SRU-HvJ-2017-15

A-885

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

[verzoekster],

wonende in [district],

verzoekster in de hoofdzaak alsmede in het incident, gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,

verweerder in de hoofdzaak alsmede in het incident,

gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, wnd. Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het verzoekschrift met producties dat op 24 juni 2015 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 07 augustus 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 augustus 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 11 augustus 2015, met 6 weken is verlengd;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 17 september 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d. 06 oktober 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 september 2015, met 6 weken is verlengd;

– het verweerschrift, ingediend op 27 oktober 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d. 07 december 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 januari 2016;

– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d. 18 maart 2016;

– de incidentele conclusie tot herziening c.q. wijziging van het verzoekschrift, met producties, ingediend d.d. 18 maart 2016;

– de conclusie van antwoord in het incident, met producties, ingediend d. 03 juni 2016;

– de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, ingediend d. 05 augustus 2016;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 17 februari 2017

De vordering, de grondslag daarvan en bet verweer daartegen

In de hoofdzaak

2.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om:

a. haar te ontvangen in haar vordering;

nietig te verklaren, althans te vernietigen, de beschikking d.d. 13 mei 2015, Bureau no. [nummer 1];

b. verweerder te gelasten verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende voor de gewraakte beschikking;

c. verzoekster in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de voorheen bekleedde functie, te kunnen vervullen zonder enige hindernis zijdens verweerder;

d. verweerder te gelasten het salaris aan verzoekster uit te betalen en daarmee voort te gaan conform beschikking d.d. 24 december 2013, no. [nummer 2];

e. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat bij in strijd handelt met het hierboven gevorderde;

f. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding;

g. één of meer beslissingen te geven zoals het het hof geraden voorkomt.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de ontslag beschikking d.d. 13 mei 2015 berust op onware feiten, niet deugdelijk is gemotiveerd, tot stand is gekomen in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en in strijd is met wet. Tevens stelt verzoekster dat de tuchtmaatregel van ontslag niet in overeenstemming is met het vermeend door haar gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan.

2.3 Verweerder heeft bij wege van verweer aangevoerd dat de gewraakte beschikking zal worden ingetrokken en dat verzoekster de intrekkingsbeschikking ten spoedigste tegemoet mag zien.

In het incident

2.4 Verzoekster heeft bij incidentele conclusie verzocht om toe te staan dat het verzoekschrift wordt herzien, in dier voege dat het petitum onder b als volgt wordt gelezen:

”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau no. [nummer 1], d.d. 3 november 2015 no. [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 no. [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerster te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functie waarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen;

2.5 Verzoekster legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij bij exploot d.d. 12 januari 2016 de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen eensluidend als de gewraakte ontslagbeschikking, waarin slechts de ingangsdatum van het ontslag is weggelaten, terwijl zij bij exploot d.d. 14 januari 2016 de beschikking d.d. 23 oktober 2016 heeft ontvangen inhoudende de intrekking van de gewraakte ontslagbeschikking. Tevens heeft verzoekster op 15 maart 2016 ontvangen, de beschikking d.d. 22 februari 2016, waarin de ingangsdatum van het aan haar verleend ontslag is vastgesteld op 13 januari 2016. Verzoekster stelt dat vanwege de gekozen volgorde het aan haar verleend ontslag nimmer heeft opgehouden c.q. heeft voortgeduurd, weshalve zij geen reden heeft om af te zien van de onderhavige vordering, terwijl de handelingen van verweerder blijk geven van het grovelijk in strijd handelen met de goede procesorde, te meer daar partijen voor wat betreft het onderwerpelijke te midden van het rechtsproces zijn.

2.6 Verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord op het incident als verweer aangevoerd dat de beschikking d.d. 13 mei 2015 bij beschikking d.d. 23 oktober 2015 is ingetrokken, weshalve deze niet meer van kracht is, terwijl de beschikking d.d. 23 oktober 2015 ingevolge artikel 79 lid 2 PW, niet betreft een besluit tot ontslag. Verweerder voert voorts aan dat verzoekster de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen op 12 januari 2016, terwijl de incidentele vordering tot wijziging verzoekschrift is ingediend op 18 maart 2016, en is derhalve niet conform artikel 80 PW binnen een maand na kennisname ingediend. Verweerder concludeert derhalve dat verzoekster conform artikel 80 PW niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidentele vordering.

De beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak

In het incident

3.1 Het hof stelt voorop dat thans de vraag beantwoord dient te worden of de gevorderde eiswijziging is toegestaan, zonder in dit stadium op de inhoudelijke beoordeling van het gevorderde in te gaan, zodat het hof slechts zal nagaan of er in casu sprake is van een ongeoorloofde eisvermeerdering en/of dat verweerder door de gevorderde eiswijziging in zijn verdediging wordt geschaad en/of dat het proces daardoor onredelijk wordt vertraagd.

Het hof overweegt dat de eiswijziging erop neerkomt dat dat behalve de reeds gevorderde nietigverklaring c.q. vernietiging van de beschikking d.d. 13 mei 2015 Bureau no. [nummer 1], eveneens worden meegenomen de gedurende het proces aan verzoekster uitgereikte beschikkingen d.d. 3 november 2015 no. [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 no. [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016.

Naar het oordeel van het hof hebben de naderhand uitgereikte beschikkingen allen betrekking op het eerste besluit tot ontslagverlening aan verzoekster, op grond waarvan de onderhavige vordering is ingesteld, c.q. vloeien deze beschikkingen voort uit dat eerste besluit, zodat er geen sprake is van een eisvermeerdering. Evenmin is naar het oordeel van het hof verweerder in zijn verdediging geschaad. Meer nog, verweerder heeft de gelegenheid te baat genomen om bij zijn conclusie van antwoord in het incident alsnog inhoudelijk verweer te voeren op de vordering van verzoekster, hetgeen hij eerder had nagelaten. Van een onredelijke vertraging van het proces is evenmin sprake, integendeel worden kosten en tijd bespaard door de beschikkingen in het onderhavig proces mee te nemen.

3.2 Gelet op het voren overwogene zal de gevorderde eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder b zal komen te luiden zoals overwogen onder 2.4 van dit vonnis.

In de hoofdzaak

3.3 Nu, de vordering in het incident zal worden toegewezen, zal in de hoofdzaak voort geprocedeerd dienen te worden in de stand waarin het zich bevond voordat de zaak voor vonnis in het incident werd bepaald, weshalve de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen voor voortzetting verhoor van partijen op de datum zoals bepaald in de beslissing.

3.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

SRU-HvJ-1997-6

H.M.

GENERALE ROL NO: 13588.

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNEMING ”CLEVIA”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advo­kaat,

appellante,

t e g e n

[geintimeerde], wonende te [district 1] aan [adres] te [plaats], voor wie als ge­machtigde optreedt, Mr.E.J.BRUMA, advokaat,

geinti­meerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton respectievelijk van 28 augustus 1990 en 12 januari 1993 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 20 januari 1993, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [naam 1] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNE­MING ”CLEVIA”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhou­dende te Paramaribo aan de Anton Dragtenweg no.63 te Paramaribo;

2. dat op 14 september 1961 eiser door tussenkomst van de toenmalige gemachtigde van gedaagde de heer [naam 1], van de gedaagde heeft gekocht, gelijk de gedaagde aan eiser heeft verkocht een perceelland gelegen aan het Middenpad van [plaats] in [district 2], thans [district 1] en bekend op de kaart van de landmeter in Suriname F.Emanuels d.d 1982, welke kaart is vervaardigd naar de verzamelkaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 28 januari 1958, met de letters ABCD en het nummer 158 van de voormalige [plantage];

3. dat de koopsom van voormeld perceel heeft bedragen Sf.1.300,–, welke koopsom blijkens hierbij overgelegde kwitantie d.d 11 november 1965 door eiser aan de ge­daagde is voldaan, terwijl ook de overdrachtskosten en de kosten voor het maken van de landmeterskaart reeds eerder waren betaald, gelijk blijken kan uit de hierbij overgelegde kwitantie van 22 juli 1960;

4. dat door het overlijden van de gemachtigde [naam 1] de juridische levering van het perceel aan eiser niet heeft plaatsgevonden en de gedaagde ondanks aanma­ningen in der minne geweigerd heeft en nog steeds weigert om het door eiser gekocht perceel notarieel te leveren;

5. dat eiser daarom verplicht is de tussenkomst van de Kantonrechter in te roepen om de juridische leve­ring door de gedaagde te doen plaatsvinden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaag­de zal worden veroordeeld om binnen een week na beteke­ning van het ten deze te wijzen vonnis mede te werken aan de juridische levering van het perceelland gelegen aan het Middenpad van [plaats] in [district 2], thans [district 1], groot 1.11155 ha, aangeduid met de letters ABCD en bekend als no.158 op de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 25 maart 1982, vervaardigd naar de verzamelkaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 28 januari 1958, zoals overeengekomen, met veroordeling van gedaagde om bij niet voldoening aan het vonnis een dwangsom te betalen van f.1.000,–voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNEMING ”CLEVIA” als ge­daagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiser in zijn vordering niet – ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen, Kosten rech­tens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 28 augustus 1990 op de daarin opge­nomen gronden:

Eiser heeft toegelaten, hem ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen:

”hetgeen is gesteld in het 2e tot en met 5e suste­nu van het inleidend rekest”.

Overwegende, dat eiser in de enquête twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons hier als ingelast te beschouwen pro­ces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor beraad voortzetting enquête bepaald, eiser een datum heeft gevraagd voor een te houden enquête;

Overwegende, dat ten dage voor enquête zijdens eiser bepaald, er twee getuigen zijn gehoord, die hebben verklaard eveneens gelijk in het daarvan door Ons hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor enquête zijdens gedaagde peremptoir bepaald er geen getuigen zijn gehoord;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na en­quête zijdens eiser bepaald, diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens gedaagde peremptoir bepaald diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 12 januari 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om binnen een maand na betekening van dit vonnis mede te werken aan de juridi­sche levering van het perceelland gelegen aan het Middenpad van [plaats] in [district 2], thans [district 1], groot 1.11155 ha., aangeduid met de letters ABCD en bekend als no.158 op de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 25 maart 1982, vervaardigd naar de verzamelkaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 28 janua­ri 1958.

Gedaagde heeft veroordeeld om ten titel van dwang­som aan eiser te betalen de som van f.1.000,– (EENDUI­ZEND GULDEN) voor iedere dag dat zij ingebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.74,25,– (VIER EN ZEVENTIG 25/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNEMING ”CLEVIA” in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 12 januari 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 25 oktober 1995 aan geintimeerde aan­zeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 juli 1997, doch nader op heden

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante in haar eerste grief de Kantonrechter verwijt ten onrechte te hebben overwo­gen dat uit de verklaringen van de aan de zijde van geïntimeerde gehoorde getuigen in onderling verband en samenhang beschouwd, laatstgenoemde geslaagd is in het hem opgedragen bewijs;

Overwegende, dat het Hof deze grief gegrond acht, blijkende immers het van geïntimeerde verlangde bewijs niet uit de op zijn verzoek gehoorde getuigen;

Overwegende, dat met name uit de getuigenverkla­ringen geenszins valt te putten het bewijs van het feit, dat geïntimeerde op 24 september 1961, voor het bedrag van Sf.1.300,– van appellante heeft gekocht het in het 2e ”dat” van het verzoekschrift omschreven perceelland;

Overwegende, dat nu in rechte niet is komen vast te staan de ten rekeste gestelde overeenkomst van koop en verkoop waarvan geïntimeerde om nakoming, met name juridische levering door appellante aan hem, geïnti­meerde, vraagt, dient geïntimeerdes oorspronkelijke vordering onder vernietiging van het beroepen vonnis, hem alsnog als onbewezen te worden, ontzegd;

Overwegende, dat, ook al zou geïntimeerde het van hem verlangde bewijs hebben geleverd, -quod non- dan nog zou bevestiging van het beroepen vonnis niet kunnen volgen nu appellante, naar blijkt uit het zijdens haar in het geding gebracht niet door geïntimeerde betwist hypothecair-uittreksel de dato 9 oktober 1988, het litigieuze perceelland op 30 augustus 1988 heeft ver­kocht aan [naam 2], die door over­schrijving ten Hypotheekkantore op 2 september 1988 in register C [nummer] van een af­schrift van de akte, voor notaris Mr.C.R.Jadnanansingh verleden, het eigendoms­recht daarop verwierf;

Overwegende, dat aan het zojuist overwogene niet zou afdoen de omstandigheid dat appellante zich bewust in de onmogelijkheid zou hebben gesteld aan haar leve­ringsplicht jegens geïntimeerde te voldoen;

Overwegende, dat geïntimeerde de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van appellante gevallen, zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 januari 1993 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt geïntimeerde alsnog zijn oorspronkelijke vordering;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van appellante op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusverre begroot op f.250,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f.250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.250,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openba­re te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 NOVEMBER 1997, in tegenwoordigheid van Mevr.Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.MUNGRA namens haar gemachtigde, advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY en geintimeerde vertegenwoor­digd door advo­kaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.J.BRUMA, zijn bij de uit­spraak ter te­rechtzit­ting ver­schenen.

 

SRU-HvJ-2017-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[eiseres],

wonende in het [district],

eiseres, hierna aangeduid als [eiseres],

gemachtigde: mr. A.E. Telting, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,

met name de President van de Republiek Suriname,

zetelende te Paramaribo,

verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,

gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– het verzoekschrift met producties d.d. 23 augustus 2012, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 23 augustus 2012;

– het verweerschrift met producties d.d. 05 oktober 2012, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 24 september 2012;

– de beschikking van het hof d.d. 04 december 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 februari 2013;

– het proces-verbaal van verhoor van partijen d.d. 01 maart 2013;

– de conclusie tot overlegging van productie aan de zijde van de Staat d.d. 01 maart 2013;

– de overlegging van producties aan de zijde van [eiseres] d.d. 18 april 2013;

– pleitnota met productie, overgelegd op 07 juni 2013;

– antwoordpleitnota, overgelegd op 19 juli 2013;

– repliekpleidooi, overgelegd op 02 augustus 2013;

– dupliekpleitnota, overgelegd op 01 november 2013.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2.De feiten

2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

[eiseres] is met ingang van 07 februari 2008 bij beschikking d.d. 21 oktober 2008 van het Ministerie van Binnenlandse Zake overgeplaatst naar het Ministerie van Justitie en Politie.

2.2 In januari 2008 is [eiseres] als ambtenaar toegelaten tot de opleiding voor een functie bij de Rechterlijke macht (RAIO) ten behoeve van de Staande Magistratuur.

De toelating is geschied ingevolge het Reglement Selectie en opleiding Rechterlijke Macht (S.B. 1976 no. 54, gewijzigd bij S.B. 2006, no. 66).

2.3 Bij schrijven van de minister van Justitie en Politie d.d. 13 januari 2011 Sur11/00205 is aan [eiseres] het besluit medegedeeld dat zij de Raio opleiding ten behoeve van de Staande Magistratuur niet mag voortzetten.

2.4 [eiseres] is op 06 mei 2011 tegen het hiervoor vermeld besluit in beroep gegaan bij de President van de Republiek Suriname.

2.5 Bij schrijven d.d. 26 juli 2011 heeft het Kabinet van de President van de Republiek Suriname namens de President aan [eiseres] medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet het besluit van de Minister van Justitie en Politie te wijzigen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiseres] vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

I) de beschikking d.d. 13 januari 2012 met nummer Sur11/00205, waarbij de RAIO opleiding Staande Magistratuur voor haar is beëindigd, nietig te verklaren;

II) de Staat te veroordelen om [eiseres] weder toe te laten tot het volgen van haar RAIO opleiding Staande Magistratuur zodra de eerstvolgende mogelijkheid daartoe zich aandient, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.500,-, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van dit vonnis te voldoen;

III) met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2 [eiseres] legt – verkort en zakelijk weergegeven – aan haar vordering ten grondslag dat de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, te weten met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.

3.3 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer komt het Hof, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.Bevoegdheid

4.1 Het Hof stelt het volgende voorop: Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

Uit de stellingen en weren van partijen en tijdens het verhoor van partijen is gebleken dat [eiseres] het door de Staat genomen besluit tot beëindiging van de opleiding aanvecht, hetgeen niet valt onder een besluit als bedoeld in het tweede lid van artikel 79 van de Personeelswet. Dit leidt tot de slotsom dat het hof onbevoegd is om kennis van de onderhavige vordering te nemen en zal zich daarom ter zake onbevoegd verklaren.

4.2 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.3 [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5.De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde.

5.2 Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr.A.Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 03 november 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr. A.E. Telting, gemachtigde van verzoekster terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1999-2

M.R.S.

A – 400.

[verzoekster], echtgenote van [naam], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Wagenwegstraat no.41 ben., ten kantore van Mr.A.R.Baarh, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BARRH, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon met name het Ministerie van Volksgezondheid, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoekster wenst de volgende vordering in te stellen tegen de Staat Suriname, Ministerie van Volksgezondheid, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, verweerder;

2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de personeelswet en werkzaam op het Ministerie van Volksgezondheid als Stafambtenaar ”B” 2e klasse, Onderhoofd Comptabele- en Begrotingszaken in vaste dienst bij het Direktoraat Milieubeheer van voormeld Ministerie;

3. Verzoekster heeft zich op maandag 04 mei 1988 voor diensthervatting aangemeld na genoten vakantieverlof en ziekteverlof. Aangezien de Direkteur Milieubeheer op voormelde dag niet in staat was verzoekster te ontvangen heeft verzoekster zich de daaropvolgende dag, 05 mei 1998 wederom aangemeld bij voornoemde Direkteur die verzoekster mededeelde;

a. dat hij, Direkteur van Milieubeheer, voorbijgaat aan de door verzoekster tijdens haar ziekte tijdig naar de Direkteur Milieubeheer toegezonden en door laatstgenoemde ontvangen medische attesten;

b. dat verzoekster het door haar tijdens haar ziekte ontvangen salaris over de 5 (vijf) afgelopen maanden voorafgaande aan haar diensthervatting, moet terugbetalen aan de Staat Suriname;

c. dat hij het salaris van cliënte over april 1998 heeft

doen blokkeren althans heeft geblokkeerd;

d. dat verzoekster met ingang van 05 mei 1998 thuis mag blijven.

4. Verzoekster is niet buitenfunktie gesteld en evenmin is tegen verzoekster enig tuchtmaatregel genomen. Verzoekster wenst expressis verbis te stellen dat zij bereid en in staat is de van haar bedongen arbeid te verrichten;

5. Verweerder pleegt jegens verzoekster een onrechtmatige daad en hij schendt tevens jegens verzoekster de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van de deugdelijke feitelijk grondslag, het beginsel van de draagkrachtige juiste formulering, het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van de motiveringsplicht doordat verweerder het besluit althans de besluiten als vervat in het derde sustenu van dat verzoekschrift niet heeft vastgelegd in de formeel juiste vorm (schriftelijk) maar mondeling aan verzoekster heeft medegedeeld terwijl de feitelijke gronden waarop deze besluiten zouden moeten steunen onjuist en onwaar zijn, de rechtsgronden althans wettelijke regelingen waarop de maatregelen van verweerder steunen niet aan verzoekster zijn bekend gemaakt en kennelijk niet bestaan althans deze bevoegdheid niet aan verweerder toekennen.

6. In het bijzonder steunt de blokkering van het salaris van verzoekster niet op juiste en met de werkelijkheid overeenstemmende feiten. Verzoekster lijdt door de blokkering van haar salaris schade wegens het gemis van voormeld salaris, waar zij op grond van het dienstverband aanspraak op maakt;

7. Op grond van het vorenstaande zal verzoekster Uw Hof verzoeken de Staat te veroordelen haar salaris aan haar uit te betalen;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis verweerder ter zake voorschreven zal worden veroordeeld aan verzoekster het salaris over april 1998 uit te betalen en vervolgens maandelijks op de gebruikelijke wijze en tijd het salaris te blijven betalen zolang het dienstverband met verzoekster voortduurd, met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoekster in haar Inleidend Rekest heeft gesteld en naar voren heeft gebracht, voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweerder wordt erkend. Verweerder biedt bewijs voor zijn stellingen, indien en voor zover hij daartoe is gehouden.

2. Verweerder kan erkennen dat verzoekster ambtenaar is in de rang van Stafambtenaar B 2e klasse en in vaste dienst werkzaam bij het Directoraat Milieubeheer.

3. Grondslag van de vordering van verzoekster in dit administratiefrechterlijk geschil betreft in hoofdzaak het niet uitbetalen aan verzoekster van haar salaris gerekend vanaf 5 mei 1998 althans, vanaf haar weder in dienst treden na genoten:

vakantieverlof (22 oktober 1997 tot 24 november 1997) en daarop aansluitend, in [land], ziekteverlof.

4. In de periode die aan dit geschil voorafgegaan is, werd door verzoekster een weg bewandeld die niet inhaerent is aan wat behoorlijk zou zijn in de relatie tot haar diensthoofden.

Na het genoten vakantieverlof tussen 22 oktober 1997 en 24 november 1997 bleef verzoekster in [land] weg, en kwam alzo te verkeren in de toestand van onwettig verzuim na genoten vakantieverlof. Niet dan nadat van de zijde van de Surinaamse vertegenwoordiging (consulaat) in [land] erop is aangedrongen, dat verzoekster zou legimiteren met attesten van een bevoegde medicus, werd aan de vereisten in deze voldaan. Verzoekster kon aldus haar afwezigheid wegens ziekte, door het overleggen van medische verklaringen, dekken.

5. Inmiddels was evenwel de betaling van verzoekster geblokkeerd op verzoek van het Directoraat van de Dienst waar verzoekster werkzaam was en zulks gerekend van april 1998.

Het niet doen uitbetalen van salaris aan verzoekster vond evenwel administratief niet op de juiste wijze plaats, omdat zulks niet plaatsvond uit kracht van het schriftelijk besluit van het bevoegd gezag, een en ander zoals bedoeld in artikel 5 en 6 van de personeelswet.

6. Gelet op het gestelde hierboven (punt 5), deelt verweerder thans aan Uw Hof van Justitie mee, dat het verzuim gepleegd door de inhouding van het salaris op korte termijn zal worden rechtgetrokken en de reeds ingehouden bedragen zo spoedig mogelijk aan verzoekster zullen worden uitgekeerd, terwijl het in de bedoeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Directoraat Milieubeheer ligt, in overleg met verzoekster c.q. haar procesgemachtigde, ook op andere punten van de vordering, tot een minnelijke schikking te geraken.

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 21 juli 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoekster in persoon, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verzoekster in Raadkamer zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende advokaat Mr.A.R.Baarh voor repliek pleidooi en Mr.Dr.C.D.Ooft voor dupliek pleidooi gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 5 februari 1999, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, het navolgende rechtens vaststaat:

1. dat de verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.).

2. dat de verzoekster vanaf de maand april 1998 geen salaris uitbetaald gekregen heeft, terwijl door het bevoegde gezag van de verweerder met betrekking tot verzoekster geen besluit genomen is op grond waarvan die salaris betaling gestopt is.

3. dat de rang van de verzoekster stafambtenaar ”B” 2e klasse is en zij is te werk gesteld bij het Directoraat Milieubeheer van het Ministerie van Volksgezondheid;

Overwegende, dat de verweerder in het 5e sustenu van zijn verweerschrift erkend heeft dat het niet betalen van het salaris aan de verzoekster administratief niet op de juiste wijze plaatsgevonden heeft, omdat dat niet geschied is uit kracht van een schriftelijk besluit van het bevoegd gezag – hetgeen juist is – en desondanks weigert de verweerder het salaris aan de verzoekster te voldoen;

Overwegende, dat nu de niet betaling van het salaris aan de verzoekster niet gegrond is op besluit van de verweerder tot buitenfunktiestelling, schorsing of ontslag van de verzoekster of een andere tuchtmaatregel jegens de verzoekster maakt deze aanspraak op die betaling, met veroordeling van de verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Veroordeelt de verweerder, De Staat Suriname, aan de verzoekster het salaris vanaf de maand april 1998 uit te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting en wel totdat het dienstverband tussen partijen voortduurt, met bij betaling van de wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van verzoekster gevallen en begroot op f.3.540,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.3500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van verweerder eveneens op f.3500,–.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY,

Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 MAART 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respektieve gemachtigden, advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.Dr.C.D.Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-13

G.R.No. 14769

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],

wonende in [district 1],

appellante hierna aangeduid als “[appellante]”,

gemachtigde: mr. A. Guman, advocaat,

tegen

A.DE HYPOTHEEKBEWAARDER IN SURINAME, kantoor houdende te Paramaribo,

B.DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening Grond- en Bosbeheer, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

C.CALOR, CHRISTIAAN ALBERT, notaris, wonende te Paramaribo,

D.[geïntimeerde sub D], wonende in [district 2],

E.[geïntimeerde sub E], wonende in [district 2],

F.STICHTING SHADEVI, gevestigd en kantoor houdende te Paramaribo,

geïntimeerden, hierna aangeduid als : “de hypotheekbewaarder, de Staat, Calor, de zus, de moeder en de Stichting”,

gemachtigde voor geïntimeerde sub A: mr. C. B. Lachman, advocaat,

gemachtigde voor geïntimeerde sub B: mr. C. N. Mijnals, advocaat,

gemachtigde voor geïntimeerden sub C, D, E en F: mr. S. Mangroelal, advocaat.

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

1.Het procesverloop

– de pleitnota,

– de antwoord pleitnota zijdens de hypotheekbewaarder,

– de antwoord pleitnota zijdens de Staat,

– de antwoord pleitnota zijdens Calor, de zus, de moeder en de Stichting,

– de repliek pleitnota jegens de hypotheekbewaarder en de Staat,

– de repliek pleitnota jegens Calor, de zus, de moeder en de Sichting,

– de dupliek pleitnota zijdens de hypotheekbewaarder,

– de dupliek pleitnota zijdens de Staat,

– de dupliek pleitnota zijdens Calor, de zus, de moeder en de Stichting.

2. De feiten

2.1 [appellante] verkreeg op 30 juni 1993 de eigendom van het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot 0,68 hectare, gelegen in [district 1] aan het [kanaal], ten zuiden van de [adres], op de kaart van de landmeter E.S. Devid d.d. 11 november 1981 aangeduid met de letters CDEF, welk peceelland is ontstaan uit de samenvoeging van het deel groot 0,4 ha en het deel groot 0.28 ha, deel uitmakende van het perceelland bekend als Afdeling [gebied] no. [nummer 1] en [nummer 2].

2.2 Bij notariële akte van 7 december 1994 heeft [appellante] een deel van het hiervoor bedoeld perceel, groot 619,11 vierkante meter, genoemd perceel nummer 2, om niet overgedragen aan de zus.

2.3 Bij notariële akte van 7 december 1994 heeft [appellante] het deel van het hiervoor bedoeld perceel, groot 619,11 vierkante meter, genoemd perceel nummer 3, om niet overgedragen aan de moeder en de zus.

2.4 Bij notariële akte van 31 januari 1995 heeft [appellante] een deel van het perceel, groot 1.238,23 vierkante meter om niet overgedragen aan de moeder en de zus.

2.5 Bij vonnis van 21 januari 2008 in de zaak bekend onder A.R.No. 063195 is [appellante] op straffe van een dwangsom veroordeeld om geen handeling te plegen die inbreuk maken op de erfdienstbaarheid van de verzoeksters. De verzoeksters in die zaak waren de moeder en de zus. Voorts is [appellante] in dat vonnis veroordeeld om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis de door haar aangebrachte schutting van zinkplaten af te breken en af te voeren en verder om te gedogen dat de EBS NV de bomen op haar perceel snoeit ter voorkoming van kortsluiting aan de elektriciteitskabels die aangesloten zijn aan de woning van de zus aan de [straat] no. 14 en 14a.

2.6 Het vonnis is bij exploit van 5 maart 2008 aan [appellante] betekend.

2.7 Bij exploit van 11 augustus 2008 van deurwaarder D. Toekimin met exploitnummer [nummer 3] is aan [appellante] betekend de opgelopen dwangsom van SRD.767.000,= waarbij [appellante] is aangezegd de dwangsom te betalen bij gebreke waarvan het vonnis ten uitvoer gelegd zal worden middels beslaglegging en verkoop van roerende en onroerende goederen.

2.8 Bij exploit van … is executoriaal beslag gelegd op het onder 2.1 genoemd onroerend goed van [appellante].

2.9 Bij verzoekschrift van 18 september 2008 bekend onder A.R.No. 083859 hebben de zus en de moeder toestemming gevraagd om tot openbare verkoop van het beslagen onroerend goed over te gaan. In dat verzoekschrift is in de perceel omschrijving opgenomen “met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen”.

2.10 Bij beschikking van 23 maart 2009 is bevolen dat het onroerend goed in het openbaar zal worden verkocht. In deze beschikking is overwogen dat de dwangsom is verbeurd en dat aan alle wettelijke formaliteiten is voldaan. In de beschikking staat in de perceel omschrijving eveneens “met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen”.

2.11 De openbare verkoop is in de krant aangekondigd door middel van een advertentie waarin in de perceel omschrijving stond opgenomen: “met uitzondering van de reeds verkochte delen respectievelijk 619,11 m2, met het nummer 2, 619,11 m2 met het nummer 3 en 1238,23 m2 met het nummer 4, aankomende [appellante].”

2.12 Op de openbare verkoop welke gehouden is op 22 maart 2012 is het onroerend goed verkocht aan de Stichting.

2.13 In de akten betreffende de openbare verkoop is in de perceel omschrijving het volgende opgenomen: “met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen te weten 619,11 vierkante meter aangeduid met nummer 2, 619,11 vierkante meter aangeduid met nummer 3 en 1238,23 vierkante meter aangeduid met nummer 4.”

2.14 De akten betreffende de openbare verkoop zijn ingeschreven ten hypotheekkantore.

2.15 Bij verzoekschrift van 22 mei 2012 bekend onder A.R.No. 122020 heeft [appellante] gevorderd dat de doorhaling gelast wordt van de inschrijving van het proces-verbaal van de openbare verkoop en alle akten die daaruit voortvloeien. Voorts vordert zij dat de moeder en de zus wordt verboden om gebruik te maken van de beschikking van 23 maart 2009 met betrekking tot de openbare verkoop. Zij vordert tevens dat de Staat veroordeeld wordt om aan haar een uittreksel te verstrekken waarin is opgenomen dat het onroerend goed ten harer name staat ingeschreven in het register ten hypotheekkantore en dat het executoriaal beslag gelegd op het onroerend goed wordt opgeheven. Ten slotte vordert zij dat de gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten.

2.14 Bij vonnis van 19 juli 2012 is het gevorderde afgewezen.

2.15 Tegen dit vonnis heeft [appellante] hoger beroep aangetekend.

3.De ontvankelijkheid van het beroep

3.1 [appellante] heeft op 28 september 2012 appèl aangetekend tegen het kort geding vonnis van 19 juli 2012.

3.2 Partijen waren geen van allen bij de uitspraak aanwezig, noch in persoon, noch bij gemachtigde.

3.3 Het vonnis is per griffiersbrief gedateerd 12 september 2012 aan [appellante] verzonden.

3.4 Zowel de Hypotheekbewaarder als Calor, de zus, de moeder en de Stichting hebben in hun antwoord pleidooi aangevoerd dat [appellante] niet –ontvankelijk verklaard moet worden in haar appèl omdat zij tardief is in het aantekenen van het appèl doordat zij pas 16 dagen na de dagtekening van de griffiersbrief appèl heeft aangetekend. Zij had binnen 14 dagen appèl moeten aantekenen.

3.5 [appellante] heeft op dit verweer aangevoerd dat zij de griffiersbrief welke gedatteerd is 12 september 2012 pas op 27 september 2012 heeft ontvangen. Zij heeft ter adstructie daarvan overgelegd een kennisgeving van aankomst van een aangetekend stuk van het Surinaams Postbedrijf Surpost de dato 26 september 2012 in welke kennisgeving staat vermeld dat zij het aangetekend stuk vanaf 27 september 2012 kan afhalen op het post kantoor Land van Dijk. Zij voert aan dat zij op 27 september 2012 het stuk is gaan ophalen en zag dat het de griffiersbrief betrof waarmee het vonnis aan haar werd gezonden. Zij heeft toen gelijk de appèlaantekening in orde gemaakt op 28 september 2012 en heeft ook aan de President van het Hof van Justitie op 28 september 2012 een schrijven gericht waarin zij het hiervoor gestelde heeft verwoord.

3.6 De hypotheekbewaarder en Calor, de zus, de moeder en de Stichting hebben hierop gereageerd en blijven erbij dat [appellante] niet ontvankelijk verklaard moet worden in haar appèl. De hypotheek bewaarder stelt daarbij dat de verzendtheorie aangehouden moet worden waarbij slechts de datum van verzending in ogenschouw genomen moet worden. Ook Calor, de zus, de moeder en de Stichting zijn de mening toegedaan dat de wet duideljik is hierover en de datum van verzending van de griffiersbrief van belang is.

3.7 Het Hof deelt voormelde zienswijze van de hypotheekbewaarder , Calor, de zus, de moeder en de Stichting niet. De ontvangsttheorie, die ervan uitgaat dat het moment van ontvangst ook meegenomen moet worden bij de beoordeling of er sprake is van ontvankelijkheid, is naar het oordeel van het Hof rechtvaardiger en zal dan ook door het Hof gevolgd worden. Hoe kan immers van een persoon, die door de procedure gevolgd door de griffie en het Postbedrijf, nog niet eens op de hoogte is van een uitspraak, gevraagd worden dat die zich aan de termijn houdt, zonder dat die persoon op de hoogte is gesteld van het feit dat de termijn is ingegaan. De verzendingsprocedure van de griffie via het Postbedrijf valt niet binnen de invloedssfeer van een partij, waardoor een vertraagde verzendtijd niet ten nadele van die partij kan worden uitgelegd. Het Hof is dan ook van oordeel dat [appellante] voldoende heeft aangetoond dat zij niet anders kon dan na de ontvangst van de griffiers brief het appèl aantekenen waardoor zij ontvankelijk zal worden verklaard in haar appèl.

4.De grieven

4.1[appellante] heeft de volgende acht grieven tegen het vonnis aangevoerd:

1.Ten onrechte heeft de kantonrechter in de punten 2.3 en 2.4 van het vonnis vastgesteld dat de percelen bij akten van 7 december 1994 en 31 januari 1995 zijn overgedragen aan gedaagde sub F, de Stichting;

2.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 2.5 van het vonnis vastgesteld dat als eisers optraden gedaagde sub E en F, de moeder en de Stichting;

3.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 2.7 van het vonnis vastgesteld dat het perceelland in het openbaar is verkocht; de kantonrechter heeft geen specifieke aanduiding gegeven van het verkochte perceelland;

4.Ten onrechte is de kantonrechter eraan voorbij gegaan dat noch in het verzoekschrift, noch in de beschikking de dato 23 maart 2009 in de zaak met A.R.No. 083859, enige aanduiding is opgenomen van de zogenaamde verkochte delen;

5.Ten onrechte is de kantonrechter eraan voorbij gegaan dat de zus een aan haar door [appellante] geschonken deel groot 1.238,23 m2 met no. 4 reeds in het jaar 2007 aan de heer [naam] heeft geschonken; hierdoor hadden de zus en de moeder in 2008 geen belang meer bij uitvoering van het veroordelend vonnis waarbij dwangsommen zijn geexecuteerd; de schutting waarover het veroordelend vonnis ging stond immers bij het perceel dat aan [naam] is geschonken;

6.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 4.5 van het vonnis vermeld: “de omschrijving/aanduiding heeft alleen de strekking te vermelden op welke wijze de eigendom is overgegaan op de latere verkrijgers.”; de kantonrechter had niet mogen aanvaarden dat in de akten van 2012 dezelfde delen grond worden aangeduid als te zijn verkocht terwijl zij zijn geschonken;

7.Ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 4.6 van het vonnis bepaald dat er aan de procedure voorafgaand aan de openbare verkoop geen gebreken kleven; immers is het gebleken dat er een foutieve aanduiding of omschrijving stond in de beschikking en in de advertentie voor de openbare verkoop; er kleefde dus wel een gebrek;

8.Ten onrechte heeft de kantonrechter niet onderzocht of er daadwerkelijk een koopsom van SRD.270.000,= is betaald door de Stichting; immers, het is zeer onwaarschijnlijk waardoor ook daar sprake is van een valse opgave in de akte.

4.2 Op grond van voormelde grieven vordert [appellante] dat het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd en dat het Hof opnieuw rechtsdoende het gevorderde toewijst.

4.3 [appellante] vordert tevens dat ook de hoofdzaak bekend onder A.R.No. 122381 door het Hof zal worden afgedaan.

5.De beoordeling

Grief 1 en grief 2

5.1 Calor, de zus en de moeder hebben op deze grieven verweer gevoerd waarbij zij stellen dat het een schrijffout betreft. Uit de stellingen en weren in eerste aanleg blijkt dat de percelen aan de zus en de moeder zijn geschonken en dat zij eisers waren in de zaak betreffende de openbare verkoop.

5.2 Het hof overweegt dat, gelijk geïntimeerden stellen, uit de stellingen en weren in eerste aanleg en de in eerste aanleg overgelegde producties blijkt dat de percelen aan de zus en de moeder zijn geschonken en dat zij eisers waren in de zaak betreffende de openbare verkoop. Hierdoor kan het niet anders dan dat de kantonrechter de zus en de moeder bedoelde in de opsomming van de feiten.

5.3 Het Hof zal aan die grieven dan ook voorbij gaan.

Grief 3.

5.4 Calor, de zus en de moeder hebben ten aanzien van deze grief aangevoerd dat de kantonrechter in punt 2.6 wel een omschrijving van het perceel heeft aangegeven. Hierdoor is het duidelijk welk perceel het feit genoemd in 2.7 betreft.

5.5 Het Hof is het met Calor, de zus en de moeder eens, immers blijkt uit de opsomming van de feiten duidelijk dat de kantonrechter met het feit in 2.7 genoemd bedoelt dat het onroerend goed genoemd in punt 2.6 in het openbaar is verkocht. De opsomming zoals door de kantonrechter gekozen levert geen grond op om het vonnis te vernietigen.

Ook aan deze grief zal daarom voorbij gegaan worden.

Grief 4, grief 6 en grief 7.

5.6 Calor, de zus en de moeder hebben op deze grieven gereageerd waarbij zij aanvoerden dat [appellante] ten onrechte stil blijft staan bij het feit dat in de advertentie en de beschikking betreffende de toestemming voor de openbare verkoop de woorden “verkocht en overgedragen”staan in plaats van “geschonken en overgedragen”. Echter heeft de openbare verkoop geen betrekking op deze delen, immers behoorden die niet meer toe aan [appellante] en maakten zij geen onderdeel uit van hetgeen in het openbaar werd verkocht. Zij stellen dat deze woorden geen invloed hebben op de feitelijke verkoop die heeft plaatsgevonden. Immers, zo stellen zij, is het wel duidelijk welk perceel geveild wordt en is ten aanzien van het perceel dat geveild wordt geen verkeerde omschrijving gegeven.

5.7 [appellante] heeft in reactie op het verweer van geintimeerden aangevoerd dat de omschrijving vals is en daarom de akten niet in stand kunnen blijven.

5.8 Het Hof overweegt dat in casu de vraag aan de orde is of het feit dat in het verzoekschrift van 18 september 2008 in A.R.No. 083859, in de beschikking van 23 maart 2009, in de advertentie met betrekking tot de openbare verkoop en in de akten met betrekking tot de openbare verkoop niet staat dat de uitgezonderde delen zijn geschonken tot gevolg moet hebben dat alle gevolgen van de openbare verkoop moeten worden teruggedraaid. Zij noemt tevens als gevolg dat de beschikking met betrekking tot de openbare verkoop niet meer gebruikt mag worden. [appellante] stelt van wel en de geïntimeerden stellen van niet.

5.9 Het Hof overweegt dat de kantonrechter van oordeel was dat dat niet het geval is doch [appellante] heeft in haar grieven aangevoerd, zoals hierboven reeds genoemd, dat dat oordeel niet juist is en beroept zich erop dat de akten van de openbare verkoop een valsheid bevatten waardoor zij niet in stand kunnen blijven.

5.10 Het Hof overweegt dat, gelijk de kantonrechter heeft geoordeeld, in de praktijk dit feit niet hoeft te leiden tot het terugdraaien van alle gevolgen van de openbare verkoop. In casu is er klaarblijkelijk sprake van een verschrijving die is begonnen bij het verzoekschrift voor de openbare verkoop. Immers is de omschrijving van de uitgesloten delen in de registers van het hypotheek kantoor wel juist.

Deze verschrijving in het verzoekschrift heeft geleid tot een beschikking waarin ook een verschrijving terecht is gekomen. Omdat geen der partijen of instanties de verschrijving had opgemerkt is de verschrijving ook opgenomen in de akten betreffende de openbare verkoop.

5.11 Het Hof overweegt dat een verschrijving in akten ingevolge de Wet op het Notarisambt met name de artikelen 29, 30 en 31 kunnen worden gerectificeerd. Indien de verschrijving in de akten betreffende de openbare verkoop van zodanig aard is dat deze zou moeten worden verbeterd zal die procedure genoemd in de artikelen hiervoor moeten worden gevolgd. In elk geval dient een dergelijke verschrijving, gelijk de kantonrechter heeft geoordeeld, niet als gevolg te hebben dat de gevolgen van de openbare verkoop teniet gedaan moeten worden. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld.

Het Hof is van oordeel dat het belang dat geschaad wordt door de verkeerde omschrijving van de uitgesloten delen, die überhaupt niet aan de orde waren bij de openbare verkoop, niet opweegt tegen het belang dat geschaad wordt indien de gevolgen van de openbare verkoop teniet gedaan zouden worden. Nu de Wet op het Notaris ambt voor deze verschrijving een procedure biedt, zal die procedure gevolgd moeten worden.

5.12 Op grond van het voorgaande is de kantonrechter haar oordeel ook juist dat aan de procedures voorafgaand aan de openbare verkoop geen gebreken kleven die zouden moeten leiden tot het nietig verklaren van de openbare verkoop. De Openbare verkoop kan in stand blijven, evenals de akten die in verband met de openbare verkoop zijn opgemaakt.

5.13 Het Hof gaat op grond van het voorgaande voorbij aan de grieven.

Grief 5

5.14 Calor, de zus en de moeder hebben op deze grief gereageerd waarbij zij hebben aangevoerd dat het feit dat het blote eigendom van het perceel met nummer 4 in 2007 is overgedragen aan de heer [naam] niets afdoet aan het belang dat de zus en de moeder hadden bij de executie van de dwangsommen. Immers, bij de overdracht van de blote eigendom op [naam], is het recht van vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van de moeder. Het is niet juist dat die overdracht van de blote eigendom ertoe zou moeten leiden dat de dwangsommen niet meer mochten worden geëxecuteerd.

5.15 Het Hof overweegt dat de vraag die hierbij aan de orde is de vraag betreft of de zus en de moeder op 18 september 2008 het recht hadden om dwangsommen te executeren. [appellante] stelt van niet en de zus en de moeder stellen van wel.

5.16 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren van partijen blijkt dat het vonnis van 21 januari 2008 in de zaak bekend onder A.R.No. 063195 een veroordeling inhield aan welke veroordeling een dwangsom verbonden was en welke veroordeling uit drie onderdelen bestond: [appellante] mocht geen handelingen plegen die inbreuk maakte op de erfdienstbaarheid ten behoeve van de zus en de moeder; [appellante] moest binnen twee dagen de schutting van zinkplaten afbreken; [appellante] moest gedogen dat de EBS N.V. de bomen op haar perceel zou snoeien ter voorkoming van kortsluiting aan de electriciteitskabels die aangesloten waren aan de woning van de zus gelegen aan de [straat] no. 14 en 14a.

5.17 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren van partijen blijkt dat aan de moeder en de zus drie percelen waren geschonken. Uit de conclusie van antwoord in eerste aanleg en de overgelegde perceelkaart (overgelegd bij conclusie van antwoord van Calor, de zus, de moeder en de Stichting) blijkt dat de drie percelen achter elkaar liggen en dat de erfdienstbaarheid langs alle drie percelen loopt. Het proces waarin de veroordeling is uitgesproken betreft de erfdienstbaarheid waardoor, gelijk geïntimeerden stellen en ook de kantonrechter heeft overwogen, het feit dat de blote eigendom van een der drie percelen op een ander is overgegaan, niet tot gevolg heeft dat er verandering is opgetreden in de eigendom van de twee andere percelen waarlangs de erfdienstbaarheid loopt en waarop de rest van de veroordeling betrekking had. Om die reden en op grond van het feit dat de moeder wel het recht van vruchtgebruik bezit op het perceel dat is overgedragen aan [naam], kan niet gesteld worden dat de zus en de moeder geen belang meer hadden bij de nakoming van het vonnis en daarmee bij de executie van de dwangsommen.

5.18 Het Hof zal op grond van het voorgaande ook voorbij gaan aan deze grief.

Grief 8

5.19 Calor, de zus en de moeder hebben op de grief gereageerd waarbij zij aanvoerden dat het gegeven of de koopsom betaald is niet van belang is voor de zaak. Zij voeren aan dat de rechtsrelatie tussen de executant en de koper op de veiling niet door de rechter onderzocht hoeft te worden.

5.20 Het Hof overweegt dat, gelijk de geïntimeerden hiervoor stellen, de vraag of de koopsom is betaald of zou kunnen zijn betaald door de Stichting, geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van de openbare verkoop en op de overdracht van het onroerend goed aan de veiling koper in casu de Stichting. Immers, zolang de executant van mening is dat er voldoende is voldaan voor wat betreft de betaling van de koopsom en de executant accoord gaat met de overdracht aan de koper na de veiling, is er voor de kantonrechter geen aanleiding om onderzoek te doen. Ook voor het Hof bestaat geen aanleiding om onderzoek te doen naar de vraag of de koopsom wel is voldaan nu noch de koper, noch de executant daar een rechtsgeschil over zijn begonnen.

5.21 Op grond van het hiervoor overwogene zal ook aan die grief voorbij gegaan moeten worden.

Het verzoek van [appellante] om ook de bodemzaak af te doen met de onderhavige appèlbehandeling.

5.22 Aan het verzoek van [appellante] om ook de bodemzaak welke bekend staat onder A.R.No. 122381 in deze zaak af te doen, zal het Hof voorbij gaan, nu de onderhavige appèlzaak slechts betreft de zaak met A.R.No. 122020 waartegen bij schrijven van 28 september 2012 door [appellante] appèl is aangetekend en welk appèl bij beschikking van de Vice-President van het Hof van Justitie van 6 november 2012 is geappointeerd voor 4 januari 2013.

5.23 Het Hof is van oordeel dat nu de grieven allen ongegrond zijn, het vonnis in prima moet worden bevestigd.

6.De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 19 juli 2012, A.R.No. 122020, waarvan beroep.

6.2 Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. I. H. M. H. Rasoelbaks, Waarnemend-President, mr. S. S. S. Wijnhard, Lid, en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 oktober 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellante en geïntimeerde sub A vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Sewdien namens advocaat mr. C.B. Lachman, geïntimeerde sub B vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. C.N. Mijnals en geïntimeerden sub C, D, E en F vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-5

GENERALE ROL NO.13709.

[appellant], wonende aan [adres] in [district], ten deze domicilie kiezende aan de Gravenstraat no.122 A beneden, ten kantore van Mr.B.G.BECKLES, advokaat,

appellant,

t e g e n

Mr.ROBBY GERHARDUS RODRIGUES, Notaris, kantoorhoudende aan de Grote Hofstraat no.7 beneden te Paramaribo, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over [persoon 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,

geintimeerde q.q.,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoir vonnis van 7 maart 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de gemachtigde van appellant de door het Hof verlangde beschikking en grondbrief heeft overgelegd, hebbende hij tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van geintimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produkties had genomen, advokaat Mr.H.Struiken namens advokaat Mr.B.BECKLES vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 maart 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellant, ter voldoening aan gemeld tussenvonnis, in het onderhavige geding heeft gebracht, behalve de van hem verlangde bescheiden ook nog een hypothecair uittreksel d.d. 2 maart 1997, waaruit blijkt van een woonerf groot 1046,9950 m5, gelegen te [plaats] in [district] en bekend als [nummer 1], in allodiale eigendom en erfelijk bezit uitgegeven aan [persoon 2];

Overwegende, dat deze vorm van allodiale eigendom (nog) niet geconverteerd is in het Burgerlijk Wetboek, (zie Quintus Bosz, Drie Eeuwen Grondpolitiek, 1980, p.181); – eigendom -;

Overwegende, dat voormeld recht van allodiale eigendom en erfelijk bezit van [persoon 2] dan ook niet gelijk stond en staat met de volle en vrije eigendom;

Overwegende, dat toewijzing van appellant zijn vordering dan ook geheel afstuit op het bovenoverwogene, zijnde immers naar geintimeerde terecht heeft gesteld, in casu geen sprake van het zakelijk recht van eigendom, als omschreven in artikel 575 jo artikel 625 van het Burgerlijk Wetboek, zodat de bepalingen omtrent de verjaring in het Burgerlijk Wetboek als wijze van eigendomsverkrijging in casu toepassing missen;

Overwegende, dat aan het zojuist overwogene niet afdoet dat van overschrijving van de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 24 maart 1983,

[nummer 2], waarbij het recht van allodiale eigendom en erfelijk bezit aan [persoon 2] is uitgegeven, blijkt;

Overwegende, dat ook al zou het recht van allodiale eigendom en erfelijk bezit van [persoon 2] gelijk staan met de volle en vrije eigendom, dan nog zou dat niet leiden niet toewijzing van appellant zijn vordering en wel op grond van het hierondervolgende;

– dat appellant met een beroep op artikel 1979 Burgerlijk Wetboek heeft aangevoerd, dat hij rechtens de jaren gedurende welke zijn rechtsvoorgangers bezitsdaden op het litigieuze onroerend goed hebben uitgeoefend, bij de jaren van zijn bezit als eigenaar kon toevoegen voor een geldig beroep op verkrijgende verjaring, zijnde meer dan negentig jaren bezitsdaden als eigenaren door hem en zijn rechtsvoorgangers op het litigieuze onroerend goed uitgeoefend, zodat thans blijkt dat de voorgeschreven wettelijke termijn van dertig jaren voor een beroep op verjaring reeds lang is verkregen;

– dat opgemerkt zij, dat men het bezit van zijn voorganger slechts dan bij het zijne kan voegen, indien er een verband rechtens bestaat, m.a.w. indien afstand van de zaak door de vorige bezitter op de volgende, een overgang van dat bezit van de één op de ander heeft plaatsgevonden;

– dat appellant geen feiten heeft gesteld of doen blijken waaruit zodanig verband zou blijken;

Overwegende, dat appellant zijn vordering dan ook terecht met een niet-ontvankelijkheid is begroet;

– dat bespreking van tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet (langer) relevant in het midden latend, gemeld vonnis-zij het onder aanvulling en verbetering van gronden – behoort te worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke artikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder aanvulling en verbetering van gronden het vonnis op 16 mei 1995 door de Kantonrechter in het Derde Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken waarvan beroep:

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde q.q. gevallen en begroot op f…………..

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.3.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.3.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.Th.OOSTERLING, President, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JUNI 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat, Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde advokaat, Mr.B.BECKLES en geintimeerde vertegenwoor­digd door advo­kaat, Mr.H.LIM A PO namens zijn gemachtigde advokaat, Mr.F.KRUISLAND zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting verschenen.

 

SRU-HvJ-2017-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

SA RE GA MA PA N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

appellante in kort geding, hierna aangeduid als “SaReGaMaPa”,

gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], [land],

geïntimeerde in kort geding, hierna aangeduid als [geïntimeerde],

gemachtigde: mr. dr. J.V. van Dijk – Silos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 01 april 2009 (AR 081584) tussen “SaReGaMaPa” als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging in kort geding uit.

Dit vonnis bouwt voort op het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verder procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het proces-verbaal van de op 15 april 2011 gehouden comparitie van partijen;

– het proces-verbaal van de op 18 november 2011 gehouden voortzetting van de comparitie van partijen;

– conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel van de zijde van geïntimeerde d.d. 20 januari 2012;

– conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel van de zijde van appellante d.d. 20 april 2012;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 juli 2012 , doch is vanwege de veelheid aan zaken, nader bepaald op 02 februari 2018 doch bij vervroeging op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het hof volhardt bij zijn tussenvonnis van 18 maart 2011, waarin een comparitie van partijen is gelast. De comparitie van partijen is gehouden op 15 april 2011.

2.2 Van de gehouden comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt en waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

2.3 Tijdens de gehouden comparitie van partijen d.d. 15 april 2011 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde], mr. dr. J.V. van Dijk – Silos aangegeven dat zij met geïntimeerde in overleg zal treden om na te gaan in hoeverre het mogelijk is tot een schikking te geraken. Dit, omdat SaReGaMaPa tijdens de comparitie middels geactualiseerde fotomateriaal duidelijk heeft weten te maken dat zij voordelig ligt. Voorts heeft [geïntimeerde] erkend dat er een huurovereenkomst bestond tussen haar en Sangeetmala, maar dat de huur daarvan nooit is ontvangen. Met SaReGaMaPa was er geen huurovereenkomst.

2.4 De comparitie van partijen is voortgezet op 18 november 2011 waarbij wederom de gemachtigde van [geïntimeerde] zich bereid heeft verklaard om met geïntimeerde in conclaaf te treden.

Bij de conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel zijdens [geïntimeerde], heeft zij aangegeven niet akkoord te gaan met het schikkingsvoorstel namelijk het litigieuze perceelland of het gedeelte waarop de tuikabels zich bevinden, te verkopen dan wel te verhuren aan SaReGaMaPa.

SaReGaMaPa heeft bij conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel benadrukt dat het verwijderen van een punt van de mast (welke op 3 punten rust) onevenredig veel schade en risico’s met zich meebrengt voor haarzelf en de omgeving.

2.5 Het hof is van oordeel dat door SaReGaMaPa is erkend dat het anker is bevestigd in de grond hetwelk toebehoort aan [geïntimeerde]. Voorts dat [geïntimeerde] geen inbreuk op haar eigendomsrecht hoeft te dulden daar zij er belang bij heeft om vrijelijk over haar grond te beschikken.

2.6 Het hof is tevens van oordeel dat de kantonrechter in kort geding in het beroepen vonnis terecht de overweging heeft gemaakt dat er nergens uit is gebleken dat SaReGaMaPa toestemming heeft verkregen van een daartoe bevoegde persoon voor het plaatsen van kabels op het perceelland van [geïntimeerde]. Ook tijdens de comparities in de appélprocedure is daar geen afdoend antwoord op gegeven, hetwelk een tegengestelde slotsom zou rechtvaardigen.

2.7 De aangevoerde grieven en weren worden met voorgaande vaststelling zoals verwoord onder punt 2.6 van dit vonnis geacht te zijn besproken. De grief betrekking hebbende op een redelijke en billijke belangenafweging is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, hebbende SaReGaMaPa verzuimd om het door haar genoemde taxatierapport in het geding te brengen, weshalve het hof voormelde grief zal verwerpen. De bij het repliekpleidooi in het geding gebrachte producties en berekeningswijze van de te lijden schade door SaReGaMaPa, leiden evenmin tot een andersluidend oordeel. Immers staat daar tegenover het belang van [geïntimeerde] om vrijelijk over haar terrein te kunnen beschikken en SaReGaMaPa heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk kunnen maken dat zij in dit kader afspraken hebben gemaakt met een beschikkingsbevoegde. Aan het door haar gedaan bewijsaanbod zal het hof – gelet op de beperkingen van de kortgedingprocedure – voorbijgaan.

2.8 Nu SaReGaMaPa welbewust een anker op het aan [geïntimeerde] toebehorend terrein heeft geplaatst zonder deugdelijke afspraken met de rechthebbende, dient zij in de visie van het hof, de risico’s van het verwijderen van de mast voor haar rekening te nemen.

2.9 Gelet op het voorgaande zal het hof daarom het beroepen vonnis A.R. 081584 bevestigen en SaReGaMaPa , als de in het ongelijk gesteld partij, veroordelen in de proceskosten van dit geding in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

3. DE BESLISSING IN KORT GEDING IN HOGER BEROEP:

3.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in kort geding gewezen en uitgesproken tussen partijen d.d. 01 april 2009 A.R. 081584, waarvan beroep.

3.2 Veroordeelt SaReGaMaPa in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en

w.g. A. Charan

Door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 oktober 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C. Rambharos namens advocaat mr. A.E. Debipersad, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-4

H.M.

A – 370.

[verzoeker], agent van politie eerste klasse bij het Korps Politie Suriname, wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat de verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoor­digd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Graven­straat no.3, verweerder;

2. dat de verzoeker ambtenaar van politie eerste klasse is en dus ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

3. dat de verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 4 september 1996 [kenmerk] is ontslagen, onder voorwaarde dat deze (lees:’dit ontslag’) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij hij zich binnen een proeftijd van 1 (een) jaar, -welke proeftijd zal ingaan op de dag die, (’die’ niet lezen) waarop dit besluit ter kennis van hem is gebracht, -wederom schuldig maakt aan een soortgelijk plichts­verzuim, waarvoor die be­straffing geldt of enig ander ernstig plichtsverzuim;

b. terugstelling in rang voor de duur van 2 (twee) jaar onder toekenning van een bezoldiging van Sf.56.660,– (ZES EN VIJFTIGDUIZEND ZESHONDERD EN ZESTIG GULDEN) per maand benevens het genot van vrije bovenkleding en schoeisel, alsmede een politietoelage naar de daarvoor vastgestelde regels. Voorts is bepaald dat deze terugstelling in de rang is ingegaan op 19 juli 1996, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

4. dat de verzoeker deze beschikking op 22 oktober 1996 heeft ontvangen, blijkens aantekening op bladzijde 1 van de overgelegde beschikking zodat de verzoeker met inachtneming van de termijnen in het Politiehandvest (artikel 47) c.q. de Personeelswet tijdig bij Uw Hof in beroep is gekomen;

5. dat de litigieuze beschikking in strijd is met het begin­sel van de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid zoals Uw Hof dit in verschillende vonnissen inzake ambtenarenzaken heeft geformuleerd en laat­stelijk nog in het vonnis van [naam 1] contra DE STAAT SURI­NAME, G.R.(’G.R’ niet lezen) No.A – 203 (lees:”A-283”) d.d. 25 juli 1990, met het verzoek de inhoud van dit vonnis als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

6. dat Uw Hof in het vonnis van [naam 1] letterlijk het volgende heeft overwogen:

1. Overwegende dat de Personeelswet (P.W.) weliswaar geen bepaling bevat over de termijn waarbinnen een tuchtstraf moet worden opgelegd (zo daartoe wordt besloten);

2. dat evenwel de ten aanzien van een landsdienaar in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt, dat een derge­-lijk besluit binnen een redelijke termijn wordt geno­men;

3. dat de termijn van blijkens een jaar na het verweer van verzoeker naar ’s Hoven oordeel, als te lang moet worden aangemerkt, nu geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een andere conclusie zouden lui­den (lees:’leiden’);

4. Overwegende, dat ook op deze grond het gewraakte besluit tot oplegging van een tuchtstraf nietig is;

De verzoeker is sedert 17 augustus 1994 veroordeeld en heeft zich op 31 oktober 1994 verweerd en na ruim 2 jaren komt de verweerder met een voorwaardelijk ontslag + degradatie, het­geen veels (lees:’veel’) te laat is, alsmede in strijd met de rechtszeker­heid en de zorgvuldigheid; dat na zo’n lange perio­de de ver­weerder elke bevoegdheid mist om aan de verzoeker een tucht­straf op te leggen;

7. dat de verzoeker opmerkt dat de beschikking nog meer formele gebreken vertoont t.w. dat de terugstelling (degrada­tie) is ingegaan op 19 juli 1996 hetgeen volledig in strijd is met artikel 6 van de P.W., waar staat dat een besluit geen terugwerkende kracht heeft, voor zover zij voor de belangheb­bende nadelig is en is in artikel 71 lid 5 van de P.W. bepaalt (lees:’bepaald’) wanneer aan een besluit terugwerkende kracht kan worden gege­ven;

8. dat de terugstelling (degradatie) niet met terugwerken­de kracht kan worden gegeven, maar slechts met een datum in de toekomst, zodat de terugstelling in strijd is met artikel 6 van de P.W., zijnde het beginsel van de rechtszekerheid;

9. dat de beschikking van de verweerder d.d. 4 september 1996 [kenmerk] in al zijn onderdelen nietig is en dus niet in strijd (lees:’stand’) kan blijven;

10. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak met de verweerder minnelijk op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 4 september 1996 [kenmerk], waarbij aan de verzoeker de tucht­straf van voorwaardelijk ontslag + terugstelling van rang is gegeven;

B. de verweerder zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak aan de verzoeker zijn salaris en alle overige emolumenten uit te keren verbonden aan de rang van agent van politie 1e klasse en de verweerder te veroordelen een nieuwe beschikking te nemen overeenkomstig de uitspraak van Uw Hof, alles onder verbeurte van een dwangsom van Sf.50.000,– (VIJF­TIGDUIZEND GULDEN) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen verzoeker in zijn inleidend Rekest naar voren heeft gebracht, voor zover (lees:­erbij ’zulks’) niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweerder wordt erkend, onder aanbod van bewijs zijner stel­lingen en weren, door alle middelen rechtens, indien en voor zover de bewijs­last op hem (verweerder) zou mogen rusten;

2. Deze vordering van verzoeker bij het Hof van Justitie heeft verweerder zeer verbaasd, zulks omdat een eerder inge­-stelde vordering (zie H.v.J. dossier A – 356 G.No.244 (a), waarbij verzoeker vroeg om vernietiging van een nog niet een (”een” niet lezen) bestaand ontslagbesluit, eigenlijk direkt tot niet ontvanke­lijkheid van de vordering had moeten leiden, doch zulks niet plaatsvond, door de wijze begeleiding van het Hof van Justitie in dit proces en de terzake kenbaar gemaakte, c.q. geinstigeerde afdoening zijdens de Korpsadmini­stratie, die aan verzoeker haast volledige genoegdoening gaf. Hij zal eind november 1996 of eerder, zijn vol salaris en ander com­plete­rende toelagen en premies ontvangen, nu deze zonder een daar­toe rechtskracht bezittend besluit, waren ingehouden. Verweerder legt terzake aan Uw Hof van Justitie hierbij over het terzake dienende bericht met bijlage afkomstig van het Hoofd van de Salarisadministratie [naam 2] d.d. 14 november 1996, met verzoek dit als hierbij geinsereerd en deeluitmakende van dit verweerschrift, te willen beschouwen;

Nu, na veel wikken en wegen, waarbij mede gelet werd op de nog te verwachten reacties van de vele andere manschappen die bij de vervulling van hun politie dienst, zich hebben laten leiden (lees:’verleiden’) tot handelingen die op zijn minst als PLICHTSVER­ZUIM kunnen worden gekwalificeerd, eenvou­dige tuchtstraf alsnog wordt opgelegd aan verzoeker, wenst deze zich ook daartegen met hand en tand te verweren, alsof hem onrecht wordt aangedaan;

Het recht, werkt naar het oordeel van verweerder evenwel niet zo. Ook kan door verweerder gesteld worden, dat het nu ver­leend ontslag slechts voorwaardelijk is, waarbij het van verzoeker zelf afhangt of hij het ontslag in vervulling laat gaan. Hij kan dit doen door althans in slechts één jaar zich te gedragen zoals het een goede politieman betaamt

5. (Lees:’4’) Verweerder is met verzoeker eens (7de suste­nu) dat de terugstelling in rang zodanig geredigeerd is, dat van terug­werkende kracht sprake is. Het is duidelijk, dat het gebrek aan kader op de administratie van de Korpschef de oorzaak hiervan is, hoewel ook echte juristen het concept moesten zien en paraferen doch dit moment hen niet is opgeval­len. Verweer­der moge Uw Hof verzoeken hier een correctie te mogen aanbren­gen in de beschikking en de datum van ingang van de degradatie doen samenvallen met de dag waarop de beschik­king verzoeker heeft bereikt;

6. (Lees:’5’) Het is evenwel niet juist, zoals verzoeker schrijft in het 9de sustenu, dat de beschikking verder in al zijn onderde­len nietig is en daarom vernietigd dient te wor­den. De door verzoeker zo zwaarwichtig naar voren gebrachte schending van met name de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid (twee begin­selen van behoorlijk bestuur), met adstructie naar het vonnis van Uw Hof van Justitie, in de zaak [naam 1] (5de en 6de sustenu), dient in het geval [verzoeker], anders te worden gezien dan in het geval [naam 1].

Het geval [naam 1] stond geheel op zich zelf en de plicht van het bestuur om ’s mans rechtspositie te regelen, werd gewoon veronachtzaamd.

In het geval van verzoeker, spelen zich (’zich’ niet lezen) nog tientallen andere zaken mee, waarmee de Korpsleiding werd overvallen. Zaken van hoge politiefunctionarissen, die zich op onjuiste wijze ge­droegen en daardoor hetzij op grond van de Personeelswet, hetzij alsgevolg van schending van het Politie­handvest in de situatie kwamen te verkeren dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan PLICHTSVERZUIM en daarom in ieder geval tuchtrech­telijk gestraft moesten worden.

Het proces van verzoeker bij de strafrechter heeft op zijn minst 2 jaren geduurd, een omstandigheid welke de Korpsleiding ook heeft weerhouden betrokkene hangende het strafrechtelijk onderzoek, vooralsnog een tuchtrechtelijke straf op te leggen.

Met onder meer deze feiten in dit 6de sustenu voor ogen kan gesteld worden dat omstandigheden welke de beslissing van het

Hof van Justitie in de zaak [naam 1] ten grondslag hebben gediend in het geval [verzoeker] geheel andere zijn en deswege een analoge toepassing op de zaak van verzoeker helemaal niet voor de hand ligt.

Het komt verzoeker dan ook voor, dat op grond van het voor­gaande, de toewijzing van de vordering van de vordering (”van de vordering” niet lezen) niet door Uw Hof van Justitie zal worden uitge­sproken;

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat de vordering van verzoeker zoals in het Petitum van zijn Inleidend Rekest is neergelegd, niet ontvankelijk zal worden verklaard althans deze aan verzoeker niet zal worden toegewezen wegens gebrek aan, of onvoldoende bewijs;

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 3 januari 1997 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in per­soon, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, gemachtigde van verzoeker en advo­kaat M­r.Dr.C.D.OOFT, gemachtigde van verweerder, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschou­wen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, par­tijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvanke­lijk was bepaald op 4 april 1997, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, ambtenaar zijnde, in de zin van de Personeelswet (P.W.), bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 17 augus­tus 1994, terzake ”HET ALS AMBTENAAR AANNEMEN VAN EEN GIFT”, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 427 van het Wetboek van strafrecht, veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden, waarvan 5 (vijf) voorwaardelijk met een proef­tijd van drie jaren;

– dat bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie, d.d. 4 september 1996 No.4551, zijn aan verzoeker vanwege (ernstig) plichtsverzuim- welke het door hem gepleeg­de strafbaar feit oplevert-, de navolgende tuchtstraffen opge­legd, te weten:

a) ONTSLAG, onder voorwaarde, dat deze (lees:dit) niet ten uit­voer zal worden gelegd, tenzij hij zich binnen een proef­tijd van 1 (een) jaar, welke proeftijd zal ingaan op de dag waarop dit besluit ter kennis van hem is gebracht, wederom schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim, waarvoor die be­straffing geldt of enig ander ernstig plichtsverzuim;

b) TERUGSTELLING in de rang voor de duur van 2 (twee) jaar, onder toekenning van een bezoldiging van f.56.660,– per maand benevens het genot van vrije bovenkleding en schoeisel, alsme­de een politietoelage naar de daarvoor vastgestelde regels;

– dat de gewraakte beschikking van de Minister van Justitie en Politie verzoeker ONBETWIST op 22 oktober 1996 ter kennis is gebracht, zodat verzoeker het Hof, als Ambtenarengerecht, tijdig heeft geadieerd met de onderhavige vordering(en);

– dat de proeftijd van de sub a) aan verzoeker opgelegde tuchtstraf mitsdien per 22 oktober 1997 zal zijn geëxpireerd;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de tucht­straf sub a) voormeld, in overeenstemming moet worden geacht met de ernst van het door verzoeker gepleegde plichtsverzuim en derhalve gehandhaafd dient te blijven, zijnde het Hof van oordeel, dat een vergelijking ten deze met de zaak [naam 1] mank gaat, nu [naam 1] toch niet wegens een gepleegd strafbaar feit tot gevangenisstraf was veroordeeld en in diens geval het Hof de termijn van een jaar bij het opleggen van een tucht-­straf aan die [naam 1] na een gepleegd plichtsverzuim, als te lang had geacht;

Overwegende, m.b.t. de sub b) voormeld aan verzoeker opgeleg­de tuchtstraf, van DEGRADATIE en wel met terugwerkende kracht, dat het Hof van oordeel is:

– allereerst, dat het terugwerken van deze straf in strijd is met de wet en mitsdien niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd;

– dat het verzoek van verweerder om correctie van de in­gangsdatum van deze tuchtstraf, niet voor inwilliging vatbaar wordt geacht;

voorts, dat deze straf in combinatie met de tuchtstraf sub a) voormeld onnodig is, wijders te lang (twee jaren) na de ver­oordeling van verzoeker tot een gevangenisstraf, is opgelegd en tenslotte, naar ’s Hoven oordeel, te zeer ingrijpt in de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van verzoeker;

– dat verweerder door aldus te handelen als voormeld, in strijd heeft gehandeld met één der algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het beginsel van rechtszekerheid;

Overwegende, dat het Hof de gewraakte beschikking op dit punt sub b) dan ook zal vernietigen, hetgeen met zich mee­brengt, dat ook het bij II sub a,b en c vermelde in de ge­wraakte beschikking, aan vernietiging is komen bloot te staan, komende aan het Hof de bevoegdheid toe een besluit, i.c. een beschikking, gedeeltelijk te vernietigen (vide artikel 79 lid 1 sub a van de P.W.) hetgeen het Hof in voege als na te melden zal doen (vide vonnis Hof van Justitie (civiele kamer) d.d. 5 februari 1960, S.J.(A) no.47, inzake [naam 3] contra RIJKSDEEL SURINAME- Blauwe Bundel ”Geschillen tussen Burger en Over­heid”);

Overwegende, dat het Hof het verzoek van verzoeker, verweerder een dwangsom op te leggen niet zal honoreren, omdat het Hof er van uitgaat en verwacht, dat verweerder wel er toe zal overgaan, bij vernietiging van de gewraakte beschikking als vorenbe­doeld, tot het (doen) verrichten van die handelin­gen waardoor aan verzoeker de geldsommen zullen worden geres­titueerd, welke inmiddels van zijn salaris zijn ingehouden en zijn plaatsing op de ranglijst zal herstellen en wel, naar het Hof verwacht, binnen DRIE MAANDEN na betekening van dit vonnis aan verweer­der;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen:

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 4 september 1996 [kenmerk], Bureau [nummer],

voor wat betreft het besluit onder I sub b) en onder II sub a,b en c; blijvende die beschikking voor het overige in tact;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, Presi­dent, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JUNI 1997, in tegen­woordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen verzoeker vertegenwoordigd door Mr.H.BOLDE­WIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en ver­weer­der vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat

Mr.Dr.C.D.OO­FT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1997-3

A – 352

[verzoeker] wonende te [district] aan [adres] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Heerenstraat no.6 B bij het advokatenkantoor Gangaram Panday, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo;

2. dat verzoeker sinds 3 januari 1978 in dienst is van de gedaagde en thans werkzaam is als loods 1e klasse in de functie van stafambtenaar A 2e klasse;

3. dat gedaagde (lees:’verweerder’) de verzoeker sinds 19 maart 1993 zonder gegronde redenen niet meer wenst in te delen in het werkschema van de loodsen, ondanks het feit dat verzoeker bij herhaling zijn diensten aan de gedaagde (lees:’verweerder’) heeft aangeboden;

dat verzoeker ter staving van zijn stellingen hierbij in fotokopie o.a. overlegt de brieven van Mr.E.C.M.Hooplot d.d. 8 april 1993 (prod.1), 21 maart 1994 (prod.2) en 16 juni 1994 (prod.3), van Mr.R.Carrilho, d.d. 24 oktober 1994 (prod.4) en van Mr.G.Gangaram Panday, d.d. 2 februari 1996 (prod.5), met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

dat gedaagde (lees:’verweerder’) op geen van deze brieven van de verzoeker heeft gereageerd;

4. dat verzoeker thans een salaris ontvangt van Sf.62.765,– per maand (prod.6) terwijl de met hem vergelijkbare collega’s netto gemiddeld Sf.210.000,– per maand ontvangen, dat hieruit duidelijk blijkt dat verzoeker door de gedaagde (lees:’verweerder’) financieel ernstig wordt benadeeld en dat hij thans een schade lijdt van ongeveer Sf.150.000,– per maand, althans dit bedrag aan inkomsten derft;

dat verzoeker niet in staat is de hoegrootheid van de schade die hij lijdt exact aan te geven omdat hij niet over de administratieve gegevens van de gedaagde beschikt;

dat verzoeker de gedaagde (lees:’verweerder’) uitdaagt de betreffende administratieve cq. financiële gegevens ten processe over te leggen;

5. dat het de verzoeker bekend is dat de gedaagde (lees:’verweerder’) de afgelopen jaren drastische loonsverhogingen heeft doorgevoerd onder de benaming van functioneringstoelage enkel en alleen om zodoende verzoeker daarvan uit te sluiten;

6. dat door deze handelwijze van de gedaagde (lees:’verweerder’) zij zich jegens verzoeker heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie c.q. aan een onrechtmatige daad met haar schuld daaraan tengevolge waarvan verzoeker grote schade heeft geleden en nog steeds lijdt;

7. dat nu de dienstbetrekking tussen partijen nog steeds voortduurt verzoeker recht en belang heeft dat aan hem alle gelden, voorzieningen en toelagen met terugwerkende kracht wordt (lees:’worden’) uitbetaald en dat hij niet wordt achtergesteld in salariëring en voorzieningen ten opzichte van zijn collega’s aangezien hij steeds bereid is de bedongen arbeid te verrichten doch de gedaagde (lees:’verweerder’) van zijn diensten geen gebruik heeft willen maken c.q. nog steeds geen gebruik maakt;

8. dat verzoeker derhalve gerechtigd is Uw Hof in deze te adiëren.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat verzoeker binnen 8 dagen na vonniswijzing in de gelegenheid zal worden gesteld zijn werkzaamheden als loods volgens het gangbare werkschema, althans zoals tussen partijen voor maart 1993 gangbaar c.q. gebruikelijk was, bij de gedaagde (lees:’verweerder’) te hervatten;

b. dat verzoeker terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 1993 zal worden uitbetaald zijn salaris van Sf.210.000,– per maand, althans het aan verzoeker rechtens toekomend bedrag aan salaris met alle verhogingen, toelagen en andere voorzieningen en zulks te vervolgen zolang de dienstbetrekking tussen partijen nog voortduurt;

c. dat aan verzoeker ten titel van dwangsom zal worden betaald een bedrag van Sf.50.000,– per dag voor elke dag dat gedaagde (lees;’verweerder’) in gebreke blijft aan de (lees:’het’) onder sub a en b van het petitum gevorderde te voldoen;

d. dat gedaagde (lees:’verweerder’) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende,dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen door verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren is gebracht, voor zover niet woordelijk en uitdrukkelijk door verzoeker is erkend, onder aanbod van bewijs zijner stellingen, indien en voor zover de bewijslast op hem zou mogen rusten;

2. Verzoeker is inderdaad sinds 1978 ambtenaar en dient thans in de rang van Staf-ambtenaar 2e klasse in de functie van loods 1e klasse;

3. De mededelingen van verzoeker zoals neergelegd in het 4de tot en met 6de Sustenu zijn pertinent onjuist, geven niet de waarheid omtrent de ambtelijke rechtstoestand van verzoeker weer.

Ten eerste:

Het is niet waar dat verzoeker thans het salaris toucheert van Sf.62.765,– per maand. Het juiste bedrag aan salaris van verzoeker is sinds 29 februari 1996 Sf.79.471,–.

Ten tweede:

Hoewel verzoeker niet functioneert, blijft hij zijn salaris van Sf.79.471,– maandelijks ontvangen. Hij wordt niet benadeeld, zoals hij dat stelt in het 4de Sustenu van het Inleidend Rekest.

Ten derde:

De werkelijke feiten zijn deze.

Verzoeker is een van de Leiders geweest in de moeilijke actiedagen in 1992.

Verzoeker heeft zich toen ontpopt als een heel moeilijke medewerker, ook nadat de boeien waren onklaar gemaakt en niet verzoeker maar anderen door de Rechter zijn veroordeeld.

Verzoeker is in deze actiedagen PLICHTSVERZUIM verweten wegens dienstweigering. Verzoeker voerde geen opdrachten meer uit.

Ten vierde:

Verzoeker kreeg verder geen opdrachten tot beloodsing van boten, omdat het Hoofd van de Loodsdienst geen vertrouwen meer had op (lees:’in’) verzoeker en op hem niet meer kon rekenen.

Omdat hij geen schepen meer behoefde te loodsen, vielen de bijzondere toelagen, bestaande uit loodspremiën, de risicotoelagen en overwerktoelage, af. Verzoeker krijgt dus wel zijn salaris, maar omdat hij niet verder als loods functioneert mist hij de bijzondere toelagen;

4. Het is derhalve pertinent onjuist hetgeen verzoeker stelt in zijn 6de Sustenu, dat verweerder zich tegen verzoeker aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt c.q. aan een onrechtmatige daad van verweerder. Van schade, door schuld van verweerder is in casu geen sprake;

5. Onverminderd het voorgaande wenst verweerder alsnog te stellen, dat verzoeker in strijd met artikel 79 van de Personeelswet (G.B.1962 no.195), een vordering instelt (8de (lees:’8 ste”) Sustenu, PETITUM) welke niet voldoet aan de dwingende bepalingen van het ZESDE HOOFDSTUK PERSONEELSWET;

6. Verzoeker houdt geen rekening met de bevoegdheden van de Burgerlijke Rechter in Ambtenaren-Zaken. Verzoeker noemt geen daarvoor vatbaar besluit, noch vraagt hij, een gehele of gedeeltelijke vernietiging daarvan. Verzoeker wijst ook geen wettelijk voorschrift aan, dat verweerder zou hebben geschonden.

Punt a van het Petitum is dan ook niet voor toewijzing vatbaar, aangezien het Hof alsdan in strijd zou zijn met het vierde en vijfde lid van artikel 79 van de Personeelswet.

Ook punt b van het Petitum is niet voor inwilliging vatbaar, omdat dáárvoor door verzoeker geen gronden zijn aangedragen waarop de vordering zou moeten steunen c.q. (lees erbij:”verzoeker”) niet heeft waargemaakt op grond waarvan verweerder een verplichting heeft om het door verzoeker maandelijkse regelmatig toucherend salaris van f.79.471,– te verhogen tot f.210.000,– per maand.

Ook de dwangsom is uiteraard niet rechtens en mist elke grond om als astreinte te dienen voor de Staat.

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker op grond van al het voorgaande Niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze INTEGRAAL zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond, niet bewezen, en in strijd met de Personeelswet;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 3 mei 1996 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.Gangaram Panday, de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft en de heer E.Fitz Jim, hoofd van de Dienst voor Scheepvaart, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 oktober 1996, doch bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft gelast en overlegging van het strafdossier in de ”boeienzaak” door de Griffier van het Hof van Justitie;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormelde rol- beschikking het strafdossier door de Griffier van het Hof is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van verzoeker vonnis, heeft gevraagd terwijl de gemachtigde van verweerder heeft verklaard geen schikking te hebben bereikt;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday namens advokaat Mr.G.Gangaram Panday, gemachtigde van verzoeker, vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 juni 1997, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, aangaande verzoekers vorderingen:

– dat nog daargelaten, dat verweerder, de aan verzoekers vorderingen ten grondslag gelegde feiten, – door verzoeker gekwalificeerd als wanprestatie c.q. onrechtmatige daad – gemotiveerd heeft weersproken, en deze dan ook rechtens niet zijn komen vast te staan, merkt het Hof op, dat ook al zouden deze feiten komen vast te staan, noch onderdeel a), noch onderdeel b) van het petitum zouden kunnen worden toegewezen:

onderdeel a) niet:

omdat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenaren zaken kan worden gevorderd, limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet;

– dat nu onderdeel a) niet onder de limitatieve omschrijving van artikel 79 P.W. valt, toewijzing daarvan niet kan volgen;

onderdeel b) ook niet:

omdat ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van de P.W. het Hof slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet, bepaalde;

Overwegende, dat nu verzoeker geen zodanig besluit of dergelijke handeling heeft gesteld en daarvan het Hof ook niet is gebleken, stuit toewijzing van onderdeel b, van het petitum dan ook daarop af;

– dat het terzake door verweerder gevoerde verweer, naar s’Hoven oordeel derhalve gegrond is;

Overwegende, dat verzoeker dan ook niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen:

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.Th.OOSTERLING, President, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 18 JULI 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaten Mr.G.GANGARAM PANDAY en Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

SRU-HvJ-2017-11

A-927

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],

wonende aan [adres]

in [district],

verzoeker,

gemachtigde: mr. H.R. Derby, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,

rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door

de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. R. Koendan, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 28 juli 2016;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift, d.d. 22 september 2016;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 27 september 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 26 september 2016 is verlengd met zes weken;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift, d.d. 03 november 2016;

– de beschikking gegeven door het Hof van Justitie d.d. 03 november 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 07 november 2016 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;

– de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 april 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 02 juni 2017;

– het proces-verbaal van het op 02 juni 2017 gehouden verhoor van partijen;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017 doch nader op heden;

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [verzoeker] is reeds twintig jaren in dienst van de Staat en wel bij het Korps Politie Suriname en is in 2014voor het laatst bevorderd tot de rang van Brigadier van Politie en reeds zeven jaren dienende als persoonsbeveiliger van rechter, [naam] (hierna VIP te noemen);

2.2 Op 31 mei 2016 omstreeks 11:00 uur heeft [verzoeker] in opdracht van de VIP, ½ kubieke meter (m3) droge scherpzand vervoerd in de laadbak van het dienstvoertuig ter beschikking van de VIP met als kentekennummer [nummer]. Het zand was bestemd als grondstof bij het dichten van een op die dag gesloopte gedeelte van de muur van de benedenwoning van de VIP;

2.3 Bij schrijven van de Korpschef, de hoofdcommissaris van politie, mevrouw H.A.E. Daniel d.d. 31 mei 2016 K.A. [nummer], is [verzoeker] in gebreke gesteld en gelegenheid tot verweer geboden, met bepaling dat hij binnen zeven dagen het verweerschrift dient in te dienen bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS. De verweer periode derhalve verlopend op 07 juni 2016;

2.4 In de ingebrekestelling is gesteld dat [verzoeker], als ambtenaar van politie, door het vervoeren van zand in de laadbak van een dienstvoertuig het imago van het Korps Politie Suriname ernstig geschaad heeft en is hem verweten dat hij:

– zich niet heeft gedragen zoals het een goed politie ambtenaar betaamt, waardoor hij afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het aanzien van de politie heeft geschaad;

– onzorgvuldig is omgegaan met het dienstvoertuig door deze voor andere doeleinden dan waarvoor het bestemd is aan te wenden. Alzo ernstig plichtsverzuim plegend en handelend in strijd met art. 10 lid 2 onder a instructie Ambtenaren van Politie en punt 3 sub 1 en punt 5 sub 2 gedragscode voor ambtenaren van politie 2007;

2.5 Op 02 juni 2016 heeft [verzoeker] omstreeks 08:00 uur – voorafgaande aan het gehouden Korpsrapport – zijn verweerschrift d.d. 1 juni 2016 met bijlagen ingediend bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS; derhalve binnen de gestelde termijn van 7 dagen en op de aangegeven wijze;

2.6 De Korpschef, de hoofdcommissaris van politie mevrouw H.A.E. Daniel heeft het disciplinair onderzoek naar het vermeend plichtsverzuim gedaan en op het gehouden Korpsrapport van 2 juni 2016 heeft [verzoeker] zijn verweerschrift mondeling toegelicht en informatieve vragen van de Korpschef voornoemd, beantwoord. Aan het eind van het Korpsrapport heeft de Korpschef geconcludeerd dat het vermoeden van plichtsverzuim juist is, omdat [verzoeker] zich niet professioneel heeft gedragen bij de uitvoering van de gegeven opdracht. [verzoeker] is toen, onder andere, medegedeeld dat hij naar aanleiding daarvan wordt afgelost van de beveiliging van de VIP;

2.7 Op 15 juni 2016 is [verzoeker] afgelost van de afdeling VIP-beveiliging en overgeplaatst naar een andere afdeling;

2.8 Op 18 juli 2016 heeft [verzoeker] van de afdeling Interne Tucht Zaken KPS ontvangen de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer](hierna : de beschikking te noemen). Bij die beschikking is door de Minister van Justitie en Politie aan [verzoeker] opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van drie (3) dagen gepaard gaande met inhouding van salaris met bepaling dat de periode waarvoor de sanctie geldt nader bepaald wordt door de Korpschef;

2.9 In de beschikking is het plichtsverzuim feitelijk omschreven als;

– oneigenlijk gebruik gemaakt hebben van het dienstvoertuig door zand in de laadbak te vervoeren en daardoor;

– als politie ambtenaar het imago van het korps geschaad hebben e.e.a. in strijd met de artikelen 10 lid 2 b van de Ambtsinstructie en de punten 3 onder 1 en onder 2 van de gedragscode voor politieambtenaren;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie:

A. recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig gehandeld heeft tegen [verzoeker];

B.l worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer] waarbij aan [verzoeker] is opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 3 dagen met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode;

C. Staat zal worden veroordeeld aan [verzoeker] te betalen de advocaatkosten van 1.500,- of een redelijk deel daarvan, de griffierechten en deurwaarderskosten;

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Het door hem ingediende verweerschrift op 02 juni 2016 bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS houdt in dat [verzoeker] zich niet heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Voorts is bij de mondelinge toelichting aangevuld dat de VIP zich ten tijde van de uitvoering in het Kantongerechtsgebouw bevond. Een door manschappen van het KPS en BBS beveiligde omgeving. Hiermee was de veiligheid van de VIP zo goed mogelijk gewaarborgd en was de directe aanwezigheid van de persoonsbeveiliger niet vereist. [verzoeker] kon onder deze omstandigheden uitvoering geven aan de beveiligingsopdracht tot aankoop en vervoer van het scherpzand. Met het uitvoeren van die opdracht werd juist voorkomen dat bij terugkeer naar de woning in de late middag er sprake zou zijn van een onveilige woonsituatie omdat, de ontstane opening niet gedicht was door het uitblijven van de benodigde grondstof. Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat de vracht is vervoerd in een voertuig met privé kentekenplaten. De bestuurder [verzoeker] was niet direct/duidelijk zichtbaar vanwege de getinte ruiten en hij was in burger gekleed. Er hebben zich geen omstandigheden voorgedaan waarbij de vracht vanwege de wijze van vervoer ongewenste aandacht heeft getrokken van mede weggebruikers of dat [verzoeker] zich diende te legitimeren. Onder deze omstandigheden was het voor mede weggebruikers en overig publiek niet in het oog springend dat het vervoer – welke geheel in overeenstemming met de wet was – plaats vond door een politie ambtenaar in een dienstvoertuig. Het waarnemen van het voertuig en [verzoeker]door de fotomaker kon alleen omdat die persoon [verzoeker] persoonlijk kent en bekend meende te zijn met de grondslag van het voertuig. Van imagoschade voor het KPS kan er dus geen sprake zijn geweest en was het vermoeden van plichtsverzuim ongegrond. Bij de totstandkoming van het besluit zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, te weten het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval, het motiveringsbeginsel, het beginsel van deugdelijke feitelijke grondslag, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het evenredigheidsbeginsel. Daardoor heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens[verzoeker] en dient de beroepen beschikking vernietigd althans nietig verklaard te worden;

3.3 De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het hof zich niet bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 1 van het petitum, nu dit deel van de vordering niet betreft een gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit dan wel een vordering tot schadevergoeding of het opleggen van een dwangsom om een besluit uit te voeren. Gelet op het voren overwogene acht het hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 2 en 3 van het petitum;

Ontvankelijkheid

4.2 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.3 Waar gaat het in dit geding om? [verzoeker] heeft als subjectbeveiliger de opdracht van de VIP gekregen om met het dienstvoertuig, zijnde een dubbel cabine pick up met privé kentekenplaten, ½ kubieke meter scherpzand te gaan kopen ten behoeve van werkzaamheden die thuis bij de VIP verricht dienden te worden in verband met een gesloopte buitenmuur van de woning van de VIP. [verzoeker] was daarbij in burgerkleding en bij het vervoer van het scherpzand in de laadbak van de pick up op weg naar de woning van de VIP wordt hij op de gevoelige plaat vastgelegd door iemand die dat doorgeeft aan de Korpsleiding. En toen was het Leiden (in casu Paramaribo) in last. [verzoeker] moest zich verweren en werd uiteindelijk door de toenmalige Minister van Justitie en Politie geschorst voor drie dagen gepaard gaande met inhouding van het salaris ter zake ernstig plichtsverzuim. [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;

4.4 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. In de dienstvoorschriften is duidelijk aangegeven wat de taken zijn van politieambtenaren die belast zijn met de beveiliging van hoogwaardigheidsbekleders. De gedraging geëtaleerd door [verzoeker] heeft te maken met een opdracht uitgevoerd in privé-sfeer. Ook al zou hij daartoe de opdracht van de VIP hebben gekregen, levert dat geen rechtvaardiging op. In dat geval diende hij de opdracht te weigeren en de VIP erop te wijzen wat zijn taken zijn conform het dienstvoorschrift. [verzoeker] heeft de dienstvoorschriften terzijde gelegd vandaar dat het gedrag ernstig plichtsverzuim oplevert. Als beveiliger van de VIP zou je in de buurt van de VIP moeten zijn en de VIP niet alleen moeten laten;

4.5 In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de beschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op.

Plichtsverzuim betekent volgens van Dale “Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen. In casu heeft [verzoeker] van degene die hij moet beveiligen zelf de opdracht gehad om scherpzand te gaan kopen voor haar, omdat zij daartoe noch de tijd noch de gelegenheid had vanwege zittingswerkzaamheden tot laat in de middag. In de “enge” benadering van de Staat had [verzoeker] moeten weigeren en aangeven dat dat niet binnen zijn taakomschrijving viel. Daarmee kan het hof zich niet verenigen. In de visie van het hof rechtdoende als Ambtenarengerecht dient de taakopvatting van de subjectbeveiliger ruim uitgelegd te worden. Daaronder kunnen ook vallen taken die door de VIP aan de subjectbeveiliger opgedragen worden gedurende de dienstuitoefening en die te maken hebben met privé-aangelegenheden van de VIP, waarbij de VIP vervangbaar kan zijn. Immers zou de VIP in het andere geval dat zelf moeten doen en dan zou de subjectbeveiliger sowieso mee moeten gaan met de VIP. De retorische vraag die zich dan levensgroot aandient, betreft de vraag waarom de subjectbeveiliger in opdracht van de VIP deze werkzaamheden van de VIP niet namens hem/haar zou mogen uitvoeren ? Wetende dat de VIP zich in een goed beveiligd gebouw bevond, heeft[verzoeker] in de visie van het hof de opdracht terecht aanvaard en uitgevoerd. De scherpzand was bestemd voor de beveiliging van het woonhuis van de VIP, weshalve dat in de visie van het hof eveneens valt binnen het kader van het takenpakket van de beveiligingsambtenaar aangezien de VIP niet veilig kan zijn in een woonhuis waaraan een defect kleeft, althans een opening in een muur bestaat. Het hof overweegt eveneens dat de Staat voorbij is gegaan aan het door [verzoeker] in zijn verweerschrift aangevoerde met betrekking tot het ‘oneigenlijk gebruik’ van het dienstvoertuig, met name dat het in casu niet gaat om een kosteloze dienstvoertuig, doch om een tegen vergoeding permanent aan de VIP ter beschikking gestelde voertuig voor persoonlijk en functioneel gebruik bestemd. Met betrekking tot de aan het vermeend plichtsverzuim ten grondslag gelegde imago schade van het KPS, overweegt het hof dat het in casu betrof een voertuig met privé – kentekenplaat en donkergetinte ruiten, welke werd bestuurd door de in burgerkleding geklede [verzoeker]. Naar het oordeel van het hof kon een toevallige voorbijganger nimmer hebben kunnen weten dat het in casu ging om een politieambtenaar die met een dienstvoertuig prive-werk uitvoerde, de waarneming van de ‘gedraging’ van [verzoeker] kan slechts geschieden door iemand die hem persoonlijk kende en/of bekend was met het voertuig van de VIP. Van imagoschade van het KPS kan er derhalve geen sprake zijn.

Voorts is gebleken dat de beschikking niet is gedagtekend en dat er daarbij geen gewag wordt gemaakt van het uitgebreid schriftelijk verweer van [verzoeker], terwijl er wel vaker wordt gerefereerd aan de mondelinge toelichting op het verweer van [verzoeker]. Eveneens blijkt uit het zijdens [verzoeker] als productie in het geding gebrachte dienstvoorschrift 02/2015 van het KPS met als onderwerp: Taakomschrijving Vipbeveiliging, dat de primaire taken van de beveiliging eveneens bestaan in het beveiligen van objecten (woning etc.) en dat de beveiligingsambtenaren de subjecten ook bij hun privé activiteiten zullen beveiligen;

4.6 Al het voorgaande leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde derhalve worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde advocaatkosten zijn niet weersproken door de Staat en het hof vat dat op als een vordering strekkende tot vergoeding van schade in de zin van het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub B van de Personeelswet en zullen derhalve eveneens worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat verzoeker deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Hetzelfde geldt mutandis voor de mede gevorderde proceskosten. In het burgerlijk recht is het communis opinio dat de in het ongelijk gestelde partij voor de door de (tegen) partij gemaakte kosten dient op te draaien en het hof vraagt zich in gemoede af waarom dat in het Ambtenarenrecht anders zou moeten zijn. Het voorgaande betreft immers niet de aard van de vordering zoals limitatief opgenoemd in artikel 79 van de PW maar betreft het in Ons rechtssysteem algemeen aanvaarde beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij de door de (tegen) partij gemaakte proceskosten dient te vergoeden;

4.7 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

5.De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart nietig de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer], waarbij aan [verzoeker] is opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 3 dagen met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode.

5.2 Veroordeelt de Staat om aan [verzoeker] te betalen de advocaatkosten van SRD. 1.500,-(Vijftienhonderd Surinaamse Dollars);

5.3 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1560,–;

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 04 augustus 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier,

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.R. Derby, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr. R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.