SRU-HvJ-2008-2

 HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-635 

[Verzoeker], wonende aan [straatnaam] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Zwartenhovenburgstraat No. 237 beneden, ten kantore van mr. S. Dulam, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S. Dulam, advocaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname in diens Parket te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) No. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. D. Zweevel, advocaat,

verweerder,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Kosteloos) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

 TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat aan de verzoeker adspirant agent van politie in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie te Paramaribo bij  beschikking van d.d. 21 december 2006 afkomstig van het voormeld  Ministerie eervol ontslag is verleend uit de Staatsdienst;
  2. dat aan de verzoeker de voormelde beschikking is uitgereikt op 28 maart 2007;
  3. dat blijkens de voormelde beschikking de verzoeker o.g.v. artikel 69 lid 2 sub f van de personeelswet is ontslagen;
  4. dat de verzoeker zich niet kan verenigen met het voormeld ontslag aangezien  blijkens de verklaring van Dr. R. Th. Haarloo, Psychiater van  d. d. 23 april 2007 de verzoeker periodiek arbeidsongeschikt is verklaard en/of gedeeltelijk geschikt is om zijn beroepsarbeid te verrichten. Uit de  overgelegde verklaring blijkt ook dat de verzoeker sedert 1991 bekend is op  de psychiatrische polikliniek van het Psychiatrisch Centrum Suriname;
  5. dat pertinent onwaar is dat de verzoeker blijvend arbeidsongeschikt is en dat de geneeskundige verklaring van d. d. 09 november 2006 waarvan de  verweerder gewag maakt, in strijd is met de waarheid waardoor het voormeld ontslag niet in stand kan blijven en is derhalve nietig;
  6. voorts wordt de geneeskundige verklaring van de geneeskundige Commissie  van d. d. 09 november 2006 van intellectueel valsheid beticht. Deze verklaring is geheel in strijd met de verklaring van Dr. R. Th. Haarloo, Psychiater waar de verzoeker onder medische behandeling is;
  7. blijkens de verklaring van Dr. R. Th. Haarloo, Psychiater is de verzoeker gedeeltelijk geschikt om zijn beroepsarbeid  te verrichten, blijkt ook uit het feit dat verzoeker jarenlang aangepaste werkzaamheden verricht voor het  Ministerie van Justitie en Politie. De voormelde verklaring wordt hierbij overgelegd met het verzoek aan de rechter deze letterlijk, herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen;
  8. de verzoeker is periodiek arbeidsongeschikt verklaart o.g.v. het feit dat  hij lijdende is aan chronische psychiatrische ziekte welke hij heeft  opgelopen o.a. tijdens de binnenlandse oorlog, waar hij als politieman in vuurgevecht was met de groep van R. Brunswijk, de Tucayana’s en de  huurlingen. Daarbij komt ook  nog dat de verzoeker ten tijde van de vliegramp gekoelde lijken moest aanschouwen in de Medisch Wetenschappelijk Instituut (M.W.I.). De binnenlandse oorlog en de  vliegramp heeft zwaar op zijn zenuwen gewerkt waardoor hij geestelijk was afgezwakt doch absoluut niet blijvend arbeidsongeschikt;
  9. dat het voorvermeld ontslag nietig is en is in strijd met een der beginselen  van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, wat hierop neerkomt  dat de verweerder zo  zorgvuldig mogelijk handelen moet in  dier voege dat ook aan het belang van de burger geen schade wordt toegebracht door onzorgvuldig met dit belang om te springen;
  10. dat het voormeld ontslag op grond van het voorgaande niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd;
  11. dat verzoeker blijkens hierbij overgelegde  certificaat van onvermogen niet bij machte is de kosten van deze procedure te bestrijden;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

  1. dat hem toestemming zal worden verleend teneinde kosteloos te mogen procederen;
  2. dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad de beschikking van  d. d. 21 december 2006 nietig zal worden verklaard;
  3. dat de verweerder zal worden gelast de verzoeker zijn rechtens toekomende  bezoldiging met alle daaraan verbonden emolumenten uit te keren, vanaf 27 april 2007 en daarmee voort te gaan, tot de dienst betrekking  tussen de Staat Suriname en verzoeker op een rechtmatige wijze zal zijn beëindigd;
  4. dat de verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 1000,– per dag voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft gevolg te geven aan het door het Hof te wijzen vonnis, Kosten rechtens.

Overwegende, dat van de Staat Suriname vervolgens, na 1 (één) keer verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift, binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie heeft ingediend, waarin het navolgende wordt aangevoerd:

  1. Verweerster (lees: Verweerder) ontkent en betwist al hetgeen wat niet uitdrukkelijk door haar (lees: hem) wordt erkend, onder aanbod van bewijs haren (lees: zijnen) stellingen.
  2. Verweerster (lees: verweerder) erkent het gestelde in sub 1, 2 en 3 van het inleidend verzoekschrift.
  3. Naar aanleiding van het gestelde in sub 4 en 5 van het inleidend verzoekschrift voert verweerster (lees: verweerder) het volgende verweer:

Dat zij (lees: hij) de verklaring van de psychiater niet in twijfel trekt, maar het blijkt dat ondanks, verzoeker gedeeltelijk zijn beroepsarbeid kon verrichten, hij de arbeid niet verrichtte wegens ziekte. Verweerster (lees: verweerder) overlegt de presentiestaat en attestenstaat waaruit het gestelde  blijkt, met het verzoek om de inhoud hiervan ingelast en geïnsereerd te willen  beschouwen. Verzoeker is meerdere malen naar de keuringscommissie verwezen, maar heeft zijn diensten niet hervat daar hij attesten bleef inleveren.

  1. Eveneens blijkt uit de verklaringen van de geneeskundige Commissie welke worden overgelegd met het verzoek deze als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen dat er met de ziekte van verzoeker altijd rekening is gehouden en hem dan ook  vrijstelling van  dienst is verleend.
  2. Verweerster (lees: verweerder) ontkent met klem het gestelde in sub 6 van het inleidend verzoekschrift. Het is conform de wet dat de werknemer die langer dan twee maanden ziekte verlof heeft voor de keuringscommissie dient te verschenen (lees: verschijnen) en een algehele keuring ondergaat. Dat  de overwegingen die ten grondslag liggen aan het feit dat verzoeker arbeidsongeschikt is  verklaard niet alleen zijn van geneeskundige aard, het feit dat verzoeker reeds 19 jaar in dienst is, maar zijn arbeid  niet of nauwelijks heeft  verricht vanwege voortdurende ziekte  dient uit het oogpunt van realiteit arbeidsongeschikt verklaard te worde.
  3. Verweerster (lees: verweerder) ontkent  in zoverre het gestelde in sub 7 van het inleidend verzoekschrift dat verzoeker ondanks de verklaring van de Psychiater de bedongen gedeeltelijk arbeid niet verrichtte zoals er wordt aangegeven.
  4. Wegens gebrek aan verificatoren kan verweerster (lees: verweerder) het gestelde in sub 8 van het inleidend verzoekschrift noch erkennen noch ontkennen.
  5. Gelet op het voorgaande is de geslagen beschikking niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, de beschikking heeft een deugdelijk gemotiveerd grondslag en kan derhalve niet nietig verklaard worden.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet zal worden ontvangen in zijn vordering als zijnde  ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 12 september 2007, ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door  zijn gemachtigde, advokaat mr. S. Dulam, advokaat mr.R.D.Zweevel, gemachtigde van verweerder en mevr. [naam], Onder-Inspecteur van Politie namens het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd; 

Overwegende, dat ter terechtzitting van 7 december 2007, de gemachtigde van verzoeker, advokaat mr. S. Dulam een psychiatrisch rapport heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 4 januari 2008, de gemachtigde van verweerder, advocaat mr. R. D. Zweevel een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd; 

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen, advocaten mr. S. Dulam en mr. R. D. Zweevel respectievelijk hebben gepersisteerd bij repliek en dupliek pleidooi, waarna het Hof vonnis in de zaak had bepaald op 18 april 2008, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, Adspirant Agent van Politie, in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname op grond van de verklaring van de geneeskundige commissie de dato 9 november 2006 ingevolge artikel 69 lid 2 sub f van de Personeelswet bij besluit,  genomen bij beschikking van de Minister van  Justitie en Politie de dato 21 december 2006, K. A. No. 2263/06, eervol ontslag uit Staatsdienst is verleend;

Overwegende, dat verzoeker, tegen voormeld ontslagbesluit opkomend onder meer heeft verzocht om nietigverklaring  van gemeld besluit op grond van feiten, aan diens vordering ten grondslag gelegd, welke feiten in dit vonnis als letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt;

Overwegende, dat verweerder, zich op grond van aan zijn verweer ten grondslag gelegde stellingen die eveneens in dit vonnis als letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt, tegen toewijzing van het verzoek van verzoeker heeft verzet;

Overwegende, dat de bij verweerschrift de dato 25 juli 2007, overgelegde Geneeskundige Verklaring de dato 9 november 2006, alsvolgt luidt:

Betreffende ziekteverlof:

De Geneeskundige Commissie, bedoeld bij artikel 5 b juncto artikel; 38 van de Volksgezondheidsdienstverordening 1938a (G. B. No. 131) en krachtens de G. R. van 14 augustus 1939 No. 2687 (G. B. No. 53) aangewezen als de Commissie van geneeskundigen, bedoeld bij artikel 7 van het “West-Indisch verlof besluit 1942” (G.B. 1925 No. 2), zoals het luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen en aanvullingen ingevolge G. B. 1932 No. 104, verklaart onderzocht te hebben de persoon van:

[verzoeker]

volgens  opgave geboren in het district Commewijne op 9 september 1964 in 

‘s Lands vaste dienst als Adspirant Agent van Politie en bevonden te hebben:

dat vrijstelling van dienst wegens ziekte voor herstel van gezondheid voor de tijd van 8 t/m 31 januari; 2 t/m 22 maart; 15 april t/m 20 juni; 22 juli t/m 11 augustus 2004; 1 januari  t/m 30 nov. 2006 noodzakelijk is;

Paramaribo, 9 nov. 2006

De Commissie voornoemd

Getekend

Drs. R. A. Ramkhelawan

Voorzitter

Gynaecoloog

Getekend

Secretaris

Overwegende, dat, anders dan in de ontslagbeschikking als ontslaggrond is aangevoerd, in de verklaring van de Geneeskundige Commissie van 9 november 2006, waarvan de inhoud in extenso is overgenomen in dit vonnis, geenszins is vermeld dat verzoeker blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen;

Overwegende, dat nu in rechte niet is komen vast te staan, dat verzoeker blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen, waarin verweerder – overigens geheel ten onrechte – aanleiding vond verzoeker eervol te ontslaan, komt verzoeker tegen het ontslagbesluit, genomen bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 21 december 2006 [kenmerk], dan ook terecht op;

Overwegende, dat nu verzoeker door het in het onderhavige geding gebracht Certificaat van Onvermogen de dato 4 april genoegzaam aannemelijk gemaakt heeft niet bij machte te zijn de kosten van dit proces te dragen, zal het Hof verstaan, dat hem – verzoeker – is vergund ten deze kosteloos te procederen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verstaat dat verzoeker is vergund ten deze kosteloos te procederen;

Verklaart nietig het besluit, genomen bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 21 december 2006 [kenmerk], waarbij verzoeker op grond van de verklaring van de Geneeskundige Commissie de dato 9 november 2006 ingevolge artikel 69 lid 2 sub f van de Personeelswet, eervol ontslag uit staatsdienst is verleend;

 

Aldus gewezen door: mr. J. R. Von Niesewand, President, mr. A. A. Hermelijn en mr. A. Charan, Leden-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 april 2008, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Dulam en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. S. S. Bikharie namens zijn gemachtigde, advocaat  mr. R. D. Zweevel zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2008-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A – 644

[Verzoeker], wonende aan de [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Kromme Elleboogstraat no.22 boven ten kantore van mr. J. G. Oscar Koulen, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. G. O. Koulen, advocaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. F. P. Truideman, advocaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur- generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder.
2. dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, uit hoofde waarvan verzoeker in dienst is van verweerder in de functie van Chauffeur  ingedeeld bij de Stafverzorging Compagnie afdeling Transport.
3. dat aan verzoeker bij beschikking van de minister van Defensie de dato 31 oktober 2007 Bureau [kenmerk] ontslag uit de militaire dienst is verleend op grond van artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen. Een fotokopie van deze beschikking wordt hierbij overlegd. (Prod 1).
4 dat de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] op vrijdag 28 december 2007 aan verzoeker ter hand is gesteld
5. dat in de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is vastgesteld:
a) dat verzoeker op 21 januari 2007 door de Militaire Politie in verzekering werd gesteld daar hij verdacht werd zich schuldig te hebben gemaakt aan heling.
b) dat verzoeker bij de Krijgsraadzitting van 24 april 2007 wegens heling werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van voor de tijd van 04 (vier) maanden geheel onvoorwaardelijk. 

c) dat zijn verweerschrift d. d. 28 mei 2007 niet steekhoudend is, het correspondeert niet met hetgeen bij de krijgsraadzitting duidelijk is geworden, gezien het feit dat betrokkene bij het plegen van het delict gebruik heeft gemaakt van middelen die de dienst toebehoren.
6. dat verzoeker het niet eens is met het aan hem verleend ontslag en wel op grond van het feit dat verweerder bij het geven van – het althans het uitbrengen van de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] in strijd heeft gehandeld met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur.
A. bij het nemen van het besluit tot ontslag van verzoeker uit de militaire dienst heeft verweerder geen aandacht besteed aan artikel 59 lid 3 Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 63 lid 4 van de Personeelswet waarin de wetgever expliciet aangeeft wat verweerder moet overwegen alvorens hij een tuchtrechterlijk besluit neemt. Verzoeker is ervan overtuigd althans is hij de mening toegedaan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de redactie van artikel 59 lid 3 Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 63 lid 4 van de Personeelswet. Had verweerder de nodige aandacht besteed aan het eerder vermeld artikel van de Personeelswet, dan was deze vrijwel zeker tot een ander besluit gekomen.
B. dat de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] in strijd is met het motiveringsbeqinsel. Verweerder heeft het besluit tot ontslag van verzoeker uit de militaire dienst niet althans niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder geeft verzoeker niet duidelijk aan waarom verzoeker per se ontslagen moet worden uit de militaire dienst. Ingevolge de Wet Rechtspositie Militairen leidt vero ordeling van een militaire ambtenaar niet automatisch tot zijn of haar ontslag. In artikel 35 lid 4 heeft de wetgever duidelijk opgenomen het woord “kan”. Door het woord “kan” in het artikel op te nemen verplicht de wetgever de administratie expliciet om een goede motivering te geven indien deze, de administratie, besluit om een militaire ambtenaar op grond van een veroordeling te ontslaan. Verweerder beperkt zich in haar ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] tot het opsommen van enkele feiten. Zo vermeld verweerder in de onderhavige beschikking alleen dat verzoeker op 21 januari 2007 is aangehouden door de Militaire Politie, dat hij op 24 april 2007 is veroordeeld en dat zijn verweerschrift niet steekhoudend
is. Waarom verzoeker ontslagen moet worden vermeld verweerder niet. Het ontslag van verzoeker is zo ingrijpend voor verzoeker dat in redelijkheid van verweerder verwacht kan en mag worden dat deze, verweerder, de ontslagbeschikking duidelijk motiveert. Door onderhavige schorsingsbeschikking niet althans niet duidelijk te motiveren maakt verweerder elke beroepsinstantie heel moeilijk om de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] te toetsen. Het is vaste jurisprudentie dat een besluit van de administratie (goed) gemotiveerd moet zijn. Verzoeker verwijst in deze naar de volgende vonnissen: H.v.J. 15 augustus 1975 SJ (A) no. 148 Bakboord vs Suriname en H.v.J. 15 augustus 1975 SJ (A) no. 147 Spoor vs Suriname.
C. ook is de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] tot stand gekomen in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel verplicht verweerder om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Verweerder ontslaat verzoeker omdat hij, verzoeker, door de Krijgsraad veroordeeld is geworden wegens heling en dat verzoeker bij het plegen van het strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van middelen die de dienst toebehoren. Maar het is dezelfde verweerder die een andere militair, de sergeant [naam 1], die overigens hoger in rang is dan verzoeker, niet ontslaat terwijl deze militair door dezelfde krijgsraad veroordeeld is geworden wegens diefstal. Verweerder handelt door haar handelswijze duidelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
D. de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is verder ook in strijd met het materiële zorgvuldigheidsbeqinsel en het beginsel van onderzoek en beslissing in het individueel geval. Verweerder heeft bij het nemen van het besluit tot ontslag er niet voor gewaakt dat de getroffen maatregel zo weinig mogelijk schade veroorzaakt. De gevolgen van ontslag treffen in casu niet alleen verzoeker, maar ook het gezin van verzoeker aangezien hij enige kostwinner is binnen het gezin bestaande uit minderjarige kinderen.
E. de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is ook tot stand gekomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder moet bij het nemen van een besluit c.q. het geven van een beschikking rekening houden dat de lasten van het besluit c.q. de beschikking niet onevenredig zwaar zijn gezien de doelen die het besluit wil dienen. Verzoeker is ruim 10 jaar in de militaire dienst en heeft zich gedurende zijn diensttijd altijd conform de regelingen gedragen. Verzoeker heeft nooit geaarzeld om met detachering gestuurd te worden. Ten tijde van de binnenlandse oorlog was verzoeker ook actief in het Nationaal Leger een heeft toen op eigen verzoek ontslag gekregen.
F. de ontslagbeschikking de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] is strijd met het proportionaliteitsbeginsel. lngevolge de Wet Rechtspositie Militairen kon verweerder bij het nemen van het besluit kiezen uit andere minder zware tuchtrechterlijke straffen. Volgens vaste jurisprudentie moet de tuchtrechterlijke sanctie in overeenstemming zijn de ernst van het plichtsverzuim. Verzoeker verwijst hierbij naar de volgende vonnissen van het vonnis van het Hof van Justitie van 10 mei 1974 A 21 Summerville vs Suriname, Hof van Justitie 20 juni 1975 Bhagwandien vs Suriname A 31, Hof van Justitie 20 juni 1975 Karia vs Suriname A 32, Hof van Justitie 20 juni 1975 Mishre vs Suriname A 33. In casu is de straf van verzoeker niet in overeenstemming met de ernst van het plichtsverzuim.
7. Op grond van het bovenstaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven van ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.
8. Met het verzoek de overlegde productie als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

Overwegende, dat verzoeker op de daarin opgenomen gronden:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. De schorsingsbeschikking van de minister van Defensie de dato 31 oktober 2007 bureau [kenmerk] op elk der voorgeschreven gronden alsmede deze in onderling verband en samenhang beschouwd zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard;
II. Verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1000, – per dag althans een door uw Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
III. De verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding. 

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende wordt aangevoerd:   

  1. De verweerder brengt met betrekking tot het ingediende verzoekschrift van de verzoeker d.d. 25 januari 2008 het volgende naar voren.
    2. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in de punten 2 en 3 van zijn inleidend rekest, merkt de verweerder op dat zulks wordt erkend en geen nadere bespreking behoeft;
    3. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 4 van zijn
    inleidend rekest, merkt de verweerder opdat zulks eveneens wordt erkend en geen nadere bespreking behoeft;
    4. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 5 van zijn
    inleidend rekest, merkt de verweerder op dat het juist is wat de verzoeker in dit punt heeft gesteld, daar zulks een letterlijke weergave is van hetgeen in de ontslagbeschikking is gesteld;
    5. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 6 van zijn
    inleidend rekest, merkt de verweerder op dat hij bij de ontslagbeschikking ten name van de verweerder op geen enkele wijze in strijd heeft gehandeld met de Algemene Beginselen van Behoorlijk bestuur. 

Het aanhalen van artikel 59 lid 3 van de Wet Rechtspositie Militairen is voor de verweerder niet recht duidelijk, daar dit lid als volgt luidt:
Behoudens de voorgaande leden van dit artikel vinden bestaande algemene of bijzondere voorschriften betrekking hebbende op de rechtspositie van landsdienaren geen toepassing, indien en voor zover zij afwijken van deze wet.
Laat de verzoeker aangeven welke algemene of bijzondere voorschriften de verweerder heeft gebruikt die afwijken van de Wet Rechtspositie Militairen.
Artikel 63 lid 4 Personeelswet is een voorschrift waarmede de verweerder altijd rekening moet houden bij een ontslag, vandaar dat de verweerder in de consideranse van de beschikking uitdrukkelijk heeft gesteld: gelet op de Personeelswet, want artikel 35 lid 4 van Wet Rechtspositie Militairen
waarop dit ontslag is gegrond verwijst naar de leden 4 en 5 van artikel 64 van de Personeelswet.
Moet evenwel zijn artikel 63 Personeelswet, want artikel 64 heeft geen lid 5. Een militair die terzake heling is veroordeeld, behoort niet in een
gedisciplineerd Korps thuis.
Bovendien heeft de verzoeker tegen het vonnis van de Krijgsraad geen hoger beroep aangetekend, zodat dit vonnis onherroepelijk is.
De grond van het ontslag van de verweerder is artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen.
Thans haalt de verzoeker een aantal algemene beginselen aan om het ontslag te bestrijden.


De kwestie van het motiveringsbeginsel.
De verweerder heeft op geen enkele wijze in strijd gehandeld met het
motiveringsbeginsel. Immers de verzoeker heeft een onherroepelijk
strafvonnis en in artikel 35 lid 4 van de Wet Rechtspositie Militairen is uitdrukkelijk bepaald, dat aan een militair ontslag kan worden verleend als hem bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd.
De verweerder hoeft bij dit ontslag geen ellenlange motivering te geven en kan volstaan met het rechterlijk vonnis aan te halen, waarvan de grond van het ontslag is aangegeven. 

Niet de verzoeker bepaalt wanneer de verweerder gebruik moet maken van zijn ontslagbevoegdheid, maar de verweerder zelf en heeft deze een goede motivering gegeven voor het ontslag van de verzoeker.
De verzoeker zegt zelf dat de verweerder in de ontslagbeschikking de
vrijheidsbenemende maatregel heeft aangehaald in het veroordelend vonnis en dat is meer dan voldoende.
De verzoeker is ontslagen, omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit en dat is voldoende tot uitdrukking gekomen in de
ontslagbeschikking. Het ontslag van de verzoeker is ingrijpend, omdat hij ernstig inbreuk heeft gemaakt op de rechtsorde en de militaire discipline.
De verweerder maakt niets moeilijk. Het Hof van Justitie als
ambtenarenrechter zal uitmaken of het ontslag goed gemotiveerd is of niet. De vonnissen van Bakboord en Spoor spelen hierbij geen rol.

 

Gelijkheidsbeginsel
Het is de verweerder die het gelijkheidsbeginsel beoordeelt en ontkent de verweerder dat hij in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.
Bovendien heeft de Personeelswet in artikel 79 lid 4 van de Personeelswet bepaalt dat zaken die de beleidsvrijheid van de verweerder raken aan het oordeel van het Hof van Justitie is onttrokken, welk artikel 79 lid 4 van de Personeelswet als volgt luidt:
4.Het Hof treedt niet in de beoordeling van hetgeen in het belang van de dienst wordt gevorderd, voor zover daaruit redelijk verschil van inzicht
mogelijk is. Bovendien moet de verzoeker bijzonder voorzichtig zijn met het aanhalen van het gelijkheidsbeginsel, daar elk geval afzonderlijk wordt behandeld en beoordeeld.
Terzake het gelijkheidsbeginsel wordt verwezen naar bladzijde 181 e.v. van het Rapport van de Commissie inzake Algemene Bepalingen van
Administratief recht, vierde druk 1973 van G.A. Poelje.

 

Zorgvuldigheidsbeginsel
Niet de verweerder moet er voor waken dat de gegeven maatregel zo weinig mogelijk schade veroorzaakt aan de verzoeker, maar de verweerder zelf, daar hij in dienst is genomen om te werken en niet om strafbare feiten te plegen. 

Als de gevolgen van het ontslag niet alleen de verzoeker treffen, maar ook zijn gezin, moet de verzoeker zich dat ten volle bewust zijn.
De verzoeker is werkzaam bij een gedisciplineerd Korps en de discipline moet streng worden gehandhaafd.

 

Evenredigheidsbeginsel
Dit beginsel is op geen enkele wijze geschonden, daar de verzoeker niet heeft ontkend dat hij zich aan een ernstig strafbaar feit heeft schuldig
gemaakt en ook niet ontkent dat hij terzake van zijn vrijheid is beroofd door het bevoegde gezag.
Met deze veroordeling van de verzoeker door de Krijgsraad heeft hij de discipline binnen de Militaire dienst ernstig geschonden.

 

Proportionaliteitsbeginsel
De verzoeker haalt allerlei beginselen uit het Leerstuk van de Algemene Beginselen van behoorlijk bestuur aan.
Als de verzoeker van oordeel is dat de verweerder in strijd heeft gehandeld met een van de door hem aangehaalde beginselen, waarom heeft de
verzoeker tegen het vonnis geen appél aangetekend.
Het kiezen uit zwaardere en minder zware tuchtstraffen is een
aangelegenheid van de verweerder.
De verzoeker zegt zelf dat volgens vaste jurisprudentie moet de
tuchtrechtelijke sanctie in overeenstemniing zijn met de ernst van het
plichtsverzuim.
Wel nu, dit plichtsverzuim is zo ernstig n.l. heling, met gebruikmaking van middelen van de staat, dat hiertoe behoort de straf van ontslag en deze is volledig in overeenstemming met de gevolgen en de ernst van het
plichtsverzuim.
De vonnissen die door de verzoeker zijn aangehaald geven op geen enkele wijze rechtvaardiging aan het gepleegde strafbaar feit en ter ondersteuning van zijn onrechtmatig gedrag.
7. Met betrekking tot het gestelde van de verzoeker in punt 7 van zijn
inleidend rekest, merkt de verweerder op dat de verzoeker praat van ontslag, maar vraagt in zijn petitum vernietiging van de schorsingsbeschikking. 

 

Wat het petitum betreft
Dit is zondermeer een obscuur libel.
In punt 1 praat de verzoeker van een schorsingsbeschikking die de
verweerder volledig onbekend is. Door de verzoeker wordt zeker bedoeld de ontslagbeschikking no. CM/ 3478/07, maar hiervan is geen vernietiging gevorderd.

 

In punt II van het petitum.
Hetgeen gevraagd wordt behoort niet tot de bevoegdheid van het Hof.
Artikel 58 Wet Rechtspositie Militairen verwijst naar de artikelen 79 tot en met 83 van de Personeelswet. En volgens artikel 82 lid 3 van de
Personeelswet bestaat de mogelijkheid, indien het Hof een besluit nietig verklaart, dat de verweerder een nieuw besluit moet nemen overeenkomstig de beslissing van het Hof.
Maar dit wordt niet door de verzoeker gevraagd, althans blijkt zulks niet uit het petitum. 

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd: dat verzoeker zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, althans hem in deze niet ontvankelijk zal worden verklaard;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 21 februari 2008 verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door advocaat mr. B. H. Hok A Hin namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J. G. O. Koulen, advocaat mr. F. F. P. Truideman, gemachtigde van verweerder en de heer [naam 2], beleidsadviseur van het Ministerie van Defensie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal  staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een akte houdende wijziging van het verzoekschrift heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van verweerder een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating productie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 juni 2008 de gemachtigden van partijen geen producties hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.                                  

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat, naar uit  het procesdossier blijkt, verzoeker bij besluit, genomen bij beschikking van  de Minister van Defensie  de dato 31 oktober 2007 Bureau [kenmerk], uit Staats (Militaire) dienst is ontslagen, welk ontslag ingaat op de dag nadat gemeld besluit overeenkomstig artikel 3 van  de “Wet Rechtspositie Militairen” ter kennis van verzoeker zou zijn gebracht;

Overwegende, dat, naar verzoeker in het 4e “dat” van het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 28 januari 2008, heeft gesteld, voormelde ontslagbeschikking hem op 28 december 2007 ter hand is gesteld;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 5 lid 2 van de Personeelswet, een besluit geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het desbetreffende stuk:

a. hetzij door of vanwege het bevoegde gezag aan hem is overhandigd;

Overwegende, dat gemelde ontslagbeschikking conform gemelde wettelijke bepaling aan verzoeker is overhandigd;

Overwegende, dat voormelde ontslagbeschikking, naar het Hof gebleken is, onder letter e van de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet valt;

Overwegende, dat ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld:

a. meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat onder maand in de zin van artikel 1 lid 1 van de Personeelswet wordt verstaan: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat nu aan verzoeker de ontslagbeschikking  de dato 31 oktober 2007 op 28 december 2007 ter hand is gesteld en het verzoekschrift blijkens aantekening van de griffier op 28 januari 2008 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingekomen, dus op de 32ste dag na de terhandstelling aan hem – verzoeker – terwijl de wet, artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet,  een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende, verzoeker, is gebracht, toestaat, zal verzoeker niet worden ontvangen in zijn in onderdeel 1 van het petitum gevorderde, makende verzoeker, naar het Hof overigens gebleken is, in casu geheel ten onrechte gewag van: “De schorsingsbeschikking”;

Overwegende, dat het in onderdeel 2 van het petitum gevorderde als sequeel van het gevorderde in onderdeel I daarvan hetzelfde lot zal ondergaan;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zowel het in onderdeel I als het in onderdeel II van het petitum gevorderde;

 

Aldus gewezen door de heren: mr. J. R. Von Nieswand, President, D. D. Sewratan, lid en mr. A. A. Hermelijn, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 juni 2008, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun,  Fungerend-Griffier.

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij vertegenwoordiger verschenen.

SRU-HvJ-2005-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-493                                                                              

 

[Verzoekster], wonende aan [adres] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.63 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J.Brandon, advokaat

verzoekster,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME,  met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

 verweerder,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)    Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen de DE STAAT SURINAME,  met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) 3 te Paramaribo, verweerder.
  2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet.
  3. Verzoekster is vanaf 16 augustus 1975, dus reeds bijkans 27 jaar, in overheidsdienst. Verzoekster heeft ongeveer 24 jaar gewerkt op het Ministerie van Arbeid, en is vanaf 1998 werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verzoekster heeft vanaf haar indiensttreding zowel op het Ministerie van Arbeid als op het Ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt  op de afdeling Personeelszaken. Verzoekster is in 1997 op het Ministerie van Arbeid benoemd tot hoofd personeelszaken en is in 1998 overgeplaatst naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verzoekster is thans Hoofd van de afdeling personeelszaken op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verzoekster is bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 15 juni 1999, [nummer 1], benoemd tot Beleidsadviseur 3e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse, bezoldigingsschaal 21, Sf.240.000,– – Sf. 276.000). Van deze resolutie wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan hier letterlijk  herhaald en geinsereerd te beschouwen.
  4. Verzoekster is op 9 januari 2002 door de heer [naam] die optreedt als waarnemend direkteur van Buitenlandse Zaken, uitgenodigd voor een gesprek waarbij hij haar een memo ter hand heeft gesteld, waarin aan haar is medegedeeld dat door de leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is besloten haar te vragen om met ingang van donderdag 10 januari 2002 haar funktie van hoofd Personeelszaken ter beschikking te stellen. Voorts is in de memo gesteld dat gedaagde in overleg met verzoekster zal nagaan op welke wijze zij haar bijdrage zal blijven leveren aan de werkzaamheden van het Ministerie. Van bedoelde memo wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.

Verzoekster heeft bij genoemde functionaris geinformeerd naar de redenen die aanleiding zijn geweest voor de genomen beslissing zoals hierboven aangegeven, en die heeft haar medegedeeld dat de beslissing een van politieke aard is; voorts heeft hij aan verzoekster te kennen gegeven dat er op de wijze van uitvoering van haar werkzaamheden geen aanmerkingen zijn. De heer [naam] heeft verzoekster op haar vraag daarnaar niet kunnen aangeven aan wie zij haar de taken die zij in de funktie van hoofd Personeelszaken uitvoert moet overdragen. Evenmin heeft hij haar kunnen zeggen welke andere werkzaamheden aan haar zouden worden gegeven en op welke locatie zij in de toekomst zou moeten zitten.

  1. Verzoekster heeft in een brief d.d. 11 januari aan verweerder duidelijkheid gevraagd over de tegen haar genomen beslissing maar heeft op dit schrijven nimmer een reactie ontvangen. Van dit schrijven wordt hierbij een fotokopie  overgelegd.
  2. 6. Verzoekster is van mening dat in casu een niet-ambtelijke procedure is gevolgd aangezien zij per resolutie van 15 juni 1999 [nummer 1] in de functie van hoofd personeelszaken benoemd is tot Beleidsadviseur 3e Verandering in haar rechtspositie op een wijze zoals hierboven aangegeven is dan ook in strijd met de Personeelswet en met enkele algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  3. Verzoekster is van oordeel dat het besluit van verweerder van 9 januari 2002, vervat in een memo d.d. 9 januari 2002, afkomstig van de heer [naam] die fungeert als waarnemend direkteur van Buitenlandse Zaken, vatbaar is voor nietigverklaring omdat dit besluit genomen is in strijd met de Personeelswet en met de volgende beginselen van behoorlijk bestuur.

Beginsel van hoor en wederhoor

Dit beginsel brengt met zich mee dat besluiten tot administratieve rechtshandelingen die tegen zijn wil in de rechten van de ambtenaar ingrijpen, niet mogen worden genomen zonder dat de betrokkene tevoren in de gelegenheid is gesteld daarover te worden gehoord. In casu is de beslissing namelijk genomen zonder dat verzoekster tevoren in de gelegenheid is gesteld daarover te worden gehoord.

Beginsel van zorgvuldigheid

Bij de afweging van belangen die aan het besluit vooraf ging, is onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van verzoekster die al 27 jaar in overheidsdienst is en een dergelijke handeling niet verdient, maar eerder gewaardeerd moet worden voor de diensten die zij aan het land bewijst. 

Beginsel van de deugdelijke feitelijke grondslag

Dit beginsel eist dat de motivering welk een administratieve rechtshandeling wordt gegeven, een deugdelijke feitelijke grondslag moet hebben. Een reden van politieke aard zoals door de gedaagde aangegeven is een ondeugdelijke grondslag.

  1. Verzoekster acht de eerder genoemde beslissing op de gronden zoals hierboven aangegeven onrechtmatig.
  2. Verzoekster heeft gedurende haar ambtelijke loopbaan van ruim 27 jaar nimmer een ontevredenheidsbetuiging gehad en is altijd een plichtsgetrouwe ambtenaar geweest. Verzoekster heeft heel erg te lijden onder de jegens haar genomen beslissing.

     Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

  1. Het besluit vervat in de memo van 9 januari 2002 afkomstig van de heer E.Limon, die fungeert als waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken nietig zal worden verklaard;

II.Verweerder zal worden veroordeeld verzoekster onmiddellijk na het ten deze te wijzen vonnis althans binnen een door uw Hof te bepalen termijn verzoekster in de gelegenheid te stellen de werkzaamheden overeenkomstig haar functie te verrichten, met bepaling dat verweerder voor elke dag waarop hij in gebreke mocht blijven aan het in deze te wijzen vonnis te doen, aan verzoekster ten titel van dwangsom zal verbeuren een bedrag van Sf. 1.00.000,– per dag. 

Kosten rechtens.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu onder aanbod van bewijs conform recht en wet.
  2. Verzoekster is gelijk zij stelt benoemd tot BELEIDSADVISEUR 3e klasse en dienovereenkomstig bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse. Wat betekent dit ? Verzoekster bekleedde voordien de funktie van Hoofd Personeelszaken  hetgeen binnen de overheidsadministratie een LIJNFUNKTIE is terwijl BELEIDSADVISEUR een STAFFUNKTIE is. De beleidsadviseur valt rechtstreeks onder de Minister in tegenstelling tot de lijnfunktionaris. Verzoekster moest gelijktijdig met haar benoeming tot beleidsadviseur ontheven worden uit de lijnfunktie hetgeen om onbekende redenen is nagelaten waaraan verzoekster zelf in hoogst   eigen persoon niet vrij uitgaat en bovendien het verwijt te  maken valt dat zij de Minister c.q. de President niet heeft geadviseerd zoals het hoort. Overigens is de concept-resolutie die haar benoeming tot Beleidsadviseur introduceerde door haar zelf opgemaakt en de leiding heeft op haar kompas gevaren als de deskundige bij  uitstek destijds.
  3. Hetgeen in de memo staat bedoelt te verwoorden hetgeen hiervoren over lijn – en staffunktie is vermeld. De formalisering van het  e.e.a. is in proces.  Overigens is de memo van de direkteur van Buitenlandse Zaken niet een besluit  of administratiefrechtelijke rechtshandeling van het bevoegde gezag ex artikel 3 P.W. In de rechtspositie van verzoekster is geen verandering  gekomen. Verzoekster hield ten onrechte de positie (funktie) van Hoofd Personeelszaken bezet hoewel zij formeel die funktie vanaf 01 juni 1999 NIET meer heeft.
  4. Hetgeen in een onderhoud met de heer [naam] aan deze wordt verweten, wordt bij gebrek aan wetenschap door verweerder ontkend en regardeert verweerder niet.
  5. Verzoekster is voorts niet ontvankelijk in haar vordering omdat zij beklag binnen de administratie ex artikel 78 P.W. heeft ingesteld en de termijn  in het tweede lid van  genoemd artikel niet heeft afgewacht waardoor de onderhavige vordering prematuur is gesteld.
  6. Hetgeen  verzoekster in punt 5 ten rekesten heeft gesteld is hiervoren uitvoerig ontzenuwd maar ook niet waar. Verzoekster is NIET in 2 (twee) (Hoofd) funkties benoemd zoals zij doet voorkomen.
  7. Aangezien er geen besluit is van het bevoegd gezag valt er niets te vernietigen en is evenmin enig beginsel overtreden. Verzoekster zal van het hoger gezag antwoord krijgen op haar schrijven.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoekster in haar vordering niet zal worden ontvangen althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hofs beschikking van 19 april 2005 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen,  advokaat Mr.S.Marica namens advokaat Mr.K.J.Brandon, gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr.A.R.Baarh en Mr.Sh.Mahadew, gemachtigden van de Staat Suriname, verweerder,  en de heer  Tompo Kartoebi, Desk Officer op de afdeling America’s op het Ministerie van Buitenlandse zaken, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen  de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verweerder bij antwoord pleidooi een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 18 maart 2005 advokaat Mr.A.R.Baarh gepersisteerd heeft bij zijn stellingen, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak  had bepaald op 20 mei 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

  1. Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen  en de inhoud van de overgelegde bescheiden, een en ander voor zover niet betwist, het volgende vaststaat:

1.1.verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en is vanaf 1998 werkzaam op het Ministerie van Buitenlandse zaken;

1.2. op 9 januari 2002 is aan verzoekster een, van de waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken afkomstige, memo van diezelfde datum ter hand gesteld waarin aan haar, verzoekster, voor zoveel hier van belang, werd medegedeeld dat door de leiding van genoemd Ministerie was besloten haar te vragen om met ingang van donderdag, 10 januari 2002 haar funktie als hoofd Personeelszaken ter beschikking te stellen;

2. Overwegende, dat verzoekster onder 1 van het petitum heeft gevorderd dat het besluit vervat in de memo van 9 januari 2002 afkomstig van de heer [naam], die fungeert als waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken, zal worden nietig verklaard.

3.1. Overwegende, dat in de onder 1.2. vermelde memo melding wordt gemaakt van een ten aanzien van verzoekster genomen besluit hetwelk, ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet, vatbaar is voor nietigverklaring ;

3.2. Overwegende, dat verzoekster derhalve niet kan worden ontvangen in haar vordering;

4.1. Overwegende, voorts  dat als onweersproken vaststaat dat de departementsleiding de memo bij brief van 2 april 2002 [nummer 2] heeft ingetrokken, hetgeen het Hof aldus begrijpt dat, voor zover in de memo enig besluit ten aanzien van verzoekster is vervat, dat besluit ongedaan is gemaakt;

4.2. Overwegende, dat verzoekster, gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, geen belang heeft bij de onder 2 bedoelde vordering en zij  in die vordering niet kan worden ontvangen.

4.3. Overwegende, dat onderdeel II van het petitum samenhangt met onderdeel I en dan ook het lot van laatstvermeld onderdeel deelt;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vorderingen;

 

Aldus gewezen door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 oktober 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.Tjon Jaw Chong namens haar gemachtigde, advokaat Mr.K.J.Brandon en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh,  zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2005-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

A – 557.

[Verzoekster], wonende aan [adres] [plaats] ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat 1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.D.Kanhai, advokaat, 

verzoekster,

t   e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat no.1), voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof  heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoekster de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen:

DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.1, hierna te noemen verweerder;

  1. dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet uit hoofde waarvan zij verzoekster in dienst is van de verweerder. De hiergenoemde arbeidsrelatie is aangevangen in en of rondom december 1985. De verzoekster is bij Resolutie d.d. 11 december 1995 bevorderd tot Brigadier van politie;
  2. dat verzoekster zich gedurende haar dienst periode heeft doen kennen als een plichtsgetrouwe ambtenaar blijkende zulks uit de bevordering hiergenoemd;
  3. dat verzoekster  op of omstreeks maart 2003 betrokken is geweest bij een echtelijke ruzie waarbij zij de buiten vrouw van haar echtgenoot zou hebben bedreigd in verband waarmede  zij dan ook in verzekering was gesteld en weer in vrijheid was gesteld; 

De verzoekster is terzake ook buiten funktie gesteld;

  1. dat de verzoekster  bij schrijven d.d. 24 juni 2002 in gebreke is gesteld en zich heeft verweerd d.d. 12 juli 2002;
  2. dat de verzoekster bij beschikking d.d. 27 maart 2003 [kenmerk nummer 1] Justitie [nummer 3] is ontslagen. Een kopie van die beschikking genummerd produktie 1 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud van die beschikking als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken. De hiergenoemde beschikking is aan de verzoekster in een gesloten enveloppe verstrekt op 15 juli 2003, waarna verzoekster in beroep is gegaan;
  3. dat de beschikking hierboven genoemd met name de ontslagbeschikking berust op onware feiten en of feiten die zich niet hebben voorgedaan en daarom reeds de beschikking  in aanmerking komt om vernietigd te worden, daarenboven is de beschikking niet deugdelijk gemotiveerd;
  4. dat voorts de straf en of tuchtmaatregel van ontslag zoals verwoord in de hiergenoemde beschikking niet in overeenstemming is met de door de verzoekster gepleegde handeling;

ter adstructie van het hier gestelde het volgende:

a. dat in de eerste overweging er slechts sprake is van een verdenking  van strafbare feiten,

De verzoekster is nimmer veroordeeld wegens die verdenkingen genoemd in de eerste overweging op grond waarvan er geen sprake kan zijn van ernstig plichtsverzuim;

b. aan de verzoekster is nimmer de mededeling is gedaan dat zij is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om haar voor te dragen voor ontslag (ex art 66 Personeelswet)

c. dat de tuchtstraf van ontslag in geen enkele overeenstemming is met de feiten, immers is de verzoekster nimmer in verzekering gesteld  vanwege de verdenkingen;

d. dat de tweede overweging geheel in strijd is met de waarheid, immers de verzoekster is slechts verhoord op basis van een aangifte

9. dat de beschikking hier eerder genoemd tevens in strijd is met het beginsel van een deugdelijke motivering ter adstructie waarvan het volgende:

a. op geen enkele wijze is gemotiveerd aangegeven welke rechtvaardigings grond aanwezig is geweest  om de verzoekster na een jaar te ontslaan. Zulks is in elk geval niet belichaamd in de beschikking, immers de verzoekster mocht na de eerste verdenking zoals gesteld    in de eerste overweging haar diensten hervatten;

10. dat de gewraakte beschikking d.d. 27 maart 2003 voorts in strijd is met de wet. Ter adstructie waarvan het volgende:

a. dat nimmer aan de verzoekster de mededeling is gedaan dat zij is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om haar voor te dragen voor ontslag (ex art.66 Personeelswet)

b.dat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van de verzoekster;

11. dat de gewraakte Beschikking [nummer 4] voor vernietiging in aanmerking komt nu op ergerlijke wijze sprake is van schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, hebbende de genoemde Beschikking geen enkele feitelijke grondslag;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd: 

dat het Hof in ambtenaren zaken verweerder zal veroordelen alsvolgt:

a. dat zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Beschikking d.d. 27 maart 2003 Justitie [nummer 3]

b. dat verweerder zal worden gelast  verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende en met toekenning van de schadeloosstelling zoals bedoeld in art 49 van Het Politie handvest

c. dat verzoekster in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de funktie die zij heeft bekleed voor de gewraakte Beschikking  hierboven genoemd te kunnen vervullen zonder enige hinder zijde de verweerder

d. dat verweerder zal worden gelast het salaris van verzoekster zoals door haar verdiend voor de Beschikking van 25 oktober 2002 uit te betalen en daarmede voort te gaan

en voorts dat verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van Sf.10.000.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen

f.verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu, onder aanbod van bewijs conform recht en wet.

2.Tardieve vordering; niet ontvankelijkheid.

2.1. Verzoekster is niet ontvankelijk in haar vordering omdat de ontslagbeschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 27 maart 2003 [kenmerk nummer 1] Justitie [nummer 3] op 05 mei 2003 aan verzoekster persoonlijk is overhandigd.

I. Verzoekster heeft voor ontvangst getekend. Het e.e.a. blijkt uit de akte van uitreiking d.d. 05 mei 2003 prod I. Verzoekster heeft de wettelijke termijn om de rechter te adiëren laten  expireren en blijkens het inleidend verzoekschrift heeft zij  het Hof van Justitie pas op 02 september 2003 het verzoek gedaan, dus ruim 4 (vier) maanden nadat het besluit  ingevolge de personeelswet te harer kennis was gebracht. Met het vorenstaande is hetgeen in het 6e sustenu van het verzoekschrift staat m.b.t de datum van uitreiking gelogenstraft. Maar ook indien de beschikking op 15 juli 2003 aan verzoekster was uitgereikt quod non, dan nog is haar verzoek tardief.

  1. Verzoekster is niet op basis van verdenkingen ontslagen, maar op grond van feiten zoals in de overwegingen van de ontslagbeschikking omschreven met name de overwegingen vermeld onder de 2e, 3e, 4e, 5e, 6e en 7e alinea’s. Hiermede is ontzenuwd het gestelde in het verzoekschrift in punt 8 onder a. Verzoekster is wel inverzekering gesteld zoals blijkt uit de overweging in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 24 januari 2003 [nummer 5] prod 2. Dus het gestelde in punt 8 onder c is in strijd met de waarheid.
  2. Verzoekster heeft zich op 12 juli 2002 verweerd. Het ontslag is haar op 27 maart 2003 verleend  nadat het Overleg Orgaan  in Politie-ambtenarenzaken op 18 december 2002 was gehoord. De termijn is niet onredelijk.
  3. Artikel 66 Personeelswet bevat geen mededelingsverplichting zoals verzoekster stelt in punt 10 sub a. De evenredigheid waarnaar verzoekster verwijst in punt 10 sub b is niet concreet aangegeven waardoor  verweerder wordt bemoeilijkt in zijn verweer daartoe.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoekster in haar vordering niet zal worden ontvangen althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond althans onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hofs beschikking van 2 mei 2005 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen,  verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.I.S.Asarfie-Lalji namens haar gemachtigde, advokaat Mr.I.Kanhai, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van de Staat Suriname, Hoofd-Inspecteur van politie, mevr.K.Mathoera namens het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster advokaat  Mr.C.J.Halfhuid namens advokaat Mr.I.D.Kanhai een pleitnota heeft overgelegd, waarna partijen hebben gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

 TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het verzoekschrift dat strekt tot:

vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 27 maart 2003 [nummer 3];

het gelasten van verweerder verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest;

het stellen van verzoekster in de gelegenheid de bedongen arbeid op de normale wijze en in de funktie die zij heeft bekleed vóór de gewraakte beschikking  hierboven genoemd te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens verweerder;

het gelasten van verweerder het salaris aan verzoekster zoals door haar verdiend voor de beschikking van 25 oktober 2002 uit te betalen  en daarmede voort te gaan;

veroordeling van verweerder tot het betalen van een dwangsom van Sf.10.000.000,– per keer of per dag voor iedere keer of iedere dag dat verweerder in strijd met het hiervoren gevorderde mocht handelen, 

ter griffie van het Hof van Justitie op 2 september 2003 is ingekomen;

Overwegende, dat verzoekster ter gelegenheid van het op 20 mei 2005 gehouden verhoor van partijen in Raadkamer van het Hof van Justitie als Gerecht in Ambtenarenzaken, alstoen in persoon verschenen, desgevraagd alstoen onder meer heeft verklaard, dat zij op 5 mei 2003 de ontslagbeschikking heeft ontvangen;

Overwegende, dat nu verzoekster, naar uit de aantekening van de Griffier van het Hof van Justitie blijkt, haar vordering op 2 september 2003 heeft ingesteld en zij de termijn van een maand als vastgesteld in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet heeft overschreden, het Hof verzoekster niet ontvankelijk verklaren zal in haar vordering;

Overwegende, dat aan het zojuist overwogene niet afdoet, dat verzoekster, toen zij in verzekering was gesteld, de ontslagbeschikking uitgereikt gekregen heeft en geen bijstand van een advokaat had omdat voormelde omstandigheden haar – naar het oordeel van het Hof – geenszins beletten met behulp van de Justitiële autoriteiten de bijstand van een advokaat (al dan niet van staatswege ) in te roepen om voor haar op te komen tegen de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 27 maart 2003 [nummer3];

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vordering;

Aldus gewezen  door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 augustus 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.J.Halfhuid namens haar gemachtigde, advokaat Mr.I.D.Kanhai en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.J.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat  Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2005-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14121

 

[Appellant], wonende [plaats] aan [straatnaam 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.L.H.R. Rogers, advokaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende [plaats] aan [straatnaam 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E. Naarendorp, advokaat,

geintimeerde in Kort Geding,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoir vonnis van 18 juni 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat bij laatstvermeld vonnis werd bepaald, dat [appellant] in de gelegenheid wordt gesteld om justificatoire bescheiden in het geding te brengen ter onderbouwing van het gevorderde onder c;

Overwegende, dat  de gemachtigde van appellant de justificatoire bescheiden heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde hierna een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op 04 februari 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 18 juni 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellant de volgende justificatoire bescheiden in het geding heeft gebracht, te weten :

  • een schrijven van advocaat mr.A. van der San, d.d. 02 juni 1997 aan appellant, waarin Sf 5.278.145,- wordt gevorderd van hem, (appellant) voor bewerkte bouwmaterialen, deuren en ramen;
  • een schrijven van advokaat, mr.L.H.R. Rogers, d.d. 18 juni 1997, procesgemachtigde van appellant, inhoudende een sommatie aan geintimeerde waarvan gehecht een staat van meer – en minderwerk ten behoeve van mevrouw [geïntimeerde] en een staat van ontvangsten; de laatste staten zijn echter door appellant zelf opgesteld;

Overwegende, dat artikel 1622 B.W, waarop geintimeerde zich beroept, bepaalt dat: “indien een aannemer op zich heeft genomen om een gebouw bij aanneming te maken volgens een bestek met de eigenaar van de grond beraamd en vastgesteld, hij geen vermeerdering van de prijs kan vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering der arbeidslonen of bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen, die niet in het bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrotingen niet schriftelijk zijn ingewilligd en over dezelver prijs met de eigenaar geen overeenkomst is getroffen.”

Overwegende, dat nu appellant middels de overgelegde bescheiden niet heeft kunnen aantonen dat door geintimeerde schriftelijk is ingewilligd in het meerwerk of met haar geen schriftelijke overeenkomst is getroffen, zal de vordering van appellant worden afgewezen als te zijn niet bewezen c.q. ongegrond.

Overwegende, dat het bestreden vonnis, onder verbetering en aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt en dient appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit hoger beroep te worden veroordeeld;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt, onder verbetering en aanvulling van gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken op 22 januari 1998, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en welke begroot worden op SRD 150,-;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,-;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op SRD 150,-;

 

Aldus gewezen door: Mr.A.I.Ramnewash, Fungerend-President, Mr.K. Pultoo en Mr.Drs. C.C.L.A.Valstein – Montnor Leden en door de Fungerend – President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 17 juni 2005 in tegenwoordigheid van Mr.G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.L.H.R.Rogers en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat  Mr.J.P.Tjon namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.Naarendorp, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2004-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14120

A. [Appellant sub A], wonende aan [straatnaam 1], te [plaats]

 en

B. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP “N.V.ROEP”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Wanicastraat no.136, door wie tot hun beider gemachtigden is gesteld, Mr.R.S.Baldew en Mr.F.F.J.Troon, advokaten

appellanten,

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 2] te [plaats], voor wie gemachtigde optreedt, Mr.J.C.P.Nannan Panday, advokaat,

geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend   Het Hof van Justitie van Suriname;

 Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 maart 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen bepaald, zijn verschenen, [appellant sub A], in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat  Mr.F.F.J.Troon,

die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen hebben genomen, hebbende hij tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;  

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde – een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen  tot uitlating produktie heeft genomen;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 16 juli 2004, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 maart 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat appellanten sub A bij de op 30 april 2004 gehouden inlichtingencomparitie in persoon verschenen het “zijdens” geintimeerde in het 9e sustenu van het antwoord – pleidooi, gedateerd 20 juni 2003 gestelde dat de ontruiming van het pand plaatsgevonden heeft op 13 april 1998 (moet zijn: 13 augustus 1998) beaamd hebben, daaraan heeft toegevoegd dat daartoe moest worden overgegaan omdat aan het vonnis, waarbij de ontruiming was gelast, moest worden voldaan; dat appellanten, aldus appellant sub A – bij dat vonnis tot ontruiming veroordeeld waren;

Overwegende, dat nu appellanten, na op 16 juni 1998 tegen het beroepen vonnis appél te hebben aangetekend, op 13 augustus 1998, naar gebleken is zonder enig voorbehoud, het litigieuze pand hebben ontruimd, welk pand, naar als niet zijdens  appellanten weersproken, niet meer aan de geintimeerde toebehoort, ontgaat het het Hof geheel welk belang appellanten nog hebben bij het appél;

Overwegende, dat appellanten dan ook niet ontvankelijk verklaard dienen te worden verklaard in hun tegen beroepen vonnis aangetekend appél, onder veroordeling van appellanten als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan de zijde, van geintimeerde gevallen, komende de door appellanten aangevoerde grieven door deze beslissing niet meer aan de orde;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellanten niet ontvankelijk in het door hen tegen het vonnis de dato 1 juni 1998, aangetekend appél;

Veroordeelt hen in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en in prima begroot op SRD 11. 

en in hoger beroep begroot op SRD 250.

Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van geintimeerde voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 250.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op SRD 250.

 

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie  van Vrijdag, 6 augustus 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Janghabadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat  Mr.F.F.P.Troon en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.A.I.Soechitram namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2004-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14109

[Appellant], wonende [straatnaam 1] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.Halfhide, advokaat,

 appellant,

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [straatnaam 2] te ’s Gravenhage Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.A.Glunder, advokaat,

geintimeerde,                                                                                                    

                                                                     

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton van 13 oktober 1998 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Derde Kanton van 27 april 1999, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen:

De heer [appellant], wonende [straatnaam 1] in het [district], gedaagde;

  1. Dat blijkens hierbij in fotocopie overgelegde schuldbekentenis en gebruikersverklaring eiser aan gedaagde verkocht en geleverd heeft, gelijk gedaagde van eiser gekocht en ontvangen heeft twee tractoren van het merk Ford van respectievelijk het type 6600 en 7700 en serie no. B962798 en B320488 zulks voor de koopsom van Sf.10.000.000,– (Tien miljoen gulden);
  2. Dat gedaagde zich verplicht heeft om op uiterlijk 31 mei 1997 de koopsom te betalen, doch ondanks herhaalde aanmaningen in der minne weigert om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, waardoor eiser genoodzaakt is de tussen partijen bestaande overeenkomst via de rechter te ontbinden, de litigieuze tractoren door middel van een revindicatoir beslag terug te vorderen;
  3. Dat deze vordering derhalve opeisbaar is geworden.
  1. Dat gedaagde met deze twee tractoren zijn rijstarealen in totaal 100 hectaren heeft bewerkt en nog steeds bewerkt en daaruit voordeel en winst voor zich zelf heeft behaald, integenstelling tot verzoeker die inkomsten heeft moeten derven door de wanprestatie van gedaagde.
  2. Dat de kosten om één hectare rijst areaal te bewerken bedraagt Sf.80.000,– (tachtig duizend gulden) aan huurgelden voor een tractor en uitgaande van 2 seizoenen, aangezien gedaagde de tractoren sinds 28-02-1995 in zijn bezit heeft, levert dat een kostenbesparing van 16.000.000,–(Zestien miljoen gulden) op voor gedaagde.
  3. dat eiser, door de wanprestatie van gedaagde zijn verkoopgelden à Sf.10.000.000,– (Tien miljoen Surinaamse gulden) niet kan ontvangen en de rente daarop moet ontberen en deze twee tractoren ook niet heeft kunnen verhuren voor de bewerking van rijst arealen voor zich zelf en derden en derhalve zodoende aan inkomsten heeft gederfd Sf.16.000.000,– (ZESTIEN MILJOEN GULDEN.
  4. Dat, na daartoe van de  Kantonrechter toestemming te hebben bekomen bij beschikking d.d. 28-1-1998 eiser ter verzekering van zijn vordering bij exploit no.38 d.d. 6-3-1998 van de deruwaarder bij het Kantongerecht in het Derde Kanton in het distrikt Nickerie, de heer P.BHAROS voormelde beschikking aan gedaagde heeft betekend en conservatoir beslag heeft doen leggen op in het proces-verbaal genoemde roerende goederen.
  1. Dat voormeld beslag thans van waarde dient te worden verklaard.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd dat bij vonnis:

a. Gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser te voldoen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag groot Sf.16.000.000.—(Zestien miljoen gulden) vermeerderd met de wettelijke rente à 6% ’s jaars vanaf  dag der indiening tot die der algehele voldoening.

b. Het gelegde conservatoir beslag van waarde zal worden verklaard.

c. Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

d. Het vonnis uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad op de minuut   op alle dagen en uren.

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde zich aan de zaak heeft onttrokken;

Overwegende, dat de gedaagde niet gereageerd heeft op de Griffiersbrief en ook niet in persoon ter terechtzitting  is verschenen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 13 oktober 1998 op          de daarin opgenomen gronden:

A. Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.16.000.000,– (ZESTIEN MILJOEN GULDEN) vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% ’s jaars vanaf 12 maart 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

B. Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

C. Vanwaarde heeft verklaard het door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, P.Bharos, bij exploit de dato 6 maart 1998 no.38, gelegd conservatoir beslag. 

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van het geding, tot aan deze    uitspraak aan de zijde van eiser begroot op f.47.701,25;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal  [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 13 oktober 1998;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 31 juli 2000 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald, de gemachtigde van appellant een pleitnota heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi peremptoir bepaald, advokaat Mr.M.Castelen namens, advokaat Mr.E.A.Glunder het Hof heeft medegedeeld, dat laatstgenoemde geen kontakt heeft gehad met zijn client;

    Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald     op 7 november 2003, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat appellant blijkens de desbetreffende verklaring van de Griffier der Kantongerechten op 27 april 1999 in hoger beroep is gekomen van het op 13 oktober 1998 gewezen vonnis bij welks uitspraak hij blijkens verklaring van de Griffier in persoon aanwezig was, zodat hij gerekend vanaf de dag der uitspraak 197 dagen nadien in beroep is gekomen, terwijl de wet slechts een termijn van dertig dagen toestaat;

Overwegende, dat appellant derhalve niet ontvankelijk is in het ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 13 oktober 1998 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD……..

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant op SRD……

Aldus gewezen  door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President,  Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 februari 2004, in tegenwoordigheid van  Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

           

Partijen, appellant  vertegenwoordigd door advokaat  Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.A.Halfhide en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat  Mr.K.J.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat  Mr.E.A.Glunder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                    

 

                                                                                    

 

SRU-HvJ-2004-15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14105

[appellant], wonende [plaats] aan [straatnaam 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.Oemar, advokaat,

appellant,

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende [plaats] aan [straatnaam 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,

geintimeerde,                                                                                                    

                                                                     

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 8 april 1997 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 april 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [GEÏNTIMEERDE] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de eiser en gedaagde vanaf de maand maart 1995, verschillende geldzaken hebben gedaan o.a. heeft de eiser aan de gedaagde in de maand maart 1995, een geldsbedrag van F.18.000.000.—(Achttien miljoen gulden), voorgeschoten, teneinde onroerende goederen op te kopen en die tegen winsten door te verkopen;
  2. dat de gedaagde per 10 juli 1995, aan de eiser per saldo had te voldoen, een bedrag van f.10.262.500.–;
  3. dat door de gedaagde vanaf 10 juli 1995 tot en met 29 april 1996, aan de eiser geen enkele rekening en verantwoording heeft gegeven omtrent de geboekte winsten;
  4. dat naar de maatstaven van eerder aan de eiser door gedaagde uitgekeerde winsten, de gedaagde in de periode van 10 juli 1995 tot en (lees erbij: met) 29 april 1996, een totale winst heeft gemaakt van F.4,525.000.—waarvan de helft of te wel een bedrag van F.2.262.500.—aan de eiser toekomt;
  5. dat de eiser per 29 april 1996 aldus van de gedaagde opeisbaar had te vorderen de bedragen van t.w.: als saldo hoofdsom een bedrag van F.10.262.500.—plus de gemaakte winst ad F.2.262.500.–;
  6. dat de eiser de gedaagde omtrent een generale afrekening herhaaldelijk heeft aangesproken, echter heeft de gedaagde altijd geweigert tot een algehele afrekening en betaling aan de eiser te doen;
  7. dat de eiser daarom de gedaagde blijkens bijgaande schrijven van de Deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd.29 april 1996, welk schrijven bij exploit van dezelfde deurwaarder dd. 29 april 1996 aan de gedaagde werd betekend heeft doen sommeren om voormeld aan de eiser toekomende bedragen van in totaal F.12.525.000.—binnen 2 dagen nadien te voldoen, echter is door de gedaagde na de sommatie slechts een bedrag en F.354.700.—als in mindering betaald latende een saldo bedrag van F.12.170.300.–;
  8. dat de eiser gerechtigd is het saldo opeisbaar bedrag in rechte van de gedaagde te vorderen, nu als gesommeerd geen betaling van het volledig bedrag is kunnen bekomen; 
  9. dat eiser ter verzekering zijner voormelde vordering na daartoe verkregen verlof van de Edelachtbare Heer Kantonrechter in het Eerste Kanton, bij proces-verbaal van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd. 6 mei 1996, conservatoir beslag heeft doen leggen op het ½ aandeel en de blote eigendom van de gedaagde op de in dit proces-verbaal omschreven roerende goederen van de gedaagde; 
  10. dat dit beslag bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, B.S.Ramkhelawan, dd. 6 mei 1996 aan de gedaagde werd betekend; 
  11. dat dit beslag behoort te worden vanwaarde verklaard;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten van het geding, gedaagde  zal worden  veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a.als saldo hoofdsom een bedrag van F.9.907.800.–, terzake als ten rekeste is omschreven, vermeerderd met de wettelijke rente hier over ad 6% ‘s jaars vanaf de dag der indiening  van dit verzoekschrift tot aan die der algehele voldoening;

b.de som van F.2.262.500.—terzake als ten rekeste omschreven.

Voorts dat vanwaarde zal worden verklaard het gelegd conservatoir beslag; Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding, daaronder begrepen die van het gelegd beslag en de betekening daarvan.

Overwegende, dat te dienende dage partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.J.Lachmon en Mr.T.Gangaram Panday ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 8 oktober 1996 de gemachtigde van gedaagde heeft verklaard dat partijen zich in termen van schikking bevinden;

Overwegende, ten dage voor antwoord bepaald met peremptoirstelling casu quo uitlating schikking er geen conclusie is genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 8 april 1997 op de daarin opgenomen gronden:

  1. Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.9.907.800.—(NEGENMILJOEN NEGENHONDERD ZEVENDUIZEND EN ACHTHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 15 mei 1996 tot aan de algehele voldoening.
  2. Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.2.262.500.—(TWEEMILJOEN TWEEHONDERD TWEE EN ZESTIG DUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN), vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 15 mei 1996 tot aan de algehele voldoening.

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

Van waarde heeft verklaard het door B.S.Ramkhelawan deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname d.d. 6 mei 1996 onder no. 63 gelegd conservatoir beslag.

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten daaronder begrepen de beslagkosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.11353,50 (ELFDUIZEND DRIEHONDERD EN DRIE EN VIJFTIG 50/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [APPELLANT]in hoger beroep is gekomen van voormeld vonnis  van 8 april 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tj.Jhagroe van 28 juni 2000 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT: 

Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde, op de tegen hem ingestelde vordering in eerste aanleg zich niet verweerd hebbende, ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is om in hoger beroep nieuwe weren van rechten in te brengen, mits deze een verdediging op de hoofdzaak opleveren en niet in het geding ter eerste instantie zijn gedekt;

Overwegende, dat de appellant, waar hij als gedaagde in het geheel geen verweer op de tegen hem door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg heeft gevoerd, op grond van de aangehaalde wetsbepaling in hoger beroep daartoe wel bevoegd is;

Overwegende, echter, dat deze bevoegdheid in hoger beroep door de appellant slechts kan worden uitgeoefend in een der memoriën, als bedoeld in artikel 271 van vermeld wetboek;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene opmerkt, dat zich onder de gedingstukken in het procesdossier bevindt een van 6 mei 1997 daterende door de procesgemachtigde van appellant ondertekende Memorie van Grieven in drievoud;

Overwegende evenwel, dat niet blijkt dat voormelde Memorie van Grieven is overgelegd of ingediend aan de Griffier van het Kantongerecht, die van de ontvangst in voege als voren aantekening houdt, zoals artikel 271 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitdrukkelijk voorschrijft;

Overwegende, dat de consequentie van het zojuist overwogene is dat het Hof geen acht zal slaan op voormelde Memorie van Grieven en haar buiten geding houden als zijnde niet overgelegd of ingediend;

Overwegende, dat nu appellant van de bevoegdheid tot het voeren van verweer op de tegen hem door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering in eerste aanleg bij het houden der pleidooien evenwel geen gebruik kan maken, vermits een pleidooi in het algemeen een toelichting is op de reeds gestelde feiten en daaraan verbonden rechtsgevolgen en dat het doen bepleiten van een zaak ingevolge het bepaalde in artikel 281 van voormelde wet niet kan omvatten het inbrengen van nieuwe weren van rechten als bedoeld in artikel 278 lid 2 van voormeld wetboek en een pleitnota als inhoudende hetgeen de advokaat ten behoeve van en voor zijn client mondeling ter toelichting van diens zaak ter terechtzitting heeft aangevoerd, geen memorie in de zin van artikel 271 of van artikel 274 dan wel een stuk als bedoeld in artikel 280 van voormeld wetboek is;

Overwegende, dat nu appellant voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep zijn verweer ten principale tegen de hem als gedaagde door de geintimeerde als eiser ingestelde vordering heeft gevoerd, op grond van de voorgaande overwegingen op dit verweer geen acht kan worden geslagen en de appellant ook in hoger beroep niet geacht kan worden op de voormelde vordering te hebben geantwoord;

Overwegende, dat derhalve evenals in eerste aanleg ook in hoger beroep de vordering van de eiser/geintimeerde als door gedaagde/appellant niet weersproken moet worden aangemerkt en dat mitsdien het vonnis, waarvan beroep, alszijnde juist en conform de wettelijke regeling gewezen in hoger beroep behoort te worden bevestigd met veroordeling van de appellant in de kosten van het geding in hoger beroep;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

          RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis, gewezen en uitgesproken ter Openbare terechtzitting van het Kantongerecht in het Eerste Kanton van 8 april 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen de geintimeerde als eiser en de appellant als gedaagde (algemeen Register No.1442/96);

Veroordeelt de appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op SRD 50 ; 

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris ad SRD 50 ;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant voor het door hem gehouden pleidooi eveneens op SRD 50 ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden  en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 maart 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.A.R.Baarh namens de gemachtigde van geintimeerde, advokaat Mr.S.Dulam, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2005-5

                                      

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.14104 

[Appellant], wonende aan [adres] in het [district],  voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.CH. de Noten, advokaat  

appellant,

 t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [adres] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.Asarfi-Lalji, advokaat,

geintimeerde,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

    Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 26 maart 1991, 26 oktober 1993 en 27 juni 1995 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 juli 1995 waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

    Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiser van de Overheid van Suriname in huur heeft een perceelland groot 4 ha. gelegen te [aanduiding perceel];
  2. dat eiser in de maand mei 1989, althans in de eerste helft van het jaar 1989, op verzoek van de gedaagde aan hem, gedaagde, een stuk perceel groot ongeveer 20 bij 20 meters, deel uitmakende van het in alinea 1 vermeld perceelland, kosteloos had toegestaan, om met eigen middelen een woonhuis daarop op te zetten en zulks te bewonen;
  3. dat partijen waren overeengekomen, dat gedaagde in de eerste week van juni 1989 zou aanvangen om op voormeld gedeelte van het perceel met eigen middelen een woonhuis op te zetten en na zulks te hebben opgezet binnen twee jaar na mei 1989 weder het door hem gebouwde woonhuis op voormeld gedeelte van het perceel zou verwijderen of doen verwijderen;
  4. dat  partijen waren overeengekomen, dat gedurende de tijd dat gedaagde bezig zou zijn het woonhuis op voormeld gedeelte van het perceel te bouwen of te doen bouwen, gedaagde bij eiser  met zijn vrouw en 2 kinderen zou inwonen t.w. [straatnaam] in het [district] en nadat gedaagde zijn eigen woonhuis op meerbedoelde perceel zou hebben gebouwd, het woonhuis van eiser zou verlaten en/of ontruimen;
  5. dat gedaagde de eiser te kennen had gegeven dat hij het woonhuis in kwestie uiterlijk eind juni 1989 zou hebben afgebouwd;
  6. dat gedaagde slechts een deel van het woonhuis heeft gebouwd en zulks nog niet geschikt is om daarin te wonen en verder heeft gestopt met de verdere bouw;
  7. dat de echtgenote van gedaagde met haar 2 kinderen het woonhuis van eiser bereids hebben verlaten, echter weigert de gedaagde het woonhuis van eiser, gelegen te [aanduiding perceel] (thans [straatnaam]) in het [district] te verlaten, trots dat eiser de gedaagde herhaaldelijk heeft gevraagd dit woonhuis te ontruimen;
  8. dat wanneer eiser de gedaagde vraagt  om eiser’s woonhuis te ontruimen, gedaagde de eiser en zijn echtgenote bedreigt te zullen mishandelen en het recentelijk nog is voorgekomen, dat de gedaagde  eiser en zijn echtgenote heeft mishandeld en heeft eiser in verband hiermede een strafklacht bij de Politie te [plaats] ingediend;
  9. dat eiser op grond van het voorgaande gerechtigd is van de gedaagde te vorderen, dat gedaagde het woonhuis van de eiser ontruimt en het door hem op voormeld gedeelte van het perceel bedoeld in punt 2 hierboven gebouwde gedeelte van het woonhuis af te breken en te verwijderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten:

  1. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de Kantonrechter bij vonnis te bepalen termijn het gebouw gelegen  aan de [straatnaam] in het [district], met alle daarin van zijnentwege zich bevindende  personen en goederen te ontruimen, te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen, met machtiging op de eiser, dat indien gedaagde  binnen de gestelde termijn ingebreke mocht blijven met de ontruiming, deze zelf te doen uitvoeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;
  1. gedaagde zal worden veroordeeld om onmiddellijk na de uitspraak, althans  binnen een door de Kantonrechter bij vonnis te bepalen termijn het door gedaagde gebouwde gedeelte van het  woonhuis op een gedeelte van het perceelland, gelegen te [aanduiding perceel] (thans [straatnaam]) in het [district] af te breken of te doen afbreken, en het perceel in kwestie te verlaten en ter vrije  en algehele beschikking van de eiser te stellen, met machtiging op de eiser om, indien gedaagde binnen de gestelde termijn ingebreke mocht blijven het gedeelte van het gebouwde woonhuis in kwestie te breken of te doen afbreken, deze zelf te doen uitvoeren desnoods met behulp van de Sterke Macht;

Met verzoek deze zaak op verkorte termijn te willen doen behandelen;

Alles met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding.

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord –  welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans die hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 26 maart 1991 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen, partijen in persoon tevens bijgestaan door hun gemachtigden zijn verschenen, die hebben verklaard gelijk  in het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor beëdiging deskundige bepaald, de heer J.S.Kolhoe, de vereiste eed op de wettelijke voorgeschreven wijze heeft afgelegd;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging rapport bepaald, de deskundige het verlangde rapport ten processe heeft overgelegd, wordende de inhoud hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie tot uitlating deskundig rapport hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast  moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 26 oktober 1993 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast tot het beproeven van een schikking en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen nadere comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen zijdens partijen diens gemachtigden een schriftelijke conclusie hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 27 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:

eiser niet ontvankelijk in zijn vordering heeft verklaard;

eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 27 juni 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 20 juli 1998 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoordpleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 augustus 2005 advokaat Mr.G.Ramai-Badal namens advokaat Mr.I.Asarfi-Lalji heeft gepersisteerd bij haar stellingen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat naar luid van artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het hoger beroep aanvangt met eene verklaring dat men van dat  middel gebruik wil maken, door den eischer in beroep of diens daartoe gemachtigde ter Griffie van het Kantongerecht afgelegd of aldaar schriftelijk ingediend;

Overwegende, dat het Hof één zo’n verklaring niet in het procesdossier heeft aangetroffen;

Overwegende, dat ofschoon van voormelde verklaring melding wordt gemaakt in de tot de zaak betrekkelijke stukken als bedoeld in artikel 276 van gemeld Wetboek, zij zich toch niet onder die stukken bevindt;

Overwegende, dat het Hof appellant als meestgerede partij de gelegenheid zal bieden alsnog in het onderhavige geding te doen brengen de in artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde verklaring en wel op een in het dictum van dit vonnis te bepalen rechtsdag, achtende het Hof zulks noodzakelijk als bewijs van het feit dat appel tegen het vonnis de dato 27 juni 1995 is aangetekend;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

        RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Biedt appellant de gelegenheid alsnog in het onderhavige geding te doen brengen de in artikel 270 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verklaring;

Bepaalt, dat deze zaak daartoe zal worden afgeroepen ter terechtzitting van  het Hof van Justitie van vrijdag, 4 november 2005 des voormiddags te Half Negen uur;

Houdt elke verdere uitspraak aan;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr. K.PULTOO, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 OKTOBER 2005, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.Veldkamp, namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.Ch.de Noten en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.M.S.Ishaak namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.I.Asarfi-Lalji, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.  

                                                                                             

 

                                                                                    

 

SRU-HvJ-2005-4

GENERALE ROL: 14101

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME:

Gelezen het door (wijlen) advocaat Mr. E.J. Bruma namens [naam 1] ingediend verzoekschrift, hetwelk op 2 november 1999 ter griffie van het Hof is ingekomen. 

Gezien het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van 4 mei 2001 en de overige stukken van het geding, waaronder de namens gerekestreerden genomen conclusie tot uitlating dd 1 juni 2001.

Het Hof overweegt als volgt:

Op grond van de gedingstukken staat het volgende vast[naam 2], [naam 3], [naam 5] hebben tegen de hierboven genoemde rekestrant alsmede tegen de Staat Suriname bij het Kantongerecht in het Eerste Kanton een vordering in kort geding aanhangig gemaakt. De zaak staat bekend onder AR nummer 994283. Bij de aanvang van de behandeling van die zaak heeft rekestrant een akte van wraking overgelegd. Bij die akte werd de Kantonrechter voor wie dat kort geding diende, Mr. J.R. von Niesewand, gewraakt. Genoemde Kantonrechter heeft het wrakingsverzoek behandeld en heeft bij vonnis van 25 oktober 1999 in het incident de voorgestelde wraking afgewezen en heeft in de hoofdzaak partijen gelegenheid gegeven om te pleiten en wel ter terechtzitting van diezelfde datum. 

In het verzoekschrift heeft rekestrant verzocht dat het Hof alsnog zal  beslissen over zijn wraking van de Kantonrechter in kort geding, Mr. J. von Niesewand, en dat aan hem zal worden medegedeeld of hij gehouden is voor de door hem gewraakte Rechter te verschijnen.

Gerekestreerden hebben, samengevat weergegeven het volgende aangevoerd: 

  1. de artikelen 30-44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kennen geen rechtstreekse verzoekschriftprocedure bij het Hof van Justitie voor zover de wraking van de Kantonrechter betreft;
  2. rekestrant kan geen eigen rechtsgang scheppen en moet de gewone regels van het hoger beroep voor vonnissen, ook die welke in een incident zijn gewezen, volgen;
  3. rekestrant ontbeert elk belang bij het verzoek, omdat de Kantonrechter in de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan eindvonnis heeft gewezen op 28 april 2000, welk eindvonnis niet teniet gedaan kan worden door de enkele gegrondbevinding van het onderhavig verzoek.

Op de eerste, voor het verhoor van partijen, bepaalde dag heeft de rekestrant bij monde van advocaat mr. Baldew zijn verzoek gehandhaafd.

Het verzoek strekt ertoe om de beslissing van de Kantonrechter over de wraking aan hoger beroep te onderwerpen. Volgens artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering evenwel is de beslissing inzake van wraking niet aan enig beroep onderworpen. Bovendien is het hoger beroep niet ingesteld door het afleggen of de schriftelijke indiening ter griffie van de Kantongerechten van een verklaring dat men van het middel van hoger beroep gebruik wil maken en wel tegelijk met het beroep van het eindvonnis, dat op 28 april 2000 is uitgesproken,maar door middel van het indienen van hoger bedoeld verzoekschrift en wel op een tijdstip waarop nog geen eindvonnis in de zaak AR nummer 994283 was uitgesproken. Rekestrant is dan ook niet ontvankelijk in het hoger beroep.

Het Hof tekent ten overvloede aan dat pogingen om tot een minnelijke regeling te geraken in de zaak AR 994283 (GR 14128) vruchteloos zijn gebleven.

B E S C H I K K E N D E:

Verklaart de rekestrant niet ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gewezen  door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 maart 2005, door de Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.