SRU-HvJ-2004-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14096

 

[Appellant], wonende in het [district] aan [straatnaam], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat, 

 appellant,

 t   e  g  e  n 

 

DE STAAT SURINAME met name HET MINISTERIE VAN ARBEID, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.Struiken, advokaat,

geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 21 maart 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

 TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.F.F.P.Truideman en advokaat Mr.H.E.Struiken, gemachtigde van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen; hebbende advokaat Mr.H.E.Struiken gepersisteerd bij zijn stellingen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 juni 2003, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant in onderdeel a van het petitum vordert, dat voor recht wordt  verklaard dat de dienstbetrekking tussen hem – appellant – en de Surinam American Industries (SAIL) nog steeds voortduurt;

Overwegende, dat appellant door het gevorderde in onderdeel a van het petitum een declaratoire uitspraak van het Hof verlangt;

Overwegende, toch, dat declaratoir de beslissing is welke strekt tot het vaststellen wat omtrent een rechtsverhouding rechtens is;

Overwegende, dat, naar blijkt, appellant zijn vordering tegen geintimeerde blijkens de aantekening van de Griffier op 13 oktober 1995 heeft ingediend;

Overwegende, dat appellant bij het op 11 april 2003 gehouden verhoor desgevraagd heeft verklaard in het jaar 1996 door de direktie van SAIL te zijn ontslagen;

Overwegende, dat nu appellant in het jaar 1996 is ontslagen en de dienstbetrekking tussen hem en de Surinam American Industries Ltd (SAIL) in het jaar 1996 door zijn ontslag is beëindigd, dient toewijzing van het in onderdeel a van het petitum gevorderde achterwege te blijven kunnende het Hof immers anno 2004 niet meer geven, een beslissing hiertoe strekkende dat een dienstbetrekking, die in het jaar 1996 door ontslag van de werknemer rechtens beëindigd is, nog steeds voortduurt;

Overwegende, dat Wij ten aanzien van het in onderdeel b van het petitum gevorderde opmerken, dat een gerechtelijke aktie van een werknemer tegen een beschikking van de Minister van Arbeid als voormeld uitgesloten is omdat de bevoegdheid van de Minister de rechtspositie van de werknemer niet raakt wordende die rechtspositie immers uitsluitend beheerst door de arbeidsrechtelijke verhouding met de werkgever en de daarop van toepassing zijnde rechtsregels, neergelegd in de artikelen 1613 a BW;

Overwegend, dat de Kantonrechter, zij het op andere gronden, appellant terecht niet ontvankelijk verklaard heeft in zijn vordering;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis de dato 17 maart 1998 ontwikkelende grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, dat vonnis, zij het onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, zal bevestigen;

Gezien de betrekkelijk wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 17 maart 1998 tussen partijen gewezen  waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op sf….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op sf……..

 

Aldus gewezen door:  Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en  Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 februari 2004, in tegenwoordigheid van Mr..M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

SRU-HvJ-2004-13

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14086.

DE STICHTING “BIANCA”, rechtspersoon en gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,
appellante in Kort Geding,

t e g e n

DU MARONI INTERNATIONAL N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.W.C.Pengel, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 19 juli 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens appellante bepaald advokaat Mr.J.Nibte namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot uitstel heeft gevraagd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, terwijl advokaat Mr.E.C.M.Hooplot vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 21 februari 2003, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat in het hiernavolgende de procespartijen Du Maroni Internationaal N.V., de Stichting “Bianca”, [naam 1], Mr.R.G.Rodrigues gemakshalve (ook) respectievelijk aangeduid zullen worden als Du Maroni, Bianca, [naam 1] en de instrumenterende notaris. Ook het vonnis van de kort gedingrechter gewezen en uitgesproken op 31 oktober 1996 zal in het hiernavolgende (ook) aangeduid worden als het bestreden vonnis;
Overwegende, dat hier gepersisteerd wordt bij hetgeen bereids in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. Aannemelijk is geworden dat Du Maroni bij de bodemrechter binnen 2 weken na uitspraak van het bestreden vonnis een vordering tegen Bianca en [naam 1] heeft aangelegd inzake de onderwerpelijke materie, welke aanhangig making op straffe van verval van het bestreden vonnis was bepaald. Bijgevolg heeft Bianca een rechtens te respecteren belang bij dit hoger beroep.
Overwegende, dat het hoger beroep, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, tijdig en op de juiste wijze ingesteld is. Bianca is danook in haar beroep ontvankelijk.
Overwegende, dat ook in hoger beroep het spoedeisend belang genoegzaam aanwezig blijkt te zijn.
Overwegende, dat in de overgelegde pleitnota d.d. 20 juli abusievelijk staat vermeld dat Du Maroni de appellante is, met als gemachtigde Mr.E.C.M.Hooplot en Bianca, de geintimeerde is, met als gemachtigde Mr.W.C.Pengel. Dit abuis wordt hersteld. Bianca is appellante met als gemachtigde Mr.E.C.M.Hooplot en Du Maroni is geintimeerde met als gemachtigde Mr.W.C.Pengel. Terzake hiervan wordt aan partijen de verzochte akte verleend.
Overwegende, dat Bianca tegen het bestreden vonnis grieven heeft ontwikkeld, zoals door haar zijn verwoord in haar pleitnota, welke hier herhaald en overgenomen gelden, e.e.a. voorzover van belang;
Overwegende, dat hier, als blijkende uit de niet bestreden produkties, ervan uitgegaan kan worden dat Bianca op 15 oktober 1996 heeft willen overgaan tot executie ingevolge artikel 1207 BW, van hypothecair verbonden goederen toebehorende aan Du Maroni, waarvan de akten van geldlening en hypotheekstelling dateren van 5 december 1994 en 12 april 1995;
Overwegende, dat Du Maroni zich tegen de voorgenomen executie met succes heeft verzet bij de Kortgeding Rechter, die Du Maroni in het gelijk stellende, de schorsing van de executie heeft bevolen om redenen zoals aangehaald in dat vonnis, waarvan thans beroep;
Overwegende, dat – thans overgaande tot bespreking van de aangevoerde grieven – grief A geen stand kan houden, vermits de Kantonrechter terecht heeft overwogen dat een partij in een geding heeft bevoegd is het mandaat van de advokaat van de wederpartij te betwisten, omdat in het algemeen de vereiste opdracht van de advokaat wordt verondersteld te zijn verstrekt, zolang niet de door die advokaat vertegenwoordigde partij zich daartegen met vrucht heeft verzet op de in artikel 191 E.V. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven wijze;
Overwegende, dat de artikelen 191 E.V. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onverkort van toepassing zijn op alle soorten gedingen en dat terzake voormeld incident het Kortgeding – ook niet naar de aard genomen – geen uitzondering vormt;
Overwegende, dat voormelde opvatting aldus geen ruimte laat om, buiten gemelde incident afgelegde verklaringen door deze of gene, voorlopige waarde toe te kennen in voege dat daaraan consequenties verbonden moeten worden als ware er sprake van een desaveu-incident;
Overwegende, dat ook indien anders zou worden geoordeeld, Bianca niet succesvol zou zijn in haar grief, vermits uit de notulen van de vergadering van aandeelhouders van 30 november 1995, [naam 2] tot algemeen direkteur van Du Maroni is benoemd, nadat [naam 3] met onmiddellijke ingang als direkteur was ontslagen, die op geen enkele wijze in gemeld Kortgeding kenbaar heeft gemaakt de gerechtelijke verrichtingen van de advokaat van Du Maroni te ontkennen. Mitsdien moet, naar het voorshands oordeel van het Hof, het ervoor gehouden worden dat de gemachtigde namens Du Maroni bevoegdelijk optreedt. De grief, die van een tegenovergestelde opvatting uitgaat, moet danook falen;
Overwegende, dat grief B ertoe strekt te betogen dat nu de eerste rechter ten aanzien van de instrumenterende notaris heeft geoordeeld dat deze niet onzorgvuldig heeft gehandeld, zulks tot voordeel van Bianca had moeten strekken, zodat Bianca terecht ervan mocht uitgaan dat Du Maroni behoorlijk en bevoegd vertegenwoordigd was bij de litigieuze geldleningen met hypotheekstelling. Deze grief is vruchteloos voorgesteld en wel om tweeërlei redenen. Allereerst heeft de Kantonrechter in zijn bestreden vonnis geen gewag gemaakt dat de instrumenterende notaris niet onzorgvuldig heeft gehandeld, doch slechts overwogen dat het verwijt gericht aan de instrumenterende notaris door deze gemotiveerd is weersproken, waartegen nu het Kortgeding zich niet leent voor bewijsopdrachten van – kort gezegd – ingewikkelde aard. De eerste rechter was bovendien zoals terecht in het bestreden vonnis is overwogen tot het geven van een inhoudelijk oordeel – het al dan niet onzorgvuldig handelen – jegens de instrumenterende notaris niet gehouden nu jegens deze geen concrete en specifieke vordering was ingesteld. Ten tweede dat de gemotiveerde weerspreking zijdens de instrumenterende notaris niet noodwendig tot de conclusie moet leiden dat Bianca ervan uit mocht gaan dat Du Maroni behoorlijk en bevoegdelijk vertegenwoordigd was. Immers aan een instrumenterende notaris gelden eisen, die voornamelijk uit de Wet op het Notarisambt voortvloeien, terwijl voor een partij als Bianca zulks niet geldt;
Overwegende, dat de grieven C en D zich voor gezamenlijke bespreking lenen aangezien deze – uiteindelijk – de vraag oproepen – kort en krachtig gezegd – of Bianca op goede gronden op de opgewekte schijn van Du Maroni mocht afgaan bij het aangaan van de litigieuze geldleningen met de hypotheekstelling. Voorshands moet als vaststaand worden aangenomen dat [naam 1] niet op de statutair voorgeschreven wijze, immers in strijd met art. 8 lid 12 van de statuten van Du Maroni, tot President-Commissaris is gekozen. Op deze graond heeft de eerste rechter dan ook zijn beslissing gebaseerd erop neerkomende , dat [naam 1] onbevoegd was de in de litigieuze akten gerelateerde rechtshandelingen – de geldleningen met hypotheekstelling – aan te gaan. De eerste rechter heeft echter nagelaten de vraag te bespreken zoals zoeven in deze overweging is weergegeven. In zoverre zijn de grieven C en D terecht voorgesteld. Evenwel kunnen deze grieven niet tot de beoogde vernietiging van het bestreden vonnis leiden, nu deze grieven op de navolgende gronden stranden: Bianca stelt – kort gezegd – de schijn te ontlenen aan de brief van [naam 3] d.d. 28 maart 1994, waarin vermeld staat dat [naam 1] aangewezen is als President-Commissaris en de persoonlijke aanwezigheid van [naam 3] bij het verlijden van de litigieuze akten van geldleningen. Naar het voorlopig oordeel van het Hof zijn deze gestelde omstandigheden ontoereikend om de gestelde schijn te goeder trouw aan te nemen, nu de hier bedoelde brief door [naam 3] als persoon, en niet in een bepaalde hoedanigheid is getekend. Daarnaast miste [naam 3]de bevoegdheid de brief met uitsluiting van andere meerderheids – aandeelhouder te tekenen. Voorts kan aan de aanwezigheid van [naam 3] geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, nu deze minderheidsaandeelhouder is hetgeen Bianca wist of redelijkerwijs kon weten door op eenvoudige wijze een onderzoek naar deze omstandigheden in te stellen weshalve zij niet te goeder trouw een beroep op de opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegden doet.
Overwegende, dat nu geen der grieven slaagt komt het bestreden vonnis, onder verbetering en aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking en dient Bianca als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit hoger beroep te worden veroordeeld;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Verleent aan partijen akte zoals verzocht;
Bevestigt, onder verbetering en aanvulling van gronden, het vonnis van de Kantonrechter tussen partijen gewezen en uitgesproken in het Eerste Kanton op 31 oktober 1996, waarvan beroep;
Veroordeelt Bianca in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Du Maroni gevallen en welke begroot worden op SRD……..
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD…….
Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen eveneens op SRD………

Aldus gewezen door: Mr.A.I.Ramnewash, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 november 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Janbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-2004-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14085.

I. DE COÖPERATIEVE LANDBOUW ONDERNEMING NICKERIE G.A., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende in het distrikt Nickerie, en
II.a. [Appellant sub A], wonende te [plaats],
b. [Appellant sub B], wonende in het [district],
c. [Appellant sub C], wonende in het [district], allen ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, voor wie als hun aller gemachtigde optrad, Mr.B.A.Halfhide die thans vervangen wordt door Mr.I.D.KANHAI, advokaat,
appellanten in conventie en
in reconventie,

t e g e n

A. [Geïntimeerde sub A], wonende aan [straatnaam 1] in het [district],
B. [Geïntimeerde sub B], wonende aan [straatnaam 2] in het [district], en
C. [Geïntimeerde sub C], wonende aan [straatnaam 2] in het [district], voor wie als hun aller gemachtigde optreedt, Mr.B.G.BECKLES, advokaat,
geïntimeerden in conventie
en in reconventie,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van 7 december 2001 en 2 april 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat het Hof overneemt en verwijst naar hetgeen bereids
in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, de heer [appellant sub A], voorzitter van appellanten en advokaat Mr.L.H.R.Rogers, voorzitter van de verkiezingscommissie Cooperatieve Landbouw Onderneming Nickerie G.A., die hebben verklaard gelijk in de daarvan hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
in conventie en in reconventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 2 april 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat Mr.Lesley Henry Ruben Rogers, advokaat bij het Hof van Justitie, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van 16 juli 2004 verschenen, in zijn hoedanigheid van Voorzitter van de Commissie ter voorbereiding en het houden van verkiezingen voor de Cooperatieve Landbouw Onderneming Nickerie G.A. heeft verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;
Overwegende, dat nu appellanten bij conclusie tot uitlating over het proces-verbaal van de Verkiezingscommissie de dato 3 september 2002
bij wege van uitlating hebben doen zeggen dat zij zich kunnen terugvinden in de werkwijze alsook in het resultaat van de verkiezingen zoals gehouden op 2 september 2002, zoals vervat in het proces-verbaal de dato 3 september 2002 en dat zij zich voor het overige, opgemeld proces-verbaal betrekking hebbend, refereren aan het oordeel van het Hof, zal het Hof appellanten alsnog niet ontvankelijk verklaren in het door hen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 12 september 1996 aangetekend appel nu zij daar, naar thans blijkt, geen belang meer bij hebben;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Verklaart appellanten alsnog niet ontvankelijk in het door hen ingesteld appel tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken te Paramaribo de dato 12 september 1996;
Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD 250.
Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD 250.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op SRD 250.

Aldus gewezen door: Mr.J.R Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 8 oktober 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-2005-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL:14056

ABB LUMMUS GLOBAL B.V., rechtspersoon, kantoorhoudende aan de Sir Winston Churchillweg 79 in het distrikt Wanica, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Troon, advokaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende op de Phi lippijnen,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 19 februari 1999 en 22 oktober 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft genomen onder overlegging van produkties, wordende de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;
Overwegende, dat ter terechtzitting van 7 april 2000 een brief gedateerd 14 januari 2000 zijdens geintimeerde is ontvangen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft overgelegd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 16 juni 2000, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In de hoofdzaak:
1. Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis van 22 oktober 1999 is overwogen en beslist;
2. Overwegende, dat de Kantonrechter in zijn vonnis van 10 maart 1997, voor zoveel hier van belang, heeft overwogen dat, naar blijkt uit de daarvan opgemaakte akte, de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst aangevangen is op 25 januari 1996 voor de duur van 15 maanden en mitsdien eindigt op 25 april 1997;
3. Overwegende, dat de juistheid van voormeld feit in hoger beroep niet is bestreden, zodat ook in hoger beroep van dit feit wordt uitgegaan;
4. Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet, althans niet gemotiveerd, betwist, tussen partijen voorts het volgende vaststaat:
4.1. geintimeerde is krachtens bovenbedoelde arbeidsovereenkomst als “Foreman Camp Cook” in dienst van appellante getreden en wel tegen een salaris van US$ 4,50 per uur, te betalen op de laatste werkdag van iedere maand; het aantal werkuren bedroeg per dag 9,6 uur en per week 48 uur; de arbeidsovereenkomst is onderworpen aan het Surinaams recht (artikel 20);
4.2.1 appellante was krachtens de arbeidsovereenkomst (artikel 17) bevoegd om, zo daarvoor gronden bestonden, het dienstverband ten allen tijde te beëindigen;
4.2.2 appellante diende volgens artikel 9 van de arbeidsovereenkomst de geintimeerde te voorzien van geschikte huisvesting ter plaatse van het werkkamp en van voedzame maaltijden, te weten ontbijt, lunch en middagmaal (”dinner”);
4.3 geintimeerde is op 7 oktober 1996 op staande voet ontslagen door appellante; dit ontslag is niet gemeld bij de afdeling Arbeidsinspektie (van het Ministerie van Arbeid);
4.3. appellante heeft bij brief van 20 december 1996 bij het Ministerie van Arbeid een verzoek ingediend tot het verkrijgen van een vergunning om geintimeerde te ontslaan wegens het schaden van het in hem gestelde vertrouwen als kok;
4.4 de aangevraagde ontslagvergunning is bij beschikking van de Minister van Arbeid van 17 januari 1997 aan appellante verleend;
4.5 bij brief van 17 januari 1997 heeft appellante aan geintimeerde, voor zoveel hier van belang, het volgende geschreven:
“In accordance with the decision of the Ministry of Labour, see attached letter, we hereby inform you that as from Friday January 17, 1997 you are officially dismissed and are no longer an employee of ABB Lumnus Global.
The amount in connection with your final payment and your ticket Paramaribo-Manila are available at our office.”
5.1 Appellant heeft vier grieven aangevoerd, waarvan grief no.3 als volgt luidt:
“In zijn vonnis van 10 maart 1997 heeft de Rechter overwogen dat het verleende ontslag niet met inachtneming van de bepalingen van het Decreet E 39-A heeft plaatsgevonden, hetgeen slechts waar zou zijn voor het oorspronkelijk verleende ontslag op staande voet, waarop het Decreet betrekking heeft, maar niet voor het op 17 januari 1997 verleende ontslag na verkregen vergunning van de Ontslagcommissie, welk ontslag berust op Decreet E-39;
Om tot deze onjuiste overweging te kunnen komen heeft de Kantonrechter – met terzijdestelling van de feitelijke toedracht der zaak – gesteld dat verzoeker (appellante) in haar schrijven dd. 17 januari 1997 het wil doen voorkomen dat zij gerekestreerde (lees: eiser) op die datum met onmiddellijke ingang heeft ontslagen. Daarmede stelt de Kantonrechter zowel het aanvragen als bepleiten van de ontslagvergunning ten overstaan van de Ontslagcommissie als de verwijzing van appellante (toen verzoekster) naar de beslissing van de Ontslagcommissie – met inachtneming van de opzegtermijn – en de aan de gerekesteerde toekomende vergoedingen, die ten kantore van de verzoekster beschikbaar gesteld zijn voor gerekestreerde terzijde. Deze feiten immers verzetten zich tegen de in het vonnis opgenomen bewering.
5.2.1 Overwegende, dat geintimeerde zijn op 19 december 1996 ter griffie ingediende vordering oorspronkelijk heeft gebaseerd op het op 7 oktober 1996 gegeven ontslag, welke naar hij beweerde zou zijn verleend zonder dat appellante in het bezit was van een ontslagvergunning (en op het niet voorzien in zijn voeding en huisvesting);
5.2.2 Overwegende evenwel, dat geintimeerde voormelde grondslag (afgezien van het niet voorzien in voeding en huisvesting) bij conclusie van eis dd. 23 januari 1997 en nadere conclusie dd 3 februari 1997 heeft laten varen en heeft vervangen door, kort gezegd, het op 17 januari 1997 gegeven ontslag, hetwelk, naar hij beweerde, nietig is, omdat in de door partijen gesloten overeenkomst een bepaalde termijn voor beëindiging van die overeenkomst is overeengekomen, te weten 28 (lees kennelijk: 25) april 1997 en appellante deze overeenkomst niet eenzijdig kon ontbinden, terwijl de ontslagvergunning appellante geen vrijbrief gaf om de arbeidsovereenkomst vòòr de beëindiging te ontbinden door een ontslag;
5.3 Overwegende, dat appellante in eerste aanleg, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft aangevoerd het op 7 oktober 1996 gegeven ontslag per abuis niet te hebben gemeld bij de Arbeidsinspektie en bij brief van haar gemachtigde van 20 december 1996 vergunning te hebben aangevraagd om geintimeerde te ontslaan; dat, nadat partijen door de Ontslagcommissie waren gehoord, de vergunning is verleend op 17 januari 1997 en de dienstbetrekking op genoemde datum overeenkomstig de verleende vergunning is beëindigd; dat, afgezien van het bepaalde in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst, bij arbeidsovereenkomsten op termijn ook volgens de wet ontslag mogelijk blijft bij het bestaan van geldige redenen gedurende de termijn mits met een ontslagvergunning of op staande voet gevolgd door melding van het ontslag;
5.4.1 Overwegende, dat door de verwijzing naar de ingesloten (“attached”) beschikking van de Minister (het Ministerie) van Arbeid in de brief van 17 oktober 1996, het voor de geintimeerde duidelijk kon zijn dat hij werd ontslagen wegens het schaden van het in hem gestelde vertrouwen;
5.4.2 Overwegende evenwel, dat in die brief nergens wordt gesteld dat appellante vorenbedoelde ontslagreden als een dringende reden in de zin van artikel 1615 BW beschouwde, terwijl, ook indien moet worden aangenomen dat het schenden van het vertrouwen van de werkgever in het algemeen een dringende reden voor ontslag oplevert, het, naar het voorlopig oordeel van het Hof, van de feiten, die de schending hebben veroorzaakt, afhangt of in het specifieke geval van de betreffende werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij de dienstbetrekking voortzet;
5.4.3 Overwegende, dat nu omtrent die feiten daarin niets is gesteld, het Hof, mede gelet op hetgeen onder 5.2.1 tot en met 5.3 is overwogen, voorshands van oordeel is dat de Kantonrechter uit de brief van 17 oktober 1996 niet redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat bij die brief aan geintimeerde ontslag werd verleend wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 1615p van het Burgerlijk Wetboek;
5.5 Overwegende, dat de hierboven vermelde grief dus slaagt en de door de Kantonrechter gewezen vonnissen dienen te worden vernietigd, waarbij wordt aangetekend dat de overige grieven, gelet op het voorgaande, geen bespreking behoeven;
6.1 Overwegende, dat, zoals uit de hierboven als vaststaand aangenomen feiten blijkt, het hier betreft een voor bepaalde tijd, te weten 25 januari 1996 tot 25 april 1997, aangegane arbeidsovereenkomst, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de werkgever het dienstverband, zo daarvoor gronden bestaan, ten allen tijde kan beëindigen;
6.2.1 Overwegende, dat het Hof, in overeenstemming met de heersende leer, voorlopig van oordeel is dat het partijen vrijstaat om bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te bedingen dat de dienstbetrekking tussentijds kan worden beëindigd, zodat de stelling van geintimeerde dat appellante de overeenkomst niet eenzijdig kon “ontbinden” als onjuist wordt verworpen;
6.2.2 Overwegende evenwel, dat op tussentijdse opzegging, naar eveneens voorshands wordt aangenomen, de wettelijke bepalingen omtrent opzegging van toepassing zijn, zodat, nu ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 1 BW, de termijn van opzegging voor appellante een maand bedroeg en het beding volgens welke appellante het dienstverband ten allen tijde kan opzeggen daarmee in strijd is, dit beding ingevolge het bepaalde in artikel 1615i, lid 2 BW, nietig is met gevolg dat voormelde wettelijke termijn heeft te gelden;
6.2.3 Overwegende, dat, nu bij de opzegging bij brief van 17 januari 1997 de wettelijke opzegtermijn niet acht is genomen en niet is gesteld of gebleken dat geintimeerde daarmee heeft ingestemd, een gerede kans bestaat dat de rechter in een bodemgeschil zal beslissen dat de dienstbestrekking door die opzegging weliswaar met ingang van genoemde datum is geëindigd, maat dat die opzegging onrechtmatig is;
7.1 Overwegende, dat geintimeerde, voor zoveel hier van belang, oorspronkelijk heeft gevorderd betaling bij wege van voorschot van:
een bedrag groot US $ 4.660,= bestaande uit (1) US$ 2.160 terzake van loon vanaf 7 oktober 1996 tot 14 december 1996 ad en (II) US$ 2.500 terzake van kosten van huisvesting, voeding, etc. tot 18 december 1996;
b. het loon vanaf 15 december 1996 tot 25 april 1997 ad US$ 216 per week; 7.2.1 Overwegende, dat, naar tussen partijen rechtens vaststaat, appellante in de loop van het geding in eerste aanleg, aan de geintimeerde in totaal US$ 1.296 heeft betaald;
7.2.2 Overwegende, dat geintimeerde in verband met het voorgaande zijn vordering als volgt heeft aangepast:
a.I. loon van 7 oktober 1996 tot en met 3 februari 1997 per saldo (US$ 3.456 minus US$ 1.296=) US$ 2.160;
a.II de hierboven vermelde kosten van huisvesting, voeding, etc. tot 25 april 1997, beperkt tot US$ 2.500;
het loon vanaf 1 februari 1997 tot en met 25 april 1997 ad US$ 864 per maand;
7.2.3. Overwegende, dat geintimeerde bij conclusie dd. 26 juni 1997 zijn vordering, met betrekking tot de kosten van voeding, huisvesting, etc. heeft aangepast in die zin dat hij de post “Advokaatkosten ad US 200 “heeft laten vallen en, onder overlegging van een specifikatiestaat en notas, welke laatste volgens geintimeerde betrekking hebben op de periode 10 oktober 1996 tot en met 25 april 1997, heeft opgegeven dat de totale kosten US$ 5.287,95 bedroegen;
7.3 Overwegende, dat geintimeerde die, naar rechtens vaststaat, bereid was de bedongen arbeid te verrichten, gelet op hetgeen onder 6.2.3 is overwogen, aanspraak maakte op betaling van het loon tot 17 januari 1997 (voor de periode 7 oktober 1996 tot 17 januari 1997 bedraagt het loon: 14 weken à US$ 216 = US$ 3.024);
7.4.1 Overwegende, dat appellante gehouden was om het bepaalde in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst (zie hierboven onder 4.2.2) tot aan het einde van de dienstbetrekking op 17 januari 1997 jegens geintimeerde na te komen;
7.4.2 Overwegende, dat nu appellante daartegen geen grief heeft aangevoerd het Hof uitgaat van de juistheid van het, hier zakelijk weergegeven, oordeel van de Kantonrechter dat geintimeerde terecht had gesteld dat appellante haar jegens hem uit artikel 9 van de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting sinds 10 oktober 1996 niet meer is nagekomen, althans zich jegens hem, geintimeerde, aan de verplichting heeft onttrokken;
7.4.3.1 Overwegende, dat nu de dienstbetrekking op 17 januari 1997 is geëindigd, geintimeerde slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de schade welke hij heeft geleden doordat appellante bovenvermelde verplichting niet heeft nagekomen van 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997;
7.4.3.2.1 Overwegende, dat appellant in bovenvermelde specificatiestaat een aantal posten heeft vermeld, gegroepeerd naar een aantal perioden;
7.4.3.2.2 Overwegende, dat gelet op hetgeen onder 7.4.3.1 is overwogen, allereerst voor overweging in aanmerking komen de posten, die op de specificatiestaat zijn vermeld voor de periode 10 oktober 1996 tot en met 12 december 1996;
7.4.3.2.3 Overwegende, dat van deze posten alleen de volgende kunnen worden gerekend tot de kosten van voeding en huisvesting, te weten: Johnny’s Hotel ad US $ 720, Ambassador Hotel US$ 90, Corp Diplomatic Hotel US$ 15,75, Food Ambassador Hotel US$ 21, Food Cafe- restaurant de Keizer US$ 750, alles in totaal bedragende US$ 1.596,75;
7.4.3.2.4 Overwegende, dat verder voor overweging in aanmerking komen de kosten van 13 december 1996 tot 17 januari 1997;
7.4.3.2.5 Overwegende echter, dat geintimeerde op de specificatiestaat de kosten voor een langere periode, te weten 13 december 1997 tot en met 3 februari 1997, heeft opgenomen, zodat aan de hand van deze posten schattenderwijs zal worden nagegaan wat de kosten voor de periode van 13 december 1996 tot 17 januari 1997 kunnen hebben bedragen;
7.4.3.2.6 Overwegende, dat om de onder 7.4.3.2.2 vermelde reden alleen de volgende posten voor overweging in aanmerking komen, te weten Johnny’s Hotel ad US$ 636, Cafe- restaurant de Keizer US$ 675, alles in totaal bedragende
US$ 1.311;
7.4.3.2.6 Overwegende, dat nu de periode 13 december 1996 tot en met 13 februari 1997 53 dagen en de periode 13 december 1996 tot 17 januari 1997 35 dagen telt, het bedrag aan voeding en huisvestring voor laastgenoemde periode kan worden geschat op 35/53 X US$ 1.311 + US$ 865,26;
7.4.4 Overwegende, dat geintimeerde als vergoeding voor de kosten van voeding en huisvesting voor de periode 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997, naar schatting, aanspraak zou maken op US$ 1.596,75 + US$ 856,26 =
US$ 2.462,01;
7.5 Overwegende, dat, nu het standpunt van de geintimeerde dat de dienstbetrekking ook na 17 januari 1997 is blijven voortduren voorshands als onjuist wordt aangemerkt, er geen plaats is voor toewijzing van loon of vergoeding van kosten van voeding en huisvesting voor de periode vallende na deze datum;
8.1 Overwegende, dat geintimeerde, gelet op hetgeen onder 7.1 tot en met 7.5 is overwogen, voor de periode 10 oktober 1996 tot 17 januari 1997, naar schatting, terzake van loon en kosten van voeding en huisvesting, aanspraak zou maken op US$ 3.024 + US$ 2.462,01 = US$ 5.486,01;
8.2.1 Overwegende, dat de Kantonrechter bij het op 10 maart 1997 in deze zaak uitgesproken tussenvonnis, onder overweging, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, dat geintimeerde zijn loon over de periode 7 oktober 1996 tot en met 18 november 1996 uitgekeerd had gekregen, appellante heeft veroordeeld om aan geintimeerde te betalen US$ 3.456, terzake van loon over de periode 25 november 1996 tot en met maart 1997, alsmede het loon ad US$ 216 per week vanaf 17 maart 1997 tot 25 april 1997;
8.2.2 Overwegende, dat, als door appellante gesteld en door geintimeerde niet betwist, vaststaat dat eerstgenoemde aan het onder 7.3.2 genoemd vonnis heeft voldaan en het salaris via het advokatenkantoor Lim A Po in haar geheel aan de geintimeerde heeft uitbetaald;
8.3 Overwegende, dat geintimeerde derhalve heeft ontvangen US$ 1.296 + US$ 3.456 + US$ 1.512 (te weten loon vanaf 17 maart 1997 tot 25 april 1997) = US$ 6.264, terwijl hij, naar het voorlopig oordeel van het Hof, aanspraak maakt op US$ 3.024 + US$ 2.462,01 = US$ 5.486,01;
8.4 Overwegende, dat, gelet op hetgeen onder 8.3 is overwogen, de conclusie is dat geen plaats is voor toewijzing van de gevraagde voorziening;
8.5 Overwegende overigens, dat geintimeerde, in antwoord op een aan hem door de griffier toegezonden brief, bij schrijven van 14 januari 2000 vanuit de Fillipijnen heeft doen weten dat hij om persoonlijke redenen genoodzaakt is zich van de zaak afzijdig te houden en afziet van elk belang dat hij bij de onderhavige zaak heeft;
9. Overwegende, dat aangezien elk van de partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, de proceskosten van zowel het geding in eerste aanleg als het geding in hoger beroep, in dit laatste geval met begrip van de op het incident gevallen kosten, zullen worden gecompenseerd op de hierna te bepalen wijzen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
In de hoofdzaak:
Vernietigt de vonnissen, die door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen zijn gewezen en uitgesproken in de zaak AR 964566;
Compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen op SRD.75.-elk;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
Weigert de gevraagde voorziening;
Compenseert de proceskosten in eerste aanleg gevallen, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 15 JULI 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

SRU-HvJ-2004-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14018

[Appellant], wonende aan [straatnaam 1] in [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.OEMAR, advokaat,
appellant,
t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 2] in [district 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
geïntimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 20 april 2001 en 1 maart 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, appellant tevens bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.R.M.F.Oemar, hebbende partijen verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen, terwijl de gemachtigde van geintimeerde geen conclusie heeft overgelegd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 mei 2003, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 1 maart 2002 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat partijen, bij de op 12 april 2002 gehouden verenigingscomparitie in persoon verschenen, op een alstoen door de Rechter-Commissaris terzake gedaan voorstel, het eens zijn geworden over, en tussen hen tot stand gekomen is, een minnelijke schikking, welke alsvolgt luidt: geïntimeerde zal aan appellant terugbetalen het bedrag van
Sf.90.000,–, dat hij van appellant op 8 januari 1983 had ontvangen, in Euro, na omrekening van de koers van toen met de huidige;
Overwegende, dat de constatering van voormelde minnelijke schikking in een daarvan opgemaakt proces-verbaal is vastgelegd en de inhoud daarvan in dat proces-verbaal opgenomen;
Overwegende, dat naar appellant onweersproken heeft gesteld bij conclusie tot uitlating de dato 14 februari 2003 hij, appellant, van geïntimeerde omgerekend ontvangen moet Euro 1930;
Overwegende, dat nu de in gemeld proces-verbaal vastgelegde schikking tot een executoriale titel strekt, een veroordeling bij vonnis niet slechts niet nodig, maar zelfs onnodig is;
Overwegende immers, dat door de totstandkoming van de schikking het geschil tussen partijen een einde heeft genomen;
Overwegende, dat het Hof deze zaak, verwijzen zal naar de zitting van vrijdag, 23 januari 2004 ter fine van royement;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verwijst deze zaak naar de terechtzitting van vrijdag, 23 januari 2004 des voormiddags te 8.30 uur ter fine van royement;
Bepaalt, dat zij daartoe alsdan zal worden afgeroepen;
Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 9 januari 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

w.g. M.E.Van Genderen-Relyveld    w.g. J.R.Von Niesewand

 

SRU-HvJ-2004-10

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GENERALE ROL NO.13981.

[APPELLANT], gehandeld hebbende onder de naam [handelsnaam], gevestigd aan [adres] [plaats], gewoond hebbende [plaats], overleden op 30 mei 2002, oorspronkelijke appellant, zijnde het geding, wegens overlijden, geschorst en hervat ten name van de gezamenlijke erfgenamen van [appellant], t.w.:
1. [appellant sub 1];
2. [naam], thans geheten [appellant sub 2];
3. [appellant sub 3];
4. [appellant sub 4];
5. [appellant sub 5];
6. [appellant sub 6];
[appellant sub 7],
voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,
appellanten in conventie en in reconventie,

t e g e n

[Geïntimeerde], rechtspersoon, domicilie kiezende aan de Watermolenstraat no.36 boven te Paramaribo, ten kantore van Mr.J.KRAAG en Mr.H.P.BOLDEWIJN, advokaten,
geïntimeerde in conventie en in reconventie,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 maart 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten ten dage daarvoor bepaald een repliek pleidooi heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd, terwijl ten dage voor dupliek pleidooi bepaald, advokaat Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens de advokaten Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn heeft gepersisteerd bij hun stellingen;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 21 mei 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, nadat de erflater van appellanten, wijlen [appellant], als gedaagde in eerste aanleg, bij de uitspraak de dato 6 mei 1997 van het vonnis waarvan beroep noch in persoon, noch bij gemachtigde tegenwoordigd was geweest, de Griffier der Kantongerechten van Paramaribo bij overgelegde aangetekende dienstbrief de dato 6 juni 1997, gericht aan het adres, waarop het inleidend exploit van oproeping hem in persoon was uitgereikt, aan de erflater van appellanten de inhoud van dat vonnis heeft medegedeeld;
Overwegende, dat nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, het Hof ervan uitgaat en mitsdien als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt, dat de dienstbrief zijn bestemming heeft bereikt en door de erflater van appellanten is ontvangen;
Overwegende, dat mitsdien overeenkomstig het bepaalde in het behoorlijk nageleefde artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de dagtekening van deze dienstbrief – 6 juni 1997 – moet worden geacht de dag te zijn, waarop de mededeling van de inhoud van het vonnis aan de erflater van appellanten heeft plaatsgehad;
Overwegende, dat krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt, te rekenen vanaf de dag, waarop het eindvonnis is medegedeeld;
Overwegende, dat aangezien de erflater van appellanten, naar uit de verklaring de dato 19 mei 1997 blijkt, hoger beroep aangetekend heeft op 19 mei 1997 en niet vanaf de dag waarop het eindvonnis aan hem is medegedeeld en mitsdien niet binnen de termijn van dertig dagen na de mededeling van het eindvonnis, dienen appellanten alsnog niet ontvankelijk verklaard te worden in hun hoger beroep, zijnde immers van dit middel gebruik gemaakt zonder artikel 264 lid 3 van meergenoemd wetboek in acht te hebben genomen;
Overwegende, dat het Hof appellanten als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde van geïntimeerde gevallen zal veroordelen, komende de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief door de door het Hof te geven beslissing niet meer aan de orde;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellanten alsnog niet ontvankelijk in het aangetekend hoger beroep;
Veroordeelt appellanten in de kosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en in hoger beroep begroot op SRD 125.
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaten van geïntimeerde voor het door hun gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 125.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op SRD 125.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 juni 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

SRU-HvJ-2004-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 13960

[Appellante], gescheiden echtgenote van [geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 1] [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.CH.Bhagwandien, advokaat,
appellante in conventie
en in reconventie,
t e g e n

[Geïntimeerde], gescheiden echtgenoot van appellante voornoemd, wonende aan [straatnaam 2] [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geintimeerde in conventie
en in reconventie,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 2 juli 1999 en 9 januari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;
Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partijen in persoon, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.C.Ch.Bhagwandien en Mr.F.F.P.Truideman, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;
Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 19 maart 2004, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
In conventie en in reconventie:
In conventie:
Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 9 augustus 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;
Overwegende, dat nu pogingen van het Hof tussen partijen een vereniging tot stand te brengen tevergeefs zijn geweest, rest het Hof niets anders dan, conform het verzoek van partijen daartoe, recht te doen als na te melden;
Overwegende, dat appellante, in haar verweer tegen de tegen haar ingestelde vordering tot scheiding en deling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap, gerefereerd heeft aan de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer ‘95/3054, waarin op vordering van haar bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 3 juli 1995 de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien nadat geintimeerde zich ten aanzien van het gestelde overspel dat appellante geintimeerde verweet, aan het oordeel van de rechter had gerefereerd;
Overwegende, dat, naar tussen partijen als onweersproken vaststaat, geintimeerde, nadat hij op 7 juli 1995 voor berusting had getekend, dat echtscheidingsvonnis op genoemde datum, 7 juli 1995, heeft doen inschrijven in de daartoe bestemde registers, blijkende e.e.a. zowel uit het getuigschrift op bladzijde 3 van het echtscheidingsvonnis als uit de desbetreffende akte in fotokopie de dato 7 juli 1995, zich in het procesdossier bevindend;
Overwegende, dat appellante naar uit het procesdossier tevens blijkt, op 28 juli 1995 appel heeft doen aantekenen tegen het vonnis, waarbij de echtscheiding op vordering van haar tussen partijen werd uitgesproken;
Overwegende, dat het Hof in verband met het zo juist overwogene opmerkt, dat met de mogelijkheid van appel de wet tweeërlei beoogt: zij wil een partij, die zich met de beslissing van de eerste rechter niet verenigen kan, een kans bieden van een hogere rechter een voor haar gunstiger beslissing te verkrijgen; zowel voor het geval de eerste rechter onjuist zou hebben geoordeeld als voor het geval de ongunstige uitslag van het proces veroorzaakt zou zijn door eigen processuele fouten van die partij;
Overwegende, dat het Hof op grond van het zo juist overwogene van oordeel is, dat appellante de Kantonrechter in hoger beroep niet zou kunnen verwijten door te beslissen als is beslist, aan het doel van het hoger beroep voorbij gegaan is;
Overwegende voorts, dat het Hof met betrekking tot de, naar appellante – betwist – heeft gesteld, tussen partijen gemaakte afspraken omtrent de scheiding en deling, waar geintimeerde volgens appellante zich niet aan gehouden heeft, wenst op te merken, dat het verzet van appellante tegen de scheiding en deling, de toewijzing daarvan op zich niet mag beletten. Immers , na het bevel daartoe zou de akte van boedelscheiding niet mogen worden verleden voordat de, overigens door geintimeerde betwist gestelde afspraken omtrent de scheiding en deling, zouden zijn nagekomen door geintimeerde;
Overwegende, dat het Hof de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde, uit vijf punten bestaande, grief gelijk besproken hebbend, die grief als niet terzake doende dan ook verwerpt;
Overwegende, dat het Hof, zij het ten overvloede nog opmerkt, dat artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering naast artikel 56 van dit wetboek zelfstandige toepassing vindt. Een vonnis tot scheiding en deling kan, ofschoon niet in artikel 56 van meergemelde wetboek genoemd, bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard in de gevallen van artikel 55;
Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van de bewering van geintimeerde dat tegen het vonnis tot scheiding en deling appel niet mogelijk is, daar de ontbonden huwelijksgemeenschap volgens de wet gescheiden en gedeeld moet worden, oordeelt, dat de vraag of hoger beroep van een rechterlijke beslissing openstaat, bij uitsluiting aan de wetgever is voorbehouden;
Overwegende, dat nu het Hof geen wettelijke bepaling bekend is waaruit uitsluiting van een hogere voorziening van een beslissing, waarbij scheiding en deling is gelast, voortvloeit, dient de bewering van geintimeerde als geen steun vindend in de wet, te worden verworpen;
Overwegende, dat op grond van het hiervoren overwogene het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 gewezen en uitgesproken, waarvan beroep met aanvulling en verbetering der rechtsgronden behoort te worden bevestigd;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

In reconventie:
Overwegende, dat het Hof aanstonds opmerkt, dat appellante, anders dan de Kantonrechter heeft overwogen, hierom niet ontvankelijk is in haar primaire vordering omdat zij, naar het Hof gebleken is, niet aan haar stelplicht heeft voldaan, hebbende appellante immers geen feiten gesteld waaruit volgen zou dat de inschrijving van het echtscheidingsvonnis vernietigbaar is;
Overwegende, dat het Hof, wat het subsidiair gevorderde betreft enkel zal gelasten de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap waartegen geintimeerde zich overigens niet blijkt te hebben verzet met afwijzing van het meer of anders gevorderde nu dat gevorderde betreft de vraag of de volledige huwelijksgoederengemeenschap aan appellante moet worden toebedeeld, waaromtrent tussen partijen geen overeenstemming blijkt te bestaan en bij de werkzaamheden der scheiding en deling aan de orde zal komen;
Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal vernietigen en doende wet de Kantonrechter heeft nagelaten, beslissen zal als in het dictum te melden;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
In conventie en in reconventie:
Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
EN OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie:
Bevestigt onder aanvulling en verbetering der rechtsgronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;
Veroordeelt, de appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot op deze uitspraak begroot op
SRD 200.
Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 200.
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 200.
In reconventie:
Verklaart appellante niet ontvankelijk in haar primaire vordering;
Veroordeelt geintimeerde met appellante over te gaan tot scheiding en deling van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederen gemeenschap; met benoeming van Mr.C.Calor, notaris in Suriname, ten overstaan van wie de werkzaamheden van de scheiding en deling zullen plaatsvinden alsmede van Mr.H.P.Boldewijn, advokaat bij het Hof van Justitie, als onzijdige persoon teneinde geintimeerde, zo hij daartoe behoorlijk opgeroepen zijnde niet verschijnt of wel verschenen, weigeren mocht aan de werkzaamheden mede te werken, daarbij te vertegenwoordigen;
Compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten in diervoege dat iedere partij de hare draagt;
Wijst af het meer of anders gevorderde;
In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 8 oktober 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

SRU-HvJ-2006-5

Het Hof van Justitie in Suriname

Gezien de stukken, waaronder meer bepaald.

1. het verzoekschrift van [verzoeker] met bijlagen, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 23 februari 2005;
2. de beschikking van het Hof van Justitie gegeven op 11 april 2005;
3. het antwoord op het verzoek van [verzoeker] terzake van rechtsweigering afkomstig van Mr.E.S.Ombre ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 10 mei 2005;

Overwegende:

dat verzoeker op 23 februari 2005 bij het Hof van Justitie een verzoekschrift heeft ingediend op de voet van artikel 729 in verbinding met artikel 726 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uit hoofde van Rechtsweigering door verweerder en, onder overlegging van een vijftal produkties, waarin verzoeker, verzocht heeft hem te vergoeden voor door hem geleden materiële en immateriële schade, groot USD.313.450,–. Hiertoe heeft verzoeker – voorzover ten deze van belang het volgende – aangevoerd:
1. Het Hof heeft sedert 6 juni 1997 vonnis bepaald in de zaak van verzoeker bekend onder GR no.13805. Op 1 augustus 1997 heeft het Hof een interlocutoir vonnis in de zaak gewezen, in welk vonnis het Hof niets heeft overwogen en evenmin een beslissing heeft gegeven. Hierdoor handelt het Hof in strijd met het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet en daarom acht verzoeker het vonnis nietig;
2. Op 19 november 1999 wijst het Hof wederom een interlocutoir vonnis in deze zaak, waarin het het volgende heeft overwogen: “dat het Hof hier overneemt hetgeen in eerder aangehaald vonnis d.d. 1 augustus 1997 is overwogen en beslist, staande het Hof geheel achter de inhoud van zijn vonnis en de beslissing”. Dit vonnis is gewezen door een andere door het Hof samengestelde kamer, onder voorzitterschap van een andere rechter dan verweerder;
3. Het Hof heeft ter continuering van de behandeling van deze zaak een andere kamer samengesteld onder voorzitterschap van verweerder. Verweerder heeft op 5 maart 2004 een interlocutoir vonnis gewezen, waarin hij aangeeft dat hij de door het Hof in de twee voorgaande interlocutoire vonnissen genomen beslissing van respectievelijk 1 augustus 1997 en 19 november 1999, als juist aanvaardt;
4. In het tussenvonnis heeft verweerder het volgende gesteld: “Thans dient de vraag te worden beantwoord of appellant zijn stellingen, te weten: a. Dat hij op 15 januari 1971 ten name van geintimeerde heeft gekocht het erfpachtsrecht op het erf groot 1.400 m², gelegen in het [distrikt] aan de [straatnaam], bekend als [perceelnummer]”;
5. Verzoeker heeft in bedoelde zaak een schriftelijke bekentenis overgelegd, inhoudende erkenning van de eigendom door de tegenpartij. Het Hof heeft bij de door hem genomen beslissing deze bekentenis onterecht terzijde gelegd. Deze bekentenis levert verplicht volledig bewijs op;
6. Ingevolge artikel 10 van de Grondwet rustte op verweerder de plicht de juistheid van de eerder bij interlocutoir vonnis genomen beslissing te toetsen;
7. Verweerder had ten tijde van het wijzen vonnis niet voldoende juridische bagage, omdat hij geen kennis droeg van:
a.het arrest van de HR van 2 oktober 1993, NJ 1994, met nt HJS, in welk arrest Hoge Raad de “voortbouw eis” heeft losgelaten. In dit arrest overwoog de Hoge Raad het volgende: “……Zulks strookt met het karakter van de in een instantie gewezen vonnissen, die – voorzover geen deel -vonnissen – niet op zich zelf staand mogen worden beschouwd doch tezamen met het eventuele eindvonnis een geheel vormen, terwijl de spreiding van de beslissingen over die vonnissen min of meer een toevallige is, veelal afhankelijk van diens proces-beleid”.
b. de bijdrage van Steeman gepubliceerd in RMTH jrg. 1945/46, uit welke bijdrage eiser onder andere de volgende passage citeert: “Een partij die de rechter zou vragen, zijn fout te herstellen, en alsnog een openbare uitspraak te doen, zou onmogelijk worden afgewezen. De rechter zou, zijn abuis inziende ook spontaan daartoe kunnen overgaan. Waarom dan niet op aandrang van de belanghebbende?
c. HR 8 april 1929, NJ 1929, met nt. P.Scholten, p.74 e.v. waarin als volgt werd overwogen: “dat de wet niet onderscheidt, of een weigering het gevolg van plichtsverzuim danwel van de meening, dat de rechter tot het geven ener beschikking niet naar de wet gehouden is, en het dan ook, hoe men overigens die weigering in verband met de reden daarvan moge beoordelen voor de betrokken partijen onverschillig is om welke reden haar onthouden wordt datgene, waarop de wet haar recht geeft ”;
8. Verweerder heeft zich uit onderhavige zaak onttrokken en heeft op de valreep van zijn vertrek het vonnis met drie maanden uitgesteld. Tot heden heeft verweerder geen eindbeslissing gegeven;
9. Verzoeker heeft verweerder ter zake tot tweemaal toe aangemaand, en wel bij deurwaardersexploiten van deurwaarder Chander Balgobind op respectievelijk 3 februari 2005 en 15 februari 2005; op deze aanmaningen heeft verweerder niet gereageerd;
dat verweerder blijkens de aan zijn verweer ten grondslag gelegde stellingen die als in het vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, de vordering van verzoeker gemotiveerd heeft weersproken;
dat het Hof in verband met het vorenoverwogene opmerkt, dat:
– de negende afdeling van de zesde titel van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevattende de artikelen 726 tot en met 734, obsoleet is, i.e. in onbruik geraakt;
– deze afdeling als opschrift heeft: “Van Rechtsweigering”; de artikelen 726 en volgende zijn, naar het Hof gebleken is, in het verleden nooit toegepast; dat dit ongetwijfeld aan de ingewikkeldheid van bedoelde bepalingen ligt; naar de mening van het Hof kan deze volkomen verouderde en naar is gebleken onnodige regeling vervallen;
– hieraan doet de omstandigheid dat thans een geval van Rechtsweigering aan de orde is niet af;
– één zwaluw immers nog geen zomer maakt; een aparte procedure kan, naast artikel 12 van de Wet van 17 mei 1935 houdende vaststelling van een reglement op de inrichting en samenstelling van de Surinaamse Rechterlijke Macht (GB 1935, no.79), laatstelijk gewijzigd bij SB 1994 no. 17, en naast de algemene mogelijkheid om de Staat Suriname in rechte aan te spreken tot vergoeding van schade, naar de mening van het Hof, bewust gemist worden; immers het rechterlijke werk bestaat al lang niet meer uit het louter toepassen van voorschriften of bepaalde rechtsregels op de door de partijen aangedragen feiten (da mihi facta dabo tibi ius);
– het Hof in dit verband dan ook opmerkt, dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met het belang van de rechtszekerheid in de regel meebrengen dat in deze gevallen een zodanige vordering thans niet meer geldend gemaakt kan worden;
dat het Hof, bespreking van voormelde stellingen van partijen als niet relevant geheel in het midden latend, beslissen zal als in het dictum te melden;
dat verzoeker als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zal dragen;

Beslissende:
Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn tegen verweerder ingestelde vordering;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten, aan de zijde van verweerder gevallen en begroot op SRD nihil;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 februari 2006, in tegenwoordigheid van Mr.E.M.Ranchor, Griffier.

SRU-HvJ-2026-5

2026H00004

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij,

in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd te Paramaribo te diens Parkette aan de Limesgracht no. 92,

appellante, hierna te noemen “de Staat”, 

gemachtigden: mr. D. Jairam en S. Nanda LLB, verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

tegen

A. PINNACLE TIMBER PRODUCTS N.V., 

B. GREEN WOOD WORLD N.V.,

C. HARMONY TIMBER N.V.,

D. WINTRIP INTERNATIONAL N.V.,

E. BAKHUIS FOREST N.V.,

F. ATLANTIC ASIA RESOURCES N.V.,

geïntimeerden, hierna te noemen “de houtexporteurs”,

geïntimeerden sub A, D, E en F, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo en geïntimeerden sub B en C gevestigd en kantoorhoudende in het district Wanica,

gemachtigden: mr. drs. S. Boedhoe en mr. J.M. Nibte, advocaten,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 31 december 2025 (Civarnummer 202504949) tussen de houtexporteurs als eisers en de Staat als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 9 januari 2026 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de Staat tegen genoemd vonnis op 9 januari 2026 hoger beroep heeft ingesteld;
  • het proces-verbaal van de zitting van 15 januari 2026 tijdens welke zitting het pleidooi is gehouden en de tijdens het pleidooi overgelegde pleitnotities en producties;
  • het proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2026 tijdens welke zitting het antwoordpleidooi, het repliekpleidooi en het dupliekpleidooi is gehouden en de tijdens het antwoordpleidooi overgelegde pleitnotities en producties, en verder de tijdens het repliek pleidooi en dupliek pleidooi overgelegde producties en de uitlating daarover;
  • het proces-verbaal van de tijdens de zitting van 23 januari 2026 gehouden comparitie van partijen. 

De uitspraak is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep.

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld. Het beroepen vonnis is immers op 31 december 2025 uitgesproken en de Staat heeft op 9 januari 2026 hoger beroep aangetekend. Dat is binnen de in de wet gestelde termijn.
  2. De houtexporteurs hebben als meest verstrekkende verweerpunt in hoger beroep aangevoerd dat de Staat niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn hoger beroep omdat hij er geen belang bij heeft. Zij voeren daartoe aan dat het vonnis al ten uitvoer is gelegd, hetgeen tot een onomkeerbare situatie heeft geleid. De fytosanitaire certificaten zijn al uitgereikt en gebruikt bij de export van het hout vanuit Suriname en het inklaren daarvan in India. Dat kan niet teruggedraaid worden. Een andersluidende uitspraak zal geen gevolgen daarvoor hebben. Om die reden heeft de Staat geen enkel belang bij het appèl. De Staat maakt misbruik van het procesrecht door appèl aan te tekenen terwijl het juridisch belang ontbreekt.
  3. De Staat heeft op dit verweer gereageerd waarbij hij aanvoerde dat hij wel belang heeft bij het hoger beroep. Hij beroept zich op de herstelfunctie van het hoger beroep en wenst in hoger beroep alsnog het juiste verweer te voeren. Voorts stelt hij dat hij ten onrechte is veroordeeld tot het afgeven van fytosanitaire certificaten met daarop een valse opgave van de houtsoort. Dat moet door het Hof worden vastgesteld, zodat het kan worden gecorrigeerd.  
  4. Het Hof overweegt met betrekking tot dit verweerpunt dat, afgezien van het belang dat de Staat terecht stelt te hebben, in het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 260) is opgenomen dat partijen bevoegd zijn hoger beroep in te stellen tegen een in eerste aanleg gewezen vonnis. Zo heeft ook de Staat er recht op om gebruik te maken van het rechtsmiddel van hoger beroep indien hij het niet eens is met de beslissing in eerste aanleg. 
  5. Daarnaast wijst het Hof op één van de belangrijkste doelen van het hoger beroep namelijk het doel om hetgeen in eerste aanleg naar de mening van een partij fout is gegaan, te herstellen, de herstelfunctie van het hoger beroep. De Staat heeft in zijn hierna te bespreken eerste grief aangehaald dat het bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg zodanig is verlopen dat hij zeer in zijn verdediging is geschaad. Hij heeft aangevoerd dat hij geen verweer kon voeren omdat hij niet voldoende tijd had om alle documentatie waarvan hij zich wilde bedienen, te verzamelen. Hij st elde dat hij slechts een algemene reactie kon geven op stellingen en verder geen verweer kon voeren. Hij wenst derhalve in hoger beroep de gelegenheid te hebben om zijn verdediging op een juiste wijze te voeren.
  6. Het Hof gaat op grond van het voorgaande voorbij aan dit verweerpunt van de houtexporteurs.
  7. De Staat is ontvankelijk in het door hem aangetekend hoger beroep.

De feiten, de vordering en de beslissing in eerste aanleg

8. De houtexporteurs exporteren reeds jaren structureel rondhout naar India. Voor de utivoer van hout naar India is het fytosanitair certificaat essentieel en onmisbaar. 

9. Zonder een door de Staat afgegeven fytosanitair certificaat is het voor de houtexporteurs niet mogelijk om een Certificaat van Oorsprong te krijgen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Dit document is nodig voor internationale handel en inklaringen in India.

10.De houtexporteurs hebben in eerste aanleg primair gevorderd dat de Staat werd veroordeeld om binnen 24 uur na betekening de fytosanitaire certificaten af te geven voor alle reeds uitgevoerde en toendertijd onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India. Ook werd gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat de certificaten conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, worden afgegeven onder de benaming “Mora Roundlogs”, alles op straffe van een dwangsom van SRD 5.000.000,= per uur voor elk uur dat de Staat weigerachtig is om gevolg te geven aan de veroordeling. 

11. Subsidiair hebben de houtexporteurs gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om de ‘grace-period’ voor de houtexporteurs om de benaming “Mora Roundlogs” te gebruiken, te verlengen tot 15 januari 2026, op straffe van een dwangsom. Verder vorderden de houtexporteurs dat de Staat werd veroordeeld in de proceskosten en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 

12. De houtexporteurs legden aan hun vordering ten grondslag dat door de Staat gedurende langere periode een consistent, kenbaar en ononderbroken beleid is gevoerd, waarbij aan de houtexporteurs fytosanitaire certificaten zijn afgegeven voor de export van rondhout naar India, onder de benaming “Mora Roundlogs”. Deze langdurige en consequente praktijk kan als bestendig gebruik worden gekwalificeerd en heeft bij de houtexporteurs een gerechtvaardigd vertrouwen doen ontstaan dat ook bij voortzetting van hun reguliere exportactiviteiten, zoals bij alle voorgaande exporten, door de Staat wederom de vereiste fytosanitaire certificaten zouden worden verstrekt. 

13. Verder stelden de houtexporteurs in hun grondslag dat zij hun bedrijfsvoering, internationale contracten en financiële verplichtingen aantoonbaar hebben afgestemd op dit bestendig overheidsoptreden. Zij mochten er dan ook redelijkerwijs op vertrouwen dat de Staat dit beleid niet plotseling, zonder voorafgaande aankondiging, zou wijzigen.

14. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen en de Staat gelast om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de fytosanitaire certificaten af te geven onder de benaming “Mora Roundlogs”, op straffe van een dwangsom van SRD 1.000.000,= per uur voor elke keer dat de Staat weigerachtig is om aan de veroordeling gevolg te geven. 

De grieven en het antwoord op de grieven

15. De Staat heeft – samengevat en voor zover van belang – de volgende grieven tegen het vonnis aangevoerd: 

Grief 1: de Staat heeft van de kantonrechter onvoldoende tot geen tijd gehad om kennis te nemen van de vordering en toegang te krijgen tot zijn verdedigingsmiddelen om een behoorlijk verweer te voeren, terwijl elke partij recht heeft op een eerlijk proces. 

Grief 2: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld om de fytosanitaire certificaten af te geven, omdat de houtexporteurs geen aanvraag hebben ingediend voor de fytosanitaire certificaten voor de lading van het schip MV Odelmar. Omdat zij geen aanvraag hadden ingediend konden zij zich er ook niet op beroepen dat er sprake is van een weigering om de fytosanitaire certificaten af te geven.

Grief 3: ten onrechte heeft de kantonrechter in de beoordeling in het vonnis gesteld dat de lading hout van de houtexporteurs als bestemming had India en dat de Staat enige aanvraag van hen met betrekking tot deze lading hout heeft afgewezen. De Staat kan aantonen dat de lading hout op het schip MV Odelmar, waarvoor een verzoek was gedaan om het te laten vergassen, China als bestemming had en niet India. Ook is na de aanvraag voor het vergassen, nimmer een verzoek gedaan voor het verstrekken van een fytosanitair certificaat, zodat er ook geen sprake was van een weigering om het fytosanitair certificaat af te staan. 

Grief 4: ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn beslissing onder 5.2 opgenomen dat de Staat “conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik” de fytosanitaire certificaten moet afgeven op naam van “Mora Roundlog”. 

In casu betreft het een situatie waarbij jarenlang op de fytosanitaire certificaten een valse houtsoort werd aangegeven, namelijk Morahout of zoals het werd vermeld “Mora – roundlog”. De wetenschappelijke naam van Morahout is Maclura Tinctoria. Deze houtsoort werd valselijk vermeld omdat de houtsoorten die daadwerkelijk werden verscheept en ingevoerd in India, houtsoorten waren die volgens de Indiase importregels verboden waren. Teneinde de verboden houtsoorten toch India binnen te kunnen smokkelen werd de naam van een houtsoort op de certificaten vermeld die volgens de Indiase regelgeving wel mocht worden ingevoerd. Morahout mag wel ingevoerd worden in India. 

Deze werkwijze is jarenlang gehanteerd door een functionaris van de afdeling belast met de verstrekking van fytosanitiare certificaten, doch komt neer op vervalsing van de certificaten en kan niet worden aangemerkt als een bestendig gebruikelijk beding of een normale bestuursrechtelijke handeling. Om die reden is reeds in 2022 met de houtsector afgestemd over het bestuursbesluit inhoudend dat deze werkwijze zal worden stopgezet. 

In plaats van de werkwijze aan te merken als een bestendig gebruikelijk beding moet het worden aangemerkt als het jarenlang plegen van het misdrijf van vervalsing en het overtreden van de regels, namelijk de regels van Suriname en de regels van India. Ook staan de geloofwaardigheid en de reputatie van de Staat als lid van de IPPC op het spel in deze.

Grief 5: ten onrechte heeft de kantonrechter de vordering van de houtexporteurs spoedeisend geacht. Immers, de houtexporteurs noemden in hun vordering een lading die in de haven van India voor anker lag, terwijl het een lading betrof die volgens de officiële documenten China als bestemming had. De houtexporteurs hebben misbruik gemaakt van het procesrecht, door de vordering met voorkennis in te stellen op een moment dat het voor de Staat onmogelijk zou worden om zijn belangen te kunnen behartigen.

Grief 6: ten onrechte stelt de kantonrechter dat de Staat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden met de bekendmaking van 27 oktober 2025. Die bekendmaking is geen nieuwe regeling, doch een reminder naar de houtexporteurs om zich te houden aan de regels. Reeds vanaf 2022 wees de Staat de houtexporteurs erop dat zij zich aan de regels moeten houden. De bekendmaking van 27 oktober 2025 is niet bedoeld om de houtexporten te beperken, maar juist om de voortzetting daarvan te garanderen.

Ook is door de Staat gesteld dat de houtexporteurs in casu niet geschaad kunnen zijn door de bekendmaking van 27 oktober 2025, omdat zij met betrekking tot de lading voor het schip de MV Odelmar bij schrijven van 28 november 2025 hebben aangegeven dat de lading vergast moet worden en dat de bestemming China is. Het verzoek voor vergassing is op 28 november 2025 gedaan en de boomstammen zijn vergast op 28 november 2025 met als bestemming China. Het voorgaande houdt in dat er een overeenkomst moet zijn met een Chinese koper van ná de datum van de betreffende bekendmaking. Hierdoor stond de bekendmaking niet in de weg aan de aanvraag van de fytosanitaire certificaten voor de vergaste lading hout op de MV Odelmar. 

Grief 7: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld om de fytosanitaire certificaten af te geven voor India, omdat de houtexporteurs na de vergassing nimmer fytosanitaire certificaten hebben aangevraagd voor de betreffende lading.

Grief 8: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld om certificaten af te geven onder de naam Mora Roundlogs, omdat blijkens de lijst van de SBB in de lading van het schip de MV Odelmar geen Mora rondhout aanwezig was, doch houtsoorten waarvan het verboden is die in India te importeren.

Grief 9: ten onrechte heeft de kantonrechter de Staat veroordeeld in de proceskosten en het gemachtigdensalaris. Immers, Suriname kent geen verplichte proces vertegenwoordiging. Het verzoek voor rechtsbijstand van een advocaat is een eigen keuze van de houtexporteurs en zij zullen daar zelf voor moeten betalen.

16. De houtexporteurs hebben geantwoord op de grieven. Op dit antwoord komt het Hof, voor zover van belang, hierna terug. 

Vordering in hoger beroep 

17. De Staat vraagt dat het Hof op grond van de grieven, het vonnis van de kantonrechter vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de houtexporteurs afwijst. 

18. De Staat heeft na de opsomming van de grieven een vordering opgenomen in de pleitnota waarin wordt gevorderd:

  • dat de ter uitvoering van het vonnis uitgegeven fytosanitaire certificaten worden vernietigd dan wel nietig verklaard;
  • dat voor recht wordt verklaard dat bij de behandeling van de aanvragen voor fytosanitaire certificaten de Staat zich strikt dient te houden aan de bepalingen van de Plantenbeschermingswet (SB 2020 no. 78), de Plant Protection Acts van de importerende landen en de bepalingen van de IPPC en zijn uitvoeringsbesluiten;
  • dat het de houtexporteurs wordt verboden op fytosanitaire aanvraagformulieren andere houtsoorten te vermelden dan aangegeven op de loglijsten van de SBB;
  • dat het de houtexporteurs wordt verboden om gezaagd of stammen hout, ongeacht bootladingen of containerladingen, zonder een geldig fytosanitair certificaat uit te voeren van de officiële plaatsen van uitvoer in Suriname;
  • aan de gevorderde verboden een dwangsom te verbinden en voorts
  • de houtexporteurs te veroordelen in de kosten van het geding.

19. De houtexporteurs hebben op de onder punt 18 vermelde vordering gereageerd waarbij zij aanvoerden dat het niet mogelijk is om in hoger beroep een nieuwe vordering in te stellen. Zij vragen dat het Hof deze nieuwe vordering niet beoordeelt. 

De beoordeling van de in de pleitnota opgenomen vordering

20. Het Hof overweegt met betrekking tot de hiervoor onder punt 18 vermelde vordering dat deze vordering, alhoewel de Staat de vordering geen reconventionele vordering heeft genoemd, moet worden aangemerkt als een reconventionele vordering die in hoger beroep is ingesteld. Ingevolge artikel 280 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan in hoger beroep geen eis in reconventie worden ingesteld. Het Hof zal om die reden de Staat niet-ontvankelijk verklaren in dat gevorderde en dat gevorderde dan ook niet verder bespreken.

De beoordeling van de grieven 

21. Grieven 1 en 5

De houtexporteurs hebben tegen de grieven aangevoerd dat de kantonrechter bij het verlenen van rechtsingang op deugdelijke wijze heeft vastgesteld dat er een spoedeisend belang is, gelet op de aankomst van het schip met rondhout uit Suriname in de haven van India. De houtexporteurs hebben het verzoekschrift tijdig betekend aan de Staat voor de behandeling op de zitting. Dat de Staat minimaal bezet was op de dag van de behandeling van het kort geding treft geen doel. Bij kortgedingzaken gelden er geen strikte termijnen en is de behandeling afhankelijk van de spoedeisendheid van de zaak. 

22. Het Hof is van oordeel dat, gelijk de houtexporteurs aanvoeren, het bij kortgedingzaken kan voorkomen dat er gelijk op de dag van de eerste behandeling moet worden afgepleit en dat een partij daardoor weinig tijd heeft om het pleidooi voor te bereiden. In deze zaak was door de houtexporteurs aangegeven dat het schip op 1 januari 2026 zou aankomen in de haven en dat zij op die dag de fytosanitaire certificaten nodig zouden hebben. Het is dan ook juist van de kortgedingrechter dat die heeft geoordeeld dat er gelijk moest worden afgepleit en er op 31 december 2025 een beslissing moest volgen. De grieven van de Staat dat de zaak niet met die spoedeisendheid behandeld had mogen worden, en dat dat in strijd zou zijn geweest met een eerlijk proces, zijn daarom niet gegrond. Die grieven worden verworpen. 

23. Grieven 2, 3, 4, 7 en 8 

Het Hof bespreekt de grieven 2, 3, 4, 7 en 8 gezamenlijk vanwege de onderlinge samenhang. 

De houtexporteurs hebben tegen deze grieven – kort weergegeven – aangevoerd dat de Staat ten onrechte het geschil probeert te brengen in een strafrechtelijke sfeer. Dat is onjuist. Er is geen sprake van strafbare feiten gepleegd door de houtexporteurs en de kortgedingrechter is niet het forum om strafrechtelijke kwalificaties aan handelingen te geven. De Staat heeft jarenlang zelf de certificaten afgegeven met daarop de vermelding “Mora Roundlog”, welke certificaten internationaal werden geaccepteerd en de Staat had geen enkele reden om plotseling het beleid te wijzigen. Er zijn geen valse namen op de certificaten geplaatst doch een vermelding die het probleem dat de houtexporteurs hadden oploste in aanloop naar de structurele oplossing, namelijk uitbreiding van de lijst van India van houtsoorten die mogen worden geïmporteerd. Er is gedurende de periode dat naar de oplossing werd gezocht regelmatig overleg geweest met de autoriteiten en de ambassadeur van India hierover. Echter hebben de houtexporteurs nog niets vernomen. In de tussentijd was een “grace-period” afgesproken waarin de vermelding “Mora Roundlog” mocht worden vermeld bij de aanvraag voor het certificaat en deze vermelding door de Staat werd geplaatst op de certificaten. Ook na het verloop van de “grace-period” in februari 2023, is er aan meegewerkt dat de vermelding “Mora Roundlog” toch nog op de certificaten werd geplaatst. 

Het is juist de nalatigheid van de Staat geweest, die niet met een oplossing kwam, hetgeen ertoe heeft geleid dat de houtexporteurs genoodzaakt waren de vermelding “Mora Roundlog” te gebruiken bij de verschepingen van het hout. Na een lange periode van wachten op een oplossing heeft de Staat in oktober 2025 aan de houtexporteurs een bekendmaking gestuurd dat in het vervolg de juiste houtsoorten moeten worden vermeld op de aanvragen voor de fytosanitaire certificaten. Door deze brief zijn de houtexporteurs in een probleem gekomen, waardoor zij niet de juiste export documenten konden krijgen, terwijl al voorbereidingen waren getroffen voor een verscheping naar India. Ondanks veel pogingen om het probleem met overleg op te lossen, is er geen oplossing gekomen. Omdat de MV Odelmar vanwege het getij op 29 november 2025 moest vertrekken, hebben zij op 28 november 2025 de bestemming van het rondhout gewijzigd van India naar China, teneinde de vergassing te laten plaatsvinden. Op 25 december 2025 is er overleg geweest met het Hoofd van de afdeling Inspectie van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij en zijn de aanvraagformulieren voor de verkrijging van de fytosanitaire certificaten via email verzonden. Er waren afspraken met de Staat om op 26 december 2025 de  hard copy’s van de aanvragen in te dienen, waarna op dezelfde datum de certificaten zouden worden verstrekt. Daarbij zouden de benamingen conform de SBB lijsten worden gebruikt. Omdat de Staat tijdens het overleg weigerachtig bleef om de certificaten te verstrekken onder de naam Mora Roundlogs, waren zij akkoord gegaan met de vermelding van de namen volgens de SBB lijsten. Nadat bleek dat de koper in India niet akkoord ging met certificaten waarin de namen volgens de SBB lijsten waren vermeld, hebben zij de aanvraag die gemaild was op 25 december 2025 laten aanhouden en waren zij genoodzaakt op 29 december 2025 een vordering in kort geding in te stellen. Zij zouden namelijk grote verliezen lijden omdat het schip óf met de lading terug zou moeten keren naar Suriname, óf 3 tot 4 weken voor anker zou moeten liggen en de demurragekosten US$ 16.500,00 per dag bedragen. De houtexporteurs voeren aan dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat het bestendig gebruik gehanteerd diende te worden en dat de certificaten afgegeven moesten worden met vermelding van de houtsoort “Mora Roundlog”. 

24. Het Hof overweegt met betrekking tot de vijf grieven alsvolgt. 

Uit de verklaringen van de Staat en de houtexporteurs en de overgelegde producties is het volgende aannemelijk geworden: 

  • De regelgeving van India ten aanzien van houtsoorten die mogen worden ingevoerd is bekend bij de Staat, bij de houtexporteurs en bij de importeur in India die het hout van de houtexporteurs koopt.  Van alle houtsoorten die Suriname uitvoert staan slechts vier houtsoorten op de lijst van toegestane houtsoorten van India, waaronder Morahout, zoals op de certificaten vermeld “Mora Roundlog”. De houtexporteurs exporteren echter geen Morahout naar India. Zij exporteren andere houtsoorten naar India, namelijk houtsoorten die niet zijn toegestaan, waaronder Wanahout en Copiehout. 
  • Om toch het hout te kunnen uitvoeren en in India te kunnen invoeren hebben de houtexporteurs en de importeurs van India – kennelijk een aantal jaren geleden – afgesproken dat op de exportdocumenten valselijk de houtsoort Mora zou worden vermeld zodat er geen problemen ontstaan bij de inklaring. 
  • Uit de verklaringen afgelegd in hoger beroep en de documenten overgelegd in hoger beroep is komen vast te staan dat in 2022 de autoriteiten maatregelen hebben aangekondigd om te voorkomen dat op de documenten benodigd voor de export een andere houtsoort wordt vermeld dan de houtsoort die daadwerkelijk wordt geëxporteerd naar India. Dat blijkt onder andere uit de brief van 29 augustus 2022 (productie 6 bij pleitnota) afkomstig van de waarnemend Directeur Landbouwkundig Onderzoek, Afzet en Verwerking, de heer Anand Ramkisoensing MSc., gericht aan de houtexporteurs die naar India exporteren. 
  • In deze brief is opgenomen dat aan de inspecteurs van de Plantbescherming en Kwaliteitskeuringen is gerapporteerd dat verschillende soorten hout worden geëxporteerd naar India onder de – onjuiste – naam Mora. De waarnemend Directeur heeft in betreffend schrijven onder de aandacht gebracht dat in de IPPC (het verdrag dat betrekking heeft op de bescherming van planten) en de regelgeving voortvloeiend uit dat verdrag is opgenomen dat de wetenschappelijke namen van de houtsoorten moeten worden vermeld op het fytosanitair certificaat. Ook is in deze brief vermeld dat voor het certificaat de originele lijst van houtsoorten moeten worden overgelegd van de SBB, waarin de wetenschappelijke namen van de houtsoorten zijn vermeld. De maatregelen zouden onmiddellijk na een grace-period van zes maanden ingaan en wel per 26 februari 2023. De grace-period was ingebouwd om te voorkomen dat de houtexporteurs verliezen zouden lijden. 
  • Op 27 oktober 2025 is een bekendmaking uitgegaan naar alle houtexporteurs waarin is opgenomen dat de reeds geldende regels en procedures voor de export van hout strikt zullen worden nageleefd en gehandhaafd door de afdeling. Deze bekendmaking hield onder andere in dat de juiste naam van de houtsoort moet worden opgenomen in de export stukken en dat de namen van de houtsoorten overeen moeten komen met de houtsoorten genoemd op de bijgevoegde SBB lijst. 
  • Op 28 november 2025 hebben de houtexporteurs een aanvraag gedaan om een lading hout voor het schip MV Odelmar te doen vergassen (de technische term voor vergassen is “fumigeren”) welke lading China als bestemming had. De bestemming van China hadden zij bewust op het verzoek voor vergassing geplaatst omdat de houtsoorten die op de SBB lijsten stonden wel naar China geëxporteerd mogen worden, maar niet naar India. De lading betrof echter een lading die zou worden verscheept naar India.
  • De lading is vergast waarna de lading op de MV Odelmar is geladen en richting India is verscheept en wel zonder bestemmingswijziging. De houtexporteurs hadden echter voor de verscheping en inklaring in India fytosanitaire certificaten nodig. Die hadden zij nog niet. Volgens de houtexporteurs konden zij deze certificaten ook niet aanvragen vanwege de maatregel vervat in de bekendmaking van 27 oktober 2025. Immers, als zij bij de aanvraag voor de fytosanitaire certificaten de houtsoorten zouden vermelden die daadwerkelijk op het schip waren geladen, zouden zij die certificaten niet kunnen gebruiken voor de inklaring in India, omdat de import van die houtsoorten in India verboden is. Aan de andere kant was de Staat niet willig om de certificaten uit te reiken onder de naam Mora Roundlogs, omdat de lading geen Mora rondhout betrof. 
  • De houtexporteurs hebben toen een aantal keren overleg gevoerd met de autoriteiten om na te gaan of toch gewerkt kon worden met de naam “Mora Roundlogs”, doch er kwam geen oplossing.
  • Op 24 december 2025 hebben de houtexporteurs naar de afdeling die gaat over de verstrekking van de fytosanitaire certificaten, de afdeling Plantenbescherming en Kwaliteitskeuringen, naar de heer Samuel, appberichten gestuurd. (zie productie 12 bij repliek). In deze appberichten werd gecommuniceerd over het indienen van de aanvraag voor fytosanitaire certificaten voor de lading rondhout die onderweg was naar India. Het schip zou rond 1 januari 2026 in India aankomen, dus waren zij onder tijdsdruk. 
  • Uit de appberichten blijkt dat de houtexporteurs op 25 december 2025 ter verificatie documenten via de mail hebben opgestuurd naar de heer Samuel en naar de afdeling. De stukken hadden betrekking op de lading waarbij melding was gemaakt van de houtsoorten die daadwerkelijk op het schip waren geladen, waarbij de SBB lijst was gevoegd. De heer Samuel heeft via de app doorgegeven dat de documenten voor de aanvraag in hard copy gestuurd kunnen worden de volgende dag, zodat de aanvraag kon worden behandeld. De heer Samuel heeft ter zitting verklaard dat hij van plan was zijn team op 26 december 2025 de aanvraag te laten afhandelen op grond van de houtsoorten genoemd op de SBB lijsten. 
  • Uit het appbericht van 26 december 2025 blijkt dat de vertegenwoordiger van de houtexporteurs op die dag aan de heer Samuel te kennen heeft gegeven dat er een probleem is. Het probleem was dat de importeur uit India had aangegeven dat er geen fytosanitair certificaat moet worden afgegeven met daarop vermeld de houtsoorten  die daadwerkelijk op het schip zijn geladen. De importeur van India gaf aan dat de lading zou worden geweigerd als de werkelijke houtsoorten zouden worden vermeld op de fytosanitaire certificaten. De importeur gaf aan dat op de fytosanitaire certificaten alleen “Morahout” moet staan. Verder gaf de importeur aan dat als de werkelijke houtsoorten op de certificaten staan, de lading niet kan worden ingeklaard. Dit zou met zich meebrengen dat demurrage kosten van USD 16.500,= per dag zouden moeten worden betaald of het schip weer met de lading zou moeten vertrekken naar Suriname.  
  • Uit het appbericht van betreffende importeur dat is gedeeld met de heer Samuel blijkt dat de importeur uit India de houtexporteurs dringend aanspoorde om de zaak goed op te lossen en dat de importeur voorstelde om deze kwestie aan de Surinaamse rechter voor te leggen om zodoende een fytosanitair certificaat te verkrijgen op naam van “Morahout” alleen. De importeur van India appte: “Please work this out seriously – or take up the matter thru Suriname court to get the waiver for cargo loaded on this vessel for the phytosanitary certificates issued as Mora logs only. …… We need to get the certs issued as Mora Logs only. Please let us have your decision on above – as vessel demurrage will start once vessel reaches Kandla port on 1st January.”
  • Tijdens een telefoongesprek en app communicatie heeft de vertegenwoordiger van de houtexporteurs op 26 december 2025 aan de heer Samuel doorgegeven dat de aanvraag voor de fytosanitaire certificaten wordt aangehouden. 
  • Op 29 december 2025 is het kort geding ingediend en op 30 december 2025 is de zaak behandeld. Op 31 december 2025 is de Staat veroordeeld om de certificaten af te geven voor Morahout waarbij een dwangsom is vastgesteld van SRD 1.000.000,= per uur. 
  • De Staat heeft na de betekening van het vonnis de certificaten afgegeven met als houtsoort vermeld “Mora Roundlog”. Na het vonnis hebben de houtexporteurs in verband met de uitvoering van het vonnis formeel de aanvragen ingediend voor de fytosanitaire certificaten met daarop als aanduiding Morahout voor de houtsoorten die zijn ingeladen op het schip MV Odelmar met als bestemming India.
  •  

25. Het Hof overweegt dat uit de hiervoor opgesomde feiten blijkt dat er, gelijk de Staat stelt, door de houtexporteurs voorafgaand aan de vordering in eerste aanleg geen aanvraag is ingediend voor fytosanitaire certificaten voor de houtsoort Mora, voor de lading van het schip MV Odelmar die eind november 2025 werd klaargemaakt voor verscheping naar India. Reeds om die reden is de grondslag van de vordering van de houtexporteurs niet komen vast te staan. De grondslag was immers dat de Staat heeft geweigerd om fytosanitaire certificaten af te geven voor Mora Roundlog voor de lading van het schip MV Odelmar dat naar India was vertrokken en rond 1 januari 2026 aan zou komen. 

26. Daarnaast overweegt het Hof dat de Staat in dit geding wordt verweten dat hij in zijn bekendmaking van 26 oktober 2025 heeft aangegeven dat bij aanvragen voor fytosanitaire certificaten de regels moeten worden nageleefd en een SBB lijst moet worden gevoegd met daarop aangegeven om welke houtsoorten het gaat. De houtexporteurs achten deze bekendmaking in strijd met een “bestendig gebruik” en onrechtmatig. 

27. Het Hof overweegt dat in casu door de houtexporteurs wordt gesteld dat er sprake is van een bestendig gebruik. Het zou dan betreffen een bestendig gebruik door een overheidsorgaan waarbij de houtexporteurs erop zouden mogen vertrouwen dat de handelingen die werden gepleegd, namelijk het in strijd met de waarheid vermelden van een houtsoort op de fytosanitaire certificaten met als doel dat niet toegestane houtsoorten konden worden ingeklaard in India, zouden worden voortgezet. Aan de orde is derhalve de vraag of er sprake was van een “bestendige gedragslijn” van een bestuursorgaan waardoor bij een burger/bedrijf een gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat de gedragslijn zou worden voortgezet.  

28. Vooropgesteld moet worden dat de grondslag voor de binding van bestuursorganen aan bestendige gedragslijnen wordt gevonden in het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De gedragingen van een bestuursorgaan die kunnen worden aangemerkt als bestendige gedragslijnen betreffen in de praktijk bijvoorbeeld  communicatie methoden, zoals het toestaan van digitale aanvragen terwijl dat eigenlijk nog niet formeel is geregeld in de procedureregels, of het hanteren van een termijn terwijl er eigenlijk nog geen termijnen zijn vastgesteld in de regelgeving. In de praktijk is ook de zienswijze dat bestendige gedragslijnen van bestuursorganen na niet al te lange tijd moeten worden vastgelegd zodat het publiek daarvan, indien nodig, kennis kan nemen. 

29. Gedragingen zoals het doen van valse opgaven op fytosanitaire certificaten, met als bedoeling die certificaten in een ander land te doen gebruiken zodat in het importerend land de houtlading wordt ingeklaard, terwijl het eigenlijk om houtsoorten gaat die in dat land niet mogen worden ingevoerd, kunnen niet worden aangemerkt als gedragingen die zouden moeten leiden tot een conclusie dat er sprake is van een bestendige gedragslijn van een bestuursorgaan. Immers, dat is niet een gedraging die de rechtszekerheid dient. Het betreft een gedraging in strijd met het recht, waaronder het bestuursrecht, doch ook in strijd met de internationale verdragen die in casu van toepassing zijn. In de regelgeving rond die verdragen is expliciet en terecht, opgenomen dat de certificaten naar waarheid opgemaakt moeten zijn. 

30. Op grond van het voorgaande gaat het beroep van de houtexporteurs op een bestendige gedragslijn niet op en acht het Hof de grieven 2, 3, 4, 7 en 8 gegrond. Het vonnis kan daardoor niet in stand blijven. 

31. Grief 6. 

De houtexporteurs hebben op deze grief aangevoerd dat zij erbij blijven dat het onrechtmatig is van de Staat dat hij op 26 oktober 2025 bekend heeft gemaakt dat hij de regels zal naleven. 

32. Het Hof overweegt dat uit de stellingen van partijen blijkt dat de Staat in 2022 kennis heeft genomen van het feit dat er valse opgaven werden gedaan teneinde de importen van verboden houtsoorten in India te verbergen. Over het feit dat de Staat in 2022 ervoor heeft gekozen om die gedragingen nog zes maanden voort te laten gaan zullen de meningen verdeeld zijn. 

Naar het oordeel van het Hof kan het niet als onrechtmatig worden aangemerkt als de Staat ertoe overgaat aan de bedrijven bekend te maken dat de regels zullen worden nageleefd. Nu de houtexporteurs zich er terdege van bewust zijn dat het vermelden van de benaming Mora Roundlogs in strijd is met de regelgeving van zowel Suriname als India, bedoeld is om verboden houtsoorten te importeren in India, en eerder reeds door de Staat is aangekondigd dat zulks niet zal worden voortgezet, hebben zij er terdege rekening mee te houden dat het valselijk vermelden van de benaming Mora Roundlogs zal worden stop gezet. Van een (strijd met een) gerechtvaardigd vertrouwen is naar dezerzijds oordeel dan ook geen sprake. Ook die grief is daarom gegrond.

33. Grief 9 behoeft geen bespreking meer nu de grieven 2, 3, 4, 6, 7 en 8 gegrond zijn en het vonnis zal worden vernietigd.  

34. Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn. De houtexporteurs zullen worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op de gemachtigdenkosten in eerste aanleg en in hoger beroep. 

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • Vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 31 december 2025 bekend onder Civarnummer 202504949, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

  • Wijst af de vordering van de houtexporteurs;
  • Wijst af het gevorderde van de Staat in reconventie;
  • Veroordeelt de houtexporteurs, des de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 17.500,= (zeventienduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op dinsdag 27 januari 2026, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. S. Kesharie LLB.

w.g. S. Kesharie                                                                                   w.g. S.S.S. Wijnhard

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen mevr. S. Nanda LLB en mr. D. Jairam, gemachtigde van appellante en advocaten mr. drs. S. Boedhoe en mr. J.M. Nibte, gemachtigden van geïntimeerden. 

Voor afchrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2026-4

Vonnisnummer: 05/2026

Uitspraak: 19 januari 2026

Parketnummer: 01 – 01- 02213

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

VAN TRIKT, ROBERT-GRAY, geboren op [geboortedatum] in Nederland, van beroep accountant/docent en wonende aan de [adres] te [plaats], niet in detentie verkerend (in vrijheid gesteld op 7 november 2022); 

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden mr. CH. Algoe en I.D. Kanhai, BSc, advocaten bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 2 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

Standpunt van de vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal bevestigen en de gevangenneming van de verdachte zal gelasten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft:

  • primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
  • subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
  • meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 
  • de vernietiging van de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. aan de [adres] gevorderd. 

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder:

  • I medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • II medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • IIIA medeplegen van opzettelijke Money Laundering; Voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • IVA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • VA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • VI doen plegen van valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • VIIA-vervalsing van bescheiden door een ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 424 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht,

veroordeeld tot:

  • een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren, met aftrek van de tijd door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis  doorgebracht. 
  • de betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD. 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar), subsidiair 16 maanden hechtenis; 
  • de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend Euro) op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachten Van Trikt Robert Gray en Angnoe Ashween Ryan. 
  • verbeurdverklaring van het onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] te Paramaribo, op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50 a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a;
  • verbeurdverklaring van het voertuig van het merk Range Rover, dat bij de verdachte Angnoe, Ashween in beslag is genomen. 
  • de handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.  

Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust. Het Hof kan zich evenwel niet terugvinden in de hoogte van de opgelegde straf en de verbeurdverklaring van het onroerend goed aan de [adres] te Paramaribo en zal daarop terugkomen bij de strafmotivering.   

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. 

Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

  • er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd. 
  • de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte. De verfeitelijking heeft dus niet plaatsgevonden. 
  • de ontnemingsmaatregel apart dient te worden behandeld en dat er naast het strafvonnis een apart ontnemingsvonnis dient te komen. Er is nimmer een strafrechtelijk financieel onderzoek gevorderd door het Openbaar Ministerie.  

Verweer met betrekking tot obscuur libel

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet is gericht op het verbod om in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die in wettelijke voorschriften expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen. 

In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de inleidende dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer van de verdediging. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreekt in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten. 

In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld. 

Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.

Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. 

Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot de ontnemingsmaatregel en dat het Openbaar Ministerie nimmer een strafrechtelijk financieel onderzoek heeft gevorderd

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de ontnemingsmaatregel apart dient te worden behandeld en dat er naast het strafvonnis een apart ontnemingsvonnis dient te komen.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de ontnemingsmaatregel wordt ingevoerd ter bestrijding van de in aantal toegenomen georganiseerde lucratieve vormen van vooral internationale criminaliteit. Het accent voor de maatregel ligt op het afromen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inclusief alle daarmee verworven zaken of vermogensrechten en de eventueel weer uit de zaken of vermogensrechten verkregen voordelen.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat een deel (Euro 625.000) van het overgemaakt geld (euro 1.250.000) ten behoeve van Clairfield Benelux N.V. terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion Capital Investments N.V., waarvan verdachte Van Trikt de enige aandeelhouder is. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte Van Trikt; Angnoe en Buysse. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000 betrekking zou hebben op het project “Strength”, zijnde een project dat is uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank N.V. door Clairfield Benelux N.V. en Orion Capital Investment N.V.

Voorts is komen vast te staan dat verdachte en zijn mededaders door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. De Kantonrechter in eerste aanleg heeft daarom in de visie van het Hof terecht bepaald dat verdachte het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten het bedrag van Euro 625.000 (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) terug moet betalen aan de Staat. 

Volgens de Memorie van Toelichting van het Wetboek van Strafvordering gaat het bij deze maatregel niet zozeer om de gevaarlijkheid van de voorwerpen. De reden voor de invoering van deze maatregel is dat niemand voordeel behoort te hebben van zijn crimineel gedrag. Voor zover zulk voordeel is verkregen behoort dat te worden ontnomen, teneinde weer het maatschappelijk ‘evenwicht’ te herstellen.

Het Hof merkt op dat de bevoegdheid tot ontneming rechtstreeks volgt uit artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt geen verplichting tot het vorderen van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek als voorwaarde voor het kunnen opleggen van een maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het ontbreken van een strafrechtelijk financieel onderzoek staat het opleggen van de ontnemingsmaatregel niet in de weg. Immers is in artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht het woord “kan” opgenomen, hetgeen in de visie van het Hof als facultatief moet worden uitgelegd. Van een imperatief voorschrift -zoals door de verdediging is aangevoerd- is in de visie van het Hof geen sprake.   

De verweren van de verdediging worden -gelet op al het voorgaande- in al hun onderdelen verworpen.

Nu het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag zijn er geen verweren gevoerd door de verdediging. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak. 

De ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:

  • de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  
  • er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie. 

Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie en de Procureur-Generaal. Na intake van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen.  

Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en lid 2 van de Anti-corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten. 

Het Hof verwerpt derhalve het daartoe strekkend verweer. 

Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door instanties met wetgevende bevoegdheid.

Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector. 

Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. 

Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.

Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. 

Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit. De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

De verweren worden -gelet op het voorgaande- mitsdien in al hun onderdelen verworpen.

Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging 

Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Ten aanzien van de feiten I en II

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder I en II ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • de verdachte geen publieke functionaris is en de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op hem. 
  • het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd en heeft er ook geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden. Voorts is aangevoerd dat blijkens het jaarverslag van de Centrale Bank van Suriname over het boekjaar 2019 blijkt dat 2019 het tweede jaar is dat met een positief resultaat is afgesloten. 
  • er geen sprake is van medeplegen. De samenwerking tussen Van Trikt en zijn mededaders vloeide enkel en alleen voort uit de wet, waarbij monetaire autoriteiten verplicht zijn met elkaar te overleggen. Het overleggen met elkaar is geen strafbaar feit. 
  • bij de bank er nimmer aanbestedingen zijn gehouden en dat er geen regel binnen de bank is dat contracten naar de juridische afdeling gestuurd moeten worden. Niet bewezen is dat verdachte Van Trikt in strijd heeft gehandeld met de geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures.
  • de enkele omstandigheid dat Van Trikt aandeelhouder is van Orion Assurance and Advisory, betekent niet dat er sprake is van belangenverstrengeling. 
  • het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.
  • de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] dient te worden vernietigd en dit pand ter beschikking dient te worden gesteld van de rechtspersoon en haar bestuurders. De verbeurdverklaring is nergens gemotiveerd. De verdediging constateert dat het goed reeds in bezit was van de verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.

Verweer met betrekking tot de publieke functionaris

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat de verdachte geen publieke functionaris is en de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op hem.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Een publieke functionaris is iemand die in dienst is van de Overheid of een semi overheidsorganisatie en een taak vervult die het publieke belang dient. De term functionaris kan ook verwijzen naar iemand met een belangrijke functie binnen een organisatie, die aan het publieke domein gerelateerd is.

In artikel 13 van de Anti-corruptiewet is het volgende bepaald: Het is een publieke functionaris in de uitoefening van zijn functie verboden om handelingen te verrichten, te adviseren en besluiten te nemen, waarbij door hem is gehandeld in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, om voor zichzelf enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen en/of waarbij aan de Staat of een staatsinstelling opzettelijk enig financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. 

Artikel 20 van de Bankwet van 1956 luidt als volgt: De Bank belast zich kosteloos met de werkzaamheden van staatskassier en treedt op als bankier van de Staat in alle plaatsen waar zij gevestigd is, of agentschappen zal openen.

Uit het voorgaande kan gesteld worden dat de Centrale Bank van Suriname een publieke organisatie casu quo Staatsinstelling is.

Artikel 1g van de Anti-corruptiewet geeft aan dat een publieke functionaris iedere persoon, autoriteit of orgaan is belast met een publieke functie.

Conclusie: Verdachte Van Trikt was de governor van de Centrale Bank van Suriname en is hij een publieke functionaris. De Anti-corruptiewet is van toepassing op hem. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd en heeft er geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:

  • er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd. 
  • Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van één of meer van voormelde overeenkomsten.
  • de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname. 
  • met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig met de geleverde diensten door Clairfield. 

Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.

Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59,- (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent). 

In de visie van het Hof doet het enkele feit dat het jaarverslag van de Centrale Bank van Suriname het boekjaar 2019 met een positief resultaat is afgesloten, de eerder gepleegde strafbare handelingen van de verdachte niet teniet.  

Het Hof verwerpt -gelet op al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot medeplegen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat er geen sprake is van medeplegen. De samenwerking tussen Van Trikt en zijn mededaders vloeide enkel en alleen voort uit de wet, waarbij monetaire autoriteiten verplicht zijn met elkaar te overleggen. Het overleggen met elkaar is geen strafbaar feit. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en zijn – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte samen met zijn mededaders overeenkomsten heeft gesloten met Clairfield Benelux N.V. en/of Buysse Hans, terwijl er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten. Voor de overeenkomsten is er aan voorschotten een totaalbedrag van € 2.471.000,- (twee miljoen vierhonderdéénenzeventigduizend euro) betaald aan Clairfield Benelux N.V. en/of Buysse Hans. Verdachte en zijn mededaders hebben hieromtrent meerdere overleg momenten met elkaar gehad. Uit de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de aankoop van de 17 onroerende goederen voortgevloeid, waarvoor de governor autorisatie heeft verleend. Voor de aankoop van de panden is er door de Centrale Bank van Suriname betaald, zonder dat de panden zijn overgedragen aan de Bank. Naderhand is komen vast te staan dat 9 van de 17 panden niet aan de Staat toebehoren. Van Trikt was conform de Bankwet niet bevoegd om onroerende goederen te kopen. Indien de koop van onroerende goederen noodzakelijk was, dan zou hij afstemming moeten hebben gepleegd met de Raad van Commissarissen (RvC) van de Centrale Bank van Suriname. Behalve de overeenkomst met Clairfield Benelux N.V. heeft verdachte ook overeenkomsten gesloten met Orion Assurance and Advisory N.V. en/of Angnoe Ashween, waarbij de Centrale Bank van Suriname een bedrag van SRD. 1.142.643,75,- (een miljoen honderdtweeënveertigduizend zeshonderddrieënveertig Surinaamse dollar en vijfenzeventig cent) heeft betaald. Van Trikt heeft de medeverdachte Angnoe Ashween als zijn adviseur en sparringpartner bij de Bank aangetrokken. Hij heeft Angnoe doen participeren aan de totstandkoming van meerdere overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux. N.V. Uit het onderzoek is gebleken dat er sprake was van belangenverstrengeling, aangezien Angnoe zakenpartner en samen met Van Trikt mede-aandeelhouder is van Orion (N.V.). Ook heeft verdachte samen met zijn medeverdachte Angnoe bewerkstelligd dat een bedrag van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) ten behoeve van Orion Capital Investment N.V. is teruggevloeid naar Suriname. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) betrekking zou hebben op het project Strength. Met dit geld heeft verdachte aflossingen gepleegd ten behoeve van leningen aan Orion en ook persoonlijke leningen. Voorts heeft verdachte in afstemming met medeverdachte Hoefdraad, de royalty overeenkomst op 1 november 2019 ondertekend, waarbij is toegestaan dat Hoefdraad een bedrag van SRD 2.2 miljard mocht “trekken” van de Centrale Bank van Suriname. Dit geheel in strijd met artikel 18 lid 1 en 2 van de Bankwet, daar er sprake is van blancokrediet. Hiermee hebben verdachten zich schuldig gemaakt aan ambtsverduistering. Ook is er Euro 100.000,- (honderdduizend euro) via de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW overgemaakt in Nederland op een rekening van [naam] ten behoeve van MN Carcenter als aanbetaling voor de aanschaf van een Range Rover. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, door een document inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende valuta-interventies, valselijk te laten opmaken. Ook is het document “Incoming Payments” valselijk opgemaakt. Dit document was bestemd voor de afdeling Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (M.O.T). 

Uit het boven aangehaalde blijkt dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de strafbare feiten. Zijn bijdrage was van voldoende gewicht en was hij op de meest cruciale momenten namelijk bij het sluiten van de overeenkomsten aanwezig. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat verdachte en zijn mededaders samen hebben opgetreden en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot het houden van aanbestedingen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er bij de bank nimmer aanbestedingen zijn gehouden en dat er geen regel binnen de bank is dat contracten naar de juridische afdeling gestuurd moeten worden. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is gebleken dat het geen gebruik is dat er binnen de Bank aanbestedingen worden gehouden. In de visie van het Hof is dit echter geen vrijbrief om overeenkomsten te sluiten, zonder de juridische afdeling te raadplegen. De getuige [getuige 1], zijnde de ex governor van de bank heeft verklaard dat hij overeenkomsten meteen stuurde naar de juridische afdeling voor advies. Verdachte Van Trikt zou voor het sluiten van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. aanbestedingen moeten houden en zou hij terug moeten koppelen met de juridische afdeling. Ook heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat de juristen van de Bank doorgaans betrokken worden voor de beoordeling van de gesloten overeenkomsten. Verder is er binnen de Bank een Handboek van deugdelijk bestuur van de Centrale Bank van Suriname, de Bankwet en ook de Corporate Governance Code, waaraan de governor zich dient te houden. Het Handboek van Deugdelijk bestuur van 2019 is onder leiding van de verdachte Van Trikt samengesteld. Verdachte wordt dus geacht op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van dit Handboek. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot belangenverstrengeling

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat Van Trikt aandeelhouder is van Orion Assurance and Advisory N.V., niet betekent dat er sprake is van belangenverstrengeling. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Handboek van Deugdelijk bestuur van de bank geeft aan dat elke vorm van en de schijn van belangenverstrengeling tussen de Bank en de directieleden vermeden moet worden. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de president van de bank. Uit het onderzoek is komen vast te staan dat er sprake is van belangenverstrengeling bij het aangaan van de overeenkomsten met Orion Assurance and Advisory N.V. en Clairfield Benelux N.V. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst belangen had bij Orion. 

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij niet wist dat verdachte Van Trikt aandeelhouder was van Orion. Hij ziet dit wel als belangenverstrengeling. 

De getuige [getuige 4] heeft het navolgende verklaard (citaat): ˶volgens de ex- governor Van Trikt had hij geen banden met Orion, behalve dat het gebouw waarin Orion gevestigd was aan hem toebehoorde en dat hij en zijn gezin leefden van de huuropbrengsten van het gebouw. Indien ik had geweten dat hij aandeelhouder was bij Orion zou ik de overeenkomst met betrekking tot FID niet hebben mede geparafeerd.” 

Naar de mening van het Hof is uit het onderzoek gebleken dat wel degelijk sprake was van belangenverstrengeling. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot de ondeugdelijkheid van het vonnis

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat het bestreden vonnis ondeugdelijk en tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot de verbeurdverklaring van het pand aan de [adres]

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] vernietigd wordt en dit pand ter beschikking wordt gesteld van de rechtspersoon en haar bestuurders. De verbeurdverklaring is nergens gemotiveerd. Het goed was reeds in bezit van Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd, aldus de verdediging.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (K.K.F) is gebleken dat Orion Capital Investments N.V. als adres heeft staan [adres] te [plaats]. Voormelde N.V. is op 23 maart 2017 opgericht en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken op 31 maart 2017 en had toen als adres [adres]. Verder is uit een hypothecair uittreksel van het MI GLIS gebleken dat Orion Capital Investments N.V. het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelligging] heeft verkregen door overschrijving ten kantore van MI GLIS op 27 april 2017. Orion Capital Investments N.V. heeft dus vervolgens kantoor gehouden op bovenvermeld adres.   

Met de verdediging is het Hof eens dat het goed reeds in het bezit was van verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.

Het daartoe strekkend verweer acht het Hof derhalve gegrond.

Het Hof zal dit onderdeel van het beroepen vonnis vernietigen en dit onroerend goed wederom ter beschikking stellen van de rechtmatige eigenaar (rechthebbende(n)).

Ten aanzien van feit IIIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder IIIA ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • er geen sprake is van Money Laundering, omdat er geen sprake is van verwerven. Van Trikt heeft niets te maken gehad met de activiteiten van Orion. De aankoop van de Range Rover van Orion per bank is geschied met de formele inkomsten van de rechtspersoon Orion. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van dat voorwerp. Zo een verklaring dient te voldoen aan het vereiste dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.  

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat een deel (Euro 625.000,-) van het overgemaakt geld (euro 1.250.000) ten behoeve van Clairfield Benelux N.V. terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion Capital Investment N.V., waarvan verdachte Van Trikt aandeelhouder is. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte Van Trikt, Angnoe en Buysse. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000 ,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) betrekking zou hebben op het project “Strength”, zijnde een project dat is uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank N.V. door Clairfield Benelux N.V. en Orion Capital Investments N.V.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de overmaking van het bedrag Euro 1250.000,- (één miljoen tweehonderdenvijftigduizend euro) ten behoeve van het project “Strength” dubieus bleek te zijn, daar dit project nooit zoveel zou kunnen hebben gekost.  

De verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 7 november 2022 hieromtrent verklaard dat geen enkele overmaking via de informele weg is gegaan. Alles heeft dus via de formele weg plaatsgevonden. In de visie van het Hof blijkt uit het onderzoek het tegendeel. 

Voorts is uit het financieel onderzoek komen vast te staan dat met het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) er aflossingen zijn gepleegd namelijk zijn er leningen van Orion afgelost bij de Bank, alsook persoonlijke leningen.

Uit het onderzoek is in de visie van het Hof komen vast te staan dat verdachte en mededaders door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben bewust de herkomst van het geld proberen te verhullen. De feiten en omstandigheden zijn van dien aard om vast te stellen dat er sprake is van witwassen, nu met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de gelden een criminele herkomst hebben. Immers heeft de verdachte geen concrete verifieerbare verklaring afgelegd omtrent de herkomst van voormeld geldbedrag.

Voorts is gebleken dat er een bedrag van Euro 100.000,- (honderdduizend euro) van de bankrekening van de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW, waarin Van Trikt, Angnoe en Buysse belangen hebben, is overgemaakt naar een rekening ten name van [naam] in Nederland. Deze overmaking geschiedde ten behoeve van MN Car Center als aanbetaling voor de aanschaf van de Range Rover. Dit voertuig was voor de verdachte Angnoe en/of Orion gekocht. Verdachte heeft geen deugdelijke verklaring over de financiële middelen van de vereniging Limebridge VZW afgelegd. Het is voor het Hof niet aannemelijk dat vermeld voertuig uit de inkomsten van Orion is gekocht.

Op grond van het hierboven aangehaalde is het Hof van oordeel dat er sprake is van verwerven en verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van feit IVA en VA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IVA en VA ten laste gelegde feiten, te weten verduistering, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • Van Trikt geen enkel middel aan zijn bestemming heeft onttrokken en nog minder enig middel wederrechtelijk heeft toegeëigend. Niet bewezen is dat er gebruik is gemaakt van enige valse constructie bij de overeenkomst van 1 november 2019. Ook is er geen sprake van verduistering in dienstbetrekking.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht wordt aangetekend dat het begrip verduisteren in de zin van artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht een ruimer bereik heeft dan in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.

In casu is uit het onderzoek komen vast te staan dat verdachte samen met zijn mededaders gelden heeft onttrokken bij de Centrale Bank van Suriname. Bij de overeenkomst van 1 november 2019, zijnde de royalty overeenkomst, heeft verdachte van Trikt zijn medeverdachte Hoefdraad toegestaan om 2.2 miljard te trekken van de Centrale Bank van Suriname. Hierdoor zijn de artikelen 18 lid 1 en 21 van de Bankwet overtreden, daar er sprake is geweest van blancokrediet. Ook is gebleken dat er bij de aankoop van de 17 panden door de verdachte van Trikt, er nimmer schuldverrekening heeft plaatsgevonden. Integendeel heeft van Trikt aan de medeverdachte Hoefdraad, zijnde de minister van Financiën, een bedrag van Euro 105 miljoen betaald voor de aankoop van de panden. Verder is uit het onderzoek gebleken dat Van Trikt gelden tot een totaalbedrag van SRD 2.8 miljard toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname heeft laten verduisteren door de medeverdachte Hoefdraad. Om deze transacties te kunnen bewerkstelligen zijn er valse constructies toegepast. Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat verdachte en zijn mededaders de gelden hebben onttrokken aan hun bestemming. 

Voorts was de verdachte Van Trikt governor van de Centrale Bank van Suriname. In die hoedanigheid heeft hij toegestaan dat de medeverdachte Hoefdraad gelden heeft onttrokken van de Centrale Bank van Suriname. Van Trikt bevond zich in de positie om de bestemming van de goederen te wijzigen en/of te bepalen. 

Het Hof is van oordeel dat er in casu wel sprake is van ambtsverduistering en verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van feit VI

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder VI ten laste gelegde feit, te weten valsheid in geschrifte, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • er niet gemanipuleerd is met cijfers betreffende de valuta-interventie.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De getuigen [getuige 4]; [getuige 3] en [getuige 5] hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard dat verdachte Van Trikt hen onder druk heeft gezet om een document inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende de valuta- interventies, vanaf maart 2019 tot en met juli 2019, valselijk te laten opmaken. Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van feit VIIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder VIIA ten laste gelegde feit, te weten valsheid in geschrifte, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • er geen sprake is van antidatering. Van Trikt heeft nimmer de opdracht gegeven tot antidatering bij het opmaken van de koopovereenkomst betreffende de aanschaf van de Range Rover ten behoeve van hem.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is gebleken dat de getuige [getuige 6] heeft verklaard dat er in opdracht van de verdachte Van Trikt een valse datum te weten 19 augustus 2019 in stede van 13 januari 2020 moest worden vermeld in de leenovereenkomst betreffende de Range Rover. Dit is geheel in strijd met de waarheid en heeft Van Trikt hierdoor doen overkomen alsof de aankoop van het voertuig correct is geweest. 

Naar het oordeel van het Hof is hier wel sprake van antidatering, hetgeen valsheid in geschrifte oplevert. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

  • I medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • II medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IIIA medeplegen van opzettelijke Money Laundering, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • IVA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • VA medeplegen van verduistering van geld of geldwaardig papier, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • VI doen plegen van valsheid in geschrifte, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • VIIA-vervalsing van bescheiden door een ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 424 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. 

Verdachte is dan ook strafbaar.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 

Verdachte en zijn mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft zijn functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen. De verdachte was werkzaam als governor van de Centrale Bank van Suriname en had hij een verantwoordelijke functie. 

Verdachte en zijn mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben daarbij geen rekening gehouden met de gevolgen van hun handelen voor de Staat Suriname. Het vertrouwen dat de samenleving had in verdachte, zijnde de governor van de Centrale Bank van Suriname, is ernstig aangetast. Juist van deze personen wordt verwacht dat zij integer zijn en zich inzetten voor de belangen van de staat. In de visie van het Hof levert een dergelijke vorm van georganiseerde misdaad een aanzienlijk schadelijke vorm van criminaliteit op. Het Hof rekent het de verdachten zwaar aan.

Met betrekking tot het gevorderde bevel tot gevangenneming van de verdachte door de vervolgingsambtenaar overweegt het Hof dat dit onderdeel van het gevorderde zal worden verworpen. De vervolgingsambtenaar heeft immers geen gronden aangevoerd die een bevel tot gevangenneming in deze fase van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep zouden kunnen schragen. Voor zover de vervolgingsambtenaar ervan is uitgegaan dat de verdachte naar aanleiding van het requisitoir en de door haar voorgestelde straf terstond in voorlopige hechtenis diende te worden genomen, heeft de vervolgingsambtenaar verzuimd de daartoe benodigde gronden aan te voeren. Evenmin is het het Hof ambtshalve gebleken dat de noodzaak daartoe aanwezig was. In het geval dat de vervolgingsambtenaar het standpunt heeft gehuldigd dat bij een veroordeling met strafoplegging in hoger beroep de gevangenneming van de verdachte aan de veroordeling dient te worden gekoppeld, ziet het Hof de noodzaak daarvan niet in. In casu betreft het een vonnis van het Hof rechtsprekend in hoogste instantie waartegen er geen gewoon rechtsmiddel openstaat waardoor het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen en voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Ingevolge het systeem van de wet ligt het op de weg van de vervolging om in het natraject van het uitgesproken vonnis tot ten- uitvoerlegging daarvan conform de toepasselijke wettelijke bepalingen over te gaan.

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De verdachte is tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep op basis van humanitaire gronden in vrijheid gesteld. Het Hof heeft daarbij de medische toestand van verdachte mede in acht genomen.

Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van de feiten, en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat met name corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande zal het Hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren opleggen, hetwelk het Hof passend en geboden acht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd.

Beslag

Het Hof is van oordeel dat het in beslag genomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] te [plaats] (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving], toebehoort aan de rechtspersoon casu quo haar bestuurders en aan hen moet worden teruggegeven, nu niet is komen vast te staan dat dit onroerend goed vatbaar is voor verbeurverklaring ingevolge het bepaalde in artikel 50a van het Wetboek van Strafrecht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd. 

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 50 a, 54e lid 1, 72, 82, 127, 278, 423 en 424 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet, en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) en artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. 

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 

31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring zoals eerder vermeld. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.

Vernietigt het vonnis ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring

en

Opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 6 februari 2020 tot en met 7 november 2022 in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verbetert het dictum van het beroepen vonnis van de Kantonrechter met betrekking tot de ontnemingsmaatregel in dier voege dat dit als volgt komt te luiden:

-legt aan de verdachten Van Trikt en Angnoe de verplichting op tot betaling van het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) op grond van artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, des de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, aan de Staat.  

Verbeurdverklaring

-Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres] te [plaats] (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving], aan de rechthebbende(n).

Aldus gewezen door: A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van  maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh

w.g. A. Charan 

w.g. S. Punwasi

w.g. D. Nanhoe

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier)