SRU-HvJ-2023-29

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [APPELLANT], tegen de beschikking van de Rechter – Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 7 februari 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 25 januari 2023 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 371 lid 4; 371 jo 72; 371 jo 73; 480; 481 van het Wetboek van Strafrecht; 

Het verloop van de behandeling

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 9 februari 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 9 februari 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 10 februari 2023 om 13.30 uur des namiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord;

  • de waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar 

Ministerie.

  • de raadsman van de appellant, mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie.
  • de appellant (telefonisch).                     

Beschikking van de Rechter – Commissaris

Bij beschikking d.d. 07 februari 2023 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de verlenging van zijn inverzekeringstelling rechtmatig verklaard. 

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 07 februari 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 9 februari 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appèl. 

De grieven van appellant

De raadsman heeft namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • De rechter-commissaris heeft aangegeven dat een verklaring van LOM-school geen bewijs is dat verdachte met succes een beroep kan doen op het bestaan van een schulduitsluitingsgrond. De verdediging heeft nimmer een beroep gedaan op een schulduitsluitingsgrond. De rechter-commissaris heeft dit verkeerd geïnterpreteerd. Verder zegt de vaste jurisprudentie niet dat de verdachte dit moet bewijzen. De verdachte behoort de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond slechts aannemelijk te maken. 
  • [Verdachte] is zwakzinnig, dit zegt de verdediging vanwege het feit dat hij zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan een zedendelict. Hij begreep niet dat hij strafbaar was en het OM heeft hem dus na 2 weken vrijgelaten. [Verdachte] heeft aangegeven dat de andere verdachte alles op zich zou nemen. Hiermee bekent hij zelf dat hij ook schuldig is aan het strafbaar feit. Iemand met een normale IQ zou zich zelf dus niet verraden op zo een manier. [Verdachte] is iemand die heel makkelijk te manipuleren is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • De inverzekeringstelling is wel rechtmatig. Uit de feitelijke gegevens is dit dus gebleken. Klaverweide bekent de ruitenwissers te hebben gestolen. Bij de andere verdachte zijn er een aantal spullen gevonden. De verdachte [Appellant] bekent ook spullen te hebben genomen. 
  • De camerabeelden van de brandweer leveren heel veel bewijs op tegen de verdachte. Als er gekeken wordt naar datgene wat de verdachte zegt en naar datgene wat wij gevonden hebben, dan zeg ik dat wij heel veel hebben gevonden. 
  • In het bestand van het OM heb ik niets kunnen achterhalen, dat de verdachte al eerder in aanraking is gekomen met justitie. 
  • Verder is er nog sprake van onderzoeksbelang.

De beoordeling 

  • De eerste grief besprekend komt het Hof tot het oordeel dat de kwalificatie die  de rechter-commissaris heeft gegeven aan de grondslag van het verzoek tot invrijheidstelling kennelijk onjuist is. Gegrondverklaring van die grief leidt evenwel niet tot vernietiging van de beroepen beschikking. Het Hof zal de aangevoerde grondslag door de advocaat opnieuw beoordelen en verbeterd lezen.
  • Die grondslag beoordelend is het Hof van oordeel dat uit het telefonisch verhoor van appellant is gebleken dat hij wel in staat is om de reikwijdte van het gevolg van zijn handelen te overzien. Dat hij dermate zwakzinnig zou zijn dat hij in de range komt van bepaalde diersoorten zoals de “black crow” van Caledonië, bepaalde dolfijnsoorten en apensoorten zoals de verdediging heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk geworden. De daartoe strekkende grief zal derhalve worden verworpen en zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard. 

Naar het oordeel van het Hof bestaat er nog een dringende noodzaak voor het continueren van de detentie van appellant en derhalve zal het beroep ongegrond worden verklaard.  

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het hoger beroep van verzoeker/appellant [Appellant] ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op 07 februari 2023. 

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op 13 februari 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door:

Mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S. Punwasi, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de ad-hoc fungerend-griffier mw. Z.T.B. de Lisle LL.B.

w.g. Z.T.B. de Lisle     w.g. A. Charan
                                  w.g. M.C. Mettendaf
                                  w.g. S. Punwasi

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze

(mr. E.M. Ommen-Dors)
Substituut-Griffier

 

 

 

SRU-HvJ-2010-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14413.

 

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DE SURINAAMSCHE BANK N.V., gevestigd  te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Henck Arronstraat no. 26 – 30, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 14, voor wie als gemachtigde optreedt mr. F. Kruisland, advocaat,

appellante in Kort Geding,

t e g e n

A. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11;

B. [Geïntimeerde], wonende te [Plaats]

aan de [Adres], voor wie als gemachtigde optrad, mr. L. Punwasi-Raghoebier, die thans vervangen wordt door mr. F.M.S. Ishaak, advocaat, 

geïntimeerden in Kort Geding,                                                                                                

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hoven  interlocutoir vonnis van 15 januari 2010 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Het Hof verwijst naar het op 15 januari 2010 in deze zaak tussen partijen gewezen tussenvonnis en volhardt bij de inhoud van dat tussenvonnis.

  1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep na het op 15 januari 2010 gewezen en uitgesproken tussenvonnis

1.1 Op 5 februari 2010 heeft de griffier van het Hof van Justitie ter uitvoering van het in deze zaak gewezen tussenvonnis de ordner met de 44- tal producties, waarop [Geïntimeerden] zich ter staving van de omvang van door hun geleden schade beroepen en welke ordner het Hof niet in het appéldossier had aangetroffen, ten processe overgelegd.

1.2 Vervolgens hebben zowel DSB als [Geïntimeerden] zich op 19 februari 2010 over de hiervoor vermelde ordner met de 44- tal producties uitgelaten.

1.3 De uitspraak van het vonnis is tenslotte nader bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 De kantonrechter in kort geding heeft in het bestreden vonnis met A.R. No. 082832 onder 2, sub 2.1 tot en met 2.11, een aantal feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Zoals blijkt uit de grieven en de stellingen bestaat over de weergave van de feiten vermeld onder 2.1, 2.2 en 2.4 tot en met 2.11 in het bestreden vonnis geen geschil tussen partijen, zodat deze feiten ook het Hof tot uitgangspunt dienen.

2.2 Voor wat betreft het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis bestaat over de weergave van dat feit wel een geschil. Het Hof komt op de grief die DSB ter zake heeft gevoerd hierna in de beoordeling terug.

  1. Beoordeling

3.1 Het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis

De eerste grief van DSB komt, verkort en zakelijk weergegeven, erop neer dat de kantonrechter in kort geding ten onrechte onder 2.3 van de feiten in het bestreden vonnis vermeldt dat besluiten rakende Suriname Leisure Company (hierna te noemen SLC) slechts konden worden genomen met zowel de toestemming van de A- als de B-directeuren. Daartoe voert DSB aan dat een dergelijke bepaling niet voorkomt in de Statuten van SLC en beroept zij zich ter staving hiervan op het bepaalde in artikel 12 lid 3 van de statuten van SLC. ln dat artikel staat onder meer vermeld: ”De aanwezigheid van tenminste één directeur A en twee directeuren B is vereist voor het vormen van een quorum op directievergaderingen. Besluiten van de Directie worden genomen met de volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige directeuren, die hun stem hebben uitgebracht.” 

Uit deze bepaling vloeit, aldus de grief van DSB, voort dat geen toestemming of instemming of akkoordverklaring was vereist van alle directeuren voor het rechtsgeldig nemen van een directiebesluit. Zoals het Hof het verweer van DSB begrijpt, heeft de kantonrechter in kort geding een andere interpretatie aan het bepaalde in artikel 12 lid 3 van de Statuten van SLC gegeven. Uit de inhoud van het eerder vermeld artikel leidt het Hof af, dat indien niet voldaan is aan de voorwaarde van het aanwezig zijn van tenminste 1 directeur A en 2 directeuren B op de directievergaderingen, de genomen besluiten ongeldig zijn ook al hebben die plaatsgevonden bij volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige directeuren. Met name leidt het Hof dit af uit de zinsnede ”De aanwezigheid van tenminste één directeur A en twee directeuren B is vereist voor het vormen van een quorum op directievergaderingen.”. Dit brengt het Hof tot het oordeel dat de wijze waarop de kantonrechter in kort geding het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis heeft verwoord een onjuiste weergave is van hetgeen in artikel 12 lid 3 van de Statuten van SLC staat vermeld, zodat DSB haar eerste grief doel treft. Derhalve zal het Hof het feit vermeld onder 2.3 in het bestreden vonnis doen vervangen als volgt: ln artikel 12 lid 3 van de Statuten van SLC staat voor zover voor de beslissing van belang, onder meer vermeld: ”De aanwezigheid van tenminste één directeur A en twee directeuren B is vereist voor het vormen van een quorum op directievergaderingen. Besluiten van de Directie worden genomen met de volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige directeuren, die hun stem hebben uitgebracht.”

3.2 De kern van het geschil

Naar het oordeel van het Hof bestaat tussen partijen een geschil omtrent de beantwoording van de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering of van het onnodige van het door [Geïntimeerden] gelegde conservatoir derdenbeslag blijkt.

In dat licht stelt het Hof voorop dat ingevolge artikel 596 van het Wetboek van

Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de kantonrechter (het Hof) gehouden is de

gelegde conservatoire beslagen op te heffen:

– indien de beslaglegger het verzoek tot vanwaardeverklaring van het gelegde beslag niet binnen acht dagen na de beslaglegging bij de daartoe bevoegde kantonrechter heeft ingediend;

– indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering of van het onnodige van het beslag mocht blijken;

– indien behoorlijke zekerheid is gesteld voor of betaling heeft plaatsgehad van de som voor welke het beslag gelegd is.

Voorts stelt het Hof voorop dat naar analogie van de vaste jurisprudentie, waarbij het Hof verwijst naar de arresten van H.R. 25 november 2005, NJ 2006, 148 en H.R. 30 juni 2006, RvdW 2006/670, het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing van het beslag vordert, in casu DSB, om, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger, in casu [Geïntimeerden], gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

3.3 De vijf overige grieven

Daar DSB middels de eerste grief en vijf overige grieven beoogt alle overwegingen in het vonnis – waarvan hoger beroep – te bestrijden, zal het Hof de vijf overige grieven hieronder, voor zover relevant, gezamenlijk bespreken. Volgens de vijf overige grieven van DSB hebben [Naam 1] en [Naam 2] met haar een afzonderlijke overeenkomst gesloten en is deze overeenkomst dus niet in strijd geweest met enige wettelijke bepaling of de openbare orde en goede zeden. Deze grieven treffen naar het oordeel van het Hof geen doel. Zoals het Hof de stellingen van [Geïntimeerden] begrijpt, was DSB op de hoogte van het dispuut tussen [Naam 2] en [Geïntimeerden] en kon [Naam 2] als gevolg van dit dispuut geen gelden vanuit de gezamenlijke rekening, zijnde de rekening van SLC, naar haar rekening in het buitenland overmaken. Dat DSB van dit dispuut kennis droeg hebben [Geïntimeerden] naar het oordeel van het Hof voldoende aannemelijk gemaakt middels overlegging van:

1) de brief van 28 oktober 1999, afkomstig van [Naam 8] en gericht aan DSB, in welke brief onder meer staat vermeld:

”Middels deze deel ik u mede dat de bevoegdheid tot het plegen van alle Financiële handelingen (checques, transfers) ten behoeve van SLC van de hierna te noemen personen (zie brief d.d. 18 augustus 1999) met onmiddellijke ingang onherroepeliik wordt in getrokken:

– [Naam 3]

– [Naam 4]

– [Naam 5]

– [Naam 6]

– [Naam 7].

Tevens deel ik u hierbij mede dat alle opdrachten tot het plegen van financiële transacties dienen voorzien te zijn van een handtekening van [Naam 8] of [Geïntimeerde] te samen met de handtekening van een van de hierna te

noemen gemachtigden:

– [Naam 9]

– [Naam 1]

– [Naam 10].”

2) de brief van 4 november 1999, afkomstig van [Naam 8] en gericht aan DSB, in welke brief onder meer staat vermeld: ”Naar aanleiding van ons telefonisch gesprek, wens ik graag van u te willen ontvangen de stukken met begeleidend schrijven van SLC naar u gestuurd op 3 augustus 1999 en 18 augustus 1999. Het gaat in deze om een zeer urgente zaak aangezien er sprake is van frauduleuze handelingen.”

3) de brief van 14 november 1999, afkomstig van DSB gericht aan SLC, in welke brief onder meer staat vermeld: ”Hierbij delen wij u mede dat wij met onmiddellijke ingang geen betalingen meer zullen verrichten ten laste van uw rekeningen in onze boeken, aangezien er onenigheid bestaat in uw bestuur.” Ondanks DSB kennis droeg van dit dispuut, heeft zij nadien de rekening ten name van [Naam 2] en [Naam 1] geopend, en daardoor dus redelijkerwijs heeft geweten of vermoed dat de door [Naam 2] en [Naam 1] bij haar geopende rekening bestemd was om de gelden toebehorend aan SLC, waartoe geïntimeerde sub A behoorde, op hun rekening te storten en vervolgens via DSB naar het buitenland over te maken, welke overmakingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. DSB voert hiertegen evenwel aan dat de met [Naam 2] en [Naam 1] gesloten overeenkomst niet in strijd is met enige wettelijke bepaling of de openbare orde en goede zeden, doch gaan die stellingen naar het oordeel van het Hof niet op. Dit, omdat de door [Geïntimeerden] gepleegde overmakingen dan wel handelingen, naar het voorlopig oordeel van het Hof in de zin van artikel 1362 BW als onverplicht verricht dienen te worden aangemerkt dan wel onrechtmatig.

3.4 De omvang van de schade

3.4.1 Nu voldoende aannemelijk is dat DSB wel een onrechtmatige daad jegens [Geïntimeerden] heeft gepleegd, is thans aan de orde de vraag wat mogelijkerwijs de schade is die [Geïntimeerden] als gevolg van dit handelen hebben geleden.

3.4.2 DSB heeft aangevoerd dat [Geïntimeerden] niet hebben gespecificeerd dan wel gesteld wat de hoogte is van het bedrag van de schade waarvoor zij, DSB,

aansprakelijk is. Hieruit begrijpt het Hof dat DSB zich erop beroept dat de

[Geïntimeerden] niet hebben voldaan aan hun stelplicht en zij als gevolg hiervan geen gedegen verweer kan voeren.

3.4.3 Vooropgesteld wordt dat [Geïntimeerden] in het beslagrekest d.d 25 juni 2008 onder 4 stellen dat zij schade hebben geleden tot een bedrag van in totaal US$ 105.345.429, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2008 en € 250.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Hoe zij aan de hoogte van dit bedrag komen, hebben [Geïntimeerden] gespecificeerd in de hierna vermelde schadeposten:

  1. geldleningen ad US$ 9.971 .278,10, vermeerderd met de contractuele rente ad 3% per maand vanaf 1 juli 2008;
  2. huuropbrengsten ad US$ 683.335 vermeerderd met 5% rente per jaar vanaf 31 januari 2000 wegens te late betaling alsmede een bedrag van US$ 1.000.000,-;

lll. gederfde huurinkomsten ad US$ 8.954.932,-;

lV. gederfde inkomsten en winst ad US$ 84.735.884,-;

V. gemaakte kosten (verblijf, reis, schade, accountant) de afgelopen 10 jaren ad US$ 250.000,-.

3.4.4 Zoals hiervoor onder 3.3 is overwogen dienen de door DSB gepleegde handelingen te worden aangemerkt als te zijn onverplicht verrichte handelingen in de zin van artikel 1362 BW, en kan DSB naar het voorlopig oordeel van het Hof dus slechts worden aangesproken voor de schade die [Geïntimeerden] als gevolg van die handelingen hebben geleden, zijnde de overmakingen die DSB vanuit de rekeningen van SLC, [Naam 1] en [Naam 2] naar het buitenland heeft gepleegd. Het Hof constateert dat, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4.3 is overwogen, [Geïntimeerden] het totaal bedrag aan overmakingen door DSB naar het buitenland niet als schadepost in hun specificatie van de door hun vermeend geleden schade hebben opgenomen. Dit, terwijl – naar het oordeel van het Hof – de vaststelling van de omvang van de hoogte van de door [Geïntimeerden] geleden schade – voor wat betreft het aandeel van DSB daarin – in overwegende mate daarop zou moeten zijn gebaseerd. Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de hoogte van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, zijnde het bedrag van US$ 125.000.000,-, niet ondubbelzinnig aannemelijk is geworden, zodat het gelegd beslag vexatoir en onrechtmatig wordt geacht. Derhalve zal de onderhavige primaire gevraagde voorziening worden toegewezen.

3.4.5 Nu de primair gevraagde voorziening zal worden toegewezen, komt het Hof niet toe aan de beoordeling van het subsidiair gevorderde.

6 Beslissing

– Vernietigt het vonnis, waarvan hoger beroep

En beslist opnieuw:

– Heft op het door [Geïntimeerden] bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Tjanderdewkoemar Jhagroe d.d. 4 juli 2008 no. 409 gelegde conservatoir beslag onder handen van de Centrale Bank van Suriname op alle gelden, geldswaarden, geldswaardige papieren en/of goederen, welke zij, de Centrale Bank van Suriname, verschuldigd mocht zijn of worden aan De Surinaamsche Bank N.V. of van haar onder haar berusting mocht hebben of verkrijgen.

– Verklaart hetgeen hiervoor is beslist uitvoerbaar bij voorraad.

– Veroordeelt [Geïntimeerden] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSB op SRD. 675,–;

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.M.M. Chu, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 april 2010, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

 

w.g. S.C. Berenstein                    w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat mr. F. Kruisland en geïntimeerden vertegenwoordigd door  advocaat mr. A.S.N. Adhin namens hun gemachtigde, advocaat mr. F.M.S. Ishaak, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                            

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2024-11

GR- 15766

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

A.A. RENTAL SERVICES N.V.,

kantoorhoudend te Paramaribo,

appellante,

gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

DE MARITIEME AUTORITEIT SURINAME (M.A.S.),

kantoorhoudend te Paramaribo,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen appellante als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en geïntimeerde als eiseres in conventie en als gedaagde in reconventie gewezen vonnis van 8 januari 2019  (E.K. A.R. No. 13-2819), spreekt het Hof, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen;

  • het proces-verbaal van de griffier der Kantongerechten van 14 mei 2019, waarin is vermeld dat tegen het vonnis van 8 januari 2019 op 14 mei 2019 door appellante hoger beroep is ingesteld;
  • de pleitnota van appellante van 17 januari 2020 met bijlagen;
  • de antwoord pleitnota van geïntimeerde van 16 oktober 2020;
  • de repliek pleitnota van appellante van 5 februari 2021;
  • de dupliek pleitnota van geïntimeerde van 7 mei 2021.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

1. De griffiersbrief is op 7 mei 2019 aan appellante verzonden die niet bij de uitspraak aanwezig was. Het beroep van appellante is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat zij daarin kan worden ontvangen.
2. Geïntimeerde vordert in dit geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van appellante tot betaling van een bedrag van US$ 46.655,- vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar vanaf de dag van indiening tot aan die van de algehele voldoening.
3. De grondslag van deze vordering is dat appellante in de periode van april 2009 tot en met februari 2011 meerdere malen schepen door geïntimeerde heeft laten loodsen waarvoor appellante ingevolge artikel 6 van het Decreet loodswezen loodsgeld aan geïntimeerde verschuldigd is. Die gelden heeft appellante ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestellingen niet voldaan waardoor zij wanprestatie pleegt en gehouden is de schade die geïntimeerde daardoor lijdt, zijnde 15% incassokosten van het te innen bedrag vermeerderd met omzetbelasting te vergoeden.

4. Bij het vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van US$ 46.172,59 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2013.

5. Appellante vordert in dit geding de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van US$ 348.350,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2004 tot aan de dag der algehele voldoening. Aan deze vordering ligt de stelling ten grondslag dat geïntimeerde haar plicht uit artikel 3 lid 1 van de wet waarbij geïntimeerde is opgedragen de vaargeulen schoon en netvrij te houden niet is nagekomen waardoor appellante schade heeft geleden, bestaande uit materiaalkosten ad US$ 48.350,- en inkomstenderving ad US$ 300.000,-.

6. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep integraal afgewezen.

7. Tegen dit vonnis heeft appellante drie grieven ontwikkeld.
Grief I: ten onrechte heeft de kantonrechter aangenomen c.q. overwogen dat geïntimeerde recht heeft op de gevorderde loodsgelden.
In de toelichting op deze grief heeft appellante aangevoerd dat geïntimeerde geen recht heeft op deze gelden omdat zij in het geheel niet geloodst heeft.

8. Deze grief faalt.
Uit het proces-verbaal van 11 mei 2018, opgemaakt naar aanleiding van de gehouden comparitie van partijen blijkt dat het schip van appellante meer dan 50 ton kan vervoeren.
Ingevolge artikel 4 van het Decreet op het loodswezen is de gezagvoerder van dit schip verplicht gebruik te maken van de diensten van een loods indien dit schip een van de in artikel 4 genoemde wateren binnenvaart, uitvaart of bevaart. In artikel 5 lid 1 zijn vaartuigen omschreven die uitgezonderd zijn van het gebruik van een loods. Aan geen van die omschrijvingen voldoet het schip van appellante zodat de in dit artikel omschreven uitzondering op het ten processe bedoelde schip niet van toepassing is.
Artikel 6 lid 2 van het Decreet bepaalt:
“2. Ook, indien niet van de diensten van een loods wordt gebruik gemaakt, blijft het loodsgeld verschuldigd, met inachtneming van het in artikel 5 eerste lid bepaalde.”

9. Dat betekent dus dat ook in het geval appellante geen gebruik heeft gemaakt van de diensten van geïntimeerde, zij de loodsgelden als had zij wel gebruik gemaakt van die diensten, verschuldigd blijft.

10. Met grief II bestrijdt appellante het oordeel van de kantonrechter dat zij de gevorderde incassokosten verschuldigd is.
In de toelichting op deze grief voert appellante aan dat procesvertegenwoordiging niet verplicht is en dat als een partij ervoor kiest een advocaat in de arm te nemen, deze partij zelf voor deze kosten dient op te draaien.

11. Ook deze grief mist doel.
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat nu appellante weigerde de verschuldigde loodsgelden te betalen, de kosten die geïntimeerde heeft moeten maken om deze gelden te innen, voor rekening van appellante dienen te komen.

12. Volgens grief III heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat appellante niet voldaan heeft aan haar stelplicht met betrekking tot de door haar gestelde door geïntimeerde gepleegde onrechtmatige daad.
In het kader van deze grief betoogt appellante dat op geïntimeerde de verplichting rust de vaargeul schoon te houden. Ten bewijze van haar stelling dat geïntimeerde deze verplichting niet is nagekomen heeft zij bescheiden overgelegd die volgens haar kopieën uit haar logboek zijn.
Door geïntimeerde is gesteld dat deze producties en de inhoud ervan op geen enkele wijze kunnen worden geverifieerd.

13. Naar het oordeel van het hof heeft appellante nog steeds niet voldaan aan haar stelplicht.
Immers, uit de overgelegde producties kan slechts worden afgeleid dat iemand – wellicht namens appellante – schrijft contact te hebben opgenomen met geïntimeerde en iets gemeld te hebben. Of dat ook betekende dat geïntimeerde een verwijt is gemaakt en dat dat terecht was, kan in het geheel niet worden vastgesteld. Daargelaten nog dat voor de door appellante gestelde omvang van de schade in het geheel geen bewijs is bijgebracht,
De kantonrechter heeft dan ook terecht de vordering van appellante afgewezen.

14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep moet worden bevestigd met veroordeling van appellante in de proceskosten.

15. De beslissing

Het hof:

  • bevestigt het vonnis waarvan beroep gewezen onder rolnummer  A.R. no.13-2819;
  • veroordeelt appellante in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde tot aan dit vonnis begroot op nihil.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V.  Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 april 2024, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M.J. Stuurland.

 

w.g. M.J. Stuurland           w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. N.A. Soekhlal-Tedjoe namens advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2024-10

GR-15764

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[Appellant], 

wonende te Amsterdam, Nederland,

appellant,

verder te noemen: [Appellant],

gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [Plaats],

geïntimeerde, 

verder te noemen: [geïntimeerde],

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen [Appellant] als eiser en [Geïntimeerde] als gedaagde gewezen en uitgesproken vonnis van 2 mei 2016 (A.R. No. 14-1708) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 2 juni 2016 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [Appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de akte niet dienen, verleend op 3 juli 2020.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling 

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellant] daarin kan worden ontvangen. 
  2. [Appellant] is in de gelegenheid gesteld een pleitnota in te dienen. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Door hem is ook geen memorie van grieven ingediend. 
  3. Nu geen grieven tegen het bestreden vonnis zijn aangevoerd en het Hof geen aanleiding ziet dit vonnis ambtshalve te vernietigen, zal het worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [Appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. 

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 2 mei 2016 (A.R. No. 14-1708),

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot de tot aan deze uitspraak gevallen kosten aan de zijde [Geïntimeerde] op nihil.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 februari 2024, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Stuurland, Fungerend-Griffier.

w.g. M.J. Stuurland                   w.g. S.S.S. Wijnhard

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2025-21

Civar no. 2023H00098

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

 

A. [APPELLANT SUB A], 

B. [APPELLANT SUB B],

echtelieden, beiden wonend in Den Haag, Nederland, appellanten,

hierna: [Appellanten],

gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde], in rechte geheten [Geïntimeerde], wonend te [Plaats],

geïntimeerde,

hierna: [Geïntimeerde],

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

 

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 26 januari 2023 (CIVAR 202202942) tussen [Appellanten] als eisers en [Geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 20 april 2023 van de griffier der kantongerechten, waarin staat vermeld dat [Appellanten] tegen bovengenoemd vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota van 1 maart 2024;
  • de antwoordpleitnota van 3 mei 2024.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep

1 Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellanten] daarin kunnen worden ontvangen.

2. Bij vonnis tussen partijen van 3 december 2021 (G.R. no. 15-359 en 15-359A) heeft het Hof, voor zover van belang, [Appellanten] veroordeeld aan [Geïntimeerde] € 18.045,21 als achterstallige rente over de periode 11 januari 2005 tot maart 2011 te betalen, alsmede de overeengekomen rente conform de tussen partijen op 11 januari 2005 gesloten overeenkomst met ingang van maart 2011. Tevens heeft het Hof het door [Geïntimeerde] op een aan partijen bekend onroerend goed (hierna: het onroerend goed) gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard. Op 22 augustus 2022 hebben [Appellanten] via de ABN AMRO Bank € 18.045,21 aan [Geïntimeerde] overgemaakt.

3. In hun inleidend verzoekschrift in de onderhavige zaak hebben [Appellanten] de opheffing en doorhaling van het beslag op het onroerend goed gevorderd, stellende dat zij door de betaling van genoemd bedrag van € 18.045,21 aan hun verplichtingen tegenover [Geïntimeerde] op grond van genoemd vonnis van 3 december 2021 hebben voldaan. De kantonrechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep afgewezen en daarbij, kort weergegeven, overwogen dat [Appellanten] wel het bedrag van € 18.045,21 hebben betaald, maar niet de rente vanaf maart 2011.

4. [Appellanten] voeren tegen het vonnis waarvan beroep als enige grief aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij met de betaling van € 18.045,21 nog niet aan de veroordeling in het vonnis van 3 december 2021 hebben voldaan. Volgens hen hebben zij wel degelijk aan dit vonnis voldaan, zodat het beslag op het onroerend goed dient te worden opgeheven.

5. Met [Geïntimeerde] is het Hof van oordeel dat de kantonrechter de vordering tot opheffing van het beslag terecht heeft afgewezen. Het Hof heeft [Appellanten] bij het vonnis van 3 december 2021 veroordeeld tot betaling van zowel de achterstallige rente van € 18.045,21 als de door hen bij de koopovereenkomst overeengekomen rente met ingang van maart 2011. Het beslag omvat beide bedragen. Dat betekent dat [Appellanten] door betaling van uitsluitend € 18.045,21 nog niet aan hun verplichtingen hebben voldaan, maar tevens de rente vanaf maart 2011 tot aan de volledige voldoening dienen te betalen.

6. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bevestigd, met veroordeling van [Appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Geïntimeerde] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof

  • bevestigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 26 januari 2023 (CIVAR 202202942);
  • veroordeelt [Appellanten] tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Geïntimeerde] tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis  is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr.  M.V. Kuldip Singh, en mr. A.C. Johanns, Leden, en door mr. S.S.S. Wijnhard uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 november 2025, in tegenwoordigheid van dhr. R.S. Dewkalie, LL.B., Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.S. Dewkalie    w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van appellanten en advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2025-20

Civarno. 2023H00091

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[APPELLANT],
wonend in Fontenoy-le-Château, Frankrijk,
appellant in kort geding, hierna: ‘[Appellant]’, gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat.

tegen

[GEÏNTIMEERDE],
wonend in [Plaats],
geïntimeerde in kort geding, hierna: ‘[Geïntimeerde]’,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 23 februari 2023 bekend onder CIVAR No. 202300137 tussen [Geïntimeerde] als eiser en [Appellant] als gedaagde,

01424spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van 13 maart 2023 waaruit blijkt dat [Geïntimeerde] op die dag hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van mr. Ansaar Guman van 1 maart 2024;
  • de antwoordpleitnota van mr. Vos van 5 april 2024.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Ontvankelijkheid

2.1 Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat [Appellant] noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

2.2 Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 9 maart 2023 aan [Appellant] meegedeeld. [Appellant] heeft op 13 maart 2023 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis.

2.3 Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellant] daarin kan worden ontvangen.

  1. De beoordeling in hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak samengevat om het volgende. [Appellant] heeft een rechtszaak (een bodemprocedure) gevoerd tegen [Geïntimeerde] en vier andere gedaagden (eveneens met de achternaam [Geïntimeerde]) over een perceelland in het [District] ter grootte van 12 hectare. [Appellant] vorderde in die procedure primair de veroordeling van de gedaagden, onder wie [Geïntimeerde], tot overdracht van dat perceel, en subsidiair de ontbinding van de volgens hem tussen partijen gesloten koopovereenkomst en veroordeling van gedaagden, onder wie [Geïntimeerde], tot betaling van het volgens [Appellant] voor dit perceel betaalde bedrag van EURO 48.000. Bij vonnis van 25 augustus 2020 (hierna: het bodemvonnis) heeft de kantonrechter de subsidiaire vordering van [Appellant] toegewezen, met hoofdelijke veroordeling van de gedaagden, onder wie [Geïntimeerde], tot betaling aan [Appellant] van EURO 48.000 vermeerderd met de wettelijke rente. Het bodemvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het tegen het bodemvonnis ingestelde hoger beroep (Civarno. 2020H00100) is nog niet in staat van wijzen.

3.2 Vervolgens heeft [Geïntimeerde] in kort geding staking van de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis gevorderd. Bij het vonnis in kort geding waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van [Geïntimeerde] grotendeels toegewezen en de executie van het bodemvonnis geschorst.

3.3 De kantonrechter heeft blijkens zijn beoordeling de beoordelingsmaatstaf gehanteerd zoals door de Nederlandse Hoge Raad geformuleerd in zijn arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026, Strandhotel). Na te hebben overwogen, samengevat, dat uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling ook hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn en dat een belangenafweging afwijking van dit uitgangspunt kan rechtvaardigen, heeft de kantonrechter het volgende overwogen:

’Belangenafweging

4.7 Thans rest nog de beantwoording van de vraag of het belang van eiser om gedurende het hoger beroep niet aan het bodemvonnis te voldoen, zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij een directe tenuitvoerlegging van het bodemvonnis.

4.8 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij een dringend belang dat de executie van het vonnis wordt aangehouden, totdat in hoger beroep zal zijn beslist daarover. Hiertoe stelt eiser dat gedaagde de openbare verkoop van het perceelland waarop het conservatoir beslag is gelegd, heeft gevorderd. Toewijzing van de openbare verkoop, terwijl de kans aanwezig is dat in hoger beroep anders kan worden beslist, zal een aanzienlijke schade teweeg brengen voor hem, aldus eiser. Voorts stelt eiser dat, gezien het restitutierisico, geen zekerheid bestaat dat gedaagde bij een eventuele openbare verkoop van het perceelland, het verkochte zal kunnen restitueren en/of de geleden schade zal kunnen vergoeden indien het Hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het door gedaagde gevorderde zal afwijzen. Dit geldt met name omdat gedaagde woonachtig is in het buitenland, aldus eiser.

4.9 Gedaagde voert aan dat hij ernstig zal worden geschaad in zijn belang, indien de executie van het vonnis zal worden stopgezet of gestaakt. Voorts dat hij zijn geld dringend nodig heeft.

4.10 Overwogen wordt dat gedaagde geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid welk belang hij heeft om tot directe tenuitvoerlegging van het bodemvonnis over te gaan, dan wel de behandeling in hoger beroep niet af te wachten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde, gelet op hetgeen hiervoor onder punt 4.9 van dit vonnis is overwogen, slechts volstaan met het poneren van juridische stellingen, doch heeft nagelaten die feitelijk te onderbouwen. Het voorgaande leidt ertoe dat het belang van eiser voldoende aannemelijk is geworden en zwaarder weegt dan het belang van gedaagde, zodat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld het hoger beroep af te wachten, voordat tot executie van het bodemvonnis wordt overgegaan.

4.11 Al het voorgaande leidt ertoe dat de gevraagde voorzieningen toewijsbaar zijn […]’

3.4 De beslissing van de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep luidt als volgt:

’5.1 Schorst de executie van het bodemvonnis tussen partijen gewezen vonnis van 25 augustus 2020 bekend onder AR. No. 13-3132, totdat in hoger beroep door het Hof van Justitie definitief zal zijn beslist, dan wel totdat het vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen.

5.2 Veroordeelt gedaagde om dit vonnis te gehengen en te gedogen.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van

SRD 100.000,=  (Een honderdduizend Surinaamse dollar) per dag, voor elke dag dat gedaagde in strijd handelt met hetgeen is beslist onder punt 5.2 van dit vonnis, tot een maximum van SRD 500.000,- (Vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

5.6 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 8.400,- (Achtduizend en vierhonderd Surinaamse dollar). ’

3.5 [Appellant] heeft in zijn pleitnota drie grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. Samengevat luiden zijn grieven:

  1. De kantonrechter is eraan voorbijgegaan dat [Geïntimeerde], die als enige gedaagde in de bodemprocedure was verschenen, slechts voor zichzelf staking kon vorderen en had het bodemvonnis hooguit ten aanzien van alleen [Geïntimeerde] kunnen schorsen.
  2. De kantonrechter heeft iets anders toegewezen dan gevorderd, te weten schorsing in plaats van de gevorderde stopzetting althans staking.
  3. De kantonrechter heeft [Appellant] ten onrechte in de proceskosten veroordeeld, terwijl er geen sprake was van misbruik van executiebevoegdheid toen hij de executie aanving.

3.6 De eerste grief strandt reeds op de omstandigheid dat dit hoger beroep uitsluitend de partijen aangaat die in dit beroep zijn betrokken, dus uitsluitend [Appellant] en [Geïntimeerde]. De grief richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de andere gedaagden in eerste aanleg. Die beslissing ligt niet voor. Het gaat nu slechts om de beslissing ten aanzien van [Geïntimeerde].

3.7 De tweede grief slaagt evenmin. De uitgesproken schorsing van de executie van het bodemvonnis komt op hetzelfde neer als de gevorderde stopzetting en staking daarvan. Het gaat in civiele zaken steeds om de strekking van een vordering, niet om de precieze woordkeuze.

3.8 De grief van [Appellant] met betrekking tot de proceskostenveroordeling strandt op het bepaalde in artikel 59 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: Wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, wordt in de kosten verwezen.

3.9 Het Hof heeft ook ambtshalve geen bedenkingen bij de belangenafweging en de beslissingen van de kantonrechter. De stelling van [Appellant] in eerste aanleg dat artikel 272   Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de weg staat aan de ontvankelijkheid van [Geïntimeerde]’s vordering in dit kort geding heeft de kantonrechter terecht verworpen. De mogelijkheid om het Hof op grond van dat artikel te verzoeken de executie te staken, laat de bevoegdheid onverlet om dit wegens gesteld onrechtmatig handelen te vorderen in kort geding.

3.10 De grieven van [Appellant] slagen niet. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. [Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

 

Aldus gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 7 maart 2025, in tegenwoordigheid van

Dhr. R.S. Dewkalie LL.B., Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.S. Dewkalie      w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. M.A. Guman en mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van partijen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2025-19

Civar no. 2023H00039

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[APPELLANT],
wonend in het district [District],
ten deze woonplaats kiezend ten kantore van Juridisch Advies Bureau Kanhai N.V.,
appellant,
hierna: [Appellant],
gemachtigde: mr. A.W.R. Kanhai, advocaat,

tegen

DE ANTON DE KOM UNIVERSITEIT VAN SURINAME,

kantoorhoudend te Paramaribo,
geïntimeerde,
hierna: Adek,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 12 januari 2023 (CIVAR No. 202202517) tussen [Appellant] als eiser en Adek als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 18 januari 2023 van de Griffier der Kantongerechten, waarin is
  • vermeld dat [Appellant] tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 19 januari 2024, met een productie;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 maart 2024.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellant] daarin kan worden ontvangen.
  2. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft [Appellant] gevorderd, zakelijk weergegeven, dat Adek zal worden veroordeeld om hem binnen 1 x 24 uur na de uitspraak voor het collegejaar 2022/2023 in te schrijven en hem bij de eerstvolgende tentamenronde tot het tentamen Dermatologie, studie Geneeskunde, fase B-III toe te laten, onder verbeurte van een dwangsom en met advocaatkosten en proceskosten. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen met veroordeling van [Appellant] in de proceskosten.
  3. [Appellant] voert tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aan:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de bekrachtiging van zijn cijfer (op de juiste wijze) heeft plaatsgevonden.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter niet geoordeeld dat Adek zich als bestuursorgaan bij de toepassing van de Onderwijs- en Examenregeling (OER) van Adek niet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de belangenafweging, heeft gehouden.

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter het geschil beperkt tot de vraag of Adek [Appellant] al dan niet rechtmatig heeft uitgeschreven in plaats van daarbij tevens het OER te betrekken.

  1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het Hof daarvan zal uitgaan. Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. [Appellant] is in 2014 als student Geneeskunde bij Adek ingeschreven. Bij brief van 11 november 2021 heeft het Bestuur van Adek hem laten weten dat hij, na het tentamen B-lll Dermatologie voor de vijfde keer niet te hebben gehaald, nog één kans kreeg dit tentamen met een voldoende resultaat af te ronden, en dat hij anders onherroepelijk zou worden uitgeschreven. Nadat [Appellant] bij deze zesde keer (na correctie) een 5,3 had behaald, heeft het Bestuur van Adek hem bij brief van 31 januari 2022 laten weten dat hij met onmiddellijke ingang werd uitgeschreven.
  2. Volgens [Appellant] was hij al uitgeschreven (op 31 januari 2022), voordat het cijfer werd bekendgemaakt (17 februari 2022). Hij was daardoor niet meer in de gelegenheid een hercorrectie aan te vragen. Het Hof verwerpt dit standpunt. Het cijfer voor het tentamen is na de correctie op 12 januari 2022 bekrachtigd en als zodanig aan [Appellant] meegedeeld. Gelet op artikel 4.10 lid 4 OER zijn cijfers bindend na bekrachtiging door de Examencommissie. Dat moet binnen (niet, zoals [Appellant] lijkt te suggereren, na) 25 werkdagen na bekendmaking van het tentamenresultaat geschieden. De Examencommissie heeft het cijfer van [Appellant] (na correctie met 0,1 punt) op 12 januari 2022 definitief bekrachtigd, dus kort na de bekendmaking van het aanvankelijke cijfer 5,2. De plaatsing van het cijfer op een lijst heeft geen betekenis, nog daargelaten dat niet duidelijk is waarop de door [Appellant] bij repliek in eerste aanleg overgelegde lijst betrekking heeft. Daarop staat immers een ander cijfer (6,5, afgerond zeven). Voor zover [Appellant] geen hercorrectie heeft aangevraagd, valt dit hemzelf te verwijten. De eerste grief wordt dan ook verworpen.
  3. Met zijn tweede grief verwijt [Appellant] Adek, kort gezegd, dat zij bij de toepassing van de OER in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het Hof verwerpt ook dit standpunt. Uit de gebleken feiten en omstandigheden valt af te leiden dat Adek aan [Appellant] juist een extra kans heeft geboden, ook al had zij hem na de vijfde keer kunnen uitschrijven. Deze flexibiliteit heeft dus in het voordeel van [Appellant] uitgewerkt. Het feit dat hij na uitschrijving niet naar een andere universiteit in Suriname kan, valt Adek niet te verwijten. Ook de tweede grief faalt dus.
  4. Met zijn derde grief verwijt [Appellant] de kantonrechter dat hij de OER niet in aanmerking heeft genomen. Uit rechtsoverweging 4.5 van het vonnis waarvan beroep valt af te leiden dat de kantonrechter de OER juist wel in zijn oordeel heeft betrokken. Deze grief faalt dus eveneens.
  5. Nu alle grieven falen, zal het vonnis waarvan beroep worden bevestigd. [Appellant] zal als de partij die in het ongelijk is gesteld, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden tot aan deze uitspraak aan de zijde van Adek begroot op SRD nihil.

Beslissing in hoger beroep

Het Hof

  • bevestigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 12 januari 2023 (CIVAR 202202517);
  • veroordeelt [Appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Adek begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. A.C. Johanns, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag  18 juli 2025, in tegenwoordigheid van mevr. S. Kesharie, LL.B., Fungerend-Griffier.

 

w.g. S. Kesharie      w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens de advocaten mr. A.W.R. Kanhai en mr. M.G.A. Vos, gemachtigden van partijen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2025-18

Civar no. 2022H00247

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[APPELLANTE], hierna: ‘appellante’,
wonend in [Plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

SURICHANGE BANK N.V., hierna: ‘de bank’,
geïntimeerde,
wonend in Paramaribo,
gemachtigde: mr. S. Boedhoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 8 november 2022 bekend onder A.R. 19-2603 tussen appellante als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en de bank als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier van 30 november 2022 waaruit blijkt dat appellante die dag hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van mr. Vos van 7 juli 2023;
  • de antwoord pleitnota van mr. Boedhoe van 19 januari 2024.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Ontvankelijkheid

Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat appellante niet bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Haar is het vonnis bij brief van de griffier van 29 november 2022 toegezonden. Appellante heeft op 30 november 2022 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellante daarin kan worden ontvangen.

  1. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. Appellante is in 2011 in algehele gemeenschap gehuwd met [Naam 1], hierna: [Naam 1]. Het huwelijk is in 2020 door echtscheiding ontbonden.

b. [Naam 1] was sinds 2005 tot kort voor zijn pensionering per 31 december 2018 bij de bank werkzaam als directeur.

c. Tot de gemeenschap van goederen van appellante en [Naam 1] behoorden termijndeposito’s bij de bank. Het betrof termijndeposito’s I t/m VII op naam van [Naam 1] en termijndeposito’s VIII t/m XIII op naam van [Naam 1] “en/of”  appellante. De termijndeposito’s vertegenwoordigden tezamen een waarde van USD 1.405.000.

d. Alle deposito’s hadden een looptijd van vijf jaar. Op de desbetreffende certificaten staat vermeld: “Wij vestigen tevens uw aandacht op dat vervroegde opname van deposito’s niet is toegestaan”.

e. [Naam 1] heeft alle termijndeposito’s vervroegd, voor de afloop van de looptijd van vijf jaren, geïncasseerd, zonder medeweten en zonder medewerking van appellante.

f.  Door appellante zijn conservatoire beslagen gelegd ten laste van de bank.

  1. Het geding in eerste aanleg

4.1 In eerste aanleg heeft appellante gevorderd om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de bank te veroordelen tot betaling aan appellante van USD 702.500 (de helft van USD 1.405.000), vermeerderd met 6% wettelijke rente vanaf 30 juli 2019 tot aan de algehele voldoening, met vanwaardeverklaring van het beslag en met veroordeling van de bank in de kosten van het geding.

4.2 Appellante heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat de bank jegens haar wanprestatie heeft gepleegd en haar zorgplicht heeft geschonden, alsmede dat de bank als werkgever van [Naam 1] aansprakelijk is voor diens onrechtmatig handelen.

4.3 In reconventie heeft de bank opheffing van het beslag gevorderd.

4.4 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie de vordering van appellante afgewezen en in reconventie de opheffing en doorhaling van het beslag gelast, met veroordeling van appellante in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

4.5 De kantonrechter overwoog daartoe onder meer het volgende:

“Allereerst wordt overwogen dat de tekst er de aandacht van cliënten op vestigt dat vervroegde opname niet is toegestaan. Dat wijst dus niet op een verbod voor de bank om het deposito vervroegd te beëindigen. De tekst staat voorts zowel op de deposito’s met één tenaamstelling en op de deposito’s met meerdere tenaamstellingen. Daarmee is niet aannemelijk dat de tekst de door [Appellante] gestelde bescherming beoogt te geven. Ten slotte is het bij meerdere gerechtigden op een deposito erg eenvoudig om niet “en/of” maar alleen “en” tussen de namen te plaatsen. In het laatste geval kan de bank alleen aan beide gerechtigden uitbetalen. Bij een enkele gerechtigde op een deposito is het niet voor de hand liggend dat de bank zou moeten nagaan of de betrokkene wellicht gehuwd is dan wel andere relaties heeft die de bank bij opname door die gerechtigde daarvan zou moeten verwittigen. In elk geval is dat niet wettelijk geregeld zoals bijvoorbeeld borgstelling door een der echtgenoten. De enkele tekst op het deposito betekent derhalve niet dat de bank wanprestatie jegens [Appellante heeft gepleegd door de opname van de deposito’s door [Naam 1] toe te staan ongeacht of die deposito’s nu op zijn naam alleen staan of op beider naam met en/of ertussen.

Voor de stelling dat de bank als werkgever aansprakelijk zou zijn voor onrechtmatig handelen van [Naam 1], heeft [Appellante] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.”

  1. De beoordeling in hoger beroep

5.1 Appellante vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde. De bank heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van appellante.

5.2 Het hoger beroep kan niet slagen. Het Hof neemt de hiervoor opgenomen overwegingen van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne.

5.3 In aanvulling op de overwegingen van de kantonrechter overweegt het Hof nog het volgende.

5.4 De kern van het door appellante aan de bank gemaakte verwijt en van de twee door appellante aangevoerde grieven is dat ([Naam 1] namens) de bank, in weerwil van de voor de deposito’s geldende bepaling dat vervroegde opname niet is toegestaan, vervroegde opname door [Naam 1] heeft toegelaten zonder dat appellante daarin is gekend. Volgens appellante had de bank hieraan niet mogen meewerken, omdat die bepaling er mede toe strekte om medegerechtigden/echtgenoten te beschermen tegen eigenmachtig optreden van een klant/rekeninghouder van de bank. Hierin kan appellante echter niet worden gevolgd. Het karakter van een en/of-rekening is nu juist dat elke rekeninghouder beschikkingsbevoegd is. Indien bedoeld zou zijn dat de bank slechts gehoor zou mogen geven aan instructies van [Naam 1] en appellante gezamenlijk, hadden de deposito’s op naam van hen beiden gezamenlijk moeten zijn gesteld, en niet op naam van alleen [Naam 1] en ook niet op naam van [Naam 1] ‘en/of’ appellante. De bank heeft voorts een aannemelijke ratio gegeven voor de bepaling dat een deposito niet vervroegd kan worden geïncasseerd, te weten dat de bank niet vroegtijdig moet worden geconfronteerd met opeising van door haar belegde en weggezette gelden. Deze bepaling strekt tot bescherming van de bank, niet tot bescherming van de rekeninghouder of diens echtgenoot. De bepaling laat evenwel onverlet dat de bank een verzoek om vervroegde opeising – onverplicht –  kan inwilligen. Zoals de bank heeft uiteengezet en naar zij stelt hier aan de orde was, zal de bank hiertoe onder meer bereid zijn in geval van overliquiditeit.

5.5 Gelet op het voorgaande kan de schadevergoedingsvordering van appellante niet slagen. Zowel haar beroep op wanprestatie, onrechtmatige daad (schenden zorgplicht) als werkgeversaansprakelijkheid (artikel 1388 lid 3 Burgerlijk Wetboek) zijn immers gebaseerd op de onjuiste stelling dat door de bank of door [Naam 1] namens de bank een ter bescherming van appelante opgenomen bepaling is geschonden.

5.6 Van voldoende bijkomende omstandigheden die tot een andere oordeel zouden kunnen leiden, is niet gebleken.

5.7 In het midden kan blijven in hoeverre appellante schade heeft geleden door het incasseren door [Naam 1] van de deposito’s gedurende het huwelijk van [Naam 1] en appellante en in hoeverre [Naam 1] verhaal biedt voor haar aanspraken terzake de verdeling van de inmiddels ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

5.8 De grieven van appellante slagen niet. Het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. Appellante zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

  1. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 bevestigt het vonnis waarvan beroep;

6.2 veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de bank gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 februari 2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, dhr. R.S. Dewkalie, LL.B.

w.g. R.S. Dewkalie      w.g. S.S.S. Wijnhard

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. F.X. Khelawan-Blokland namens advocaat mr. S. Boedhoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2025-17

CIVAR no. 2023H00129

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

In de zaak van

[APPELLANT],
wonende in [Plaats],
appellant,
hierna te noemen: ”de vader’,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],
wonende in [Plaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: ”de moeder”,
gemachtigde: mr. Murwin Dubois, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton tussen partijen gegeven beschikking van 9 november 2022 (AR. no. 200015 en Civarnummer 202000485) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit.

 

1. Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

het schrijven van de appellant waaruit blijkt dat hij tegen voormelde beslissing hoger

beroep heeft ingesteld;

de processen-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 21 juni 2023 en van

de voortzetting daarvan op 11 augustus – en 14 december 2023 en 25 juli -, 2 augustus

– en 18 oktober 2024 en 24 april – en 10 juli 2025.

1.2    De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep

De beroepen beschikking is gedateerd 9 november 2022. De man heeft op 23 november 2022 appèl aangetekend en is derhalve ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep

De man vordert, zo begrijpt het hof, dat het hof in hoger beroep de beschikking van 9 november 2022 in dier voege wijzigt dat de omgangsregeling wordt uitgebreid.

4. De feiten

4.1 De minderjarigen [Kind 1] en [Kind 2] zijn op [geboortedatum] geboren uit de moeder en zijn erkend door de vader. De ouders hebben in concubinaat geleefd.

4.2 De moeder is voogdes van de minderjarigen en bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton in de onderhavige procedure, van 9 november 2022, is de vader benoemd tot toeziend voogd over de minderjarigen. In de hiervoor bedoelde beschikking is een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen vastgesteld.

5. De beoordeling

5.1 Tijdens de behandeling van deze zaak in hoger beroep is door de vader aan de orde gesteld dat de in de beschikking opgenomen omgangsregeling niet voldoende is, dat hij de minderjarigen te weinig ziet en dat de moeder zich niet houdt aan de omgangsregeling.

5.2 Het hof heeft met partijen afspraken gemaakt teneinde een goede omgangsregeling op gang te brengen en heeft op de zittingen de omgangsregeling geëvalueerd. Het Bureau voor Familierechtelijke zaken heeft gedurende de behandeling van de zaak in hoger beroep als bemiddelende instantie opgetreden, heeft ook de bezoekregeling geëvalueerd en aan het hof zowel mondeling als schriftelijk rapportage uitgebracht.

5.3 Het hof overweegt dat uit de verklaringen van partijen en het Bureau voor

Familierechtelijke zaken blijkt dat de frequentie van de omgangsregeling zoals die gedurende de behandeling van de zaak in hoger beroep met partijen is besproken en op 24 april 2025 nader is voorgesteld, in het belang van de minderjarigen moet worden geacht.

Om die reden zal de onder punt 5.2 van de beschikking opgenomen omgangsregeling worden gewijzigd. Voor het overige zal de beschikking in stand blijven.

5.4 Het hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel zal leiden.

6. De beslissing

Het hof

6.1 Vernietigt partieel de beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton van 9 november 2022 in de zaak bekend onder A.R.no. 200025 in dier voege dat het bepaalde onder punt 5.2 wordt vernietigd;

en opnieuw rechtdoende:

6.2 Bepaalt dat onder punt 5.2 van de beschikking de volgende omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de vader en de minderjarigen:

”5.2 Het bezoek:

  • om het ene weekend op de zaterdag of de zondag (naar eigen keus van partijen) van 10.30 uur v.m. tot 18.30 uur n.m. waarbij de vader de minderjarigen bij de grootmoeder ophaalt en de vader de minderjarigen na afloop van het bezoek weer bij de grootmoeder afzet;

De belmomenten:

  • gedurende de week zullen er telkens 2 (twee) belmomenten zijn, waarbij de grootmoeder telefonisch contact legt met het telefoonnummer van de vader en ervoor zorgt draagt dat de kinderen in een rustige omgeving zijn;

De feestdagen:

  • partijen zullen over het bezoek van de minderjarigen op één van de kerstdagen (1ste  kerstdag of 2e kerstdag) en één van de dagen van de jaarwisseling (oudjaarsdag of nieuwjaarsdag) en de paasdagen onderling afspraken maken;
  • over vaderdag en de jaardagen van de vader en de minderjarigen zullen partijen onderling afspraken maken.”

6.3 Bepaalt dat de beschikking voor het overige in stand blijft.

Aldus gegeven door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.C. Johanns, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken op vrijdag 15 augustus 2025 ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, dhr. R.S. Dewkalie, LL.B.

w.g. R.S. Dewkalie     w.g. S.S.S. Wijnhard

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2003-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Gezien het door The Procter & Gamble Company, een vennootschaprechtspersoon naar het recht van de Staat Ohio, Verenigde Staten van Amerika, kantoorhoudende te One Procter & Gamble Plaza, Cincinnati, Verenigde Staten van Amerika, ingediend verzoekschrift, strekkende tot het bevelen van de inschrijving van het merk “T E M P O ” voor de navolgende waren, te weten:

“Klasse 16: Papier en papierwaren, inclusief tissues, toiletpapier, keukendoeken, servetten, karton en kartonwaren, drukwerken, kranten en periodieken, boeken, boekbinderswaren, foto’s, kleefstoffen voor papierwaren, benodigdheden voor kunstenaars, penselen, schrijfmachines en kantoorartikelen (uitgezonderd toestellen), speelkaarten, drukletters, cliches”, zulks in de daartoe bestemde openbare registers, gehouden door het Bureau voor de Industriële Eigendom overeenkomstig artikel 5 van de Wet op de Industriële Eigendom;

Gezien de stukken van het geding;

Gehoord partijen;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, als tegenpartij van de verzoekster in het onderhavige proces is betrokken Het Bureau voor Industriële Eigendom in Suriname;

Overwegende, dat, naar het Hof tevens gebleken is, het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname niet bezit persona standi in judicio d.i. de bevoegdheid in rechte als procespartij te handelen en behandeld te worden;

Overwegende, dat het zo juist overwogene hiertoe leiden moet dat verzoekster in haar vordering niet ontvankelijk verklaart dient te worden;

Overwegende, dat de omstandigheid dat verweerder zich niet beroepen heeft op verzoeksters niet-ontvankelijkheid haar vordering niet kan redden, vermits het Hof ambtshalve moet onderzoeken of partijen gerechtigd zijn in rechten op te treden (vide Vs.H.v.J.d.d.6.11.70 inz. Het Transportbedrijf Gebroeders [Moenne c/a S.B.Adhien);

 

BESCHIKKENDE:

Verklaart  verzoekster niet ontvankelijk in haar vordering;

 

Aldus gegeven te Paramaribo door: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-president, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Vice-president uitgesproken ter terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 juli 2003, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.F.Kruisland en Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.