SRU-HvJ-2019-60

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-806

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Koendan, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 16 mei 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 02 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 04 april 2014;
  • de processen-verbaal van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen en de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting daarvan; 
  • de conclusie tot overlegging producties zijdens de Staat d.d. 21 november 2014, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 16 januari 2015.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 17 april 2015, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is in vaste dienst geweest van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling in de functie van pijpfitter in de rang van ambtenaar B 1e klasse.

2.2 [verzoeker] is op 15 december 1994 in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van diefstal. Hij is op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid gesteld.

2.3 Bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, [ontslagbeschikking](hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] met inachtneming van artikel 69 lid 2 onder c van de Personeelswet (Pw) ontslag uit Staatsdienst verleend, onder de aantekening dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 Pw juncto artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek geen aanspraak maakt op salaris gedurende de periode waarin hij niet gewerkt heeft en wel vanaf 15 december 1994 tot en met de datum van het ontslag.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard, met handhaving van [verzoeker] in zijn functie;
b. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling c.q. doorbetaling van het salaris van [verzoeker] vanaf 22 maart 1996, totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze beëindigd is, met alle emolumenten, toelagen en aanpassingen van dit salaris vanaf 22 maart 1996 tot heden.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking, blijkens welke aan hem op grond van artikel 69 lid 2 onder c Pw ontslag is verleend wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid. De ontslagbeschikking (het hof begrijpt: het ontslagbesluit) is genomen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids-, het motiverings-, het rechtszekerheids-, het fair play beginsel en het vertrouwensbeginsel, aangezien het ontslag en de gronden daarvan niet voldoende zijn gemotiveerd. De gronden voor het ontslag van [verzoeker] zijn komen weg te vallen, nu hij op 27 januari 1995 door de rechter-commissaris in vrijheid is gesteld en hij nadien niet strafrechtelijk is vervolgd. De Staat heeft geweigerd hem wederom tot de werkplek toe te laten om zijn werkzaamheden te hervatten, ondanks hij zich herhaaldelijk heeft aangemeld om ingedeeld c.q. ingeroosterd te worden. Als gevolg van het aan [verzoeker] op ongegronde feiten en derhalve onrechtmatig verleende ontslag, heeft hij sedert juli 1996 – reeds 18 jaren lang – geen salaris ontvangen. [verzoeker] was tot het aan hem verleend ontslag op 22 maart 1996, reeds 24 jaren in overheidsdienst zonder dat er enige op- en aanmerkingen dan wel klachten waren over zijn functioneren.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel is een besluit tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [verzoeker], gewezen ambtenaar, strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij hem ontslag uit Staatdienst is verleend.
[verzoeker] vordert tevens betaling van achterstallig salaris vanaf 22 maart 1996. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallig salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht zich dan ook op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.2.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat het ontslagbesluit dateert van 22 maart 1996 en dat [verzoeker] ingevolge artikel 79 lid 1 sub a juncto artikel 80 lid 1 sub b Pw zijn verzoekschrift niet binnen de wettelijke termijn heeft ingediend.

4.2.2 [verzoeker] heeft in reactie op het niet-ontvankelijksheidsverweer van de Staat ter gelegenheid van het op 04 april 2014 gehouden verhoor van partijen onder meer als volgt verklaard:
“Ik heb van niemand enig ontslagbeschikking ontvangen. Ik ben vanaf het jaar 1996 niet aan het werk geweest en ontvang vanaf toen geen salaris. Nadat ik in vrijheid ben gesteld en bemerkte dat er geen salaris op mijn rekening gestort werd ben ik bij de afdeling Loonadministratie aan de Herenstraat geweest. De afdeling Loonadministratie gaf mij te kennen dat mijn salaris geblokkeerd is. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij toen wel op het werk aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen en dus niet op het werk hoefde te verschijnen. (…) Ik had ook niet het idee dat ik met ontslag was. De afdeling loonadministratie heeft mij wel aangegeven dat mijn salaris geblokkeerd was omdat ik vanwege onwettig verzuim, zijnde de 43 dagen hechtenis, ontslagen was.”

4.2.3 In reactie op het door [verzoeker] verklaarde, heeft de gevolmachtigde van de Staat, mr. M. Dubois (hierna: Dubois), ter gelegenheid van de op 15 augustus 2014 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen, zakelijk weergegeven, verklaard dat de Staat aan [verzoeker], nadat het door hem gevoerde verweer door de Staat ongegrond was bevonden, te kennen heeft gegeven dat hij is voorgedragen voor ontslag. Dubois heeft tevens verklaard dat haar is meegedeeld dat de ontslagbeschikking persoonlijk aan [verzoeker] is overhandigd en dat hij in een cahier voor ontvangst daarvan heeft getekend. Dit alles heeft zich vele jaren geleden afgespeeld en het cahier is niet meer in het bezit van de Staat, aldus Dubois.

4.2.4 [verzoeker] heeft daarop bij dezelfde gelegenheid, hierboven in 4.2.2 genoemd, onder meer als volgt verklaard:
“Ik ben in december 1994 ingesloten en in het jaar 1995 in vrijheid gesteld. Na mijn invrijheidstelling heb ik mij gelijk bij mijn werkgever aangemeld doch kreeg ik te horen dat ik de presentielijst niet mocht intekenen omdat ik eerst een verklaring van de Procureur-Generaal moest overleggen waarna de Onderdirecteur Pahalwakhan over mijn zaak zou beslissen. Ik kreeg geen salaris. Bij navraag kreeg ik te horen dat mijn salaris geblokkeerd was. Ik ben op kantoor bij de heer Pahalwakhan geweest om mij hieromtrent te laten informeren. Van de heer Pahalwakhan kreeg ik te horen dat ik niet meer op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling werkzaam was. Dit alles is mij in het jaar 1996 medegedeeld. (…) Anders dan mevrouw Dubois aangeeft heb ik geen enkel ontslagbeschikking ontvangen en ook nergens daarvoor ondertekend.”

4.2.5 Partijen twisten over de vraag of [verzoeker] de ontslagbeschikking heeft ontvangen. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 Pw een vordering tot nietigverklaring van een ontslagbesluit niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft gesteld dat hij sedert juli 1996 geen salaris meer heeft ontvangen en dat hem de toegang tot de werkplek is geweigerd. De Staat heeft ter gelegenheid van de voortzetting van het verhoor van partijen onweersproken aangevoerd dat, nadat het verweer van [verzoeker] ongegrond was bevonden, [verzoeker] ervan in kennis is gesteld dat hij is voorgedragen voor ontslag. Uit [verzoeker]s eigen verklaringen, afgelegd ter gelegenheid van (de voortzetting van) het verhoor van partijen, blijkt dat hij, bij navraag omtrent het uitblijven van de uitbetaling van zijn salaris, in het jaar 1996 van zowel de afdeling Loonadministratie als de onderdirecteur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, de heer Pahalwakhan, te horen heeft gekregen dat hij was ontslagen. Onder deze omstandigheden had [verzoeker], naar het oordeel van het hof, zo niet reeds in de maand juli 1996, dan toch wel in de loop van 1996 moeten begrijpen dat het besluit tot zijn ontslag reeds was genomen. [verzoeker] kan in alle redelijkheid niet pas in 2013 opkomen tegen het ontslagbesluit.
Uit het voorgaande volgt dat tussen het moment dat [verzoeker] heeft kennis heeft genomen van het ontslagbesluit en de indiening van de onderhavige vordering op 16 mei 2013, bijkans 17 jaren liggen, derhalve méér dan een maand, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat overigens daarvan zij, dat hij de ontslagbeschikking pas van de Staat heeft ontvangen toen hij (naar het hof begrijpt: in 2013) ging informeren naar zijn pensioen.

4.3 Nu het ontslagbesluit blijft gehandhaafd is van achterstallig loon c.q. schade geen sprake, zodat het in 3.1 onder b gevorderde dient te worden afgewezen.

4.4 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot nietigverklaring van het in de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 22 maart 1996, [ontslagbeschikking], vervatte ontslagbesluit.

5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 7 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein             w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van verzoeker.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K3-2024-1

KANTONGERECHT IN HET DERDE KANTON

CIVAR No. 202403415
21 november 2024

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

A. [Eiser sub A],
wonende aan de [straatnaam 1] in het district [district 1],
B. [Eiser sub B],
wonende aan de [straatnaam 2] in het district [district 2],
C. [Eiser sub C],
wonende aan de [adres 1],
D. [Eiser sub D],
wonende aan de [adres 2] in het [district 1],
E. [Eiser sub E],
wonende aan de [adres 3],
eisers,
gemachtigde: mr. H.H. Vreden, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Lala, jurist verbonden aan het Buro Landsadvocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 14 augustus 2024 op de griffie der kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis d.d. 22 augustus 2024;
– de conclusie van antwoord;
– de conclusie van repliek;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Gedaagde is sedert het jaar 2004 bezig met het plegen van aanpassingen binnen het onderwijssysteem.
Een van de aanpassingen die reeds in het onderwijssysteem is doorgevoerd, is de verruiming van een zesjarig lager onderwijs naar een tienjarig basisonderwijs. In dit nieuw onderwijssysteem (basisonderwijs) gaan leerlingen van het achtste leerjaar over naar het negende leerjaar middels een overgangsrapport.
In het tiende leerjaar wordt een toets afgenomen en ontvangen leerlingen die de toets hebben behaald een getuigschrift.
In het elfde leerjaar volgt de scheiding, waarbij leerlingen de mogelijkheid krijgen hun vervolgopleiding te volgen.

2.2 Vanwege het hiervoor vermeld nieuw onderwijssysteem, heeft de directeur AVO (Algemeen Vormend Onderwijs) per schrijven d.d. 06 augustus 2024 aan schoolhoofden van de basisscholen de instructie gegeven dat aan het eind van het achtste leerjaar geen getuigschrift zal worden verstrekt.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a) het besluit van de directeur AVO d.d. 06 augustus 2024 opschort, totdat de kantonrechter in bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan een definitief besluit heeft genomen;
b) gedaagde veroordeelt om het vonnis te gehengen en gedogen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 250.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met dit vonnis handelt;
c) eisers in de gelegenheid stelt om een ter zake deskundige aan te stellen, om deze bij de nog in te stellen bodemprocedure ter terechtzitting te mogen oproepen als getuige deskundige;
d) gedaagde veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2 Eisers leggen aan het gevorderde ten grondslag dat gedaagde met het gegeven besluit als vermeld in 2.2 in dit vonnis in strijd handelt met de Wet van 22 september 1960 tot regeling van het Lager Onderwijs in Suriname en met de ministeriële beschikking van 03 september 1982 no. 6037, inhoudende de voorschriften voor het verkrijgen van een getuigschrift voor het gewoon lager onderwijs. Gedaagde handelt hiermee onrechtmatig jegens hun zoon, dochter, neef, nicht, buurjongen, buurmeisje, kortom elke leerling in de Republiek Suriname, die aan het eind van het schooljaar 2023-2024 conform de wet recht hebben op een getuigschrift. Als gevolg hiervan hebben zij schade geleden.

3.3 Gedaagde voert, verkort en zakelijk weergegeven, als verweer dat eisers op generlei hebben aangegeven op welke wijze zij belang hebben bij deze vordering. Evenmin hebben zij onderbouwd hoe leerlingen en hun ouders schade hebben geleden of schade zullen lijden als gevolg van het niet verkrijgen van een getuigschrift van leerjaar 8.
De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover nodig, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Eisers stellen dat zij in hun hoedanigheid van moeder, vader, verzorger, voogd, tante, oom, buurman, buurvrouw leerkracht en in het bijzonder in het belang van de leerlingen die in de Republiek Suriname woonachtig zijn en in het leerjaar 8 van het Lager Onderwijs zitten en conform de wet recht hebben op een getuigschrift, belang hebben bij deze vordering.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat deze stelling van eisers niet op en slaagt gedaagde in het door hem opgeworpen verweer. Dit, op grond van de volgende overwegingen.
Eisers wensen in deze op te komen voor de belangen van alle leerlingen die lager onderwijs in Suriname genieten en gaan zij, zoals de kantonrechter hen begrijpt, er vanuit dat zij namens al deze leerlingen mogen procederen.
Leerlingen die lager onderwijs genieten zijn minderjarig en worden in juridische bewoordingen gekwalificeerd als minderjarigen. Volgens de spelregels van het procesrecht kunnen slechts wettelijke vertegenwoordigers namens minderjarigen een vordering instellen, waarbij is vereist dat de volledige namen van de minderjarigen namens wie de vordering wordt ingesteld in het verzoekschrift wordt vermeld. Tevens dienen bij het indienen van de vordering bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat de indieners van het verzoekschrift de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen zijn. Gesteld noch gebleken is dat eisers de wettelijke vertegenwoordigers zijn van alle leerlingen die het lager onderwijs in Suriname genieten. Evenmin zijn de volledige namen van de leerlingen vermeld in het verzoekschrift en bescheiden ter zake overgelegd. Dit leidt tot de slotsom dat eisers de vordering in privé hebben ingediend en dus geen enkel belang hebben bij deze vordering. Zij zijn overigens geen leerlingen die momenteel lager onderwijs genieten. Om die reden zullen zij niet ontvankelijk worden verklaard in de gevorderde voorzieningen.

4.2 Nu eisers niet ontvankelijk zullen worden verklaard in de gevorderde voorzieningen, komt de kantonrechter niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de stellingen van eisers.
De overige stellingen en weren van partijen behoeven daarom geen bespreking.

4.3 Eisers zijn niet ontvankelijk verklaard in de gevorderde voorzieningen. Gangbaar is dat de partij die in het ongelijk is gesteld of niet ontvankelijk is verklaard in het gevorderde, in de proceskosten wordt veroordeeld. De kantonrechter zal van dit gebruik niet afwijken en eisers veroordelen in de proceskosten.
Gedaagde wordt niet bijgestaan door een advocaat, dus zullen deze kosten tot de dag van deze uitspraak worden begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kortgeding:
5.1 verklaart eisers niet ontvankelijk in de gevorderde voorzieningen;

5.2 veroordeelt eisers in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag
21 november 2024 te Paramaribo door de kantonrechter in kortgeding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2024-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202403414
21 november 2024

Vonnis in kortgeding in de zaak van:

A. NURMOHAMED, RIAD, in privé en in de hoedanigheid van Minister van Openbare Werken,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jaggernath Lachmonstraat no. 167 te Paramaribo,
eiser, hierna te noemen Nurmohamed,
gemachtigde: mr. C. Rambharos, advocaat,

B. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Openbare Werken,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Jaggernath Lachmonstraat no. 167 te Paramaribo,
eiser,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: voorheen mr. C. Rambharos, advocaat, die zich op 05 september 2024 per schrijven heeft onttrokken als gemachtigde van de Staat,

tegen

A. NETWORK STAR SURINAME N.V. (STARNIEUWS),
kantoorhoudende aan de Watermolenstraat no. 32 te Paramaribo,
B. RAMCHARAN, NITA KAMLAWATI,
wonende aan de [adres] in het district [district],
gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen als respectievelijk Starnieuws en Ramcharan,
gemachtigden van beiden: mr. E. Naarendorp, advocaat en mr. H.R. Schuurman, advocaat.

1 Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat op 14 augustus 2024 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
– de conclusie van eis d.d. 22 augustus 2024;
– de conclusie van antwoord zijdens Starnieuws en Ramcharan, met producties;
– een schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie
d.d. 27 augustus 2024 zijdens de Staat;
– de conclusie van repliek zijdens Nurmohamed, met producties;
– de conclusie van dupliek zijdens Starnieuws en Ramcharan, met producties;
– de conclusie tot uitlating producties zijdens Nurmohamed.

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Starnieuws is een medium dat online nieuws editie beheert en berichten publiceert op de wetbsite www.starnieuws.com.
2.2 Naar aanleiding van online gepubliceerde berichten dat de IDB de aanbesteding van “het project van de van ’t Hogerhuys- en Slangenhoutstraat” heeft stoptgezet en daaruit voortvloeiend verschenen berichten dat het project geen voortgang zal vinden, heeft Nurmohamed op 30 juli 2024 het hierna volgende persbericht op de website van www.gov.sr geplaatst:
“ (…)

Voor wat betreft de rehabilitatie van de weg is op 20 februari 2024 de aanbesteding gehouden waarna het proces van evaluatie van de aanbiedingen is gestart. Zoals gebruikelijk wordt gedurende dit proces confidentieel omgegaan met de inschrijvingen en mag o.b.v. gebruikelijke esthetische regels geen informatie worden gedeeld met actoren buiten de formele actoren betrokken bij het project. Alzo is pre advies ter goedkeuring voorgelegd aan de IDB. Door de IDB zijn hierna conclusies getrokken dat informatie m.b.t. de evaluatie van de inschrijvingen terecht is gekomen bij derden en dat derhalve de confidentialiteit in het geding is. Voorts zij vermeld dat de IDB geen melding maakt van een integriteitsvraagstuk maar slechts twijfels heeft uitgesproken omtrent de confidentialiteit waarmee met de informatie is omgegaan.

Het is voor de interne organisatie en vanuit de inschrijvers wel duidelijk om confidentieel om te gaan met informatie omtrent de evaluatie van inschrijvingen, doch kan worden aangenomen dat delen uit voormelde groepen zich niet altijd bewust zijn hiervan. Dit leidt tot vertragende resultaten zoals het geval zich thans voordoet voor de aanbesteding van de rehabilitatie van de van ’t Hogerhuysstraat. Daarbij heeft de IDB kenbaar gemaakt dat een her-aanbesteding gehouden dient te worden o.b.v. aangescherpte gunningscriteria, welk proces is ingezet middels het inschrijven van het uitvoeringsdossier.

(…)
Tenslotte betreurt het Ministerie van Openbare Werken dat deze situatie zich heeft voorgedaan en roept media bedrijven op in het vervolg contact te maken met het ministerie voor de juiste informatie en eenzijdigheid te vermijden.”

2.3 Op 30 juli 2024 heeft Ramcharan een door haar geschreven column op Starnieuws geplaatst, met als kop “Riad verantwoordelijk uitlekken vertrouwelijke informatie”.
Ramcharan heeft in de column, voor zover voor de beslissing van belang, onder meer het volgende geschreven:
“(…)
Zeker omdat de IDB, de top van de regering, de grootste constructiebedrijven in Suriname en China betrokken zijn bij het project “Rehabilitatie Van ’t Hogerhuys- en Slangenhoutstraat”. Het gaat om een project van ruim US$ 23 miljoen. (…)

Wat de situatie tot een thriller zou maken, is dat geheime informatie over de aanbesteding is uitgelekt. BH kwam niet in aanmerking voor de gunning omdat een belangrijk document over de joint venture ontbrak. Bij verificatie bleek dat het stuk niet was ingediend en kon het volgens de procedure achteraf ook niet erbij. Dit was case closed voor BH, die overigens de laagste aanbieder was. Aangezien het om een project van US$ 23 miljoen gaat, is dus het lobbywerk gestart om toch in aanmerking te komen voor de gunning. De tranen rolden op de hoogste niveaus in het land, ook bij IDB werden zakdoekjes gezocht om de ogen te deppen.

(…)

Intussen is OW met een zoetsappige reactie gekomen dat er in feite niet veel aan de hand is. De IDB heeft volgens minister Riad Nurmohamed twijfels uitgesproken over de confidentialiteit en heeft geconcludeerd dat de informatie is terechtgekomen bij derden. De minister zegt niks over dat hij als reden voor de heraanbesteding aangeeft dat het gaat om budgetbeperking. (…) In elk fatsoenlijk land zou de hoofdverantwoordelijke voor de lekkage nu moeten opstappen en niet na 10 maanden: Riad Nurmohamed!”

2.4 Naar aanleiding van de column die Ramacharan op Starnieuws heeft geplaatst, heeft Nurmohamed in de hoedanigheid van minister op 31 juli 2024 de volgende schriftelijke sommatie aan Starnieuws en Ramcharan gegeven:
“ Naar aanleiding van het op 30 juli 2024 gepubliceerd bericht op Starnieuws, als publicatie van Network Star Suriname NV, met de kop: “Riad verantwoordelijk uitlekken vertrouwelijke informatie”, wordt het volgende onder uw aandacht gebracht.
(…)

Vermeldenswaard is verder dat zijdens het Ministerie van Openbare Werken een verklaring is uitgegeven die eveneens via Starnieuws op 30 juli 2024 is gepubliceerd met als kop: “OW: IDB heeft twijfels over confidentialiteit aanbesteding”. In dit bericht is uitvoerig ingegaan op de ontstane situatie m.b.t. het project, het uitlekken van informatie en het verder te volgen traject van afronding, althans is een juiste stand van zaken weergegeven.

(…)

Hetgeen in de laatste alinea wordt aangehaald mist elke grondslag en wordt gezien als een onterechte beschuldiging. Verwezen wordt naar de laatste zin: “In elk fatsoenlijk land zou de hoofdverantwoordelijke voor de lekkage nu moeten opstappen en niet na 10 maanden: Riad Nurmohamed.”

Hierbij is aangegeven dat Riad Nurmohamed, die in dezelfde alinea is aangeduid als minister, de hoofdverantwoordelijke is voor de lekkage. Deze stellingname is niet onderbouwd en schaad de reputatie van de minister van Openbare Werken, dhr. Riad Nurmohamed zowel in zijn functie als in persoon. Bovendien wordt deze stellingname gekarakteriseerd als smaad en laster en wordt de reputatie aangetast.

U wordt derhalve gesommeerd om binnen 3 (drie) dagen na ontvangst van dit schrijven de onjuiste stellingname te rectificeren op dezelfde wijze zoals gepubliceerd via Starnieuws. Bij uitblijven hiervan is het treffen van de nodige rechtsmaatregelen niet uitgesloten.”

2.5 Starnieuws en Ramcharan hebben niet voldaan aan de hiervoor vermelde sommatie.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Nurmohamed en de Staat vorderen dat de kantonrechter in kortgeding bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
– Starnieuws en Ramcharan veroordeelt om binnen 1×24 uur na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, zich publiekelijk jegens Nurmohamed en de Staat te verontschuldigen door in de lokale dagbladen, via www.starnieuws.com en overige online nieuws sites de volgende rectificatie op een opvallende plek te plaatsen, te weten: “ Door Starnieuws is er op 30 juli 2024 een bericht gepubliceerd onder de kop “Riad verantwoordelijk uitlekken vertrouwelijke informatie” waarin Riad Nurmohamed als minister van Openbare Werken verantwoordelijk wordt gesteld voor het uitlekken van vertrouwelijke informatie m.b.t. de aanbesteding voor het overheidsproject: “Rehabilitatie van de van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat”. Hierbij wordt kenbaar gemaakt dat deze stelling in het bericht onjuist en onterecht is en tast de goede naam, eer en aanzien van dhr. Riad Nurmohamed alsook zijn privacy, waarvoor welgemeende verontschuldigingen wordt aangeboden aan het Ministerie van Openbare Werken en de minister Riad Nurmohamed ”, zulks onder verbeurte van een dwangsom van SRD 300.000,- per dag, voor iedere dag dat Starnieuws en Ramcharan ingebreke mocht blijven hieraan gevolg te geven.”

3.2 Nurmohamed en de Staat leggen aan het gevorderde ten grondslag dat Starnieuws en Ramcharan in strijd hebben gehandeld met de artikelen 1386 jo. 1393 t/m 1397 BW. Hiertoe stellen zij, tegen de achtergrond van de feiten vermeld onder 2, dat Nurmohamed in het artikel ten onrechte verantwoordelijk wordt gesteld voor het uitlekken van vertrouwelijke informatie met betrekking tot de aanbesteding van het overheidsproject “Rehabilitatie van de van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat”, welk project door de Inter American Development Bank (IDB) wordt gefinancierd. Starnieuws en Ramcharan hebben met de door hun in het openbaar gedane ongenuanceerde uitspraken c.q. geponeerde lasterlijke en ongefundeerde uitlatingen, de goede naam en eer van Nurmohamed die het ambt van minister bekleedt aangetast en het imago van de Staat te grabbel gegooid.

Starnieuws en Ramcharan hebben recht van vrijheid van meningsuiting, maar dit recht wordt beperkt als de verspreiding daarvan schending van eer en goede naam oplevert. Het door Starnieuws en Ramcharan gepubliceerd bericht dient geen enkel algemeen belang en daarnaast zijn de uitlatingen niet onderbouwd middels een deugdelijk feitenonderzoek.
Starnieuws en Ramcharan zijn bewust op de tour om de reputatie van Nurmohamed aan te tasten en hebben zij op geen enkel moment het principe van hoor en wederhoor toegepast zoals dat gangbaar is binnen de journalistiek.

Nurmohamed en de Staat stellen als spoedeisend belang dat door de uitlatingen van Starnieuws en Ramcharan het niet is uitgesloten dat de hele financiering van het thans in uitvoering zijnde overheidsproject betreffende vervanging van de brug over het Saramaccakanaal te Saramaccadoorsteek wordt stopgezet.

3.3 Starnieuws en Ramcharan concluderen bij conclusie van antwoord bij wege van verweer tot afwijzing van de vordering als te zijn ongegrond en onbewezen. Hiertoe voeren zij onder meer het volgende aan.
Het dagblad De West rapporteerde op 27 juli 2024 als eerst dat de aanbesteding van het project dat betrekking heeft op de rehabilitatie van de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat door de IDB was afgelast. Starnieuws vervolgde de berichtgeving daarover – na enig onderzoek – op
30 juli 2024: “volgens betrouwbare bron heeft de IDB de aanbesteding gecanceld, omdat de overheid zich niet integer heeft opgesteld bij de selectie van de aannemer”. Starnieuws putte deze wetenschap uit een in juni door de IDB aan het Ministerie van Openbare Werken gestuurde brief. De gebeurtenissen waarover werd bericht zijn voor de gemeenschap zeer ingrijpend en vormden voor Ramcharan aanleiding om daar een column aan te wijden op 30 juli 2024.
Nurmohamed en de Staat hebben niet onderbouwd hoe zij tot de conclusie zijn gekomen dat de uitlatingen ongenunaceerd, lasterlijk, ongefundeerd, bezwarend en onrespectvol zijn en Nurmohamed in zijn eer en goede naam is aangetast. De gebeurtenissen die in het artikel zijn vermeld en waarover is gerapporteerd, namelijk de afgelasting van de aanbesteding wegens schending van confidentialiteit, zijn juist.
Nurmohamed is niet beschuldigd voor het uitlekken van informatie, maar hij wordt als hoogste baas op het ministerie verantwoordelijk gesteld voor het uitlekken van vertrouwelijke informatie waardoor de belangen van de Staat Suriname, maar vooral het publiek, in gevaar zijn gebracht.
Het overheidsproject is niet door toedoen van Starnieuws in gevaar gekomen, maar door de twijfels die bij IDB zijn ontstaan over de confidentialiteit van informatie die bij derden zijn terechtgekomen.
Het algemeen belang heeft gemaakt dat het bericht is gemaakt en de columnist haar mening heeft gegeven over het ernstige verwijt dat de aanbesteding is stopgezet en dat er een integriteitsvraagstuk is ontstaan.
Starnieuws beschikt over documentatie zwart op wit, dus was er geen noodzaak voor wederhoor.

4. De beoordeling
4.1 Het verzoek van de Staat betreffende het afvoeren van de zaak van de rol
4.1.1 De Procureur-Generaal die ingevolge artikel 146 lid 2 van de Grondwet de Republiek Suriname in rechte vertegenwoordigt, heeft namens de Staat per schrijven d.d. 27 augustus 2024 het verzoek gedaan om de vordering die door de Staat is ingesteld van de rol af te voeren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de Staat geen enkel belang of betrokkenheid heeft bij deze rechtsvordering.
Starnieuws en Ramcharan hebben bezwaar geopperd tegen dit verzoek en hebben het verzoek gedaan om vonnis tegen de Staat te wijzen. Zij hebben betoogd dat een eenmaal ingestelde vordering, na de conclusie van antwoord, niet meer eenzijdig door de eisende partij kan worden ingetrokken.
Naar het oordeel van de kantonrechter gaat dit betoog van Starnieuws en Ramcharan niet op, en wel op grond van de hierna volgende overwegingen. Zoals de kantonrechter het begrijpt, bedoelt de Staat met het verzoek tot het afvoeren van de zaak van de rol dat de vordering jegens Starnieuws en Ramcharan wordt ingetrokken. Om die reden zal de kantonrechter het verzoek van de Staat inlezen als te zijn een verzoek tot intrekking van de door hem jegens Starnieuws en Ramcharan ingestelde vordering.

Toetsing aan artikel 109 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
4.1.2 Vooropgesteld wordt dat een vordering tot intrekking kan worden aangemerkt als een vermindering van eis; in dit geval vermindering van de ingestelde vordering tot nihil.
Ingevolge artikel 109 Rv is de eiser bevoegd zijn vordering tot afloop van de zaak te verminderen, zonder het onderwerp van de vordering te mogen wijzigen.
Uit de inhoud van de in het dossier aanwezige processtukken blijkt dat het verzoek door de Staat is gedaan, voordat voor dupliek is geconcludeerd dan wel voordat in deze kortgedingzaak is uitgeprocedeerd. De slotsom is, dat het verzoek van de Staat voldoet aan de in het hiervoor vermeld artikel vermelde vereisten, hetgeen de kantonrechter aanleiding geeft de intrekking van de vordering van de Staat toe te staan. Aldus zal worden verstaan dat de kortgedingzaak van de Staat jegens Starnieuws en Ramcharan is ingetrokken.

4.2 De vordering van Nurmohamed gericht tot Starnieuws en Ramcharan
4.2.1 Zoals hiervoor in 4.1.2 is overwogen, zal worden verstaan dat de zaak van de Staat tegen Starnieuws en Ramcharan is ingetrokken. Daarom zal de kantonrechter zich hierna slechts toespitsen op de inhoudelijke beoordeling van de vordering van Nurmohamed tegen Starnieuws en Ramcharan.

Spoedeisend belang
4.2.2 Het door Nurmohamed gestelde spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter, zodat hij wordt ontvangen in het kortgeding.

De standpunten
4.2.3 Bij conclusie van repliek benadrukt Nurmohamed dat het bij hem puur gaat om rectificatie van zijn eer en goede naam, vanwege de ongefundeerde beschuldiging naar hem toe dat hij verantwoordelijk en de schuldige is voor het uitlekken van de informatie. Volgens Nurmohamed is er geen verificator waaruit blijkt dat het uitlekken van de informatie vanuit het ministerie heeft plaatsgevonden, terwijl Starnieuws en Ramcharan weten dat bij elke aanbesteding verschillende actoren betrokken zijn. Desondanks wordt hij door Starnieuws en Ramcharan in een kwaad daglicht gezet.
In reactie hierop voert Ramcharan aan dat de gewraakte column slechts stelt dat Nurmohamed als minister verantwoordelijk is voor het uitlekken van informatie op zijn ministerie en dat, nu dat het geval is, hij dient af te treden. Hiermee geeft de columniste Ramcharan enkel haar mening weer, welke in staatsrechtelijk opzicht geheel juist is. En ook al zou volgens Ramcharan de stelling omtrent de verantwoordelijkheid onjuist zijn, dan nog kan dat niet als onnodig grievend en krenkend worden gekwalificeerd.

Interpretatie van de gewraakte uitlating
4.2.4 De kantonrechter komt op grond van de standpunten van partijen tot het hierna volgend oordeel.
Niet in geschil is dat confidentiële informatie betreffende de aanbesteding van het project “Rehabilitatie van de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat” bij derden is beland of is uitgelekt. Dit is gewoon een feit waarvoor, zoals Starnieuws en Ramcharan terecht opwerpen, toepassing van hoor en wederhoor niet noodzakelijk is.
Wat wel in geschil is, is de beantwoording van de vraag of de door Ramcharan gedane uitlating in de column dat Nurmohamed hoofdverantwoordelijke is op het Ministerie van Openbare werken en daaruit voortvloeiend de uitlating dat hij de hoofdverantwoordelijke is voor het doen uitlekken van de bedoelde informatie, als een belediging dient te worden aangemerkt.
De kantonrechter stelt vast dat de gewraakte uitlating is gedaan in een column. Een column heeft veelal het karakter van een kort stukje prozawerk over een actuele kwestie en een mening van de schrijver over de aangekaarte actuele kwestie om een boodschap aan het lezerspubliek over te brengen en deze tevens aan het denken te zetten.
Naar het oordeel van de kantonrechter interpreteert Nurmohamed de gewraakte uitlating in de column letterlijk als te zijn een verwijt aan zijn adres, dat hij de confidentiële informatie heeft doen uitlekken naar buiten en hij hiervoor door Starnieuws en Ramcharan verantwoordelijk wordt gesteld, terwijl voor de lezer een boodschap achter de inhoud van de column van de schrijver schuilt. De kantonrechter leest als boodschap dat Nurmohamed het ambt van minister bekleedt en aldus de hoofdverantwoordelijke is voor hetgeen plaatsvindt op het ministerie dat onder zijn hoede valt.

De kwalificatie van de gewraakte uitlating “Nurmohamed is de hoofdverantwoordelijke”
4.2.5 De kantonrechter ziet zich uitgaande van de gewraakte uitlating “Nurmohamed is de hoofdverantwoordelijke” ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of deze uitlating als een belediging kan worden aangemerkt.
Ter beantwoording van deze vraag dient eerst te worden beoordeeld of de gewraakte uitlating als hetzij een feit, hetzij een mening dient te worden aangemerkt. Vanuit dat licht bekeken dient voor de kantonrechter als uitgangspunt het bepaalde in artikel 123 lid 1 van de Grondwet (GW), omdat Nurmohamed het ambt van minister bekleedt. In bovenvermelde bepaling is neergelegd dat de leden van de Raad van de Ministers belast zijn met de leiding van hun respectieve ministeries. Dit brengt de kantonrechter tot de slotsom dat Nurmohamed in zijn hoedanigheid als minister de hoofdverantwoordelijke is van het ministerie dat aan hem is toebedeeld en hij daaruit voortvloeiend als hoofverantwoordelijke dient te worden aangemerkt voor de confidentiële informatie die is uitgelekt. Of de informatie al dan niet vanuit zijn ministerie is uitgelekt doet niet ter zake, omdat hij als hoofdverantwoordelijke van het ministerie de beschikbare tools in handen heeft om zoveel als mogelijk te voorkomen dat confidentiële informatie uitlekt, zoals het leggen van de nadruk op de geheimhoudingsplicht die uit de wet of uit de met derden getekende geheimhoudingsverklaring voortvloeit voor degenen op wie de geheimhoudingsplicht van toepassing is, het doen instellen van een onderzoek om in beeld te brengen wie de confidentiële informatie aan derden heeft doen toekomen en het doen opleggen van een tuchtstraf bij schending van de geheimhoudingsplicht.
Dat Nurmohamed als hoofdverantwoordelijke van het ministerie dient te worden aangemerkt, kan overigens ook worden afgeleid uit zijn eigen handelen. Met name heeft hij, zoals hijzelf stelt en zoals dat in 2.2 in dit vonnis is weergegeven, op 30 juli 2024 op de website van www.gov.sr een artikel doen plaatsen waarin hijzelf de samenleving informeert over deze (toen actuele) kwestie, hetgeen de kantonrechter beschouwt als een vorm van afleggen van verantwoording naar de samenleving toe. Dat hij hoofdverantwoordelijke van het ministerie is en voor het doen uitlekken van de informatie, is dus gewoon een feit dat naar het oordeel van de kantonrechter geen beledigend karakter in zich draagt, zodat niet aannemelijk is dat Nurmohamed in zijn eer en goede naam is aangetast. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat, zoals Starnieuws en Ramcharan terecht opwerpen, Nurmohamed geen of niet voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk dat Starnieuws en Ramcharan met de gewraakte uitlating onrechtmatig jegens Nurmohamed hebben gehandeld. Daarom zullen de gevorderde voorzieningen als ongegrond worden geweigerd.

4.2.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.2.7 Nurmohamed is in het ongelijk gesteld. Gangbaar is dat de procespartij die in het ongelijk is gesteld in de proceskosten wordt veroordeeld. De kantonrechter zal van dit gebruik niet afwijken en Nurmohamed in de proceskosten veroordelen. Deze zullen tot de dag van de uitspraak worden begroot dan wel beperkt tot het liquidatietarief ad SRD 7.500,-, zoals neergelegd in het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:
ten aanzien van het gevorderde van Nurmohamed tegen Starnieuws en Ramcharan:
5.1 weigert de gevorderde voorzieningen;

5.2 veroordeelt Nurmohamed in de proceskosten die aan de zijde van Starnieuws en Ramcharan zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op
SRD 7.500,- (Zevenduizend en Vijfhonderd Surinaamse Dollar);

Ten aanzien van het gevorderde van de Staat tegen Starnieuws en Ramcharan:
5.3 verstaat dat de zaak van de Staat tegen Starnieuws en Ramcharan is ingetrokken.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag
21 november 2024 te Paramaribo door de kantonrechter in kortgeding in het eerste kanton, mr. S.M.M. Chu, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2024-8

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Beslissing van 14 oktober 2024

Op het hoger beroep ingediend door:

De vervolgingsambtenaar, R. CHOTKOE LL.M., namens het OPENBAAR MINISTERIE, appellant contra de verdachte [verdachte]

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake beklag ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 12 februari 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1. De vervolgingsambtenaar, R Chotkoe LL.M. heeft namens het Openbaar Ministerie op donderdag 15 februari 2024 hoger beroep ex artikel 232 Sv. aangetekend bij het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 12 februari 2024.

1.2. De behandeling van het beroepschrift in Raadkamer heeft plaatsgevonden op maandag 10 juni 2024, dinsdag 9 juli 2024 en maandag 12 augustus 2024 zijnde daarvan door de griffier processen-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevinden.

1.3. Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen op maandag 14 oktober 2024.

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – als grieven aangevoerd dat:

2.1. Naar de mening van de vervolging vindt de reden – zoals die vervat is in de beschikking van de Kantonrechter – om het verzoek gegrond te verklaren geen grondslag in art. 230 Sv. [verdachte] heeft op verschillende momenten het beschermingsbevel overtreden. In de periode 2 juli 2023 tot en met 24 juli 2023 heeft hij tenminste 5 tot 6 keren in strijd gehandeld met het beschermingsbevel, namelijk hij heeft telefonisch, via de mail en via facebook contact gezocht met het slachtoffer. Verder heeft hij op 8 juni 2023 contact met het slachtoffer gezocht toen zij zich in het restaurant Sarina bevond. Zij heeft op 8 juni 2023 aangifte gedaan en is hij op 27 juli 2023 in verzekering gesteld waarbij hij toegaf het slachtoffer meerdere malen te hebben gecontact. Hij geeft wel aan dat hij dit per abuis heeft gedaan. In ieder geval bekent de verdachte het beschermingsbevel te hebben overtreden. De strafbedreiging bij de eerste overtreding van een beschermingsbevel is maximaal 4 jaren en/of een geldboete. De strafbedreiging bij een tweede overtreding is maximaal 6 jaren en/of een geldboete. De strafbedreiging bij een derde overtreding is maximaal 8 jaren. De vervolging vraagt om de beschikking van de Kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende het bezwaar ongegrond te verklaren.

3. De reactie van de verdediging
3.1. De verdediging stelt dat het bij een bezwaarschrift gaat om het toetsen in hoeverre het O.M. lichtvaardig is overgegaan tot de vervolging. Wij zijn van mening dat er in deze zaak wel lichtvaardig is omgegaan met de belangen van de verdachte. Een vervolgingsinstituut moet bij het afwegen om al dan niet tot vervolging over te gaan danwel iemand te dagvaarden alle belangen tegen elkaar afwegen en dat merken wij wel in de beschikking van de Kantonrechter.

3.2. [Verdachte] zit vanaf januari 2024 ook in een andere relatie. Mevrouw [naam] is vorig jaar in het huwelijk getreden en heeft besloten om met haar partner naar Nederland te vertrekken.
Dus het beschermingsbevel zal in dit geval niet overtreden kunnen worden als de aangeefster in het buitenland zit.

3.3. [Verdachte] heeft in de liefde die hij had voor de aangeefster alles proberen te doen om die relatie in stand te houden. Uiteindelijk begon het zijn grenzen te overschrijden. [Verdachte] had zo een beetje een obsessie van de aangeefster en kon het niet accepteren toen de relatie beëindigd werd. Op 6 januari 2023 heeft hij een uiterste poging gedaan om de relatie instand te houden door thuis te gaan bij de aangeefster en op die dag is hij mishandeld
geworden door haar vader en beschoten geworden door haar broer. [Verdachte] heeft toen aangifte gedaan bij het politiebureau Livorno. De aangeefster heeft als gevolg van die aangifte hem gesmeekt om die zaak in te trekken. Zij gaf hem aan dat zij hun relatie nog zouden bespreken als hij die zaak zou intrekken en vroeg hem naar wat ruimte. Op 14 januari 2023 kreeg [verdachte] een appbericht van de aangeefster waarbij zij hem vroeg naar meer ruimte omdat zij de afgelopen dagen ziek was. Op 16 januari 2023 heeft zij een beschermingsbevel aangevraagd. Het lijkt er sterk op dat de aangeefster een beetje
gespeeld heeft met de emoties van [verdachte].

3.4. Dat de e-mail abusievelijk is verzonden blijkt uit de inhoud van het emailbericht. De mensen die werken bij de IDB bestellen vaak eten bij Sarina. [Verdachte] heeft op die bewuste dag eten besteld bij Sarina. Als hij uitstapt ziet hij het voertuig van de aangeefster en is hij snel terug gegaan naar zijn voertuig. Hij vroeg zich af wat hij moest doen want hij had eten besteld bij Sarina. Hij besloot in zijn auto te wachten totdat de aangeefster zou vertrekken. Op een gegeven moment besloot hij toch naar binnen te gaan want hij moest zijn eten halen. Op dat moment kwam de aangeefster naar buiten en zei hij tegen haar “gefeliciteerd Bhar. Ik heb begrepen dat je gaat trouwen”. Verder woont hij op Commewijne en moet hij de brug over de Surinamerivier die verbonden is met de van het Hogerhuysstraat gebruiken. Het staat niet vast dat hij haar heeft achtervolgd.

3.5. Verder heeft de Kantonrechter overwogen dat [verdachte] een goede baan heeft en als hij vervolgd wordt staat hij op het punt zijn goede baan te verliezen.

3.6. Hij heeft het beschermingsbevel overtreden door een email en 4 miscalls te verzenden naar de aangeefster. Er heeft geen fysiek contact plaatsgevonden. Voor de rest gaat het om mensen die verder gaan met hun leven. Als wij dit alles op een weegschaal plaatsen dan moeten wij concluderen dat de Kantonrechter terecht heeft overwogen dat het O.M. lichtvaardig is over gegaan tot de dagvaarding. Wij zijn van mening dat het bezwaarschrift terecht gegrond is verklaard door de Kantonrechter. Wij verzoeken u om de beschikking van de Kantonrechter te bevestigen.

4. De gewraakte beschikking
De Kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – overwogen dat naar het oordeel van de kantonrechter een strafvervolging tegen verzoeker voor het gebruik van social media naar die [naam] toe, waarbij [naam] ook zelf een paar keren gebruik heeft gemaakt van social media om te reageren naar klager toe en het verliezen van zijn goede baan niet proportioneel zijn. De feiten zijn ernstig (het beschermingsbevel is overtreden), doch niet ernstig genoeg om een strafvervolging tegen klager in te stellen zonder rekening te houden met het belang van klager namelijk het kwijtraken van een goede baan bij de IDB. In de visie van de Kantonrechter dient ook rekening te worden gehouden met het belang van de klager. Derhalve is een ernstige waarschuwing c.q. berisping geïndiceerd instede van een strafvervolging.

5. De beoordeling
De grieven en het verweer van de verdediging in onderling verband en samenhang beschouwend komt het Hof tot de slotsom dat het Hof zich kan verenigen met de overwegingen en de beslissing van de Kantonrechter. De feitelijkheden die de verdachte in casu heeft gepleegd doen – in perspectief bezien – naar het oordeel van het Hof bij een belangenafweging de balans in de richting van de verdachte uitslaan. Het algemeen belang – normhandhaving door berechting – dient in de visie van het Hof in casu, mede gelet op de feitelijke situatie van vertrek van de aangeefster naar het buitenland en een andere partnerkeuze harerzijds, te wijken voor het individueel belang van de verdachte. Immers moet strafvordering een redelijk doel dienen en zal het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie daarop afgestemd dienen te zijn. Mede in ogenschouw nemend het nadeel voor de verdachte om in het openbaar terecht te staan en dat afzettend in perspectief tegenover het individueel belang van de aangeefster alsmede het algemeen belang komt het Hof tot de slotsom dat de beroepen beschikking dient te worden bevestigd.

6. Beslissing in hoger beroep

6.1. Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking ongegrond;

6.2. Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter gegeven in het Tweede Kanton op 12 februari 2024, waarvan beroep;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 14 oktober 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.J.S. Bradley en mr. C. Klein, rechters met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.

 

SRU-HvJ-2024-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. nummers (KG)15889 en (KG)15889A
Civarnummers: 2019H00055 en 2019H00056
1 maart 2024

In de zaak met G.R. nummer 15889 van

A. SURINAME ALUMINIUM COMPANY LLC, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Van’t Hogerhuysstraat 3, te Paramaribo,
B. HET SURALCO PENSIOENFONDS,
gevestigd en kantoorhoudende aan 201 Isabella Street, suite 50 Pittsburgh, PA 15212-5858, Verenigde Staten van Amerika, in deze zaak domicilie gekozen hebbend te Paramaribo ten kantore van zijn gemachtigde,
appellanten in kort geding,
hierna gezamenlijk te noemen “Suralco c.s.” en afzonderlijk aan te duiden als “Suralco” en “het fonds”,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

tegen

1. [Naam 1],
wonende te [adres 1],
2. [Naam 2],
wonende te [adres 2],
3. [Naam 3],
wonende te [adres 3],
4. [Naam 4],
wonende te [district], [straatnaam 4],
5. 392 ANDEREN,
allen wonende te [plaats],
hierna te noemen: “de gepensioneerden” (meervoud),
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde mr. S.M.D. Sitaram, advocaat,

en in de zaak met nummer 15889A van

1. [Naam 1],
wonende te [adres 1],
2. [Naam 2],
wonende te [adres 2],
3. [Naam 3],
wonende te [adres 3],
4. [Naam 4],
wonende te [district], [straatnaam 4],
5. 392 ANDEREN,
allen wonende te Paramaribo,
hierna te noemen: “de gepensioneerden” (meervoud),
appellanten in kort geding,
gemachtigde mr. S.M.D. Sitaram, advocaat,

tegen

A. SURINAME ALUMINIUM COMPANY LLC, rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Van’t Hogerhuysstraat 3, te Paramaribo,
B. HET SURALCO PENSIOENFONDS,
gevestigd en kantoorhoudende aan 201 Isabella Street, suite 50 Pittsburgh, PA 15212-5858, Verenigde Staten van Amerika, in deze zaak domicilie gekozen hebbend te Paramaribo ten kantore van zijn gemachtigde,
geïntimeerden in kort geding,
hierna gezamenlijk te noemen “Suralco c.s.,” en afzonderlijk aan te duiden als “Suralco” en “het fonds”,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

inzake de door partijen ingestelde hoger beroepen van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 24 oktober 2019 bekend onder AR 17-2599, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Voorvragen en beoordeling daarvan met betrekking tot de ontvankelijkheid van het fonds en van de gepensioneerden

1.1 In geen van beide zaken in hoger beroep hebben partijen gegriefd van het oordeel van de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 2.2, inhoudende dat het fonds geen rechtspersoonlijkheid heeft en dus niet zelfstandig in rechte kan worden betrokken. De kantonrechter heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat de gepensioneerden niet ontvankelijk zijn in hun vordering tegen het fonds.
Tussen partijen is ook in dit hoger beroep komen vast te staan dat het fonds een Trust naar het recht van de Staat Pennsylvania is en als zodanig geen rechtspersoonlijkheid heeft.
Daaruit volgt dat in deze hoger beroepen alleen Suralco procespartij is en het door de gepensioneerden ingestelde hoger beroep tegen het fonds niet ontvankelijk moet worden verklaard. Evenzo zal het fonds in het door hem ingediend hoger beroep tegen de gepensioneerden, niet worden ontvangen.

1.2 Uit de in eerste aanleg en in hoger beroep gewisselde stukken met name uit het tussenvonnis in de zaak AR 17-2599, uitgesproken op 11 oktober 2018, is voor het Hof van Justitie kenbaar dat de zaak is aangevangen door 396 gepensioneerden als eisers. Suralco heeft telkenmale aangevoerd dat zij te weinig informatie heeft gekregen om te toetsen of al deze gepensioneerden ontvankelijk zijn en of zij allen voldoende belang hebben bij het voeren van deze procedure(s).
Ook is van de zijde van Suralco aangevoerd dat een of meerdere gepensioneerden inmiddels zijn overleden en dat daarom op de voet van artikel 185 Rv. de procedure geschorst moet worden.

1.3 Mede om proceseconomische redenen, kiest het Hof van Justitie er voor om nu niet meteen per gepensioneerde uit te zoeken of hij/zij nog leeft en of hij/zij dan persoonlijk voldoende belang heeft bij het voeren van deze gedingen in hoger beroep.
In dit kort geding in eerste aanleg en in de zaken in hoger beroep is immers ook aannemelijk geworden dat er onder de gepensioneerden nog steeds voldoende personen bevinden die belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling in kort geding van de ingestelde hoger beroepen. Daarbij komt dat de te beantwoorden rechtsvragen voor Suralco enerzijds en voor de daadwerkelijk belanghebbende gepensioneerden steeds dezelfde vragen betreffen. De daadwerkelijk belanghebbende gepensioneerden hebben dus steeds hetzelfde belang in deze procedures in hoger beroep.
Bij een afweging van het belang van Suralco om precies te weten wie van de overlevende gepensioneerden daadwerkelijk belanghebbenden zijn bij de uitkomsten van de ingestelde hoger beroepen ten opzichte van het belang van de nog levende gepensioneerden bij een inhoudelijke beoordeling van de hoger beroepen in kort geding, acht het Hof het laatstgemelde belang van de nog levende gepensioneerden zwaarder wegen en zal het Hof van Justitie de gepensioneerden voorshands ontvankelijk achten in de door hen tegen Suralco in kort geding ingestelde vordering.

1.4 Eveneens om proceseconomische redenen kiest het Hof van Justitie er in dit stadium voor om de procedure in hoger beroep niet te schorsen, ook al is voldoende aannemelijk dat er inmiddels een of meerdere eisers zijn overleden.
Ook hier weegt het belang van de overgebleven rechthebbende gepensioneerden om te weten waar zij aan toe zijn op voorhand zwaarder dan de belangen van Suralco om eerst te weten of er nog erven zijn die in de procedure de plaats van de overledene kunnen innemen.

2 Het procesverloop in hoger beroep in beide zaken

2.1 Het procesverloop in hoger beroep in beide zaken blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • geen van partijen is bij de uitspraak aanwezig geweest;
  • bij mededelingen van de griffie aan partijen op de voet van artikel 119 lid 3 Wetboek van Surinaamse Rechtsvordering (Rv.) van 15 november 2019 is de inhoud van het vonnis waarvan beroep aan partijen meegedeeld;
  • het proces-verbaal van 1 november 2019 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat, Suralco c.s. gebruik wensen te maken van het recht om tegen voormeld vonnis van 24 oktober 2019, bekend onder A.R. nummer 17-2599 hoger beroep in te stellen (hetgeen geleidt heeft tot onderliggende zaak in hoger beroep in kortgeding bekend onder 15889 Civarnummer 2019H00055);
  • het proces-verbaal van 31 oktober 2019 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat, de gepensioneerden gebruik wensen te maken van het recht om tegen voormeld vonnis van 24 oktober 2019, bekend onder A.R. nummer 17-2599 hoger beroep in te stellen (hetgeen geleidt heeft tot onderliggende zaak in hoger beroep in kortgeding bekend onder 15889A Civarnummer 2019H00056) ;
  • de fungerend-president van het Hof van Justitie heeft in de zaak bekend onder 15889 op 29 september 2020 beschikt dat partijen tegen 15 januari 2021 moesten worden opgeroepen om voor het Hof van Justitie te verschijnen; 
  • het exploot van betekening van die oproep aan de gepensioneerden van donderdag 15 oktober 2020;
  • de fungerend-president van het Hof van Justitie heeft in de zaak bekend onder 15889A op 29 september 2020 beschikt dat partijen tegen 15 januari 2021 moesten worden opgeroepen om voor het Hof van Justitie te verschijnen; 
  • het exploot van betekening van die oproep aan Suralco c.s. van donderdag 23 januari 2020;

en in de zaak bekend onder K.G. 15889 voorts:

  • de memorie van grieven met producties  van Suralco;
  • de memorie van antwoord tevens uitlating producties van de gepensioneerden;
  • de pleitnota van Suralco;
  • de antwoord pleitnota van de gepensioneerden;
  • de repliek pleitnota van Suralco;
  • de dupliek pleitnota van de gepensioneerden;
  • de conclusie tot uitlating producties van Suralco;
  • de uitlating productie van de gepensioneerden;

en verder in de zaak bekend onder K.G. 15889A:

  • de pleitnota van de gepensioneerden;
  • de antwoord pleitnota van Suralco c.s.;
  • de repliek pleitnota van de gepensioneerden;
  • de dupliek pleitnota van Suralco c.s.;
  • de uitlating productie van de gepensioneerden;
  • de conclusie tot uitlating productie in kort geding van Suralco c.s.;

2.2 Vervolgens is uitspraak van het vonnis in hoger beroep in kort geding in de zaken K.G. 15889 en K.G. 15889A bepaald op heden.

3. De procedure in eerste aanleg

3.1 Na het indienen van het verzoek en de conclusie van antwoord, heeft op 20 februari 2018 ten overstaan van de kantonrechter een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.
Vervolgens heeft de kantonrechter de zaak voor repliek en daarna dupliek bepaald.

3.2 Daarna hebben de gepensioneerden een incident tot wijziging van eis opgeworpen.

3.3 Bij vonnis in het incident en in de hoofdzaak heeft de kantonrechter bij tussenvonnis uitgesproken op 11 oktober 2018 de wijziging van de eis en de grondslag daarvan toegestaan.

3.4 Na wijziging van eis vorderen de gepensioneerden -kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang- het volgende :
– Suralco te veroordelen om ingaande 1 juni 2017 aan de gepensioneerden of hun weduwnaars /weduwen bij wege van voorschot uit te keren het equivalent in Surinaamse dollar van het pensioen dat ex-collega’s met non-resident status ontvangen in US dollars tegen de officiële aankoopkoers op het moment van betaling;
– Suralco te veroordelen om aan de gepensioneerden of hun weduwnaars/weduwen bij wijze van voorschot te betalen het verschil tussen het pensioen dat aan hen uitgekeerd diende te worden vanaf 1 november 2015 tot 1 juni 2017 en het pensioen dat daadwerkelijk aan hen is uitgekeerd in die periode;
– met veroordeling van Suralco in de proceskosten.

3.5 Bij eindvonnis van 24 oktober 2019 (hierna ook: het eindvonnis) heeft de kantonrechter de vorderingen van de gepensioneerden gedeeltelijk toegewezen en wel als volgt:
– veroordeelt Suralco aan de gepensioneerden die uit welken hoofde dan ook aanspraak hebben op een pensioenuitkering van Suralco, bij wege van voorschot te betalen, een correctie van 30% op de door hen te ontvangen pensioenuitkering te rekenen van 1 november 2015;
– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
– veroordeelt Suralco in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de gepensioneerden;
– verklaart de gepensioneerden niet ontvankelijk in hun vordering tegen het fonds;
– wijst af het meer of anders gevorderde.

3.6 De overwegingen van de kantonrechter in het bestreden eindvonnis luiden als volgt :
“…
Gedaagde sub. A (opmerking Hof van Justitie : het hof leest telkens Suralco) heeft als verweer aangevoerd dat eisers bij hun pensioenverklaring voor een pensioenuitkering in de Surinaamse munt hebben gekozen en dat eventuele devaluatie en inflatie voor rekening en risico van de eisers zijn.

De kantonrechter is echter van oordeel dat op grond van artikel 1360 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomsten niet alleen verbinden tot datgene dat uitdrukkelijk is overeengekomen maar ook tot datgeen dat naar de aard van de overeenkomsten, door de billijkheid, het gebruik of de wet wordt gevorderd. Uit de hierboven geciteerde correspondentie met de gepensioneerden in 1995, 1999, 2005 en 2012 blijkt dat gedaagde sub. A steeds wanneer er sprake was van een waardedaling van de Surinaamse munt ten opzichte van de Amerikaanse dollar voor alle gepensioneerden een correctie doorvoerde. Gedaagde sub. A heeft zich ten opzichte van de gepensioneerden verplicht om bij de daling van de waarde van de Surinaamse munt alle gepensioneerden van haar te compenseren voor de waardedaling. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het verweer van gedaagde sub. A dat eisers bij hun pensioenverklaring voor een pensioenuitkering in de Surinaamse munt hebben gekozen en dat eventuele devaluatie en inflatie voor rekening en risico van de eisers zijn. De vordering tot compensatie van de waardedaling van de Surinaamse dollar zal daarom worden toegewezen.

Gedaagde sub. A heeft verweer gevoerd ten aanzien van de subjectieve cumulatie van eisers. Gedaagde sub. A concludeert dat er geen samenhang en verknochtheid is van de vorderingen in het onderhavig geval.
De kantonrechter gaat voorbij aan die conclusie van gedaagden omdat naar het oordeel van de kantonrechter er een zodanig verband bestaat tussen de verschillende vorderingen, het betreffen vorderingen tot compensatie van de waardevermindering van de pensioenrechten van alle eisers ongeacht het soort pensioen. Op deze pensioenen is een zelfde regeling van toepassing.

Gedaagde sub. A heeft verweer gevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van eisers. Gedaagde sub. A is van oordeel dat eisers geen spoedeisend belang hebben bij deze vordering. Eisers hebben aangevoerd dat zij voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van hun pensioenuitkering en dat de waardedaling van de Surinaamse munt ten opzichte van de Amerikaanse dollar hen in een financiële noodtoestand heeft doen verkeren.
De kantonrechter is van oordeel dat eisers een spoedeisend belang hebben gezien het feit dat zij voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van hun pensioenuitkering die vanwege de waardedaling van de Surinaamse munt ten opzichte van de Amerikaanse dollar hen in een financiële noodtoestand heeft doen verkeren.

Gedaagde sub. A zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten gevallen aan de zijde van eisers.
…”

4. De standpunten van partijen in hoger beroep

In de zaak met nummer 15889

4.1 In deze zaak komt Suralco met twee grieven op tegen het eindvonnis.

Met grief I klaagt Suralco over een gebrekkige en ondeugdelijke motivering van het eindvonnis.
Dat is in strijd met artikel 136 van de Grondwet.
De kantonrechter heeft geen acht geslagen op de essentiële stellingen en verweren van Suralco dat de gepensioneerden volgens haar geen enkel belang hebben bij de vordering, omdat er tussen Suralco en de gepensioneerden geen contractuele relatie bestaat. De kantonrechter heeft niet gereageerd op het verweer van Suralco dat een geldvordering zoals deze niet in kort geding kan worden toegewezen.
De kantonrechter heeft de essentiële stelling dat de gepensioneerden niet hebben voldaan aan hun stelplicht van Suralco volledig genegeerd.

Met grief II stelt Suralco aan de orde dat er geen verplichting van Suralco bestaat tot compensatie bij waardedaling van de Surinaamse munt en dat een dergelijke verplichting ook niet gebaseerd kan worden op de wet, het gebruik of de billijkheid, zoals de kantonrechter lijkt te doen.

4.2 Op het verweer van de gepensioneerden in hoger beroep in deze zaak zal voor zoveel nodig hierna worden ingegaan.

In de zaak met nummer 15889A

4.3 In deze zaak hebben de gepensioneerden geen memorie van grieven genomen.

4.4 In de pleitnota hebben zij de volgende bezwaren tegen het eindvonnis geformuleerd. Volgens de gepensioneerden hebben zij voldoende aangetoond dat bij elke stijging van de waarde van de US dollar ten opzichte van Surinaamse dollar de pensioenuitkeringen zodanig werden aangepast (zij het met enige vertraging) dat aan hen het equivalent in SRD werd uitgekeerd van het pensioen in USD dat werd uitgekeerd aan de gepensioneerden met non-resident status.
De kantonrechter heeft overwogen dat op grond van artikel 1360 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomsten niet alleen verbinden tot datgene wat uitdrukkelijk is overeengekomen maar ook tot datgene dat naar de aard van de overeenkomsten door de billijkheid, het gebruik of de wet wordt gevorderd. Uit de door de gepensioneerden in het geding gebrachte producties, volgt echter dat Suralco zich heeft verplicht ten opzichte van de gepensioneerden om bij daling van de waarden van de Surinaamse munt al haar gepensioneerden te compenseren voor de waarde daling.
In de veroordeling heeft de kantonrechter in kort geding onvoldoende in ogenschouw genomen dat er een groot gat is ontstaan door de waardedaling van de Surinaamse dollar in het inkomensniveau van de gepensioneerden vóór en na de pensionering. Dit gat is ontstaan als gevolg van de onrechtmatige daad die Suralco reeds jaren pleegt jegens de gepensioneerden doordat Suralco een correctie van slechts 30% op de door hen ontvangen uitkeringen met ingang van 1 november 2015 heeft toegepast. De kantonrechter heeft daarbij geen acht geslagen op de omstandigheid dat tussen november 2015 en maart 2016 de Surinaamse dollar met 40% daalde naar 5.7 SRD per US dollar, aldus de gepensioneerden.

4.5 Op de verweren van Suralco in deze zaak zal hierna voor zover nodig worden ingegaan.

5. De tussen partijen in beide hoger beroep zaken vaststaande feiten

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staan in hoger beroep in deze kort geding zaken de navolgende feiten en omstandigheden tussen partijen vast.

5.1 Suralco heeft haar werknemers in Suriname pensioentoezeggingen gedaan, die ook de mogelijkheid inhouden van een opvolgend pensioen voor nabestaanden.

5.2 Suralco betaalde de salarissen van haar werknemers in Suriname uit in Amerikaanse Dollars (USD). De inhouding van de pensioenpremie op de salarissen en de afdracht naar het fonds geschiedde eveneens in USD.

5.3 Medio 2015 heeft Suralco al haar activiteiten in Suriname gestaakt en zijn de laatste werknemers afgevloeid.

5.4 Wanneer een werknemer van Suralco in Suriname met pensioen ging werd de werknemer een zogenoemde “Acceptance Form” ter tekening voorgelegd.
Er zijn in de loop van de tijd verschillende soorten van deze acceptatie formulieren in omloop geweest. Werknemers moesten op deze formulieren steeds kiezen en aangeven of zij in Suriname bleven (residents) of naar het buitenland verhuisden (non-residents).
Residents die het formulier ondertekenden, kregen vervolgens hun pensioen in een nominaal in SRD uitgedrukt bedrag uitgekeerd en behielden hun medische voorzieningen.
Non -residents kregen hun pensioen in een nominaal in Amerikaanse Dollars USD uitgedrukt bedrag uitgekeerd en verloren hun medische voorzieningen.

5.5 Per 10 mei 2016 heeft de Surinaamse Centrale Bank de voordien steeds door haar vastgestelde wisselkoers van de SRD naar de USD vrijgelaten. Sedertdien is de waarde van de SRD ten opzichte van USD ernstig gedaald.

5.6 In een brief van 1995 april 25 werd door Suralco aan alle in Suriname geregistreerde gepensioneerden als volgt bericht:

“ zoals in onze brief van 1994 november 28 vermeld, nam Suralco de verplichting op zich om voortdurend de totale pensioenvergoeding te evalueren voor mogelijke verhogingen.

Het doet ons genoegen u te kunnen mededelen dat als resultaat van onze evaluaties het is goedgekeurd, dat u met ingang van 1995 april 01 een pensioen verhoging van 50% ontvangt.

Suralco blijft voortgaan de pensioenen op regelmatige basis te evalueren.
Hoogachtend,
SURINAME ALUMINIUM COMPANY ”

5.7 In een brief van 1999 november 17 werd door Suralco aan de in Suriname geregistreerde gepensioneerden (residents) bericht:

“ Geachte Suralco L.L.C. gepensioneerden,

Het doet ons genoegen u middels dit schrijven mede te delen dat u met ingang van
01 november 1999 een verhoging van 50% op uw pensioen tegemoet mag zien. Deze verhoging zal in de pensioenuitkering van november worden verwerkt. Suralco L.L.C. zal de pensioenen regelmatig blijven evalueren en zo nodig aanpassen.

Mogen wij hierbij uw bijzondere aandacht vragen voor het volgende:
Het is noodzakelijk voor onze administratie dat u een keer per jaar en wel in de maand van uw verjaardag een “ Attestatie De Vita” aan ons doet toekomen. U kunt onnodige stagnaties in uw uitkering en andere voorzieningen voorkomen, door deze verklaring ieder jaar op tijd aan ons te verstrekken.
Wij rekenen op uw medewerking en verblijven met hoogachting.

SURINAME ALUMINIUM COMPANY, L.L.C.”

5.8 In een brief van 06 mei 2005 werd door Suralco in Suriname geregistreerde gepensioneerden (residents) bericht:

“ Geachte gepensioneerde,

Zoals u wellicht heeft opgemerkt, zijn de pensioenuitkeringen aan lokaal gepensioneerden met ingang van de maand november 2004 aangepast als gevolg van de devaluatie van de Surinaamse munt. Deze aanpassing wordt beschouwd als een additionele aanvulling op uw basispensioen.

Uw pensioenuitkering wordt periodiek aan een beoordeling onderworpen op basis van inflatie en zakelijke overwegingen, teneinde vast te stellen of er al dan niet bijstelling ervan dient plaats te vinden.

Mocht u over het bovenstaande vragen hebben, dan kunt u, zoals gebruikelijk, contact opnemen met de helpdesk van Ernst & Young.

SURINAME ALUMINUM COMPANY, L.L.C.”

5.9 In een brief van 06 februari 2012 werd door Suralco aan de in Suriname geregistreerde gepensioneerden bericht:

“ Geachte gepensioneerde,

Hierbij delen wij namens de Retirement Board van Suralco, gevestigd te Pittsburgh, het volgende mede:

Met ingang van 1 februari 2011 is uw maandelijkse pensioenuitkering met 20% verhoogd. De aangepaste uitkering is reeds in december 2011 uitbetaald, alsook de twk-uitbetaling over de periode februari tot november 2011.”

5.10 Als productie 1 bij de akte in eerste aanleg van Suralco van 18 juli 2019, heeft Suralco een brief overgelegd geschreven door Robert D. Fick, EA, FCA, MAA.
De inhoud van deze brief luidt als volgt:
“…
Dear Sir or Madam:
This letter is intended to address how currency devaluation impacts the Suralco Plan Il and its sponsor, Suriname Aluminum Company L.L.C., from a financial perspective. The Suralco Plan Il fellows accounting and funding rules under U.S. standards and regulations.
Pension plans are generally revalued annually to reflect changes between plan assumptions and actual plan results. In the case of the Suralco Plan Il, one of the changes in the valuation includes the recent weakening of the SRD compared to the USD. This change reduces the plan liabilities for projected payments to participants who chose to be paid in SRD, but those participants also benefit from Company provided retiree healthcare coverage.
While the currency devaluation decreases the plan liability, the plan’s financial health also must consider the sufficiency of the plan assets and the company’s strategy for pension plans. Even after reflecting the currency devaluation, plan liabilities still exceed plan assets, meaning that the plan is underfunded and still requires future contributions from Alcoa to reach full funding.

The following presents the accounting information as of January 1, 2016 through 2019
for unname Plan Il (the 2019 liability is estimated since final results will not be available untill March):

                          January 1,         January 1,       January 1,      January 1,
                               2016                  2017                 2018                2019

Account Liability $117,450,887  $93,830,258  $96,522,878  $87,400,00  

Any decision to grant currency devaluation benefit increases to plan participants is made at the sole discretion of the company and is not required under the terms of the plan. At the time prior increases were provided to plan participants, the Suriname pension plan was overfunded (plan assets exceeded plan liabilities) and sufficient plan assets were expected to cover the corresponding increase in plan liabilities. 

If a currency devaluation adjustment were to be granted at this time, the liabilities and cash requirements under the plan would increase further. For accounting purposes, this increase in liability is recognized in expense over the life expectancy of participants in the plan. For Suriname Plan II, the life expectancy is currently 17 years. Assuming an increase in liability of $10,000,000 due to an increase in pension benefits, the expense increase would be about $588,235 ($10,000,000/17) and would impact expense for the next 17 years

There are different rules that are used to determine the amount of cash the Company is required to contribute to the plan assets each year. These rules are generally referred to as the funding rules. Under the funding rules, any increase in liability is amortized or spread out over a 7-year period. Assuming an increase in liability of $10,000,000 due to an increase in pension benefits, the cash funding requirement would increase about $1,428,571 ($10,000,000/7) and would impact cash contributions for the next 7 years.

Any decision to grant currency devaluation benefit increases to plan participants is made at the sole discretion of the company and is not required under the terms of the plan. At the time prior increases were provided to plan participants, the Suriname pension plan was overfunded (plan assets exceeded plan liabilities) and sufficient plan assets were expected to cover the corresponding increase in plan liabilities.

lf a currency devaluation adjustment were to be granted at this time, the liabilities and cash requirements under the plan would increase further. For accounting purposes, this increase in liability is recognized in expense over the life expectancy of participants in the plan. For Suriname Plan Il, the life expectancy is currently 17 years. Assuming an increase in liability of $10,000,000 due to an increase in pension benefits, the expense increase would be about $588,235 ($10,000,000 / 17) and would impact expense for the next 17 years.

There are different rules that are used to determine the amount of cash the Company is required to contribute to the plan assets each year. These rules are generally referred to as the funding rules. Under the funding rules, any increase in liability is amortized or spread out over a 7-year period. Assuming an increase in liability of $10,000,000 due to an increase in pension benefits, the cash funding requirement would increase about $1,428,571 ($10,000,000 / 7) and would impact cash contributions for the next 7 years.

Future actuarial measurements may differ significantly from current measurements due to plan experience differing from that anticipated by the economic and demographic assumptions, changes expected as part of the natural operation of the methodology used for these measurements, and changes in plan provisions, applicable law or regulations. An analysis of the potential range of such future differences is beyond the scope of this analysis. The data, assumptions, methods, and plan provisions used for this analysis can be found in the Actuarial Valuation Reports provided by Buck. I am the Enrolled Actuary for these plans and this information was prepared under my supervision. I am a Member of the American Academy of Actuaries, who has met the Qualification Standards of the American Academy of Actuaries to render the actuarial opinion contained herein. I am available to answer any questions on the content of this information.
Sincerely,…”

6. De beoordeling in hoger beroep in beide zaken

6.1 De zaken in hoger beroep met de nummers K.G.15889 en K.G. 15889A hangen nauw met elkaar samen en zijn gericht tegen hetzelfde eindvonnis met nummer A.R.17-2599. Daarom wordt in hoger beroep één vonnis in deze zaken gewezen.

6.2 Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis dat aan de Surinaamse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

6.3 Wat betreft het toepasselijke recht hebben partijen geen uitdrukkelijke rechtskeuze gemaakt; niet in de procestukken en ook niet in de overgelegde producties. Als productie 2 bij de conclusie van dupliek heeft Suralco de pensioenregeling van de Suriname Aluminium Company ten behoeve van de werknemers in Suriname overgelegd, zoals gewijzigd en aangepast met als datum van inwerkingtreding 1 januari 2010. Ook daaruit blijkt geen uitdrukkelijke rechtskeuze.
Nu beide partijen argumenteren en procederen op basis van het Surinaamse recht, vat het Hof van Justitie dit op als een gemeenschappelijke stilzwijgende rechtskeuze. Het Hof van Justitie ziet geen reden om van deze stilzwijgende rechtskeuze af te wijken en zal in deze zaak dus Surinaams recht toepassen. Het betreft immers de pensioenrechten van Surinaamse ingezetenen opgebouwd in de periode dat zij in Suriname voor Suralco, gevestigd in Suriname, werkten.

6.4.1 Bij tussenvonnis van 11 oktober 2018 heeft de kantonrechter de door de gepensioneerden gevraagde wijziging van eis toegestaan.
In geen van beide hoger beroepszaken is tegen die beslissing een afzonderlijke grief ingediend.
In de antwoordpleitnota in de zaak met nummer 15889A heeft Suralco tegen die toewijzing bezwaar gemaakt, omdat het een vermeerdering van eis zou betreffen en een eisvermeerdering naar Surinaams recht niet zou zijn toegestaan.

6.4.2 Op zichzelf voert Suralco terecht aan dat het Hof van Justitie ook ambtshalve op de voet van artikel 269 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) moet oordelen over de aan de eindbeslissing voorafgaande beslissingen van de kantonrechter.

6.4.3 Het door haar naar voren gebrachte bezwaar kan Suralco echter niet baten.
Ingevolge artikel 109 Rv. is het de eiser niet toegestaan de eis te veranderen indien het onderwerp van de eis wordt veranderd en is het evenmin toegestaan de eis te vermeerderen.

De kantonrechter heeft in dit tussenvonnis geen regels van openbare orde of de goede zeden geschonden. Terecht en op goede gronden heeft de kantonrechter de gevraagde wijziging van eis en de grondslag daarvan als incident opgevat en dat incident vervolgens als zodanig behandeld en beoordeeld.
De kantonrechter heeft daarbij hoor en wederhoor toegepast, waardoor Suralco in geen enkel rechtens relevant procesbelang is geschaad. Suralco heeft bij dupliek volledig kunnen ingaan op de toegestane gewijzigde eis.
Voorts valt niet in te zien waarom het hier een vermeerdering van eis of vermeerdering van de grondslag van de eis zou betreffen. Vergeleken met de oorspronkelijke eis en de grondslag daarvan, betreft het kennelijk slechts een verduidelijking en een aanpassing aan het feit dat het hier een zaak in kort geding betreft. Zoals de kantonrechter heeft overwogen, blijven de procespartijen dezelfde en slechts de soort van het ontvangen pensioen verandert bij sommigen in weduwenpensioen of weduwnaarspensioen, in het geval dat de oorspronkelijke pensioendeelnemer is overleden. Daar wordt door het Hof van Justitie nog aan toegevoegd dat een weduwen of weduwnaarspensioen ook door Suralco is toegezegd aan de oorspronkelijk deelnemer in het pensioenfonds. In het normale spraakgebruik wordt het woord pensioen gebruikt zowel voor het eigen opgebouwde pensioen van de ex-werknemer zelf, als voor een aan die werknemer toegezegde nabestaandenpensioen, dat voor de nabestaande ingaat na het overlijden van de ex-werknemer. Zo bezien betreft het geschil tussen partijen steeds de nakoming van de rechtsbetrekking tussen Suralco en de (inmiddels overleden) pensioendeelnemer, ontstaan door de pensioentoezegging aan de werknemer, die Suralco heeft gedaan.

6.4.4 Op grond van hetgeen onder 6.4.3 is overwogen zal ook het Hof van Justitie dus recht doen op de gewijzigde eis.

6.5. Grief I van Suralco in de zaak met nummer 15889 slaagt.
Het Hof van Justitie constateert dat de kantonrechter het eindvonnis onvoldoende duidelijk heeft gemotiveerd en niet heeft gerespondeerd op een aantal essentiële standpunten van Suralco. Dan gaat het met name over de geschiktheid van dit geschil voor een kort geding, het restitutierisico dat Suralco bij toewijzing van een geldvordering loopt, het niet voldoen door de gepensioneerden aan hun stelplicht en de onbepaaldheid van de persoonlijke gegevens van een aantal eisers en de onbepaaldheid van het aantal eisers dat daadwerkelijk belang heeft bij de vordering in kort geding.

6.6 Het Hof van Justitie zal de zaak daarom opnieuw en in volle omvang moeten beoordelen.
Het Hof van Justitie zal daarbij meteen ook ingaan op de overige grieven en bezwaren van partijen in hoger beroep tegen het eindvonnis, want die lenen zich voor een gezamenlijk behandeling.

6.7.1 In eerste aanleg heeft Suralco aangevoerd dat de zaak zich om een aantal redenen niet leent voor een behandeling in kort geding en dat de gepensioneerden daarom niet ontvankelijk moeten worden verklaard.
Suralco heeft daartoe het volgende aangevoerd en in hoger beroep herhaald.
De gepensioneerden zouden een beslissing in bodemprocedure kunnen afwachten, ook al omdat in dit geschil bewijslevering nodig zal zijn en een kort geding zich daarvoor niet leent.
De berekening van de pensioenen van de oud-werknemers van Suralco betreft een complexe en ingewikkelde materie en dient te geschieden door deskundigen. De zaak is derhalve te complex om te worden behandeld in kort geding.
De gepensioneerden hebben geen spoedeisend belang, nu zij stellen al sinds 2015 te kort te komen maar gewacht hebben tot 8 juni 2017 met het instellen van een kort geding. Ook blijft onduidelijk om welke eisers het precies gaat en of zij wel kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden.
Daarbij heeft de vordering een definitief karakter en is daarmee per definitie niet toewijsbaar in kort geding.
Ten slotte voert Suralco aan dat zij een onaanvaardbaar restitutierisico loopt in het geval de vordering in kort geding wordt toegewezen maar in een bodemgeding alsnog wordt afgewezen. Daarbij wijst Suralco er op dat de gepensioneerden nog niet eens een bodemgeding hebben aangespannen.
Op al deze punten heeft de kantonrechter, aldus Suralco, niet of onvoldoende gerespondeerd.

6.7.2 In weerwil van deze argumenten van Suralco, acht het Hof van Justitie de gepensioneerden wel ontvankelijk in kort geding.
Het is voldoende aannemelijk geworden dat de gepensioneerden voor hun levensonderhoud (vrijwel) geheel afhankelijk zijn van hun pensioen. Daarmee is de spoedeisendheid van de vordering in kort geding, net als bij salarisvorderingen, reeds gegeven. Het feit dat de gepensioneerden bijna twee jaar hebben gewacht met het instellen van dit kort geding, doet niet af aan deze afhankelijkheid en daarmee aan de spoedeisendheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat bodemprocedures langer duren dan korte gedingen, zodat van de gepensioneerden in deze zaak in redelijkheid ook niet gevergd kan worden om de uitslag van een bodemprocedure af te wachten.
Omtrent de onduidelijkheid wat betreft het precieze aantal gepensioneerden en de gevolgen daarvan voor deze procedure in kort geding heeft het Hof van Justitie hiervoor onder 1.3. al een voorlopig oordeel gegeven.
Nu het Hof van Justitie op de gewijzigde eis recht zal doen en in die gewijzigde eis alleen om toewijzing van voorschotten wordt gevraagd, heeft de gewijzigde vordering geen definitief karakter meer.
Dat het een op zichzelf ingewikkelde materie betreft, maakt een vordering niet per definitie ongeschikt voor een behandeling in kort geding. De rechter in kort geding kan daarmee voldoende rekening houden bij de inhoudelijke behandeling, met name bij de beantwoording van de vraag in hoeverre het verantwoord is om vooruit te lopen op een eventuele beslissing in een bodemprocedure en bij de beantwoording van de vraag of er nader onderzoek nodig is en of het desbetreffende kort geding zich dan voor dat onderzoek leent, bijvoorbeeld vanwege een zeer groot en zeer spoedeisend belang.
De behandeling van een eventueel restitutierisico komt pas aan de orde wanneer er sprake is van een concrete mogelijkheid van toewijzing van een geldvordering in kort geding maar snijdt niet bij voorbaat iedere geldvordering in kort geding de pas af.

6.8. Omtrent de vraag of het geding in hoger beroep geschorst moet worden, heeft het Hof van Justitie eveneens hiervoor onder 1.4. al een voorlopig oordeel gegeven. In eerste aanleg had Suralco wel aangevoerd dat een aantal eisers zouden zijn overleden maar had zij geen concrete namen genoemd. Daarom is het begrijpelijk dat de kantonrechter daar in eerste aanleg in het bestreden eindvonnis verder geen aandacht aan heeft besteed. Suralco heeft eerst in hoger beroep onder randnummer 4 en 5 van haar antwoordpleidooi in de zaak met nummer K.G. 15889 concrete namen genoemd.

6.9.1 De kern van het geschil in beide hoger beroepen betreft het antwoord op de vraag of op Suralco een verplichting rust of is komen te rusten om de in Suriname verblijvende gepensioneerden (residents) elke maand een pensioenbedrag in SRD te betalen dat omgerekend naar de koersen van die maand overeenkomt met het bedrag dat de gepensioneerden in het buitenland verblijvende gepensioneerden (non-residents) diezelfde maand in US dollars krijgen uitbetaald.

6.9.2 De gepensioneerden hebben hun vordering op drie pijlers/ feitelijke grondslagen laten rusten.
– Ten eerste op de tekst van de cao tussen Suralco en Paranam Werknemers Bond die heeft gegolden van januari 2007 tot en met december 2009, waarin in punt 1.31 het begrip denomination als volgt is gedefinieerd: “het administreren van lonen en secundaire voorzieningen in US Dollars (US$), terwijl de uitbetaling hiervan in Surinaams courant plaats vindt tegen officiële wisselkoers per 15e van de maand waarin de betaling plaatsvindt.”
– De pensioenuitkeringen van de gepensioneerden, althans van hen die vóór 18 november 2015 met (vervroegd) pensioen zijn gegaan zijn ook steeds – zij het met enige vertraging – aangepast aan het bedrag dat de gepensioneerden met non-resident status in US dollars kregen uitgekeerd. Hiervoor verwijzen de gepensioneerden naar de inhoud van de hiervoor onder 5.6 tot en met 5.9 weergegeven correspondentie.
Ten slotte hebben de gepensioneerden vooral tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg nog aangevoerd dat zij ter zake ook een mondelinge toezegging hebben gekregen van mevrouw T. Haaloo van de afdeling PZ van Suralco en van de heer F. Welzijn, de cao onderhandelaar van Suralco.

6.9.3 Suralco heeft ten aanzien van deze drie grondslagen zich op het standpunt gesteld dat zij niet toereikend zijn voor toewijzing van de vordering in kort geding.
Suralco voert aan dat alle in Suriname verblijvende gepensioneerden (residents) bij hun (vervroegde) pensionering een zogenoemde “ Acceptance Form” hebben moeten invullen en dat zij daarin hebben getekend voor het daarin genoemde in Surinaamse Dollars nominaal uit te keren pensioen. Daarnaast bleven zij in tegenstelling tot de non-residents hun medische voorzieningen behouden.
Uit de door de gepensioneerden overgelegde correspondentie, als hiervoor onder 5.6 tot en met 5.9 weergegeven, valt volgens Suralco slechts af te leiden dat zij gehouden is de pensioenuitkeringen van de gepensioneerden in Suriname regelmatig te evalueren.
Uit de door haar in verband met van dit kort geding uitgevoerde evaluatie komt naar voren dat het fonds – voor zover het gaat om het Suralco Pension Plan II – geen ruimte heeft voor verhoging van de toegezegde pensioenen, omdat het onder-gefinancierd is. Suralco beroept zich hierbij op de hiervoor onder 5.10. weergeven brief van de heer Fick.
Het Hof van Justitie begrijpt hieruit dat Suralco zich er op beroept dat Suralco Pension Plan II een onvoldoende dekkingsgraad heeft, zodat de door Suralco gedane evaluatie ten opzichte van de vraag om verhoging van gepensioneerden negatief is uitgevallen.
Wat betreft de gestelde mondelinge toezegging ontkent Suralco dat deze is gedaan. Daarbij komt dat de heer Welzijn namens Suralco niet gemandateerd was om zodanige toezeggingen te doen.

6.9.4 De derde grond waarop de gepensioneerden hun vordering hebben gegrond, te weten een mondelinge toezegging gedaan door mevrouw T. Haaloo van de afdeling PZ van Suralco en door de heer F. Welzijn, de cao onderhandelaar van Suralco, kan de gepensioneerden in kort geding niet baten. Suralco heeft dit immers gemotiveerd weersproken, hetgeen zou moeten leiden tot bewijslevering door getuigen.
Daarvoor is in dit kort geding geen plaats. Een dergelijk getuigenverhoor hoort thuis in een bodemprocedure.

6.9.5 Voor wat betreft de overige twee aangevoerde grondslagen dient het volgende. Voldoende aannemelijk is geworden dat Suralco haar werknemers bij pensionering een “acceptance form” liet invullen en ondertekenen, waarin de wijze van uitkering van de pensioenen tussen die werknemer en Suralco nader werd vastgelegd.
De gepensioneerden [naam 1] en [naam 4] hebben ontkend dat in het door hen ondertekende formulier staat dat hun pensioen in Surinaamse Dollars niet is geïndexeerd. Daarmee is het bestaan en het gebruik van die formulieren op de manier die Suralco stelt, niet (voldoende) gemotiveerd weersproken.
Daarbij komt dat het begrip indexering op zichzelf bezien te onbepaald is, nu indexering op zeer verschillende wijzen kan plaatsvinden.
Weliswaar zijn er klaarblijkelijk formulieren met verschillende teksten in omloop maar uit het formulier dat Suralco als productie 4 bij de conclusie van dupliek in eerste aanleg heeft overgelegd en dat is ondertekend door gepensioneerde eisers sub 1 en sub 4 de heren [naam 1] en [naam 2] blijkt dat zij een kruisje hebben gezet bij de keuze voor uitkering in Surinaamse Dollars en daarbij is letterlijk vermeld : “…
Het pensioen in Surinaamse Dollars (SRD) is NIET geïndexeerd, welke er op neerkomt dat bij eventuele koersaanpassingen van de SRD t.o.v. de US Dollar, het pensioenbedrag niet automatisch wijzigt.”

6.9.6 Het Hof van Justitie van Justitie is – in tegenstelling tot de kantonrechter – van oordeel dat uit de hiervoor overgelegde correspondentie kan worden afgeleid dat Suralco bij brief van 28 november 1994 de verplichting op zich heeft genomen om voortdurend de totale pensioenvergoeding te evalueren voor mogelijke verhoging, welke verplichting hierna meermalen is herhaald.
Vaststaat dat deze evaluaties hebben geleid tot aanpassing van het aan de gepensioneerden c.q. hun nabestaanden uit te keren pensioenen naar aanleiding van de devaluaties van de Surinaamse munt. In zoverre kunnen deze aanpassingen derhalve beschouwd worden als correcties.

Voorts staat vast dat dergelijke evaluaties hebben plaatsgevonden in 1995, in 1999, in 2005 en voor het laatst in 2011. Gesteld en evenmin is gebleken dat de door Suralco gedane toezegging met betrekking tot evaluatie, indachtig het daarvoor gestelde doel, namelijk mogelijke correctie van het pensioen, is nagekomen, terwijl er wel verwachtingen bij de gepensioneerden ter zake waren opgewekt.
Voldoende duidelijk is voorts dat deze verplichting tot evaluatie een inspanningsverplichting behelst.
Door genoemde verplichting na te laten is het Hof van Justitie van oordeel dat Suralco in de nakoming van deze verplichting te kort is geschoten gezien het tijdsverloop tussen de verschillende eerdere evaluaties van om en bij vijf jaar en het tijdsverloop tussen de laatste evaluaties in 2011 en in 2019. Voor wat de laatste evaluatie betreft heeft die pas na de aanvang van dit kort geding op 9 juni 2017 plaatsgevonden.

Niet aannemelijk is geworden dat Suralco zich aldus heeft gehouden aan deze op haar rustende verplichting ten opzichte van de gepensioneerden. Suralco heeft onvoldoende onderbouwd dat zij op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan het begrip “voortdurend” in deze toezegging.
Daarmee is in kort geding aannemelijk geworden dat Suralco onvoldoende gevolg heeft gegeven aan deze door haar toegezegde verplichting.
Immers Suralco heeft pas onder druk van dit kort geding opnieuw een evaluatie uitgevoerd en als bewijs daarvan de brief van de heer Fick van 7 februari 2019 (hiervoor vermeld onder 5.10.) in het geding gebracht. Het tijdverloop tussen 2011 en 2019 is veel te groot om nog te kunnen waarmaken dat Suralco voortdurend heeft geëvalueerd, zoals zij wel had moeten doen conform deze verplichting.

De gepensioneerden hadden gelet op de koersontwikkeling van de SRD ten opzichte van de USD niet kunnen voorzien dat na 2015 die zo’n buiteling zou maken. Deze duizelingwekkende buiteling van de SRD ten opzichte van de USD sinds 2015 tot heden vergde van een redelijke en billijk handelende partij, in casu Suralco, dat die intensiever en frequenter de zogenoemde evaluaties diende te plegen van de aan de gepensioneerden c.q. nabestaanden uit te keren pensioen in SRD. Hierin is Suralco schromelijk te kort geschoten. Door vast te houden aan een veel lagere koers voor de SRD ten opzichte van de USD handelt Suralco niet redelijk en billijk en lijden de gepensioneerden relatief heel veel schade.

Hieronder zal worden weergeven hoe de koersontwikkeling is geweest. Gelet op deze voor de gepensioneerden onvoorzienbare negatieve ontwikkeling van de SRD ten opzichte van de USD komt deze voor rekening van de Suralco. Immers zal Suralco geen verlies lijden, daar het ten laste van Suralco uit te keren pensioenbedrag in USD niet verhoogd worden. Slechts de in SRD uit keren bedragen dienen te geschieden aan de hand van de toen geldende en thans actuele aankoopkoers van de USD van de Centrale Bank van Suriname.

6.9.7 Met de enkele overlegging van de brief van de heer Fick heeft Suralco onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het fonds in Suralco II pension plan geen enkele ruimte heeft om de pensioenen van de in Suriname wonende gepensioneerden (residents) te verhogen op de voet van de hiervoor onder 6.16. weergegeven toezegging van Suralco. Daarvoor is het volgende redengevend.
Alle premieafdrachten zijn door de gepensioneerden destijds in USD gedaan. Op het punt van de kapitaalvorming van het Suralco II pension plan is er daarmee geen enkel verschil tussen residents en non- residents. Het hele kapitaal wordt klaarblijkelijk in de Verenigde Staten aangehouden in USD.
Zeker na het algehele vertrek van Suralco in 2015, waarbij de laatste werknemers van Suralco in Suriname met vervroegd pensioen zijn gegaan, is niet aannemelijk geworden dat er nog nieuwe gepensioneerden onder het plan Suralco II pension plan zijn komen te vallen. Het aantal gepensioneerden en nabestaanden zal dus in de loop der jaren door sterfte van gerechtigden in dat fonds alleen maar afnemen, in tegenstelling tot normale pensioenplannen waar ieder jaar nieuwe gepensioneerden toetreden.
Dat blijkt ook uit de door de heer Fick geprognotiseerde afname van de zogenaamde accounting liability van op 1 januari 2016 USD 117.450.887,00 naar USD 87.400.00,00 per 1 januari 2019.
Verder volgt dit ook uit de afname van de unfunded liablity van USD 28.772 761,00 per 1 januari 2016 naar USD 21.320.109,00 per 1 januari 2019.
De marktwaarde van de activa van Suralco II pension plan was per 1 januari 2018 US 75.761.940,00 en is per 1 januari 2019 volgens Fick afgenomen naar US 66.079.891,00.
Een dergelijke grote afname van nominaal USD 9.682049,00 (meer dan 10%) in één jaar vraagt om een nadere toelichting, die echter niet wordt gegeven.
Evenmin wordt een verklaring gegeven van een eerdere grote afname van de marktwaarde van de activa van het Suralco II pension plan tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2017 met totaal USD 8.884.451,00.
Aldus heeft Suralco onvoldoende verantwoord wat de oorzaak is van de door haar gestelde te lage dekkingsgraad en waaraan dat is toe te rekenen alsook of dit door haar of het fonds op enigerlei wijze voorkomen had kunnen worden.
In het kader van dit kort geding en gelet op de door Suralco in 1994 gedane toezegging dat Suralco voortdurend de totale pensioenvergoeding zou evalueren voor mogelijke verhoging aan welke toezegging niet op de juiste wijze invulling is gegeven, moet deze onverklaarde afname van het kapitaal in het Suralco II pension plan voor rekening en risico van Suralco blijven.

6.9.8 Vooruitlopend op een mogelijke uitkomst van een nog aan te spannen bodemprocedure, acht ook het Hof van Justitie toewijzing van enig voorschot aan die gepensioneerden, dan wel die nabestaanden van de gepensioneerden die volgens de pensioenadministratie van Suralco daarvoor in aanmerking komen toewijsbaar. Aldus heeft Suralco het zelf in de hand om alleen uit te keren aan de volgens haar gerechtigde gepensioneerden, dan wel diens nabestaanden en heeft zij geen belang meer bij verdere vaststelling in kort geding welke personen het precies betreft.
Zo heeft Suralco ook geen belang meer bij schorsing van de procedure, omdat Suralco zelf in haar administratie kan nagaan welke pensioengerechtigde wanneer is overleden en of diens nabestaande nog in aanmerking komt voor enig nabestaandenpensioen.

6.9.9 Het hof zal bij de nadere vaststelling rekening houden met de (aan de USD gekoppelde) koersontwikkeling sindsdien, zoals gepubliceerd op de website van de Centrale Bank van Suriname te weten https://www.cbvs.sr/en/statistics/financial-market-statistics/daily-publications.
Aan de hand van deze gepubliceerde cijfers van de wisselkoersen zal het Hof een gemiddelde aankoopkoers van de USD periodiek bepalen vanaf 1 november 2015 tot heden om aan de hand daarvan te komen tot een schatting per periode tegen welke koers Suralco over die periode de pensioenen zal dienen uit te keren.
De aankoopkoers van de Centrale Bank van Suriname bedroeg alsvolgt:
vanaf 1 november 2015 tot en met 18 november 2015 SRD.3,25 voor USD.1,-
Vanaf 19 november 2015 tot en met 31 december SRD.3,96 voor USD.1,-
De gemiddelde aankoopkoers voor de USD over de periode 1 november 2015 tot en met 31 december 2015 is SRD.3,60 afgerond op SRD.3,-.
Vervolgens zal vanaf 2016 per jaar de gemiddelde maandkoers voor de USD worden bepaald aan de hand van de door de Centrale Bank van Suriname gepubliceerde cijfers op hun website Gemiddelde maandkoersen – Centrale Bank van Suriname (cbvs.sr) Gemiddelde_mndkrsn_1994-2019_NL.pdf (cbvs.sr).

Aangezien het gaat om toewijzing van een voorschot zullen de hierna te bepalen jaarlijkse gemiddelde koersen naar beneden in hele SRD’s worden afgerond.

Dit komt neer op een te hanteren koers voor de USD als volgt:
over het jaar 2016 vanaf januari tot en met december SRD. 7,21 afgerond op SRD.7,-;
over het jaar 2017 januari tot en met december SRD. 7,43 afgerond op SRD.7,-;
over het jaar 2018 januari tot en met december SRD. 7,40 afgerond op SRD.7,-;
over het jaar 2019 januari tot en met december SRD.7,40 afgerond op SRD.7,-;
over het jaar 2020 januari tot en met december SRD.9,23 afgerond op SRD.9,-;
over het jaar 2021 januari tot en met december SRD. 18,21 afgerond op SRD.18,-;
over het jaar 2022 januari tot en met december SRD. 24,12 afgerond op SRD.24,-;
over het jaar 2023 januari tot en met december SRD. 36,34 afgerond op SRD.36,-;

Voor de uit keren maandelijkse pensioenen vanaf 1 januari 2024 zal gelden, de op de eerste werkdag van de betreffende maand bepaalde aankoopkoers voor de USD bij de Centrale Bank van Suriname en wel na afronding naar beneden in hele SRD bedragen uitgedrukt.

Het reeds per maand uitgekeerde pensioenbedrag over bovenvermelde perioden zal vanzelfsprekend in mindering te worden gebracht op het te betalen bedrag over genoemde periode.

6.10. Het valt niet te ontkennen dat Suralco met deze beslissing in kort geding enig restitutierisico loopt. Dit risico is echter niet zodanig dat dit moet leiden tot afwijzing van de gehele vordering in kort geding, gezien het aanwezige kapitaal in Suralco II pension plan bij het fonds. Gelet op het feit dat de aanmerking komende gerechtigde gepensioneerden voor hun levensbehoeften geheel dan wel in grote mate afhankelijk zijn van hun pensioen, dient Suralco in de omstandigheden van dit geval dit restitutierisico te dragen. Daarbij slaat het Hof van Justitie ook acht op het feit dat het kapitaal van Suralco II pension plan door de afdrachten van gepensioneerden zelf in USD is opgebouwd en het kapitaal ook geheel in USD wordt aangehouden. Suralco heeft dus in het fonds in het geheel geen last gehad van de waardedaling van de SRD ten opzichte van de USD.

6.11. De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen afzonderlijke behandeling, want zij kunnen niet leiden tot een andere beslissing.

6.12. Het Hof van Justitie zal dus het eindvonnis van 24 oktober 2019 onder nummer AR 17-2599 vernietigen en in hoger beroep de vordering van de gepensioneerden toewijzen, als in de beslissing vermeldt.

6.13. Suralco moet in eerste aanleg en in hoger beroep aangemerkt worden als de in het ongelijk gestelde partij en dient daarom de proceskosten van de gepensioneerden te betalen.

7. De beslissing in hoger beroep in de zaken G.R. nummer 15889 (Civar-nummer 2019H00055) en G.R. nummer 15889A (Civar-nummer 2019H00056)

Het Hof:

7.1 verklaart het fonds niet ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep tegen de gepensioneerden;

7.2 verklaart de gepensioneerden niet ontvankelijk in hun vordering ingesteld tegen het fonds;

7.3 vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de kantonrechter in het eerste kanton bekend onder nummer A.R. No. 17-2599 en uitgesproken op 24 oktober 2019;

en opnieuw rechtdoende:

7.4 veroordeelt Suralco om aan die als eisende partij gepensioneerde werknemers dan wel hun nabestaanden die volgens de pensioenadministratie van Suralco daarvoor in aanmerking komen, bij wijze van voorschot, te betalen het hen respectievelijk verschuldigde maandelijkse pensioen in USD (Amerikaanse Dollars) uitgedrukt en uit te keren in SRD (Surinaamse Dollars) tegen de hierna weergeven gemiddelde koersen per USD.1,- en wel als volgt:
over de periode 1 november 2015 tot en met 31 december 2015 een koers van SRD.3,-;
over het jaar 2016 vanaf januari tot en met december een koers van SRD. 7,-;
over het jaar 2017 januari tot en met december een koers van SRD. 7,-;
over het jaar 2018 januari tot en met december een koers van SRD. 7,-;
over het jaar 2019 januari tot en met december een koers van SRD.7,-;
over het jaar 2020 januari tot en met december een koers van SRD.9,-;
over het jaar 2021 januari tot en met december een koers van SRD. 18,-;
over het jaar 2022 januari tot en met december een koers van SRD. 24,-;
over het jaar 2023 januari tot en met december een koers van SRD. 36,-;

7.5 veroordeelt Suralco om ingaande 1 januari 2024 aan die als eisende partij gepensioneerde werknemers dan wel hun nabestaanden, die volgens de pensioenadministratie van Suralco daarvoor in aanmerking komen, bij wijze van voorschot, te betalen het hen respectievelijk verschuldigde maandelijkse pensioen in USD (Amerikaanse Dollars) uitgedrukt en uit te keren in SRD (Surinaamse Dollars) tegen de op de eerste werkdag van de betreffende maand bepaalde aankoopkoers voor de USD bij de Centrale Bank van Suriname en wel na afronding naar beneden in hele SRD bedragen uitgedrukt.

7.6 verklaart de veroordeling onder 7.4 en 7.5 uitvoerbaar bij voorraad;

7.7 veroordeelt Suralco in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen aan de zijde van de gepensioneerden en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 1720,- (éénduizendzevenhonderdtwintig Surinaamse dollars)

7.8 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. M.V. Kuldip Singh leden,

                                                       w.g. D.D. Sewratan

en door de Fungerend-President mr. S.S.S. Wijnhard uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 maart 2024, in tegenwoordigheid van de Griffier, mr. M.E. van Genderen – Relyveld.

w.g. M.E. van Genderen – Relyveld            w.g. S.S.S. Wijnhard

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. H.R. Lim A Po Jr., gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2023-20

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 45/2023
Uitspraak: 14 augustus 2023
Parketnummer: 01 – 06 – 02471
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 16 juni 2014 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte], geboren op 16 december 1964 te Paramaribo, oud 58 jaar, monteur van beroep en wonende aan de [adres], niet in detentie verkerend;

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadsman, I.D. Kanhai, BSc., advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte door tussenkomst van zijn raadsman op 16 juni 2014 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Noch tegen de dagvaarding in eerste aanleg, noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen omstandigheden gebleken c.q. geen verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken c.q. geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton in eerste aanleg gewezen en uitgesproken op 16 juni 2014 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte terzake doodslag zoals hem in het Derde Kanton ten laste is gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaar, onder aftrek van de tijd in voorarrest – te weten vanaf 12 mei 2013 tot en met 17 juni 2013 – doorgebracht.

De verdediging heeft zich beroepen op noodweer c.q. noodweer exces, daarbij aanvoerend dat – kort gezegd – verdachte het slachtoffer niet bewust had opgezocht en dat juist het slachtoffer onverwachts met een stuk hout met daaraan een spijker op de verdachte afrende, waartegen verdachte zich had moeten beschermen met het noodlottig gevolg voor het slachtoffer.

Het vonnis waarvan beroep

Het Hof is gebleken dat het beroepen vonnis niet voldoet aan de eisen die artikel 343 e.v. van het Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid stelt aan het vonnis in het geding in eerste aanleg gewezen. Reeds daarom kan het Hof zich niet verenigen met het beroepen vonnis, redenen waarom het Hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton, van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vrijspraak

Het Hof is van oordeel dat de onder A ten laste gelegde ‘voorbedachte rade’ niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de tot het strafdossier behorende stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is onvoldoende bewijs aanwezig voor de vaststelling dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd. Uit de feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat verdachte met voorbedachte rade zich had begeven naar het slachtoffer. De verdachte was zich niet ervan bewust dat het slachtoffer zich ook daar bevond waar zijn vrouw was. Het is juist het slachtoffer geweest die eerst met een eind hout de straat is opgerend richting de verdachte. De verdachte zal op grond van al het voorgaande van de ten laste gelegde voorbedachte rade worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder A van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste is gelegd, zoals aangegeven in bijlage I, met dien verstande, dat hij:

op 12 mei 2013, te [district],

A. opzettelijk [SLACHTOFFER] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte opzettelijk met een mes, een steek toegebracht op de borst van die [SLACHTOFFER], tengevolge waarvan voornoemde [SLACHTOFFER] is overleden.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit:

Ter terechtzitting afgelegde verklaringen

1. De verklaring van de getuige [naam 1] afgelegd in hoger beroep ter terechtzitting van 6 april 2022, voor zover relevant voor het bewijs:
De verdachte is mijn echtgenoot. Op die bewuste avond was ik bij een zus van mij. Het slachtoffer was ook daar. De verdachte was niet bij mijn zus. Aan de hand van de gedragingen van zowel verdachte als het slachtoffer had ik ingezien dat tussen die twee een vechtpartij zou ontstaan. Ik hoorde de stem van de verdachte op straat. Toen ik dit zag dacht ik: “dit wordt moeilijk”. Ik stond op een afstand van 50 meters verwijderd van de plaats van het incident. Ik had de verdachte wel iets van “tide” horen zeggen. Ik had de stem van verdachte wel herkend. Het slachtoffer was met een houten plank gerend naar de verdachte die op straat stond. De verdachte wist dat ik een relatie had met het slachtoffer. De manier waarop het slachtoffer naar de verdachte toe ging was dreigend.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd in hoger beroep ter terechtzitting van 15 augustus 2022, voor zover relevant voor het bewijs:
Op die bewuste dag fietste ik naar huis. Ik zag de auto van mijn vrouw bij de woning van haar zus geparkeerd. Ik ben toen aldaar gestopt en schreeuwde ik het volgende naar mijn vrouw toe: “zo een moederdag dan ben je niet thuis met je kinderen”. Terwijl ik dat aan het schreeuwen was, zag ik het slachtoffer met een tjaplati (stuk hout) uit het erf van de woning van de zus van mijn vrouw komen en rende hij de straat op. Ik stond op straat met mijn fiets. Het slachtoffer rende met de plank of stuk hout waaraan een spijker bevestigd was op mij af. Ik heb toen uit zelfverdediging gehandeld. Een persoon had zijn zakmesje aan mij verpand en om die reden had ik toevallig dat zakmesje bij mij. Het is niet mijn gewoonte om bewapend met een mes te lopen. Het slachtoffer had mij voor dit incident tot twee keren toe op straat geslagen. Zodra het slachtoffer mij in het vizier kreeg, begon hij zich anders te gedragen. Het waren slechts een paar maanden dat mijn vrouw en ik niet samen met elkaar woonden. Toen ik voor mijn vrouw schreeuwde was mijn vrouw fysiek niet voor mij. In plaats van dat mijn vrouw kwam, kwam het slachtoffer met een stuk plank of hout op mij afstormen. Ik zat op mijn fiets op straat. Ik kon niet gelijk weg fietsen omdat in de tussentijd dat ik nog kon weg fietsen het slachtoffer eerder bij mij kon zijn. Ik was zelf verrast door het slachtoffer die rennend met een plank in mijn richting kwam. Er was niet veel ruimte dus ben ik van mijn fiets gesprongen. Ik had het mes in mijn hand.

Schriftelijke bescheiden

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal door [verbalisant 1], agent van politie 1e klasse, gesloten op 12 mei 2013, inhoudende de aangifte ambtshalve, voor zover relevant voor het bewijs (pagina’s 57-59):
Op dag, datum en tijdstip als eerder vermeld werd telefonisch bericht ontvangen van een belster dat een manspersoon kort tevoren met een mes is neergestoken aan de [straatnaam] . Op het vermeld adres werd een menigte aangetroffen en ook het lichaam van een manspersoon van creoolse komaf die geen tekenen van leven vertoonde. Voorts vertoonde het slachtoffer ter hoogte van zijn borststreek een verwonding waaruit bloed vloeide. Ter plaatse werd de persoon van [naam 2] aangetroffen en hij verklaarde dat hij een manspersoon met stemverheffing hoorde praten wat reden was voor hem om te gaan kijken wat er gaande was. Gekomen voor zijn woning zag hij het latere slachtoffer dat bij hem bekend is vanuit het erf lopen naar de richting van de straat en wel gewapend met een eindhout. Hij constateerde dat de man die met stemverheffing sprak de gehuwde man van [naam 1] was. Het slachtoffer rende de man van [naam 1] gewapend met een eindhout tegemoet en raakten die twee midden op de openbare weg in een worsteling. Ten tijde van de worsteling zag hij dat [verdachte] een mes in zijn hand hield en het slachtoffer op een gegeven moment wankelen en vervolgens enkele achterwaardse stappen maken waarna het slachtoffer op de noordelijke grasberm neerzeeg.

4. Een geschrift: een obductieverslag van 3 juni 2013, nummer G13-0068, opgesteld en ondertekend door drs. M.P.K. Chan, werkzaam bij het pathologisch-anatomisch laboratorium van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, betreffende een obductie op het lijk van [slachtoffer] op 13 mei 2013, geboren op 19 januari 1983, inhoudende als verklaring van drs. Chan voornoemd, voor zover relevant voor het bewijs:
Situatie:
Het betreft een man overleden na een steekverwonding.
Borstholte:
Het borstbeen toonde op het niveau van de 6e rib een schuinverlopende mechanische wond met scherpe wondranden, afm. 4*0,6cm. De wond liep van boven naar rechts onder. In het hartzakje werd 250 cc bloed en bloedstolsels gezien. Inspectie van het hartzakje toonde aan de voorzijde een defect met scherpe wondranden van 3,2*1,5cm. Aan de rechter achterzijde van het hartzakje werd een tweede defect gezien, afm. 1,7*0,5cm. De rechterzijde van het hart toonde 4cm onder het rechter hartoor een grote snij/steekwond van 5,5*1,5cm. De wond op de borst was 132cm verwijderd vanaf de binnenzijde van voetzoolrand (liggend gemeten).
Samenvattend:
Het betreft een 30 jaar oud geworden man overleden na een steekverwonding te hebben opgelopen in de borststreek. Het overlijden was ten gevolge van shock als gevolg van harttamponade (bloedophoping in het hartzakje) veroorzaakt door een steekverwonding aan het hart.

De strafbaarheid van het feit:

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

A. Doodslag, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht.

Het Hof overweegt ten aanzien van het beroep op noodweer het volgende:
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat:
– er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van de dader zelf of een ander en
– de gedraging geboden is (proportionaliteitseis) door de noodzakelijke verdediging (subsidiariteitseis) tegen die ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Het Hof overweegt dat de gedragingen van het slachtoffer – het rennen naar de verdachte toe met een gespijkerde eind hout, waarbij hij de verdachte dicht genaderd was – gekwalificeerd kan worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. Het is aannemelijk geworden dat deze situatie zodanig is geweest voor de verdachte dat de verdediging van zijn lijf noodzakelijk was. Op grond van de in de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden is het Hof evenwel van oordeel dat de gekozen gedragingen van verdachte – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding en dat daarmee niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Het Hof is van oordeel dat de verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging en de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden waardoor er geen geslaagd beroep gedaan kan worden op noodweer.

De strafbaarheid van de verdachte

Het Hof overweegt ten aanzien van het beroep op noodweerexces het volgende:

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging, verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding

Op grond van de feiten en omstandigheden die gebleken zijn uit het onderzoek is naar het oordeel van het Hof aannemelijk geworden dat verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, namelijk dat het latere slachtoffer rennend met een gespijkerde eind hout op hem afkwam. Bij het bewezen verklaarde feit gaat het om een verdachte die in feite niet bewust de confrontatie met het latere slachtoffer had opgezocht. De intentie van de verdachte was om zijn vrouw te roepen die zich op dat moment bij haar zus bevond. De verdachte was op straat en in plaats van dat zijn vrouw naar hem kwam, kwam het latere slachtoffer op zeer agressieve manier bewapend met een stuk hout met daaraan een spijker op de verdachte af. Vanwege de dreigende situatie op dat moment met daaraan gekoppeld de niet te verwaarlozen emoties zowel vanuit de zijde van de verdachte als die van het slachtoffer heeft verdachte het slachtoffer met een mes gestoken en heeft daarbij vanwege de door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakte emoties de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden en is te ver gegaan in zijn verdediging, doch is hij onder de gegeven omstandigheden niet strafbaar. Om deze reden zal het beroep op noodweerexces gehonoreerd worden en dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De verdachte is niet strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen alsmede de artikelen 65 lid 1 onder b en 66 onder c van het Wetboek van Strafrecht zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 16 juni 2014 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder A bij de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste gelegde heeft begaan, met uitzondering van de voorbedachte rade.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in het Derde Kanton onder A meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Doodslag, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar.

Ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-plaatsvervanger
bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend-griffier,
en uitgesproken te Paramaribo door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 14 augustus 2023.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh    w.g. A. Charan
                                                                                    w.g S. Punwasi
                                                                                    w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr.E.M. Ommen – Dors, Substituut – Griffier)

 

 

SRU-K1-2024-2

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202402060
21 mei 2024

Vonnis in kort geding in de zaak van:

De STAAT SURINAME, m.n. het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “de staat”,
eiseres,
gemachtigde: A.J. Heath LLM, advocaat,

tegen

De CONFEDERATIE VOOR ORGANISATIES VAN LANDSDIENAREN (COL), gevestigd te Paramaribo,
hierna te noemen: “COL”,
gedaagde,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 17 mei 2024 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 17 mei 2024;
  • de mondelinge conclusie van antwoord;
  • de aantekeningen van de griffier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Als uitvloeisel van het door de regering van Suriname uit te voeren herstructureringsprogramma van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) wordt de subsidie aan staatsbedrijven afgebouwd. Als gevolg hiervan heeft de Energie Bedrijven Suriname (EBS) per 06 maart 2024 aanpassing van de energietarieven doorgevoerd.

2.2 De COL heeft per brief de dato 05 mei 2024 aan de president van de Republiek Suriname bericht dat zij op 30 april jl. een brief heeft gestuurd naar hem over onder andere de verhoging van de energieprijzen en dat er ten aanzien hiervan noodzakelijk acties worden gevoerd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 De staat vordert dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de COL gelast om binnen 1 (één) uur na het in deze te wijzen vonnis de staking c.q. acties op te heffen en de overeengekomen werkzaamheden met onmiddellijke ingang door haar leden c.q. de leden van de bij haar aangesloten organisaties van onderwijsgevende, zijnde het syndicaat voor onderwijsgevenden WI SA STREY en de BIO te doen hervatten, bij gebreke waarvan zij aan de staat een dwangsom van SRD 50.000, – (vijftigduizend Surinaamse dollar) per uur zal betalen, althans een door de rechter te bepalen dwangsom;
b. de COL veroordeelt in de kosten voor rechtsbijstand en de kosten voor het geding aan de zijde van de staat gevallen van respectievelijk USD 1.605, – (een duizend zeshonderd vijf Amerikaanse dollar) en SRD 2.750, – (tweeduizend zevenhonderd vijftig Surinaamse dollar), al dan niet nader door de kantonrechter vast te stellen.

3.2 De staat legt aan haar vordering ten grondslag dat COL ten onrechte het middel van staking hanteert, terwijl er geen sprake is van een arbeidsconflict met haar.

3.3 De COL heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor
zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Niet in geschil is dat de kort geding rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil als hier aan de orde.

4.2 Col stelt dat de staat geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering omdat het nu pinkstervakantie is. De kantonrechter gaat hieraan voorbij, omdat het voortduren van het door de COL uitgeroepen acties bij te lang voortduren daarvan onherstelbare schade in het onderwijs te weeg kan brengen.

4.3 De Staat stelt dat op grond van artikel 33 van de Grondwet en artikel 11 lid 1 van de Wet Vrijheid Vakvereniging het stakingsrecht wordt erkend, behoudens beperkingen die uit het recht voortvloeien. Dat het stakingsrecht, uitgaande van de Wet Vrijheid Vakvereniging, een collectief recht van werknemers is dat niet los gezien kan worden van het collectief onderhandelen over arbeidsvoorwaarden. Dat voor de uitoefening van het stakingsrecht een belangengeschil is vereist. Dat op grond van artikel 1 van het Reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke Macht rechtsgeschillen voor beoordeling aan de rechterlijke macht moet worden voorgelegd. Dat de verhoogde energieprijzen (mede) geleid heeft tot de staking, geen geschil is over arbeidsvoorwaarden en er geen sprake is van een belangengeschil. Dat als gevolg van onder andere deze staking er achterstanden in het onderwijs zijn ontstaan die moeilijk ingelopen kunnen worden. COL stelt dat in het kader van de door de staat uit te voeren IMF economisch herstructureringsprogramma zij in overleg is met de President, om te komen tot een voor de werkende klasse aanvaardbare wijze afschaffen van de subsidie op energie. Dat zij aan de staat (President van de Republiek) schriftelijk kenbaar hebben gemaakt dat zij behalve over de energietarieven als gevolg van de afschaffing van de subsidie (aangeduid als A punt) ook overleg willen hebben over onder andere de koopkrachtversterking (aangeduid als B punten) voor de werkers die zij vertegenwoordigen. Dat de staat heeft toegezegd dat zij zouden worden uitgenodigd voor overleg over de B punten. De staat heeft hen kenbaar gemaakt dat de kwestie van de energietarieven reeds “gecleared” is en dat zij nog zullen worden uitgenodigd om overleg te hebben over onder andere de koopkrachtversterking (B punten). Dat zij een motie van haar ledenvergadering in november 2022 hebben overhandigd aan de staat (cluster ministers en de President van de Republiek), maar dat zij in mei 2024 van de President begrepen dat hij de motie die zijn hadden overhandigd nog niet had doorgenomen. Uitgangspunt voor het overleg met de staat is de in hun ledenvergadering aangenomen motie van november 2022. Dat het door de staat (President van de Republiek) toegezegd overleg over onder andere de koopkracht versterking maar niet van de grond kan komen.

4.4 De kantonrechter stelt voorop dat, het stakingsrecht een collectieve actierecht
van de COL is, welke door de Staat als grondrecht is erkent in artikel 33 van de Grondwet. De staking behoort derhalve een zekere mate van bescherming te genieten, omdat het een uitlaatklep kan zijn, daar waar conflicten zich hebben opgestapeld. Het stakingsrecht moet daarom worden beschouwd als de hoeksteen van een systeem van vrije collectieve arbeidsbetrekkingen. De leden van bij de COL aangesloten vakverenigingen zijn puur individueel niet opgewassen tegen de staat als werkgever. Als collectief kan de COL voor de leden van de bij haar aangesloten vakverenigingen de meest billijke arbeidsvoorwaarden bedingen, mits het stakingsrecht als stok achter de deur gereed staat, anders zou het collectief onderhandelen neerkomen op collectief bedelen. De werkstaking moet daarom in beginsel als een “vrijheid” dan wel als een “grondrecht” worden aanvaard. Stakingen zijn geen plezierige verschijnselen voor degene die daarmee te maken krijgen. Daarom wordt in onze rechtsorde de staking niet onbegrensd aanvaard. Wanneer de discussie tussen COL en de staat enkel betrekking heeft op arbeidsvoorwaarden is er sprake van een belangengeschil. Voor het uitoefenen van het stakingsrecht is een geschil over arbeidsvoorwaarden vereist. Uitgangspunt is daarom dat een staking in principe rechtmatig is, tenzij er zich omstandigheden voordoen, dat naar de heersende rechtsovertuiging, maakt dat een staking onrechtmatig is. Een staking kan onrechtmatig zijn indien:

1. de COL zwaarwegende procedureregels heeft veronachtzaamd of
2. indien op grond van afweging van alle omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang moet worden geoordeeld dat de COL in redelijkheid niet tot deze actie had kunnen komen.

De eerste beperking van het stakingsrecht heeft betrekking op het tijdig door COL aan de staat aanzeggen van de staking. De staat en ook derden mogen niet plotseling worden geconfronteerd met een staking. De lengte van de aanzegtermijn hangt af van de omstandigheden en de aard van de staking. Een belangrijk punt is de kwestie of de COL en de staat voldoende hebben getracht om met elkaar tot een compromis te komen. Hebben zij lang en serieus genoeg onderhandeld? De staking wordt gezien als het “uiterste middel”, waar pas naar mag worden gegrepen als minder vergaande middelen zijn uitgeput. Een staking kan slechts rechtmatig zijn als zij als uiterste middel is toegepast. De vraag of een staking in dit geval anders dan als uiterste middel is gehanteerd, zal door de kantonrechter met een zekere mate van terughoudendheid moeten worden toegepast. Het voorgaande volgt uit het feit dat het stakingsrecht een grondrecht betreft, maar ook de omstandigheid of er in korte tijd een ander middel dan staking kan worden gebruikt in een conflictsituatie.
De tweede beperking van het stakingsrecht heeft betrekking op de afweging van alle omstandigheden van dit geval in onderling verband en samenhang moet worden geoordeeld dat de COL in redelijkheid tot deze acties had kunnen komen. Deze beperking spits zich vooral toe op de schade die de acties veroorzaken. De aard van de staking, om druk op de staat uit te oefenen om concessies te doen, brengt met zich mee dat de schade die de staat als gevolg daarvan ondervindt geen op zichzelf staand punt is om een staking onrechtmatig te maken. Erkent wordt dat de te verwachten schade een zodanige omvang kan bereiken, dat beperking van het stakingsrecht van de COL noodzakelijk is.

4.5 De staat stelt dat de staking van de COL onrechtmatig is omdat het geschil tussen de COL en de staat betreft een rechtsgeschil, omdat volgens de COL haar actie betrekking heeft op de afschaffing van de subsidie op energie door de staat met als gevolg verhoging van de energie tarieven. Na de mondelinge toelichting van de COL komt de kantonrechter tot de conclusie dat het conflict tussen de staat en de COL niet alleen betrekking heeft op de vaststelling van de energietarieven, maar ook betrekking heeft op het bedingen van arbeidsvoorwaarden (aangeduid met B punten). In beginsel is een staking als gevolg van een conflict over arbeidsvoorwaarden rechtmatig, tenzij de COL het middel van staking heeft gehanteerd op een wijze die maakt dat het recht van staking onder de gegeven omstandigheden door de kantonrechter moet worden beperkt. Het feit dat de COL heeft gegrepen naar het middel van staking kort nadat zij tot de conclusie kwam dat de afspraken om de B. punten te bespreken niet door ging. Het voorgaande brengt met zich mee dat de COL onvoldoende getracht heeft om de staat te bewegen om op korte termijn aan te vangen met de bespreking van de B punten. Op grond van het voorgaande zal COL worden veroordeeld om aangekondigde acties te beëindigen en met de staat in overleg te treden om te komen tot de vaststelling van een datum waarop die punten, die betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden, kunnen worden besproken.

4.6 De vordering tot het betalen van de kosten voor rechtsbijstand zal worden afgewezen, omdat zulks niet is overeengekomen met de COL. Op grond van het procesreglement wordt in het algemeen aan de in het gelijk gestelde partij toegekend de kosten voor vastrecht, de kosten voor oproeping en het liquidatietarief.

4.7 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.8 De kantonrechter zal de kosten van het geding compenseren tussen de staat en COL. De kantonrechter wijkt in deze af van het gebruik dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld, omdat de door de COL vertegenwoordigde werkers onevenredig grote financiële offers moeten brengen als gevolg van de door de staat getroffen herstructureringsmaatregelen.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Gelast de COL om binnen één uur na de uitspraak van dit vonnis de staking c.q. acties op te heffen en met onmiddellijke ingang de bij haar aangesloten vakorganisaties van onderwijsgevenden, zijnde het syndicaat voor onderwijsgevenden WI SA STREY en de BIO, op te dragen dat hun leden het werk hervatten,

5.2 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.3 compenseert de kosten tussen de staat en COL. Iedere partij draagt zijn eigenkosten,

5.4 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei op 21 mei 2024 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-HvJ-2012-11

GR- 14671

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. DE STICHTING RUTU,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
B. [Appellant sub B],
wonende te [plaats],
appellanten,
hierna (ook) aangeduid als respectievelijk “de stichting” en “[appellant sub B]”,
gemachtigde: mr. E. van der Hilst, advocaat,

tegen

A. [Geïntimeerde sub A],
B. [Geïntimeerde sub B],
beiden wonende te [plaats],
geïntimeerden,
hierna (ook) aangeduid als respectievelijk “[geïntimeerde sub A]” en “[geïntimeerde sub A]”,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 20 juni 2006 (A.R.NO. 040170) tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerden als eisers,
spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 29 juni 2006 hoger beroep hebben ingesteld;
  • Ten dage voor het nemen van een pleitnota peremptoir  bepaald is er geen pleitnota genomen;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna  nader bepaald op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Geïntimeerden hebben in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd:
A. voor recht te verklaren dat zij overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst d.d. 3 juli 2000 de schuld aan appellanten in zijn geheel hebben voldaan en dat zij aan appellanten als onverschuldigd hebben betaald het bedrag van Euro 7.813,62.
B. Elk van de appellanten te veroordelen om binnen een week na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn te (doen) royeren de hypotheken die bij akten van respectievelijk notaris mr. L.D. Hirasingh en mr. J. Currie d.d. 27 december 1996 (register B deel 1066 no. 8491) en 10 maart 1999 (register B deel 1117 no. 6697) ten behoeve van appellanten en ten laste van geïntimeerden en de stichting op de aan geïntimeerden toebehorende onroerende goederen zijn gevestigd.
C. Appellanten te veroordelen om aan geïntimeerden te betalen het bedrag van Euro 7.813,62 vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar vanaf 13 januari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.
D. De stichting te veroordelen de eerder genoemde onroerende goederen binnen een week, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn terug te leveren aan geïntimeerden, vrij van hypotheken en beslagen en daartoe de vereiste notariёle akte te doen opmaken en te ondertekenen.
E. Elk van de appellanten te veroordelen tot betaling van een dwangsom van sf. 10.000.000,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan het voormelde te voldoen danwel in strijd daarmee te handelen.

1.2. De kantonrechter heeft de vorderingen van geïntimeerden bij vonnis van 20 juni 2006 toegewezen en daartoe, onder meer, overwogen dat gebleken is dat zij inderdaad aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan.

2.1 Appellanten hebben blijkens de aantekening van de griffier op 29 juni 2006 appel aangetekend tegen het vonnis van 20 juni 2006. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat appellanten vertegenwoordigd door mr. N.B. San A Yong namens hun gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Gelet op het voorgaande hebben appellanten ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering binnen de termijn van dertig dagen gerekend vanaf de dag der uitspraak en derhalve tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.
2.2. Appellanten hebben evenwel binnen de daarvoor bij artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde termijn geen memorie van grieven ingediend en evenmin hebben zij een pleitnota in hoger beroep ten processe overgelegd, hoewel zij daartoe ruimschoots de gelegenheid hebben gehad op de terechtzittingen in hoger beroep de dato 04 mei 2012, 01 juni 2012, 06 juli 2012 en 03 augustus 2012.
2.3. Nu appellanten geen grieven tegen het beroepen vonnis hebben aangevoerd en het hof ambtshalve evenmin feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die een vernietiging van het beroepen vonnis zouden rechtvaardigen, rest er niets anders dan het vonnis waarvan beroep te bevestigen;
2.4. Appellanten zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten.

De beslissing in hoger beroep
Het hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 20 juni 2006, waarvan beroep;

Veroordeelt appellanten in de gedingkosten aan de zijde van geïntimeerden in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en

                                                      w.g. A. Charan
door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 november 2012, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein                 w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal namens hun gemachtigde, advocaat mr. E. van der Hilst en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Amirkhan namens hun gemachtigde, advocaat mr. E.C.M. Hooplot, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2012-10

G.R.No. 14695

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
A. [Appellant sub A],
B. [Appellant sub B],
C. [Appellant sub C],
allen wonende in het [district 1],
appellanten, gedaagden in eerste aanleg (hierna ook aangeduid als “[appellanten]”),
gemachtigde: mr. N.B. San A Jong, advocaat,

tegen

A. [Geïntimeerde sub A],
B. [Geïntimeerde sub B],
C. [Geïntimeerde sub C] ,
D. [Geïntimeerde sub D],
E. [Geïntimeerde sub E],
F. [Geïntimeerde sub F],
G. [Geïntimeerde sub G],
H. [Geïntimeerde sub H],
I. [Geïntimeerde sub I],
J. [Geïntimeerde sub J],
K. [Geïntimeerde sub K],
L. [Geïntimeerde sub L],
M. [Geïntimeerde sub M],
N. [Geïntimeerde sub N],
O. [Geïntimeerde sub O],
sub A, J, L, M en N, wonende in het [district 1],
sub B, I, K, O, wonende in het [district 2],
sub C, D, E, F, G en H, wonende in het [district 3],
geïntimeerden, eisers in eerste aanleg (hierna ook aangeduid als de “[geïntimeerden]),
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Derde Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 27 december 2011 bekend onder A.R. 115245 tussen partijen als [appellant] en geïntimeerden als eisers,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

De in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis vermelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaar is gemaakt, dienen ook in hoger beroep tot uitgangspunt.
Het gaat in dit geding om het volgende.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit het volgende processtukken:

  • pleitnota d.d. 16 maart 2012, houdende vier grieven, met productie;
  • antwoord pleitnota en uitlating productie d.d. 23 maart 2012 met producties;
  • repliek pleitnota en uitlating productie d.d. 3 april 2012 met producties;
  • dupliek pleitnota en uitlating productie d.d. 20 april 2012 met producties;
  • de conclusie tot uitlating productie met productie zijdens appellanten;
  • de conclusie tot uitlating producties zijdens geïntimeerden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het appel is ontvankelijk omdat het binnen de door de wet gestelde termijn is aangetekend.

De beoordeling
1. Geïntimeerden zijn de weduwe en de kinderen van de overleden [naam] (hierna [naam]). [naam] is op 6 november 2011 overleden te Paramaribo. Het stoffelijk overschot van [naam] is nog niet begraven.

2. De geïntimeerden hebben na aanvulling van eis (primair) ondermeer gevorderd om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle
dagen en uren:
De [appellanten] te verbieden om op welke wijze dan ook een inbreuk te plegen op hun besluit en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam] te begraven te [plaats] aan de bovenloop van de Suriname rivier in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelische Gemeente en dat de familie en de zijnen voornoemde begrafenis zullen gehengen en gedogen onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 10.000,– voor elke keer waarop zij in strijd handelen met het ten deze te wijzen vonnis des de één betalende de ander zal zijn bevrijd.
Tevens hebben zij ondermeer gevorderd dat zij worden gemachtigd om ter uitvoering van het ten deze te wijzen vonnis desnoods de hulp van de Sterke Arm in te roepen.

3. De geïntimeerden hebben aan hun vordering kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat [naam] die behoorde tot de Awana-lo en lid was van de Volle Evangelie Gemeente, de toestemming heeft van de Granman van het [district 1], Belfon Aboikonie, om te [plaats] te wonen, te sterven en te worden begraven. Tevens hebben zij gesteld dat de districtscommissaris eveneens toestemming heeft verleend dat [naam] te [plaats] mag worden begraven en dat de overige familie zich tegen vermelde begrafenis verzet.

4. De [overige familie] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. In de eerste plaats heeft zij aangevoerd dat de geïntimeerden onderworpen zijn aan de beslissing van de oudsten van de Awana-lo (onderstam) en bovenal van het geldend stamrecht. Vervolgens voert zij aan dat [plaats] geen dorp is maar een kost grond. Voorts dat zij geen bemoeienis wil hebben met het lijk van [naam] maar dat zij zich verzet tegen de begrafenis van [naam] te [plaats]. Dat de plaats waar [naam] zal worden begraven geen begraafplaats is en dat volgens de Saramacaanse regels en normen en de Saramacaanse traditie het niet geoorloofd is om op betreffende plaats een begraafplaats in te richten, aldus de [appellant].

5. Bij vonnis van de Kantonrechter van 27 december 2011 bekend onder AR.No. 115245 waarvan beroep, heeft de Kantonrechter in kort geding onder meer de [appellanten] verboden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van de geïntimeerden en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam] te begraven te [plaats] aan de bovenloop van de Suriname Rivier in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie Gemeente;
Tevens zijn de geïntimeerden door de Kantonrechter gemachtigd om, indien de [appellanten] zich niet houdt aan het verbod genoemd, de hulp van de Sterke Arm in te roepen teneinde hen bij te staan bij de uitvoering van het vonnis. Voorts is de [appellanten] veroordeeld tot het betalen van een dwangsom aan de geïntimeerden van SRD. 10.000,– (tienduizend Surinaamse dollar) per keer, het totaal van SRD. 50.000,– niet te boven gaand, indien zij zich niet houden aan het voornoemde verbod des de een betalend de anderen bevrijd zullen zijn;
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6. De [overige familie] heeft in hun pleitnota vier grieven opgeworpen. De grieven een tot en met drie komen voor gezamenlijke bespreking in aanmerking omdat zij betrekking hebben op de redenen van het verzet om [naam] te begraven te [plaats]. Zij stelt dat [plaats] geen dorp is omdat het niet voldoet aan de daaraan door de Minister van Regionale Ontwikkeling gestelde eisen en dat voor het inrichten van een begraafplaats de toestemming van de districtscommissaris van [district 1] is vereist en daarnaast de goedkeuring/toestemming van de Granman van dat gebied. Zij stelt tevens dat deze toestemming/goedkeuring van de Granman niet is verleend en de toestemming van de districtscommissaris eveneens ontbreekt. Voorts stelt zij dat de Kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat de vereiste toestemming door de Granman is verleend en de toestemming van de districtscommissaris om [naam] te [plaats] te begraven, is gegeven. Zij vraagt, naar het Hof begrijpt, vernietiging van het bestreden vonnis en concludeert tot alsnog niet-ontvankelijk verklaring van de weduwe en de kinderen Jabinie in hun vordering althans hun vordering te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen.

7. De geïntimeerden hebben gemotiveerd gesteld dat de Granman toestemming/goedkeuring heeft gegeven om [naam] te begraven te [plaats]. Deze stellingen hebben zij onderbouwd met producties. Tevens hebben zij gesteld dat de districtscommissaris toestemming heeft gegeven c.q. de toezegging heeft gedaan om [naam] te begraven te [plaats], welke stellingen zij eveneens hebben onderbouwd met producties. De [overige familie] bestrijdt deze stellingen eveneens gemotiveerd en onderbouwd en blijft daarin volharden. Op deze stellingen komt het Hof naderhand nog terug.

8. Het Hof overweegt dat het Surinaams recht toepasselijk is op het gehele grondgebied van de Republiek Suriname. Vaststaat dat [plaats] is gelegen in het [district 1]. Omdat het [district 1] deel uitmaakt van het grondgebied van Suriname is ook aldaar het Surinaams recht toepasselijk. Vooropgesteld wordt dat de bronnen van het Surinaams recht van hiërarchie zijn: 1) Verdrag, 2) Wet, 3) Jurisprudentie en 4) Gewoonte. Artikel 80 van de Grondwet van de Republiek Suriname bepaalt ondermeer dat wetten onschendbaar zijn behoudens het bepaalde in de artikelen 106, 137 en 144, daarvan. In casu is er geen sprake van een geval als bedoeld in de laatstgemelde wetsartikelen.

9. De artikelen 1, 15 en 16 van de wet van 23 augustus 1926 tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven en cremeren van lijken, de begraafplaatsen en crematoria en de begrafenisrechten zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2007 no. 91 (Begrafeniswet) waarop de overige familie zich beroept, bepaalt ondermeer het volgende:

Artikel 1: Elke overleden persoon of dood geboren kind wordt in een gesloten kist begraven op een bij of krachtens deze wet aangelegde of toegelaten begraafplaats of gecremeerd in een bij of krachtens deze wet opgericht of toegelaten crematorium tenzij in deze wet anders is bepaald.

Artikel 15: Het bestuur zorgt voor de aanleg van een of meer algemene begraafplaatsen, wanneer en waar het dit nodig acht. Bijzondere begraafplaatsen kunnen worden aangelegd met verlof van de president.
Verlof tot het aanleggen van een bijzondere begraafplaats tbv de leden ener kerkelijke gemeente wordt aan het bestuur dier gemeente niet geweigerd, dan wanneer de aangewezen plaats niet aan de wettelijke plaatsen voldoet.

Artikel 16: Ten behoeve der bevolking van Plantages en gronden kan door eigenaar of huurder, mits op de in het volgend artikel bepaalde afstand van elk bebouwd gedeelte, een plaats voor het begraven van lijken worden aangelegd.
De aanleg geschiedt niet dan na verkregen verlof en op aanwijzing van de betrokken Districts-Commissaris.
Bij weigering van het verlof staat beroep open bij de Procureur-Generaal.

De stelling van de geïntimeerden dat de districtscommissaris toestemming heeft gegeven c.q. toezegging heeft gedaan om [naam] te [plaats], te begraven wordt onderbouwd door het citeren van uitspraken die de D.C. zou hebben gedaan in bespreking met partijen en andere personen die aanwezig waren bij die besprekingen. Uit het antwoordpleitnota wordt, voor zover hier van belang, alsvolgt geciteerd wat volgens de aanwezigen de D.C. zou hebben verklaard:

8 november 2011 (pag 10):
“………………..
De D.C. zou de nabestaanden ondersteunen in hun besluit om [naam] te begraven te [plaats]. Daarom moesten ze met spoed een brief aan de DC richten en naar Nw. Aurora reizen voor een bespreking met de familie van [naam] over diens besluit begraven te worden te [plaats].
De D.C. zegt zij zich niet ongerust hoeven te maken. Hij gaf 2 mogelijkheden om [naam] te begraven.
De eerste was een korte weg, namelijk begraven worden in de stad.
De andere mogelijkheid was een lange weg, waarbij het lijk wordt begraven op [plaats] volgens zijn volle Evangelie geloof. Hij gaf aan dat bij de tweede mogelijkheid er onderhandeld zou moeten worden met de familie, maar het doel zou uiteindelijk bereikt worden. Bij een vervolg gesprek geeft hij bij de tweede mogelijkheid aan niet te weten hoe het zou eindigen.
…..
De D.C. vraagt dat E.C.S. een brief met spoed richt aan hem, waarin wordt opgenomen het recht als kerk om [naam] op [plaats] te begraven. Hij zal de Granman onmiddellijk bellen, en indien nodig zelfs de President contacten. Hij zal zorgen voor de begrafenis met politie begeleiding.

Aan de D.C. wordt gevraagd om een brief voor nieuw Aurora, waarbij hij aangeeft als D.C. geen bezwaar te hebben dat het lijk van [naam] begraven wordt op [plaats]. Hij geeft aan geen problemen te hebben om de brief af te geven, waarin zijn toestemming voor het begraven van [naam] op [plaats] is vastgelegd, maar vraagt zich af wat voor waarde het zal hebben voor de familie hoofden voor nieuw Aurora. Bij een ander gesprek thuis bij de familie geeft hij hetzelfde aan, en dit is vastgelegd op cd……..”

21 november 2011 (Pag 11):
“….
Bij dit gesprek gaf de D.C. aan niet te weten hoe dit proces zou eindigen.
…ze reageren nu anders dan beloofd was. Ik kan niet alleen over de drempel. Welke bevoegdheid heb ik als D.C.?
……..”

03 december 2011 )pag 11):
“….
De D.C. heeft toegezegd een brief te zullen geven waarin hij toestemming voor de begrafenis van [naam] te [plaats] is vastgelegd, voorzien van een stempel. Want wat hem betreft heeft hij geen moeite dat [naam] begraven wordt te [plaats]. Hij kan zelf beargumenteren waarom want hij heeft dat boekje van [naam] gelezen. En zijn toestemming kan hij als Hulp Officier van Justitie sanctioneren met militaire en politie begeleiding. Zijn enige bezorgdheid was, wat voor effect zal het hebben voor de mensen van Nieuw Aurora.
……..

Ik zeg het je, als D.C. kan ik een brief geven, dat jij van de D.C. toestemming hebt om het lijk te begraven te [plaats]. En ik zal politie agenten en militairen meegeven om het lijk te begeleiden naar de begraafplaats. Maar weet jij wat bij de mensen aan de andere kant speelt ?”.
Daarna heeft [Geïntimeerde sub D] gevraagd dat hij (de D.C.) voor ons de toestemming vast legt op papier, zodat de mensen kunnen zien dat Suriname één is, want zij beweren dat de huwelijkswetten niet verder dan tot Atjonie van toepassing zijn, maar dat is niet waar. We zullen geen misbruik maken van die brief om te keer te gaan maar we zullen met de toestemming in handen door gaan met onderhandelen om onze nederige houding te blijven tonen.
…….
Wat de D.C. betreft hij heeft geen moeite een brief mee te geven met de verklaring, dat hij geen problemen erin ziet het lijk te begraven te [plaats]. Maar de vraag is welke effect zal het hebben voor de mensen aan de andere kant. Aan wie zal de brief overhandigd worden ? Zal die persoon het verstaan ? Er zullen mensen zijn die zich zullen afvragen, wie is de D.C.. Ik kan de brief zelf voorzien van argumenten uit het boek van de vader en stempel van de overheid, maar welke effect zal die brief hebben?”.

Het Hof leidt uit deze bewoordingen, indien en voor zover ze door de D.C. zijn gebezigd, af dat de D.C. steeds in beraadslaging is geweest met de familie en derden en zelfs komt het hof voor dat hij luidop nadenkend heeft gesproken. Niet valt uit deze bewoordingen af te leiden dat hij tot een definitieve beslissing is gekomen danwel een verlof in de zin van artikel 16 van de begrafeniswet heeft verleend.

Voorts is niet gesteld danwel gebleken dat hij de aanwijzing zoals vereist ingevolge artikel 16 van de begrafeniswet heeft gedaan. Dit komt het hof logisch voor daar blijkens genoemd artikel 16 de aanwijzing volgt na verlofverlening hetgeen niet heeft plaatsgevonden.

Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken dat krachtens artikel 15 van dezelfde wet, te
[plaats] een algemene begraafplaats is aangelegd mag ervan worden uitgegaan dat aldaar een algemene begraafplaats ontbreekt.

10. Het Hof begrijpt dat de geïntimeerden met de stelling, dat het in het binnenland traditie en gebruik is dat de Granman degene is die aanwijst waar er mag worden begraven en dat zij daarom reeds aan de toestemming/goedkeuring van de Granman om [naam] te begraven te [plaats] het recht ontlenen om die begrafenis aldaar te doen plaatsvinden, een beroep doen op gewoonterecht. Echter artikel 2 van de Wet van 4 september 1868 no. 17, houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van Suriname (G.B. 1868 no. 14), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzingen bij G.B. 1893 no. 35, G.B. 1914 no. 32, G.B. 1918 no. 28, S.B. 1975 no. 171 (Wet AB), bepaalt dat gewoonte geen recht geeft dan alleen wanneer de wettelijke regelingen daarop verwijzen. Daarnaast zijn er, voor zover kon worden nagetrokken, geen wettelijk regelingen die wijzen op de door de geïntimeerden gestelde gewoonterecht. Zij kunnen derhalve rechtens geen beroep daarop doen. Echter komt het het Hof voor dat de consultaties van de Granman en de toestemming die de Granman verleent van belang is voor de D.C. in het kader van de zorgvuldigheid die hij in acht dient te nemen, rekening houdende met de gevoelens van de plaatselijke bevolking en het traditioneel plaatselijk bestuur, bij het nemen van een besluit z.a. in casu om tot verlofverlening te kunnen overgaan.

11. Uit hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 van dit vonnis volgt dat, de aangevoerde grieven 1 tot en met 3 slagen zodat als na te melden zal worden beslist.

12. Grief vier betreffende de veroordeling door de Kantonrechter van de dwangsom komt, gelet op de overwegingen van het Hof bij het beoordelen van de grieven een tot en met drie, niet meer voor bespreking in aanmerking.

13. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het bestreden vonnis worden vernietigd en de vordering alsnog worden afgewezen.

14. De geïntimeerden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing in Kort Geding:

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering alsnog af;

veroordeelt de geïntimeerden in de kosten van de procedure van beide instanties, en begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 juli 2012, in tegenwoordigheid van
mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Veldkamp namens hun gemachtigde, advocaat mr. N.B. San A Jong en geïntimeerden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. T.S. Sewdien, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2012-9

G.R.No. 14696

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
A. [appellant sub A],
B. [appellant sub B],
C. [appellant sub C] ,
D. [appellant sub D],
E. [appellant sub E],
F. [appellant sub F],
G. [appellant sub G],
H. [appellant sub H],
I. [appellant sub I],
J. [appellant sub J],
K. [appellant sub K],
L. [appellant sub L],
M. [appellant sub M],
N. [appellant sub N],
O. [appellant sub O],

sub A, J, L, M en N, wonende in het [district 1],
sub B, I, K, O, wonende in het [district 2],
sub C, D, E, F, G en H, wonende in het [district 3],
geïntimeerden, eisers in eerste aanleg (hierna ook aangeduid als de “[appellanten]),
gemachtigde: mr. T.S. Sewdien, advocaat,

tegen

De Staat Suriname, met name
a. de Procureur-Generaal, bij het Hof van Justitie van Suriname,
b. het Ministerie van Regionale Ontwikkeling,
c. de Districts Commissaris van het [district 1],
bestuursressort Boven Suriname (hierna ook aangeduid als de Staat Suriname),
domicilie kiezende te Paramaribo,
geïntimeerden, gedaagden in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter van het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding d.d. 20 februari 2012 (A.R.No. 120502) tussen appellanten als eisers en geïntimeerden als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • pleitnota d.d. 4 mei 2012, houdende grieven, met productie;
  • antwoord pleitnota en uitlating productie d.d. 18 mei 2012 met producties;
  • repliek pleitnota en uitlating productie d.d. 25 mei 2012;
  • dupliek pleitnota d.d. 1 juni 2012.

De beoordeling
1. Het appél is ontvankelijk omdat het binnen de door de Wet gestelde termijn is aangetekend.

2. Tussen partijen staat het volgende vast:

  • appellanten zijn de weduwe en de kinderen van de overleden [naam] (hierna [naam]),
  • [Naam] is op 6 november 2011 overleden te Paramaribo. Het stoffelijk overschot van [naam]is nog niet begraven.

3. Bij vonnis van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245 heeft de Kantonrechter in Kort Geding onder meer de overige [familie] verboden om op welke wijze dan ook inbreuk te plegen op het besluit van de [appellanten] en de uitvoering daarvan, om het stoffelijk overschot van hun echtgenoot en vader [naam] te begraven te [plaats] aan de bovenloop van de Suriname Rivier in het [district 1] conform diens geloof in Jezus Christus en de geloofsgemeenschap van de Volle Evangelie Gemeente;
Tevens zijn de [appellanten] door de Kantonrechter gemachtigd om, indien de [overige familie] zich niet houdt aan het verbod genoemd, de hulp van de Sterke Arm in te roepen teneinde hen bij te staan bij de uitvoering van het vonnis.
Voorts is de [overige familie] veroordeeld tot het betalen van een dwangsom aan de [appellanten] van SRD. 10.000,– (tienduizend Surinaamse dollar) per keer, het totaal van SRD. 50.000,– niet te boven gaand, indien zij zich niet houden aan het voornoemde verbod des de een betalend de anderen bevrijd zullen zijn;
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4. De [overige familie] verzet zich tegen de begrafenis van [naam] te [plaats]. Naar aanleiding van vermeld verzet hebben de [appellanten] ter uitvoering van het vonnis van de Kantonrechter van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245 de hulp van de Sterke Arm ingeroepen, met name hebben zij gevraagd om politie begeleiding bij het vervoeren naar en begraven van het stoffelijk overschot van [naam] te [plaats]. Dit verzoek is niet gehonoreerd door de Staat Suriname. De [appellanten] hebben de Kantonrechter hierna geadieerd met het verzoek om bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad de Staat Suriname te veroordelen tot het verlenen van hulp van de Sterke Arm als bepaald in het vonnis van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245. Die gevraagde voorziening is geweigerd door de Kantonrechter in Kort Geding bij vonnis d.d. 20 februari 2012 bekend onder A.R.No. 120502, waarvan beroep.

5. Bij vonnis van het Hof van Justitie d.d. 6 juli 2012 is het vonnis van de Kantonrechter van 27 december 2011 bekend onder A.R. No. 115245 vernietigd en de oorspronkelijke vordering alsnog afgewezen. Nu, de [appellanten] aan hun vordering, die heeft geleid tot het vonnis van 20 februari 2012 bekend onder A.R. No. 120502, ten grondslag hebben gelegd dat de Staat Suriname geen uitvoering wenst te geven aan hetgeen is bepaald in het vonnis van 27 december 2011 bekend onder A.R.No. 115245, en dit laatst vermeld vonnis thans door het Hof is vernietigt en de oorspronkelijke vordering alsnog is afgewezen, is de grondslag van die vordering komen weg te vallen. Het Hof komt daarom niet meer toe aan de bespreking van de door de [appellanten] opgeworpen grieven.

6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding d.d. 20 februari 2012 bekend onder A.R.No. 120502, waarvan beroep, worden bevestigd, zij het op andere gronden.

7. De [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing in Kort Geding:

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep; onder aanvulling van de gronden zoals vermeld onder rechtsoverweging 5.

veroordeelt de [appellanten] in de kosten van de procedure van beide instanties, en begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 juli 2012, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun             w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. T.S. Sewdien en geïntimeerden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advocaat mr. A.W. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld