SRU-HvJ-2008-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14350

 

[Appellant], wonende aan de [straatnaam] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no.43, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. M. S. Ishaak, advocaat,

appellant,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 3 ten kantore van het advocatenkantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. I. D. Kanhai, advocaat,

geïntimeerde,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende  vonnis  uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 oktober 2004 tussen partijen gegeven;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 november 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

 TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

2 (lees: 1) dat eiser de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen a. [Gedaagde sub A] wonende aan de [straatnaam] in het [district] hierna te noemen gedaagde sub a

b. [Appellant], wonende aan de [straatnaam] in het [district] hierna te noemen gedaagde sub b

3 (lees: 2). dat de gedaagde sub a en gedaagde sub b met elkaar hebben een arbeidsrelatie. De gedaagde sub a is in dienst van de gedaagde sub b in de funktie  van hyster (heftruck) operator;

4 (lees: 3). dat de gedaagde sub a doende is geweest op 2 september 1999 een heftruck met draaiende motor te repareren, waarna de heftruck op hol is geslagen. De gedaagde sub a heeft gepoogd om de heftruck tot staan te brengen doch kwam hij tegen een aantal buizen aan waardoor de bromfiets  van eiser compleet werd beschadigd;

5 (lees: 4). dat door de gedaagde sub b een claim is ingediend doch de verzekeringsmaatschappij niet bereid is de schade uit te betalen één en ander vanwege het feit dat de gedaagde sub a niet in het bezit is van een rijbewijs. Een kopie uittreksel van de politie wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

6 (lees: 5). dat de eiser door de handelwijze  van de gedaagde sub a erg veel schade  heeft geleden. De gedaagde sub a heeft naar het de eiser voorkomt niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen bij het repareren van de heftruck, terwijl daarenboven de remmen van de heftruck niet in orde waren, althans niet goed functioneerden, hetgeen de gedaagde sub a wist en of behoorde te weten;

7. dat de gedaagde sub b in zijn hoedanigheid als werkgever mede aansprakelijk is, althans is hij verantwoordelijk voor het verschaffen van ondeugdelijke machines;

8. dat de schade die eiser lijdt en nog zal lijden in totaal is begroot alsvolgt:

aanschaf nieuwe bromfiets Sf. 3.500.000

kosten vervanging vervoer ten behoeve van eiser Sf. 3.500.000

totaal Sf. 7.000.000

9. dat de gedaagden bij schrijven van de procesgemachtigde d.d. 23 mei 2001 zijn aangeschreven en gesommeerd de door eiser geleden schade te  voldoen. De gedaagden hebben zonder opgaaf van redenen zulks nagelaten en  blijven zij persisteren in hun wanpresterende houding.

10. dat de gedaagden door te handelen als hierboven de betamelijke  zorgvuldigheid jegens andermans goed en of recht hebben veronachtzaamd, althans inbreuk hebben gepleegd op het recht van eiser waardoor eiser schade lijdt zoals hierboven aangegeven.

11. dat het de eiser niet is gelukt het geschil hiergenoemd naar  tevredenheid in der minne af te doen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar zal worden verklaard bij voorraad op de minuut en  op alle dagen en uren, gedaagden des de een betalende de andere zal zijn  bevrijd zal worden veroordeeld alsvolgt:

  1. gedaagden des de een betalende de andere zal zijn bevrijd om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen de somma van 

SF 7.000.000 (zeven miljoen Surinaamse guldens)

  1. gedaagden zal worden veroordeeld  in de kosten van het geding.

Overwegende, dat [gedaagde sub A] en [appellant] partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser  niet in zijn vordering wordt ontvangen althans, dat deze hem wordt ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen: Kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens  bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 19 oktober 2004 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagden heeft veroordeeld des de één betalende  de andere zal zijn bevrijd om tegen behoorlijke bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van Sf.3.500.000,– (Srd.3.500,–), althans de tegenwaarde daarvan in Srd, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% s’ jaars vanaf 30 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 12 november 2004 [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 19 oktober 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tjanderdewkoemar Jhagroe van 7 mei 2007 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt,  dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota produkties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde – produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden. 

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen  appellant als gedaagde sub B en geïntimeerde als eiser  op 19 oktober 2004 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis gewezen en uitgesproken is in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer  01/2920 waarvan het dictum luidt:

3.1. Veroordeelt gedaagden  des de een betalende de andere zal  zijn bevrijd om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de som van Sf.3500.000,–,althans de tegenwaarde daarvan in SRD.3.500,–, zijnde vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf 30 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.3. Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, gedaagde sub B bij schrijven van zijn procesgemachtigde de dato 12 november 2004, appel heeft aangetekend tegen het vonnis, gewezen en uitgesproken op 19 oktober 2004;

Overwegende, dat appellant als gedaagde sub B in eerste aanleg noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting was verschenen;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een  partij, die bij de uitspraak  van een eindvonnis niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van dat vonnis bij aangetekende  dienstbrief moet mededelen;

dat de bedoeling van deze  wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat nu zijdens appellant het tegendeel niet gesteld is en hij dat ook  niet heeft doen blijken, het Hof ervan uitgaat en tussen partijen als rechtens vaststaand aanneemt, dat de dienstbrief, zich in het procesdossier bevindend en van 15 november 2005 daterend, hem – appellant – alstoen wel heeft bereikt;

Overwegende, dat nu appellant, naar eerder overwogen, op 12 november 2004 tegen eerder aangehaald eindvonnis heeft geappelleerd, en het het Hof niet gebleken is, dat appellant andermaal, en wel na ontvangst van bedoelde dienstbrief heeft geappelleerd, gaat het Hof ervan uit dat hij – appellant – niet conform de bij de wet voorgeschreven wijze gebruik gemaakt heeft van het middel van hoger beroep hebbende hij – appellant -, daar te vroeg van gebruik gemaakt;

Overwegende, dat appellant in zijn tegen het vonnis de dato 12 november 2004 aangetekend hoger beroep, dan ook niet ontvankelijk is;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verstaat, dat appellant niet op de bij de wet voorgeschreven wijze hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis de dato 19 oktober 2004;

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD……..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD………..

Bepalende het Hof het salaris van de appellant eveneens op SRD……..

 

Aldus gegeven door de heren: mr. J. R. Von Niesewand, President, mr. A. A. Hermelijn en mr. A. Charan, Leden-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 april 2008, in tegenwoordigheid van mr. R. R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun        w.g. J.R. von Niesewand

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. R. van Excel namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F. M. S. Ishaak en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Kanhai namens zijn gemachtigde, advocaat mr. I. D. Kanhai, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

mr. R.R. Brijobhokun, Wnd.Subst.-Griffier

 

SRU-HvJ-2008-6

 HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14361

A. [Appellant sub A], weduwe van [naam 1],

B. [Appellant sub B], student, beiden wonende aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan Einaarstraat no.8, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld,  mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

appellanten,

t e g e n

[Geïntimeerde], industrieel, wonende aan [adres 2],            

geïntimeerde,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende  vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 7 april 2003 tussen partijen gewezen;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 24 april 2003, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

 

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [GEÏNTIMEERDE] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiser de volgende vordering wenst in te stellen tegen:
  1. [Appellant sub A], weduwe van [naam 1],
  2. [Appellant sub B], student, beiden wonende  aan [adres 1], gedaagden;
  3. dat [appellant sub A] op 25 september 1980 te Paramaribo is bevallen van een kind van het mannelijk geslacht aan welke de voornamen zijn gegeven van  [appellant sub B];
  4. dat GEDAAGDE SUB A eind tachtiger jaren in contact is gekomen met [naam 1], uit welke verhouding een relatie ontstond en op aandringen van de  gedaagde sub A is zij op 22 april 1995 te Paramaribo met [naam 1], zonder het maken van huwelijksvoorwaarden in het huwelijk getreden, nadat laatstgenoemde reeds bij testament had voorzien in hetgeen  moest gebeuren na zijn overlijden;
  5. dat [naam 1], zoon van eiser, kort voor en bij de voltrekking van voormeld huwelijk met toestemming van de moeder de gedaagde sub 2, [appellant sub B], heeft erkend als zijn natuurlijk kind en deze bij het opvolgend huwelijk gewettigd;
  6. dat eiser als vader tevens bloedverwant van [naam 1], nu wijlen, en de jure grootvader en bloedverwant van [APPELLANT SUB B] tegen deze erkenning wenst op te komen, vermits deze is gedaan in strijd met de werkelijkheid, aangezien [naam 1] niet de biologische vader is (geweest) van voornoemd kind;
  7. dat gedaagde die thans op leeftijd is, vreest dat, indien hij niet tegen deze wettiging c.q. erkenning opkomt, gedaagde sub B ten onrechte in zijn nalatenschap waarvan het kind erfgenaam zal worden, zou kunnen profiteren ten NADELE van de overige kinderen en bloedverwanten van eiser;
  8. dat de biologische zoon van de eiser, [naam 1], die op 14 januari 1998 te Paramaribo is overleden, reeds in 1991 in zijn nalatenschap heeft voorzien waarbij hij zijn latere echtgenote, de gedaagde sub A en diens zoon, die bij het huwelijk op 22 april 1995 erkend c.q. gewettigd werd als  in het testament is aangegeven heeft bedacht;
  9. dat eiser, gezien het bovenstaande, genoodzaakt is om de betwisting van de erkenning in rechte in te roepen, vermits hij recht  en belang daartoe heeft;
  10. dat eiser dan ook zal vorderen dat geldig zal worden verklaard de betwisting van de erkenning c.q. de wettiging, gedaan door zijn zoon, [naam 1], bij akte van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo dd. 22 april 1995 van de minderjarige [APPELLANT SUB B] voorheen geheten [naam 2], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo, op gronden alvorens aangegeven.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis geldig zal worden verklaard de betwisting van de erkenning gedaan door [naam 1], bij akte van de ambtenaar van de Burgerlijke  Stand te Paramaribo op 22 april 1995 van de minderjarige: [appellant sub B], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo. 

Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot verbetering heeft overgelegd en  doorhaling heeft gevraagd dat gedaagde als moeder voogdes optreedt van  haar zoon [appellant sub B] aangezien hij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

Overwegende, dat [appellant sub A] en [appellant sub B] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser zijn vordering zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen althans hem in deze niet ontvankelijk zal worden verklaard;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 7 april 2003 op de daarin opgenomen gronden:

De betwisting van de erkenning geldig, gedaan door [naam 1], bij akte van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo op 22 april 1995 van de minderjarige [appellant sub B], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo geldig heeft verklaard;

Gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 72.535,–;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 24 april 2003 [appellant sub A] en [appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 7 april 2003;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Denny Armand van Brussel van 6 november 2007 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt,  dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de geïntimeerde per deurwaardersexploit opgeroepen was om op de terechtzitting van 7 maart 2008 aanwezig te zijn, doch is hij niet verschenen, waarna de gemachtigde van appellanten, advocaat mr. B.A.H. Pick namens advocaat mr. F.F.P. Truideman recht op stukken heeft gevraagd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiser op 7 april 2003 vonnis gewezen en uitgesproken is in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 01/3063, waarvan het dictum luidt: Verklaren geldig  de betwisting van de erkenning, gedaan door [naam 1], bij akte  van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand  te Paramaribo op 22 april 1985 van de minderjarige [appellant sub B], geboren op 25 september 1980 te Paramaribo;

Veroordelen gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 72.535,–;

Overwegende, dat, naar voorts uit het procesdossier blijkt, appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen zijn;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een partij  die bij de uitspraak van een eindvonnis  niet in persoon  of bij gemachtigde  tegenwoordig is, de inhoud van dat vonnis  bij aangetekende dienstbrief moet mededelen;

dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud  van het eindvonnis  op de hoogte zullen zijn opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, aan appellanten bij dienstbrief de dato 28 oktober 2004 de inhoud van het van 7 april 2003 daterend eindvonnis is medegedeeld; 

Overwegende, dat appellanten, naar tevens uit het procesdossier blijkt, bij van 23 april 2003 daterend schrijven van hun raadsman, mr. F.F.P. 

Truideman, welk schrijven gericht  werd aan de Griffier der Kantongerechten, op 24 april 2003 in hoger beroep zijn gekomen van het van 7 april 2003 daterend eindvonnis;

Overwegende, dat appellanten, naar het oordeel van het Hof, ingevolge  artikel 264 lid 3 jo artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, appél hadden moeten aantekenen binnen dertig dagen nà 28 oktober 2004 en niet binnen dertig dagen nà 7 april 2003;

Overwegende, dat de consequentie van het zojuist overwogene is, dat appellanten, door voortijdig van het middel van hoger beroep gebruik te maken, daarin niet ontvankelijk verklaard zullen worden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verstaat dat appellanten niet overeenkomstig de terzake geldende wettelijke bepalingen van het middel van hoger beroep gebruik hebben gemaakt;

Verklaart de appellanten niet ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep; 

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD.nihil;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD.150,–;

Bepalende het Hof het salaris van  de advocaat van de geïntimeerde eveneens op SRD.150,–;

Aldus gegeven door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. A.A. Hermelijn en mr. A. Charan, Leden-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 april 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun     w.g. J.R. von Niesewand

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. H.P. Boldewijn namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2005-13

  HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

A-490                                                                                                           

[Verzoeker], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,  met name Het Ministerie van Financien, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette  aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

(Betalend)    Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst bij deze de navolgende vordering in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze op de voet van artikel 146 lid 2 van de Grondwet vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette  aan de  Gravenstraat (lees thans: Henck Arronstraat) no.3, te Paramaribo, verweerder.
  2. Verzoeker is, nadat hij krachtens beschikking van de Minister van Financien van juni 1962 was aangesteld in dienst van verweerder als ambtenaar bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 8 mei 2000 no.3030, op de voet van de Organisatiebeschikking Belastingdienst (G.B.1970 no.41) en de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 22 mei 1987 (S.B.1987 no.38) benoemd tot Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, tevens Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Verzoeker is mitsdien ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en de bepalingen van de Personeelswet inzake de rechtspositie van landsdienaren zijn dan ook op verzoeker van toepassing.
  3. Bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 12 oktober 2001 [kenmerk] is verzoeker uit de sub 2 vermelde funktie van Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen ontheven, welke ontheffing volgens de bepalingen daarvan van kracht werd met ingang van de dag volgende op die waarop voormelde resolutie te zijner kennis werd gebracht. Verzoeker legt voormelde resolutie hierbij over.
  4. De sub 3 vermelde resolutie is vanwege het terzake bevoegde gezag  van de President van de Republiek Suriname op 15 oktober 2001, overeenkomstig artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet, aan verzoeker overhandigd en mitsdien is verzoeker met ingang van 16 oktober 2001 uit de sub 2 vermelde funktie ontheven.
  5. Ingevolge artikel 23 lid 5 van de Personeelswet en er is geen enkele andere bepaling in enige wettelijke regeling die over de ontheffing van een ambtenaar uit zijn funktie handelt kan een ambtenaar door het te zijnen aanzien bevoegde gezag uit de door hem beklede funktie worden ontheven. Ten aanzien van verzoeker is de President van de Republiek Suriname het bevoegde gezag, zulks ingevolge artikel 3 lid 2 van de Personeelswet, aangezien aan verzoekers rang van Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen een minimum bezoldiging is verbonden, welke meer bedraagt dan die van een direkteur van een departement, zoals blijkt uit de sub 2 vermelde resolutie. De President is terzake dan ook exclusief bevoegd en dat brengt met zich mede, dat hij alleen uit eigen hoofde kan handelen en zijn beslissing niet gegrond kan zijn op het besluit van een ander staatsorgaan. Echter in de sub 3 vermelde resolutie is gesteld, dat verzoeker ingevolge de beslissing van de Raad van Ministers van 12 september 2001 wordt ontheven. De besluitvorming terzake van verzoekers ontheffing is dan ook reeds om die reden strijdig met de wet, ondeugdelijk en mitsdien rechtens van onwaarde.
  6. Ingevolge artikel 23 lid 5 van de Personeelswet kan een ambtenaar, zoals verzoeker is, slechts uit de door hem beklede funktie worden ontheven, indien het belang van de staatsdienst zulks vordert. Zulks betekent, dat in het betreffende ontheffingsbesluit duidelijk moet worden gesteld, dat het belang van de staatsdienst de ontheffing noodzakelijk doet zijn, want dan alleen kan het de ontheffing vorderen. Echter in de sub 3 vermelde resolutie komt nergens naar voren dat het belang van de staatsdienst de ontheffing zou vorderen. Bovendien het begrip “belang van de dienst” is uitermate vaag, aangezien het tal van aspecten van de overheidsdienst betreft, maar ook in tal van  opzichten van uitoefening van overheidsgezag door de betrokken funktionaris raakt. Het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur brengt dan met zich, dat hij exact behoort te weten, welke feiten en omstandigheden de ten aanzien van hem genomen beslissing hebben teweeggebracht en dat het terzake bevoegde gezag hem daaromtrent informeert uit hoofde van de aan voormeld beginsel inherente motiveringsplicht als algemeen  beginsel van behoorlijk bestuur. Zulks behoort uit het besluit dan zelf te blijken en wel om de volgende redenen:
  1. een burger in het algemeen, maar een ambtenaar in het bijzonder moet bij aantasting van zijn rechten of belangen zich kunnen beklagen daaromtrent bij de rechter, zoals duidelijk vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van de American Convention on Human Rights, maar dan behoort de gelaedeerde ook te weten, welke de gronden zijn waarop die aantasting heeft plaatstgehad en behoort niet achteraf de overheid  de mogelijkheid te hebben allerlei redenen te gaan bedenken, die mogelijk  bij de besluitvorming geen enkele rol hebben gespeeld:
  2. de Staat dient zijn burgers in het algemeen, doch zijn ambtenaren, die tevens zijn werknemers zijn, open en eerlijk tegemoet te treden op grond dat zijn besluiten democratisch gelegitimeerd moeten zijn, met andere woorden zij behoort zoveel mogelijk openlijk verantwoording af te leggen voor haar besluiten.

Voorts is verzoeker voorafgaande aan het nemen van voormelde ontheffingsbeslissing niet gehoord of anderszins in de gelegenheid gesteld zijn belangen terzake te verdedigen, zodat verweerder niet op zorgvuldige wijze voormeld besluit heeft voorbereid.

Verweerder heeft dan ook terzake de navolgende  algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, t.w.:

a. het beginsel van rechtszekerheid voor de ambtenaar;

b. het beginsel van de motiveringsplicht;

c. het beginsel van verplichting tot hoor en wederhoor;

d. het beginsel van zorgvuldigheid in de voorbereiding van besluiten.

7. Een ambtenaar heeft in beginsel recht en aanspraak op handhaving in zijn funktie, omdat zijn maatschappelijke positie daardoor (mede) bepaald wordt en dus het in deze gaat om een rechtens te beschermen belang, hetgeen onder meer tot uiting komt in artikel 26 lid 1 jo.artikel 27 lid 1 sub b van de Grondwet. Verzoekers carriére is door de sub 3 vermelde ontheffing ernstig gestagneerd, hetgeen op ernstige wijze tekort doet aan verzoekers mogelijkheden zich op het vakgebied van de douane verder te ontplooien.

8. Op grond van het sub 5, 6 en 7 gestelde heeft verzoeker dan ook recht en belang te vorderen, dat de sub 3 vermelde resolutie van de President van de Republiek Suriname zal worden nietig verklaard.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis de Resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d.12 oktober 2001 [kenmerk], waarbij verzoeker uit zijn funktie van Inspecteur, Hoofd van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen werd ontheven, zal worden nietig verklaard, althans vernietigd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer is  aangevoerd;

  1. Verweerder ontkent  en betwist al hetgeen niet woordelijk door hem wordt erkend onder aanbod van bewijs conform recht en wet.
  2. Verweerder vraagt zich af of verzoeker in het 5e sustenu van zijn inleidend  rekest bedoelt dat de President van de Republiek Suriname ingevolge artikel 3 lid 2 P.W. tot een Presidentieel besluit tot ontheffing gehouden is, aangezien niet duidelijk uit de verf komt wat verzoeker bedoelt en waarheen hij met voormelde stelling wil. De beslissing van de Raad van Ministers heeft slechts interne werking en het staat de President van de Republiek Suriname als hoogste executieve macht vrij deze beslissing tot grondslag te maken van zijn administratiefrechtelijke rechtshandeling – zijnde een resolutie volgens artikel 3 lid 2 P.W.. Vandaar dat niets mankeert aan de besluitvorming  terzake verzoekers ontheffing.
  3. Verzoeker is in enkele sessies die de Direkteur der Belastingen namens het bevoegde gezag met hem had geinformeerd omtrent de ontheffing en het belang van de dienst dat zulks vordert. Een twistpunt tussen partijen kan zijn of het belang van de dienst dat aan verzoeker is medegedeeld ook tot uitdrukking had moeten komen in voormelde resolutie. Deze rechtsvraag ligt dan ter beoordeling van het Hof.
  4. Het zal verzoeker niet zijn ontgaan in de aan hem gedane mededelingen c.q. hoor sessies dat verweerder een afweging van belangen heeft toegepast waarbij aan het belang van verzoeker voldoende gewicht is toegekend. Overigens heeft deze ontheffing conform de terzake geldende bepalingen van de P.W. plaatsgevonden.
  5. Overigens zal vernietiging van de resolutie – quod non – niet ten detrimente mogen zijn van het algemeen belang in casu belangen van derden.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat  ingevolge ‘s Hofs  beschikking van 2 juni 2003 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en de gemachtigde van verweerder, advokaat  Mr.A.R.Baarh, die hebben verklaard gelijk in het daarvan, opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op 22 oktober 2004, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker sedert juni 1962 in dienst is van verweerder, laatstelijk in de funktie van inspecteur der invoerrechten en accijnzen tevens hoofd van deze dienst, weshalve hij ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

Overwegende, dat ook indien met verzoeker ervan uit wordt gegaan dat hij tijdig het verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie heeft ingediend – waarvoor er inderdaad veel te zeggen is – dan nog kan hem deze vordering niet baten, vermits hij opkomt tegen een ontheffing, uitgevaardigd tegen hem bij resolutie d.d.12 oktober 2001 [kenmerk], waar de Personeelswet in artikel 79 en de door het Hof ontwikkelde vaste rechtspraak op dit stuk, geen ruimte laat aan het Hof die ontheffing zondermeer te toetsen, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, die hier niet zijn gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat verzoeker dan ook niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 21 januari 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

  

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.C.A.Bleau namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat  Mr.A.R.Baarh,  zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                                              

SRU-HvJ-2005-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-491                                                                               

[Verzoeker], wonende [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat

verzoeker,

t  e  g  e  n

DE STAAT SURINAME,  rechtspersoon, met name het Ministerie van Financien, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,

verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)     

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 december 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat  de door het Hof bevolen enquête niet is gehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na niet gehouden enquête zijdens verweerder onder overlegging van produkties heeft genomen, waarvan de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een hier als geinsereerd aan te merken  schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna partijen  vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 november 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 3 december 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem verlangde bewijs te leveren  bij daartoe strekkende conclusie de dato 15 juli 2005  ter terechtzitting van genoemde datum heeft doen overleggen een drietal  processen-verbaal in fotokopie, houdende verklaringen afkomstig van [naam 1], [verzoeker] en [naam 1], daterend van respectievelijk 5 maart 2001, 6 maart 2001 en 11 maart 2001, allen opgemaakt, gesloten  en getekend  door [naam 2], onder inspecteur van politie;

Overwegende, dat het Hof de inhoud van voormelde processen-verbaal in fotokopie als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwt;

Overwegende, dat verzoeker, zich over voormelde processen-verbaal in fotokopie uitlatend bij daartoe strekkende conclusie de dato 7 oktober 2005, heeft aangevoerd, dat, hoewel  verweerder in zijn conclusie tot uitlating  en overlegging van produkties melding maakt van processen-verbaal, hij – verzoeker – de beschikking over die processen-verbaal niet heeft gekregen; dat hij, verzoeker, zich benadeelt voelt in zijn verweer aangezien het een eis van “fair play” in het procesrecht is dat degene die bescheiden overlegt, die bescheiden ook aan de

wederpartij ter hand stelt;

Overwegende, dat het Hof te dien aanzien opmerkt, dat verzoeker over het hoofd ziet, dat verweerder voormelde processen-verbaal in fotokopie ter eerder gemelde terechtzitting in het onderhavige geding heeft gebracht teneinde te voldoen aan zijn bewijsopdracht en het van hem verlangde bewijs te leveren in verband waarmede verwezen wordt naar hetgeen  zijdens verweerder gesteld is in de alinea’s 3 tot en met 8 van de conclusie tot uitlating en overlegging produkties van 15 juli 2005;

Overwegende, dat verzoeker het in zijn betoog als hiervoren vermeld  blijkbaar heeft over de schriftelijke bewijslevering die als onderdeel van de conclusiewisseling plaatsvindt alsgevolg waarvan de procedure geen vertraging ondervindt;

Overwegende, dat verzoeker evenwel over het hoofd ziet, dat het in casu betreft een door een tussenvonnis ingeleide  bewijslevering;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat in het algemeen tegen elk bewijs tegenbewijs toegelaten is;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat alleen na een getuigenverhoor een tegenverhoor van rechtswege door artikel 142 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opengesteld is;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene van oordeel is, dat verzoeker in casu uitdrukkelijk tegenbewijs had moeten aanbieden tegen het door verweerder aangedragen schriftelijk bewijs, bestaande uit een drietal processen-verbaal, die van 5 maart 2001, 6 maart 2001 en van 11 maart 2001 dateren en opgemaakt, gesloten en getekend zijn door de onder inspecteur van politie [naam 2];

Overwegende, dat verzoeker dat tegenbewijs evenwel niet heeft aangeboden;

Overwegende, dat het Hof op grond van voormelde processen-verbaal in onderling verband en samenhang beschouwd bewezen acht en als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt, dat verzoeker:

omstreeks 8 – en 21 februari 2001 in strijd gehandeld heeft met de voorschriften die betrekking hebben op de afhandeling van geschenkzendingen, welk handelen ontduiking van rechten bij invoer tot gevolg heeft gehad met name:

dat hij van de 11 (elf) aangeboden pakketten door de heer [naam 1], slechts 2 pakketten heeft gevisiteerd;

dat hij van deze 11 (elf) pakketten slechts 2 (twee) pakketten met invoerrechten heeft belast;

dat hij van de heer [naam 1] Sf.1.000.000,– als gift heeft ontvangen voor de bewezen diensten;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat verweerder verzoeker zeer terecht plichtsverzuim verweten heeft dat het opleggen van de tuchtstraf van ontslag rechtvaardigt;

Overwegende, dat het Hof beslissen zal als in het dictum te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt verzoeker zijn vordering;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 november 2005, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag  zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2005-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME    

A-499

 

[Verzoeker], wonende aan de [straatnaam] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Mangroelal, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME,  met name het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no.3 in het distrikt Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Sh.Mahadew,

verweerder,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 november 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Mangroelal en Mr.M.H.Van Lingen, vertegenwoordigster van verweerder, bijgestaan door Mr.Sh.Mahadew, gemachtigde van de Staat Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, waarna  het Hof vonnis  in de zaak heeft bepaald op heden.

 TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 november 1994 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen bij de van 14 januari 2005 daterende inlichtingencomparitie verschenen, hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende  de inhoud van voormeld proces-verbaal als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd  aangemerkt;

Overwegende, dat, naar uit het proces-dossier blijkt, verzoeker, alstoen gewezen Eerste Luitenant in vaste dienst in de funktie van Hoofd Inwendige dienst op het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij de  Landmacht, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 17 januari 2004 [kenmerk], te rekenen van 1 januari 1996 bevorderd is tot Kapitein;

Overwegende, dat verzoeker blijkens de daaraan ten grondslag gelegde feiten, die als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, in onderdeel 1 van het petitum heeft gevorderd, hem – verzoeker – met terugwerkende kracht te benoemen in de funktie van Kapitein te rekenen vanaf 1 maart 1991 dan wel vanaf het moment dat het Hof in goede justitie geraden zal achten;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van voormeld gevorderde opmerkt, dat het krachtens artikel 79 van de Personeelswet mede in verband met artikel 82, lid 3 wettelijk bevoegd is een besluit van de overheid tegen een ambtenaar genomen nietig te verklaren, en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit moet worden genomen, indien sprake is van strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aan verzoeker zijn vordering ten grondslag gelegde stellingen, hij zich niet kan verenigen met het bij de resolutie van 17 januari 2004 [kenmerk] genomen besluit voor wat betreft de datum van ingang van zijn bevordering tot Kapitein, te weten 1 januari 1996, instede van 1 maart 1991;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoeker mogelijk succes zou hebben met zijn actie indien hij ingevolge artikel 79 van de Personeelswet in verband met artikel 82 lid 3 had gevorderd nietig verklaring van de resolutie van 17 januari 2004 en tevens dat een termijn wordt gesteld waarbinnen een nieuw besluit zou worden genomen, waarbij de datum van verzoeker zijn bevordering tot Kapitein in zou gaan op 1 maart 1991, indien uit de aard der zaak ook zou zijn komen vast te staan, dat in strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn gehandeld;

Overwegende, dat nu verzoeker niet de daarnet aangegeven rechtsgang heeft gevolgd en de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 17 januari 2004 [kenmerk] van kracht gebleven is, dient het in onderdeel 1 van het petitum gevorderde te worden afgewezen;

Overwegende immers, dat toewijzing van het in onderdeel I van het petitum gevorderde niet zou kunnen plaatsvinden zonder in strijd te handelen met de Personeelswet c.q. eerder gemelde wettelijke voorschriften;

Overwegende, dat nu het in de onderdelen 2,3 en 4 van het petitum gevorderde sequeel is van het in onderdeel 1 daarvan gevorderde, dat zal worden afgewezen, dient het gevorderde in de onderdelen 2, 3 en 4 van het petitum hetzelfde lot te ondergaan;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst de vordering van de verzoeker af;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A. Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 april 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

     Verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Mangroelal is bij de uitspraak ter terechtzitting  verschenen, terwijl de verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger  verschenen is.               

                                                                                      

 

SRU-HvJ-2005-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

A-501                                                                                                          

[Verzoeker], wonende in het [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no. 8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, zetelende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Sh.Mahadew,

verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend     

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 december 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder ter terechtzitting van 21 januari 2005 een fotokopie van een brief afkomstig van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij  heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen – onder overlegging van produkties – waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis had bepaald op 18 maart 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat naar blijkt uit het procesdossier, verzoeker bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 10 november 1998 [kenmerk 1], destijds Stafambtenaar “A” 2e klasse in vaste dienst in de funktie van Ressortleider Nickerie-Oost op de Hoofdafdeling Regio-West van het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij [persoonnummer] ingevolge artikel 22 lid 1 sub a van de “Personeelswet” belast werd  met de waarneming van de funktie van Coordinator van de Hoofdafdeling Regio-West;

Overwegende, dat in het onderhavige geval waarin het gaat om de waarneming van een definitief opengevallen funktie, het bepaalde in artikel 22, 1ste lid, aanhef en sub 1 van toepassing is, luidende:“Een landsdienaar kan door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van een funktie worden belast;

  1. voor de duur van een jaar, indien de funktie definitief is opengevallen en hij aan de wettelijke eisen van benoembaarheid daarin voldoet, terwijl daar, waar de waarneming langer dan een jaar heeft geduurd het 4e en 5e lid van hetzelfde artikel gelden. De daarin neergelegde bepalingen luiden:

“4. Indien een landsdienaar gedurende meer dan een maand achtereen belast is geweest met de waarneming van een funktie, en zijn salaris minder bedraagt dan het minimum waarop hij in geval van benoeming in die funktie aanspraak zou hebben, geniet hij voor de verdere duur van de waarneming een toelage overeenkomstig de daarvoor bij landsbesluit te stellen regelen.

  1. Zodra een landsdienaar gedurende meer dan een jaar in totaal een definitief opengevallen funktie heeft waargenomen en hij aan de wettelijke eisen voor benoembaarheid  daarin voldoet, wordt hij geacht, stilzwijgend in die funktie te zijn benoemd”;

Overwegende, dat niet ontkend kan worden, dat zowel voor het genieten van een waarnemingstoelage als voor het stilzwijgend benoemd geacht worden een aantal voorwaarden moet zijn vervuld. De eerste is dat de betrokken ambtenaar door of vanwege het bevoegde gezag met de waarneming van de funktie moet zijn belast;

Overwegende, dat dit in casu is geschied;

Overwegende, dat wijders opgemerkt zij, dat het belasten van een ambtenaar met de waarneming van een hogere, in casu leiding gevende taak door het daartoe bevoegde gezag verwachtingen wekt en impliceert, dat de daarvoor vereiste formaliteiten zijn vervuld;

Overwegende, dat het achterwege daarvan laten zonder aan de ambtenaar mede te delen dat aan zijn  taakvervulling een vormfout kleeft, die het intreden van wettelijk geregelde voordelen in de weg staat, in strijd is met het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur dat eist dat de andere partij eerlijk wordt behandeld;

Overwegende, voorts, dat nu geen argument voor het tegendeel is aangevoerd, moet worden aangenomen dat ook de andere voorwaarden in deze te weten het definitief opengevallen zijn van de waargenomen funktie en het voldaan hebben door verzoeker aan de wettelijke eisen van benoembaarheid zijn vervuld;

Overwegende, dat verzoeker, nu hij, naar gebleken is, voldeed aan alle wettelijke vereisten voor het bekleden van de funktie van Coördinator van de Hoofdafdeling Regio-West, aanspraak maakte op benoeming  in de rang van Hoofdambtenaar “A” 2e klasse, vanaf de dag dat hij langer dan een jaar belast is geweest met de waarneming van de funktie van Coordinator van de Hoofdafdeling Regio-West, dus met de ingang van 01 juli 1995 wordende hij geacht met ingang van die datum definitief te zijn benoemd in die funktie;

Overwegende, dat het Hof het in onderdeel a van het petitum gevorderde zal toewijzen nu de resolutie de dato 08 februari 2002 [kenmerk 2] niet alleen in strijd is met de wet c.q. de Personeelswet, doch ook met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat besluiten ten nadele van betrokkenen, behoorlijk dienen te worden gemotiveerd, wat in casu  niet het geval is;

Overwegende, dat het Hof derhalve recht zal doen als in het dictum van dit vonnis te melden, nu het zijdens verweerder gevoerd verweer, waarvan de bespreking als volkomen irrelevant dan ook geheel in het midden kan blijven, het Hof niet tot een andere beslissing heeft doen komen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Verklaart nietig de resolutie van 08 februari 2002 [kenmerk 2];
  2. Gelast verweerder om te doen geschieden de aanstelling en salariëring  van verzoeker, respectievelijk als Coordinator  van de Hoofdafdeling van Regio-West van het Ministerie van landbouw, Veeteelt en Visserij volgens het bepaalde in artikel 22 lid 5 van de Personeelswet en diens bevordering als Hoofdambtenaar “A” 2e klasse, volgens het Staatsblad van de Republiek Suriname  1992  nr.95, alles met ingang van 1 juli 1995;

Weigert hetgeen verzoeker meer of anders gevorderd heeft;

 

Aldus gewezen door :  Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 april 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.A.M.Essed namens  zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman is bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen, terwijl  verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger verschenen is.

                                                                                             M.H.

 

SRU-HvJ-2005-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME                                                              

A-519

[Verzoeker], wonende aan [straatnaam] in het [district],  voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, (HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE), zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Sh.Mahadew,

verweerder,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende  vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoeker te Paramaribo op 1 april 1989, althans in de maand april 1989, in dienst is getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie  en Politie, in de rang van agent van politie 1ste klasse;
  1. dat het Ministerie van Justitie en Politie bij beschikking van 25 oktober  2002, Justitie [kenmerk] uitgereikt op 09 december 2002, (door de Inspecteur van politie, de heer [naam 1] van de afdeling Interne Tuchtzaken), aan de verzoeker te kennen heeft gegeven dat verzoeker met ingang van 09 december 2002 is ontslagen en vanaf de maand januari 2003 geen salaris meer zal ontvangen;
  2. dat de verweerder het ontslag van verzoeker heeft gebaseerd op het feit dat hij onbetrouwbaar is en dat hij zijn plicht als ambtenaar van politie ernstig heeft verzaakt;
  3. dat het onjuist is dat de verzoeker als ambtenaar van politie 1ste klasse zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim; Verzoeker heeft op dinsdag 03 oktober 2000 in het cellenhuis van het politiebureau zijn dienst verricht; Daar verzoeker op dat moment de oudste was in de leeftijd van agent van politie 1ste klasse heeft hij op die bewuste dag gefunctioneerd als ploegcommandant;Vermeldenswaard is dat verzoeker samen met de agenten [naam 2], [naam 3] en de bewaker [naam 4] op de bewuste avond onder zich hadden 300 arrestanten; Over driehonderd (300) arrestanten moesten drie politiemannen bewaken en toezichthouden; de 300 arrestanten bevonden zich in de serie’s A,B,C,D van het cellenhuis van post Keizerstraat; Toen de verzoeker naar serie B begaf voor controle werkzaamheden heeft de agent [naam 2] van deze gelegenheid misbruik gemaakt en heeft zonder medeweten van verzoeker, stiekem, de drie arrestanten voor een moment laten vertrekken uit het cellenhuis van bureau Keizerstraat; De drie arrestanten m.n. [arrestant 1], [arrestant 2] en [arrestant 3] hebben tijdens het politioneel onderzoek volmondig bekend dat zij met toestemming van agent [naam 2] voor een moment mochten vertrekken; De verzoeker weet totaal niets van  de gepleegde handeling van agent [naam 2];
  1. dat verzoeker op woensdag 04 2000 door de politie was aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld door de Hulp-Officier van Justitie Inspecteur [naam 5], verdacht van het feit omschreven in de artikelen 427 jo 72, 427 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht;
  2. dat verzoeker door zijn aanhouding, inverzekeringstelling gegriefd en bezwaard heeft gevoeld en hiertegen een verzoekschrift heeft ingediend bij de Rechter-Commissaris Mr.E.S.Ombre om op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld daar verzoeker van mening was dat zijn aanhouding onrechtmatig was;
  3. dat na onderzoek door de Rechter-Commissaris Mr.E.S.Ombre is beslist dat de vrijheidsbeneming van verzoeker onrechtmatig is en dat hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld;
  4. dat het Openbaar Ministerie zich heeft neergelegd bij de beslissing van de Rechter-Commissaris en heeft verder geen belang geacht in een strafrechterlijk onderzoek van verzoeker;
  5. dat bij de Rechter-Commissaris niet is gebleken dat de verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan een ernstig plichtsverzuim;
  6. dat bovendien bij het Openbaar Ministerie ook niet is gebleken dat verzoeker onbetrouwbaar is noch dat verzoeker zijn plichtsverzuim als ambtenaar van politie ernstig heeft verzaakt;
  7. dat bij Ministeriele beschikking van d.d.25 oktober 2002 de verzoeker wegens ernstig plichtsverzuim gestraft is met de tuchtstraf van ontslag uit de Staatsdienst ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het politie handvest;
  8. dat verzoeker bij het Ministerie van Justitie en Politie dan ook tegen het verleende ontslag heeft geprotesteerd als te zijn onjuist en dat hij zijn plicht als ambtenaar van politie niet heeft verzaakt;
  9. dat vermits als reeds gesteld het door het Ministerie van Justitie en Politie aan verzoeker verleende ontslag onrechtmatig is, de verzoeker herstel van de dienstbetrekking en doorbetaling van zijn salaris en andere aan hem toegekende emolumenten in rechte kan eisen en zulks ook hierbij doet;
  10. dat de verzoeker gerechtigd is van de verweerder te vorderen:

a.doorbetaling van zijn bruto maandelijkse salaris ad. F.805.000,– (Achthonderd en Vijfduizend Gulden);

b. doorbetaling van zijn netto maandelijkse salaris ad. SF.745.000,– (Zevenhonderd Vijf en Veertigduizend Gulden) per maand tot en met de dag waarop verzoeker wederom zijn werkzaamheden zal mogen hervatten en zal hebben hervat;

15.dat alhoewel de verweerder gehouden is voormelde salaris aan de verzoeker te vergoeden en de verzoeker wederom toe te staan om zijn werkzaamheden te hervatten en/of wederom in dienst te treden, verweerder daarmede tot op heden ingebreke is gebleven, niettegenstaande zij daartoe herhaaldelijk en dringend is aangemaand;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

  1. dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van de Minister van Justitie en Politie tot beëindiging van het dienstverband tussen verzoeker en de Staat Suriname vervat in de beschikking d.d. 25 oktober 2002 waarbij aan verzoeker onrechtmatig ontslag is verleend nietig te verklaren, althans te vernietigen;
  2. voor recht te verklaren dat de dienstbetrekking ingaande  09 december 2002 tussen verzoeker en de verweerder voortduurt;
  3. verweerder te veroordelen om aan verzoeker vanaf de maand 0 januari2003 tot op heden en voorts zolang de dienstbetrekking voortduurt en niet op rechtmatige wijze wordt beëindigd, danwel voor de duur van een andere door Uw Hof in goede justitie vast te stellen periode het overeengekomen loon, zoals aangegeven in alinea 14 van dit verzoekschrift te betalen, alsmede de bij Wet verschuldigde emolumenten;

Alles met de veroordeling van de verweerder in de kosten  van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen in het navolgende niet uitdrukkelijk wordt erkend.
  2. Verweerder erkent dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet en het Politiehandvest (G.B.1971 # 70).

Verweerder wenst een juiste weergave van het gebeurde te geven. 

  • In de nacht van 3 op 4 oktober 2000 hadden enkele arrestanten voor langere dan wel kortere tijd, in strijd met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie (G.B.1971 # 71), het cellenhuis verlaten en zich elders opgehouden.
  • Verzoeker, agent van politie 1e klasse, heeft op die bewuste nacht als ploegcommandant gefunctioneerd in vermeld cellenhuis.
  • Op 4 oktober 2000 is verzoeker door de Hulpofficier van Justitie [naam 5] inverzekering gesteld, daar er een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit met name artikel 427; 427 jo 73 jo 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • Tevens is verzoeker door de Commissaris van politie [naam 6] bij beschikking d.d. 4 oktober 2000 ingevolge artikel 39 van het Politie handvest buiten functie gesteld.  Bij wijze van voorlopige maatregel, hangende het strafrechtelijk – of tuchtrechtelijk onderzoek, is verzoeker op grond van art. 41 lid 3 van het politiehandvest, geschorst.
  • Vervolgens is verzoeker door de Rechter-Commissaris in vrijheid gesteld.
  • Opgemerkt dient te worden dat noch de Rechter-Commissaris noch het Openbaar Ministerie de bevoegdheid heeft om te toetsen of  iemand zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim.
  • Daar er sprake was van een plichtsverzuim, waarbij er tevens een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld, werd ingevolge art.44 lid 2 de Procureur-Generaal in de gelegenheid gesteld zijn gevoelen daaromtrent te doen kennen. (d.d. 28 februari 2001).
  • Aan verzoeker is in persoon, conform art.44 lid 4 van het politiehandvest, op het gehouden Korpsrapport d.d. 4 juni 2001 medegedeeld dat hij voorgedragen wordt voor ontslag. Bij die gelegenheid mocht hij zich, conform art.44 lid 1, tevens mondeling verweren.
  • Het voorstel tot ontslag werd, op grond van art.32 van het politie handvest, ter advies voorgelegd aan de Commissie voor Overleg, welk advies op 24 september 2001 werd uitgebracht.
  • Op grond van het voorgaande werd aan verzoeker bij beschikking [kenmerk], wegens ernstig plichtsverzuim, de tuchtstraf van ontslag uit de Staatsdienst, opgelegd.

Verzoeker had op grond van art. 46 van het politiehandvest de mogelijkheid een administratief beroep in te stellen, wat hij heeft nagelaten.

Verzoeker is, ingevolge van art.47 van het politiehandvest, niet ontvankelijk in zijn vordering, daar zij is ingesteld meer dan een maand nadat de beslissing als bedoeld ter kennis van verzoeker (4 juni 2001) was gebracht, dan wel hij geacht wordt kennis daarvan te hebben genomen.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd;

dat verzoeker niet wordt ontvangen, in zijn vordering,althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd.

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 18 oktober 2004 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.S.Dulam, Mr.Sh.Mahadew, gemachtigde van de Staat Suriname en de heer Mr.R.E.Levens, Inspecteur van Politie der eerste klasse tevens Wnd-Hoofd Juridische Zaken van het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan, opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota een produktie  overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie  hier als ingelast  dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 15 juli 2005, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar luid van artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet, vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat, naar luid, van artikel 1 lid 1 genoemde wet voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt verstaan onder: maand: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat verzoeker tijdens het verhoor van partijen in Raadkamer van 4 februari 2005 desgevraagd onder meer heeft verklaard: Bij beschikking van 25 oktober 2002 is aan mij ontslag verleend, hetwelk (lees: welke) aan mij op 9 december 2002 is uitgereikt;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffie van het Hof van Justitie het verzoekschrift ingekomen is ter Griffie op 9 januari 2003;

Overwegende, dat nu de ontslagbeschikking de dato 25 oktober 2002 aan verzoeker op 9 december 2002 is uitgereikt en verzoeker pas op 9 januari 2003 de vordering ingesteld heeft meer dan een maand nadat die beschikking ter kennis van hem is gebracht, dient hij – verzoeker – ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet niet ontvankelijk te worden verklaard in het in onderdeel a van het petitum gevorderde;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot het gevorderde in onderdeel b van het petitum opmerkt, dat nu het vonnis, op grond van de Personeelswet te wijzen en uit te spreken, of een constitutief of een codemnatoir karakter vermag te dragen danwel beiden en niet, beslist niet een declaratoir karakter, dient gemeld gevorderde wat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook moge zijn, als geen steun vindend in de wet met een niet – ontvankelijkverklaring te worden begroet;

Overwegende, dat nu het in onderdeel c van het petitum gevorderde sequeel is van het gevorderde in de onderdelen a en b van het petitum en dat gevorderde, naar eerder overwogen, met een niet – ontvankelijkverklaring zal worden begroet dient het in onderdeel c gevorderde hetzelfde lot te ondergaan;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker zowel in het onderdeel a als in onderdeel b en onderdeel c gevorderde niet-ontvankelijk;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door  de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 5 augustus  2005 in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaat Mr.S.Dulam en Mr.Sh.Mahadew, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. 

 

 

SRU-HvJ-2008-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME    

A – 615

[Verzoeker], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat 1 ten kantore van het advocatenkantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, mr.  I.D. Kanhai, advocaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suirname, zetelende  te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

 (Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 18 januari 2008 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemend hetgeen in  ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen  zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat mr. I.D. Kanhai en namens verweerder mevrouw Makhanlal-Veldhuizen, Hoofd Dienst Inspectie Directe Belastingen en mevrouw L. Nunes-Cameron, Hoofd Personeelszaken Dienst der Directe Belastingen en de gemachtigde van verweerder, mr. A.R. Baarh, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen, hier als geïnsereerd aan te merken, schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis had bepaald op 6 juni 2008, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 18 januari 2008 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen bij op 22 februari 2008 gehouden inlichtingencomparitie hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud van voormeld proces-verbaal als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, aan verzoeker, alstoen werkzaam als controleur in vaste dienst bij de Inspectie der Directe Belastingen van het Ministerie van Financien, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 15 november 2005, Bureaunummer [kenmerk], aan hem uitgereikt op 8 december 2005, ingevolge artikel 61 lid 1 sub j juncto artikel 71 lid 5 van de Personeelswet de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens plichtsverzuim, hierin bestaande dat hij zich zou hebben ingelaten met zaken zoals het opmaken van aangiften voor een belastingplichtige en/of het afhandelen van de belastingschuld en/of het opmaken van bezwaren tegen vorenbedoelde schuld tegen betaling van een vergoeding aan hem, welke handelingen onverenigbaar zijn met de functie van belastingambtenaar en in strijd met zijn ambtsplicht; 

Overwegende, dat verzoeker tegen het aan hem opgelegd ontslag opkomt en daartoe de in zijn verzoekschrift genoemde gronden aanvoert;

Overwegende, dat het Hof thans ertoe zal overgaan de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten alsmede de verweerpunten van verweerder aan een beoordeling te onderwerpen;

Overwegende, dat hetgeen tijdens de raadkamerzitting de dato 7 juli 2006 en ter comparitie de dato 22 februari 2008 naar voren is gekomen, niet middels een gedegen onderzoek onomstotelijk is komen vast te staan dat de aan de ontslagresolutie ten grondslag gelegde feiten zijn begaan door verzoeker; Zo is niet onomstotelijk vastgesteld dat verzoeker de aangiftebiljetten zelf heeft ingevuld en enige bemoeienis c.q. invloed heeft gehad op de berekening van de aanslag en de hoogte van de te restitueren bedragen;

Overwegende, dat verweerder uit het intern verrichte onderzoek binnen de administratie wel kon hebben afgeleid dat verzoeker tegen de instructies in, zijn medewerking heeft verleend aan een belastingplichtige arts, welke onder meer bestond uit het in ontvangst nemen van de door de belastingplichtige ondertekende blanco aangifteformulieren en het afgeven van de ingevulde formulieren ter bestemder plekke voor verdere afhandeling; Dit alles heeft er tenslotte toe geleid dat aan de belastingplichtige (ten onrechte) restitutie van belastinggelden heeft plaatsgevonden; Deze restitutie was onder meer gelegen in het feit dat in de aangiftebiljetten relevante informatie van de belastingplichtige ten onrechte niet is meegewogen door de aanslag-regelaar;

Overwegende, dat voorts vast staat dat ten laste van de rekening van de belastingplichtige aan verzoeker op respectievelijk 9 december 2005 en 15 december 2005, de bedragen van SRD. 25.000,– en SRD. 45.000,– zijn uitbetaald;

Overwegende, dat uit het hierboven overwogene volgt dat verzoeker niet volgens de voorschriften heeft gewerkt en dat er sprake is van dusdanig handelen van verzoeker dat zijn gedragingen terecht gekwalificeerd zijn als plichtsverzuim; Niet in geschil is dat dit plichtsverzuim aan verzoeker kan worden toegerekend; Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf aan verzoeker en heeft daaraan gevolg gegeven met de tuchtstraf van ontslag;

Overwegende evenwel, dat mede tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten en de gevolgen daarvan, de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf van ontslag, daarmede niet in redelijke verhouding staat; immers is niet gebleken dat verzoeker zich eerder schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim gedurende zijn 27 jaren staat van dienst en zijn de gevolgen van dit incidenteel geval beperkt en beheersbaar gebleven (de belastingplichtige heeft alsnog voldaan aan een juiste aanslag);

Overwegende, dat gelet op het vorenoverwogene en voorts op de gevolgen van ontslag die voor verzoeker zeer ernstig zijn, daar de ontslaggrond het vinden van nieuw werk zeer moeilijk danwel vrijwel onmogelijk maakt, en mede rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker waaronder zijn 27 jaren goede staat van dienst, het Hof van oordeel is dat op verzoeker niet slechts de als ultimum remedium bedoelde tuchtstraf van ontslag zou passen, doch veeleer een straf die daarmede in redelijke verhouding staat, namelijk degradatie;

Overwegende, dat het Hof derhalve gebruikmakend van de hem in artikel 84 lid 4 van de Personeelswet geboden bevoegdheid, deze passende tuchtstraf zal opleggen, een en ander zoals in het dictum te beslissen;

Overwegende, dat het vorenoverwogene inhoudt  dat voormelde resolutie nietig zal worden verklaard;

Overwegende, dat het gevorderde onder b en c – gelet op de op te leggen tuchtstraf van degradatie – niet toewijsbaar zijn, terwijl het gevorderde onder d in aangepaste vorm zal worden toegewezen;

Gelet op de artikelen 63 lid 4 en 79 lid 3 van de Personeelswet;

Overwegende, dat het Hof zal beslissen als in  het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Vernietigt het besluit vervat in de resolutie de dato 15 november 2005, Bureaunummer [kenmerk].
  2. Legt aan verzoeker met ingang van heden de tuchtstraf van degradatie op, bestaande uit verlaging van één rang.
  3. Veroordeelt verweerder om aan verzoeker zijn salaris uit te betalen en wel met ingang van 15 november 2005 tot en met heden en na heden, met inachtneming van de tuchtstraf van degradatie met één rang.

 

Aldus gewezen door de heren: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-President, mr. D.D. Sewratan, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun,  Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A. Kanhai namens zijn gemachtigde, advocaat mr. I.D. Kanhai en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Hok A Hin namens zijn gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2008-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-620 

[Verzoeker], wonende  aan [adres] in het [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no. 10 ten kantore van mr. A.R. Baarh, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,

verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt mr. H.A.M.  Essed, advocaat,

verweerder,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 7 december 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’ Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat bij de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh, advocaat mr. S. Bikharie namens advocaat mr. H.A.M. Essed, gemachtigde van verweerder, mr. Levens, Robur Erwin, Hoofd van de afdeling Onderzoek Politiezaken (OPZ) van het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd, terwijl de gemachtigde van verzoeker heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat het Hof  hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

                      TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof met uitzondering van de laatste rechtsoverweging daarvan, volhardt bij het tussenvonnis van 7 december 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende wijders, dat, naar blijkt uit het procesdossier, verzoeker, agent van politie 2e klasse, in vaste dienst van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie bij besluit, genomen bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 7 juli 2006 [kenmerk], wegens ernstig plichtsverzuim gestraft is met de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) ingevolge artikel 40 lid 1 onder J van het Politiehandvest, op grond, dat hij:

  • in de nacht van zaterdag 12 op zondag 13 augustus 2000 en mogelijk op andere dagen en tijdstippen aan de arrestant [naam] althans een arrestant, die was of is ingesloten in het cellenhuis Limesgracht tegen aanneming  van geldsbedragen, zonder toestemming en of medeweten van de bevoegde  Justitiële autoriteiten gelegenheid heeft verschaft voor korte dan wel  langere tijd het cellenhuis te verlaten om zich naar een nachtclub en/of elders te begeven;
  • deze arrestant actief heeft begeleid uit het cellenhuis althans ergens  buiten het cellenhuis en dat bij die gelegenheid de arrestant [naam] kans heeft gezien te ontvluchten en heeft hij, verzoeker, verzuimd om terzake maatregelen te treffen en heeft hij instede  daarvan een valse verklaring afgelegd met de bedoeling de waarheid te verdoezelen;
  • op verschillende tijdstippen, terwijl hij mede belast was met de bewaking en beveiliging  van arrestanten ingesloten in het cellenhuis Limesgracht, ook aan andere arrestanten, tegen betaling toestemming heeft gegeven het cellenhuis te verlaten om zich elders op te houden;

Overwegende, dat verweerder blijkens voormeld besluit de aan verzoeker verweten handelingen mede aangemerkt heeft als te zijn  in strijd met de ambtsinstructies zoals onder meer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B.1971 no.71;

Overwegende, dat verzoeker, daartoe in de gelegenheid  gesteld, zich tot twee keren toe te weten op 23 mei 2001, schriftelijk, en  op 4 juni 2001 op het gehouden korpsrapport, mondeling heeft verweerd, ingevolge het hoorbeginsel;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, verweerder met voorbijgaan aan het door verzoeker in het kader van het hoorbeginsel gevoerd verweer waartoe hem – verzoeker – de gelegenheid werd geboden en van welke gelegenheid hij ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt, het besluit, waartegen verzoeker thans opkomt strekkende  tot zijn – verzoekers – ontslag heeft genomen zonder in zijn – verweerders – oordeel verzoekers   verweer over het al dan  niet gegrond zijn van de verwijten, die hem, verzoeker, worden gemaakt, te betrekken;

Overwegende, dat het Hof dan ook van oordeel is, dat bij de afweging van de wederzijdse belangen het belang van verzoeker willekeurig en ongemotiveerd geschonden is, zijnde immers door verweerder nagelaten voldoende rekening te houden met de belangen van  verzoeker en hebbende verweerder mitsdien het beginsel van evenwichtigheid geschonden;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend, beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Vernietigt het besluit genomen bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 7 juli 2006 [kenmerk], waarbij  verzoeker uit Staatsdienst is ontslagen;
  2. Gelasten verweerder de carrière loop van verzoeker  te herstellen vanaf 2001 wat betreft functie-schaal- en rangindeling  op de lijst voor de eerst volgende bevordering;

 

Aldus gewezen door: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. H.E. Struiken, lid en mr. A. Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun

wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet in staat het vonnis te ondertekenen.

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Hok A Hin namens zijn gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Bikharie namens  zijn gemachtigde, advocaat mr. H.A.M. Essed, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                                                                  

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2008-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

A – 624

[Verzoeker], wonende te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no. 10 ten kantore van mr. A. R. Baarh, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,

 verzoeker,

t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte  vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.A.M. Essed, advocaat,

 verweerder,

 

De President spreekt in deze zaak in naam van de  Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 21 november 2008 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids  in ’s Hoven vonnis

   is overwogen en beslist en voorts; 

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 5 december 2008 hebben verklaard:

  1. H. A. M.Essed: “ het besluit kan niet worden overgelegd, wegens het in ongerede raken van het dossier uit de administratie van het ministerie. Het hele dossier ontbreekt; vermeld dient te worden dat verzoeker bekend heeft dat er een besluit is genomen”. mr. A.R. Baarh: “Ik stel voor dat er vonnis wordt gewezen in deze zaak: het heeft geen zin om een comparitie van partijen te houden, aangezien we dit al tot twee maal toe hebben gehouden, zonder resultaat”.

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het verzoeker op grond van de aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten, meer in het bijzonder de feiten, gesteld in het derde, vijfde, zesde en negende “sustenu”  van het verzoekschrift, welke feiten in dit vonnis als letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt – nog op 31 januari 2005 in dienst van de Bewakingsdienst van het Ministerie van Handel en Industrie en te rekenen van 1 februari 2005 alsnog eervol uit staatsdienst ontslag gekregen hebbend bij beschikking van de Minister van handel en Industrie de dato 24 juni 2008 [kenmerk] – bij verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie de dato 11 januari 2007, in casu gevorderd heeft verweerder te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem, verzoeker, te betalen zijn bezoldiging te rekenen vanaf 1 januari 1992 totdat het dienstverband met verweerder op regelmatige wijze zal zijn beëindigd, verhoogd met alle verhogingen die sindsdien aan de landsdienaren zijn toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 11 januari 2007;

Overwegende, dat verweerder, zich tegen toewijzing van voormelde vordering verzettend, aangevoerd heeft de bezoldiging bij besluit conform artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek te hebben stopgezet omdat verzoeker zich vanaf 1 januari 1992 niet aangemeld heeft op het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme noch op het Ministerie van Handel en Industrie en nimmer aangegeven heeft bereid te zijn arbeid te verrichten;

Overwegende, dat verweerder voorts aangevoerd heeft dat verzoeker niet conform artikel 78 van de Personeelswet beklag heeft ingesteld en dat dat besluit dan ook onherroepelijk geworden is weshalve verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot doorbetaling van zijn bezoldiging; 

Overwegende, dat het Hof bij tussenvonnis, gedateerd 21 november 2008, verweerder de gelegenheid geboden heeft in het onderhavige geding te doen brengen het besluit, waarvan verweerder in het 6e “sustenu”  van het verweerschrift gewag maakt en wel ter openbare terechtzitting van vrijdag, 5 december 2008;

Overwegende, dat verweerder bij monde van zijn raadsman, mr. H.A.M. Essed, Advocaat bij het Hof van Justitie, ter terechtzitting van het Hof van Justitie van 5 december 2008 heeft doen zeggen, dat het besluit niet kan worden overgelegd vanwege het in het ongerede geraken van het dossier uit de administratie van het ministerie; dat het heel dossier ontbreekt; dat vermeld dient te worden dat verzoeker erkend heeft dat een besluit is genomen;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zo juist overwogene opmerkt, dat voormeld besluit een belastend (bezwarend) besluit moet zijn omdat hij –verzoeker- naar uit zijn stellingen blijkt, als gevolg daarvan in zijn belang is geschaad;

Overwegende, dat verweerder gesteld noch doen blijken heeft het besluit ter kennis van verzoeker te hebben gebracht op een der in artikel  5 lid 2 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) aangegeven wijzen;

Overwegende, dat gemeld besluit dan ook niet ten detrimente van verzoeker vermag te werken;

Overwegende voorts, dat het het Hof geheel ontgaat hoe verzoeker het rechtsmiddel van beklag binnen de administratie zou kunnen aanwenden tegen een besluit om dat besluit aan te vechten als hem dat besluit door toedoen van verweerder niet ter kennis is gebracht en hij niet heeft kunnen verzoeken om buiten werkingstelling van dat besluit;

Overwegende voorts, dat verzoeker door de gedraging van verweerder als hiervoren vermeld tevens de mogelijkheid is ontnomen het Hof als gerecht in ambtenaren te adiëren en te verzoeken om vernietiging van dat besluit;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend, dan ook beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Veroordeelt verweerder tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan verzoeker te betalen zijn bezoldiging te rekenen vanaf 1 januari 1992 tot de beëindiging van het dienstverband met verweerder op regelmatige wijze vermeerderd met alle verhogingen die sindsdien aan landsdienaren zijn toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 11 januari 2007;

 

Aldus gewezen door: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 19 december 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-griffier.

 

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigde, advocaten mr. A.R. Baarh en mr. H.A.M. Essed, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.