SRU-HvJ-2018-86

G.R.No. 15052

HOF VAN JUSTITIE VAN SURI NAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende te [adres] in het [district],
appellant hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. S.T. Sewdien, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden hierna aangeduid als de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

1. Het procesverloop i n hoger beroep:

  • de pleitnota, d.d. 15 januari 2016 met producties;
  • de antwoord pleitnota en uitlating producties, d.d. 18 maart 2016;
  • de repliek pleitnota d.d. 20 mei 2016 met producties;
  • de dupliek pleitnota met uitlating producties d.d. 04 november 2016.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1. [appellant] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg. Het vonnis is per griffiersbrief van 02 juli 2015 naar hem toegezonden . [appellant] heeft op 13 juli 2015 bij schrijven van zijn gemachtigde appèl aangetekend.

2.2. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding d.d. 09 januari 2014, A.R.No. 12-4377, is de Staat veroordeeld om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan [appellant] af te geven een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte- en een overlijdensakte van [naam] geboren op 18 december 1944 in het [district] en overleden op 27 februari 2006 te Paramaribo Zuidwest, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 100.000,-. Het vonnis is voorts uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is bij exploot van deurwaarder D. Toekimin d.d. 17 februari 2014 aan de Staat betekend.

3.2 Op 19 maart 2014 heeft [appellant] voormelde bescheiden afgehaald bij de Staat. Bij schrijven van de 16 oktober 2014, betekend per exploot van de deurwaarder D. Hieralal d.d. 17 oktober 2014 no. 157, heeft [appellant]’s gemachtigde de procureur-generaal met vermelding van de gronden in kennis gesteld dat de inlichtingenstaat onvolledig blijkt te zijn. Bij dit schrijven is de Staat tevens gesommeerd om binnen 7 dagen na ontvangst van deze sommatie alsnog te doen toekomen een nieuwe c.q. volledige inlichtingenstaat en een geboorteakte van [naam], waaruit blijkt dat zij voorheen de geslachtsnaam ”[naam]” heeft gedragen. In dit schrijven is aan de Staat medegedeeld, dat indien niet binnen de gestelde termijn aan de sommatie is voldaan, de dwangsom zal warden geëxecuteerd en de kosten ten laste van de Staat zullen worden gebracht. De gecorrigeerde stukken zijn per fax verzonden naar de gemachtigde van [appellant].

3.3 Bij exploot van deurwaarder D. Hieralal d.d. 18 december 2014 no. 230 heeft [appellant] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder Rosebel Gold Mines N.V., teneinde de dwangsom van SRD 100.0000,- te verbeuren.

3.4 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding d.d. 28 mei 2015 A.R.No. 15-1369 heeft de kantonrechter de opheffing gelast van het bij exploot van de deurwaarder D. Hieralal, d.d. 18 december 2014 no. 230 gelegd executoriaal derdenbeslag onder Rosebel Gold Mines N.V. Dit vonnis is voorts uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is [appellant] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen.

4. De vordering, de grieven en het verweer in de hoofdzaak
4.1 [appellant] vordert dat het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding, d.d. 28 mei 2012, A.R.No. 15-1369 zal worden vernietigd, en opnieuw rechtdoende de vordering van de Staat alsnog zal worden afgewezen, dan wel de gevraagde voorziening zal worden geweigerd.

4.2 [appellant] heeft als grieven tegen het vonnis aangevoerd:
1. Dat uit de door [appellant] aangehaalde verweren in zijn conclusies van antwoord en dupliek blijkt dat hij niet bloot heeft ontkend, maar juist genoegzaam en met data onderbouwd, verweer heeft gevoerd dat de Staat binnen de vastgestelde termijn van een maand de betreffende bescheiden aan [appellant] heeft verstrekt;
2. Dat de Kantonrechter in het vonnis voornoemd heeft vastgesteld dat de Staat op on­ deugdelijke wijze uitvoering heeft gegeven aan het vonnis. Het ondeugdelijk uitvoeren van een vonnis wordt gelijkgesteld aan het niet uitvoeren van een veroordeling, waardoor de dwangsom wordt verbeurd.

4.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt, voorzover nodig, bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
Grief I
5.1 De Staat voert als verweer dat de eerste grief van [appellant] faalt, daar hij het gestelde inderdaad bloot heeft weersproken. Bij conclusie van antwoord heeft [appellant] gesteld dat de inlichtingenstaat is gedateerd 06 maart 2014 en dat zulks is geadresseerd aan de Procureur-Generaal en niet aan zijn gemachtigde. Dit is juist. Het is eveneens juist dat het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB) bij schrijven van 10 maart 2014 de desbetreffende documenten heeft verzonden naar de Procureur-Generaal, wiens parket het binnen de gestelde termijn heeft doorverzonden naar de advocaat van [appellant]. [appellant] weerspreekt dit, doch heeft hij noch bij antwoord, noch bij dupliek aangegeven, wanneer de bescheiden zijn ontvangen. [appellant] heeft zich namelijk geconcentreerd op de ondeugdelijke wijze waarop uitvoering is gegeven aan het vonnis.
[appellant] heeft nimmer aan de Procureur-Generaal in zijn schrijven d.d. 17 oktober 2014 melding van gemaakt dat de stukken niet binnen een maand zijn verstrekt. Thans wordt door [appellant] een schrijven overgelegd waaruit blijkt dat de gemachtigde van [appellant] de stukken pas op 19 maart 2014 heeft ontvangen. Ten principale heeft [appellant] dit schrijven niet in het geding gebracht.
Dit betekend dus dat de kantonrechter geen kennis van droeg dat de bescheiden op 19 maart 2014 zouden zijn afgegeven.
De kantonrechter is dus terecht tot de bevinding gekomen dat [appellant] volstaan heeft met een bloot verweer en is komen vast te staan dat de documenten binnen de gestelde termijn zijn verstrekt.
Ook indien de verstrekking van de documenten heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014, dan zou de Staat 2 dagen te laat zijn en een boete hebben verbeurd van
SRD 2.000,-.

5.1.1. Het Hof is van oordeel dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken en mede blijkens de door [appellant] overgelegde productie I bij pleitnota, is komen vast te staan, dat aan de gemachtigde van [appellant], mr. Sewdien de originele akten zijn afgestaan op 19 maart 2014 en niet uiterlijk op 17 maart 2014, zoals dit had gemoeten.
Geoordeeld wordt, dat derhalve is komen vast te staan, dat de Staat twee dagen te laat is geweest met het voldoen aan het vonnis van de kantonrechter in Kort Geding d.d. 09 januari 2014.
Echter wordt geoordeeld dat de Staat is veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen. Nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij twee dagen te laat heeft voldaan aan het vonnis voornoemd, is ook een bedrag van slechts SRD 2.000,- verbeurd; niet het door [appellant] gevorderd bedrag van SRD 100.000,-.

Grief II
5.2 De Staat is het oneens met [appellant] dat zij op ondeugdelijke wijze uitvoering heeft gegeven aan het vonnis. Door het handelen van [naam] en/of haar ouders zijn de registers van het CBB onvolledig geweest. De betreffende documenten zijn opgemaakt aan de hand van toen aangetroffen persoonsgegevens van [naam]. Pas bij nader onderzoek naar aanleiding van de deurwaardersexploot d.d. 17 oktober 2014, is aan [appellant] de gecorrigeerde inlichtingenstaat verstrekt en wel binnen de aangegeven 7 dagen.

5.2.1. Ter beoordeling van de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd, dient het Hof de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient voorop te worden gesteld, het doel en de strekking van de veroordeling in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het beoogde doel.
Voorts wenst het Hof te overwegen dat, met in achtneming van de redelijkheid en de billijkheid, niet elke overtreding voldoende ernstig is, om te rechtvaardigen dat daardoor de dwangsommen zijn verbeurd.

5.2.2. In casu is namelijk gebleken dat de Staat is veroordeeld om binnen een maand na
betekening van dit vonnis aan eiser af te geven een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte – en een overlijdensakte van [naam] danwel [naam] geboren op 18 december 1944 in het [district] en overleden op 27 februari 2006 te Paramaribo/Zuidwest.

5.2.3. Uit de stellingen en weren is in voldoende mate komen vast te staan, dat de inlichtingen­ staat onvolkomenheden bevatte en dat in de geboorteakte van [naam]niet is vermeld dat zij eerder de geslachtsnaam Jaman heeft gedragen.
Overwegende dat de veroordeling van de Staat tot doel heeft gehad, de Staat ertoe te bewegen gegevens van personen (in deze [naam] danwel [naam]) te verstrekken aan een derde (in deze [appellant]). De Staat had zich namelijk op het standpunt gesteld dat zij een beleid hanteert, waarbij informatie over personen niet aan derden wordt verstrekt.
Gelet op het doe! en de strekking van de veroordeling, met name het bewegen van de Staat op de benodigde informatie aan [appellant] te verstrekken, kan worden opgemerkt, dat hieraan geheel is voldaan.
De achteraf gebleken onvolkomenheden geven het Hof geen aanleiding aan te nemen dat niet aan het vonnis is voldaan; immers zijn de onvolkomenheden niet van dien aard, dat kan worden gesproken van het weigeren aan het vonnis te voldoen.
Bovendien is voorts gebleken dat de Staat, na op de onvolkomenheden te zijn geattendeerd, deze prompt en wel binnen een week heeft gecorrigeerd.
Ten aanzien van de aanvulling van de geslachtsnaam van [naam], kan worden gesteld dat de Staat in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt, die gevorderde wijzigingen niet zelfstandig te kunnen aanbrengen, daar deze door de kantonrechter dienen te worden aangepast. Ook het feit dat zij het proces daartoe heeft ingezet, geeft naar het oordeel van het Hof blijk dat zijdens de Staat niet de intentie bestond/bestaat, om geen uitvoering aan het vonnis te geven.

5.3 Het Hof is van oordeel dat, hoewel de eerste grief van [appellant] gedeeltelijk is geslaagd, de hoogte van de vordering het door hem gelegd beslag niet rechtvaardigt. Het vonnis waarvan beroep, zal dan ook worden bevestigd.
[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten.

6. De beslissing in hoger beroep Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 28 mei 2015 bekend onder A.R.No. 15-1369, waarvan beroep;

6.2 Veroordeelt Badew in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. S.T. Sewdien, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-85

G.R.No. 15055

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

1. DE STICHTING HARRYPERSAD,
gevestigd in het [district],
2. [appellant sub 2],
kantoorhoudende c.q. wonende in [district],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in het [district],
verder te noemen: [geïntimeerde]
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 23 maart 2015 (A.R.No. 15-0709) tussen appellanten als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 10 april 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 juli 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 2 december 2016;
  • de dupliekpleitnota d.d. 3 maart 2017.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

2. Op vordering van appellanten is [geïntimeerde] bij een eerder vonnis (d.d. 23 mei 2013, A.R.No.
11-0154) op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van dat vonnis bepaalde bedrijfsactiviteiten te staken. Appellanten hebben zich vervolgens op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] niet aan deze veroordeling heeft voldaan en dat hij daarom aan hen dwangsommen heeft verbeurd tot een bedrag van SRD 100.000,-. Zij hebben vervolgens ten laste van [geïntimeerde] executoriaal beslag gelegd op een nader ten processe omschreven onroerend goed van [geïntimeerde] alsmede onder de Staat.

3 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd de opheffing van deze beslagen te gelasten. Voorts heeft hij een bedrag van SRD 4.500,- gevorderd wegens door hem gemaakte advocaatkosten.
De kantonrechter heeft deze vorderingen, in zoverre uitvoerbaar verklaard en bij voorraad het vonnis toegewezen. Bovendien werden appellanten in de proceskosten verwezen.

4. Tegen deze beslissingen komen appellanten in hoger beroep op. Hun grieven dan wel bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter komen op het volgende neer:
(i) ten onrechte heeft de kantonrechter op de enkele grond dat er diepgaand onderzoek zal moeten plaatsvinden alvorens in rechte kan worden geoordeeld of dwangsommen zijn verbeurd, welk onderzoek niet in (dit) kort geding maar in een bodemprocedure dient plaats te vinden, de executoriale beslagen opgeheven;
(ii) ten onrechte heeft de kantonrechter, zonder daarvoor enige motivering te geven, appellanten tot betaling van het bedrag van SRD. 4.500,- veroordeeld.

5. Artikel 492 Rv bepaalt dat de wederpartij van de veroordeelde bevoegd is het vonnis voor de verbeurde dwangsommen ten uitvoer te leggen zonder daarvoor een nieuwe titel te hebben verkregen. Indien de veroordeelde, zoals thans [geïntimeerde], in een executiegeschil daartegen opkomt, rust op hem in beginsel de bewijslast van de feiten die hij aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Onder omstandigheden moet op voormeld beginsel naar redelijkheid en billijkheid een uitzondering worden gemaakt.

6. Het gaat hier om een kort geding. Dan is niet zozeer aan de orde wie van partijen de bewijslast van bepaalde feiten draagt als wel wie zijn of haar stellingen voorshands aannemelijk heeft gemaakt. Indien, zoals de kantonrechter blijkbaar voorlopig heeft geoordeeld, de balans niet duidelijk naar deze of gene zijde doorslaat en voor een behoorlijke beslissing onderzoek door de bodemrechter noodzakelijk is, behoort in afwachting daarvan met terughoudendheid op de door de geëxecuteerde gevorderde voorzieningen te worden beslist. Een belangenafweging behoort daarbij een rol te spelen.

7. De kantonrechter heeft die terughoudendheid niet betracht. Zij heeft, oordelend dat de bodemrechter over de grondslag van [geïntimeerde’s] vordering een beslissing dient te nemen – welk oordeel het Hof onderschrijft -, de beslagen zonder meer opgeheven. Niet blijkt dat zij daarbij de belangen van partijen tegen elkaar heeft afgewogen.
Behalve opheffing van het beslag dan wel afwijzing van de daarop gerichte vorderingen, waren nog andere (orde-)beslissingen denkbaar, zoals opheffing tegen het stellen van zekerheid door [geïntimeerde] of schorsing van de executie met handhaving van het beslag. In een belangenafweging was eveneens denkbaar geweest het ene beslag te handhaven en het andere op te heffen.

8. Dat de uitgesproken opheffing van de beslagen voor appellanten ernstige gevolgen heeft, blijkt uit de door [geïntimeerde] niet betwiste stelling van appellanten dat hij het beslagen onroerend goed vervolgens heeft vervreemd, zodat het verhaal van de vordering van appellanten daarop illusoir is geworden.

9. Het Hof acht om voormelde redenen de hierboven onder 4 (i) genoemde grieven en bezwaren van appellanten gegrond.

10. Dat geldt ook voor de onder 4 (ii) genoemde grieven en bezwaren. De kantonrechter heeft zonder enige motivering de vordering tot betaling van een bedrag van SRD 4.500,- toegewezen. Nog daargelaten dat het hier gaat om een betwiste geldvordering in kort geding, is deze onlosmakelijk verbonden met de vorderingen tot opheffing van de gelegde executoriale beslagen. Waar het Hof tot het oordeel is gekomen dat deze beslagen niet zonder meer hadden mogen worden opgeheven, leidt dit er eveneens toe dat de geldvordering had moeten worden afgewezen.

11. Het Hof zal dan ook het vonnis van de kantonrechter vernietigen en de door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen alsnog afwijzen. Daardoor zouden de beslagen herleven, zij het dat intussen opgetreden wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed moeten worden geëerbiedigd (H.R. 23 -2-1996, NJ 1996/434). Met betrekking tot het onroerend goed betekent dit dat het beslag, vanwege de plaatsgevonden vervreemding, niet herleeft. Met betrekking tot het onder de Staat gelegde derdenbeslag brengt voormelde rechtsregel mee dat het beslag herleeft na het door appellanten opnieuw vervullen van de formaliteiten als vermeld in artikel 344 e.v. Rv.

12. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 23 maart 2015 (A.R.No. 15-0709)

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af,

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van appellanten begroot

  • voor de eerste aanleg op nihil
  • voor het hoger beroep op SRD 285,-

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Waarnemend Substituut Griffier

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-84

G.R.No.15105

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

N.V. MAYO,
STICHTING ESPERANZA,
[Appellant sub C],
gevestigd en kantoorhoudende, respectievelijk wonende te [Plaats],
appellanten,
verder ook aan te duiden als Mayo c.s., respectievelijk Mayo, de Stichting of [appellant sub C],
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [Plaats],
geïntimeerde,
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde],
gemachtigde: I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 21 januari 2014 (A.R.No. 03-3507), tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie tevens gedaagde in reconventie en Mayo c.s. als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken, inhoudende dat op 8 april 2014 door mr. F.M.S. Ishaak, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat Mayo c.s. hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 21 januari 2014 is gewezen en uitgesproken;
  • pleidooi van 5 augustus 2016;
  • antwoordpleidooi van 4 november 2016;
  • repliek pleidooi d.d. 6 januari 2017;
  • dupliek pleidooi d.d. 3 februari 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 16 juni 2017 en vervolgens nader op 2 november 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De dienstbrief dateert van 19 maart 2014. Mayo c.s. heeft volgens de verklaring van de griffier op 8 april 2014 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en Mayo c.s. is ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling

1.1. Tussen partijen staat – kort gezegd – het volgende vast.

  • [geïntimeerde] en haar moeder [naam] waren gerechtigd tot het erfpachtsrecht op het perceelland, gelegen te Paramaribo ten noorden van [straatnaam] bekend als [adres 1] ,bekend als [adres 2], (hierna: het perceelland).
  • De Stichting heeft aan [geïntimeerde] en [naam]een geldlening verstrekt van Nf. 12.000,00. Ter verzekering van deze schuld hebben zij aan de Stichting bij akte van 23 september 1999 een tweede hypotheek op voornoemd perceelland verleend.
  • In een onderhandse akte van 23 september 1999 heeft [geïntimeerde] in privé en als gevolmachtigde van [naam] aan de Stichting last en volmacht verleend tot verkoop aan derden of aan de gemachtigde in privé van voornoemd erfpachtsrecht. In de akte wordt verder vermeld dat de volmacht alleen kan worden gebruikt indien [geïntimeerde] in gebreke is gebleven om aan haar verplichtingen jegens de Stichting te voldoen.
  • Bij exploit van 8 december 1999 heeft de Stichting aan [geïntimeerde] betekend haar brief van dezelfde datum, waarin zij [geïntimeerde] in gebreke heeft gesteld in verband met het niet betalen van de aflossingen van 6 november 1999 en 6 december 1999 van elk Nf. 600,00.
  • Bij onderhandse akte van 9 december 1999 heeft [geïntimeerde] (pro se en als gevolmachtigde van [naam]) meergenoemd erfpachtsrecht voor een bedrag van Nf. 12.000,00 verkocht aan [appellant sub C] in diens hoedanigheid van directeur van N.V. MAYO.
  • [appellant sub C] heeft als bestuurslid van de Stichting c.q. als gevolmachtigde van [geïntimeerde] en voorts in hoedanigheid van directeur van N.V. MAYO krachtens de akte van 23 september 1999, voornoemd erfpachtsrecht bij notariële akte van 10 december 1999 overgeschreven in de openbare registers en het (in hoedanigheid van bestuurslid van de Stichting en als gevolmachtigde van [geïntimeerde]) op diezelfde dag verkocht aan N.V. MAYO.
  • Bij vonnis van de kantonrechter van 15 mei 2003 A.R. no. 01-1747 is Mayo c.s. (onder meer) verboden om beheers- of beschikkingsdaden te verrichten met betrekking tot voornoemd erfpachtsrecht totdat de bodemrechter omtrent de rechtsgeldigheid daarvan en de levering aan N.V. MAYO heeft beslist, een en ander op verbeurte van een dwangsom.

1.2. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd bij vonnis de leveringsakte van 10 december 1999 met betrekking tot het erfpachtsrecht op het perceelland c.a. nietig te verklaren, althans te vernietigen, en de doorhaling te gelasten van de levering daarvan in de registers van het hypotheekkantoor en ingeschreven in dagregister deel 204 no. 2393 van 16 december 1999.

Mayo c.s. heeft een tegenvordering ingesteld en gevorderd dat [geïntimeerde] het perceelland ontruimt en aan haar ter beschikking stelt.

1.3. De kantonrechter heeft – kort gezegd – bij vonnis van 21 januari 2014 de leveringsakte betrekking hebbende op het erfpachtsrecht nietig verklaard en de doorhaling van de levering in de registers van het hypotheekkantoor gelast. De vordering in reconventie is afgwezen.

1.4. De kantonrechter heeft in haar vonnis onder andere overwogen dat de te beantwoorden vraag is of er sprake is van vereenzelviging en dat, indien dat zo is, de bepaling van artikel 1207 BW aan de orde is. Immers, dan heeft de schuldeiser een zodanige constructie met [geïntimeerde] afgesproken waarbij hij de mogelijkheid heeft om zich het verhypothekeerde goed toe te eigenen, wat hij ook daadwerkelijk heeft gedaan. Volgens de kantonrechter is er sprake van een situatie waarbij de schuldeiser, de hypotheekhouder en de koper van het onroerend goed, feitelijk een en dezelfde persoon zijn. [appellant sub C] is de kredietverstrekker, hij is enig bestuurslid van de Stichting als hypotheekhouder en hij is de directeur en enig aandeelhouder van N.V. MAYO. Daarmee is vast komen te staan dat het verbod en de bepaling van artikel 1207 lid 1 BW aan de orde is. De kantonrechter heeft de leveringsakte betreffende het erfpachtsrecht nietig verklaard.

1.5. Mayo c.s. heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, zodat het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan.

1.6. Mayo c.s. concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en vordert alsnog de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen en in reconventie [geïntimeerde] tot ontruiming te veroordelen.

1.7. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8. Op de grieven en verweren zal, voor zover van belang, in het hierna volgende worden ingegaan.

1.9. Artikel 1207 lid 1 BW bepaalt dat alle bedingen, bij welke de schuldeiser gemachtigd zou worden om zich het verhypothekeerde goed toe te eigenen, nietig zijn.

1.10. Mayo c.s. heeft in zijn grief naar voren gebracht dat de kantonrechter ten onrechte een oneigenlijk toepassing aan dit artikel heeft gegeven, omdat het verbod in voornoemd artikel (exclusief) betrekking heeft op bedingen die in de hypotheekakte kunnen worden vermeld of opgenomen, terwijl het in het onderhavige geval gaat om eigendomsoverdracht met als titel koop en verkoop.

1.11. Het standpunt van Mayo c.s. wordt niet door het Hof gevolgd, waartoe het volgende redengevend is.
De achtergrond van artikel 1207 BW is dat het toe-eigeningsverbod in het leven is geroepen om de hypotheeknemer te beschermen voor het geval dat het goed waarvoor de zekerheid is verleend de waarde van de vordering overtreft, zodat een beding tot overdracht aan de hypotheekverstrekker de schuldenaar zou kunnen benadelen.
Het verbod geldt niet wanneer het beding wordt gemaakt wanneer de schuldenaar al in verzuim is.
Het verbod geldt voor “alle bedingen” , niet alleen bedingen die in de hypotheekakte zelf zijn opgenomen maar ook voor bedingen die met de overeenkomst waarvoor hypothecaire zekerheid wordt verleend samenhangen.

1.12. In dit geval dateert de akte van geldlening van 23 september 1999 en is de volmacht tot overdracht aan een derde of aan de gemachtigde in privé (dat wil zeggen: [appellant sub C]) van dezelfde datum. [geïntimeerde] was toen niet in verzuim. Van de volmacht is gebruik gemaakt op 9 december 1999, toen [geïntimeerde] in gebreke was doordat zij twee termijnen niet had betaald. Op die datum is het erfpachtsrecht voor hetzelfde bedrag waarvoor de geldlening was verstrekt – Nf.12.000,00 – verkocht aan [appellant sub C] in hoedanigheid van directeur van N.V. MAYO.
Vast staat dat de Stichting de geldlening heeft verstrekt. De levering heeft vervolgens op 10 december 1999 plaatsgevonden; uit de akte blijkt dat [appellant sub C] als directeur van de Stichting c.q. als gevolmachtigde van [geïntimeerde] het erfpachtsrecht aan N.V. MAYO, van wie hij enig aandeelhouder is, heeft verkocht.

1.13. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat [appellant sub C], de Stichting en N.V. MAYO moeten worden vereenzelvigd. Het is immers een samenhangend geheel, één entiteit, van [appellant sub C] als natuurlijk persoon die de beide rechtspersonen bestuurt. Hij is zowel bestuurslid van de Stichting als directeur van N.V. MAYO, waarvan hij enig aandeelhouder is. In die constructie heeft de Stichting als degene die het geld aan [geïntimeerde] heeft geleend ervoor gezorgd dat N.V. MAYO eigenaar is geworden voor een bedrag van Nf. 12.000,00. Mayo c.s. heeft niet betwist dat het perceelland met opstal volgens een taxatie van 12 december 2002 (productie 4b conclusie van repliek in conventie) toen een waarde had van ongeveer € 67.000,00. Dat leidt tot het vermoeden dat de verkoop van het perceelland in december 1999 aan N.V. MAYO voor Nf. 12.000,00, voor een veel te lage prijs heeft plaatsgevonden.

1.14. Daarmee is de beschermingsbepaling van artikel 1207 BW ontweken. De volmacht tot verkoop aan derden of aan de gemachtigde in privé geldt als beding dat in strijd is met de bepaling van artikel 1207 BW. Dit beding is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nietig. Het beding heeft ten grondslag gelegen aan de overeenkomst tot verkoop van 9 december 1999, zodat de daarop volgende leveringshandeling van 10 december 1999 eveneens nietig is.

1.15. De kantonrechter heeft de akte van levering terecht nietig verklaard en doorhaling in de openbare registers gelast. Omdat N.V. MAYO geen eigenaar van het erfpachtsrecht is geworden, is de vordering in reconventie die strekte tot ontruiming door [geïntimeerde], terecht afgewezen.

1.16. Op grond van het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven geen doel treffen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

1.19. Mayo c.s. krijgt ongelijk en zal worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep zoals in het dictum is opgenomen.

2. De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

2.1. bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 21 januari 2014 A.R.No.03-3507, waarvan beroep;

2.2. veroordeelt Mayo c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.N. Adhin namens advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat I.D. kanhai, Bsc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-83

G.R.No. 15109

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

TOR HOLDING N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
appellant,
verder te noemen: TOR,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

A. CONTINENTAL SHIPPING AGENCIES N.V.,
en
B. CARIBBEAN TRANSPORT & FORWARDING N.V.,
beiden gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerden,
verder te noemen: CSA respectievelijk CT&F,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 14 januari 2010 (A.R.No. 09-2489) tussen TOR als eiser en CSA en CT&F als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 1 september 2010 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat TOR tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 7 oktober 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 20 januari 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 3 maart 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 21 april 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 oktober 2017 en vervolgens nader op 3 augustus 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat TOR daarin kan worden ontvangen.

2. De kantonrechter in kort geding heeft de vorderingen van partijen over en weer afgewezen op grond van artikel 228 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het spoedeisend belang ontbrak. Dat oordeel is in hoger beroep in kort geding aan het Hof voorgelegd met de grieven 1 en 2.

3. TOR heeft tot 11 december 2015 gewacht met het aanzeggen van het appél aan de wederpartijen. Dat is nagenoeg zes jaar. De verklaring daarvoor moet gelegen zijn in het voeren van het bodemgeschil over dezelfde kwestie, waarop TOR wijst. TOR stelt dat zij de bodemzaak heeft verloren en dat zij van die uitspraak in appél is gekomen. Dat hoger beroep is nog in behandeling.

4. Of een geschil in kort geding spoedeisend is, hangt samen met de aard van de vordering en de verdere omstandigheden van het geval. De aard van de vordering is in deze zaak een geldvordering, die niet zonder meer naar haar aard spoedeisend is. De verdere omstandigheden zijn dat:
a. TOR ervoor heeft gekozen het hoger beroep in kort geding pas na zes jaar aan te zeggen;
b. TOR’s vordering in de bodemzaak door de kantonrechter is afgewezen;
c. de geldvorderingen van TOR zijn gebaseerd op management fee en tantième, die moeten zien op de periode voorafgaand aan de contractsbeëindiging op 22 juli 2008;
d. de som van die geldvorderingen volgens TOR USD 8.565 is;
e. de directeur en groot aandeelhouder (dga) van TOR aansluitend aan de beëindiging van de managementovereenkomst als manager bij een grotere onderneming is gaan werken.

5. Uit het voorgaande (onder 4 sub b) volgt dat de vordering van TOR op voorhand (in kort geding) niet aannemelijk is, mede doordat TOR niet heeft toegelicht waarom de afwijzing plaatsvond en waarom zij het daarmee (blijkbaar) niet eens is. Ook het vonnis en de memorie van grieven en/of de pleitnota uit de bodemzaak zijn niet overgelegd in kort geding. Dat de vordering niet aannemelijk is, staat in de weg aan toewijzing ervan.
De spoedeisendheid van de vordering ontbreekt overigens ook op het eerste gezicht. De dga van TOR is ongeveer tien jaar geleden ergens anders zijn geld gaan verdienen. Wat TOR nu doet, is niet door haar toegelicht. Waarom TOR het al tien jaar openstaande bedrag van USD 8.565 nu nodig heeft op zodanig dringende manier dat haar vordering spoedeisend is, heeft zij niet toegelicht. Dat was zeker nodig geweest, mede in het licht van de bijna zes jaren die zij heeft gewacht met de aanzegging van het hoger beroep in kort geding.

6. De grieven 1 en 2 slagen niet. Grief 3 over de proceskostenveroordeling deelt dat lot. Nu de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.
TOR zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 14 januari 2010 (A.R.No. 09-2489), waarvan beroep;

veroordeelt TOR in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van CSA en CT&F begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van appellant en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E . van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-82

G.R.No.15128

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [erflater], TE WETEN:

1. [Appellant sub 1],
2. [Appellant sub 2],
3. [Appellant sub 3],
4. [Appellant sub 4],
5. [Appellant sub 5],
6. [Appellant sub 6],
7. [Appellant sub 7],
8. [Appellant sub 8],
9. [Appellant sub 9],
wonende te [plaats] (no.’s 1 t/m 3 en 7 t/m 9) en te [gemeente],[land] (no.’s 4 t/m 6),
appellanten,
verder te noemen: [appellanten],
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde], ten rechte geheten [geïntimeerde],
wonende in het [district]
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. R.G. Beckles, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 23 juni 2015 (A.R.No.10-5240) tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 14 juli 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellanten] tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 17 februari 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 19 mei 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 21 juli 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellanten] daarin kunnen worden ontvangen. Ingevolge artikel 269 Rv is het ook gericht tegen het daaraan voorafgegane vonnis d.d. 13 december 2011.

2. In deze procedure vorderen [appellanten] bij vonnis vast te stellen of te bepalen de hoogte van de door hen te verbeuren dwangsommen ten gunste of ten behoeve van [geïntimeerde].
De kantonrechter heeft deze vordering bij het thans bestreden vonnis afgewezen en tegen deze beslissing komen [appellanten] in appel op.

3. Het Hof constateert dat [appellanten] noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep hun vordering op behoorlijke wijze van een grondslag hebben voorzien.

4. Bij het verzoekschrift in eerste aanleg verwijzen zij naar een tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de kantonrechter d.d. 18 november 2010 (A.R.No. 10-1769) en het inleidend rekest dat laatstbedoelde procedure zou hebben ingeleid.
Anders dan aangekondigd, hebben [appellanten] bedoeld vonnis niet overgelegd. Dit bestaat ook niet, gelijk de kantonrechter na raadpleging van het dossier A.R.No. 10-1769 heeft vastgesteld. Het wél door [appellanten] overgelegde inleidend rekest hoort, zo begrijpt het Hof uit de pleitnota van [appellanten] in appel, thuis in de zaak met A.R.No. 10-2187 en heeft tot het (wederom niet overgelegde) vonnis van 18 november 2010 geleid.

5. In bedoeld, door [appellanten] overgelegd, inleidend rekest wordt verwezen naar nog weer een ander vonnis (d.d. 20 januari 2010, A.R.No. 09-1904). Ook dit vonnis is door [appellanten] niet in het geding gebracht.
Voor zover het Hof uit de stellingen van [appellanten] kan opmaken, zijn ten laste van hen c.q. van hun rechtsvoorganger(s) bij dit vonnis (A.R.No. 09-1904) aan een veroordeling dwangsommen verbonden en heeft de kantonrechter in het kort geding-vonnis d.d. 18 november 2010
(A.R.No. 10-2187) geoordeeld dat de bodemrechter de hoogte van de verbeurde dwangsommen (nader) zou moeten vaststellen.
Dit heeft geleid tot het door [appellanten] aanhangig maken van de thans voorliggende zaak.

6. Daarmee moet het Hof het doen. [appellanten] hebben gevorderd gelijk hierboven onder 2 is vermeld, maar hebben nagelaten daarvoor enige grondslag op te geven; een maatstaf ter bepaling van de omvang van de verbeurde dwangsommen hebben zij niet aangereikt. Het Hof heeft kortom niets in handen om te doen wat [appellanten] vorderen. Dat leidt tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] in de ingestelde vorderingen. Het Hof verstaat dat de afwijzing van hun vorderingen door de kantonrechter deze niet-ontvankelijkheid in zich houdt.

7. De voorgedragen grieven slagen niet en, nu het Hof tegen de vonnissen van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zullen deze worden bevestigd.
[appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt de in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnissen van 13 december 2011 en 23 juni 2015 (A.R.No.10-5240),

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. S.S.S. Wijnhard , Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. S.S.S. Wijnhard

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. B.G. Beckles, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-81

G.R.No. 15130

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
verder ook aan te duiden als [appellant],
gemachtigde: mr. T. Jhakry, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. S.R. Ramrattansing, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 2 juli 2015 (A.R.No. 15-0375) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant]als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging in kort geding uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken, inhoudende dat op 13 juli 2015 door mr. T. Jhakry, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat [appellant] hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 2 juli 2015 (A.R.No. 15-0375) in kort geding is gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant]als gedaagde;
  • memorie van grieven d.d. 14 augustus 2016;
  • pleitnota van 2 december 2016;
  • antwoordpleitnota van 17 maart 2017;
  • repliekpleitnota van 19 mei 2017;
  • het mondelinge dupliekpleidooi d.d. 20 oktober 2017, waarbij is geconcludeerd tot persistit;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 16 maart 2018 en vervolgens nader op 6 juli 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

[appellant]is in persoon bij de uitspraak van het vonnis in kort geding van 2 juli 2015 verschenen. Hij heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsman bij schrijven van 13 juli 2015 appèl aangetekend tegen voornoemd vonnis. Het hoger beroep is tijdig en [appellant]is ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling

1.1. Het Hof gaat uit van de volgende feiten die vast staan omdat zij niet, althans onvoldoende zijn weersproken.

1.2. [appellant] is eigenaar van een perceelland in het district Wanica gelegen tussen de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2]. Op een deel van dat perceel zijn zandafgravingen verricht. Bij vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2013 zijn [naam]en [geïntimeerde] – op vordering van [appellant]- ieder afzonderlijk veroordeeld om alle werkzaamheden c.q. activiteiten op het perceelland stop te zetten en is hen verboden om aan derden toestemming te verlenen voor het betreden van het perceelland zonder toestemming van [appellant]; zij zijn verder veroordeeld om binnen een maand na betekening de zwaar materieel machines te verwijderen en om binnen vier maanden na betekening van het vonnis over te gaan tot herstel van het perceelland zoveel mogelijk in de oude toestand. Voormelde veroordelingen zijn verbonden aan verbeurte van een dwangsom ad. SRD. 5.000,– voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het vonnis, tot een maximum van SRD. 500.000,–.

1.3. Bij exploit van 10 mei 2014 is aan [geïntimeerde] een brief van de gemachtigde van [appellant] betekend waarin deze meedeelt dat het herstel niet volledig en niet deugdelijk is geweest en dat er nog een pakket aarde dient te worden aangebracht. In de brief is [geïntimeerde] gesommeerd alsnog de zaken in orde te maken, bij gebreke waarvan de dwangsom zal worden opgeëist of gevorderd.

1.4. [geïntimeerde] heeft niet aan de sommatie voldaan.

1.5. [appellant] heeft op 12 januari 2015 executoriaal beslag op een aantal onroerende zaken van [geïntimeerde] laten leggen.

1.6. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot opheffing van de ten laste van [geïntimeerde] gelegde executoriale beslagen afkomstig van deurwaarder Th. Jhagroe onder exploit no. 13A d.d. 12 januari 2015 op de aan hem toebehorende onroerende goederen.

1.7. [appellant] heeft verweer gevoerd en – kort gezegd – naar voren gebracht dat [geïntimeerde] voldoende gelegenheid tot herstel heeft gekregen, maar dat hij dit niet heeft gedaan; er is slordig en overhaast gewerkt. Er is geen overleg geweest.

1.8. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 2 juli 2015 het verzoek tot opheffing van de beslagen toegewezen en [appellant] in de kosten van het geding veroordeeld.
De kantonrechter heeft daartoe, onder meer, overwogen dat partijen tijdens de gehouden comparitie hebben aangegeven hoe het herstel is gepleegd en wanneer het herstel is aangevangen. Uit de verklaringen blijkt dat het herstel inderdaad binnen vier maanden na betekening van het vonnis is gepleegd. Volgens de kantonrechter zijn er, nu beide partijen stellen dat het herstel heeft plaatsgevonden, geen gronden om er vanuit te gaan dat de dwangsommen zijn verbeurd, immers er is aan het vonnis voldaan.

1.9. Op verzoek van [appellant] heeft [de ingenieur] op 14 juli 2014 een rapport over het herstel van het litigieuze perceel uitgebracht dat zich bij de stukken bevindt. [de ingenieur] concludeert dat het voor een adequate rehabilitatie noodzakelijk is dat het perceel wordt opgevuld met zandige klei, eventueel aangevuld met zand of leem (maximaal 25%), dat er daaraan voorafgaand eerst moet worden geploegd, dat de opvulwerkzaamheden onder droge omstandigheden moeten plaatsvinden en dat opvulling van het meer pas kan worden uitgevoerd nadat dit is drooggelegd.

1.10. [appellant] concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis.

1.11. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [appellant].
Op de grieven en weren zal hierna worden ingegaan.

1.12. Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter onvoldoende aandacht heeft besteed aan de vraag of en in hoeverre, aan het vonnis van 23 mei 2013 is voldaan, waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld om over te gaan tot herstel zoveel mogelijk in de oude toestand. Door slechts te overwegen dat het herstel heeft plaatsgevonden blijkt niet dat zij is nagegaan hoe het herstel in de oude toestand is verlopen. [appellant] had immers met een uitvoerig rapport van [de ingenieur] onderbouwd dat er nogal wat aan het herstel, dat in opdracht van [geïntimeerde] is uitgevoerd, mankeerde. In feite is [geïntimeerde] in het geheel niet ingegaan op dat rapport, maar heeft hij slechts gesteld dat hij het perceelland heeft laten herstellen en dat hij daarvoor kosten heeft gemaakt.

[geïntimeerde] heeft onder 5. van zijn conclusie van repliek te kennen gegeven dat hij niet op voornoemd rapport wil reageren omdat dat “nimmer” relevant is, nu het vonnis niet aangeeft dat de verrichte herstelwerkzaamheden door een bodemdeskundige moeten worden beoordeeld. Het Hof gaat aan dit argument voorbij omdat [appellant] het rapport nu juist door [de ingenieur] heeft laten opstellen om te kunnen onderbouwen dat en waarom het herstelwerk niet deugde. Met name het hoogteverschil tussen het oorspronkelijke oppervlak en de “herstelde” afgraving waardoor verdere opvulling van opritten en bovenlaag nodig was, het feit dat een aanzienlijk deel van de afgraving onder water stond, het voor een groot deel ontbreken van een “humeuze” toplaag, de inklinking van het bovenste profiel door zware machines, de waarneming van de deskundige dat het zuidelijke deel van de afgraving niet is hersteld zodat de met water gevulde zandput nog steeds aanwezig is en tot slot het feit dat de bodem niet langer geschikt is voor landgebruik leiden tot de voorlopige conclusie dat het herstelwerk onvoldoende is geweest en dat [geïntimeerde] de afgraving niet zoveel mogelijk in de oude toestand heeft laten herstellen.

Gelet op het feit dat [geïntimeerde] de bevindingen van [de ingenieur] niet heeft betwist, is het Hof van oordeel dat het voorshands aannemelijk is dat [geïntimeerde] niet (volledig) aan het vonnis van 23 mei 2013 heeft voldaan. De kantonrechter had de vordering tot opheffing van het beslag moeten afwijzen. In zoverre slaagt de eerste grief.

1.13. Ook de tweede grief slaagt omdat de kantonrechter ten onrechte geen aandacht aan de bevindingen van [de ingenieur] heeft geschonken. Overigens is het Hof van oordeel dat op grond van het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2013 niet vereist was dat er een deskundige bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden aanwezig had moeten zijn, zoals [geïntimeerde] in zijn antwoordpleitnota onder 5. heeft gesteld. Vaststelling of aan een veroordeling is voldaan is ter beoordeling van een partij zelf, aan wie het vrijstaat zich daarbij van deskundigenadvies te laten dienen.
Het Hof onderschrijft het verweer dat uit de facturen die [geïntimeerde] heeft getoond onvoldoende blijkt dat hij zoveel mogelijk in de oude toestand heeft hersteld. Ook daar had de kantonrechter aandacht aan kunnen schenken zodat het vonnis ook op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd is.

1.14. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen behoeven de overige grieven geen bespreking meer en komt het Hof tot de slotsom dat de eerste en tweede grief doel treffen. Het eindvonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Door deze vernietiging herleeft het beslag met dien verstande dat wijzigingen in de rechtstoestand van de beslagen goederen in de periode tussen de opheffing en de vernietiging moeten worden geëerbiedigd.

1.18. [geïntimeerde] zal als partij die ongelijk krijgt worden veroordeeld in de gedingkosten in eerste aanleg en in hoger beroep zoals hierna bij de beslissing is opgenomen.

2. De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

2.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 2 juli 2015,
A.R. no.15-0375, waarvan beroep; en

opnieuw rechtdoende:

2.2. Weigert de gevraagde voorzieningen;

2.3. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot

  • voor de eerste aanleg op nihil;
  • voor het hoger beroep op SRD 310,– (DRIEHONDERD EN TIEN SURINAAMSE DOLLARS).

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. S.R. Ramrattansingh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-80

G.R.No. 15034

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[APPELLANT],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
verder ook aan te duiden als [appellant],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

MARINE SUPPLY SERVICES CO. CORP.,
rechtspersoon naar Panama’s recht,
gevestigd en kantoorhoudende te Colon, Republiek Panama,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als Marine Supply,
gemachtigde: mr. R.L. Kensmil, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 27 november 2014 (A.R.No. 14-3341) tussen [appellant] als eiser en Marine Supply als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, bij vervroeging in kort geding het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 15 mei 2015, inhoudende dat op 22 december 2014 door mr. G.R. Sewcharan, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat [appellant] hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 27 november 2014 in kort geding is gewezen tussen [appellant] als eiser en Marine Supply als gedaagde;
  • pleitnota van 6 november 2015;
  • antwoordpleitnota van 5 februari 2016;
  • een mondeling repliekpleidooi waarbij is geconcludeerd tot persistit;
  • een mondeling dupliekpleidooi waarbij is geconcludeerd tot persistit;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 oktober 2016 en vervolgens nader op 1 juni 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

[appellant] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsman bij schrijven van 19 december 2014, ingekomen ter griffie der Kantongerechten op 22 december 2014, appèl aangetekend tegen het vonnis van 27 november 2014. De dienstbrief van de griffier waarbij deze een afschrift van het vonnis van de kantonrechter aan [appellant] heeft doen toekomen is gedateerd 5 december 2014. [appellant] heeft gesteld dat de brief van de griffier van 5 december 2014 en het vonnis hem op 8 december 2014 bekend geworden zijn. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] ingevolge het bepaalde in artikel 235 Rv. tijdig appèl ingesteld tegen voormeld vonnis, zodat hij ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

Het Hof oordeelt alsvolgt

De termijn voor hoger beroep tegen een vonnis in kort geding is veertien dagen. De dienstbrief dateert van 5 december 2015. Gelet op voornoemde termijn had de verklaring van hoger beroep uiterlijk op 19 december ter griffie der kantongerechten moeten zijn binnengekomen. Uit de verklaring van de griffier blijkt dat de verklaring van hoger beroep pas op 22 december 2014 is ingediend.
Het hoger beroep is dan ook te laat ingesteld, zodat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

De beoordeling

1. Gelet op het feit dat [appellant] niet-ontvankelijk is, komt het Hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling in hoger beroep.

2. De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

2.1. verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

2.2. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Marine Supply begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. J.S. Tamsiran namens advocaat mr. R.L. Kensmil, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-79

G.R.No. 15036
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van:

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CLICO LIFE INSURANCE COMPANY SURINAME N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
verder te noemen: Clico N.V.,
appellante,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ASSURIA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
B. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ASSURIA LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
verder gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: Assuria,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

en

C. DE RECHTSPERSOON NAAR VREEMD RECHT
CLICO LIFE AND GENERAL INSURANCE COMPANY (SOUTH AMERICA) LIMITED,
kantoorhoudende te Georgetown, Guyana,
verder te noemen: Clico S.A.,
niet verschenen,
geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 13 januari 2015 (A.R. No. 11-2492) tussen Clico N.V. als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie enerzijds en anderzijds Assuria als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie en Clico S.A. als gedaagde in conventie spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 6 februari 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Clico N.V. tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 18 november 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 21 april 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 6 oktober 2017.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Clico N.V. daarin kan worden ontvangen.

2. In deze zaak heeft Clico N.V. in conventie gevorderd – als opvordering van eigendom – voor recht te verklaren dat zij zich terecht verzet tegen de door Assuria voorgenomen openbare verkoop van een ten processe nader omschreven onroerend goed alsmede dat dit goed ten onrechte in het beslag is betrokken en ten slotte de opheffing van de gelegde beslagen te bevelen. In reconventie heeft Assuria gevorderd Clico N.V. te veroordelen om aan haar te betalen:
(i) een bedrag van US$ 68,016.00, vermeerderd met wettelijke rente en
(ii) de opnieuw te maken executiekosten tot verhaal van Assuria’s vordering op Clico S.A. ad
US$ 283,000.00 en verdere schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3. De kantonrechter heeft in haar thans bestreden vonnis de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie de vordering sub 2 (i) afgewezen en die onder 2 (ii) toegewezen.
Tegen deze beslissingen – niet tegen die m.b.t. 2 (i) – komt Clico N.V. onder aanvoering van drie grieven op.

4. Het Hof gaat uit van de feiten die de kantonrechter onder 2.1 t/m 2.8 van haar vonnis heeft vastgesteld, nu daartegen geen grieven zijn gericht. Voor de inhoud daarvan wordt naar dat vonnis verwezen.

5. Eén van de vaststaande feiten betreft het verlijden van een notariële akte op 10 mei 2011 betreffende de levering in juridische eigendom van het ten processe bedoelde onroerend goed door Clico S.A. aan Clico N.V., welke akte op 11 mei 2011 is overgeschreven in de openbare registers.
Clico N.V. stelt dat de economische eigendom van dat onroerend goed reeds sedert 1 januari 2004 aan haar toebehoort door geruisloze inbreng in haar vennootschap. Dit was ook voor derden kenbaar, aldus Clico N.V., door publicatie op haar balans.
Assuria heeft op het onroerend goed conservatoir en executoriaal beslag gelegd en die beslagen op onderscheidenlijk 12 juni 2009 en 11 mei 2010 in de openbare registers doen inschrijven.

6. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of de hiervoor onder 5 genoemde beslagen doel hebben getroffen en “kleven”, nu deze zijn gelegd ter verzekering en verhaal van een vordering van Assuria op Clico S.A.

7. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Naar Surinaams recht geldt dat de eigendom van zaken slechts wordt verkregen op een van de wijzen als in artikel 639 BW genoemd. “Geruisloze inbreng” in een (naamloze) vennootschap behoort daar niet toe. De door Clico N.V. genoemde economische eigendom is wellicht interessant voor bijvoorbeeld beleggers of houders van haar aandelen en heeft tevens verbintenisrechtelijke aspecten jegens Clico S.A., maar geen zakenrechtelijk gevolg. De uitgebreide beschouwingen van Clico N.V. over buitenlands recht en/of mogelijk toekomstig Surinaams recht helpen haar niet verder.

8. Hierop stuiten de grieven af, wat daarvan verder zij. Ten aanzien van de derde grief merkt het Hof nog op dat de afwijzing van de door haar ingestelde opvordering van eigendom krachtens de wet (artikel 424 Rv) meebrengt dat Clico N.V. de kosten moet betalen, waartoe de kantonrechter haar heeft veroordeeld.

9. Nu de grieven niet slagen en het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het bestreden vonnis, zal dit worden bevestigd.
Clico N.V. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 13 januari 2015 (A.R.No. 11-2492),

veroordeelt Clico N.V. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Assuria begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. H.R. Lim A Po, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-78

G.R.No. 15063

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
kantoorhoudende te [paats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
niet verschenen,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in Kort geding van 10 april 2014 (A.R.No. 12-5059) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Uit de verklaring van de griffier blijkt dat [appellant] op 30 april 2014 hoger beroep heeft ingesteld. Mr. H.H. Veldkamp, advocaat, heeft op de zitting van 05 februari 2016, medegedeeld dat hij in hoger beroep niet de gemachtigde is van [geïntimeerde]. Op de rol van 19 februari 2016 heeft [appellant] het Hof verzocht vonnis te wijzen tegen de niet verschenen [geïntimeerde].

De beoordeling in conventie en in reconventie
1.1. Op 09 oktober 2012 is [appellant] met [geïntimeerde] een huurkoopovereenkomst aangegaan met [appellant] als koper inzake een voertuig van het merk Toyota Ipsum van het bouwjaar 2004 met als politiekentekennummer [kentekennummer] (hierna het voertuig).

1.2. De overeengekomen verkoopsom bedraagt USD 10,950,–. [appellant] heeft een bedrag van USD 5,000,– contant aanbetaald. Op de verkoopsom is verder in mindering gebracht de inruilwaarde ad USD 2,500,– van een voertuig van het merk Toyota type Crown van het bouwjaar 1999.

1.3. [appellant] is per 09 oktober 2012 een saldo van USD 3,864.– verschuldigd dat hij in zes maanden moet hebben afbetaald door maandelijkse aflossingen ad USD 644.–. In een schuldbekentenis voorzien van goedschrift en gedateerd 09 oktober 2012 met als schuldeiser [geïntimeerde] en als schuldenaar [appellant] staat onder meer dat terzake de koop en verkoop van het voertuig [geïntimeerde] aan [appellant] heeft voorgeschoten het bedrag van USD 3.864.–.

1.4 De eerste aflossingstermijn verschijnt op 09 november 2012. Op 01 november 2012 lost [appellant] een bedrag van USD 644.– af. Het saldo bedraagt per datum een bedrag van USD 3,220.–.

2.1 Primair heeft [appellant] in eerste aanleg in kort geding gevorderd:
a. de werking van de huurovereenkomst en de schuldbekentenis, beide van 09 oktober 2012, te schorsen althans op te schorten, totdat in de bodemprocedure definitief hierover is beslist;
b. terugname van de schade auto door [geïntimeerde] tegen teruggave aan [appellant] van het betaalde voorschot ad USD 7,500.– en de eerste aflossing ad USD 644.– en de betaalde reparatiekosten ad SRD 5.556,– onmiddellijk na de uitspraak onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000,– voor iedere dag.

Subsidiair heeft [appellant] gevorderd:
c. veroordeling van [geïntimeerde] om als voorschot de bedragen van
USD 7,250.– en SRD 5.000,– te betalen onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 10.000,– voor iedere dag;
d. veroordeling van [geïntimeerde] in de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten en het honorarium van de advocaat ad SRD 3.000,–.

2.2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een vordering in reconventie ingesteld. Hij heeft, zakelijk weergegeven, gevorderd:

  • [appellant] te veroordelen om een voorschot ad USD 3,200.– vermeerderd met de boeterente van 2.5% per maand te betalen tot aan de voldoening;
  • [appellant] te verbieden om [geïntimeerde] door negatieve publiciteit in de media te bekladden onder verbeurte van een dwangsom ad SRD 5.000,–;
  • [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding zoals overeengekomen in artikel 12 van de huurkoopvoorwaarden en het honorarium van de advocaat ad SRD 3.000,–.

2.3 In conventie in [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van SRD 5.556,– te betalen. [appellant] is in reconventie veroordeeld het bedrag van USD 3,220.– aan [geïntimeerde] te betalen vermeerderd met de rente van 18% per jaar met ingang van 01 december 2012.

2.4 [appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en [geïntimeerde] te veroordelen zoals primair en subsidiair gevorderd in eerste aanleg met behoud van het voertuig ter compensatie van de koopsom die hij reeds heeft betaald.

3.1. Uit de aantekening van de griffier op het kort geding vonnis van 10 april 2014 volgt dat [appellant] in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Het vonnis is bij dienstbrief van 18 augustus 2014 aan [appellant] meegedeeld. Aangezien [appellant] op 29 april 2014 reeds hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.

3.2. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

3.3. De grieven in conventie en in reconventie worden in het hierna volgende gezamenlijk behandeld.

3.3.1 [appellant] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat hij is afgegaan op reclame van [geïntimeerde]en een voertuig op huurkoop van betrokkene heeft gekocht. Bij levering van het voertuig op 09 oktober 2012 zijn gebreken aan de auto gebleken. Toen is hem duidelijk geworden dat [geïntimeerde] hem een schadeauto heeft verkocht. Hoewel met [geïntimeerde] was afgesproken dat de gebreken verholpen zouden worden, heeft laatstgenoemde het voertuig weer met gebreken afgeleverd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van misleidende reclame door [geïntimeerde]. Was hij ervan op de hoogte geweest dat het betreffende voertuig een schadeauto betrof, dan zou hij nimmer de huurkoop met [geïntimeerde] zijn aangegaan. In het bestreden eindvonnis van 10 april 2014 oordeelt de Kantonrechter in conventie dat [appellant] zijn vordering primair heeft gegrond op wanprestatie en subsidiair op dwaling. Naar het oordeel van de Kantonrechter beroept [geïntimeerde] zich ten onrechte op een exoneratieclausule, omdat zij als verkoper de plicht had [appellant] vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte te stellen van de juiste staat van het voertuig. De kantonrechter oordeelt eerder dat [appellant] na ontvangst het voertuig niet heeft kunnen gebruiken. In dat verband heeft de kantonrechter het aannemelijk geacht dat het rijklaar maken van het voertuig [appellant] een bedrag van SRD 5.556,– heeft gekost, welk bedrag als voorlopige voorziening aan [appellant] is toegewezen. De grief is gericht tegen de toewijzing in reconventie van het bedrag van USD 3,220.– terzake het saldo van de koopsom vermeerderd met de rente van 18% per jaar. [appellant] voert aan dat hij door de aanbetaling ad USD 7,500.– en de eenmalige aflossing ad USD 644.– reeds meer dan de werkelijke waarde van het schadevoertuig heeft voldaan. Ook voert [appellant] daarbij aan dat de veroordeling tot betaling van de som ad USD 3,220.– in strijd is met de overweging van de kantonrechter dat hij bij levering van het voertuig geen gebruik daarvan heeft kunnen maken. In reconventie overweegt de kantonrechter dat [appellant] volop gebruik heeft kunnen maken van het voertuig en wordt hij op die grond veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag.

3.3.2 Verder voert [appellant] aan dat de kantonrechter is voorbijgegaan aan de vordering in conventie tot schorsing van de huurkoopovereenkomst totdat in een bodemprocedure de huurkoop tussen partijen eventueel ontbonden wordt.

3.3.3 [appellant] voert nu aan dat hij door extra kosten ad SRD 7.121,– en gerechtelijke kosten ad SRD 5.000,– schade lijdt ad SRD 12.121.–. Ter compensatie van de geleden schade vordert [appellant] behoud van het voertuig en kwijtschelding van de saldokoopsom.

3.3.4 Het Hof is van oordeel dat uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat hoewel [appellant] in hoger beroep de veroordeling als in eerste aanleg heeft gevorderd, die vorderingen afwijken van de compensatie die hij nu mede vordert. Ook staat de compensatie niet op zichzelf, maar is hieraan behoud van het voertuig verbonden. [appellant] heeft geen helden betoog gevoerd, waaruit zijn bedoeling zou kunnen blijken. Het Hof leest daarom de vordering in appel aldus dat naast het primair gevorderde waaronder ‘b’ de terugname van het voertuig door [geïntimeerde] tegen teruggave van de betaalde voorschotten ad USD 7,500.– en USD 644.– en naast het subsidiair gevorderde waaronder ‘c’ de betaling door [geïntimeerde]van voorschotten ad USD 7,250.– en SRD 5.000,–, [appellant] meer subsidiair vordert dat hij het voertuig behoudt als compensatie van geleden schade ad SRD 12.121,– en voorts dat de saldokoopsom hem wordt kwijtgescholden.

3.3.5 Het Hof is van oordeel dat uit het betoog van [appellant] niet kan worden afgeleid welke extra kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en wat de omvang daarvan is geweest. [appellant] heeft niet voldoende en niet deugdelijk onderbouwd welke de kosten, schade en interesten zijn door geleden nadeel sedert het vonnis in eerste aanleg, ex artikel 278 sub 2˚ van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De thans door [appellant] gevraagde voorziening die strekt tot compensatie van betaalde geldsommen en verrekening van een nog openstaande schuld is niet toewijsbaar nu het bestaan en de omvang van de geleden schade in onvoldoende mate aannemelijk zijn.

3.3.6 Het Hof oordeelt daarnaast dat een kort geding zich niet leent voor bewijslevering. Dat [appellant] bij levering van het voertuig op gebreken is gestuit, is in de voorliggende zaak onvoldoende voor een geslaagd beroep op dwaling. Het Hof is daarom van oordeel dat [appellant]’s beroep op dwaling niet opgaat.

3.3.7 Zou met voldoende mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure geen stand zal houden, dan zou dit voldoende aanleiding kunnen zijn voor toewijzing van de vordering tot opschorting van de overeenkomst. Het Hof is echter voorshands van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure de huurkoopovereenkomst zal worden ontbonden. De vordering tot opschorting van de overeenkomst is op deze grond dan ook niet toewijsbaar.

3.3.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het Hof van oordeel dat de grieven waarin [appellant] in zijn algemeenheid heeft gesteld dat de kantonrechter ten onrechte tot de veroordelingen is gekomen, grotendeels falen. Het vonnis in conventie en in reconventie wordt bekrachtigd onder aanvulling van de gronden.

3.3.9 [appellant] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding als na te melden.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

in conventie en in reconventie

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan deze zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van appellant terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-77

G.R.No.15065
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
in de zaak van

[Appellant sub A],
[Appellant sub B],
wonende in [land],
appellanten,
verder te noemen [appellanten],
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
handelende onder de naam Bouw Management Suriname,
wonende te [Plaats],
geïntimeerde,
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 20 april 2010 (A.R.No. 06-0471) tussen [appellanten] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken, inhoudende dat op 28 april 2011 door mr. I.S. Lalji, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat [appellanten] hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 20 april 2011 is gewezen;
  • pleitnota van 6 mei 2016;
  • correctie pleitnota van 20 mei 2016
  • antwoordpleitnota van 6 januari 2017;
  • repliekpleitnota van 21 april 2017;
  • dupliekpleitnota van 6 oktober 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 2 maart 2018 en vervolgens nader op 3 augustus 2018 doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De dienstbrief dateert van 14 april 2011. [appellanten] heeft volgens de verklaring van de griffier op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en [appellanten] zijn ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling

1.1. Tussen partijen staat – kort gezegd – het volgende vast.

  • Partijen hebben op 4 september 2003 een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de bouw van een woning aan de [adres] in [Plaats]. De afgesproken prijs bedroeg € 285,00 per m2.
  • De overeenkomst vermeldt voorts:
  1. De streefdatum voor deze sleutelklare oplevering is vastgesteld op: 30-01-(lees:)2004 Op 8 september 2003 hebben partijen aannemingsovereenkomst no. 2 gesloten waarin een aanneemsom van € 46.000,00 wordt vermeld. Voorts bepaalt de overeenkomst: “Voor elke dag dat de woning na 30 maart 2004 door de aannemer niet wordt opgeleverd is de aannemer een boete verschuldigd van € 100,00 per dag.”
  • [appellanten] hebben in totaal € 50.660,00 aan [geïntimeerde] betaald.
  • Op 3 oktober 2005 heeft de gemachtigde van [appellanten] [geïntimeerde] wegens wanprestatie aansprakelijk gesteld en hem in gebreke gesteld. In de brief staat verder: “Cliënten stellen dat zij u genoeg tijd en ruimte hebben geboden om de overeenkomst na te komen vanaf 30 maart 2004 welke ruimte u niet hebt benut, weshalve zij u aansprakelijk stellen voor de schade, totaal vastgesteld op € 96.960,00 (…) en hierbij opzeggen de met u gesloten overeenkomst.”

1.2. [appellanten] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst tussen partijen te ontbinden en voorts [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een teveel betaald bedrag van €4.660,00, van € 15.000,00 wegens meerkosten, van € 20.000,00 wegens kosten van nog uit te voeren werkzaamheden en van € 57.300,00 wegens opeisbare boete vanaf 30 maart 2004 van
€ 100,00 per dag tot de dag der oplevering, althans de dag van ontbinding van de overeenkomst, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente van 6 % en ten slotte om het gelegde conservatoir beslag van waarde te verklaren.

1.3. De kantonrechter heeft – kort gezegd – bij vonnis van 20 april 2010 de vordering van [appellanten] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.

1.4. De kantonrechter heeft in haar vonnis, onder andere, overwogen dat de tussen partijen overeengekomen opleveringstermijn van 30 maart 2004 niet als een fatale termijn dient te worden aangemerkt, gelet op de zinsnede in de overeenkomst dat voor elke dag dat de woning na 30 maart 2004 door de aannemer niet wordt opgeleverd hij een boete van € 100,00 per dag verschuldigd is en gelet op de aard van de overeenkomst. Volgens de kantonrechter konden [appellanten] zich alleen met succes op wanprestatie beroepen en indien oplevering nog mogelijk is, wanneer [geïntimeerde] eerst in gebreke zou zijn gesteld. Dat is volgens de kantonrechter niet gebeurd. [appellanten] hebben in plaats van een ingebrekestelling een andere aannemer ingeschakeld en [geïntimeerde] tot schadevergoeding aangesproken. [appellanten] kunnen zich niet te goeder trouw op wanprestatie beroepen.
Daarnaast was de kantonrechter van oordeel dat [appellanten] zich niet te goeder trouw op de boeteclausule kunnen beroepen omdat als niet weersproken vaststaat dat het niet opleveren van de woning na 30 maart 2004 aan [appellanten] zelf te wijten is.

1.5. [appellanten] hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, zodat het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan.

1.6. [appellanten] concluderen in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en vorderen alsnog de vordering toe te wijzen en het gelegde beslag van waarde te verklaren.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8. Op de grieven en verweren zal, voor zover van belang, in het hierna volgende worden ingegaan.

1.9. De grief klaagt – kort samengevat – over de onjuiste overweging van de kantonrechter dat [appellanten] [geïntimeerde] niet hebben aangemaand, hetgeen onjuist is. Uit de aanmaning van 30 oktober 2005 volgt dat zij [geïntimeerde] genoeg tijd en ruimte hebben geboden om te presteren.

1.10. Het Hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de bevoegdheid om een overeenkomst wegens een tekortkoming te ontbinden, indien correcte nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. Verzuim ontstaat in beginsel door een ingebrekestelling waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, waarna nakoming binnen die termijn uitblijft. Onder omstandigheden kan verzuim echter ook zonder ingebrekestelling intreden. Daarvan kan sprake zijn wanneer er een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, de zogenaamde fatale termijn.

1.11. Tussen partijen staat vast dat de woning niet op 30 januari 2004 gereed was en ook niet op 30 maart 2004, de opleveringsdatum die partijen nader zijn overeengekomen, zodat [geïntimeerde] in dit opzicht zijn verbintenis niet is nagekomen. Dat de opleveringsdatum naar 30 maart 2004 aan [appellanten] te wijten is geweest, zoals de kantonrechter heeft overwogen, kan naar het oordeel van het Hof hierbij in het midden blijven.
Beoordeeld moet worden of [appellanten] zich terecht hebben beroepen op ontbinding van de overeenkomst tussen partijen. Daarvoor is naast niet-nakoming vereist dat [geïntimeerde] in verzuim was. [appellanten] stelt dat de opleverdatum van 30 maart 2004 een fatale termijn was. Voor zover [geïntimeerde] dat betwist heeft, is die betwisting onvoldoende om vast te stellen dat de termijn van 30 maart 2004 een andere strekking had. Dat het een fatale termijn betrof blijkt niet alleen uit de tekst van de overeenkomst nr. 2, maar ook uit de bedoeling van partijen zoals die naar voren komt in de e-mails die partijen tussen eind januari 2004 en 30 maart 2004 naar elkaar hebben gestuurd. Daaruit blijkt dat [appellanten] het van belang achtten dat de oplevering op 30 maart 2004 zou geschieden, want zij hebben in hun e-mail van 15 maart 2004 [geïntimeerde] erop geattendeerd dat hij bij niet oplevering op 30 maart 2004 de boete van € 100,00 per dag verschuldigd zou zijn. [appellanten] hebben daarnaast oplevering per genoemde datum kennelijk willen bevorderen door de verlenging van een ticket van [geïntimeerde] op 12 maart 2004 te voldoen. Anderzijds heeft [geïntimeerde] het belang van [appellanten] bij tijdige oplevering ook zo opgevat. Hij heeft [appellanten] in zijn e-mail van 3 februari 2004 bevestigd dat het de bedoeling was dat hij op 30 maart 2004 zou opleveren. Immers, hij schreef [appellanten] dat de woning bijna af was en dat hij nog maar een maand had om de woning af te krijgen.
Vast staat derhalve dat [geïntimeerde] in verzuim zou zijn wanneer hij de woning niet uiterlijk 30 maart 2004 zou opleveren. Deze fatale termijn is verlopen zonder dat [geïntimeerde] de verbintenis is nagekomen. Daarmee was sprake van wanprestatie door niet-tijdige nakoming. [appellanten] mochten dan ook tot ontbinding van de overeenkomst overgaan. De kantonrechter heeft ten onrechte het verzoek tot ontbinding afgewezen.
1.12. Het hof overweegt voorts dat uit de brief van de gemachtigde van [appellanten] van 18 mei 2004 (productie VIb bij het inleidend verzoekschrift) blijkt dat [appellanten] aan [geïntimeerde] hebben laten weten dat een aannemer in Suriname zijn werkzaamheden zou overnemen en dat deze de woning binnen een termijn van 4 weken sleutelklaar zou opleveren. Ook hebben [appellanten] in die brief te kennen gegeven dat zij geen vertrouwen meer in [geïntimeerde] hadden en dat zij aanspraak maakten op de overeengekomen boete.
Het Hof is van oordeel dat [appellanten] daarmee de overeenkomst met [geïntimeerde] wegens wanprestatie reeds op die datum hebben ontbonden en niet op 4 oktober 2005.
1.13. [appellanten] hebben aanspraak gemaakt op de contractuele boete van € 100,00 per dag. Deze vordering is toewijsbaar omdat [geïntimeerde] te laat heeft opgeleverd. Gelet op de datum van ontbinding is toewijsbaar een bedrag van € 4.900,00 (49 dagen à € 100,00).

1.14. [appellanten] hebben daarnaast terugbetaling gevorderd van een (teveel betaald) bedrag van € 4.660,00. [geïntimeerde] heeft dat bestreden en aangevoerd dat dit bedrag een gedeeltelijke betaling was op meerwerk voor een bedrag van € 6.800,00 wegens een zwevende constructie bij de garage, extra fundering en het bouwrijp maken van het terrein. [appellanten] zijn bij repliek niet op dit gestelde meerwerk ingegaan maar hebben slechts aangevoerd dat [geïntimeerde] zijn stelling dient te bewijzen en dat hun laatste betaling als niet weersproken vast staat.

Het Hof is van oordeel dat [appellanten] in hun weerlegging onvoldoende op het verweer van [geïntimeerde] zijn ingegaan. Zij hebben geen woord aan het gestelde meerwerk besteed. Daarmee staat het gestelde meerwerk als onvoldoende weersproken vast. Het daartoe strekkend onderdeel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar en de kantonrechter heeft deze op zichzelf terecht afgewezen.

1.15. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding wegens wanprestatie, bestaande uit gemaakte kosten wegens gebreken en de kosten om het werk af te maken, overweegt het Hof het volgende.
Op grond van artikel 1264 BW is – kort gezegd – vergoeding van kosten en schade die voortvloeit uit niet nakoming van een verbintenis pas verschuldigd, wanneer de schuldenaar na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft om de verbintenis te vervullen. Een schuldenaar is nalatig wanneer hij in verzuim is, en hij raakt pas in verzuim wanneer hij in gebreke is gesteld. Het Hof stelt vast dat in deze zaak een ingebrekestelling ontbreekt. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om [geïntimeerde], toen zij constateerden dat er gebreken aan de woning waren, eerst in de gelegenheid te stellen om deze gebreken alsnog te verhelpen. De gevorderde schadevergoeding is reeds hierom niet toewijsbaar. Los daarvan hebben [appellanten] de gestelde schade ook niet voldoende gespecificeerd. Zo is onduidelijk welke bedragen er voor de verschillende herstelwerkzaamheden in rekening zijn gebracht. Een factuur ontbreekt. Ook de nog te maken kosten voor het afmaken van de werkzaamheden zijn niet onderbouwd. De vorderingen die hier op zien zullen dan ook worden afgewezen.

1.16. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grief deels doel treft. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het Hof zal opnieuw recht doen, de vordering gedeeltelijk toewijzen en deze voor het overige afwijzen. Het gelegde beslag wordt van waarde verklaard.

1.17. Het Hof ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren omdat de vordering van [appellanten] slechts ten dele wordt toegewezen.

2. De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

2.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 20 april 2010
A.R.No. 06-0471;

en opnieuw rechtdoende;

2.2. verklaart voor ontbonden de onderhavige overeenkomst tussen partijen;

2.3. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te voldoen een bedrag van € 4.900,00, (vierduizend negenhonderd Euro’s) vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf 1 maart 2006 tot de dag van algehele voldoening;

2.4. verklaart het bij exploit van deurwaarder M. Sitaram op 17 februari 2006 onder no. 132 gelegde conservatoir beslag van waarde op de daarin vermelde onroerende goederen;

2.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

2.6. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld