante de kosten van het geding in hoger beroep aan  de zijde van geïntimeerde gevallen, dient te dragen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 14 november 1995 gewezen en uitgesproken;

veroordeelt de appellante in de kosten aan de zijde van de geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusverre begroot op sf.2.500,–;

met in begrip  van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf.2.500,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op sf.2.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en bij vervroeging door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 16 NOVEMBER 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend- Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.L.E.PALMBURG namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.NAARENDORP en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.N.P.K.TJIN A DJIE namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.                           

                                                                                                                

SRU-HvJ-2002-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

GENERALE ROL NO. 13993.

[Appellante], weduwe van [naam 1], wonende aan [adres 1], in het distrikt Suriname, zijnde het geding  na overlijden van [appellante] voornoemd geschorst en hervat ten name van [naam 2] , wonende aan de [straatnaam 1] te Rotterdam in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, appellante,                                                                                        

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.M.R.Carrilho, advokaat, geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 8 februari 1994 en 12 maart 1996 tussen partijen gewezen en uitgesproken; .
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 maart 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt,  dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiser wenst bij wege van request civiel de navolgende vordering in te stellen tegen [appellante], weduwe van [naam 1], wonende aan [adres 1] in het distrikt Suriname, domicilie gekozen hebbende aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, gedaagde;
  2. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde schenkingsakte van Notaris B.R. Oostvriesland, d.d. 15 december 1984, is door gedaagde aan eiser het perceelland groot 480 m² gelegen ten zuiden van het Middenpad van kwatta in het distrikt Suriname aangeduid met het [perceelnummer], deel uitmakende van het perceelland groot 3.9245 ha. gelegen in het distrikt Suriname ten zuiden van het Middenpad van Kwatta, deel uitmakende van de samengevoegde percelenland bekend als afd.I sectie Kwatta zulks onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik van gedaagde op het voorschreven perceelland; Vermelde  schenkingsakte is op 17 december 1984 overgeschreven ten hypotheek kantore in Suriname in het register C deel 949 onder [nummer];
  3. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, d.d. 27 november 1990, A.R.No.88/4944 is bij wege van verstek voormelde akte van schenking nietig verklaard en doorhaling gelast in de Registers ten hypotheek kantore;
  4. Als gevolg van het feit, dat eiser werkzaam is bij Suralco te [plaats 1] en door de shift diensten niet in staat regelmatig in Paramaribo te zijn en op geen enkele wijze kennis heeft kunnen nemen van de oproep middels aanplakking en verschijning in het Advertentie blad van de Republiek Suriname en kennelijk op dezelfde wijze betekening van dit verstekvonnis heeft plaats gehad en eiser van voormeld vonnis geen verzet heeft kunnen aantekenen, zijnde het verstekvonnis op grond daarvan in kracht van gewijsde gegaan;
  5. dat eiser op 19 februari 1993 nadat hij op zijn verzoek een hypothecair uittreksel heeft aangevraagd en verkregen, kennis heeft gekregen van de nietigverklaring van de schenkingsakte, d.d. 17 december 1984;
  6. Eiser kan zich evenwel in het litigieuze vonnis niet berusten, nu het vonnis weliswaar niet voor verzet, doch er in casu sprake is van door gedaagde gepleegd bedrog althans englist, welke (door eiser) na de uitspraak is ontdekt, in ieder geval nu tenminste een van de gronden zoals genoemd in artikel 292 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het onderhavig geval van toepassing is, zijnde het vonnis op grond daarvan voor herroeping vatbaar en zijnde eiser dan ook gerechtigd bij deze binnen de daarvoor bepaalde termijn de herroeping van het litigieuze vonnis te vorderen;
  7. Immers heeft gedaagde in het litigieuze proces bij request opzettelijk informatie verstrekt in strijd met de waarheid teneinde haar vordering toegewezen te krijgen en aldus de Kantonrechter trachten te bewegen haar vordering toe te wijzen als zijnde als gevolg van de afwezigheid van enig verweer niet onrechtmatig dan wel ongegrond bevonden;
  8. Eiser ontkent en betwist ten stelligste al hetgeen hem verweten is:

– Eiser heeft altijd gedaagde ondersteund;

– Eiser heeft nimmer welke onenigheid dan ook gehad met gedaagde, de concubine van eiser en gedaagde lagen met elkaar overhoop;

– dat eiser na zijn verhuizing frequent contact had met gedaagde;

– dat de schenkingsakte onherroepelijk is;

– dat conform artikel drie van de voorwaarden van de schenkingsakte partijen ieder recht uitsluiten om ontbinding of vernietiging van de schenking – om welke reden dan ook – te eisen;

– dat te dienende ter terechtzitting, d.d. 23 oktober 1990, instede van de schenkingsakte een verklaring is overgelegd door gedaagde en op arglistig en misleidende wijze de voorwaarden waaronder de schenking heeft plaatsgevonden aan de Rechter is onthouden;

– dat aan gedaagde het adres van eiser bekend was en dit verzwegen is, waardoor eiser zonder bekende woon – en/of verblijfplaats is of buiten Suriname is opgeroepen;

  1. Eiser heeft gedaagde altijd onderhouden hoewel hij daartoe niet verplicht was, welke verplichting evenmin voortvloeit uit de schenkingsakte en kan uit het voorgaande het litigieuze vonnis dan ook niet in stand blijven, zijnde ten onrechte de schenkingsakte  nietig verklaard en de doorhaling ervan in de Registers ten hypotheekkantore gelast;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste kanton, d.d. 27 november 1990, A.R.No.88/4944, gewezen tussen eiser als gedaagde en gedaagde als eiseres bij verstek, te herroepen en partijen te herstellen in de staat waarin zij vóór de uitspraak daarvan waren;

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord –  welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans dat deze aan haar zal worden ontzegd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho ter terechtzitting is verschenen, 

terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen 

en ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hem verstek is verleend,  waarna de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 12 oktober 1993 advokaat Mr.E.C.M.Hooplot de Kantonrechter heeft medegedeeld dat hij zich als gemachtigde van gedaagde aan de zaak stelt, waardoor de gevolgen van het tegen haar verleende verstek zijn komen te vervallen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 8 februari 1994 op de daarin opgenomen gronden een comparitie  van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een conclusie na niet gehouden comparitie van partijen bepaald, zijdens eiser, diens gemachtigde een als hier geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde bij mondelinge conclusie na niet gehouden comparitie van partijen heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 12 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden:

Het vonnis d.d. 27 november 1990 bekend onder A.R.No.88.4944 heeft herroepen;

Gedaagde haar oorspronkelijke vordering tot vernietiging van de schenking heeft ontzegd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis op 12 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 22 augustus 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante ten dage daarvoor bepaald een pleitnota heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi peremptoir bepaald de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot schorsing van het proces heeft genomen;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schorsing van het geding zijdens appellante Mr.H.P.Boldewijn, advokaat, namens Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, het Hof heeft medegedeeld, dat deze akkoord gaat met de schorsing;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie tot hervatting van het geschorste geding zijdens appellante de zaak voor onbepaalde tijd is aangehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot hervatting van het geding heeft genomen ten name van [naam 2];

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna de gemachtigde van appellante een produktie heeft overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijk conclusie tot overlegging produktie heeft genomen, waarna de gemachtigde van geintimeerde ten dage voor uitlating peremptoir bepaald, een schriftelijke conclusie tot uitlating produktie  heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen bij pleidooi de zaak hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi produkties overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 juli 2001, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van het tussen partijen gewezen vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 maart 1996 (in de zaak bekend onder A.R. 93 2118);

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, het navolgende – in zoverre hier van belang – tussen partijen rechtens vaststaat:

  1. dat in het rechtsgeding bekend onder A.R. no. 884944 de [appellante] de [geïntimeerde] voor de Kantonrechter in het Eerste Kanton opgeroepen heeft om vernietigd te krijgen de overeenkomst van schenking van het onroerend goed tussen partijen bij notariële akte d.d. 15 december 1984 voor notaris B.R.Oostvriesland verleden;
  2. dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 27 november 1990 bij verstek gewezen vonnis de voormelde akte van schenking en aanneming nietig verklaard heeft en de doorhaling daarvan in de registers ten hypotheekkantore heeft gelast;
  3. dat de geïntimeerde volgens diens stellingen geen mogelijkheid had – in verzet tegen dat vonnis te gaan – het verzettermijn was verstreken – en daarom van het buitengewoon rechtsmiddel request civiel gebruik gemaakt heeft in het rechtsgeding (zie boven) waarover het Hof thans een beslissing zal moeten geven, omdat de Kantonrechter bij zijn thans aangevochten vonnis herroepen heeft het vonnis d.d. 27 november 1990 (zie boven) en bovendien aan de appellante haar oorspronkelijke vordering (hetgeen niet gevorderd was) tot vernietiging van de schenking heeft ontzegd;

Overwegende, dat request civiel een buitengewoon rechtsmiddel is en dat dit aan dezelfde rechter moet worden voorgelegd als die over de oorspronkelijke vordering geoordeeld heeft, i.c. de Kantonrechter in het Eerste kanton. 

Overwegende, dat nu het request civiel door die rechter bij vonnis d.d. 12 maart 1996 ”aangenomen is” (zie art. 302 BRv.) en het vonnis d.d. 27 november 1990 herroepen is, zijn partijen in dezelfde staat teruggebracht, waarin zij voor dat vonnis (van 27 november 1990) waren en dat partijen het geschil ten principale, waarover het herroepen vonnis gewezen is, moeten voorleggen aan dezelfde rechter, die over het request civiel gevonnist heeft (zie art.313 BRv.), en dat is de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Overwegende, dat tijdens de procedure van het hoger beroep de appellante is komen te overlijden en het geding ten name van haar enige erfgenaam [naam 2] is voortgezet;

Overwegende, dat gelet op het bovenoverwogene de systematiek van de wet met zich medebrengt dat de appellante niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep omdat tegen een beslissing in request-civiel dit middel niet toegelaten is en dat de appellante het geschil ten principale – zo zij dat wenst – zal moeten voorleggen aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Overwegende, dat de grieven die de appellante tegen het aangevochten vonnis ontwikkeld heeft danook geen bespreking behoeven en de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, de gedingkosten van het hoger beroep, zal moeten dragen en betalen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op sf.5.000,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van geïntimeerde voor het door haar houden pleidooi toegekende  salaris  van sf.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op sf.5.000,–;

Aldus gewezen  door Mr.S.Gangaram Panday, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 januari 2002, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.Derby namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat  Mr.M.R.Carrilho, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

                                                                                 

SRU-HvJ-2001-15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A – 419

[VERZOEKER ], wonende te Paramaribo aan de [straatnaam], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no.8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
verzoeker,
t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advocaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, verweerder;
2. dat de verzoeker in dienst is van de verweerder en aldus ambtenaar is in de zin van Personeelswet, op wie de Personeelswet in haar volle omvang van toepassing is;
3. dat de verzoeker in het jaar 1997 zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit (valsheid in geschrifte) en op 27 augustus 1997 door het bevoegde gezag in verzekering is gesteld;
4. dat de verzoeker als gevolg van deze inverzekeringstelling bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 25 september 1997 [nummer1] in de uitoefening van zijn functie werd geschorst in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek, met verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
5. dat de verzoeker vanwege van het strafbare feit bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 22 januari 1998 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren ter zake valsheid ingeschrifte;
6. dat aangezien de verweerder van oordeel is dat de veroordeling plichtsverzuim oplevert, heeft hij in de persoon van Korpschef bij schrijven d.d. 10 september 1998 [nummer 2] de verzoeker in de gelegenheid gesteld zich ter zake te verweren en dat de verzoeker bij schrijven van 14 september 1998 zich ter zake deze veroordeling schriftelijk heeft verweerd en zijn verweerschrift heeft ingediend bij de Korpschef. Zowel de brief van de Korpschef als het verweerschrift van de verzoeker worden hierbij gevoegd, met verzoek de inhoud van deze stukken als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
7. dat de verzoeker tengevolge van deze veroordeling bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 30 november 1998 [nummer 2] uit Staatsdienst is ontslagen, met verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
8. dat de verzoeker deze ontslagbeschikking pas op 22 januari 1999 van de verweerder althans de Korpschef heeft ontvangen en hij gebruik wenst te maken van zijn rechten als voorkomende in de Personeelswet namelijk dat hij binnen een maand nadat de beschikking te zijner kennis is gebracht in beroep kan gaan bij de Ambtenarenrechter;
9. dat de verzoeker opmerkt dat de overwegingen in de beschikking niet juist zijn, dat in de tweede overweging van de beschikking van 30 november 1998 door de verweerder wordt gesteld dat de verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zich terzake te verweren. Dit is pertinent niet juist, daar de verzoeker zich op 14 september 1998 schriftelijk heeft verweerd terzake van de veroordeling met opgave van zijn persoonlijke en huiselijke omstandigheden, met welke omstandigheden de verweerder geen rekening heeft gehouden;
10. dat de verweerder verder in paragraaf III van de beschikking gesteld heeft dat bij deze tuchtstraf van ontslag rekening is gehouden met de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van de verzoeker, hetgeen niet juist is, nu de verweerder zelf heeft gesteld dat de verzoeker zich niet heeft verweerd;
11. dat de verzoeker van oordeel is dat nu de verweerder geen kennis heeft genomen van zijn verweerschrift d.d. 14 september 1998 de opgelegde tuchtstraf veel te zwaar is en derhalve in strijd is met het evenredigheidbeginsel als voorkomende in artikel 79 lid 3 van de Personeelswet, daar deze tuchtstraf van ontslag niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waardoor het is begaan, temeer daar de verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat de verzoeker een plichtsgetrouwe ambtenaar is en duidelijk misleid is geworden en bovendien een gezin heeft te verzorgen bestaande uit vrouw en vier kinderen;
12. dat de verzoeker op grond van de schending van dit evenredigheidbeginsel door de verweerder Uw Hof nadert met het verzoek de tuchtstraf van ontslag om te zetten in die van schorsing c.q. een ander passende tuchtstraf aan de verzoeker op te leggen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 30 november 1998 [nummer 2] en dat Uw Hof moge bepalen dat aan de verzoeker de tuchtstraf van schorsing wordt opgelegd c.q. een ander passende tuchtstraf een en ander overeenkomstig artikel 82 lid 4 van de Personeelswet; Kosten rechtens.
Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;
1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu, onder aanbod van bewijs conform recht en wet.
2. Verzoeker is in dienst GEWEEST van verweerder, welk dienstverband is geëindigd op 23 januari 1999 zijnde dag volgende op die waarop verzoeker de ontslagbeschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 30 november 1998 [nummer 3] heeft ontvangen.
3. Verweerder bevestigt hetgeen verzoeker heeft gesteld in het 3e tot en met 7e sustenu van het verzoekschrift waardoor deze feiten en het daaruit voortvloeiende plichtsverzuim rechtens tussen partijen vaststaan.
4. Hetgeen verzoeker heeft gesteld in het 9e sustenu van het inleidend rekest is FEITELIJK onjuist en onwaar, omdat de 2e (tweede) overweging van de ontslagbeschikking luidt alsvolgt: “dat het vonnis alsmede de handelingen die geleid hebben tot het vonnis ernstig plichtsverzuim opleveren voor [verzoeker] voornoemd, weshalve hij bij schrijven de dato 10 september 1998 ingebreke werd gesteld en IN DE GELEGENHEID ZICH TERZAKE TE VERWEREN DOCH DE ARGUMENTEN AANGEHAALD IN ZIJN VERWEERSCHRIFT de dato 14 september 1998 BLIJKEN NIET STEEKHOUDEND TE ZIJN om van bestraffing af te zien.
5. Uit punt III van het dictum van de ontslagbeschikking blijkt tevens dat verweerder bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder deze feiten (door [verzoeker]) gepleegd zijn, alsmede de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van betrokkene. Hetgeen verzoeker heeft gesteld in de 2e en 3e zinsnede van het 10e sustenu van het inleidend rekest is feitelijk onwaar en onjuist, hetgeen moge blijken uit het vorige en dit sustenu.
6. Aangezien verweerder wel kennis heeft genomen van het verweerschrift ontkent hij met klem enig beginsel van behoorlijk bestuur te hebben geschonden. Verzoeker doet in diverse door hem gestelde posita de waarheid geweld aan.
7. Het komt verweerder voor dat geen enkele door verzoeker aangevoerde grond enige strafvermindering rechtvaardigt. Bovendien is de ontslag beschikking binnen een redelijke termijn ter kennis van verzoeker gebracht, zodat in dit opzicht evenmin een grond voor strafvermindering is te putten.
Overwegende, dat hij op deze gronden heeft geconcludeerd:
dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;
Overwegende, dat ingevolge s’ Hofs beschikking van 19 maart 2001 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, [verzoeker] en advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verzoeker, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota een produktie heeft overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een antwoord pleidooi tot uitlating produktie heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 5 oktober 2001, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof in de stellingen van partijen aanleiding vindt om een comparitie van partijen te gelasten voor het inwinnen van inlichtingen met betrekking tot gepleegde valsheid in geschrifte door de verzoeker, omdat dit feit op zich te vaag is en bijzonderheden van het door de verzoeker gepleegde delict nodig zijn om een juist oordeel te vormen;
Overwegende, dat de griffier danook zal worden gevraagd om zo spoedig mogelijk het strafdossier te doen overleggen;
Alvorens definitief te beslissen:

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vraagt de griffier om zo spoedig mogelijk het strafdossier aan het Hof te doen overleggen.
Gelast partijen, verzoeker in persoon en verweerder deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van haar advokaten ter terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 11 januari 2002 des voormiddags te 8.30 uur te verschijnen om de nodige inlichtingen aan het Hof te verstrekken.
Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig wordt benoemd, Mr.S.GANGARAM-PANDAY, Fungerend-President van dit Hof;
Houdt iedere verdere uitspraak aan.

Aldus gewezen door Mr.S.Gangaram Panday, Fungerend-President, Mr.E.S.Ombre en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 november 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.G.Vos namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advokaat, Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2025-12

GR- 16171
Civarnr. 2021H00048

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

a.
de vereniging van werknemers BOND VAN HET PERSONEEL WERKZAAM BIJ DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding sub 1,

b.
[Appellant in kort geding sub 2],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding sub 2,

c.
[appellant in kort geding sub 3],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding sub 3,

hierna ook te noemen respectievelijk de Bond, [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3],
gemachtigde: mr. Elleson M. Fraenk, advocaat,

tegen

de naamloze vennootschap DE SURINAAMSE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,

hierna ook te noemen: SLM,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde gewezen vonnis in kort geding van 18 maart 2021 (A.R. No. 20-3838), spreekt het Hof, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen;

  • het tussenvonnis van het hof van 7 juli 2023 en de daarin genoemde stukken;
  • een stuk waarvan de kop luidt: “salaris/koers ontwikkeling SLM sep 20-dec 23”, ter comparitie overgelegd zijdens de Bond; 
  • de brief van de gemachtigde van de Bond ter griffie ontvangen op 19 januari 2024;
  • de brief van de gemachtigde van SLM ter griffie ontvangen op 19 januari 2024.

Omdat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt is de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

1. Volhard wordt bij het tussenvonnis van 7 juli 2023.

2. De kantonrechter heeft bij het vonnis, waarvan appel, de Bond niet ontvankelijk verklaard. Bij voormeld tussenvonnis van 7 juli 2023 heeft het hof reeds geoordeeld dat naast
[appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3], ook de Bond in haar vordering kan worden ontvangen.

3. Zoals bij dat tussenvonnis is overwogen stellen de grieven in volle omvang aan de orde het antwoord op de vraag of de kantonrechter op toereikende gronden heeft geoordeeld dat het SLM in de omstandigheden van het geval vrij staat om eenzijdig te bepalen dat vanaf 22 september 2020 inzake de loonbetaling een koers wordt gehanteerd van 7,52 SRD tegen 1 US$, in plaats van de tussen partijen overeengekomen unificatiekoers, die per september 2020 is vastgesteld op SRD 14,29 tegen 1 US$, niet alleen met betrekking tot een aantal specifiek genoemde toelagen maar ook met betrekking tot het loon dat SLM vanaf 22 september 2020 aan haar werknemers verschuldigd is.

4. Uit het ter comparitie in het geding gebrachte overzicht “salaris/koers ontwikkeling SLM sep 20 – dec 23” blijkt, dat het loon ten gevolge van de door SLM toegepaste koers in vrijwel de gehele periode van september 2020 tot en met mei 2022 (derhalve 21 maanden) en van oktober 2022 tot en met februari 2023 (5 maanden) nagenoeg de helft bedroeg van het met toepassing van de overeengekomen koers (de zgn. “unificatiekoers” of “administratiekoers”) verschuldigde loon (exclusief emolumenten). In de maanden juni, juli en augustus 2022 en maart tot en met juni 2023 bedroeg de verlaging ongeveer een-derde deel van het loon, in juli en augustus 2023 een kwart en vanaf september tot en met december 2023 bedroeg de verlaging van het loon ongeveer een-vijfde deel van het loon.

5. SLM is daartoe, zoals reeds bij tussenvonnis vastgesteld, eenzijdig, derhalve zonder instemming van de Bond of de individuele werknemers, overgegaan.

6. Hiertoe beroept SLM zich op onvoorziene omstandigheden, in het bijzonder op de ontwikkelingen in de luchtvaartbranche ten gevolge van de covid pandemie, waardoor zij in een financiële crisis terecht is gekomen.

7. Kort weergegeven hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat SLM niet eenzijdig tot zo een drastische wijziging van de arbeidsvoorwaarden bevoegd is.

8. Gelet hierop spitst het debat tussen partijen zich toe op het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden en voorwaarden SLM eenzijdig de lonen van haar werknemers mag verminderen.

9. Voorop zij gesteld dat tussen partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen.

10. De maatstaf die bij de beantwoording van voormelde vraag tot uitgangspunt dient, is bij tussenvonnis verwoord onder 5.8 en 5.9. Er zijn drie stappen te onderscheiden ter beantwoording van de vraag of een werknemer positief moet reageren op een voorstel tot wijziging: (1) is er sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot wijziging van de overeenkomst?, (2) is het gedane voorstel tot wijziging van de overeenkomst in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk?, en (3) kan aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van de werknemer worden gevergd? De werkgever dient derhalve de belangen van de werknemer bij zijn voorstel te betrekken en ontkomt er niet aan om in dat licht de werknemer uit te nodigen zijn belangen en standpunt terzake kenbaar te maken. Dat vloeit ook voort uit goed werkgeverschap. Deze maatstaf geldt niet alleen voor individuele wijzigingen, maar ook voor collectieve wijzigingen.

11. De hoofdregel is dat nu de werknemer bereid was de bedongen arbeid te verrichten hij aanspraak heeft op betaling van het volledige loon. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van gewijzigde omstandigheden die niet geheel liggen in de risicosfeer van de werkgever. Omdat het om een uitzondering op de hoofdregel gaat, is het aan de werkgever om aan te tonen, althans concreet aannemelijk te maken, dat die gewijzigde omstandigheden er zijn en dat die de verandering van de arbeidsvoorwaarden rechtvaardigen.

12. Partijen zijn het er over eens dat de covid pandemie vanaf in elk geval maart 2020 de luchtvaart branche in het algemeen en SLM in het bijzonder ernstig heeft getroffen in die zin dat het uitvoeren van vluchten aanvankelijk niet mogelijk was omdat het luchtruim werd gesloten en vervolgens na korte tijd vluchten weliswaar kon worden hervat, maar slechts in beperkte mate.

13. Omtrent het antwoord op de vraag of de negatieve bedrijfseconomische gevolgen die SLM heeft ondervonden van de covid pandemie gewijzigde omstandigheden opleveren zodanig dat het redelijk is het loon van haar werknemers te halveren respectievelijk te verminderen met een-derde deel en vervolgens met een kwart, respectievelijk een vijfde deel, wordt het volgende overwogen.

14. Bij de beoordeling van die vraag legt gewicht in de schaal in welke mate er sprake is van verminderde omzet, wat de totale lasten zijn van de onderneming, hoeveel liquide middelen de onderneming ter beschikking heeft en welke overige maatregelen kunnen worden getroffen om de financiële verplichtingen van de onderneming te kunnen verlagen. Van een werkgever die van mening is dat de gevolgen van de covid pandemie voor zijn bedrijfsvoering hem noodzaken tot een aanpassing van het loon, mag voorts worden verwacht dat hij zijn werknemers omtrent de hiervoor genoemde (financiële) gegevens informeert, alvorens een voorstel tot vermindering van het loon te doen. Deze werknemers kunnen de vraag of de werkgever bij teruglopende omzet als goed werkgever aanleiding heeft om een voorstel tot loonsverlaging te doen slechts beoordelen indien zij op dit punt over dezelfde informatie beschikken als de werkgever. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vraag of het concrete voorstel tot vermindering van het loon redelijk is en of aanvaarding in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.

15. SLM heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit die verminderde omzet blijkt. Appellanten hebben er op gewezen (pagina 2 inleidend verzoekschrift) dat enig onderbouwing van de omzetvermindering – volgens SLM het zwaarwegend belang – ontbreekt. Appellanten hebben verder gesteld (inleidend verzoekschrift sub 8) dat SLM wel heeft gevlogen, zij het minder: 10 vluchten in september en oktober, 20 vluchten in november en 30 vluchten in december 2020. SLM heeft dat niet weersproken zodat dit vaststaat.

16. Gewicht in de schaal legt verder dat de verplichting tot betaling van loon een primaire verplichting van de werkgever is als tegenprestatie voor de arbeid, waarvan betaling voor de werknemer essentieel is omdat voor de meeste werknemers geldt dat zij voor de kosten van levensonderhoud van zichzelf en hun gezinsleden zijn aangewezen op het loon.

17. Nu omzetvermindering ten gevolge van de covid pandemie aannemelijk is, maar SLM heeft nagelaten tegenover de Bond en de individuele werknemers alsmede in deze procedure met concrete cijfers aannemelijk te maken in hoeverre sprake is van omzetvermindering, kan de loonvermindering die SLM heeft doorgevoerd niet op redelijkheid worden getoetst. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat aanvaarding van de vermindering van het loon met respectievelijk de helft, een-derde, een-kwart en met een vijfde kan worden gevergd van de werknemers.

18. Nu niettemin in de rede ligt dat ten gevolge van de covid pandemie bij SLM sprake is van substantiële omzetvermindering is het hof, bij deze stand van zaken, van oordeel dat het redelijk is aan te sluiten bij de uitkomst van het overleg dat de Bond en de directie van SLM op 14 oktober 2020 hebben gehad. Dat de Raad van Commissarissen van SLM dat onderhandelingsresultaat niet heeft bekrachtigd, doet hieraan niet af.

19. Bij brief van 22 oktober 2020 heeft de Bond aan de directie van SLM bevestigd dat het “principe akkoord” het volgende inhield:

“Uitbetaling Salaris:

  • Het salaris wordt vanaf oktober 2020 uitbetaald tegen unificatiekoers, nu 14,29
  • De “bevroren” toelagen: Reinigingstoelage, Energietoelage, Representatietoelage en Vervoerstoelage, worden vanaf oktober 2020 wederom uitbetaald.

Inhoudingen:

  • Schaal 1-8:

Inhouding van 12% op het basisloon, 12% op reinigingstoelage en 12% op energietoelage

  • Schaal 9-12:

Inhouding van 20% op het basisloon, 20% op reinigingstoelage en 20% op energietoelage, 20% op representatietoelage en 20% op vervoerstoelage

  • Schaal 13 en daarboven:

Inhouding van 25% op het basisloon, 25% op reinigingstoelage en 25% op energietoelage, 25% op representatietoelage en 25% op vervoerstoelage”.

In dit verband stelt het hof vast dat de vakantietoelage van de vermindering is uitgezonderd.
Deze bevestiging sluit aan bij de inhoud van de notulen van de vergadering van de directie van SLM met de Bond op 14 oktober 2020 (prod. 12 bij het inleidend verzoekschrift) waaruit blijkt dat over en weer voorstellen zijn gedaan die hebben geresulteerd in “besluiten van de vergadering”.

20. Uit het verslag van de gesprekken blijkt niet dat een einddatum overeengekomen is. Er is, mede in aanmerking genomen dat de vordering ziet op het treffen van een voorlopige voorziening, aanleiding aan te sluiten bij het hiervoor aangehaalde overzicht “Salaris/koers ontwikkeling SLM sept 20-Dec 23”, zodat de door de Bond met de directie getroffen regeling wordt geacht te gelden van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023.

21. Bij het inleidend verzoekschrift hebben [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3] betaling gevorderd van het niet betaalde loon met ingang van 22 september 2020 en van de niet betaalde toeslagen met ingang van 1 mei 2020. De vorderingen wijken wat betreft tijdvak af van het door de directie met de Bond bereikte akkoord. De overeengekomen vermindering verschilt per loonschaal. Uit de stukken blijkt niet volgens welke loonschaal [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3] ingaande oktober 2020 worden beloond. De arbeidsovereenkomsten van respectievelijk [appellant in kort geding sub 2] en [appellant in kort geding sub 3] zijn van oktober 2011 en maart 2014.

22. Gelet hierop wordt SLM veroordeeld om ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 2] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage, vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% van het loon, de reinigingstoelage, de energietoelage, de representatietoelage en de vervoerstoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen over die periode reeds is betaald.

23. SLM wordt verder veroordeeld om ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 3] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% van het loon, de reinigingstoelage en de energietoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen over die periode reeds is betaald.

24. De Bond heeft gevorderd SLM te veroordelen aan de leden van de Bond te betalen de “vanaf 1 mei 2020 ingehouden toelagen” en te betalen het “niet uitbetaald deel van het salaris in Surinaamse dollars tegen de unificatiekoers” ingaande 22 september 2020 “en vervolgens iedere maand zolang het dienstverband met de respectievelijke leden voortduurt.”

Zoals reeds bij tussenvonnis van 7 juli 2023 ad 5.2 overwogen is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de vordering van de Bond.

Tussen partijen staat vast dat SLM eenzijdig zonder instemming van de Bond en de individuele werknemers heeft ingegrepen in de CAO in die zin dat SLM vanaf 22 september 2020 een koers van 7,52 SRD tegen 1 US$ hanteert in plaats van de tussen partijen overeengekomen unificatiekoers bij de betaling van het loon en de toelagen die SLM ingaande 22 september 2020 verschuldigd is.

25. Bij art. 3.3, lid 2, van de CAO Surinam Airways heeft SLM het recht van de Bond erkend om de onder de bepalingen van de CAO vallende werknemers zowel collectief als individueel bij SLM te vertegenwoordigen.

Met inachtneming van het vorenoverwogene is er aanleiding SLM te veroordelen aan de leden van de Bond die onder de voormelde CAO vallen, te betalen het aan die leden over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 krachtens de individuele arbeidsovereenkomst en de CAO toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, voor zover daarop krachtens de functie en salarisschaal aanspraak bestaat, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25%, afhankelijk van de van toepassing zijnde loonschaal (uitgezonderd de vakantietoelage), bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen ter zake van loon en genoemde toelagen over die periode reeds is betaald.

26. Op grond van het vorenoverwogene zijn de grieven terecht voorgedragen.

27. Wettelijke verhoging 1614q BW
Er is aanleiding de wettelijke verhoging te beperken tot 10%, zijnde niet gebleken dat betaling op een willekeurige grond achterwege is gebleven.

28. De wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente dient als niet betwist en op de wet gegrond te worden toegewezen, als gevorderd vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening.

29. De geïntimeerde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
Met betrekking tot de gevorderde advocaatkosten zal het Hof aansluiten bij het in het Procesreglement neergelegde liquidatietarief van SRD. 17.500,= namelijk SRD. 7.500,= voor de procedure in eerste aanleg en SRD 10.000,= voor het hoger beroep.

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, gewezen onder rolnummer A.R. no. 20-3838 en

opnieuw rechtdoende:

a. veroordeelt SLM ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 2] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage, vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% over het loon en over de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage en vervoerstoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen in die periode reeds is betaald, het verschil vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 10% en met de wettelijke rente over het verschil vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening;

b. veroordeel SLM om ter zake van loon aan [appellant in kort geding sub 3] te betalen het aan hem over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 (krachtens de arbeidsovereenkomst en CAO) toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage alsmede vakantietoelage, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% over het loon en over de reinigingstoelage en de energietoelage, afhankelijk van de loonschaal waarin hij is ingedeeld, een en ander bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen aan hem ter zake van loon en genoemde toelagen in die periode reeds is betaald, het verschil vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 10% en vermeerderd met de wettelijke rente over het verschil vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening;

c. veroordeelt SLM aan de leden van de Bond die onder de voormelde CAO vallen te betalen het aan die leden over het tijdvak van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2023 krachtens de individuele arbeidsovereenkomst en de CAO toekomende loon, vermeerderd met de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage vervoerstoelage alsmede vakantietoelage, voor zover daarop krachtens de functie en salarisschaal aanspraak bestaat, maar verminderd met voormelde “inhouding” van respectievelijk 12%, 20% of 25% over het loon en over de reinigingstoelage, energietoelage, representatietoelage, vervoerstoelage, afhankelijk van de van toepassing zijnde loonschaal, bij betaling in Surinaamse Dollars met toepassing van de unificatiekoers, en onder aftrek van hetgeen aan hen ter zake van loon en genoemde toelagen in die periode reeds is betaald, het verschil vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 10% en vermeerderd met de wettelijke rente over het verschil vanaf 30 november 2020 tot de dag der algehele voldoening;

d. veroordeelt SLM in de kosten voor rechtsbijstand begroot op SRD. 17.700,=;

e. veroordeelt SLM in de kosten van dit geding aan de zijde van appellanten gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep en tot aan deze uitspraak op SRD. 1.330,=;

f. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President,
mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 februari 2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, dhr. R. Dewkalie, LL.B.

w.g. R. Dewkalie          w.g. S.S.S. Wijnhard

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat dhr. A.J. Heath, LL.M. namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2025-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

CIVAR no. 2025H00088

Vonnis

In de zaak van:
DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat, waargenomen door mr. C.F. Meijnaar,

tegen

A. DE STICHTING WAN OKASI,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. KOENDJBIHARIE, ANNIEL PREDIEP,
wonende in het [district],
geïntimeerden,
hierna afzonderlijk te noemen de Stichting en Koendjbiharie en gezamenlijk de Stichting e.a.,
gemachtigde: mr. D.M. Peterhof en mr. M.A. Castelen, advocaten,

op het bij schriftelijke verklaring van 21 mei 2025 ingesteld hoger beroep van het eindvonnis van 20 mei 2025 van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in de zaak bekend onder CIVAR. no. 202501808 (hierna: het vonnis), gewezen tussen de Stichting e.a. als eisers en de Staat als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgend vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de navolgende processtukken en –handelingen:

  • het proces-verbaal van de Griffier der Kantongerechten van 21 mei 2025 inhoudende dat de Staat hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis;
  • de memorie van grieven zijdens de Staat; 
  • het pleidooi namens de Staat en het antwoordpleidooi namens de Stichting e.a.;
  • de memorie van antwoord zijdens de Stichting e.a.
  • de mondelinge rolbeschikking van 22 mei 2025, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • de op 22 mei gehouden comparitie van partijen en het daarvan opgemaakt proces-verbaal.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

1.3 Het Hof doet recht op bovenvermelde processtukken en op die van eerste aanleg.

2. De ontvankelijkheid
De Staat is met zijn schriftelijke verklaring van 21 mei 2025, nadat een afschrift van het vonnis van 20 mei 2025, op 21 mei 2025 aan partijen is afgestaan, binnen de in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) bedoelde termijn en op de wijze zoals in artikel 270 lid 1 Rv. bepaald, in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep is derhalve tijdig en op de juiste wijze door de Staat ingesteld, zodat hij daarin ontvankelijk is.

3. De feiten
Het Hof gaat uit van de door de kantonrechter in het beroepen vonnis vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht. Het Hof zal ook zelf feiten vaststellen, voor zover die tussen partijen in geschil zijn.

3.1 Wan Okasi heeft ten doel de sociaal-maatschappelijke en economische positie van mensen met een beperking te bevorderen in de ruimste zin des woords. Koendjbiharie heeft een lichamelijke beperking en is de voorzitter van Wan Okasi.

3.2 Artikel 102 van de Wet van 29 september 1987, houdende nadere regels voor de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen in Suriname (Kiesregeling) luidt:
“Het stembureau kan toestaan dat een kiezer zich doet bijstaan, indien hij lichamelijk hulpbehoevend is”.

3.3 In een open brief aan de Regering en het Onafhankelijk Kiesbureau heeft Wan Okasi bepleit om het voornemen van de Staat om artikel 102 van de Kiesregeling nader uit te werken in heroverweging te nemen en zijn er alternatieven aangeboden.

3.4 In het Staatsbesluit van 17 februari 2025 , houdende regels ter uitvoering van de Kiesregeling (SB 2025 no. 26), hierna geduid als “het Kiesbesluit 2025”, is in artikel 27 het volgende bepaald:

“1. Het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 102 van de Kiesregeling, geschiedt op verzoek van een lichamelijk hulpbehoevende kiezer.

2. De bijstand als bedoeld in lid 1, wordt verleend door een door de voorzitter van het stembureau aangewezen plaatsvervangend lid en een door de lichamelijk hulpbehoevende kiezer aangewezen persoon.

3. De verlening van de bijstand geschiedt:
a. tot het stemhokje, indien de lichamelijk hulpbehoevende kiezer in staat is de stembiljetten zelf in te kleuren, of
b. tot in het stemhokje, indien de lichamelijk hulpbehoevende kiezer niet in staat is de stembiljetten zelf in te kleuren en hiervoor hulp behoeft.

4. Bij verlening van de bijstand, als bedoeld in lid 3 onder b, worden de stembiljetten ingekleurd overeenkomstig de wil van de hulpbehoevende kiezer.

5. Indien het bepaalde in lid 3 onder b zich voordoet:
a. ziet de aangewezen persoon als bedoeld in lid 2, erop toe dat het plaatsvervangend lid de stembiljetten inkleurt overeenkomstig de wil van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer, of
b. maakt de aangewezen persoon als bedoeld in lid 2, de wil van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer kenbaar, waarna het plaatsvervangend lid dienovereenkomstig de stembiljetten inkleurt.

6. De aangewezen persoon, als bedoeld in lid 2:
a. is 18 (achttien) jaren of ouder;
b. identificeert zich met een geldig identiteitskaart, een geldig rijbewijs of een geldig paspoort, en
c. verleent op de dag der stemming bijstand aan slechts 1 (een) lichamelijk hulpbehoevende kiezer.

7. De voorzitter van het stembureau houdt van de aangewezen persoon als bedoeld in lid 6 een lijst bij, waarop worden genoteerd:
a. de geslachtsnaam;
b. de voorna(a)m(en);
c. het adres, en
d. het identiteitskaartnummer of paspoortnummer of nummer van het rijbewijs.”

3.5 In een schrijven gedateerd 25 maart 2025, gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en de Voorzitter van het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB), heeft Wan Okasi door tussenkomst van haar procesgemachtigde, mr. M. A. Castelen, protest aangetekend tegen de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de aankomende algemene, vrije en geheime verkiezingen op 25 mei 2025. In dit schrijven is een dringend beroep gedaan om de toepassing van voornoemd artikel achterwege te laten.

3.6 Het OKB heeft per schrijven van 29 maart 2025 aan Wan Okasi medegedeeld dat zij de bezorgdheid van haar onder de aandacht van de wetgever zal brengen.

3.7 Per schrijven d.d. 01 april 2025 heeft Wan Okasi het OKB geïnformeerd dat haar reactie niet afdoende is, omdat deze namelijk geen betrekking heeft op de concrete vraag, terwijl het punt van geschil geen betrekking heeft op de wetgever, maar op de regering die verantwoordelijk is voor het Kiesbesluit 2025.

3.8 Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft het schrijven d.d. 29 maart 2025 onbeantwoord gelaten en het OKB heeft het schrijven d.d. 01 april 2025 eveneens onbeantwoord gelaten.

4. De procedure in eerste aanleg
4.1 De Stichting e.a. hebben gevorderd om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
A. de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de stembusgang van 2025, te schorsen c.q. op te schorten, totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid daarvan is komen vast te staan;
B. de Staat te gelasten om binnen 1 x 24 uur na kennisgeving van het te wijzen vonnis, bij staatsbesluit het Kiesbesluit 2025 te wijzigen, zodanig dat artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 geen toepassing zal hebben op de stembusgang van 25 mei 2025;
C. de Staat te veroordelen tot de betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor ieder uur dat hij in gebreke blijft om te voldoen aan de veroordeling onder A en/of B, tot een maximum van SRD 10.000.000,-.

4.2 De Stichting e.a. hebben, zakelijk weergegeven, aan hun vordering ten grondslag gelegd dat artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 niet rechtsgeldig en daarom niet toepasbaar is. Volgens de Stichting e.a. heeft de wetgever in de Kiesregeling in 32 concrete gevallen expliciet de bevoegdheid gegeven om bij of krachtens staatsbesluit bepalingen of delen van bepalingen nader vast te stellen. Deze bevoegdheid is niet gegeven ten aanzien van artikel 102 van de Kiesregeling, zodat eventuele aanpassingen of nadere aanduidingen alleen bij (formele) wet kunnen worden aangebracht. Voorts is, volgens de Stichting e.a., het artikel naar de inhoud in strijd met grondrechten van Surinaamse burgers, in het bijzonder die van de stemgerechtigde Surinaamse burgers die lichamelijk hulpbehoevend zijn. De leden 2 tot en met 7 van het artikel plegen een onrechtmatige inbreuk op de rechten van de doelgroep van de Stichting, waaronder Koendjbiharie. De Stichting e.a. stellen voorts dat het voorschrift dat het door de voorzitter van het stembureau aangewezen plaatsvervangend lid bijstand moet verlenen aan de lichamelijk hulpbehoevende kiezer, inbreuk maakt op het recht op fysieke, psychische en morele integriteit van de hulpbehoevende kiezer zoals erkend en toegekend door artikel 9 van de Grondwet. Het voorschrift schendt ook artikel 8 van de Grondwet te weten het recht van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer op gelijke bescherming van de persoon en goederen door niet gediscrimineerd te worden op grond van zijn/haar sociale omstandigheden of enig ander status. Tenslotte schendt, zo stellen de Stichting e.a., het voorschrift van artikel 52 van de Grondwet, te weten het democratisch recht van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer om middels algemene, vrije en geheime verkiezingen de samenstelling van de volksvertegenwoordigende organen en van de regering te bepalen.

4.3 De Staat heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.4 De kantonrechter heeft in het beroepen vonnis het door de Stichting e.a. gevorderde toegewezen, de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 (S.B. 2025 no. 26) tijdens de stembusgang op 25 mei 2025 opgeschort totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid daarvan is komen vast te staan en de Staat veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van de Stichting e.a.

5. De vordering, de grieven en het verweer in hoger beroep
5.1 De Staat heeft twee grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis, geconcludeerd om dat vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende in kort geding, de vordering van de Stichting e.a. af te wijzen.

5.2 De Stichting e.a. hebben verweer gevoerd en geconcludeerd om het beroepen vonnis te bevestigen.

5.3 Op de standpunten van partijen zal het Hof hierna, voor zover van belang, ingaan.

6. De beoordeling
6.1 De Staat heeft allereerst als grief, zakelijk weergegeven, opgeworpen dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging (r.o) 4.3 heeft overwogen dat artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 niet rechtsgeldig is, aangezien dit artikel ook ten aanzien van artikel 102 van de Kiesregeling een uitvoeringsbesluit zou betreffen. Volgens de Staat dient het Kiesbesluit 2025 te worden aangemerkt als een zelfstandig besluit ter zake een onderwerp dat niet aan de wet is voorbehouden, zoals is aangegeven in het Staatsbesluit van 1996 no. 54 (Besluit Vormgeving Wettelijke Regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten). Indien de opschorting van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 in stand blijft, zal het bepaalde in het Kiesbesluit van 2020 onverkort gelden, aldus de Staat.

6.2 De Stichting e.a. voeren tegen deze grief aan dat de Staat een evident verkeerde rechtsopvatting heeft en wel dat artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 een onderwerp behelst dat niet aan de wet is voorbehouden en dat dit uit artikel 102 van de Kiesregeling zou voortvloeien. Uit de aanhef van het Kiesbesluit 2025 blijkt, volgens de Stichting e.a., dat dit staatsbesluit een uitvoeringsbesluit betreft en er dus niet toe dient om een niet aan de wet voorbehouden onderwerp te regelen. Voorts voeren de Stichting e.a. aan dat uit de redactie van artikel 102 van de Kiesregeling duidelijk valt af te leiden dat de wetgever geen regelgevende bevoegdheden heeft gedelegeerd aan de regering om dit artikel krachtens een staatsbesluit nader te regelen. Om deze reden, aldus de Stichting e.a., kan dit artikel alleen bij een wet in formele zin worden gewijzigd dan wel nader worden uitgewerkt. De Stichting e.a. betwisten dat het bepaalde in het Kiesbesluit van 2020 zal gelden, nu artikel 45 van het Kiesbesluit 2025 uitdrukkelijk aangeeft dat het Kiesbesluit van 2020 wordt ingetrokken bij de inwerkingtreding van het Kiesbesluit van 2025. Tenslotte voeren de Stichting e.a. aan dat de wettelijke grondslag voor artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 ontbreekt, nu de bevoegdheid om bij staatsbesluit nadere regels vast te stellen niet is opgenomen in artikel 102 van de Kiesregeling.

6.3 Het Hof constateert dat in de aanhef van het Kiesbesluit 2025 is vermeld dat het betreffend staatsbesluit inhoudt regels ter uitvoering van de Kiesregeling. Uit artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 is naar dezerzijds oordeel aannemelijk te achten dat het betreft een uitwerking van hetgeen in artikel 102 van de Kiesregeling is vermeld. Tijdens de gehouden comparitie van partijen is dit ook van de zijde van de Staat verklaard. Van een zelfstandig besluit is derhalve naar dezerzijds voorlopig oordeel geen sprake. Evenmin is sprake van een besluit waarin een onderwerp is geregeld, dat niet is voorbehouden aan de wet; indien zulks het geval zou zijn zou immers artikel 102 van de Kiesregeling een overbodige bepaling betreffen. Uit de structuur van de Kiesregeling blijkt daarnaast dat, waar dat nodig werd geacht, een expliciete delegatie van de regelgevende bevoegdheid heeft plaatsgehad. Daarvan is evenwel ten aanzien van artikel 102 van de Kiesregeling geen sprake. Gelijk door de Stichting e.a. is aangevoerd, dient derhalve de eventuele uitwerking van dit artikel bij of krachtens wet te geschieden. De Staat heeft voorts bij memorie van grieven gesteld dat bij opschorting van het in artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 bepaalde, het Staatsbesluit van 2020 (S.B. 2020 no. 63) onverkort zal gelden. Het Hof constateert dat in artikel 45 van het Kiesbesluit 2025 is bepaald dat met de inwerkingtreding van dit besluit, het kiesbesluit van S.B. 1987 no. 82 zoals laatstelijk is gewijzigd bij S.B. 2020 no. 63, wordt ingetrokken. Het bij S.B. 2020 no. 63 bepaalde geldt dus niet langer.
In zoverre faalt deze grief van de Staat.

6.4 De Staat stelt verder als grief, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter in r.o. 4.7 zich ten onrechte alleen maar heeft toegespitst op de grondrechten van de kiezers met een lichamelijke beperking en daarbij de grondrechten van alle Surinamers c.q. kiezers op vrije en integere verkiezingen heeft genegeerd. Volgens de Staat is er enerzijds het recht van de hulpbehoevende om in vrijheid en in het geheim zijn stem uit te brengen en anderzijds het recht van elke Surinamer dat zij deelnemen aan vrije verkiezingen waarbij de integriteit van de verkiezingen gewaarborgd is. De Staat stelt dat het OKB in het jaar 2019 heeft aangegeven dat tijdens de voorgaande verkiezingen is waargenomen dat de begeleiders van de groep lichamelijk hulpbehoevenden grote beïnvloeding op deze groep uitoefenden bij het uitbrengen van hun stem en dat daardoor vraagtekens geplaatst moesten worden bij het in vrijheid uitbrengen van de stem door lichamelijk hulpbehoevenden. Op grond hiervan is voorafgaand aan de verkiezingen van 2020 de wijze van het verlenen van bijstand tijdens het stemmen geregeld. Echter is deze regeling niet meer uitgevoerd, daar er toen sprake was van de COVID-19 pandemie. De Staat stelt dat hij met artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 algemene uniforme transparante richtlijnen heeft willen vaststellen, teneinde te bevorderen dat het uitbrengen van de stem door de lichamelijk hulpbehoevenden in vrijheid geschiedt. De hulpbehoevende kiezers zijn, aldus de Staat, zonder deze richtlijnen op grond van artikel 102 van de Kiesregeling op dit punt overgeleverd aan de subjectieve inzichten van de stembureauvoorzitter. Het is dan mogelijk dat elk stembureau zijn eigen regels zal hanteren ten aanzien van bijstand en begeleiding. De Staat stelt verder dat er voor deze regeling is gekozen om de verkiezingen een richtig verloop te doen hebben. Het algemeen belang zal dan ook moeten prevaleren boven het belang van een hulpbehoevende. De Staat stelt tenslotte dat er geen sprake is van enige discriminatie en evenmin dat de fysieke, psychische en morele integriteit van de lichamelijk beperkte kiezer in het geding is.

6.5 De Stichting e.a. voeren aan dat de Staat ten onrechte ervan uitgaat dat er een spanningsveld is tussen het vrije en het geheime karakter van de verkiezingen en het stemrecht van de hulpbehoevende kiezer. Het standpunt van de Staat is gebaseerd op vermoedens die geuit zijn door het OKB van mogelijke beïnvloeding van bij het uitbrengen van de stem door lichamelijk hulpbehoevende kiezers. Deze vermoedens van het OKB zijn niet nader door de Staat onderzocht en gevalideerd bij de direct belanghebbende kiezers die lichamelijk hulpbehoevend zijn. De Staat heeft ook niet met de doelgroep afgetast welke maatregelen getroffen zouden kunnen worden, die proportioneel en voldoende effectief zijn om zowel het vrije als het geheime karakter van hun stemrecht te waarborgen. De Stichting e.a. voeren aan dat de maatregel van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 zwaar stigmatiserend is voor de ondersteuningssystemen van de personen die lichamelijk hulpbehoevend zijn en de goede verstandhouding met privé vertrouwensrelaties ondermijnt. De Staat gaat voorbij aan het feit dat de lichamelijk hulpbehoevende kiezer recht heeft op vrije en geheime verkiezingen. Door alleen het accent te leggen op het vrije karakter van de verkiezingen, veronachtzaamt de Staat het recht op het geheime karakter voor de lichamelijk hulpbehoevende kiezer. Artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 brengt mee, volgens de Stichting e.a., dat de lichamelijk hulpbehoevende kiezer naast zijn vertrouwenspersoon, ook een vreemde persoon moet dulden, hetgeen inbreuk maakt op het in artikel 52 van de Grondwet neergelegd recht op geheime verkiezingen. De Stichting e.a. betwisten dat zij bij opschorting van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 overgeleverd zullen worden aan de persoonlijke inzichten van een stembureauvoorzitter, nu artikel 102 van de Kiesregeling voldoende duidelijk moet worden geacht. Artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 is daarnaast, volgens de Stichting e.a., ook in strijd met artikel 29 van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

6.6 Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief het volgende. De vraag die thans moet worden beantwoord, is of artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 kan worden geschorst dan wel kan worden opgeschort. Artikel 80 lid 2 van de Grondwet geeft aan dat wetten onschendbaar zijn, behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144 lid 2. Artikel 137 van de Grondwet geeft aan dat indien de rechter in een concreet aan hem voorgelegd geval de toepassing van een bepaling van een wet strijdig oordeelt met een of meer in hoofdstuk 5 genoemde grondrechten, hij de toepassing van deze bepalingen voor dat geval ongeoorloofd verklaart. De Grondwet bepaalt in artikel 52 lid 2 dat de politieke democratie (lees: de Staat) voorwaarden moet scheppen voor deelname van het volk aan de vrije en geheime verkiezingen ter samenstelling van onder meer de volksvertegenwoordigende organen. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechter geen bevoegdheid van de wetgever gehad om een wettelijke bepaling, met inbegrip van een staatsbesluit inhoudende algemeen burgers verbindende bepalingen, te schorsen dan wel op te schorten. Op grond hiervan kan het beroepen vonnis dan ook geen stand houden.

Het Hof overweegt verder dat, gelijk door de Stichting e.a. is aangevoerd, de uitvoering van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 het recht aan de lichamelijk hulpbehoevenden zal ontnemen om zelf te bepalen op welke wijze zij hun recht op geheime verkiezingen prijs wensen te geven en wie zij als vertrouwenspersoon wensen toe te laten. Daarnaast wordt overwogen dat artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tevens in strijd is met de bepalingen van artikel 29 van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In dit artikel is bepaald dat staten die partij zijn bij dit verdrag garanderen dat personen met een handicap politieke rechten op voet van gelijkheid met anderen uit kunnen oefenen en dat de staten zich onder meer verplichten tot bescherming van personen met een handicap zodat zij in het geheim hun stem uit kunnen brengen bij verkiezingen zonder intimidatie en de vrije wilsuiting van personen met een handicap als kiezer te waarborgen en daartoe, waar nodig, op hun verzoek ondersteuning toe te staan bij het uitbrengen van hun stem door een persoon van hun eigen keuze. Hieruit volgt dat degene die een persoon met een handicap assisteert bij het uitbrengen van hun stem, door betrokkene zelf dient te worden gekozen.
Artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 schrijft imperatief voor dat de lichamelijk hulpbehoevende kiezer wordt geassisteerd door een door de voorzitter van het stembureau aangewezen plaatsvervangend lid van het stembureau, die ook degene is die het stembiljet moet inkleuren. Daarnaast bepaalt artikel 103 van de Kiesregeling dat, indien een stemgerechtigde niet meewerkt aan de instructies of voorschriften van het stembureau, betrokkene wordt uitgesloten van de stemming. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de hulpbehoevende kiezer niet geheel vrij is in het bepalen van zijn keuze met betrekking tot de hulpverlener. Dit staat op gespannen voet met artikel 29 van het eerdergenoemd VN verdrag. Het Hof overweegt dat deze verdragsbepaling, alhoewel het geen rechtstreekse werking heeft, het wel gelding vindt via het internationaal gewoonterecht.
Naar het voorlopig oordeel van het Hof maakt artikel 27 van het Kiesbesluit 2025, zoals thans geformuleerd, inbreuk op de grondrechten van de lichamelijk hulpbehoevende kiezers en wel de grondrechten vermeld in artikel 8 lid 2 en 9 lid 1 van de Grondwet.
De grief van de Staat die hierop betrekking heeft, faalt derhalve.
Het Hof zal de toepassing van dit artikel bij de stembusgang van 25 mei 2025 dan ook ingevolge het bepaalde in artikel 137 van de Grondwet ongeoorloofd verklaren ten aanzien van de lichamelijk hulpbehoevende stemgerechtigden, waaronder Koendjbiharie.

6.7 Op grond van al het voorgaande zal het vonnis, waarvan beroep, worden vernietigd. De bespreking van de overige stellingen en weren van partijen wordt overbodig geacht, nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden. De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in eerste aanleg en in hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten als na te melden.

7. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
7.1 vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken tussen partijen op 20 mei 2025 bekend onder CIVAR. no. 202501808, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:
7.2 verklaart de toepassing van artikel 27 van het Staatsbesluit van 17 februari 2025, houdende regels ter uitvoering van de Kiesregeling (SB 2025 no. 26) tijdens de stembusgang van 25 mei 2025 ongeoorloofd ten aanzien van de lichamelijk hulpbehoevende kiezers, waaronder Koendjbiharie;

7.3 Veroordeelt de Staat in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van de Stichting e.a. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 6.110,- (zesduizend honderdtien Surinaamse dollar) aan verschotten en SRD.15.000,- (vijftienduizend Surinaamse dollar) aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. J.M. Jensen, leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van donderdag 22 mei 2025 in tegenwoordigheid van R. Dewkali LL.B., Fungerend-Griffier.

SRU-K1-2025-6

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202501592
30 april 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

VERENIGING FEDERATIE VAN PARA PLANTAGES, gevestigd te Paramaribo,
hierna te noemen: “FPP”,
gemachtigden: mrs. D.M. Peterhof en M.A. Castelen, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “de staat”,
gemachtigden: mrs. A.R. Baarh en N.A.S. Ramnarain, advocaten.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • de verzoekschriften welke met producties op 22 april 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 29 april 2025;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de pleitnota van de FPP;
  • het mondeling pleidooi van de staat;
  • de aantekeningen van de griffier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Op 24 augustus 2024 is in De Nationale Assemblee goedgekeurd het Nieuw Burgerlijk Wetboek van Suriname welke gepubliceerd is in het Staatsblad van de Republiek Suriname 2024 no. 164.

2.2 Bij resolutie no. 2909/25 de dato 06 februari 2025 is het Nieuw Burgerlijk Wetboek bekrachtigd en is de datum van inwerkingtreding gesteld op 01 mei 2025.

2.3 De FPP heeft bij brief de dato 27 maart 2025 aan de President van de Republiek kenbaar gemaakt dat zij bezwaar heeft tegen de inwerkingtreding op 01 mei 2025 van afdeling 4, titel 7, boek 3 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, omdat zij van oordeel is dat de Para plantages, het communaal eigendom van de nazaten van de eigenaren van de plantages doorkruist.

2.4 De FPP heeft, bij exploot no. 122 de dato 10 april 2025 van deurwaarder N.M. Linger, aan de President van de Republiek betekend de brief de dato 09 april 2025 waarin zij de President van de Republiek wederom aanzegt om de inwerkingtreding van afdeling 4, titel 7, boek 3 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 FPP vordert dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. schorst c.q. opschort de inwerkingtreding op 01 mei 2025 van de artikelen 200a tot en met 200i van afdeling 4 titel 7 van boek 3 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, totdat zij, zijnde de direct belanghebbende bij de artikelen 200a tot en met 200i, deugdelijk zijn geconsulteerd door de regering en De Nationale Assemblee, terzake de reikwijdte van de artikelen, het effect op het communaal grondbezit van onder andere de Para Plantages en het uitzonderen van de boedelplantages voor wat de toepassing van deze artikelen van het Nieuw Burgerlijk Wetboek betreft.
b. Gelast dat de staat binnen 24 (vierentwintig) uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de inwerkingtreding van de artikelen 200a tot en met 200i van afdeling 4 titel 7 boek 3 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, aanhoudt.
c. De staat veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere uur dat de staat in gebreke blijft om te voldoen aan wat onder a en b is gevorderd, met een maximum van SRD 10.000.000, – (tienmiljoen Surinaamse dollar).
d. De staat veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 FPP legt aan haar vordering ten grondslag dat de wetgever haar niet heeft geconsulteerd, alvorens zij tot goedkeuring van de artikelen 200a tot en met 200i van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is overgegaan.

3.3 De staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 De staat stelt dat de FPP geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, omdat zij sedert 2022 op de hoogte is van het ontwerp Nieuw Burgerlijk Wetboek en dat het ontwerp Nieuw Burgerlijk Wetboek op 24 augustus 2024 is goedgekeurd, maar dat de FPP na bijkans 4,5 (viereneenhalf) jaar heeft gemeend om deze vordering in te stellen. De kantonrechter gaat voorbij aan deze stelling van de staat, omdat het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van de FPP.

4.2 FPP stelt, zakelijk weergegeven, dat de artikelen 200a tot en met 200i afdeling 4, titel 7 van boek 3 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek ziet op de langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen als gevolg waarvan de Para en Coronie plantages vallen binnen de reikwijdte van de artikelen 200a tot en met 200i van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Dat de plantages kort na 1873 zijn gekocht en in eigendom zijn verkregen door de vrijgekomen tot slaaf gemaakten. Door de eeuwen heen zijn deze plantages beheerd als communaal eigendom en daardoor onverdeeld gebleven. Dat tegen die achtergrond er geen sprake is van een boedelprobleem van de plantages in de districten Para en Coronie. Dat zij haar standpunt in 2022 publiekelijk kenbaar heeft gemaakt. Dat de wetgever bij het formuleren van de artikelen 200a tot en met 200i van het Nieuw Burgerlijk Wetboek geen rekening daarmee heeft gehouden en haar ook niet heeft geconsulteerd. Dat de artikelen 200a tot en met 200i van het Nieuw Burgerlijk Wetboek het communaal grondbezit van de nazaten van de Para plantages bedreigen. Dat het collectief eigendomsrecht geen beletsel vormt voor de ontwikkeling van de plantages. Dat het niet erkennen van het collectief eigendomsrecht in strijd is met het Inter-Amerikaans verdrag voor de rechten van de mens. Dat zij om die reden bij brief de dato 27 maart 2025 bezwaar heeft gemaakt bij de President van de Republiek Suriname met het verzoek om de inwerkingtreding van de artikelen 200a tot en met 200i van het nieuw Burgerlijk Wetboek aan te houden totdat deze zodanig zijn aangepast dat de Para plantages buiten het bereik vallen van deze bepalingen. Dat zij tot nog toe geen reactie hebben ontvangen op hun verzoek, reden waarom zij de kort geding rechter hebben benaderd voor een voorlopige voorziening.

De staat stelt, zakelijk weergegeven, dat de totstandkoming van het Nieuw Burgerlijk Wetboek op grond van artikel 70 van de Grondwet een taak is van De Nationale Assemblee en de regering. Het concept Nieuw Burgerlijk Wetboek is op 24 augustus 2024 door De Nationale Assemblee goedgekeurd. De President heeft bij resolutie no. 2909/25 de dato 06 februari 2025 (S.B. 2025 no. 14) de Wet inhoudende het Nieuw Burgerlijk Wetboek bekrachtigd en is de inwerkingtreding bepaald op 01 mei 2025. Dat onjuist is de opvatting dat vanaf 01 mei 2025 er geen sprake meer zou zijn van boedelgronden. Dat op grond van artikel 77 lid 2 van de Grondwet de President van de Republiek slechts bevoegd is om wetsontwerpen in te trekken zolang De Nationale Assemblee daarover nog niet heeft beslist. Dat op grond van artikel 80 lid 1 en 2 van de Grondwet het Nieuw Burgerlijk Wetboek door haar goedkeuring door De Nationale Assemblee gevolgd door haar bekrachtiging door de President van de Republiek de kracht van wet heeft verkregen en derhalve onschendbaar. Dat ten aanzien van het door de FPP gevorderde er een toetsingsverbod bestaat voor de rechter in kort geding.

4.3 De kantonrechter stelt voorop dat, ten principale hier aan de orde is een staatsrechtelijk vraagstuk of de rechter de wetgever een bevel kan geven tot het niet in werking doen treden of intrekking van een wet. De rechter is aan rechtsregels onderworpen. Hij dient voor de beslechting van het geschil o.a. te toetsen aan de wet. Artikel 12 en 13 van de Wet algemene bepalingen regelt de relatie tussen rechter en wetgever. Deze artikelen beogen te verhinderen dat rechter en wetgever op elkaars terrein komen. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen (artikel 134 lid 1 Grondwet). Binnen die taakstelling en bevoegdheid dient de rechter te oordelen. Op grond van artikel 80 lid 1 van de Grondwet heeft het Nieuw Burgerlijk Wetboek door haar goedkeuring door De Nationale Assemblee gevolgd door haar bekrachtiging door de President van de Republiek verkregen de kracht van wet. Op grond van artikel 80 lid 2 van de Grondwet zijn wetten onschendbaar, wat betekend dat de rechter in kort geding de artikelen 200a tot en met 200i van het Nieuw Burgerlijk Wetboek niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Deze bevoegdheid is door de grondwetgever toegekend aan het Constitutioneel Hof. De vordering van de FPP ligt reeds daarom voor afwijzing gereed. Aan een inhoudelijke beoordeling van wat de FPP aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, wordt dus niet toegekomen. De FPP zal derhalve niet worden ontvangen in haar vordering.

4.4 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.5 De kantonrechter zal de FPP veroordelen in de kosten van het geding welke tot op heden zijn gevallen aan de zijde van de staat en begroot op SRD 7.500, – zijnde het liquidatietarief.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 verklaart de FPP niet ontvankelijk in haar vordering,

5.2 veroordeelt FPP in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de staat, welke tot op heden is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei op 30 april 2025 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-K1-2025-5

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

Civarno. 202501808
20 mei 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. DE STICHTING WAN OKASI,
gevestigd te Paramaribo,
B. KOENDJBIHARIE, ANNIEL PREDIEP,
wonende in het [district],
eisers,
gemachtigden: mr. D. M. Peterhof en mr. M. A. Castelen, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. S. Kraag, advocaat.

Partijen zullen kortheidshalve verder ook worden aangeduid als “Wan Okasi”, “Koendjbiharie” en “De Staat”.

 

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en / of handelingen:

  • het verzoekschrift dat met bijbehorende producties dat op 05 mei 2025 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord;
  • de mondelinge rolbeschikking, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 16 mei 2025.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Wan Okasi heeft ten doel de sociaal-maatschappelijke en economische positie van mensen met een beperking te bevorderen in de ruimste zin des woords.

2.2 Artikel 102 van de Wet van 29 september 1987, houdende nadere regels voor de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen in Suriname (Kiesregeling) luidt:
“Het stembureau kan toestaan dat een kiezer zich doet bijstaan, indien hij lichamelijk hulpbehoevend is”.

2.3 In een open brief d.d. 31 januari 2025 aan de regering en het Onafhankelijk Kiesbureau heeft Wan Okasi bepleit om het voornemen van De Staat om artikel 102 van de Kiesregeling nader uit te werken niet uit te voeren en alternatieven aangeboden.

2.4 In het Staatsbesluit van 17 februari 2025, houdende regels ter uitvoering van de Kiesregeling (SB 2025 no. 26) is in artikel 27 het volgende bepaald:
“1. Het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 102 van de Kiesregeling, geschiedt op verzoek van een lichamelijk hulpbehoevende kiezer.

2. De bijstand als bedoeld in lid 1, wordt verleend door een door de voorzitter van het stembureau aangewezen plaatsvervangend lid en een door de lichamelijk hulpbehoevende kiezer aangewezen persoon.

3. De verlening van de bijstand geschiedt:
a. tot het stemhokje, indien de lichamelijk hulpbehoevende kiezer in staat is de stembiljetten zelf in te kleuren, of
b. tot in het stemhokje, indien de lichamelijk hulpbehoevende kiezer niet in staat is de stembiljetten zelf in te kleuren en hiervoor hulp behoeft.

4. Bij verlening van de bijstand, als bedoeld in lid 3 onder b, worden de stembiljetten ingekleurd overeenkomstig de wil van de hulpbehoevende kiezer.

5. Indien het bepaalde in lid 3 onder b zich voordoet:
a. ziet de aangewezen persoon als bedoeld in lid 2, erop toe dat het plaatsvervangend lid de stembiljetten inkleurt overeenkomstig de wil van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer, of
b. maakt de aangewezen persoon als bedoeld in lid 2, de wil van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer kenbaar, waarna het plaatsvervangend lid dienovereenkomstig de stembiljetten inkleurt.

6. De aangewezen persoon, als bedoeld in lid 2:
a. is 18 (achttien) jaren of ouder;
b. identificeert zich met een geldig identiteitskaart, een geldig rijbewijs of een geldig paspoort,
en
c. verleent op de dag der stemming bijstand aan slechts 1 (een) lichamelijk hulpbehoevende kiezer.

7. De voorzitter van het stembureau houdt van de aangewezen persoon als bedoeld in lid 6 een lijst bij, waarop worden genoteerd:
a. de geslachtsnaam;
b. de voorna(a)m(en);
c. het adres, en
d. het identiteitskaartnummer of paspoortnummer of nummer van het rijbewijs.”

2.5 In een schrijven gedateerd 25 maart 2025, gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en de Voorzitter van het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB), heeft Wan Okasi door tussenkomst van haar procesgemachtigde, mr. M. A. Castelen, fel protest aangetekend tegen de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de aankomende algemene, vrije en geheime verkiezingen op 25 mei 2025. In dit schrijven is een dringend beroep gedaan om de toepassing van voornoemd artikel achterwege te laten.

2.6 Het OKB heeft per schrijven van 29 maart 2025 aan Wan Okasi medegedeeld dat zij de bezorgdheid van haar onder de aandacht van de wetgever zal brengen.

2.7 Per schrijven d.d. 01 april 2025 heeft Wan Okasi het OKB geïnformeerd dat haar reactie niet afdoende is, omdat deze namelijk geen betrekking heeft op de concrete vraag, terwijl het punt van geschil geen betrekking heeft op de wetgever, maar op de regering die verantwoordelijk is voor het Kiesbesluit 2025.

2.8 Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft het schrijven d.d. 29 maart 2025 onbeantwoord gelaten en het OKB heeft het schrijven d.d. 01 april 2025 eveneens onbeantwoord gelaten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer.

3.1 Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. schorsing c.q. opschorting van de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de stembusgang 2025, totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid daarvan is komen vast te staan;
B. dat De Staat wordt gelast om binnen 1 x 24 uur na kennisgeving van het te wijzen vonnis, bij Staatsbesluit het Kiesbesluit 2025 te wijzigen, zodanig dat artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 geen toepassing zal hebben op de stembusgang van 25 mei 2025;
C. dat De Staat wordt veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor ieder uur dat zij in gebreke blijft om te voldoen aan de veroordeling onder A en/of B, tot een maximum van SRD 10.000.000,-.

3.2 Eisers leggen, kort samengevat, aan hun vordering ten grondslag dat naar hun standpunt artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 niet rechtsgeldig en daarom niet toepasbaar is. Volgens eisers heeft de wetgever in de Kiesregeling in 32 concrete gevallen expliciet de bevoegdheid gegeven om bij of krachtens Staatsbesluit bepalingen of delen van bepalingen nader vast te stellen. Deze bevoegdheid is niet gegeven ten aanzien van artikel 102 van de Kiesregeling, zodat eventuele aanpassingen of nadere aanduidingen alleen bij (formele) wet kunnen worden aangebracht. Voorts is, volgens eisers, het artikel naar de inhoud in strijd met grondrechten van Surinaamse burgers, in het bijzonder die van de stemgerechtigde Surinaamse burgers die lichamelijk hulpbehoevend zijn. De leden 2 tot en met 7 van het artikel plegen een onrechtmatige inbreuk op de rechten van de doelgroep van Wan Okasi inclusief Koendjbiharie. Eisers stellen voorts dat het voorschrift dat het door de voorzitter van het stembureau aangewezen plaatsvervangend lid bijstand moet verlenen aan de lichamelijk hulpbehoevende kiezer, inbreuk maakt op het recht op fysieke, psychische en morele integriteit van de hulpbehoevende kiezer zoals erkend en toegekend door artikel 9 van de Grondwet. Het voorschrift schendt ook artikel 8 van de Grondwet te weten het recht van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer op gelijke bescherming van de persoon en goederen door niet gediscrimineerd te worden op grond van zijn/haar sociale omstandigheden of enig ander status. Tenslotte schendt, zo stellen eisers, het voorschrift artikel 52 van de Grondwet, te weten het democratisch recht van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer om middels algemene, vrije en geheime verkiezingen de samenstelling van de volksvertegenwoordigende organen en van de regering te bepalen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Als formele verweren voert zij aan dat Wan Okasi haar statuten niet heeft overgelegd, waardoor niet kan worden beoordeeld of het aanhangig maken van de rechtszaak valt binnen de reikwijdte van haar doelstellingen dan wel of hetgeen ten aanzien daarvan staat aangegeven in het overgelegd uittreksel uit het handelsregister wel juist is. Tevens wordt aangevoerd dat de correspondentie met de staatsorganen en het OKB slechts namens Wan Okasi is gevoerd en niet mede namens Koendjbiharie zoals door eisers wordt gesteld. Volgens de Staat moeten eisers op grond van het voorgaande, niet worden ontvangen in hun vordering. De inhoudelijke verweren van De Staat zijn als volgt. De Staat voert aan dat ook zaken waarvan niet nadrukkelijk bij wet is bepaald dat die nader bij staatsbesluit moeten worden geregeld, maar die wel noodzakelijk zijn, bij staatsbesluit kunnen worden geregeld. Volgens De Staat laat de redactie van artikel 102 van de Kiesregeling heel veel ruimte voor onduidelijkheid en/of subjectieve invulling ten aanzien van onder welke omstandigheden iemand als hulpbehoevend moet worden aangemerkt en hoe de bijstand aan de hulpbehoevende kiezer eruit moet zien. Artikel 27 van het Kiesbesluit is ook mede ingegeven door het bepaalde in artikel 2 lid 4a Kiesregeling waar is gesteld dat het OKB toeziet dat er zoveel mogelijk uniforme instructies met betrekking tot het optreden van de onderscheidende stembureaus in de kiesdistricten wordt gegeven en dat de stembureaus op de dag der stemming op voorgeschreven wijze hun werkzaamheden verrichten. Volgens De Staat leert de ervaring dat bij voorgaande verkiezingen er geen eenduidigheid bestond bij de verschillende stembureaus voor wat betreft bijstand aan hulpbehoevende kiezers bij het stemmen, waardoor juist het grondrecht, namelijk het actief kiesrecht, in het gedrang kan komen. De Staat is van mening dat het niet nader regelen van bijstand van de hulpbehoevende kiezer willekeur in de hand werkt hetgeen mogelijk zelf kan leiden tot het niet kunnen uitoefenen van het kiesrecht, hetgeen juist een inbreuk zou vormen op dit grondrecht van een of meerdere lichamelijk hulpbehoevende kiezers. De Staat weerspreekt de notie van eisers dat door het bepaalde in artikel 27 van het Kiesbesluit er sprake zou zijn van discriminatie van lichamelijk hulpbehoevende kiezers en/of schending van de fysieke, psychische en morele integriteit. Bepaald is dat de bijstand in principe plaatsvindt tot het stemhokje; slechts indien de kiezer zelf aangeeft dat hij/zij ook hulp behoeft bij het inkleuren van het stembiljet wordt die daarbij ook bijgestaan. De Staat voert tot slot aan dat er volgens haar geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat Wan Okasi pas meer dan een maand na het staatsbesluit zich richt tot de Minister en wel op 25 maart 2025 en pas op 05 mei 2025 zich tot de kort geding rechter wendt, nadat er vanuit de Minister al geruime tijd geen respons is geweest op de brief d.d. 25 maart 2025. Volgens De Staat weegt het vermeend spoedeisend belang van eisers niet op tegen het algemeen belang voor het richtig en vlot verlopen van de stemming op de dag van de verkiezingen.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang van eisers vloeit voort uit de aard van het verzoek en de verkiezingsdatum, namelijk 25 mei 2025, zodat zij zullen worden ontvangen in het kort geding.

Formele verweren
4.2 De formele verweren van De Staat worden verworpen en wel om de navolgende redenen. Anders dan De Staat is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van Wan Okasi overeenkomstig haar doelstelling is, namelijk bevordering van de sociaal-maatschappelijke en en economische positie van mensen met een beperking. Het uitoefenen van hun kiesrecht conform de grondwet valt binnen de reikwijdte van dit doel. Dat de correspondentie die gevoerd is door Wan Okasi met de staatsorganen en OKB niet mede namens Koendjbiharie is gevoerd, zulks blijkt inderdaad niet uit de overgelegde correspondentie, ontneemt laatstgenoemde niet het recht om in privé mede te procederen tegen De Staat, gezien zijn directe belang hierbij.

Rechtsgeldigheid artikel 27 Kiesbesluit
4.3 In het Besluit Vormgeving Wettelijke regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten (SB 1996 no. 54) luidt artikel 3 als volgt:
“Een staatsbesluit is een besluit houdende algemeen bindende regels, ter uitvoering van een wet dan wel ter regeling van niet aan de wet voorbehouden onderwerpen, hetwelk door de President, de Staatsraad gehoord, is vastgesteld”.
Een staatsbesluit kan dus dienen ter uitvoering van een wet en is dan een uitvoeringsbesluit of ter regeling van een niet aan de wet voorgehouden onderwerp, dus een zelfstandig besluit.

Gelet op de aanhef van het staatsbesluit van 17 februari 2025, houdende regels ter uitvoering van de Kiesregeling, namelijk:
“Overwegende, dat – ter uitvoering van de Kiesregeling – het nodig is het volgende vast te stellen:”,
kan worden geconcludeerd dat dit staatsbesluit een uitvoeringsbesluit betreft. Dit blijkt tevens uit de in dit besluit genoemde artikelen van de Kiesregeling en de nadere vaststelling daarvan. Dit, met uitzondering van artikel 102 van de Kiesregeling. Hoewel in dit besluit nadere regels ten uitvoering van dit artikel zijn vastgelegd, ontbreekt, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, daarvoor een wettelijke grondslag. Dit, omdat voor dit specifiek artikel niet de bevoegdheid tot nadere vaststelling bij staatsbesluit is toegekend in de Kiesregeling. Eventuele aanpassing van dit artikel behoort derhalve bij wet te geschieden.

4.4 De vraag die tevens moet worden beantwoord is of de nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit in strijd is met de artikelen 8, 9 en 52 van de Grondwet en artikel 29 van het internationaal verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking zoals door eisers is gesteld. Voor de beantwoording van deze vraag moet worden gekeken naar de inhoud van voornoemd artikel in het Kiesbesluit en de toetsing daarvan aan de Grondwet en het Verdrag.

4.5 De artikelen 8, 9 en 52 van de Grondwet luiden als volgt:
“Artikel 8
1. Allen die zich op het grondgebied van Suriname bevinden hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.
2. Niemand mag op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enige andere status gediscrimineerd worden.

Artikel 9
Een ieder heeft recht op fysieke, psychische en morele integriteit.

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, vernederende of onmenselijke behandeling of straf.

Artikel 52
1. De politieke macht berust bij het volk en wordt uitgeoefend in overeenstemming met de Grondwet.
2. De politieke democratie kenmerkt zich door participatie en representatie van het Surinaamse volk, welke tot uitdrukking komen door de deelname van het volk aan het vaststellen van een democratisch politiek stelsel, alsmede door deelname in wetgeving en bestuur, gericht op het handhaven en uitbouwen van dit stelsel. De politieke democratie schept voorts de voorwaarden voor deelname van het volk aan algemene, vrije en geheime verkiezingen ter samenstelling van de volksvertegenwoordigende organen en van de Regering.
3. De verantwoordingsplicht ten opzichte van het volk en controle op het overheidshandelen door organen die daartoe zijn ingesteld en het terugroeprecht ten aanzien van gekozen volksvertegenwoordigers zijn waarborg voor een waarachtige democratie.”

4.6 Artikel 29 van het verdrag inzake mensen met een beperking luidt als volgt:
“De Staten die Partij zijn garanderen personen met een handicap politieke rechten en de mogelijkheid deze op voet van gelijkheid met anderen te genieten, en verplichten zich:
a. te waarborgen dat personen met een handicap effectief en ten volle kunnen participeren in het politieke en openbare leven, hetzij rechtstreeks, hetzij via in vrijheid gekozen vertegenwoordigers, met inbegrip van het recht, en de gelegenheid, voor personen met een handicap hun stem uit te brengen en gekozen te worden, onder andere door:
i. te waarborgen dat de stemprocedures, -faciliteiten en voorzieningen adequaat, toegankelijk en gemakkelijk te begrijpen en te gebruiken zijn;
ii. het recht van personen met een handicap te beschermen om in het geheim hun stem uit te brengen bij verkiezingen en publieksreferenda zonder intimidatie en om zich verkiesbaar te stellen, op alle niveaus van de overheid een functie te bekleden en alle openbare taken uit te oefenen, waarbij het gebruik van ondersteunende en nieuwe technologieën, indien van toepassing, wordt gefaciliteerd;
iii. de vrije wilsuiting van personen met een handicap als kiezers te waarborgen en daartoe, waar nodig, op hun verzoek ondersteuning toe te staan bij het uitbrengen van hun stem door een persoon van hun eigen keuze;
b. actief een omgeving te bevorderen waarin personen met een handicap effectief en ten volle kunnen participeren in de uitoefening van openbare functies, zonder discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen en hun participatie in publieke aangelegenheden aan te moedigen, waaronder:
i. de participatie in non-gouvernementele organisaties en verenigingen die zich bezighouden met het openbare en politieke leven in het land en in de activiteiten en het bestuur van politieke partijen;
ii. het oprichten en zich aansluiten bij organisaties van personen met een handicap die personen met een handicap vertegenwoordigen op internationaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau.”

4.7 Bij de nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit is bepaald dat een lichamelijk hulpbehoevende kiezer naast de zelf gekozen begeleider, tevens door een plaatsvervangend lid van het stembureau die door de voorzitter is aangewezen wordt begeleid. Tevens is bepaald dat, indien daartoe de behoefte bestaat, deze kiesgerechtigde tot in het stemhok kan worden bijgestaan door diens begeleider en het plaatsvervangend lid van het stembureau en dat laatstgenoemde het stembiljet inkleurt overeenkomstig de wil van de stemgerechtigde onder toezicht van diens begeleider. Deze bepaling moet, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, in strijd worden geacht met de artikelen 8, 9 en 52 van de Grondwet alsook artikel 29 van het Internationaal verdrag inzake mensen met een beperking. Dit, omdat de lichamelijk hulpbehoevende kiezer recht heeft op bescherming om in het geheim diens stem uit te brengen bij de verkiezingen. Tevens dient zijn vrije wilsuiting te worden gewaarborgd en dient ondersteuning bij het uitbrengen van zijn stem te worden toegestaan door een persoon van zijn eigen keuze. Toevoeging van een plaatsvervangend lid van het stembureau aan de begeleiding van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer moet in strijd worden geacht met de fundamentele rechten van laatstgenoemde, welke rechten dienen te prevaleren boven het belang van De Staat bij, zoals door haar is aangevoerd, integere c.q. betrouwbare verkiezingen. Hoewel het doel van De Staat bij nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit gericht is op het voorkomen van willekeur en bescherming van de hulpbehoevende kiesgerechtigde, zoals door haar verwoord, had De Staat bij de vaststelling van de nadere regelen hiertoe voldoende rekening moeten houden met de wet en de rechten van deze doelgroep zoals vastgelegd in de Grondwet en het Verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking. Consultatie van de doelgroep alvorens nadere regelen vast te stellen die betrekking hebben op de uitoefening van hun stemrecht was derhalve een noodzaak. Door zulks na te laten is onvoldoende rekening gehouden met de belangen en de kwetsbaarheid van deze doelgroep binnen de samenleving.

Conclusie
4.8 Niet alleen is, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, de nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit niet rechtsgeldig, maar de nadere vaststelling pleegt tevens inbreuk op grondrechten van de lichamelijk hulpbehoevende kiesgerechtigden. De toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de stembusgang zal derhalve worden opgeschort, totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid van dit aritkel is komen vast te staan. Met de opschorting van de toepassing van dit artikel is er geen belang bij het onder B en C gevorderde, zodat zulks zal worden geweigerd.

Proceskosten
4.9 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van eisers tot zover begroot op SRD 10.000,- (vastrecht ad SRD 50,-, oproepingskosten ad SRD 2.450,- en SRD 7.500,- , zijnde het gemachtigdensalaris).

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 schort de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 (SB 2025 no.26) tijdens de stembusgang op 25 mei 2025 op, totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid daarvan is komen vast te staan;

5.2 veroordeelt De Staat in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar);

5.3 weigert het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. D. M. Haakmat – Sniphout, ter terechtzitting van dinsdag 20 mei 2025 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2025-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00040
25 maart 2025
Vonnis
In de zaak van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE NATIONALE ONTWIKKELINGS PLATFORM (N.O.P.), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Borretstraat no. 02 unit 3 te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna: het NOP,
vertegenwoordigd door: dhr Richard Ajoebkhan Alli (voorzitter)

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna: de Staat,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 13 maart 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202500947) tussen het NOP als eiseres en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 24 maart 2025 van de Substituut-Griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat het NOP tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota, gedateerd 24 maart 2025;
  • het antwoordpleidooi, gedateerd 24 maart 2025;
  • de mondelinge conclusies van repliek en dupliek.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 Het NOP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
de Staat te veroordelen om binnen 1 uur na de uitspraak, eiseres alsnog te registreren althans te doen registreren bij het Centraal Hoofdstembureau, hierna CHS, op straffe van een dwangsom en de Staat te veroordelen in de kosten van het geding en de liquidatiekosten.

3.2 De Staat heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 13 maart 2025 de voorzieningen geweigerd en het NOP veroordeeld in de liquidatiekosten en de proceskosten.

4. De vordering, de grieven en het verweer
4.1 Het NOP is tegen het vonnis opgekomen en heeft gevorderd dat het beroepenvonnis wordt vernietigd, dat de Staat wordt veroordeeld het NOP alsnog te registreren voor deelname aan de verkiezingen en een redelijke termijn vast te stellen waarin het NOP de DNA-kandidaten kan voordragen.

De stellingen en weren van partijen in eerste aanleg
4.2 Het NOP heeft in eerste aanleg – kort samengevat – aangevoerd dat zij op 24 februari 2025 om 14.57 uur het registratieformulier ontving en dat zij daardoor pas om 15.05 uur bij het CHS was voor de indiening van de stukken. Het CHS heeft geweigerd de stukken in ontvangst te nemen. Het CHS heeft aangegeven dat de registratie is geweigerd omdat de wettelijke registratie termijn om 15.00 uur was afgesloten. De geringe overschrijding van slechts vijf minuten waren echter het gevolg van omstandigheden die buiten de macht van het NOP hebben gelegen, namelijk de late vrijgave van de essentiële documenten van de bevoegde overheidsinstanties. De strikte toepassing van de termijn is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het verbod op detournement de pouvoir, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het fair-playbeginsel.

4.3 De Staat heeft verweer gevoerd – verkort en zakelijk weergegeven – erop neerkomende, dat de in de Kiesregeling genoemde termijn voor registratie dwingend is voor geschreven en als een fatale termijn moet worden gezien, voorts dat, de Staat geen beginselen van behoorlijk bestuur danwel bepalingen van het Bupoverdrag heeft geschonden.

De beslissing van de kantonrechter in eerste aanleg in kort geding:
4.4 De kortgeding rechter in eerste aanleg heeft op 13 maart 2025 vonnis (civarnummer 202500947) bij vonnis, op daarin vermelde gronden, de gevraagde voorzieningen geweigerd en het NOP verwezen in de proceskosten.

De grief van het NOP tegen het beroepen vonnis

4.5 Het NOP heeft aangevoerd dat zij na bestudering van het vonnis in eerste aanleg tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een wezenlijke juridische omissie in de overwegingen van de kantonrechter. Naar het Hof begrijpt beroept NOP zich op overmacht. Volgens NOP is het buiten haar schuld om dat zij na 15.00 uur is gearriveerd bij het Centraal Hoofdstembureau voor het indienen van de documenten. Het NOP heeft verder aangevoerd dat het CHS en het OKB in strijd hebben gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat de documenten ongemotiveerd en onrechtmatig zijn geweigerd door het CHS. 

5. De beoordeling
5.1 Het hof overweegt dat de aanbieding tot registratie een onderdeel is van de procedure ten behoeve van de verkiezing van de leden van de volksvertegenwoordigende lichamen welke verkiezing op 25 mei 2025 zal plaatshebben. De procedure is door de wetgever aan strikte regels en termijnen gebonden om de voortgang van de procedure alsmede voor ieder gelijke en eerlijke verkiezingen te waarborgen.

5.2 Artikel 31 lid 3 van de Kiesregeling luidt alsvolgt:
“De gelegenheid tot aanbieding bestaat van de vierendertigste tot en met de negenentwintigste dag vóór de ingevolge artikel 85 lid 1 vastgestelde dag der kandidaatstelling. Registratie is mogelijk van des voormiddags 08.00 uur tot des namiddags 15.00 uur bij het Centraal Hoofdstembureau. “
In artikel 35 lid 1 onder a staat dat het Centraal Hoofdstembureau de registratie weigert indien de aanbieding niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden.

5.3 Naar het oordeel van het Hof is de in de Kiesregeling genoemde termijn een fatale termijn en dwingend voorgeschreven. In de rechtspraak is de rechtsopvatting, dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van die termijn afgeweken zou mogen worden, heersend.
Het hof sluit zich hierbij aan bij de uitspraak van 23 oktober 2006 uit de Nederlandse rechtspraak (met rechtspraaknummer ECLI:NL:RVS:2006:AZ1246) waarin is geoordeeld:

“2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 februari 2006 in zaak no. 200600750/1 (AB 2006, 73), heeft de keuze van de wetgever voor een strikte regeling in de Kieswet als achtergrond een voor ieder gelijke, eerlijke verkiezing te waarborgen. Daarom is er, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, geen ruimte voor het hoofdstembureau om in afwijking van de dwingende bepalingen van de Kieswet te beslissen.
Anders dan appellant meent, is in dit geval van een dergelijke zeer uitzonderlijke situatie geen sprake…”

5.4 Ook in het onderhavige geval van NOP is er – naar het oordeel van Hof – geen sprake van een uitzonderlijk geval. Uit het relaas van NOP en de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat appellante vanaf december 2024 doende is haar statuten in orde te maken. Gaandeweg bleek dat de naam van de partij moest worden veranderd omdat de gekozen naam veel gelijkenis vertoonde met de naam van een andere politieke partij. Zij is toen de procedure begonnen voor het wijzigen van de naam hetgeen er kennelijk uiteindelijk toe heeft geleid dat zij niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn beschikte over alle benodigde documenten. Zij meldde zich op 24 februari 2025 om 15.05 uur aan voor de registratie. Daarnaast is gebleken dat NOP toen ook nog niet beschikte over de vereiste bewijs van storting van de borgsom, omdat de borgsom nog niet was gestort. Ook indien NOP de mogelijkheid zou worden geboden om de documenten in te dienen dan nog zou dit niet kunnen omdat de documenten niet compleet waren. De stelling van NOP dat zij ter plekke een girale overmaking zou doen gaat niet op omdat vereist was een stortingsbewijs en niet een girale overmaking ter plekke.
Van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur, danwel met enig bepaling van het Bupo-verdrag is in casu geen sprake. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de politieke groepering ervoor zorg te dragen dat tijdig, in casu uiterlijk op 24 februari 2025 om 15.00 uur een verzoek in te dienen dat voldoet aan de ingevolge de Kiesregeling geldende vereisten. Deze omstandigheden vallen allemaal binnen de invloedsfeer van NOP. De gevolgen daarvan komen voor haar rekening.

5.5 Het is het hof niet gebleken van omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de Staat zich op enig moment schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen in de procedure die door het NOP is gevolgd bij de voorbereidingen om zich te registreren en dat het op enige wijze aan de Staat zou hebben gelegen dat het NOP niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn over de benodigde documenten beschikte.

5.6 Om die reden acht het hof het terecht dat het CHS heeft geweigerd om het NOP te registreren.
Het vonnis in eerste aanleg zal daarom worden bevestigd onder aanvulling van de gronden.

5.7 Het hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken, nu dat niet tot een ander oordeel zou leiden en het NOP zal worden veroordeeld in de kosten van het proces.

6. Beslissing
Het hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding van 13 maart 2025 bekend onder civarnummer 202500947, waarvan beroep onder aanvulling van de gronden.
6.2 Veroordeelt het NOP in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. nihil (nihil SURINAAMSE DOLLARS) aan verschotten en SRD.15.000,- (VIJFTIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gemachtigdensalaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 25 maart 2025 in tegenwoordigheid van mevr. S.R. ten Berge, ad-hoc Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen dhr. Richard Ajoebkhan Alli, vertegenwoordiger van appellante terwijl geïntimeerde, noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2025-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00064
20 april 2025
Vonnis in de zaak van:

A. DE POLITIEKE ORGANISATIE NATIONALE DEMOCRATISCHE PARTIJ, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
B. [appellant sub B], wonende in het district Para,
C. [appellant sub C], wonende in het district Marowijne,
D. [appellant sub D], wonende in het district Coronie,
E. [appellant sub E], wonende in het district Sipaliwini,
hierna gezamelijk te noemen: “de NDP c.s.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “de NDP, [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E]”,
gemachtigde voor allen: mr. N.U. van Dijk PG Dip CAMS AMLCA, advocaat,
appellanten in kort geding,
tegen

DE STAAT SURINAME, meer specifiek de hierna te noemen organen c.q. instituten, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
a. Het Hoofdstembureau Para, kantoorhoudende op het districtscommissariaat te Para,
b. Het Hoofdstembureau Marowijne, kantoorhoudende op het districtscommissariaat te Marowijne,
c. Het Hoofdstembureau Coronie, kantoorhoudende op het districtscommissariaat te Coronie,
d. Het Hoofdstembureau Sipaliwini, kantoorhoudende op het districtscommissariaat van Sipaliwini in Paramaribo,
e. Het Centraal Hoofdstembureau, kantoorhoudende te Paramaribo,
f. De President van de Republiek Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,
g. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigden en gevolmachtigden: I.D. Kanhai BSc., mr. A.R. Baarh en mr. N.A.S. Ramnarain, advocaten en de heer N. Eskak, directeur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
hierna te noemen: “de Staat of het Hoofdstembureau, het CHS, de President of het Ministerie van Binnenlandse Zaken”,
geïntimeerde in kort geding.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 17 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501520) tussen de NDP c.s. als eisers en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal van de substituut-griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door de NDP c.s. tegen genoemd vonnis hoger beroep is ingesteld;
• de pleitnota zijdens de NDP c.s., gedateerd 19 april 2025;
• het proces-verbaal van de mondelinge pleidooien van de gemachtigden en de vertegenwoordiger van de Staat, en de producties die zijn overgelegd tijdens de pleidooien;
• de conclusie tot uitlating over de overgelegde productie, zijdens de NDP c.s.,
• het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De NDP heeft in maart 2025 haar kandidatenlijsten op DNA-, RR- en DR-niveau ingediend, waaronder de RR- en DR-kandidatenlijsten voor de districten Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini.
Op de kandidatenlijst voor het ressort Carolina in het district Para stond [appellant sub B] vermeld. Op de kandidatenlijst voor het ressort Albina in het district Marowijne stond [appellant sub C] vermeld. Op de kandidatenlijst voor het ressort Welgelegen in het district Coronie stond [appellant sub D] vermeld. Op de kandidatenlijst voor het ressort Kabalebo in het district Sipaliwini stond [appellant sub E] vermeld.

2.2 Bij schrijven van 26 maart 2025, afkomstig van het Hoofdstembureau Para, en gericht aan het bestuur van de NDP, is aan het bestuur onder andere medegedeeld dat na onderzoek van de door de NDP ingeleverde kandidatenlijst voor leden van de ressortraad een dubbele kandidaatstelling werd geconstateerd van de persoon van [appellant sub B] omdat hij eveneens vermeld stond op de RR kandidatenlijst van de politieke partij ABOP. In het schrijven werd aan de NDP medegedeeld dat overeenkomstig artikel 66 lid 3b van de Kiesregeling [appellant sub B] van de kandidatenlijst wordt geschrapt.

2.3 Tevens is de NDP door de Hoofdstembureau’s van respectievelijk de districten Coronie, Marowijne en Sipaliwini in kennis gesteld van het feit dat na onderzoek van de door de NDP ingeleverde kandidatenlijsten is geconstateerd dat er met betrekking tot de personen van respectievelijk [appellant sub D], [appellant sub C] en [appellant sub E] sprake is van dubbele kandidaatstelling omdat zij eveneens vermeld stonden op de RR kandidatenlijsten van respectievelijk de ABOP, de Palu en de VHP. Aan de NDP is door de respectieve Hoofdstembureau’s medegedeeld dat overeenkomstig artikel 66 lid 3, dan wel artikel 81 lid 3 van de Kiesregeling de kandidaten worden geschrapt van de lijst.

2.4 Na deze mededelingen hebben [appellant sub B] en [appellant sub D] op respectievelijk 27 maart 2025 en 28 maart 2025 aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. Bij de aangifte stelden zij dat zij de bewilligingsformulieren voor de andere partij niet hadden ondertekend.

2.5 Op 28 maart 2025 heeft de NDP aan het Centraal Hoofdstembureau een schrijven gericht met betrekking tot de dubbele kandidaatstelling waarin werd aangegeven dat de handtekening op het bewilligingsformulier van de ABOP waarop zou zijn aangegeven dat [appellant sub B] bewilligt, niet zijn handtekening is. De NDP geeft in dat schrijven aan dat het een zeer dubieuze zaak betreft en de NDP doet een dringend verzoek om grondig onderzoek te gelasten en maatregelen te treffen ter correctie zodat [appellant sub B] kan worden geplaatst op de lijst van de NDP. Op dit schrijven heeft de NDP geen reactie ontvangen.

2.6 Tevens hebben [appellant sub C] en [appellant sub E] op 2 april 2025 en [appellant sub D] op 4 april 2025 aan respectievelijk het Hoofdstembureau Marowijne en de President van de Republiek een schrijven gestuurd waarin zij aangaven dat zij geenszins hebben bewilligd om op een andere lijst te staan dan de lijst van de NDP. Ook verzochten [appellant sub E] en [appellant sub D] daarbij dat zij weer op de lijst van de NDP zouden worden geplaatst.
Op deze brieven hebben [appellant sub C], [appellant sub E] en [appellant sub D] geen reactie ontvangen. Op het verzoek van [appellant sub E] en [appellant sub D] is geen beslissing genomen door de President.

2.7 Op 2 april 2025 heeft de NDP aan de President van de Republiek Suriname vier beroepschriften ingediend waarin het verzoek werd gedaan om de schrapping van de hiervoor bedoelde vier kandidaten ongedaan te maken, een diepgaand onderzoek te laten uitvoeren en de betrokken vier kandidaten de gelegenheid te geven om zijn of haar bijdrage te leveren op ressortsraadsniveau of districtsraadsniveau, dan wel om de betrokkenen weer op de kandidatenlijst te laten plaatsen.

2.8 Op de vier door de NDP ingediende verzoeken heeft de President op 11 april 2025 bij resolutie beslist. In de vier beslissingen heeft de President onder andere overwogen dat de NDP in haar beroepschrift stelt dat de kandidaten niet hebben bewilligd bij een andere politieke organisatie; dat ingevolge artikel 2 van de Kiesregeling het onderzoek van de lijsten en de beslissing over de geldigheid door het Hoofdstembureau geschiedt;
dat het Hoofdstembureau heeft geconstateerd dat de kandidaten op meer kandidatenlijsten voorkomen en ingevolge artikel 66 lid 3 onder b van de Kiesregeling de kandidaten van beide lijsten heeft geschrapt;
dat ten aanzien van de twee getekende bewilligingsverklaringen van de kandidaten een toetsing van en onderzoek van de handtekening van de kandidaten op de bewilligingsformulieren door het Hoofdstembureau, elke wettelijke grondslag mist;
dat er verder geen ondersteunende documenten ter staving van het gestelde in het beroepschrift zijn overgelegd, hetgeen voor de besluitvorming onvoldoende bewijs oplevert dat daardoor het beroep van de politieke organisatie ongegrond zal worden verklaard.
De President heeft besloten dat de beslissing van de Hoofdstembureau’s terzake het schrappen van de kandidaten wordt gehandhaafd.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 De NDP c.s. hebben bij verzoekschrift, kort gezegd en zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Bepaalt dat de schrapping van [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] van de RR-kandidatenlijst of de DR-kandidatenlijst, als niet gedaan moet worden beschouwd;
II. Schorst c.q. opschort de werking van de resoluties van de President de dato 11 april 2025 nos. 739/RP, 741/RP, 743/RP en 744/RP,
III. Schorst c.q. opschort de werking van de beslissingen van de hoofdstembureaus van Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini op hun openbare zitting van 14 april 2025 om [appellant sub B] (RR), [appellant sub C] (DR), [appellant sub D] (RR) en [appellant sub E] (DR) van de lijst voor de verkiezing van de districtsraad of de ressortraad in de districten Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini af te voeren,
IV. De Staat veroordeelt om onmiddellijk na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, genoemde kandidaten toe te laten voor deelname aan de verkiezing voor de DR of de RR in de districten Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini voor de NDP, onder verbeurte van een dwangsom,
V. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken veroordeelt om het noodzakelijk te doen of te laten doen dat de genoemde NDP kandidaten op de stembiljetten voor de verkiezing van de DR en de RR van hun respectieve districten voorkomen onder verbeurte van een dwangsom,
VI. De Staat, de hoofdstembureaus van Para, Marowijne, Coronie, Sipaliwini en de President veroordeelt om al het noodzakelijke te doen en hun medewerking te verlenen dat Binnenlandse Zaken de genoemde NDP kandidaten op de stembiljetten voor de verkiezing van de DR en de RR van hun respectieve districten voorkomen, onder verbeurte van een dwangsom,
VII. Bepaalt dat onmiddellijk na het wijzen van vonnis althans binnen een door de rechter te bepalen termijn, het vonnis door de staat op haar kosten wordt gepubliceerd in het ARS onder verbeurte van een dwangsom,
VIII. De Staat veroordeelt in de proceskosten.

De NDP c.s. hebben – kort samengevat – als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de Hoofdstembureau’s van Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini ten onrechte de genoemde kandidaten hebben geschrapt omdat zij ook voorkwamen als kandidaten op de lijst van een andere politieke partij. Immers is het gebleken dat de genoemde kandidaten niet hebben bewilligd om op een andere lijst te worden geplaatst dan de lijst van de NDP. De bewilligingen voor de andere partijen zijn valselijk opgemaakt door, zo begrijpt het hof, onbekenden. Zij hadden op grond van het voorgaande niet van de lijst van de NDP gehaald mogen worden, immers, zij hebben niet dubbel bewilligd. Zij hebben slechts bewilligd voor de NDP en niet voor de andere partijen. Zij voeren voorts aan dat het CHS en de President hun onderzoeksplicht in verband met de vervalsing, niet zijn nagekomen.

3.2 De Staat heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 april 2025 [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering en de vordering van de NDP afgewezen.

4. De vordering, de grieven en het verweer
4.1 De NDP c.s. hebben tegen het vonnis – zakelijk weergegeven – de volgende grieven aangevoerd:
1. De kantonrechter is geheel voorbij gegaan aan het feit dat de appellanten elk een eigen individueel belang hebben bij de vordering. De kantonrechter heeft de vorderingen eigendunkelijk bijeen gevoegd en ten onrechte de afzonderlijke vorderingen niet op hun eigen afzonderlijke merites beoordeeld. Daarbij heeft de kantonrechter geheel ten onrechte geoordeeld dat [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] niet het recht hebben om in persoon de vordering in te stellen. Zij hebben wel degelijk het recht om op te komen als hun passief kiesrecht hun wordt ontnomen op grond van het Grondwettelijk artikel 22. Dat recht is niet ondergeschikt aan de Kiesregeling. Ten onrechte heeft de kantonrechter in overweging 4.3 geoordeeld dat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.
2. De overweging 4.1 en 4.3 zijn innerlijk tegenstrijdig, immers, in overweging 4.1 overweegt de kantonrechter dat de eisers een spoedeisend belang hebben en in overweging 4.3 overweegt de kantonrechter dat [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] geen belang hebben bij de vordering.
3. De kantonrechter is geheel voorbij gegaan aan de verschillende grondslagen genoemd in het inleidend rekest.
Onder andere is niet ingegaan op de grond genoemd in het 4e sustenu dat aan het CHS een verzoek is gedaan om een grondig onderzoek in te stellen en maatregelen te treffen ter correctie zodat betrokkene kan worden geplaatst op de kandidatenlijst. De NDP c.s. hebben met betrekking tot dit verzoek aangevoerd dat, nu het CHS niet heeft gereageerd op het verzoek, terwijl de Hoofdstembureaus functioneren onder de verantwoordelijkheid van het CHS, de NDP c.s. erop mochten vertrouwen dat het verzoek is ingewilligd. Immers, in het bestuursrecht is het algemeen dat een besluit binnen een redelijke termijn genomen moet worden en als er geen besluit wordt genomen mag de belanghebbende er vanuit gaan dat haar verzoek is toegewezen. Aan dit beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de kantonrechter geen overweging gewijd.
4. Hetzelfde geldt voor de gronden genoemd in sustenu 5, namelijk dat het Hoofdstembureau van Marowijne gehouden was onderzoek te doen naar het feit dat aan haar kenbaar was gemaakt dat [appellant sub C] nimmer heeft bewilligd om op de lijst van OPTSU te staan. De valse handtekening kan niet worden gezien als bewilliging. Ondanks deze kennisgeving heeft het Hoofdstembureau geen onderzoek gedaan en is het Hoofdstembureau uitgegaan van dubbele bewilliging terwijl daar geen sprake van was. De schrapping is derhalve onrechtmatig. Ook op deze grond is de kantonrechter niet ingegaan.
5. Evenmin is de kantonrechter ingegaan op de grond genoemd in verband met de kandidaat [appellant sub D]. Met betrekking tot haar is aangehaald dat betrokkene aangifte heeft gedaan van vervalsing. Dat is kenbaar gemaakt aan het Hoofdstembureau. Er is derhalve geen sprake van bewilliging waardoor er geen schrapping mocht plaatsvinden op grond van dubbele bewilliging. De kantonrechter heeft die grond niet besproken.
6. Voorts is de kantonrechter niet ingegaan op de grond genoemd in het 7e sustenu, namelijk de grond dat het hoofdstembureau te Sipaliwini geen acht heeft geslagen op het feit dat aan haar te kennen is gegeven dat er geen sprake is van bewilliging voor de andere partij. Om die reden was er geen sprake van dubbele bewilliging en mocht ook niet over zijn gegaan tot schrapping.
7. Ook is de kantonrechter niet ingegaan op hetgeen door de NDP c.s. is aangevoerd met betrekking tot de twijfels die bij de NDP c.s. bestaan met betrekking tot de objectiviteit van de President als beroepsorgaan. Immers, de President is voorzitter van de VHP en heeft moeten beslissen over de kennisgeving dat er valsheid in geschrifte is gepleegd bij het opmaken van een bewilligingsformulier voor de VHP. De voorzitter vertegenwoordigd de VHP mede waardoor het beoordelen van het beroepschrift een conflicterende situatie met zich meebrengt. Ook hierop is de kantonrechter niet ingegaan.
8. Voorts is de kantonrechter niet ingegaan op hetgeen in het 9e sustenu is gesteld namelijk dat [appellant sub D] en [appellant sub E] een beroepschrift hebben ingediend bij de President en dat de President daar nimmer op heeft gereageerd. In beginsel mochten zij er daardoor vanuit gaan dat hun verzoek is gehonoreerd. Echter heeft de kantonrechter daar geen overweging aan gewijd.
9. Evenmin is de kantonrechter ingegaan op het feit dat de NDP c.s. stelden dat de resoluties van de President met betrekking tot het beroep van [appellant sub C] en [appellant sub E] geen wettelijke grondslag hebben omdat de President deze resoluties heeft gebaseerd op onjuiste wetsartikelen.
10. Uit overweging 4.5 van het vonnis kan geconcludeerd worden dat de kantonrechter het ermee eens is dat als er sprake zou zijn van vervalsing, dit zou moeten leiden tot ongeldigheid van de kandidaatstelling die gekoppeld is aan de vervalste handtekening. De kantonrechter is er echter ten onrechte aan voorbij gegaan dat het OKB publiekelijk heeft bevestigd dat er onderzoek moet worden gedaan naar hetgeen met de bewilligingsformulieren is gebeurd. De kantonrechter is er aan voorbij gegaan dat ondanks die instructie, de instanties hebben geweigerd om onderzoek te doen. De kantonrechter heeft het nalaten van de instituten ten nadele laten werken van de NDP c.s. Daarmee heeft de kantonrechter een verkeerde belangenafweging gemaakt.

4.2 Naar aanleiding van de grieven vorderen de NDP c.s. dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, het gevorderde wordt toegewezen.

De stellingen en weren van partijen
4.3 Het CHS en de hoofdstembureaus van Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini hebben gesteld dat het schrappen van de kandidaten op grond van de wet is geschiedt. De kiesregeling biedt noch het CHS, noch de stembureaus de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de vermeende vervalsing van handtekeningen van kandidaten. Het onderzoek naar handtekeningen is door de wetgever niet tot onderdeel van de procedure gemaakt. Het zijn de politieke partijen die kandidatenlijsten moeten indienen die juist zijn. Indien blijkt dat op de lijsten personen dubbel staan dan zal de wet worden toegepast. Er is geen procedure opgenomen waarbij de handtekeningen moeten worden getoetst of onderzocht door het Hoofdstembureau of het Centraal Hoofdstembureau. Daar is gezien de tijdsdruk ook geen tijd voor. Om die reden is het niet juist dat gesteld wordt dat de Hoofdstembureaus en het CHS hun taken niet naar behoren hebben vervuld.

4.4 Nu niet rechtens is komen vast te staan dat de handtekeningen vals zijn moet uitgegaan worden van dubbele bewilliging. Dat kan pas vastgesteld worden na een civiele of een strafrechtelijke onderzoeksprocedure. Binnen de verkiezingsprocedure kan zulks niet worden onderzocht of vastgesteld.
Het is niet juist dat het Centraal Hoofdstembureau iets zou moeten onderzoeken in dit geval. De Hoofdstembureau’s hebben hun eigen taken en bevoegdheden. Het Centraal Hoofdstembureau heeft niet de bevoegdheid om beslissingen te nemen over de schrapping door een Hoofdstembureau. Het CHS kan niet beslissen dat een Hoofdstembureau een schrapping ongedaan moet maken.
De politieke partijen hebben gebruik gemaakt van hun wettelijke bevoegdheid om in beroep te gaan tegen de schrapping bij de President van de Republiek.

4.5 Daarnaast voerden zij aan dat [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] de vordering niet hadden mogen indienen omdat de bevoegdheid om kandidaten voor te dragen ligt bij de politieke partijen. Het CHS heeft verder aangevoerd dat een dubbele kandidaatstelling niet wordt aangemerkt als een verzuim dat zou kunnen worden hersteld op grond van artikel 63 van de Kiesregeling. Artikel 66 van de Kiesregeling schrijft voor wat het gevolg moet zijn bij dubbele kandidaatstelling.

4.6 De President heeft aangevoerd dat een aangifte, een proces-verbaal van de aangever en perspublicaties over de vermeende valsheid, geen bewijs zijn voor de vermeende vervalsing. Met de overgelegde bewilligingsformulieren staat vast dat de betreffende personen op meer dan een lijst staan.
Verder voerde de President aan dat er geen sprake is van schending van het petitierecht, neergelegd in artikel 22 van de Grondwet, door de beslissing van de kantonrechter.
4.7 Binnenlandse zaken heeft aangevoerd dat zij niets te maken heeft met de beslissing over welke kandidaten op de verkiezingslijsten komen te staan en dat zij daardoor ten onrechte in rechte is betrokken in deze zaak.

5. De beoordeling

5.1 De NDP c.s. hebben tijdig hoger beroep aangetekend en zijn dan ook ontvankelijk in hun hoger beroep.

5.2 De eerste grief: de ontvankelijkheid van [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E].
Het Hof overweegt dat, gelijk de appellanten stellen, in artikel 22 van de Grondwet het recht is neergelegd voor iedere burger om verzoeken in te dienen bij een bevoegd gezag. Het standpunt dat de appellanten dat niet zouden mogen doen als het een kwestie betreft de Kiesregeling aangaande, en dat slechts een politieke partij een vordering in verband met de Kiesregeling zou mogen indienen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, het passief kiesrecht, dat in casu aan de orde is, komt de appellanten toe en, indien zij van mening zijn dat hun recht wordt geschonden, zouden zij daaromtrent een vordering moeten kunnen instellen bij de onafhankelijke rechter.
Die grief is dan ook gegrond.
[appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] zijn ontvankelijk in hun vordering.

5.3 De tweede grief heeft verband met de eerste grief. Appellanten stellen terecht dat in 4.1 is opgemerkt dat zij belang hebben bij het gevorderde. De overweging van de kantonrechter in 4.3 dat zij geen verzoek zouden mogen indienen, getuigt, zoals hierboven reeds overwogen, van een verkeerde rechtsopvatting. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van tegenstrijdigheid omdat het spoedeisend belang wordt getoetst in verband met het verlenen van rechtsingang in kort geding teneinde een beslissing te verkrijgen van de rechter omtrent een geschil tussen partijen. Deze beslissing is een andere dan de beslissing neergelegd in 4.3 met betrekking tot de vraag of betrokken kandidaten de vordering hadden mogen indienen.

5.4 De derde grief klaagt erover dat er niet is geoordeeld over de grond genoemd in het 4e sustenu van het verzoekschrift door de NDP c.s., namelijk dat verzoeker, [appellant sub B], erop mocht vertrouwen dat het verzoek is toegewezen omdat er niet is gereageerd op zijn verzoek aan het CHS.
De Staat heeft hierop tijdens de comparitie van partijen aangevoerd dat samen met de verzoeken en beroepschriften van de kandidaten het verzoek en de beroepschriften van de NDP als politieke organisatie, zijn ontvangen. De beroepsschriften van de NDP betreffen alle vier kandidaten. Op die beroepsschriften is beslist op 11 april 2025. Hierdoor wisten alle partijen wat de beslissing was.
Het Hof is van oordeel dat, alhoewel het juister was geweest als schriftelijk was gereageerd op de verzoeken en beroepsschriften van de individuele kandidaten, het feit dat op het beroepsschrift van de NDP is beslist inderdaad voldoende duidelijkheid bood, ook aan de individuele kandidaten. Het Hof deelt daarnaast de visie van de appellanten dat door het niet individueel beslissen over hun verzoek tot gevolg heeft dat hun verzoek stilzwijgend is goedgekeurd niet, omdat het geen steun vindt in het recht. Integendeel is het in het bestuursrecht gangbaar dat indien op verzoeken aan het bestuur niet wordt geantwoord dat beschouwd mag worden als een fictieve weigering.

5.5 In de vierde, vijfde en zesde grief klagen appellanten dat niet is geoordeeld over de grond aangevoerd in het 5e, 6e en 7e sustenu van het verzoekschrift dat het Hoofdstembureau niet had mogen schrappen als er een beroep werd gedaan op een vals bewilligingsformulier.
Het Hof oordeelt over die grond alsvolgt.
Gelijk is aangevoerd door de Hoofdstembureau’s biedt de wet geen ruimte voor het Hoofdstembureau om onderzoek te doen naar de geldigheid van een handtekening. De politieke partijen moeten de lijsten indienen. Het Hoofdstembureau moet controleren of de lijsten voldoen aan de wet. De wet heeft de verzuimen limitatief opgesomd. Ook is bepaald dat bij dubbele kandidaatstelling geschrapt moet worden. Hoe de dubbele kandidaatstelling tot stand is gekomen kan niet worden onderzocht. Daar is geen procedure voor opgenomen in de bepalingen met betrekking tot de Hoofdstembureau’s, en dat zou vooral bij een beroep op vervalsing ook niet kunnen worden onderzocht door het Hoofdstembureau.
Om die reden acht het Hof het niet juist als gesteld wordt dat het Hoofdstembureau na de melding van de vermeende vervalsing onderzoek had moeten plegen. Immers de Kiersregeling schrijft een dergelijk onderzoek niet voor.
Het Hof verwerpt daarom ook deze grieven.

5.6 Ten aanzien van de zevende grief overweegt het Hof dat de wettelijke beroepsprocedure gevolgd is. Dat is de juiste procedure. Aan het feit dat de President van de Republiek is aangewezen als de beroepsinstantie in de Kiesregeling kan niet voorbij gegaan worden.
Eventuele vraagstukken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de beroepsinstantie zullen, nu de procedures bij wet zijn vastgesteld, door een persoon of rechtspersoon die daaromtrent iets aan de orde zou willen stellen, aan de wetgever moeten worden voorgelegd. Van de wettelijke procedures kan niet worden afgeweken.

5.7 Ten aanzien van de achtste grief verwijst het Hof naar hetgeen is overwogen bij de derde grief. De achtste grief wordt hiermee ook verworpen.

5.8 Ten aanzien van de negende grief overweegt het Hof dat appellanten zich erop beroepen dat in de resoluties van de President met betrekking tot de appellanten [appellant sub C] en [appellant sub E] verkeerde artikelen zijn genoemd.
Er is door de President ten aanzien van alle vier verzoekers een beslissing genomen op grond van artikel 66 lid 3 onder b terwijl het betreft kandidaatstelling van zowel ressortraadsleden als distriktsraadsleden en behalve art 66 lid 3 onder b ook artikel 81 lid 3 van de kiesregeling aan de orde is.
Echter blijkt uit de redactie van de overwegingen voldoende wat de President als beroepsorgaan beslist heeft. Er zijn dan ook geen redenen om te stellen dat die besluiten geen wettelijke grondslag hebben.
Ook deze grief zal worden verworpen.

5.9 In de tiende grief klagen appellanten over het feit dat de kantonrechter geen goede belangenafweging heeft gemaakt door voorbij te gaan aan het feit dat de instituten, waaronder de President, geen onderzoek hebben gedaan naar de genoemde vervalsing.
Het Hof overweegt met betrekking tot deze – grief als volgt.
Het Hof heeft partijen gehoord met betrekking tot de vermeende vervalsing.
De NDP c.s. stellen dat de vier bewilligingsformulieren van respectievelijk [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] voor de partijen ABOP, OPTSU, ABOP en de VHP door misbruik van de persoonsgegevens van deze vier kandidaten door onbekenden zijn opgemaakt en door onbekenden zijn ondertekend, hetgeen neerkomt op valsheid in geschrifte.
Nu eerst diepgaand onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de vraag of er werkelijk sprake is geweest van het vervalsen van de handtekeningen, is het niet mogelijk er thans van uit te gaan dat het vast staat dat er sprake is van het vervalsen van de handtekeningen. Het volgen van de wettelijke procedures door de instituten en het op grond daarvan schrappen van appellanten van de lijsten is daarom niet als onrechtmatig aan te merken. Het kort geding leent zich, gelet op haar aard niet voor diepgaand onderzoek zoals onderhavige zaak vergt.
Hof is van oordeel dat de NDP c.s. in dit kort geding niet aannemelijk hebben kunnen maken dat de Hoofdstembureau’s onrechtmatig hebben gehandeld door het schrappen van de kandidaten op grond van de wetsartikelen. Zij hebben ook niet aannemelijk kunnen maken dat de President onrechtmatig heeft gehandeld door het besluit te nemen zoals verwoord in de resoluties.
De kantonrechter heeft naar het oordeel van het hof terecht de vorderingen afgewezen.

5.10 Het Hof zal het vonnis van de kantonrechter voor wat betreft de niet-ontvankelijkheid van [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] vernietigen.

5.11 Voor wat betreft het dictum onder 5.2 van het vonnis zal het vonnis bevestigd worden onder aanvulling van gronden.

5.12 Het Hof oordeelt met betrekking tot de kosten van het geding dat deze zaak is ingesteld tegen de Staat als tegenpartij waarbij verschillende organen van de Staat zijn genoemd in de aanhef van het inleidend verzoekschrift. Het Hof zal daardoor de appellanten verwijzen in de proceskosten van de Staat nu zij merendeels in het ongelijk zijn gesteld. Het vonnis in eerste aanleg zal daarom ook voor wat betreft de kostenveroordeling worden vernietigd.

5.13 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

6. Beslissing
Het hof:
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding van 17 april 2025 in de zaak van partijen bekend onder civarnummer 202501520 voor wat betreft de beslissing vermeld in het dictum onder 5.1 en 5.3;

en opnieuw rechtdoende:

6.2 Verklaart [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] ontvankelijk in hun vordering;

6.3 Bevestigt voor het overige het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding van 17 april 2025 gewezen tussen partijen in de zaak bekend onder civarnummer 202501520, onder aanvulling van gronden;

6.4 Veroordeelt NDP c.s. in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.15.000,= (vijftienduizend Surinaamse dollar).

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op zondag 20 april 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.
w.g. R.S. Dewkalie w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. E.S. Fernand namens advocaat mr. N.U. van Dijk PG Dip CAMS AMLCA, gemachtigde van appellanten en mr. N.A.S. Ramnarain en mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld