SRU-HvJ-2007-57

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.14172

[Appellant], wonende aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no.8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
appellant in conventie tevens geintimeerde in reconventie in Kort Geding,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende te [plaats 1], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat 43, ten kantore van Mr.C.Ch.Bhagwandin, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.Ch.Bhagwandin, advokaat,
geintimeerde in conventie tevens appellant in reconventie in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding van 16 november 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 november 2000, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, gewend daarbij stellende:

  1. dat hij de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen: [Appellant], wonende aan [adres 1], gedaagde;
  2. dat eiser door koop op de openbare veiling en toewijzing aan hem op 20 februari 1997 alsmede door inschrijving van die akte in de registers van het hypotheekkantoor op 28 augustus 1997 eigenaar is geworden van: “het erf, met de daarop staande gebouwen, gelegen te [plaats 1] aan de [perceelgegevens 1], groot ongeveer één duizend vierhonderd dertig vierkante meters”, blijkende het een en ander uit de hierbij overgelegde bescheiden;
  3. dat gedaagde als oorspronkelijke eigenaar het op bovenvermeld erf staande hoofdgebouw bewoont en daarop tevens andere economische activiteiten ontplooit;
  4. dat alhoewel gedaagde vanaf 20 februari 1997 zonder enig recht of titel zich in voormeld gebouw bevindt, heeft eiser uit humanitaire overwegingen gedaagde niet direct besprongen met een ontruimingsvordering om hem zodoende in de gelegenheid te stellen een passende ruimte elders te vinden;
  5. dat het de eiser echter is gebleken dat gedaagde geen aanstalten in die richting maakt en onlangs zelfs te kennen heeft gegeven het door hem bewoonde pand niet te zullen ontruimen;
  6. dat eiser door de weigering van gedaagde ernstig wordt benadeeld en gedupeerd, aangezien hij op voormeld perceelland een hypothecaire schuld heeft van ± Nf.150.000,–, welke hij niet of nauwelijks kan aflossen, omdat het litigieuze perceelland hem niets opbrengt en indien de huidige situatie nog enige tijd voortduurt, hij bang is dat het bezwaarde onroerend goed krachtens artikel 1207 Burgerlijk Wetboek in het openbaar zal worden verkocht;
  7. dat eiser voorts zijn plannen om de op het door hem gekochte terrein staande gebouwen te renoveren door de aanwezigheid van gedaagde in het hoofdgebouw niet kan uitvoeren;
  8. dat eiser dan ook gerechtigd is ontruiming van het door gedaagde bewoonde c.q. bezet gehouden woonhuis annex winkel in kort geding te vorderen;
  9. dat eiser gelet op het vorengaande een spoedeisend belang heeft bij een onmiddellijke (lees: onmiddellijk) voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, gedaagde zal worden veroordeeld om onmiddellijk danwel binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn het op het litigieuze erf staande woonhuis annex winkel, gelegen aan [adres 1] te [plaats 1] te ontruimen met al wie of wat zich daarin van zijnentwege mocht bevinden, te verlaten en ter vrije beschikking van eiser te stellen, met machtiging op eiser om bij gebreke van dien, de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 8 mei 2000, de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd, hebbende de gemachtigde van gedaagde voor eis in reconventie gevorderd: dat het proces-verbaal van openbare verkoop zal worden vernietigd c.q. opgeschort;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 8 augustus 2000 is gehoord notaris Mr.R.Ramautar, die heeft verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen met betrekking tot de verklaring van de notaris bepaald, de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 16 november 2000 op de daarin opgenomen gronden:

In conventie:

Gedaagde heeft veroordeeld binnen een maand na deze uitspraak het gebouw annex winkel aan [adres 1] te [plaats 1] te ontruimen en te verlaten en met medeneming van alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen; met machtiging op de eiser om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.119,98,– (Elfduizend negenhonderd acht en negentig);

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

In reconventie:

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

De eiser heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan gedaagdes zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 16 november 2000;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L.Tran van Can-Doesburg van 20 mei 2003 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 19 maart 2004, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie en in reconventie:

[Appellant] heeft tijdig hoger beroep ingesteld, dit betekent dat hij in hoger beroep ontvankelijk is.

In conventie:

[Appellant] heeft in conventie drie (3) grieven tegen het beroepen vonnis ontwikkeld. Deze grieven zullen hieronder afzonderlijk aan een beoordeling onderworpen worden.

Grief 1:

Grief 1 bevat – kort gezegd – de klacht dat het proces-verbaal van de openbare verkoop van 20 februari 1997 vals is. [Appellant] voert aan dat het litigieus perceelland – na het mijnen en bieden – aan een stichting toegewezen is. [Geïntimeerde] betwist zulks.

Deze grief treft geen doel nu uit geen enkel bescheid blijkt dat het litigieus perceelland aan een stichting is toegewezen. Het had op de weg van [appellant] gelegen aan te geven aan welke stichting zulks geschied was en, zo nodig, deze stelling met een bescheid te staven, hetgeen [appellant] geheel nagelaten heeft. Overigens wordt deze grief voldoende weerlegd door de verklaring van [naam 1], waaruit blijkt dat hij als gevolmachtigde van [geïntimeerde] ter openbare veiling is opgetreden.

Grief 2:

De stelling die aan grief 2 ten grondslag ligt is dat het viseren van het proces-verbaal van de openbare verkoping binnen twee (2) weken na de veiling d.d. 20 februari 1997 had moeten geschieden, hetgeen in casu niet is geschied.

Ook deze grief heeft geen kans van slagen, nu immers deze stelling geen steun vindt in enige wettelijke bepaling, welke – dwingend en deswege op straffe van een sanctie – zou moeten bepalen binnen welke termijn het viseren van voormeld proces-verbaal zou moeten plaatsvinden.

Grief 3:

Grief 3 strekt ten betoge dat [geïntimeerde] geen belang meer heeft bij het handhaven van dit beroepen vonnis nu hij het litigieus perceelland op 03 juli 2003 doorverkocht heeft.

[Geintimeerde] heeft gemotiveerd gesteld – nog steeds – belang te hebben, nu een van de voorwaarden waaronder de koop is gesloten is dat het desbetreffende pand ontruimd dient te zijn.

Deze door [geïntimeerde] geponeerde stelling is door [geïntimeerde] niet gemotiveerd weersproken, zodat het ervoor gehouden moet worden dat hij, [geïntimeerde], wel degelijk belang heeft bij de ontruiming.

Derhalve moet deze grief het lot van de andere grieven delen.

In reconventie:

Grief 1 ( in de pleitnota aangeduid met grief 4)

Grief 1 behelst de klacht dat de Kantonrechter ten onrechte de schorsing van het proces-verbaal van de openbare verkoping heeft geweigerd.

Echter heeft [appellant] in reconventie geen enkel nieuwe schorsingsgrond gesteld. Het betreft slechts een herhaling van hetgeen reeds in conventie in de vorm van grieven is gesteld. Derhalve treft deze grief evenmin doel.

In conventie en in reconventie

Nu de aangevoerde grieven geen doel treffen, terwijl het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het beroepen vonnis, komt dit vonnis a quo voor bevestiging in aanmerking.

[Appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten gevallen in hoger beroep dragen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

In conventie en in reconventie:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding in het Eerste Kanton d.d. 16 november 2000.

Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen in hoger beroep begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan de advocaat van geïntimeerde voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door: Mr.K. PULTOO, Fungerend – President,

Mr.D.D. SEWRATAN en Mr.H.E. STRUIKEN, Leden en door de Fungerend – President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 juli 2007 in tegenwoordigheid van Mr.G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.K.Pultoo

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.P.Baal namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.Lowe namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.Ch.Bhagwandien, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-56

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14220.

SURINAME LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Domineestraat no. 11, voor wie als gemachtigden optreden, mr. F. Kruisland en mr. E. Naarendorp, advocaten,
appellante in Kort Geding,

t e g e n

STICHTING DIM, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigden optreden, mr. A.R. Baarh en mr. F.F.P. Truideman, advocaten,
geïntimeerde in Kort Geding,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding in het eerste kanton van 11 november 2004 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de griffier van het Eerste Kanton van 11 november 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van hun respectieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat Stichting Dim als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiseres wenst de volgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen SURINAME LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Domineestraat no. 11, gedaagde.
  1. Eiseres is blijkens het hierbij overgelegde hypothecaire uittreksel, (Prod. 1), eigenaar van:
  1. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 1];
  2. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 2];
  3. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 3], allen tezamen een oppervlakte beslaande van 946,42 m2.
  1. Op voormelde percelenland staat een bedrijfspand dat zeer geschikt is om ingericht te worden voor de exploitatie van een hotel annex casino, hetgeen voor eiseres het leidende bedrijfseconomische motief is geweest om voormeld pand op een krachtens artikel 1207 B.W. gehouden openbare veiling d.d. 29 mei 2003, te kopen, gevolgd door de overschrijving in de openbare registers ten Hypotheekkantore op 04 juni 2003;
  2. In een deel van het aan eiseres in eigendom toebehorende pand te weten de begane grond en de eerste verdieping, ontplooit gedaagde bedrijfsactiviteiten zonder dat zij van eiseres een rechtstitel van huur, gebruik of anderszins heeft.
  3. Gedaagde ontleent evenmin een rechtstitel aan de rechtsvoorganger van eiseres die de aanwezigheid althans het verblijf van gedaagde in en op het aan eiseres in eigendom toebehorend pand zou kunnen rechtvaardigen;
  4. Gedaagde verblijft mitsdien onrechtmatig in vermelde delen in het aan eiseres toebehorend pand;
  5. Eiseres heeft van de President van de Republiek Suriname bij diens resolutie d.d. 04 maart 1997 Bureau no. 1179 no. 5374/00, (Prod. 2), vergunning gekregen om hazardspelen te exploiteren, in daarvoor volgens de bestaande of alsnog nader te stellen voorschriften ingerichte lokaliteiten in het door haar te exploiteren hotel, onder de voorwaarden en bepalingen opgenomen in de Wet Hazardspelen 1962, de op grond van genoemde wet gegeven of nog te geven voorschriften en onder de voorwaarden en waarborgen als omschreven in voormelde resolutie.
  6. De overheid heeft tot 01 juni 2004 een gedoog beleid gevoerd ten aanzien van de naleving van de vergunningsvoorwaarden waaronder door haar vergunning is verleend voor de exploitatie van hazardspelen in een door de vergunninghouder te exploiteren hotel.
  7. De overheid heeft in goed overleg en samenspraak met de vergunninghouders van hazardspelen een nieuw beleid ontwikkeld dat vervat is in een concept resolutie, die binnenkort, en volgens mededeling van Overheidswege niet later dan 15 augustus 2004, van kracht zal zijn.
  8. Volgens voormelde concept resolutie, (Prod. 3), moet het hotel waarin de hazardspelen zullen worden geëxploiteerd aan het volgende voldoen:

– Artikel 2.

Het hotelgebouw, waarin de casinospelen worden geëxploiteerd, dient te voldoen aan de voorwaarden ingevolge de door de Minister van Handel en Industrie afgegeven hotelvergunning en de door of namens het bevoegd gezag terzake gestelde eisen.

– Artikel 3.

  1. Alvorens door de vergunninghouder een aanvang wordt gemaakt met de exploitatie van de casinospelen, dient het hotelgebouw volledig afgebouwd en het hotelbedrijf operationeel te zijn.
  2. De vergunninghouder is verplicht het hotelbedrijf, waarvan het casino deel uitmaakt, regelmatig voort te zetten.
  3. Indien het hotelbedrijf niet meer operationeel is dient de exploitatie van de casinospelen onmiddellijk te worden stopgezet.

Artikel 4.

  1. De ruimte in het hotel bestemd voor de exploitatie van de casinospelen dient afgescheiden te zijn van de andere ruimtes in het hotel met een andere bestemming.
  2. De inrichting van de voor de exploitatie van casinospelen bestemde ruimte dient gericht te zijn op een zo groot mogelijke veiligheid van personeel en bezoekers, waarbij onder andere de ter zake door het Korps Brandweer Suriname gegeven voorschriften met betrekking tot brandveiligheid in acht moeten worden genomen.
  3. Het casino dient geopend te zijn op vastgestelde tijden die bij de ingang daarvan op duidelijk en zichtbare wijze wordt aangegeven, met dien verstande dat gedurende de tijd gelegen tussen 4.00 u en 19.00 u ’s morgens het casino gesloten dient te zijn.
  1. Volgens artikel 15 van voormelde concept resolutie wordt de vergunning geacht haar geldigheid te hebben verloren indien binnen 6 (zes) maanden na de inwerkingtreding van deze resolutie door de vergunninghouder nog geen aanvang is gemaakt met de exploitatie van de casinospelen met inachtneming van de terzake geldende vergunningsvoorwaarden en wettelijke vereisten.
  2. Hoewel eiseres:
  3. De nodige casinospelen en kansspelautomaten reeds heeft besteld en inmiddels geleverd heeft gekregen (art. 3 en 4 concept resolutie) (prod. 4);
  4. Het nodige personeel heeft opgeleid, (prod. 5)
  5. Met een aannemer de nodige aannemingsovereenkomsten voor de verbouwing heeft gesloten, (prod. 6),

weigert gedaagde de door haar geoccupeerde delen van het aan eiseres in eigendom toebehorend pand vrij en onbezet ter beschikking van eiseres te stellen, zodat de eiseres kan voldoen aan de voorwaarden gesteld in de tot stand te komen resolutie.

  1. Eiseres lijdt door het weigerachtig handelen van gedaagde aanzienlijke schade waaronder inkomstenderving en zij loopt het reële risico, na expiratie van de termijn van 6 (zes) maanden genoemd in de concept resolutie, haar vergunning voor de exploitatie van hazardspelen kwijt te raken, met alle nadelige gevolgen van dien zodat zij een spoedeisend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, welk spoedeisend belang des te meer klemt, nu een indertijd door de gedaagde ingestelde vordering om de eiseres te verbieden inbreuk te maken op het recht op volle huurgenot van de gedaagde en nog andere voorzieningen bij vonnis het Hof van Justitie d.d. 16 juli 2004 niet werd ontvangen en de gedaagde heeft verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.
  2. Dat het spoedeisend belang verder zijn bedding vindt in het feit dat een onbevoegdelijk gesloten huurovereenkomst met de gedaagde een diepe uitholling vormt op het eigendomsrecht van de eiseres en door deze niet behoeft te worden gerespecteerd.
  3. Dat de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de eiseres binnen redelijk termijn over haar eigendomsrecht moet kunnen beschikken.
  4. Eiseres heeft in der minne geen vergelijk kunnen bereiken met gedaagde.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, niet tegenstaande verzet of hoger beroep, gedaagde ter zake voorschreven, zal worden veroordeeld om binnen 1 (één) week althans binnen een door de rechter in goede justitie vast te stellen termijn, de ten rekeste omschreven erven (percelenland) met al hetgeen daarop staat, te ontruimen en te verlaten met allen en alles wat van harentwege zich daarin bevindt en ter vrije beschikking van eiseres te stellen met machtiging van eiseres om de ontruiming zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm indien gedaagde geen gevolg mocht geven aan het te dezen te wijzen vonnis, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de eiseres een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie van Eis heeft overgelegd, waarbij de eisende partij op de hierna te noemen gronden alsvolgt heeft geconcludeerd:

  1. Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 20 augustus 2004 no. zijn nadere vergunningsvoorwaarden voor het exploiteren van hazardspelen vastgesteld en in werking getreden op 1 September 2004, zijnde de dag volgende op die van de bekendmaking van voormelde resolutie in het Advertentieblad van de Republiek Suriname van 31 augustus 2004 no.
  2. Het 10e sustenu wordt vervangen als volgt:

“ 10. Volgens voormelde resolutie, prod. 3, moet de exploitatie van de hazardspelen gescheiden in een hotel dat aan de volgende vereisten c.q. voorwaarden voldoen.

Artikel 2.

  1. Het hotel, waarin de hazardspelen worden geëxploiteerd, dient ten minste een 3-sterren hotel te zijn en voorts te voldoen aan de ter zake door of namens het bevoegd gezag gestelde eisen.
  1. De beoordeling of een hotel voldoet aan de qualificatie van een 3-sterren hotel geschiedt door of vanwege de Minister op basis van internationale maatstaven.

Artikel 3.

  1. Alvorens door de vergunninghouder een aanvang wordt gemaakt met de exploitatie van de hazardspelen, dient het hotelgebouw volledig afgebouwd en het hotelbedrijf operationeel te zijn.
  2. De vergunninghouder is verplicht het hotelbedrijf waarvan het casino deel uitmaakt operationeel te houden.
  3. Indien het hotelbedrijf niet meer operationeel is dient de exploitatie van de hazardspelen onmiddellijk te worden stopgezet.

Artikel 4.

  1. De ruimte in het hotel bestemd voor de exploitatie van de hazardspelen dient afgescheiden te zijn van de andere ruimtes in het hotel met een andere bestemming.
  2. De inrichting van de voor de exploitatie van hazardspelen bestemde ruimte dient gericht te zijn op een zo groot mogelijke veiligheid van personeel en bezoekers, waarbij ten minste de ter zake door het Korps Brandweer Suriname gegeven voorschriften met betrekking tot brandveiligheid in acht moeten worden genomen.
  3. Het casino dient geopend te zijn op vastgestelde tijden die bij de ingang daarvan op duidelijk en zichtbare wijze wordt aangegeven, met dien verstande dat op maandag tot en met vrijdag tussen 4.00 u en 10.00 u ’s morgens en op zaterdag en zondag tussen 6.00 u en 10.00 u ’s morgens, het casino gesloten dient te zijn.

1.3. Het elfde sustenu wordt vervangen als volgt.

Volgens artikel 15 van voormelde resolutie wordt de vergunning geacht haar geldigheid te hebben verloren indien binnen 6 (zes) maanden na de inwerkingtreding van deze resolutie door de vergunninghouder nog geen aanvang is gemaakt met de exploitatie van de hazardspelen met inachtneming van de terzake geldende vergunningsvoorwaarden en wettelijke vereisten.

1.4. Artikel 12 wordt vervangen alsvolgt:

Hoewel eiseres:

  1. De nodigde hazardspelen en kansspelautomaten reeds heeft besteld en inmiddels geleverd heeft gekregen (art. 3 en 4 resolutie) prod. 4;
  2. Het nodige personeel heeft opgeleid, prod. 5
  3. Met een aannemer de nodige aannemingsovereenkomsten voor de verbouwing heeft gesloten, prod. 6 weigert gedaagde de door haar geoccupeerde delen van het aan eiseres in eigendom toebehorend pand vrij en onbezet ter beschikking van eiseres te stellen, zodat de eiseres kan voldoen aan de voorwaarden gesteld in de tot stand gekomen resolutie.

1.5. Artikel 13 wordt vervangen alsvolgt:

Eiseres lijdt door het weigerachtig handelen van gedaagde aanzienlijke schade waaronder inkomsten derving en zij loopt het reële risico, na expiratie van de termijn van 6 (zes) maanden genoemd in de resolutie, haar vergunning voor de exploitatie van hazardspelen kwijt te raken, met alle nadelige gevolgen van dien zodat zij een spoedeisend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, welk spoedeisend belang des te meer klemt, nu een indertijd door de gedaagde ingestelde vordering om de eiseres te verbieden inbreuk te maken op recht van huurgenot van de gedaagde en nog andere voorzieningen bij vonnis van het Hof van Justitie d.d. 16 juli 2004 niet werd ontvangen en het Hof van Justitie de gedaagde heeft verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.

Overwegende, dat Suriname Leisure Company A.V.V., als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast- de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiseres bij repliek pleitnota producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 11 november 2004 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om per 1 januari 2005:

  1. ”Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 1],
  2. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 2],
  3. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 3], allen tezamen een oppervlakte beslaande van 946,42 m2”, te ontruimen en te verlaten met medeneming van allen en alles wat zich van harentwege daarin, daarop of daaraan bevindt;

Eiseres heeft gemachtigd, om indien gedaagde geen gevolg mocht geven aan voormelde veroordeling, de ontruiming zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de kosten van het proces aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan de uitspraak begroot op Srd 67,50 (zevenenzestig en 50/100 Surinaamse Dollar);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal, Suriname Leisure Company A.V.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 11 november 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J. E. Febis van 1 december 2004 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep door het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 december 2004, de gemachtigde van appellante een incidentele conclusie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 18 december 2004 een akte van wraking is ingediend tegen het lid, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, waarna het geding ambtshalve werd geschorst;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 31 december 2004, het geschorste geding werd hervat, waarna de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 4 januari 2005 inzake antwoord in het incident;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 4 januari 2005, de gemachtigde van appellante, de incidentele vordering heeft ingetrokken en dat de gemachtigden van geïntimeerde hebben verklaard geen bezwaar daartoe te hebben, waarna de verdere behandeling van de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 21 januari 2005 inzake dagbepaling pleidooi in de hoofdzaak;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 5 augustus 2005, doch na meerdere malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis de navolgende grieven heeft ontwikkeld:

– ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat tussen partijen vast zou staan dat tussen hen geen huurovereenkomst bestaat betreffende het erf, ingevolge de Erfnummeringswet bekend als Domineestraat no. 11 te Paramaribo;

– ten onrechte heeft de rechter in eerste aanleg overwogen, dat tussen partijen vast zou staan dat geïntimeerde een vergunning heeft om een casino annex hotel te exploiteren;

– ten onrechte heeft de rechter in eerste aanleg overwogen, dat als thans niet weersproken vaststaat, dat appellante noch met geïntimeerde, noch met haar rechtsvoorganger een geldige huurovereenkomst heeft gesloten;

– ten onrechte heeft de rechter in eerste aanleg mede tot grondslag van zijn beslissing gemaakt, dat appellante geen rekening wenst te houden met de belangen van Parbhoe’s N.V. (ten rechte geheten Parbhoe’s Handelmaatschappij N.V.);

– een rechter is gehouden in een rechtsgeding zelfstandig een deugdelijk gemotiveerde beslissing te geven op de stellingen van partijen in dat geding en zich mitsdien niet vermag te beroepen op hetgeen een ambtgenoot in een ander rechtsgeding zou hebben overwogen, tenzij die beslissing gezag van gewijsde heeft ex artikel 1937 sub 3 en artikel 1938 van het Burgerlijk Wetboek. De beslissingen waarop de kantonrechter zich beroept hadden geen gezag van gewijsde omdat zij in kort geding gewezen waren, hetgeen naar de aard van het kort geding en op grond van artikel 229 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nimmer gezag van gewijsde met zich brengt en bovendien de vonnissen, waarin die beslissingen zijn belichaamd bij vonnis van het Hof zijn vernietigd;

Overwegende, dat appellante voormelde grieven heeft toegelicht, wordende één en ander als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat de huurovereenkomst gedateerd 6 juni 1998 tot stand is gekomen tussen Parbhoe’s Handelmaatschappij N.V. en Suriname Leisure Company A.V.V.,

Overwegende, dat ten tijde van de totstandkoming van vermelde overeenkomst de percelenland toebehoorde tot de onverdeelde nalatenschap van [naam 2]. De bevoegdheid om een huurovereenkomst te sluiten betreffende een tot de onverdeelde nalatenschap toebehorend percelenland kwam slechts toe aan de gezamenlijke erfgenamen van de erflater (althans aan een door hen gemachtigde). Deze overeenkomst zou ook nadat de verdeling zou hebben plaatsgevonden, dus nadat het percelenland aan mevrouw [naam 1] was toebedeeld en zij de eigenaar was geworden, in stand blijven (de erfgenamen zouden immers ten tijde van het aangaan van de overeenkomst bevoegd gehandeld hebben);

Overwegende, dat nu Parbhoe’s Handelmaatschappij N.V. ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst noch eigenaar noch gemachtigde van de erfgenamen was, zij niet bevoegd was tot verhuur;

Overwegende, dat er ten opzichte van de erfgenamen en naderhand na de verdeling ten opzichte van de eigenaar mevrouw [naam 1] geen rechtsgeldige huurovereenkomst tot stand is gekomen;

Overwegende, dat het voorgaande betekent dat Suriname Leisure Company A.V.V ten opzichte van de eigenaar [naam 1] zonder recht of titel in het pand vertoefde;

Overwegende, dat geïntimeerde krachtens artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek het percelenland gekocht en overgedragen heeft gekregen en derhalve rechtsopvolger onder bijzondere titel is;

Overwegende, dat nu appellante ten opzichte van de rechtsvoorganger van geïntimeerde zonder recht of titel in het pand vertoefde, zij zich ook zonder recht of titel in het pand ten opzichte van geïntimeerde bevindt;

Overwegende, dat wat de eerste grief betreft de eerste rechter terecht heeft overwogen dat er tussen partijen geen huurovereenkomst bestaat, op grond waarvan de vordering van geïntimeerde in eerste aanleg kan worden toegewezen;

Overwegende, dat bespreking van de overige grieven voor de beoordeling niet van belang zijn;

Overwegende, dat aan de grieven van de appellante dan ook als ongegrond door het Hof voorbijgegaan wordt, hetgeen betekent dat het vonnis, waarvan beroep, zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt onder aanvulling en verbetering van de gronden het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 11 november 2004 tussen partijen in Kort Geding gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op nihil;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaten voor het door hen gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD.250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaten van appellante eveneens op SRD.250,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. K. Pultoo, Fungerend-President, mr. H.E. Struiken, lid en mr. A.A. Hermelijn, lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 17 augustus 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh wegens overlijden van de Fungerend-President niet in staat het vonnis te ondertekenen.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat mr. F. Kruisland en geïntimeerde vertegenwoordigd door de advocaat mr. K.J. Hok A Hing, namens advocaat mr. A.R. Baarh en advocaat mr. F.M.S. Ishaak, namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2007-55

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-504

[Verzoeker], wonende te [plaats 1] aan [adres 1] te [stadsressort 1], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no. 10 ten kantore van mr. A.R. Baarh, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoire vonnissen respectievelijk van 2 februari 2007 en 3 augustus 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van verweerder en mr. F. Guillard, vertegenwoordiger van het Ministerie van Financien, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 2 november 2007 inzake vonnis;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, commies 2e klasse in vaste dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen, op 15 april 2000 door gebruikmaking van een reserve server op de afdeling Automatisering van het Asycuda gebouw, alwaar hij was ingedeeld Enig Documenten en payment receipts voor diverse voertuigen heeft opgemaakt met het oogmerk hiermee de rechten bij invoer te laten ontduiken. Bedoelde voertuigen zijn zonder betaling van de daarop verschuldigde rechten bij invoer in het vrije verkeer gebracht; op 8 mei 2000 te omstreeks 20.48 uur ’s avonds zich in het Asycuda gebouw heeft begeven en gepoogd heeft de gegevens met betrekking tot vorenbedoelde documenten uit de computer te verwijderen;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, verzoeker op 18 juli 2000 als verdacht van valsheid ingeschrifte; het aannemen van giften en/of beloften bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 10 mei 2001 veroordeeld werd tot :

– een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden waarvan 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren;

– ontzetting uit het ambt voor de tijd van 2 (twee) jaren;

Overwegende, dat verzoeker op voormelde gronden bij besluit, genomen bij beschikking van de Minister van Financien de dato 2 juli 2002 La B.P/O no. 1259 ingevolge artikel 61 lid 1 onder j van de Personeelswet oneervol ontslag uit Staatsdienst is verleend, te rekenen van 10 mei 2001;

Overwegende, dat verzoeker, tegen voormeld ontslag opkomend, onder meer heeft aangevoerd, het volkomen oneens te zijn met hetgeen in punt IV van het besluit van de Minister is bepaald omdat het ontslag alleen voor de toekomst kan gelden tenzij een buiten funktiestelling of schorsing heeft plaatsgevonden; een schorsing komt tot stand door een constitutieve beschikking en niet door een vaststellingsbeschikking;

Overwegende, dat zijdens verweerder ter inlichtingencomparitie van 26 oktober 2007 bij welke comparitie verzoeker ook niet aanwezig was zonder van een verontschuldigende reden te doen blijken, is overgelegd een aantal produkties in fotokopie, waaronder een E-mail, gedateerd 6 december 2001, doch verzonden op 11 december 2001 door verzoeker naar de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, Paramaribo-Suriname, Nieuwe Haven, [naam 1], voorzover ten deze van belang luidende: “Geachte Inspecteur, Per Heden heb ik middels een E-mail aan U, ontslag uit de dienst aangevraagd. Hopelijk wordt die mij verleend”;

Overwegende, dat de E-mail, waar verzoeker naar verwezen heeft en daterend van 11 december 2001, als volgt luidt: Aan: De Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen Paramaribo-Suriname, Nieuwe Haven. [naam 1]: Geachte Inspecteur, Ondergetekende, [verzoeker], Kommies 2e klasse thans buitenfunctie gesteld en momenteel in het buitenland (VSA) verblijft, nadert u hierbij met het verzoek hem ontslag uit de dienst te willen verlenen. Dit om privé (studie) redenen;

Overwegende, dat het door verzoeker gedaan verzoek om, ontslag, dat van lang na zijn veroordeling dateert, niet door hem – verzoeker – is ingetrokken, zijnde immers het tegendeel gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat een staat van dienst, waar verzoeker naar vraagt in zijn E-mail de dato 6 december 2001 doch verzonden op 11 december 2001, aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, [naam 1], een opsomming, hoe lang, waar, in welke functie hij – verzoeker – in dienst geweest is, het Hof gerede aanleiding geeft aan te nemen, dat verzoeker er zelf van uit gegaan is dat het dienstverband met hem sindsdien een einde genomen had en dat hij mitsdien geen ambtenaar meer was;

Overwegende, dat het het Hof dan ook geheel ontgaat welk belang verzoeker, nu na langer dan zes jaren, nog heeft bij de onderhavige vordering strekkende tot: vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Financien de dato 2 juli 2002 La BP/O [nummer 1] en bij de veroordeling van verweerder de nodige administratiefrechtelijke rechtshandelingen te verrichten die ertoe leiden moeten dat hij – verzoeker – daadwerkelijk de van hem bedongen arbeid kan verrichten;

Overwegende, dat het Hof verzoeker, bij gebreke van belang bij het zijdens hem gevorderde, dan ook niet ontvangen zal in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 november 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun wegens het bereiken van de pensioen-gerechtigde leeftijd van de President niet in staat het vonnis te ondertekenen.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. K. Brandon namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2022-41

GR-14693

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

de erfgenamen van [Naam 1], te weten:

  1. [Appellant sub 1], wonende in het [district 1],
  2. [Appellant sub 2], wonende in het [district 1],
  3. [Appellant sub 3], wonende te [plaats 1],
  4. [Appellant sub 4], wonende te [plaats 1],
  5. [Appellant sub 5], wonende te [plaats 1],
  6. [Appellant sub 6], wonende te [plaats 1],
    appellanten,
    verder te noemen: [Appellanten],
    gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

de echtelieden [Geïntimeerde sub 1] en [Geïntimeerde sub 2],
beiden wonende in het [district 2],
geïntimeerden,
verder te noemen: [geïntimeerden],
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen [naam 1] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden gewezen en uitgesproken vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 07-4076) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het tussenvonnis van het Hof d.d. 16 maart 2018,
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 juni 2018,
  • het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 25 juli 2018.

Het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Bij genoemd tussenvonnis is bepaald dat het geding zal worden hervat voor het houden van het bij het tussenvonnis van 5 juni 2015 bevolen getuigenverhoor.

2.1 Ter gelegenheid van het getuigenverhoor heeft de advocaat van de [appellanten], voor zover van belang, op 1 juni 2018 het volgende verklaard: “Ik heb geen getuige. De kroongetuige was de heer [naam 2]. Hij is overleden.” Voorts heeft hij fotokopieën van kwitanties overgelegd en daarbij toegelicht dat [appellanten] van [naam 1] SRD 25.000, – hadden geleend om het beslag op het pompstation te [plaats 2] op te heffen. Van dat bedrag zou SRD 15.000, – voor de opheffing van het beslag bestemd zijn en SRD 10.000, – voor buitengerechtelijke kosten. Volgens de advocaat zouden [geïntimeerden] de vordering hebben erkend.

2.2 Ter comparitie d.d. 25 juli 2018 heeft [geïntimeerde sub 1], voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard: “Ik heb geld geleend bij [naam 1]. Eerste keer heb ik SRD 15.000, – geleend. Dat heb ik afgelost. Daarna heb ik SRD 25.000, – bij hem geleend. Ik weet niet of alles is afgelost, omdat ik was aangehouden en in verzekering gesteld. Ik had de lening genomen en niet mijn vrouw. Toen ik ben aangehouden, is de 2e aflossing niet betaald. Ik heb daarna nooit meer geld geleend bij [naam 1]. U toont mij een schuldbekentenis getekend op 1 maart 2006. Hierop verklaar ik dat mijn vrouw en ik wel erop hebben getekend, maar er staat nog iets geschreven, namelijk goed voor SRD 129.000, -. Ik weet niet wie dat geschreven heeft. Het is niet mijn handschrift. Ik heb wel op een stuk getekend met een plakzegel erop voor SRD 26.000, -. Over het bedrag van SRD 129.000, – weet ik niets. Een schuldbekentenis van 2013 heb ik niet getekend. Ik weet wel dat ik SRD 15.000, – en SRD 25.000, – heb geleend. Ik heb de bedragen terugbetaald.”

  1. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Uit de in het geding gebrachte stukken en de door partijen daarbij verstrekte toelichting kan worden afgeleid dat [geïntimeerden] in de loop van de jaren meermalen geld van [naam 1] hebben geleend en terugbetaald. Gelet op hetgeen bij het getuigenverhoor en de comparitie naar voren is gebracht, behoort tot de geleende bedragen onder meer een bedrag van SRD 25.000,- in verband met de opheffing van een ten laste van [geïntimeerde sub 1] gelegd conservatoir beslag. Het Hof gaat ervan uit dat de door de advocaat van de [appellanten] overgelegde kopieën van kwitanties op de terugbetaling van die lening betrekking hebben.

3.2 Niet gebleken is echter dat [geïntimeerden] het door [naam 1] in zijn inleidend verzoekschrift gestelde bedrag van SRD 129.000, – hebben geleend. Nu de [appellanten] geen getuige hebben doen horen die over deze vermeende lening zou kunnen verklaren en [geïntimeerden] (blijven) bestrijden dat zij de door [naam 1] in het geding gebrachte schuldbekentenis hebben getekend, zijn de erven niet in het opgedragen bewijs geslaagd.

3.3 Dit brengt mee dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. De [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 07-4076),

veroordeelt de [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 21 oktober 2022, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is advocaat mr. K. Bhoendie namens de erven [naam 1 verschenen. Namens [Geïntimeerden] is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2022-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
met name het Ministerie van Financiën,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. D. Parohi, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 5 april 2019.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

de mondelinge conclusie tot uitlating zijdens de gemachtigde van [verzoeker], aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 november 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan

Hiervoor verwijst het Hof naar het bovenvermeld tussenvonnis.

  1. De beoordeling

3.1 Het hof heeft in het tussenvonnis aan de gemachtigde van [verzoeker] de gelegenheid geboden om duidelijkheid te verschaffen over de vraag of er nog belang bestaat bij de vordering en aan te geven of hij de zaak wenst voor te zetten.

3.2 De gemachtigde van [verzoeker] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof. Het Hof begrijpt uit de eerdere uitlatingen van de gemachtigde van [verzoeker] dat ervan uitgegaan moet worden dat de zaak aan zijn eind is gekomen. Hieruit begrijpt het Hof dat de zaak als ingetrokken moet worden beschouwd.

3.3 Het Hof zal op grond van het voorgaande verstaan dat de zaak is ingetrokken.

  1. De beslissing

Het hof:

Verstaat dat de zaak is ingetrokken.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 4 maart 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-39

GR-14731

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[Appellant],
te dezer zake woonplaats kiezende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

de Staat Suriname,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde gewezen en uitgesproken vonnis van 8 december 2009 (A.R. No. 06-3498) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 19 maart 2010 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 15 februari 2013;
  • het antwoordpleidooi d.d. 3 mei 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 6 december 2013;
  • de dupliekpleitnota d.d. 17 januari 2014.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.
  1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd. Het Hof zal dan ook daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Na zijn aanhouding op 15 juni 2006 is [appellant] op 16 juni 2006 in verzekering gesteld terzake overtreding van de Wet verdovende middelen en de Vuurwapenwet en terzake deelneming aan een criminele organisatie. Bij brief van 21 juni 2006 heeft [appellant]’s gemachtigde zich als zijn raadsman gesteld.

2.2 Op 19 juni 2006 heeft [appellant]’s eerste gemachtigde, I.D. Kanhai BSc., bij de kortgedingrechter een vordering ingediend strekkende tot een verbod aan de Staat om [appellant] aan de Verenigde Staten van Amerika (USA) uit te leveren. De eerste behandeling van deze vordering stond op 30 juni 2006 om 11.30 uur gepland.

2.3 Op 28 juni 2006 heeft de Stads Politiecommandant [naam 1] de onmiddellijke uitzetting van [appellant] gelast, met als grond onder meer dat het belang van de openbare rust en de nationale veiligheid de onmiddellijke uitzetting vergden.

2.4 Op 28 juni 2006 om 23.30 uur heeft de officier van justitie toestemming voor de invrijheidstelling van [appellant] verleend.

2.5 Op 29 juni 2006 heeft de Staat [appellant] per vliegtuig naar Trinidad en Tobago vervoerd. Daar hebben de autoriteiten hem aan politieagenten van de USA overgedragen.

3.1 Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door zijn vrijheid te benemen, hem niet in de gelegenheid te stellen met zijn familie contact op te nemen en hem, zonder bericht aan zijn advocaat, onrechtmatig uit te zetten. De kantonrechter heeft het handelen van de Staat niet onrechtmatig geoordeeld en [appellant]’s vorderingen afgewezen.

3.2 Met zijn grieven bestrijdt [appellant] de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. [Appellant] is in het bijzonder van mening dat van een verkapte uitlevering aan de USA sprake was, hoewel Suriname met dit land geen uitleveringsverdrag heeft. Het Hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

3.3 De Staat is van mening dat de kantonrechter terecht heeft getoetst of de uitzetting in strijd met de wet was en verzoekt het Hof het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

  1. Het Hof overweegt het volgende.

4.1 Voorop staat dat [appellant] van 15 juni 2006 tot 28 juni 2006 omstreeks 23.30 uur in voorlopige hechtenis heeft gezeten in verband met een verdenking van een aantal strafbare feiten en dat hij niet over de mogelijke onwettigheid van die detentie klaagt. De vraag is dan ook of zijn stellingen geheel of gedeeltelijk opgaan met betrekking tot de periode daarna.

4.2 Voordat [appellant] strafrechtelijk in vrijheid was gesteld, had de Stads Politiecommandant, gelet op het belang van de openbare rust en de nationale veiligheid, [appellant]’s uitzetting uit Suriname gelast. [Appellant] voert aan dat het oordeel van de kantonrechter dat zijn vrijheidsbeneming die direct op zijn strafrechtelijke invrijheidstelling volgde, niet onrechtmatig was, onjuist is, omdat de kantonrechter voor die vrijheidsbeneming geen juridische grondslag heeft genoemd. [Appellant] voegt hieraan toe dat hij feitelijk niet in vrijheid is gesteld, maar steeds geboeid is gebleven.

4.3 Terecht voert de Staat aan dat de grief van [appellant] voorbijgaat aan het feit dat de vrijheidsbeneming op de Vreemdelingenwet was gebaseerd en het gevolg was van [appellant]’s illegale binnenkomst in Suriname. De Staat was dus gerechtigd hem met het oog op de uitzetting (feitelijk) in detentie te houden, onder meer ter voorkoming van vlucht.

4.4 Vervolgens voert [appellant] aan dat de Staat zijn familie van zijn uitzetting op de hoogte had moeten stellen. Hij beroept zich daartoe onder meer op het door art. 17 van The American Convention on Human Rights (ACHR) en art. 17 lid 1 van de Grondwet gewaarborgde recht op familieleven. Het Hof verwerpt ook deze grief. Het recht op familieleven houdt niet zonder meer in dat, voordat een illegale vreemdeling het land wordt uitgezet, zijn familie daarvan moet worden verwittigd. Dit geldt zeker als bij die uitzetting gelet op de rust en veiligheid een spoedeisend belang bestaat.

4.5 Kern van de grieven van [appellant] is dat de Staat hem verkapt aan de USA heeft uitgeleverd, hoewel Suriname met dat land geen uitleveringsverdrag heeft. Dat hij na aankomst in Trinidad en Tobago naar Guyana zou worden vervoerd, is, nog afgezien van de omweg, niet aannemelijk, omdat hij niet over een paspoort van Guyana beschikt. Duidelijk was dus dat de bedoeling was hem aan de USA uit te leveren. Ook de aanwezigheid van Amerikaanse politieagenten in zowel het vliegtuig naar Trinidad en Tobago als op het vliegveld ter plaatse wijst daarop. Bovendien had [appellant]’s raadsman een kort geding aangespannen met het doel uitlevering aan de USA te voorkomen. De Staat wist dus dat hij tegen uitlevering aan dat land bezwaar had. Hem is de toegang tot de rechter ontnomen, doordat hij is uitgezet, voordat het kort geding kon worden behandeld. Daardoor is onder meer in strijd met art. 11 Grondwet en art. 25 ACHR gehandeld. Dit geldt temeer nu niet vaststond dat [appellant] een gevaar voor de openbare rust en de nationale veiligheid vormde of dat sprake zou zijn van plannen hem uit zijn gevangenschap te bevrijden.

4.6 Terecht wijst de Staat erop dat [appellant], door Suriname illegaal binnen te treden, zich in de positie had geplaatst dat hij zou worden uitgezet. Wat er zij van de vraag of de bedoeling was hem via Trinidad en Tobago naar Guyana te vervoeren, de Staat kon, gelet op de aan [appellant]’s aanwezigheid verbonden risico’s ervoor kiezen een alternatieve en op het eerste gezicht niet voor de hand liggende route te nemen.

4.7 Nu niet is gebleken dat de Staat jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, komt het Hof niet toe aan de vraag of hij op vergoeding van (immateriële) schade aanspraak kan maken.

4.8 Aangezien [appellant]’s grieven falen, zal het vonnis van de kantonrechter worden bevestigd en zal [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 8 december 2009 (A.R. No. 06-3498).

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 februari 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 14717
1 april 2022

In de zaak van

[Appellante],
wonende in het [district 1],
appellante,
hierna te noemen “de moeder”,
gemachtigde: voorheen mr. F.F.P. Truideman, advocaat, thans procederend in persoon,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in het [district 1],
geïntimeerde,
hierna te noemen: “de vader”;
gemachtigde: voorheen mr. H. Matawlie, advocaat, thans procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het derde kanton gegeven beschikking van 20 januari 2009 in de zaak bekend onder AR no. 075417 tussen de moeder als eiseres en de vader als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit.

 

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat de moeder op 2 maart 2009 hoger beroep heeft ingesteld;

– het proces-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 20 juli 2012;

– de conclusie tot uitlating zijdens appellante.

1.2 De uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 De beroepen beschikking is gedateerd 20 januari 2009. Blijkens het doorlopend proces-verbaal op de kaft van het procesdossier van de zaak in eerste aanleg was de moeder bij de uitspraak in persoon aanwezig.

2.2 Blijkens de verklaring van de griffier der kantongerechten heeft de moeder op 2 maart 2009 hoger beroep aangetekend.

2.3 De moeder is derhalve niet tijdig in hoger beroep gekomen en is niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

  1. De beoordeling

Nu de moeder niet ontvankelijk is in het door haar ingesteld hoger beroep zal de zaak niet verder beoordeeld worden.

  1. De beslissing

Het Hof:

Verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 april 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-37

GR-14602

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

Fatum Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: Fatum,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 06-1788) tussen [geïntimeerde] als eiser en Fatum als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het tussenvonnis van het Hof d.d. 18 mei 2018;
  • de conclusie tot overlegging bewijs van Fatum d.d. 6 augustus 2018;
  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor d.d. 6 augustus 2018;
  • de conclusie na niet gehouden enquête van Fatum d.d. 5 oktober 2018;
  • de conclusie na niet gehouden enquête van [geïntimeerde] d.d. 2 november 2018.

De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Bij het tussenvonnis van 18 mei 2018 heeft het Hof Fatum opgedragen (a) te bewijzen dat de auto in kwestie na de aanrijding niet Total Loss was en dat integendeel de door de aanrijding veroorzaakte schade aan de auto blijvend hersteld kon worden, en (b) de hoogte van de herstelkosten aannemelijk te maken.

2.1 Fatum heeft een schriftelijke verklaring van Charhen Cars d.d. 3 augustus 2018, ondertekend door haar directeur [naam 1], in het geding gebracht. In deze verklaring staat, voor zover van belang, het volgende:

Inzake het technisch uitleg refererend [referentienummer 1] gedateerd op 17 augustus 2004 waarbij punt 3 zoals aangehaald, er geen sprake is van ‘technische totall loss’ van het voertuig. Over technische ‘totall loss’ wordt gesproken als de bestaande onderdelen niet vervangbaar zijn. Hier zou het chassis wel vervangen kunnen worden.

Refererend op het technisch rapport met het [referentienummer 2] gedateerd op 08 juli 2004 zien wij bij de opmerking dat het aanbevelenswaard is het voertuig met dit gebrek door een chassis specialist te laten corrigeren en repareren. […] Wij zijn van mening dat wij hier niet praten over een ‘totall loss’ voertuig, maar over een getordeerde chassis die wij meerdere malen hebben mogen repareren voor klanten die heel blij en gelukkig nog rijden zonder enige afwijking op het stuurstelcil.”

Fatum voegt hieraan toe dat de specialistische apparatuur die voor de hier bedoelde reparatie nodig is, ook al ten tijde van de aanrijding beschikbaar was. Voorts voert zij aan dat Charhen Cars haar heeft laten weten dat de reparatiekosten nog geen US$ 5.000,- (tegen een koers van 1 US$ = SRD 2,80) zouden hebben bedragen.

Fatum concludeert naar aanleiding hiervan dat de auto niet total loss was. Zij merkt op dat [geïntimeerde] na de aanrijding nog zes jaar met de auto heeft gereden. De huidige staat van de auto is dan ook niet te vergelijken met die van het moment van de aanrijding, toen de auto nog nieuw was.

2.2 [geïntimeerde] voert aan dat hij tijdens het geding genoeg wapenfeiten heeft geproduceerd, waaruit blijkt dat zijn standpunt juist is. Op grond daarvan kan het vonnis van de kantonrechter volgens hem dan ook worden bevestigd.

3.1 Uit de door Fatum overgelegde verklaring van de directeur van Charhen Cars en de door haar daarbij verstrekte toelichting leidt het Hof af dat de auto van [geïntimeerde] na de aanrijding gerepareerd had kunnen worden voor een bedrag van (destijds) US$ 5.000,-. [geïntimeerde] heeft de verklaring van Charhen Cars en de daarbij gegeven toelichting niet (gemotiveerd) bestreden, maar uitsluitend naar haar eerder ingenomen standpunt verwezen. Dat brengt mee dat Fatum in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Dat geldt zowel voor het bewijs dat de auto kon worden hersteld als voor het aannemelijk maken van de herstelkosten. Temeer nu voor de reparatie een aanzienlijk lager bedrag wordt berekend dan het bedrag dat als waarde voor de auto na de aanrijding werd berekend, kan worden vastgesteld dat de auto na de aanrijding niet total loss was.

3.2 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog dient te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 06-1788), en, opnieuw rechtdoende,

wijst de vordering van [geïntimeerde] af,

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fatum begroot op SRD 479,20,– (vierhonderd negen en zeventig Surinaamse Dollars en twintig centen).

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 april 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein Bsc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2021-114

A-999

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende in het [district 1],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. R. Mahabier-Baldew, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (MINOWC),
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijnen Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Lala, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van het bepaalde in artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in Ambtenarenzaken gewezen vonnis bij vervroeging uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof d.d. 02 mei 2019;
  • het door de Staat ingediende verweerschrift d.d. 07 juni 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 16 juli 2019, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op vrijdag 02 augustus 2019 des voormiddags te 08.30 uur;
  • het proces-verbaal van het op 02 augustus 2019 gehouden verhoor van partijen;
  • het proces-verbaal van de op 18 oktober 2019 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 05 januari 2020 en vervolgens nader op 04 februari 2022 doch bij vervroeging op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoekster] is door ondertekening van een arbeidsovereenkomst d.d. 02 november 2015, met ingang van 01 april 2014 in dienst getreden van de Staat. Derhalve is [verzoekster] arbeidscontractant in de zin van de PW. Voor de regeling van haar rechtspositie zijn de PW en de ter zake uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften van toepassing;
  2. [Verzoekster] werd in dienst genomen ter vervulling van de functie van praktijkleerkracht op de [muloschool 1] te [adres 1];
  3. [Verzoekster] had zich reeds eerder ingeschreven voor de MO-A natuurkunde op het Instituut voor de Opleiding van Leraren (hierna: IOL) en daarna in het collegejaar 2017/2018 voor de opleiding PG-Extern;
  4. Ter verkrijging van haar diploma voor de opleiding PG-Extern diende [verzoekster] stage te lopen, echter wel op een stageplek gerelateerd aan de richting waarin zij afgestudeerd was bij het Natuurtechnisch Instituut, hierna NATIN. [Verzoekster] is medisch analist en kon derhalve stage lopen op het NATIN of op COVAB. [Verzoekster] heeft diverse brieven gericht naar deze opleidingsinstituten voor een stageplek, echter zonder resultaat;
  5. [Verzoekster] was vanaf mei 2018 op zoek naar een stageplek terwijl zij in oktober 2018 de opleiding PG-Extern al afgerond moest hebben;
  6. Dat op een gegeven moment [verzoekster] de opleidingscoördinator [naam 1], bij meerdere e-mailberichten, heeft gevraagd haar te helpen, in dier voege dat zij haar opleiding kon afronden zonder stage te lopen;
  7. [Verzoekster] ontving op 27 september 2018 een mutatiebrief waarin werd aangegeven dat zij per 01 oktober 2018 was overgeplaatst naar [muloschool 2];
  8. [Verzoekster] heeft vanwege ziekte voor 1 en 2 oktober 2018 een attest ingeleverd bij de directrice van [muloschool 2], [naam 2];
  9. [Verzoekster] werd in de loop van de middag d.d. 02 oktober 2018 gebeld door voornoemde [naam 2] met de mededeling dat zij zich op woensdag 03 oktober 2018 diende aan te melden bij [naam 3] van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren;
  10. Deze mevrouw deelde [verzoekster] mede dat zij donderdag 04 oktober 2018 vrij was en de gelegenheid had om stukken in orde te maken en die wederom voor [naam 3] te brengen;
  11. [Verzoekster] heeft zich op 05 oktober 2018 aangemeld bij de directeur van Onderwijs, [naam 4], die [verzoekster] aangaf dat zij het stuk dat zij diende op te halen bij het IOL moest lezen. Het bleek niet om een bewijs van inschrijving op het IOL te gaan, maar om een afschrijvingsbrief. In deze brief d.d. 04 oktober 2018 werd aan [verzoekster] door de leiding van het IOL te kennen gegeven dat zij wordt afgeschreven van de opleiding;
  12. Bij brief gedateerd 16 oktober 2018 is door de directeur van MINOWC aan [verzoekster] medegedeeld dat zij buiten functie wordt gesteld met ingang van 5 oktober 2018;
  13. Bij beschikking gedateerd 5 april 2019 is aan [verzoekster] ontslag verleend uit Staatsdienst;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [Verzoekster] vordert –zakelijk weergegeven- om bij vonnis:
  1. nietig te verklaren het besluit van de Staat als vervat in de beschikking d.d. 05 april 2019 wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
  2. de Staat Suriname te veroordelen om [verzoekster] binnen 1X24 uur na betekening van het vonnis toe te laten op de werkplek;
  3. de Staat Suriname te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding gelijk aan het salaris van [verzoekster] vanaf 01 oktober 2018 tot aan de dag der uitspraak van het Hof in deze zaak, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag der indiening van dit rekest tot aan de dag der algehele voldoening;
  4. de Staat te veroordelen tot het betalen van een dwangsom ad SRD. 10.000,= (tienduizend Surinaamse Dollars) voor elke dag dat zij in gebreke blijft om het onder a en b gevorderde te voldoen;
  5. de Staat te veroordelen in de proceskosten;
  1. [Verzoekster] heeft – zakelijk weergegeven – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Dat op grond van het voorgaande het evident is dat er reeds een disciplinaire maatregel is getroffen door de leiding van het IOL, echter zonder [verzoekster] in deze te horen. [verzoekster] heeft tijdens het gesprek met de directeur van Onderwijs d.d. 05 oktober 2018 moeten constateren dat het besluit van de Staat reeds vaststond. Volgens de directeur van Onderwijs zou [verzoekster] worden ontslagen en zou [verzoekster] aldaar moeten verschijnen met haar handen geslagen in boeien. Het is evident dat de Staat derhalve heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor. [Verzoekster] betreurt de inhoud van haar e-mail berichten ten zeerste en heeft daarvan ook diverse keren spijt betuigd, zowel bij [naam 1] van het IOL als de directeur van Onderwijs. De spijtbetuiging van [verzoekster] heeft niet mogen baten. Aan [verzoekster] werd door de Staat te kennen gegeven dat er een brief voor haar klaar lag. Dat blijkt uit een e-mailbericht van de Staat d.d. 22 oktober 2018. [Verzoekster] heeft op 01 november 2018 een brief ontvangen van de Staat waarin aan [verzoekster] onder meer werd aangegeven dat zij buiten functie is gesteld per 16 oktober 2018. Zij diende zich te verweren en onmiddellijk de schoolgoederen en dergelijke af te dragen. [Verzoekster] heeft zich op 01 november 2018 verweerd tegen het schrijven van de Staat inzake de buitenfunctiestelling d.d. 16 oktober 2018. De Staat heeft vanaf het schrijven d.d. 16 oktober 2018 niets meer van zich laten horen, hetgeen ten detrimente van de Staat dient te worden uitgelegd, te meer daar ingevolge artikel 23 lid 3 van de PW het besluit tot buitenfunctiestelling niet langer dan 1 maand werkt. De buitenfunctiestelling was derhalve reeds uitgewerkt op 16 november 2018. Dit betekent dat de Staat binnen die periode een besluit diende te nemen, hetgeen niet is geschied, weshalve de Staat aan [verzoekster] diende aan te geven waar zij zich moest aanmelden en aan [verzoekster] het salaris diende uit te betalen vanaf 1 oktober 2018. De Staat is middels deurwaardersexploit d.d. 29 maart 2019 aangeschreven en wenste [verzoekster] uiterlijk 08 april 2019 te vernemen waar zij zich kon aanmelden. Tot verbazing van [verzoekster] is zij op 5 april 2019 ontslagen door de Staat. Op grond van al het voorgaande is het duidelijk dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster] door haar geheel onterecht en ongegrond buiten functie te stellen, haar salaris in te houden vanaf 1 oktober 2018, haar maanden te laten wachten zonder onderzoek te verrichten dan wel een besluit te nemen om haar dan na ontvangst van het deurwaardersexploot d.d. 29 maart 2019 te ontslaan, welk ontslag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als hierboven omschreven. Het ontslag dan wel de ontslagbeschikking dient nietig te worden verklaard omdat is gebleken dat het ontslag niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het vermeende plichtsverzuim en de omstandigheden van het geval;
  1. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij het verhoor van partijen verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet , of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 PW een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde in casu betreft een vernietiging dan wel nietigverklaring van een ontslagbeschikking en het opleggen van een dwangsom, het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderdelen sub a, c en d van de onderhavige vordering. De onderdelen van het gevorderde onder sub b en e kunnen niet worden gerubriceerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 leden 1 en 2 PW weshalve het Hof zich onbevoegd zal verklaren om daarvan kennis te nemen;

Ontvankelijkheid

4.4. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoekster] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de ontslagbeschikking van de Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 05 april 2019, weshalve zij ontvankelijk is in de ingestelde vordering hetwelk op 02 mei 2019 ter griffie van het Hof is ingediend;

4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweerschrift en ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat [verzoekster] zich conform artikel 31 lid 1 en 2 van het studentenstatuut van het IOL schuldig heeft gemaakt aan ongewenst gedrag maar ook in strijd heeft gehandeld met de waarden en normen welke in het maatschappelijk verkeer betaamt. [verzoekster] was zich degelijk van bewust van wat zij vroeg aan de opleidingscoördinator. [verzoekster] wilde het diploma van PG-Extern opkopen en had helemaal niet de intentie om stage te lopen. [verzoekster] stelt dat leerkrachten het druk hebben maar zij vergeet dat een ieder die hard werkt het druk heeft maar dat neemt niet weg dat men geen ambtenaren moet proberen om te kopen om hun doel te bereiken. Het IOL is een onderdeel van de Staat en zijn de Staat en het IOL één en ondeelbaar. Het IOL levert de leerkrachten uit aan de Staat. De Staat is bevoegd om [verzoekster] ontslag aan te zeggen voor frauduleuze handelingen en strafbare feiten die zij pleegt op IOL. [verzoekster] beseft niet dat zij ook ongewenst gedrag heeft vertoond en alle normen en waarden welke gelden in het maatschappelijk verkeer heeft overtreden ook conform artikel 31 lid 1 en 2 van het studentenstatuut 2018 van het IOL. De Staat stelt dat deze handelingen van [verzoekster] als leerkracht ontoelaatbaar en bovenal strafbaar zijn.

4.5. In de visie van het Hof gaat het in casu om het navolgende. [Verzoekster] was als leerkracht (arbeidscontractant) verbonden aan de Staat met ingang van 1 april 2014 en was tevens studente aan het IOL. Op gegeven moment heeft [verzoekster] twee e-mailberichten naar haar opleidingscoördinator van het IOL, [naam 1], gestuurd die helemaal niet in goede aarde zijn gevallen bij de Staat. In haar e-mailbericht de dato 17 september 2018 schreef [verzoekster], onder andere, het volgende (begin citaat) :” Wat mijn punt is dat ik u wilde vragen of u mij kon helpen om mijn diploma te krijgen. Kunnen we dat onderling regelen juf aub. Dit hoef niemand te weten daarom dat ik u per mail vraag. We kunnen het persoonlijk ook bespreken maar u zegt waar en wanneer. Aub juf helpt u mij. Ik hoop op een positief antwoord.” (einde citaat). Vervolgens schreef [verzoekster] in haar e-mailbericht d.d. 20 september 2018, onder andere, het volgende (begin citaat): “ Ik bedoelde als ik u kon betalen om mijn diploma te krijgen zonder dat ik op stage ga en zonder dat een derde het weet. Het is tussen u en mij. Aub als u mij kunt helpen. Ik geef al les en u bent ook een docent dus u begrijpt hoe druk wij het kunnen hebben. Dus ik vraag u of wij het onderling kunnen regelen juf. We kunnen het persoonlijk ook bespreken als u dat wilt hoor.” (einde citaat)

4.6. Het IOL heeft na de informatie van voornoemde opleidingscoördinator te hebben ontvangen [verzoekster] van voornoemde opleiding afgeschreven. In de nasleep daarvan heeft ook de Staat aan [verzoekster] ontslag uit Staatsdienst verleend vanwege plichtsverzuim. [Verzoekster] vecht in deze procedure het aan haar verleend ontslag aan omdat zij, onder andere, stelt dat zij twee keer is gestraft voor hetzelfde vergrijp. De eerste keer is zij afgeschreven door het IOL en daaraanvolgend is zij ook ontslagen door de Staat. Naar het oordeel van het Hof haalt deze grondslag het niet in rechte. Ook al levert het IOL slechts leerkrachten aan voor de Staat dan nog behoudt de Staat de bevoegdheid om een leerkracht, die zich gedurende de opleiding bij het IOL onbetamelijk heeft gedragen, een passende tuchtmaatregel op te leggen. In casu is weliswaar gesteld noch gebleken dat [verzoekster] in de hoedanigheid van arbeidscontractant in de fout is gegaan. In de visie van het Hof is buiten kijf dat hetgeen [verzoekster] aan de opleidingscoördinator van het IOL in de e-mailwisseling heeft voorgesteld verwerpelijk is. Van een leerkracht wordt zo een voorstel niet verwacht en kan het niet door de spreekwoordelijke beugel. De Staat is derhalve in de visie van het Hof bevoegd om [verzoekster] een tuchtstraf op te leggen naast de sanctie van afschrijving die het IOL reeds heeft toegepast. De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde haalt het derhalve niet in rechte en zal worden verworpen. De vraag die zich dan aandient is of de zwaarste tuchtstraf van ontslag in het onderhavige geval passend en geboden is.

4.7. Ingevolge het bepaalde in artikel 63 van de PW wordt bij het opleggen van een tuchtstraf wegens plichtsverzuim rekening gehouden met de ernst van het plichtsverzuim waaraan de landsdienaar zich schuldig heeft gemaakt, de gevolgen van het plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan, het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van de landsdienaar, alsmede met diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Al het voorgaande in ogenschouw nemende komt het Hof tot de slotsom dat de tuchtstraf van ontslag in casu disproportioneel is gebleken. De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde is derhalve gegrond. [Verzoekster] is reeds afgeschreven van de opleiding van het IOL en heeft haar verontschuldigingen ter zake van de e-mailwisseling reeds aangeboden aan zowel de opleidingscoördinator, [naam 1], als de Directeur van MINOWC, [naam 4]. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat zij zich in het algemeen als leerkracht heeft vergallopeerd casu quo ondermaats heeft gepresteerd.

4.8. De buitenfunctiestelling van [verzoekster] heeft plaatsgevonden bij schrijven gedateerd 16 oktober 2018 en is op diezelfde dag ingegaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 23 lid 3 PW werkt dat besluit niet langer dan een maand weshalve de Staat binnen een maand een besluit diende te nemen. [Verzoekster] heeft zich bij schrijven de dato 01 november 2018 verweerd. De Staat heeft zich vervolgens in stilzwijgen gehuld en pas nadat de Staat in gebreke werd gesteld bij deurwaardersexploot de dato 29 maart 2019 door [verzoekster] is de Staat uit haar winterslaap ontwaakt en heeft actie ondernomen. Die actie hield in dat [verzoekster] bij ontslagbeschikking d.d. 05 april 2019 werd ontslagen. Door gedurende bijkans vijf maanden na expiratie van de buitenfunctiestelling van [verzoekster] stil te zitten terwijl de Staat blijkens het e-mailbericht afkomstig van het secretariaat van de toenmalige directeur van MINOWC d.d. 22 oktober 2018 en derhalve voordat [verzoekster] zich had verweerd, reeds een besluit had genomen ten aanzien van [verzoekster] heeft de Staat zich schuldig gemaakt aan schending van het beginsel van hoor en wederhoor alsmede schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Immers heeft de secretaresse van de Direkteur van MINOWC op 22 oktober 2018 een e-mailbericht met de navolgende inhoud naar [verzoekster] gestuurd (begin citaat): “ Geachte mevrouw [verzoekster], Namens de directeur van Onderwijs, [naam 4], deel ik u mee dat het besluit vanuit het MinOWC reeds genomen is. Uw brief ligt klaar bij de afdeling Agenda aan de dr. S. Kafiluddistraat 117-123” (einde citaat). De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan. Het hiervoor in 4.7. en 4.8. overwogene leidt ertoe dat het ontslagbesluit vervat in de beschikking d.d. 5 april 2019 onder AD [nummer 1] nietig dient te worden verklaard.

4.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwend komt het Hof tot de slotsom dat een tuchtstraf van een maand schorsing aan [verzoekster] recht doet aan de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan in samenhang bezien met de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] alsmede haar functioneren als leerkracht. Ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 PW ziet het Hof ambtshalve aanleiding om voormelde tuchtstraf vast te stellen en te bepalen dat het bepaalde in dit vonnis in de plaats zal treden van het nietig verklaarde ontslagbesluit. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu aan de onderdelen van het dictum van dit vonnis geen termijn is gekoppeld.

4.10. Bespreking van al hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd is voor de beslissing niet relevant gebleken weshalve het Hof bespreking daarvan achterwege zal laten.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder sub b en sub e van het petitum van het verzoekschrift;
  1. Verklaart nietig het besluit van de Staat als vervat in de beschikking d.d. 5 april 2019 onder AD [nummer 1] waarin aan [verzoekster] ontslag uit Staatsdienst is verleend;
  1. Legt aan [verzoekster] de tuchtstraf op van schorsing voor een tijdvak van een maand met ingang van 16 oktober 2018 en bepaalt dat het bepaalde in dit vonnis in de plaats zal treden van het nietig verklaarde ontslagbesluit d.d. 5 april 2019;
  1. Veroordeelt de Staat tot het betalen van schadevergoeding gelijk aan het salaris van [verzoekster] vanaf 16 november 2018 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 2 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 05 november 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-88

G.R.No. 15025

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante]
wonende te [plaats],
appellante, hierna aangeduid als ”[appellante]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de Minister van Arbeid Technologische Ontwikkeling en Milieu,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur – Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gemachtigde: mr. M. Kanhai – Ramai, jurist bij het Ministerie
van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat.

inzake het hoger beroep van het door de Kanton rechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 05 juni 2014 (A.R.No. 14-1538) tussen [appellante] als eiseres en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1 Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellante] op 28 augustus 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de door [appellante] niet ingediende pleitnota ondanks het feit dat zij drie keer daartoe in de gelegenheid is gesteld;
  • de mondelinge conclusie aan de zijde van de gemachtigde van [appellante], waarbij er recht op stukken is gevraagd.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2. 1 [appellante] is op de dag van de uitspraak (05 juni 2014) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschenen, terwijl de Staat, bijgestaan door zijn gemachtigde, wel is verschenen. Het vonnis is op 20 augustus 2014 naar de raadsman van [appellante] verstuurd. [appellante] heeft bij schrijven van haar gemachtigde op 28 augustus 2014 appel aangetekend;

2.2 [appellante] heeft derhalve tijdig het appel aangetekend en is zij daarin ontvankelijk.

3. De Feiten
3.1 [appellante] is in dienst getreden van de Finabank N.V. en bekleedde daarbij de functie van Financieel Directeur.

3.2 Bij besluit van de Staat de dato 12 februari 2014 met kenmerk [nummer] is aan de Finabank N.V. vergunning verleend om de arbeidsovereenkomst met [appellante] te beëindigen (hierna te noemen: het besluit van de Staat).

4. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
[appellante] heeft in kort geding, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het besluit van de Staat op te schorten, althans te schorsen, totdat in een bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist alsmede om de Staat te veroordelen in de proceskosten. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 5 juni 2014 onder A.R.No. 14-1538 beslist dat de vordering van [appellante] wordt afgewezen en zij wordt in de proceskosten veroordeeld.

5. De grieven en de vordering in hoger beroep
[appellante] heeft geen grieven aangevoerd en zij heeft evenmin gepleit. Zij heeft op 6 november 2015 uitstel gevraagd om een pleitnota over te leggen, welk verzoek op 6 november 2015 door het Hof van Justitie is afgewezen. Daarna heeft de gemachtigde van [appellante] recht op stukken gevraagd.

6 De beoordeling
6.1 Nu gebleken is dat de gemachtigde van [appellante] recht op stukken heeft gevraagd, zal het Hof uit het voorgaande begrijpen dat zowel [appellante] als de Staat bij hun respectieve standpunten blijven, zoals die in het eerste aanleg zijn aangevoerd.

6.2 Ten aanzien van het spoedeisend belang wordt het volgende overwogen.
Nu gebleken is dat [appellante] in kort geding opschorting, althans schorsing van het besluit van de Staat heeft gevorderd totdat in een bodem procedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist en aan [appellante] op grond van dat besluit door de Staat ontslag is aangezegd, is het Hof van oordeel dat dit besluit van de Staat thans is uitgewerkt en [appellante] derhalve geen spoedeisend belang heeft bij de voorzieningen die zij heeft gevorderd. Bovendien is het Hof van oordeel dat – zoals terecht door de kantonrecht er onder rechtsoverweging 5.4 van het vonnis is overwogen – het aantasten van het besluit van de Staat niet tot gevolg heeft dat de opzegging en de beëindiging van het arbeidsovereenkomst wordt aangetast. Niet is gebleken immers dat de overweging van de kantonrechter berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat de overige stellingen en weren van partijen thans geen verdere bespreking behoeven en dat het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen en uitgesproken op donderdag 05 juni 2014, waarvan beroep, zal worden bevestigd.

6.3 [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

7. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

7. 1 Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

7.2 Veroordeelt [appellante] in de proceskosten aan de zijde van de Staat in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.V. Kuldip Singh, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.V. Kuldip Singh

door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Wegens ontstentenis van de w.g. S.S.S. Wijnhard
Fungerend-Griffier niet in staat het
vonnis te ondertekenen

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch bij vertegenwoordiger noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld