SRU-K1-2025-5

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

Civarno. 202501808
20 mei 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. DE STICHTING WAN OKASI,
gevestigd te Paramaribo,
B. KOENDJBIHARIE, ANNIEL PREDIEP,
wonende in het [district],
eisers,
gemachtigden: mr. D. M. Peterhof en mr. M. A. Castelen, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. S. Kraag, advocaat.

Partijen zullen kortheidshalve verder ook worden aangeduid als “Wan Okasi”, “Koendjbiharie” en “De Staat”.

 

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en / of handelingen:

  • het verzoekschrift dat met bijbehorende producties dat op 05 mei 2025 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord;
  • de mondelinge rolbeschikking, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 16 mei 2025.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Wan Okasi heeft ten doel de sociaal-maatschappelijke en economische positie van mensen met een beperking te bevorderen in de ruimste zin des woords.

2.2 Artikel 102 van de Wet van 29 september 1987, houdende nadere regels voor de verkiezing van leden voor de volksvertegenwoordigende lichamen in Suriname (Kiesregeling) luidt:
“Het stembureau kan toestaan dat een kiezer zich doet bijstaan, indien hij lichamelijk hulpbehoevend is”.

2.3 In een open brief d.d. 31 januari 2025 aan de regering en het Onafhankelijk Kiesbureau heeft Wan Okasi bepleit om het voornemen van De Staat om artikel 102 van de Kiesregeling nader uit te werken niet uit te voeren en alternatieven aangeboden.

2.4 In het Staatsbesluit van 17 februari 2025, houdende regels ter uitvoering van de Kiesregeling (SB 2025 no. 26) is in artikel 27 het volgende bepaald:
“1. Het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 102 van de Kiesregeling, geschiedt op verzoek van een lichamelijk hulpbehoevende kiezer.

2. De bijstand als bedoeld in lid 1, wordt verleend door een door de voorzitter van het stembureau aangewezen plaatsvervangend lid en een door de lichamelijk hulpbehoevende kiezer aangewezen persoon.

3. De verlening van de bijstand geschiedt:
a. tot het stemhokje, indien de lichamelijk hulpbehoevende kiezer in staat is de stembiljetten zelf in te kleuren, of
b. tot in het stemhokje, indien de lichamelijk hulpbehoevende kiezer niet in staat is de stembiljetten zelf in te kleuren en hiervoor hulp behoeft.

4. Bij verlening van de bijstand, als bedoeld in lid 3 onder b, worden de stembiljetten ingekleurd overeenkomstig de wil van de hulpbehoevende kiezer.

5. Indien het bepaalde in lid 3 onder b zich voordoet:
a. ziet de aangewezen persoon als bedoeld in lid 2, erop toe dat het plaatsvervangend lid de stembiljetten inkleurt overeenkomstig de wil van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer, of
b. maakt de aangewezen persoon als bedoeld in lid 2, de wil van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer kenbaar, waarna het plaatsvervangend lid dienovereenkomstig de stembiljetten inkleurt.

6. De aangewezen persoon, als bedoeld in lid 2:
a. is 18 (achttien) jaren of ouder;
b. identificeert zich met een geldig identiteitskaart, een geldig rijbewijs of een geldig paspoort,
en
c. verleent op de dag der stemming bijstand aan slechts 1 (een) lichamelijk hulpbehoevende kiezer.

7. De voorzitter van het stembureau houdt van de aangewezen persoon als bedoeld in lid 6 een lijst bij, waarop worden genoteerd:
a. de geslachtsnaam;
b. de voorna(a)m(en);
c. het adres, en
d. het identiteitskaartnummer of paspoortnummer of nummer van het rijbewijs.”

2.5 In een schrijven gedateerd 25 maart 2025, gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en de Voorzitter van het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB), heeft Wan Okasi door tussenkomst van haar procesgemachtigde, mr. M. A. Castelen, fel protest aangetekend tegen de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de aankomende algemene, vrije en geheime verkiezingen op 25 mei 2025. In dit schrijven is een dringend beroep gedaan om de toepassing van voornoemd artikel achterwege te laten.

2.6 Het OKB heeft per schrijven van 29 maart 2025 aan Wan Okasi medegedeeld dat zij de bezorgdheid van haar onder de aandacht van de wetgever zal brengen.

2.7 Per schrijven d.d. 01 april 2025 heeft Wan Okasi het OKB geïnformeerd dat haar reactie niet afdoende is, omdat deze namelijk geen betrekking heeft op de concrete vraag, terwijl het punt van geschil geen betrekking heeft op de wetgever, maar op de regering die verantwoordelijk is voor het Kiesbesluit 2025.

2.8 Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft het schrijven d.d. 29 maart 2025 onbeantwoord gelaten en het OKB heeft het schrijven d.d. 01 april 2025 eveneens onbeantwoord gelaten.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer.

3.1 Eisers vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. schorsing c.q. opschorting van de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de stembusgang 2025, totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid daarvan is komen vast te staan;
B. dat De Staat wordt gelast om binnen 1 x 24 uur na kennisgeving van het te wijzen vonnis, bij Staatsbesluit het Kiesbesluit 2025 te wijzigen, zodanig dat artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 geen toepassing zal hebben op de stembusgang van 25 mei 2025;
C. dat De Staat wordt veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor ieder uur dat zij in gebreke blijft om te voldoen aan de veroordeling onder A en/of B, tot een maximum van SRD 10.000.000,-.

3.2 Eisers leggen, kort samengevat, aan hun vordering ten grondslag dat naar hun standpunt artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 niet rechtsgeldig en daarom niet toepasbaar is. Volgens eisers heeft de wetgever in de Kiesregeling in 32 concrete gevallen expliciet de bevoegdheid gegeven om bij of krachtens Staatsbesluit bepalingen of delen van bepalingen nader vast te stellen. Deze bevoegdheid is niet gegeven ten aanzien van artikel 102 van de Kiesregeling, zodat eventuele aanpassingen of nadere aanduidingen alleen bij (formele) wet kunnen worden aangebracht. Voorts is, volgens eisers, het artikel naar de inhoud in strijd met grondrechten van Surinaamse burgers, in het bijzonder die van de stemgerechtigde Surinaamse burgers die lichamelijk hulpbehoevend zijn. De leden 2 tot en met 7 van het artikel plegen een onrechtmatige inbreuk op de rechten van de doelgroep van Wan Okasi inclusief Koendjbiharie. Eisers stellen voorts dat het voorschrift dat het door de voorzitter van het stembureau aangewezen plaatsvervangend lid bijstand moet verlenen aan de lichamelijk hulpbehoevende kiezer, inbreuk maakt op het recht op fysieke, psychische en morele integriteit van de hulpbehoevende kiezer zoals erkend en toegekend door artikel 9 van de Grondwet. Het voorschrift schendt ook artikel 8 van de Grondwet te weten het recht van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer op gelijke bescherming van de persoon en goederen door niet gediscrimineerd te worden op grond van zijn/haar sociale omstandigheden of enig ander status. Tenslotte schendt, zo stellen eisers, het voorschrift artikel 52 van de Grondwet, te weten het democratisch recht van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer om middels algemene, vrije en geheime verkiezingen de samenstelling van de volksvertegenwoordigende organen en van de regering te bepalen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Als formele verweren voert zij aan dat Wan Okasi haar statuten niet heeft overgelegd, waardoor niet kan worden beoordeeld of het aanhangig maken van de rechtszaak valt binnen de reikwijdte van haar doelstellingen dan wel of hetgeen ten aanzien daarvan staat aangegeven in het overgelegd uittreksel uit het handelsregister wel juist is. Tevens wordt aangevoerd dat de correspondentie met de staatsorganen en het OKB slechts namens Wan Okasi is gevoerd en niet mede namens Koendjbiharie zoals door eisers wordt gesteld. Volgens de Staat moeten eisers op grond van het voorgaande, niet worden ontvangen in hun vordering. De inhoudelijke verweren van De Staat zijn als volgt. De Staat voert aan dat ook zaken waarvan niet nadrukkelijk bij wet is bepaald dat die nader bij staatsbesluit moeten worden geregeld, maar die wel noodzakelijk zijn, bij staatsbesluit kunnen worden geregeld. Volgens De Staat laat de redactie van artikel 102 van de Kiesregeling heel veel ruimte voor onduidelijkheid en/of subjectieve invulling ten aanzien van onder welke omstandigheden iemand als hulpbehoevend moet worden aangemerkt en hoe de bijstand aan de hulpbehoevende kiezer eruit moet zien. Artikel 27 van het Kiesbesluit is ook mede ingegeven door het bepaalde in artikel 2 lid 4a Kiesregeling waar is gesteld dat het OKB toeziet dat er zoveel mogelijk uniforme instructies met betrekking tot het optreden van de onderscheidende stembureaus in de kiesdistricten wordt gegeven en dat de stembureaus op de dag der stemming op voorgeschreven wijze hun werkzaamheden verrichten. Volgens De Staat leert de ervaring dat bij voorgaande verkiezingen er geen eenduidigheid bestond bij de verschillende stembureaus voor wat betreft bijstand aan hulpbehoevende kiezers bij het stemmen, waardoor juist het grondrecht, namelijk het actief kiesrecht, in het gedrang kan komen. De Staat is van mening dat het niet nader regelen van bijstand van de hulpbehoevende kiezer willekeur in de hand werkt hetgeen mogelijk zelf kan leiden tot het niet kunnen uitoefenen van het kiesrecht, hetgeen juist een inbreuk zou vormen op dit grondrecht van een of meerdere lichamelijk hulpbehoevende kiezers. De Staat weerspreekt de notie van eisers dat door het bepaalde in artikel 27 van het Kiesbesluit er sprake zou zijn van discriminatie van lichamelijk hulpbehoevende kiezers en/of schending van de fysieke, psychische en morele integriteit. Bepaald is dat de bijstand in principe plaatsvindt tot het stemhokje; slechts indien de kiezer zelf aangeeft dat hij/zij ook hulp behoeft bij het inkleuren van het stembiljet wordt die daarbij ook bijgestaan. De Staat voert tot slot aan dat er volgens haar geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat Wan Okasi pas meer dan een maand na het staatsbesluit zich richt tot de Minister en wel op 25 maart 2025 en pas op 05 mei 2025 zich tot de kort geding rechter wendt, nadat er vanuit de Minister al geruime tijd geen respons is geweest op de brief d.d. 25 maart 2025. Volgens De Staat weegt het vermeend spoedeisend belang van eisers niet op tegen het algemeen belang voor het richtig en vlot verlopen van de stemming op de dag van de verkiezingen.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1 Het spoedeisend belang van eisers vloeit voort uit de aard van het verzoek en de verkiezingsdatum, namelijk 25 mei 2025, zodat zij zullen worden ontvangen in het kort geding.

Formele verweren
4.2 De formele verweren van De Staat worden verworpen en wel om de navolgende redenen. Anders dan De Staat is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van Wan Okasi overeenkomstig haar doelstelling is, namelijk bevordering van de sociaal-maatschappelijke en en economische positie van mensen met een beperking. Het uitoefenen van hun kiesrecht conform de grondwet valt binnen de reikwijdte van dit doel. Dat de correspondentie die gevoerd is door Wan Okasi met de staatsorganen en OKB niet mede namens Koendjbiharie is gevoerd, zulks blijkt inderdaad niet uit de overgelegde correspondentie, ontneemt laatstgenoemde niet het recht om in privé mede te procederen tegen De Staat, gezien zijn directe belang hierbij.

Rechtsgeldigheid artikel 27 Kiesbesluit
4.3 In het Besluit Vormgeving Wettelijke regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten (SB 1996 no. 54) luidt artikel 3 als volgt:
“Een staatsbesluit is een besluit houdende algemeen bindende regels, ter uitvoering van een wet dan wel ter regeling van niet aan de wet voorbehouden onderwerpen, hetwelk door de President, de Staatsraad gehoord, is vastgesteld”.
Een staatsbesluit kan dus dienen ter uitvoering van een wet en is dan een uitvoeringsbesluit of ter regeling van een niet aan de wet voorgehouden onderwerp, dus een zelfstandig besluit.

Gelet op de aanhef van het staatsbesluit van 17 februari 2025, houdende regels ter uitvoering van de Kiesregeling, namelijk:
“Overwegende, dat – ter uitvoering van de Kiesregeling – het nodig is het volgende vast te stellen:”,
kan worden geconcludeerd dat dit staatsbesluit een uitvoeringsbesluit betreft. Dit blijkt tevens uit de in dit besluit genoemde artikelen van de Kiesregeling en de nadere vaststelling daarvan. Dit, met uitzondering van artikel 102 van de Kiesregeling. Hoewel in dit besluit nadere regels ten uitvoering van dit artikel zijn vastgelegd, ontbreekt, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, daarvoor een wettelijke grondslag. Dit, omdat voor dit specifiek artikel niet de bevoegdheid tot nadere vaststelling bij staatsbesluit is toegekend in de Kiesregeling. Eventuele aanpassing van dit artikel behoort derhalve bij wet te geschieden.

4.4 De vraag die tevens moet worden beantwoord is of de nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit in strijd is met de artikelen 8, 9 en 52 van de Grondwet en artikel 29 van het internationaal verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking zoals door eisers is gesteld. Voor de beantwoording van deze vraag moet worden gekeken naar de inhoud van voornoemd artikel in het Kiesbesluit en de toetsing daarvan aan de Grondwet en het Verdrag.

4.5 De artikelen 8, 9 en 52 van de Grondwet luiden als volgt:
“Artikel 8
1. Allen die zich op het grondgebied van Suriname bevinden hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.
2. Niemand mag op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enige andere status gediscrimineerd worden.

Artikel 9
Een ieder heeft recht op fysieke, psychische en morele integriteit.

Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, vernederende of onmenselijke behandeling of straf.

Artikel 52
1. De politieke macht berust bij het volk en wordt uitgeoefend in overeenstemming met de Grondwet.
2. De politieke democratie kenmerkt zich door participatie en representatie van het Surinaamse volk, welke tot uitdrukking komen door de deelname van het volk aan het vaststellen van een democratisch politiek stelsel, alsmede door deelname in wetgeving en bestuur, gericht op het handhaven en uitbouwen van dit stelsel. De politieke democratie schept voorts de voorwaarden voor deelname van het volk aan algemene, vrije en geheime verkiezingen ter samenstelling van de volksvertegenwoordigende organen en van de Regering.
3. De verantwoordingsplicht ten opzichte van het volk en controle op het overheidshandelen door organen die daartoe zijn ingesteld en het terugroeprecht ten aanzien van gekozen volksvertegenwoordigers zijn waarborg voor een waarachtige democratie.”

4.6 Artikel 29 van het verdrag inzake mensen met een beperking luidt als volgt:
“De Staten die Partij zijn garanderen personen met een handicap politieke rechten en de mogelijkheid deze op voet van gelijkheid met anderen te genieten, en verplichten zich:
a. te waarborgen dat personen met een handicap effectief en ten volle kunnen participeren in het politieke en openbare leven, hetzij rechtstreeks, hetzij via in vrijheid gekozen vertegenwoordigers, met inbegrip van het recht, en de gelegenheid, voor personen met een handicap hun stem uit te brengen en gekozen te worden, onder andere door:
i. te waarborgen dat de stemprocedures, -faciliteiten en voorzieningen adequaat, toegankelijk en gemakkelijk te begrijpen en te gebruiken zijn;
ii. het recht van personen met een handicap te beschermen om in het geheim hun stem uit te brengen bij verkiezingen en publieksreferenda zonder intimidatie en om zich verkiesbaar te stellen, op alle niveaus van de overheid een functie te bekleden en alle openbare taken uit te oefenen, waarbij het gebruik van ondersteunende en nieuwe technologieën, indien van toepassing, wordt gefaciliteerd;
iii. de vrije wilsuiting van personen met een handicap als kiezers te waarborgen en daartoe, waar nodig, op hun verzoek ondersteuning toe te staan bij het uitbrengen van hun stem door een persoon van hun eigen keuze;
b. actief een omgeving te bevorderen waarin personen met een handicap effectief en ten volle kunnen participeren in de uitoefening van openbare functies, zonder discriminatie en op voet van gelijkheid met anderen en hun participatie in publieke aangelegenheden aan te moedigen, waaronder:
i. de participatie in non-gouvernementele organisaties en verenigingen die zich bezighouden met het openbare en politieke leven in het land en in de activiteiten en het bestuur van politieke partijen;
ii. het oprichten en zich aansluiten bij organisaties van personen met een handicap die personen met een handicap vertegenwoordigen op internationaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau.”

4.7 Bij de nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit is bepaald dat een lichamelijk hulpbehoevende kiezer naast de zelf gekozen begeleider, tevens door een plaatsvervangend lid van het stembureau die door de voorzitter is aangewezen wordt begeleid. Tevens is bepaald dat, indien daartoe de behoefte bestaat, deze kiesgerechtigde tot in het stemhok kan worden bijgestaan door diens begeleider en het plaatsvervangend lid van het stembureau en dat laatstgenoemde het stembiljet inkleurt overeenkomstig de wil van de stemgerechtigde onder toezicht van diens begeleider. Deze bepaling moet, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, in strijd worden geacht met de artikelen 8, 9 en 52 van de Grondwet alsook artikel 29 van het Internationaal verdrag inzake mensen met een beperking. Dit, omdat de lichamelijk hulpbehoevende kiezer recht heeft op bescherming om in het geheim diens stem uit te brengen bij de verkiezingen. Tevens dient zijn vrije wilsuiting te worden gewaarborgd en dient ondersteuning bij het uitbrengen van zijn stem te worden toegestaan door een persoon van zijn eigen keuze. Toevoeging van een plaatsvervangend lid van het stembureau aan de begeleiding van de lichamelijk hulpbehoevende kiezer moet in strijd worden geacht met de fundamentele rechten van laatstgenoemde, welke rechten dienen te prevaleren boven het belang van De Staat bij, zoals door haar is aangevoerd, integere c.q. betrouwbare verkiezingen. Hoewel het doel van De Staat bij nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit gericht is op het voorkomen van willekeur en bescherming van de hulpbehoevende kiesgerechtigde, zoals door haar verwoord, had De Staat bij de vaststelling van de nadere regelen hiertoe voldoende rekening moeten houden met de wet en de rechten van deze doelgroep zoals vastgelegd in de Grondwet en het Verdrag inzake de rechten van mensen met een beperking. Consultatie van de doelgroep alvorens nadere regelen vast te stellen die betrekking hebben op de uitoefening van hun stemrecht was derhalve een noodzaak. Door zulks na te laten is onvoldoende rekening gehouden met de belangen en de kwetsbaarheid van deze doelgroep binnen de samenleving.

Conclusie
4.8 Niet alleen is, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, de nadere vaststelling van artikel 102 van de Kiesregeling in artikel 27 van het Kiesbesluit niet rechtsgeldig, maar de nadere vaststelling pleegt tevens inbreuk op grondrechten van de lichamelijk hulpbehoevende kiesgerechtigden. De toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 tijdens de stembusgang zal derhalve worden opgeschort, totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid van dit aritkel is komen vast te staan. Met de opschorting van de toepassing van dit artikel is er geen belang bij het onder B en C gevorderde, zodat zulks zal worden geweigerd.

Proceskosten
4.9 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van eisers tot zover begroot op SRD 10.000,- (vastrecht ad SRD 50,-, oproepingskosten ad SRD 2.450,- en SRD 7.500,- , zijnde het gemachtigdensalaris).

5. De beslissing
De kantonrechter:

5.1 schort de toepassing van artikel 27 van het Kiesbesluit 2025 (SB 2025 no.26) tijdens de stembusgang op 25 mei 2025 op, totdat de rechtsgeldigheid en toepasbaarheid daarvan is komen vast te staan;

5.2 veroordeelt De Staat in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot aan deze uitspraak begroot op SRD 10.000,- (tienduizend Surinaamse dollar);

5.3 weigert het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. D. M. Haakmat – Sniphout, ter terechtzitting van dinsdag 20 mei 2025 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2025-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00040
25 maart 2025
Vonnis
In de zaak van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE NATIONALE ONTWIKKELINGS PLATFORM (N.O.P.), rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Borretstraat no. 02 unit 3 te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna: het NOP,
vertegenwoordigd door: dhr Richard Ajoebkhan Alli (voorzitter)

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna: de Staat,
gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 13 maart 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202500947) tussen het NOP als eiseres en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 24 maart 2025 van de Substituut-Griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat het NOP tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota, gedateerd 24 maart 2025;
  • het antwoordpleidooi, gedateerd 24 maart 2025;
  • de mondelinge conclusies van repliek en dupliek.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 Het NOP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
de Staat te veroordelen om binnen 1 uur na de uitspraak, eiseres alsnog te registreren althans te doen registreren bij het Centraal Hoofdstembureau, hierna CHS, op straffe van een dwangsom en de Staat te veroordelen in de kosten van het geding en de liquidatiekosten.

3.2 De Staat heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 13 maart 2025 de voorzieningen geweigerd en het NOP veroordeeld in de liquidatiekosten en de proceskosten.

4. De vordering, de grieven en het verweer
4.1 Het NOP is tegen het vonnis opgekomen en heeft gevorderd dat het beroepenvonnis wordt vernietigd, dat de Staat wordt veroordeeld het NOP alsnog te registreren voor deelname aan de verkiezingen en een redelijke termijn vast te stellen waarin het NOP de DNA-kandidaten kan voordragen.

De stellingen en weren van partijen in eerste aanleg
4.2 Het NOP heeft in eerste aanleg – kort samengevat – aangevoerd dat zij op 24 februari 2025 om 14.57 uur het registratieformulier ontving en dat zij daardoor pas om 15.05 uur bij het CHS was voor de indiening van de stukken. Het CHS heeft geweigerd de stukken in ontvangst te nemen. Het CHS heeft aangegeven dat de registratie is geweigerd omdat de wettelijke registratie termijn om 15.00 uur was afgesloten. De geringe overschrijding van slechts vijf minuten waren echter het gevolg van omstandigheden die buiten de macht van het NOP hebben gelegen, namelijk de late vrijgave van de essentiële documenten van de bevoegde overheidsinstanties. De strikte toepassing van de termijn is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het verbod op detournement de pouvoir, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het fair-playbeginsel.

4.3 De Staat heeft verweer gevoerd – verkort en zakelijk weergegeven – erop neerkomende, dat de in de Kiesregeling genoemde termijn voor registratie dwingend is voor geschreven en als een fatale termijn moet worden gezien, voorts dat, de Staat geen beginselen van behoorlijk bestuur danwel bepalingen van het Bupoverdrag heeft geschonden.

De beslissing van de kantonrechter in eerste aanleg in kort geding:
4.4 De kortgeding rechter in eerste aanleg heeft op 13 maart 2025 vonnis (civarnummer 202500947) bij vonnis, op daarin vermelde gronden, de gevraagde voorzieningen geweigerd en het NOP verwezen in de proceskosten.

De grief van het NOP tegen het beroepen vonnis

4.5 Het NOP heeft aangevoerd dat zij na bestudering van het vonnis in eerste aanleg tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een wezenlijke juridische omissie in de overwegingen van de kantonrechter. Naar het Hof begrijpt beroept NOP zich op overmacht. Volgens NOP is het buiten haar schuld om dat zij na 15.00 uur is gearriveerd bij het Centraal Hoofdstembureau voor het indienen van de documenten. Het NOP heeft verder aangevoerd dat het CHS en het OKB in strijd hebben gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat de documenten ongemotiveerd en onrechtmatig zijn geweigerd door het CHS. 

5. De beoordeling
5.1 Het hof overweegt dat de aanbieding tot registratie een onderdeel is van de procedure ten behoeve van de verkiezing van de leden van de volksvertegenwoordigende lichamen welke verkiezing op 25 mei 2025 zal plaatshebben. De procedure is door de wetgever aan strikte regels en termijnen gebonden om de voortgang van de procedure alsmede voor ieder gelijke en eerlijke verkiezingen te waarborgen.

5.2 Artikel 31 lid 3 van de Kiesregeling luidt alsvolgt:
“De gelegenheid tot aanbieding bestaat van de vierendertigste tot en met de negenentwintigste dag vóór de ingevolge artikel 85 lid 1 vastgestelde dag der kandidaatstelling. Registratie is mogelijk van des voormiddags 08.00 uur tot des namiddags 15.00 uur bij het Centraal Hoofdstembureau. “
In artikel 35 lid 1 onder a staat dat het Centraal Hoofdstembureau de registratie weigert indien de aanbieding niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden.

5.3 Naar het oordeel van het Hof is de in de Kiesregeling genoemde termijn een fatale termijn en dwingend voorgeschreven. In de rechtspraak is de rechtsopvatting, dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van die termijn afgeweken zou mogen worden, heersend.
Het hof sluit zich hierbij aan bij de uitspraak van 23 oktober 2006 uit de Nederlandse rechtspraak (met rechtspraaknummer ECLI:NL:RVS:2006:AZ1246) waarin is geoordeeld:

“2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 februari 2006 in zaak no. 200600750/1 (AB 2006, 73), heeft de keuze van de wetgever voor een strikte regeling in de Kieswet als achtergrond een voor ieder gelijke, eerlijke verkiezing te waarborgen. Daarom is er, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, geen ruimte voor het hoofdstembureau om in afwijking van de dwingende bepalingen van de Kieswet te beslissen.
Anders dan appellant meent, is in dit geval van een dergelijke zeer uitzonderlijke situatie geen sprake…”

5.4 Ook in het onderhavige geval van NOP is er – naar het oordeel van Hof – geen sprake van een uitzonderlijk geval. Uit het relaas van NOP en de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat appellante vanaf december 2024 doende is haar statuten in orde te maken. Gaandeweg bleek dat de naam van de partij moest worden veranderd omdat de gekozen naam veel gelijkenis vertoonde met de naam van een andere politieke partij. Zij is toen de procedure begonnen voor het wijzigen van de naam hetgeen er kennelijk uiteindelijk toe heeft geleid dat zij niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn beschikte over alle benodigde documenten. Zij meldde zich op 24 februari 2025 om 15.05 uur aan voor de registratie. Daarnaast is gebleken dat NOP toen ook nog niet beschikte over de vereiste bewijs van storting van de borgsom, omdat de borgsom nog niet was gestort. Ook indien NOP de mogelijkheid zou worden geboden om de documenten in te dienen dan nog zou dit niet kunnen omdat de documenten niet compleet waren. De stelling van NOP dat zij ter plekke een girale overmaking zou doen gaat niet op omdat vereist was een stortingsbewijs en niet een girale overmaking ter plekke.
Van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur, danwel met enig bepaling van het Bupo-verdrag is in casu geen sprake. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de politieke groepering ervoor zorg te dragen dat tijdig, in casu uiterlijk op 24 februari 2025 om 15.00 uur een verzoek in te dienen dat voldoet aan de ingevolge de Kiesregeling geldende vereisten. Deze omstandigheden vallen allemaal binnen de invloedsfeer van NOP. De gevolgen daarvan komen voor haar rekening.

5.5 Het is het hof niet gebleken van omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de Staat zich op enig moment schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen in de procedure die door het NOP is gevolgd bij de voorbereidingen om zich te registreren en dat het op enige wijze aan de Staat zou hebben gelegen dat het NOP niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn over de benodigde documenten beschikte.

5.6 Om die reden acht het hof het terecht dat het CHS heeft geweigerd om het NOP te registreren.
Het vonnis in eerste aanleg zal daarom worden bevestigd onder aanvulling van de gronden.

5.7 Het hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken, nu dat niet tot een ander oordeel zou leiden en het NOP zal worden veroordeeld in de kosten van het proces.

6. Beslissing
Het hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding van 13 maart 2025 bekend onder civarnummer 202500947, waarvan beroep onder aanvulling van de gronden.
6.2 Veroordeelt het NOP in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. nihil (nihil SURINAAMSE DOLLARS) aan verschotten en SRD.15.000,- (VIJFTIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gemachtigdensalaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 25 maart 2025 in tegenwoordigheid van mevr. S.R. ten Berge, ad-hoc Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen dhr. Richard Ajoebkhan Alli, vertegenwoordiger van appellante terwijl geïntimeerde, noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2025-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00064
20 april 2025
Vonnis in de zaak van:

A. DE POLITIEKE ORGANISATIE NATIONALE DEMOCRATISCHE PARTIJ, rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
B. [appellant sub B], wonende in het district Para,
C. [appellant sub C], wonende in het district Marowijne,
D. [appellant sub D], wonende in het district Coronie,
E. [appellant sub E], wonende in het district Sipaliwini,
hierna gezamelijk te noemen: “de NDP c.s.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “de NDP, [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E]”,
gemachtigde voor allen: mr. N.U. van Dijk PG Dip CAMS AMLCA, advocaat,
appellanten in kort geding,
tegen

DE STAAT SURINAME, meer specifiek de hierna te noemen organen c.q. instituten, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
a. Het Hoofdstembureau Para, kantoorhoudende op het districtscommissariaat te Para,
b. Het Hoofdstembureau Marowijne, kantoorhoudende op het districtscommissariaat te Marowijne,
c. Het Hoofdstembureau Coronie, kantoorhoudende op het districtscommissariaat te Coronie,
d. Het Hoofdstembureau Sipaliwini, kantoorhoudende op het districtscommissariaat van Sipaliwini in Paramaribo,
e. Het Centraal Hoofdstembureau, kantoorhoudende te Paramaribo,
f. De President van de Republiek Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,
g. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigden en gevolmachtigden: I.D. Kanhai BSc., mr. A.R. Baarh en mr. N.A.S. Ramnarain, advocaten en de heer N. Eskak, directeur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken,
hierna te noemen: “de Staat of het Hoofdstembureau, het CHS, de President of het Ministerie van Binnenlandse Zaken”,
geïntimeerde in kort geding.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 17 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501520) tussen de NDP c.s. als eisers en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal van de substituut-griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door de NDP c.s. tegen genoemd vonnis hoger beroep is ingesteld;
• de pleitnota zijdens de NDP c.s., gedateerd 19 april 2025;
• het proces-verbaal van de mondelinge pleidooien van de gemachtigden en de vertegenwoordiger van de Staat, en de producties die zijn overgelegd tijdens de pleidooien;
• de conclusie tot uitlating over de overgelegde productie, zijdens de NDP c.s.,
• het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De NDP heeft in maart 2025 haar kandidatenlijsten op DNA-, RR- en DR-niveau ingediend, waaronder de RR- en DR-kandidatenlijsten voor de districten Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini.
Op de kandidatenlijst voor het ressort Carolina in het district Para stond [appellant sub B] vermeld. Op de kandidatenlijst voor het ressort Albina in het district Marowijne stond [appellant sub C] vermeld. Op de kandidatenlijst voor het ressort Welgelegen in het district Coronie stond [appellant sub D] vermeld. Op de kandidatenlijst voor het ressort Kabalebo in het district Sipaliwini stond [appellant sub E] vermeld.

2.2 Bij schrijven van 26 maart 2025, afkomstig van het Hoofdstembureau Para, en gericht aan het bestuur van de NDP, is aan het bestuur onder andere medegedeeld dat na onderzoek van de door de NDP ingeleverde kandidatenlijst voor leden van de ressortraad een dubbele kandidaatstelling werd geconstateerd van de persoon van [appellant sub B] omdat hij eveneens vermeld stond op de RR kandidatenlijst van de politieke partij ABOP. In het schrijven werd aan de NDP medegedeeld dat overeenkomstig artikel 66 lid 3b van de Kiesregeling [appellant sub B] van de kandidatenlijst wordt geschrapt.

2.3 Tevens is de NDP door de Hoofdstembureau’s van respectievelijk de districten Coronie, Marowijne en Sipaliwini in kennis gesteld van het feit dat na onderzoek van de door de NDP ingeleverde kandidatenlijsten is geconstateerd dat er met betrekking tot de personen van respectievelijk [appellant sub D], [appellant sub C] en [appellant sub E] sprake is van dubbele kandidaatstelling omdat zij eveneens vermeld stonden op de RR kandidatenlijsten van respectievelijk de ABOP, de Palu en de VHP. Aan de NDP is door de respectieve Hoofdstembureau’s medegedeeld dat overeenkomstig artikel 66 lid 3, dan wel artikel 81 lid 3 van de Kiesregeling de kandidaten worden geschrapt van de lijst.

2.4 Na deze mededelingen hebben [appellant sub B] en [appellant sub D] op respectievelijk 27 maart 2025 en 28 maart 2025 aangifte gedaan van valsheid in geschrifte. Bij de aangifte stelden zij dat zij de bewilligingsformulieren voor de andere partij niet hadden ondertekend.

2.5 Op 28 maart 2025 heeft de NDP aan het Centraal Hoofdstembureau een schrijven gericht met betrekking tot de dubbele kandidaatstelling waarin werd aangegeven dat de handtekening op het bewilligingsformulier van de ABOP waarop zou zijn aangegeven dat [appellant sub B] bewilligt, niet zijn handtekening is. De NDP geeft in dat schrijven aan dat het een zeer dubieuze zaak betreft en de NDP doet een dringend verzoek om grondig onderzoek te gelasten en maatregelen te treffen ter correctie zodat [appellant sub B] kan worden geplaatst op de lijst van de NDP. Op dit schrijven heeft de NDP geen reactie ontvangen.

2.6 Tevens hebben [appellant sub C] en [appellant sub E] op 2 april 2025 en [appellant sub D] op 4 april 2025 aan respectievelijk het Hoofdstembureau Marowijne en de President van de Republiek een schrijven gestuurd waarin zij aangaven dat zij geenszins hebben bewilligd om op een andere lijst te staan dan de lijst van de NDP. Ook verzochten [appellant sub E] en [appellant sub D] daarbij dat zij weer op de lijst van de NDP zouden worden geplaatst.
Op deze brieven hebben [appellant sub C], [appellant sub E] en [appellant sub D] geen reactie ontvangen. Op het verzoek van [appellant sub E] en [appellant sub D] is geen beslissing genomen door de President.

2.7 Op 2 april 2025 heeft de NDP aan de President van de Republiek Suriname vier beroepschriften ingediend waarin het verzoek werd gedaan om de schrapping van de hiervoor bedoelde vier kandidaten ongedaan te maken, een diepgaand onderzoek te laten uitvoeren en de betrokken vier kandidaten de gelegenheid te geven om zijn of haar bijdrage te leveren op ressortsraadsniveau of districtsraadsniveau, dan wel om de betrokkenen weer op de kandidatenlijst te laten plaatsen.

2.8 Op de vier door de NDP ingediende verzoeken heeft de President op 11 april 2025 bij resolutie beslist. In de vier beslissingen heeft de President onder andere overwogen dat de NDP in haar beroepschrift stelt dat de kandidaten niet hebben bewilligd bij een andere politieke organisatie; dat ingevolge artikel 2 van de Kiesregeling het onderzoek van de lijsten en de beslissing over de geldigheid door het Hoofdstembureau geschiedt;
dat het Hoofdstembureau heeft geconstateerd dat de kandidaten op meer kandidatenlijsten voorkomen en ingevolge artikel 66 lid 3 onder b van de Kiesregeling de kandidaten van beide lijsten heeft geschrapt;
dat ten aanzien van de twee getekende bewilligingsverklaringen van de kandidaten een toetsing van en onderzoek van de handtekening van de kandidaten op de bewilligingsformulieren door het Hoofdstembureau, elke wettelijke grondslag mist;
dat er verder geen ondersteunende documenten ter staving van het gestelde in het beroepschrift zijn overgelegd, hetgeen voor de besluitvorming onvoldoende bewijs oplevert dat daardoor het beroep van de politieke organisatie ongegrond zal worden verklaard.
De President heeft besloten dat de beslissing van de Hoofdstembureau’s terzake het schrappen van de kandidaten wordt gehandhaafd.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 De NDP c.s. hebben bij verzoekschrift, kort gezegd en zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Bepaalt dat de schrapping van [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] van de RR-kandidatenlijst of de DR-kandidatenlijst, als niet gedaan moet worden beschouwd;
II. Schorst c.q. opschort de werking van de resoluties van de President de dato 11 april 2025 nos. 739/RP, 741/RP, 743/RP en 744/RP,
III. Schorst c.q. opschort de werking van de beslissingen van de hoofdstembureaus van Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini op hun openbare zitting van 14 april 2025 om [appellant sub B] (RR), [appellant sub C] (DR), [appellant sub D] (RR) en [appellant sub E] (DR) van de lijst voor de verkiezing van de districtsraad of de ressortraad in de districten Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini af te voeren,
IV. De Staat veroordeelt om onmiddellijk na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, genoemde kandidaten toe te laten voor deelname aan de verkiezing voor de DR of de RR in de districten Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini voor de NDP, onder verbeurte van een dwangsom,
V. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken veroordeelt om het noodzakelijk te doen of te laten doen dat de genoemde NDP kandidaten op de stembiljetten voor de verkiezing van de DR en de RR van hun respectieve districten voorkomen onder verbeurte van een dwangsom,
VI. De Staat, de hoofdstembureaus van Para, Marowijne, Coronie, Sipaliwini en de President veroordeelt om al het noodzakelijke te doen en hun medewerking te verlenen dat Binnenlandse Zaken de genoemde NDP kandidaten op de stembiljetten voor de verkiezing van de DR en de RR van hun respectieve districten voorkomen, onder verbeurte van een dwangsom,
VII. Bepaalt dat onmiddellijk na het wijzen van vonnis althans binnen een door de rechter te bepalen termijn, het vonnis door de staat op haar kosten wordt gepubliceerd in het ARS onder verbeurte van een dwangsom,
VIII. De Staat veroordeelt in de proceskosten.

De NDP c.s. hebben – kort samengevat – als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de Hoofdstembureau’s van Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini ten onrechte de genoemde kandidaten hebben geschrapt omdat zij ook voorkwamen als kandidaten op de lijst van een andere politieke partij. Immers is het gebleken dat de genoemde kandidaten niet hebben bewilligd om op een andere lijst te worden geplaatst dan de lijst van de NDP. De bewilligingen voor de andere partijen zijn valselijk opgemaakt door, zo begrijpt het hof, onbekenden. Zij hadden op grond van het voorgaande niet van de lijst van de NDP gehaald mogen worden, immers, zij hebben niet dubbel bewilligd. Zij hebben slechts bewilligd voor de NDP en niet voor de andere partijen. Zij voeren voorts aan dat het CHS en de President hun onderzoeksplicht in verband met de vervalsing, niet zijn nagekomen.

3.2 De Staat heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 april 2025 [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering en de vordering van de NDP afgewezen.

4. De vordering, de grieven en het verweer
4.1 De NDP c.s. hebben tegen het vonnis – zakelijk weergegeven – de volgende grieven aangevoerd:
1. De kantonrechter is geheel voorbij gegaan aan het feit dat de appellanten elk een eigen individueel belang hebben bij de vordering. De kantonrechter heeft de vorderingen eigendunkelijk bijeen gevoegd en ten onrechte de afzonderlijke vorderingen niet op hun eigen afzonderlijke merites beoordeeld. Daarbij heeft de kantonrechter geheel ten onrechte geoordeeld dat [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] niet het recht hebben om in persoon de vordering in te stellen. Zij hebben wel degelijk het recht om op te komen als hun passief kiesrecht hun wordt ontnomen op grond van het Grondwettelijk artikel 22. Dat recht is niet ondergeschikt aan de Kiesregeling. Ten onrechte heeft de kantonrechter in overweging 4.3 geoordeeld dat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.
2. De overweging 4.1 en 4.3 zijn innerlijk tegenstrijdig, immers, in overweging 4.1 overweegt de kantonrechter dat de eisers een spoedeisend belang hebben en in overweging 4.3 overweegt de kantonrechter dat [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] geen belang hebben bij de vordering.
3. De kantonrechter is geheel voorbij gegaan aan de verschillende grondslagen genoemd in het inleidend rekest.
Onder andere is niet ingegaan op de grond genoemd in het 4e sustenu dat aan het CHS een verzoek is gedaan om een grondig onderzoek in te stellen en maatregelen te treffen ter correctie zodat betrokkene kan worden geplaatst op de kandidatenlijst. De NDP c.s. hebben met betrekking tot dit verzoek aangevoerd dat, nu het CHS niet heeft gereageerd op het verzoek, terwijl de Hoofdstembureaus functioneren onder de verantwoordelijkheid van het CHS, de NDP c.s. erop mochten vertrouwen dat het verzoek is ingewilligd. Immers, in het bestuursrecht is het algemeen dat een besluit binnen een redelijke termijn genomen moet worden en als er geen besluit wordt genomen mag de belanghebbende er vanuit gaan dat haar verzoek is toegewezen. Aan dit beroep op het vertrouwensbeginsel heeft de kantonrechter geen overweging gewijd.
4. Hetzelfde geldt voor de gronden genoemd in sustenu 5, namelijk dat het Hoofdstembureau van Marowijne gehouden was onderzoek te doen naar het feit dat aan haar kenbaar was gemaakt dat [appellant sub C] nimmer heeft bewilligd om op de lijst van OPTSU te staan. De valse handtekening kan niet worden gezien als bewilliging. Ondanks deze kennisgeving heeft het Hoofdstembureau geen onderzoek gedaan en is het Hoofdstembureau uitgegaan van dubbele bewilliging terwijl daar geen sprake van was. De schrapping is derhalve onrechtmatig. Ook op deze grond is de kantonrechter niet ingegaan.
5. Evenmin is de kantonrechter ingegaan op de grond genoemd in verband met de kandidaat [appellant sub D]. Met betrekking tot haar is aangehaald dat betrokkene aangifte heeft gedaan van vervalsing. Dat is kenbaar gemaakt aan het Hoofdstembureau. Er is derhalve geen sprake van bewilliging waardoor er geen schrapping mocht plaatsvinden op grond van dubbele bewilliging. De kantonrechter heeft die grond niet besproken.
6. Voorts is de kantonrechter niet ingegaan op de grond genoemd in het 7e sustenu, namelijk de grond dat het hoofdstembureau te Sipaliwini geen acht heeft geslagen op het feit dat aan haar te kennen is gegeven dat er geen sprake is van bewilliging voor de andere partij. Om die reden was er geen sprake van dubbele bewilliging en mocht ook niet over zijn gegaan tot schrapping.
7. Ook is de kantonrechter niet ingegaan op hetgeen door de NDP c.s. is aangevoerd met betrekking tot de twijfels die bij de NDP c.s. bestaan met betrekking tot de objectiviteit van de President als beroepsorgaan. Immers, de President is voorzitter van de VHP en heeft moeten beslissen over de kennisgeving dat er valsheid in geschrifte is gepleegd bij het opmaken van een bewilligingsformulier voor de VHP. De voorzitter vertegenwoordigd de VHP mede waardoor het beoordelen van het beroepschrift een conflicterende situatie met zich meebrengt. Ook hierop is de kantonrechter niet ingegaan.
8. Voorts is de kantonrechter niet ingegaan op hetgeen in het 9e sustenu is gesteld namelijk dat [appellant sub D] en [appellant sub E] een beroepschrift hebben ingediend bij de President en dat de President daar nimmer op heeft gereageerd. In beginsel mochten zij er daardoor vanuit gaan dat hun verzoek is gehonoreerd. Echter heeft de kantonrechter daar geen overweging aan gewijd.
9. Evenmin is de kantonrechter ingegaan op het feit dat de NDP c.s. stelden dat de resoluties van de President met betrekking tot het beroep van [appellant sub C] en [appellant sub E] geen wettelijke grondslag hebben omdat de President deze resoluties heeft gebaseerd op onjuiste wetsartikelen.
10. Uit overweging 4.5 van het vonnis kan geconcludeerd worden dat de kantonrechter het ermee eens is dat als er sprake zou zijn van vervalsing, dit zou moeten leiden tot ongeldigheid van de kandidaatstelling die gekoppeld is aan de vervalste handtekening. De kantonrechter is er echter ten onrechte aan voorbij gegaan dat het OKB publiekelijk heeft bevestigd dat er onderzoek moet worden gedaan naar hetgeen met de bewilligingsformulieren is gebeurd. De kantonrechter is er aan voorbij gegaan dat ondanks die instructie, de instanties hebben geweigerd om onderzoek te doen. De kantonrechter heeft het nalaten van de instituten ten nadele laten werken van de NDP c.s. Daarmee heeft de kantonrechter een verkeerde belangenafweging gemaakt.

4.2 Naar aanleiding van de grieven vorderen de NDP c.s. dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, het gevorderde wordt toegewezen.

De stellingen en weren van partijen
4.3 Het CHS en de hoofdstembureaus van Para, Marowijne, Coronie en Sipaliwini hebben gesteld dat het schrappen van de kandidaten op grond van de wet is geschiedt. De kiesregeling biedt noch het CHS, noch de stembureaus de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de vermeende vervalsing van handtekeningen van kandidaten. Het onderzoek naar handtekeningen is door de wetgever niet tot onderdeel van de procedure gemaakt. Het zijn de politieke partijen die kandidatenlijsten moeten indienen die juist zijn. Indien blijkt dat op de lijsten personen dubbel staan dan zal de wet worden toegepast. Er is geen procedure opgenomen waarbij de handtekeningen moeten worden getoetst of onderzocht door het Hoofdstembureau of het Centraal Hoofdstembureau. Daar is gezien de tijdsdruk ook geen tijd voor. Om die reden is het niet juist dat gesteld wordt dat de Hoofdstembureaus en het CHS hun taken niet naar behoren hebben vervuld.

4.4 Nu niet rechtens is komen vast te staan dat de handtekeningen vals zijn moet uitgegaan worden van dubbele bewilliging. Dat kan pas vastgesteld worden na een civiele of een strafrechtelijke onderzoeksprocedure. Binnen de verkiezingsprocedure kan zulks niet worden onderzocht of vastgesteld.
Het is niet juist dat het Centraal Hoofdstembureau iets zou moeten onderzoeken in dit geval. De Hoofdstembureau’s hebben hun eigen taken en bevoegdheden. Het Centraal Hoofdstembureau heeft niet de bevoegdheid om beslissingen te nemen over de schrapping door een Hoofdstembureau. Het CHS kan niet beslissen dat een Hoofdstembureau een schrapping ongedaan moet maken.
De politieke partijen hebben gebruik gemaakt van hun wettelijke bevoegdheid om in beroep te gaan tegen de schrapping bij de President van de Republiek.

4.5 Daarnaast voerden zij aan dat [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] de vordering niet hadden mogen indienen omdat de bevoegdheid om kandidaten voor te dragen ligt bij de politieke partijen. Het CHS heeft verder aangevoerd dat een dubbele kandidaatstelling niet wordt aangemerkt als een verzuim dat zou kunnen worden hersteld op grond van artikel 63 van de Kiesregeling. Artikel 66 van de Kiesregeling schrijft voor wat het gevolg moet zijn bij dubbele kandidaatstelling.

4.6 De President heeft aangevoerd dat een aangifte, een proces-verbaal van de aangever en perspublicaties over de vermeende valsheid, geen bewijs zijn voor de vermeende vervalsing. Met de overgelegde bewilligingsformulieren staat vast dat de betreffende personen op meer dan een lijst staan.
Verder voerde de President aan dat er geen sprake is van schending van het petitierecht, neergelegd in artikel 22 van de Grondwet, door de beslissing van de kantonrechter.
4.7 Binnenlandse zaken heeft aangevoerd dat zij niets te maken heeft met de beslissing over welke kandidaten op de verkiezingslijsten komen te staan en dat zij daardoor ten onrechte in rechte is betrokken in deze zaak.

5. De beoordeling

5.1 De NDP c.s. hebben tijdig hoger beroep aangetekend en zijn dan ook ontvankelijk in hun hoger beroep.

5.2 De eerste grief: de ontvankelijkheid van [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E].
Het Hof overweegt dat, gelijk de appellanten stellen, in artikel 22 van de Grondwet het recht is neergelegd voor iedere burger om verzoeken in te dienen bij een bevoegd gezag. Het standpunt dat de appellanten dat niet zouden mogen doen als het een kwestie betreft de Kiesregeling aangaande, en dat slechts een politieke partij een vordering in verband met de Kiesregeling zou mogen indienen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, het passief kiesrecht, dat in casu aan de orde is, komt de appellanten toe en, indien zij van mening zijn dat hun recht wordt geschonden, zouden zij daaromtrent een vordering moeten kunnen instellen bij de onafhankelijke rechter.
Die grief is dan ook gegrond.
[appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] zijn ontvankelijk in hun vordering.

5.3 De tweede grief heeft verband met de eerste grief. Appellanten stellen terecht dat in 4.1 is opgemerkt dat zij belang hebben bij het gevorderde. De overweging van de kantonrechter in 4.3 dat zij geen verzoek zouden mogen indienen, getuigt, zoals hierboven reeds overwogen, van een verkeerde rechtsopvatting. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van tegenstrijdigheid omdat het spoedeisend belang wordt getoetst in verband met het verlenen van rechtsingang in kort geding teneinde een beslissing te verkrijgen van de rechter omtrent een geschil tussen partijen. Deze beslissing is een andere dan de beslissing neergelegd in 4.3 met betrekking tot de vraag of betrokken kandidaten de vordering hadden mogen indienen.

5.4 De derde grief klaagt erover dat er niet is geoordeeld over de grond genoemd in het 4e sustenu van het verzoekschrift door de NDP c.s., namelijk dat verzoeker, [appellant sub B], erop mocht vertrouwen dat het verzoek is toegewezen omdat er niet is gereageerd op zijn verzoek aan het CHS.
De Staat heeft hierop tijdens de comparitie van partijen aangevoerd dat samen met de verzoeken en beroepschriften van de kandidaten het verzoek en de beroepschriften van de NDP als politieke organisatie, zijn ontvangen. De beroepsschriften van de NDP betreffen alle vier kandidaten. Op die beroepsschriften is beslist op 11 april 2025. Hierdoor wisten alle partijen wat de beslissing was.
Het Hof is van oordeel dat, alhoewel het juister was geweest als schriftelijk was gereageerd op de verzoeken en beroepsschriften van de individuele kandidaten, het feit dat op het beroepsschrift van de NDP is beslist inderdaad voldoende duidelijkheid bood, ook aan de individuele kandidaten. Het Hof deelt daarnaast de visie van de appellanten dat door het niet individueel beslissen over hun verzoek tot gevolg heeft dat hun verzoek stilzwijgend is goedgekeurd niet, omdat het geen steun vindt in het recht. Integendeel is het in het bestuursrecht gangbaar dat indien op verzoeken aan het bestuur niet wordt geantwoord dat beschouwd mag worden als een fictieve weigering.

5.5 In de vierde, vijfde en zesde grief klagen appellanten dat niet is geoordeeld over de grond aangevoerd in het 5e, 6e en 7e sustenu van het verzoekschrift dat het Hoofdstembureau niet had mogen schrappen als er een beroep werd gedaan op een vals bewilligingsformulier.
Het Hof oordeelt over die grond alsvolgt.
Gelijk is aangevoerd door de Hoofdstembureau’s biedt de wet geen ruimte voor het Hoofdstembureau om onderzoek te doen naar de geldigheid van een handtekening. De politieke partijen moeten de lijsten indienen. Het Hoofdstembureau moet controleren of de lijsten voldoen aan de wet. De wet heeft de verzuimen limitatief opgesomd. Ook is bepaald dat bij dubbele kandidaatstelling geschrapt moet worden. Hoe de dubbele kandidaatstelling tot stand is gekomen kan niet worden onderzocht. Daar is geen procedure voor opgenomen in de bepalingen met betrekking tot de Hoofdstembureau’s, en dat zou vooral bij een beroep op vervalsing ook niet kunnen worden onderzocht door het Hoofdstembureau.
Om die reden acht het Hof het niet juist als gesteld wordt dat het Hoofdstembureau na de melding van de vermeende vervalsing onderzoek had moeten plegen. Immers de Kiersregeling schrijft een dergelijk onderzoek niet voor.
Het Hof verwerpt daarom ook deze grieven.

5.6 Ten aanzien van de zevende grief overweegt het Hof dat de wettelijke beroepsprocedure gevolgd is. Dat is de juiste procedure. Aan het feit dat de President van de Republiek is aangewezen als de beroepsinstantie in de Kiesregeling kan niet voorbij gegaan worden.
Eventuele vraagstukken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de beroepsinstantie zullen, nu de procedures bij wet zijn vastgesteld, door een persoon of rechtspersoon die daaromtrent iets aan de orde zou willen stellen, aan de wetgever moeten worden voorgelegd. Van de wettelijke procedures kan niet worden afgeweken.

5.7 Ten aanzien van de achtste grief verwijst het Hof naar hetgeen is overwogen bij de derde grief. De achtste grief wordt hiermee ook verworpen.

5.8 Ten aanzien van de negende grief overweegt het Hof dat appellanten zich erop beroepen dat in de resoluties van de President met betrekking tot de appellanten [appellant sub C] en [appellant sub E] verkeerde artikelen zijn genoemd.
Er is door de President ten aanzien van alle vier verzoekers een beslissing genomen op grond van artikel 66 lid 3 onder b terwijl het betreft kandidaatstelling van zowel ressortraadsleden als distriktsraadsleden en behalve art 66 lid 3 onder b ook artikel 81 lid 3 van de kiesregeling aan de orde is.
Echter blijkt uit de redactie van de overwegingen voldoende wat de President als beroepsorgaan beslist heeft. Er zijn dan ook geen redenen om te stellen dat die besluiten geen wettelijke grondslag hebben.
Ook deze grief zal worden verworpen.

5.9 In de tiende grief klagen appellanten over het feit dat de kantonrechter geen goede belangenafweging heeft gemaakt door voorbij te gaan aan het feit dat de instituten, waaronder de President, geen onderzoek hebben gedaan naar de genoemde vervalsing.
Het Hof overweegt met betrekking tot deze – grief als volgt.
Het Hof heeft partijen gehoord met betrekking tot de vermeende vervalsing.
De NDP c.s. stellen dat de vier bewilligingsformulieren van respectievelijk [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] voor de partijen ABOP, OPTSU, ABOP en de VHP door misbruik van de persoonsgegevens van deze vier kandidaten door onbekenden zijn opgemaakt en door onbekenden zijn ondertekend, hetgeen neerkomt op valsheid in geschrifte.
Nu eerst diepgaand onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de vraag of er werkelijk sprake is geweest van het vervalsen van de handtekeningen, is het niet mogelijk er thans van uit te gaan dat het vast staat dat er sprake is van het vervalsen van de handtekeningen. Het volgen van de wettelijke procedures door de instituten en het op grond daarvan schrappen van appellanten van de lijsten is daarom niet als onrechtmatig aan te merken. Het kort geding leent zich, gelet op haar aard niet voor diepgaand onderzoek zoals onderhavige zaak vergt.
Hof is van oordeel dat de NDP c.s. in dit kort geding niet aannemelijk hebben kunnen maken dat de Hoofdstembureau’s onrechtmatig hebben gehandeld door het schrappen van de kandidaten op grond van de wetsartikelen. Zij hebben ook niet aannemelijk kunnen maken dat de President onrechtmatig heeft gehandeld door het besluit te nemen zoals verwoord in de resoluties.
De kantonrechter heeft naar het oordeel van het hof terecht de vorderingen afgewezen.

5.10 Het Hof zal het vonnis van de kantonrechter voor wat betreft de niet-ontvankelijkheid van [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] vernietigen.

5.11 Voor wat betreft het dictum onder 5.2 van het vonnis zal het vonnis bevestigd worden onder aanvulling van gronden.

5.12 Het Hof oordeelt met betrekking tot de kosten van het geding dat deze zaak is ingesteld tegen de Staat als tegenpartij waarbij verschillende organen van de Staat zijn genoemd in de aanhef van het inleidend verzoekschrift. Het Hof zal daardoor de appellanten verwijzen in de proceskosten van de Staat nu zij merendeels in het ongelijk zijn gesteld. Het vonnis in eerste aanleg zal daarom ook voor wat betreft de kostenveroordeling worden vernietigd.

5.13 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

6. Beslissing
Het hof:
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding van 17 april 2025 in de zaak van partijen bekend onder civarnummer 202501520 voor wat betreft de beslissing vermeld in het dictum onder 5.1 en 5.3;

en opnieuw rechtdoende:

6.2 Verklaart [appellant sub B], [appellant sub C], [appellant sub D] en [appellant sub E] ontvankelijk in hun vordering;

6.3 Bevestigt voor het overige het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding van 17 april 2025 gewezen tussen partijen in de zaak bekend onder civarnummer 202501520, onder aanvulling van gronden;

6.4 Veroordeelt NDP c.s. in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.15.000,= (vijftienduizend Surinaamse dollar).

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op zondag 20 april 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.
w.g. R.S. Dewkalie w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. E.S. Fernand namens advocaat mr. N.U. van Dijk PG Dip CAMS AMLCA, gemachtigde van appellanten en mr. N.A.S. Ramnarain en mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2025-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno. 2025H00071

23 april 2025

Vonnis 

in de zaak van:

De President van de Republiek Suriname, Z.E. Chandrikapersad Santokhi

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

hierna te noemen: “de President”,

appellant,

gemachtigde: mr. N. Ramnarain, advocaat,

 

tegen

 

vereniging De Nieuwe Leeuw

gevestigd te Paramaribo,

hierna te noemen: ‘DNL”,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.G.M. Tjon A Joe, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501561) tussen DNL als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en de President als gedaagde in conventie, eiser in reconventie spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door de President tegen genoemd vonnis hoger beroep is ingesteld;
  • de pleitnota zijdens de President gedateerd 22 april 2025;
  • het proces-verbaal van de mondelinge pleidooien van de gemachtigden van partijen, het informatief horen per video-call gedurende de behandeling van de zaak van de voorzitter van het Hoofdstembureau Wanica en een van de indieners dhr. Damodar Patak  en de producties die zijn overgelegd tijdens de pleidooien;

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg

3.1 DNL heeft gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad de President van de Republiek Suriname gelast c.q. gebiedt om het besluit vervat in zijn resolutie no. 708/RP de dato 10 april 2025 te heroverwegen met inachtneming van de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder verbeurte van een dwangsom van SRD.500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) voor elke dag dat de President nalaat uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.

3.2 De President heeft tegen de vordering verweer gevoerd. 

3.3 De kantonrechter heeft, verkort weergegeven, bij vonnis van 19 april 2025 in conventie – uitvoerbaar verklaard bij voorraad – gelast de plaatsing van de 14 (veertien) door DNL voorgedragen RR kandidaten op het stembiljet voor Wanica in het ressort de Nieuwe Grond voor de te houden verkiezing op 25 mei 2025, met veroordeling van de President in de proceskosten en afwijzing van het meer en anders gevorderde en in reconventie de vordering van de President afgewezen onder veroordeling van de President in de proceskosten. 

4. De beoordeling

4.1 De President heeft tijdig hoger beroep aangetekend en is dan ook ontvankelijk in dit ingestelde hoger beroep.

Grieven

4.2 Grief 1: DNL had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in eerste aanleg aangezien volgens artikel 68 van Kiesregeling niet de persoon van 

Z.E. Chandrikapersad Santokhi het beroepsinstituut is, doch het orgaan van de Staat t.w. de President van de Republiek Suriname dat is.

Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief dat zulks niet opgaat. DNL heeft onderhavige kort geding zaak aanhangig gemaakt tegen de President van de Republiek Suriname, en het is onmiskenbaar dat Z.E. Chandrikapersad Santokhi dat ambt vervuld.

4.3.1 Grief 2: Ten onrechte is door de kantonrechter in kort geding in 4.3 en 4.4 van het beroepen vonnis er van uitgegaan dat het ontvangstbewijs dat DNL heeft overgelegd het bewijs is dat de RR kandidatenlijsten van het district Wanica wel zijn ingediend. De schriftelijke indiening van de hardcopy kandidatenlijsten is leidend hetgeen ook blijkt uit de memorie van toelichting.

4.3.2 Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief als volgt.

Aan de orde is de vraag of DNL al dan niet een hardcopy kandidatenlijst voor het ressort De Nieuwe Grond in het district Wanica heeft ingediend. Ingevolge artikel 54 van de Kiesregeling dienen op de dag van de kandidaatstelling de lijsten van de kandidaten zowel schriftelijk als digitaal te worden ingeleverd. Uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel van de Kiesregeling is onder meer weergegeven “….In de wet wordt bewust éénmaal in hard kopie geëist, waarbij de ingediende hard kopie, te allen tijde, leidend is…..” en “…..Ten overvloede wordt gesteld dat indien blijkt, dat een ingediend kandidatenlijst in hard kopie en de digitale versie of kopie daarvan niet identiek zijn aan elkaar, geldt de versie in hard kopie als te zijn de authentieke versie…..”

4.3.3. De President heeft gesteld, dat rechtens niet vaststaat dat een hardcopy kandidatenlijst voor het ressort De Nieuwe Grond in het district Wanica is ingediend en heeft daartoe onder meer gesteld dat bij de indiening een ontvangstbevestiging wordt verstrekt en dat die ontvangstbevestiging “slechts” aangeeft dat de lijsten voor het district Wanica zijn ontvangen. Hieruit blijkt niet dat voor alle ressorten van het district Wanica de lijsten zijn ontvangen, aldus de President.

4.3.4 In dit hoger beroep heeft DNL onweersproken gesteld dat zij de kandidatenlijst van alle ressorten van het district Wanica digitaal heeft geüpload. Dat is ook het geval geweest met de kandidatenlijst van het ressort de Nieuwe Grond van het District Wanica. Voorts is tevens door DNL onweersproken gesteld dat zij achtentwintig stuks onderliggende fysieke documenten (waaronder hardcopy ondertekende bewilligingsformulieren) in hardcopy van de kandidaten voor het Ressort de Nieuwe Grond heeft ingediend. Deze waren met een paperclip gehecht aan de betreffende hardkopie kandidatenlijst voor ressortraadsleden van de DNL voor het ressort de Nieuwe Grond.

4.3.5 Als zijnde over en weer niet weersproken staat tussen partijen vast dat door de voorzitter van het HSB Wanica een “bewijs van ontvangst ingeleverde kandidatenlijst” is afgegeven waarbij het HSB Wanica heeft verklaard dat de politieke organisatie De Nieuwe Leeuw met verkorte aanduiding DNL ingevolge 54 lid 1 van de Kiesregeling de kandidatenlijst ten behoeve van de verkiezing van de leden van DE RESSORTRADEN heeft ingeleverd.

4.3.6 Tijdens de behandeling van de zaak op de zitting is er een videocall geweest met de voorzitter van het HSB Wanica dhr. Bholanath Narain en met één van de indieners van de kandidatenlijsten te weten dhr. Damodar Patak. Bij die gelegenheid heeft de voorzitter aangegeven de kandidatenlijsten van DNL te hebben ontvangen, doch de ingediende stukken alleen te hebben gecontroleerd op vereisten genoemd in artikel 60 van de Kiesregeling. De voorzitter heeft daarbij aangegeven dat hij niet per ressort is nagegaan of er lijsten en onderliggende documenten aanwezig waren, immers was dat niet de instructie en zou dat pas gebeuren na sluiting van de termijn van indiening in een zitting van het HSB. Naderhand is zulks wel gebeurd en in de openbare vergadering is zulks geconstateerd en zijn daarvan notulen gemaakt.

4.3.7 De indiener heeft volhard dat de hardcopylijsten wel één voor één per ressort met onderliggende stukken zijn ingediend. 

4.3.8 Het Hof komt het meest aannemelijk voor dat DNL wel de kandidatenlijsten in hardcopy, zoals volgens de Kiesregeling vereist, heeft ingediend en komt tot die conclusie aangezien van de 14 kandidaten voor de ressortraadsverkiezing van het ressort de Nieuwe Grond wel de onderliggende documenten van die kandidaten zijn aangetroffen. Voorts heeft ook de digitale indiening plaatsgevonden. Daarnaast heeft de voorzitter van het HSB Wanica een ontvangstbevestiging afgegeven dat DNL de kandidatenlijst voor de verkiezing van de leden van de Ressortraden heeft ingeleverd. Bij deze ontvangstbevestiging heeft de voorzitter geen reservering, kanttekening c.q. voorbehoud gemaakt dat geen hardkopie kandidatenlijst voor het ressort De Nieuwe Grond is ontvangen. Daarnevens is in de MvT op artikel 54 van de Kiesregeling aangegeven: 

“…….Het CHS dan wel het Hoofdstembureau is ook verantwoordelijk voor de juistheid van de ingediende kandidatenlijsten in hard kopie, die worden gebruikt in de verdere processen van de verkiezingen……..” 

Naar het oordeel van het Hof mag daarom ervan worden uitgegaan dat die lijsten in hardcopy wel waren ingediend. Deze grief wordt derhalve verworpen.

4.3 Grief 3: Aangezien het rechtens vaststaat dat de fysieke kandidatenlijsten niet zijn ingediend, is het praktisch onmogelijk om het vonnis uit te voeren. Niet ingediende lijsten kunnen immers niet worden gepubliceerd. Noch de President noch de andere organen van de Staat zijn in staat uitvoering te geven aan het vonnis van de kortgedingrechter omdat de Kiesregeling daarvoor geen grondslag biedt. Voorts is in prima een geheel andere vordering toegewezen dan door DNL is gevorderd in het petitum. Ook zijn de besluiten van het Hoofdstembureau (HSB) Wanica en de resolutie niet geschorst waardoor die nog rechtskracht hebben. Dit alles zal voor enorme problemen zorgen in het verkiezingsproces. Door toe te staan het vonnis alzo te doen executeren zal het voor de President een noodtoestand doen ontstaan als vorenbedoeld met alle onomkeerbare gevolgen van dien. Daarenboven, doordat de lijst ongeldig is verklaard, heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de documenten van de op die lijst voorkomende kandidaten. De kandidaten op het stembiljet plaatsen conform de veroordeling, dus zonder enig onderzoek naar de juistheid van hun bescheiden (bewilligingsformulier, verzameluittreksel, mogelijke dubbele kandidaatstelling) zal leiden tot een vervuild stembiljet voor dat desbetreffend ressort.

Deze grief gaat op

Het is het Hof ambtshalve bekend blijkens mededeling van de directeur van het ministerie van Binnenlandse Zaken dhr. Eskak, dat uiterlijk op 20 april 2025 er uitsluitsel diende te zijn  over het nemen van de beslissing van alle rechtszaken om de voortgang van de verkiezing op 25 mei 2025 te kunnen garanderen. Immers toewijzing van de vordering in eerste aanleg en zoals de kantonrechter in kort geding heeft beslist zal tot gevolg kunnen hebben dat het HSB en overige verkiezingsorganen nog  een aantal voorwaarden zullen moeten vervullen ingevolge de Kiesregeling en het Kiesbesluit, die, afgezet tegen de vastgestelde verkiezingskalender en termijnen genoemd in de Kiesregeling, voortzetting van de verkiezing op 25 mei 2025 in gevaar brengt. Het hof overweegt voorts dat het individuele belang van DNL opdat hun kandidaten in het ressort De Nieuwe Grond in het district Wanica kunnen worden verkozen tot Ressortraadslid minder zwaar weegt dan het belang om de verkiezingsagenda te volgen teneinde de verkiezing te doen plaatsvinden op de geplande datum van 25 mei 2025. Immers, hebben 14 partijen zich ingeschreven om mee te doen aan de verkiezingen van 25 mei 2025 en het belang van al deze partijen zal in gedrang komen. Uitstellen van de verkiezing kan onder andere leiden tot constitutionele problemen, afname van het vertrouwen in de democratie, politieke spanningen en niet in de laatste plaats tot economische onzekerheid.

Het vorenoverwogene brengt met zich dat het beroepen vonnis niet in stand kan blijven en dient het te worden vernietigd, en de vordering van DNL in eerste aanleg  dient alsnog te worden afgewezen.

Het Hof oordeelt met betrekking tot de kosten van het geding dat de President deze zal moeten dragen aangezien aannemelijk is geworden dat DNL wel de fysieke hardcopy kandidatenlijsten van het ressort De Nieuwe Grond heeft ingediend. Dat de door DNL ingediende vordering desondanks niet kan worden toegewezen heeft verband met de afgewogen belangen die in casu in het nadeel van DNL is komen te vallen.

Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

Beslissing

Het Hof:

Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken bekend onder civarnummer 202501561;

En opnieuw rechtdoende:

Wijst de vordering van DNL alsnog af;

Veroordeelt de President in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van DNL gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 2.550,- (tweeduizendenvijftig Surinaamse dollar) aan verschotten en SRD.15.000,- (vijftienduizend Surinaamse dollar) aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op woensdag 23 april 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                                                   w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. N. Ramnarain, gemachtigde van appellant en mr. J. Nibte namens advocaat mr. R.G.M. Tjon A Joe, gemachtigde van geïntimeerde. 

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2025-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno. 2025H00065

23 april 2025

Vonnis

In de zaak van:

VOLKSPARTIJ LEEFBAAR SURINAME 2023,

rechtspersoon, 

gevestigd te Paramaribo,

hierna te noemen VLS 2023,

gemachtigde: mr. E.S. Fernand, advocaat,

appellante in kort geding,

tegen

 

A. HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,

gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

B. HET ADMINISTRATIEF BEROEPSINSTITUUT VAN HET STAATSHOOFD

C. DE STAAT SURINAME,

in het bijzonder het ministerie van Binnenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,

gemachtigde voor B en C: mr. N. Ramnarain, advocaat 

geïntimeerden, 

allen gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

gezamenlijk te noemen CHS e.a.,

afzonderlijk te noemen: CHS, ABIS en de Staat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501522) tussen de VLS 2023 als eiseres en CHS e.a. als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van de substituut-griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door VLS 2023 tegen genoemd vonnis hoger beroep is ingesteld;
  • de memorie van grieven zijdens VLS 2023, gedateerd 22 april 2025;
  • het proces-verbaal van de mondelinge antwoord pleidooi van de gemachtigden en de vertegenwoordiger van CHS, ABIS en de Staat.

 1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

Tegen de feiten zijn er geen grieven aangevoerd, zodat die geen bespreking behoeven. 

3.De vordering en de beslissing in eerste aanleg

3.1 VLS 2023 vordert – zakelijk weergegeven –  in kort geding:

I. schorsing dan wel opschorting van de besluiten van de Hoofdstembureaus Paramaribo, Marowijne, Saramacca, Wanica, Nickerie en Sipaliwini waarbij de kandidatenlijsten van VLS 2023 op Districts – en/of Ressortraad niveau ongeldig zijn verklaard;

II. schorsing danwel opschorting van de werking van de resoluties no.’s 751/RP, 752/RP, 753/RP, 754/RP,  755/RP en 756/RP allen gedateerd 12 april 2025, inhoudende handhaving van de besluiten van voornoemde Hoofdstembureaus waarbij de kandidatenlijsten van VLS2023 op Districts en/of Ressortraad niveau ongeldig zijn verklaard, totdat in bodemprocedure onherroepelijk daarop zal zijn beslist. 

III. veroordeling van CHS e.a. tot betaling van een dwangsom, de liquiditeitskosten en de proceskosten.

IV. schorsing danwel opschorting van de werking van het besluit van CHS met kenmerk CHS/KSDNA/013-S/25 d.d. 01 april 2025 totdat in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist. 

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter heeft VLS 2023 niet ontvankelijk verklaard in haar vordering ten aanzien van het onder 3.1 onder IV gevorderde, nl. de schorsing danwel opschorting van de werking van het besluit van CHS met kenmerk CHS/KSDNA/013-S/25 d.d. 01 april 2023 totdat in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist. De overige vorderingen van VLS 2023 zijn verder afgewezen. 

4.2 VLS 2023 heeft aangevoerd dat zij het eens is met de beslissing van de kantonrechter voor wat betreft het besluit van CHS met kenmerk CHS/KSDNA/013-S/25 d.d. 01 april 2023 doch dat dit besluit nimmer van 1 april 2023 kan zijn. 

Aangezien VLS 2023 geen grief heeft aangevoerd tegen dit deel van het vonnis, zal het Hof de verdere bespreking hiervan achterwege laten. Het Hof overweegt evenwel dat de datum 01 april 2023 genoemd in het dictum van het gewraakte vonnis aangemerkt kan worden als een kennelijke schrijffout nu evident is dat het gaat om het besluit gedateerd 01 april 2025. Het Hof zal dit als zodanig corrigeren. 

4.3  VLS 2023 heeft verder grieven tegen het vonnis aangevoerd. Deze grieven houden verband met elkaar en zullen daarom – voor zover van belang – gezamenlijk worden besproken.

Volgens VLS 2023 hebben de Hoofdstembureaus van Paramaribo, Marowijne, Saramacca, Wanica, Nickerie en Sipaliwini haar kandidatenlijsten voor verkiezing van een Districtsraad en Ressortraad ten onrechte ongeldig verklaard. 

VLS 2023 heeft aangevoerd dat zij door de genoemde Hoofdstembureaus in de gelegenheid is gesteld om de door deze Hoofdstembureaus geconstateerde verzuimen te corrigeren, hetgeen zij terstond hebben gedaan. De verzuimen hadden betrekking op het feit dat de hardcopy van de kandidatenlijsten niet ondertekend waren door de meerderheid van het bestuur inclusief de voorzitter. 

Ondanks herstel van dit verzuim door VLS 2023, zijn de kandidatenlijsten ongeldig verklaard, aldus VLS 2023. 

4.3.1 CHS e.a. hebben aangevoerd dat het verzuim m.b.t. het niet ondertekend zijn van de kandidatenlijsten door de meerderheid van het bestuur ingevolge art. 71 lid 1 jo. art. 81 lid 2 van de Kiesregeling, tot gevolg heeft dat deze lijsten ongeldig zijn. 

4.3.2 Gelet op het verweer van CHS e.a. is het van belang om de genoemde artikelen van de Kiesregeling te citeren. 

  • Artikel 71 lid 1 luidt als  volgt:
    Elke lijst wordt ondertekend door tenminste de meerderheid van het dagelijks bestuur inclusief de voorzitter en bij ontstentenis van deze, diens statutaire vervanger of een ander statutair bevoegd orgaan dat de politieke organisatie in en buiten rechte vertegenwoordigt.
  • Artikel 81 lid 2 luidt als volgt: 
    De lijsten die niet in overeenstemming zijn met de artikelen 71 en 76 zijn ongeldig.

Het Hof merkt op dat uit de Kiesregeling blijkt dat deze artikelen betrekking hebben op de kandidatenlijsten van de Districtsraden. 

Het verweer van CHS e.a. slaagt daarom ten aanzien van de kandidatenlijsten die betrekking hebben op de Districtsraden. Naar het oordeel van het Hof is het besluit van de Hoofdstembureaus tot ongeldig verklaren van de kandidatenlijsten juist, en wel slechts voor wat betreft de kandidatenlijsten van de Districtsraden. 

De stelling van VLS 2023, dat zij in de gelegenheid zijn gesteld door enkele van de Hoofdstembureaus om de geconstateerde verzuimen te corrigeren en dat zij daarom gerechtvaardigd ervan uit mochten gaan dat de kandidatenlijsten niet ongeldig zouden worden verklaard, gaat niet op nu de wetgever duidelijk bepaalt wat de consequentie is van een dergelijk verzuim. Het Hof is het eens met CHS e.a. dat om deze reden niet meer de gelegenheid mocht worden geboden aan VLS 2023 om de geconstateerde verzuimen te herstellen. 

4.3.3 De vraag is of art. 82 lid 2 van de Kiesregeling ook van toepassing is op de geconstateerde verzuimen ten aanzien van de kandidatenlijst op Ressortraad niveau. 

Naar het oordeel van het Hof, dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. 

Het Hof overweegt dat artikel 66 lid 2 van de Kiesregeling bepaalt wanneer de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau ongeldig zijn.  

Dit artikel bepaalt:

De lijsten die niet in overeenstemming zijn met de artikelen 54 leden 1 en 3 en 60 zijn ongeldig. Artikel 55 lid 1, dat betrekking heeft op het ondertekenen van de lijsten – en waar het in het onderhavige geval om gaat – valt niet onder deze opsomming.

Om deze reden mochten de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau niet ongeldig worden verklaard. 

4.4 Het Hof constateert dat het ongeldig verklaren van de lijst van Marowijne één is die betrekking heeft op Districtsraad niveau en is van oordeel dat het gesteld verzuim volgens artikel 81 lid 2 van de Kiesregeling wel ongeldigheid tot gevolg heeft. 

4.5 Op grond van het voorgaande acht het Hof aannemelijk dat de door VLS 2023 ingediende kandidatenlijsten op Ressortraad niveau, ten onrechte ongeldig zijn verklaard door de Hoofdstembureaus van Paramaribo, Saramacca, Wanica, Nickerie en Sipaliwini. 

Evenwel is het Hof van oordeel dat toewijzen van de vorderingen voor wat betreft de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau, ertoe zou lijden dat de uit de wet voortgekomen verkiezingsagenda in gevaar kan worden gebracht met als gevolg dat niet is uitgesloten dat de verkiezingen geen voortgang zullen vinden op 25 mei 2025. 

Het is het Hof ambtshalve bekend dat uiterlijk op 20 april 2025 er uitsluitsel diende te zijn over het nemen van een beslissing in alle rechtszaken teneinde de voortgang van de verkiezing te garanderen op 25 mei 2025.

Toewijzing van de vordering zal tot gevolg hebben dat CHS e.a. de  wettelijke procedure bij herhaling zal dienen te volgen, hetgeen tot gevolg zal hebben dat de geplande datum van de verkiezing in gedrang komt. Een belangenafweging is hier uitermate geboden.

Het Hof overweegt dat het individuele belang van VLS 2023 om te worden gekozen tot Ressortraadslid minder zwaar weegt dan het belang van CHS e.a. om de verkiezingsagenda te volgen teneinde de verkiezing te doen plaatsvinden op de geplande datum van 25 mei 2025. Immers, hebben 14 partijen zich ingeschreven om mee te doen aan de verkiezingen van 25 mei 2025 en het belang van al deze partijen zal in gedrang komen.

Uitstellen van de verkiezing kan onder andere leiden tot constitutionele problemen, afname van het vertrouwen in de democratie, politieke spanningen en niet in de laatste plaats tot economische onzekerheid.

Het Hof zal om redenen als hiervoor vermeld komen tot een bevestiging van het vonnis van de kantonrechter in prima onder aanvulling van de gronden. 

4.6 Nu VLS 2023 voor het grootste deel in het gelijk is gesteld zullen CHS e.a. worden veroordeeld in de proceskosten.

4.7 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

5. De beslissing

5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 19 april 2025 tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken, bekend onder civarnummer 202501522, onder aanvulling van de gronden en met dien verstande dat de datum genoemd onder 5.1 van het vonnis moet zijn 01 april 2025 instede van 01 april 2023;

5.2 Veroordeelt CHS e.a. in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van de VLS 2023 gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 30.680,- (dertigduizend zeshonderd en tachtig Surinaamse dollar) aan verschotten en SRD.15.000,- (vijftienduizend Surinaamse dollar) aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door: mr. I.S Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en uitgesproken door de Fungerend-President ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op woensdag 23 april 2025, in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                                     w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. E.S. Fernand, gemachtigde van appellante en advocaat mr. N. Ramnarain en mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerden. 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2025-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno. 2025H00066 en 2025H00067

23 april 2025

Vonnis

In de zaak met civarnummer 2025H00066 van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE ALTERNATIEF 20

rechtspersoon,

hierna te noemen: “A20”,

gemachtigde: mr. J. Nibte, advocaat,
appellante in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME,

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, met name de instituten:

a. De President van de Republiek Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,

b. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, kantoorhoudende te Paramaribo

c. Het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, met name het Hoofdstembureau Saramacca, kantoorhoudende te Paramaribo,

d. Het Centraal Hoofdstembureau, kantoorhoudende te Paramaribo, 

gemachtigden: mr. N.A.S. Ramnarain en I.D. Kanhai BSc., 

hierna te noemen: “de Staat of de President, het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het Hoofdstembureau Saramacca of het CHS”,

geïntimeerden in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501543) tussen A20 als eiseres en de Staat als gedaagde,

 

en in de zaak met Civarnummer 2025H00067 van:

DE POLITIEKE ORGANISATIE ALTERNATIEF 20,

rechtspersoon,

hierna te noemen: “A20”,

gemachtigde: mr. J. Nibte, advocaat,
appellante in kort geding,

tegen

DE STAAT SURINAME

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, met name de instituten:

a. De President van de Republiek Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,

b. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, kantoorhoudende te Paramaribo

c. Het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, met name het Hoofdstembureau Wanica, kantoorhoudende te Paramaribo,

d. Het Centraal Hoofdstembureau, kantoorhoudende te Paramaribo, 

gemachtigden: mr. N.A.S. Ramnarain en I.D. Kanhai BSc., 

hierna te noemen: “de Staat of de President, het Ministerie van Binnelandse Zaken, het Hoofdstembureau Wanica of het CHS”,

geïntimeerde in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 19 april 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (civarnummer 202501544) tussen A20 als eiseres en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

1.Het procesverloop in hoger beroep in beide zaken

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van de substituut-griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat door A20 tegen genoemde vonnissen hoger beroep is ingesteld;
  • de pleitnota zijdens appellante gedateerd 22 april 2025;
  • het proces-verbaal van de mondelinge pleidooien van de gemachtigden en van de Staat,
  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten in beide zaken

2.1 A20 heeft zich ten behoeve van de verkiezing van de leden van de volksvertegenwoordigende lichamen geregistreerd bij het CHS. Conform de artikelen 38 e.v. en 54 e.v. van de Kiesregeling heeft A20 op 25 maart 2025 kandidatenlijsten ingediend voor respectievelijk de verkiezing van de leden van de Nationale Assemblee en leden van ressortraden.

2.2 Op 2 april 2025 heeft het Hoofdstembureau Saramacca een besluit genomen waarbij de kandidatenlijst op het niveau van de ressortraad, met name ressort Groningen ongeldig is verklaard. De reden die voor de ongeldigverklaring is genoemd is dat de kandidatenlijst niet is ingediend. 

2.3 Op 2 april 2025 heeft het Hoofdstembureau Wanica een besluit genomen waarbij de kandidatenlijst op het niveau van de ressortraad, met name ressort Saramaccapolder ongeldig is verklaard. De reden die voor de ongeldigverklaring is genoemd is dat de kandidatenlijst niet is ingediend. 

2.4  A20 is tegen de twee besluiten van de Hoofdstembureau’s op 4 april 2025 in beroep gegaan bij de President.

2.5  De President heeft op de twee beroepschriften beslist. Bij resolutie van 12 april 2025 met nummer 747/RP heeft de President het beroep van A20 ongegrond verklaard en het besluit van het Hoofdstembureau Saramacca, waarin de RR kandidatenlijst van A20 ongeldig is verklaard, gehandhaafd.  Bij resolutie van 11 april 2025 met nummer 733/RP heeft de President het beroep van A20 ongegrond verklaard en het besluit van het Hoofdstembureau Wanica, waarin de RR kandidatenlijst van A20 ongeldig is verklaard, gehandhaafd.  

3. De vordering en de beslissing in eerste aanleg

In de zaak met Civarnummer 2025H00066:

3.1 A20 heeft in deze zaak bij verzoekschrift, zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Schorst de resolutie van de President,

II. Schorst het besluit van het Hoofdstembureau Saramacca d.d. 3 april 2025 waarmee de kandidatenlijsten op het niveau van de ressortraad van het ressort Groningen als ongeldig zijn verklaard, totdat op de inhoudelijke gronden van dit besluit is beslist;

III. De Staat veroordeelt de ingediende kandidatenlijsten, alsmede de daarop genoemde kandidaten in aanmerking te nemen en op de verzamellijst op te nemen op basis van artikel 84 van de Kiesregeling;

IV. De Staat veroordeelt in de kosten van het geding. 

In de zaak met Civarnummer 2025H00067:

3.2 A20 heeft in deze zaak bij verzoekschrift, zakelijk weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Schorst de resolutie van de President,

II. Schorst het besluit van het Hoofdstembureau Wanica d.d.1 april 2025 waarmee de kandidatenlijsten op het niveau van de ressortraad van het ressort Saramaccapolder als ongeldig zijn verklaard, totdat op de inhoudelijke gronden van dit besluit is beslist;

III. De Staat veroordeelt de ingediende kandidatenlijsten, alsmede de daarop genoemde kandidaten in aanmerking te nemen en op de verzamellijst op te nemen op basis van artikel 84 van de Kiesregeling;

IV. De Staat veroordeelt in de kosten van het geding. 

3.3 In beide zaken heeft A20 als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de kandidatenlijsten wel zijn ingediend. Dat de lijsten zijn ingediend blijkt uit het bewijs van ontvangst uitgereikt door het Hoofdstembureau van respectievelijk Saramacca en Wanica.

De kandidatenlijsten kunnen slechts ongeldig worden verklaard wanneer zij zijn ingediend en inhoudelijk zijn getoetst. Daarom kunnen die lijsten niet ongeldig worden verklaard. Het Hoofdstembureau heeft in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Door de onjuiste redenering is de Presidentiële resolutie gebrekkig en hoogst onrechtmatig. De resolutie leidt tot onherstelbare schade aan het passief kiesrecht van A20 en aan haar democratische participatie. 

3.4 In beide zaken heeft de Staat, onder andere, aangevoerd dat het CHS ten onrechte is betrokken in het proces omdat het CHS geen inbreng heeft in het proces met betrekking tot de Ressortraads- en de Districtsraadsleden. Zij stelt voorts dat uit het onderzoek van de twee Hoofdstembureaus is gebleken dat de kandidatenlijsten voor de ressorten Groningen in Saramacca en Saramaccapolder in Wanica niet fysiek zijn ingediend. Het ontvangstbewijs waarop A20 zich beroept betreft een bewijs van ontvangst van stukken in het kader van de kandidaatstelling. Welke stukken zijn ontvangen en of de stukken voldoen aan de wettelijke vereisten wordt pas beoordeeld tijdens de zitting van het Hoofdstembureau na sluiting van de termijn voor indiening.

De Staat heeft voorts de notulen overgelegd van het Hoofdstembureau Wanica en het Hoofdstembureau Saramacca in welke notulen een schema is opgenomen waarin staat vermeld dat er voor het ressort Saramaccapolder en het ressort Groningen geen fysieke lijsten zijn ingediend.  

De Staat heeft voorts aangevoerd dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is omdat van de betreffende ressorten geen kandidatenlijsten van A20 zijn onderzocht, nu deze niet zijn ingediend. De dwingendrechtelijke termijnen zijn al verstreken zodat niet alsnog kandidatenlijsten kunnen worden ingediend. De verzamellijsten zijn reeds vastgesteld. Daarnaast heeft A20 in het geding twee lijsten overgelegd als bewijs van de indiening van de lijsten bij de twee Hoofdstembureaus die recentelijk zijn uitgeprint en zijn geantidateerd. 

3.5 De kantonrechter heeft bij vonnis van 21 april 2025 in beide zaken  de voorzieningen geweigerd en A20 in de proceskosten veroordeeld.

4.De vordering, de grieven en het verweer in beide zaken

4.1 A20 heeft tegen het vonnis – zakelijk weergegeven – de volgende grieven aangevoerd: 

  1. Ondanks het feit dat de Hoofdstembureaus een ontvangstbewijs hebben verstrekt aan A20 met betrekking tot de indiening van de kandidatenlijsten, heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is gebleken dat de kandidatenlijsten zijn ingediend.
  1. De kantonrechter baseert haar oordeel op de afwezigheid van andere ondersteunende stukken of verklaringen, zonder aan te geven welke wettelijke vereisten daartoe bestaan. De Kiesregeling stelt niet dat naast het ontvangstbewijs nog andere bewijsmiddelen moeten worden overgelegd voor het bewijs dat de kandidatenlijsten zijn ingediend.
  1. Het besluit dat de lijsten van A20 niet zijn ingediend zijn in strijd met alle fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur. Immers, het bestuur negeert daarmee haar eigen ontvangstbewijs en A20 zou erop mogen vertrouwen dat het ontvangstbewijs voldoende was om aan te tonen dat zij de lijsten heeft ingediend.
  1. Het uitgesloten blijven van deelname aan de verkiezingen betekent een onherstelbare inbreuk op het passief kiesrecht van de kandidaten. Desondanks wordt A20 de toegang tot het verkiezingsproces ontzegd.
  1. De uitspraak is inconsistent met een andere uitspraak in een gelijksoortige zaak. In de andere zaak werd het ontvangstbewijs wel voldoende geacht om aan te nemen dat de lijsten waren ingediend.
  1. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat A20 geen gebruik zou hebben gemaakt van de gelegenheid om zich uit te laten over de constatering van de Hoofdstembureaus dat de lijsten niet waren ingediend. De mogelijkheid om zich uit te laten is niet opgenomen in de wettelijke bepalingen.

De lijsten zijn wel op de juiste wijze ingediend en de ontvangstbewijzen zijn aan A20 afgegeven. 

4.2 Naar aanleiding van de grieven vordert A20 dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat, opnieuw rechtdoende, het gevorderde wordt toegewezen. 

4.3 De Staat heeft aangevoerd dat het ontvangstbewijs niet het bewijs levert dat de kandidatenlijsten daadwerkelijk zijn ingediend, immers, het ontvangstbewijs is slechts een bevestiging dat er stukken zijn ingediend, welke stukken zijn ingediend is daarbij niet aangegeven. De inventarisatie van de stukken en de controle van de stukken vindt pas plaats tijdens de zitting van het Hoofdstembureau die wordt gehouden na de indiening.

De Staat heeft voorts aangevoerd dat een eventuele toewijzing van de vordering met zich mee zal brengen dat een chaotische situatie zal ontstaan met betrekking tot de algemene vrije en geheime verkiezingen die zijn gepland voor 25 mei 2025. Door de Staat is aangevoerd dat onverwijld begonnen moet worden met het drukken van de stembiljetten en de andere voorbereidingen van de verkiezingen.

5. De beoordeling in beide zaken

5.1 A20 heeft tijdig hoger beroep aangetekend en is dan ook ontvankelijk in haar hoger beroep.

5.2 Het Hof overweegt met betrekking tot de grieven tegen het vonnis dat, gelijk A20 stelt, de vraag gesteld zou kunnen worden of het ontvangstbewijs dat wordt afgegeven aan een politieke organisatie na indiening van de lijsten niet kan worden aangemerkt als een bewijs dat de lijsten zijn ingediend zoals bedoeld in artikel 54 van de Kiesregeling, immers, op de verklaring staat “Bewijs van ontvangst ingeleverde kandidatenlijst”.

Het Hof overweegt verder dat bij de uitvoering van artikel 54 van de Kiesregeling, het de taak van het hoofdstembureau is om lijsten voor de ressortraden in ontvangst te nemen zowel schriftelijk als digitaal. Het verweer van de Staat dat zij stukken in ontvangst heeft genomen maar dat de lijsten er niet bij waren is onbegrijpelijk. 

Immers, het Hof acht aannemelijk dat A20 wel de kandidatenlijsten in hardcopy, zoals volgens de Kiesregeling vereist, heeft ingediend en komt tot die conclusie, aangezien de Staat heeft bevestigd dat de onderliggende documenten van die kandidaten volledig zijn aangetroffen, de Staat heeft bevestigd dat ook de digitale indiening van de kandidatenlijsten heeft plaatsgevonden en dat daarnaast ook een formulier van ontvangstbevestiging afgegeven waaruit blijkt dat A20 de kandidatenlijst voor de verkiezing van de leden van de Ressortraden voor de districten Wanica en Saramacca heeft ingeleverd. Bij deze ontvangstbevestiging heeft de voorzitter geen reservering, kanttekening c.q. voorbehoud gemaakt dat geen hardcopy kandidatenlijst voor de ressorten van de genoemde districten zijn ontvangen. Daarnevens is in de MvT op artikel 54 van de Kiesregeling aangegeven:

“…….Het CHS dan wel het Hoofdstembureau is ook verantwoordelijk voor de juistheid van de ingediende kandidatenlijsten in hard kopie, die worden gebruikt in de verdere processen van de verkiezingen……..”

Naar het oordeel van het Hof mag daarom ervan worden uitgegaan dat die lijsten wel in hardcopy waren ingediend. 

5.3 Het Hof overweegt met betrekking tot het verweer van de Staat dat een eventuele toewijzing van de vordering met zich mee zal brengen dat een chaotische situatie zal ontstaan met betrekking tot de verkiezingen als volgt.

5.4 Het Hof is het met de Staat eens dat toewijzen van de vorderingen voor wat betreft de kandidatenlijsten op Ressortraad niveau, ertoe zou leiden dat de uit de wet voortgekomen verkiezingsagenda in gevaar wordt gebracht met als gevolg dat niet is uitgesloten dat de verkiezingen geen voortgang zullen kunnen vinden op 25 mei 2025. 

Het is het Hof ambtshalve bekend dat uiterlijk op 20 april 2025 er uitsluitsel diende te zijn over het nemen van de beslissing in alle rechtszaken om de voortgang van de verkiezing te garanderen.

Toewijzen van de vordering zal tot gevolg hebben dat de Staat, met name de verkiezingsautoriteiten, gehouden zijn opnieuw de procedure te volgen voor de vaststelling van de kandidaten, waaronder de controle van de lijsten, het onderzoek van de stukken, de terinzagelegging, de bekendmaking in het ARS van de kandidaten, alles met inachtneming van de wettelijke termijnen en verder alle overige in de wet genoemde vereisten. 

Het hof overweegt dat alhoewel het belang van A20 om het passief kiesrecht op ressortraad niveau in alle ressorten te kunnen beleven wordt erkend, het belang van de Staat om conform de wettelijke termijnen de verkiezingsagenda te volgen teneinde de verkiezing te doen plaatsvinden op de geplande datum van 25 mei 2025 ook in aanmerking moet worden genomen. 

Daarnaast moet ook in acht worden genomen het belang van de overige 13 partijen die zich hebben ingeschreven om mee te doen aan de verkiezingen van 25 mei 2025 bij de voortgang van de verkiezingen. 

Uitstellen van de verkiezing kan onder andere leiden tot constitutionele problemen, afname van het vertrouwen in de democratie, politieke spanningen en niet in de laatste plaats tot economische onzekerheid.

Het verweer van de Staat ten aanzien van het in gevaar brengen van de verkiezingen gaat dan ook op.

Het Hof zal om redenen als hiervoor vermeld komen tot een bevestiging van het vonnis van de kantonrechter in prima onder aanvulling van de gronden. 

5.4 Het Hof oordeelt met betrekking tot de kosten van het geding dat de staat deze zal moeten dragen aangezien aannemelijk is geworden dat A20 wel de fysieke hardcopy kandidatenlijsten heeft ingediend. Dat de door A20 ingediende vordering desondanks niet kan worden toegewezen heeft verband met de afgewogen belangen die in casu in het nadeel van A20 is komen te vallen.

5.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe nu die niet tot een ander oordeel zal leiden.

6. Beslissing in beide zaken

Het Hof:

  1. Bevestigt het gevoegd vonnis van de kantonrechter van 21 april 2025 in de zaken bekend onder civarnummers 202501543 en 202501544 onder aanvulling van gronden;
  2. Veroordeelt de staat in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van A20 gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.57.560,- (zevenenvijftigduidend vijfhonderdenzestig Surinaamse dollar) aan verschotten en SRD.15.000,- (vijftienduizend Surinaamse dollar) aan gemachtigdensalaris.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op woensdag 23 april 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                                                      w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. J. Nibte, gemachtigde van appellante en advocaat mr. N. Ramnarain en mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerden. 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2025-5

In naam van de Republiek

Vonnisnummer:         17/2025

Uitspraak: 05 februari 2025

Tegenspraak

 

Het Hof van Justitie van Suriname

in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg gewezen op 02 november 2023 en uitgesproken tegen de verdachte:

ADHIN, Michael Ashwin Satyandre, geboren op 10 juni 1980 te Paramaribo, gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Vice – President en thans assemblee lid en wonende aan de [adres] in het [district], in vrijheid verkerend; 

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden, I.D. Kanhai, Bsc en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie.

1.De ontvankelijkheid van het appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Substituut – Griffier van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg is gebleken dat de vervolgingsambtenaar namens het Openbaar Ministerie (hierna OM) op 08 november 2023 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van het Hof in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers. 

Gelet op het vorenstaande, is tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve de vervolging daarin ontvankelijk is.

2.Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van het Hof van Justitie in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers d.d. 02 november 2023 is de verdachte – verkort weergegeven – vrijgesproken van de algehele tenlastelegging.

3.Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De Procureur-Generaal heeft gerequireerd tot de bewezenverklaring van de onder IA, IIA, III, IV en V ten laste gelegde feiten, met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 11 (elf) maanden en 3 (drie) weken voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, een proeftijd van 3 (drie) jaren met als bijzondere voorwaarde dat de schade aan de apparatuur wordt vergoed, in dier voege dat soortgelijk apparatuur wordt aangeschaft voor het Kabinet van de Vice President. 

Door de verdediging is primair de niet-ontvankelijkheid van het OM en subsidiair vrijspraak voor de verdachte van de ten laste gelegde feiten bepleit. 

4.De geldigheid van de dagvaarding

Noch tegen de dagvaarding in eerste aanleg, noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

5.De bevoegdheid van het Hof

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

6.De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

6.1 Door de verdediging zijn met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM enkele verweerpunten aangevoerd namelijk: 

6.1.1 Dat het de vraag is welk belang het OM had bij de vervolging van verdachte omdat tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek reeds bleek, uit meerdere verklaringen van de getuigen, dat verschillende personen zich bezighielden met afschrijving en instructies daaromtrent waardoor het vreemd is dat alleen Adhin daaruit is geselecteerd als verdachte. Uit de verklaringen bleek dat op alle kantoren goederen worden afgeschreven en vervolgens een nieuwe bestemming krijgen en nergens een vastgestelde en eenduidige procedure is hiervoor en dat elk kantoor of dienstonderdeel doet wat zij denken dat goed is;

6.1.2 Dat het OM, in strijd met het gelijkheidsbeginsel de vervolging inzette van verdachte terwijl het OM erkent dat de persoon van [naam] een strafbaar feit gepleegd had. Hij heeft de apparaten die onbeheerd lagen op het kabinet kunnen vernielen en heeft vervolgens gefraudeerd met serienummers. Vervolgens verwijst het OM naar haar vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel. Het opportuniteitsbeginsel is nimmer bedoeld om het gelijkheidsbeginsel te schenden en het OM een vrijbrief voor willekeur te geven. Het OM heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden en heeft de verdachte tegen wie er voldoende bewijs was en die het feit ook bekende, buiten vervolging gelaten en is wel achter verdachte aangegaan. 

6.1.3 Dat het OM voorts, zo begrijpt het hof, in strijd met de regels van 

een goede procesorde heeft gehandeld bij de inverzekeringstelling van verdachte. Terwijl verdachte op 13 november 2020 een brief ontving om zich op 16 november 2020 aan te melden, werd hij in de ochtend van 16 november 2020 opgehaald en ingesloten, als zou hij geweigerd hebben gevolg te geven aan de oproep, daarbij geheel voorbijgaand aan de Wet in staat van beschuldigingstelling van Politieke Ambtsdragers. 

6.1.4 Dat het OM bij het dagvaarden na de bezwaarschriftprocedure rekening had moeten houden met de termijn.

6.2.1 Op deze verweerpunten heeft het OM gereageerd waarbij werd aangevoerd dat er weliswaar geen procedure was voor afschrijving, doch wel een gebruik dat moest worden gevolgd. 

6.2.2 Het OM voerde ten aanzien van het verweerpunt met betrekking tot de willekeur aan dat het vervolgingsmonopolie van het OM een fundamenteel principe is in het strafrecht. Een kernaspect van het vervolgingsmonopolie is het opportuniteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat alleen het OM bevoegd is om te beslissen of strafbare feiten worden vervolgd. Het OM heeft de bevoegdheid om te beslissen of een strafzaak wordt voorgelegd aan de rechter. Hierbij houdt het OM rekening met zowel de juridische als maatschappelijke aspecten, zoals de ernst van het feit, het beschikbare bewijs, de proceshouding van de verdachte en het algemeen belang. 

6.2.3 Met betrekking tot het verweerpunt betreffende het in strijd handelen met de goede procesorde heeft het OM aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter. Het OM heeft in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen gehad en ziet zich als onafhankelijke instantie verplicht de wet te handhaven en handelt in deze zaak enkel op basis van de feiten en het bewijs. Er zijn geen externe invloeden of ongepaste belangen die de beslissing tot vervolging hebben beïnvloed. Er is geen sprake van het nastreven van andere belangen dan het beschermen van de rechtsorde en het recht van de samenleving op gerechtigheid. 

6.2.4 Met betrekking tot de termijn van het dagvaarden na de bezwaarschrift procedure heeft het OM aangevoerd dat zij de verdachte niet eerder kon dagvaarden omdat er nog geen zittingsdag was bepaald of bekend gemaakt. Het Hof van Justitie is de instantie die appointeert, niet het OM.

Om die reden stelt het OM dat voorbij moet worden gegaan aan dat verweer.

7.De beoordeling 

7.1 Het Hof stelt voorop dat het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

7.2 De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. 

7.3 Zo een uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. 

7.4 Alhoewel het OM met betrekking tot de goede procesorde heeft aangevoerd dat na een zorgvuldige afweging van het bewijs en de relevantie van de zaak is besloten de zaak aan te brengen voor de rechter en hij in deze zaak de rechtshandhaving voor ogen heeft gehad, dient de vraag beantwoord te worden of in casu sprake is geweest van een zodanige aperte onevenredigheid van een vervolgingsbeslissing dat de verdere vervolging onverenigbaar was met het verbod van willekeur oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.5 Daarover oordelende overweegt het hof dat het antwoord op de vraag welke procedure noodzakelijk is voor de afschrijving c.q. het voor de dienst ongeschikt verklaren van hulpmiddelen dan wel goederen ter uitvoering of ondersteuning van bestuurlijke werkzaamheden, niet helder en eenduidig vast staat. 

Een toetsing aan ontwikkelde reglementen danwel instructies en/of procesbeschrijvingen, al dan niet vanwege de ‘s Lands Accountantsdienst leidend tot de beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan, ontbreekt in deze. 

7.6 Alhoewel het OM dominus litis is bij de beslissing of er moet worden vervolgd, leidt het feit dat in casu ervoor gekozen is de verdachte verder te vervolgen en de persoon van [naam] en de andere leidinggevenden die dezelfde procedure volgden bij de afschrijving van goederen niet, tot het oordeel dat er sprake is van schending van het verbod van willekeur en daarmee schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

7.7 Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, waaronder ook het voorbij gaan aan de wettelijk voorgeschreven procedure neergelegd in de Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van een redelijke en billijke belangenafweging. 

7.8 De door de verdediging hierboven opgesomde verweerpunten leiden tot het oordeel dat het onderhavige geval moet worden beschouwd als één van de uitzonderingen waar plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de instelling en de voortzetting van de vervolging omdat zulks onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Het OM zal daarom niet ontvangen worden.

7.9 Gelet op het voorgaande komen de overige gevoerde weren niet voor bespreking in aanmerking.

7.10 Het vonnis van het Hof inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023 zal worden vernietigd en het OM zal, opnieuw rechtdoende, niet-ontvankelijk worden verklaard in de door haar ingestelde vervolging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften 

Het Hof heeft gelet op de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafrecht en Strafprocesrecht.

8.De Beslissing:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van het Hof van Justitie inzake politieke ambtsdragers in eerste aanleg de dato 02 november 2023, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet – ontvankelijk in de door haar ingestelde vervolging tegen de verdachte.

Aldus gewezen door: A.C. Johanns, Fungerend – President, S.J.S. Bradley, Lid, mr. I. Sonai, Lid, mr. L. Ravenberg, Lid-plaatsvervanger en mr. C. Klein, Lid – plaatsvervanger, bijgestaan door J.J. Rodrigues LLB, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers van woensdag 5 februari 2025 te Paramaribo.

 

w.g. J.J. Rodrigues                                                                                                                                   w.g. A.C. Johanns 

                                                                   w.g. S.S. Bradley

                                                                   w.g. I. Sonai

                                                                   w.g. L. Ravenberg

                                                                   w.g. C. Klein

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

 

SRU-K2-2024-1

KANTONGERECHT
CS
Parketnummer: 1-1-00485
Vonnisnummer: 503 2e/24
Datum uitspraak: 24 juni 2024
Tegenspraak
Raadsman: mr. L. Latour

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats],
wonende aan de [adres] te [plaats],
beroep: taxi-chauffeur,
ingesloten.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 april 2024, 13 mei 2024 en 24 juni 2024.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en het standpunt van de vervolgingsambtenaar mr. S. Sewgobind, van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. L. Latour, advocaat bij het Hof van Justitie, naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

De tenlastelegging houdt (zakelijk weergegeven) in dat de verdachte:

op of omstreeks 15 januari 2024 te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, samen met nog onbekend gebleven personen opzettelijk brand heeft gesticht in een pand, immers heeft verdachte en/ of zijn mededader(s), opzettelijk vuur in aanraking gebracht met vermelde pand, althans gebouw, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in één of meer panden, waardoor er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Een door de griffier gewaarmerkte kopie van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

VOORVRAGEN

De Kantonrechter stelt vast dat:
de dagvaarding geldig is;
de Kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van de zaak;
de vervolgingsambtenaar ontvankelijk is in de vervolging;
er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

VORDERING EN STANDPUNTEN VAN DE VERVOLGINGSAMBTENAAR

De vervolgingsambtenaar acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De vervolgingsambtenaar rekwireert dat de Kantonrechter het feit bewezen en strafbaar verklaart, de verdachte strafbaar verklaart en veroordeelt tot een gevangenisstraf van 5 jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met handhaving van het bevel gevangenhouding. Voorts vordert de vervolging de teruggave van het in beslaggenomen voertuig van het merk Toyota Mark 2 en het telefoontoestel aan de verdachte.

STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Op de camerabeelden is naar de mening van de verdediging vastgelegd dat er een grijs gelakt voertuig te zien is met twee inzittenden en dat er een bepaalde route is afgelegd. Voorts zou het gaan om een lange en een korte persoon. De vervolging is nooit op zoek gegaan naar die andere verdachte, waardoor er ook nooit is vastgesteld wie de lange of de korte persoon zou moeten zijn. Ook is aangegeven door een getuige dat er zich vaker daklozen en drugsverslaafden bevonden in pand nummer 30. Ondanks die informatie heeft de vervolging geen onderzoek laten instellen indien er op die bewuste dag andere personen in het pand aanwezig waren. Men heeft zicht gefocust op het voertuig en toen deze verdachte in beeld kwam door tussenkomst van de politie heeft men zich verder op hem geconcentreerd, ondanks het feit dat de verdachte heeft verklaard waar hij zich bevond op het moment van de brand. De verdediging is van mening dat de vervolging niet in staat is geweest om het wettig en overtuigend bewijs te leveren en verzoeken wij de verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging en teruggave van al de inbeslaggenomen goederen. Indien de kantonrechter tot het oordeel komt dat de verdachte schuldig is en het wettig en overtuigend bewijs is geleverd, verzoekt de verdediging om de strafmaat te mitigeren en aan verdachte een zodanige straf op te leggen dat hij binnenkort op vrije voeten komt.

BEOORDELING DOOR DE KANTONRECHTER

Bewezenverklaring

De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat de verdachte:

op 15 januari 2024 te Paramaribo, tezamen en in vereniging met tot nog toe onbekend gebleven personen, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand (aan de Domineestraat pand nummer 30), immers heeft hij, verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met vermeld pand ten gevolge waarvan 4 (vier) panden geheel of gedeeltelijk zijn afgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor nadere nabijgelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1.
Eigen waarneming van de rechter
De eigen waarneming van de kantonrechter bij het bekijken van het beeldmateriaal op de terechtzitting van 13 mei 2024, waarin de kantonrechter ziet dat een grijs gelakt voertuig vertrekt vanuit een adres aan de [straatnaam] en vervolgens parkeert aan de Keizerstraat. De kantonrechter neemt voorts waar dat er twee personen uit het voertuig stappen. De twee personen lopen richting Steenbakkerijstraat, vervolgens de Domineestraat in en gaan op een terrein. Hierna is te zien dat een gebouw in vlam staat en is waar te nemen dat de mannen vervolgens teruglopen naar het voertuig. Zij stappen in het voertuig en verlaten de plek. Vervolgens wordt gereden naar de [straatnaam]. Op het voertuig is ook schade waargenomen.

Bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde verklaringen

2.
De verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
Er is een voertuig in beslag genomen. Het voertuig is vermoedelijk gebruikt bij de brandstichting. Het is gereden vanuit de [straatnaam] naar de Keizerstraat. Na het voertuig geparkeerd te hebben liepen de twee heren naar de Domineestraat. Na de brandstichting liepen ze weer terug naar de auto.

3.
De verklaring van de getuige [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van 13 mei 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
Er stappen twee mannen uit het voertuig, waarvan een korte en een lange. De korte man is de bestuurder van het voertuig. Ze lopen richting de Steenbakkerijstraat en Jodenbreestraat. Ze lopen het gebouw binnen en gelijk daarna zie je duidelijk de brand.

4.
De verklaring van de getuige [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2024, voor zover relevant voor het bewijs:
De brand is ontstaan op het leegstaand pand ernaast. Vervolgens overgeslagen naar ons pand. Het hoofdkantoor van het familiebedrijf Interfund N.V. is volledig tot de grond toe afgebrand. Het is een historisch pand.

Schriftelijke bescheiden

5.
Pagina`s 2-3
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 46/2024, opgemaakt door onder inspecteur van politie, en gesloten op 15 januari 2024, inhoudende als verklaring van aangifte gedaan door [naam 1], voor zover relevant voor het bewijs:
Op 15 januari 2024 werd het bericht ontvangen van de Centrale Meldkamer dat er aan de Domineestraat nummer 30 te Paramaribo sprake moet zijn van brand. Ter plaatse aangekomen bleek dat het pand op pand nummer 30 inderdaad in brand stond. Vermeld dient te worden dat tijdens het blussen het vuur oversloeg naar pand nummer 28 en pand nummer 34 van de Domineestraat.

6.
Pagina 4
Het in de wettelijke vorm opgemaakte referte proces-verbaal, nummer 0076/ 2024, opgemaakt door brigadier van politie Setrowidjojo, S.L. en gesloten op 13 juni 2024, inhoudende als het verkrijgen van een brand verklaring van het Korps Brandweer Suriname, voor zover relevant voor het bewijs:
Volgens de brandweer is de brand bij pandnummer 30 van de Domineestraat begonnen. Vervolgens is de brand uitgebreid naar de pandnummers 28, 32 en 34.

7.
Pagina A
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, nummer 0076/ 2024, opgemaakt door brigadier van politie Setrowidjojo, S.L. en gesloten op 29 januari 2024, inhoudende als het verrichten van onderzoek op de afdeling verkeerstechnische dienst van het Korps Politie Suriname en het fotografisch vastleggen van een grijs gelakte Toyota Mark 2 gekentekend 83-27 WP, voor zover relevant voor het bewijs:
Nadat de inspecteur van politie tweede klasse Panka inzage in het bestand deed, gaf hij aan dat er twee voertuigen van het merk Toyota Mark 2 voorkomen, namelijk een grijs gelakte met als kentekennummer 83-27WP, welke geregistreerd staat op naam van [naam 2] en eveneens een grijs gelakte met als kentekennummer 83-59 WP, welke geregistreerd staat op naam van [naam 3]. Vermeld dient te worden dat het voertuig op naam van het merk Toyota Mark 2, gekentekend 83-59 WP aan de verdachte [verdachte] toebehoort en is door de politie reeds in beslag genomen.

De Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het om twee personen gaat die in beeld zijn gebracht doch de tweede persoon heeft de politie niet kunnen traceren. De politie is belast met de opsporing en nasporing van strafbare feiten. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats op basis van de dagvaarding hetgeen ten last is gelegd. Heden is voor het gerecht verschenen de verdachte [verdachte]. Het gegeven dat er geen tweede verdachte in beeld is gebracht, heeft op dit moment voor dit onderzoek geen relevantie. In casu is er sprake van een onbekende tweede dader. Het Openbaar Ministerie kan niet verweten worden dat het met twee maten meet. Het verweer gaat in casu niet op. Voorts heeft de verdediging bepleit dat met betrekking tot het verhoor van de eigenaar van het ander voertuig, de politie niet genoegzaam onderzoek heeft gepleegd. De raadsman heeft ruim voor de zitting het proces-verbaal ontvangen teneinde kennis te nemen van de inhoud daarvan. De raadsman is zich bewust dat in het belang van de verdediging van zijn cliënt hij het recht heeft tot het horen van getuigen. Nu de raadsman na ontvangst en het bestuderen van het proces-verbaal geen gebruik heeft gemaakt van het recht om de getuige te doen dagvaarden teneinde de hem kennelijke ontbrekende informatie ter terechtzitting te verkrijgen, hij tardief is en wordt dit verweer aldus verworpen.

Met betrekking tot de ontkenning van de verdachte beslist de kantonrechter het volgende:
Een ontkenning van de verdachte betekent niet dat hij het feit niet heeft begaan, maar het betekent ook niet dat hij het feit heeft begaan. De bewijsmiddelen zijn limitatief opgesomd in de wet. In deze zaak hebben wij getuigen gehoord en heeft er technisch onderzoek plaatsgehad. Als bewijs nemen we in deze zaak de vaststelling en het analyseren van de camerabeelden waarbij het voertuig in beeld komt. Het voertuig komt op twee locaties in beeld. Gekeken wordt naar het moment dat het voertuig in beeld komt in de buurt waar uiteindelijk de brand is gesticht, waarbij te zien is dat twee personen in hun handen materiaal, mogelijk een jerrycan, hadden. De twee personen liepen naar het verlaten pand en op enig moment zien wij vuur opvlammen. We zien vervolgens dat de twee personen de plek verlaten en vervolgens in het voertuig stappen waarbij desbetreffend voertuig stopt op het woonadres van deze verdachte. Bovendien heeft de verdachte aangegeven dat hij de enige bestuurder is van dit voertuig. Er zijn meerdere camerabeelden bekeken van die bewuste dag en is vastgesteld dat het voertuig vertrekt vanuit het woonadres van de verdachte en vervolgens rijdt via verschillende straten om vervolgens te stoppen bij de locatie waar en alwaar de twee personen uitstappen. We zien vervolgens dat er opvallende schade aanwezig is bij het voertuig. Het blijkt dat de schade overeenkomt met de schade die is aangetroffen bij het voertuig van deze verdachte. De verdachte heeft op enig moment gesteld dat desbetreffend voertuig niet zijn voertuig zou zijn. Uit het onderzoek bij de afdeling Rijbewijzen is gebleken dat er nog een voertuig van het type Toyota Mark 2 beginnende met de cijfers 83 en eindigende met de letters PW in beeld is gekomen. Volgens de eigenaar van dat voertuig was het voertuig ten tijde van die brand ter reparatie aangeboden en dus niet in rijdende staat. Dit voertuig heeft geen schade, in ieder geval, geen schade zoals te zien is aan het voertuig dat op de camerabeelden te zien is ( zie fotomateriaal). Vast is komen te staan dat de schade die is waargenomen via het beeldmateriaal overeenkomt met de schade van het in beslaggenomen voertuig van de verdachte.

Ten aanzien van de alibi van de verdachte, heeft de verdediging geen getuigen geproduceerd die zijn alibi zouden kunnen ondersteunen. De politie heeft nagetrokken of er camerabeelden zijn op de locatie zoals aangegeven door de verdachte aan de Hogestraat dan wel Hofstraat alwaar hij ten tijde van de brand zich zou bevinden, echter zijn er geen camerabeelden aangetroffen die de bewering van de verdachte dat hij op die locatie was, kunnen staven.
De Kantonrechter komt tot het bewijs en de overtuiging middels de fotografische vastlegging van het voertuig met de aanwezige kenmerken met de ter terechtzitting vertoond beeldmateriaal. Uit de camerabeelden blijkt dat het voertuig waaruit de twee personen zijn gestapt om te lopen naar de locatie alwaar de brand is gesticht, is vertrokken vanuit het woonadres van de verdachte en na de brandstichting hebben ze hetzelfde woonadres aangedaan. Hiermee geconfronteerd heeft de verdachte deze vaststelling niet weersproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 207 sub 1o van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de straf heeft de Kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van de feiten
Paramaribo bestaat nog deels uit een houten binnenstad waarbij het gevaar van een overslaand brand waarbij meerdere panden in as kunnen worden gelegd algemeen bekend is. Levensgevaar voor mens en goederen is een logisch gevolg bij opzettelijke brandstichting. De brand heeft een schokgolf teweeg gebracht in de maatschappij, alsook een negatief effect voor de historische waarde van onze binnenstad die op de Unesco lijst van wereld erfgoed voorkomt. Voor de familie van de afgebrande panden is het een extreem verlies, zowel in financieel als emotionele zin. Bekeken tegen deze achtergrond is afwijking van de eis passend en geboden.

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden
Uit een betreffende Staat van inlichtingen van de verdachte van 13 februari 2024 blijkt dat hij meerdere veroordelingen op zijn naam heeft staan.

De op te leggen straf
Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van het feit, is de Kantonrechter van oordeel dat mede in verband met een juiste normmarkering en de algemene preventie, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat brandstichting in het algemeen en in casu in de binnenstad extreem gevaar zetten is. De daaruit voortvloeiende schade voor mens en land kan niet getolereerd worden.

Alles afwegende acht de Kantonrechter een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden.

Beslag

Verbeurdverklaren

De Kantonrechter zal het volgende in beslag genomen voorwerp te weten 1 grijs gelakt voertuig van het merk Toyota Mark 2 met als volgnummer 83-59 WP, verbeurdverklaren.
Dit voorwerp behoort aan de verdachte toe en het bewezen verklaarde feit is met behulp van dit voorwerp begaan.

Teruggave aan de verdachte

De Kantonrechter zal de teruggave gelasten aan de verdachte van het in beslag genomen voorwerp die aan de verdachte toebehoort, te weten 1 blauw verkaste mobiele telefoon van het merk Samsung aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing van de Kantonrechter berust op de artikelen 9, 11, 38, 44, 72 en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De Kantonrechter beslist als volgt:

Bewezenverklaring

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven is vermeld;

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hierboven is vermeld;

Strafbaarheid van de verdachte

Verklaart de verdachte strafbaar;

Oplegging straf

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Beslag

Verklaart het volgende voorwerp verbeurd te weten 1 grijs gelakt voertuig van het merk Toyota Mark 2 met als volgnummer 83-59 WP.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp, te weten 1 blauw verkaste mobiele telefoon van het merk Samsung.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Elgin, Kantonrechter in het Tweede Kanton, in tegenwoordigheid van mr. R. Singodikromo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juni 2024.

 

 

SRU-HvJ-2025-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Civarno.2025H00044
28 maart 2025
Vonnis in de zaak van:

DE PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. S. Fernand, advocaat,
appellante in kort geding,
hierna te noemen: “de PVP”

tegen

HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU,
kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: I. D. Kanhai BSc., advocaat,
hierna te noemen: “het CHS”,
geïntimeerde in kort geding,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen op 26 maart 2025 in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis (Civarnummer 202501211) tussen PVP als eiseres en het CHS als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep                                                                           

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 27 maart 2025 van de Substituut-Griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat de PVP tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van Justitie d.d. 28 maart 2025, tijdens welke zitting de zaak door beide partijen is bepleit.

1.2 De uitspraak is bepaald op heden.

De feiten
Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan uit gaat.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg
3.1 De PVP heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. haar een ruimere periode wordt toegekend om de kandidatenlijsten in te dienen, althans haar daartoe een periode van een week de ruimte te bieden, totdat in een bodemprocedure wordt uitgemaakt of de wettelijke bepaling, zijnde artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling, inderdaad dwingendrechtelijk van aard is;
II. het CHS te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor iedere dag dat zij mocht nalaten aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;
III. het CHS te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2 Het CHS heeft tegen de vordering verweer gevoerd.
3.3 De kantonrechter heeft bij vonnis van 26 maart 2025 het gevorderde afgewezen en de PVP veroordeeld in de proceskosten.

De vordering in hoger beroep en de standpunten van partijen
4.1 De PVP heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter en vordert dat het Hof het vonnis in eerste aanleg vernietigt en, opnieuw rechtdoende, haar vordering alsnog toewijst.

4.2 De PVP heeft aan haar vordering, onder andere, ten grondslag gelegd dat zij vanaf de verkeerde beslissing van het CHS van 28 februari 2025 in het ongewisse is geweest over de vraag of zij kon deelnemen aan de verkiezingen. Deze verkeerde beslissing komt neer op een onrechtmatige daad van het CHS jegens de PVP. De PVP had hierdoor niet voldoende ruimte om de kandidatenlijsten op 25 maart 2025 te kunnen afronden en in te dienen. De PVP mag niet het gelag betalen voor de verkeerde beslissing van het CHS.

4.3 De PVP heeft voorts aangevoerd dat er geen wettelijk beletsel is om de termijn uit te breiden. Artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling vermeldt niet dat de dag van kandidaatstelling 25 maart 2025 moet zijn. De datum van de kandidaatstelling is niet dwingendrechtelijk bepaald. Slechts de tijdsintervallen die dienen te zitten tussen de specifieke acties die elkaar opvolgen zijn geregeld. Nu het is gebleken dat de PVP ten onrechte niet is toegelaten tot de registratie dient zij in de gelegenheid gesteld te worden om alsnog dezelfde tijd te krijgen die andere partijen hebben gehad om hun kandidatenlijsten in te dienen. Door de weigering van het CHS om de periode te verruimen was er geen sprake van een “even playing field”.

4.4 Tevens werd door de PVP aangevoerd dat door de onzekerheid die is ontstaan door de weigering op 28 februari 2025, veel personen die zich kandidaat hebben gesteld ontmoedigd waren geraakt en zich terug hadden getrokken. Er was gedurende de weken na de weigering sprake van een “psychologische ramp”. De personen die betrokken waren bij de partij hadden er door teleurstelling geen geloof meer in dat de partij nog zou meedoen aan de verkiezingen. Na de uitspraak van het Hof van Justitie op 22 maart 2025, waarin was beslist dat de PVP zich mocht registreren, was het niet mogelijk gelijk iedereen weer bij elkaar te krijgen en de kandidatenlijsten op te stellen. Het was pas op maandag 24 maart 2025 dat alle bij de partij betrokken personen op de hoogte konden worden gesteld waarna nog aan de vereiste formaliteiten moest worden voldaan alvorens de kandidatenlijsten ingediend hadden kunnen worden. Door het effect van de weigering was het niet mogelijk om de lijsten op 25 maart 2025 in te dienen waardoor een verzoek was gedaan om verruiming van de termijn met een week. Deze situatie is niet door de schuld van de PVP ontstaan doch door de schuld van het CHS. Om die reden had het CHS wel toestemming moeten geven voor de verruiming van de termijn.

4.5 Het CHS heeft aangevoerd dat na het vonnis van het Hof op 22 maart 2025 gelijk alle condities zijn gecreëerd voor de PVP om te voldoen aan de eisen van de wet voor het indienen van de kandidatenlijsten. Zij heeft op 22 maart 2025 direct het vonnis uitgevoerd en PVP in de gelegenheid gesteld om zich te registreren. Tevens heeft PVP gelijk toegang verkregen tot het digitale platform en verkreeg zij van CBB alle medewerking om de kandidatenlijsten klaar te maken. Het CBB was buiten kantooruren ook bereikbaar voor alle politieke partijen, ook op de zaterdagen en de zondagen. De vier dagen waren ruim voldoende om de kandidatenlijsten digitaal te uploaden en de stukken fysiek in te dienen.
Het CHS heeft met betrekking tot de handelingen na de registratie aangevoerd dat het klaarmaken van de kandidatenlijsten via het platform mogelijk is in een paar stappen en het uploaden in een half uur kan geschieden. Daarna is het indienen van fysieke kandidatenlijsten ook binnen korte tijd te realiseren.
Voorts heeft het CHS niet kunnen afwijken van de in de wet genoemde termijnen omdat daarmee de voortgang van de verkiezingen ernstig in gevaar kan worden gebracht.
De artikelen 38 en verder van de Kiesregeling noemen fatale termijnen waaraan het CHS zich strikt moet houden. Het CHS heeft er bewust voor gekozen om het digitale platform gelijk na het vonnis open te stellen waardoor de PVP geen belemmeringen heeft ondervonden van de zijde van het CHS. Het CHS is niet aansprakelijk voor de interne issues van de PVP.

4.6 Het CHS voerde voorts aan dat de kantonrechter de vordering terecht heeft afgewezen, immers, artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling is van dwingendrechtelijke aard. In casu was er geen sprake van een uitzonderlijke toestand op grond waarvan het CHS anders zou moeten besluiten.

De beoordeling

5.1 Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de PVP daarin kan worden ontvangen.

5.2. Het Hof overweegt vooreerst dat vanuit hun aard het kiesrecht en de uitwerking van dat recht een nogal formeel en uiterlijk karakter hebben. De kieswettelijke regelingen geven vooral een samenstel van procedureregels en termijnbepalingen. De keuze van de wetgever voor een strikte regeling in de Kiesregeling heeft als achtergrond een voor ieder gelijke, eerlijke verkiezing te waarborgen. Daarom is er, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, geen ruimte voor het CHS om in afwijking van de dwingende bepalingen van de Kiesregeling te beslissen.

5.3 Artikel 85 lid 1 van de Kiesregeling bepaalt dat de dag der kandidaatstelling ten behoeve van de leden van de volksvertegenwoordigende lichamen bij Staatsbesluit wordt bepaald en wel zodanig dat tussen deze dag en de dag van de stemming zestig dagen gelegen zijn. Ter uitvoering van dit artikel lid is bij Staatsbesluit van 17 februari 2025 (Besluit Vaststelling Dag der Kandidaatstelling en Dag der Stemming 2025) bepaald dat de dag der kandidaatstelling ten van behoeve van de verkiezingen van de volksvertegenwoordigende lichamen is vastgesteld op 25 maart 2025. Voorts is in dit Staatsbesluit bepaald dat de dag der stemming voor de volksvertegenwoordigende lichamen is vastgesteld op zondag 25 mei 2025.

5.4 De vraag die thans dient te worden beantwoord is of hetgeen PVP als reden heeft gegeven voor het niet kunnen indienen van de kandidatenlijst op 25 maart 2025 moet worden aangemerkt als een uitzonderlijke situatie, die het verruimen van de termijnen genoemd in de de wet, rechtvaardigt.
In casu doet het geval zich voor dat PVP zich door de weigering van het CHS om zich te registeren op 28 februari 2025, niet richtte op het voorbereiden van de kandidatenlijsten, doch zich richtte op het instellen van procedures, bij de President en bij het gerecht om het besluit van de weigering aan te vechten.
De PVP heeft, nadat zij in het gelijk is gesteld door het Hof op zaterdag 22 maart 2025, op die dag nog de toegang verkregen tot het digitale platform waardoor zij gelijk de voorbereidingen kon treffen, ook op de zaterdag en de zondag, om de kandidatenlijsten klaar te maken. Ook had zij, naar eigen zeggen, de volledige medewerking van het Centraal Bureau voor Burgerzaken om op een spoedige manier aan de benodigde documenten te komen.
Het Hof begrijpt dat het probleem niet zozeer was het niet op tijd kunnen voldoen aan de vereiste formaliteiten om de kandidatenlijsten in te dienen, doch dat het probleem was dat de PVP niet meer beschikte over kandidaten om op de lijst te plaatsen.
Dat zij door interne omstandigheden, de partij zelf betreffende, die door de PVP werd aangemerkt als een “psychologische ramp”, niet over kandidaten beschikte, kan, gelijk het CHS stelt, niet op het conto van het CHS geschreven worden.
Van een politieke partij die wenst deel te nemen aan de algemene, geheime en vrije verkiezingen van het land teneinde bij verkiezing van haar kandidaten deel uit te maken van de wetgevende macht en mogelijk ook deel te nemen aan het bestuur, mocht worden verwacht dat zij, in geval van een gunstige beslissing, haar voorbereidingen zodanig had getroffen, dat zij de kandidatenlijsten op tijd zowel digitaal als in fysieke vorm kon indienen.
In dit geval is van een zeer uitzonderlijke situatie, als gevolg waarvan verruiming van tijd zou moeten geschieden, geen sprake.

5.5 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken, nu dat niet tot een ander oordeel zou leiden en het PVP zal worden veroordeeld in de kosten van het proces.

6. Beslissing
Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 maart 2025 bekend onder Civarnummer 202501211;

6.2 Veroordeelt PVP in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van CHS gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. nihil (nihil SURINAAMSE DOLLARS) aan verschotten en SRD.15.000,- (VIJFTIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLARS) aan gemachtigdensalaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 28 maart 2025 in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie LL.B, Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie                       w.g. D.D. Sewratan

Partijen appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. E.S. Fernand, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat I.D. Kanhai BSc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

Dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier

 

SRU-K1-2025-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202501211
26 maart 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

 

PROGRESSIEF-VERHEFFENDE PARTIJ, kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “PVP”,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.S. Fernand, advocaat,

tegen

HET CENTRAAL HOOFDSTEMBUREAU, kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “CHS”,
gedaagde,
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc, advocaat.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 25 maart 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 26 maart 2025;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 PVP heeft bij brief van haar gemachtigde de dato 24 maart 2025 ref: 025-070.pro het CHS het verzoek gedaan om aan haar een week, na de datum van de kandidaatstelling op 25 maart 2025, althans een redelijke termijn te gunnen om haar kandidaat lijsten alsnog in te dienen.

2.2 Het CHS heeft per brief de dato 24 maart 2025 kenmerk CHS-2025/92/SEC, de gemachtigde van PVP als volgt bericht:

“Hetgeen u in uw vorenbedoeld schrijven verlangt is helaas niet uitvoerbaar aangezien zulks in strijd is met art. 38 lid 1 van de Kiesregeling.

Hetzij vermeld, dat de tijdsbepalingen genoemd in de Kiesregeling van dwingendrechtelijke aard zijn en de wet het CHS geen ruimte open laat hiervan af te wijken;”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 PVP vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

haar een verruimde periode voor het indienen van haar kandidatenlijst toe kent, althans haar een week daartoe de ruimte biedt, totdat in een bodemprocedure is uitgemaakt of artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling dwingendrechtelijk van aard is.
CHS veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van SRD 50.000, – (vijftigduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat het CHS nalatig blijft om uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
CHS veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 PVP legt aan haar vordering ten grondslag dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling niet dwingendrechtelijk van aard is, waardoor aan haar een verruiming van de periode voor het indienen van haar kandidatenlijst moet worden geboden.

3.3 Het CHS heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Niet in geschil is dat de kort geding rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil als hier aan de orde en dat PVP een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

4.2 PVP heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat de weigering van het CHS tot registratie van haar voor deelname aan de verkiezingen wanhoop en teleurstelling heeft teweeggebracht bij personen die zij wilde plaatsen op haar kandidatenlijst. Dat voor het kunnen plaatsen van personen op haar kandidatenlijst het geloof en vertrouwen van deze personen nodig is. Dat de overige politieke partijen hun kandidatenlijst voor indiening gereed hadden, omdat zij niet te maken hadden met de uitdagingen waarmee zij te maken had. Dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling niet van dwingend rechtelijke aard is en dat aan haar derhalve een week, althans een redelijke periode moet worden gegund om haar kandidatenlijst alsnog in te dienen. Het CHS stelt zakelijk weergegeven dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling van openbare orde is en dat de PVP de mogelijkheid had, om in afwachting van de uitslag van de procedure met betrekking tot de weigering om haar te registreren, haar kandidatenlijst in orde te maken. Dat de bepaling van de dag der kandidaatstelling en de te houden verkiezingen dwingend is geregeld in artikel 85 lid 1 en 86 van de Kiesregeling. Dat zowel de dag van de kandidaatstelling als die van de houden verkiezing op 25 mei 2005 bij staatbesluit van 17 februari 2025 (SB 2025 no. 25) is bepaald, waarvan zij niet kan afwijken.

4.3 Uitgangspunt is het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling. In artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling is bepaald dat op de dag van de kandidaatstelling voor de verkiezing van leden voor De Nationale Assemblee bij het hoofdstembureau van 08.00 tot 15.00 uur lijsten van kandidaten zowel schriftelijk als digitaal kunnen worden ingeleverd. De kantonrechter is van oordeel dat het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Kiesregeling een vervaltermijn betreft. Een vervaltermijn is een fatale termijn. Het brengt het definitieve verval mee van het recht van PVP om haar kandidatenlijst in te dienen. De vervaltermijn is, in tegenstelling tot een verjaringstermijn, niet vatbaar voor stuiting of voor schorsing en kan niet het voorwerp zijn van een afstand. Een vervaltermijn is een door de wet, de rechter of de overeenkomst voorgeschreven termijn waarbinnen een bepaalde handeling, waarvan het behoud van een recht of de bescherming van een belang afhangt, dient te worden verricht. Indien de handeling niet wordt verricht binnen de voorgeschreven termijn is het recht onherroepelijk vervallen en kan de handeling niet meer worden verricht. De verkiezingsorganisatie brengt met zich mee dat partijen die aan de verkiezing wensen deel te nemen zich dienen te houden aan strikt vastgestelde termijnen. Gelet op het voren overwogene zal de vordering van PVP om haar nog een week te gunnen, althans haar een redelijke termijn te gunnen om alsnog haar kandidaten lijst in te dienen worden afgewezen.

4.4 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.5 PVP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CHS worden begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het gevorderde,

5.2 veroordeelt PVP in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van het CHS welke is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in Kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei op 26 maart 2025 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.