SRU-HvJ-2025-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno. 2025H00071

23 april 2025

Vonnis 

in de zaak van:

De President van de Republiek Suriname, Z.E. Chandrikapersad Santokhi

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

hierna te noemen: “de President”,

appellant,

gemachtigde: mr. N. Ramnarain, advocaat,

 

tegen

 

vereniging De Nieuwe Leeuw

gevestigd te Paramaribo,

hierna te noemen: ‘DNL”,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.G.M. Tjon A Joe, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501561) tussen DNL als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en de President als gedaagde in conventie, eiser in reconventie spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door de President tegen genoemd vonnis hoger beroep is ingesteld;
  • de pleitnota zijdens de President gedateerd 22 april 2025;
  • het proces-verbaal van de mondelinge pleidooien van de gemachtigden van partijen, het informatief horen per video-call gedurende de behandeling van de zaak van de voorzitter van het Hoofdstembureau Wanica en een van de indieners dhr. Damodar Patak  en de producties die zijn overgelegd tijdens de pleidooien;

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg

3.1 DNL heeft gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad de President van de Republiek Suriname gelast c.q. gebiedt om het besluit vervat in zijn resolutie no. 708/RP de dato 10 april 2025 te heroverwegen met inachtneming van de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder verbeurte van een dwangsom van SRD.500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) voor elke dag dat de President nalaat uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.

3.2 De President heeft tegen de vordering verweer gevoerd. 

3.3 De kantonrechter heeft, verkort weergegeven, bij vonnis van 19 april 2025 in conventie – uitvoerbaar verklaard bij voorraad – gelast de plaatsing van de 14 (veertien) door DNL voorgedragen RR kandidaten op het stembiljet voor Wanica in het ressort de Nieuwe Grond voor de te houden verkiezing op 25 mei 2025, met veroordeling van de President in de proceskosten en afwijzing van het meer en anders gevorderde en in reconventie de vordering van de President afgewezen onder veroordeling van de President in de proceskosten. 

4. De beoordeling

4.1 De President heeft tijdig hoger beroep aangetekend en is dan ook ontvankelijk in dit ingestelde hoger beroep.

Grieven

4.2 Grief 1: DNL had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in eerste aanleg aangezien volgens artikel 68 van Kiesregeling niet de persoon van 

Z.E. Chandrikapersad Santokhi het beroepsinstituut is, doch het orgaan van de Staat t.w. de President van de Republiek Suriname dat is.

Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief dat zulks niet opgaat. DNL heeft onderhavige kort geding zaak aanhangig gemaakt tegen de President van de Republiek Suriname, en het is onmiskenbaar dat Z.E. Chandrikapersad Santokhi dat ambt vervuld.

4.3.1 Grief 2: Ten onrechte is door de kantonrechter in kort geding in 4.3 en 4.4 van het beroepen vonnis er van uitgegaan dat het ontvangstbewijs dat DNL heeft overgelegd het bewijs is dat de RR kandidatenlijsten van het district Wanica wel zijn ingediend. De schriftelijke indiening van de hardcopy kandidatenlijsten is leidend hetgeen ook blijkt uit de memorie van toelichting.

4.3.2 Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief als volgt.

Aan de orde is de vraag of DNL al dan niet een hardcopy kandidatenlijst voor het ressort De Nieuwe Grond in het district Wanica heeft ingediend. Ingevolge artikel 54 van de Kiesregeling dienen op de dag van de kandidaatstelling de lijsten van de kandidaten zowel schriftelijk als digitaal te worden ingeleverd. Uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel van de Kiesregeling is onder meer weergegeven “….In de wet wordt bewust éénmaal in hard kopie geëist, waarbij de ingediende hard kopie, te allen tijde, leidend is…..” en “…..Ten overvloede wordt gesteld dat indien blijkt, dat een ingediend kandidatenlijst in hard kopie en de digitale versie of kopie daarvan niet identiek zijn aan elkaar, geldt de versie in hard kopie als te zijn de authentieke versie…..”

4.3.3. De President heeft gesteld, dat rechtens niet vaststaat dat een hardcopy kandidatenlijst voor het ressort De Nieuwe Grond in het district Wanica is ingediend en heeft daartoe onder meer gesteld dat bij de indiening een ontvangstbevestiging wordt verstrekt en dat die ontvangstbevestiging “slechts” aangeeft dat de lijsten voor het district Wanica zijn ontvangen. Hieruit blijkt niet dat voor alle ressorten van het district Wanica de lijsten zijn ontvangen, aldus de President.

4.3.4 In dit hoger beroep heeft DNL onweersproken gesteld dat zij de kandidatenlijst van alle ressorten van het district Wanica digitaal heeft geüpload. Dat is ook het geval geweest met de kandidatenlijst van het ressort de Nieuwe Grond van het District Wanica. Voorts is tevens door DNL onweersproken gesteld dat zij achtentwintig stuks onderliggende fysieke documenten (waaronder hardcopy ondertekende bewilligingsformulieren) in hardcopy van de kandidaten voor het Ressort de Nieuwe Grond heeft ingediend. Deze waren met een paperclip gehecht aan de betreffende hardkopie kandidatenlijst voor ressortraadsleden van de DNL voor het ressort de Nieuwe Grond.

4.3.5 Als zijnde over en weer niet weersproken staat tussen partijen vast dat door de voorzitter van het HSB Wanica een “bewijs van ontvangst ingeleverde kandidatenlijst” is afgegeven waarbij het HSB Wanica heeft verklaard dat de politieke organisatie De Nieuwe Leeuw met verkorte aanduiding DNL ingevolge 54 lid 1 van de Kiesregeling de kandidatenlijst ten behoeve van de verkiezing van de leden van DE RESSORTRADEN heeft ingeleverd.

4.3.6 Tijdens de behandeling van de zaak op de zitting is er een videocall geweest met de voorzitter van het HSB Wanica dhr. Bholanath Narain en met één van de indieners van de kandidatenlijsten te weten dhr. Damodar Patak. Bij die gelegenheid heeft de voorzitter aangegeven de kandidatenlijsten van DNL te hebben ontvangen, doch de ingediende stukken alleen te hebben gecontroleerd op vereisten genoemd in artikel 60 van de Kiesregeling. De voorzitter heeft daarbij aangegeven dat hij niet per ressort is nagegaan of er lijsten en onderliggende documenten aanwezig waren, immers was dat niet de instructie en zou dat pas gebeuren na sluiting van de termijn van indiening in een zitting van het HSB. Naderhand is zulks wel gebeurd en in de openbare vergadering is zulks geconstateerd en zijn daarvan notulen gemaakt.

4.3.7 De indiener heeft volhard dat de hardcopylijsten wel één voor één per ressort met onderliggende stukken zijn ingediend. 

4.3.8 Het Hof komt het meest aannemelijk voor dat DNL wel de kandidatenlijsten in hardcopy, zoals volgens de Kiesregeling vereist, heeft ingediend en komt tot die conclusie aangezien van de 14 kandidaten voor de ressortraadsverkiezing van het ressort de Nieuwe Grond wel de onderliggende documenten van die kandidaten zijn aangetroffen. Voorts heeft ook de digitale indiening plaatsgevonden. Daarnaast heeft de voorzitter van het HSB Wanica een ontvangstbevestiging afgegeven dat DNL de kandidatenlijst voor de verkiezing van de leden van de Ressortraden heeft ingeleverd. Bij deze ontvangstbevestiging heeft de voorzitter geen reservering, kanttekening c.q. voorbehoud gemaakt dat geen hardkopie kandidatenlijst voor het ressort De Nieuwe Grond is ontvangen. Daarnevens is in de MvT op artikel 54 van de Kiesregeling aangegeven: 

“…….Het CHS dan wel het Hoofdstembureau is ook verantwoordelijk voor de juistheid van de ingediende kandidatenlijsten in hard kopie, die worden gebruikt in de verdere processen van de verkiezingen……..” 

Naar het oordeel van het Hof mag daarom ervan worden uitgegaan dat die lijsten in hardcopy wel waren ingediend. Deze grief wordt derhalve verworpen.

4.3 Grief 3: Aangezien het rechtens vaststaat dat de fysieke kandidatenlijsten niet zijn ingediend, is het praktisch onmogelijk om het vonnis uit te voeren. Niet ingediende lijsten kunnen immers niet worden gepubliceerd. Noch de President noch de andere organen van de Staat zijn in staat uitvoering te geven aan het vonnis van de kortgedingrechter omdat de Kiesregeling daarvoor geen grondslag biedt. Voorts is in prima een geheel andere vordering toegewezen dan door DNL is gevorderd in het petitum. Ook zijn de besluiten van het Hoofdstembureau (HSB) Wanica en de resolutie niet geschorst waardoor die nog rechtskracht hebben. Dit alles zal voor enorme problemen zorgen in het verkiezingsproces. Door toe te staan het vonnis alzo te doen executeren zal het voor de President een noodtoestand doen ontstaan als vorenbedoeld met alle onomkeerbare gevolgen van dien. Daarenboven, doordat de lijst ongeldig is verklaard, heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de documenten van de op die lijst voorkomende kandidaten. De kandidaten op het stembiljet plaatsen conform de veroordeling, dus zonder enig onderzoek naar de juistheid van hun bescheiden (bewilligingsformulier, verzameluittreksel, mogelijke dubbele kandidaatstelling) zal leiden tot een vervuild stembiljet voor dat desbetreffend ressort.

Deze grief gaat op

Het is het Hof ambtshalve bekend blijkens mededeling van de directeur van het ministerie van Binnenlandse Zaken dhr. Eskak, dat uiterlijk op 20 april 2025 er uitsluitsel diende te zijn  over het nemen van de beslissing van alle rechtszaken om de voortgang van de verkiezing op 25 mei 2025 te kunnen garanderen. Immers toewijzing van de vordering in eerste aanleg en zoals de kantonrechter in kort geding heeft beslist zal tot gevolg kunnen hebben dat het HSB en overige verkiezingsorganen nog  een aantal voorwaarden zullen moeten vervullen ingevolge de Kiesregeling en het Kiesbesluit, die, afgezet tegen de vastgestelde verkiezingskalender en termijnen genoemd in de Kiesregeling, voortzetting van de verkiezing op 25 mei 2025 in gevaar brengt. Het hof overweegt voorts dat het individuele belang van DNL opdat hun kandidaten in het ressort De Nieuwe Grond in het district Wanica kunnen worden verkozen tot Ressortraadslid minder zwaar weegt dan het belang om de verkiezingsagenda te volgen teneinde de verkiezing te doen plaatsvinden op de geplande datum van 25 mei 2025. Immers, hebben 14 partijen zich ingeschreven om mee te doen aan de verkiezingen van 25 mei 2025 en het belang van al deze partijen zal in gedrang komen. Uitstellen van de verkiezing kan onder andere leiden tot constitutionele problemen, afname van het vertrouwen in de democratie, politieke spanningen en niet in de laatste plaats tot economische onzekerheid.

Het vorenoverwogene brengt met zich dat het beroepen vonnis niet in stand kan blijven en dient het te worden vernietigd, en de vordering van DNL in eerste aanleg  dient alsnog te worden afgewezen.

Het Hof oordeelt met betrekking tot de kosten van het geding dat de President deze zal moeten dragen aangezien aannemelijk is geworden dat DNL wel de fysieke hardcopy kandidatenlijsten van het ressort De Nieuwe Grond heeft ingediend. Dat de door DNL ingediende vordering desondanks niet kan worden toegewezen heeft verband met de afgewogen belangen die in casu in het nadeel van DNL is komen te vallen.

Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

Beslissing

Het Hof:

Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken bekend onder civarnummer 202501561;

En opnieuw rechtdoende:

Wijst de vordering van DNL alsnog af;

Veroordeelt de President in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van DNL gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 2.550,- (tweeduizendenvijftig Surinaamse dollar) aan verschotten en SRD.15.000,- (vijftienduizend Surinaamse dollar) aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op woensdag 23 april 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                                                   w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. N. Ramnarain, gemachtigde van appellant en mr. J. Nibte namens advocaat mr. R.G.M. Tjon A Joe, gemachtigde van geïntimeerde. 

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2025-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno. 2025H00065

23 april 2025

Vonnis

In de zaak van:

VOLKSPARTIJ LEEFBAAR SURINAME 2023,

rechtspersoon, 

gevestigd te Paramaribo,

hierna te noemen VLS 2023,

gemachtigde: mr. E.S. Fernand, advocaat,

appellante in kort geding,

tegen

 

A. HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,

gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

B. HET ADMINISTRATIEF BEROEPSINSTITUUT VAN HET STAATSHOOFD

C. DE STAAT SURINAME,

in het bijzonder het ministerie van Binnenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,

gemachtigde voor B en C: mr. N. Ramnarain, advocaat 

geïntimeerden, 

allen gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

gezamenlijk te noemen CHS e.a.,

afzonderlijk te noemen: CHS, ABIS en de Staat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501522) tussen de VLS 2023 als eiseres en CHS e.a. als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van de substituut-griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door VLS 2023 tegen genoemd vonnis hoger beroep is ingesteld;
  • de memorie van grieven zijdens VLS 2023, gedateerd 22 april 2025;
  • het proces-verbaal van de mondelinge antwoord pleidooi van de gemachtigden en de vertegenwoordiger van CHS, ABIS en de Staat.

 1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

Tegen de feiten zijn er geen grieven aangevoerd, zodat die geen bespreking behoeven. 

3.De vordering en de beslissing in eerste aanleg

3.1 VLS 2023 vordert – zakelijk weergegeven –  in kort geding:

I. schorsing dan wel opschorting van de besluiten van de Hoofdstembureaus Paramaribo, Marowijne, Saramacca, Wanica, Nickerie en Sipaliwini waarbij de kandidatenlijsten van VLS 2023 op Districts – en/of Ressortraad niveau ongeldig zijn verklaard;

II. schorsing danwel opschorting van de werking van de resoluties no.’s 751/RP, 752/RP, 753/RP, 754/RP,  755/RP en 756/RP allen gedateerd 12 april 2025, inhoudende handhaving van de besluiten van voornoemde Hoofdstembureaus waarbij de kandidatenlijsten van VLS2023 op Districts en/of Ressortraad niveau ongeldig zijn verklaard, totdat in bodemprocedure onherroepelijk daarop zal zijn beslist. 

III. veroordeling van CHS e.a. tot betaling van een dwangsom, de liquiditeitskosten en de proceskosten.

IV. schorsing danwel opschorting van de werking van het besluit van CHS met kenmerk CHS/KSDNA/013-S/25 d.d. 01 april 2025 totdat in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist. 

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter heeft VLS 2023 niet ontvankelijk verklaard in haar vordering ten aanzien van het onder 3.1 onder IV gevorderde, nl. de schorsing danwel opschorting van de werking van het besluit van CHS met kenmerk CHS/KSDNA/013-S/25 d.d. 01 april 2023 totdat in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist. De overige vorderingen van VLS 2023 zijn verder afgewezen. 

4.2 VLS 2023 heeft aangevoerd dat zij het eens is met de beslissing van de kantonrechter voor wat betreft het besluit van CHS met kenmerk CHS/KSDNA/013-S/25 d.d. 01 april 2023 doch dat dit besluit nimmer van 1 april 2023 kan zijn. 

Aangezien VLS 2023 geen grief heeft aangevoerd tegen dit deel van het vonnis, zal het Hof de verdere bespreking hiervan achterwege laten. Het Hof overweegt evenwel dat de datum 01 april 2023 genoemd in het dictum van het gewraakte vonnis aangemerkt kan worden als een kennelijke schrijffout nu evident is dat het gaat om het besluit gedateerd 01 april 2025. Het Hof zal dit als zodanig corrigeren. 

4.3  VLS 2023 heeft verder grieven tegen het vonnis aangevoerd. Deze grieven houden verband met elkaar en zullen daarom – voor zover van belang – gezamenlijk worden besproken.

Volgens VLS 2023 hebben de Hoofdstembureaus van Paramaribo, Marowijne, Saramacca, Wanica, Nickerie en Sipaliwini haar kandidatenlijsten voor verkiezing van een Districtsraad en Ressortraad ten onrechte ongeldig verklaard. 

VLS 2023 heeft aangevoerd dat zij door de genoemde Hoofdstembureaus in de gelegenheid is gesteld om de door deze Hoofdstembureaus geconstateerde verzuimen te corrigeren, hetgeen zij terstond hebben gedaan. De verzuimen hadden betrekking op het feit dat de hardcopy van de kandidatenlijsten niet ondertekend waren door de meerderheid van het bestuur inclusief de voorzitter. 

Ondanks herstel van dit verzuim door VLS 2023, zijn de kandidatenlijsten ongeldig verklaard, aldus VLS 2023. 

4.3.1 CHS e.a. hebben aangevoerd dat het verzuim m.b.t. het niet ondertekend zijn van de kandidatenlijsten door de meerderheid van het bestuur ingevolge art. 71 lid 1 jo. art. 81 lid 2 van de Kiesregeling, tot gevolg heeft dat deze lijsten ongeldig zijn. 

4.3.2 Gelet op het verweer van CHS e.a. is het van belang om de genoemde artikelen van de Kiesregeling te citeren. 

  • Artikel 71 lid 1 luidt als  volgt:
    Elke lijst wordt ondertekend door tenminste de meerderheid van het dagelijks bestuur inclusief de voorzitter en bij ontstentenis van deze, diens statutaire vervanger of een ander statutair bevoegd orgaan dat de politieke organisatie in en buiten rechte vertegenwoordigt.
  • Artikel 81 lid 2 luidt als volgt: 
    De lijsten die niet in overeenstemming zijn met de artikelen 71 en 76 zijn ongeldig.

Het Hof merkt op dat uit de Kiesregeling blijkt dat deze artikelen betrekking hebben op de kandidatenlijsten van de Districtsraden. 

Het verweer van CHS e.a. slaagt daarom ten aanzien van de kandidatenlijsten die betrekking hebben op de Districtsraden. Naar het oordeel van het Hof is het besluit van de Hoofdstembureaus tot ongeldig verklaren van de kandidatenlijsten juist, en wel slechts voor wat betreft de kandidatenlijsten van de Districtsraden. 

De stelling van VLS 2023, dat zij in de gelegenheid zijn gesteld door enkele van de Hoofdstembureaus om de geconstateerde verzuimen te corrigeren en dat zij daarom gerechtvaardigd ervan uit mochten gaan dat de kandidatenlijsten niet ongeldig zouden worden verklaard, gaat niet op nu de wetgever duidelijk bepaalt wat de consequentie is van een dergelijk verzuim. Het Hof is het eens met CHS e.a. dat om deze reden niet meer de gelegenheid mocht worden geboden aan VLS 2023 om de geconstateerde verzuimen te herstellen. 

4.3.3 De vraag is of art. 82 lid 2 van de Kiesregeling ook van toepassing is op de geconstateerde verzuimen ten aanzien van de kandidatenlijst op Ressortraad niveau. 

Naar het oordeel van het Hof, dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. 

Het Hof overweegt dat artikel 66 lid 2 van de Kiesregeling bepaalt wanneer de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau ongeldig zijn.  

Dit artikel bepaalt:

De lijsten die niet in overeenstemming zijn met de artikelen 54 leden 1 en 3 en 60 zijn ongeldig. Artikel 55 lid 1, dat betrekking heeft op het ondertekenen van de lijsten – en waar het in het onderhavige geval om gaat – valt niet onder deze opsomming.

Om deze reden mochten de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau niet ongeldig worden verklaard. 

4.4 Het Hof constateert dat het ongeldig verklaren van de lijst van Marowijne één is die betrekking heeft op Districtsraad niveau en is van oordeel dat het gesteld verzuim volgens artikel 81 lid 2 van de Kiesregeling wel ongeldigheid tot gevolg heeft. 

4.5 Op grond van het voorgaande acht het Hof aannemelijk dat de door VLS 2023 ingediende kandidatenlijsten op Ressortraad niveau, ten onrechte ongeldig zijn verklaard door de Hoofdstembureaus van Paramaribo, Saramacca, Wanica, Nickerie en Sipaliwini. 

Evenwel is het Hof van oordeel dat toewijzen van de vorderingen voor wat betreft de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau, ertoe zou lijden dat de uit de wet voortgekomen verkiezingsagenda in gevaar kan worden gebracht met als gevolg dat niet is uitgesloten dat de verkiezingen geen voortgang zullen vinden op 25 mei 2025. 

Het is het Hof ambtshalve bekend dat uiterlijk op 20 april 2025 er uitsluitsel diende te zijn over het nemen van een beslissing in alle rechtszaken teneinde de voortgang van de verkiezing te garanderen op 25 mei 2025.

Toewijzing van de vordering zal tot gevolg hebben dat CHS e.a. de  wettelijke procedure bij herhaling zal dienen te volgen, hetgeen tot gevolg zal hebben dat de geplande datum van de verkiezing in gedrang komt. Een belangenafweging is hier uitermate geboden.

Het Hof overweegt dat het individuele belang van VLS 2023 om te worden gekozen tot Ressortraadslid minder zwaar weegt dan het belang van CHS e.a. om de verkiezingsagenda te volgen teneinde de verkiezing te doen plaatsvinden op de geplande datum van 25 mei 2025. Immers, hebben 14 partijen zich ingeschreven om mee te doen aan de verkiezingen van 25 mei 2025 en het belang van al deze partijen zal in gedrang komen.

Uitstellen van de verkiezing kan onder andere leiden tot constitutionele problemen, afname van het vertrouwen in de democratie, politieke spanningen en niet in de laatste plaats tot economische onzekerheid.

Het Hof zal om redenen als hiervoor vermeld komen tot een bevestiging van het vonnis van de kantonrechter in prima onder aanvulling van de gronden. 

4.6 Nu VLS 2023 voor het grootste deel in het gelijk is gesteld zullen CHS e.a. worden veroordeeld in de proceskosten.

4.7 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

5. De beslissing

5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 19 april 2025 tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken, bekend onder civarnummer 202501522, onder aanvulling van de gronden en met dien verstande dat de datum genoemd onder 5.1 van het vonnis moet zijn 01 april 2025 instede van 01 april 2023;

5.2 Veroordeelt CHS e.a. in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van de VLS 2023 gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 30.680,- (dertigduizend zeshonderd en tachtig Surinaamse dollar) aan verschotten en SRD.15.000,- (vijftienduizend Surinaamse dollar) aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door: mr. I.S Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en uitgesproken door de Fungerend-President ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op woensdag 23 april 2025, in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                                     w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. E.S. Fernand, gemachtigde van appellante en advocaat mr. N. Ramnarain en mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerden. 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2025-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno. 2025H00066 en 2025H00067

23 april 2025

Vonnis

In de zaak met civarnummer 2025H00066 van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE ALTERNATIEF 20

rechtspersoon,

hierna te noemen: “A20”,

gemachtigde: mr. J. Nibte, advocaat,
appellante in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME,

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, met name de instituten:

a. De President van de Republiek Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,

b. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, kantoorhoudende te Paramaribo

c. Het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, met name het Hoofdstembureau Saramacca, kantoorhoudende te Paramaribo,

d. Het Centraal Hoofdstembureau, kantoorhoudende te Paramaribo, 

gemachtigden: mr. N.A.S. Ramnarain en I.D. Kanhai BSc., 

hierna te noemen: “de Staat of de President, het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het Hoofdstembureau Saramacca of het CHS”,

geïntimeerden in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501543) tussen A20 als eiseres en de Staat als gedaagde,

 

en in de zaak met Civarnummer 2025H00067 van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE ALTERNATIEF 20,

rechtspersoon,

hierna te noemen: “A20”,

gemachtigde: mr. J. Nibte, advocaat,
appellante in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, met name de instituten:

a. De President van de Republiek Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,

b. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, kantoorhoudende te Paramaribo

c. Het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, met name het Hoofdstembureau Wanica, kantoorhoudende te Paramaribo,

d. Het Centraal Hoofdstembureau, kantoorhoudende te Paramaribo, 

gemachtigden: mr. N.A.S. Ramnarain en I.D. Kanhai BSc., 

hierna te noemen: “de Staat of de President, het Ministerie van Binnelandse Zaken, het Hoofdstembureau Wanica of het CHS”,

geïntimeerde in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501544) tussen A20 als eiseres en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

1.Het procesverloop in hoger beroep in beide zaken

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van de substituut-griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door A20 tegen genoemde vonnissen hoger beroep is ingesteld;
  • de pleitnota zijdens appellante gedateerd 22 april 2025;
  • het proces-verbaal van de mondelinge pleidooien van de gemachtigden en van de Staat,
  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten in beide zaken

2.1 A20 heeft zich ten behoeve van de verkiezing van de leden van de volksvertegenwoordigende lichamen geregistreerd bij het CHS. Conform de artikelen 38 e.v. en 54 e.v. van de Kiesregeling heeft A20 op 25 maart 2025 kandidatenlijsten ingediend voor respectievelijk de verkiezing van de leden van de Nationale Assemblee en leden van ressortraden.

2.2 Op 2 april 2025 heeft het Hoofdstembureau Saramacca een besluit genomen waarbij de kandidatenlijst op het niveau van de ressortraad, met name ressort Groningen ongeldig is verklaard. De reden die voor de ongeldigverklaring is genoemd is dat de kandidatenlijst niet is ingediend. 

2.3 Op 2 april 2025 heeft het Hoofdstembureau Wanica een besluit genomen waarbij de kandidatenlijst op het niveau van de ressortraad, met name ressort Saramaccapolder ongeldig is verklaard. De reden die voor de ongeldigverklaring is genoemd is dat de kandidatenlijst niet is ingediend. 

2.4  A20 is tegen de twee besluiten van de Hoofdstembureau’s op 4 april 2025 in beroep gegaan bij de President.

2.5  De President heeft op de twee beroepschriften beslist. Bij resolutie van 12 april 2025 met nummer 747/RP heeft de President het beroep van A20 ongegrond verklaard en het besluit van het Hoofdstembureau Saramacca, waarin de RR kandidatenlijst van A20 ongeldig is verklaard, gehandhaafd.  Bij resolutie van 11 april 2025 met nummer 733/RP heeft de President het beroep van A20 ongegrond verklaard en het besluit van het Hoofdstembureau Wanica, waarin de RR kandidatenlijst van A20 ongeldig is verklaard, gehandhaafd.  

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg

In de zaak met Civarnummer 2025H00066:

3.1 A20 heeft in deze zaak bij verzoekschrift, zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Schorst de resolutie van de President,

II. Schorst het besluit van het Hoofdstembureau Saramacca d.d. 3 april 2025 waarmee de kandidatenlijsten op het niveau van de ressortraad van het ressort Groningen als ongeldig zijn verklaard, totdat op de inhoudelijke gronden van dit besluit is beslist;

III. De Staat veroordeelt de ingediende kandidatenlijsten, alsmede de daarop genoemde kandidaten in aanmerking te nemen en op de verzamellijst op te nemen op basis van artikel 84 van de Kiesregeling;

IV. De Staat veroordeelt in de kosten van het geding. 

In de zaak met Civarnummer 2025H00067:

3.2 A20 heeft in deze zaak bij verzoekschrift, zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Schorst de resolutie van de President,

II. Schorst het besluit van het Hoofdstembureau Wanica d.d.1 april 2025 waarmee de kandidatenlijsten op het niveau van de ressortraad van het ressort Saramaccapolder als ongeldig zijn verklaard, totdat op de inhoudelijke gronden van dit besluit is beslist;

III. De Staat veroordeelt de ingediende kandidatenlijsten, alsmede de daarop genoemde kandidaten in aanmerking te nemen en op de verzamellijst op te nemen op basis van artikel 84 van de Kiesregeling;

IV. De Staat veroordeelt in de kosten van het geding. 

3.3 In beide zaken heeft A20 als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de kandidatenlijsten wel zijn ingediend. Dat de lijsten zijn ingediend blijkt uit het bewijs van ontvangst uitgereikt door het Hoofdstembureau van respectievelijk Saramacca en Wanica.

De kandidatenlijsten kunnen slechts ongeldig worden verklaard wanneer zij zijn ingediend en inhoudelijk zijn getoetst. Daarom kunnen die lijsten niet ongeldig worden verklaard. Het Hoofdstembureau heeft in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Door de onjuiste redenering is de Presidentiële resolutie gebrekkig en hoogst onrechtmatig. De resolutie leidt tot onherstelbare schade aan het passief kiesrecht van A20 en aan haar democratische participatie. 

3.4 In beide zaken heeft de Staat, onder andere, aangevoerd dat het CHS ten onrechte is betrokken in het proces omdat het CHS geen inbreng heeft in het proces met betrekking tot de Ressortraads- en de Districtsraadsleden. Zij stelt voorts dat uit het onderzoek van de twee Hoofdstembureaus is gebleken dat de kandidatenlijsten voor de ressorten Groningen in Saramacca en Saramaccapolder in Wanica niet fysiek zijn ingediend. Het ontvangstbewijs waarop A20 zich beroept betreft een bewijs van ontvangst van stukken in het kader van de kandidaatstelling. Welke stukken zijn ontvangen en of de stukken voldoen aan de wettelijke vereisten wordt pas beoordeeld tijdens de zitting van het Hoofdstembureau na sluiting van de termijn voor indiening.

De Staat heeft voorts de notulen overgelegd van het Hoofdstembureau Wanica en het Hoofdstembureau Saramacca in welke notulen een schema is opgenomen waarin staat vermeld dat er voor het ressort Saramaccapolder en het ressort Groningen geen fysieke lijsten zijn ingediend.  

De Staat heeft voorts aangevoerd dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is omdat van de betreffende ressorten geen kandidatenlijsten van A20 zijn onderzocht, nu deze niet zijn ingediend. De dwingendrechtelijke termijnen zijn al verstreken zodat niet alsnog kandidatenlijsten kunnen worden ingediend. De verzamellijsten zijn reeds vastgesteld. Daarnaast heeft A20 in het geding twee lijsten overgelegd als bewijs van de indiening van de lijsten bij de twee Hoofdstembureaus die recentelijk zijn uitgeprint en zijn geantidateerd. 

3.5 De kantonrechter heeft bij vonnis van 21 april 2025 in beide zaken  de voorzieningen geweigerd en A20 in de proceskosten veroordeeld.

4.De vordering, de grieven en het verweer in beide zaken

4.1 A20 heeft tegen het vonnis – zakelijk weergegeven – de volgende grieven aangevoerd: 

  1. Ondanks het feit dat de Hoofdstembureaus een ontvangstbewijs hebben verstrekt aan A20 met betrekking tot de indiening van de kandidatenlijsten, heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is gebleken dat de kandidatenlijsten zijn ingediend.
  1. De kantonrechter baseert haar oordeel op de afwezigheid van andere ondersteunende stukken of verklaringen, zonder aan te geven welke wettelijke vereisten daartoe bestaan. De Kiesregeling stelt niet dat naast het ontvangstbewijs nog andere bewijsmiddelen moeten worden overgelegd voor het bewijs dat de kandidatenlijsten zijn ingediend.
  1. Het besluit dat de lijsten van A20 niet zijn ingediend zijn in strijd met alle fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur. Immers, het bestuur negeert daarmee haar eigen ontvangstbewijs en A20 zou erop mogen vertrouwen dat het ontvangstbewijs voldoende was om aan te tonen dat zij de lijsten heeft ingediend.
  1. Het uitgesloten blijven van deelname aan de verkiezingen betekent een onherstelbare inbreuk op het passief kiesrecht van de kandidaten. Desondanks wordt A20 de toegang tot het verkiezingsproces ontzegd.
  1. De uitspraak is inconsistent met een andere uitspraak in een gelijksoortige zaak. In de andere zaak werd het ontvangstbewijs wel voldoende geacht om aan te nemen dat de lijsten waren ingediend.
  1. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat A20 geen gebruik zou hebben gemaakt van de gelegenheid om zich uit te laten over de constatering van de Hoofdstembureaus dat de lijsten niet waren ingediend. De mogelijkheid om zich uit te laten is niet opgenomen in de wettelijke bepalingen.

De lijsten zijn wel op de juiste wijze ingediend en de ontvangstbewijzen zijn aan A20 afgegeven. 

4.2 Naar aanleiding van de grieven vordert A20 dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, het gevorderde wordt toegewezen. 

4.3 De Staat heeft aangevoerd dat het ontvangstbewijs niet het bewijs levert dat de kandidatenlijsten daadwerkelijk zijn ingediend, immers, het ontvangstbewijs is slechts een bevestiging dat er stukken zijn ingediend, welke stukken zijn ingediend is daarbij niet aangegeven. De inventarisatie van de stukken en de controle van de stukken vindt pas plaats tijdens de zitting van het Hoofdstembureau die wordt gehouden na de indiening.

De Staat heeft voorts aangevoerd dat een eventuele toewijzing van de vordering met zich mee zal brengen dat een chaotische situatie zal ontstaan met betrekking tot de algemene vrije en geheime verkiezingen die zijn gepland voor 25 mei 2025. Door de Staat is aangevoerd dat onverwijld begonnen moet worden met het drukken van de stembiljetten en de andere voorbereidingen van de verkiezingen.

5. De beoordeling in beide zaken

5.1 A20 heeft tijdig hoger beroep aangetekend en is dan ook ontvankelijk in haar hoger beroep.

5.2 Het Hof overweegt met betrekking tot de grieven tegen het vonnis dat, gelijk A20 stelt, de vraag gesteld zou kunnen worden of het ontvangstbewijs dat wordt afgegeven aan een politieke organisatie na indiening van de lijsten niet kan worden aangemerkt als een bewijs dat de lijsten zijn ingediend zoals bedoeld in artikel 54 van de Kiesregeling, immers, op de verklaring staat “Bewijs van ontvangst ingeleverde kandidatenlijst”.

Het Hof overweegt verder dat bij de uitvoering van artikel 54 van de Kiesregeling, het de taak van het hoofdstembureau is om lijsten voor de ressortraden in ontvangst te nemen zowel schriftelijk als digitaal. Het verweer van de Staat dat zij stukken in ontvangst heeft genomen maar dat de lijsten er niet bij waren is onbegrijpelijk. 

Immers, het Hof acht aannemelijk dat A20 wel de kandidatenlijsten in hardcopy, zoals volgens de Kiesregeling vereist, heeft ingediend en komt tot die conclusie, aangezien de Staat heeft bevestigd dat de onderliggende documenten van die kandidaten volledig zijn aangetroffen, de Staat heeft bevestigd dat ook de digitale indiening van de kandidatenlijsten heeft plaatsgevonden en dat daarnaast ook een formulier van ontvangstbevestiging afgegeven waaruit blijkt dat A20 de kandidatenlijst voor de verkiezing van de leden van de Ressortraden voor de districten Wanica en Saramacca heeft ingeleverd. Bij deze ontvangstbevestiging heeft de voorzitter geen reservering, kanttekening c.q. voorbehoud gemaakt dat geen hardcopy kandidatenlijst voor de ressorten van de genoemde districten zijn ontvangen. Daarnevens is in de MvT op artikel 54 van de Kiesregeling aangegeven:

“…….Het CHS dan wel het Hoofdstembureau is ook verantwoordelijk voor de juistheid van de ingediende kandidatenlijsten in hard kopie, die worden gebruikt in de verdere processen van de verkiezingen……..”

Naar het oordeel van het Hof mag daarom ervan worden uitgegaan dat die lijsten wel in hardcopy waren ingediend. 

5.3 Het Hof overweegt met betrekking tot het verweer van de Staat dat een eventuele toewijzing van de vordering met zich mee zal brengen dat een chaotische situatie zal ontstaan met betrekking tot de verkiezingen als volgt.

5.4 Het Hof is het met de Staat eens dat toewijzen van de vorderingen voor wat betreft de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau, ertoe zou leiden dat de uit de wet voortgekomen verkiezingsagenda in gevaar wordt gebracht met als gevolg dat niet is uitgesloten dat de verkiezingen geen voortgang zullen kunnen vinden op 25 mei 2025. 

Het is het Hof ambtshalve bekend dat uiterlijk op 20 april 2025 er uitsluitsel diende te zijn over het nemen van de beslissing in alle rechtszaken om de voortgang van de verkiezing te garanderen.

Toewijzen van de vordering zal tot gevolg hebben dat de Staat, met name de verkiezingsautoriteiten, gehouden zijn opnieuw de procedure te volgen voor de vaststelling van de kandidaten, waaronder de controle van de lijsten, het onderzoek van de stukken, de terinzagelegging, de bekendmaking in het ARS van de kandidaten, alles met inachtneming van de wettelijke termijnen en verder alle overige in de wet genoemde vereisten. 

Het hof overweegt dat alhoewel het belang van A20 om het passief kiesrecht op ressortraad niveau in alle ressorten te kunnen beleven wordt erkend, het belang van de Staat om conform de wettelijke termijnen de verkiezingsagenda te volgen teneinde de verkiezing te doen plaatsvinden op de geplande datum van 25 mei 2025 ook in aanmerking moet worden genomen. 

Daarnaast moet ook in acht worden genomen het belang van de overige 13 partijen die zich hebben ingeschreven om mee te doen aan de verkiezingen van 25 mei 2025 bij de voortgang van de verkiezingen. 

Uitstellen van de verkiezing kan onder andere leiden tot constitutionele problemen, afname van het vertrouwen in de democratie, politieke spanningen en niet in de laatste plaats tot economische onzekerheid.

Het verweer van de Staat ten aanzien van het in gevaar brengen van de verkiezingen gaat dan ook op.

Het Hof zal om redenen als hiervoor vermeld komen tot een bevestiging van het vonnis van de kantonrechter in prima onder aanvulling van de gronden. 

5.4 Het Hof oordeelt met betrekking tot de kosten van het geding dat de staat deze zal moeten dragen aangezien aannemelijk is geworden dat A20 wel de fysieke hardcopy kandidatenlijsten heeft ingediend. Dat de door A20 ingediende vordering desondanks niet kan worden toegewezen heeft verband met de afgewogen belangen die in casu in het nadeel van A20 is komen te vallen.

5.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe nu die niet tot een ander oordeel zal leiden.

6. Beslissing in beide zaken

Het Hof:

  1. Bevestigt het gevoegd vonnis van de kantonrechter van 21 april 2025 in de zaken bekend onder civarnummers 202501543 en 202501544 onder aanvulling van gronden;
  2. Veroordeelt de staat in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van A20 gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.57.560,- (zevenenvijftigduidend vijfhonderdenzestig Surinaamse dollar) aan verschotten en SRD.15.000,- (vijftienduizend Surinaamse dollar) aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op woensdag 23 april 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                                                      w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. J. Nibte, gemachtigde van appellante en advocaat mr. N. Ramnarain en mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerden. 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2025-5

In naam van de Republiek

Vonnisnummer:         17/2025

Uitspraak: 05 februari 2025

Tegenspraak

 

Het Hof van Justitie van Suriname

in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg gewezen op 02 november 2023 en uitgesproken tegen de verdachte:

ADHIN, Michael Ashwin Satyandre, geboren op 10 juni 1980 te Paramaribo, gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Vice – President en thans assemblee lid en wonende aan de [adres] in het [district], in vrijheid verkerend; 

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden, I.D. Kanhai, Bsc en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie.

1.De ontvankelijkheid van het appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Substituut – Griffier van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg is gebleken dat de vervolgingsambtenaar namens het Openbaar Ministerie (hierna OM) op 08 november 2023 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van het Hof in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers. 

Gelet op het vorenstaande, is tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve de vervolging daarin ontvankelijk is.

2.Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers d.d. 02 november 2023 is de verdachte – verkort weergegeven – vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

3.Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De Procureur-Generaal heeft gerequireerd tot de bewezenverklaring van de onder IA, IIA, III, IV en V ten laste gelegde feiten, met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 11 (elf) maanden en 3 (drie) weken voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, een proeftijd van 3 (drie) jaren met als bijzondere voorwaarde dat de schade aan de apparatuur wordt vergoed, in dier voege dat soortgelijk apparatuur wordt aangeschaft voor het Kabinet van de Vice President. 

Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het OM en subsidiair vrijspraak voor de verdachte van de ten laste gelegde feiten bepleit. 

4.De geldigheid van de dagvaarding

Noch tegen de dagvaarding in eerste aanleg, noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

5.De bevoegdheid van het Hof

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

6.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

6.1 Door de verdediging zijn met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM enkele verweerpunten aangevoerd namelijk: 

6.1.1 Dat het de vraag is welk belang het OM had bij de vervolging van verdachte omdat tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek reeds bleek, uit meerdere verklaringen van de getuigen, dat verschillende personen zich bezighielden met afschrijving en instructies daaromtrent waardoor het vreemd is dat alleen Adhin daaruit is geselecteerd als verdachte. Uit de verklaringen bleek dat op alle kantoren goederen worden afgeschreven en vervolgens een nieuwe bestemming krijgen en nergens een vastgestelde en eenduidige procedure is hiervoor en dat elk kantoor of dienstonderdeel doet wat zij denken dat goed is;

6.1.2 Dat het OM, in strijd met het gelijkheidsbeginsel de vervolging inzette van verdachte terwijl het OM erkent dat de persoon van [naam] een strafbaar feit gepleegd had. Hij heeft de apparaten die onbeheerd lagen op het kabinet kunnen vernielen en heeft vervolgens gefraudeerd met serienummers. Vervolgens verwijst het OM naar haar vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel. Het opportuniteitsbeginsel is nimmer bedoeld om het gelijkheidsbeginsel te schenden en het OM een vrijbrief voor willekeur te geven. Het OM heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden en heeft de verdachte tegen wie er voldoende bewijs was en die het feit ook bekende, buiten vervolging gelaten en is wel achter verdachte aangegaan. 

6.1.3 Dat het OM voorts, zo begrijpt het hof, in strijd met de regels van 

een goede procesorde heeft gehandeld bij de inverzekeringstelling van verdachte. Terwijl verdachte op 13 november 2020 een brief ontving om zich op 16 november 2020 aan te melden, werd hij in de ochtend van 16 november 2020 opgehaald en ingesloten, als zou hij geweigerd hebben gevolg te geven aan de oproep, daarbij geheel voorbijgaand aan de Wet in staat van beschuldigingstelling van Politieke Ambtsdragers. 

6.1.4 Dat het OM bij het dagvaarden na de bezwaarschriftprocedure rekening had moeten houden met de termijn.

6.2.1 Op deze verweerpunten heeft het OM gereageerd waarbij werd aangevoerd dat er weliswaar geen procedure was voor afschrijving, doch wel een gebruik dat moest worden gevolgd. 

6.2.2 Het OM voerde ten aanzien van het verweerpunt met betrekking tot de willekeur aan dat het vervolgingsmonopolie van het OM een fundamenteel principe is in het strafrecht. Een kernaspect van het vervolgingsmonopolie is het opportuniteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat alleen het OM bevoegd is om te beslissen of strafbare feiten worden vervolgd. Het OM heeft de bevoegdheid om te beslissen of een strafzaak wordt voorgelegd aan de rechter. Hierbij houdt het OM rekening met zowel de juridische als maatschappelijke aspecten, zoals de ernst van het feit, het beschikbare bewijs, de proceshouding van de verdachte en het algemeen belang. 

6.2.3 Met betrekking tot het verweerpunt betreffende het in strijd handelen met de goede procesorde heeft het OM aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter. Het OM heeft in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen gehad en ziet zich als onafhankelijke instantie verplicht de wet te handhaven en handelt in deze zaak enkel op basis van de feiten en het bewijs. Er zijn geen externe invloeden of ongepaste belangen die de beslissing tot vervolging hebben beïnvloed. Er is geen sprake van het nastreven van andere belangen dan het beschermen van de rechtsorde en het recht van de samenleving op gerechtigheid. 

6.2.4 Met betrekking tot de termijn van het dagvaarden na de bezwaarschrift procedure heeft het OM aangevoerd dat zij de verdachte niet eerder kon dagvaarden omdat er nog geen zittingsdag was bepaald of bekend gemaakt. Het Hof van Justitie is de instantie die appointeert, niet het OM.

Om die reden stelt het OM dat voorbij moet worden gegaan aan dat verweer.

7.De beoordeling 

7.1 Het Hof stelt voorop dat het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

7.2 De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. 

7.3 Zo een uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. 

7.4 Alhoewel het OM met betrekking tot de goede procesorde heeft aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter en hij in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen heeft gehad, dient de vraag beantwoord te worden of in casu sprake is geweest van een zodanige aperte onevenredigheid van een vervolgingsbeslissing dat de verdere vervolging onverenigbaar was met het verbod van willekeur oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.5 Daarover oordelende overweegt het hof dat het antwoord op de vraag welke procedure noodzakelijk is voor de afschrijving c.q. het voor de dienst ongeschikt verklaren van hulpmiddelen dan wel goederen ter uitvoering of ondersteuning van bestuurlijke werkzaamheden, niet helder en eenduidig vast staat. 

Een toetsing aan ontwikkelde reglementen danwel instructies en/of procesbeschrijvingen, al dan niet vanwege de ‘s Lands Accountantsdienst leidend tot de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan, ontbreekt in deze. 

7.6 Alhoewel het OM dominus litis is bij de beslissing of er moet worden vervolgd, leidt het feit dat in casu ervoor gekozen is de verdachte verder te vervolgen en de persoon van [naam] en de andere leidinggevenden die dezelfde procedure volgden bij de afschrijving van goederen niet, tot het oordeel dat er sprake is van schending van het verbod van willekeur en daarmee schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

7.7 Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, waaronder ook het voorbij gaan aan de wettelijk voorgeschreven procedure neergelegd in de Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.8 De door de verdediging hierboven opgesomde verweerpunten leiden tot het oordeel dat het onderhavige geval moet worden beschouwd als één van de uitzonderingen waar plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de instelling en de voortzetting van de vervolging omdat zulks onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Het OM zal daarom niet ontvangen worden.

7.9 Gelet op het voorgaande komen de overige gevoerde weren niet voor bespreking in aanmerking.

7.10 Het vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023 zal worden vernietigd en het OM zal, opnieuw rechtdoende, niet-ontvankelijk worden verklaard in de door haar ingestelde vervolging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften 

Het Hof heeft gelet op de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafrecht en Strafprocesrecht.

8.De Beslissing:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van het Hof van Justitie inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet – ontvankelijk in de door haar ingestelde vervolging tegen de verdachte.

Aldus gewezen door: A.C. Johanns, Fungerend – President, S.J.S. Bradley, Lid, mr. I. Sonai, Lid, mr. L. Ravenberg, Lid-plaatsvervanger en mr. C. Klein, Lid – plaatsvervanger, bijgestaan door J.J. Rodrigues LLB, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers van woensdag 5 februari 2025 te Paramaribo.

 

w.g. J.J. Rodrigues                                                                                                                                   w.g. A.C. Johanns 

                                                                   w.g. S.S. Bradley

                                                                   w.g. I. Sonai

                                                                   w.g. L. Ravenberg

                                                                   w.g. C. Klein

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

 

SRU-K2-2024-1

KANTONGERECHT
CS
Parketnummer: 1-1-00485
Vonnisnummer: 503 2e/24
Datum uitspraak: 24 juni 2024
Tegenspraak
Raadsman: mr. L. Latour

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats],
wonende aan de [adres] te [plaats],
beroep: taxi-chauffeur,
ingesloten.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 april 2024, 13 mei 2024 en 24 juni 2024.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en het standpunt van de vervolgingsambtenaar mr. S. Sewgobind, van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. L. Latour, advocaat bij het Hof van Justitie, naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

De tenlastelegging houdt (zakelijk weergegeven) in dat de verdachte:

op of omstreeks 15 januari 2024 te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, samen met nog onbekend gebleven personen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand, immers heeft verdachte en/ of zijn mededader(s), opzettelijk vuur in aanraking gebracht met vermelde pand, althans gebouw, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in één of meer panden, waardoor er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Een door de griffier gewaarmerkte kopie van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

VOORVRAGEN

De Kantonrechter stelt vast dat:
de dagvaarding geldig is;
de Kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van de zaak;
de vervolgingsambtenaar ontvankelijk is in de vervolging;
er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

VORDERING EN STANDPUNTEN VAN DE VERVOLGINGSAMBTENAAR

De vervolgingsambtenaar acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De vervolgingsambtenaar rekwireert dat de Kantonrechter het feit bewezen en strafbaar verklaart, de verdachte strafbaar verklaart en veroordeelt tot een gevangenisstraf van 5 jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met handhaving van het bevel gevangenhouding. Voorts vordert de vervolging de teruggave van het in beslaggenomen voertuig van het merk Toyota Mark 2 en het telefoontoestel aan de verdachte.

STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Op de camerabeelden is naar de mening van de verdediging vastgelegd dat er een grijs gelakt voertuig te zien is met twee inzittenden en dat er een bepaalde route is afgelegd. Voorts zou het gaan om een lange en een korte persoon. De vervolging is nooit op zoek gegaan naar die andere verdachte, waardoor er ook nooit is vastgesteld wie de lange of de korte persoon zou moeten zijn. Ook is aangegeven door een getuige dat er zich vaker daklozen en drugsverslaafden bevonden in pand nummer 30. Ondanks die informatie heeft de vervolging geen onderzoek laten instellen indien er op die bewuste dag andere personen in het pand aanwezig waren. Men heeft zicht gefocust op het voertuig en toen deze verdachte in beeld kwam door tussenkomst van de politie heeft men zich verder op hem geconcentreerd, ondanks het feit dat de verdachte heeft verklaard waar hij zich bevond op het moment van de brand. De verdediging is van mening dat de vervolging niet in staat is geweest om het wettig en overtuigend bewijs te leveren en verzoeken wij de verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging en teruggave van al de inbeslaggenomen goederen. Indien de kantonrechter tot het oordeel komt dat de verdachte schuldig is en het wettig en overtuigend bewijs is geleverd, verzoekt de verdediging om de strafmaat te mitigeren en aan verdachte een zodanige straf op te leggen dat hij binnenkort op vrije voeten komt.

BEOORDELING DOOR DE KANTONRECHTER

Bewezenverklaring

De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat de verdachte:

op 15 januari 2024 te Paramaribo, tezamen en in vereniging met tot nog toe onbekend gebleven personen, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (aan de Domineestraat pand nummer 30), immers heeft hij, verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met vermeld pand ten gevolge waarvan 4 (vier) panden geheel of gedeeltelijk zijn afgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor nadere nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1.
Eigen waarneming van de rechter
De eigen waarneming van de kantonrechter bij het bekijken van het beeldmateriaal op de terechtzitting van 13 mei 2024, waarin de kantonrechter ziet dat een grijs gelakt voertuig vertrekt vanuit een adres aan de [straatnaam] en vervolgens parkeert aan de Keizerstraat. De kantonrechter neemt voorts waar dat er twee personen uit het voertuig stappen. De twee personen lopen richting Steenbakkerijstraat, vervolgens de Domineestraat in en gaan op een terrein. Hierna is te zien dat een gebouw in vlam staat en is waar te nemen dat de mannen vervolgens teruglopen naar het voertuig. Zij stappen in het voertuig en verlaten de plek. Vervolgens wordt gereden naar de [straatnaam]. Op het voertuig is ook schade waargenomen.

Bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde verklaringen

2.
De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
Er is een voertuig in beslag genomen. Het voertuig is vermoedelijk gebruikt bij de brandstichting. Het is gereden vanuit de [straatnaam] naar de Keizerstraat. Na het voertuig geparkeerd te hebben liepen de twee heren naar de Domineestraat. Na de brandstichting liepen ze weer terug naar de auto.

3.
De verklaring van de getuige [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
Er stappen twee mannen uit het voertuig, waarvan een korte en een lange. De korte man is de bestuurder van het voertuig. Ze lopen richting de Steenbakkerijstraat en Jodenbreestraat. Ze lopen het gebouw binnen en gelijk daarna zie je duidelijk de brand.

4.
De verklaring van de getuige [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
De brand is ontstaan op het leegstaand pand ernaast. Vervolgens overgeslagen naar ons pand. Het hoofdkantoor van het familiebedrijf Interfund N.V. is volledig tot de grond toe afgebrand. Het is een historisch pand.

Schriftelijke bescheiden

5.
Pagina`s 2-3
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 46/2024, opgemaakt door onder inspecteur van politie, en gesloten op 15 januari 2024, inhoudende als verklaring van aangifte gedaan door [naam 1], voor zover relevant voor het bewijs:
Op 15 januari 2024 werd het bericht ontvangen van de Centrale Meldkamer dat er aan de Domineestraat nummer 30 te Paramaribo sprake moet zijn van brand. Ter plaatse aangekomen bleek dat het pand op pand nummer 30 inderdaad in brand stond. Vermeld dient te worden dat tijdens het blussen het vuur oversloeg naar pand nummer 28 en pand nummer 34 van de Domineestraat.

6.
Pagina 4
Het in de wettelijke vorm opgemaakte referte proces-verbaal, nummer 0076/ 2024, opgemaakt door brigadier van politie Setrowidjojo, S.L. en gesloten op 13 juni 2024, inhoudende als het verkrijgen van een brand verklaring van het Korps Brandweer Suriname, voor zover relevant voor het bewijs:
Volgens de brandweer is de brand bij pandnummer 30 van de Domineestraat begonnen. Vervolgens is de brand uitgebreid naar de pandnummers 28, 32 en 34.

7.
Pagina A
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 0076/ 2024, opgemaakt door brigadier van politie Setrowidjojo, S.L. en gesloten op 29 januari 2024, inhoudende als het verrichten van onderzoek op de afdeling verkeerstechnische dienst van het Korps Politie Suriname en het fotografisch vastleggen van een grijs gelakte Toyota Mark 2 gekentekend 83-27 WP, voor zover relevant voor het bewijs:
Nadat de inspecteur van politie tweede klasse Panka inzage in het bestand deed, gaf hij aan dat er twee voertuigen van het merk Toyota Mark 2 voorkomen, namelijk een grijs gelakte met als kentekennummer 83-27WP, welke geregistreerd staat op naam van [naam 2] en eveneens een grijs gelakte met als kentekennummer 83-59 WP, welke geregistreerd staat op naam van [naam 3]. Vermeld dient te worden dat het voertuig op naam van het merk Toyota Mark 2, gekentekend 83-59 WP aan de verdachte [verdachte] toebehoort en is door de politie reeds in beslag genomen.

De Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het om twee personen gaat die in beeld zijn gebracht doch de tweede persoon heeft de politie niet kunnen traceren. De politie is belast met de opsporing en nasporing van strafbare feiten. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats op basis van de dagvaarding hetgeen ten last is gelegd. Heden is voor het gerecht verschenen de verdachte [verdachte]. Het gegeven dat er geen tweede verdachte in beeld is gebracht, heeft op dit moment voor dit onderzoek geen relevantie. In casu is er sprake van een onbekende tweede dader. Het Openbaar Ministerie kan niet verweten worden dat het met twee maten meet. Het verweer gaat in casu niet op. Voorts heeft de verdediging bepleit dat met betrekking tot het verhoor van de eigenaar van het ander voertuig, de politie niet genoegzaam onderzoek heeft gepleegd. De raadsman heeft ruim voor de zitting het proces-verbaal ontvangen teneinde kennis te nemen van de inhoud daarvan. De raadsman is zich bewust dat in het belang van de verdediging van zijn cliënt hij het recht heeft tot het horen van getuigen. Nu de raadsman na ontvangst en het bestuderen van het proces-verbaal geen gebruik heeft gemaakt van het recht om de getuige te doen dagvaarden teneinde de hem kennelijke ontbrekende informatie ter terechtzitting te verkrijgen, hij tardief is en wordt dit verweer aldus verworpen.

Met betrekking tot de ontkenning van de verdachte beslist de kantonrechter het volgende:
Een ontkenning van de verdachte betekent niet dat hij het feit niet heeft begaan, maar het betekent ook niet dat hij het feit heeft begaan. De bewijsmiddelen zijn limitatief opgesomd in de wet. In deze zaak hebben wij getuigen gehoord en heeft er technisch onderzoek plaatsgehad. Als bewijs nemen we in deze zaak de vaststelling en het analyseren van de camerabeelden waarbij het voertuig in beeld komt. Het voertuig komt op twee locaties in beeld. Gekeken wordt naar het moment dat het voertuig in beeld komt in de buurt waar uiteindelijk de brand is gesticht, waarbij te zien is dat twee personen in hun handen materiaal, mogelijk een jerrycan, hadden. De twee personen liepen naar het verlaten pand en op enig moment zien wij vuur opvlammen. We zien vervolgens dat de twee personen de plek verlaten en vervolgens in het voertuig stappen waarbij desbetreffend voertuig stopt op het woonadres van deze verdachte. Bovendien heeft de verdachte aangegeven dat hij de enige bestuurder is van dit voertuig. Er zijn meerdere camerabeelden bekeken van die bewuste dag en is vastgesteld dat het voertuig vertrekt vanuit het woonadres van de verdachte en vervolgens rijdt via verschillende straten om vervolgens te stoppen bij de locatie waar en alwaar de twee personen uitstappen. We zien vervolgens dat er opvallende schade aanwezig is bij het voertuig. Het blijkt dat de schade overeenkomt met de schade die is aangetroffen bij het voertuig van deze verdachte. De verdachte heeft op enig moment gesteld dat desbetreffend voertuig niet zijn voertuig zou zijn. Uit het onderzoek bij de afdeling Rijbewijzen is gebleken dat er nog een voertuig van het type Toyota Mark 2 beginnende met de cijfers 83 en eindigende met de letters PW in beeld is gekomen. Volgens de eigenaar van dat voertuig was het voertuig ten tijde van die brand ter reparatie aangeboden en dus niet in rijdende staat. Dit voertuig heeft geen schade, in ieder geval, geen schade zoals te zien is aan het voertuig dat op de camerabeelden te zien is ( zie fotomateriaal). Vast is komen te staan dat de schade die is waargenomen via het beeldmateriaal overeenkomt met de schade van het in beslaggenomen voertuig van de verdachte.

Ten aanzien van de alibi van de verdachte, heeft de verdediging geen getuigen geproduceerd die zijn alibi zouden kunnen ondersteunen. De politie heeft nagetrokken of er camerabeelden zijn op de locatie zoals aangegeven door de verdachte aan de Hogestraat dan wel Hofstraat alwaar hij ten tijde van de brand zich zou bevinden, echter zijn er geen camerabeelden aangetroffen die de bewering van de verdachte dat hij op die locatie was, kunnen staven.
De Kantonrechter komt tot het bewijs en de overtuiging middels de fotografische vastlegging van het voertuig met de aanwezige kenmerken met de ter terechtzitting vertoond beeldmateriaal. Uit de camerabeelden blijkt dat het voertuig waaruit de twee personen zijn gestapt om te lopen naar de locatie alwaar de brand is gesticht, is vertrokken vanuit het woonadres van de verdachte en na de brandstichting hebben ze hetzelfde woonadres aangedaan. Hiermee geconfronteerd heeft de verdachte deze vaststelling niet weersproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 207 sub 1o van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de straf heeft de Kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten
Paramaribo bestaat nog deels uit een houten binnenstad waarbij het gevaar van een overslaand brand waarbij meerdere panden in as kunnen worden gelegd algemeen bekend is. Levensgevaar voor mens en goederen is een logisch gevolg bij opzettelijke brandstichting. De brand heeft een schokgolf teweeg gebracht in de maatschappij, alsook een negatief effect voor de historische waarde van onze binnenstad die op de Unesco lijst van wereld erfgoed voorkomt. Voor de familie van de afgebrande panden is het een extreem verlies, zowel in financieel als emotionele zin. Bekeken tegen deze achtergrond is afwijking van de eis passend en geboden.

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden
Uit een betreffende Staat van inlichtingen van de verdachte van 13 februari 2024 blijkt dat hij meerdere veroordelingen op zijn naam heeft staan.

De op te leggen straf
Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van het feit, is de Kantonrechter van oordeel dat mede in verband met een juiste normmarkering en de algemene preventie, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat brandstichting in het algemeen en in casu in de binnenstad extreem gevaar zetten is. De daaruit voortvloeiende schade voor mens en land kan niet getolereerd worden.

Alles afwegende acht de Kantonrechter een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden.

Beslag

Verbeurdverklaren

De Kantonrechter zal het volgende in beslag genomen voorwerp te weten 1 grijs gelakt voertuig van het merk Toyota Mark 2 met als volgnummer 83-59 WP, verbeurdverklaren.
Dit voorwerp behoort aan de verdachte toe en het bewezen verklaarde feit is met behulp van dit voorwerp begaan.

Teruggave aan de verdachte

De Kantonrechter zal de teruggave gelasten aan de verdachte van het in beslag genomen voorwerp die aan de verdachte toebehoort, te weten 1 blauw verkaste mobiele telefoon van het merk Samsung aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing van de Kantonrechter berust op de artikelen 9, 11, 38, 44, 72 en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De Kantonrechter beslist als volgt:

Bewezenverklaring

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven is vermeld;

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hierboven is vermeld;

Strafbaarheid van de verdachte

Verklaart de verdachte strafbaar;

Oplegging straf

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Beslag

Verklaart het volgende voorwerp verbeurd te weten 1 grijs gelakt voertuig van het merk Toyota Mark 2 met als volgnummer 83-59 WP.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp, te weten 1 blauw verkaste mobiele telefoon van het merk Samsung.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Elgin, Kantonrechter in het Tweede Kanton, in tegenwoordigheid van mr. R. Singodikromo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juni 2024.

 

 

SRU-HvJ-2025-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00044
28 maart 2025
Vonnis in de zaak van:

DE PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. S. Fernand, advocaat,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de PVP”

tegen

HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: I. D. Kanhai BSc., advocaat,
hierna te noemen: “het CHS”,
geïntimeerde in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 26 maart 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (Civarnummer 202501211) tussen PVP als eiseres en het CHS als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep                                                                           

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 27 maart 2025 van de Substituut-Griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat de PVP tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van Justitie d.d. 28 maart 2025, tijdens welke zitting de zaak door beide partijen is bepleit.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

De feiten
Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 De PVP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. haar een ruimere periode wordt toegekend om de kandidatenlijsten in te dienen, althans haar daartoe een periode van een week de ruimte te bieden, totdat in een bodemprocedure wordt uitgemaakt of de wettelijke bepaling, zijnde artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling, inderdaad dwingendrechtelijk van aard is;
II. het CHS te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor iedere dag dat zij mocht nalaten aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;
III. het CHS te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2 Het CHS heeft tegen de vordering verweer gevoerd.
3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 26 maart 2025 het gevorderde afgewezen en de PVP veroordeeld in de proceskosten.

De vordering in hoger beroep en de standpunten van partijen
4.1 De PVP heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter en vordert dat het Hof het vonnis in eerste aanleg vernietigt en, opnieuw rechtdoende, haar vordering alsnog toewijst.

4.2 De PVP heeft aan haar vordering, onder andere, ten grondslag gelegd dat zij vanaf de verkeerde beslissing van het CHS van 28 februari 2025 in het ongewisse is geweest over de vraag of zij kon deelnemen aan de verkiezingen. Deze verkeerde beslissing komt neer op een onrechtmatige daad van het CHS jegens de PVP. De PVP had hierdoor niet voldoende ruimte om de kandidatenlijsten op 25 maart 2025 te kunnen afronden en in te dienen. De PVP mag niet het gelag betalen voor de verkeerde beslissing van het CHS.

4.3 De PVP heeft voorts aangevoerd dat er geen wettelijk beletsel is om de termijn uit te breiden. Artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling vermeldt niet dat de dag van kandidaatstelling 25 maart 2025 moet zijn. De datum van de kandidaatstelling is niet dwingendrechtelijk bepaald. Slechts de tijdsintervallen die dienen te zitten tussen de specifieke acties die elkaar opvolgen zijn geregeld. Nu het is gebleken dat de PVP ten onrechte niet is toegelaten tot de registratie dient zij in de gelegenheid gesteld te worden om alsnog dezelfde tijd te krijgen die andere partijen hebben gehad om hun kandidatenlijsten in te dienen. Door de weigering van het CHS om de periode te verruimen was er geen sprake van een “even playing field”.

4.4 Tevens werd door de PVP aangevoerd dat door de onzekerheid die is ontstaan door de weigering op 28 februari 2025, veel personen die zich kandidaat hebben gesteld ontmoedigd waren geraakt en zich terug hadden getrokken. Er was gedurende de weken na de weigering sprake van een “psychologische ramp”. De personen die betrokken waren bij de partij hadden er door teleurstelling geen geloof meer in dat de partij nog zou meedoen aan de verkiezingen. Na de uitspraak van het Hof van Justitie op 22 maart 2025, waarin was beslist dat de PVP zich mocht registreren, was het niet mogelijk gelijk iedereen weer bij elkaar te krijgen en de kandidatenlijsten op te stellen. Het was pas op maandag 24 maart 2025 dat alle bij de partij betrokken personen op de hoogte konden worden gesteld waarna nog aan de vereiste formaliteiten moest worden voldaan alvorens de kandidatenlijsten ingediend hadden kunnen worden. Door het effect van de weigering was het niet mogelijk om de lijsten op 25 maart 2025 in te dienen waardoor een verzoek was gedaan om verruiming van de termijn met een week. Deze situatie is niet door de schuld van de PVP ontstaan doch door de schuld van het CHS. Om die reden had het CHS wel toestemming moeten geven voor de verruiming van de termijn.

4.5 Het CHS heeft aangevoerd dat na het vonnis van het Hof op 22 maart 2025 gelijk alle condities zijn gecreëerd voor de PVP om te voldoen aan de eisen van de wet voor het indienen van de kandidatenlijsten. Zij heeft op 22 maart 2025 direct het vonnis uitgevoerd en PVP in de gelegenheid gesteld om zich te registreren. Tevens heeft PVP gelijk toegang verkregen tot het digitale platform en verkreeg zij van CBB alle medewerking om de kandidatenlijsten klaar te maken. Het CBB was buiten kantooruren ook bereikbaar voor alle politieke partijen, ook op de zaterdagen en de zondagen. De vier dagen waren ruim voldoende om de kandidatenlijsten digitaal te uploaden en de stukken fysiek in te dienen.
Het CHS heeft met betrekking tot de handelingen na de registratie aangevoerd dat het klaarmaken van de kandidatenlijsten via het platform mogelijk is in een paar stappen en het uploaden in een half uur kan geschieden. Daarna is het indienen van fysieke kandidatenlijsten ook binnen korte tijd te realiseren.
Voorts heeft het CHS niet kunnen afwijken van de in de wet genoemde termijnen omdat daarmee de voortgang van de verkiezingen ernstig in gevaar kan worden gebracht.
De artikelen 38 en verder van de Kiesregeling noemen fatale termijnen waaraan het CHS zich strikt moet houden. Het CHS heeft er bewust voor gekozen om het digitale platform gelijk na het vonnis open te stellen waardoor de PVP geen belemmeringen heeft ondervonden van de zijde van het CHS. Het CHS is niet aansprakelijk voor de interne issues van de PVP.

4.6 Het CHS voerde voorts aan dat de kantonrechter de vordering terecht heeft afgewezen, immers, artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling is van dwingendrechtelijke aard. In casu was er geen sprake van een uitzonderlijke toestand op grond waarvan het CHS anders zou moeten besluiten.

De beoordeling

5.1 Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de PVP daarin kan worden ontvangen.

5.2. Het Hof overweegt vooreerst dat vanuit hun aard het kiesrecht en de uitwerking van dat recht een nogal formeel en uiterlijk karakter hebben. De kieswettelijke regelingen geven vooral een samenstel van procedureregels en termijnbepalingen. De keuze van de wetgever voor een strikte regeling in de Kiesregeling heeft als achtergrond een voor ieder gelijke, eerlijke verkiezing te waarborgen. Daarom is er, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, geen ruimte voor het CHS om in afwijking van de dwingende bepalingen van de Kiesregeling te beslissen.

5.3 Artikel 85 lid 1 van de Kiesregeling bepaalt dat de dag der kandidaatstelling ten behoeve van de leden van de volksvertegenwoordigende lichamen bij Staatsbesluit wordt bepaald en wel zodanig dat tussen deze dag en de dag van de stemming zestig dagen gelegen zijn. Ter uitvoering van dit artikel lid is bij Staatsbesluit van 17 februari 2025 (Besluit Vaststelling Dag der Kandidaatstelling en Dag der Stemming 2025) bepaald dat de dag der kandidaatstelling ten van behoeve van de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen is vastgesteld op 25 maart 2025. Voorts is in dit Staatsbesluit bepaald dat de dag der stemming voor de volksvertegenwoordigende lichamen is vastgesteld op zondag 25 mei 2025.

5.4 De vraag die thans dient te worden beantwoord is of hetgeen PVP als reden heeft gegeven voor het niet kunnen indienen van de kandidatenlijst op 25 maart 2025 moet worden aangemerkt als een uitzonderlijke situatie, die het verruimen van de termijnen genoemd in de de wet, rechtvaardigt.
In casu doet het geval zich voor dat PVP zich door de weigering van het CHS om zich te registeren op 28 februari 2025, niet richtte op het voorbereiden van de kandidatenlijsten, doch zich richtte op het instellen van procedures, bij de President en bij het gerecht om het besluit van de weigering aan te vechten.
De PVP heeft, nadat zij in het gelijk is gesteld door het Hof op zaterdag 22 maart 2025, op die dag nog de toegang verkregen tot het digitale platform waardoor zij gelijk de voorbereidingen kon treffen, ook op de zaterdag en de zondag, om de kandidatenlijsten klaar te maken. Ook had zij, naar eigen zeggen, de volledige medewerking van het Centraal Bureau voor Burgerzaken om op een spoedige manier aan de benodigde documenten te komen.
Het Hof begrijpt dat het probleem niet zozeer was het niet op tijd kunnen voldoen aan de vereiste formaliteiten om de kandidatenlijsten in te dienen, doch dat het probleem was dat de PVP niet meer beschikte over kandidaten om op de lijst te plaatsen.
Dat zij door interne omstandigheden, de partij zelf betreffende, die door de PVP werd aangemerkt als een “psychologische ramp”, niet over kandidaten beschikte, kan, gelijk het CHS stelt, niet op het conto van het CHS geschreven worden.
Van een politieke partij die wenst deel te nemen aan de algemene, geheime en vrije verkiezingen van het land teneinde bij verkiezing van haar kandidaten deel uit te maken van de wetgevende macht en mogelijk ook deel te nemen aan het bestuur, mocht worden verwacht dat zij, in geval van een gunstige beslissing, haar voorbereidingen zodanig had getroffen, dat zij de kandidatenlijsten op tijd zowel digitaal als in fysieke vorm kon indienen.
In dit geval is van een zeer uitzonderlijke situatie, als gevolg waarvan verruiming van tijd zou moeten geschieden, geen sprake.

5.5 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken, nu dat niet tot een ander oordeel zou leiden en het PVP zal worden veroordeeld in de kosten van het proces.

6. Beslissing
Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 maart 2025 bekend onder Civarnummer 202501211;

6.2 Veroordeelt PVP in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van CHS gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. nihil (nihil SURINAAMSE DOLLARS) aan verschotten en SRD.15.000,- (VIJFTIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gemachtigdensalaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 28 maart 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B, Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                       w.g. D.D. Sewratan

Partijen appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. E.S. Fernand, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

Dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier

 

SRU-K1-2025-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202501211
26 maart 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

 

PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “PVP”,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.S. Fernand, advocaat,

tegen

HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU, kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “CHS”,
gedaagde,
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 25 maart 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 26 maart 2025;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 PVP heeft bij brief van haar gemachtigde de dato 24 maart 2025 ref: 025-070.pro het CHS het verzoek gedaan om aan haar een week, na de datum van de kandidaatstelling op 25 maart 2025, althans een redelijke termijn te gunnen om haar kandidaat lijsten alsnog in te dienen.

2.2 Het CHS heeft per brief de dato 24 maart 2025 kenmerk CHS-2025/92/SEC, de gemachtigde van PVP als volgt bericht:

“Hetgeen u in uw vorenbedoeld schrijven verlangt is helaas niet uitvoerbaar aangezien zulks in strijd is met art. 38 lid 1 van de Kiesregeling.

Hetzij vermeld, dat de tijdsbepalingen genoemd in de Kiesregeling van dwingendrechtelijke aard zijn en de wet het CHS geen ruimte open laat hiervan af te wijken;”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 PVP vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

haar een verruimde periode voor het indienen van haar kandidatenlijst toe kent, althans haar een week daartoe de ruimte biedt, totdat in een bodemprocedure is uitgemaakt of artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling dwingendrechtelijk van aard is.
CHS veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van SRD 50.000, – (vijftigduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat het CHS nalatig blijft om uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
CHS veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 PVP legt aan haar vordering ten grondslag dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling niet dwingendrechtelijk van aard is, waardoor aan haar een verruiming van de periode voor het indienen van haar kandidatenlijst moet worden geboden.

3.3 Het CHS heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Niet in geschil is dat de kort geding rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil als hier aan de orde en dat PVP een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

4.2 PVP heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat de weigering van het CHS tot registratie van haar voor deelname aan de verkiezingen wanhoop en teleurstelling heeft teweeggebracht bij personen die zij wilde plaatsen op haar kandidatenlijst. Dat voor het kunnen plaatsen van personen op haar kandidatenlijst het geloof en vertrouwen van deze personen nodig is. Dat de overige politieke partijen hun kandidatenlijst voor indiening gereed hadden, omdat zij niet te maken hadden met de uitdagingen waarmee zij te maken had. Dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling niet van dwingend rechtelijke aard is en dat aan haar derhalve een week, althans een redelijke periode moet worden gegund om haar kandidatenlijst alsnog in te dienen. Het CHS stelt zakelijk weergegeven dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling van openbare orde is en dat de PVP de mogelijkheid had, om in afwachting van de uitslag van de procedure met betrekking tot de weigering om haar te registreren, haar kandidatenlijst in orde te maken. Dat de bepaling van de dag der kandidaatstelling en de te houden verkiezingen dwingend is geregeld in artikel 85 lid 1 en 86 van de Kiesregeling. Dat zowel de dag van de kandidaatstelling als die van de houden verkiezing op 25 mei 2005 bij staatbesluit van 17 februari 2025 (SB 2025 no. 25) is bepaald, waarvan zij niet kan afwijken.

4.3 Uitgangspunt is het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling. In artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling is bepaald dat op de dag van de kandidaatstelling voor de verkiezing van leden voor De Nationale Assemblee bij het hoofdstembureau van 08.00 tot 15.00 uur lijsten van kandidaten zowel schriftelijk als digitaal kunnen worden ingeleverd. De kantonrechter is van oordeel dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling een vervaltermijn betreft. Een vervaltermijn is een fatale termijn. Het brengt het definitieve verval mee van het recht van PVP om haar kandidatenlijst in te dienen. De vervaltermijn is, in tegenstelling tot een verjaringstermijn, niet vatbaar voor stuiting of voor schorsing en kan niet het voorwerp zijn van een afstand. Een vervaltermijn is een door de wet, de rechter of de overeenkomst voorgeschreven termijn waarbinnen een bepaalde handeling, waarvan het behoud van een recht of de bescherming van een belang afhangt, dient te worden verricht. Indien de handeling niet wordt verricht binnen de voorgeschreven termijn is het recht onherroepelijk vervallen en kan de handeling niet meer worden verricht. De verkiezingsorganisatie brengt met zich mee dat partijen die aan de verkiezing wensen deel te nemen zich dienen te houden aan strikt vastgestelde termijnen. Gelet op het voren overwogene zal de vordering van PVP om haar nog een week te gunnen, althans haar een redelijke termijn te gunnen om alsnog haar kandidaten lijst in te dienen worden afgewezen.

4.4 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.5 PVP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CHS worden begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het gevorderde,

5.2 veroordeelt PVP in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van het CHS welke is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in Kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei op 26 maart 2025 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2025-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00038
22 maart 2025

Vonnis in de zaak van:

DE PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. S. Fernand, advocaat,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de PVP”
tegen

A. HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: I. D. Kanhai BSc., advocaat,
hierna te noemen: “het CHS”,

B. DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, CHANDRIKAPERSAD SANTOKHI,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. K. J. Kraag – Brandon, advocaat,
hierna te noemen: “de President”,
sub A en B gezamenlijk geïntimeerden in kort geding genoemd,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 12 maart 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (Civarnummer 202500973) tussen PVP als eiseres en het CHS en de President als gedaagden, spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal van 17 maart 2025 van de Substituut-Griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat PVP tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven, met producties, gedateerd 17 maart 2025;
• de memorie van antwoord zijdens het CHS, gedateerd 20 maart 2025;
• de antwoordpleitnota zijdens de President, gedateerd 20 maart 2025.
• partijen hebben hiena mondeling gepleit waarna de uitspraak van het vonnis is bepaald op een nader door te geven datum en tijd.

1.2 De uitspraak is nader bepaald op heden.

2. De feiten

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 De PVP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de werking van de beschikking d.d. 28 februari 2025 van het CHS te schorsen, dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
II. de werking van de resolutie d.d. 5 maart 2025 van de President te schorsen dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
III. het CHS te veroordelen om de registratie van PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] toe te staan;
IV. het CHS en de President, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van het geding conform het liquidatietarief;
V. het CHS en de President te veroordelen in de proceskosten.
3.2 Het CHS en de President hebben tegen de vordering verweer gevoerd.
3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 12 maart 2025 de PVP niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tegen het CHS, het verzoek tegen de President afgewezen en de PVP veroordeeld in de proceskosten.

4. De vordering, de grieven en het verweer
4.1 De PVP is met vijf grieven opgekomen tegen het beroepen vonnis en heeft gevorderd dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, het gevorderde wordt toegewezen.

De stellingen en weren van partijen in eerste aanleg
4.2 PVP heeft in eerste aanleg – kort samengevat – aangevoerd dat er geen sprake is van weigeringsgronden ex artikel 35 lid 1 tot en met 4 van de Kiesregeling zodat zij moest worden toegelaten om zich te registreren. Tevens heeft zij aangevoerd dat de indieners een rechtsgeldige volmacht hadden om de PVP te registreren en dat zij op grond van artikel 37 lid 1 van de Kiesregeling nog eenmaal een aanbieding ter registratie zouden moeten kunnen doen. Voorts heeft zij aangevoerd dat het motiveringsbeginsel is geschonden door CHS en de President omdat hun beslissingen ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

4.3 CHS voerde als formeel verweer aan dat zij geen wettelijke procesbevoegdheid bezit waardoor de PVP niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering jegens haar.
Als materieel verweer heeft zij aangevoerd dat artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling dwingendrechtelijk van aard is, zodat bij het ontbreken van een geldige schriftelijke volmacht niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het doen van het verzoek tot registratie. De weigering van het verzoek is gestoeld op artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling, niet op artikel 35 lid 1 onder b en c Kiesregeling, terwijl er ook geen sprake is van ongegrond verklaring van het ingediende bezwaarschrift.
Ook voerde zij aan dat PVP niet nogmaals de mogelijkheid moet krijgen om te registreren.

4.4 De President voerde als verweer onder andere aan dat de weigering van de registratie wegens het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht bij de indiening van de registratiebescheiden terecht was en in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving inzake verkiezingen in Suriname. Het bij de President ingesteld beroep is derhalve terecht ongegrond verklaard. De President stelde dat een niet-rechtsgeldige volmacht een fundamenteel gebrek is dat niet met terugwerkende kracht kan worden gerepareerd in deze fase van de verkiezingsprocedure.

De grieven van de PVP
4.5 De grieven 1 en 2 hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat de volmacht niet rechtsgeldig was en dat de PVP een besluitenlijst had moeten overleggen als zij zich op artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement beroept.
De weigering om de PVP te laten registreren is gebaseerd op artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling, namelijk op de zienswijze van het CHS dat aan de volmacht gebreken kleven nu deze niet was ondertekend door de penningmeester S.R.A. Lachman.
Echter is de volmacht rechtsgeldig tot stand gekomen. Artikel 13 van de Statuten bepaalt dat het hoofdbestuur belast is met de leiding van de PVP met inachtneming van het bepaalde in de statuten en het huishoudelijk reglement en artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement bepaalt dat besluiten van het hoofdbestuur zullen worden genomen met gewone meerderheid, wat dient te blijken uit de desbetreffende besluitenlijsten, schriftelijk of electronisch.
De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat de rechtsgeldigheid niet voortvloeit uit artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement omdat dat artikel gaat over besluiten genomen door het hoofdbestuur en de wijze waarop deze tot stand komen en niet over de vertegenwoordiging van de vereniging. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat een besluitenlijst overgelegd had moeten worden waaruit bleek dat het bestuur bij gewone meerderheid had besloten dat aan de twee personen genoemd in de volmacht, een volmacht zou worden uitgebracht.

4.6 De grieven 3 en 4 handelen over de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het handelen in strijd met het het Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke rechten en de Grondwet.
De PVP stelt onder andere dat het handelen van het CHS en de President in strijd is met het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel. Zij voert aan dat de handtekening van vier bestuursleden waarbij het vijfde bestuurslid vanwege uitstedigheid niet heeft kunnen tekenen geen benadeling betekent van wie dan ook in de samenleving, nu dat vijfde bestuurslid ook de volmacht had willen tekenen. De sanctie van uitsluiting van deelname aan de verkiezingen staat niet in verhoudig tot een dergelijke omstandigheid en is disproportioneel. Ook is het handelen in strijd met het recht tot deelname van een partij aan de verkiezingen zoals neergelegd in het genoemde verdrag en de Grondwet.

4.7 Grief 5 heeft betrekking op het registratieverzoek in tweede instantie.
De PVP stelt met deze grief aan de orde dat haar registratie ten onrechte is geweigerd en dat daardoor ook een registratieverzoek in tweede instantie, zoals bedoeld in artikel 37 van de Kiesregeling, helemaal niet aan de orde is. Het besluit van het CHS is onterecht waardoor de PVP wel in de gelegenheid gesteld moet worden om zich te registreren.

4.8 Het CHS en de President hebben op de grieven gereageerd.
Daarbij is het CHS bij haar formeel verweer gebleven namelijk dat zij niet in rechte kan worden betrokken omdat zij geen zelfstandige drager is van rechten en plichten en daardoor geen wettelijke procesbevoegdheid heeft.
Voorts heeft het CHS op de grieven, voor zover voor de beoordeling van belang, aangevoerd dat haar weigering om de PVP te registreren terecht was. De weigering is gestoeld op artikel 31 lid 2 jo artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling. De aanbieding tot registratie is gekoppeld aan dwingendrechtelijke, wettelijke vereisten, waar de PVP niet aan voldeed. De PVP geeft een eigen lezing aan haar statuten, echter blijkt uit de statuten dat het hoofdbestuur bevoegd is tot vertegenwoordiging van de PVP in en buiten rechte, waardoor een volmacht ondertekend zou moeten zijn door alle vijf bestuursleden.
Het besluitenregime neergelegd in artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement is niet hetzelfde als het vertegenwoordigingsregime.
Het CHS ontkent voorts dat zij in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met verdragsbepalingen of de Grondwet.

De President heeft op de grieven aangevoerd dat terecht is geoordeeld dat de volmacht niet rechtsgeldig is uitgebracht. Hierbij verwijst de President naar artikel 13 sub 2 van de statuten, waaruit zou moeten blijken dat de volmacht door alle vijf bestuursleden getekend diende te worden. Voorts stelt hij dat, indien de PVP zich op artikel 7 lid 2 wil beroepen, een besluitenlijst overgelegd zou moeten zijn, hetgeen niet is gebeurd.
De President voert voorts aan dat er geen spake is geweest van het in strijd handelen met bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten van de mens of de Grondwet.

5. De beoordeling

5.1 Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de PVP daarin kan worden ontvangen.

Het formele verweer
5.2 Het Hof overweegt met betrekking tot de vraag of de vordering ingediend had mogen worden tegen het CHS alsvolgt.
Geoordeeld moet worden over de vraag of het CHS in dit kort geding in rechte kan worden betrokken.

De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen. Indien een ambtelijk orgaan als zodanig in een burgerlijk geding zou kunnen optreden zouden problemen van procesrechtelijke aard kunnen optreden. Zo zou onzeker kunnen zijn wie door het gezag van gewijsde wordt gebonden en jegens wie een uitspraak zou kunnen worden geexecuteerd. Dit uitgangspunt laat ruimte voor uitzonderingen. (vide onder andere HR 27–6–1975, NJ 1976, 128)

Met betrekking tot privaatrechtelijke partijen is het algemeen aanvaard dat de VOF en de Commanditaire vennootschap de bevoegdheid hebben om als procespartij op te treden, ondanks het feit dat zij geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Ook de maatschap heeft de bevoegdheid om als procespartij op te treden, ondanks het feit dat zij geen rechtspersoonlijkheid bezit. Ter vergelijking zie overige jurisprudentie van de Hoge Raad. Zo werd in de zeventiger jaren door de HR overwogen (Vide NJ 1977, 586, HR, 05-11-1976: Moret Gudde Brinkman) : “Door in het bestreden vonnis de eiseres in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat een maatschap geen rechtspersoonlijkheid bezit en derhalve in rechte niet zelfstandig doch bij haar maten moet optreden, heeft de Kantonrechter een onjuiste beslissing gegeven.”

De HR heeft overigens bij arrest van 30 jan. 1874 reeds overwogen “ – ten aanzien van het tweede cassatiemiddel-, dat niet alleen enkele personen, hetzij dan natuurlijke of regtspersonen, zakelijke of persoonlijke regten kunnen hebben en door middel van regtsvorderingen kunnen handhaven, maar dat ook meerdere personen gezamenlijk eigenaars of schuldeischers kunnen zijn en tot handhaving van hunne gemeenschappelijke regten gezamenlijk in regten kunnen optreden; dat bepaaldelijk vennooten in hunne door de overeenkomst van maatschap ontstane betrekkingen gemeene regten kunnen hebben en gezamenlijk hunne gemeenschappelijke regten door regtsvorderingen kunnen handhaven”.

De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt dus in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen, echter is er ruimte voor uitzonderingen.

Het voormelde uitgangspunt — waar dit ruimte laat voor uitzonderingen — brengt mee dat voor het antwoord op de door het middel aan de orde gestelde vraag beslissend is of er grond bestaat te dezen een zodanige uitzondering aan te nemen.

Naar het oordeel van het hof bestaat in het onderhavig kort geding grond om een zodanige uitzondering aan te nemen. Voor het antwoord op die vraag is gekeken naar de wet waarin de instelling van dit orgaan is geregeld, namelijk de Kiesregeling.

Uit de wetstekst en de memorie van toelichting blijkt dat het CHS in verband met de verkiezingen een aantal specifieke taken en bevoegdheden heeft, die alleen zij kan uitvoeren. Bij de wijziging van 2024 (SB 2024 no. 59) zijn deze taken zelfs uitgebreid.
Nu het CHS specifieke zelfstandige taken heeft en bevoegdheden bezit, waaronder de bevoegdheid om besluiten te nemen in verband met de registratie van politieke partijen en het indienen en controleren van kandidatenlijsten, moet ervan worden uitgegaan dat het CHS, op grond van de Kiesregeling, weliswaar enkel met betrekking tot deze taken en bevoegdheden, in kort geding in rechte kan worden betrokken en als procespartij kan optreden.
Op grond van het voorgaande is de PVP ontvankelijk in haar vordering jegens het CHS.

De grieven 1 en 2
5.3 In haar grieven voert de PVP aan dat de volmacht wel rechtsgeldig is. Het CHS en de President hebben, zoals hierboven uiteengezet, als standpunt dat de volmacht niet rechtsgeldig is.
Het hof overweegt ten aanzien van deze grieven alsvolgt.
Artikel 13 (nieuw) leden 1 tot en met 4 van de gewijzigde statuten van de PVP luiden alsvolgt:
1. “Het hoofdbestuur is belast met de leiding van de “P.V.P.”vereniging, met inachtneming van het bepaalde in de statuten en het huishoudelijk reglement.
2. Het hoofdbestuur vertegenwoordigt de vereniging in en buiten rechte.
3. Het Hoofdbestuur heeft onder andere tot taak:
• erop toe te zien dat kandidaten ter verkiezing in de door de wet ingestelde volksvertegenwoordigende lichamen binnen de structuur van de PVP worden gekozen; – om het beginselprogramma en bij elke verkiezing het verkiezingsprogramma aan de bevolking bekend te maken.
4. Het dagelijkse bestuur, belast met de dagelijkse leiding van de “P.V.P.”, wordt gevormd door de voorzitter, de secretaris en de penningmeester.”

Artikel 7 leden 1 en 2 van het huishoudelijk reglement van de P.V.P. luiden alsvolgt:
“1. Conform artikel 13 van de statuten is het hoofdbestuur belast met de leiding van de PVP en vertegenwoordigt zij de partij in en buiten rechte.
2. Besluiten van het hoofdbestuur zullen worden genomen met gewone meerderheid, wat dient te blijken uit de desbetreffende besluitenlijsten, schriftelijk of electronisch.”

De namens PVP overgelegde schriftelijke volmacht aan het CHS herbergt in zich de besluitvorming van de PVP om aan de komende verkiezingen deel te nemen en tevens om de twee personen te machtigen de PVP te registreren voor deelname aan de verkiezingen. Voor laatstbedoelde besluit was een gewone meerderheid, minimaal drie van de vijf hoofdbestuursleden,voldoende. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 13 lid1 van de statuten juncto artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement.
Dat het bestuur van de PVP dat besluit heeft genomen, en wel bij gewone meerderheid blijkt genoegzaam uit de volmacht, die door vier van de vijf bestuursleden is ondertekend. Een aparte schriftelijke besluitenlijst was in casu daarom niet nodig.
Het CHS had genoegzaam kunnen begrijpen dat aan het voorschrift van artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling is voldaan.
De eerste twee grieven zijn op grond van het voorgaande gegrond.

5.4 Nu de eerste twee grieven doel treffen zal het besluit van het CHS worden geschorst en zal de CHS worden bevolen om de registratie als bedoeld in artikel 31 van de Kiesregeling van de PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] alsnog toe te staan en wel op uiterlijk maandag 24 maart 2025 om 11.00 uur des voormiddags.

5.5 Gelet op het hiervoren overwogene zal het besluit van de President vervat in de resolutie d.d. 5 maart 2025, no. [nummer 2] eveneens worden geschorst.

5.6 Aan bespreking van de overige grieven komt het hof daarom niet meer toe.

5.7 Het beroepen vonnis van de kantonrechter zal derhalve worden vernietigd en het gevorderde zal als na te melden worden toegewezen.

5.8 CHS en de president zullen, des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten aan de zijde van PVP gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep, met inachtneming van het liquidatietarief.

6. Beslissing
Het hof:
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken op 12 maart 2025 bekend onder civarnummer 202500973, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

6.2 Schorst de werking van het besluit van het CHS genomen bij beschikking d.d. 28 februari 2025, genummerd [nummer 1], totdat in een nog in te stellen bodemprocedure onherroepelijk hierover is beslist;

6.3 Schorst de werking van het besluit van de President genomen bij resolutie d.d. 5 maart 2025, no. [nummer 2], totdat in een nog in te stellen bodemprocedure onherroepelijk hierover is beslist;

6.4 Beveelt het CHS om de registratie als bedoeld in artikel 31 van de Kiesregeling van de PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] alsnog toe te staan en wel uiterlijk maandag 24 maart 2025 om 11.00 uur des voormiddags;

6.5 Veroordeelt CHS en de President in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van PVP gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 16.784,- (ZESTIENDUIZEND ZEVENHONDERD EN VIERENTACHTIG SURINAAMSE DOLLARS) aan verschotten en SRD.15.000,- (VIJFTIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gemachtigdensalaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op zaterdag 22 maart 2025 in tegenwoordigheid van R.S. Dewkalie LLB, Fungerend-Griffier.

SRU-K1-2025-3

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

Civarno.202500973
12 maart 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

DE PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. S. Fernand, advocaat,
eiseres,
hierna te noemen: “PVP”

tegen

A. HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: I. D. Kanhai BSc., advocaat,
hierna te noemen: “CHS”,

B. DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME, CHANDRIKAPERSAD SANTOKHI,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. K. J. Kraag – Brandon, advocaat,
hierna te noemen: “de President”
gedaagden.

1. Het procesverloop:
1.1 De procesgang blijkt uit de volgende processtukken en/of handelingen:
• het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 10 maart 2025 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• de exceptie tot niet ontvankelijkheid zijdens CHS;
• de conclusie van antwoord met daarbij behorende producties zijdens CHS;
• de conclusie van antwoord zijdens de President;
• de mondelinge conclusie van repliek;
• de mondelinge conclusie van dupliek zijdens CHS;
• de mondelinge conclusie van dupliek zijdens de President.

1.2 de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten:
2.1 PVP is opgericht op 23 februari 2014 en is een politieke organisatie in de zin van het Decreet Politieke Organisaties.

2.2 Het hoofdbestuur van PVP bestaat uit:

• [naam 1] (voorzitter);
• [naam 2] (secretaris);
• [naam 3] (penningmeester);
• [naam 4] (commissaris)
• [naam 5] (commissaris).

2.3 PVP heeft zich bij CHS opgegeven voor registratie op 24 februari 2025 teneinde deel te kunnen nemen aan de Algemene, Vrije en Geheime verkiezingen op 25 mei 2025. [Naam A] en [Naam B], zijnde leden van PVP, hebben de nodige stukken aangeboden aan CHS.

2.4 CHS heeft bij beschikking d.d. 28 februari 2025 met als kenmerk [nummer] het volgende overwogen en beslist:

“OVERWEGENDE:
• Dat de Politieke Organisatie “PVP”, bij het gedane verzoek heeft overgelegd:
1. Een schriftelijke volmacht waaruit zou moeten blijken, dat
– [Naam A];
– [Naam B];
door de politieke organisatie zijn gemachtigd en aldus bevoegd tot aanbieding voor registratie;
2. Het bewijs van registratie van de politieke organisatie bij het Onafhankelijk Kiesbureau d.d. 31 januari 2025;
3. De statuten van de politieke organisatie waaruit blijkt, dat is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 7 lid 2 van het Decreet Politieke Organisaties;
4. Het bewijs van de storting van de waarborgsom;
5. De naam van de politieke organisatie;
6. De verkorte aanduiding van de politieke organisatie;
7. De gekozen woonplaats van de politieke organisatie in Suriname;
8. Het partijsymbool;
9. De samenstelling van het huidig bestuur van de politieke organisatie;
10. Het verkiezingsprogramma van de politieke organisatie;

• dat aanbieding tot registratie van de “P.V.P” op 24 februari 2025 omstreekst 14.45 is voltooid.
• dat artikel 13 onder 2 van de statuten van de politieke organisatie luidt:
– “Het hoofdbestuur vertegenwoordigt de vereniging in en buiten rechte”
– Artikel 13 onder 5 “het hoofdbestuur kan aan het dagelijks bestuur en aan andere bestuursleden taken delegeren;
• dat uit het bewijs van registratie van het Onafhankelijk Kiesbureau d.d. 31 januari 2025, welk bewijs overeenstemt met het overgelegd schrijven van de politieke organisatie d.d. 12 februari 2025 aan het O.K.B. blijkt, dat het bestuur van politieke organisatie bestaat uit:
– [Naam 1], voorzitter
– [Naam 2], Secretaris
– [Naam 3], penningmeester
– [Naam 4], Commissaris
– [Naam 5], Commissaris
• dat de aan het Centraal Hoofdstembureau overgelegde volmacht is ondertekend door
– [Naam 1], voorzitter
– [Naam 2], secretaris
– [Naam 5], commissaris
– [Naam 4], commissaris
• Dat het Centraal Hoofdstembureau op grond van bovenstaande tot de conclusie komt, dat aan de aan haar overgelegde volmacht gebreken kleven, aangezien deze niet is ondertekend door de penningmeester [Naam 3];
• Niet is gebleken van een omstandigheid zoals genoemd in artikel 13 lid 5 van de Statuten;

HEEFT BESLOTEN:
I. Het verzoek van de Politieke Organisatie “P.V.P” tot registratie in het openbaar register, bijgehouden door het Centraal Hoofdstembureau, ten behoeve van de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen, te houden op zondag 25 mei 2025, te weigeren;

II. Onder de aandacht van de politieke organisatie te brengen, dat zij ingevolge artikel 36 lid 1 van Kiesregeling, geldende tekst, gedurende twee werkdagen na de dag van ontvangst van deze beslissing, schriftelijk beroep kan aantekenen bij de President van de Republiek Suriname;”

2.5 Tegen de beslissing van CHS is PVP in beroep gegaan bij de President. Bij resolutie d.d. 05 maart 2025, no. [nummer 2] heeft de President besloten het beroep van PVP ongegrond te verklaren en de beslissing van CHS te handhaven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer:
3.1 PVP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de werking van de beschikking d.d. 28 februari 2025 met als kenmerk [nummer 1] te schorsen dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
II. de werking van de resolutie d.d. 5 maart 2025 no. [nummer 2] te schorsen dan wel op te schorten totdat uit een nog in te stellen bodemprocedure een onherroepelijk uitgesproken vonnis is voortgekomen;
III. CHS te veroordelen om de registratie van PVP met gebruikmaking van de volmacht uitgebracht op [Naam A] en [Naam B] toe te staan;
IV. CHS en de President, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van het geding conform het liquidatietarief;
V. CHS en de President te veroordelen in de proceskosten.

3.2 PVP heeft – kort samengevat – aan haar vordering ten grondslag gelegd dat:
1. het motiveringsbeginsel is geschonden door CHS en de President, nu hun beslissingen ondeugdelijk zijn gemotiveerd;
2. er geen weigeringsgronden zijn gerezen ex artikel 35 lid 1 tot en met 4 van de Kiesregeling, zodat zij dient te worden toegelaten om zich te doen registreren;
3. de indieners ex artikel 7 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement van PVP volmacht hebben verkregen om haar ter registratie aan te bieden;
4. zij ex artikel 37 lid 1 van de Kiesregeling nog eenmaal een aanbieding ter registratie kan doen.

3.3 CHS heeft, kort gezegd, de volgende verweren gevoerd. Allereerst voert zij formeel verweer inhoudende dat PVP niet moet worden ontvangen in haar vordering jegens haar, omdat zij weliswaar een onafhankelijke positie heeft binnen het verkiezingsproces, doch aan haar geen wettelijke procesbevoegdheid is gegeven. Als materieel verweer voert CHS aan dat het bepaalde in artikel 31 lid 2 dwingendrechtelijk van aard is, zodat bij het ontbreken van een (geldige) schriftelijke volmacht niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het doen van het verzoek tot registratie. Volgens CHS heeft PVP haar verzoek, zoals wettelijk vereist niet gedaan binnen de wettelijke gestelde termijn; De weigering van het verzoek is gestoeld op artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling, niet op artikel 35 lid 1 onder b en c Kiesregeling, terwijl er ook geen sprake is van ongegrond verklaring van ingediende bezwaarschrift. Aan PVP komt geen bevoegdheid toe tot registratie in tweed instantie.

3.4 De President voert als formeel verweer dat de dagvaarding tegen hem zoals uitgebracht door PVP gebrekkig is en op grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden afgewezen. PVP heeft nagelaten te specificeren in welke hoedanigheid de President wordt gedagvaard, hetgeen een ernstige schending oplevert van de kernbeginselen van een goede procesorde. Als materieel verweer voert de President, kort samengevat, aan dat de weigering van de registratie wegens het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht bij de indiening van de registratiebescheiden terecht is en in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving inzake verkiezingen in Suriname. Het bij de President ingesteld beroep is derhalve terecht ongegrond verklaard. De President stelt dat een rechtsgeldige volmacht een fundamenteel gebrek is dat niet met terugwerkende kracht kan worden gerepareerd in deze fase van de verkiezingsprocedure.

3.5 De kantonrechter komt, voor zover voor de beslissing van belang, in de beoordeling terug op de overige stellingen en weren van partijen.

4. De beoordeling:
Het Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen en de aard van het gevorderde.

Formele verweren
4.2 Ex artikel 29 van de Kiesregeling is er een Centraal Hoofdstembureau voor de verkiezing van de leden van De Nationale Assemblee. Dit bureau heeft mede tot opdracht het controleren van de vaststelling van de samenstelling van de Districtsraden, op grond van de uitslag van verkiezingen voor de Ressortraden en treedt eveneens als Centraal Hoofdstembureau op voor de verkiezing van de leden van de Ressortraden. De leden van het Centraal Hoofdstembureau worden benoemd en ontslagen door de President.

4.3 Uit de bepalingen in de Kiesregeling blijkt niet dat CHS zelfstandige drager is van rechten en plichten, zodat zij geen wettelijke procesbevoegdheid heeft. CHS kan derhalve niet zelfstandig in rechte worden betrokken. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van CHS slaagt op grond van het voorgaande, zodat PVP niet zal worden ontvangen in haar verzoek tegen CHS.

4.4 Ex artikel 36 lid 1 van de Kiesregeling kan de politieke organisatie aan wie de registratie is geweigerd, respectievelijk de organisatie wiens bezwaarschrift ongegrond is bevonden, tegen die beslissing schriftelijk beroep aantekenen bij de President. Anders dan de President is de kantonrechter van oordeel dat er geen wettelijk vereiste bestaat dat de hoedanigheid van de President in het proces dient te worden vermeld. Het betreft immers geen dagvaarding in privé en is het voor partijen duidelijk dat de President is betrokken in dit geding, vanwege zijn besluit als beroepsorgaan. Zie hierover het vonnis van de kantonrechter d.d. 27 juli 2017, bekend onder 15-2150 (vindplaats SRU-K1-2017-13). In dit vonnis is onder meer het volgende overwogen:

“voor de beoordeling van dit verweerpunt dient onderscheid gemaakt te worden tussen de formele procespartij en de materiële procespartij (vide het handboek “het Nederlands Procesrecht”- 2007 – pagina 76 – Prof. Mr. H.J. Snijders en anderen – en “Compendium van het Burgerlijk Procesrecht, 6e druk, pagina 52). Het onderscheid is van belang wanneer een partij in een proces optreedt doch dat doet voor een ander. De formele procespartij is degene die namens de andere (materiële procespartij) de benodigde beslissingen in de procedure neemt, de materiële procespartij is degene die gebonden en gerechtigd wordt door de uiteindelijke uitspraak van de rechter. Dit doet zich voor bij voogden van minderjarigen, de voogd treedt op in de hoedanigheid van voogd over de minderjarige waardoor uiteindelijk de minderjarige gebonden of gerechtigd wordt en niet de voogd. De voogd is de formele procespartij en de minderjarige is de materiële procespartij. Hetzelfde geldt voor een situatie waarbij een NV de materiële procespartij is doch waarbij de directeur in zijn hoedanigheid van directeur van die NV op de zitting wordt toegelaten als formele procespartij. Zijn verklaringen in de hoedanigheid van de directeur van de NV tijdens bijvoorbeeld een comparitie afgelegd worden aangemerkt als verklaringen afgelegd door de NV”.

Tevens is overwogen:
“De kantonrechter overweegt dat onder andere in het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 1997 in de zaak bekend onder arno. 964305 dit onderscheid aan de orde is gesteld waarin de kantonrechter overwoog: “Met de uitdrukking “in hoedanigheid optreden”in een rechtsgeding wordt, naar algemeen wordt aangenomen, niet bedoeld de hoedanigheid van bijvoorbeeld koper, vruchtgebruiker, uitlener of in het algemeen kwaliteiten die uit het materiële recht voortspruiten, maar de hoedanigheid van voogd, curator, gemachtigde of in het algemeen kwaliteiten die de bevoegdheid geven om namens en ten behoeve van een ander rechten uit te oefenen. Wie in hoedanigheid in een rechtsgeding optreedt (formele procespartij) treedt dus op ten behoeve van een ander (materiële procespartij). Een rechtspersoon, zoals een vereniging, treedt in eigen naam op……. uit de stellingen volgt niet dat, wanneer partijen het hebben over het aanspreken “in hoedanigheid”of het aannemen dan wel niet aannemen van een hoedanigheid, zij bedoelen te zeggen dat zij als formele procespartij ten behoeve van de vereniging optreden. Het is eerder aan te nemen dat zij bedoelen dat bij de opsomming van de naam van de procespartijen ook hun bestuursfuncties moeten worden genoemd, echter berust een dergelijk vereiste niet op de wet”.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt derhalve verworpen.

Schending algemene beginselen behoorlijk bestuur
4.5 Volgens PVP heeft CHS het motiveringsbeginsel geschonden en heeft de President haar daarin gevolgd, terwijl laatstgenoemde bij de voorbereiding van het besluit de zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen.

4.6 De President heeft in zijn besluit onder meer het volgende overwogen:
“- dat ingevolge artikel 13 lid 2 van de statuten van de politieke organisatie P.V.P. staat vermeld dat hoofdbestuur belast is met de leiding van P.V.P. vereniging met inachtneming van het bepaalde in de statuten en het huishoudelijk reglement;
– dat artikel 13 lid 2 van de statuten van voornoemde partij is opgenomen dat het hoofdbestuur de vereniging in en buiten rechte vertegenwoordigt, hetgeen betekent dat alle leden van het hoofdbestuur officiële documenten dienen te tekenen;
– dat ingevolge artikel 7 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement van de partij P.V.P. het hoofdbestuur besluiten neemt bij gewone meerderheid hetgeen moet blijken uit de besluitenlijst die zowel schriftelijk als elektronisch kan;
– dat de volmacht welke slechts door vier (4) leden is ondertekend in strijd is met artikel 7 lid 2 van het Huishoudelijk Reglement daar in onderhavige het voltallig bestuur deze had moeten onderteken;
– dat de politieke organisatie P.V.P. het argument van het Centraal Hoofstembureau nimmer heeft betwist dat overeenkomstig de statuten de volmacht door het voltallig bestuur moest worden ondertekend;
– dat het schrijven van de penningmeester [Naam 3] waarin de volmacht telefonisch is bevestigd, gelet op de adressering niet als een formeel schrijven aan het hoofdbestuur kan worden aangemerkt;
– dat op grond van al het voorgaande het beroep van de politieke organisatie Progressief Verheffende Partij (PVP) ongegrond zal worden verklaard.”

4.7 Uit de overwegingen van de President zoals vermeld onder 4.6 blijkt de motivering van zijn besluit. Van schending van het motiveringsbeginsel is, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, niet gebleken noch van het zorgvuldigheidsbeginsel, nu uit de overwegingen blijkt dat de President bij de besluitvorming de standpunten van PVP in overweging heeft genomen.

De rechtsgeldigheid van de volmacht
4.8 De aanbieding tot registratie bij CHS dient ingevolge artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling te geschieden door twee personen die hiertoe door de politieke organisatie schriftelijk zijn gemachtigd. Bij de aanbieding dienen zij de schriftelijke volmacht waaruit hun bevoegdheid blijkt te overleggen.

4.9 Ex artikel 13 lid 2 van de statuten alsook artikel 7 lid 1 van het huishoudelijk reglement wordt PVP in en buiten rechte vertegenwoordigd door haar hoofdbestuur. Nu niet expliciet in de statuten is opgenomen dat elk hoofdbestuurslid afzonderlijk de vereniging in en buiten rechte kan vertegenwoordigen dient ervan te worden uitgegaan dat de hoofdbestuursleden gezamenlijk de vereniging in en buiten rechte vertegenwoordigen. Voor een rechtsgeldige volmacht is derhalve vereist dat deze door alle leden van het hoofdbestuur is ondertekend. Nu de volmacht die is aangeboden aan CHS niet aan het voorgaande voldoet is er geen sprake van een rechtsgeldige volmacht. Het beroep van PVP op artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement wordt verworpen, omdat voormeld artikel gaat over besluiten genomen door het hoofdbestuur en de wijze waarop deze tot stand komen. Thans is geen rechtsgeldigheid van een bestuusbesluit aan de orde, doch betreft het de vraag door wie PVP in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd. Voor zover en indien PVP bedoelt dat binnen het hoofdbestuur is besloten dat zij niet door alle bestuursleden gezamenlijk hoeft te worden vertegenwoordigd, dan had zij ex artikel 7 lid 2 van het huishoudelijk reglement de besluitenlijst waaruit zulks blijkt dienen te overleggen, hetgeen zij heeft nagelaten.

4.10 Op grond van hetgeen is overwogen in 4.9 zal de kantonrechter het ervoor houden dat de volmacht van PVP zoals aangeboden aan CHS niet rechtsgeldig is, wat tot gevolg heeft dat de bevoegdheid van de 2 indieners namens PVP niet is komen vast te staan. PVP heeft hierdoor niet voldaan aan het vereiste zoals vastgesteld in artikel 31 lid 2 van de Kiesregeling, wat tot gevolg heeft dat haar registratie is geweigerd. Anders dan PVP is de kantonrechter van oordeel dat de weigering van de registratie op grond van het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht terecht is, nu het bevoegdheidsvereiste fundamenteel van aard is. Het besluit van de President tot ongegrondverklaring van het beroep van PVP en handhaving van het besluit van CHS is dan ook terecht.

Strijdig handelen met het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten
4.11 PVP is in de gelegenheid gesteld om zich te registreren voor deelname aan de verkiezingen. Door haar is niet weersproken dat zij op de dag van de registratie meerdere malen door CHS opmerkzaam is gemaakt dat de volmacht die is aangeboden niet aan de statutaire vereisten voldoet. Juist vanwege de opmerking van CHS heeft PVP een vierde bestuurslid de volmacht laten ondertekenen, terwijl het vijfde bestuurslid niet in de mogelijkheid verkeerde om alsnog de volmacht te ondertekenen. PVP heeft tegenover CHS en ook in onderhavig proces volhardt in haar zienswijze en gepersisteerd bij de rechtsgeldigheid van haar volmacht. Deze verkeerde zienswijze van PVP komt volledig voor haar rekening en risico en het besluit van de President kan derhalve niet worden aangemerkt als onredelijke beperking tot deelname aan de verkiezing zoals in artikel 25 van het verdrag wordt bedoeld.

Registratieverzoek in tweede instantie
4.12 Ex artikel 37 kan de politieke organisatie, wier registratie in eerste instantie dan wel in beroep geweigerd is op de in artikel 35 lid 1 onder b en c genoemde gronden of wier bezwaarschrift ongegrond is bevonden gedurende drie werkdagen na de dag van ontvangst van de beslissing van het Centraal Hoofdstembureau dan wel die van de President, nog eenmaal een aanbieding, als in artikel 31 lid 1 bedoeld, verrichten.

4.13 Indien tot de slotsom zou zijn gekomen dat de door PVP gegeven volmacht rechtsgeldig is, zou zij niet nogmaals een aanbieding op grond van artikel 37 van de Kiesregeling hoeven te doen, doch zou het besluit van de President en CHS mogelijk kunnen worden aangetast. Nu van de niet- rechtsgeldigheid van de volmacht blijkt, kan worden gesteld dat de aanbieding van PVP niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden en is de registratie terecht geweigerd conform artikel 35 lid 1 onder a van de Kiesregeling. Hoewel PVP niet wordt ontvangen in haar verzoek tegen CHS, wordt ten overvloede overwogen dat PVP, op grond van het voorgaande, niet in aanmerking komt voor nogmaals een aanbieding als bedoeld in artikel 37 van de Kiesregeling.

De proceskosten
4.14 PVP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van CHS en de President worden deze kosten begroot op SRD7.500,- elk, zijnde het salaris van de gemachtigden conform het in het procesreglement vastgestelde liquidatie tarief.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 verklaart PVP niet-ontvankelijk in haar verzoek tegen CHS;

5.2 wijst het verzoek tegen de President af;

5.3 veroordeelt PVP in de proceskosten, aan de zijde van CHS en de President voor elk begroot op SRD 7.500,- (zevenduizend Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. D. M. Haakmat – Sniphout, kantonrechter in het eerste kanton, ter openbare terechtzitting op woensdag 12 maart 2025 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2025-2

 02024H00269

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

GAJADIEN, Asiskumar,

wonend in het district Wanica,

appellant,

hierna: Gajadien,

gemachtigde: mr. drs. S. Boedhoe, advocaat,

 

tegen

 

JONES, Ebu Rohno,

wonend in het district Nickerie,

geïntimeerde,

hierna: Jones,

gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Derde Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 21 november 2024 (CIVAR No. 202404137) tussen Gajadien als eiser in conventie, gedaagde in reconventie, en Jones als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 9 december 2024 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Gajadien tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven van 11 december 2024, met producties;
  • Gajadien persisteert  bij zijn memorie van grieven van 11 december 2024;
  • antwoord pleidooi zijdens Jones.

De uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep

1.Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Gajadien daarin kan worden ontvangen.

2. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft Gajadien, zakelijk weergegeven, de veroordeling van Jones gevorderd tot rectificatie in een aantal dag- en avondbladen, op straffe van een dwangsom, van door hem gedane uitspraken, met advocaat- en proceskosten. Gajadien heeft aan zijn vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Jones hem op 7 en 8 oktober 2024 heeft beledigd, en hem daarbij schade heeft berokkend, door het doen van beschimpende uitlatingen die grove onwaarheden inhouden. In reconventie heeft Jones de veroordeling van Gajadien tot betaling aan hem van SRD 100.000,- met wettelijke rente gevorderd, omdat Gajadien jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door zonder deugdelijke grondslag en zonder enige noodzaak een vordering in te stellen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, met veroordeling van Gajadien in de proceskosten.

3. De uitspraken die Jones heeft gedaan en waarop de vordering van Gajadien betrekking heeft, zijn de volgende:

op 7 oktober 2024:

  • Joe nanga Gajadien, we tek monie;
  • A mang e tek moni foe Suribet;
  • A her coalitie de oneens nanga ing, maar omdat ye kies wang telefoontje dan gaat een ieder lekker mee, mek omeng Suribet de ini a kondrenow, terwijl we allemaal erover eens waren dat we het zouden aanpakken.

op 8 oktober 2024:

  • .. waarvan we weten dat leugens niet onbekend zijn en het vertellen van leugens geen onbekende fenomeen is van onder andere lid Gajadien;
  • .. we hem al te vaak hebben betrapt op het verdraaien van de werkelijkheid;
  • .. hij verdraait vaak genoeg de werkelijkheid;
  • .. we hebben allemaal de behandeling van de casinowet gevolgd, waarbij zelfs zijn eigen coalitieleden er tegen waren, maar toen het erop aankwam om te stemmen, hebben ze uit een verklaring tijdens hun stemmotivatie aangegeven waarom ze ertegen zijn, maar toch mee zullen stemmen of zich zullen onthouden.

 

4. Gajadien heeft tegen het vonnis van beroep, zakelijk weergegeven, de volgende vijf grieven aangevoerd:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter de Wet Bureau De Nationale Assemblée (hierna: Wet Bureau DNA) in zijn beoordeling betrokken.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat Jones zijn uitlatingen tijdens een schorsing van de vergadering van De Nationale Assemblée (hierna: DNA) als DNA-lid heeft gedaan en op die grond parlementaire immuniteit genoot. 

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat de parlementaire immuniteit niet alleen tijdens de DNA-vergadering zelf, maar ook bij andere activiteiten van DNA van kracht is.

Grief 4: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de uitspraken die Jones op 8 oktober 2024 heeft gedaan, niet beledigend waren.

Grief 5: Ten onrechte heeft de kantonrechter afgezien van een inhoudelijke beoordeling van de door Jones op 7 oktober 2024 gedane uitspraken, omdat deze vallen onder artikel 7 Wet BDNA.

Tegen deze grieven heeft Jones – kort weergegeven –  gesteld dat:

  • hij zich  beroept op de immuniteit die  de wet hem als parlementariër  biedt;
  • artikel 7  van de wet van 25 juni 2020 no. 118 ook  immuniteit biedt voor uitspraken die hij elders dan in de vergadering zou hebben gedaan ;
  • de schorsing een onderdeel is van de vergadering en uitspraken gedaan tijdens de schorsing ook vallen onder  de gestelde immuniteit. 

5. Het Hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. Artikel 88 van de Grondwet bepaalt dat de leden van DNA niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd voor wat zij in de vergadering zeggen. Deze bepaling laat derhalve de mogelijkheid open dat leden van DNA civielrechtelijk voor hun uitlatingen kunnen worden aangesproken. Deze mogelijkheid wordt echter beperkt, doordat artikel 7 Wet Bureau DNA (Wet van 25 juni 2020, S.B. 2020 no. 118), voor zover hier van belang, bepaalt dat de DNA-leden strafrechtelijk én civielrechtelijk niet aansprakelijk zijn ‘voor hetgeen zij in de vergaderingen van DNA en bij activiteiten van DNA in verband [met] de uitoefening van haar grondwettelijke taken’ hebben gezegd. Met zijn eerste drie grieven bestrijdt Gajadien het oordeel van de kantonrechter dat de parlementaire onschendbaarheid van toepassing was op de uitlatingen van Jones in de Nationale Assemblée op 7 oktober 2024.

6. De parlementaire immuniteit of onschendbaarheid heeft ten doel deelnemers aan de parlementaire beraadslagingen een optimale uitlatingsvrijheid te gunnen, zonder dat zij bang hoeven te zijn dat een of andere uitlating hen in aanraking met de rechter zou kunnen brengen. De ratio hierachter is dat parlementsleden, naast andere activiteiten, een controlerende functie hebben ten aanzien van het handelen van de regering. Om die functie optimaal te kunnen uitoefenen moeten zij zowel de regering als het regeringsbeleid vrij kunnen bekritiseren. Daarbij moeten in het heetst en in de emotie van het debat uitingen kunnen worden gedaan die in andere omstandigheden als onrechtmatig zouden kunnen worden aangemerkt. De grenzen die in het algemeen aan het grondrecht van vrijheid van meningsuiting worden gesteld, leggen teveel beperkingen op. De reikwijdte van deze vrijheid is echter wel beperkt tot de activiteiten die het hiervoor genoemde doel dienen. De belangrijkste daarvan zijn de beraadslagingen tijdens de openbare zitting, al dan niet in commissie, en andere activiteiten in verband met de uitoefening van de grondwettelijke taken van DNA. Doorgaans worden hiervan verslagen gemaakt en is voor iedereen kenbaar wie welke uitlatingen heeft gedaan. 

7. Vervolgens komt, gelet op de tweede grief, de vraag aan de orde of ook schorsingen deel van de beraadslagingen uitmaken. Het antwoord op deze vraag hangt af van de aard van de schorsing. Zo kan het debat over een onderwerp worden geschorst om ter vergadering een andere activiteit te kunnen verrichten. Tijdens een dergelijke schorsing wordt de vergadering voortgezet en van het gebeurde zal doorgaans ook verslag worden gedaan. In het onderhavige geval werd de vergadering echter in haar geheel geschorst. In dat geval kan niet worden gezegd dat datgene wat zich in die periode afspeelde, behoorde tot de “de vergaderingen van DNA en [tot] activiteiten van DNA in verband [met] de uitoefening van haar grondwettelijke taken”. Tijdens die schorsing gold de parlementaire onschendbaarheid dus niet. Het feit dat tijdens de schorsing televisiecamera’s zijn blijven draaien en beelden van de gebeurtenissen viraal zijn gegaan, maakt dat niet anders. De tweede grief van Gajadien slaagt dan ook. Als gevolg daarvan kan de eerste grief onbesproken blijven. Ook de derde grief hoeft niet te worden besproken. Daarbij kan in het midden blijven of de voorzitter van DNA Jones al dan niet heeft gelast de vergaderzaal te verlaten. 

8. Met zijn vijfde grief verwijt Gajadien de kantonrechter dat hij de uitspraken van 7 oktober 2024 niet inhoudelijk heeft besproken. Deze grief faalt. De kantonrechter is aan die inhoudelijke bespreking niet toegekomen, omdat hij tot de conclusie was gekomen dat Jones voor die uitlatingen parlementaire onschendbaarheid genoot. Nu het Hof daarover anders oordeelt, zullen de uitlatingen van Jones thans wel inhoudelijk worden besproken, evenals de uitingen die Jones op 8 oktober 2024 in een radio-interview met ABC heeft gedaan en waarvoor de parlementaire onschendbaarheid in ieder geval niet geldt.

9. Gajadien stelt dat Jones hem met zijn uitlatingen heeft beledigd en daardoor jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Voor de beoordeling van deze stelling is van belang dat elke uiting, hoe schokkend, storend of beledigend ook, in beginsel bescherming geniet onder het recht van uitingsvrijheid, zoals vastgelegd in onder meer artikel 19 van het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en  Politieke Rechten (BUPO) en artikel 13 van het Inter-Amerikaanse Verdrag inzake Mensenrechten (IAVM). Deze vrijheid is echter wel aan grenzen gebonden. Elke inbreuk daarop, zoals een veroordelend civiel vonnis, dient op de wet te zijn gebaseerd, een legitiem doel te dienen, en noodzakelijk en proportioneel te zijn ter bescherming van dat doel. Aan de eerste twee criteria is voldaan, doordat de vordering van Gajadien op de artikelen 1386 en 1393 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is gebaseerd en de bescherming van, in dit geval, zijn goede naam als legitiem doel heeft. Aan de orde is dan ook de vraag of de inbreuk noodzakelijk en proportioneel is.

10. Voor de beoordeling daarvan dienen onder meer de volgende omstandigheden in aanmerking te worden genomen: 

  • de aard van de uitlatingen en de ernst van de gevolgen daarvan voor Gajadien;
  • de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die Jones aan de kaak beoogt te stellen;
  • de mate waarin de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
  • de inkleding van de uitlatingen, in verhouding tot de hiervoor genoemde factoren;
  • de mate van waarschijnlijkheid dat het nagestreefde doel op een andere manier had kunnen worden bereikt;
  • de maatschappelijke positie van Gajadien.

11. Voorop staat dat Gajadien, gezien zijn hoedanigheid van prominent lid van DNA, een publiek persoon is. Dat betekent dat hij meer moet kunnen verdragen dan de gemiddelde burger. Een uitlating die onwaar is, hoeft jegens hem niet steeds als onrechtmatig te worden aangemerkt. Ook zal hij uitingen in een overdreven vorm of met gebruik van in het normale spraakgebruik aanstootgevende bewoordingen moeten kunnen verdragen. Dat betekent echter niet dat hij “vogelvrij” is. Zo zal voor uitingen in strijd met de waarheid een zekere basis in de feiten moeten kunnen worden gevonden en kan onnodig grievend taalgebruik onder omstandigheden als onrechtmatig worden beschouwd.

12. Met zijn uitlatingen in de Nationale Assemblée beschuldigt Jones Gajadien in feite ervan dat hij geld heeft ontvangen en zijn stemgedrag inzake de aanpak van Suribet daardoor heeft laten beïnvloeden. Op zichzelf is de aanpak van gokgedrag en bedrijven die dat stimuleren, een onderwerp van algemeen belang. Als een parlementslid zijn stemgedrag daarover door het ontvangen van geld (steekpenningen) zou laten beïnvloeden, zou dat een misstand zijn die aan de kaak kan worden gesteld. Het is dan aan degene die de beschuldiging uit, aannemelijk te maken dat daarvan sprake is, ook als de persoon die hij beschuldigt, de politieke arena betreedt, die, zoals Jones terecht aanvoert, geen theekransje is. Jones merkte bij de comparitie van partijen in eerste aanleg op dat Gajadien leden van de oppositie tijdens een debat over de vergoeding voor de DNA-leden had verweten dat zij in het openbaar verklaarden geen verhoging te wensen, maar daarover in de koffiekamer anders spraken. Jones zou hem hebben gevraagd wie hij daarmee bedoelde. Ook in zijn conclusie van antwoord refereert Jones aan de schadeloosstelling voor de DNA-leden. Dat is echter iets anders dan dat iemand ervan wordt beschuldigd zijn stemgedrag bij een debat over gokgedrag door steekpenningen te laten beïnvloeden. Voor zover hij dat heeft beoogd te zeggen, heeft Jones zijn bewering niet feitelijk onderbouwd. 

13. Jones voert nog aan dat hij niet kon weten dat zijn uitlatingen tijdens de schorsing van de vergadering Gajadien (en anderen) zouden bereiken. Aangezien anderen daarbij aanwezig waren en daarvan met hun telefoon opnamen hebben gemaakt, moet hem echter duidelijk zijn geweest dat zijn uitingen viraal zouden (kunnen) gaan. 

14. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de uitlatingen die Jones op 7 oktober 2024 heeft gedaan, jegens Gajadien onrechtmatig zijn en dat een civiel vonnis waarbij dat wordt vastgesteld, een noodzakelijke en proportionele beperking van zijn recht op vrijheid van meningsuiting is.

15. Met zijn door Gajadien geselecteerde uitlatingen voor het radiostation ABC op 8 oktober 2024 heeft Jones het handelen van Gajadien als politicus aan de kaak willen stellen, en in het bijzonder zijn observatie dat Gajadien niet altijd de waarheid spreekt en soms opportunistische standpunten inneemt. Deze uitingen vallen bij uitstek onder de paraplu van de hiervoor onder 9 genoemde criteria. Gajadien moet ze als publiek persoon en prominent politicus kunnen verdragen, ook al zijn ze mogelijk in scherpe bewoordingen gesteld. Anders dan op 7 oktober 2024 beschuldigt Jones Gajadien hier niet van het aannemen van steekpenningen, maar uitsluitend van politiek opportunisme. Een civiel vonnis dat deze uitingen zou veroordelen, is dan ook niet noodzakelijk en niet proportioneel. Dat brengt mee dat de vierde grief faalt.

16. Gajadien vordert, net als in eerste aanleg, dat Jones een rectificatie in een aantal dag- en avondbladen dient te plaatsen. Deze vordering kan alsnog worden toegewezen, voor zover ze de uitlatingen van 7 oktober 2024 betreffen. Het Hof zal de formulering van de rectificatie hierna in het dictum opnemen. Tevens zal het Hof daarbij een dwangsom opleggen, zij het dat deze zal worden gematigd tot SRD 1.000,= per dag voor elke dag dat Jones nalaat na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling te voldoen. Aangezien Jones in het ongelijk zal worden gesteld zal het Hof hem veroordelen in de proceskosten.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof

5.1 vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 21 november 2024 (CIVAR No. 202404137) en, opnieuw rechtdoende,

5.2 veroordeelt Jones om binnen 2 (twee) werkdagen na de betekening  van het vonnis  te doen plaatsen in de dagbladen De Ware Tijd, Dagblad Suriname en Times of Suriname en in het avondblad De West een schriftelijk bericht, in lettergrootte 12 van de  lettertype Times New Roman luidend als volgt:

“Middels deze publicatie geef ik JONES, Ebu Rohno, parlementariër, aan dat ik op 7 oktober 2024 gedurende een schorsing van een DNA vergadering,  welke vergadering in haar geheel was geschorst,  ten aanzien van GAJADIEN, Asiskumar  parlementariër, de volgende uitspraak heb gedaan:

  • Joe nanga Gajadien, we tek monie;
  • A mang e tek moni foe Suribet;
  • A her coalitie de oneens nanga ing, maar omdat ye kies wang telefoontje dan gaat een ieder lekker mee, mek omeng Suribet de ini a kondre now, terwijl we allemaal erover eens waren dat we het zouden aanpakken.

Deze uitspraak is een beschuldiging dat GAJADIEN, Asiskumar, gelden ontvangt om zijn stemgedrag inzake de aanpak van Suribet te laten beïnvloeden. Deze beschuldiging berust niet op waarheid en is dus onterecht. Deze onterechte uitspraak is onnodig lasterlijk, beledigend,  en schadelijk voor de  reputatie van Gajadien, Asiskumar.”

5.3 veroordeelt JONES, Ebu Rohno  tot betaling van een dwangsom van SRD.1.000,= (een duizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD.100.000,= (honderd duizend Surinaamse dollar)  niet te boven gaand voor elke dag dat hij  nalaat te voldoen aan de veroordeling genoemd onder 5.2;

5.4 verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 veroordeelt JONES, Ebu Rohno in de proceskosten aan de zijde van GAJADIEN, Asiskumar gevallen tot aan deze uitspraak begroot op SRD 60,–.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard,  Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh  en A. C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 maart  2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, dhr. R.S. Dewkalie, LL.B.

 

w.g. R.S. Dewkalie                                                                                                                                                                                                                       w.g. S.S.S. Wijnhard

Partijen appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. F.X. Khelawan-Blokland namens advocaat  drs. S. Boedhoe, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat K.J. Kraag-Brandon namens advocaat I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.