SRU-HvJ-2017-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[eiser],

wonende te [district],

eiser, hierna aangeduid als [eiser],

gemachtigde: voorheen mr. S.R. Heijmans, advocaat, die zich op 07 januari 2015 als gemachtigde heeft onttrokken, thans mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,

zetelende te Paramaribo,

verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit als vervolg op het op 04 juli 2014 tussen partijen gewezen tussenvonnis.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Na het op 04 juli 2014 tussen partijen gewezen tussenvonnis heeft de Staat geen conclusie genomen, en heeft vonnis gevraagd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Het hof volhardt bij de inhoud van de respectievelijk op 18 maart 2011 en 04 juli 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnissen.

2.2 Het hof heeft reeds in het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis overwogen dat [eiser] geen belang meer heeft bij vordering tot nietigverklaring van het aan hem gegeven ontslag en zal hij daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering ter zake.

2.3 Bij het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de vraag of hij zijn vordering tot wedertewerkstelling wenst te handhaven. [eiser] heeft bij akte tot uitlating d.d. 01 april 2011 duidelijk kenbaar gemaakt dat hij deze vordering blijft handhaven. Ter zake stelt het hof voorop dat in artikel 79 van de Personeelswet een limitatieve opsomming is gegeven van de vorderingen waarover het hof mag oordelen. Daar een vordering tot wedertewerkstelling niet valt onder de limitatieve opsomming, zal het hof zich onbevoegd verklaren om van deze vordering kennis te nemen.

2.4 Bij tussenvonnis d.d. 04 juli 2011 is de Staat in de gelegenheid gesteld om een productie over te leggen waaruit blijkt dat de betaling van het bedrag ad SRD 65.221,18 op de bankrekening van [eiser] zou zijn overgemaakt. Dit, naar aanleiding van de stelling van [eiser] bij nadere conclusie d.d. 15 juli 2011 dat de Staat slechts een bedrag groot SRD 31.875,58 op zijn rekening bij de Finabank heeft gestort. De Staat heeft nagelaten de productie over te leggen en heeft in stede daarvan gevraagd om vonnis te wijzen. Het hof zal daarom overgaan tot het wijzen van een eindvonnis in de onderhavige zaak en zal het ervoor moeten houden dat de Staat slechts het bedrag ad SRD 31.875,58 op de bankrekening van [eiser] heeft gestort en dus nog het verschil ad SRD 33.345,60 als vergoeding van schade op de bankrekening van [eiser] dient te storten. Derhalve zal de Staat daartoe worden veroordeeld, hetgeen betekent dat de vordering tot betaling van vergoeding van schade zal worden toegewezen tot het hiervoor vermelde bedrag.

2.5 Voor wat betreft het onderdeel betreffende de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging, heeft het hof reeds onder 3.3.3 van het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis, waarbij het hof volhardt bij de inhoud van dat tussenvonnis, overwogen dat zij onbevoegd is van dit onderdeel kennis te nemen en heeft zij zich reeds ter zake onbevoegd verklaard.

2.6 De gevorderde proceskosten zullen worden afgewezen omdat gevorderde niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 79 Personeelswet van hetgeen bij het Hof van Justitie als ambtenarenrechter kan worden gevorderd.

3. De beslissing

Het hof:

3.1 Verklaart [eiser] niet ontvankelijk in de vordering tot vernietiging van het aan hem gegeven ontslag.

3.2 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot wedertewerkstelling en van de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW.

3.3 Veroordeelt de Staat om aan [eiser] te betalen het bedrag ad SRD. 33.345,60 (Drieendertigduizend Driehonderd en Vijfenveertig Surinaamse Dollar en Zestig Surinaamse dollarcent), zijnde het saldo bedrag aan vergoeding van schade dat nog niet door de Staat op de bankrekening van [eiser] is gestort.

3.4 Verklaart hetgeen hiervoor onder 3.3 is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

3.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu
en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 17 november 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-1999-3

M.R.S.

GENERALE ROL No.14034

[appellant], wonende aan [adres 1] in [district], voor wie als gemachtigde optrad Mr.J.C.P.NANNAN PANDAY, die thans vervangen wordt door Mr.H.MATAWLIE, advokaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

[geintimeerde], rechtspersoon, gevestigd te [district] en kantoorhoudende aan [adres 2 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat

geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 22 mei 1997 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 juni 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de volgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellant], wonende aan [adres 1] in [district], gedaagde;

2.Eiseres heeft op de openbare veiling d.d. 18 oktober 1996, gehouden ten overstaan van Notaris Ramdew Ramautar gekocht: het recht van grondhuur ter uitoefening van de tuinbouw voor de duur van veertig jaren op het perceelland, groot 1.9284 ha, gelegen in [district] aan [adres 1], bekend als serie [nummer] van de [plaats] en aangeduid op de uitmetingskaart van de Landmeter in Suriname P.W.Kalk, Lcs, de dato 24 juli 1989 door de figuur ABCD, blijkende het vorenstaande uit:

a. een verklaring van voornoemde Notaris dd. 22 oktober 1996.

b. een hypothecair uittreksel d.d. 3 maart 1997. De inhoud van de vorenvermelde bescheiden die hierbij worden vergelegd, wordt hier als letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwd.

3.De enige reden waarom eiseres ertoe is overgegaan het litigieuze recht van rondhuur te kopen is gelegen in het feit dat eiseres een woning dringend nodig heeft om haar aktiviteiten te ontplooien maar bovenal om haar voorzitter te huisvesten.

4.Gedaagde was eigenaar van het recht van grondhuur als Sub 2 omschreven maar wegens wanbetaling van zijn schulden, is het litigieuze grondhuurrecht op de openbare veiling verkocht.

5.Tussen eiseres als eigenaar en de gedaagde bestaat geen enkele rechtsrelatie die aan gedaagde een titel zou kunnen verschaffen om zich op het onder punt 2 vermelde onroerend goed te bevinden waardoor gedaagde zonder recht of titel het perceelland occupeert en alzo inbreuk maakt op het eigendomsrecht van eiseres op het recht van grondhuur.

6.Eiseres is niet gehouden deze inbreuk te gedogen en zij heeft een spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening bij voorraad.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde ter zake voorschreven zal worden veroordeeld om binnen eenmaal 24 uren na dit vonnis, het onderhavige perceelland, waarvan eiseres het recht van grondhuur heeft, te ontruimen en te verlaten met allen en alles wat zich van zijnentwege daarop mocht bevinden met machtiging op eiseres, indien gedaagde ingebreke mocht blijven met de uitvoering van dit vonnis, de uitvoering zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 3 april 1997 de gemachtigden van partijen de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging statuten zijdens eiseres bepaald, de gemachtigde van eiseres deze heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens gedaagde bepaald de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 22 mei 1997 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagde heeft veroordeeld binnen EEN MAAND na betekening van dit vonnis het perceelland groot 1.9284 ha, gelegen in [district], aan [adres 1], bekend als serie [nummer] van de [plaats] en aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter P.W.Kalk, Lcs., de dato 24 juli 1984 door de figuur ABCD te ontruimen en te verlaten met allen en alles wat zich van zijnentwege daarop mochten bevinden; met machtiging op eiseres om, indien gedaagde ingebreke mocht blijven met de uitvoering van dit vonnis, zulks zelfs te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eiseres haar zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.4.581,75 (VIERDUIZEND VIJFHONDERD EN EEN EN TACHTIG 75/100 GULDEN);

het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 22 mei 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Ch.Balgobind van 17 februari 1998 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep

voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat advokaat Mr.Nannan Panday per brief gedateerd februari 1998 zich als gemachtigde van appellant aan de zaak heeft onttrokken;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 5 maart 1999, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat uit de, in zoverre niet betwiste, stukken van het geding in eerste aanleg het volgende blijkt:

–geintimeerde heeft als eiser een ontruimingsvordering ingesteld tegen [appellant] (onderstreping door het Hof);

-bij exploit van deurwaarder D.Hieralal d.d.12 maart 1997 is [appellant], wonende aan [adres 1] in [district], ”ten rechte geheten [naam 1], wonende aan [adres 3] in [district],” opgeroepen om op de eerstdienende dag ter terechtzitting te verschijnen;

-op voormelde rechtsdag is [appellant], vertegenwoordigd door advocaat Mr. J.C. Nannan Panday, ter terechtzitting verschenen;

Overwegende, dat uit de appèlverklaring blijkt dat Mr. Nannan Panday hoger beroep heeft ingesteld namens [appellant], terwijl de appellant zich in het onderhavig hoger beroep bedient van de naam [appellant];

Overwegende, dat het Hof uit de in hoger beroep door appellant geponeerde, en in zoverre niet betwiste, stellingen begrijpt dat [appellant] en [naam 1] twee geheel verschillende personen zijn;

Overwegende, dat appellant als grief heeft aangevoerd dat hij ten onrechte door de Kantonrechter is veroordeeld;

Overwegende, dat het Hof begrijpt dat appellant van oordeel is dat, door de vermelding in het exploit dat hij ten rechte [naam 1] was geheten, het exploit in strijd met het bepaalde in artikel 7 lid sub 2o (lees kennelijk: artikel 7 eerste lid sub 3o) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (afgekort Rv.) en derhalve nietig is;

Overwegende, dat geintimeerde heeft aangevoerd dat, nu Mr. Nannan Panday zich als gemachtigde van appellant had gesteld, alle gebreken die aan het exploit mochten kleven van rechtswege waren opgeheven;

Overwegende, dat het exploit de naam van de geëxploiteerde, te weten [appellant], bevat en dat de vermelding in het exploit dat [appellant] die ten rechte [naam 1] is geheten – welke vermelding onjuist is gebleken – daarin geen verandering bracht;

Overwegende, dat derhalve geen sprake is van strijd met artikel 7 eerste lid sub 3o Rv.;

Overwegende voorts, dat het bepaalde in artikel 120 Rv., gelet op de aard van een dergelijk geding, ook in kort geding van toepassing is;

Overwegende, dat de exceptie van nietigheid van het exploit, dat voor het eerst in hoger beroep wordt gedaan, dan ook als vervallen moet worden aangemerkt;

Overwegende, dat appellant in zijn pleitnota onder meer heeft geconcludeerd dat [naam 2] en [naam 3] (lees kennelijk: [naam 2]) in hun oorspronkelijke toestand worden hersteld;

Overwegende, dat het Hof begrijpt dat appellant deze conclusie grondt op het feit dat, naar hij beweert, het beroepen vonnis tegen genoemde personen is geëxecuteerd;

Overwegende, dat, ook indien dit laatste juist is, het beroepen vonnis hierdoor niet wordt aangetast en bedoeld feit niet kan leiden tot vernietiging van dat vonnis;

Overwegende, dat, zoals geintimeerde heeft aangevoerd, appellant er ten onrechte van uitgaat dat de Kantonrechter het beroepen vonnis niet uitvoer bij voorraad heeft verklaard;

Overwegende, dat, gelet op al het voorgaande, het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

Overwegende, dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 22 mei 1997 uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f.750,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.750,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.750,–.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 9 APRIL 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.A.R.Baarh terwijl de geintimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2001-1

S.M.

A-358.

[verzoekster], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de wagenwegstraat no.41 ben.ten kantore van Mr.A.R.BAARH, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

A. DE STAAT SURINAME, MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende ten Parkette aan de Gravenstaat no.3.

B. HET LANDSBEDRIJF ACADEMISCH ZIEKENHUIS PARAMARIBO, rechtspersoon, door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.T. GANGARAM PANDAY, advokaat,

verweerders,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen respectivelijk van 6 juni 1996, 23 januari 1998, 2 juli 1999 en 19 november 1999 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de verzoeker in de enquete twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende dat de gemachtigde van verweerder sub A in de contra-enquete geen getuigen heeft doen horen, terwijl de gemachtigde van verweerder sub B twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staan gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na gehouden contra enquete hebben genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 15 juni 2001, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 november 1999 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verzoekster ten einde het van haar verlangde bewijs te leveren, twee getuigen heeft doen horen te weten [naam 1] en [naam 2];

Overwegende, dat het hof de vraag of verzoekster het van haar verlangde bewijs geleverd heeft ontkennend beantwoordt, blijkende dat het bewijs geleverd heeft ontkennend beantwoordt, blijkende dat bewijs immers niet uit de verklaringen van genoemnde getuigen;

Overwegende, dat mitsdien tussen partijen niet is komen dat zij – verzoekster – enkele keren na april 1996 als hulpkracht in het Landsbedrijf Academisch Ziekenhuis tevergeefs door tussenkomst van de Personeelschef haar diensten heeft aangeboden;

Overwegen, dat het Hof verzoekster haar vordering als onbewezen aan haar zal ontzeggen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt aan verzoekster haar vordering;

Aldus gewezen door de heren Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.K.PULTOO en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A. VALSTEIN-MONTOR, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JULI 2001, in tegenwoor­dig­heid van Mr.R.R.BRIJBHOKUN, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr. A.R.BAARH en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.T.GANGARAM PANDAY, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

in de zaak van:

A. N.V. CULTUURONDERNEMING NICKERIE (N.V. CON),

B.[naam]e.a.,

ten deze domicilie kiezende aan Frederik Derbystraat 13-13A te Paramaribo ten kantore van Sewcharan Advocaten,

verzoekers,

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

YAMUNA N.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 272 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de navolgende beschikking uit.

Partijen worden hierna aangeduid als N.V. CON c.s. en YAMUNA N.V.

1 Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 09 juli 2017;

– het proces-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 26 juli 2017, inhoudende een toelichting op het verzoekschrift;

– de conclusie van antwoord met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 02 augustus 2017;

– de conclusie van repliek met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 08 augustus 2017;

– de conclusie van dupliek ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 14 augustus 2017.

1.2 Vervolgens is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1 Bij vonnis in het incident en in de hoofdzaak, uitvoerbaar bij voorraad, van 24 maart 2015, bekend onder A.R. no. 07-5354, heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton in het incident de incidentele eisers niet-ontvankelijk verklaard in hun incidentele vordering alsmede veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van YAMUNA N.V. en N.V. CON gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil. Voorts heeft de kantonrechter in het Eerste Kanton in de hoofdzaak de tussen partijen bestaand hebbende huurovereenkomst d.d. 01 augustus 1997 ontbonden en N.V. CON veroordeeld om aan YAMUNA N.V. te betalen:

– de som van € 80.000,- (tachtig duizend Euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2009 tot aan de algehele voldoening, alsmede om, om de zes maanden, voor het eerst op 29 juli 2010 aan YAMUNA N.V. te betalen het bedrag van € 40.000,- (veertig duizend Euro) totdat het bedrag van € 800.000.- (achthonderd duizend Euro) algeheel en volledig zal worden voldaan;

-buitengerechtelijke kosten ad. € 120.000,- (éénhonderd en twintig duizend Euro).

2.2 Tegen voormeld vonnis heeft N.V. CON c.s. hoger beroep ingesteld en de zaak is reeds in behandeling genomen.

3 Het geschil

3.1 N.V. CON c.s. vorderen:

de werking van voornoemd vonnis jegens hun te staken c.q. de tenuitvoerlegging ervan te staken, zolang in het hoger beroep niet is beslist, een en ander op straffe van een dwangsom.

3.2 In verband met de onderhavige vordering hebben N.V. CON c.s. aangevoerd dat zij ten onrechte veroordeeld zijn tot het betalen van voormelde bedragen en derhalve daartegen in hoger beroep zijn gegaan. N.V. CON c.s. vrezen dat het executeren van het vonnis met zich zal meebrengen dat zij zal ophouden te bestaan c.q. al haar bezittingen zal kwijtraken vanwege het feit dat YAMUNA N.V. niet in staat zal zijn om de geldelijke voorzieningen te treffen bij een later vernietigd besluit. Op grond hiervan zijn zij van mening dat de executie van het beroepen vonnis dient te worden gestaakt, totdat in hoger beroep zal zijn beslist.

3.3 YAMUNA N.V. heeft hiertegen verweer gevoerd, waarop voor zover nodig, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Het hof stelt voorop dat in de onderhavige procedure in het kader van de executie geen ruimte is voor een beoordeling van die kwesties die in het beroepen vonnis aan de orde zijn gesteld.

4.2 Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn N.V. CON c.s., wanneer buiten de gevallen bij wet voorzien de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis bevolen is, bevoegd om bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof van Justitie het verzoek te doen, dat de executie wordt gestaakt.

4.3 Uit de stellingen en weren van partijen is gebleken dat N.V. CON het rechtsmiddel van hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 24 maart 2015, bekend onder A.R. no. 07-5354, waarbij N.V. CON onder meer is veroordeeld om aan YAMUNA N.V. te betalen de som van € 80.000,- (Tachtigduizend Euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2009 tot aan de algehele voldoening, alsmede om, om de zes maanden, voor het eerst op 29 juli 2010 aan YAMUNA N.V. te betalen het bedrag van € 40.000 (Veertigduizend Euro) totdat het bedrag van € 800.000,- (Achthonderdduizend Euro) algeheel en volledig zal worden voldaan alsmede om aan YAMUNA N.V. te betalen de buitengerechtelijke kosten ad. € 120.000,- (Eenhonderd en twintigduizend Euro).

4.4 In afwachting van de behandeling van onderhavige verzoek, hebben N.V. CON c.s. in kort geding schorsing van de executie van het vonnis gevorderd totdat er in hoger beroep een beslissing wordt genomen in onderhavige zaak.

4.5 YAMUNA N.V. heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het verzoek van N.V. CON c.s. moet worden afgewezen omdat de executie van het vonnis voortvloeit uit een op grond van artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis weshalve het in deze dus wel een bij wet voorzien geval betreft waardoor het verzoek van N.V. CON c.s. een wettelijke grondslag ontbeert. Ter adstructie heeft YAMUNA N.V. overgelegd de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 21 april 2015, G.R. No. 15008.

4.6 Het hof in Raadkamer is van oordeel dat de verplichting tot betaling voortvloeit uit een op grond van artikel 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. In deze betreft het dus wel een bij wet voorzien geval waardoor het verzoek een wettelijke grondslag ontbeert en derhalve het verweer van YAMUNA N.V. gegrond is.

4.7 Met betrekking tot de vraag of YAMUNA N.V. misbruik maakt van haar executie recht door het vonnis nu reeds te executeren in afwachting op de behandeling in hoger beroep, overweegt het hof in Raadkamer dat er van misbruik van het recht van executie van een vonnis sprake is indien de executant (i) zijn bevoegdheid uitoefent met geen ander doel dan om een ander te schaden of (ii) met een ander doel dan waarvoor zij verleend is, dan wel (iii) dat hij, in aanmerking nemend de onevenredigheid bij het belang bij de uitoefening en het belang dat daarbij wordt geschaad, in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen. (zie Gerechtshof Amsterdam 16 april 2013, 200.100.250/01 KG). Het hof in Raadkamer is van oordeel dat het gebruik maken van het executie recht van YAMUNA N.V. niet ertoe leidt dat er sprake is, althans dat die handeling van haar aangemerkt moet worden als misbruik van recht.

4.8 N.V. CON c.s. voeren aan dat er reeds twee oude executoriale beslagen rusten op de percelen van N.V. CON die dateren van 1989 en 1995 van dezelfde schuldeiser, te weten Manglie’s Rijstbedrijf N.V. en dat YAMUNA N.V. in strijd handelt met de wet door Manglie’s Rijstbedrijf N.V. niet in kennis te stellen van haar voornemen om tot openbare verkoop over te gaan. Immers zou aan Manglie’s Rijstbedrijf N.V. eerst het recht daartoe toekomen.

4.9 Naar het oordeel van het hof in Raadkamer maakt YAMUNA N.V. gebruik van een wettelijke bevoegdheid, het vonnis van kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 24 maart 2015, bekend onder A.R. no. 07-5354, om tot executie over te gaan.

4.10 Gelet op de vrees die bij N.V. CON c.s. bestaat, dat het executeren van het vonnis met zich zal meebrengen dat zij zal ophouden te bestaan c.q. al haar bezittingen zal kwijtraken vanwege het feit dat YAMUNA N.V. niet in staat zal zijn om de geldelijke voorzieningen te treffen bij een later vernietigd besluit, overweegt het hof in Raadkamer dat uit het verhandelde in raadkamer en de overgelegde bescheiden N.V. CON niet heeft aangevoerd althans op geen enkele wijze heeft aangegeven op welke manier zij aan de veroordeling c.q. verplichting tot betaling wil voldoen.

4.11 Het hof in Raadkamer komt tot de slotsom dat nu het onderhavige verzoek een wettelijke grondslag ontbeert en N.V. CON c.s. voor het overige geen gronden heeft aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de tenuitvoerlegging van het vonnis redelijkerwijs moet worden gestaakt, is het hof in Raadkamer dan ook van oordeel dat het belang van YAMUNA N.V. om het vonnis onmiddellijk ten uitvoer te leggen zwaarder dient te wegen dan het belang van N.V. CON c.s. om niet te hoeven betalen voordat in het hoger beroep uitspraak is gedaan. Het verzoek van N.V. CON c.s. wordt dan ook afgewezen.

4.12 N.V. CON c.s. wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding.

5. BESCHIKKENDE:

Het Hof:

5.1 Wijst het verzoek af;

5.2 Veroordeelt N.V. CON c.s. in de proceskosten, aan de zijde van YAMUNA N.V. gevallen en tot op heden begroot op nihil.

Aldus gegeven in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 3 november 2017 door: mr.R.G. CHATTERPAL, Fungerend-President, mr. D.G.W. KARAMAT ALI, Lid en mr. I. SONAI, Lid-Paatsvervanger in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. N.N. AMATKARIJO LL.B.

w.g. N.N. Amatkarijo w.g. R.G. Chatterpal

w.g. D.G.W. Karamat Ali

w.g. I.Sonai

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-7

GENERALE ROL NO.13635.

N.V.ALGEMENE BEWAKINGSDIENST SURINAME, rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde op­treedt Mr.E.­C.M.HOO­PLOT, advo­kaat,

appellante in conven­tie

t e g e n

N.E.N.SCHADEVERZEKERING N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.32, voor wie als ge­machtig­de op­treedt, Mr.P.E.BEMMEL, advokaat,

geïntimeerde in con­ven­tie,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegde vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton 16 april 1991 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 mei 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat N.V.ALGEMENE BEWAKINGSDIENST SURINAME als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. Dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stel­len tegen: N.E.N.SCHADEVERZEKERING N.V., rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.32;

2. Dat blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde overeenkomst d.d. 8 december 1987, waarvan verzocht wordt de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, eiseres aan gedaagde bewaking- c.q. beveiligingsdiensten heeft verleend, gelijk door gedaagde van de voormelde diensten gebruik is gemaakt;

3. Dat gedaagde de voormelde overeenkomst bij schrij­ven van 24 februari 1989 ingaande 1 maart 1989 heeft opgezegd;

4. Dat blijkens artikel 9 van de litigieuze overeen­komst gedaagde een opzeggingstermijn van tenminste drie maanden in acht diende te nemen voor het opzeggen c.q. beëindigen van de voormelde overeenkomst, hebbende gedaagde op 24 februari 1989 de voormelde overeenkomst, en zulks in strijd met artikel 9 aan eiseres opgezegd en eenzijdig beëindigd zonder dat eiseres daarmede heeft ingestemd, weshalve gedaagde zich aan wanpresta­tie heeft schuldig gemaakt;

5. Dat de voormelde overeenkomst mitsdien heeft voortgeduurd enwel tot 31 mei 1989 zijnde gedurende de periode die gedaagde in acht moet nemen bij een rechts­geldige opzegging, hebbende eiseres gedurende gemelde periode krachtens de voormelde overeenkomst ten behoeve van gedaagde bewakers beschikbaar gesteld, c.q. gehou­den, overwelke periode gedaagde derhalve onverkort aan eiseres bewakingsvergoeding verschuldigd is;

6. Dat gedaagde in strijd met de voormelde overeen­komst in gebreke is gebleven aan eiseres de bewakings­vergoeding over de periode 1 maart 1989 t/m 31 mei 1989 te voldoen, bedragende deze vergoeding alsvolgt:

– over de maand maart 1989 : f.5.820,–

– over de maand april 1989 : f.5.400,–

– over de maand mei 1989 : f.5.730,–

————

totaal : f.16.950,–

van welk bedrag geen betaling is te komen ondanks herhaalde aanmaningen in der minne;

7. Dat voorts ingevolge artikel 11 van de voormelde overeenkomst gedaagde eveneens gehouden is de buitenge­rechtelijke kosten tot inning te voldoen, wordende dit bedrag beperkt tot het honorarium van eiseres raadsman ad f.2.000,–;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.18.950,– vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag der indiening van dit verzoekschrift tot aa n die der algehele voldoening. Voorst gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, Kosten rechtens;

Overwegende, dat N.E.N.SCHADE VERZEKERING N.V. als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:

1. Dat zij ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk door haar wordt erkend onder aanbod van bewijs harer stellingen door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen;

2. Gedaagde kan bevestigen op 8 december 1987 met eiseres schriftelijk te zijn overeengekomen dat op haar risico adres aan de Lim A Po straat 28-30 in opdracht van eiseres per week van maandag tot en met vrijdag een (1) gewapende en een (1) ongewapende bewaker van 07.00 – 19.00 uur; van 19.00 – 07.00 uur twee (2) ongewapende bewakers en op zaterdag- zon en feestdagen 1 x 24 uur twee (2) ongewapende bewakers aldaar de wacht zullen doen. Het en ander tegen de vergoeding als tussen partijen overeengekomen;

3. Het door eiseres gestelde in het e ”dat” van het inleidend rekest als zou op basis van het geen met haar gedaagde werd overeengekomen d.d. 8 december 1987 bewaking- c.q. beveiligingsdiensten heeft verleend is in strijd met de waarheid en raakt dat juist de kern van de zaak waar het in deze omgaat;

4. De permanente bewaking van haar gedaagde risico adres waartoe eiseres zich verbonden had is gebleken darmate slecht te zijn geweest dat door de bewakers van eiseres niet eens was opgemerkt dat tijdens de wacht­diensten van 19.00 – 07.00 uur; van 7 op 8 december 1988 2 glazen ruiten aan de westzijde van het risico object waren ingeslagen en uit haar gedaagdes kantoor goederen zijn weggedragen. Het rapport dat bij elke wachtdienst door de bewakers in dienst van eiseres moet worden ingevuld en waarin vermeld moet worden hetgeen gedurende de wachtdienst van 7 op 8 december 1988 heeft plaats gehad maakt hoegenaamd geen melding van de inbraak en werd de inbraak door gedaagde zelf geconsta­teerd. Naar aanleiding van dit voorval en het regelma­tig voorkomen van verzuimen en of afwezigheid van de bewakers op het risico adres van gedaagde werd eiseres bij schrijven d.d. 08 december 1989 omtrent het een en ander in kennis gesteld met het verzoek zich terzake te verwarren;

5. Zij eiseres heeft niet minder dan zes (6) weken nodig gehad om middels een ongedagtekend rapport te reageren op de inbraak bij haar gedaagde op 08 december 1988 en moet het heten ”dat de bewakers zich ietswat verkeken hebben op die ruit, daar trouwens die ruit 4 meters boven de begane grond is en men niet gemakkelijk iets van zo’n hoogte zal kunnen waarnemen”.

De ruit in kwestie is slechts 1 1/2 m boven de grond. De brief d.d. 08 december 1988 alsmede het ongedagte­kend verweerschrift van eiseres worden hierbij overge­legd met het eerbiedig verzoek aan de Rechter de inhoud daarvan als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen (zie prod.no 1 en 2);

Ondanks de jegens haar gedaagde gepleegde wanpres­tatie en haar eiseres bevestiging daaromtrent is zij eiseres niet bereid de door gedaagde geleden schade groot Sf.5.430,– (VIJFDUIZEND VIERHONDERD EN DERTIG GULDEN) te vergoeden, terwijl de gelden schade op deugdelijke wijze door de wachters van eiseres was gepresteerd de inbraak en de daarop volgende diefstal voorkomen hadden kunnen worden en zij eiseres gehouden is de door gedaagde geleden schade te vergoeden welke bedrag zij in Reconventie zal vorderen;

7. Gedaagde kan bevestigen dat zij bij schrijven d.d. 24 februari 1989 met ingang van 01 maart 1989 wegens de jegens haar door eiseres gepleegde wanpresta­tie waardoor zij schade heeft geleden en nog lijdt de overeenkomst met eiseres werd opgezegd. De door eiseres gepleegde en door haar bevestigde wanprestatie jegens gedaagde waardoor vast staat dat het aan eiseres schuld te wijten is dat gedaagde schade lijdt, zonder lijdt daarbij op enigerlei wijze zekerheid te verschaf­fen en afdoende maatregelen in vooruitzicht te stellen met betrekking tot de bewaking van haar gedaagdes risico object, opdat herhaling zal worden voorkomen – rechtvaardigde geenszins de continuering van de over­eenkomst. Artikel 9 van bedoelde overeenkomst kan slechts van toepassing zijn bij een normale – regelma­tige beëindiging van de overeenkomst en kan daarop onder gegeven omstandigheden geen beroep worden gedaan. Uiteraard is dan ook geen beroep mogelijk op artikel 11 van meergenoemde overeenkomst ten aanzien van de buiten gerechtelijke kosten die hoegenaamd niet ver­schuldigd zijn;

8. Gedaagde ontkent dat na een (1) maart 1990 ten hare behoeve op het risico adres bewakers van eiseres aanwezig waren c.q. deze ter beschikking zijn gehouden en is zij gedaagde aan haar eiseres terzake ook niets verschuldigd; en voor eis in reconventie heeft gesteld:

1. Dat bij schriftelijke overeenkomst d.d. 8 december 1987 met gedaagde werd overeengekomen dat op het risico adres van eiseres aan de Lim A Postraat 28-30 van maandag tot en met vrijdag een (1) gewapende en een (1) ongewapende bewaker van 07.00 – 19.00 uur; van 19.00 – 07.00 uur twee (2) ongewapende bewakers en op zaterdag­zon en feestdagen 1 x 24 uur TWEE (2) ongewapende bewakers aldaar de wacht zullen doen. Het een en ander tegen vergoeding als tussen partijen overeengekomen;

2. Dat op voormeld risico adres van eiseres in de avondnacht van 7 en 8 december 1989 aan de westzijde van het object 2 glazen ruiten werden ingeslagen en uit haar eiseres kantoor goederen werden weggedragen en zij eiseres dien ten gevolge schade lijdt bestaande uit:

Herstel kosten twee glazen ramen Sf.3.390,–

1 Weegschaal (speciale) Sf.1.500,–

Zegels Sf. 300,–

2 Scharen Sf. 150,–

————-

Sf.5.340,–

(VIJFDUIZEND DRIE HONDERD EN VEERTIG GULDEN) (zie prod. no.3);

3. dat de bewakers in dienst van gedaagde niets van de inbraak op de avond/nacht van 7 op 8 december 1988 hebben gemerkt terwijl er glazen ruiten werden ingesla­gen en een dergelijke inbraak zich nier geruisloos kan voltrekken. De inbrekers konden even ongemerkt het risico object verlaten met medeneming van de eerder vermelde goederen;

4. Dat de inbraak en de daarop volgende diefstal het gevolg is geweest van de jegens eiseres door gedaagde gepleegde wanprestatie en het aan haar gedaagdes schuld te wijten is dat zij eiseres schade lijdt vermits gedaagde in strijd met hetgeen tussen partijen werd overeengekomen vermits zij gedaagde op het risico adres van haar eiseres aan de Lim A Postraat no.,28-30 op de bewuste avond/nacht van 7 en 8 december 1988 geen bewakers heeft gehad, dan wel dat de aanwezige ”bewa­kers” in dienst van gedaagde hebben nagelaten te doen waartoe zij op basis van hetgeen met gedaagde was overeengekomen verplicht waren te doen. In ieder geval kon de diefstal worden voorkomen indien de bewakers in dienst van gedaagde op adequate wijze het risico object hadden bewaakt;

5. dat de tussen partijen aangegane overeenkomst juist strekt tot bewaking van haar eigendommen op het risico adres en van haar eiseres onder de omstandighe­den als voorschrevenen niet kan worden gevergd dat zij ondanks de jegens haar gepleegde wanprestatie en de door haar geleden schade de overeenkomst doet voortdu­ren met in achtneming van een opzeggingstermijn als vastgesteld in de overeenkomst;

6. Dat gedaagde weigert de schade ad sf.5.340,– in der minne aan eiseres te voldoen en zij recht en belang heeft de door haar gelden schade in rechte te vorderen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conven­tie:

dat eiseres vordering haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en/of onbewezen met veroordeling van eiseres in de kosten gevallen aan de zijde van gedaag­de;en voor eis in reconventie:

dat voor recht zal worden verklaard dat zij op grond van de jegens haar gepleegde wanprestatie niet langer gehouden was aan de opzeggingstermijn van 3 maanden als vermeld in de overeenkomst d.d. 8 augustus 1987 en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen de door haar geleden schade ad Sf.5.340,– (VIJFDUIZEND DRIE HONDERD EN VEERTIG GULDEN) verhoogd met de wettelijke rente daar­over ad 6% ’s jaars vanaf de datum van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening toe.

Voorst dat gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten gevallen aan de zijde van eiseres;

Overwegende, dat de eisende partij in conven­tie een als ingelast te beschouwen conclusie van re­pliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in recon­ventie voor antwoord heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende door haar niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend en de Rechter om alhetgeen haar in con­ventie is aangevoerd hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

2. Dat gedaagde het 2e dat van Eis ontkent en be­twist. Gedaagde ontkent en betwist dat eiseres schade heeft geleden en dat zulks aan haar schuld is te wij­ten.

Voorts ontkent gedaagde dat de gepretendeerde schade-qoud non est- ad f.5.430,– of welk ander bedrag dan ook bedraagt.

3. Dat gedaagde met klem ontkent dat in de nacht van 7 op 8 december 1988 een inbraak heeft voltrokken. In ieder geval is geen sprake van enige inbraak tijdens de diensturen van gedaagde. Noch zijn goederen toebeho­rende aan eiseres weggedragen c.q. ontvreemd.

4. dat het 4e t/m 6e dat van Eis in reconventie onjuist is hebbende immers gedaagde steeds op deugde­lijke wijze gepresteerd, ook in de nacht van 7 op 8 december 1988.

5. Dat integendeel eiseres zich aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt door de litigiueze overeenkomst in strijd met het overeengekomene te beëindigen. Zijnde gedaagde voorts nooit in gebreke gesteld.

6. Dat gedaagde geen kennis draagt van ontvreemding van goederen van eiseres en heeft daarvan ook geen schuld.

7. Dat gedaagde zonder enige onverplichte bewijslast op zich te nemen haar posita te bewijzen aanbiedt;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gron­den voor antwoord in reconventie heeft geconclu­deerd:

dat eiseres in haar vordering niet ont­vankelijk zal worden verklaard c.q. deze aan haar zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek

in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 april 1991 heeft overwogen:

In conventie en in reconventie:

1. dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of niet gemotiveerd betwist en deels mede gestaafd door de overgelegde, niet betwiste, produkties rechtens vaststaat;

a. dat partijen op 8 december 1997 zijn overeengeko­men dat eiseres in conventie, tevens gedaagde in recon­ventie, nader te noemen ABS, met ingang van 7 december 1987 en tot ”nader stopzetting” bewaking- casu quo beveilingswerkzaamheden zou uitvoeren ten behoeve van gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, nader te noemen NEN, en wel op het risico-adres Lim A Postraat 28-30;

b. dat van maandag tot en met vrijdag, zaterdag, zondag en feestdagen gedurende 1 x 24 uur twee bewakers aanwezig dienen te zijn;

c. dat ingevolge de op voormelde overeenkomst toepas­selijke algemene voorwaarden een opzeggingstermijn van drie maanden in acht diende te worden genomen;

d. dat NEN op 8 december 1988 aan ABSW een brief met de volgende inhoud heeft geschreven: ”Hiermede berich­ten wij U dat Wij hedenochtend hebben gemerkt dat 2 glazen ruiten aan de West-zijde van ons kantoorgebouw zijn ingeslagen en daarvan in het rapport van de bewa­kers geen melding is gemaakt. Ook berichten wij U dat dinsdagavond omstreeks 08.00 uur geen bewakers op het terrein te bespeuren was. Eerst omstreeks 08.45, toen ondergetekende het kantoor weer verliet, kwam er

een geüniformeerde bewaker bij ons kantoorgebouw aan, die op mijn vraag waar de bewakers zijn, zich verbaasde dat er niemand anders ter plaatse was. Nog in gesprek met bedoelde geüniformeerde bewaker, kwam er een ander geüniformeerde persoon aan, die werd voorgesteld als zijn compagnon, die zich ”even verwijderd had om een soft-drink in de buurt te kopen”.

Gelet op het voorgaande, betwijfelen wij ten zeerste de ernst en effectiviteit van Uw dienst verlening en verzoeken U ons ommegaand Uw verweer te doen toekomen.

e. dat ABS na zes weken middels een ongedagtekend rapport op voormelde brief heeft gereageerd;

f. dat NEN bovenbedoelde overeenkomst bij brief d.d. 24 februari 1989 met ingang van 1 maart 1989 heeft opgezegd wegens de jegens haar gepleegde wanprestatie;

In conventie voorts:

dat ABS aan NEN verwijt wanprestatie te hebben gepleegd door de overeengekomen opzeggingstermijn niet in acht te nemen en voorts vergoeding vordert van de beweerdelijk als gevolg van vorenbedoelde wanprestatie geleden schade;

dat NEN de vordering heeft bestreden;

dat NEN van oordeel is dat gelet op de in de brief van 8 december 1988 vermelde omstandigheden en het feit dat ABS op generlei wijze zekerheid heeft verschaft of afdoende maatregelen in het vooruitzicht heeft gesteld om herhaling van die omstandigheden te voorkomen, van haar niet worden verwacht dat zij de overeenkomst continueerde;

dat ABS heeft betwist dat de in de brief van 8 december 1988 bedoelde inbraak heeft plaatsgevonden, evenwel zonder haar betwist met feiten te onder bouwen;

dat blijkens het hierboven bedoelde ongedagtekend rapport, opgemaakt door [naam 1] en [naam 2], voornoemde personen in opdracht van de President-Direk­teur van ABS en in verband met eerder genoemde brief hun opwachting hebben gemaakt bij de heer Meeuw A Sing van NEN;

dat uit vooFrmeld rapport niet blijkt dat voornoem­de personen de inbraak hebben betwist;

dat de betwisting van ABS derhalve als niet gemo­tiveerd en tardief terzijde zal worden gelegd en als rechtens vaststaand zal worden aangenomen dat gedurende de wachtdienst van 7 op 8 december 1988 twee glazen ruiten aan de West-zijde van NEN’s kantoorgebouw zijn ingeslagen;

dat voorts als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd betwist rechtens vast­staat:

dat de bewakers geen melding van boven bedoelde inbraak hebben gemaakt;

dat op dinsdag avond (6 december 1988) te om­streeks 8 uur geen bewakers op het te bewaken terrein aanwezig waren en pas driekwartier daarna een bewaker daar aankwam, korte tijd daarna gevolgd door een ande­re, van wie werd beweerd dat hij zich ”even” had ver­wijderd om een soft-drink te kopen;

dat ABS geen zekerheid heeft verschaft of afdoende maatregelen in het vooruitzicht heeft gesteld om het gebeurde te voorkomen;

dat ABS onder voormelde omstandigheden niet te goeder trouw handelt door NEN te willen houden aan de overeengekomen opzegtermijn;

dat de Kantonrechter daarbij er tevens rekening mee gehouden dat de schade die ABS zou kunnen lijden door het niet in acht nemen van de opzegtermijn niet noodza­kelijkerbewijs groter is dan en, in bepaalde omstandig­heden, vele malen wordt overtroffen door de schade die NEN zou kunnen lijden door het onbewaakt laten van haar kantoorgebouw;

dat de vordering van ABS mitsdien als ongegrond dient te worden ontzegt;

dat ABS als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

In reconventie voorts:

dat de Kantonrechter hier overneemt hetgeen in conventie is overwogen met betrekking tot de inbraak in de nacht van 7 op 8 december 1988;

dat nu ABS de beweerdelijk als gevolg van voormel­de inbraak door NEN geleden schade heeft betwist, laatstgenoemde die schade dient te bewijzen;

Overwegende, dat de kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

Eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Haar in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

In reconventie:

Eiser heeft toegelaten voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen:

”de in het 2e ”dat” van de conclusie van wedereis gestelde schade”.

Iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal N.V.ALGEMENE BEWAKINGSDIENST SURINAME, eiseres in conventie in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis van 16 april 1991;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL d.d. 13 november 1995 aan geïntimeerde aanzeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald de gemachtigden van partijen recht op stukken hebben gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 2 mei 1997, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie:

Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrech­ter in het Eerste kanton d.d. 16 april 1991;

Overwegende, de appellante geen grieven tegen het aangevochten vonnis aangedragen heeft, doch dat partij­en recht op stukken gevraagd hebben, hetgeen betekend dat partijen door de hogere Rechter beoordeeld wensen te hebben of de eerste Rechter op de in eerste aanleg gebleken feiten het recht op de juiste wijze toegepast heeft;

Overwegende, dat het Hof evenwel van een misslag van de eerste Rechter bij de beslissing in deze zaak niet gebleken is, weshalve het vonnis, waarvan beroep, zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellan­te als in de in het ongelijke gestelde partij in de gedingkosten.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

In conventie:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken op 16 april 1991, waarvan beroep:

Veroordeelt appellante in de gedingkosten in hoger geroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f……..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f……………..

Aldus gewezen door de heren Mr.S.G­ANGARAM PANDAY, funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-Presi­dent uitge­sproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JUNI 1997, in tegenwoor­dig­heid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advo­kaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde vertegen­woor­digd door advokaat Mr.S.MANGROELLAL namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.P.E.BEMMEL, zijn bij de uit­spraak ter terecht­zitting ver­sche­nen.

SRU-HvJ-2014-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],

wonende te Paramaribo,

eiser, hierna aangeduid als “[eiser]”,

gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,

zetelende te Paramaribo,

verweerster, hierna aangeduid als “de staat”,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit als vervolg op het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis.

Het verder procesverloop

1.1 Het verder procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de akte tot uitlating zijdens [eiser] d.d. 1 april 2011;

– de nadere conclusie tot uitlating zijdens de Staat d.d. 6 mei 2011, met een productie;

– de akte uitlating productie zijdens [eiser] d.d. 15 juli 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De verdere beoordeling van het geschil

4.1 Bij tussenvonnis d.d. 18 maart 2011 [eiser] in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over het standpunt van de Staat dat inmiddels het volledige salaris aan [eiser] is uitbetaald.
[eiser] heeft bij akte tot uitlating d.d. 1 april 2011 gesteld dat hij vanaf de dag van ontslag geen salaris van de Staat heeft ontvangen.
De Staat heeft hierop bij nadere conclusie tot uitlating d.d. 6 mei 2011 aangevoerd dat de bezoldiging en vakantie-uitkering over de periode 1 oktober 2007 tot en met 12 maart 2011 ten bedrage van SRD 65.221,18 is gestort op de rekening van [eiser] bij de Finabank onder [nummer].
[eiser] heeft vervolgens bij akte uitlating productie d.d. 15 juli 2011 erkend dat een bedrag groot SRD 31.875,58 is gestort op zijn rekening bij de Finabank. Hij heeft daarbij aangegeven dat hem geen jaaropgaven zijn verstrekt, zodat de opbouw van het bedrag ad SRD 65.221,18 voor hem onduidelijk is.

4.2 Het Hof overweegt dat [eiser] er aanspraak op maakt dat het duidelijk wordt gemaakt hoe het aan hem uit te keren bedrag is opgebouwd en welk netto-bedrag op zijn rekening moet worden overgemaakt. Daarenboven is deze informatie vereist voor de beoordeling van de door [eiser] ingediende vordering. De Staat zal derhalve in de gelegenheid worden gesteld deze duidelijkheid te verschaffen middels het overleggen van een akte.

4.3 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het Hof:

5.1 Stelt de Staat in de gelegenheid om zich op de rolzitting van vrijdag 1 augustus 2014 bij akte uit te laten over de door [eiser] gestelde uitbetaling van SRD 31.875,58 onder overlegging van een overzicht betreffende de opbouw van de door de Staat aangevoerde betaling van SRD 65.221,18, alsook een productie waaruit de betaling van laatstgenoemd bedrag kan blijken.

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en
mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 juli 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g.S.C.Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. S.R. Heijmans en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. A.R. Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-1971-3

Hof van Justitie

26 november 1971, G.R. 9668

(Mrs. W.J.J. Koole, O.E.G. van der Geld, Dr. L.Th. Waaldijk)

 

[appellant], wonende te [district], advocaat H.J. Kensenhuys, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende op de hoek van de [straat 1] en [adres 1], advocaat G.J.C. van der Schroeff, geïntimeerde;

De President spreekt in deze zaak in naam der Koningin het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen d.d. 17 september 1970 en 19 Januari 1971 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton dd. 29 januari 1971 bevattende het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

dat verzoeker de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende op de hoek [straat 1]/[adres 1], verweerder;
dat verzoeker aan verweerder heeft verhuurd, gelijk deze van verzoeker heeft gehuurd het benedenhuis dienende als café-restaurant gelegen te [district] aan [adres 2] tegen de prijs, zoals vastgesteld blijkens hierbij in fotokopie overgelegde beschikking van de Distrikts-Kommissaris van [district] [datum], van ƒ 80,87 per maand;
dat verzoeker eveneens aan verweerder heeft verhuurd gelijk deze van verzoeker heeft gehuurd het bovenhuis van hetzelfde huis, gelegen te [district] aan [adres 2] tegen de bij dezelfde beschikking van de Distrikts-Kommissaris van [district] vastgestelde prijs van ƒ 67,37 per maand;
dat verzoeker van verweerder de huur van voormelde beneden- en bovenhuis bij herhaling heeft opgezegd;
dat verzoeker vooral het benedenhuis voor eigen gebruik dringend nodig heeft;
dat verweerder op de hoek van de [straat 1] en [straat 2] een café-restaurant exploiteert, waarin verweerder het bedrijf aan [adres 2] ben. heel gemakkelijk kan onderbrengen;
dat verweerder evenwel weigert het gehuurde te ontruimen en ter vrije beschikking van verzoeker te stellen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR: de huurovereenkomsten bestaande tussen partijen betreffende het beneden- en bovenhuis gelegen te [district] aan [adres 2] ontbonden zullen worden verklaard; met veroordeling9 van verweerder om binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn het benedenhuis en het bovenhuis gelegen te [district] aan [adres 2] met al wie of wat van zijnent wege zich daarin mocht bevinden te ontruimen, te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije beschikking te stellen van verzoeker; met machtiging op verzoeker om indien verweerder in gebreke mocht blijven aan het vonnis te voldoen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke macht;

SUBSIDIAIR: de huurovereenkomst bestaande tussen partijen betreffende het benedenhuis van het huis gelegen te [district] aan [adres 2] ontbonden zal worden verklaard; met veroordeling van verweerder om binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn het benedenhuis gelegen te [district] aan [adres 2] met al wie of wat van zijnent wege zich daarin mocht bevinden te ontruimen, te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije beschikking te stellen van verzoeker; met machtiging op verzoeker om indien verweerder in gebreke mocht blijven aan het vonnis te voldoen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke macht, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord heeft gezegd:

dat gedaagde erkent van eiser te hebben gehuurd het pand staande en gelegen te [district] aan [adres 2] tegen een huurprijs van ƒ 151,79;

dat gedaagde ten stelligste ontkent dat 2 huurovereenkomsten zijn gesloten zoals eiser heeft beweerd in het inleidend rekest;

dat eiser inderdaad in 1964 (Zie A.R. 1481) een soortgelijke vordering heeft aanhangig gemaakt maar omdat er geen huur achterstand was werd eiser niet ontvankelijk verklaard (vonnis 26 Januari 1965);

dat het beslist onjuist is dat eiser het benedenhuis voor eigen gebruik dringend nodig heeft en wel omdat eiser een zaak heeft aan [adres 2] ben. en een andere pand heeft aan de [straat 3];

dat de opzegging van het beneden en bovenhuis sinds het vorige vonnis niet heeft plaats gevonden;

dat daarenboven de moeder van gedaagde en ander naaste familieleden n.l. broers en zusjes in deze woning verblijven met goedvinden van eiser en gedaagde een uitdrukkelijk beroep doet op de huurbescherming, voor zover nodig;

dat er één huurovereenkomst is voor het gehele pand, en geen twee overeenkomsten;

dat de huurovereenkomst niet gesplitst kan worden;

Overwegende, dat de gedaagde partij op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis dd. 17 september 1970 een comparitie van partijen heeft gelast, waarbij partijen in persoon hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte -als hier ingevoegd te beschouwen- proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis d.d. 19 Januari 1971 op te dezer plaatse als ingevoegd te beschouwen gronden;

eiser diens vordering heeft ontzegd en hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 40,55 (Veertig 55/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis d.d. 19 Januari 1971;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder A.Ch. Chr. Slaterus dd. 20 mei 1971 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant heeft gesteld, dat hij van het pand [adres 2] te [district] het benedenhuis als café-restaurant voor ƒ 80,87 en het bovenhuis als woning voor ƒ 67,37, alles per maand, aan geïntimeerde heeft verhuurd;

Overwegende, dat geïntimeerde heeft erkend het gehele door appellant bedoelde pand van hem in huur te hebben tegen een huurprijs van ƒ 151,79 per maand;

Overwegende, dat dit laatste bedrag weliswaar ƒ 3,55 per maand hoger is dan de som van de door appellant genoemde bedragen, doch deze controverse in dit geding geen rol speelt, omdat geen betaling van huur is gevorderd;

Overwegende, dat de vraag of in casu van een dan wel van twee huurovereenkomsten sprake is, waarover partijen van mening verschillen, onder de hierna te overwegen omstandigheden evenmin ter zake doet nu vaststaat, dat geïntimeerde het gehele pand van appellant in huur heeft en niet is betwist dat het bovenhuis voor bewoning en het benedenhuis voor het uitoefenen van een bedrijf is verhuurd;

Overwegende, dat als door geïntimeerde niet weersproken verder vaststaat, dat de huur van het beneden- en bovenhuis is opgezegd;

Overwegende, dat geïntimeerde tegen toewijzing van appellants vorderingen heeft aangevoerd, dat nu in het gehuurde een woning is begrepen, hij gerechtigd is zich op huurbescherming te beroepen;

Overwegende, dat appellant daartegen heeft gesteld, dat het beroep op huurbescherming niet opgaat, omdat geïntimeerde het bewuste bovenhuis niet zelf feitelijk bewoont;

Overwegende omtrent dit geschilpunt:

dat geïntimeerde ter comparitie van partijen in prima heeft verklaard niet zelf in het bovenhuis te wonen, maar dit door anderen te laten bewonen, exploiterende hij wel zelf in het benedenhuis een restaurant;

dat nu geïntimeerde niet zelf de bovenwoning bewoont, – zelfs al zou een huurovereenkomst met betrekking tot het boven- en benedenhuis zijn gesloten – van een eenheid tussen de huur van die bovenwoning en van het in het benedenhuis geëxploiteerde restaurant, welke zou medebrengen, dat geïntimeerde als huurder van het benedenhuis gerechtigd zou zijn zich te beroepen op de huurbescherming, welke hem als huurder van de bovenwoning zou toekomen, geen sprake kan zijn, hebbende geïntimeerde die eenheid verbroken door het feitelijk genot van het bovenhuis vrijwillig aan anderen af te staan;

Overwegende, dat mitsdien geïntimeerde beroep op huurbescherming voor wat betreft het benedenhuis moet worden verworpen, geldende voor de huur van zakenpanden onder voormelde omstandigheden geen huurbescherming;

Overwegende, dat appellants subsidiaire vordering mitsdien onder vernietiging van het beroepen vonnis, voor toewijzing gereed ligt;

Overwegende, dat waar appellant voor wat betreft het bovenhuis geen gronden heeft gesteld en te bewijzen aangeboden, welke tot verwerping van het beroep op huurbescherming met betrekking tot deze woning zouden moeten leiden, zijn primaire vordering moet worden afgewezen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 19 Januari 1971 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Wijst af appellants primaire vordering;

Verklaart ontbonden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst voor wat betreft het benedenhuis van het pand gelegen te [district] aan [adres 2];

Veroordeelt geïntimeerde om binnen vier maanden na betekening van dit vonnis genoemd benedenhuis met al hetgeen zich daarin van zijnentwege bevindt te ontruimen en dit onder afgifte der sleutels ter vrije beschikking van appellant te stellen;

Machtigt appellant om bij gebreke van dien deze ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke macht;

Compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

SRU-HvJ-2017-15

A-885

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

[verzoekster],

wonende in [district],

verzoekster in de hoofdzaak alsmede in het incident, gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,

verweerder in de hoofdzaak alsmede in het incident,

gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, wnd. Substituut Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het verzoekschrift met producties dat op 24 juni 2015 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 07 augustus 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 11 augustus 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 11 augustus 2015, met 6 weken is verlengd;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift, d.d. 17 september 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d. 06 oktober 2015 gegeven, waarbij de termijn voor de indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 september 2015, met 6 weken is verlengd;

– het verweerschrift, ingediend op 27 oktober 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d. 07 december 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 januari 2016;

– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d. 18 maart 2016;

– de incidentele conclusie tot herziening c.q. wijziging van het verzoekschrift, met producties, ingediend d.d. 18 maart 2016;

– de conclusie van antwoord in het incident, met producties, ingediend d. 03 juni 2016;

– de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoekster, ingediend d. 05 augustus 2016;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 17 februari 2017

De vordering, de grondslag daarvan en bet verweer daartegen

In de hoofdzaak

2.1 Verzoekster vordert, zakelijk weergegeven, om:

a. haar te ontvangen in haar vordering;

nietig te verklaren, althans te vernietigen, de beschikking d.d. 13 mei 2015, Bureau no. [nummer 1];

b. verweerder te gelasten verzoekster te rehabiliteren in de rang waarin zij diende voor de gewraakte beschikking;

c. verzoekster in de gelegenheid te stellen de bedongen arbeid op de normale wijze en in de voorheen bekleedde functie, te kunnen vervullen zonder enige hindernis zijdens verweerder;

d. verweerder te gelasten het salaris aan verzoekster uit te betalen en daarmee voort te gaan conform beschikking d.d. 24 december 2013, no. [nummer 2];

e. verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat bij in strijd handelt met het hierboven gevorderde;

f. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding;

g. één of meer beslissingen te geven zoals het het hof geraden voorkomt.

2.2 Verzoekster heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de ontslag beschikking d.d. 13 mei 2015 berust op onware feiten, niet deugdelijk is gemotiveerd, tot stand is gekomen in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en in strijd is met wet. Tevens stelt verzoekster dat de tuchtmaatregel van ontslag niet in overeenstemming is met het vermeend door haar gepleegd plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan.

2.3 Verweerder heeft bij wege van verweer aangevoerd dat de gewraakte beschikking zal worden ingetrokken en dat verzoekster de intrekkingsbeschikking ten spoedigste tegemoet mag zien.

In het incident

2.4 Verzoekster heeft bij incidentele conclusie verzocht om toe te staan dat het verzoekschrift wordt herzien, in dier voege dat het petitum onder b als volgt wordt gelezen:

”nietig te verklaren, althans te vernietigen de beschikkingen d.d. 13 mei 2015 Bureau no. [nummer 1], d.d. 3 november 2015 no. [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 no. [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016 en voorts verweerster te gelasten de verzoekster te rehabiliteren in de rang en functie waarin zij diende voor de gewraakte beschikkingen;

2.5 Verzoekster legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat zij bij exploot d.d. 12 januari 2016 de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen eensluidend als de gewraakte ontslagbeschikking, waarin slechts de ingangsdatum van het ontslag is weggelaten, terwijl zij bij exploot d.d. 14 januari 2016 de beschikking d.d. 23 oktober 2016 heeft ontvangen inhoudende de intrekking van de gewraakte ontslagbeschikking. Tevens heeft verzoekster op 15 maart 2016 ontvangen, de beschikking d.d. 22 februari 2016, waarin de ingangsdatum van het aan haar verleend ontslag is vastgesteld op 13 januari 2016. Verzoekster stelt dat vanwege de gekozen volgorde het aan haar verleend ontslag nimmer heeft opgehouden c.q. heeft voortgeduurd, weshalve zij geen reden heeft om af te zien van de onderhavige vordering, terwijl de handelingen van verweerder blijk geven van het grovelijk in strijd handelen met de goede procesorde, te meer daar partijen voor wat betreft het onderwerpelijke te midden van het rechtsproces zijn.

2.6 Verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord op het incident als verweer aangevoerd dat de beschikking d.d. 13 mei 2015 bij beschikking d.d. 23 oktober 2015 is ingetrokken, weshalve deze niet meer van kracht is, terwijl de beschikking d.d. 23 oktober 2015 ingevolge artikel 79 lid 2 PW, niet betreft een besluit tot ontslag. Verweerder voert voorts aan dat verzoekster de beschikking d.d. 03 november 2015 heeft ontvangen op 12 januari 2016, terwijl de incidentele vordering tot wijziging verzoekschrift is ingediend op 18 maart 2016, en is derhalve niet conform artikel 80 PW binnen een maand na kennisname ingediend. Verweerder concludeert derhalve dat verzoekster conform artikel 80 PW niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidentele vordering.

De beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak

In het incident

3.1 Het hof stelt voorop dat thans de vraag beantwoord dient te worden of de gevorderde eiswijziging is toegestaan, zonder in dit stadium op de inhoudelijke beoordeling van het gevorderde in te gaan, zodat het hof slechts zal nagaan of er in casu sprake is van een ongeoorloofde eisvermeerdering en/of dat verweerder door de gevorderde eiswijziging in zijn verdediging wordt geschaad en/of dat het proces daardoor onredelijk wordt vertraagd.

Het hof overweegt dat de eiswijziging erop neerkomt dat dat behalve de reeds gevorderde nietigverklaring c.q. vernietiging van de beschikking d.d. 13 mei 2015 Bureau no. [nummer 1], eveneens worden meegenomen de gedurende het proces aan verzoekster uitgereikte beschikkingen d.d. 3 november 2015 no. [nummer 3], d.d. 23 oktober 2015 no. [nummer 4] en d.d. 22 februari 2016.

Naar het oordeel van het hof hebben de naderhand uitgereikte beschikkingen allen betrekking op het eerste besluit tot ontslagverlening aan verzoekster, op grond waarvan de onderhavige vordering is ingesteld, c.q. vloeien deze beschikkingen voort uit dat eerste besluit, zodat er geen sprake is van een eisvermeerdering. Evenmin is naar het oordeel van het hof verweerder in zijn verdediging geschaad. Meer nog, verweerder heeft de gelegenheid te baat genomen om bij zijn conclusie van antwoord in het incident alsnog inhoudelijk verweer te voeren op de vordering van verzoekster, hetgeen hij eerder had nagelaten. Van een onredelijke vertraging van het proces is evenmin sprake, integendeel worden kosten en tijd bespaard door de beschikkingen in het onderhavig proces mee te nemen.

3.2 Gelet op het voren overwogene zal de gevorderde eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder b zal komen te luiden zoals overwogen onder 2.4 van dit vonnis.

In de hoofdzaak

3.3 Nu, de vordering in het incident zal worden toegewezen, zal in de hoofdzaak voort geprocedeerd dienen te worden in de stand waarin het zich bevond voordat de zaak voor vonnis in het incident werd bepaald, weshalve de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen voor voortzetting verhoor van partijen op de datum zoals bepaald in de beslissing.

3.4 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

SRU-HvJ-1997-6

H.M.

GENERALE ROL NO: 13588.

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNEMING ”CLEVIA”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advo­kaat,

appellante,

t e g e n

[geintimeerde], wonende te [district 1] aan [adres] te [plaats], voor wie als ge­machtigde optreedt, Mr.E.J.BRUMA, advokaat,

geinti­meerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton respectievelijk van 28 augustus 1990 en 12 januari 1993 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 20 januari 1993, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [naam 1] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNE­MING ”CLEVIA”, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhou­dende te Paramaribo aan de Anton Dragtenweg no.63 te Paramaribo;

2. dat op 14 september 1961 eiser door tussenkomst van de toenmalige gemachtigde van gedaagde de heer [naam 1], van de gedaagde heeft gekocht, gelijk de gedaagde aan eiser heeft verkocht een perceelland gelegen aan het Middenpad van [plaats] in [district 2], thans [district 1] en bekend op de kaart van de landmeter in Suriname F.Emanuels d.d 1982, welke kaart is vervaardigd naar de verzamelkaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 28 januari 1958, met de letters ABCD en het nummer 158 van de voormalige [plantage];

3. dat de koopsom van voormeld perceel heeft bedragen Sf.1.300,–, welke koopsom blijkens hierbij overgelegde kwitantie d.d 11 november 1965 door eiser aan de ge­daagde is voldaan, terwijl ook de overdrachtskosten en de kosten voor het maken van de landmeterskaart reeds eerder waren betaald, gelijk blijken kan uit de hierbij overgelegde kwitantie van 22 juli 1960;

4. dat door het overlijden van de gemachtigde [naam 1] de juridische levering van het perceel aan eiser niet heeft plaatsgevonden en de gedaagde ondanks aanma­ningen in der minne geweigerd heeft en nog steeds weigert om het door eiser gekocht perceel notarieel te leveren;

5. dat eiser daarom verplicht is de tussenkomst van de Kantonrechter in te roepen om de juridische leve­ring door de gedaagde te doen plaatsvinden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaag­de zal worden veroordeeld om binnen een week na beteke­ning van het ten deze te wijzen vonnis mede te werken aan de juridische levering van het perceelland gelegen aan het Middenpad van [plaats] in [district 2], thans [district 1], groot 1.11155 ha, aangeduid met de letters ABCD en bekend als no.158 op de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 25 maart 1982, vervaardigd naar de verzamelkaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 28 januari 1958, zoals overeengekomen, met veroordeling van gedaagde om bij niet voldoening aan het vonnis een dwangsom te betalen van f.1.000,–voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNEMING ”CLEVIA” als ge­daagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiser in zijn vordering niet – ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen, Kosten rech­tens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 28 augustus 1990 op de daarin opge­nomen gronden:

Eiser heeft toegelaten, hem ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens meer speciaal door getuigen te bewijzen:

”hetgeen is gesteld in het 2e tot en met 5e suste­nu van het inleidend rekest”.

Overwegende, dat eiser in de enquête twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons hier als ingelast te beschouwen pro­ces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor beraad voortzetting enquête bepaald, eiser een datum heeft gevraagd voor een te houden enquête;

Overwegende, dat ten dage voor enquête zijdens eiser bepaald, er twee getuigen zijn gehoord, die hebben verklaard eveneens gelijk in het daarvan door Ons hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor enquête zijdens gedaagde peremptoir bepaald er geen getuigen zijn gehoord;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na en­quête zijdens eiser bepaald, diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens gedaagde peremptoir bepaald diens gemachtigde een schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 12 januari 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om binnen een maand na betekening van dit vonnis mede te werken aan de juridi­sche levering van het perceelland gelegen aan het Middenpad van [plaats] in [district 2], thans [district 1], groot 1.11155 ha., aangeduid met de letters ABCD en bekend als no.158 op de kaart van de landmeter F.Emanuels d.d. 25 maart 1982, vervaardigd naar de verzamelkaart van de landmeter A.E.Calor d.d. 28 janua­ri 1958.

Gedaagde heeft veroordeeld om ten titel van dwang­som aan eiser te betalen de som van f.1.000,– (EENDUI­ZEND GULDEN) voor iedere dag dat zij ingebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.74,25,– (VIER EN ZEVENTIG 25/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CULTUUR ONDERNEMING ”CLEVIA” in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 12 januari 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 25 oktober 1995 aan geintimeerde aan­zeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 juli 1997, doch nader op heden

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante in haar eerste grief de Kantonrechter verwijt ten onrechte te hebben overwo­gen dat uit de verklaringen van de aan de zijde van geïntimeerde gehoorde getuigen in onderling verband en samenhang beschouwd, laatstgenoemde geslaagd is in het hem opgedragen bewijs;

Overwegende, dat het Hof deze grief gegrond acht, blijkende immers het van geïntimeerde verlangde bewijs niet uit de op zijn verzoek gehoorde getuigen;

Overwegende, dat met name uit de getuigenverkla­ringen geenszins valt te putten het bewijs van het feit, dat geïntimeerde op 24 september 1961, voor het bedrag van Sf.1.300,– van appellante heeft gekocht het in het 2e ”dat” van het verzoekschrift omschreven perceelland;

Overwegende, dat nu in rechte niet is komen vast te staan de ten rekeste gestelde overeenkomst van koop en verkoop waarvan geïntimeerde om nakoming, met name juridische levering door appellante aan hem, geïnti­meerde, vraagt, dient geïntimeerdes oorspronkelijke vordering onder vernietiging van het beroepen vonnis, hem alsnog als onbewezen te worden, ontzegd;

Overwegende, dat, ook al zou geïntimeerde het van hem verlangde bewijs hebben geleverd, -quod non- dan nog zou bevestiging van het beroepen vonnis niet kunnen volgen nu appellante, naar blijkt uit het zijdens haar in het geding gebracht niet door geïntimeerde betwist hypothecair-uittreksel de dato 9 oktober 1988, het litigieuze perceelland op 30 augustus 1988 heeft ver­kocht aan [naam 2], die door over­schrijving ten Hypotheekkantore op 2 september 1988 in register C [nummer] van een af­schrift van de akte, voor notaris Mr.C.R.Jadnanansingh verleden, het eigendoms­recht daarop verwierf;

Overwegende, dat aan het zojuist overwogene niet zou afdoen de omstandigheid dat appellante zich bewust in de onmogelijkheid zou hebben gesteld aan haar leve­ringsplicht jegens geïntimeerde te voldoen;

Overwegende, dat geïntimeerde de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van appellante gevallen, zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 januari 1993 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt geïntimeerde alsnog zijn oorspronkelijke vordering;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van appellante op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusverre begroot op f.250,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f.250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.250,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openba­re te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 NOVEMBER 1997, in tegenwoordigheid van Mevr.Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.MUNGRA namens haar gemachtigde, advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY en geintimeerde vertegenwoor­digd door advo­kaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.J.BRUMA, zijn bij de uit­spraak ter te­rechtzit­ting ver­schenen.

 

SRU-HvJ-2017-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[eiseres],

wonende in het [district],

eiseres, hierna aangeduid als [eiseres],

gemachtigde: mr. A.E. Telting, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,

met name de President van de Republiek Suriname,

zetelende te Paramaribo,

verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,

gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1.Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– het verzoekschrift met producties d.d. 23 augustus 2012, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 23 augustus 2012;

– het verweerschrift met producties d.d. 05 oktober 2012, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 24 september 2012;

– de beschikking van het hof d.d. 04 december 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 01 februari 2013;

– het proces-verbaal van verhoor van partijen d.d. 01 maart 2013;

– de conclusie tot overlegging van productie aan de zijde van de Staat d.d. 01 maart 2013;

– de overlegging van producties aan de zijde van [eiseres] d.d. 18 april 2013;

– pleitnota met productie, overgelegd op 07 juni 2013;

– antwoordpleitnota, overgelegd op 19 juli 2013;

– repliekpleidooi, overgelegd op 02 augustus 2013;

– dupliekpleitnota, overgelegd op 01 november 2013.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2.De feiten

2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

[eiseres] is met ingang van 07 februari 2008 bij beschikking d.d. 21 oktober 2008 van het Ministerie van Binnenlandse Zake overgeplaatst naar het Ministerie van Justitie en Politie.

2.2 In januari 2008 is [eiseres] als ambtenaar toegelaten tot de opleiding voor een functie bij de Rechterlijke macht (RAIO) ten behoeve van de Staande Magistratuur.

De toelating is geschied ingevolge het Reglement Selectie en opleiding Rechterlijke Macht (S.B. 1976 no. 54, gewijzigd bij S.B. 2006, no. 66).

2.3 Bij schrijven van de minister van Justitie en Politie d.d. 13 januari 2011 Sur11/00205 is aan [eiseres] het besluit medegedeeld dat zij de Raio opleiding ten behoeve van de Staande Magistratuur niet mag voortzetten.

2.4 [eiseres] is op 06 mei 2011 tegen het hiervoor vermeld besluit in beroep gegaan bij de President van de Republiek Suriname.

2.5 Bij schrijven d.d. 26 juli 2011 heeft het Kabinet van de President van de Republiek Suriname namens de President aan [eiseres] medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet het besluit van de Minister van Justitie en Politie te wijzigen.

3.De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiseres] vordert, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,:

I) de beschikking d.d. 13 januari 2012 met nummer Sur11/00205, waarbij de RAIO opleiding Staande Magistratuur voor haar is beëindigd, nietig te verklaren;

II) de Staat te veroordelen om [eiseres] weder toe te laten tot het volgen van haar RAIO opleiding Staande Magistratuur zodra de eerstvolgende mogelijkheid daartoe zich aandient, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 2.500,-, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van dit vonnis te voldoen;

III) met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2 [eiseres] legt – verkort en zakelijk weergegeven – aan haar vordering ten grondslag dat de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, te weten met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.

3.3 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer komt het Hof, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4.Bevoegdheid

4.1 Het Hof stelt het volgende voorop: Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

Uit de stellingen en weren van partijen en tijdens het verhoor van partijen is gebleken dat [eiseres] het door de Staat genomen besluit tot beëindiging van de opleiding aanvecht, hetgeen niet valt onder een besluit als bedoeld in het tweede lid van artikel 79 van de Personeelswet. Dit leidt tot de slotsom dat het hof onbevoegd is om kennis van de onderhavige vordering te nemen en zal zich daarom ter zake onbevoegd verklaren.

4.2 De overige stellingen en weren van partijen behoeven geen bespreking, omdat die tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.3 [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5.De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde.

5.2 Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr.A.Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 03 november 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr. A.E. Telting, gemachtigde van verzoekster terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld