SRU-HvJ-2025-16

CIVAR no. 2022H00193

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak in kort geding van

[APPELLANTE],
wonend in [District],
appellante in kort geding,
hierna: ‘[Appellante]’,
gemachtigde: mr. W. Siwpersad, advocaat,

tegen

STICHTING DRS. L. MUNGRA MEDISCH CENTRUM,                                            

gevestigd in Nieuw-Nickerie,
geïntimeerde in kort geding,
hierna: ’MMC’,
gemachtigde: mr. M.V. Babulall, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het derde kanton uitgesproken vonnis in kort qeding van 17 mei 2022 bekend onder CIVAR No. 202100023 tussen [Appellante] als eiseres en MMC als gedaagde,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van 7 juni 2022 waaruit blijkt dat [Appellante] op die dag hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van mr. Siwpersad van 3 november 2023;
  • de antwoordpleitnota van mr. Babulall van 2 februari 2024.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

2.1 Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat [Appellante] noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

2.2 Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 31 mei 2022 aan [Appellante] meegedeeld. [Appellante] heeft op 7 juni 2022 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis.

2.3 Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellante] daarin kan worden ontvangen.

  1. De beoordeling in hoger beroep

De feiten

3.1 Het Hof neemt in dit kort geding het volgende als vaststaand aan:

a. MMC exploiteert een medisch centrum in Nieuw-Nickerie, alsmede de dependance Pietronella Ziekenhuis Wageningen. [Appellante] is van beroep diabetes pedicure.

b. Bij overeenkomst van 10 december 2018 zijn partijen overeengekomen dat [Appellante] gedurende twee aaneengesloten dagen per maand haar diensten ten behoeve van patiënten in het Pietronella Ziekenhuis zal aanbieden, tegen een door MMC aan haar te betalen honorarium van SRD 3.000 per tweedaags bezoek per maand. Bepaald is dat de overeenkomst geldt voor de duur van vijf jaren na dagtekening.

c. In maart 2020 heeft MMC bij brief met als onderwerp ’Tijdelijke onderbreking dienstverlening’ aan onder anderen [Appellante] bericht dat de directie vanwege de Covid-19-situatie heeft besloten de geplande ’pendelende diensten’ tot nader order uit te stellen.

d. Bij brief van 10 december 2020 met als onderwerp ’Opzegging overeenkomst d.d. 29 november 2018’ heeft MMC aan [Appellante] bericht dat de directie vanwege ’veranderde beleidsinzichten’ de samenwerking met haar per diezelfde datum opzegt.

e. Bij deurwaardersexploot van 30 december 2020 is aan MMC een brief van [Appellante] van 29 december 2020 betekend waarin zij de rechtsgeldigheid  van de opzegging aanvecht. Bij brief van 4 maart 2021 heeft de advocaat van [Appellante] dit herhaald, een schikkingsvoorstel gedaan en rechtsmaatregelen aangekondigd.

De vorderingen en de beslissing van de kantonrechter

3.2 De vordering van [Appellante] in haar verzoekschrift van 15 juli 2021 strekt tot betaling van de overeengekomen maandelijkse vergoedingen vanaf maart 2020 tot het einde van de duur van de overeenkomst op 10 december 2023, met veroordeling van MMC om [Appellante] toe te staan haar dienstverlening tot het einde van de overeenkomst voort te zetten. Subsidiair vordert zij afkoop van het contract door betaling van SRD 138.000, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [Appellante] afgewezen. Wat betreft de periode van de opschorting gedurende de Covid-periode overwoog de kantonrechter daartoe dat [Appellante] zich niet binnen redelijke termijn tegen de opschorting heeft verzet of haar diensten heeft aangeboden, op grond waarvan MMC er redelijkerwijs van heeft mogen uitgaan dat [Appellante] het niet oneens was met de opschorting en [Appellante] geen aanspraak kan maken op enige vergoeding. Wat betreft de opzegging door MMC van de overeenkomst overwoog de kantonrechter dat duurovereenkomsten voor een bepaalde tijd in beginsel niet eenzijdig kunnen worden opgezegd, maar dat gesteld noch gebleken is dat [Appellante] zich eerder dan bij de brief van haar advocaat van 4 maart 2021 tegen de opzegging van 10 december 2020 heeft verzet, waaruit MMC naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [Appellante] bereid is geweest de overeenkomst te beëindigen.

De grieven en het formeel verweer van MMC

3.4 Bij haar pleitnota heeft [Appellante] geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vorderingen zal toewijzen. Zij voert daartoe onder meer aan dat de opschorting van de dienstverlening wegens Covid haar aanspraak op betaling onverlet liet en dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat zij niet eerder dan in maart 2021 heeft geprotesteerd tegen de opzegging.

3.5 Namens MMC is in de eerste plaats als formeel verweer aangevoerd dat, nu [Appellante] geen memorie van grieven heeft genomen, haar grieven tardief zijn. Dat verweer vindt geen steun in de wet en het Procesreglement.

Kwalificatie van de overeenkomst

3.6 Partijen zijn het erover eens dat hun overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten, niet als een arbeidsovereenkomst. Ook het Hof gaat daarvan uit.

De periode van de opschorting

3.7 Het Hof is van oordeel dat de betalingsvordering van [Appellante] voor zover die betrekking heeft op de periode van de opschorting van de dienstverlening wegens Covid terecht is afgewezen. Het Hof zal, bij gebreke aan stellingen die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven, aannemen dat de periode van de opschorting voortduurde tot het moment van de opzegging door MMC van de overeenkomst. De opschorting besloeg dus de periode maart 2020 tot 10 december 2020. In dit kort geding kan wat deze periode betreft niet met de voor toewijzing benodigde mate van zekerheid worden aangenomen dat de vordering van [Appellante] in een eventuele bodemprocedure zal slagen. De corona-pandemie en de in dat kader van overheidswege opgelegde en geadviseerde maatregelen betroffen uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden, op grond waarvan MMC de afname van ’pendelende diensten’ als met [Appellante] overeenkomen mocht opschorten. Van bezwaar daartegen van [Appellante] is niet gebleken. In dit kort geding kan niet worden aangenomen dat MMC zich in redelijkheid niet op het standpunt kan stellen dat zij gedurende die opschorting geen vergoeding verschuldigd was voor de (niet geleverde) diensten.

De periode vanaf de opzegging

3.8 De betalingsvordering van [Appellante] voor zover betrekking hebbend op periode na de opzegging, dus vanaf 10 december 2020, acht het Hof wel toewijsbaar. Het Hof overweegt hiertoe het volgende.

3.9 Partijen zijn het erover eens, zoals de kantonrechter in haar rechtsoverweging 4.4 tot uitgangspunt heeft genomen, dat duurovereenkomsten voor bepaalde termijn in beginsel niet eenzijdig kunnen worden opgezegd en dat partijen daarom in beginsel gebonden waren aan de overeengekomen duur van de overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst van partijen aldus moet worden uitgelegd dat, ofschoon het contract geen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid behelst, eenzijdige tussentijdse beëindiging mogelijk was.

3.10 De kantonrechter heeft dit deel van de vordering afgewezen op grond van de aanname dat [Appellante] pas in maart 2021 voor het eerst bezwaar tegen de opzegging heeft gemaakt. Die aanname is in hoger beroep onjuist gebleken. Uit het deurwaardersexploot hiervoor bedoeld onder 2.1 e) blijkt immers dat [Appellante] binnen drie weken schriftelijk aan MMC kenbaar heeft gemaakt dat zij niet instemde met de opzegging. De stelling van MMC dat [Appellante] in strijd met de goede procesorde handelt door het deurwaardersexploot voor het eerst in hoger beroep over te leggen (MMC spreekt van ’geschiedvervalsing, grenzend aan misleiding’), volgt het Hof niet. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt mee dat partijen hun stellingen kunnen aanvullen en nader kunnen onderbouwen. Daartegen bestaat hier te minder bezwaar, nu de kantonrechter de vordering ter zake de opzegging heeft afgewezen op een grond – het vermeende tijdsverloop tussen opzegging in december 2020 en de brief van [Appellante]s advocaat in maart 2021 – die door MMC niet als verweer was opgeworpen en waarover partijen geen debat hadden gevoerd.

3.11 Uit de reacties van en namens [Appellante] op de opzegging blijkt onmiskenbaar dat zij niet met de opzegging instemde. Er is dan ook geen grond aan te nemen dat [Appellante] afstand heeft gedaan van haar aanspraken op grond van de overeenkomst of dat MMC er gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat met haar eenzijdige opzegging de kous af was.

3.12 Bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft MMC het verweer gevoerd dat haar overeenkomst met [Appellante] nietig of vernietigbaar is omdat die overeenkomst in strijd met de statuten van MMC is aangegaan. De opzeggingsbrief van 10 december 2020 vermeldt als reden ’veranderde beleidsinzichten’, maar dat betrof volgens MMC een verkeerde woordkeuze. Wat bedoeld was te zeggen is dat het vorige bestuur en directie van MMC de overeenkomst hebben gesloten ’ernstig in strijd met de statuten en doelstelling van MMC’. MMC heeft hierbij naar het Hof begrijpt het oog op haar doelomschrijving zoals die blijkt uit het door [Appellante] overgelegde uittreksel uit het handelsregister (de statuten zelf zijn niet overgelegd), waarin onder meer staat dat het doel van MMC is ’een algemeen ziekenhuis beheren en exploiteren dat voornamelijk de secundaire medische zorg verleent aan de daarvoor in aanmerking komende patiënten’. Volgens MMC moet zij ingevolge haar statuten gezondheidszorg aanbieden met medische specialisten. Het beroep van medisch diabetes pedicure van [Appellante], zo redeneert MMC, is niet te kwalificeren als een medisch specialisme, maar is slechts een onderdeel van de taken van een diabetes verpleegkundige. [Appellante] heeft hier tegenover gesteld dat ruim 11% van de Surinaamse bevolking suikerziekte heeft, dat diabetes een belangrijke doodsoorzaak is en dat een medisch diabetes pedicure zich bezighoudt met de specialistische behandeling van de risicovoet, waarbij een verhoogd risico aanwezig is op complicaties en de noodzaak van amputatie. Inzet van diabetes pedicures is volgens [Appellante] bij ziekenhuizen gebruikelijk.

3.13 Het verweer van MMC kan niet slagen. De doelomschrijving van MMC biedt alle ruimte voor de inschakeling van zorgverleners zoals [Appellante], te meer nu als middelen waarmee dit doel wordt nagestreefd onder meer worden vermeld ’het beheren en exploiteren van specialistische, verpleeg-, behandel- en poliklinische faciliteiten’ en ’het aanwenden van alle andere wettige middelen welke voor het gestelde doel noodzakelijk zijn dan wel daarvoor bevorderlijk kunnen zijn’. Zeker gelet op de door [Appellante] gegeven toelichting op de aard en het belang van haar werk, was van doeloverschrijding bij het aangaan van de overeenkomst geen sprake.

3.14 Op grond van het voorgaande en bij gebreke van andere verweren is het Hof van oordeel dat [Appellante] ter zake de eenzijdige tussentijdse opzegging van de overeenkomst door MMC aanspraak kan maken op betaling van de afgesproken vergoeding. Over de periode tussen de opzegging en de overeengekomen einddatum van de overeenkomst komt dat neer op 36 maanden à SDR 3.000 = SDR 108.000. Nu gesteld noch gebleken is dat [Appellante] kosten heeft bespaard of elders inkomsten heeft verworven die in redelijkheid in mindering moeten strekken op de met MMC overeengekomen vergoeding, bestaat er geen aanleiding in dit kort geding een lager bedrag toe te wijzen. De wettelijke rente acht het Hof in dit kort geding toewijsbaar vanaf de overeengekomen einddatum van de overeenkomst.

Slotsom en kosten

3.15 Beslist zal worden als hierna omschreven, met veroordeling van MMC als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en in de proceskosten. De vordering van [Appellante] om toegelaten te worden haar diensten te verrichten is door de tijd ingehaald en is daarom niet toewijsbaar.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende in kort geding,

veroordeelt MMC om aan [Appellante] te betalen SRD 108.000, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 december 2023 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt MMC in de kosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [Appellante] gevallen, begroot op SRD 620,–;

veroordeelt MMC in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [Appellante] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1407,–;

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Aldus gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden, en door mr. S.S.S. Wijnhard uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 november 2025, in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie, LL.B., Fungerend-Griffier.

w.g. R.S. Dewkalie           w.g. S.S.S. Wijnhard

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2002-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME:

Gezien het door FRIESLAND BRANDS B.V., rechtspersoon, gevestigd te Leeuwarden, Nederland, kantoorhoudende aan de Pieter Stuyvesantweg 1, 8937 AC Leeuwarden, Nederland, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, bij het Advocatenkantoor Lim A Po, verzoekster, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.B.A.Halfhide, Advokaat, op 14 januari 2000 ingediend verzoekschrift, gedagtekend 13 januari 2000, strekkende tot nietigverklaring  op de daarin gevorderde gronden van de inschrijving onder nummer 11557 in de openbare registers van het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname, gedaan ten verzoeke van FRISCO FOODS CORPORATION, gevestigd en kantoorhoudende aan de  1209 Orange Street Wilmington, in de Staat Delaware, codenummer 19801, Verenigde Staten van Amerika, verweerster, blijkens de publikatie in de aflevering van het Bijblad behorende bij het Advertentieblad van de Republiek Suriname van vrijdag 16 april 1999 onder nummer 11.557 van het beeldmerk Frisco; verweerster heeft taal noch teken van zich laten horen;

Gezien de overige stukken van het geding; de inhoud dier stukken wordt als in deze beschikking letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;

Gehoord verzoekster bij monde van haar gemachtigde Mr.B.A.Halfhide, die daarbij heeft overgelegd een comparitievolmacht de dato: meppel, 18 juni 2002 met bijlage; wordende de inhoud dezer produkties eveneens hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat ten processe is komen vast te staan, dat de Coöperatieve Melkproductenbedrijven ”Noord-Nederland ” B.A, voorheen geheten Friesche Coöperatieve Zuivel Export Vereeniging FRICO, op 16 januari 1969 als eerste het merk, FRICO, overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de Wet op de Industriële Eigendom, in de daartoe bestemde openbare registers van het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname heeft ingeschreven onder no.6220 zulks ter onderscheiding van haar handelswaren; dat bij akte verleden ten overstaan van Mr.Dirk Caminada, notaris te Rijswijk, Nederland, de dato 23 november 1990 de Coöperatieve Melkproductenbedrijven  ”Noord-Nederland” B.A. een fusie is aangegaan, waarbij Friesland (Frico Domo) Coöperatie B.A. de verkrijgende rechtspersoon is geworden van het Industriële Eigendomsrecht van het merk Frico, hetgeen op 3 juni 1991 gemeld is bij het Bureau voor de Industriële  Eigendom in Suriname; 

dat bij akte van 25 januari 1996 Friesland (Frico Domo) Coöperatie B.A. haar handelsmerk no.6220 woordmerk Frico heeft overgedragen aan Friesland Brands B.V.; 

dat deze overdracht meegedeeld is aan het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname; 

dat voormelde inschrijving no.6220 telkenmale is vernieuwd, laatstelijk op 30 maart 1999; dat ten verzoeke van verweerster door het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname op 16 april 1999 onder nummer 11.557 is ingeschreven het beeldmerk ”Frisco” voor haar handelswaren, vermeld in het zijdens verzoekster overgelegd desbetreffend bijblad waarvan de inhoud als als hier ingelast wordt aangemerkt;  

Overwegende, dat verzoekster nietigverklaring van voormelde inschrijving vordert op grond dat zij in 1969 het merk Frico als eerste in Suriname gebruikt heeft en steeds onafgebroken alhier verder gebruikt ter onderscheiding van haar waren, vermeld op de lijst waarvan de inhoud als hier ingelast wordt aangemerkt; 

dat het woordmerk Frisco in hoofdzaak overeenstemt met het aan haar -verzoekster- toekomend merk Frico en waarop zij op grond van het in het 3e en 6e ”sustenu” van het verzoekschrift gestelde, welk gestelde als hier letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, het uitsluitend recht heeft, terwijl beide merken voor nagenoeg dezelfde handelswaren gebruikt worden; 

dat het gebruik van het handelsmerk Frisco verwarring wekt ten opzichte van het handelsmerk Frico nu beide merken voor dezelfde soort van waren worden gebruikt; 

dat zeker is, dat het merk Frico in Suriname bekend staat als het merk van verzoekster; 

dat zij, verzoekster houder is van het merk Frico in verschillende landen;

Overwegende, dat verzoekster ter adstructie van haar voormelde stellingen heeft aangevoerd;               

dat zij als rechtspersoon burger is van het Koninkrijk der Nederlanden en aangezien die Staat en Suriname partij zijn bij het Herzien Internationaal Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de Industriële Eigendom (Stockholm, 14 juli 1967) is zij -verzoekster- gerechtigd tot het genot van de voordelen van dat Verdrag;

Overwegende, dat nu het voorgaande op generlei wijze weersproken is en mitsdien als rechtens vaststaand dient te worden aangenomen, kan het verzoek van verzoekster als op de wet gegrond worden toegewezen;

B E S C H I K K E N D E:

Verklaart nietig de inschrijving van het beeldmerk ”Frisco”  van handelswaren, gedaan op verzoek van verweerster door het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname, gepubliceerd in het bijblad behorende bij het Advertentieblad van de Republiek Suriname van 16 april 1999 onder nummer11.557;

Aldus gegeven door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Leden  en door de Waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 18 OKTOBER 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.        

w.g.M.E.Van Genderen-Relyveld            w.g.J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr.B.A.Halfhide, terwijl de gerekesteerde noch bij vertegenwoordiger, noch bij gemachtigde is verschenen.

                                                                                            

                                                                                              

SRU–2026-1

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Uitspraak: 30 januari 2026
Auditienummer: 01
TEGENSPRAAK

DE KRIJGSRAAD VAN SURINAME

Gezien de stukken van het geding, inzake de Auditeur Militair contra de verdachte:

[VERDACHTE]
geboren te [geboortedatum] te [Plaats], oud [leeftijd],
wonende aan de [Adres 1],
van beroep militair dienende in de rang van Luitenant Kolonel in het Nationaal Leger, niet in detentie.

De verdachte wordt bijgestaan door haar raadslieden, mr.C. Meijnaar, mr.J. Kraag en mr.D. Veira,  advocaten bij het Hof van Justitie.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding zijn er geen preliminaire verweren gevoerd die strekken tot nietigheid van de dagvaarding. De Krijgsraad is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is daarom geldig.

Bevoegdheid van de Krijgsraad

De Krijgsraad is krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de Auditeur Militair

Er zijn geen omstandigheden gebleken c.q. geen verweren gevoerd die de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie c.q. de Auditeur Militair in de weg staan. Het Openbaar Ministerie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken c.q. geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is, overeenkomstig de betrekkelijke artikelen van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen.

De Krijgsraad heeft kennisgenomen van de vordering van de Auditeur Militair en van hetgeen door de verdachte en haar raadslieden naar voren is gebracht.

De Auditeur Militair heeft gevorderd dat de Krijgsraad de verdachte voor de feiten IA ( medeplegen van gijzeling voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 342 a juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht), II ( medeplegen van diefstal met geweldpleging voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht), III ( medeplegen van huisvredebreuk voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 186 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht) en IVA ( het maken van een beroep of gewoonte om vuurwapens af te leveren zonder daartoe bevoegd te zijn voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 16 van de Vuurwapenwet) van de tenlastelegging, zal veroordelen tot een gevangenisstraf van negen jaren onvoorwaardelijk met het bevel van gevangenneming. Tevens is gelast de onttrekking aan het verkeer van vuurwapens, scherpe patronen, wapenpasjes en alle overige documenten, de verbeurdverklaring van wapenkoffers inhoudende accessoires om vuurwapens schoon te maken en de teruggave van een Zebraprinter en een systeemkast aan het DNV.

De verdediging heeft bepleit dat de Krijgsraad de verdachte zal vrijspreken van de algehele tenlastelegging. Daartoe heeft de verdediging – kort en zakelijk weergegeven- bepleit dat uit de door de vervolging opgesomde bewijsmiddelen de nauwe en bewuste samenwerking voor het medeplegen van de delicten genoemd onder I tot en met III, niet is gebleken of aangetoond. Ook was de verdachte niet fysiek bij plaats delict aanwezig en nergens uit de feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte opdracht met betrekking tot gijzeling, diefstal middels geweldpleging en huisvredebreuk van het [Slachtoffer] heeft gegeven. Met betrekking tot feit IV A heeft de verdediging bepleit dat verdachte slechts de handelingen  van haar rechtsvoorgangers heeft voortgezet en wordt ook zulks door haar rechtsopvolger voortgezet. Daarbij is verwezen naar de inhoud van de resoluties van 16 augustus 2007 no.5062/07 en 17 december 2019. In het kort komt het erop neer dat de dienst in samenspraak met of in opdracht van de President van de Republiek Suriname bepaalt wat onder nationale veiligheid wordt verstaan en hoe die ook gewaarborgd kan blijven. Een van de taakstellingen is het zorgdragen voor het bevorderen van maatregelen ter beveiliging van gegevens waarvan de geheimhouding voor het belang van Suriname geboden is en van die sectoren van de overheidsdienst en van het bedrijfsleven die van vitaal belang zijn voor het in stand houden van het maatschappelijk bestel in het land. Voorts heeft verdachte een aantal brieven geschreven naar de toenmalige Procureur-Generaal voor de aanschaf van wapens ten behoeve van de dienst. Indien een bedrijf zonder machtiging van de Procureur-Generaal wapens heeft verkocht of verstrekt aan derden, dan kan daarvoor de verdachte niet vervolgd worden. De meeste wapens voorzien van een wapenpasje zijn in kader van nationale veiligheid – zoals door de rechtsvoorgangers van de verdachte een gebruik of gewoonte was – verstrekt.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding van waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De feiten I tot en met III: Geval van [Slachtoffer].

Casus:

Op 16 april 2020 omstreeks 02.35 uur kwam een melding van het Command Center van het KPS binnen omtrent diefstal/beroving aan de [Straatnaam 2]. De politie is ter plekke aangekomen en werd waargenomen dat vijf/zes manspersonen, waarvan een deel gemaskerd was en enkelen gewapend waren,  een manspersoon die gekneveld was aan handen en benen, vermoedelijk de bewoner van pandnr. [nummer] ( (naderhand is gebleken dat het om het [Slachtoffer] ging) vanuit zijn woning werd weggedragen naar de richting van de straatzijde, alwaar een grijsgelakte bestelbus stond geparkeerd. De politie begaf zich op een veilige afstand om waar te nemen wat er gaande was. Terwijl de politie om assistentie vroeg kwam één van de daders uit de woning. Hij ( blijkt later de persoon van [Naam 1] te zijn) toonde een document inhoudende een dispensatiebrief/toestemmingsbrief van het NCCR ondertekend door de verdachte dat hij zich tussen 20.00 uur en 06.00 uur mocht verplaatsen over de openbare weg tijdens de partiële lockdown in verband met de Covid 19 pandemie. Die [Naam 1] bleef aandringen dat zij [Verdachte] konden bellen en dat hij bezig was met een speciale opdracht. De man gaf dit enkele keren door. Op het mobiel van die [Naam 1] verschenen berichten van ene Tool 1. Uit één van de berichten kon worden gelezen dat de bewoner van pand nr. [Nummer 1] ( doelend op het [Slachtoffer]) alwaar de gewapende mannen zich bevonden over informatie beschikte over [Verdachte]. ( vide proces-verbaal van [Naam 2] d.d.16 april 2020 en het verhoor van 21 april 2020).

Op 16 april 2020 in de vroege ochtenduren, kreeg de toenmalige korpschef Roberto Prade een telefoon van Inspecteur van politie Gentle die hem mededeelde dat station Geyersvlijt en RBT zich aan de [Straatnaam 2] bevonden naar aanleiding van een melding dat er gewapende mannen in een woning waren. Naar aanleiding hiervan schakelde hij, Prade, het A Team in onder leiding van Inspecteur van politie Williams. [..]. Op een gegeven moment werd hij, Prade, gebeld door de toenmalige direkteur van DNV [Verdachte],de verdachte, die hem medededeelde dat de dienst DNV bezig was met een operatie en dat de aanwezige manschappen zich konden terugtrekken. [..]. Hij belde toen inspecteur van politie Williams op en gaf aan hem door dat de aanwezige mannen konden vertrekken, omdat DNV bezig was met een operatie. ((vide proces-verbaal van de getuige Roberto Prade ( toenmalig Korpschef) d.d. 27 mei 2020 opgemaakt door onder inspecteur van politie I. Weekers)

Verklaring van het [Slachtoffer]:

Terwijl hij sliep werd hij overrompeld door 4 manspersonen in zijn slaapkamer. Eén van de mannen, gekleed in het zwart, zwart gemaskerd en gewapend met een semi automatisch wapen, sleepte hem uit bed, zodat hij op de vloer kwam te vallen [.]. Hij werd gewurgd en een zwarte trui werd om zijn gezicht vastgebonden. Zijn handen werden ook vastgebonden. Hij werd opgetild en gebracht naar een andere ruimte van de woning. Hij hoorde dat zijn woning overhoop werd gehaald. [..]  Hij werd in de woning achtergelaten. Hij rende naar buiten en zag de daders instappen in een voertuig (Toyota Hiace gekentekend [kenteken]). Telefoons en een boek met notities van [Slachtoffer] zijn meegenomen. ( vide  processen-verbaal van [Slachtoffer] d.d. 16 april 2020, 20 april 2020, 14 juli 2020 en het proces-verbaal plaatselijk onderzoek d.d. 16 april 2020 alsmede zijn verklaring afgelegd op de terechtzitting van de Krijgsraad van 11 november 2025.

Het onderzoek van de kentekenplaat heeft geleid naar de persoon [Naam 3] die op 12 april 2020 zonder toestemming van de monteur [Naam 4] 4 kentekenplaten van voertuigen van zijn klanten had weggenomen. Bij [Naam 3] is ook een zwarte rugtas met daarin een militaire legitimatiekaart op naam van [Slachtoffer] en een boek met belangrijke informatie aangetroffen. Voorts is ook een toestemmingsbrief van NCCR op naam van [Naam 3] aangetroffen waarin hem toestemming is verleend om zich over de openbare weg omstreeks 20.00 uur – 06.00uur te mogen begeven. Deze toestemmingsbrief is ondertekend door Luitenant Kolonel [Verdachte]. [Naam 3] heeft in zijn verhoor aangegeven dat hij een informant van de DNV is. ( vide de processen-verbaal van diverse onderzoeken d.d. 22 april 2020 en het proces verbaal aanhouding [Naam 3] d.d. 23 april 2020 en 25 april 2020 en proces-verbaal verhoor [Naam 5] d.d. 23 april 2020)

De Krijgsraad oordeelt als volgt:

Uit het onderzoek ter terechtzitting, waarbij ondermeer de personen [Naam 6], [Naam 6], [Naam 7], [Slachtoffer] als getuigen en de verdachte zijn gehoord en ook de camerabeelden zijn bekeken die door de politie beschikbaar zijn gesteld alsook die videobeelden die door de raadsman mr.D. Veira beschikbaar waren gesteld, is het volgende gebleken.

De Krijgsraad merkt vooraf op dat een complicerende factor in deze zaak is het zich terugtrekken van de politie van de plaats delict en dat het onderzoek pas na verloop van tijd is aangevangen en grondig politie-onderzoek achteraf niet meer mogelijk was ondermeer vanwege het naderhand ontbreken van het vereiste bewijsmateriaal.

De camerabeelden van de politie betreffen beeldmateriaal van wat zich op straat en in de omgeving van de woning van [Slachtoffer] heeft afgespeeld: namelijk een bestelbusje, mannen stappen uit, gaan het erf van woning [Slachtoffer] binnen en na enige tijd komt de politie en komt een manspersoon uit het erf van [Slachtoffer] en die gaat naar het busje, pakt wat papierstukken en loopt naar de politie. Na enige tijd komen drie schaars geklede vrouwen uit het erf van [Slachtoffer] en stappen aan de achterkant van het busje ( laadbak) in. Na enige tijd zijn meer manspersonen uit het erf van [Slachtoffer] gekomen en zijn in het busje gestapt. Ook is te zien dat die ene manspersoon ( die met wat documenten naar de politie was gelopen) enige tijd met de politie bezig was en zelf plat lag op de grond. Na enige tijd keert hij terug naar het busje en de politie vertrekt ook van locatie.

Op de videobeelden – zoals door de raadsman  overgelegd – is te zien dat het slachtoffer met drie dames in een woonkamer zit en nogal in het engels communiceert met de dames. Plotseling is te zien dat er seks wordt bedreven tussen slachtoffer en met dame(s). En daarna is te zien dat slachtoffer en een dame op bed lagen te slapen.

Opgemerkt moet worden dat de verdediging niet kon aangeven uit welke bron deze beelden afkomstig zijn, zodat deze beelden niet als officiële camerabeelden kunnen worden meegenomen in het proces.

De hamvraag in deze zaak is of het wel een DNV operatie betrof waarbij verdachte als medepleger van de telastegelegde feiten kan worden aangemerkt c.q.de opdracht zou hebben gegeven tot het plegen van de strafbare feiten.

Met betrekking tot voormelde vraag zijn daarbij alle processtukken van de (militaire) politie, het gerechtelijk vooronderzoek alsook van de terechtzittingen van  de krijgsraad meegenomen.

De persoon [Naam 1] beschikte over een dispensatiebrief van het NCCR waarop de verdachte heeft getekend. De dispensatiebrief hield in dat hij zich tijdens de lockdownuren tijdens COVID 19 pandemie over straat mocht begeven. Dit heeft hij aan de poltie getoond.

Deze brief heeft ertoe geleid dat de persoon [Naam 6] heeft gebeld naar de verdachte om te informeren of DNV bezig was met een operatie aan de [Straatnaam 2]. Op de terechtzitting van de Krijgsraad van 01 augustus 2025 heeft de getuige [Naam 6] onder meer verklaard dat toen hij de verdachte op 16 april 2020 omstreeks 03.00 uur in de ochtend opbelde, verdachte nogal slaperig klonk. Zij nam niet gelijk op. Het duurde enige tijd voordat [Verdachte] de telefoon opnam. Hij was niet op de hoogte van een bevel en / of van een operatie aan de [Straatnaam 2]. Hij heeft contact gemaakt met [Verdachte] om te verifiëren. [Verdachte] gaf aan dat zij het niet zou weten en dat zij het zou verifiëren. De directeur kan ook bij de Inlichtingen Dienst informeren, maar dat is haar pakje aan. In het verleden kwam een melding binnen dat mensen van CTU ergens bezig waren. Na verificatie bleek dat het geen mensen van CTU waren. Voorts dat personen met valse pasjes bezig waren.

De verdachte heeft in haar verklaringen bij het Gerechtelijk Voor Onderzoek en op de terechtzitting van de Krijgsraad van 11 november 2025 aangegeven dat zij werd opgebeld en aan haar werd gevraagd of DNV met een operatie aan de [Straatnaam 2] bezig was. Zij dacht eerstens wel aan een DNV operatie daar zij wist dat het slachtoffer enige tijd terug als” person of interest” is bestempeld en dat het mogelijk om een observatie zou gaan en om die reden de Korpschef zou hebben gevraagd om zijn manschappen te laten terugtrekken. Ook heeft zij verklaard nimmer opdracht te hebben gegeven dat personen in de woning van het slachtoffer moesten gaan om hem te gijzelen.

Volgens de verklaring van een anonieme getuige Y gedateerd 26 maart 2021 opgemaakt door de brigadier van politie Z. Pierkhan – summier en zakelijk weergegeven – heeft op 09 april 2020 een inbraak plaatsgevonden in een van de kantoren van de DNV, waarbij mogelijk het [Slachtoffer] gelinked werd. Door de toenmalige minister van defensie zou een operatie opgezet zijn tegen het [Slachtoffer]. Er is daarbij gebruik gemaakt van buitenlanders omdat [Verdachte] geen personeel van het DNV beschikbaar wilde stellen. [..] Deze operatie tegen [Slachtoffer] is echter mislukt omdat een alerte buurtbewoner de politie had ingeschakeld. Toen de politie aankwam op de plek waar de operatie gaande was werd die teruggeroepen door de Korpschef, Prade en wel in opdracht van [Verdachte] die aangaf dat het een DNV operatie betrof.

Ook is uit het onderzoek naar voren gekomen dat verdachte de persoon [Naam 9] al geruime tijd kent ( verwijzend naar activiteiten bij vakantieoord Waterland, familieleden van [Naam 9] heeft laten ophalen of bezorgen te Zanderij). [Naam 1] is ook familiair gelinked aan [Naam 9]. Ook heeft verdachte – nadat zij melding heeft gehad over het geval aan de [Straatnaam 2] – rond 03.48 uur naar die [Naam 9] gebeld. In haar verhoor op de zitting heeft zij aangegeven dat zij hem had gebeld voor een informatie omtrent iemand die met een vlucht naar Suriname zou komen. Uit nadere documenten en uit het onderzoek kon niet worden achterhaald wat de precieze conversatie tussen verdachte en die [Naam 9] is geweest. [Naam 9] heeft in zijn verhoor door de rechter-commissaris ( via rechtshulpverzoek) gedateerd 06 december 2021 ook geen nadere informatie daarover verschaft.

Ook hebben zowel de getuige [Naam 7] als getuige [Naam 8] in hun verklaringen op de terechtzittingen van de Krijgsraad van respectievelijk 01 augustus 2025 en 06 oktober 2025 – zakelijk weergegeven – aangegeven dat er ook buitenlanders of personen die niet de Surinaamse nationaliteit bezitten in de DNV werken en dat soms criminelen als infiltranten in de DNV werken. Ook is het niet uitgesloten dat criminelen middels valse pasjes van DNV een “ operatie” plegen onder mom van DNV operatie, maar dat het niet echt om een DNV operatie gaat.

In casu heeft alleen de persoon [Naam 1] ( buiten de verdachte om die aanvankelijk zelf aangaf “is een DNV operatie” om daarna daarop terug te komen op deze verklaring) aangegeven dat het om een speciale opdracht gaat en dat [Verdachte] gebeld kan worden daarbij een dispensatie- brief aangetoond.

Met betrekking tot het ondertekenen van dispensatiebrieven.

In dit kader zijn enkele personen te weten [Naam 10] ( zowel bij politie, gerechtelijk vooronderzoek als op de terechtzitting van de Krijgsraad van 15 augustus 2025 ), [Naam 11] 8 september 2022 ( gerechtelijk vooronderzoek) en [Naam 11] gehoord.

In het kader van dispensatiebrieven gedurende de lockdown tijdens de COVID 19  pandemie konden de verdachte en de afdeling NCCR dergelijke brieven afgeven. Daarbij is het belang van natte en droge stempel benadrukt.

Uit de dispensatie – brief van [Naam 1] is gebleken dat verdachte die heeft ondertekend. De secretaresse [Naam 11] heeft bevestigd dat die brief conform de procedure door verdachte is ondertekend.

Verdachte heeft beaamd dat zij in het kader van het ondertekenen van zoveel dispensatiebrieven gedurende de Lockdown periode mogelijk deze brief ook heeft ondertekend.

De SKY ECC berichten of chats van de SKY – ID, [nummer 2] en [nummer 3] waarvan de gebruiker van de laatstgenoemde ID is geidentificeerd als [Naam 8] van de periode 14 maart 2020 en einddatum 03 juni 2020 die middels rechtshulpverzoek [kenmerk 1]) zijn verkregen betreffende conversatie tussen [Naam 9] en nog een onbekend persoon, waaruit zou zijn gebleken dat het een operatie van nationale security is en dat operatie uit de hand is gelopen tot een politiek ding. Het was een geheime operatie waarbij informatie nodig was van een doelwit. Dames zijn naar binnengebracht om het doelwit te verleiden. Het doelwit bekritiseerde de minister van defensie; de President en nationale security. De buurman heeft iets opgemerkt en de politie ingeschakeld. De meisjes zijn bang geworden. Toen de politie ter plaatse is aangekomen heeft Siri ( doelend op [Naam 1]) zijn paspoort en brief van nationale security getoond. Het doelwit was lid van een politieke partij. De politie vertrouwde de brief niet en heeft assistentie ingeroepen. Toen het speciale team ter plaatse kwam kregen zij een telefoontje van de nationale security en vertrokken ze weer.

Ook de handeling van toenmalige korpschef dat hij zijn manschappen heeft laten terugtrekken omdat de verdachte zou hebben aangegeven dat het om een DNV operatie ging is nogal discutabel. In feite zou hij de opdracht of het verzoek van de verdachte niet moeten hebben honoreren, daar hem al bekend was dat het om zwaar bewapende mannen gingen. Bij een normale DNV inlichtingen – operatie, doet men normaal aan observatie of schaduweringen. De DNV mag pas een woning binnen met behulp van de politie of bij gezamenlijke operatie met de politie. In casu is niet gebleken dat er sprake was  van gezamenlijke operatie.

Indien de politie de mannen bij plaatsdelict had meegenomen voor nader verhoor, dan kon mogelijk de daadwerkelijke opdrachtgever in beeld komen namelijk de verdachte of een ander.

Omdat de manschappen door de korpschef zijn teruggeroepen, nadat de verdachte hem heeft gevraagd zulks te doen omdat mogelijk de DNV daar bezig was, kon kennelijk geen nader onderzoek op dit punt meer worden verricht.

Immers kon de politie die [Naam 1] en anderen niet meer in beeld brengen om te worden gehoord. Inmiddels is gebleken dat die [Naam 1] voortvluchtig is.

De Krijgsraad is thans van oordeel dat  – hoewel er delen zijn in het onderzoek die in  de richting van een mogelijke betrokkenheid van de verdachte wijzen,o.a. het ondertekenen van dispensatiebrieven, haar verzoek aan de Korpschef om zijn manschappen terug te trekken ofschoon door hem aan haar was doorgegeven dat zwaar gewapende mannen ter plekke in het huis van [Slachtoffer] waren, de aanvankelijke verklaring van verdachte in een interview met een journalist verbonden aan ABC Radio en Televisie tijdens een live persconferentie via GOV.TV. in het jaar 2020  (vide proces-verbaal van 18 februari 2021 opgemaakt door R. Ghazi, brigadier van politie inzake beluisteren en analyseren van een persconferentie en interview) dat zij de toenmalige korpschef had gevraagd om zijn manschappen terug te trekken. De DNV is in de pers breedvoering is besproken met betrekking tot dit geval en in een interview in programma TO THE POINT van 6 januari 2021heeft verdachte ontkend dat het om een DNV actie bij de woning van [Slachtoffer] ging en op de  terechtzitting van de Krijgsraad van 11 november 2025 heeft verdachte wederom ontkend opdracht aan personen te hebben gegeven om de woning van [Slachtoffer] binnen te dringen en hem te laten of doen gijzelen.

Het is in rechte niet komen vast te staan dat verdachte als toenmalig Hoofd van het D.N.V medepleger is van de strafbare feiten o.a. opzettelijke vrijheidsberoving van [Slachtoffer], diefstal middels geweldpleging en huisvredebreuk.

Voor het medeplegen is immers vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer plegers van de strafbare feiten.

Ook de opzet op het gezamenlijk plegen van de strafbare feiten en op het delict  en een bijdrage van voldoende gewicht zijn in rechte niet komen vast te staan, hetgeen volgens vaste jurisprudente vereist is bij medeplegen.

Uit de feiten en omstandigheden  kan de Krijgsraad derhalve niet tot het wettig bewijs komen van de sub I,II en III ten laste gelegde feiten.

De Krijgsraad heeft wel de overtuiging dat verdachte achter de schermen wel  (bewust) enige faciliterende rol kan hebben gehad door dispensatiebrieven te verstrekken en mogelijk wist of kon weten over de operatie tegen [Slachtoffer], doch kan de Krijgsraad zulks niet wettig hard maken. De indruk bestaat dat er zeer geraffineerd te werk is gegaan. Er is onvoldoende nader ondersteunend bewijs, mede vanwege het feit dat er onvoldoende onderzoekshandelingen zijn verricht vanwege het vertrek van de politie van plaats delict.

Derhalve zal de Krijgsraad verdachte – indachtig het adagium “ in dubio pro reo “ -vrij spreken wegens gebrek aan bewijs van de feiten sub I, II en III van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

De Krijgsraad acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder IV A van de inleidende dagvaarding ten laste is gelegd, zoals aangegeven in bijlage I, met dien verstande, dat zij:

Als militair in de rang van Luitenant – Kolonel in werkelijke dienst van het Ministerie van Defensie en thans ter beschikking is gesteld, in ieder geval als militair in de zin van art 38 of 39 van het Wetboek van Militair Strafrecht

IV.A. Meer tijdstippen in de jaren 2017 en 2018 en 2019 en 2020 te Paramaribo, tezamen en in vereniging met meer tot nog toe onbekend gebleven personen meer vuurwapens hebben afgeleverd, zonder voorzien te zijn van een algemene schriftelijke machtiging van de tot verstrekking daarvan bevoegde ambtenaar, terwijl zij – verdachte – en haar mededaders daarvan een beroep of gewoonte hebben gemaakt.

Door de Kriigsraad gebezigde bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

  1. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 augustus 2021 door de agent van politie eerste klasse J. Arichero, inhoudende de verklaring van de persoon [Naam 13] voor zover van belang – zakelijk weergegeven:

Ik ben in dienst van [Werkgever] waarvan ik de operation manager ben [..] ik ben in bezit van een vuurwapen van het merk GLOCK 19. [..] ik heb het in 2019 gehad. Ik ben een informant van [Naam 14] die werkzaam is bij DNV en rapporteer ik naar hem en doordat ik informant ben, heb ik een verzoek gedaan om in aanmerking te komen voor een vuurwapen. Ik heb het wapen bij DNV in ontvangst genomen en werd door de heer [Naam 14] persoonlijk aan mij overhandigd. Ik moest ook een wapenpasje maken en wel op dezelfde dag heb ik dat wapenpasje gemaakt op DNV. [..] Ik ben niet in dienst van DNV maar wel informant van de heer [Naam 14] die werkzaam is bij DNV. [..] ik ben bereid dat vuurwapen van het merk GLOCK 19 met als serienummer [serienummer 1] dat momenteel onder mijn beheer is, vrijwillig af te staan aan de politie.

2. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 12 augustus 2021 door de agent van politie derde klasse Vanessa Sarimin, inhoudende de verklaring van de persoon [naam 15] voor zover van belang – zakelijk weergegeven:

[..] ik ben namelijk groothandelaar in basisgoederen en eigenaar van winkel [Naam 15].[..] ik ben in het bezit van een vuistvuurwapen namelijk een CZ 75. [..] ik heb wel mijn DNV wapenbadge bij mij en daarop staat het wapennummer aangegeven. Het wapennummer is [wapennummer] en het wapensoort is CZ 75. Ongeveer drie jaren ben ik het bezit van het vuurwapen. Ongeveer vier jaren geleden had men tot twee keren toe getracht om mijn zaak te beroven.[..] Daar ik onder andere ook voedsel pakketten aanleverde voor DNV [Verdachte] daar de leidinggevende daar was, had ik haar benaderd om te vragen hoe in aanmerking te komen voor een wapen. Aan de hand hiervan had zij mij een dagje uitgenodigd voor een gesprek waar ik haar had verteld dat men getracht heeft om mij te beroven. [..] Na dit te hebben aangehoord heeft [Verdachte] mij aangegeven dat ik gebeld zou worden als het geregeld was. Ik moet u erbij vermelden dat ik vijf (5) vuurwapens had aangevraagd en wel voor mij persoon, voor mijn broer [Naam 16], mijn zoon [Naam 17], mijn neefje [Naam 18] en de vijfde was voor security guard omdat zij voor mij werken. Na ongeveer twee (2) weken na het gesprek met  [Verdachte], ontving ik een telefoon van ene [Naam 19] die werkzaam is bij DNV die mij aangaf dat ik en de overige mensen wel in aanmerking konden komen voor vuistvuurwapens, echter dat de DNV niet in het bezit was van vrije vuurwapens.  Hij gaf mij aan dat hij het voor mij kon aanschaffen bij Tomahawk maar dat ik zelf ervoor moest betalen. Ik heb dezelfde dag dat geld voor [Naam 19] gebracht waarna hij ze heeft aangeschaft en aan mij heeft overhandigd. [..] ik heb de vuurwapens van [Naam 19] gekregen.[..] Mijn wapenpasje heb ik gehad van [Naam 19]. [..] ik zal deze vuurwapens namelijk twee van het merk GLOCK 17 met serienummers [serienummer 3] en [serienummer 4] en twee shotguns van het merk A-TAC met als serienummers  [serienummer 4 EN [serienummer 5] vrijwillig af te staan.

3. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 augustus 2021 door de brigadier van politie Zameer Pierkhan, inhoudende de verklaring van de persoon [Naam 20] voor zover van belang – zakelijk weergegeven:

Ik zit in de goudsector. Ik ben in het bezit van een vuurwapen van het merk Glock en een shotgun.[..] De [merk 5] die ik thans bij mij heb nog geen jaar in mijn bezit. Via de gewezen president Bouterse, D. ben ik in contact gekomen met de gewezen directeur van het DNV, [Verdachte] [..] [Verdachte] heeft mij toen voorgehouden dat het DNV geen vuurwapens heeft, maar dat zij het gedaan zou kunnen krijgen, dat ik via het DNV zelf het vuurwapen zou kunnen kopen bij Tomahawk. Ik heb toen meteen gevraagd of ik ook een shotgun zou kunnen kopen voor de beveiliging van mijn goudconcessies. [Verdachte] heeft toen ingestemd. Op de dag toen ik de twee vuurwapens heb gekocht kwam [Naam 19] van het DNV met een bewijs, waarmee ik de wapens heb kunnen kopen bij Tomahawk. [..] Nadat ik had betaald voor de vuurwapens heeft [Naam 19] die meegenomen om alle papierwerk in orde te maken, alsook de wapenpasjes van het DNV voor deze wapens. Het wapenpasje van de Glock heb ik opgehaald [..] Nadat ik de Glock was kwijtgeraakt heeft [Verdachte] ervoor gezorgd dat ik ergens vorig jaar een ander Glock kreeg met een wapenpasje.[..] ik ben niet in dienst van DNV.

4. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 01 september 2021 door de brigadier van politie Zameer Pierkhan, inhoudende de verklaring van de persoon [Naam 22] voor zover van belang – zakelijk weergegeven:

Ik kan mij heugen dat ik ergens tussen 2018 en 2019 [Verdachte] tegenkwam en haar de vraag deed om mij te bewapenen. In feite meende ik dat niet. Mij vraag was meer als grap bedoeld [..] ik had niet verwacht dat [Verdachte] mijn vraag serieus zou  nemen totdat ik ongeveer een maand na mijn opmerking werd gebeld door iemand van het DNV. De naam van deze persoon is mij niet bekend, maar hij zei tegen mij dat ik naar het DNV kantoor aan de Anton Drachtenweg moest gaan. Ik ben naar daar gereden en van een Javaanse/Indiaanse heer, kreeg ik te horen dat hij in opdracht een foto van mij moest maken. Hij heeft niet gezegd in wiens opdracht [..]  maar ik vermoedde dat het in opdracht van [Verdachte] plaatsvond naar aanleiding van mijn vraag om bewapend te worden. Ik heb de foto laten maken en zou terug worden gebeld. [..]

5. Het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 01 september 2021 door de agent van politie Vanessa Sarimin inhoudende de verklaring van de persoon [naam 21] voor zover van belang – zakelijk weergegeven:

[..] vanaf het jaar 2019 ben ik het in het bezit van het vuurwapen GLOCK BEZZ 277. [..] Vanaf het jaar 2017, de tijd van meneer [Naam 23], ben ik informant van DNV. Aan de hand hiervan werd ik in eind van het jaar 2019 bewapend voor mijn eigen veiligheid. [..] ik heb het wapen in ontvangst genomen uit handen van de heer [Naam 24]. [..] ik kom niet voor in hun personeelsbestand. Ook heb ik geen badge dat ik een DNV er ben.

Strafbaarheid van het feit:

I. medeplegen van overtreding van artikel 16 Vuurwapenwet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

De strafbaarheid van de verdachte

Uit het dossier is gebleken dat informanten/burgers die niet in het bestand van DNV voorkomen, zijn voorzien van wapens en of wapenpasjes ( zie bovenvermelde getuigenverklaringen)

Blijkens de verklaringen van de getuige [Naam 8] op de terechtdzitting van  de Krijgsraad d.d. 06 oktober 2025, de getuige [Naam 25] in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek gedateerd 09 september 2022 en de pesoon [Naam 25] 28 juni 2021 opgemaakt door de brigadier van politie Z. Pierkhan, is gebleken dat het voorzien van wapens aan personen in dienst en aan burgers een grijs gedoogbeleid is; een situatie die reeds in gebruik was bij de rechtsvoorgangers van verdachte.

Ook is gebleken dat het instituut van de President van de Republiek Suriname  verzoeken aan het DNV kan doen om personen te bewapenen. Zie hiervoor de verklaring van [Naam 20] en een zich in het dossier bevindende brief gedateerd 26 augustus 2020 kenmerk [kenmerk 2] en afkomstig van Kabinet van de President en gericht aan de verdachte inhoudende een verzoek om een burger in aanmerking te doen komen voor een vuurwapen en om opgenomen te worden in de dienst van Bureau Nationale Veiligheid.

Het is dan onredelijk en onbillijk om voor handelingen met betrekking tot dit gedoogbeleid alleen deze verdachte verantwoordelijk te houden, terwijl er niet wordt opgetreden tegen de anderen.

De Krijgsraad zal de verdachte terzake van dit feit op grond van het voorgaande ontslaan van alle rechtsvervolging.

Beslag

De reeds inbeslag genomen vuurwapens, scherpe patronen, wapenpasjes en alle overige documenten zoals vermeld in het requistoir van de vervolging worden onttrokken aan het verkeer.

Blijkens processen-verbaal d.d. 11 november 2021 en 23 november 2021 opgemaakt door R. Ghazi, majoor van politie zijn de in beslag genomen goederen te weten printer zebra model ZXP LM  en zwarte systeemkast merk onbekend, model Clone reeds teruggegeven aan DNV.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen alsook artikel 54 c van het Wetboek van Strafrecht, het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Militair Strafrecht alsook artikel 16 van de Vuurwapenwet zoals de bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

De Krijgsraad

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder I, II en III ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder I, II en III meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen hetgeen onder IV A is tenlastegelegd.

Verklaart dat het bewezen verklaarde feit oplevert:

I:  medeplegen van overtreding van artikel 16 Vuurwapenwet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging met betrekking tot dit feit.

Onttrekt aan het verkeer reeds in beslag genomen vuurwapens, scherpe patronen, wapenpasjes en alle overige documenten.

Aldus gewezen door: mr. drs. C.C.L.A. Valstein, President, G.A.M. Cooper, Kolonel en C.W. Li Fo Sjoe, Luitenant – Kolonel bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, Griffier, en uitgesproken te Paramaribo door de President voornoemd op de openbare terechtzitting van de Krijgsraad vrijdag 30 januari 2026.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. C.C.L.A. Valstein – Montnor                                                                                          w.g .G.A.M. Cooper
                                                                                w.g. C.W. Li Fo Sjoe

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van de Krijgsraad,

( mr. N. Oosterwolde, Griffier)

 

SRU-HvJ-2023-28

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

 

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d 6 februari 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 29 januari 2023 in verzekering gesteld terzake overtreding van het artikel 20 lid 3 van de Rijwet 1971;

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 9 februari 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 9 februari 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 10 februari 2023 om 13.00 uur des namiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar

Ministerie;

– de raadslieden van de appellant, mr. M. Dubois en dhr. I.D. Kanhai BSc, advocaat

bij het Hof van Justitie.

– de appellant (telefonisch)

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 06 februari 2023 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard.

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 06 februari 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 9 februari 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.

De grieven van appellant

De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • Miskenning van een aan de verdachte uitdrukkelijk toegekend recht. Aan de verdachte is het recht toegekend om los, dan wel buiten het bepaalde van artikel 54a lid 1 Sv, eerste volzin, de Rechter-Commissaris te verzoeken, hem in vrijheid te stellen en is de Rechter-Commissaris dien overeenkomstig gehouden het verzoek van de verdachte geheel zelfstandig te onderzoeken als de inverzekeringstelling rechtmatig, dan wel onrechtmatig is en is de Rechter-Commissaris die op grond van artikel 54a, tweede volzin het verzoek tot invrijheidstelling toetst op geen enkele wijze gebonden aan het besluit die de Rechter-Commissaris heeft genomen op grond van artikel 54a, lid 1 Sv eerste volzin.
  • Rechtvaardiging tot inverzekeringstelling ontbreekt. De Rechter-Commissaris is ten onrechte aan deze ontbrekende rechtvaardiging voorbijgegaan. Het in het bevel tot inverzekeringstelling genoemd artikel van de Rijwet 1971 is niet van toepassing op de gedragingen van [Appellant], zulks daar bedoeld artikel het heeft over het verkeren onder invloed van alcoholhoudende drank of bedwelmende middelen, hetgeen in casu niet is gebleken.
  • De Rechter-Commissaris is ten onrechte voorbij gegaan aan het geschonden principe van gelijke monniken, gelijke kappen. De bestuurder van het merk Toyota Vitz is eveneens tegen de fietser aangekomen en die bestuurder heeft zonder een geldig Surinaams rijbewijs aan het verkeer deelgenomen. De bestuurder van de Toyota Vitz is niet in verzekering gesteld.
  • De Rechter-Commissaris heeft nagelaten de juiste grondslag voor de verlenging tot inverzekeringstelling te toetsen. Er is op geheel onjuiste gronden een snelheid ad 130 km/u door zowel de Rechter-Commissaris bij de toetsing, als door de vervolging bij de voorgeleiding tot verlenging van de inverzekeringstelling aangenomen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:

  • De inverzekeringstelling is rechtmatig. Dit op basis van de camera beelden van Safe City. Om 11 uur s ’avonds kwam het verslag t.a.v. de snelheidsberekening binnen. Blijkt dat deze verdachte 130 km/u zou hebben gereden. Met de hoge snelheid kon de verdachte niet gelijk remmen. De ruimte om rechts in te halen was al te klein. Er is dus wel sprake van schuld aan de zijde van de appellant. Dit is af te leiden uit de camerabeelden en de berekeningen die gemaakt zijn.
  • Er is nog sprake van onderzoeksbelang. De familieleden van het slachtoffer moeten nog verhoord worden.

De beoordeling

  • Het Hof zal allereerst ingaan op de eerste grief van appellant. Naar het oordeel van het Hof is voormelde grief gegrond en is een verdachte in beginsel bevoegd om in een voorkomend geval een verweer dat reeds bij de rechtmatigheidstoetsing aan de orde is gesteld te herhalen bij een opvolgend verzoek gedurende de verlengde inverzekeringstelling en zal de rechter-commissaris daarop dienen te responderen. Het voorgaande zal alleen anders zijn in het geval dat er klaarblijkelijk sprake is van misbruik van procesrecht. De daartoe strekkende overweging van de rechter-commissaris zal derhalve op dit punt worden verbeterd.
  • De tweede grief besprekend is het Hof van oordeel dat er in casu geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel 51 Sv door de vervolging door het volstaan met de vermelding van het geschonden wetsartikel in het bevel tot inverzekeringstelling. Immers is het van belang dat de verdachte dient te weten waar hij van beschuldigd wordt ten einde zich adequaat te kunnen verdedigen en daar is in de visie van het Hof ruimschoots aan voldaan door het vermelden van het desbetreffende wetsartikel. Al hetgeen door de verdediging dienaangaande is aangevoerd zal op grond van het voorgaande worden verworpen.
  • De derde grief haalt het evenmin in de visie van het Hof. Naar het oordeel van het Hof is onvoldoende aannemelijk geworden uit het door appellant aangevoerde feitensubstraat dat het in het geval van de bestuurder van de Toyota Vitz betreft een gelijke monnik die gelijkelijk gekapt zou moeten worden doordat hij als veroorzaker van de aanrijding dient te worden aangemerkt. Ter vaststelling van het voorgaande is nader onderzoek nodig waarmee de werkarmen van het Openbaar Ministerie thans bezig zijn.
  • Met betrekking tot de vierde grief dat betreft de aanname van de snelheid van het door appellant bestuurde voertuig is het Hof van oordeel dat vooralsnog er voldoende indicatoren zijn gebleken ter vaststelling van de snelheid van het voertuig dat appellant bestuurde ten tijde van de aanrijding. Voor zover de raadslieden van appellant een andere opvatting huldigen ten aanzien van de methode van snelheidsberekening zal dat in een nadere fase van het onderzoek aan de orde dienen te worden gesteld en beoordeeld. Ook deze grief zal derhalve worden verworpen.

Naar het oordeel van het Hof bestaat er nog een dringende noodzaak voor het continueren van de detentie van appellant en derhalve zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Gelet op al het voorgaande zullen de opgeworpen grieven worden verworpen en is het Hof van oordeel dat er nog onderzoeksbelang aanwezig is. De beroepen beschikking zal derhalve worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het hoger beroep van appellant [APPELLANT], ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op d.d. 6 februari 2023, onder aanvulling en verbetering van gronden als hiervoor aangegeven.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 13 februari 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf en mr. D.G.W. Karamat Ali Leden, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z.T.B. de Lisle LL.B.

 

w.g. Z.T.B. de Lisle    w.g. A. Charan
                                    w.g. M.C. Mettendaf
                                    w.g. D.G.W. Karamat Ali

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier

 

SRU-HvJ-2023-27

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANTE, [APPELLANTE], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 12 juni 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellante voornoemd is op 08 juni 2023 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 4 lid 1a en b Sub A, B en C; 4 lid 1a en b Sub A, B en C jo 11 jo 12 van de Wet Verdovende Middelen;

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 13 juni 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 13 juni 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op donderdag 15 juni 2023 om 09.30 uur des voormiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. N. Maikoe, namens het Openbaar

Ministerie.

– de advocaat mr. A. Radja, die waarneemt voor mr. M. Nibte, advocaat bij het Hof van

Justitie.

– de appellante (telefonisch).

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 12 juni 2023 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten haar inverzekeringstelling rechtmatig verklaard.

Ontvankelijkheid van de appellante

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 12 juni 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 13 juni 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellante ontvankelijk is in haar appèl.

De grieven van appellante

De raadsman heeft namens de appellante grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellante te gelasten.

De grieven van appellante komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • Appellante erkent dat zij op verzoek van haar zoon een klein zakje met inhoud op moest halen bij een vriend van de zoon en dit zakje moest afgeven aan een andere vriend van de zoon. Appellante heeft dus slechts als postbode gefungeerd. Appelante is first-offender en heeft enorm veel spijt van haar handelingen.
  • Appelante vraagt naar een kans. Zij is een kleine onderneemster. Zij is uitbaatster van een warung en heeft de zorg over 3 kinderen. Thans wordt het gezin met ontruiming bedreigd. Ook haar warung is gesloten waardoor er thans geen inkomsten voor het gezin zijn.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • Vanaf 6 januari 2023 tot de aanhouding van de [Naam 1] is er regelmatig drugs, telefoon toestellen, tabak en sigaretten gegooid in het cellenhuis. Vanaf 6 januari 2023 heeft de politie de aangiften gedaan, maar zij hebben nimmer iemand kunnen aanhouden. Op 16 mei 2023 hebben zij de persoon van [Naam 1] aangehouden toen hij bezig was te gooien en de politie hem al eerder had opgemerkt. Toen is gebleken dat [Appellante] de aanzet had gegeven om drugs voor haar te smokkelen in het cellenhuis. [Appellante] heeft toen zelf bekend. Zij wist dat het om drugs ging, omdat haar zoon haar dat had gevraagd. Haar zoon was al ingesloten inzake een strafbaar feit.
  • [Appellante] wordt verdacht van een strafbaar feit waarop er een voorlopige hechtenis staat.
  • Uit de staat van inlichtingen blijkt het dat zij woont met haar dochter en twee kleinkinderen. Hieruit begrijp ik dat zij geen kleine kinderen heeft om te verzorgen. Zij is een vrouw van 57 jaar. Zij heeft kleinkinderen die door hun ouders verzorgd kunnen worden. Er is in ieder geval geen sprake van onrechtmatige aanhouding en inverzekeringstelling.
  • Op dit moment is zij in de fase van verlenging van de in verzekering stelling. Er is nog onderzoeksbelang aanwezig, waarbij personen nog met elkaar geconfronteerd moeten worden en personen wiens naam genoemd zijn nog achterhaald moeten worden om te kijken welke rol deze verdachte heeft in dit alles. Wij vragen u het verzoek te willen afwijzen en de beschikking d.d. 12 juni 2023 van de rechter-commissaris, mr. D. Karamat Ali te willen bevestigen.

De beoordeling

Naar aanleiding van de grieven van appellante en het standpunt van de vervolgingsambtenaar op de grieven stelt het Hof het volgende voorop, dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen appellante/verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten en dat de inverzekeringstelling van Appellante mede op grond van haar erkentenis rechtmatig is. Derhalve zal het beroep ongegrond worden verklaard.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het hoger beroep van verzoekster/appellante [APPELLANTE], ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 12 juni 2023.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 15 juni 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door: Mr. A. Johans, Fungerend-President, mr. R. Elgin en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z.T.B. de Lisle LL.B.

w.g. Z.T.B. de Lisle     w.g. A. Johans
                                   w.g. R. Elgin
                                   w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier

 

 

SRU-HvJ-2023-26

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 5 juli 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 20 juni 2023 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 342 jo 70; 360; 345b van het Wetboek van Strafrecht;

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 7 juli 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 7 juli 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op maandag 10 juli 2023 om 12.30 uur des namiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar

Ministerie.

– de advocaat van de appellant, dhr. S.M. Ramman Bsc., advocaat bij het Hof van Justitie.

– de appellant (telefonisch).

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 5 juli 2023 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard.

Daartoe heeft de rechter-commissaris, onder meer, het volgende overwogen:

“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;”

“(…) dat het om een ernstige zaak gaat waarbij verzoeker/verdachte volgens eigen zeggen voor het voertuig waarin zijn ex-vriendin zat is gestopt en het voertuig op die manier tot stoppen heeft gedwongen. Uit verklaringen van getuigen die zich in het voertuig bevonden blijkt op welke manier hij te keer is gegaan. Nu er vermoedelijk sprake is van een recent gegeven beschermingsbevel dient dit te worden onderzocht;”

“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidsstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 5 juli 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 7 juli 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.

De grieven van appellant

De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • Na het indienen van het verzoek ex art. 54 S.V. is de raadsman van appellant vanwege het Parket van de Procureur-Generaal gebeld met de mededeling dat indien de raadsman een bevestiging van het gegeven beschermingsbevel kan overleggen de verdachte wederom zal worden voorgeleid bij de vervolgingsambtenaar en vervolgens in vrijheid worden gesteld. De raadsman heeft geen invloed op het opmaken van het beschermingsbevel, nog minder het op schrift, verstrekken daarvan. Het feit dat het parket gebeld heeft naar de raadsman met deze mededeling geeft aan dat het parket zelf inziet dat de continuering van de inverzekeringstelling niet op zijn plaats is.
  • De rechter-commissaris kan een beschermingsbevel dat recent gegeven is en onderzocht moet worden niet beschouwen als een dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling. Iemand kan enkel in verzekering gesteld worden ter zake een misdrijf waarop voorlopige hechtenis is toegelaten. Hierdoor is appellant onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd.

De advocaat doet het verzoek aan het Hof appellant in vrijheid te willen stellen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • Het slachtoffer heeft aangifte gedaan tegen appellant. Zij zegt dat zij in 2018 een relatie met hem begonnen is en heeft die beëindigd in 2022, omdat zij meerdere malen mishandeld werd en ontdekte dat zij de buitenechtelijke relatie was van appellant. Zij had toen geen aangifte gedaan van de mishandeling. Nadat zij de relatie had beëindigd en een nieuwe relatie was begonnen is zij 5 tot 6 keren door de verdachte achtervolgd naar haar werkplek. Het gaat om een verdachte die niet schroomt om haar werkplek zonder toestemming van haar werkgever te betreden. Het slachtoffer geeft aan dat de verdachte ook verschillende malen langs haar woonadres is gereden. Hij heeft ook met verschillende nummers naar het slachtoffer gebeld en wanneer zij zijn stem hoort legt zij neer. Het gaat hier sec om belaging.
  • De verdachte heeft het slachtoffer klem gereden toen zij een dagje met enkele familieleden in een Noah busje zat. Ondanks hij zoveel mensen in het voertuig zag liep hij naar het voertuig, draaide aan het contactsleutel zodat het voertuig niet meer draaide en probeerde de contactsleutel weg te nemen. Het nichtje van het slachtoffer die de bestuurster was heeft slagen geïncasseerd. Het slachtoffer zat achterin. Vervolgens liep hij naar de deurzijde, maakte de deur open en probeerde het slachtoffer eruit te trekken. Ondanks er tenminste 5 mensen in het voertuig zaten schroomde de verdachte niet om deze handelingen te plegen tegen het slachtoffer. Drie mensen hebben letsels hieraan overgehouden.
  • Er zijn getuigen die hebben gezien dat de verdachte heeft klem gereden, de contactsleutels probeerde weg te nemen en slagen heeft toegebracht. Nadat het hem niet gelukt was het slachtoffer uit het voertuig te trekken is hij weggegaan. De getuigen blijven aaneensluitende verklaringen geven.
  • Er is nog sprake van onderzoeksbelang. Het onderzoeksbelang gaat verder dan het politioneel onderzoek.
  • Verder is verdachte al gedagvaard voor de zitting van 26 juli 2023.
  • Ik heb begrepen dat het beschermingsbevel tijdens de voorgeleiding naar voren is gebracht. Hierbij is toen gezegd dat als het beschermingsbevel overgelegd kon worden dit eventueel bekeken zou worden. Maar het beschermingsbevel bleek echter niet eens betekend te zijn aan verdachte.

Het Openbaar Ministerie vraagt u het verzoek van de verdachte af te wijzen en de beschikking d.d. 5 juli 2023 van de rechter-commissaris, mr. M. Mettendaf te willen bevestigen.

De beoordeling

Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van de vervolgingsambtenaar op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.

Overwegende, dat de inverzekeringstelling en de verlenging van de inverzekeringstelling getoetst moeten worden aan de feiten en omstandigheden die voor de inverzekeringstelling aanwezig waren en niet aan een beschermingsbevel die na de inverzekeringstelling ter sprake is gekomen en onderzocht moet worden.

Overwegende, dat uit de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen is gebleken dat appellant het voertuig waarin het slachtoffer met meerdere mensen zat heeft klem gereden, geprobeerd heeft de contactsleutel weg te nemen, het slachtoffer en enkele inzittenden slagen heeft toegebracht waardoor zij letsels hebben opgelopen.

Overwegende, dat op grond van het voorgaande het Hof van oordeel is dat de feiten en omstandigheden ernstig en voldoende zijn om appellant in voorlopige hechtenis te houden en dat de dringende noodzakelijkheid aanwezig is voor de verlenging van de inverzekeringstelling.

Overwegende, dat gelet op al het voorgaande het ingestelde hoger beroep ongegrond zal worden verklaard en de beschikking van de rechter-commissaris zal worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het hoger beroep van [APPELLANT] ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 5 juli 2023.

 

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 10 juli 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door: Mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z. de Lisle LL.B.

 

w.g. Z. de Lisle    w.g. A. Charan
                             w.g. S. Punwasi
                             w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2023-25

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 25 augustus 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 31 juli 2023 in verzekering gesteld ter zake overtreding van de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 363; 362; 361;360 van het Wetboek van Strafrecht; 9 en 15 van de Vuurwapenwet;

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 25 augustus 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 25 augustus 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op maandag 28 augustus 2023 om 10.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. A. Niamat, namens het Openbaar 

  Ministerie.

– de advocaat van de appellant, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie.

– de appellant (telefonisch).

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 25 augustus 2023 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard. 

Daartoe heeft de rechter-commissaris, onder meer, het volgende overwogen: 

“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;”

“(…) dat door de vervolgingsambtenaar in haar reactie op dit verzoek voldoende heeft aangegeven op grond waarvan er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig is. De verdere vrijheidsbeneming wordt in het belang van het onderzoek geacht, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen. 

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 25 augustus 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 25 augustus 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.

De grieven van appellant

De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • Er is sprake van noodweer exces. 
  • Het is het slachtoffer dat steeds weer de confrontatie opzocht. 
  • Kennelijk zijn, zijn letsels niet al zodanig. 
  • De zus van het slachtoffer zou nog bonnetjes voor mij opsturen en een overzicht maken van de gemaakte onkosten. 
  • De familie van mijn cliënt is gereed om de schade die het slachtoffer heeft opgelopen te vergoeden. 

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • Primair vragen wij het Hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Verzoeker kan alleen tegen een beschikking van de Rechter-Commissaris in beroep gaan nadat die is gegeven. De wet biedt niet de mogelijkheid om voorafgaand aan het geven van een beschikking alvast in beroep te gaan. 
  • Secundair vragen wij het Hof indien u t.a.v. de niet-ontvankelijkheid niet dezelfde mening deelt, het verzoek van de verdachte af te wijzen en de beschikking van de Rechter-Commissaris te bevestigen. Dit vragen wij op grond van het volgende:
  • Er is nog onderzoeksbelang. De onderzoeksresultaten kunnen het Openbaar Ministerie elk moment bereiken. Het slachtoffer heeft de confrontatie met de verdachte geweigerd en er moeten nog getuigen gehoord worden. 
  • Er moet nog een reconstructie worden gehouden, omdat het voor ons van belang is op welk moment de verdachte heeft geschoten op het slachtoffer. 
  • Het is de verdachte die de confrontatie heeft op gezocht. 
  • Het Openbaar Ministerie is het niet eens met het beroep op noodweerexces. 

De beoordeling 

Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van de vervolgingsambtenaar op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.

Overwegende, dat naar het oordeel van het hof juist het slachtoffer degene is die de confrontatie steeds opzocht door op drie momenten het restaurant te verlaten en terug te komen om de confrontatie op te zoeken met appellant.

Overwegende, dat het hof van oordeel is dat de getuige verhoren en reconstructie die nog moeten plaatsvinden in het belang van het onderzoek, verricht kunnen worden zonder dat appellant nog langer in detentie blijft. 

Overwegende, dat in de visie van het Hof de continuering van de inverzekeringstelling van appellant niet dringend noodzakelijk is waardoor het ingestelde hoger beroep gegrond zal worden verklaard en de beschikking van de rechter-Commissaris zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het verzoek tot invrijheidstelling alsnog zal worden toegewezen. 

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 25 augustus 2023.

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart het ingestelde hoger beroep gegrond;

Wijst toe het verzoek van de appellant [NAAM];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant voornoemd.

 

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 28 augustus 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door: Mr. D.D Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S Lachitjaran, lid en mr. C. Klein, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z.T.B. de Lisle LL.B.

SRU-HvJ-2025-15

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE, MR. S. RAGHOE NAMENS HET OPENBAAR MINISTERIE tegen de beschikking (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering) van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 19 september 2025 inzake de verdachte, [VERDACHTE].

Grondslag van de inverzekeringstelling

De verdachte voornoemd is op 16 september 2025 in verzekering gesteld ter zake overtreding van de artikelen 371; 480 van het Wetboek van Strafrecht; 

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 19 september 2025 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van maandag 22 september 2025 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op maandag 22 september 2025 om 14.30 uur des namiddags zal plaatsvinden. 

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend procureur-generaal, mr. C. Bruining, namens het Openbaar    

  Ministerie;

– de verdachte

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 19 september 2025 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig verklaard en de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte bevolen. 

Daartoe heeft de rechter-commissaris, onder meer, het volgende overwogen: 

“(…) dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten, echter acht de rechter-commissaris de in verzekeringstelling niet langer in het belang van het onderzoek”;

“(…) dat de inverzekeringstelling derhalve onrechtmatig dient te worden verklaard.”

Ontvankelijkheid van de appellant (het Openbaar Ministerie)

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 19 september 2025. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 22 september 2025 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.

De grieven van het Openbaar Ministerie

De grieven van het Openbaar Ministerie komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • Uit onderzoek is gebleken dat enkele van die goederen die uit de woning gehaald zijn, op social media ter verkoop werden aangeboden door de verdachte, [verdachte].
  • De verdachte ontkent enig aandeel te hebben bij de inbraak van de woning. Hij beweert dat [Naam 1] en [Naam 2] de goederen voor hem hebben gebracht. 
  • Uit zijn woning zijn ongeveer 12 goederen – die uit de woning waar de inbraak heeft plaatsgevonden – in beslag genomen. Deze goederen zijn ook wel positief herkend door de benadeelde.
  • Op één van die telefoons is er een spraakbericht waar de verdachte verklaart dat hij 20 kogelwerende vesten heeft weggenomen van “kill” (algemeen bekend als gewapende macht) en voor een bedrag van USD300 ter verkoop aanbiedt.
  • Er is nog onderzoeksbelang in deze zaak.
  • De verdachte is vaker in aanraking gekomen met de politie.
  • Het Openbaar Ministerie is van mening dat de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig is en het dus wel noodzakelijk is dat de verdachte langer in detentie blijft. 
  • Het Openbaar Ministerie verzoekt het Hof om de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 19 september 2025 te vernietigen.   

Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • De goederen die de verdachte bij zich had, had hij al aan de eigenaar afgestaan. 
  • De verdachte beweert dat hij de spullen van [Naam 2] en [Naam 1] heeft gekregen en dat er camera’s zijn aan de overkant van waar hij woont die kunnen aantonen dat [Naam 2] en [Naam 1] die goederen voor hem hebben gebracht.
  • De vriend van de eigenaar genaamd “[Naam 3]” had de spullen al terug gebracht naar zijn baas toen hij door had dat die spullen van zijn baas waren.
  • De verdachte beweert dat het niet klopt dat hij in het bericht heeft gezegd dat hij die kogelvrije vesten heeft weggenomen. Hij beweert gezegd te hebben dat hij die kogelvrije vesten heeft gekregen van iemand en dat hij ze moet verkopen.
  • De verdachte geeft aan dat hij de personenauto van [Naam 4] gekocht heeft met gelden die hij uit Nederland kreeg.
  • Enkele van de 12 spullen die uit zijn woning zijn genomen en in beslag zijn genomen, zijn van hem en van de huiseigenaar, [Naam 5].

De beoordeling 

Naar aanleiding van de grieven van het Openbaar Ministerie en het standpunt van de verdachte op de grieven stelt het Hof het volgende voorop, dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten en dat de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig is. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard.  

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris gegeven op 19 september 2025.

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart het ingestelde hoger beroep gegrond;

Wijst toe het verzoek van de officier van Justitie, mr. C. Bruining namens het OPENBAAR MINISTERIE;

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 22 september 2025 in raadkamer van het Hof van Justitie door:

Mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, fungerend-president, mr. C. Klein en mr. J. Kasdipowidjojo, rechters in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mw. Z.T.B. de Lisle LL.B.

w.g. Z. de Lisle     w.g. C. Valstein-Montnor
                              w.g. C. Klein
                              w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier

 

 

 

SRU-HvJ-2023-24

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 11 juli 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 16 juni 2023 in verzekering gesteld ter zake overtreding van de artikelen 295; 295 jo 72; 295 jo 73; 301; 301 jo 72; 301 jo 73; 296; 296 jo 72; 296 jo 73; 299; 299 jo 72; 299 jo 73; 300; 300 jo 72; 300 jo 73; 302; 302 jo 72; 302 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht;

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 13 juli 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 13 juli 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 14 juli 2023 om 12.30 uur des   namiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar

Ministerie.

– de advocaat van de appellant, mr. D. Veira, advocaat bij het Hof van Justitie.

– de appellant (telefonisch).

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 11 juli 2023 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard.

Daartoe heeft de rechter-commissaris, onder meer, het volgende overwogen:

“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;”

“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidsstelling zal worden afgewezen;”

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 11 juli 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 13 juli 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.

De grieven van appellant

De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • [Appellant] is uit zijn huis gehaald terwijl hij uit de nachtdienst kwam. Hij werd op een gegeven moment gebeld door een vriend van hem die hem vroeg of 2 dames thuis bij hem, hoofdhaar konden komen vlechten. De moeder van [Appellant] was wat streng voor wat dat betreft. Hij besloot toen naar zijn vriend te gaan en daar trof hij 2 dames aan.
  • Er werd besloten om eten en drinken te kopen, omdat de dames een paar dagen van huis waren en op verschillende adressen hebben gelogeerd. Plotseling gedroeg 1 van de dames zich vreemd. Zij is met een taxi weg gegaan en is op SEH beland. Uit onderzoek bleek dat er wat in haar drinken gezet was. Als wij kijken naar de omstandigheden en hetgeen wat zich heeft afgespeeld is duidelijk vast komen te staan dat [Appellant] niets hiermee te maken heeft. Nadat de dame weg was heeft hij aan de anderen gevraagd wat er aan de hand is. Een van de anderen, een zekere “[Naam]”, heeft hem gezegd “aai ik heb iets in haar drinken gezet.” De medeverdachte heeft zelfs ook aan gegeven dat [Appellant] er niets mee te maken heeft. [Appellant] heeft zich nimmer met eten en drinken bemoeid. Hij had geen kennis of wetenschap dat er wat in haar drinken gezet zou worden.
  • Hij had ook geen seks gehad met de dame. In het dossier is ook niet aangetroffen dat het medisch visum praat over verkrachting. Geen van de aanwezigen heeft gesproken over seksueel contact. Niet het slachtoffer, niet haar vriendin en geen van de 3 verdachten. Het slachtoffer heeft anderhalve dag bij haar vriend doorgebracht. Uit verklaringen van de verdachte bleek er dat er bij haar vriend al heel wat activiteiten hadden plaatsgevonden. Die handelingen die vooraf zijn gepleegd kunnen niet in verband worden gebracht met hetgeen dat zich op [Wijk] heeft afgespeeld.
  • Het onderzoek zou nu al moeten uitwijzen wie wat heeft gedaan. Vooral daar nu alle verdachten al zijn gehoord. Uit het politioneel dossier is gebleken dat  [Appellant] niets verweten kan worden. [Appellant] was wel daar ter plekke, maar hij heeft geen enkele handeling gepleegd. Hij droeg geen kennis van het geen dat zich heeft afgespeeld. Deze omstandigheden rechtvaardigen het

verzoek dat is overgelegd om [Appellant] op basis van art 54 c S.V. in vrijheid te krijgen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • De verdachte is samen met zijn medeverdachten op 16 juni 2023 in verzekering gesteld welke op 20 juni 2023 rechtmatig is getoetst. Vervolgens is er op 7 juli 2023 een verzoek tot invrijheidstelling ingediend welke op 11 juli 2023 is afgewezen. Verdachte is hiertegen in beroep gekomen.
  • Het is inderdaad zo dat de 2 dames zich naar een vriend begaven om hun haren te vlechten. Op een gegeven moment is er eten en drinken gekocht. Nadat een van de dames (het slachtoffer) had gedronken voelde zij zich onwel en dreigde bewusteloos te raken. Voordat zij bewusteloos raakte zag zij drie mannen waaronder de verdachte de kamer waarin zij zich bevond binnen komen met bloot bovenlijf.
  • De 2 andere medeverdachten hebben duidelijk aangegeven, dat het slachtoffer zich duizelig voelde en dat de verdachte [Appellant] het slachtoffer aan haar heupen, billen en borsten betaste.
  • Verder blijkt er een appgroep te zijn waarbij deze verdachte heeft aangegeven, dat er seksuele handelingen gepleegd zouden worden.
  • Uit het onderzoek is komen vast te staan dat het inderdaad zo is dat er partydrugs is toegediend. Toen het slachtoffer bij kwam zag zij zuigvlekken op haar lichaam. Zij is naar SEH gegaan en heeft de politie ingeschakeld. Het gaat om een ernstig strafbaar feit waarbij het slachtoffer is gedrogeerd en vervolgens verkracht en of ontuchtige handelingen met haar zijn gepleegd.
  • In de woning zijn er ook 3 gebruikte condooms aangetroffen.
  • Het onderzoeksbelang strekt verder dan het politioneel onderzoek.

De beoordeling

Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van de vervolgingsambtenaar op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.

Overwegende, dat de inhoud van het voorlopig dossier en met name de aanwezige processen-verbaal de toets van art. 19 SV dienen te ondergaan. Op basis hiervan is het Hof van oordeel dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Vaststaat dat appellant samen met de andere twee medeverdachten ter plekke was, waar de strafbare handelingen jegens het slachtoffer hebben plaatsgevonden en dat het vermoeden bestaat dat een of twee van hen, of zelfs alle drie verdachten de strafbare handelingen hebben gepleegd.

Overwegende, dat het Hof onderzoeksbelang in casu aanwezig acht en van oordeel is dat de continuering van de inverzekeringstelling dringend noodzakelijk is. Op grond van al het voorgaande zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het hoger beroep van appellant [APPELLANT], ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 11 juli 2023.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 14 juli 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door:

Mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, lid en mr. S. Punwasi, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z. de Lisle LL.B.

w.g. Z. de Lisle    w.g. A. Charan
                             w.g. M.C. Mettendaf
                             w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2024-9

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 21 februari 2024 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 9 februari 2024 in verzekering gesteld ter zake overtreding van de artikelen 372; 371 van het Wetboek van Strafrecht;

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 21 februari 2024 (in het verzoekschrift van de advocaat staat 21 januari 2023) en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 22 februari 2024 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 23 februari 2024 om 11.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

– de waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar

Ministerie;

– de appellant (telefonisch).

Mr. M.C.M. Nibte heeft middels een schrijven aangevoerd dat zij nadrukkelijk persisteert bij de inhoud van het verzoekschrift.

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 21 februari 2024 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard.

Daartoe heeft de rechter-commissaris, onder meer, het volgende overwogen:

“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;”

“(…) dat er thans nog steeds dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen.”

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 21 februari 2024. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 22 februari 2024 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl.

De grieven van appellant

De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • hij is op basis van de verklaring van één anonieme getuige aangehouden.
  • hij heeft een alibi opgegeven.
  • het O.M. geeft thans, bijkans twee weken na zijn aanhouding, als onderzoeksbelang aan dat “er een vergelijkend onderzoek tussen verdachte en de persoon op de camerabeelden moet plaatsvinden”.
  • hij is niet degene die op de camerabeelden te zien is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

– deze verdachte wordt diefstal middels geweldpleging verweten.

– zonder een informant van binnen zou de diefstal niet kunnen hebben

plaatsgevonden.

– twee getuigen hebben verdachte positief herkend op de camerabeelden en

volgens twee andere getuigen is hij niet te herkennen op de camerabeelden.

– er is nog sprake van onderzoeksbelang.

– de dringende noodzakelijkheid om verdachte in detentie te houden is aanwezig.

– er zijn meerdere personen die nog in beeld moeten komen.

– wij vragen u om het beroepschrift van appellant ongegrond te verklaren.

De beoordeling

Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van de vervolgingsambtenaar op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat uitgaande van de foto’s in het politiestrafdossier appellant opmerkelijke verschillen vertoont met de manspersoon die op de camerabeelden te zien is. Derhalve is het Hof van mening dat vooralsnog niet vastgesteld kan worden dat appellant de persoon is die op de camerabeelden te zien is. Hoewel er qua uiterlijk ook opmerkelijke gelijkenissen te zien zijn blijkt er wel aanleiding voor gerede twijfel te bestaan bij het Hof.

Overwegende, dat gelet op het voorgaande in de visie van het Hof de continuering van de inverzekeringstelling van appellant niet dringend noodzakelijk is. Het ingestelde hoger beroep zal derhalve gegrond worden verklaard en de beschikking van de Rechter-Commissaris zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal het verzoek tot invrijheidstelling alsnog worden toegewezen.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 21 februari 2024.

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart het ingestelde hoger beroep gegrond;

Wijst toe het verzoek van de appellant [APPELLANT];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant voornoemd.

 

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 23 februari 2024 in raadkamer van het Hof van Justitie door:

Mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.J.S. Bradley, lid en mr. A.C. Johanns, Lid, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z.T.B. de Lisle LL.B.

w.g. Z. de Lisle  w.g. A. Charan
                             w.g. S.J.S. Bradley
                             w.g. A.C. Johanns

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier