SRU-HvJ-2018-77

G.R.No.15065
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
in de zaak van

[Appellant sub A],
[Appellant sub B],
wonende in [land],
appellanten,
verder te noemen [appellanten],
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
handelende onder de naam Bouw Management Suriname,
wonende te [Plaats],
geïntimeerde,
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 20 april 2010 (A.R.No. 06-0471) tussen [appellanten] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken, inhoudende dat op 28 april 2011 door mr. I.S. Lalji, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat [appellanten] hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 20 april 2011 is gewezen;
  • pleitnota van 6 mei 2016;
  • correctie pleitnota van 20 mei 2016
  • antwoordpleitnota van 6 januari 2017;
  • repliekpleitnota van 21 april 2017;
  • dupliekpleitnota van 6 oktober 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 2 maart 2018 en vervolgens nader op 3 augustus 2018 doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De dienstbrief dateert van 14 april 2011. [appellanten] heeft volgens de verklaring van de griffier op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en [appellanten] zijn ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling

1.1. Tussen partijen staat – kort gezegd – het volgende vast.

  • Partijen hebben op 4 september 2003 een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de bouw van een woning aan de [adres] in [Plaats]. De afgesproken prijs bedroeg € 285,00 per m2.
  • De overeenkomst vermeldt voorts:
  1. De streefdatum voor deze sleutelklare oplevering is vastgesteld op: 30-01-(lees:)2004 Op 8 september 2003 hebben partijen aannemingsovereenkomst no. 2 gesloten waarin een aanneemsom van € 46.000,00 wordt vermeld. Voorts bepaalt de overeenkomst: “Voor elke dag dat de woning na 30 maart 2004 door de aannemer niet wordt opgeleverd is de aannemer een boete verschuldigd van € 100,00 per dag.”
  • [appellanten] hebben in totaal € 50.660,00 aan [geïntimeerde] betaald.
  • Op 3 oktober 2005 heeft de gemachtigde van [appellanten] [geïntimeerde] wegens wanprestatie aansprakelijk gesteld en hem in gebreke gesteld. In de brief staat verder: “Cliënten stellen dat zij u genoeg tijd en ruimte hebben geboden om de overeenkomst na te komen vanaf 30 maart 2004 welke ruimte u niet hebt benut, weshalve zij u aansprakelijk stellen voor de schade, totaal vastgesteld op € 96.960,00 (…) en hierbij opzeggen de met u gesloten overeenkomst.”

1.2. [appellanten] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst tussen partijen te ontbinden en voorts [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een teveel betaald bedrag van €4.660,00, van € 15.000,00 wegens meerkosten, van € 20.000,00 wegens kosten van nog uit te voeren werkzaamheden en van € 57.300,00 wegens opeisbare boete vanaf 30 maart 2004 van
€ 100,00 per dag tot de dag der oplevering, althans de dag van ontbinding van de overeenkomst, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente van 6 % en ten slotte om het gelegde conservatoir beslag van waarde te verklaren.

1.3. De kantonrechter heeft – kort gezegd – bij vonnis van 20 april 2010 de vordering van [appellanten] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.

1.4. De kantonrechter heeft in haar vonnis, onder andere, overwogen dat de tussen partijen overeengekomen opleveringstermijn van 30 maart 2004 niet als een fatale termijn dient te worden aangemerkt, gelet op de zinsnede in de overeenkomst dat voor elke dag dat de woning na 30 maart 2004 door de aannemer niet wordt opgeleverd hij een boete van € 100,00 per dag verschuldigd is en gelet op de aard van de overeenkomst. Volgens de kantonrechter konden [appellanten] zich alleen met succes op wanprestatie beroepen en indien oplevering nog mogelijk is, wanneer [geïntimeerde] eerst in gebreke zou zijn gesteld. Dat is volgens de kantonrechter niet gebeurd. [appellanten] hebben in plaats van een ingebrekestelling een andere aannemer ingeschakeld en [geïntimeerde] tot schadevergoeding aangesproken. [appellanten] kunnen zich niet te goeder trouw op wanprestatie beroepen.
Daarnaast was de kantonrechter van oordeel dat [appellanten] zich niet te goeder trouw op de boeteclausule kunnen beroepen omdat als niet weersproken vaststaat dat het niet opleveren van de woning na 30 maart 2004 aan [appellanten] zelf te wijten is.

1.5. [appellanten] hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, zodat het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan.

1.6. [appellanten] concluderen in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en vorderen alsnog de vordering toe te wijzen en het gelegde beslag van waarde te verklaren.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8. Op de grieven en verweren zal, voor zover van belang, in het hierna volgende worden ingegaan.

1.9. De grief klaagt – kort samengevat – over de onjuiste overweging van de kantonrechter dat [appellanten] [geïntimeerde] niet hebben aangemaand, hetgeen onjuist is. Uit de aanmaning van 30 oktober 2005 volgt dat zij [geïntimeerde] genoeg tijd en ruimte hebben geboden om te presteren.

1.10. Het Hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de bevoegdheid om een overeenkomst wegens een tekortkoming te ontbinden, indien correcte nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is. Verzuim ontstaat in beginsel door een ingebrekestelling waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, waarna nakoming binnen die termijn uitblijft. Onder omstandigheden kan verzuim echter ook zonder ingebrekestelling intreden. Daarvan kan sprake zijn wanneer er een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, de zogenaamde fatale termijn.

1.11. Tussen partijen staat vast dat de woning niet op 30 januari 2004 gereed was en ook niet op 30 maart 2004, de opleveringsdatum die partijen nader zijn overeengekomen, zodat [geïntimeerde] in dit opzicht zijn verbintenis niet is nagekomen. Dat de opleveringsdatum naar 30 maart 2004 aan [appellanten] te wijten is geweest, zoals de kantonrechter heeft overwogen, kan naar het oordeel van het Hof hierbij in het midden blijven.
Beoordeeld moet worden of [appellanten] zich terecht hebben beroepen op ontbinding van de overeenkomst tussen partijen. Daarvoor is naast niet-nakoming vereist dat [geïntimeerde] in verzuim was. [appellanten] stelt dat de opleverdatum van 30 maart 2004 een fatale termijn was. Voor zover [geïntimeerde] dat betwist heeft, is die betwisting onvoldoende om vast te stellen dat de termijn van 30 maart 2004 een andere strekking had. Dat het een fatale termijn betrof blijkt niet alleen uit de tekst van de overeenkomst nr. 2, maar ook uit de bedoeling van partijen zoals die naar voren komt in de e-mails die partijen tussen eind januari 2004 en 30 maart 2004 naar elkaar hebben gestuurd. Daaruit blijkt dat [appellanten] het van belang achtten dat de oplevering op 30 maart 2004 zou geschieden, want zij hebben in hun e-mail van 15 maart 2004 [geïntimeerde] erop geattendeerd dat hij bij niet oplevering op 30 maart 2004 de boete van € 100,00 per dag verschuldigd zou zijn. [appellanten] hebben daarnaast oplevering per genoemde datum kennelijk willen bevorderen door de verlenging van een ticket van [geïntimeerde] op 12 maart 2004 te voldoen. Anderzijds heeft [geïntimeerde] het belang van [appellanten] bij tijdige oplevering ook zo opgevat. Hij heeft [appellanten] in zijn e-mail van 3 februari 2004 bevestigd dat het de bedoeling was dat hij op 30 maart 2004 zou opleveren. Immers, hij schreef [appellanten] dat de woning bijna af was en dat hij nog maar een maand had om de woning af te krijgen.
Vast staat derhalve dat [geïntimeerde] in verzuim zou zijn wanneer hij de woning niet uiterlijk 30 maart 2004 zou opleveren. Deze fatale termijn is verlopen zonder dat [geïntimeerde] de verbintenis is nagekomen. Daarmee was sprake van wanprestatie door niet-tijdige nakoming. [appellanten] mochten dan ook tot ontbinding van de overeenkomst overgaan. De kantonrechter heeft ten onrechte het verzoek tot ontbinding afgewezen.
1.12. Het hof overweegt voorts dat uit de brief van de gemachtigde van [appellanten] van 18 mei 2004 (productie VIb bij het inleidend verzoekschrift) blijkt dat [appellanten] aan [geïntimeerde] hebben laten weten dat een aannemer in Suriname zijn werkzaamheden zou overnemen en dat deze de woning binnen een termijn van 4 weken sleutelklaar zou opleveren. Ook hebben [appellanten] in die brief te kennen gegeven dat zij geen vertrouwen meer in [geïntimeerde] hadden en dat zij aanspraak maakten op de overeengekomen boete.
Het Hof is van oordeel dat [appellanten] daarmee de overeenkomst met [geïntimeerde] wegens wanprestatie reeds op die datum hebben ontbonden en niet op 4 oktober 2005.
1.13. [appellanten] hebben aanspraak gemaakt op de contractuele boete van € 100,00 per dag. Deze vordering is toewijsbaar omdat [geïntimeerde] te laat heeft opgeleverd. Gelet op de datum van ontbinding is toewijsbaar een bedrag van € 4.900,00 (49 dagen à € 100,00).

1.14. [appellanten] hebben daarnaast terugbetaling gevorderd van een (teveel betaald) bedrag van € 4.660,00. [geïntimeerde] heeft dat bestreden en aangevoerd dat dit bedrag een gedeeltelijke betaling was op meerwerk voor een bedrag van € 6.800,00 wegens een zwevende constructie bij de garage, extra fundering en het bouwrijp maken van het terrein. [appellanten] zijn bij repliek niet op dit gestelde meerwerk ingegaan maar hebben slechts aangevoerd dat [geïntimeerde] zijn stelling dient te bewijzen en dat hun laatste betaling als niet weersproken vast staat.

Het Hof is van oordeel dat [appellanten] in hun weerlegging onvoldoende op het verweer van [geïntimeerde] zijn ingegaan. Zij hebben geen woord aan het gestelde meerwerk besteed. Daarmee staat het gestelde meerwerk als onvoldoende weersproken vast. Het daartoe strekkend onderdeel van de vordering is dan ook niet toewijsbaar en de kantonrechter heeft deze op zichzelf terecht afgewezen.

1.15. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding wegens wanprestatie, bestaande uit gemaakte kosten wegens gebreken en de kosten om het werk af te maken, overweegt het Hof het volgende.
Op grond van artikel 1264 BW is – kort gezegd – vergoeding van kosten en schade die voortvloeit uit niet nakoming van een verbintenis pas verschuldigd, wanneer de schuldenaar na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft om de verbintenis te vervullen. Een schuldenaar is nalatig wanneer hij in verzuim is, en hij raakt pas in verzuim wanneer hij in gebreke is gesteld. Het Hof stelt vast dat in deze zaak een ingebrekestelling ontbreekt. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om [geïntimeerde], toen zij constateerden dat er gebreken aan de woning waren, eerst in de gelegenheid te stellen om deze gebreken alsnog te verhelpen. De gevorderde schadevergoeding is reeds hierom niet toewijsbaar. Los daarvan hebben [appellanten] de gestelde schade ook niet voldoende gespecificeerd. Zo is onduidelijk welke bedragen er voor de verschillende herstelwerkzaamheden in rekening zijn gebracht. Een factuur ontbreekt. Ook de nog te maken kosten voor het afmaken van de werkzaamheden zijn niet onderbouwd. De vorderingen die hier op zien zullen dan ook worden afgewezen.

1.16. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grief deels doel treft. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het Hof zal opnieuw recht doen, de vordering gedeeltelijk toewijzen en deze voor het overige afwijzen. Het gelegde beslag wordt van waarde verklaard.

1.17. Het Hof ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren omdat de vordering van [appellanten] slechts ten dele wordt toegewezen.

2. De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

2.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 20 april 2010
A.R.No. 06-0471;

en opnieuw rechtdoende;

2.2. verklaart voor ontbonden de onderhavige overeenkomst tussen partijen;

2.3. veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellanten] te voldoen een bedrag van € 4.900,00, (vierduizend negenhonderd Euro’s) vermeerderd met de wettelijke rente van 6 % per jaar vanaf 1 maart 2006 tot de dag van algehele voldoening;

2.4. verklaart het bij exploit van deurwaarder M. Sitaram op 17 februari 2006 onder no. 132 gelegde conservatoir beslag van waarde op de daarin vermelde onroerende goederen;

2.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

2.6. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-76

G.R.No.15067
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende in [land],
appellante,
verder te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 9 april 2015 (A.R.No.13-1924) tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 14 april 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellante] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 15 juli 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 7 oktober 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 2 december 2016;
  • de dupliekpleitnota d.d. 6 januari 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellante] daarin kan worden ontvangen.

2. Het Hof gaat van de volgende feiten uit.

(i) [geïntimeerde] is dochter en enig erfgenaam van de op 10 april 2012 overleden [erflater]. [appellante] is een zuster van de overledene.

(ii) Tot de nalatenschap van de overledene behoorden een perceelland in het district Suriname en een erfpachtrecht te [Plaats].

(iii) Bij exploot van 2 april 2013 is namens [appellante] conservatoir beslag gelegd op de onder (ii) bedoelde onroerende goederen. [appellante] heeft aan dit beslag ten grondslag gelegd, verkort en zakelijk weergegeven, dat zij aan de vader van [geïntimeerde] geldbedragen heeft uitgeleend, voor welke – door diens overlijden opeisbaar geworden – schuld [geïntimeerde] op grond van haar erfgenaamschap jegens [appellante] aansprakelijk is.

3. De kantonrechter heeft bij haar thans bestreden vonnis het beslag op vordering van [geïntimeerde] opgeheven. Zij oordeelde dat de hierboven onder 2 (iii) bedoelde geldlening niet aannemelijk is geworden. Tegen deze beslissing komt [appellante], onder aanvoering van drie grieven, op.

4. Ingevolge de artikelen 639 jo. 596 Rv zal de rechter een beslag als het onderhavige opheffen onder meer indien, na verhoor van partijen, summierlijk van de ondeugdelijkheid van de beslagvordering blijkt. De grieven bestrijden, mede gelet op de daarop gegeven toelichting, gezamenlijk dat deze grond voor opheffing zich hier voordoet.

5. Het Hof heeft kennis genomen van het, door [appellante] bij haar pleitnota overgelegde, (tussen)vonnis in de vanwaardeverklaringsprocedure d.d. 8 december 2015 (A.R.No. 13-1238). In deze bodemzaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat op grond van in het geding gebrachte stukken voorshands bewezen is dat [appellante] de door haar gestelde geldleningsovereenkomst daadwerkelijk met [geïntimeerde]’s vader is aangegaan. [geïntimeerde] is bij dat vonnis toegelaten ter zake tegenbewijs te leveren. Hoewel de uitkomst van deze bewijslevering thans nog niet vast staat en genoemd oordeel nog door een rechtsmiddel zou kunnen worden aangetast, brengt deze stand van zaken mee dat niet gezegd kan worden dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de beslagvordering is gebleken.

6. De grieven slagen in zoverre als aangegeven en behoeven voor het overige geen bespreking. Het beroepen vonnis zal worden vernietigd met verdere beslissingen als in het dictum aan te geven.
[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in dit kort geding door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 9 april 2015 (A.R. No.13-1924)

en opnieuw rechtdoende:

wijst de door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen af,

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op

  • voor de eerste aanleg op nihil,
  • voor het hoger beroep op SRD. 832 (Achthonderd twee en dertig Surinaamse Dollars).

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A.M. Kensmil namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-75

G.R.No.15070
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
verder te noemen: [appellante]
appellante,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

HI-JET HELICOPTER SERVICES N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
verder te noemen: Hi-Jet,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. B.A.H. Pick, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 16 juli 2015 (A.R.No. 14-3036) tussen [appellante] als eiseres en Hi-Jet als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 5 augustus 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellante] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 18 maart 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 juli 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 17 maart 2017.

De beoordeling

1. Het gaat hier om een kort geding. De kantonrechter heeft daarin op 16 juli 2015 uitspraak gedaan. [appellante] was in persoon bij die uitspraak aanwezig, zodat de termijn van hoger beroep (ingevolge artikel 235 Rv, 14 dagen) voor haar vanaf die dag is gaan lopen.

2. [appellante] heeft eerst op 5 augustus 2015, en derhalve te laat, appel ingesteld. Zij moet daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • verklaart [appellante] in haar hoger beroep tegen bovengenoemd vonnis niet-ontvankelijk,
  • veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hi-Jet begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. B.A.H. Pick, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2018-74

G.R.No. 15072

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. DE DEVIEZENCOMMISSIE,
B. DE CENTRALE BANK VAN SURINAME,
beiden rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellanten in kort geding,
gemachtigde voor appellante sub B: mr. E. Naarendorp, advocaat,
gemachtigde voor appellante sub A: mr. N. Ramnarain, advocaat,

tegen

AMAZONE GOLD N.V., rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en
uitgesproken vonnis van 11 september 2015 (A.R.No. 15-4050) tussen geïntimeerde als eiseres in kort
geding in eerste aanleg en appellanten als gedaagden in kort geding in eerste aanleg,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 23 september 2015 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de memorie van grieven d.d. 22 september 2015, ingediend ter griffie van het Hof op 23 september 2015;
  • de memorie van antwoord d.d. 12 november 2015, ingediend ter griffie van het Hof op 12 november 2015;
  • de pleitnota met een productie d.d. 18 maart 2016;
  • de antwoordpleitnota en uitlating productie d.d. 15 juli 2016;
  • de repliekpleitnota met producties d.d. 07 oktober 2016;
  • de dupliekpleitnota en uitlating producties d.d. 17 februari 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak was aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017 en vervolgens nader op 1 juni 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid van het beroep
2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (11 september 2015) middels vertegenwoordigers van hun respectievelijke procesgemachtigden ter terechtzitting vertegenwoordigd. Appellanten hebben bij schrijven van hun procesgemachtigden d.d. 23 september 2015 appél aangetekend. Appellanten hebben het appél derhalve tijdig ingesteld en kunnen daarin worden ontvangen, nu dit in ieder geval binnen veertien dagen na de dag van uitspraak is geschied.

2.2. Geïntimeerde voert als formeel verweer aan dat slechts appellante sub A een memorie van grieven heeft ingediend, terwijl de pleitnota in reactie op de memorie van antwoord, is ingediend door beide appellanten. Volgens geïntimeerde is appellante sub B niet bevoegd geweest zulks te doen en moest volgens geïntimeerde, appellante sub B een aparte pleitnota met eventuele grieven hebben ingediend. Geïntimeerde is van oordeel dat, nu appellante sub B zulks heeft nagelaten, zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep, althans dient haar verweer te worden gepasseerd.

2.3 Appellanten stellen zich op het standpunt dat zij beiden in hoger beroep zijn gekomen van het onderhavige vonnis. Appellanten voeren hiertoe aan dat zij bij een gezamenlijke appelbrief van hun procesgemachtigden conform artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen het onderhavige vonnis hoger beroep hebben ingesteld onder indiening van een memorie van grieven, terwijl zowel uit de appelbrief als de memorie van grieven die door beide procesgemachtigden is ondertekend, onomstotelijk blijkt dat beide appellanten conform de wet zijn opgekomen tegen het onderhavige vonnis, zodat er over de ontvankelijkheid van appellante sub B geen twijfel hoeft te bestaan.

2.4 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat het verweer van appellanten niet opgaat, omdat hoewel beide appellanten hoger beroep hebben aangetekend, de memorie van grieven slechts door appellante sub A is ingediend, hetgeen niet alleen uit de aanhef van het processtuk blijkt, maar ook uit het processtuk zelf, daar er aldaar verweer wordt gevoerd door ’appellante’ en niet ’appellanten’. Volgens geïntimeerde brengt het feit dat de procesgemachtigde van appellante sub B, mr. N. Ramnarain, jurist, de memorie van grieven heeft medeondertekend, hierin geen verandering. Volgens geïntimeerde kent de wet in de hoger beroep procedure, de zogeheten verplichte procesvertegenwoordiging, hetgeen betekent dat de procespartijen alleen door een advocaat vertegenwoordigd kunnen worden, terwijl mr. N. Ramnarain alstoen geen advocaat was en derhalve ook geen memorie van grieven namens appellante sub B kon indienen.

2.5 Het hof stelt voorop dat het rechtssysteem in Suriname geen verplichte
procesvertegenwoordiging kent en derhalve ook niet in hoger beroep. Voorts is het gebruik dat de Staat Suriname en/of haar rechtspersonen c.q. organen steeds vertegenwoordigd worden door een daartoe door de Staat en/of het betreffende orgaan speciaal daartoe gemachtigde persoon. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de procesgemachtigde van appellante sub B wel bevoegd was de memorie van grieven en andere processtukken mede te ondertekenen. Het hof gaat voorbij aan het terzake gevoerd verweer van geïntimeerde, mede gelet op het feit dat geïntimeerde erkent dat het hoger beroep is aangetekend door beide appellanten. Dat er in de processtukken wordt gesproken over ’appellant’, doet naar het oordeel van het hof niets af aan het feit dat er verweer is gevoerd namens beide appellanten, nu de processtukken door de procesgemachtigden van beide appellanten zijn ondertekend. Appellante sub B kan derhalve worden ontvangen in haar beroep. Hiermee is reeds rekening gehouden in de aanhef van dit vonnis.

3. De feiten
3.1 Bij Bijzondere Beschikking [nummer 1], d.d. 02 augustus 2010, heeft appellante sub A, onder intrekking van de Bijzondere Beschikking [nummer 2], d.d. 30 oktober 2007, aan geïntimeerde vergunning verleend om onder meer onder bezwarende titel goud te verkrijgen en over het aldus verkregen goud te mogen beschikken, het een en ander zoals bedoeld in de artikelen 11, 14 en 17 van de Deviezenregeling 1947 (G.B. 1947 no. 136, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1984 no. 104), onder de daarbij verbonden voorwaarden, waarbij de vergunning wordt verleend voor een periode van 5 jaar te rekenen vanaf 01 augustus 2010, derhalve geldende tot en met 31 juli 2015; de vergunning wordt geacht telkens na het verstrijken van die termijn stilzwijgend met eenzelfde periode te zijn verlengd.

3.2 Bij schrijven d.d. 20 april 2015, kenmerk KM/NV [nummer 3], heeft appellante sub A voor zover van belang het navolgende aan geïntimeerde medegedeeld:
”Met verwijzing naar ons onderhoud d.d. 30 maart 2015 wenst de Deviezencommissie, ….. u te berichten dat Kaloti Suriname Mint House (KSMH) per 20 februari 2015 operationeel is. Ingevolge artikel 7 lid 2 sub a van de ”Overeenkomst tot het Opzetten en Exploiteren van een Instelling voor Goudbehandeling” tussen de Republiek Suriname en Kaloti Precious Metals DMCC is bepaald dat met het operationeel zijn van KSMH, het te exporteren onbewerkt goud vooraf ter bewerking aan KSMH zal moeten worden aangeboden.
Deze additionele bepaling geldt als een aanvulling op uw geldende Bijzondere Beschikking [nummer 1] d.d. 2 augustus 2010, welke per 31 juli 2015 zal vervallen. Bij een eventuele verlenging van de voornoemde beschikking zal deze bepaling door de Deviezencommissie als verplichting worden opgenomen in de dan geldende voorwaarden ter verkrijging van een Bijzondere Beschikking. (…)”

3.3 Bij schrijven d.d. 30 juli 2015, kenmerk PB/nv [nummer 4], heeft appellante sub A, voor zover van belang, het navolgende aan geïntimeerde doen mededelen:
”Hierbij vestigen wij uw aandacht erop dat uw BB 230 d.d 2 augustus 2010, vervalt per 31 juli 2015.
Indien uwerzijds de behoefte bestaat uw goudactiviteiten voort te zetten, stellen wij u in de gelegenheid als nog binnen 1 (een) maand na dagtekening dezer brief, uw verzoek tot verlenging bij de Deviezencommissie in te dienen. Voorts delen wij u mee dat in de periode waarin de aanvraag van uw nieuwe vergunning in behandeling is, u in de gelegenheid wordt gesteld uw bedrijfsactiviteiten verder uit te voeren.(…)”

3.4 In reactie op het schrijven vermeld onder 3.1 heeft geïntimeerde bij schrijven d.d. 11 augustus 2015, als volgt gereageerd naar appellante sub A:
”(…) Hierbij vestigen wij uw aandacht erop dat krachtens artikel VI lid 1 van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] de aan ons verstrekte vergunning na 31 juli 2015 integraal wordt geacht stilzwijgend te zijn verlengd met dezelfde periode van 5 jaren onder dezelfde voorwaarden.
Onzerzijds bestaat er alle behoefte om onze goudactiviteiten voort te zetten. Wij zien graag uwerzijds dan ook de bevestiging van de uitdrukkelijk opgenomen stilzwijgende verlenging tegemoet. (…)”

3.5 In reactie op het schrijven vermeld onder 3.2 heeft appellante sub A bij schrijven d.d. 21 augustus 2015, kenmerk PB/nv [nummer 5], het navolgende aan geïntimeerde doen mededelen:
”(…) Met verwijzing naar het bepaalde in artikel VII van uw Bijzondere Beschikking [nummer 1] d d. 2 augustus 2010, stellen wij dat vanwege gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten geen sprake kan zijn van een stilzwijgende verlenging.
Indien uwerzijds de behoefte bestaat uw goudactiviteiten voort te zetten, zien wij uw aanvraag tot verlenging binnen 1 week na dagtekening dezer brief, tegemoet.”

3.6 In reactie op het schrijven vermeld onder 3.3, heeft geïntimeerde bij schrijven d.d. 26 augustus 2015, voor zover van belang, het navolgende aan appellante sub A medegedeeld:
”(…) Artikel VI lid 1 van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] de dato 02 augustus 2010 bepaalt dat de vergunning in kwestie wordt verleend voor een periode van 5 jaar, te rekenen van 1 augustus 2010 en eindigende op 31 juli 2015. Ingevolge dit bepaalde wordt deze vergunning verder geacht telkens na het verstrijken van die termijn stilzwijgend met eenzelfde periode te worden verlengd, en natuurlijk onder dezelfde voorwaarden. De stilzwijgende verlenging gaat derhalve in op het moment dat de vergunning expireert zonder dat daarvoor een bepaalde rechtshandeling vereist is. (…) dit stel ik op grond van de navolgende redenen, te weten:
* In artikel 3 van de vergunningsvoorwaarden voor goudexport zijn de gronden voor de intrekking van de vergunning expliciet opgenomen. (…)
In deze vergunningsvoorwaarden noch in enige andere beschikking zijn gronden opgenomen voor het buitenwerking stellen van bepalingen van onderhavige vergunning, zodat de reden van gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten evenmin hierop van toepassing kan zijn.
* Ook al zouden de gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten een grond zijn voor de intrekking of buitenwerking stelling van het bepaalde in artikel VI lid 1 van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] -quod non -, dan nog is dit mij niet eerder medegedeeld. (…)
* lk wens u er voorts op te wijzen dat volgens het systeem van de wet de intrekking of het buitenwerking stellen van een bepaling in een beschikking alleen in dezelfde vorm kan geschieden. Uw schrijven van 21 augustus 2015 kan niet als beschikking beschouwd worden.
Op grond van het voorgaande kan dus gesteld worden dat de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] aan Amazone Gold N.V. verleende vergunning reeds op 1 augustus 2015 stilzwijgend is verlengd voor de duur van 5 jaar. U wordt dan ook verzocht het daarheen te leiden dat Amazone Gold N.V. haar goudactiviteiten normaal kan voortzetten. ”

3.7 Bij schrijven d.d. 28 augustus 2015 heeft geïntimeerde voor zover van belang aan appellante sub A het navolgende doen mededelen:
”(…) Rekening houdende met de zienswijze van de Deviezencommissie en de continuïteit van Amazone Gold N.V. verzoek ik u de aan haar verleende vergunning bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] onder voorbehoud van alle rechten te willen verlengen, zodat zij haar goudactiviteiten normaal kan voortzetten. ”

3.8 Bij schrijven d.d. 1 september 2015, kenmerk PB/nv [nummer 6], heeft appellante sub A aan geïntimeerde het navolgende doen mededelen:
”Ingevolge uw brief van 28 augustus 2015 heeft de Deviezencommissie besloten u de Bijzondere Beschikkingen no.’s 266 + 267 te verlenen, zijnde goudopkoop en -export, beiden gedateerd 1 september 2015.”

3.9 Bij Bijzondere Beschikking [nummer 7], d.d. 1 september 2015 betreffende opkoop, heeft appellante sub A, zakelijk weergegeven, besloten om aan geïntimeerde opnieuw vergunning te verlenen om onder bezwarende titel goud te verkrijgen en over het aldus verkregen goud te mogen beschikken met het doel om het aldus verkregen goud te verkopen aan binnenlandse afnemers die beschikken over een vergunning om goud te mogen opkopen en uit te voeren, en wel onder navolgende voorwaarden:
Amazone is gehouden de verschuldigde royalty, terzake van de winning van het door haar onder bezwarende titel verkregen goud, bij de opkoop van het erts in te houden en conform de geldende richtlijnen, middels storting bij de Centrale Bank van Suriname, ten gunste van de Staat Suriname af te dragen; de door Amazone af te dragen royalty wordt berekend aan de hand van de door haar daadwerkelijk onder bezwarende titel verkregen hoeveelheid onbewerkte goud, doch zal per maand niet minder bedragen dan het totale bedrag dat aan royalty zou moeten worden afgedragen voor een hoeveelheid goud met een gewicht van tenminste 50 KG;
Amazone is gehouden bij verkoop van het door haar opgekochte goud aan binnenlandse afnemers, zoals bedoeld in sub I, telkens aan haar afnemers een gewaarmerkt afschrift te verstrekken van het bewijs van betaling aan de verkochte hoeveelheid toe te rekenen royalty, die door haar is voldaan. ”

3.10 Bij Bijzondere Beschikking [nummer 8], d.d. 1 september 2015 betreffende export, heeft appellante sub A, zakelijk weergegeven, besloten om aan geïntimeerde vergunning te verlenen om onder
bezwarende titel goud te verkrijgen en over het aldus verkregen goud te mogen beschikken met het doel om het aldus verkregen goud te verkopen aan afnemers in het buitenland en het uitvoeren van het aldus verkochte goud, en wel onder meer onder de navolgende voorwaarden:
1. Amazone is gehouden de verschuldigde royalty ….. ten gunste van de Staat Suriname af te dragen. De door Amazone af te dragen royalty wordt berekend aan de hand van de door haar daadwerkelijk onder bezwarende titel verkregen hoeveelheid onbewerkte goud welke voor bewerking wordt aangeboden aan Kaloti Suriname Mint House;
2. Amazone is verplicht om het voor export bestemd goud vooraf ter bewerking aan te bieden bij KSMH (…);
3. Amazone zal zich steeds houden aan alle door KSMH te geven richtlijnen ter zake de bewerking van het uit te voeren goud;
4. Bij elke uitvoer zal Amazone bij de Deviezencommissie een G-Uitvoerformulier indienen, vergezeld van het resultaat van het vooraf ter bewerking aangeboden goud aan KSMH, de royalty­ brief onder bijvoeging van het stortingsbewijs van de afgedragen royalty.

3.11 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 11 september 2015, waarvan beroep, zijn appellanten als volgt veroordeeld:

  • veroordeelt appellante sub A om de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] met geïntimeerde aangegane afspraken, overeenkomsten en verplichtingen na te komen en in stand te laten totdat de bodemrechter daarover zal hebben beslist;
  • schorst de bij Bijzondere Beschikkingen [nummer 7] en 267 verleende vergunningen met onmiddellijke ingang totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid daarvan zal hebben beslist;
  • veroordeelt appellante sub B om met onmiddellijke ingang geïntimeerde te faciliteren op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning totdat de bodemrechter definitief daarover zal hebben beslist;
  • veroordeelt appellanten om te gehengen en te gedogen dat geïntimeerde op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning het verkregen goud na het voldoen van de verschuldigde royalty, exporteert;
  • veroordeelt appellante sub A tot betaling van een dwangsom ad. SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat zij in strijd handelt met de onderdelen 5.1 en 5.4 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 500.000,-;
  • veroordeelt appellante sub B tot betaling van een dwangsom ad. SRD 10.000,- per dag voor iedere dag dat zij in strijd handelt met de onderdelen 5.3 en 5.4 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 500.000,-;
  • verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad;
  • veroordeelt appellanten in de proceskosten;
  • wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

4. De vordering in eerste aanleg
Geïntimeerde heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. appellante sub A te veroordelen om de bij bijzondere Beschikking [nummer 1] met geïntimeerde aangegane afspraken, overeenkomsten en verplichtingen na te komen en in stand te laten onder verbeurte van een dwangsom;
b. schorsing dan wel opschorting van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 7] en 267 verleende vergunningen totdat in bodemgeschil over de rechtsgeldigheid daarvan zal zijn beslist;
c. appellante sub B te gelasten om met onmiddellijke ingang op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning, geïntimeerde te faciliteren en de verschuldigde royalty te berekenen over de ontgonnen en door geïntimeerde aan appellante sub B aangeboden en/of aan te bieden hoeveelheid goud en al datgene te doen waartoe appellante sub B conform de hiervoor genoemde beschikking [nummer 1] is gehouden;
d. veroordeling van appellanten om te gehengen en te gedogen dat geïntimeerde op grond van de bij Bijzondere Beschikking [nummer 1] verleende vergunning het verkregen goud, na het voldoen van de verschuldigde royalty, exporteert, op straffe van een dwangsom.

5. De grieven
Appellanten hebben een zevental grieven aangevoerd op grond waarvan het vonnis
waarvan beroep vernietigd dient te worden, welke grieven in de beoordeling nader zullen worden verwoord.

6. De vordering in Hoger Beroep
Appellanten concluderen op deze gronden dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd met veroordeling van geïntimeerde in de kosten in beide instanties.

7. Het verweer
Geïntimeerde heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover nodig, in de beoordeling zal worden ingegaan, ten slotte concluderende om het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

8. De beoordeling
8.1 Grief I: onjuiste en onvolledige weergave van relevante feiten.
8.1.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima niet alle relevante feiten van het geval heeft genoemd onder het kopje ’feiten’. Immers is er geen melding gemaakt van de aan geïntimeerde gerichte brief d.d. 20 april 2015 en de inhoud daarvan, waarop ter terechtzitting uitdrukkelijk een beroep is gedaan. Voorts is de inhoud en de betekenis van de brieven d.d. 20 april 2015, 30 juli 2015 en 21 augustus 2015 in het bestreden vonnis miskend. Uit de brief d.d. 20 april 2015 blijkt immers juist dat geïntimeerde reeds op 20 april 2015 op de hoogte was gesteld van het besluit om de beschikking [nummer 1] niet stilzwijgend te verlengen, de gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten die tot dat besluit hebben geleid en de in een nieuwe vergunning op te nemen voorwaarden. De brief d.d. 30 juli 2015 behelsde een herinnering aan bet besluit van 20 april 2015 om niet tot stilzwijgende verlenging over te gaan, terwijl de brief d.d. 21 augustus 2015 een herinnering behelsde aan de in de brief d.d. 20 april 2015 gegeven reden voor het besluit van 20 april 2015.

8.1.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat hoewel de brief van 20 april 2015 misschien niet in de feitenopsomming is opgenomen, deze bij de beoordeling van het geschil tussen partijen nadrukkelijk is meegenomen in met name rechtsoverweging 4.4. Geïntimeerde voert voorts aan dat de opmerking van appellanten als zou appellante sub A zowel in haar brief d.d. 20 april 2015 als die van 30 juli 2015, hebben aangegeven dat de beschikking [nummer 1] zou vervallen gelet op artikel VI lid 1 van voornoemde beschikking, per definitie onjuist is, nu in voormeld artikel bij voorbaat is bepaald dat de beschikking per 01 augustus 2015 stilzwijgend geacht wordt te zijn verlengd met dezelfde termijn van 5 jaren, waardoor voormelde brieven geenszins afbreuk hebben gedaan aan de in de beschikking opgenomen stilzwijgende verlenging en de overige voorwaarden daarvan. Geïntimeerde voert eveneens aan dat de brief van 21 augustus 2015, waarin appellante sub A pas ingaat op de stilzwijgende verlenging, tardief is, aangezien de stilzwijgende verlenging reeds per 01 augustus 2015 was ingegaan, terwijl, indien voormelde brief als een intrekking van de stilzwijgende verlenging moet worden beschouwd, een dergelijke intrekking alleen bij beschikking mogelijk is met in acht name van de ABBB’s, die in casu niet in acht zijn genomen, nu appellante sub A slechts heeft volstaan door aan te geven dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten. Ten slotte voert geïntimeerde met betrekking tot de brief d.d. 20 april 2015 aan dat appellante sub A daarin aan geïntimeerde de verplichting heeft opgelegd dat het te exporteren onbewerkte goud, vooraf ter bewerking moet worden aangeboden aan het KSMH, welke verplichting ingevolge het Besluit Royalty Klein mijnbouw ter zake van Goud en Exploitatie Bouwmaterialen (S.B. 1989 no. 40) slechts voorbehouden is aan appellante sub B, terwijl een dergelijke bepaling niet bij schrijven kan worden medegedeeld, doch tenminste in dezelfde vorm als beschikking [nummer 1].
Geïntimeerde stelt zich voorts op het standpunt dat beschikking [nummer 1] nimmer is opgezegd, weshalve deze na het verstrijken van de termijn, stilzwijgend is verlengd met eenzelfde periode.

8.1.3 Appellanten voeren aan dat met de aanduiding dat beschikking [nummer 1] per 31 juli 2015 zou vervallen, appellante sub A in de brieven d.d. 20 april 2015 en 30 juli 2015 duidelijk heeft aangegeven dat voornoemde beschikking niet werd verlengd en daarmee zou komen te vervallen, hetgeen niet anders kon worden opgevat door geïntimeerde, doch heeft geïntimeerde zich volgens appellanten steeds ten onrechte van de domme gehouden, derhalve ook ten overvloede nog de brief van appellante sub A van 21 augustus 2015 ter herinnering, weshalve de ABBB’s in acht zijn genomen. Volgens appellante is de brief van 20 april 2015 een uitvloeisel van de overeenkomst tussen de Staat en DMCC en zijn de daarbij aangekondigde voorwaarden dan ook opgenomen in Beschikking [nummer 8], hetgeen niet in strijd is met de geldende wet- en regelgeving.

8.1.4 Het hof stelt voorop dat de opsomming van feiten onder het kopje ”feiten” in een vonnis, geen uitputtende opsomming is, omdat er in de overwegingen onder de beoordeling ook feiten kunnen worden vastgesteld of behandeld vanwege praktische overwegingen. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter in prima in casu ervoor gekozen om de brief van 20 april 2015 onder overweging 4.4 van het vonnis waarvan beroep, te behandelen, waarbij de kantonrechter zelfs de relevante passages uit voormeld schrijven heeft geciteerd. Nu, de kantonrechter de inhoud van voormeld schrijven wel degelijk in overweging heeft genomen, gaat het hof voorbij aan dit gedeelte van grief 1, als te zijn ongegrond.
Met betrekking tot de miskenning door de kantonrechter in prima van de inhoud van de brieven d.d. 20 april 2015, 30 juli 2015 en 21 augustus 2015 in het bestreden vonnis, als zou appellante sub A vanaf 20 april 2015 geïntimeerde reeds hebben geïnformeerd over de niet-verlenging van de Bijzondere Beschikking [nummer 1], overweegt het hof dat rechtens tussen partijen vaststaat dat er op 30 maart 2015 een onderhoud tussen partijen is geweest, waarbij is besproken dat als een uitvloeisel van de overeenkomst tussen de Staat Suriname en DMCC, de door geïntimeerde verkregen goud, bij een verlenging van haar vergunning, aan KSMH zal moeten worden aangeboden voor bewerking.
Dat met deze mededeling de verlenging van de Bijzondere Beschikking [nummer 1] reeds toen zou zijn gestuit, althans dat daarmee voornoemde beschikking [nummer 1] zou zijn vervallen, overweegt het hof dat zulks getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van bet hof kan of kon de beschikking [nummer 1], gelet op de bewoordingen van artikel VI lid 1 ervan, slechts middels een beschikking worden ingetrokken, nu de vergunning was verleend bij beschikking van appellante sub A met bepaling dat deze na het verstrijken van de termijn van 5 jaren, geacht werd stilzwijgend te zijn verlengd voor eenzelfde termijn onder dezelfde voorwaarden. Een wijziging van de termijn onder dezelfde voorwaarden. Een wijziging van de voorwaarden kan derhalve pas rechtsgevolgen hebben, indien de geldende beschikking wordt ingetrokken onder afgifte van een nieuwe. Met de inhoud van voormelde brieven is beschikking [nummer 1] derhalve niet vervallen, noch is daarmee de stilzwijgende verlenging ervan daardoor gestuit. De brieven zijn naar het oordeel van het hof slechts informerend naar geïntimeerde toe. De overweging van de kantonrechter in prima is derhalve rechtens juist geweest. Het had op de weg van appellante sub A gelegen om onder intrekking van beschikking [nummer 1] een nieuwe beschikking te geven teneinde de verlenging van beschikking [nummer 1] te stuiten. Naar het oordeel van het hof is beschikking [nummer 1] nog steeds rechtsgeldig. Meer nog, appellante sub A heeft beschikking [nummer 1] aan geïntimeerde verleend onder intrekking van de vorige aan geïntimeerde terzake afgegeven beschikking. Op grond van het voren overwogene is grief 1 naar het oordeel van het hof ongegrond.

8.2 Grief II: de interpretatie van artikel VI lid 1 van beschikking [nummer 1].
8.2.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte in rechtsoverweging 4.2 heeft overwogen dat geïntimeerde redelijkerwijs uit de inhoud van beschikking [nummer 1], met name artikel VI lid 1 kon begrijpen dat beschikking [nummer 1] per 01 augustus 2015 stilzwijgend is verlengd, omdat een dergelijke interpretatie van voornoemd artikel onlogisch en onredelijk is. Volgens appellanten had het voor geïntimeerde, gelet op de betekenis van het begrip stilzwijgend volgens het Van Dale woordenboek en het normale spraakgebruik, de grammaticale betekenis van de overige bewoordingen van artikel VI lid 1 en het doel van artikel VI lid 1 in het licht van de artikelen 11, 14 en 17 van de Deviezenregeling 1947, duidelijk dienen te zijn dat de verlenging van beschikking
[nummer 1] door middel van de brief d.d. 20 april 2015 wel te spreken zou worden gestuit, nu uit voormelde brief in samenhang met artikel VI lid 1 van beschikking [nummer 1] niet anders kon worden opgemaakt dan dat beschikking [nummer 1] niet stilzwijgend werd verlengd.

8.2.2. Geïntimeerde voert hiertegen aan dat een dergelijke interpretatie van artikel VI lid 1 door de kantonrechter alleszins logisch en begrijpelijk is, nu uit de redactie van de brief d.d. 20 april 2015 niet grammaticaal of anderszins valt af te leiden dat de stilzwijgende verlenging van de beschikking [nummer 1] wordt gestuit, nog daargelaten de vraag of een dergelijke stuiting met een simpele brief mogelijk is. Volgens geïntimeerde wordt noch in de brief van 20 april 2015 noch in die van 30 juli 2015 op geen enkele wijze gerefereerd aan de stilzwijgende verlenging uitdrukkelijk opgenomen in artikel VI lid 1 van de beschikking [nummer 1]. De enige juiste conclusie volgens geïntimeerde is derhalve dat vanwege de uitdrukkelijk stilzwijgende verlenging, de beschikking nimmer is vervallen.

8.2.3 Appellanten persisteren dat de kantonrechter wel degelijk ten onrechte is meegegaan in de onlogische en onredelijke interpretatie die geïntimeerde aan artikel VI lid 1 van Beschikking [nummer 1] heeft gegeven.

8.2.4 Het hof acht op grond van overweging 8.1.4 van dit vonnis grief 2 eveneens ongegrond, nu het hof van oordeel is dat de intrekking van beschikking [nummer 1] slechts bij beschikking, opgemaakt in dezelfde vorm als beschikking [nummer 1] zou kunnen geschieden.

8.3 Grief III: de stuiting van de stilzwijgende verlenging van beschikking [nummer 1].
8.3.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.3 ten onrechte heeft overwogen dat appellante sub A door middel van de brief d.d. 30 juli 2015 heeft getracht de stilzwijgende verlenging te stuiten, alsmede dat een brief niet als een beschikking valt aan te merken. Immers heeft appellante sub A betoogd dat zij met de brief van 20 april 2015 de verlenging van beschikking [nummer 1] heeft gestuit, terwijl voormelde brief conform artikel 8 lid 2 Besluit Vormgeving Wettelijke Regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten (S.B. 1996 no. 54) een beschikking is, aangezien het een besluit is van een bestuursorgaan ter uitvoering van de hem opgedragen taken, alsmede een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Volgens appellanten heeft de kantonrechter ten onrechte de beschikkingen no.’s 266 en 267 geschorst, aangezien deze beschikkingen op aanvraag van geïntimeerde d.d. 28 augustus 2015 zijn gegeven en regelmatig zijn, terwijl een vergunning een eenzijdige publiekrechtelijke rechtshandeling is, zodat er geen consensus tussen partijen is vereist, weshalve er geen voorbehoud door de aanvrager kan worden gemaakt.

8.3.2 Geïntimeerde voert aan dat de kantonrechter terecht heeft opgemerkt dat noch met de brief van 30 juli 2015 noch met die van 20 april 2015, de verlenging van de beschikking is gestuit; immers wordt in beide gesproken over het vervallen van een beschikking, terwijl die reeds geacht werd stilzwijgend te zijn verlengd per 1 augustus 2015. Eveneens heeft de kantonrechter terecht opgemerkt dat de brief van 30 juli 2015 niet als een beschikking kan worden aangemerkt, nu zowel de brief van 20 april 2015 alsook die van 30 juli 2015, qua inhoud en vorm schril afsteken bij de beschikking [nummer 1], terwijl ze in ieder geval de motivering en de elementen van openbaarheid missen, weshalve er geen sprake is van een correcte wijze van totstandkoming en dus geenszins kan worden aangemerkt als een beschikking in het kader van de Deviezenregeling. Voorts voert geïntimeerde aan dat de schorsing van de beschikkingen no.’s 266 en 267, een logisch gevolg is van de vaststelling van de onrechtmatigheid van de vermeende vervallenverklaring c.q. stuiting van de verlenging van de beschikking [nummer 1], nu de aanvraag daarvan onder voorbehoud immers sec was ingegeven door de vrees dat geïntimeerde haar bedrijfsactiviteiten niet langer kon voortzetten.

8.3.3 Appellanten stellen zich op het standpunt dat middels de brief van 20 april 2015, de verlenging van Beschikking [nummer 1] adequaat was gestuit. Voorts stellen appellanten dat de brief van 20 april 2015, materieel een beschikking is, nu zij een besluit is van een bestuursorgaan ter uitvoering van de hem opgedragen taken en een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling is. Appellanten voeren aan dat het besluit vervat in de beschikking correct tot stand is gekomen met in achtneming van de ABBB’ s, weshalve de beschikkingen no.’s 266 en 267 ten onrechte zijn geschorst.

8.3.4 Het hof overweegt ten aanzien van de vraag of de brief van 20 april 2015, gelet op het feit dat deze inhoudt een besluit van een bestuursorgaan ter uitvoering van de haar opgedragen taken, als een beschikking moet worden aangemerkt, dat voormelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het hof stelt voorop dat een beschikking een bestuursbesluit is voor een individueel of concreet geval, genomen door een daartoe bevoegde bestuursorgaan, hetgeen in casu het geval is. Echter geldt naar het oordeel van het hof dat het bestuursbesluit aan de daarvoor geldende vormvereisten moet voldoen, hetgeen in casu niet het geval is. Er is een duidelijk verschil tussen de vorm waarin de beschikking waarbij de vergunning is verleend en de brief c.q. de brieven van appellante sub A gericht aan geïntimeerde, weshalve de brieven nimmer kunnen gelden als beschikkingen.
Aangezien voormelde brieven niet als beschikkingen kunnen worden aangemerkt, terwijl beschikking [nummer 1] nimmer is ingetrokken, is naar het oordeel van het hof, beschikking [nummer 1]
ingaande 01 augustus 2015 stilzwijgend verlengd, waardoor de schorsing c.q. opschorting van de beschikkingen no.’s 266 en 267 noodzakelijk was, nu er door de uitgifte van de beschikkingen no.’s 266 en 267 een andere rechtstoestand is gecreëerd, zonder dat de oude rechtstoestand opgehouden is te bestaan. De kantonrechter in prima heeft dan ook terecht voormelde beschikkingen geschorst. Op grond van het voren overwogene is grief 3 eveneens ongegrond.

8.4 Grief IV: inachtname van Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur door appellante sub A.
8.4.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.3.1 ten onrechte heeft overwogen dat appellante sub A de ABBB ’s niet in acht heeft genomen. Immers heeft appellante sub A juist reeds bij schrijven d.d. 20 april 2015 geïntimeerde geïnformeerd omtrent haar besluit om beschikking [nummer 1] niet stilzwijgend te verlengen, de gewijzigde omstandigheden en nieuwe beleidsinzichten die tot dat besluit hebben geleid en de in een nieuwe vergunning op te nemen voorwaarde, nadat appellante sub A op 30 maart 2015 met geïntimeerde overleg had gehad over de reorganisatie van de goudsector, van welke reorganisatie en de komst van KSMH geïntimeerde en overige vergunninghouders sinds 2011 waren geïnformeerd. Voorts heeft appellante sub A op 30 juli 2015 geïntimeerde zelfs nogmaals herinnerd aan het besluit dat beschikking [nummer 1] niet zal worden verlengd, alsmede een termijn van een maand vergund aan geïntimeerde om een nieuwe aanvraag in te dienen, waarna de aanvraag met terugwerkende kracht op 01 september 2015 per 01 augustus 2015 is gehonoreerd bij beschikkingen no.’s 266 en 267. Volgens appellante sub A heeft zij hiermee veel gewicht toegekend aan de belangen van geïntimeerde en regardeert een eventueel gedane toezegging door de Minister van Financiën haar niet, nu het om een bevoegdheid van appellante sub A gaat.

8.4.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat appellante sub A, door zelf niet in te gaan op de bezwaren van geïntimeerde geopperd tijdens het onderhoud met de leiding van appellante sub A op 30 maart 2015, alsook de gedane toezegging voor een onderhoud met het Ministerie van Financiën geen gestand te doen, er blijk van heeft gegeven geïntimeerde niet inhoudelijk te hebben gehoord, weshalve er ook geen redelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, terwijl de motivering van het besluit van appellante sub A in de brief van 30 juli 2015 en van 21 juli 2015, veel te wensen overlaat. Volgens geïntimeerde is met het achteraf toekennen van de beschikkingen no.’s 266 en 267, niet tegemoet gekomen aan haar belangen en redelijke verwachtingen, terwijl op geen enkele wijze de doelmatigheid is aangetoond of aannemelijk gemaakt, van het besluit om alle vergunninghouders gedwongen via KSMH te laten exporteren. Geïntimeerde voert verder aan dat het alle schijn van heeft dat appellante sub A haar bevoegdheid in deze heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die gegeven is.

8.4.3 Appellanten persisteren dat de ABBB’s in acht zijn genomen, terwijl geïntimeerde niet heeft
bewezen dat de toezegging dat er een onderhoud met de Minister van Financiën in het vooruitzicht was gesteld, door een daartoe bevoegde persoon was gedaan en gaat het in deze om een bevoegdheid van appellante sub A ingevolge de Deviezenregeling en niet van de Minister van Financiën. Volgens appellanten zijn de door geïntimeerde geuite bezwaren aangehoord en meegenomen in de besluitvorming, doch is het geen verplichting om aan alle bezwaren tegemoet te komen.

8.4.4 Het hof overweegt dat hoewel de Deviezenregeling 1947 aan appellante sub A de bevoegdheid geeft om aan een vergunning voorwaarden of verplichtingen te verbinden, zulks niet met zich meebrengt dat appellante sub A daarbij in strijd handelt met de ABBB’s. Geïntimeerde stelt zich namelijk op het standpunt dat haar belangen niet zijn meegenomen, althans heeft er geen belangenafweging plaatsgevonden bij de besluitvorming tot wijziging van de voorwaarden c.q. verplichtingen, terwijl appellanten zich op het standpunt stellen dat de door geïntimeerde geuite bezwaren wel zijn meegenomen in haar besluitvorming, doch is zij niet verplicht om alle bezwaren mee te nemen. Naar het oordeel van het hof is niet gesteld of gebleken op welke wijze en welke bezwaren van geïntimeerde zijn meegenomen in de besluitvorming van appellante sub A, terwijl vaststaat dat er tussen partijen geen vervolggesprek is geweest om te praten over de gerezen bezwaren, zodat aannemelijk is geworden dat er geen redelijke belangenafweging heeft kunnen plaatsvinden.
Evenmin is naar het oordeel van het hof gesteld of gebleken wat het groter belang is dat met de gewijzigde voorwaarden en verplichtingen gediend wordt, zodat het besluit vervat in de beschikkingen no.’s 266 en 267 niet voldoet aan het motiveringsbeginsel. Naar het oordeel van hof is eveneens aannemelijk geworden dat ingevolge Het Besluit Royalty Kleinmijnbouw ter zake van Goud en Exploitatie Bouwmaterialen (S.B. 1989 no. 40), slechts appellante sub B bevoegd is om de royalty met betrekking tot goud te berekenen, zodat de voorwaarden opgenomen in de beschikkingen no.’s 266 en 267 naar het voorlopig oordeel van het hof in strijd zijn met voornoemd Besluit. Op grond van het voren overwogene is grief 4 eveneens ongegrond.

8.5 Grief V: de beleidsvrijheid van appellante sub A.
8.5.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.4 ten onrechte heeft overwogen dat appellante sub A geen rekenschap heeft gegeven van de in geding zijnde belangen en haar eigen belangenafweging in de plaats van die van geïntimeerde heeft gesteld. Volgens appellanten heeft de kantonrechter hiermee miskend dat aan appellante in deze beleidsvrijheid toekomt en zij krachtens artikel 5 Deviezenregeling 1947 vergunningen kan verlenen, doch daartoe niet verplicht is, weshalve er volgens ’Hoever-Venoaks en Darnen’ sprake is van beleidsvrijheid. Op grond hiervan had appellante sub A dan ook de vrijheid om in haar belangenafweging geen doorslaggevend belang aan de bezwaren van geïntimeerde toe te kennen.

8.5.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat ook bij het uitoefenen van haar beleidsvrijheid, een
bestuursorgaan niet zonder meer van een eenmaal door haar aangevangen en bestendig doorgevoerd beleid kan afwijken, alsmede dat zij bij wijziging van haar beleid de belangen van betrokkenen die afhankelijk zijn van dat beleid!/ dient mee te nemen en af te wegen alvorens te besluiten het beleid te wijzigen. Als appellante sub A stelt dat zij bij haar belangenafweging, geen doorslaggevend belang aan de bezwaren van geïntimeerde heeft toegekend, is zulks bezijdens de waarheid, omdat deze belangenafweging nimmer heeft plaatsgehad, nu het onderhoud met het Ministerie van Financiën naar aanleiding van de door geïntimeerde geopperde bezwaren nimmer heeft plaatsgehad, weshalve vaststaat dat de bezwaren niet zijn meegenomen in de belangenafweging.
Zulks blijkt evenmin uit de motivering van het besluit van appellante sub A, terwijl geïntimeerde bij het verstrekken van de beschikkingen no.’s 266 en 267, onvoldoende invulling heeft gegeven aan deze verplichting, als gevolg waarvan zij opgescheept zit met torenhoge exploitatiekosten.
Geïntimeerde voert aan dat appellante sub A vóór 01 augustus 2015, slechts met in acht name van de beginselen van behoorlijk bestuur, artikel VI lid 1 van de beschikking [nummer 1] zou hebben kunnen intrekken, doch heeft zij het toen slechts gehad over het vervallen van de beschikking per 31 juli 2015.

8.5.3 Appellanten stellen zich op het standpunt dat zowel geïntimeerde als alle andere vergunninghouders van de goudsector, alsook de gehele Surinaamse bevolking reeds in 2011 waren geïnformeerd over de aanstaande reorganisatie van de goudsector en de komst van KSMH, terwijl geïntimeerde tijdens het overleg van 30 maart 2015 en in de brief d.d. 20 april 2015 over de veranderde beleidsinzichten is geïnformeerd, waarna de beschikking tot stand is gekomen met de afweging van de belangen van geïntimeerde tegen het algemeen belang. Volgens appellanten kon de kantonrechter, gezien de beleidsvrijheid van appellante sub A, haar oordeel niet in de plaats van dat van appellante sub A stellen. Appellanten voeren aan dat appellante sub A met de verstrekking van de beschikkingen no.’ s 266 en 267 in voldoende mate acht heeft geslagen op de nadelen die voor geïntimeerde aan de verwerking door KSMH zouden kleven.

8.5.4 Het hof stelt voorop dat aan appellante sub A ingevolge de Deviezenregeling 1947, artikel 5 leden 3 en 4, beleidsvrijheid toekomt voor wat betreft het stellen van voorwaarden en verbinden van verplichtingen aan een vergunning. Naar het oordeel van het hof brengt deze beleidsvrijheid geenszins met zich dat appellante sub A in strijd handelt met de ABBB’s, nu uit de beschikkingen no.’s 266 en 267 niet is gebleken in hoeverre of in welke mate er een belangenafweging heeft plaatsgehad, terwijl naar het voorlopig oordeel van het hof aannemelijk is geworden dat slechts aan appellante sub B de bevoegdheid toekomt om royalty op goud te berekenen, zodat voormelde beschikkingen vooralsnog in strijd zijn met de ter zake geldende wettelijke bepalingen.
Grief 5 is derhalve eveneens ongegrond.

8.6 Grief VI: eigen schuld van geïntimeerde aan de door haar geleden schade.
8.6.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in rechtsoverweging 4.5 ten onrechte heeft overwogen dat het handelen van appellante sub A aan geïntimeerde enorme schade heeft berokkend en dat dit niet is tegengesproken. Volgens appellante sub A heeft zij door de betwisting van enig onrechtmatig handelen, per definitie ook betwist dat zij geïntimeerde schade heeft berokkend. Voorts is de door geïntimeerde gestelde schade aan haar eigen schuld te wijten, nu zij er doelbewust voor heeft gekozen om niet conform beschikkingen no.’s 266 en 267 te handelen.

8.6.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat appellanten de door haar gestelde schade niet hebben weersproken ter terechtzitting, met name de onredelijk hoge kosten die KSMH in rekening brengt en het feit dat geïntimeerde na export naar zijn contractspartijen in het buitenland opnieuw kosten zal moeten maken. Voorts stelt geïntimeerde dat het door haar gemaakte voorbehoud bij de aanvraag en verkrijging van de beschikkingen no.’s 266 en 267 wel degelijk in acht dient te worden genomen, nu de aanvraag uit pure noodzaak met het oog op zijn bedrijfsvoering onder voorbehoud is geschied.

8.6.3 Appellanten betwisten onrechtmatig jegens geïntimeerde te hebben gehandeld, weshalve de eventuele schade die door geïntimeerde is geleden, niet aan hun is toe te rekenen.

8.6.4 Het hof overweegt dat appellanten door hun gedragingen geïntimeerde in een dusdanige positie hebben geplaatst, omdat zij geen acht hebben geslagen op de belangen van geïntimeerde, althans de door geïntimeerde geopperde belangen niet (voldoende) hebben meegewogen in hun besluitvorming. Immers, er is geen overleg meer geweest tussen partijen nadat geïntimeerde op 30 maart 2015 haar bezwaren heeft geopperd. Het onrechtmatig handelen van appellanten staat naar het voorlopig oordeel van het hof vast, nu aannemelijk is geworden dat appellanten in strijd met ABBB’s hebben gehandeld, aangezien de beschikkingen een deugdelijke motivering ontberen en er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, terwijl beschikking [nummer 1] nog steeds rechtsgeldig is en de verplichtingen opgenomen in de beschikkingen no.’s 266 en 267 vooralsnog in strijd zijn met de geldende wettelijke bepalingen. Aannemelijk is geworden dat als gevolg van dit handelen van appellanten geïntimeerde schade heeft geleden. Grief 6 is derhalve eveneens ongegrond.

8.7 Grief VII: verantwoordelijkheid van appellant sub A voor wanorde binnen de
goudsector.
8.7.1 Appellanten stellen zich op het standpunt dat de kantonrechter in het vonnis in prima in
rechtsoverweging 4.5 geheel ongemotiveerd heeft gesteld dat appellante sub A verantwoordelijk zal zijn voor de eventuele ontstane wanorde in de goudsector, nu hiermee de motiveringsplicht van artikel 65, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is geschonden.

8.7.2 Geïntimeerde voert hiertegen aan dat het niet meer dan logisch is dat de kantonrechter appellante sub A er terecht op wijst dat onder meer appel l ante sub A dient toe te zien op orde binnen de goudsector en dat zij haar verantwoordelijkheid niet van zich af moet trachten te schudden; gelet op de wettelijke functie van appellante sub A i s d i t volkomen begrijpelijk.

8.7.3 Appellante sub A stelt zich op het standpunt dat zij de verantwoordelijkheid heeft voor de ordening van de goudsector, doch is zij niet verantwoordelijk voor de wanorde in de goudsector. Volgens appellanten heeft de toewijzing van de vordering van geïntimeerde evenwel geleid tot ongelijkheid en dus wanorde in de goudsector.

8.7.4 Het hof overweegt dat het een logische gevolgtrekking van de kantonrechter in prima is dat de appellante sub A verantwoordelijk is voor de ontstane wanorde in de goudsector, nu appellante sub A belast is met de uitgifte van vergunningen terzake en de uitvoering van de voorwaarden daarvan. Wie zou anders verantwoordelijk moeten zijn daarvoor ? is de retorische vraag die zich dan aandient.
Naar het oordeel van het hof i s ook deze grief ongegrond.

8.8 Nu de door appellanten aangevoerde grieven ongegrond zijn bevonden en het Hof geen termen aanwezig acht om de vordering ambtshalve opnieuw te beoordelen, zal bespreking van het overig door partijen aangevoerde als niet terzake doende buiten beschouwing worden gelaten.
Het vonnis waarvan beroep, zal gelet op het voren overwogene worden bevestigd, onder aanvulling van gronden als hiervoor aangegeven.

8.9 Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken op 11 september 2015 (A.R.No. 15-4050), waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt appellanten in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.S.S. Wijnhard

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. E. Naarendorp, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Loi Tam Loi namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-73

G.R.No.15077
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

1.DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP EXCLUSIVE WOODS, gevestigd te [plaats],
2. [APPELLANT SUB 2], weduwe van [erflater], in haar hoedanigheid van
enige gerechtigde van alle activa, behorende tot de nalatenschap van [erflater]
en in de hoedanigheid van enig aandeelhouder en bestuurder directeur van de sub 1 genoemde rechtspersoon,
wonende te [plaats],
3. [Appellant sub 3], in haar hoedanigheid van president commissaris van de sub 1 genoemde rechtspersoon, wonende te [plaats],
4. A. [Appellant sub 4 A],
B. [Appellant sub 4 B],
C. [Appellant sub 4 C],
D. [Appellant sub 4 D],
allen in hun hoedanigheid van mede erfgenamen van de nalatenschap van
[erflater],
allen wonende te [plaats],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D.P.A. Landvreugd, advocaat,

tegen

1. FINABANK N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
verder te noemen: Finabank,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

en

2. UNIFIRST SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
verder te noemen Unifirst,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 7 december 2015 (A.R.No. 15-5176) tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 7 december 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2016;
  • de antwoordpleitnota zijdens Finabank d.d. 7 oktober 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 20 januari 2017;
  • de dupliekpleitnota zijdens Finabank d.d. 17 maart 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 4 augustus 2017 en vervolgens op 1 juni 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.
In hoger beroep is Unifirst wel verschenen, maar zij heeft daarin geen verdere proceshandelingen verricht.

2. In deze zaak zijn de volgende feiten van belang.

(i) Unifirst heeft in 2009 met Finabank een kredietovereenkomst gesloten, die in 2010 is herzien.
Krachtens deze (herziene) overeenkomst verstrekte Finabank aan Unifirst een bedrag van € 229.300,- ter leen.

(ii) Tot zekerheid van de voldoening van al hetgeen Unifirst aan Finabank uit hoofde van deze kredietovereenkomst verschuldigd zou zijn, heeft Exclusive Woods (appellante sub 1), daarbij vertegenwoordigd door haar directeur [erflater], aan Finabank het recht van eerste hypotheek verstrekt op een ten processe nader omschreven onroerend goed.

(iii) Unifirst is in gebreke gebleven jegens Finabank aan haar verplichtingen te voldoen, waarop laatstgenoemde het verbonden goed op 8 december 2015 heeft doen veilen. Daags daarvoor had de kantonrechter, bij het thans door appellanten bestreden vonnis, de vorderingen van appellanten, die erop gericht waren de veiling te voorkomen, afgewezen onderscheidenlijk (met betrekking tot een deel van de appellanten) hen daarin niet-ontvankelijk verklaard.

3. Bij pleitnota in hoger beroep hebben appellanten gevorderd hun oorspronkelijke vorderingen alsnog toe te wijzen. Bij repliekpleitnota hebben zij hun oorspronkelijke eis gewijzigd als in dat processtuk aangegeven. Finabank heeft zich tegen deze eiswijziging verzet.
Het Hof is van oordeel dat de onderhavige, ingrijpende, eiswijziging in dit stadium van de procedure strijdig is met een goede procesorde en staat haar daarom niet toe.

4. Aan het Hof liggen derhalve de oorspronkelijke vorderingen van appellanten ter beoordeling voor. Voor zover deze vorderingen betrekking hebben op het verbieden van de veiling op 8 december 2015 kunnen deze reeds daarom niet worden toegewezen omdat, zoals hierboven onder 2 (iii) reeds is opgemerkt, het gaat om een voldongen feit: de veiling heeft plaatsgevonden en dat kan niet worden teruggedraaid.

5. Ook de overige oorspronkelijke vorderingen van appellanten komen in dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking.
Jegens beide geïntimeerden waren deze erop gericht inzicht te verkrijgen in de besteding van het door Unifirst van Finabank geleende geld, met name of dat was aangewend voor het aankopen van een bepaald perceel en het daarop bouwen van een bedrijfspand. Jegens Finabank waren deze er mede op gericht een overzicht te verkrijgen van de (tranches van) kredietverlening. Indien en voor zover de onderhavige vorderingen dienen ter onderbouwing van het geëiste verbod van de veiling, delen zij, om redenen als hierboven sub 4 vermeld, het lot van de daarop betrekking hebbende vordering. En indien en zover deze een ander doel beogen te dienen, valt niet in te zien welk spoedeisend belang appellanten daarbij hebben.

6. Op het vorenstaande stuiten de grieven van appellanten, wat daarvan verder zij, af. Nu het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het bestreden vonnis, zal dit worden bevestigd. Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 7 december 2015 (A.R.No. 15-5176), waarvan beroep;
  • veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden gevallen en begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. D.P.A. Landvreugd, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van geïntimeerde sub 2, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-72

G.R.No. 15083
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

A. [Appellant sub A] EN B. [Appellant sub B],
wonende in het district,
appellanten,
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1],
gevestigd te [plaats],
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,

2. [geïntimeerde sub 2],
kantoorhoudende te [plaats],
gemachtigde: dhr. K. Jawalapersad,

3. STICHTING LOVE ME TOMORROW,
gevestigd in het [district],
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,
geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 13 februari 2015 (A.R.No. 15-0609) tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 23 februari 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kan worden ontvangen.

2. Appellanten hebben nagelaten grieven of bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter aan te voeren. Het Hof heeft, ambtshalve oordelend, tegen dit vonnis geen bedenkingen, zodat het zal worden bevestigd. Appelanten zullen als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 februari 2015 (A.R.No. 15-0609),

veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. D.G.W. Karamat Ali , Leden en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Dubois, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigden van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2018-71

G.R.No. 15089
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding, verder te noemen: SRS,
gemachtigde: mr .M.G.A .Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
appellant in kort geding, verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding, verder te noemen: Sasur,
gemachtigde: mevr. M. Gangapersad, LL.M, BSc., algemeen directeur,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No 15-1096 ) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 18 mei 2015, inhoudende dat SRS en de Staat op 18 mei 2015 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
  • een pleitnota van SRS van 5 augustus 2016;
  • een antwoordpleitnota van Sasur van 7 oktober 2016;
  • een repliekpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
  • een dupliekpleitnota van Sasur van 16 juni 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SRS en de Staat daarin kunnen worden ontvangen.

De beoordeling
1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:
Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire midddels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.
Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..
Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding aangebracht, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, A.R.No.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, A.R.No. 07-3984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, A.R.No. 14-4867. In dat vonnis, A.R.No. 14-4867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer – kort en zakelijk weergegeven – dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.

Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.
In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiair vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.

2. SRS stelt dat mevr. M. Gangapersad in hoger beroep niet als gemachtigde kan optreden omdat zij geen advocaat is. Dit is onjuist. De wet vereist niet dat een gemachtigde in civiele procedures de hoedanigheid van advocaat heeft. Dat geldt ook voor hoger beroep.

3. SRS voert twee grieven aan. Grief 1 verwijt de kantonrechter dat deze niet aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan omdat zij het primair gevorderde heeft geweigerd maar in de overwegingen niet gemotiveerd heeft waarom zij dit heeft gedaan. In grief 2 voert SRS aan dat het primair gevorderde ten onrechte is geweigerd.

4. Grief 1 is gegrond. De kantonrechter heeft inderdaad niet gemotiveerd waarom het primair gevorderde niet voor toewijzing vatbaar was.

5. SRS baseert grief 2 op de stelling dat het perceel waarop zij haar bedrijf uitoefent bestemd is voor de openbare dienst en dat daarom ingevolge artikel 312a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarop geen beslag gelegd mag worden. Deze grief faalt. SRS heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel rechtstreeks gericht is op het openbaar belang. Het feit dat SRS door de Staat is opgericht en onder toezicht van een door de Minister benoemde Raad van Toezicht staat, maakt nog niet dat de feitelijk door SRS uitgeoefende werkzaamheden rechtstreeks het openbaar belang dienen. Ook de omstandigheid dat de Staat voor haar berichtgeving mede gebruik maakt van SRS maakt nog niet dat daarmee rechtstreeks het openbaar belang wordt gediend. SRS is slechts een van de vele media waarvan de Staat voor haar berichtgeving gebruik maakt en Sasur heeft aannemelijk gemaakt dat SRS mede op commerciële activiteiten gericht is.

6. Ambtshalve merkt het Hof op, dat partijen in dit geding niet zijn ingegaan op de vraag of het intrekken door de Minister van Justitie en Politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen inzake auteursrechten ook meebrengt dat Sasur geen daden van handhaving terzake van auteursrechten, zoals executie van de onderhavige dwangsommen, mag verrichten. Dit punt komt aan de orde in het kort geding in hoger beroep A.R.No.14-486. Het Hof zal daar in deze zaak niet op vooruit lopen.

7. Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom, dat het vonnis waarvan beroep moet worden bevestigd, met aanvulling van gronden en met veroordeling van SRS in de proceskosten van beide instanties.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:
Bevestigt, met aanvulling van gronden, het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015, waarvan hoger beroep;

Veroordeelt SRS in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Sasur tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens mr. Ramlal, gevolmachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-70

G.R.No. 15089A
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante, verder te noemen Sasur,
gevolmachtigde: mw. M. Gangapersad, LL.M. B.Sc., algemeen directeur,

tegen

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS)
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen SRS,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

en

DE STAAT SURINAME,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde, verder te noemen de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 5 mei 2015 (A.R.No. 151096) tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 11 mei 2015, inhoudende dat Sasur op 11 mei 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 5 mei 2015 in kort geding gewezen tussen SRS en de Staat als eisers en Sasur als gedaagde;
  • een pleitnota van Sasur van 4 november 2016;
  • een antwoordpleitnota van SRS van 3 februari 2017;
  • een repliekpleitnota Sasur van 16 juni 2017;
  • een dupliekpleitnota van SRS van 3 november 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is door Sasur tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Sasur daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling
1. Kort samengevat betreft het geschil in eerste aanleg het volgende:
Bij vonnis in kort geding van 3 december 2009 heeft de kantonrechter op vordering van Sasur aan SRS een verbod opgelegd om een aantal gespecificeerde muziekwerken zonder toestemming van Sasur openbaar te maken of te verveelvoudigen. Voorts heeft de kantonrechter aan SRS verboden “om enig muziekwerk of delen daarvan al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het door eiseres beheerde repertoire midddels het door haar geëxploiteerde omroepstation (….) zonder van eiseres verkregen toestemming openbaar te maken danwel te verveelvoudigen”. Ten slotte heeft de kantonrechter SRS veroordeeld tot de betaling van een dwangsom groot SRD 1.000,– voor iedere keer dat SRS deze verboden zou overtreden, tot een maximum van SRD 1.000.000,–.
Sasur heeft op 7 augustus 2014, na aanzegging bij deurwaardersexploot aan SRS dat deze het maximum aan dwangsommen ter hoogte van SRD 1.000.000,– had verbeurd, executoriaal beslag gelegd op het recht van erfpacht op het perceel waarop SRS haar radio-omroepbedrijf exploiteert. Op 21 augustus 2014 heeft zij terzake van de berweerdelijk verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van SRS onder de Surinaamse Bank N.V. en Hakrinbank N.V..
Op 10 maart 2015 heeft SRS bij de kantonrechter een vordering in kort geding ingesteld, waarbij zij opkwam tegen bovenbedoelde beslagen. Na vermindering van eis strekt de vordering primair tot a. opheffing van het executoriale beslag op het recht van erfpacht op het perceel land en b. staking van de tenuitvoerlegging van de derdenbeslagen onder de Banken totdat in hoger beroep definitief zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter 19 januari 2015, AR no.144867. Subsidiair vorderde SRS schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2009, AR no. 073984, terzake van de vastgestelde dwangsom, totdat in hoger beroep onder nummer GR 15038 zal zijn beslist over het vonnis van de kantonrechter van 19 januari 2015, AR no. 144867. In dat vonnis, AR no. 144867, werd de vordering van SRS tot opheffing van het executoriale beslag op het erfpachtsrecht van het perceel van SRS afgewezen. De kantonrechter overwoog daarin onder meer –kort en zakelijk weergegeven- dat Sasur ondanks de intrekking van de ministeriële toestemming aan Sasur om met betrekking tot auteursrechten te bemiddelen bevoegd was gebleven om terzake van die auteursrechten handhavend op te treden en aldus bevoegd was gebleven om de onderhavige dwangsommen door middel van executoriale beslagen te innen.
Bij tussenvonnis van 16 april 2015 heeft de kantonrechter de Staat Suriname toegestaan om zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van SRS.
In het vonnis waarvan beroep van 5 mei 2015 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang, de primaire vordering van SRS tot opheffing van de onder SRS gelegde executoriale beslagen afgewezen en de subsidiaire vordering, tot schorsing van de executie van dwangsommen, toegewezen.

2.Het hof heeft uit de pleitnota van Sasur begrepen dat Sasur zeven (ongenummerde) grieven aanvoert tegen het vonnis van de kantonrechter van 5 mei 2015.

3. In de eerste grief maakt Sasur er bezwaar tegen dat de kantonrechter het vonnis in kort geding van 3 december 2009 aanduidt als “gewraakt vonnis”. Volgens Sasur is dat onjuist omdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Kennelijk meent Sasur dat de kantonrechter door het woord “gewraakt” te gebruiken, aanneemt dat tegen dit vonnis nog wel een gewoon rechtsmiddel openstaat. Die uitleg volgt het hof niet. Naar de mening van het hof wil de kantonrechter met “gewraakt vonnis” niet meer zeggen dan “vonnis, dat door partijen verschillend wordt uitgelegd”. De grief faalt.

4. In grief 2 voert Sasur aan dat de kantonrechter ten onrechte vermeldt dat het vonnis van 3 december 2009 op 16 mei 2012 aan SRS is betekend. Volgens Sasur vond die betekening op 10 november 2011 plaats. Uit de processtukken in eerste aanleg blijkt dat de betekening inderdaad op 10 november 2011 geschiedde. De grief is gegrond maar dat heeft geen enkel gevolg voor deze procedure. Relevant is slechts dat de betekening op rechtsgeldige wijze heeft plaats gevonden, wanneer dat geschiedde doet in dit verband niet terzake.

5. Grief 3 richt zich tegen rechtsoverweging 4.3.3. in het vonnis waarvan beroep. Bij wijze van toelichting op het restitutierisico bij inning van de dwangsommen door Sasur voordat het hof in de zaak in de zaak GR 15038 definitief heeft beslist, overweegt de kantonrechter hier dat Sasur de gemotiveerde stelling van SRS en de Staat dat Sasur geen enkel vermogen heeft waarop SRS verhaal zou kunnen zoeken, niet, althans niet gemotiveerd, heeft weersproken. De grief treft geen doel: Sasur heeft de duidelijke stelling van SRS slechts in vage bewoordingen ontkend en deze niet voldoende gemotiveerd weersproken. Voor de hand had gelegen dat Sasur door middel van bankafschriften, eigendomsbewijzen of andere schriftelijke bewijsstukken haar vermogenspositie zou hebben verduidelijkt, maar dat is niet geschied.

6. Grief 4 voert aan dat de kantonrechter ten onrechte een “verkapt appèl” door SRS tegen het vonnis van 3 december 2009 heeft toegestaan. Het vonnis van 3 december 2009 is een vonnis in kort geding, dat dus per definitie slechts een voorlopige voorziening treft. Bij latere wijziging van omstandigheden –zoals in dit geval het intrekken door de minister van justitie en politie van de toestemming aan Sasur om te bemiddelen in auteursrechtzaken- mag onderzocht worden welke consequenties dit voor de executie van het vonnis in kort geding heeft. Dat onderzoek geschiedt in dit geval in de zaak GR 15038. Daarin moet het hof nog uitspraak doen. De kantonrechter heeft in de onderhavige zaak, AR 15089A, redenen gevonden om de executie te schorsen totdat het onderzoek in de zaak GR 15038 is afgerond en daarin uitspraak is gedaan. Dat is iets anders dan het toestaan van een verkapt appèl. De grief faalt.

7. Grief 5 (overweging 2.5 in de pleitnota van Sasur) mist naast de hiervoor behandelde grief 4 zelfstandige betekenis.

8. Grief 6 richt zich tegen de opmerking van de kantonrechter dat het vonnis van 3 december 2009 van langer dan 5 jaar geleden dateert. Deze opmerking wordt gemaakt bij de afweging van het belang van SRS om de beslissing van het hof in de zaak GRNO. 15038 af te wachten tegenover het belang van Sasur om nu reeds de dwangsommen te kunnen executeren, met het risico dat de geïncasseerde bedragen gerestitueerd moeten worden als de uitspraak van het hof in de zaak GR 15038 in voor Sasur ongunstige zin uitvalt. De kantonrechter mocht de omstandigheid dat de incassering van de dwangsommen reeds zo lang op zich heeft laten wachten in haar afweging betrekken. De grief faalt.

9. Grief 7 betoogt dat het vonnis waarvan beroep in strijd is met artikel 492 Rv. Dit betoog gaat echter niet op. Het bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat bij verschil van mening over de vraag of dwangsommen verschuldigd zijn en executie van die dwangsommen toelaatbaar is, dit verschil van mening als executiegeschil in kort geding aan de rechter wordt voorgelegd.

10. Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen het beroepen vonnis, zodat, nu de grieven zijn verworpen danwel niet relevant zijn bevonden, dit vonnis zal worden bevestigd.

5.Sasur zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 5 mei 2015 (A.R.No 151096).

Veroordeelt Sasur in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van SRS tot op deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-Griffier bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Ramlal, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-69

G.R.No. 15113
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

SURINAME COAST TRADERS N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
verder ook aan te duiden als Coast Traders,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. SURINAME ALUMINIUM COMPANY L.L.C.,
B. N.V. BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, thans genaamd
N.V. ALCOA MINERALS OF SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als Suralco en Billiton,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 augustus 2015 A.R.No. 15-0938, tussen Coast Traders als eiseres en Suralco en Billiton als gedaagden, spreekt de Fungerend-President , in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • Een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 9 september 2015, inhoudende dat op 9 september 2015 door mr. G.R. Sewcharan, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat Coast Traders hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 13 augustus 2015 in kort geding is gewezen tussen Coast Traders als eiseres en Suralco en Billiton als gedaagden;
  • pleitnota van 6 januari 2007;
  • antwoordpleitnota van 3 februari 2017;
  • repliekpleitnota van 17 maart 2017;
  • dupliekpleitnota van 21 april 2017.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
De dienstbrief van 2 september 2015. Coast Traders heeft blijkens de verklaring van de griffier op 9 september 2015 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en Coast Traders is ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling
1.1. Tussen partijen staat – kort gezegd – vast dat op 21 december 1995 Coast Traders van Billiton een perceelland heeft gekocht van 2, 57 ha. gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] dat is aangegeven op de kaart van 11 augustus 1992 van landmeter Lieuw Kie Song. Na betaling van de koopprijs heeft Coast Traders schade ondervonden (kosten herstel van een damwand en winstderving) die begroot is op USD 3.400.000,–. Coast Traders en Billiton hebben op 31 juli 2009 een overeenkomst gesloten dat Billiton ter vergoeding van de geleden schade op uiterlijk 1 augustus 2009 aan Coast Traders zou overdragen: een perceel van 2,8 ha. en een perceel van 1,2 ha. aangeduid op een bij de overeenkomst behorende luchtfoto met de letters A respectievelijk B., alsmede een gebruiksrecht op een strook land van 1,2 hectare tussen de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] en de John F. Kennedy Highway.
1.2. Aan de overeenkomst is geen uitvoering gegeven omdat tussen partijen een geschil is ontstaan over de vraag of Billiton niet alleen het oorspronkelijk gekochte perceelland zou moeten overdragen, maar ook de beide in de overeenkomst van 31 juli 2009 genoemde percelen, of dat het oorspronkelijk gekochte perceel deel uitmaakte van een van de over te dragen twee percelen.
1.3 De overeenkomst van 31 juli 2009 tussen Billiton en Coast Traders bepaalt onder meer:
“In aanmerking genomen:
A. Dat SCT in of omstreeks 1995 van BMS heeft gekocht, gelijk BMS aan SCT heeft verkocht, het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden- groot 2,57 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] in het [district], zonder nadere omschrijving voldoende aan partijen bekend, hierna aangeduid als: het Gekochte;
(….)
“komen als volgt overeen:
B. BMS zal uiterlijk 31 augustus 2009 overgegaan tot levering van de eigendom van de volgende onroerende goederen aan SCT:
* Het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 2,8 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] in het [district], op de aan deze overeenkomst vastgehechte luchtfoto aangeduid door de figuur met de letter A, van welk perceelland het Gekochte deel uitmaakt, en waarop een betonnen platform of te wel bolder is gesitueerd;
* Het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 1,2 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] in het [district], op de aan deze overeenkomst vastgehechte luchtfoto aangeduid door de figuur met de letter ‘B’;
(….)
6) BMS verleent voorts aan SCT het recht van gebruik van de strook perceelland groot 1,2 hectare gelegen tussen de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] en de John F. Kennedy Highway, op de aan deze overeenkomst vastgehechte luchtfoto aangeduid door de figuur met de letter ‘C’.
1.4. Coast Traders heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Suralco en Billiton worden veroordeeld om ten overstaan van een notaris mee te werken aan de overdracht van drie percelen land zoals nader in het inleidend verzoekschrift is omschreven, om het vonnis in de plaats te doen stellen van de ontbrekende partijverklaring wanneer Suralco en Billiton niet bij de notaris verschijnen of weigeren mee te werken, om te bepalen dat de transportakte in de openbare registers zal worden overgeschreven, om Suralco en Billiton te veroordelen tot betaling van een voorschot van USD 5.100.000,00, of een door de rechter te bepalen bedrag, als voorschot op de door Coast Traders geleden schade en om hen te veroordelen in de kosten van het geding.

1.2. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 13 augustus 2015
* Coast Traders niet – ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen Suralco;
* Billiton veroordeeld om binnen een maand na het vonnis ten overstaan van notaris mr. Alexander mee te werken aan de juridische overdracht van:
– het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 2,8 hectare gelegen te [plaats 1] en belendend aan de [rivier] in het [district], zoals aangegeven op de kaart d.d. 28 mei 2013 van landmeter R.I. Amelo, genummerd 2;
– het perceelland – met al hetgeen zich daarop mocht bevinden – groot 1,2 hectare gelegen te [plaats 1] en belended aan de weg van [plaats 1] naar [plaats 2] in het [district], zoals aangegeven op de kaart d.d. 28 mei 2013 van landmeter R.I. Amelo, genummerd 3;
* bepaald dat het vonnis in plaats wordt gesteld van de ontbrekende partijverklaring in de akte indien Billiton verschijnt en weigert mee te werken of niet verschijnt;
* bepaald dat de opgemaakt transportakte rechtsgeldig in de daartoe bestemde openbare registers zal worden overgeschreven waardoor de eigendom van de hiervoor vermelde perceellanden op Coast Traders overgaat;
* Coast Traders veroordeeld in de gedingkosten van Suralco en Billiton in de gedingkosten van Coast Traders.

1.3. Coast Traders heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, zodat het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan.

1.4. Coast Traders concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en vordert alsnog de gevorderde voorzieningen integraal toe te wijzen en om Suralco en Billiton in de kosten van beide instanties te veroordelen. Zij heeft daartoe vijf grieven tegen voornoemd vonnis aangevoerd.

1.5. Suralco en Billiton hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op de verweren zal in het hierna volgende worden ingegaan.

1.6. De eerste grief luidt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van contractsovername door Suralco omdat er geen medewerking van de wederpartij is geweest en een akte van contractsoverneming heeft ontbroken. Volgens Coast Traders heeft er tussen Suralco en Billiton een overeenkomst bestaan d.d. 31 juli 2009 waarin Suralco alle activiteiten, bezittingen en wettelijke en contractuele verplichtingen van BMS heeft overgenomen. Billiton heeft Suriname verlaten en Suralco heeft alle belangen van Billiton in Suriname overgenomen. In dit kader heeft Coast Traders nog verwezen naar een vonnis van de kantonrechter in de zaak A.R.No. 151904, waarin wel is opgenomen dat Suralco de verplichtingen van Billiton had overgenomen.

In hun verweer tegen deze grief hebben Suralco en Billiton aangevoerd dat de beslissing van de kantonrechter juist is. Suralco heeft niets met de overeenkomst van 31 juli 2009 te maken. Niet Suralco maar N.V. Alcoa Minerals of Suriname, heeft de rechten en plichten van Billiton overgenomen. De verwijzing naar een andersluidend vonnis van de kantonrechter is niet juist omdat dit vonnis van geheel andere aard en strekking is.

1.7. Het Hof oordeelt als volgt.
Vast staat dat Suralco geen partij is geweest bij de overeenkomst van 31 juli 2009 waarin Coast Traders en Billiton een overeenkomst met betrekking tot daarin genoemde schade hebben getroffen. Zelfs indien het juist zou zijn dat Suralco rechten en verplichtingen van Billiton heeft overgenomen, is Suralco daarmee nog geen partij bij de overeenkomst van 31 juli 2009 geworden omdat voor debiteursvervanging toestemming van Coast Traders nodig was. Een dergelijke toestemming is gesteld noch gebleken. De kantonrechter heeft Coast Traders terecht niet – ontvankelijk verklaard in haar vorderingen op Suralco, zodat de grief faalt.

1.8. De tweede grief maakt bezwaar tegen de overweging onder 4.8 van het vonnis waarvan beroep. Coast Traders verwijt de kantonrechter ten onrechte voorbij te zijn gegaan aan wat [naam 1] en [naam 2] als informanten hebben verklaard. De aanname van de kantonrechter dat het gekochte perceel deel uitmaakt van de compensatie van de geleden schade staat, gelet op de overeenkomst en wat voornoemde twee personen hebben verklaard, haaks op de feiten en wat partijen zijn overeengekomen. Ook de aanname van de kantonrechter met betrekking tot een compensatie via een recht op gebruik vindt geen steun in de feiten.

Volgens Suralco en Billiton kan deze grief niet slagen omdat het vonnis op dit onderdeel juist is. [naam 1] en [naam 2] hebben namens Billiton gehandeld en de overeenkomst getekend. Eventuele fouten die zij hebben gemaakt komen voor hun rekening. Hun verklaringen zijn onbetrouwbaar. De kantonrechter heeft zich terecht aan de tekst van de overeenkomst gehouden. Overeengekomen is dat er twee percelen zouden worden overgedragen.

1.9. Het Hof oordeelt met betrekking tot deze grief dat de kantonrechter, zoals volgt uit zijn overweging onder 4.8., terecht is uitgegaan van een puur taalkundige interpretatie van de overeenkomst omdat de bewoordingen daarvan duidelijk waren en niet voor velerlei uitleg vatbaar. In de overeenkomst wordt gesproken van drie percelen, waarvan twee betrekking hebben op de Onroerende Goederen – waaronder het Gekochte is inbegrepen – waarvan de overdracht dient te geschieden terwijl het derde perceelland het recht van gebruik daarop behelst, aldus de kantonrechter. Dit oordeel is juist, omdat de over te dragen goederen ook zodanig in de overeenkomst zijn omschreven. De kantonrechter is voorbijgegaan aan de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] omdat wat zij hebben aangevoerd naar zijn oordeel aan het voorgaande niet afdoet. Het Hof begrijpt dit oordeel aldus dat de kantonrechter weliswaar de verklaringen van de informanten heeft kennis genomen, maar dat hun verklaringen, die anders luiden dan de (over) duidelijke tekst van de overeenkomst, niet tot een ander oordeel leiden. Het ging in de overeenkomst om drie percelen, waarvan er twee in eigendom moesten worden overgedragen en op een derde perceel een recht van gebruik werd verleend. Met zijn oordeel heeft de kantonrechter terecht toepassing gegeven aan artikel 1363 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Omdat de kantonrechter eveneens op goede gronden heeft beslist dat hij er vanuit gaat dat het Gekochte deel uitmaakt van de Onroerende Goederen, heeft hij terecht geoordeeld dat Billiton geen verplichting had om behalve de Onroerende Goederen, óók nog eens tot levering van het Gekochte over te gaan.
De tweede grief faalt dan ook.

1.10. In de derde grief komt Coast Traders op tegen het oordeel van de kantonrechter waarin deze het gevorderde voorschot op de gestelde schadevergoeding heeft afgewezen. De kantonrechter heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden met haar belangen. Zij handhaaft haar standpunt dat er drie percelen in eigendom geleverd moesten worden en voert aan dat de kantonrechter in het gegeven dat Suralco “de hielen uit Suriname zal lichten (…)” de schadevordering, althans een voorschot op een daarop, had moeten toewijzen om te voorkomen dat zij met lege handen achter zou blijven.

Suralco en Billiton hebben opgemerkt dat Coast Traders geen enkel recht heeft op compensatie omdat de vertraging in de uitvoering van de overeenkomst volledig aan haar schuld is te wijten door ten onrechte levering van drie percelen te vragen, terwijl het gaat om twee percelen.

1.11. Naar het oordeel van het Hof staat vast dat Billiton bereid is geweest om uitvoering te geven aan de uitvoering van de overeenkomst van 31 juli 2009. Coast Traders heeft dat niet betwist. Het geschil is ontstaan doordat Coast Traders het standpunt heeft ingenomen dat er drie in plaats van twee percelen in eigendom zouden moeten worden overgedragen. Bij het aangaan van de overeenkomst van 31 juli 2009 hebben partijen beoogd een compensatieregeling voor de schade te treffen die is uitgemond in de levering in eigendom van twee percelen en het verlenen van een gebruiksrecht op een derde perceelland. Het Gekochte maakte deel uit van het grotere perceel van 2,8 hectare; daarnaast verkreeg Coast Traders nog eens 1,2 hectare in eigendom plus een gebruiksrecht op een derde perceel. De levering is niet doorgegaan doordat Coast Traders, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, zich op een onjuist standpunt heeft gesteld en zij een belangrijk deel van de schade aan zichzelf te wijten heeft. Ook heeft de kantonrechter zich afgevraagd wat Coast Traders aan schadebeperking heeft gedaan en of zij een bodemprocedure niet kon afwachten. Het Hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter en overweegt dat Coast Traders in hoger beroep geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit zou moeten blijken dat de gestelde schade door Suralco en Billiton is veroorzaakt. Daarom is het gevraagde voorschot op een schadevergoeding terecht afgewezen.
De grief is ongegrond.

1.12. De vijfde en laatste grief betreft de proceskosten. Coast Traders betoogt daarin dat de kantonrechter erkend heeft dat Billiton tekort is geschoten in de verplichtingen om de percelen uiterlijk 31 augustus 2009 te leveren. De kantonrechter had dan ook de vordering tot betaling van een voorschot kunnen toewijzen.

Suralco en Billiton hebben gevorderd de grief af te wijzen. Volgens hen heeft Coast Traders opzettelijk onjuiste informatie verschaft.

1.13. Het Hof overweegt dat Billiton als hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten is veroordeeld daar zij de overeengekomen leveringsdatum heeft overschreden en pas nadien contact heeft opgenomen met Coast Traders. Billiton is veroordeeld om mee te werken aan levering van twee percelen, zoals in het vonnis is omschreven, en was daarom de partij die grotendeels ongelijk kreeg. Dat onderdeel is juist.

1.14. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven geen doel treffen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Coast Traders krijgt ongelijk en zal worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep zoals in het dictum is opgenomen.

2. De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:
2.1. Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 13 augustus 2015, A.R.No. 15-0938;
2.2. Veroordeelt Coast Traders in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Suralco en Billiton begroot op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van geintimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-68

G.R.No. 15115
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[De man],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: de man,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[De vrouw],
wonende te [gemeente], Nederland,
geïntimeerde,
verder te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 17 april 2014 (A.R.No. 12-3315) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 29 april 2014 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellant tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 20 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 21 april 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 mei 2017;
  • het namens de advocaat van geïntimeerde persisteren bij wat al was aangevoerd, op 4 augustus 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellant daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:
Partijen zijn gehuwd in Suriname, maar in 1986 in Suriname van echt gescheiden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van echtscheiding. De vrouw is in 1996 een echtscheidingsprocedure begonnen in Nederland, wat geleid heeft tot een echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Alkmaar (in Nederland) van 22 mei 1997. Daarna heeft de vrouw in Suriname conservatoir maritaal beslag gelegd op een erfpachtrecht dat volgens haar in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zou vallen. De man heeft opheffing van dat beslag gevorderd bij de kantonrechter in een procedure met A.R. nummer 11-0765. Die vordering is afgewezen. Daartegen is hoger beroep aangetekend.
De man heeft vervolgens in kort geding nog eens opheffing van het beslag gevorderd, wat leidde tot het vonnis waarvan beroep (A.R.No. 12-3315). In dit vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de man afgewezen, op grond van – kort gezegd – misbruik van recht. De tweede vordering van de man tot opheffing van het beslag was, naar het oordeel van de kantonrechter, identiek aan de eerste vordering.
Hangende het hoger beroep in dit geschil heeft zich een nieuw feit voorgedaan. Bij vonnis van 24 maart 2015 (A.R.No. 09-1949) is het onderhavige beslag opgeheven. Een kopie van dit vonnis is afgegeven door de advocaat van de vrouw aan die van de man. Volgens de man kan hij dit vonnis niet laten overschrijven (het Hof begrijpt: in het register, ter effectuering van de opheffing van het beslag), omdat naar zijn stelling dat vonnis niet volledig is in onderdeel 5.3 van het dictum. De man heeft daarom bij verzoekschrift gevraagd om correctie van dat vonnis, welke zaak loopt onder nummer A.R.No. 17-0178.

3. Het Hof oordeelt als volgt:
De man is in zijn hoger beroep in deze zaak niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
Het gaat in het door het Hof te beoordelen geschil om de opheffing van het beslag, met de daarvan afgeleide vraag of de kantonrechter in dit geschil terecht heeft geoordeeld dat de man niet voor de tweede keer deze al afgewezen opheffing kon vorderen, omdat het om een identieke tweede vordering zou gaan als de eerste keer. Het achterliggend belang van de man bij deze preliminaire vraag is dus in de kern dat het beslag wordt opgeheven. Over die vraag is intussen in het voordeel van de man beslist in het kantonvonnis onder nummer A.R.No. 09-1949. Niet gesteld of gebleken is dat tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld. Daarmee strookt dat de man doende is dit vonnis in het desbetreffende register in te schrijven, waartegen de vrouw zich blijkbaar niet verzet. Daardoor is het belang van de man bij een oordeel in het nu voorliggende geschil afwezig.

4. Het belang bij een oordeel in dit geschil ontstaat niet alsnog, doordat de man blijkbaar niet in staat is de inschrijving in het desbetreffende register te bewerkstelligen. Dat wordt niet anders als dit is te wijten aan het gegeven dat het vonnis in de zaak met A.R. nummer 09-1949 niet volledig is, zoals de man stelt. Daartegen moet hij opkomen door het indienen van een verzoek tot correctie (of aanvulling), zoals hij stelt gedaan te hebben. Hier ligt, op dit moment, geen taak of bevoegdheid van het Hof.

5. Nu de man geen belang heeft bij een uitspraak van het Hof, is hij in zijn vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk. Gelet op de aard van de zaak en het bepaalde in artikel 59 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden de kosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn eisen in hoger beroep
  • compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld