SRU-HvJ-2024-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking inzake beroep tegen het besluit van de procureur-generaal de dato 10 januari 2024 ten aanzien van Bouterse, Desire Delano, ingediend op donderdag 11 januari 2024;

Gelezen het door BOUTERSE, DESIRE DELANO (hierna ook aangeduid als belanghebbende) ingediend schriftelijk stuk met als opschrift “beroepschrift ex artikel 22 van de Grondwet (GW) juncto artikel 133 lid 1 GW in samenhang met de artikelen 3 en 4 van het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Surinaamse Rechtelijke Macht (Wet RIS)”, van 11 januari 2024;

          Gelet op de beschikking van het Hof van Justitie de dato 16 januari 2024, waarbij de behandeling van het beroepschrift in raadkamer is bepaald voor dinsdag 23 januari 2024;

          Gezien de overige zich in het dossier bevindende bescheiden, waaronder de processen-verbaal van het verhandelde ter raadkamerzittingen van het Hof van 23 januari 2024 en 13 februari 2024, waarvan de inhoud hier als geïnsereerd moet worden beschouwd;

          Gehoord in raadkamer de dato 23 januari 2024 en 13 februari 2024, de waarnemend Procureur-generaal (PG), mr. A. Niamat, namens het Openbaar Ministerie (OM) en de raadslieden van verzoeker, mr. M. Dubois; mr. M. Castelen; mr. N. Van Dijk, CAMS AMLCA; mr. M. Misiedjan en mr. D. Veira.

Overwegende, dat de raadslieden van belanghebbende, voor zover van belang en kort weergegeven, stellen dat zij bij de president van het Hof van Justitie in beroep komen tegen het besluit van de PG, de dato 10 januari 2024, op het door hen ingediend verzoekschrift, de dato 08 januari 2024, ten einde dat besluit te toetsen aan de bepalingen van het recht en de wet, en bij welk beroepschrift is verzocht:

  • primair: te herzien en wel zodanig dat het besluit van de PG wordt herroepen en in de plaats daarvan een nieuw besluit wordt genomen,
  • subsidiair: conform art. 4 van de Wet RIS aan de PG het bevel te doen om conform het door de belanghebbende verzochte, de tenuitvoerlegging van het vonnis de dato 20 december 2023, op te schorten c.q. te schorsen c.q. aan te houden, totdat nationaal en internationaal een uitspraak is gedaan over een eerlijk proces.

Belanghebbende heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als grondslag van zijn verzoek het volgende gesteld.

Het OM heeft een besluit genomen om een last tot aanmelden te geven ter uitvoerlegging van het vonnis van het Hof van Justitie van 20 december 2023. Hiertegen heeft hij bezwaar aangetekend en heeft de PG als reactie op het bezwaarschrift gepersisteerd bij het eerder door haar genomen standpunt op het verzoekschrift. Het besluit zou – volgens belanghebbende – onder meer niet c.q. onvoldoende zijn gemotiveerd en is er geen rekening gehouden met zijn belangen. Op grond hiervan is de weg om in beroep te komen bij de bevoegde instantie thans open komen te vallen.

De beoordeling      

Overwegende, dat belanghebbende heeft gesteld dat de gevoegde behandeling van  dit verzoekschrift en het ook door hem ingediend beroepschrift niet verenigbaar zijn. Belanghebbende is van mening dat de behandeling van deze twee administratieve procedures zich, vanwege het verschil in de aard niet lenen voor een gevoegde behandeling door dezelfde kamersamenstelling.

Overwegende, dat de president van het Hof bevoegd is een kamer samen te stellen – zoals in casu is geschied – die zich buigt over het aan dit Hof gericht verzoek en ter zake een beslissing neemt. De zienswijze dat beide verzoeken niet door één en dezelfde Hof kamer gevoegd, althans gezamenlijk kunnen worden behandeld, deelt het Hof niet, daar niet is gebleken dat daarmede belanghebbende in zijn rechtsproces wordt geschaad. Immers moet er een beslissing worden genomen over twee verschillende soorten vorderingen, namelijk een ingediend beroepschrift en een ingediend verzoekschrift.

Overwegende, dat de PG als meest verstrekkend verweer heeft aangevoerd dat de belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat voor het ingediende beroepschrift geen wettelijke basis bestaat. De wetsartikelen waarop de verdediging het beroep heeft gebaseerd, zouden onjuist zijn. De artikelen 22 GW en 1 van het Wetboek van Strafvordering geven aan dat er een wettelijke grondslag moet zijn voor het indienen van het beroep en die ontbreekt. De wet biedt geen mogelijkheid om een beroepschrift tegen een besluit genomen door de PG in te dienen en wordt in casu oneigenlijk gebruik gemaakt van de wet, aldus de PG.                                                                           

Overwegende, dat thans de vraag dient te worden beantwoord of artikel 22 GW een mogelijkheid schept voor belanghebbende om het beroepschrift in te dienen.

Voorop wordt het volgende gesteld.

Overwegende, dat eerst de vraag dient te worden beantwoord of artikel 22 GW een mogelijkheid schept voor een burger om een verzoekschrift in te dienen bij het Hof van Justitie. Artikel 22 GW luidt als volgt:

lid 1: Een ieder heeft het recht om verzoeken schriftelijk bij het bevoegde gezag in te dienen.

lid 2: De wet regelt de procedure voor behandeling van de zaak.

Het Hof van Justitie wordt in artikel 139 GW genoemd als hoogste instantie van de rechterlijke macht met rechtspraak belast. Hieruit volgt dat het Hof van Justitie dient te worden aangemerkt als het bevoegd gezag zoals bedoeld in artikel 22 GW en is het indienen van schriftelijke verzoeken op grond van dit artikel in beginsel mogelijk. Het feit dat de wetgever lid 2 van artikel 22 GW niet heeft uitgevoerd doet daaraan niet af. Immers dit laat het recht van de burger toegekend door de GW onverlet. Het Hof overweegt ten aanzien hiervan verder dat in artikel 1.4 GW van 1975 een gelijkluidende tekst als voormeld artikel 22 GW is opgenomen, namelijk dat een ieder het recht heeft verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen. Dit recht, ook wel het petitierecht genoemd, houdt onder meer in de mogelijkheid om schriftelijk de aandacht van het bevoegd gezag te vragen voor bijvoorbeeld een problematiek, een beklag te doen en om grieven, ongemakken en problemen kenbaar te maken. Gebleken is dat burgers in de praktijk bij het Hof reeds gebruik maken van dit recht en dit recht dus al beleven, ondanks het feit dat deze verzoeken nimmer expliciet zijn gebaseerd op artikel 22 GW.

Overwegende, dat de belanghebbende bij herhaling heeft gesteld dat het schriftelijk verzoek welke hij op 11 januari 2024 heeft ingediend de bedoeling heeft om in beroep te gaan bij de president van het Hof tegen het besluit van de PG.

Overwegende, dat noch artikel 22 GW noch enig ander wetsartikel de president van het Hof als beroepsinstantie aanwijst tegen een door de PG genomen besluit.

Overwegende, dat het Hof gelet op het voorgaande, de belanghebbende niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep en het Hof niet meer toekomt aan bespreking van de overige stellingen van partijen.

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.                                   

BESCHIKKENDE

Het Hof:

Verklaart BOUTERSE, DESIRE DELANO niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het besluit van de procureur-generaal 10 januari 2024.

Aldus gegeven te Paramaribo door mr. S.S.S. Wijnhard, fungerend-president, R. Praag, lid en mr. I. Sonai, lid, en uitgesproken door de fungerend president op de openbare zitting van 20 maart 2024, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, F.G.Z. Chandoe, LLM.

De fungerend-griffier,                                                                     De fungerend-president,

F.G.Z. Chandoe, LLM                                                                     mr. S.S.S. Wijnhard

                                                                                                            Het lid,

                                                                                                            R. M. Praag

                                                                                                            Het lid,

                                                                                                            I. Sonai

 

SRU-HvJ-2020-60

A-899
M.O.

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigden: mr. M.D. Lau-Kerssenberg en mr. M.A. Gout, advocaten,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
domicilie hebbende te zijnen Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, vervolgingsambtenaar,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 29 december 2015;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 04 mei 2016;
  • de beschikking van het hof van 30 mei 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 07 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en van de voortzetting daarvan gehouden op respectievelijk 21 oktober 2016, 04 november 2016 en 02 december 2016;
  • de producties door de Staat overgelegd op 02 december 2016;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 januari 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde stukken zijdens de Staat, overgelegd op 17 februari 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker], leerkracht MBO (Natin) in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs, is bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 januari 2014, [nummer 1] [nummer 2] [nummer 3], te rekenen van 01 november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken (hierna ook wel aangeduid als: het ministerie) met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand.

2.2 [verzoeker] is vervolgens bij beschikking van de minister van Openbare Werken (hierna ook aangeduid als: de minister) d.d. 10 februari 2014, [nummer 4] [nummer 5], te rekenen van 11 december 2013 overgeplaatst van het Directoraat Openbaar Groen naar het Directoraat Civieltechnische Werken (Vuilophaal en Verwerking) van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.477,- per maand.

2.3 De minister heeft bij circulaire d.d. 23 december 2013, gericht aan de (onder)directeuren, (beleids)adviseurs, (hoofd)beleidsmedewerkers, dienst- en afdelingshoofden en personeel van het ministerie, bekendgemaakt dat [verzoeker] ingaande 20 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening.

2.4 Bij missive van de Raad van Ministers d.d. 28 februari 2014, [nummer 6], is goedgekeurd dat [verzoeker] te rekenen van 23 december 2013 wordt belast met de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening (hierna ook wel aangeduid als: de functie), onder toekenning van een waarnemingstoelage.

2.5 De minister heeft bij schrijven d.d. 29 juli 2014, [nummer 7], het volgende aan de minister van Onderwijs en Volksontwikkeling bericht:

Betreft: Weder tewerkstelling [verzoeker], op het ministerie van Onderwijs en
Volksontwikkeling

Collega,

Vanaf 20 december 2013 is [verzoeker], tewerkgesteld op het Ministerie van Openbare Werken alwaar hij belast is geworden met de waarneming van de functie van Onderdirecteur Dienstverlening. In de afgelopen periode is echter gebleken dat het functioneren van [verzoeker] niet heeft voldaan aan de verwachtingen van de departementsleiding.

Het handhaven van betrokkene op het Ministerie van Openbare Werken is derhalve niet langer opportuun, weshalve ik u vraag betrokkene wederom in de gelegenheid te stellen zich verdienstelijk te maken op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en wel per 1 augustus as.”

2.6 De minister heeft [verzoeker] op 31 juli 2014 mondeling meegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang geen werkzaamheden meer op het ministerie mocht verrichten en dat hij thuis nadere instructies moest afwachten.

2.7 De minister van Onderwijs en Volksontwikkeling ging in reactie op het in 2.5 vermeld schrijven d.d. 29 juli 2014 aanvankelijk akkoord met de wedertewerkstelling van [verzoeker] op dit ministerie, maar heeft vervolgens bij schrijven d.d. 22 oktober 2014, [nummer 8], het volgende aan de minister van Openbare Werken meegedeeld:

“Met referte aan uw schrijven d.d. 29 juli 2014 waarin gevraagd wordt de heer [verzoeker], te muteren van het Ministerie van Openbare Werken naar het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, kan gesteld worden dat zulks niet mogelijk is.

De heer [verzoeker] heeft een overplaatsingsbeschikking, daterende 22 januari 2014 ontvangen waarin zijn mutatie naar het Ministerie van Openbare Werken is bekrachtigd door de ministers van beide ministeries. Er is geen andere beschikking die dat ongedaan maakt.

Het is de persoon H. [verzoeker] die vrijwillig kan besluiten akkoord te gaan met de overplaatsing, anders is zulks met zijn beschikking in handen niet mogelijk.”

2.8 Het maandelijkse salaris van [verzoeker] werd, ook na diens overplaatsing te rekenen van 01 november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, door het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling betaald. Laatstgenoemd ministerie heeft de betaling van het salaris van [verzoeker] vanaf oktober 2015 stopgezet.

2.9 [Verzoeker] heeft bij schrijven van zijn procesgemachtigde mr. Lau-Kerssenberg d.d. 09 november 2015, kort gezegd, op de – nieuw aangetreden – minister het beroep gedaan om binnen twee weken na ontvangst van dit schrijven het daarheen te leiden dat zijn volledige salaris vanaf 01 oktober 2015 en zijn waarnemingstoelage vanaf 20 december 2013 met alle emolumenten per direct wordt uitbetaald door het Ministerie van Openbare Werken, bij gebreke waarvan hij genoodzaakt zal zijn om zijn rechten geldend te maken.

2.10 De minister heeft in reactie hierop bij schrijven d.d. 04 december 2015, [nummer 9], onder meer het volgende aan mr. Lau-Kerssenberg bericht:

“Naar aanleiding van uw schrijven gedateerd 9 november 2015 inzake uw client [verzoeker] het volgende.

[Verzoeker] heeft inderdaad een overplaatsingsbeschikking van het Ministerie van Onderwijs naar het Ministerie van Openbare Werken. Echter is betrokkene nimmer overgenomen door dit ministerie dus ook nimmer uitbetaald en op grond hiervan kan dit ministerie zijn salaris ook niet blokkeren.

Bij schrijven van 29 juli 2014 [nummer 7] heeft de voormalige Minister van Openbare Werken aangegeven dat dhr. [verzoeker] weder tewerk gesteld wordt op het Ministerie van Onderwijs. Als reactie hierop is door de Minister van Onderwijs aangegeven dat dit slechts mogelijk zou zijn met goedkeuring van dhr. [verzoeker] daar hij reeds over zijn overplaatsingsbeschikking beschikt.

Bij schrijven van 5 december 2014 [nummer 10] is door de Minister van Openbare Werken voorgesteld dat dhr. [verzoeker] toch tewerkgesteld wordt op het ministerie van Onderwijs daar:

  • Hij een functie vervult binnen het onderwijs dat niet in de formatie van het ministerie van Openbare Werken voorkomt te weten Leerkracht MBO;
  • Hij niet naar tevredenheid van de departementsleiding gefunctioneerd heeft;
  • Hij reeds geruime tijd niet meer ingezet werd op Openbare Werken en nog altijd op de betaalsrol van het ministerie van Onderwijs voorkomt.

Aangezien [verzoeker] niet op de betaalsrol van het ministerie van Openbare Werken voorkomt, kan dezerzijds zijn salaris niet gedeblokkeerd worden. Hij zal zijn verzoek moeten richten aan het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling.”

2.11 Bij beschikking van de ministers van Openbare Werken en van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 07 november 2016, [nummer 11], is besloten om [verzoeker] – volgens deze beschikking in vaste dienst bij het Openbaar Onderwijs – te rekenen van 01 november 2013 in de functie van chef Vuilverwerking over te plaatsen naar de Vuilophaal- en Vuilverwerkingsdienst van het Directoraat Civieltechnische Werken van het ministerie, met behoud van zijn bezoldiging van SRD 2.522,- per maand.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal worden veroordeeld om:
1. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen zijn maandelijkse salaris te rekenen van 01 oktober 2015, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
2. binnen een week na de uitspraak aan [verzoeker] te betalen een waarnemingstoelage vanaf 20 november 2013 voor waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het ministerie, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
3. aan [verzoeker] te betalen de (buiten)gerechtelijke kosten geraamd op SRD 4.675,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, vanaf de dag der rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening;
4. [verzoeker] weder tewerk te stellen,
alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere dag of keer dat de Staat nalatig blijft om aan het vonnis gevolg te geven.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft tot op heden geen toelage van het ministerie ontvangen voor de waarneming van de functie.
[verzoeker] zit sedert 01 augustus 2014 thuis in opdracht van de minister, waardoor hij in een grote rechtsonzekere positie verkeert.
Ingevolge artikel 30 (lees: artikel 30 lid 1) van de Personeelswet (Pw) wordt er op het salaris van een landsdienaar zonder zijn uitdrukkelijke machtiging geen bedragen gekort of ingehouden dan overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Aangezien [verzoeker] de Staat niet heeft gemachtigd om zijn salaris in te houden en hij nog steeds ingevolge de beschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) op het ministerie tewerk is gesteld, handelt de Staat in strijd met de bepalingen van de Personeelswet.
[verzoeker] is sedert november 2013 overgeplaatst naar het Ministerie van Openbare Werken, zodat dit ministerie en niet het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling [verzoeker] zijn maandelijkse salaris moet doorbetalen. Het Ministerie van Openbare Werken weigert dit echter te doen.
De Staat heeft op de aanmaning van [verzoeker] d.d. 09 november 2015 (zie 2.9) op 04 december 2015 een onbegrijpelijke reactie gegeven (zie 2.10), waarvan de inhoud in strijd is met de regels van de Personeelswet en voorts op onwaarheden berust.
De Staat maakt zich door zijn handelwijze schuldig aan wanprestatie. De Staat handelt voorts in stijd met het zorgvuldigheids-, het vertrouwens-, het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel. De Staat handelt tevens contrair het goed werkgeverschap.
[verzoeker], die nog steeds bereid en in staat is de bedongen werkzaamheden te verrichten, heeft er alle belang bij dat hij zo snel mogelijk zijn werkzaamheden hervat, althans dat zijn (achterstallig) loon zo snel mogelijk wordt (door)betaald. De inkomsten uit loon strekken namelijk tot zijn levensonderhoud, de maandelijke aflossing van SRD 1.000,- voor zijn woonhuis en de aflossing per kwartaal voor zijn masteropleiding van USD. 1.385,-.
Door de handelwijze van de Staat was [verzoeker] genoodzaakt om (buiten)gerechtelijke kosten te maken ten bedrage van SRD 4.675,-, welke kosten voor rekening van de Staat dienen te komen. Deze kosten zijn: advocaatkosten ad SRD 4.500,- en wel SRD 500,- voor een aanmaningsbrief en SRD 4.000,- voor proceskosten (lees kennelijk: honorarium), alsmede de deurwaarderskosten voorlopig begroot op SRD 175,- voor betekening van de aanmaningsbrief.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op hem van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
In artikel 79 lid 2 Pw zijn limitatief opgesomd de voor nietigverklaring vatbare besluiten.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
[Verzoeker] vordert in 3.1 onder 1 betaling van achterstallig salaris vanaf 01 oktober 2015. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het in 3.1 onder 1 gevorderde zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het hof beschouwt de in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde waarnemingstoelage respectievelijk buitengerechtelijke kosten eveneens als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich op grond van voormelde bepaling daarom bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.
Voor zover de Staat ter zake van de gevorderde buitengerechtelijke kosten – deze moeten worden onderscheiden van de gerechtelijke of proceskosten – een andere mening erop nahoudt, gaat hij uit van een onjuiste opvatting.
Ten aanzien van de gerechtelijke of proceskosten, verwijst het hof naar het in 4.9 overwogene.

4.1.4 Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw tevens bevoegd kennis te nemen van de mede gevorderde dwangsom.

4.1.5 De in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling van [verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de onderhavige vordering te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij ontvankelijk is in het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde.
Achterstallig salaris
4.3.1 Het hof stelt voorop dat uit de processtukken blijkt dat het één en ander flink mis is gegaan op het ministerie alwaar [verzoeker] vanaf 01 november 2013 middels de overplaatsingsbeschikking d.d. 22 januari 2014 (zie 2.1) was tewerkgesteld, als gevolg waarvan [verzoeker] vanaf oktober 2015 ten onrechte zijn maandelijkse salaris heeft moeten ontberen. Naar het oordeel van het hof kan het voorgaande de Staat worden aangerekend en heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens [verzoeker].

4.3.2 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, mevrouw mr. S. Pardeshi, heeft ter terechtzitting van 02 december 2016 een salarisstrook ten name van [verzoeker] over de maand november 2016 overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat het achterstallige salaris aan [verzoeker] is betaald.
Blijkens voormelde salarisstrook is een bedrag groot SRD 33.604,- aan achterstallige bezoldiging – naar het hof begrijpt over de periode van oktober 2015 tot en met oktober 2016 – betaald, alsmede het salaris over maand november 2016.

4.3.3 [Verzoeker] heeft bij conclusie tot uitlating producties erkend dat de Staat in de maand november 2016 een (netto)bedrag groot SRD 28.443,54 op zijn rekening heeft gestort. [verzoeker] heeft echter betwist dat het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. Hij heeft, naar het hof begrijpt en kort gezegd, gesteld dat uit de salarisstrook van november 2016 blijkt dat de Staat ten onrechte bepaalde door hem, [verzoeker], met name genoemde componenten niet heeft betaald dan wel op het salaris heeft ingehouden. [verzoeker] heeft voorts gesteld dat de Staat heeft verzuimd om samen met voren bedoelde salarisstrook een financieel overzicht over de periode van november 2013 tot november 2016 over te leggen.

4.3.4 De Staat is niet inhoudelijk ingegaan op het door [verzoeker] ingenomen standpunt dat niet het volledige achterstallige salaris aan hem is betaald. De Staat heeft voren bedoeld financieel overzicht ook niet overgelegd.
De Staat heeft, naar het hof begrijpt, betoogd dat het [verzoeker] vrijstaat zich te wenden tot zijn werkgever voor het verkrijgen van het door hem gewenste financieel overzicht en dat het ongepast is dat [verzoeker] zich ter zake hiervan tot het hof wendt, zonder hierover (eerst) met zijn werkgever afgestemd te hebben.
Het hof volgt de Staat niet in dit betoog. [Verzoeker] heeft onder meer ten aanzien van het achterstallige salaris een vordering ingesteld tegen de Staat, die thans aanvoert het achterstallige salaris inmiddels aan [verzoeker] te hebben betaald. Naar het oordeel van het hof mag van de Staat, die als ondeelbaar moet worden beschouwd, worden verwacht dat deze in het onderhavige geding – waarbij partijen van mening verschillen over de al dan niet volledige betaling van het achterstallige salaris – ter onderbouwing van het door hem aangevoerde een financieel overzicht overlegt waaruit niet alleen [verzoeker] maar ook het hof, dat over de vordering moet beslissen, zou kunnen afleiden dat het volledige achterstallige salaris inderdaad aan [verzoeker] is betaald.
Het hof tekent hierbij aan dat voren bedoeld overzicht, nu [verzoeker] betaling van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 heeft gevorderd, slechts de periode vanaf oktober 2015 dient te betreffen.
Het hof volgt de Staat, gelet op diens ondeelbaarheid, evenmin in zijn betoog dat [verzoeker] de vermeende onregelmatigheden ter zake het betaalde bedrag aan achterstallig salaris (eerst) intern met zijn, [verzoeker]s, werkgever zou moeten opnemen.

4.3.5 Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het in 3.1 onder 1 gevorderde achterstallige salaris vanaf 01 oktober 2015.
[Verzoeker] heeft ten eerste gesteld dat hij niet is betaald voor 167 uren aan overwerk, verricht in de periode van 23 november 2013 tot 19 december 2013. Het hof gaat voorbij aan deze stelling, omdat deze overuren niet geacht kunnen worden onderdeel te zijn van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015.

4.3.6 Als niet weersproken staat rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] vanaf 01 oktober 2015 tot en met eind november 2016 niet medisch verzekerd was en dat de Staat (over deze periode) onterecht een bedrag van SRD 1.447,76 aan ‘SZF werknemers aandeel’ op zijn salaris heeft ingehouden. Het hof overweegt dat dit bedrag derhalve aan [verzoeker] dient te worden terugbetaald.

4.3.7 [Verzoeker] heeft voorts, naar het hof begrijpt, gesteld dat hij als chef Vuilverwerking van het ministerie recht heeft op een jaarlijkse kledingtoelage van SRD 550,- vanaf het jaar 2014, maar dat deze toelage niet aan hem is betaald. [verzoeker] heeft zijn vermeende aanspraak op voormelde kledingtoelage niet onderbouwd. Voren bedoelde aanspraak blijkt immers niet uit de beschikking d.d. 07 november 2016 (zie 2.11) noch is deze anderszins gebleken. [verzoeker] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht ter zake. Voor zover de onderhavige vordering ook betrekking heeft op voormelde kledingtoelage, zal dit onderdeel van het gevorderde worden afgewezen.

4.3.8 Voorts staat als niet weersproken rechtens tussen partijen vast dat [verzoeker] aanspraak maakt op de hieronder genoemde componenten, maar dat deze niet aan hem zijn betaald:
de onbelaste loonheffingskorting respectievelijk ad SRD 50,- per maand over de maanden oktober 2015 en november 2015, ad SRD 100,- per maand over de maanden december 2015 tot en met mei 2016 en ad SRD 125,- per maand over de maanden juni 2016 tot en met november 2016, bedragende deze in totaal SRD 100,- (2 x SRD 50,-) + SRD 600,- (6 x SRD 100,-) + SRD 750,- (6 x SRD 125,-) = SRD 1.450,-;
de koopkrachtversterking van SRD 100,- per maand over de maanden oktober 2015 tot en met december 2016, bedragende deze in totaal SRD 1.500,- (15 x SRD 100,-);
de gratificatie van SRD 100,- over de maand december 2015.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Staat tevens een bedrag van SRD 3.050,- (SRD 1.450,- + SRD 1.500,- + SRD 100,-) aan [verzoeker] moet betalen.

4.3.9 [Verzoeker] heeft verder gesteld dat het bedrag van SRD 45,-, zijnde het verschil tussen zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.477,- op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en zijn maandelijkse bezoldiging van SRD 2.522,- vanaf zijn overplaatsing in november 2013 naar het Ministerie van Openbare Werken, vanaf november 2013 tot en met oktober 2015 niet aan hem is betaald. De Staat heeft dit niet weersproken, zodat dit rechtens vaststaat tussen partijen. Nu alleen het verschil in bezoldiging van SRD 45,- over de maand oktober 2015 kan worden beschouwd als te zijn onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015, dient slechts laatstgenoemd bedrag aan [verzoeker] te worden betaald.
Als onderdeel van het achterstallige salaris vanaf oktober 2015 kan evenmin worden beschouwd het door [verzoeker] gestelde verschil in bezoldiging van SRD 45,- inzake zijn vakantie-uitkeringen van juli 2014 en juli 2015, zodat dit niet aan hem hoeft te worden betaald.

4.3.10 Uit het in 4.3.6, 4.3.8 en 4.3.9 overwogene volgt dat de Staat in totaal een bedrag van SRD 4.542,76 (SRD 1.447,76 + SRD 3.050,- + SRD 45,-) aan achterstallig salaris aan [verzoeker] moet betalen. Dit bedrag zal dan ook als het mindere van het in 3.1 onder 1 gevorderde worden toegewezen.

4.4 [Verzoeker] heeft, kort gezegd, gesteld dat hij gedurende de periode waarin hij zorgverzekering ontbeerde, zelf zijn medische kosten moest betalen. Het hof beschouwt deze stelling als een bloot te kennen geven en gaat derhalve daaraan voorbij, nu [verzoeker] geen vergoeding van voren bedoelde – bovendien niet geconcretiseerde – medische kosten heeft gevorderd.

Waarnemingstoelage
4.5 De Staat heeft [verzoeker]’s aanspraak op een toelage voor de waarneming van de functie niet betwist. De Staat heeft bij conclusie tot uitlating overgelegde stukken aangevoerd dat de Raad van Ministers bij missive de toekenning van voren bedoelde toelage aan [verzoeker] reeds heeft goedgekeurd en dat de nadere formalisering daarvan reeds ter hand is genomen.
Vaststaat dat [verzoeker] van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014 belast is geweest met de waarneming van de functie en derhalve aanspraak maakt op toekenning van een waarnemingstoelage ter zake. Dit leidt tot de slotsom dat het in 3.1 onder 2 gevorderde – voor zover de waarnemingstoelage over voormelde periode niet reeds aan [verzoeker] is betaald – zal worden toegewezen als in het dictum te melden.

Buitengerechtelijke kosten
4.6 De Staat heeft de door [verzoeker] gestelde en in 3.1 onder 3 gevorderde buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.675,- niet weersproken. Vast is komen te staan dat [verzoeker] deze – als schade aan te merken – kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen.

4.7 De mede gevorderde dwangsom kan op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw worden opgelegd voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling, dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. De dwangsom is in casu niet gekoppeld aan een besluit of handeling, maar aan het in 3.1 onder 1, 2 en 3 gevorderde, te beschouwen als vorderingen tot vergoeding van schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw, zodat deze niet kan worden toegewezen.

4.8 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.9 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder 4 gevorderde wedertewerkstelling.

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.542,76 (vierduizend vijfhonderdtweeënveertig 76/100 Surinaamse dollar) aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Veroordeelt de Staat – voor zover de betaling van de na te noemen waarnemingstoelage aan [verzoeker] nog niet is geschied – om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen de maandelijkse toelage voor de waarneming van de functie van onderdirecteur Dienstverlening van het Directoraat Bouwkundige Werken en Dienstverlening van het Ministerie van Openbare Werken, Transport en Communicatie te rekenen van 20 december 2013 tot en met 31 juli 2014, vermeerderd met alle verhogingen en emolumenten en met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.4 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen een bedrag van SRD 4.675,- (vierduizend zeshonderdvijfenzeventig 00/100 Surinaamse dollar) aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 29 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein           w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Gout, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens
mr. M. Winter, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-59

A-898
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: thans mr. H.S. Djasmadi, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, vervolgingsambtenaar,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: hof) d.d. 24 december 2015;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 5 februari 2016;
  • de beschikking gegeven door het hof op 9 februari  2016, waarbij de termijn voor indiening van het  verweerschrift met ingang van 10 februari  2016 is verlengd met zes weken;
  • Het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift  d.d.  21 maart 2016;
  • de beschikking gegeven door het hof op 22 maart 2016, waarbij de termijn voor indiening van het  verweerschrift met ingang van 23 maart 2016 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • de beschikking gegeven door het hof  op 10 mei 2016, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 5 augustus 2016;
  • het proces-verbaal van het op 05 augustus 2016 gehouden verhoor  van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 21 oktober 2016 en vervolgens nader op 2 augustus 2019;
  • bij rolbeschikking de dato 2 augustus 2019 is aan partijen gevraagd om afschriften van de stukken te fourneren aangezien het dossier in ongerede is geraakt;
  • verzoeker heeft vervolgens afschriften van de documenten ingediend ter griffie van het hof op 29 augustus 2019;
  • de conclusies tot uitlating met betrekking tot de gefourneerde documenten zijdens partijen respectievelijk de dato 17 januari 2020 en 07 februari 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 november 2020 doch bij vervroeging op heden;

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.1. [Verzoeker] is sedert oktober 1982, dus al ruim 32 jaren, in vaste dienst bij de Staat in de functie van opzichter Bouw – en Woningtoezicht op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van het Ministerie van Openbare Werken;
2.2. Bij beschikking d.d. 24 juli 2015 onder [nummer 1] heeft de Staat [verzoeker] ontslagen uit Staatsdienst ingevolge artikel 61 lid 1 onder j van de Personeelswet (hierna:PW);
2.3. Een afschrift van die beschikking is per deurwaardersexploot d.d. 27 juli 2015 op het woonadres van [verzoeker] betekend aan een zijner huisgenoten. In de ontslagbeschikking wordt onder meer overwogen dat :

  • [verzoeker] een veldcontrole heeft uitgevoerd, waarbij is gebleken dat in afwijking van een bouwvergunning [nummer 2] werd gebouwd;
  • [verzoeker] de bouwwerkzaamheden had moeten stopzetten en de houder van de bouwvergunning op grond van de leden 1 en 2 van artikel 3 van de Bouwwet (G.B. 1957 no. 30 zoals laatstelijk gewijzigd bij G.B. 1972 no. 96, S.B. 1980 no. 116, S.B. 2002 no. 72) had moeten instrueren een gewijzigd bouwplan in te dienen zoals vermeld in artikel 3 lid 1 en lid 2 van de Bouwwet;

2.4 In de ontslagbeschikking is verder opgenomen dat [verzoeker] in strijd met vorengenoemde wetsartikelen heeft gehandeld door zelfstandig en naar eigen inzicht op de bouwvergunning [nummer 2] verleend in 2014, de kanttekening te plaatsen: “ Constructie wijziging i.p.v. betonvloer komt er een lichtere vloerconstructie van cementbord (Jetzza). Vanwege lichtere karakter alle schotels afm. 180 # 10-16 Acc.”, waarbij deze kanttekening voorzien is van zijn handtekening;
2.5. Ingevolge het in de beschikking bepaalde onder II, sub b, heeft [verzoeker] op 26 augustus 2015, op grond van artikel 78 lid 1 PW beklag ingesteld bij de President van de Republiek Suriname. Ingevolge artikel 78 lid 4 PW dient op het beklag binnen 3 maanden te worden beslist. Tot op heden is dit echter niet geschied ;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [Verzoeker] vordert –zakelijk weergegeven- dat bij vonnis van het hof :

  1. nietig zal worden verklaard de beschikking  d.d. 24 juli 2015, [nummer 3] waarbij hij uit Staatsdienst  is ontslagen;
  2. de Staat zal worden veroordeeld [verzoeker] weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag;
  3. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

3.2. [Verzoeker] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Aangezien er op het beklag tot op heden niet is beslist is [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 3 onder a PW gerechtigd onderhavige vordering in te stellen. Voorts heeft hij aangevoerd dat bij de betekening van de ontslagbeschikking de Staat ermee bekend was dat [verzoeker] op dat moment uitlandig was. Hierdoor is [verzoeker] in ernstige mate bemoeilijkt in zijn verweer, althans is hem de gelegenheid ontnomen om het beklag adequaat te doen. De Staat heeft door zo te handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, met name het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook materieel is de beschikking niet op de juiste wijze tot stand gekomen. Uit het verweerschrift van [verzoeker] blijkt dat hij heeft aangegeven dat de kanttekening die hij heeft geplaatst op de controlestrook niet in de plaats was van de toestemming welke op grond van de Bouwwet moet worden verstrekt voor een gewijzigd bouwplan. De aantekening was slechts om aan te geven wat de wijziging inhield teneinde toestemming hiervoor te verkrijgen. [verzoeker] geeft hierover expliciet aan dat hij niet zijn handtekening hierbij heeft geplaatst, maar een paraaf. Hij voert verder aan dat de door hem gehanteerde werkwijze in onderhavige geval als juist dient te worden aangemerkt, althans dat hij volgens de geldende gebruiken heeft gehandeld. Het is immers gebruik dat een gewijzigd bouwplan ook achteraf kan worden goedgekeurd. Gelet op het feit dat [verzoeker] jarenlang zonder problemen zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd, is het onbegrijpelijk dat hetgeen de vergunninghouder heeft aangegeven, namelijk dat hij goedkeuring had van [verzoeker] voor zijn gewijzigd bouwplan, als vaststaand wordt aangenomen. Ingevolge de Bouwwet met name artikel 3 lid 1, dient een verzoek tot wijziging immers bij de directeur van het ministerie te worden gedaan en niet bij de opzichter. De goedkeuring voor een wijziging op een bouwplan dient ingevolge artikel 1, lid 1 Bouwwet bovendien te worden verleend door de directeur. Zulks behoort de vergunninghouder ook te weten en kan deze er niet zonder meer van uit zijn gegaan dat de goedkeuring was verleend. Uit het gevoerde verweer blijkt ook dat [verzoeker] het gestelde plichtsverzuim voldoende heeft weerlegd en is het derhalve onbegrijpelijk dat er wordt gesteld dat dit niet steekhoudend moet worden geacht. [verzoeker] is op grond van al het voornoemde van mening dat aan hem onterecht, althans op niet draagkrachtige gronden, de tuchtstraf van ontslag is opgelegd alsook dat deze disproportioneel is. [verzoeker] was ruim 32 jaren in dienst van de Staat en hoofdkostwinner van zijn gezin bestaande uit zijn echtgenote en 2 kinderen, waarvan één nog minderjarig was. Door het onrechtmatige ontslag wordt [verzoeker] onredelijk en onevenredig hard getroffen. De Staat heeft hier eveneens in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en op grond van al het bovenstaande kan het ontslagbesluit niet worden gehandhaafd;

3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;

De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 PW acht het hof zich bevoegd kennis te nemen van het gevorderde in het petitum, nu het een vordering betreft tot – onder andere – nietigverklaring van een besluit van een overheidsorgaan;
Ontvankelijkheid
4.2. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.
4.3. Waar gaat het in dit geding om ? [verzoeker] is ongeveer 32 jaren terug in dienst getreden van de Staat en was laatstelijk werkzaam bij het Ministerie van Openbare Werken, als opzichter op de afdeling Bouw- en Woningtoezicht. Bij beschikking van de Minister van Openbare Werken gedateerd 06 november 2014 werd hij geschorst voor de duur van drie (3) maanden met stilstand van bezoldiging. Daarbij is tevens aan [verzoeker] te kennen gegeven dat indien hij zich wederom schuldig zal maken aan een ontoelaatbare handeling, strengere tuchtrechtelijke maatregelen tegen hem zullen worden getroffen. De reden voor de schorsing lag in een belangenverstrengeling omdat een dochter van [verzoeker] die ook bouwkundige expertise bezit bouwtekeningen vervaardigde casu quo aanpaste en daarbij vermoedelijk gebruik maakte van de diensten casu quo kennis van [verzoeker] hetgeen indruiste tegen een uitdrukkelijk verstrekte beleidsinstructie. [verzoeker] stelt het niet eens te zijn geweest met deze schorsing maar het uiteindelijk te hebben gelaten voor wat het was. Vervolgens deed zich de situatie voor waarbij [verzoeker] bij een veldcontrole in vermoedelijk de maand oktober 2014 constateerde dat er in afwijking van de verleende bouwvergunning gebouwd werd. In plaats van de bouwwerkzaamheden stop te zetten en betrokkene te instrueren een gewijzigde bouwplan in te dienen volstond [verzoeker] met een kanttekening te plaatsen en deze te voorzien van zijn handtekening casu quo paraaf. De Staat kwalificeerde dit als ernstig plichtsverzuim met als resultaat de gewraakte ontslagbeschikking de dato 24 juli 2015. Voorafgaand aan de ontslagbeschikking kreeg [verzoeker] nog de gelegenheid om zich te verweren welk verweer niet steekhoudend werd bevonden door de Staat. [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;
4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven–het volgende verweer gevoerd. [Verzoeker] heeft in strijd met de wet en de geldende voorschriften gehandeld door tijdens veldwerkzaamheden, waarbij door hem geconstateerd was, dat er in afwijking met de verstrekte bouwvergunning werd gebouwd, een kanttekening en zijn paraaf te plaatsen op vermelde bouwvergunning. Kortom heeft [verzoeker] op vermelde vergunning geaccordeerd terwijl hij op basis van de wet en de geldende instructies zijdens het Ministerie van Openbare Werken, als opzichter de bouwwerkzaamheden had moeten stoppen en de vergunninghouder erop moeten attenderen dat hij een gewijzigd bouwplan moest indienen. Immers is vanuit de departementsleiding uitdrukkelijk de instructie gegeven dat indien bij controle wordt geconstateerd dat er in afwijking van een door de Directeur verleende bouwvergunning, bouwwerkzaamheden worden verricht, de belanghebbende dient te worden aangezegd de bouwwerkzaamheden stop te zetten en zulks tevens schriftelijk dient te worden gerapporteerd aan het verantwoordelijke afdelingshoofd;
4.5. In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de ontslagbeschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op. Plichtsverzuim in het ambtenarenrecht betekent het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Daaronder verstaat het hof in de onderhavige context – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet gedragen zoals een ambtenaar betaamt. In casu stelt [verzoeker] bij het verhoor van partijen dat hij op een bepaald moment door een collega-opzichter, een zekere [naam 1], werd gevraagd om de controle ter zake de uitbreiding van een zakenpand te doen. Na de weigering door [verzoeker] werd hij benaderd door een andere collega, genaamd Laloe, die hem mededeelde vanwege logistieke redenen niet in staat te zijn om de veldcontrole uit te voeren waarna [verzoeker] zwichtte en ermee instemde om de controle voor zijn collega uit te voeren. Toen hij geconfronteerd werd met de afwijkingen van de bouwvergunning stelt [verzoeker] mondeling aangegeven te hebben dat de werkzaamheden gestopt moesten worden en dat de belanghebbende de stukken in orde moest maken. Vervolgens heeft [verzoeker] –na berekening van de belasting per vierkante meter- een aantekening gemaakt op de controlestrook dat vanwege een lichtere constructie de afmeting van de schotels van 1,80 meter bij 1,80 meter wel voldoende is en heeft hij uit praktische overwegingen zijn paraaf geplaatst. Het komt namelijk ook voor in de praktijk dat men zonder voorafgaande controle de fundering stort en daarna zand erover heen gooit waardoor de afmeting van de schotels niet meer kan worden vastgesteld;
4.6. In de visie van het hof had [verzoeker] in concreto conform de instructies anders kunnen handelen door bijvoorbeeld de werkzaamheden terstond stop te zetten maar nu hij dat uit praktische overwegingen nagelaten heeft terwijl niet gebleken is dat hij daardoor in enig opzicht is bevoordeeld casu quo dat er door zijn handelingen gemeen gevaar te duchten is geweest, komt het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is geweest van plichtsverzuim. Het hof is van oordeel dat in casu evenmin gebleken is dat [verzoeker] met zijn handelingen heeft beoogd dat de betrokkene, om wie het gaat, werd bevoordeeld. Het plaatsen door [verzoeker] van de gewraakte tekst op de controlestrook en dat voorzien van zijn paraaf is onvoldoende om te concluderen dat [verzoeker] plichtsverzuim kan worden verweten zeker nu [verzoeker] aan betrokkene ook de uitdrukkelijke mededeling had gedaan dat de administratieve gang diende te worden gevolgd. Het verweer van [verzoeker] dienaangaande is in de visie van het hof wel steekhoudend gebleken. De Staat heeft immers niet weersproken dat het gebruik is dat een gewijzigd bouwplan ook achteraf kan worden goedgekeurd. Voorts kan niet slechts op grond van de verklaring van dhr. [naam 2] als belanghebbende worden vastgesteld dat [verzoeker] middels het plaatsen van de gewraakte tekst goedkeuring heeft gegeven om verder te mogen bouwen terwijl [verzoeker] een andere toedracht schetst omtrent het plaatsen van de gewraakte tekst op de controlestrook. De vraag of [verzoeker] zich door voormelde handelwijze heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim dient in het verlengde hiervan in de visie van het hof uiteraard eveneens ontkennend te worden beantwoord. Hoewel [verzoeker] al eerder geschorst was en er dus op bedacht diende te zijn dat bij een volgende overtreding een zwaardere sanctie hem boven het hoofd hing, komt het het hof voor dat de ernst van het verzuim in casu niet de kwalificatie plichtsverzuim rechtvaardigt ;
4.7. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift door [verzoeker]. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks ernstig plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van een draagkrachtige motivering (het hof begrijpt: van een Overheidsbeslissing) en het handelen in strijd met het beginsel van zorgvuldige afweging van belangen. Immers had het op de weg van de Staat gelegen om alle relevante belangen van [verzoeker] (mede gelet op zijn langdurige staat van dienst en zijn kostwinnerschap) mede in ogenschouw te nemen alvorens de zwaarste sanctie, ontslag uit Staatsdienst, aan [verzoeker] op te leggen. Van het in acht hebben genomen van al het voorgaande heeft de Staat geen blijk gegeven. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde weder tewerkstelling van [verzoeker] alsmede de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding kunnen niet worden gerubriceerd onder de limitatieve opsomming in artikel 79 lid 1 PW, weshalve die onderdelen van het gevorderde zullen worden afgewezen;
4.8. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langerrelevant zijnde, achterwege laten;

5. De beslissing
Het hof:
5.1. Verklaart nietig de beschikking d.d. 24 juli 2015,[nummer 3 ]waarbij [verzoeker] uit Staatsdienst is ontslagen;
5.2. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-president voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 06 maart 2020, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein       w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C. Djajadi, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-58

A-905
M.O.

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende in het [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende op zijn Parket te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 maart 2016;
  • het verweerschrift d.d. 06 juni 2016;
  • de beschikking van het hof van 09 juni 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 21 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en van de  voortzetting  daarvan  gehouden  op  respectievelijk  06  januari  2017, 19  mei  2017, 20 oktober 2017 en 01 december 2017;
  • de conclusie tot uitlating d.d. 04 mei 2018 zijdens [verzoekster], met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 16 november 2018 zijdens de Staat, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie d.d. 04 januari 2019 zijdens [verzoekster], met producties;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 05 april 2019 zijdens de Staat, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie d.d. 17 mei 2019 zijdens [verzoekster].

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 01 november 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is beleidsmedewerker (functiegroep 8, schaal 8A) in vaste dienst op de afdeling Voorlichting en Burgerparticipatie van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling.

2.2 De ongedateerde beschikking van de ministers van Regionale Ontwikkeling en van Buitenlandse Zaken, kenmerk [nummer 1], maakt melding van het besluit van voormelde ministers tot overplaatsing van [verzoekster] te rekenen van 15 juni 2014 van het in 2.1 genoemd ministerie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken (laatstgenoemd ministerie wordt hierna ook aangeduid als: het ministerie) met behoud van haar bezoldiging ad SRD 2.226,- per maand. Deze beschikking is slechts ondertekend door de minister van Regionale Ontwikkeling.

2.3 De minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) heeft bij schrijven d.d. 25 juli 2014, kenmerk [nummer 2], de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (hierna: de ambassade) meegedeeld dat [verzoekster] ingaande 21 juli 2014 is gedetacheerd naar de ambassade in de functie van tweede ambassade secretaris. Blijkens voormeld schrijven bedraagt het maandelijkse bruto valuta inkomen van [verzoekster] € 2.522,51.

2.4 De minister heeft bij schrijven d.d. 22 juli 2015, kenmerk [nummer 3] , [verzoekster] meegedeeld dat de leiding van het ministerie heeft besloten haar per 01 oktober 2015 te muteren naar het Hoofdkantoor in Paramaribo.

2.5 [verzoekster] heeft een schrijven d.d. 09 november 2015, [nummer 4], gericht aan de directeur van Buitenlandse Zaken (hierna: de directeur). Dit schrijven houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in:
[verzoekster] heeft zich conform de aan haar gegeven instructie op 01 oktober 2015 aangemeld op het hoofdkwartier van het ministerie te Paramaribo. Het is [verzoekster] echter niet duidelijk wat haar status is op het ministerie. Zij verlangt duidelijkheid omtrent de reden waarom zij niet optimaal ingezet kan worden op het ministerie en waarom zij niet wordt uitbetaald. Op instructie van mevrouw G. Relyvled, HRM adviseur op het kabinet van de minister, is [verzoekster] mondeling meegedeeld dat zij zich op 02 november 2015 moest aanmelden op het ministerie voor de aanvang van werkzaamheden op de afdeling Europa. [verzoekster] heeft zich van 03 november 2015 tot en met 06 november 2015 aangemeld op voormelde afdeling, maar is niet in de gelegenheid gesteld om de presentielijst te tekenen. Haar naam komt niet op de presentielijst voor en volgens mevrouw G. Relyveld mag [verzoekster] haar naam niet daaraan toevoegen.

2.6 De directeur heeft bij schrijven d.d. 10 december 2015, [nummer 5], het volgende aan de waarnemend directeur van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling bericht:
“Geachte mevrouw,

Hierbij deel ik u mede dat [verzoekster], die t.r.v. 15 juni 2014 ter beschikking is gesteld van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en tewerkgesteld was op de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, te rekenen van 01 oktober 2015 gemuteerd is naar het hoofdkantoor van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Paramaribo.
Betrokkene wordt terekenen [sic] van 01 oktober 2015 wederom ter beschikking gesteld van uw ministerie.”

2.7 [verzoekster] heeft een schrijven d.d. 06 januari 2016 gericht aan de minister. Dit schrijven bevat vrijwel dezelfde inhoud als de in 2.5 genoemde brief. [verzoekster] heeft voorts aangegeven sinds het einde van haar detachering in onzekerheid te verkeren ten aanzien van de formalisering van haar rechtspositie.

2.8 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 25 januari 2016 (kennelijk abusievelijk gedateerd 25 januari 2015), ref. no. [nummer 12], onder meer het volgende aan de minister bericht:
“Geachte Minister,

Namens mevrouw [verzoekster],. (…), hierna te noemen cliënte, wordt hierdoor gaarne uw aandacht en medewerking gevraagd voor het volgende.

Zoals cliënte mij mededeelde is zij bij beschikking inzake overplaatsing t.n.v. [verzoekster], [nummer 1], ingaande 15 juni 2014 overgeplaatst van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Per schrijven van de voormalige Minister van Buitenlandse Zaken, de heer W.G. Lackin, gedateerd 25 juli 2014 is mijn cliënte gedetacheerd naar de post Den Haag in de functie van 2e Secretaris, althans de waarneming daarvan, waar zij voor iets langer dan een jaar in die functie heeft gediend. Per schrijven van de Minister van Buitenlandse Zaken, W.G. Lackin d.d. 22 juli 2015 werd cliënte teruggeroepen naar het Hoofdkwartier te Paramaribo met de opdracht dat zij haar werkzaamheden aldaar per 1 oktober 2015 diende aan te vangen.

Cliënte heeft gevolg gegeven aan de opdracht en zich op voormelde datum aangemeld op het Ministerie om haar werkzaamheden op het Hoofdkwartier te hervatten.

Cliënte heeft op de Ambassade langer dan een jaar in de functie van 2e Secretaris gediend, echter heeft zij haar volledig valuta Salaris in overeenstemming met betreffende functie niet mogen ontvangen. Aangezien zij op de post Den Haag is aangesteld in de functie van 2e Secretaris en een lager salaris heeft ontvangen dan een 2e Secretaris ontvangt, heeft zij in die functie waargenomen en dient haar een waarnemingstoelage toegekend te worden.
Cliënte heeft over de periode voorafgaande aan haar detachering t.w. in de periode 1 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 evenmin salaris ontvangen. Ten slotte bent u als werkgever van mijn cliënte eveneens tekort geschoten door haar vanaf haar mutatie van de Ambassade Den Haag naar het Hoofdkantoor, in elk geval vanaf 1 oktober 2015 tot heden geen salaris uit te keren.

Cliënte heeft herhaalde malen verzocht om uitbetaling van haar salaris en om duidelijkheid omtrent haar rechtspositie, maar heeft tot heden daaromtrent geen antwoord van uw Ministerie gehad.

Middels dit schrijven wordt u verzocht kan het zijn, binnen een week na dagtekening van dit schrijven cliënte:
1. Haar rechtens toekomend salaris uit te betalen vanaf 1 oktober 2015 en daarmee door te gaan tot het einde van de rechtsbetrekking tussen uw Ministerie en cliënte;
2. Client haar salaris uit te keren over de periode 1 juli 2014 tot en met 20 juli 2014;
3. Cliënte het verschil in salaris uit te keren in valuta tussen haar salaris van 2e Ambassade Secretaris en het salaris dat zij op de Post Den Haag daadwerkelijk heeft ontvangen.
(…)”

2.9 Op het schrijven van [verzoekster] dan wel haar procesgemachtigde vermeld in 2.5, 2.7 en 2.8 is geen reactie van het ministerie gekomen.

2.10 De waarnemend directeur Algemeen Beheer en Consulaire Zaken van het ministerie heeft bij schrijven d.d. 30 november 2017, [nummer 7], onder meer het volgende aan de procesgemachtigde van de Staat bericht:

“Gechte Mr. Vos,

Naar aanleiding van het schrijven van de Directeur van Regionale Ontwikkeling de dato 21 november 2017 [nummer 8]  met betrekking tot het voorstel inzake case  [verzoekster], gedaan door het wnd. Hoofd Personeelszaken,[naam], deel ik u hierbij mede dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken het besluit heeft genomen over te gaan tot uitvoering van het voorstel t.w.:

  • t.r.v. 1 juli 2014 de overplaatsing van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
  • rechtspositie over de periode van detachering;
  • t.r.v. 1 september 2016 de overplaatsing van het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar het Ministerie van Regionale Ontwikkeling.

Genoemde aspecten zal [sic] in nauw overleg met het Ministerie van Regionale Ontwikkeling worden ingezet.”

2.11 [Verzoekster] heeft op 16 maart 2018 ontvangen de beschikking van de ministers van Regionale Ontwikkeling en van Buitenlandse Zaken d.d. 05 maart 2018, [nummer 7]. Deze beschikking luidt onder meer als volgt:
“(…)
OVERWEGENDE:

  • dat mw.. [verzoekster] vooruitlopend op de formalisatie van haar overplaatsing naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, haar werkzaamheden t.r.v. 15 juni 2014 heeft aangevangen op voornoemd Ministerie;
  • dat zijdens het Ministerie van Regionale Ontwikkeling respectievelijk d.d. 11 december 2014 [nummer 9] en d.d. 23 oktober 2015 [nummer 9], de conceptoverplaatsingsbeschikking is verzonden naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor afhandeling;
  • dat mw. [verzoekster] voornoemd, vanwege haar detachering naar de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, ingaande 1 juli 2014 afgevoerd is van de betaalsrol van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling, dit op uitdrukkelijk verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
  • dat mw. [verzoekster] meergenoemd, vanaf de periode 15 juni 2014 tot en met 31 augustus 2016 gediend heeft op het Ministerie van Buitenlandse Zaken;
  • dat de overplaatsing van mw. [verzoekster] meergenoemd, gedurende de periode 15 juni 2014 tot en met 31 augustus 2016 nimmer is geformaliseerd;
  • dat in het belang van de rechtspositie van mw. [verzoekster] meergenoemd, het nodig wordt geacht deze overplaatsing alsnog te doen formaliseren.

HEBBEN BESLOTEN:

I. Op grond van het vorenoverwogene alsnog de formalisatie van de overplaatsing van mw. . [verzoekster] (…),Beleidsmedewerker (functiegroep 8, schaal 8A) in vaste dienst op de afdeling Voorlichting van het Ministerie van Regionale Ontwikkeling gedurende de periode 15 juni 2014 tot en met 31 augustus 2016 na wederzijdse overleg te doen plaatsvinden.
(…)”

2.12 De raadsadviseur Personele Aangelegenheden heeft bij schrijven d.d. 25 mei 2018, [nummer 10], het volgende aan de minister bericht:

“Onder verwijzing naar uw voorstel d.d. 05 april 2018, [nummer 11] betreffende de benoeming van mw. [VERZOEKSTER], tot Tweede Ambassade Secretaris, deel ik u het volgende mede.

Voor de vervulling van de functie van Tweede Ambassade Secretaris is door het Centraal Staforgaan Formatiezaken en Efficiency vastgesteld dat de in deze functie te benoemen of aan te trekken functionaris naast een doctoraal of master opleiding, een diplomaten opleiding moet hebben afgerond en minimaal 2 (twee) jaar als Senior Desk Officer moet hebben gediend.

Nu is komen vast te staan dat [VERZOEKSTER] voornoemd niet voldoet aan bovengenoemde functievereisten, wordt dezerzijds geen toestemming verleend haar te benoemen in meergenoemde functie.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, naar het hof begrijpt, dat bij vonnis de Staat zal worden veroordeeld:
1. tot betaling aan haar van het achterstallige salaris ad SRD 14.845,- vanaf 01 oktober 2015 tot 01 maart 2016, tegen (lees kennelijk: vermeerderd met) de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf rechtsingang tot de algehele voldoening, alsmede de 50% boeterente (lees kennelijk: de wettelijke verhoging van 50%) wegens vertraging in de uitbetaling;
2. om daarmee voort te gaan tot het einde der rechtsbetrekking;
3. om aan haar uit te keren het salaris ad SRD 2.600,- over de periode 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014, tegen (lees kennelijk: vermeerderd met) de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf rechtsingang tot de algehele voldoening, alsmede de 50% boeterente (lees kennelijk: de wettelijke verhoging van 50%) wegens vertraging in de uitbetaling;
4. tot betaling aan haar van het verschil tussen het valutasalaris van de 2e ambassade secretaris op basis van de vigerende regels van Buitenlandse Zaken (lees kennelijk: het Ministerie van Buitenlandse Zaken) en het valutasalaris dat zij daadwerkelijk op de ambassade in Den Haag heeft ontvangen vanaf haar detachering, tegen (lees kennelijk: vermeerderd met) de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf rechtsingang tot de algehele voldoening.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoekster] heeft in hoofdzaak hetgeen is vermeld in het schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 25 januari 2016 (zie 2.8) aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekster] stelt voorts, kort gezegd, dat de Staat zich schuldig maakt aan wanprestatie door haar maandelijkse salaris vanaf 01 oktober 2015 niet aan haar te betalen. Het achterstallige brutosalaris over de periode 01 oktober 2015 tot 31 januari 2016 bedraagt SRD 11.876,-, aldus [verzoekster]. Zij stelt verder dat de Staat wanprestatie pleegt en ook onrechtmatig handelt door niet aan haar te betalen haar salaris ad SRD 2.612,67 over de periode 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014, alsmede het verschil in valutasalaris van de 2e Secretaris op basis van de vigerende ambtelijke regels en het salaris dat zij daadwerkelijk op de post Den Haag heeft ontvangen in de periode van haar detachering, te weten van 25 juli 2014 tot 01 oktober 2015.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 De Staat heeft, naar het hof begrijpt, als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het gevorderde. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat het gevorderde niet steunt op één van de drie limitatieve vorderingen waarover het hof ingevolge artikel 79 lid 1 Pw heeft te beslissen. [verzoekster] vordert betaling van loon en het gaat in haar visie aldus om nakoming van een betalingsverplichting, aldus de Staat. Volgens de Staat betreft het gevorderde dus niet de vergoeding van schade. De Staat heeft ter ondersteuning van zijn verweer verwezen naar het vonnis van het Hof van Justitie (HvJ) van 21 juni 1991, A-256, Velanti ca. de Staat Suriname, S.J. 1991, pag. 78 e.v.

4.1.2 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op haar van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.3 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
[verzoekster] vordert in 3.1 onder 1, 3 en 4, kort gezegd, achterstallig salaris. In haar stellingen ligt, naar het oordeel van hof, besloten dat de Staat door het achterstallige salaris niet aan haar te betalen, in strijd handelt met de Personeelswet.
Een vordering tot betaling van salaris is, gelijk de Staat heeft betoogd, niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het in 3.1 onder 1, 3 en 4 gevorderde aldus uit te leggen dat [verzoekster] geen betaling van het achterstallige salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van het (volledige) salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde.
Het hof beschouwt ook de mede gevorderde wettelijke rente als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw.
Hetzelfde geldt, naar het oordeel van het hof, niet voor de mede gevorderde wettelijke verhoging in de zin van artikel 1614q van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze wettelijke verhoging, die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, is immers niet bedoeld als een (gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (vgl. HR 05 januari 1979, NJ 1979, 207). Het hof is derhalve niet bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen.
Gelet op het voorgaande acht het hof zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw dan ook bevoegd om kennis te nemen van het in 3.1 onder 1, 3 en 4 gevorderde, met uitzondering van de mede gevorderde wettelijke verhoging van 50%.

4.1.4 Zoals onder 4.1.1 overwogen beroept de Staat zich op het vonnis van het hof van 21 juni 1991, A-256, inzake Velanti ca. de Staat Suriname, ter ondersteuning van zijn onbevoegdheidsverweer. Het hof heeft in het hiervoor vermelde vonnis verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot veroordeling van de Staat tot betaling van, kort gezegd, achterstallig salaris. Het hof heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Overwegende, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken (…) kan worden gevorderd limitatief is omschreven in artikel 79 der Personeelswet (vgl. Vs. H.v.J. d.d. 18 dec. ’70, S.J. 1970, No. 15);
Overwegende, dat het door verzoeker gevorderde niet kan worden toegewezen, omdat het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van meergenoemde wet slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, hebbende verzoeker geen zodanige besluit of dergelijke handeling gesteld en zijnde daarvan ook niet gebleken;
Overwegende, dat verzoeker mitsdien in zijn vordering niet kan worden ontvangen;”

Gelet op het in 4.1.3 overwogene staat voormeld vonnis niet in de weg aan de bevoegdheid van het hof om kennis te nemen van het in 3.1 onder 1, 3 en 4 gevorderde achterstallige salaris. Het hof verwijst hierbij tevens naar de heersende jurisprudentie van het hof in dit kader, waaronder HvJ 17 december 2010, A-690, Favery ca. de Staat Suriname en HvJ 03 juni 2011, A-684, Pinas ca. de Staat Suriname.

4.1.5 Het in 3.1 onder 2 gevorderde valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.1.6 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het onbevoegdheidsverweer van de Staat slechts doel treft ten aanzien van het in 3.1 onder 2 gevorderde en ten aanzien van de gevorderde wettelijke verhoging van 50%.

Vermeerdering van eis?
4.2 [Verzoekster] heeft bij conclusie tot uitlating productie d.d. 17 mei 2019 – zijnde het laatste processtuk – naar het hof begrijpt, gesteld dat de Staat, nu de vertraging in de uitbetaling van voren bedoeld verschil in valutasalaris aan hem te wijten is en hij op de koop toe zijn toezegging om haar rechtspositie over de periode van haar detachering in orde te maken, weigert na te komen, de wettelijke verhoging van 50% aan haar dient te betalen.
Geconstateerd wordt dat [verzoekster], gelet op het door haar gevorderde, aan deze stelling geen gevolgtrekking heeft verbonden. Het hof zal deze stelling derhalve beschouwen als een bloot te kennen geven en daaraan voorbijgaan.
Voor zover [verzoekster] met voormelde stelling een vermeerdering van eis beoogde, in die zin dat tevens wordt gevorderd veroordeling van de Staat tot betaling van de – in artikel 1614q BW bedoelde – wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging in de uitbetaling van het in 3.1 onder 4 gevorderde verschil in valutasalaris, zou dit gevorderde moeten worden afgewezen nu de Staat geen gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren.

Ontvankelijkheid
4.3.1 De Staat voert tevens een niet-ontvankelijkheidsverweer. De Staat heeft ten aanzien van de vorderingen vermeld in 3.1 onder 1 en 3, naar het hof begrijpt en kort gezegd, betoogd dat deze zijn ingesteld na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn van drie maanden, genoemd in artikel 80 lid 2 sub c Pw, en dat [verzoekster], derhalve daarmee tardief zijnde, daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.3.2 Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De administratie van de Staat kenmerkt zich door de doorgaans trage wijze waarop zij ten aanzien van de rechtspositie van landsdienaren, besluiten neemt en deze schriftelijk vastlegt – zelfs na daartoe strekkende verzoeken van de belanghebbenden, op welke verzoeken vaak niet wordt gereageerd – dan wel door de wet verplichte handelingen verricht, waaronder het (tijdig) betalen van salaris en waarnemingstoelagen.
In de onderhavige zaak verwijt [verzoekster] de Staat, kort gezegd, niet het (volledige) (valuta)salaris aan haar te hebben betaald, zijnde de betaling van het salaris een voor de Staat verplichte handeling.
[Verzoekster] heeft op haar beurt niet stilgezeten en heeft bij schrijven d.d. 09 november 2015 en d.d. 06 januari 2016, gericht aan respectievelijk de directeur en de minister (zie 2.5 en 2.7), zakelijk weergegeven, aandacht gevraagd voor haar rechtspositie. [verzoekster] heeft vervolgens bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 25 januari 2016 de minister, kort gezegd, verzocht om over te gaan tot betaling aan haar van het door haar gestelde achterstallige salaris (zie 2.8). Vaststaat dat op geen der voornoemde brieven van [verzoekster] een reactie van de Staat is gevolgd. Ten slotte heeft [verzoekster], wegens het uitblijven van de betaling, op 11 maart 2016 de onderhavige vordering bij het hof ingesteld.
Gelet op het voorgaande, met name het niet stilzitten van [verzoekster] als hierboven bedoeld en de korte termijn waarbinnen de onderhavige vordering is ingesteld na het in 2.8 vermeld schrijven van de procesgemachtigde van [verzoekster] aan de minister, acht het hof [verzoekster] ontvankelijk in haar vordering.
Hiermee wordt het door de Staat gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen.

4.4 De Staat heeft in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel gedaan aan [verzoekster], één en ander conform het schrijven van de waarnemend directeur Algemeen Beheer en Consulaire Zaken van het ministerie d.d. 30 november 2017 gericht aan de procesgemachtigde van de Staat (zie 2.10). Uit hetgeen de comparitiegevolmachtigde van de Staat, mevrouw A. Gajadhar, hoofd Personeelszaken van het ministerie, ter terechtzitting van 01 december 2017 heeft verklaard, alsmede uit de conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 16 november 2018 zijdens de Staat, begrijpt het hof dat het schikkingsvoorstel tevens inhoudt dat de Staat het achterstallige salaris van [verzoekster] over de perioden 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 en 01 oktober 2015 tot en met 31 augustus 2016 zal betalen.

4.5 [Verzoekster] heeft bij conclusie tot uitlating productie d.d. 04 januari 2019 erkend een bepaald bedrag van de Staat – naar het hof begrijpt in de maand november 2018 – ontvangen te hebben. Volgens [verzoekster] is het echter niet duidelijk op welke perioden dit bedrag betrekking heeft. [verzoekster] stelt voorts het salaris over de periode 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 niet in dit bedrag teruggevonden te hebben. Zij heeft de Staat daarom om een overzicht of toelichting ter zake van het ontvangen bedrag gevraagd.

4.6 De Staat heeft in reactie hierop bij zijn conclusie tot uitlating overgelegde producties d.d. 05 april 2019, onder overlegging van een uitdraai van de loonslip ten name van [verzoekster] over de maand november 2018, aangevoerd dat de in voormelde maand gedane betalingen aan [verzoekster] betreffen de perioden 01 juli 2014 tot en met 20 juli 2014 en 01 oktober 2015 tot en met 31 augustus 2016.

4.7 Blijkens voren bedoelde loonslip zijn in de maand november 2018 onder meer aan [verzoekster] betaald de volgende bedragen aan (achterstallige) bezoldiging: SRD 1.484,-, SRD 6.744,- en SRD 18.168,-. [verzoekster] heeft netto een bedrag groot SRD 19.347,66 aan salaris ontvangen.
[Verzoekster] heeft bij conclusie tot uitlating productie d.d. 17 mei 2019, naar het hof begrijpt, gesteld dat deze loonslip niet het volledige bedrag waarop zij aanspraak maakt, weergeeft, aangezien zij recht heeft op uitbetaling van salaris overeenkomstig haar functie van tweede ambassade secretaris (Fiso schaal 11A).
Het hof volgt [verzoekster] niet in deze stelling. [verzoekster] heeft, nog daargelaten de vraag of zij aanspraak maakt op betaling van salaris overeenkomstig de functie van tweede ambassade secretaris (Fiso schaal 11A), een dergelijke betaling niet in het onderhavige geding gevorderd. Zij heeft verder geen andere argumenten ter onderbouwing van haar stelling aangevoerd.
Het hof houdt het derhalve ervoor dat de Staat met voormelde, bij wege van schikking, in de maand november 2018 gedane betaling aan [verzoekster] heeft voldaan aan het gevorderde in 3.1 onder 1 en 3, zodat dit zal worden afgewezen.

Verschil in valutasalaris
4.8 Naar het hof begrijpt vordert [verzoekster] in 3.1 onder 4, mede gelet op haar stellingen, betaling van het verschil tussen het maandelijkse valutasalaris behorende bij de functie van tweede ambassade secretaris en het daadwerkelijk door haar genoten maandelijkse valutasalaris vanaf 25 juli 2014 tot 01 oktober 2015, zijnde de periode waarin zij was gedetacheerd naar de ambassade.
[verzoekster] heeft nagelaten voldoende feiten te stellen waaruit kan worden afgeleid hoeveel het door haar bedoelde verschil in (netto) valutasalaris maandelijks over voormelde periode bedraagt. Zij heeft derhalve niet voldaan aan haar stelplicht ter zake. Het gevorderde zal reeds hierom, ongeacht hetgeen [verzoekster] verder daaraan ten grondslag heeft gelegd, als onvoldoende feitelijk onderbouwd worden afgewezen.

4.9 De gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.10 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder 1 en 3 mede gevorderde wettelijke verhoging van 50%, alsmede van het in 3.1 onder 2 gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 17 juli 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein              w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2020-57

A-907
M.O

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [Plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 maart 2016;
  • het verweerschrift d.d. 18 juli 2016;
  • de beschikking van het hof van 06 december 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 03 februari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 05 mei 2017;
  • het proces-verbaal van het op 05 mei 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 19 mei 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 16 juni 2017.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker] en de Staat zijn een opleidingsovereenkomst, gedateerd 02 december 2013, aangegaan (hierna: de opleidingsovereenkomst), op grond waarvan [verzoeker] als politierekruut is toegelaten tot de basis politieopleiding. De opleidingsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“OPLEIDINGSOVEREENKOMST MET DE POLITIEREKRUUT

De Republiek Suriname, vertegenwoordigd door de Korpschef
van het Korps Politie Suriname, de hoofdcommissaris van politie, H.A. Tjin Liep Shie
en
[VERZOEKER], (…)

hierna te noemen, rekruut,

In aanmerking nemende:
– Artikel 25 van het Politie Handvest (G.B. 1971 NO 70), het nodig is een opleidingsovereenkomst aan te gaan met hen die, zonder tot het Korps Politie Suriname te behoren een politiële opleiding te doen genieten;
(…)
Komen het volgende overeen:
Artikel 1:
Het Korps Politie Suriname verbindt zich om de rekruut een politiële opleiding te doen genieten.

Artikel 2:
1. Deze overeenkomst wordt aangedaan [sic] voor de duur van 12 maanden, ingaande 2 december 2013
2. Gedurende de tijd van de opleiding ontvangt de rekruut een vergoeding van SRD 881,= naar ratio van schaal negen (9) van de Ambtenarenbezoldigingsreeks.

Artikel 3:
1. De rekruut verbindt zich om de opleiding te volgen en aan het daaraan verbonden examen deel te nemen.
(…)

Artikel 6:
1. De overeenkomst zal tussentijds worden ontbonden, indien:
(…)
c. De rekruut niet meer aan de voor indiensttreding bij het Korps gestelde eisen van geschiktheid voldoet.
(…)

Artikel 7:
1. De rekruut zal, na het met gunstig gevolg voltooien van de opleiding en bij gebleken geschiktheid, tot aspirant agent van politie worden benoemd.
(…)”

2.2 De leiding van de politieacademie deelde [verzoeker] op 19 januari 2015 mee dat hij zich op 20 januari 2015 diende aan te melden op de afdeling Interne Tuchtzaken van het Korps Politie Suriname (KPS). Op laatstgenoemde datum ontving [verzoeker] een schrijven van de korpschef van het KPS (hierna: de korpschef) d.d. 13 januari 2015, [nummer], met als onderwerp: ‘Beëindiging Opleidingsovereenkomst’, in welk schrijven is vervat het besluit van de korpschef tot ontbinding van de opleidingsovereenkomst en tot de verwijdering van [verzoeker] van de basis politieopleiding. Voormeld schrijven luidt als volgt:

“Hierbij wordt het volgende onder uw aandacht gebracht:

Het Korps Politie Suriname heeft in de maand december 2013 een opleidingsovereenkomst met u gesloten voor het genieten van een opleiding tot aspirant agent van politie (Basis Politie Opleiding).

Blijkens het rapport opgemaakt door de inspecteur van [sic] 3e klasse [naam 1] verbonden aan de Politieacademie blijkt het volgende:

U bent op dinsdag 30 december 2014 in het Academisch ziekenhuis opgenomen voor medische behandeling, als gevolg van een vermoedelijke gramoxone intoxicatie. Naar aanleiding hiervan heeft voornoemde inspecteur van politie u in voormeld ziekenhuis bezocht en u daarbij gevraagd wat er precies was gebeurd.

U vertelde hem hetzelfde verhaal dat uw vriendin, de buiten gewoon agent van politie [naam 2], reeds aan hem had verteld, namelijk:
Op maandag 29 december jongstleden had u samen met uw neef [naam 3] een perceel aan de [adres] in het [district] bespoten met het verdelgingsmiddel gramoxone. Bij die gelegenheid kwam op een gegeven ogenblik een hoeveelheid gramoxone op uw hand terecht, waarna u met die hand per abuis over uw mond had gewreven. In eerste instantie had u niets opgemerkt, maar naderhand voelde u een branderig gevoel aan uw lip en was deze tevens opgezwollen.

Voornoemde inspecteur van politie heeft een gesprek gevoerd met de internist Dr. Anijs, onder wiens behandeling u bent, om naar uw gezondheidstoestand te informeren. Hierbij maakte voornoemde internist kenbaar, dat de letsels aan de binnenzijde van uw mond een sterke indicatie geven dat u op de één of andere manier toch wel een redelijke hoeveelheid gramoxone in uw mond moet hebben gehad. Voorts dat u het hebt uitgespuugd, omdat er geen sprake is van verdere inwendige beschadiging.

Voornoemde internist maakte ook de opmerking dat het heel opvallend is, dat u geen letsel van welk aard dan ook heb opgelopen op uw hand, althans op de plek van uw hand waarop de gramoxone volgens uw zeggen was terechtgekomen.

Op grond van het onderhavige en mede gelet op de letsels die u hebt opgelopen aan uw lip en aan de binnenzijde van uw mond, wordt hetgeen u hebt aangegeven, als kennelijk leugenachtig aangemerkt.

Derhalve wordt met één aangrenzende mate van waarschijnlijkheid aangenomen, dat u getracht heeft gramoxone in te nemen, ten einde zelfmoord te plegen.

Dit gedrag van u betaamt een politierekruut niet en schaadt het imago van het Korps Politie Suriname. Hieruit volgt dat u niet meer aan de voor indiensttreding bij het Korps Politie Suriname gestelde eisen van geschiktheid voldoet.

Derhalve wordt u op grond van artikel 6 lid 1 sub c van de Opleidingsovereenkomst met de Politierekruut uw overeenkomst met het Korps Politie Suriname per heden ontbonden en u wordt van de Basis Politie Opleiding verwijderd.

Tegen deze beslissing bestaat binnen zeven dagen na ontvangst van uw ontbindingsbesluit de mogelijkheid tot beroep bij de Minister van Justitie en Politie.

U wordt aangemaand, bij de tenuitvoerlegging van dit besluit, de aan u van Staatswege verstrekte kleding, schoeisel, lesmateriaal en andere attributen onverwijld in te leveren bij het waarnemend hoofd Werving en Opleiding.”

2.3 Een schriftelijke verklaring van internist J.E. Anijs d.d. 23 januari 2015 luidt als volgt:

“L.S.

Beste advocaat Moerahoe

[verzoeker], geboren 01-02-1991 heeft tijdens een periode van psychotische ontregeling gramoxone op zijn lippen aangebracht. Er was wel geen sprake van inwendige afwijkingen.”

2.4 [Verzoeker] is bij schrijven d.d. 26 januari 2015 in beroep gegaan bij de minister van Justitie en Politie (hierna ook aangeduid als: de minister) tegen het in het schrijven van de korpschef d.d. 13 januari 2015 vervatte besluit tot ontbinding van de opleidingsovereenkomst en tot de verwijdering van [verzoeker] van de elementaire politieopleiding. [verzoeker] heeft daarbij de minister verzocht voren bedoeld besluit van de korpschef nietig te verklaren, zodat hij weer wordt toegelaten tot de basis politieopleiding.

2.5 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 29 mei 2015 wederom beroep aangetekend bij de minister tegen voren bedoeld besluit van de korpschef. [verzoeker] heeft de minister daarbij het verzoek gedaan om hem toe te laten tot het KPS.

2.6 Bij schrijven d.d. 07 september 2015 is [verzoeker] andermaal in beroep gegaan, thans bij de nieuw aangetreden minister van Justitie en Politie, tegen voren bedoeld besluit van de korpschef. [verzoeker] heeft daarbij weer het verzoek gedaan om toegelaten te worden tot het KPS.

2.7 [verzoeker] heeft bij schrijven, ook gedateerd 07 september 2015, de nieuw aangetreden minister verzocht zijn zaak nader te bekijken.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. het besluit van de korpschef, gedateerd 13 januari 2015, voorzien van het kenmerk [nummer] met als onderwerp “Beëindiging Opleidingsovereenkomst”, nietig zal worden verklaard, althans zal worden vernietigd;
b. de Staat zal worden gelast om binnen 1 (een) week na de uitspraak voormeld besluit van de korpschef ongedaan te maken;
c. de Staat zal worden gelast om binnen 1 (een) week na de uitspraak hem te rekenen van 20 januari 2015 te beëdigen tot buitengewoon agent van politie en hem als zodanig aan te stellen in de rang die hierbij van toepassing is;
d. de Staat zal worden gelast om hem vanwege de beëdiging tot buitengewoon agent van politie in aanmerking te doen komen voor het salaris en alle daarbij behorende emolumenten en hiermee voort te gaan;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot het voldoen van een dwangsom ad SRD 1.000,- voor elke dag of iedere keer dat de Staat in strijd met hetgeen onder de punten b en c is gevorderd, zal handelen;
f. de Staat zal worden veroordeeld in de betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten van vastrecht ad SRD 60,-, de deurwaarderskosten ad SRD 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD 4.500,-.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij tot voor kort landsdienaar was op grond van de opleidingsovereenkomst. Aangezien hij de basis politieopleiding met goed gevolg had afgerond, zou hij op 20 januari 2015 beëdigd worden tot buitengewoon agent van politie.
[verzoeker] stelt voorts dat in het schrijven van de korpschef d.d. 13 januari 2015 (zie 2.2.) als meest verstrekkende grondslag voor het beëindigen van de opleidingsovereenkomst is aangehaald dat de inspecteur van politie 3e klasse, [naam 1](hierna: [naam 1]), informatie van de internist drs. J.E. Anijs (hierna: Anijs) heeft bekomen, met name dat de letsels aan de binnenzijde van de mond van [verzoeker] de indicatie verstrekken dat laatstgenoemde op de één of andere manier toch wel een redelijke hoeveelheid gramoxone in zijn mond heeft gehad teneinde zelfmoord te plegen.
Hetgeen [naam 1]heeft verklaard is echter bezijden de waarheid, blijke zulks uit de verklaring van Anijs d.d. 23 januari 2015 (zie 2.3), aldus [verzoeker].
[verzoeker] kan zich niet verenigen met het in het schrijven van de korpschef d.d. 13 januari 2015 vervatte besluit tot ontbinding van de opleidingsovereenkomst en tot zijn verwijdering van de basis politieopleiding en wel op grond van het volgende. De korpschef is in dezen niet het bevoegde gezag en derhalve onbevoegd de opleidingsovereenkomst te ontbinden. Daarnaast is het zeer onmaatschappelijk en onfatsoenlijk dat de opleidingsovereenkomst kort voor afronding van de opleiding wordt onderbroken. Voorts heeft de korpschef [verzoeker] nooit in de gelegenheid gesteld om zich ten aanzien van de verklaringen van [naam 1]te verweren, alvorens [verzoeker] van de opleiding te verwijderen. Op grond hiervan is voormeld besluit van de korpschef, als zijnde in strijd met de Personeelswet, het Politiehandvest en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van hoor en wederhoor, vatbaar voor nietigverklaring.
Op de diverse aan de Staat gerichte brieven is geen reactie ontvangen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 De Staat voert als verweer aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in de onderhavige vordering. De Staat heeft daartoe aanvankelijk aangevoerd dat [verzoeker] de vordering bij het hof heeft ingesteld na het verstrijken van de daarvoor bepaalde wettelijke termijn.
Thans betoogt de Staat dat uit de – door hem in het geding gebrachte – opleidingsovereenkomst niet is gebleken dat de bepalingen van de Personeelswet of het Politiehandvest op [verzoeker] van toepassing zijn. In ieder geval behoort [verzoeker] niet tot het KPS, zodat hij geen ambtenaar is. Immers maakt de opleidingsovereenkomst volgens de Staat er gewag van dat, in aanmerking nemende artikel 25 van het Politiehandvest, het nodig is een opleidingsovereenkomst aan te gaan met hen, die zonder tot het KPS te behoren een politiële opleiding genieten, althans zo vat het hof dat op.
Naar het hof begrijpt, betoogt de Staat dat [verzoeker] niet bevoegd is om de onderhavige vordering bij het hof als gerecht in ambtenarenzaken in te stellen, nu de bepalingen van de Personeelswet of het Politiehandvest niet op hem van toepassing zijn.

4.2.1 Blijkens artikel 1 lid 1 Pw wordt onder ambtenaren verstaan: “personen die krachtens een aanstelling in bezoldigde dienst van het Land zijn”, onder arbeidscontractanten: “personen die krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van het Land zijn” en onder landsdienaren: “ambtenaren en arbeidscontractanten”.

4.2.2 Volgens artikel 1 van het Politiehandvest wordt onder ambtenaren van politie verstaan: “tot het korps behorende officieren, onderofficieren en manschappen”.

4.2.3 Artikel 25 lid 2 van voormeld handvest luidt als volgt: “Door de President worden modellen vastgesteld van de overeenkomsten, welke worden aangegaan met hen, die zonder tot het korps te behoren een politiële opleiding genieten.”

4.3 Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de Staat slaagt, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de onderhavige vordering. Het hof oordeelt daartoe als volgt.
[Verzoeker] heeft in reactie op het verweer van de Staat aangegeven dat hij nooit heeft gesteld dat hij ambtenaar is, maar juist uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij landsdienaar was op grond van de opleidingsovereenkomst. Volgens hem is de opleidingsovereenkomst gebaseerd op artikel 25 van het Politiehandvest en is voormeld handvest reeds op deze grond op hem van toepassing.
Overwogen wordt dat het Politiehandvest van toepassing is op ambtenaren van politie in de zin van artikel 1 van dit handvest. Nu vaststaat dat [verzoeker] niet behoort tot de ambtenaren van politie in voormelde zin, is het Politiehandvest reeds hierom niet op hem van toepassing. Het feit dat in de opleidingsovereenkomst gewag wordt gemaakt van artikel 25 van voormeld handvest, maakt dit niet anders. Integendeel is in de opleidingsovereenkomst opgenomen dat artikel 25 van het Politiehandvest in aanmerking nemende, het nodig is een opleidingsovereenkomst aan te gaan met hen – in casu [verzoeker] – die zonder tot het KPS te behoren een politiële opleiding genieten, zoals terecht door de Staat is aangevoerd. De stelling van [verzoeker] dat het Politiehandvest wel op hem van toepassing is, wordt dan ook verworpen.
Thans rest de vraag of de bepalingen van de Personeelswet op [verzoeker] van toepassing zijn. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. De Personeelswet is van toepassing op landsdienaren, zijnde ambtenaren en arbeidscontractanten. De stelling van [verzoeker] dat hij landsdienaar is (geweest) brengt met zich mee dat hij, nu hij geen ambtenaar is, arbeidscontractant moet zijn (geweest).
Voor zover [verzoeker] ervan uitgaat dat hij arbeidscontractant is (geweest), overweegt het hof als volgt. Blijkens de artikelen 1, 2 en 3 lid 1 van de opleidingsovereenkomst is er sprake van een leerovereenkomst, waarbij [verzoeker] zich als politierekruut heeft verbonden de basis politieopleiding te volgen en aan het daaraan verbonden examen deel te nemen tegen een maandelijkse vergoeding. De in artikel 2 lid 1 van de opleidingsovereenkomst genoemde periode van 12 maanden moet als opleidingsperiode worden aangemerkt. Van door [verzoeker] verrichte productieve arbeid was, naar het oordeel van het hof, geen sprake. Derhalve moet worden aangenomen dat tussen partijen naast een leerovereenkomst niet ook nog een arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw heeft bestaan. Al zou er sprake zijn van door [verzoeker] verrichte arbeid, dan zou deze naar de strekking van de opleidingsovereenkomst dienstbaar zijn aan de vorming en scholing van [verzoeker] en dus niet gericht zijn op profijt voor de Staat als werkgever. Nu de tussen partijen gesloten opleidingsovereenkomst uitsluitend een leerovereenkomst is en niet ook nog een arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw, is niet in rechte komen vast te staan dat [verzoeker] arbeidscontractant in de zin van artikel 1 lid 1 Pw is (geweest). Hieraan doet, anders dan [verzoeker] meent, niet af dat hij de opleidingsovereenkomst is aangegaan met de Staat en evenmin dat hij als politierekruut op grond van artikel 2 lid 2 van de opleidingsovereenkomst gedurende de tijd van de opleiding in aanmerking kwam voor een vergoeding van de Staat naar ratio van schaal 9 van de ambtenarenbezoldigingsreeks.
Uit het voorgaande volgt dat de Staat terecht heeft aangevoerd dat de bepalingen van de Personeelswet en het Politiehandvest niet op [verzoeker] van toepassing zijn. [verzoeker] is derhalve niet bevoegd om de onderhavige vordering bij het hof in te stellen.

5. De beslissing

Het hof:

Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in de onderhavige vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 07 augustus 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein    w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-56

A-908
M.O.

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de Minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 18 maart 2016;
  • de beschikking van het hof van 02 januari 2017 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 februari 2017, welk verhoor is verplaatst naar 21 juli 2017;
  • het proces-verbaal van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 19 januari 2018, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens de Staat d.d. 06 april 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 augustus 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker], ambtenaar in dienst van de Staat, is in 2003 bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 2e klasse.

2.2 In december 2014 zijn enkele penitentiaire ambtenaren van de lichting van [verzoeker] bevorderd tot de naast hogere rang. [verzoeker] bevond zich niet onder deze groep van bevorderde penitentiaire ambtenaren.

2.3 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 05 augustus 2015 van zijn procesgemachtigde, gericht aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister), kort gezegd, zich erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en de minister verzocht om hem binnen redelijke termijn te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014.

2.4 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 21 augustus 2015, gericht aan de directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan, bezwaar aangetekend tegen een door hem gekregen negatieve beoordeling over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. [Verzoeker] heeft bij deze gelegenheid zich voorts erover beklaagd dat hij niet in december 2014 is bevorderd tot de naast hogere rang en voormelde directeur verzocht het daarheen te leiden dat hij binnen een redelijke termijn wordt bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse met terugwerkende kracht vanaf december 2014.
Een kopie van dit schrijven is onder meer verzonden aan de (nieuw aangetreden) minister en de onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg.

2.5 Bij schrijven d.d. 11 februari 2016, [nummer 1],met als onderwerp ‘reactie bezwaarschrift’, is namens de waarnemend onderdirecteur van Justitie belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg het volgende aan [verzoeker] bericht:
“Penitentiaire ambtenaar [verzoeker],

Middels deze delen wij u mede dat bij de laatst gehouden bevorderingen in het jaar 2014 u vanwege uw groot aantal ziektedagen niet in aanmerking kwam voor bevorderingen in de naast hogere rang.

Wij doen er alles aan om u, zolang u aan de voorwaarden voldoet, bij de eerstvolgende bevorderingen te bevorderen in de naast hogere rang.”

2.6 De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016, [nummer 2], onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Geachte heer,

Naar aanleiding van uw schrijven van 21 augustus 2015, wordt u als volgt bericht.

Uit onderzoek is komen vast te staan dat u niet bent voorgedragen voor bevordering in de naast hogere rang vanwege het feit dat u vaker ziek meld [sic] waardoor de dienst niet op u kan rekenen. Als gevolg van uw presentiegedrag zijn er correctiegesprekken met u gevoerd die helaas geen soelaas hebben geboden.
U bent niet alleen beoordeeld aan de hand van uw presentiegedrag maar ook aan de hand van alle gedragingen en handelingen binnen de dienst.

Penitentiaire ambtenaren die het niet nauw nemen met de dienst kunnen nimmer conform enkele bevorderingseisen worden benoemd.”

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. het genomen besluit van de Staat tot het verlies van aanspraak op bevordering van [verzoeker] zal worden vernietigd;
b. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007 en met behoud van anciënniteit;
c. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2014, indien het hof niet meegaat met de ingangsdatum onder sustenu b, en met behoud van anciënniteit;
d. een dwangsom zal worden verbeurd van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft om uitvoering te geven aan het sub b of sub c gevorderde;
e. de Staat zal worden gelast aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Volgens het bevorderingsbeleid had [verzoeker] in 2007 moeten worden bevorderd tot de naast hogere rang en wel die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. [verzoeker] heeft het als willekeur ervaren dat hij zonder deugdelijke motivering buiten de groep van in december 2014 bevorderde ambtenaren is gelaten. Hij ervaart het als een enorme domper dat hij, na 13 jaren in de rang van penitentiaire ambtenaar 2e klasse te hebben gediend, nog steeds niet is bevorderd tot een naast hogere rang.
[verzoeker] heeft zich nimmer schuldig gemaakt aan enige laakbare handeling of gedraging. Hij heeft zich altijd opgesteld als een voorbeeldige leidinggevende en is nimmer in gebreke gesteld om zich te verweren voor enig plichtsverzuim. Kortom, hij heeft een goede staat van dienst als penitentiaire ambtenaar 2e klasse.
[verzoeker] is op 18 augustus 2015 bekend geworden met een beoordelingsstaat, waarin is aangegeven dat hij negatief is beoordeeld over de periode van januari 2015 tot en met juni 2015. Hij heeft op 21 augustus 2015 bezwaar aangetekend tegen deze negatieve beoordeling (zie 2.4). De reden tot de negatieve beoordeling betreft de meerdere door [verzoeker] opgenomen ziekteverlofdagen. Dit kan echter nimmer leiden tot een negatieve beoordeling. [verzoeker] prestaties op de werkvloer dienen te worden meegenomen bij de beoordeling.
[Verzoeker] heeft op 16 februari 2016 het in 2.6 genoemd schrijven ontvangen, in welk schrijven is aangegeven dat hij niet zal worden bevorderd tot een naast hogere rang. In dit schrijven is tevens aangegeven dat hij door ziekte minder inzetbaar is voor de dienst. [Verzoeker] kan zich niet hiermee verenigen. Hij is hernia patiënt en onder behandeling van de specialist drs. R.M. Tjong Tjing Joe (het hof begrijpt: drs. R.N. Tjong Tjin Joe). Laatstgenoemde heeft grondige onderzoeken gedaan en rust van belang gesteld.
Volgens artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit moet vorenbedoeld verlies van aanspraak op bevordering gezien worden als een door de Staat opgelegde tuchtstraf. [verzoeker] zal op grond van artikel 79 lid 2 sub d Pw nietigverklaring vorderen van het besluit vervat in het schrijven d.d. 16 februari 2016.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Hetgeen van het hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden, is limitatief omschreven in artikel 79 Pw.
Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.
Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

4.1.2 Naar het hof begrijpt, gaat [verzoeker] ervan uit dat in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) is vervat het besluit tot oplegging aan hem van de in artikel 32 lid 1 sub f van het Penitentiair Besluit genoemde tuchtstraf, te weten: stilstand van bezoldiging, bestaande uit verlies van de aanspraak op bevordering en van die op periodieke verhogingen, voor een tijdvak van ten hoogste drie jaar.
Het in 3.1 onder a gevorderde strekt dan ook tot de nietigverklaring van dit door [verzoeker] gestelde besluit. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw dan ook bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het hof vat het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde op als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van de Staat om [verzoeker] te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel met terugwerkende kracht vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en met behoud van anciënniteit. Het hof acht zich derhalve op grond van voormelde bepaling bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.

4.1.4 Het hof beschouwt het in 3.1 onder e gevorderde als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, in casu het nalaten van de Staat om aan [verzoeker] toe te kennen de bij de rang van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse behorende bezoldiging en emolumenten vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 Ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een (penitentiaire) ambtenaar een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat hij het in 2.6 genoemd schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016, waarin zou zijn vervat het besluit tot oplegging aan hem van de door hem gestelde tuchtstraf (zie 4.1.2), op dezelfde datum heeft ontvangen. Nu [verzoeker] het verzoekschrift op 18 maart 2016 heeft ingediend, derhalve meer dan een maand na 16 februari 2016 – de maand februari 2016 telt immers 29 dagen –, is hij tardief met het in 3.1 onder a gevorderde en dient hij daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2.2 Het hof overweegt ten overvloede dat ook in geval [verzoeker] wel ontvankelijk zou zijn in het in 3.1 onder a gevorderde, dit gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof kan immers het door [verzoeker] gehuldigde uitgangspunt, zoals weergegeven in 4.1.2, niet als juist worden aanvaard. De in het schrijven van de minister d.d. 16 februari 2016 gedane mededeling omtrent het uitblijven van de bevordering van [verzoeker] in 2014 is, anders dan [verzoeker] meent, geen besluit (in de zin van de Personeelswet) en allerminst een besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de door hem gestelde tuchtstraf, hoe zeer hij het ook als zodanig ervaart. In voormeld schrijven, niet zijnde een ministeriële beschikking, wordt [verzoeker] bovendien niet verweten zich aan enig plichtsverzuim schuldig te hebben gemaakt.

4.2.3 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] het in 3.1 onder b tot en met e gevorderde te laat heeft ingesteld bij het hof, zodat hij daarin ontvankelijk is.

4.3 De comparitiegevolmachtigde van de Staat, A. Ramadhin (hierna: Ramadhin), directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan, heeft ter gelegenheid van het op 21 juli 2017 gehouden verhoor van partijen verklaard dat [verzoeker] op 28 december 2016 is bevorderd tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse en wel te rekenen van 01 januari 2016. [verzoeker] heeft zulks bevestigd, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan.
Het hof acht daarom termen aanwezig het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde thans te lezen als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten door de Staat om [verzoeker]s bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014 en wel met behoud van anciënniteit, zulks in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde.
Het voorgaande is niet van invloed op de bevoegdheid van het hof om van dit gevorderde kennis te nemen.

4.4.1 Thans dient beantwoord te worden de vraag of de Staat in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse in te laten gaan vanaf december 2007, althans vanaf december 2014. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.4.2 Vooropgesteld wordt dat er een regeling met betrekking tot de bevordering van penitentiaire ambtenaren bestaat, welke regeling is opgenomen in de artikelen 42 en 43 van het op [verzoeker] van toepassing zijnde Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren (G.B. 1973 no. 61, gelijk dit luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1983, no. 102). Artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van voormeld reglement luidt als volgt:
“In aanmerking voor benoeming in de rang van penitentiaire ambtenaar der eerste klasse komt de penitentiaire ambtenaar der tweede klasse, die – onverminderd de eisen van geschiktheid voor de nieuwe rang en rekening houdende met de formatie een – diensttijd van tenminste vier jaren in die klasse heeft vervuld en in het bezit is van het Diploma-B penitentiaire ambtenaar.”

4.4.3 Ramadhin heeft ter zitting onweersproken dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaard, dat de formatie het pas in 2014 toeliet dat de lichting van [verzoeker] in aanmerking kwam voor bevordering tot de naast hogere rang, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. [verzoeker] heeft immers niet beweerd dat lichtingsgenoten van hem in 2007, althans vóór 2014 zijn bevorderd tot de naast hogere rang – zijnde die van penitentiaire ambtenaar 1ste klasse – en zulks is ook niet gebleken.

4.4.4 Blijkens artikel 2 lid 3 van het Penitentiair Besluit geschiedt de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag van de penitentiaire ambtenaren door de minister, voor zover deze bevoegdheid niet aan een andere autoriteit is toegekend.
De minister heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016 (zie 2.6) onder meer aan [verzoeker] bericht dat uit onderzoek is komen vast te staan dat hij (in 2014) niet is voorgedragen voor bevordering tot de naast hogere rang vanwege zijn vele ziektedagen, waardoor de dienst niet op hem kon rekenen. Dit vindt ondersteuning in hetgeen Ramadhin ter zitting heeft verklaard.
Blijkens het door de Staat overgelegde overzicht van het presentiegedrag van [verzoeker] (productie no. 2 bij de conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 17 november 2017) had [verzoeker] in de periode 2007 tot en met 2014 in totaal 573 ziektedagen. [verzoeker] heeft voormeld overzicht niet betwist, zodat het hof van de juistheid van het aantal van 573 ziektedagen uitgaat.
In de visie van het hof kon de Staat in alle redelijkheid reeds op grond van dit grote aantal ziektedagen, waardoor [verzoeker] in sterk vermindere mate inzetbaar was voor de dienst, tot het oordeel zijn gekomen dat [verzoeker] in december 2014 niet in aanmerking kwam voor bevordering tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse. Zulks ongeacht of al dan niet aan het bepaalde in artikel 42 lid 1 aanhef en onder d van het Reglement voor het Korps Penitentiaire Ambtenaren was voldaan. Dat [verzoeker] niets aan zijn ziekte kan doen, doet daar evenmin aan af.
Gelet op het voorgaande is, ongeacht hetgeen [verzoeker] voorts heeft gesteld, niet komen vast te staan dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het beginsel van verbod van willekeur door [verzoeker] in december 2014 niet te bevorderen tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse .

4.5 Uit hetgeen hierboven in 4.4.3 en 4.4.4 is overwogen, volgt dat de Staat niet in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, achterwege heeft gelaten om de bevordering van [verzoeker] tot penitentiaire ambtenaar 1ste klasse te laten ingaan vanaf december 2007, althans december 2014.
Het in 3.1 onder b tot en met d gevorderde zal dan ook worden afgewezen. Het in 3.1 onder e gevorderde, dat als een sequeel daarvan heeft te gelden, ondergaat hetzelfde lot.

4.6 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het in 3.1 onder a gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein       w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Koendan, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-55

A-909
M.O.

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende in het [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de minister van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Rathipal, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 22 maart 2016;
  • de beschikking van het hof van 03 oktober 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 21 oktober 2016;
  • de processen-verbaal van het op 21 oktober 2016 gehouden verhoor van partijen en de op 17 februari 2017 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op eerstgenoemde datum door de Staat overgelegde bescheiden;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 21 juli 2017, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 03 november 2017 (kennelijk abusievelijk gedateerd: 03 november 217). 

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 april 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 De secretaris van de President van de Republiek Suriname (hierna: de President), [naam 1], heeft een lijst met meer dan tweehonderd namen van personen doen toekomen aan de minister van Justitie en Politie (hierna: de minister). Deze lijst is voorzien van het stempel van het kabinet van de President. Het was de bedoeling dat vorenbedoelde personen op voormeld ministerie geaccommodeerd zouden worden. [verzoekster] komt op deze lijst voor, (kennelijk) onder [nummer 1].
Voormelde lijst ging vergezeld van een door [naam 1] voornoemd ondertekend begeleidend schrijven d.d. 13 februari (het jaartal is niet leesbaar), luidende onder meer als volgt:

“Heer minister,

Aub, de juiste lijst. Gaarne de overige lijsten te vernietigen. Van deze lijst is een exemplaar aangeboden aan de minister van Binnenlandse Zaken.”

2.2 [Verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 04 januari 2015, gericht aan de human resource manager van het Korps Politie Suriname (KPS), gesolliciteerd naar een betrekking bij het KPS en wel als interieurverzorgster.

2.3 Het waarnemend hoofd Personele Zaken van het Ministerie van Justitie en Politie, [naam 2] (hierna: [naam 2]), heeft bij schrijven d.d. 05 maart 2015, met als onderwerp ‘werkgeversverklaring’, het volgende aan de directeur van Justitie en Politie (hierna: de directeur) bericht:

“Geachte directeur,

Naar aanleiding van de kanttekening gemaakt op het sollicitatie schrijven van [naam 3] d.d. 2 januari 2015 wordt, conform de instructie, u 43-tal werkgeversverklaringen aangeboden.

Hopende u van dienst te zijn geweest.”

2.4 Als bijlage bij het hierboven in 2.3 genoemd schrijven d.d. 05 maart 2015 is gevoegd een uitgeprinte lijst, getiteld ‘Overzicht werkgeversverklaring’, met daarop 43 namen van personen, genummerd 1 tot en met 43, onder vermelding van de functie, schaal en datum van indiensttreding (een 44ste naam is met de hand aan deze lijst toegevoegd).
[verzoekster] komt onder nummer 19 op deze lijst voor, onder vermelding van de functie ‘schoonmaakster’, schaal ‘3B’ en datum van indiensttreding ‘02 maart 2015’.

2.5 Een door [naam 2] ondertekende werkgeversverklaring ten name van [verzoekster]d.d. 05 maart 2015 (hierna: de werkgeversverklaring), luidt als volgt:

“L.S.
(…)
V E R K L A R I N G

Ondergetekende verklaart hierdoor, dat [VERZOEKSTER], geboren in het [district] op 27 mei 1975, te rekenen van 02 maart 2015 op arbeidsovereenkomst in overheidsdienst is getreden op het Ministerie van Justitie en Politie, in de functie van Schoonmaakster, onder het genot van een bruto-salaris conform functiegroep 3 (schaal 03B) van SRD 1.014,= (EENDUIZEND EN VEERTIEN SURINAAMSE DOLLAR) per maand.

Wordende deze verklaring, onder voorbehoud van herziening bij onjuiste vaststelling van het bruto-salaris, op haar verzoek afgegeven, om te dienen waar zulks nodig mocht blijken.
(…)”

De werkgeversverklaring is verzonden naar de woning van [verzoekster]in het district Marowijne.

2.6 De waarnemend korpschef van het KPS heeft bij schrijven d.d. 03 februari 2016, [nummer 3], het volgende aan de minister meegedeeld:

“Excellentie,

Naar aanleiding van het verzoek van agent van politie 1e klasse [NAAM 4] inzake onzekerheid indiensttreding van zijn wederhelft, bericht ik u het volgende.

In de periode van maart 2015 tot juni 2015 werd door het ministerie van justitie en politie aan het Korps Politie Suriname het verzoek gedaan 20 interieurverzorgsters waaronder Mw. [verzoekster], de levenspartner van agent [naam 4], in dienst te nemen.
Het KPS heeft hieraan niet meegewerkt omdat er enige onduidelijkheid was omtrent hun ontheffing, te werkstelling en uitbetaling. Achteraf bleek dat deze groep geen arbeidsstatus heeft binnen de Overheid. Op grond hiervan kan er geen goedkeuring worden gegeven aan geen van deze verzoekschriften.”

2.7 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 16 februari 2016 een beroep gedaan op de minister om [verzoekster]op te roepen voor het verrichten van arbeid en haar conform de arbeidsovereenkomst uit te betalen.

2.8 Bij schrijven d.d. 17 februari 2016, [nummer 4], heeft de minister het volgende aan de agent van politie 1e klasse [naam 4], zijnde de levenspartner van [verzoekster], meegedeeld:

“Geachte heer,

Naar aanleiding van uw audïentieaanvraag van 28 oktober 2015 waarbij u uw ontevredenheid uit over de sollicitatie van [verzoekster], wordt u als volgt bericht.

Uit informatie van het Korps Politie Suriname is gebleken dat mevrouw [verzoekster] behoort tot een groep personen die waren voorgedragen voor indiensttreding.
Vanwege onduidelijkheid inzake hun ontheffing, te werkstelling en betaling is aan de indiensttreding niet meegewerkt.

Hopende u voldoende te hebben geïnformeerd.”

[verzoekster] heeft dit schrijven op 23 februari 2016 ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. het door de Staat genomen besluit tot non-activiteit zal worden vernietigd;
b. voor zover een besluit is genomen tot ontheffing van [verzoekster], dit besluit zal worden vernietigd;
c. het besluit tot niet-uitbetaling van het salaris van [verzoekster] zal worden vernietigd;
d. de Staat zal worden gelast om [verzoekster]werkzaamheden te doen verrichten, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat weigerachtig blijft om [verzoekster]werkzaamheden te laten verrichten;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van het salaris van [verzoekster]en wel vanaf maart 2015, zijnde het maandelijkse brutosalaris van SRD 1.104,- met de daarbij behorende emolumenten en tussentijdse verhogingen.
[verzoekster] bevordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoekster] heeft, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Zij is op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van de Staat. Zij heeft na de mededeling van indiensttreding d.d. 24 augustus 2015 een leveringsbon ontvangen voor het afhalen van haar uniformen, zijnde twee rokken en twee blouses.
[verzoekster]heeft meerdere malen verzocht om opgeroepen te worden voor het verrichten van werkzaamheden als interieurverzorgster en om betaling van haar salaris conform de arbeidsovereenkomst, zulks laatstelijk nog bij schrijven d.d. 16 februari 2016 (zie 2.7)
In het schrijven van de minister d.d. 17 februari 2016 (zie 2.8) is aangegeven dat er niet is meegewerkt aan de tewerkstelling en de betaling vanwege onduidelijkheid inzake haar ontheffing. [verzoekster] komt bij het hof in beroep tegen het besluit tot haar ontheffing, tot non-activiteit en tot het niet betalen van haar salaris, omdat zij nimmer hiervan in kennis is gesteld door de Staat. Zij is nimmer gehoord ter zake van het genomen besluit van non-activiteit en het uitblijven van betaling van haar salaris.
[verzoekster] mag gerechtvaardigd erop vertrouwen dat zij middels een arbeidsovereenkomst in dienst is getreden van de Staat en dat zij recht heeft op een maandelijks brutosalaris van SRD 1.104,-. Wat haar vertrouwen nog meer rechtvaardigt is het feit dat zij eerdergenoemde leveringsbon van de Staat heeft ontvangen. Zulks mag derhalve gezien worden als een flagrante schending van het vertrouwensbeginsel.
[verzoekster] heeft tevens moeten ervaren dat anderen die rond dezelfde periode een soortgelijke verklaring van indiensttreding in ontvangst hebben genomen, wel reeds zijn opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden en salaris ontvangen. De Staat handelt hiermee naar willekeur en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
[verzoekster] wenst graag werkzaamheden te verrichten. De non-activiteit is niet aan haar te wijten. Zij heeft ingaande maart 2015 recht op salaris.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 De vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt, is of tussen hen een arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw zoals bedoeld in de werkgeversverklaring tot stand is gekomen. Het antwoord op deze vraag is reeds van belang voor de ontvankelijkheid van [verzoekster]in haar vordering. Immers, in geval tussen partijen geen arbeidsovereenkomst krachtens artikel 15 Pw tot stand is gekomen, is de Personeelswet niet van toepassing op [verzoekster]en kan zij dientengevolge niet door het hof als gerecht in ambtenarenzaken in haar vordering worden ontvangen. Ten aanzien hiervan overweegt het hof als volgt.

4.2 [Verzoekster] beroept zich onder verwijzing naar de werkgeversverklaring op een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, althans op het gerechtvaardigd vertrouwen dat deze arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [Verzoekster] heeft op de zitting van 21 oktober 2016 ter aanvulling van haar stellingen, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard. Zij heeft in januari 2015 een sollicitatiebrief gestuurd naar het Ministerie van Justitie en Politie en naar het KPS. Zij is op 02 maart 2015 voor een sollicitatiegesprek uitgenodigd door voormeld ministerie, waarbij haar is gezegd om op een oproeping te wachten. Het sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden op voormeld ministerie. De mevrouw met wie zij het sollicitatiegesprek heeft gevoerd, wier naam haar onbekend is, heeft haar voorgehouden dat zij in dienst zou worden genomen. Eerdergenoemd ministerie heeft na 02 maart 2015 echter niets meer van zich laten horen. Zij krijgt geen salaris uitbetaald. In afwachting van haar indiensttreding had zij ontslag genomen bij haar vorige werkgever.
De Staat heeft het voorgaande niet weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Naar het hof begrijpt heeft [naam 2] het hierboven bedoelde sollicitatiegesprek met [verzoekster]gevoerd.

4.3 De comparitiegevolmachtigden van de Staat, te weten: mevrouw Dohjera M. Hildenberg (hierna: Hildenberg), waarnemend human resource manager bij het KPS, en [naam 2], inmiddels hoofd Personele Zaken van het Ministerie van Justitie en Politie, hebben respectievelijk ter zitting van 21 oktober 2016 en 17 februari 2017 het één en ander verklaard omtrent de omstandigheden waaronder de werkgeversverklaring aan [verzoekster] is verstrekt. Uit hetgeen zij onweersproken hebben verklaard en uit de interne stukken die door de Staat zijn overgelegd bij conclusie tot overlegging van relevante stukken d.d. 21 juli 2017 is, zakelijk weergegeven, het volgende gebleken. [verzoekster] behoort tot een groep van meer dan tweehonderd personen die op het Ministerie van Justitie en Politie geaccommodeerd diende te worden (zie 2.1). Een aantal van hen is bij diverse afdelingen van het dienstonderdeel Justitie en bij het Korps Brandweer Suriname van voormeld ministerie geplaatst geworden, voor zover er daar vacatures waren en betrokkenen aan de desbetreffende functievereisten voldeden. [Verzoekster] kon reeds vanwege het feit dat zij woonachtig is te Moengo in het [district] niet geplaatst worden bij het dienstonderdeel Justitie, nu dit dienstonderdeel daar geen afdeling heeft. Vervolgens is [verzoekster]geplaatst op een door de afdeling Personele Zaken van voormeld ministerie opgemaakte lijst met namen van personen, die door het KPS moesten worden geaccommodeerd. Deze lijst is samen met de desbetreffende sollicitatiebrieven, gestuurd naar het KPS. Het ministerie heeft daarbij het KPS, dat over een eigen budget beschikt en een eigen afdeling Personeelszaken en salarisadministratie heeft, voorgehouden dat het KPS zelf diende zorg te dragen voor de betaling van de salarissen van de op voormelde lijst voorkomende personen. Voormeld ministerie heeft het KPS echter niet voorzien van de stukken, benodigd voor het in dienst kunnen nemen van vorenbedoelde personen. Vanwege de personeelsstop is een ontheffing van de Raad van Ministers vereist voor het aantrekken van nieuw personeel. Niet is gebleken dat zo een ontheffing is verleend. De procedure voor het in dienst nemen van vorenbedoelde personen, waaronder [verzoekster], is derhalve niet gevolgd. Het KPS heeft de minister bij het in 2.6 vermeld schrijven d.d. 03 februari 2016 te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan het in dienst nemen van deze personen. [naam 2] heeft op instructie van de minister werkgeversverklaringen opgemaakt ten name van de personen voorkomende op in de 2.4 genoemde lijst, waaronder [verzoekster], zonder dat sprake is van een met hen gesloten arbeidsovereenkomst. De werkgeversverklaringen waren bedoeld om betrokkenen, die woonachtig zijn in de districten, in staat te stellen (alvast) een bankrekening te kunnen openen. [naam 2] heeft de werkgeversverklaringen doen toekomen aan de directeur, die ze vervolgens heeft afgegeven aan de minister. De parlementariër Bonjasky heeft de werkgeversverklaringen aan betrokkenen verstrekt.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat partijen op 02 maart 2015 een arbeidsovereenkomst hebben gesloten, zodat de aan [verzoekster] verstrekte werkgevers-verklaring in strijd is met de werkelijkheid. Het hof merkt in dit kader op dat [verzoekster] ter zitting zelf heeft verklaard dat: 1. haar tijdens het sollicitatiegesprek is voorgehouden dat zij in dienst zou worden genomen – en niet dat zij in dienst is genomen – en 2. zij in afwachting van de indiensttreding ontslag had genomen bij haar vorige werkgever. [verzoekster] ging derhalve kennelijk zelf ervan uit dat partijen op 02 maart 2015 geen arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Zelfs in geval ervan moet worden uitgegaan dat de door [verzoekster] ter zitting gebezigde bewoordingen ongelukkig zijn gekozen, doet zulks niet af aan hetgeen is verwoord in de eerste volzin van deze rechtsoverweging.

4.5 Het beroep van [verzoekster] op het gerechtvaardigd vertrouwen dat een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, faalt. Daartoe wordt als volgt overwogen. Vast is komen te staan dat de werkgeversverklaring in strijd is met de werkelijkheid, zodat [verzoekster] daaraan geen vertrouwen kan ontlenen. De omstandigheid dat het geheel buiten de invloedssfeer van [verzoekster] lag dat de Staat het één en ander administratief niet correct heeft aangepakt, maakt dit niet anders. [verzoekster] kan voorts geen vertrouwen ontlenen aan de eerder door haar gestelde omstandigheid dat zij een leveringsbon voor het afhalen van uniformen van de Staat heeft ontvangen, nu zij ter zitting van 17 februari 2017 zelf heeft verklaard dat zij op eigen initiatief en op eigen kosten de uniformen heeft laten maken. [verzoekster] kan evenmin vertrouwen ontlenen aan het feit dat haar naam voorkomt op de in de conclusie tot uitlating producties d.d. 03 november 2017 genoemde lijsten, nu hieruit niet volgt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [verzoekster] heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit kan worden geconcludeerd dat zij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat partijen op enig moment na 02 maart 2015 wilsovereenstemming hebben bereikt over de in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek genoemde essentiële onderdelen van de door haar gestelde arbeidsovereenkomst. Het hof acht in dit kader tevens van belang de omstandigheid dat [verzoekster] nimmer is opgeroepen om werkzaamheden als schoonmaakster voor de Staat te verrichten.

4.6 Het verdient overigens opmerking dat de handelwijze van de Staat, met name het verstrekken van werkgeversverklaringen zonder dat sprake is van een dienstverband, op zijn zachts uitgedrukt geen schoonheidsprijs verdient. Deze handelwijze is de directe aanleiding geweest voor het onderhavige geding.

4.7 Uit hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat niet is komen vast te staan dat op 02 maart 2015 of op enig ander moment een arbeidsovereenkomst conform artikel 15 Pw tussen partijen tot stand is gekomen. [Verzoekster] is derhalve geen arbeidscontractant in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. De Personeelswet is daarom niet op haar van toepassing, zodat het hof als gerecht in ambtenarenzaken haar niet kan ontvangen in haar vordering.

4.8 Het hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5. De beslissing

Het hof:

Verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in de onderhavige vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 oktober 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein        w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.M. Redjopawiro namens advocaat mr. R.R. Lobo, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door Major Pengel namens mr. R. Rathipal, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-54

A-910
M.O.

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde(n): voorheen mr. S. Marica en mr. V.V.C. Piqué, advocaten, thans mr. V.V.C. Piqué, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 01 april 2016;
  • de beschikking van het hof van 18 oktober 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 november 2016, welk verhoor is verplaatst naar 06 januari 2017;
  • het proces-verbaal van het op 06 januari 2017 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en overlegging van stukken, met producties, zijdens de Staat bij de griffier ingediend op 05 februari 2017;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van partijen en uitlating producties, met een productie, zijdens [verzoekster] bij de griffier ingediend op 14 maart 2017;
  • het proces-verbaal van de op 19 mei 2017 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van stukken na voortzetting verhoor van partijen, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 07 juli 2017;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 01 december 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 04 mei 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is in vaste dienst op de afdeling Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie in de functie van hoofdbeleidsmedewerkster 1e klasse.

2.2 De directeur van Justitie en Politie (hierna: de directeur) heeft bij brief d.d. 28 juli 2015, [nummer 1], [verzoekster] in de gelegenheid gesteld zich te verweren ter zake van de aan haar verweten gedraging, zoals tot uitdrukking gebracht in de eerste overweging van de hieronder in 2.7 genoemde beschikking.
[verzoekster] heeft bij brief d.d. 30 juli 2015, gericht aan de directeur, verweer gevoerd.

2.3 De directeur heeft bij brief d.d. 02 september 2015, [nummer 2], betreffende “buitenfunctiestelling”, het volgende aan [verzoekster] bericht:

“Geachte mevrouw,

Middels deze vraag ik uw aandacht voor het volgende.

Op 1 september 2015 heeft u [sic] zich in de werkruimte van de wnd. Onderdirecteur Algemeen Beheer een voorval voorgedaan, waarbij u documenten de dienst rakende uit de desbetreffende ruimte probeerde te verwijderen.

Hierbij moge vermeld worden dat het verwijderden van voormelde documenten slechts met toestemming van de Departementsleiding is toegestaan.
Naar aanleiding van dit voorval is er een onderzoek ingesteld naar de door u verrichtte handelingen door de afdeling fraude van het Korps Politie Suriname.

Aangezien deze handelingen niet binnen de dienst kunnen worden getolereerd en deze gedragingen plichtsverzuim voor u kunnen opleveren, wordt u bij deze in de gelegenheid gesteld zich binnen 2 (twee) dagen na dagtekening dezes, schriftelijk te verweren.

Gelet op de ernst van het feit en vooruitlopend op het strafrechtelijk onderzoek ter zake wordt u met toepassing van artikel 23 lid 1 van de Personeelswet, met ingang van de dag na ontvangst van dit schrijven, buiten functie gesteld.

Dit brengt met zich mee dat u gedurende de periode van de buitenfunctiestelling het terrein en de werkruimten van het ministerie van Justitie en Politie aan de Henck Arronstraat no. 1 niet mag betreden.

Uw verweer zie ik gaarne tegemoet.”

2.4 [Verzoekster] heeft op 03 september 2015 aangifte gedaan bij de politie tegen de directeur ter zake van lasterlijke aanklacht en lasterlijke verdachtmaking.

2.5 De minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) heeft bij brief d.d. 05 september 2015, met als onderwerp “buitenfunctiestelling”, aan [verzoekster] bericht dat de buitenfunctiestelling van [verzoekster] door haar wordt aangehouden en dat [verzoekster] zich op maandag 07 september 2015 normaal dient aan te melden voor het verrichten van haar werkzaamheden. De minister eiste wel dat [verzoekster] zich uiterlijk dinsdag 08 september 2015 om 07.00 uur ’s morgens bij haar zou verweren.

2.6 [Verzoekster] heeft zich bij brief d.d. 07 september 2015, gericht aan de minister, verweerd. Dit verweerschrift luidt, voor zover van belang, onder meer als volgt:

“Excellentie,

Uw schrijven gedateerd 5 september 2015, heb ik op zaterdag 5 september 2015 ontvangen.
(…)
Ten aanzien van de verweeraanzegging van de directeur van 3 september 2015 [nummer 2] terzake de beschuldiging van poging tot diefstal van dienststukken in de werkruimte van de Onderdirecteur Algemeen Beheer (ODAB), deel ik u mede dat ik daaromtrent niet alleen een verweerschrift (30 juli 2015) heb opgemaakt, maar door mij tevens aangifte is gedaan tegen de directeur terzake het opzettelijk aantasten van mijn goede naam en eer. Dit omdat de directeur op de bewuste dinsdag van 1 september laatstleden getuige is geweest van de criminele behandeling die ik heb gekregen van de aanwezige politie onder leiding van de heer H. Tjin Liep Shie, waarbij mijn tas werd gecontroleerd voordat ik de ruimte van de ODAB mocht verlaten.
(…)”

2.7 [Verzoekster] heeft op 10 december 2015 de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, [nummer 3], [nummer 4] ontvangen. Deze beschikking (hierna ook aangeduid als: de schorsingsbeschikking) luidt, voor zover van belang, onder meer als volgt:
OVERWEGENDE:
dat de Hoofdbeleidsmedewerkster, ingedeeld in functiegroep 09 (schaal 09C) in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie, [VERZOEKSTER], geboren op 10 juli 1962, [ID-nummer] en [persoonsnummer], op maandag 27 juli 2015 omstreeks 11.00u v.m., de afdeling Personele Zaken heeft betreden met de Wnd. Onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer, waarbij zij de medewerkers van de afdeling Personele Zaken heeft opgedragen hun werkruimte terstond te verlaten, terwijl zij de bevoegdheid daartoe mist;
dat deze handelingen, die plichtsverzuim voor haar opleveren, niet getolereerd kunnen worden;
dat betrokkene, ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de bovenaangehaalde ‘Personeelswet’, bij schrijven van de Directeur van Justitie en Politie van 28 juli 2015 [nummer 1] , in de gelegenheid is gesteld zich binnen 03 (DRIE) werkdagen ter zake schriftelijk te verweren;
dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, zich terzake bij haar schrijven van 30 juli 2015 heeft verweerd, echter heeft zij het haar ten laste gelegde niet kunnen weerleggen, namelijk dat betrokkene niet is ingegaan op haar verweer, maar een rapportage van hetgeen op die dag heeft plaatsgevonden aangegeven;
dat betrokkene niet heeft kunnen aangeven waarom zij daar was om voormelde afdeling af te sluiten;
dat het derhalve nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.

HEEFT BESLOTEN:
I. Terzake voormeld, aan de Hoofdbeleidsmedewerkster, ingedeeld in functiegroep 09 (schaal 09C) in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie, Mw.[verzoekster] , [ID-nummer]en [persoonsnummer], wegens plichtsverzuim, op te leggen, de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 03 (DRIE) dagen met inhouding van haar salaris over de schorsingperiode, ingevolge artikel 61 lid 1 sub h juncto artikel 30 lid 3 van de bovenaangehaalde ‘Personeelswet’.
II. Te bepalen, dat de in paragraaf I bedoelde schorsing door betrokkene zal worden ondergaan, op een nader door de Directeur van Justitie en Politie te bepalen tijdstip en dat de in paragraaf I bedoelde inhouding zal geschieden, op de eerste werkdag van de maand volgende op de dag waarop betrokkene van het besluit in kennis is gesteld.”

2.8 [Verzoekster] heeft bij brief d.d. 10 december 2015, betreffende “Verzoek correctie administratieve procedure”, de minister, kort gezegd, verzocht het daarheen te leiden dat het één en ander wordt gecorrigeerd en de schorsingsbeschikking wordt ingetrokken.

2.9 Bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 december 2015, [nummer 5], [nummer 6], is aan [verzoekster] wegens plichtsverzuim, kort gezegd, de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Deze beschikking luidt, voorzover van belang, onder meer als volgt:
OVERWEGENDE:
dat er op Dinsdag 01 september 2015, in de ruimte van de Wnd. Onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer, een voorval heeft voorgedaan, waarbij de Hoofdbeleidsmedewerker, ingedeeld in functiegroep 09 (schaal 09C), in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Justitie en Politie, Mw. [VERZOEKSTER], geboren op 10 juli 1962, [ID-nummer] en [persoonsnummer], documenten de dienst rakende uit desbetreffende ruimte geprobeerd heeft te verwijderen;
dat het verwijderen van voormelde documenten slechts is toegestaan met toestemming van de Departementsleiding, waardoor het noodzakelijk is geweest van dit voorval een onderzoek in te laten stellen naar de handelingen van betrokkene door de afdeling fraude van het Korps Politie Suriname;
dat deze handelingen niet binnen de dienst kunnen worden getolereerd en deze gedragingen plichtsverzuim aan haar kunnen opleveren;

dat betrokkene, ingevolge het bepaalde in artikel 23 lid 1 van de ‘Personeelswet’, bij schrijven van de Directeur van Justitie en Politie van 02 september 2015 [nummer 2], buiten functie is gesteld, te rekenen van de dag na ontvangst van voormeld schrijven;

dat bij schrijven d.d. 05 september 2015 [nummer 7] van de Minister van Justitie en Politie de buitenfunctiestelling van betrokkene is ingetrokken, echter diende zij zich uiterlijk dinsdag 08 september 2015 om 07.00u ’s morgens ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de ‘Personeelswet’ ter zake schriftelijk te verweren;

dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, zich terzake bij haar schrijven van 07 september 2015 heeft verweerd, echter heeft zij het haar ten laste gelegde niet kunnen weerleggen, namelijk dat betrokkene niet is ingegaan op haar verweer, maar berschuldigingen [sic] heeft geuit aan het adres van de Directeur van Justitie en Politie ter zake aantasten van haar goede naam en eer;
dat het derhalve nodig is aan betrokkene een tuchtstraf op te leggen.

HEEFT BESLOTEN:
I. Terzake voormeld, aan de Hoofdbeleidsmedewerker (…) Mw. [VERZOEKSTER] (…) wegens plichtsverzuim, op te leggen, de tuchtstraf van ontslag (onder voorwaarde), ingevolge artikel 61 lid 1 onder j, juncto artikel 62 lid 3 van de ‘Personeelswet’, dat deze niet ten uitvoer zal worden gebracht, tenzij zij zich binnen een proeftijd van 02 (TWEE) jaren, wederom schuldig maakt aan een soortgelijke vorm van plichtsverzuim als waarvoor die bestreffing geld [sic] of enig ander plichtsverzuim.
II. Te bepalen, dat de in paragraaf I bedoelde proeftijd zal ingaan op de dag volgende op die waarop dit besluit ter kennis van betrokkene is gebracht.”

2.10 De waarnemend directeur heeft – met referte aan de in 2.8 genoemde brief van [verzoekster] d.d. 10 december 2015 – bij brief d.d. 14 januari 2016, [nummer 8], onder meer [verzoekster] bericht dat de departementsleiding heeft besloten haar te rekenen van 18 januari 2016 op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg tewerk te stellen.

2.11 [verzoekster] heeft een brief d.d. 09 maart 2016 aan de minister gericht, waarin zij, zakelijk weergegeven, aangeeft op 10 december 2015 de schorsingsbeschikking en op 09 maart 2016 een beschikking d.d. 15 oktober 2015, [nummer 9] (lees: [nummer 9]), te hebben ontvangen, in welke beschikkingen aan haar worden opgelegd de tuchtstraffen van, kort gezegd, schorsing met inhouding van salaris respectievelijk voorwaardelijk ontslag. Voormelde brief behelst het verzoek aan de minister om deze beschikkingen te doen intrekken.

2.12 Deurwaarder H.B. Verwey maakt er in haar exploit d.d. 28 juni 2016, no. 128, melding van dat een afschrift van de hierboven in 2.9 genoemde beschikking d.d. 15 december 2015 aan [verzoekster] in persoon is betekend. Voormeld exploit vermeldt daarbij alleen het nummer [nummer 5].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
A. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, [nummer 4], althans het daarin opgenomen besluit, welke beschikking [verzoekster] op 09 maart 2016 heeft ontvangen;
B. de Staat zal worden verboden om in de toekomst handelingen te verrichten c.q. besluiten te nemen op grond van de overweging dat [verzoekster] op maandag 27 juli 2015 omstreeks 11.00 uur v.m. de afdeling Personele Zaken heeft betreden met de waarnemend onderdirecteur van Justitie, belast met de algehele leiding van de Hoofdafdeling Algemeen Beheer, waarbij [verzoekster] medewerkers van de afdeling Personele Zaken heeft opgedragen hun werkruimte terstond te verlaten, terwijl [verzoekster] de bevoegdheid daartoe mist, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor elke keer of dag dat de Staat in strijd handelt met deze veroordeling.
[Verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoekster] heeft tegen de achtergrond van de als vaststaand aangenomen feiten, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. In de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, [nummer 3],[nummer 4] (de schorsingsbeschikking), is vervat het besluit om aan [verzoekster] wegens plichtsverzuim op te leggen de tuchtstraf van schorsing voor de duur van drie dagen met inhouding van haar salaris over de schorsingsperiode. [verzoekster] heeft op 09 maart 2016 een tweede beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2015, [nummer 4] (productie no. 5 bij het verzoekschrift), ontvangen, welke beschikking dezelfde datum en hetzelfde nummer heeft en dezelfde overwegingen bevat als de schorsingsbeschikking. [verzoekster] kan niet tweemaal voor hetzelfde vermeende plichtsverzuim c.q. hetzelfde feit worden gestraft, omdat dit in strijd is met het ‘ne bis in idem’-beginsel en met artikel 62 lid 4 Pw.
De tweede beschikking d.d. 15 oktober 2015, [nummer 4] (productie no. 5 bij het verzoekschrift), geeft in strijd met de waarheid aan dat de buitenfunctiestelling van [verzoekster] bij brief van de minister d.d. 05 september 2015 (zie 2.5) zou zijn ingetrokken, terwijl deze buitenfunctiestelling daarbij slechts zou zijn aangehouden.
De Staat heeft voorts in strijd gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het motiveringsbeginsel, aangezien het onrechtvaardig is dat [verzoekster] een dergelijke tuchtstraf – het hof begrijpt: de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag – moet ondergaan, terwijl zij reeds is gestraft, des te meer nu haar buitenfunctiestelling is aangehouden en de minister in haar brief d.d. 05 september 2015 niet heeft aangegeven waarvoor [verzoekster] zich zou moeten verweren. Bovendien betreft het onderwerp van voormelde brief “buitenfunctiestelling” en geen verweeraanzegging.
[verzoekster] vreest voor rancune aan de zijde van de Staat jegens haar, nu zij ten overstaan van het hof haar relaas doet en zij de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag opgelegd heeft gekregen.
De Staat handelt onrechtmatig jegens [verzoekster].

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw, zodat deze wet op haar van toepassing is. Hetgeen van het hof als gerecht in ambtenarenzaken gevorderd kan worden, is limitatief omschreven in artikel 79 lid 1 Pw. Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.
Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur.
Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

4.1.2 [Verzoekster] stelt, kort gezegd, dat zij op 09 maart 2016 een tweede beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken heeft ontvangen, waarin zou zijn vervat het besluit tot oplegging aan haar van de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag. Naar het hof begrijpt is deze beschikking gedateerd 15 december 2015, met als kenmerk [nummer 5], [nummer 6]. Het in 3.1 onder A gevorderde strekt dan ook tot de nietigverklaring van dit besluit. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.1.3 Het in 3.1 onder B gevorderde kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2.1 Het hof stelt voorop dat [verzoekster] met vermelding van haar I.D.-nummer en persoonsnummer wordt genoemd in de eerste overweging van de schorsingsbeschikking (zie 2.7), maar dat kennelijk abusievelijk in het in deze beschikking vervatte besluit tot oplegging van de tuchtstraf van schorsing met inhouding van salaris niet is vermeld dat de tuchtstraf is opgelegd aan [verzoekster] en voorts dat ook abusievelijk een ander I.D.-nummer en persoonsnummer is genoemd.

4.2.2 De Staat voert, naar het hof begrijpt, als verweer aan dat [verzoekster] op grond van artikel 80 lid 1 sub b Pw niet-ontvankelijk is in de vordering vermeld in 3.1 onder A, omdat deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit tot oplegging aan [verzoekster] van de tuchtstraf van schorsing te harer kennis is gebracht. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoekster] op 07 december 2015 kennis heeft genomen van vorenbedoeld besluit, terwijl zij de vordering op 01 april 2016 heeft ingesteld.
Het hof gaat voorbij aan dit verweer. Gebleken is dat [verzoekster] opkomt tegen de (tweede) beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 december 2015, [nummer 5],[nummer 6]. De Staat heeft niet gemotiveerd weersproken dat [verzoekster] deze beschikking heeft ontvangen op 09 maart 2016. Nu zij de onderhavige vordering heeft ingesteld op 01 april 2016 – dus binnen de bij wet gestelde termijn – is zij daarin ontvankelijk.

4.3.1 Blijkens de verweeraanzegging van de directeur d.d. 02 september 2015 (zie 2.3) wordt [verzoekster] verweten dat zij op 01 september 2015 heeft geprobeerd om documenten de dienst rakende te verwijderen uit de werkruimte van de waarnemend onderdirecteur Algemeen Beheer. Tevens is vermeld dat het verwijderen van bedoelde documenten slechts met toestemming van de departementsleiding is toegestaan en dat er naar aanleiding van dit voorval door de politie een onderzoek is ingesteld naar de handelingen van [verzoekster]. Het hof begrijpt hieruit dat [verzoekster] tevens wordt verweten gehandeld te hebben zonder toestemming van de departementsleiding. [verzoekster] diende zulks ook te begrijpen.

4.3.2 [Verzoekster] heeft zich naar aanleiding van de brief van de minister d.d. 05 september 2015 (zie 2.5) bij laatstgenoemde verweerd. In haar verweerschrift d.d. 07 september 2015 (zie 2.6) is [verzoekster] niet inhoudelijk ingegaan op de haar verweten gedraging, noch heeft zij weersproken zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Zij heeft slechts aangegeven dat zij daaromtrent een verweerschrift d.d. 30 juli 2015 heeft opgemaakt. Dit verweerschrift (productie no. 11 bij het verzoekschrift) betreft echter een eerder voorval dat zich heeft voorgedaan op 27 juli 2015, naar aanleiding waarvan [verzoekster] aangifte heeft gedaan tegen de directeur ter zake van het opzettelijk aantasten van haar goede naam en eer. Het door [verzoekster] bij verweerschrift d.d. 07 september 2015 gevoerde verweer is naar het oordeel van het hof ondeugdelijk, nu dit geen betrekking heeft op de haar verweten gedraging. In de visie van het hof kon de Staat tot de overtuiging komen dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan de haar verweten gedraging, aangezien [verzoekster] dit niet heeft weersproken.

4.3.3 Het hof constateert dat [verzoekster] ook in deze procedure niet heeft weersproken dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de haar verweten gedraging, zoals verwoord in de beschikking d.d. 15 december 2015 (zie 2.9).
De Staat heeft de door [verzoekster] verrichte gedraging terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim kan [verzoekster] worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen. Het hof acht voorts de opgelegde tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.4 Het hof concludeert uit de in 2.7 en 2.9 genoemde beschikkingen van 15 oktober 2015 en 15 december 2015 dat de tuchtstraffen van schorsing respectievelijk voorwaardelijk ontslag zijn opgelegd ter zake van twee verschillende feiten. De stelling van [verzoekster] dat voormelde tuchtstraffen aan haar zijn opgelegd bij twee afzonderlijke beschikkingen en wel op grond van dezelfde overwegingen en ter zake van hetzelfde feit, is dus niet juist en zal worden verworpen. Op grond van het voorgaande is niet komen vast te staan dat [verzoekster] tweemaal tuchtrechtelijk is gestraft voor hetzelfde feit, zodat haar beroep op het ‘ne bis in idem’-beginsel en op artikel 62 lid 4 Pw faalt.

4.5 Naar het hof begrijpt, betoogt [verzoekster] dat in de beschikking d.d. 15 december 2015 in strijd met de waarheid is vermeld dat haar buitenfunctiestelling bij brief van de minister d.d. 05 september 2015 is ingetrokken. Aan [verzoekster] kan worden toegegeven dat zulks inderdaad het geval is. Anders dan zij kennelijk meent, leidt deze misslag niet tot nietigheid van het in voormelde beschikking vervatte besluit tot de oplegging aan haar van de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag.

4.6 Blijkens artikel 23 lid 1 Pw kan een landsdienaar buiten functie worden gesteld, indien gronden aanwezig zijn voor het in overweging nemen van zijn schorsing of ontslag. Voor zover [verzoekster] meent dat de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag niet aan haar kon worden opgelegd omdat haar buitenfunctiestelling door de minister is aangehouden, gaat zij uit van een onjuist standpunt. Vorenbedoelde tuchtstraf kan immers ook worden opgelegd zonder dat sprake is van een daaraan voorafgaande buitenfunctiestelling.

4.7 Voor zover [verzoekster] betoogt dat de Staat het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen, omdat de minister in haar brief d.d. 05 september 2015 niet heeft aangegeven ter zake waarvan [verzoekster] zich moest verweren en het onderwerp van deze brief “buitenfunctiestelling” en geen “verweeraanzegging” betreft, volgt het hof haar niet daarin. In de verweeraanzegging van de directeur d.d. 02 september 2015 is immers aangegeven welk verwijt [verzoekster] werd gemaakt en [verzoekster] maakt in haar verweerschrift d.d. 07 september 2015, gericht aan de minister, gewag van de beschuldiging van poging tot diefstal van dienststukken uit de werkruimte van de onderdirecteur Algemeen Beheer. [verzoekster] wist dus wel degelijk welk verwijt haar werd gemaakt en zij heeft zich, daartoe in de gelegenheid gesteld, daartegen verweerd. Dat het onderwerp van de brief van de minister d.d. 05 september 2015 “buitenfunctiestelling” en geen “verweeraanzegging” betreft, kan worden gezien als een misslag zonder dat dit hoeft te leiden tot enige consequentie.

4.8 [Verzoekster] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de Staat in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel, het verbod van willekeur en het motiveringsbeginsel. Haar beroep op deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt derhalve.

4.9 Uit al het voorgaande volgt dat er geen grond is voor de nietigverklaring van het in de beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 december 2015, [nummer 5],[nummer 6], vervatte besluit tot oplegging aan [verzoekster] van de tuchtstraf van voorwaardelijk ontslag. Het gevorderde in 3.1 onder A zal daarom worden afgewezen.

4.10 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal ook worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.11 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder B gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 20 november 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein     w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-53

A-984
M.O.

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende in het [district],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Onderwijs, Volksontwikkeling en Cultuur,
ten rechte geheten het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 25 juli 2018;
  • de beschikking van het hof van 17 december 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 18 januari 2019;
  • de processen-verbaal van het op 18 januari 2019 gehouden verhoor van partijen en de op 05 april 2019 gehouden voortzetting daarvan; 
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens [verzoekster] d.d. 17 mei  2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties en tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 07 juni 2019, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoekster] d.d. 21 juni 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 december 2019, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is vanaf 01 oktober 1982 in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna: het ministerie). Zij is bij beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken d.d. 23 oktober 2015, [nummer 1], te rekenen van 01 oktober 2013 in vaste dienst aangesteld in de functie van directeur VOJ op de MULO-school aan de Noordpoolweg.

2.2 Het waarnemend hoofd van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren, [naam 1] (hierna: [naam 1]) heeft bij schrijven d.d. 21 september 2015, betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie genoodzaakt is haar te muteren. De gronden voor de mutatie zijn in voormeld schrijven opgenomen.

2.3 [Verzoekster] is op 01 oktober 2015 aangesteld als schoolleider op de Wim Bos Verschuurschool.

2.4 [naam 1], thans hoofd van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren, heeft bij schrijven d.d. 11 april 2017, [nummer 2], betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, kort gezegd, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie ontevreden is over haar performance als schooldirecteur op de Wim Bos Verschuurschool.

2.5 Blijkens het mutatieformulier d.d. 14 september 2017, no. 2017, is het besluit genomen om [verzoekster] met ingang van 03 oktober 2017 als Biologie leerkracht te plaatsen op de VOJ school Debi Sahai te Saramacca (hierna ook wel genoemd: het mutatiebesluit).

2.6 [naam 1] heeft bij schrijven d.d. 14 september 2017,[nummer 3], betreffende ‘Ontevredenheidsbetuiging’, kort gezegd, aan [verzoekster] bericht dat het ministerie genoodzaakt is haar te muteren en dat zij in de functie van leerkracht zal worden gemuteerd. De gronden voor de mutatie zijn in voormeld schrijven opgenomen. [verzoekster] heeft dit schrijven ontvangen op 14 september 2017.

2.7 Bij schrijven d.d. 09 oktober 2017 heeft [verzoekster] aan de directeur van het ministerie onder meer het beroep gedaan het mutatiebesluit in heroverweging te nemen.

2.8 De procesgemachtigde van [verzoekster] heeft bij schrijven d.d. 12 maart 2018 onder meer het volgende aan de minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna: de minister) bericht:
“Geachte Minister,

Namens mijn cliënte, mevrouw [verzoekster], wens ik het volgende onder uw aandacht te brengen.

Mijn cliënte die werkzaam was als directeur/schoolleider op de Wim Bos Verschuurschool heeft in de afgelopen periode haar werkzaamheden stipt uitgevoerd tot een moment dat er tegen haar een hetze c.q. complot werd opgezet onder aanvoering van [naam 2] (intussen gepensioneerde), [naam 3] en [naam 4].
Door de 3 (drie) laatst genoemde personen werd haar functioneren op de school ondraaglijk gemaakt en werden derden aangezet tot verzet zodat het functioneren haar onmogelijk werden gemaakt.

Uw ministerie heeft zonder daadwerkelijk hoor en wederhoor een beslissing genomen ten nadele van mijn cliënte en werd zij overgeplaatst naar een andere school als leerkracht, terwijl zij als schoolleider(directeur) functioneerde. De door u genomen beslissing is onterecht c.q. onrechtmatig en in strijd met de wet en wordt als een degradatie ervaren. Door uw beslissing heeft u mijn cliënte geestelijk kapot gemaakt, meer gelet op het feit dat uw beslissing niet gestoeld is op de werkelijke toedracht, waarbij interne controle van uw ministerie geen op- en aanmerkingen heeft gehad omtrent het functioneren van cliënte. De gepleegde handelingen worden met klem ontkend en betwist en naar het rijk der fabelen verwezen. Voorts is uw beslissing niet in overeenstemming met de gepleegde handelingen, voorzover die waar mochten zijn, qoud-non.

Mijn cliënte vraagt van genoegdoening en verzoekt u uw beslissing te herzien, althans terug te draaien en haar terug te brengen in haar oorspronkelijke functie n.l. directeur c.q. schoolleider. Dan maakt het haar niet uit op welke school.

Indien u hieraan geen gevolg geeft, zal ik genoodzaakt zijn namens cliënte rechtsmaatregelen tegen uw Ministerie te treffen.

Voorts deel ik u mede dat bij een eventueel proces alle kosten voor uw rekening zullen worden gebracht.

Hopende dat u het niet over zult laten komen.”

2.9 Op voormeld schrijven van de procesgemachtigde van [verzoekster] noch op diens rappelschrijven d.d. 22 maart 2018, d.d. 10 april 2018 en d.d. 22 mei 2018 is een reactie van de minister gekomen.

 

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de Staat zal worden gelast om onmiddelijk de beslissing d.d. 14 september 2017, waarbij zij is gemuteerd van schoolleider tot leerkracht, te herzien en haar terug te plaatsen in haar oorspronkelijke functie van schoolleider/schoolhoofd, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor elke dag dat de Staat hiermee in gebreke mocht blijven;
B. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding (lees kennelijk: de advocaatkosten) ad SRD 6.000,-, welke als schade kan worden aangemerkt.
[verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het mutatiebesluit onrechtmatig is, omdat dit besluit is genomen in strijd met artikel 25 van de Personeelswet (Pw) en voorts in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van een correcte bejegening.
[verzoekster] stelt voorts dat zij door de handelwijze van de Staat, daaronder begrepen het niet reageren op de brieven genoemd in 2.9, genoodzaakt was om rechtsbijstand in te roepen en dat de Staat gehouden is de kosten daarvan ad SRD 6.000,- aan haar te voldoen.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw. Deze wet is dan ook op haar van toepassing.
Het in 3.1 onder A gevorderde wordt aangemerkt als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub c Pw tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet is bepaald, in casu het verder achterwege laten van het besluit om het mutatiebesluit te herzien en [verzoekster] terug te plaatsen in haar oorspronkelijke functie van schoolleider/schoolhoofd. Het hof acht zich derhalve bevoegd kennis te nemen van dit deel van het gevorderde.
Het hof beschouwt de in 3.1 onder B gevorderde advocaatkosten als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw. Het hof acht zich bevoegd om ook van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 80 lid 2 sub c Pw zijn vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b en sub c Pw niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop het orgaan ingevolge artikel 78 lid 2 Pw geacht wordt het besluit te hebben genomen. Artikel 78 lid 2 sub b Pw bepaalt dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] haar schriftelijk verzoek tot herziening van het mutatiebesluit op 12 maart 2018 aan de minister heeft doen toekomen. Vaststaat dat de minister nimmer daarop heeft beslist. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 78 lid 2 sub b Pw had de minister de ruimte tot 12 september 2018 om te beslissen op het verzoek van [verzoekster]. Nu de onderhavige vordering is ingesteld op 25 juli 2018, is [verzoekster] dus prematuur daarmee en zou zij dientengevolge in beginsel daarin niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Het hof overweegt echter dat de minister, naar vaststaat, ook gedurende dit geding niet heeft beslist op het verzoek van [verzoekster], zodat ervan wordt uitgegaan dat de minister alsnog een fictief besluit heeft genomen en wel een negatief besluit. Om deze reden acht het hof [verzoekster] wel ontvankelijk in haar vordering. Het aanhangig maken van de vordering betekent immers niet dat de minister niet meer op het verzoek hoefde te beslissen.

4.3 [Verzoekster] komt in dit geding op tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek tot herziening van het mutatiebesluit en tot terug plaatsing in haar oorspronkelijke functie van schoolhoofd.
Als onweersproken is komen vast te staan dat de Staat het besluit tot mutatie van [verzoekster] en wel in de lagere functie van leerkracht – zijnde een voor haar nadelig besluit – heeft genomen zonder het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen en zonder een onderzoek in te stellen naar de vermeende handelingen van [verzoekster] die aan het mutatiebesluit ten grondslag zijn gelegd.
Reeds op deze gronden acht het hof het mutatiebesluit onrechtmatig. Geconcludeerd wordt dat [verzoekster] gegronde reden had te verzoeken dat het mutatiebesluit werd herzien en dat zij werd terug geplaatst in de functie van schoolhoofd. Naar het oordeel van het hof heeft de Staat, gelet op voormelde omstandigheden, ten onrechte achterwege gelaten om te beslissen zoals door [verzoekster] verzocht.
Overwogen wordt dat de Staat in alle redelijkheid niet tot het mutatiebesluit had kunnen komen, zeker nu de hiervoor genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht zijn genomen bij het nemen van dit besluit, één en ander zoals hiervoor is overwogen. Het in 3.1 onder A gevorderde zal – voor zover [verzoekster] niet reeds met (vervroegd) pensioen is – derhalve worden toegewezen als in het dictum te melden.
Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [verzoekster] voorkeur uitgaat naar plaatsing op een school gelegen in Paramaribo Centrum of Paramaribo Zuid dan wel in het district Wanica.
Het hof acht voorts termen aanwezig om de gevorderde dwangsom te mitigeren en te maximeren.

4.4 De mede gevorderde advocaatkosten – die worden aangemerkt als schade – zijn niet weersproken door de Staat, zodat deze zullen worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat [verzoekster] deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens haar.

4.5 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.6 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Veroordeelt de Staat – voor zover [verzoekster] niet reeds met (vervroegd) pensioen is – om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis [verzoekster] feitelijk in te zetten als schoolhoofd op een in Paramaribo of in het district Wanica gelegen VOJ school.

5.2 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoekster] te betalen de advocaatkosten ad SRD 6.000,- (zesduizend Surinaamse dollar).

5.3 Veroordeelt de Staat om aan [verzoekster] te betalen een dwangsom van SRD 1.000,- (eenduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de in 5.1 vermelde veroordeling te voldoen, met dien verstande dat boven de som van SRD 100.000,- (eenhonderdduizend Surinaamse dollar) geen dwangsom meer wordt verbeurd.

5.4 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 21 februari 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein             w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. S.M.D. Sitaram namens advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. K.S. Jakaoemo namens mr. R. Koendan, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2020-52

A-992
M.O.

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
in deze het Ministerie van Justitie en Politie,
ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. K.S. Jakaoemo MICL, beleidsadviseur op het Ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het hof) op 11 december 2018;
  • het verweerschrift d.d. 10 januari 2019;
  • de beschikking van het hof van 08 mei 2019, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 juni 2019;
  • het proces-verbaal van het op 07 juni 2019 gehouden verhoor van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 15 november 2019, doch nader op heden.

2. De feiten
2.1 [Verzoeker] is als agent van politie 2e klasse in vaste dienst geweest bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk werkzaam bij het Regio Bijstandsteam Midden (hierna: RBT Midden) van het KPS.

2.2 [Verzoeker] heeft een buitenechtelijke relatie met ene [naam] (hierna aangeduid als: [naam]) gehad. Laatstgenoemde heeft op 26 april 2016 aangifte tegen [verzoeker] gedaan ter zake van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling van haar voertuig.

2.3 [verzoeker] is bij brief van de waarnemend korpschef van het KPS, de commissaris van politie, A. Chin, d.d. 14 augustus 2017, [nummer 1], in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren ter zake van de aangifte van [naam]. Voormelde brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Hierbij wordt het volgende onder uw aandacht gebracht:
Uit de processen-verbaal, vervat in het dossier, voorzien van het [nummer 2] en K.A. nummer geheim, de dato 26 april 2016, opgemaakt door de majoor van politie Ost, C., van de afdeling Onderzoek Personeels Zaken, blijkt het volgende:

Op dinsdag 26 april 2016, deed [naam], aangifte van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen u. U had ongeveer acht jaar geleden een liefdes relatie met [naam]. U maakte er een gewoonte (lees: van) om [naam] tijdens de relatie te mishandelen en u ging ook vreemd. Die relatie is beëindigd toen uw vrouw, zijnde een van de vrouwen waarmee u vreemd ging zwanger raakte. U trad toen in het huwelijk met uw vrouw. U vroeg [naam] nog steeds om een buitenechtelijke relatie, hetgeen zij steeds weigerde. U molesteerde en bedreigde [naam] telefonisch. U heeft [naam] zelfs ontvoerd bij het Havo scholen complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft u haar voertuig vernield. U heeft [naam] meerdere malen met de dood bedreigd. U heeft zelfs uw dienstvuistvuurwapen althans een wapen tegen het hoofd van [naam] gedrukt. [naam] heeft zelfs via de rechter een beschermingsbevel tegen u aangevraagd. Ondanks aangifte gedaan door [naam] en een bevel van de rechter bent u nog steeds bezig [naam] te molesteren, dan wel berichten te sturen via WhatsApp en Facebook.

Uit het volgende blijkt;

dat u zich niet heeft gedragen zoals het een goed politieambtenaar betaamt, waardoor u afbreuk doet aan de waardigheid van uw ambt en het aanzien van de politie heeft geschaad;

dat u verdacht wordt van mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht gepleegd door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling gepleegd door een ambtenaar;

Deze gedragingen van u zijn in strijd met de artikelen 360 jo 67; 345 jo 67; 345b jo 67 en 414 jo 67 van het Wetboek van Strafrecht alsook in strijd met artikel 10 lid 2 sub b zoals aangegeven in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 nummer 82 en met punt 3 leden 1, 2 en 3 van de Gedragscode voor Politieambtenaren, hetgeen u een ernstig plichtverzuim oplevert.”

2.4 [Verzoeker] heeft bij brief van 23 augustus 2017 verweer gevoerd. Hij heeft tevens mondeling verweer gevoerd ter gelegenheid van het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport.

2.5 De minister van Justitie en Politie heeft bij beschikking d.d. 26 oktober 2018, Bureau [nummer 3], [nummer 4] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] wegens lichtverzuim (lees: plichtsverzuim) ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is het volgende overwogen:

“dat de ambtenaar van politie, [verzoeker], (…) thans dienende in de rang van agent van politie tweede klasse (hierna te noemen betrokkene) in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het ministerie van Justitie en Politie, blijkens het dossier voorzien van het administratie nummer 168/2016 van de afdeling Onderzoek Personeelszaken, ervan wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan de stafbare [sic] feiten; mishandeling gepleegd door een ambtenaar; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door een ambtenaar; belaging gepleegd door een ambtenaar en vernieling door een ambtenaar, dan wel een plichtverzuim;

dat op dinsdag 26 april 2016, [naam], aangifte deed van mishandeling, bedreiging, belaging en vernieling tegen betrokkene;

dat betrokkene een buitenechtelijke relatie op na hield met [naam];

dat op een gegeven moment zij besloot om een punt achter die relatie te zetten;

dat [naam] steeds weigerde om door te gaan in de relatie, waarna betrokkene besloot om haar telefonisch te molesteren en te bedreigen;

dat betrokkene, [naam] zelfs heeft ontvoerd bij het Havo complex en trachtte haar eveneens te verkrachten, daarbij heeft hij haar voertuig ook vernield;

dat betrokkene meerdere malen [naam] [sic] heeft bedreigd met zijn dienstvuistvuurwapen, waarbij het wapen tegen haar hoofd gedrukt hield.

dat in het jaar 2013, betrokkene een bromfietser had aangereden, waarbij de bromfietser ten gevolge van de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opliep en hij daarvoor één(1) week schorsing opgelegd kreeg.

dat in het jaar 2015, betrokkene een voertuig bestuurde, waarbij hij zodanig onder invloed van alcohol verkeerde, dat hij een stopteken van de dienstdoende agenten, die bezig waren met een verkeersactie negeerde;

dat betrokkene doorreed en moest worden klemgereden. In dat geval overschreed hij de maximum snelheid ter plaatse en werd eveneens een ademanalyse test afgenomen van betrokkene, waaruit bleek dat hij 740 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht had geblazen, terwijl bij wet vanaf 220 microgram strafbaar is gesteld;

dat deze zaak is besproken tussen de PG en KC, waarbij het strafvoorstel voor onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren werd voorgesteld;

dat uit het vorenstaande is gebleken dat betrokkene zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan ernstige plichtverzuim, dat bij PG/KC overleg van 02 maart 2017 is voorgesteld hem de tuchtstraf van ontslag op te leggen.

dat betrokkene zich niet heeft gedragen zoals van een integere politie ambtenaar verwacht mag worden, waardoor hij afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt;

dat de handelingen en gedragingen gepleegd door betrokkene niet alleen strafbare feiten opleveren, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies, zoals onder meer vervat in de artikelen 10 lid 2 onder [sic] van de instructie ambtenaren van politie G.B. 1972 no 82 en artikel 3 sub 1; 2 van de gedragscode voor ambtenaren van politie;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor betrokkene, weshalve hij bij schrijven van de voormalige wnd. korpschef, de commissaris van politie A. Chin. de dato 14 augustus 2017, ter zake in gebreke werd gesteld en in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat deze zaak op 2 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef is besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen;

dat betrokkene in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport, de dato 26 oktober 2017, het volgende heeft aangegeven: ‘Ik had wel een relatie met Sharda, maar heb haar nooit geslagen. Uit boosheid had ik delen van haar auto geslagen, maar heb haar daarvoor vergoed’:

dat op grond van het door betrokkene, gepleegd plichtverzuim, de argumenten aangehaald in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 26 oktober 2017, meegenomen het resultaat van het KC/PG overleg d.d. 02 maart 2017, aan betrokkene de tuchtstraf van ontslag dient te worden opgelegd;

dat de Commissie voor overleg in Politieambtenarenzaken bij schrijven d.d. 07 mei 2018 kenmerk Ag OO.no. 013/18, heeft geadviseerd om betrokkene te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer. Echter is de minister van Justitie en Politie afgeweken van dit besluit en heeft besloten betrokkene de tuchtstraf van ontslag op te leggen.”

2.6 De ontslagbeschikking is op 13 november 2018 aan [verzoeker] uitgereikt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, naar het hof begrijpt en zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
1. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak de ontslagbeschikking te vernietigen c.q. de intrekking daarvan zal worden bevolen en het dienstverband met [verzoeker] zal worden hersteld met behoud van rang, salaris en emolumenten;
2. de Staat zal worden veroordeeld om binnen 1 (een) week na de uitspraak [verzoeker] wederom toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten;
3. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalaat om aan het gevorderde onder sub 1 en 2 te voldoen.

3.2 [Verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De feiten waarover [naam] (lees in het vervolg: [naam]) het in haar aangifte heeft, betreffen zaken die zich vier jaren voorafgaande aan de datum van de aangifte hebben voorgedaan. Op 14 augustus 2017 – zestien maanden later – werd [verzoeker] in gebreke gesteld en verweer aangezegd. [verzoeker] heeft in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017 de beschuldigingen van [naam] genoegzaam weerlegd. De afdeling Onderzoek Politiezaken is er abusievelijk van uitgegaan dat er op 10 mei 2016 op verzoek van [naam] een beschermingsbevel was uitgevaardigd tegen [verzoeker]. Aangezien [naam] haar beschuldigingen op geen enkele wijze kon hard maken, is het gevraagde beschermingsbevel geweigerd. Inmiddels had [naam] ook aangegeven haar aangifte te zullen intrekken bij de afdeling Onderzoek Politiezaken. De relatie tussen [naam] en [verzoeker] dateert van vóór de indiensttreding van laatstgenoemde bij de Staat en is vrijelijk aangegaan door [naam]. [Verzoeker] heeft de afdeling Onderzoek Politiezaken verzocht een uitdraai van zijn mobiele toestel op te vragen, waaruit gelijk duidelijk zou worden hoe vaak [naam] hem belt en dat er geen enkele reden voor hem is om haar te bedreigen of telefonisch te molesteren. De afdeling Onderzoek Politiezaken heeft nagelaten dit onderzoek te plegen.
[Verzoeker] gaf op het op 26 oktober 2017 gehouden korpsrapport toe een relatie met [naam] te hebben gehad en uit boosheid vernielingen te hebben aangericht aan het voertuig van [naam], waarvoor hij haar heeft vergoed. [Verzoeker] ontkende [naam] ooit te hebben geslagen. Hij heeft sedert 26 oktober 2017 nooit meer iets over dit onderzoek vernomen en er werden geen sancties tegen hem getroffen.
Uit de ontslagbeschikking blijkt dat er alleen aandacht is besteed aan het mondelinge verweer dat [verzoeker] heeft gevoerd ter gelegenheid van voormeld korpsrapport. Er is totaal geen aandacht besteed aan het uitgebreid schriftelijke verweer van [verzoeker], het feit dat de schade is vergoed en [naam] bereid was de zaak in te trekken en dat [naam], ondanks daartoe ettelijke malen door de politie te zijn opgebeld, nimmer is verschenen op het confrontatieverhoor dat op aandringen van [verzoeker] is gehouden.
Daarnaast verbaast het [verzoeker] dat er zoveel aandacht wordt besteed aan de aangifte van [naam], terwijl hij nimmer ter zake daarvan is gedagvaard, vervolgd of veroordeeld. [verzoeker] is zelfs nimmer buiten functie gesteld voor dit feit dat thans doorslaggevend is voor zijn ontslag.
Deze zaak is op 02 maart 2017, alvorens op het korpsrapport te zijn behandeld, door de korpschef besproken met de procureur-generaal, waarbij werd voorgesteld om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. Dit betekent dat alvorens [verzoeker] zich kon verweren, de korpschef en de procureur-generaal al hadden besloten om [verzoeker] voormelde tuchtstraf op te leggen. De beslissing stond reeds vast zonder de zijde van het verhaal van [verzoeker] te vernemen, dus zonder het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. [verzoeker] heeft zonder dat sprake is van strafrechtelijk bewijs, de zwaarste ambtelijke straf opgelegd gekregen.
Het is onbegrijpelijk dat de commissie voor overleg in politieambtenarenzaken op 07 mei 2017 heeft geadviseerd om [verzoeker] te laten begeleiden door een deskundige om te leren omgaan met zaken in de relationele sfeer, terwijl in de ontslagbeschikking is opgenomen dat de minister is afgeweken van dit besluit en heeft besloten om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen. [verzoeker] is nimmer buiten functie gesteld of geschorst voor welk feit dan ook en hij mocht ervan uitgaan dat gekozen zou worden voor een lichtere tuchtstraf of het seponeren van de zaak, nu vanaf het gebeurde meer dan twee jaren zijn verlopen. De korpschef, de procureur-generaal en de minister waren allen bereid om [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag op te leggen zonder zijn schriftelijk verweer te lezen, zonder aandacht te besteden aan zijn conduitestaat en zonder hem een eerlijke kans te geven. [verzoeker] heeft tot de dag van ontvangst van de ontslagbeschikking plichtsgetrouw zijn werk verricht bij RBT Midden.
Het is evident dat [verzoeker] een schrijnend onrecht wordt aangedaan door het handelen van de Staat en dat dit handelen in strijd is met de wet en riekt naar détournement de pouvouir.
[verzoeker] is nimmer formeel middels een beschikking van de minister geschorst geworden, hetgeen tevens in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het rechtszekerheidsbeginsel.
Voormelde handelwijze van de Staat is in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het beginsel van een deugdelijke feitelijke grondslag, het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest, zodat dit handvest op hem van toepassing is. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Het in 3.1 onder 1 gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw juncto artikel 47 lid 3 van het Politiehandvest is het hof bevoegd kennis te nemen van een vordering tot nietigverklaring van een besluit waarbij aan een politieambtenaar een tuchtstraf, anders dan die bedoeld in artikel 40 lid 1 onder a tot en met d van het Politiehandvest, is opgelegd. Nu de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag niet valt onder vorenbedoelde opsomming, is het hof bevoegd kennis te nemen van dit deel van de vordering.
4.1.3 Het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag –, niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. Het ontslagbesluit is op 13 november 2018 ter kennis van [verzoeker] gebracht. Nu [verzoeker] de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit op 11 december 2018 heeft ingesteld, derhalve binnen de termijn van een maand, is hij daarin ontvankelijk.

4.3.1 Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat de Staat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit onvoldoende bewijsmateriaal in handen had om dit besluit te rechtvaardigen.
Vooropgesteld wordt dat het bij een disciplinair onderzoek niet gaat om de vaststelling van strafbare feiten, maar om de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven. Naar vaste jurisprudentie gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Aan de stelling van [verzoeker] dat strafrechtelijk bewijs ontbreekt, komt derhalve niet de betekenis toe die hij daaraan toegekend wil zien. Vereist is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat [verzoeker] zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

4.3.2 Het hof constateert dat de Staat het door de politie opgemaakte dossier naar aanleiding van de aangifte van [naam] tegen [verzoeker] – met de daarin opgenomen processen-verbaal – niet in het geding heeft gebracht.
Blijkens de ontslagbeschikking wordt [verzoeker] onder meer verweten dat hij vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [naam]. [Verzoeker] heeft zowel bij zijn mondelinge verweer als in zijn verweerschrift d.d. 23 augustus 2017, alsook in het onderhavige geding, toegegeven zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.
[Verzoeker] heeft in voormeld verweerschrift, alsook in het onderhavige geding, betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan het overige hem verweten gedrag jegens [naam]. In het licht van deze betwisting had het op de weg van de Staat gelegen om nadere feiten of omstandigheden aan te dragen ter onderbouwing van zijn stelling dat [verzoeker] zich aan de overige hem verweten gedragingen jegens [naam] schuldig heeft gemaakt, hetgeen de Staat heeft nagelaten. Dit leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan – en de Staat derhalve niet tot de overtuiging kon komen – dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het overige hem verweten en in de ontslagbeschikking opgenomen gedrag jegens [naam]. De gestelde bedreiging (met een dienstvuistvuurwapen), ontvoering, poging tot verkrachting en het telefonisch molesteren van [naam] hadden derhalve niet aan het ontslagbesluit ten grondslag mogen worden gelegd.

4.3.3 Vast is komen te staan dat [verzoeker] vernielingen heeft aangebracht aan het voertuig van [naam], hetgeen mede aan het ontslagbesluit ten grondslag is gelegd. Het verweer van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert, faalt derhalve. Dat het overige aan [verzoeker] verweten gedrag niet is komen vast te staan, maakt dit niet anders.

4.4 Naar het oordeel van het hof levert het door [verzoeker] aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [naam] plichtsverzuim op. Dit gedrag druist immers in tegen de kerntaak van de politie alsmede de voor politieambtenaren geldende gedragscode. Daaraan doet niet af dat deze gedraging zich in de privésfeer heeft afgespeeld noch dat [verzoeker] [naam] voor de schade aan haar voertuig heeft vergoed. [Verzoeker] diende zich immers als politieambtenaar ook in zijn privéleven te onthouden van bedoelde vernielingen. Voorts wordt overwogen dat [verzoeker] begreep althans had kunnen begrijpen dat zijn handelwijze niet door de beugel kon, zodat het plichtsverzuim hem kan worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.5.1 [Verzoeker] heeft zich erop beroepen dat hem een te zware tuchtstraf is opgelegd. Dit beroep slaagt. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.
Het hof stelt voorop dat recidive (herhaling van plichtsverzuim) een rol kan spelen bij de bepaling van de op te leggen straf, maar het gepleegde nieuwe plichtsverzuim wel in een aanvaardbare verhouding moet staan tot deze straf. Kortom, het nieuwe plichtsverzuim dat aanleiding heeft gegeven tot de oplegging van een bepaalde tuchtstraf, moet op zichzelf deze tuchtstraf rechtvaardigen.
Het hof overweegt dat het gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit het aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [naam], het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt. Immers, in de visie van het hof staat dit tuchtontslag, waaraan vergaande gevolgen voor [verzoeker] zijn verbonden, niet in een redelijke verhouding tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Reeds op deze grond kan het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit niet in stand blijven.
De overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 3.2, kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.5.2 Aan het oordeel dat het gepleegd plichtsverzuim het ontslag van [verzoeker] niet rechtvaardigt, doet niet af dat in de ontslagbeschikking tevens is opgenomen het door de Staat gestelde eerdere plichtsverzuim waaraan [verzoeker] zich schuldig zou hebben gemaakt in 2013 en 2015, te weten, kort gezegd, het aanrijden van een bromfietser respectievelijk het rijden onder invloed van alcohol, het negeren van een stopteken van dienstdoende politieagenten en het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid.
Voor zover het bedoeling van de Staat is geweest om het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit aanbrengen van vernielingen aan het voertuig van [naam], aan te grijpen om bovenbedoelde voorvallen uit 2013 en 2015 mede aan het ontslagbesluit ten grondslag te leggen, handelt de Staat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Immers, de Staat heeft in de visie van het hof met name het recht verspeeld om [verzoeker] thans alsnog te bestraffen voor het in 2015 voorgevallene, nu de Staat – naar gebleken is – zulks toentertijd heeft nagelaten, ondanks blijkens de ontslagbeschikking uit het ter zake gevoerd overleg tussen de korpschef en procureur-generaal het voorstel tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van onthouding van bevordering voor de duur van twee jaren is voortgevloeid.

4.5.3 Uit het in 4.5.1 overwogene volgt dat de in 3.1 onder 1 vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zal worden toegewezen.

4.6 Het hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 40 lid 1 onder h van het Politiehandvest de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging opleggen, welke tuchtstraf het hof passend acht.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder 2 en 3 gevorderde.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de minister van Justitie en Politie van 26 oktober 2018, Bureau [nummer 1], [nummer 2], vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst.

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee weken met inhouding van bezoldiging.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 04 december 2020, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein      w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat mr. Ch. Algoe, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne MLS namens mr. K.S. Jakaoemo MICL, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld