SRU-HvJ-2021-49

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornamen] (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in het Huis van Bewaring te Santo Boma,
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat bij het Hof van Justitie.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd dinsdag 05 januari 2021, met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato dinsdag 05 januari 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. maandag 18 januari 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van maandag 01 februari 2021 om 10.00 uur des voormiddags;
1.3. het proces-verbaal gedateerd maandag 01 februari 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.4. de uitspraak heeft op 01 februari 2021 in het openbaar plaatsgevonden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 11 juli 2008 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk het hebben van vleselijke gemeenschap met een meisje die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van vijftien jaren had bereikt, voorzien en strafbaar gesteld bij de artikelen 297 en 298 van het Wetboek van Strafrecht en koppelarij, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 305 van het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 29 juli 2009 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 06 augustus 2009.
2.4. Het Hof heeft op 11 februari 2015 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en [naam] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren en zes (6) maanden. Het Hof heeft de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.
2.5. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling d.d. 11 juli 2008 heeft [naam] aldus op of omstreeks 11 januari 2018 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij niet in vrijheid is gesteld en dat hij er vanuit gaat dat zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (hierna: VI) aldus is geweigerd. Aan [naam] is nimmer enige beschikking of beslissing uitgereikt en is het voor [naam] niet duidelijk wanneer de beroepstermijn van 14 dagen is verstreken. [naam] heeft een briefje ontvangen van de directeur van de inrichting waar hij is ingesloten, waarbij uit de inhoud blijkt dat het om een fictieve afwijzing van zijn VI gaat.
[naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing casu quo weigering van zijn VI en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en te bepalen dat aan hem VI verleend dient te worden.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren en zes (6) maanden onder aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In het vonnis was er een bijzondere voorwaarde gesteld hetgeen inhoudt dat [naam] tijdens zijn detentie zowel psychologisch als psychiatrisch moet worden begeleid. Uit onderzoek is gebleken dat [naam] psychiatrisch helemaal niet is begeleid en dat hij de psycholoog slechts één keer heeft ontmoet voor een kennismakingsgesprek. Het feit dat [naam] niet voldoende is begeleid gedurende zijn detentie is volgens de vervolging een nalaten van de Staat geweest.
[naam] is op 11 juli 2008 in verzekering gesteld en op 11 januari 2018 heeft hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten. De wnd. directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting (CPI) heeft gesteld dat hij geen kennis draagt van een beschikking ten aanzien van [naam]. Op basis daarvan blijkt er sprake te zijn van een fictieve weigering tot het verlenen van VI. Voorts is uit verificatie gebleken dat [naam] zich binnen de inrichting goed heeft gedragen en geen interne tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen. Gelet op het voorgaande heeft de Waarnemend Procureur-Generaal aan het Hof gevraagd om het verzoek van [naam] toe te wijzen.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 11 februari 2015 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren en zes (6) maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. ervan uit dient te worden gegaan dat de V.I. geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling d.d. 11 juli 2008 heeft [naam] met de indiening van het bezwaarschrift op 05 januari 2021 terwijl hij op of omstreeks 11 januari 2018 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, in de visie van het Hof tijdig zijn bezwaarschrift ingediend. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat [naam] ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Beoordeling van het bezwaarschrift
5.3.1. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr. reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten en uit het onderzoek niet is gebleken van een weigeringsgrond ex artikel 30a Sr.
5.3.2. Artikel 30a lid 1 sub g Sr. bevat een uitzondering op de regel dat de onherroepelijk veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer deze twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. Naar het oordeel van het Hof bevat artikel 30a lid 1 sub g Sr. geen absoluut verbod van V.I. voor personen die onherroepelijk veroordeeld zijn ter zake van de aldaar omschreven misdrijven. Ook voor deze gevallen bepaalt de aanhef in lid 1 van dit artikel dat de minister, in afwijking van artikel 29 leden 1 en 2 Sr., na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling, kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten. Het Hof verwijst tevens naar het bepaalde in artikel 28a Sr. dat ook de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde, nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd, voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, indien naar het oordeel van het Hof van Justitie verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer heeft.
5.3.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat niet is gebleken dat één of meer van de in artikel 30a lid 1 Sr. genoemde gronden die aanleiding kunnen geven tot uitstel of achterwege laten van de V.I. zich voordoen, het Hof tot de slotsom komt dat het bezwaar gegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 Sr. voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet gebleken.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar gegrond.

6.2. Gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr., onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van maandag 01 februari 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in het cellenhuis verbonden aan het politiebureau te Nieuwe Haven,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd dinsdag 30 maart 2021, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato dinsdag 30 maart 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 07 april 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van woensdag 21 april 2021 om 13.15 uur des namiddags;
1.3. het proces-verbaal gedateerd woensdag 21 april 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.4. de uitspraak heeft op 21 april 2021 in het openbaar plaatsgevonden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 31 maart 2019 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging, voorzien en strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 01 oktober 2019 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 15 oktober 2019.
2.4. Het Hof heeft op 20 januari 2021 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.
2.5. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling d.d. 31 maart 2019 heeft [naam] aldus op of omstreeks 31 maart 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 31 maart 2019 reeds twee/derde (2/3) deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij geen beschikking terzake zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.), heeft ontvangen en aanneemt dat het in casu gaat om een fictieve weigering. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en hem in aanmerking te doen komen voor V.I.

4. Het standpunt van de Waarnemend Advocaat-Generaal
De Waarnemend Advocaat-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren onder aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. [naam] is op 31 maart 2019 in verzekering gesteld en op 31 maart 2021 heeft hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten. De wnd. directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting (CPI) heeft na verificatie gesteld dat zij niet op de hoogte zijn geweest van het vonnis in hoger beroep en dat zij slechts beschikken over het vonnis dat in eerste aanleg is uitgesproken. Om die reden is de VI-procedure van [naam] niet opgestart. Voorts is uit verificatie gebleken dat [naam] zich goed heeft gedragen binnen de inrichting en geen interne tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen. Gelet op het voorgaande heeft de Waarnemend Advocaat-Generaal aan het Hof gevraagd om het verzoek van [naam] toe te wijzen.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 20 januari 2021 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. ervan uit dient te worden gegaan dat de VI geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling d.d. 31 maart 2019 heeft [naam] met de indiening van het bezwaarschrift op 30 maart 2021, terwijl hij op of omstreeks 31 maart 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, in de visie van het Hof tijdig zijn bezwaarschrift ingediend. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat [naam] ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Beoordeling van het bezwaarschrift
5.3.1. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten en uit het onderzoek niet is gebleken van een weigeringsgrond ex artikel 30a Sr.
5.3.2. Het Hof overweegt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt en moet worden voorkomen dat er een uitzichtloze situatie ontstaat voor een veroordeelde. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Immers dienen de belangen van de veroordeelde afgewogen te worden tegenover de belangen van de maatschappij. Naar het oordeel van het Hof doet een redelijke en billijke belangenafweging als hiervoor aangegeven de balans in casu in de richting van [naam] uitslaan.
5.3.3. De slotsom waar al het voorgaande toe leidt is dat het bezwaar zijdens [naam] tegen de fictieve weigering gegrond is.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar gegrond.

6.2. Gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr., onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 21 april 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-47

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma,
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift van februari 2021 met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 01 maart 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 03 maart 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 24 maart 2021 om 09.00 uur des voormiddags;
1.3. het proces-verbaal gedateerd 24 maart 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.4. de uitspraak is vervolgens bepaald op woensdag 31 maart 2021.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 24 mei 2000 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk gekwalificeerde doodslag.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 21 februari 2001 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding en psychologische en psychiatrische begeleiding tijdens de detentie.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de toenmalige advocaat van [naam] appél ingesteld op 05 maart 2001.
2.4. Het Hof heeft op 27 november 2012 het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton vernietigd en opnieuw rechtdoende [naam] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding en psychologische en psychiatrische begeleiding tijdens de detentie .

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 24 mei 2000 reeds 20 jaren van zijn opgelegde straf heeft uitgezeten. Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), waarin wordt aangegeven dat een veroordeelde die tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt, nadat de vrijheidsbeneming ten minste 20 jaren heeft geduurd, indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer heeft, tekent [naam] bezwaar aan tegen het uitblijven van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.). Immers is [naam] niet in vrijheid gesteld en gaat hij er derhalve van uit dat zijn v.i. aldus is geweigerd. Aan [naam] is nimmer enige beschikking of beslissing uitgereikt.
[naam] kan zich niet verenigen met de fictieve weigering van zijn v.i. en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. (althans zo vat het Hof de inhoud van het schrijven van de advocaat van [naam] op). [naam] geeft aan dat hij verkeerd heeft gehandeld en dat hij heel veel spijt van het gebeurde heeft. Hij heeft de overtuiging dat hij klaar is om zijn leven weer op te pakken. Ingevolge het bepaalde in artikel 28a Sr. blijkt niet dat het de bedoeling is geweest dat [naam] nimmer in vrijheid zal worden gesteld.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] niet voor v.i. in aanmerking komt en dat zij bezwaar heeft tegen gegrondverklaring van het bezwaar. Uit een ingesteld onderzoek harerzijds is gebleken dat [naam] zich gedurende zijn detentie ettelijke keren ernstig heeft misdragen. En gelet op de belangenafweging waarbij het belang van de veroordeelde tegenover de belangen van de samenleving wordt afgezet, blijkt dat de veroordeelde nog steeds een gevaar vormt voor de samenleving, hetgeen zijn v.i. in de weg staat. Voorts geeft zij ter staving van haar standpunt aan dat er ook wordt gelet op het recidivegevaar zijdens de veroordeelde als weigeringsgrond.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 27 november 2012 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding van de veroordeelde en met bepaling dat de verdachte gedurende zijn detentie psychologisch en psychiatrisch begeleid wordt, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (v.i.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel v.i. casu quo weigering v.i.) en 31 Sr. (herroeping v.i.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking aan [naam] is uitgereikt weshalve ervan uit dient te worden gegaan dat de v.i. geacht moet worden te zijn geweigerd. Deze datum moet op of omstreeks 24 mei 2020 zijn geweest, uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling, zijnde 24 mei 2000. Derhalve treedt het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. tweede volzin in werking en wordt de v.i. van [naam] geacht te zijn geweigerd (fictieve weigering). Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. diende [naam] binnen 14 dagen na 24 mei 2020 zijn bezwaarschrift tegen het uitblijven van v.i. bij het Hof in te dienen en diende aan hem ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 4 Sr. een raadsman van staatswege te worden toegevoegd. In casu heeft [naam] pas op 01 maart 2021 zijn bezwaarschrift ingediend en is er aan hem geen advocaat van staatswege toegevoegd. Conform hetgeen is aangegeven in de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht (blz. 164 laatste volzin) zal het Hof – nu het gaat om een fictieve weigering – die termijn naar redelijkheid en billijkheid interpreteren en [naam] ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar. Immers is de Staat Suriname ook in gebreke gebleven om [naam] tijdig van een advocaat te voorzien teneinde zijn belangen betreffende v.i. te behartigen.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Vooropgesteld wordt dat ingevolge het bepaalde in artikel 28a lid 1 en lid 2 Sr. de veroordeelde tot levenslange gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt, nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd en indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient. Het Hof neemt daarbij ten minste in zijn beschouwing de positie van het eventuele slachtoffer of directe nabestaanden en het gevaar dat de veroordeelde alsnog zal recidiveren. Artikel 30a Sr. geeft de uitstel- dan wel weigeringsgronden van v.i. aan. In artikel 30a lid 1 sub c Sr. is aangegeven dat een uitstel- casu quo weigeringsgrond aanwezig is indien is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf zeer ernstig heeft misdragen.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat uit het onderzoek gebleken is dat [naam] zich gedurende zijn detentie niet goed heeft gedragen en herhaalde malen in de fout is gegaan, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irrëeel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om [naam] thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Het voorgaande is eveneens ingegeven door het feit dat niet is gebleken dat [naam] gedurende zijn detentie heeft meegedaan aan eventuele resocialisatieprogramma’s dan wel anderszins heeft gewerkt aan verbetering van zichzelf teneinde gereed te zijn voor een probleemloze terugkeer in de samenleving. Van enige welgemeende spijtbetuiging zijdens [naam] in de richting van het slachtoffer dan wel diens nabestaanden is het Hof niet gebleken. In stede daarvan heeft [naam] volhard in zijn stellige ontkentenis hetgeen in de visie van het Hof de conclusie rechtvaardigt dat [naam] geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daad, hetgeen geen positief signaal oplevert.
5.4.3. Het Hof ziet wel aanleiding om ingevolge het bepaalde in artikel 28a leden 3 en 4 Sr. de situatie na vijf jaren te evalueren en vraagt bij deze aan de vervolging om het nodige te doen teneinde te bewerkstelligen dat [naam] ten laatste zes maanden voor het verloop van de betrokken periode zal worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. Tevens vraagt het Hof aan de vervolging om [naam] in de tussenliggende periode psychologisch en psychiatrisch te laten begeleiden zoals het Hof in diens vonnis de dato 27 november 2012 heeft bepaald. Ook ziet het Hof aanleiding om aan de vervolging te vragen om het daarheen te leiden dat [naam] in de gelegenheid wordt gesteld om in de tussenliggende periode deel te nemen aan resocialisatieprogramma’s door een gedragsdeskundige zodat hij kan worden voorbereid op een eventuele terugkeer in de samenleving.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

6.2. Weigert de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 28a Sr.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. F. Amirullah, fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 31 maart 2021.

w.g. F. Amirullah w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

 

 

SRU-HvJ-2021-46

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in het Huis van Bewaring (HvB),
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift gedagtekend 06 mei 2021 ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 07 mei 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 27 mei 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 02 juni 2021 om 10.00 uur des voormiddags;
1.3. de behandeling is vervolgens vanwege de maatregelen in het kader van de Covid-19 pandemie verdaagd naar 16 juni 2021 en in verband met deze maatregelen heeft het Hof derhalve het Openbaar Ministerie (hierna: het O.M.) de gelegenheid geboden om haar reactie naar aanleiding van het bezwaarschrift op schrift te stellen, mondeling toe te lichten en ter zitting ten processe over te leggen, waarna het bezwaarschrift op de stukken is afgehandeld;
1.4. de beslissing is door het Hof op 16 juni 2021 in het openbaar uitgesproken.

2. De feiten
2.1. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter d.d. 24 maart 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht.
2.2. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter heeft de advocaat van [naam] appèl ingesteld en is op 21 mei 2018 door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren.
2.3. Voorts is [naam] bij de Kantonrechter d.d. 12 juni 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar onvoorwaardelijk. Ook tegen dit vonnis heeft [naam] appèl ingesteld en is door het Hof op 17 maart 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar.
2.4. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling heeft [naam] reeds twee/derde deel van zijn straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij niet in vrijheid is gesteld en dat hij er van uit gaat dat zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (hierna: V.I.) aldus is geweigerd. Aan [naam] is nimmer enige beschikking of beslissing uitgereikt en is het voor hem niet duidelijk wanneer de beroepstermijn van 14 dagen is verstreken. [naam] heeft een briefje ontvangen van de directeur van de inrichting waar hij is ingesloten, waarbij uit de inhoud blijkt dat het om een fictieve afwijzing van zijn V.I. gaat. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing casu quo weigering van zijn V.I. en komt daartoe bij het Hof in beroep op grond van artikel 33 Sr. en dient daartoe dit bezwaarschrift in.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat zij zich verzet tegen het verzoek van de advocaat van de veroordeelde en het Hof vraagt om het verzoek van de advocaat af te wijzen vanwege het feit dat de veroordeelde een recidivist is en zich tevens schuldig heeft gemaakt aan interne tuchtstraffen binnen de Inrichting gedurende zijn detentie. Zulks in combinatie met de ernst van de strafbare feiten waarvoor [naam] in casu gevonnist is, wordt door de vervolging gezien als valide grond om aan te geven dat [naam] nog niet gereed is voor zijn terugkeer in de samenleving.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 17 maart 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn. In dit specifiek geval wordt de zaak naar aanleiding van de maatregelen in verband het Covid-19 virus op de stukken afgedaan en is er op grond van klemmende redenen in het belang van de volksgezondheid in het algemeen afgeweken van de door de wetgever aangegeven wijze van behandeling van het bezwaarschrift.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ervan uit dient te worden gegaan dat de V.I. geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling op 21 januari 2013 heeft [naam] op 31 mei 2020 reeds twee/derde deel van zijn straf uitgezeten. Immers is twee derde van de opgelegde straf gelijk aan 7 jaren en 4 maanden. Het bezwaarschrift is op 07 mei 2021 ingediend en is derhalve de termijn van veertien dagen rijkelijk overschreden. Evenwel werd de strafzaak van [naam] in mei 2020 nog behandeld en is pas beëindigd middels een beslissing van het Hof op 17 maart 2021. Ingevolge de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht moet de termijn van veertien dagen door de rechter naar redelijkheid en billijkheid worden geïnterpreteerd en daartoe overgaand ziet het Hof aanleiding om [naam] ontvankelijk te verklaren. Immers betreft het in casu een fictieve weigering en wist [naam] in mei 2020 nog niet wat de uitkomst zou zijn van zijn strafzaak. Nu hij daar duidelijkheid over heeft verkregen in maart 2021 is hij niet tardief met het indienen van zijn bezwaarschrift in mei 2021.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Het Hof overweegt dat de V.I. achterwege wordt gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. Daarnaast leidt een redelijke en billijke afweging van het belang van [naam] op terugkeer in de samenleving afgezet tegen het belang van beveiliging van de samenleving naar het oordeel van het Hof tot de slotsom dat [naam] in concreto thans nog geen aanspraak maakt op terugkeer in de samenleving.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat gebleken is dat één of meer van de in artikel 30a lid 1 Sr. genoemde gronden die aanleiding kunnen geven tot uitstel of achterwege laten van de V.I. zich voordoen, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu van recidivegevaar zijdens [naam] – mede gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – wel gebleken.
5.4.3. Gebleken is dat [naam] achtereenvolgens heeft uit te zitten twee gevangenisstraffen van in totaal 11 jaren (respectievelijk acht om drie jaren) en is [naam] een recidivist. Als klap op de vuurpijl heeft hij tijdens het uitzitten van zijn straf zich binnen de inrichting zeer ernstig misdragen door deel te nemen aan een gevangenisopstand waarbij ook de penitentiaire ambtenaren en de aangerukte politiemannen te verduren hebben gekregen. Daarnaast heeft [naam] ook verschillende malen interne tuchtstraffen moeten ondergaan ter zake van, onder andere, wangedrag, bedreiging casu quo vechtpartij en mishandeling van een lotgenoot en zelfs opstandig gedrag.
5.4.4. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat het bezwaar van [naam] ongegrond is. Ingevolge het bepaalde in artikel 30a lid 1 sub c Sr. leveren ernstige misdragingen gedurende de detentie een weigeringsgrond op en is [naam] in de visie van het Hof terecht niet in aanmerking gekomen voor V.I.

6. De beslissing
Het Hof:

Verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 16 juni 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-8

Beslissing

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Parketnummer: [nummer]
Beslissing van 31 augustus 2022

Op het verzoek tot herziening ingediend door:

[Naam 1],
wonende aan de Kokospalmstraat no. 18 te Paramaribo,
verzoeker,
mr. N.A.S. Ramnarain, advocaat bij het Hof van Justitie,

Het verzoek tot herziening is gericht tegen het (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 23 februari 2021 (hierna: het vonnis), waarbij verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat verzoeker zich voor het einde van een hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat de tijd die door verzoeker vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 14 juli 2018 tot en met 19 juli daaraanvolgend, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Vervolgens heeft de Kantonrechter de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag ad SRD 1.500, – aan de benadeelde en de gevangenneming van verzoeker bevolen.

1. Procesverloop
1.1. Verzoeker heeft op 23 februari 2022 het verzoekschrift strekkende tot herziening van het vonnis ingediend bij het Hof van Justitie (hierna: het Hof).
1.2. Vervolgens heeft het Hof op heden beschikking gegeven.

2. Het standpunt van de verzoeker
2.1. Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – kort gezegd – het volgende aangevoerd:
• verzoeker is ter zake artikel 371 jo 72 Sr en/of artikel 371 jo 72 Sr aangehouden en in verzekering gesteld en alzo is de vervolging tegen verzoeker ingezet;
• verzoeker is reeds bij de voorgeleiding ten overstaan van de officier van Justitie in vrijheid gesteld althans is de aan hem opgelegde vrijheidsbenemende maatregel opgeschort jegens verzoeker. En is verzoeker steeds verschenen op de zitting behoudens overmacht, hetzij door ziekte of door het feit dat de Kantonrechter de zitting had uitgesteld;
• zeer opmerkelijk is dat de toenmalige behandelende Kantonrechter, mr. S. Wijnhard, op de zitting, waarbij het getuigenverhoor van de verbalisant [naam 2] gehouden is, betrokkene na het doen van diens verklaring aan de Kantonrechter in verband met de opsporingshandeling door hem verricht ook de nodige reprimande ter terechtzitting gegeven door de Kantonrechter voornoemd, temeer deze getuige aan de Kantonrechter te kennen heeft gegeven dat verzoeker in beeld is gebracht omdat hij bekend zou zijn bij de verbalisant en niet op grond van feiten en/of omstandigheden die sterk het vermoeden doen rijzen dat hij daadwerkelijk had deelgenomen aan de ten laste gelegde feiten;
• enerzijds worden de medeverdachten in deze zaak op verzoek van het Openbaar Ministerie ook vrijgesproken terwijl verzoeker anderzijds op grond van de verklaringen afgelegd door bedoelde medeverdachten wel gebruikt als steekhoudend en overtuigend bewijs ten aanzien van de persoon van verzoeker;
• pas in de maand maart 2021 en wel na het verstrijken van de vervaldag voor het indienen van Hoger Beroep is aan de advocaat van verdachte medegedeeld wat de uitspraak is en dat de uitspraak is gewezen op 23 februari 2021, onder meer inhoudende dat verdachte veroordeeld is geworden tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, teruggave van het voertuig en betaling van SRD 1.500,- aan de benadeelde. Hiermede is dan het grondrecht van de verzoeker op een eerlijk proces hem ontnomen door hem veel te laat te melden wat de uitspraak van de Kantonrechter is;
• letten we op de uitspraak van de Kantonrechter d.d. 23 februari 2021 betreffende het voertuig van verzoeker dan merkt verzoeker op dat het voertuig reeds hangende het onderzoek ter terechtzitting op last van de Kantonrechter en dus ruim vooraf aan de uitspraak in deze zaak, reeds aan hem is teruggegeven. Dit impliceert dat de Kantonrechter geheel ten onrechte in haar uitspraak vervat de teruggave van het voertuig aan verzoeker. Derhalve behoeft deze misvatting casu quo rechtsdwaling van de Kantonrechter herziening;
• Daarnaast legt verzoeker over foto’s in kleur van zijn voertuig dat op last van de Kantonrechter mr. S. Wijnhard ruim vooraf aan de datum van uitspraak aan hem is teruggegeven. Uit deze foto’s is duidelijk waarneembaar dat het voertuig een bruine dan wel lichtbruine voorstoot balk heeft en geen zwarte voorstootbalk als de verbalisant in de processen-verbaal heeft vermeld. Dit geheel in tegenstelling met de uiterlijke kenmerken van het voertuig die door verbalisant zijn vermeld op grond waarvan verzoeker als verdachte in beeld zou zijn gebracht. Het opmerkelijke is dat de kleur zwart verschilt van de kleur bruin. Derhalve kan dit laatste dan ook niet als steekhoudend bewijs dienen. Daarenboven kan het nimmer zo zijn dat verzoeker op de PD aanwezig was temeer de gesignaleerde beelden en verklaringen van getuigen alsook de verbalisant aangeven dat er sprake moet zijn geweest van een voertuig betrokken bij de diefstal voorzien van een zwart gelakte voorstoot balk en dus duidelijk geen bruine voorstootbalk;
• daarnaast is in het strafdossier door de verbalisant voornoemd melding gemaakt dat hij van getuigen zou hebben vernomen dat de gestolen buitenboord motor aan ene [naam sloperij] sloperij zou zijn verkocht. Uit het proces-verbaal van plaatselijk onderzoek waar de ene [naam sloperij] sloperij volgens de verbalisant zou moeten zijn gevestigd blijkt dat de verbalisant te kennen geeft dat die [naam sloperij] sloperij niet bestaat althans gesloten zou zijn en niemand aldaar is aangetroffen. Zeer opvallend is dat deze verbalisant er niet voor kiest een nader onderzoek te verrichten. Verzoeker heeft de nodige verificatie gepleegd en uit het bijgaande KKF-uittreksel is duidelijk dat aan de [straatnaam], alwaar de verbalisant in het proces-verbaal aangeeft dat de sloperij [naam sloperij] is gezocht, slechts een winkel van auto onderdelen staat ingeschreven alwaar de verbalisant naar zijn proces-verbaal vermeldt, het plaatselijk onderzoek zou hebben gedaan. Deze onderdelenzaak bestaat vanaf juli 2014 en er zijn geen andere sloperijen in de betrekkelijke buurt. Aldaar is er geen [naam sloperij] sloperij zodat de verklaring van de verbalisant reeds op grond hiervan ter zake het plaatselijk onderzoek geen doel treft dan wel in strijd met de waarheid is;
• gelet op het vorenstaande dienen de vermelde feiten en omstandigheden als een novum ex artikel 368 WSr te worden aangemerkt zodat het verzoek tot herziening in het onderhavige gegrond dient te worden verklaard. Immers, de medeverdachten zijn op grond van dezelfde gebezigde bewijsmiddelen in deze zaak vrijgesproken, terwijl verzoeker anderzijds wel wordt veroordeeld op grond van die bedoelde bewijsmiddelen en tegenstrijdigheden in het strafdossier. Een dergelijke beslissing van de Kantonrechter is zoals eerder gesteld in strijd met de wet en biedt ex artikel 368 lid 1 WSr grond op voor herziening van het vonnis;
Op basis van het bovenstaande heeft de verzoeker zich tot het Hof gewend met het verzoek om het revisieverzoek van het vonnis ongegrond te verklaren en opnieuw rechtdoende verzoeker, vanwege het niet wettig en overtuigend bewezen achten van zijn aandeel in de ten laste gelegde feiten en/of omstandigheden, van de gehele tenlastelegging vrij te spreken.

3. De beoordeling
3.1. De strafkamer van het Hof gaat uit van de volgende feiten:
3.1.1. Verzoeker is op 14 juli 2018 in verzekering gesteld en vervolgens op 19 juli 2018 in vrijheid gesteld;
3.1.2. Het Openbaar Ministerie heeft verzoeker vervolgens gedagvaard voor de terechtzitting d.d. 1 november 2018 ter zake van het medeplegen van gekwalificeerde diefstal dan wel medeplichtigheid daaraan;
3.1.3. De Kantonrechter heeft op 23 februari 2021 uitspraak gedaan in de strafzaak waarbij verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat verzoeker zich voor het einde van een hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat de tijd die door verzoeker vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 14 juli 2018 tot en met 19 juli daaraanvolgend, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Vervolgens heeft de Kantonrechter de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag ad SRD 1.500, – aan de benadeelde en de gevangenneming van verzoeker bevolen.
3.2. Het Hof begrijpt dat verzoeker een beroep doet op het bepaalde in artikel 386 WvSv en vat het beroep van verzoeker op het bepaalde in artikel 368 WvSr op als een kennelijke verschrijving. In artikel 386 WvSv zijn de gronden van het buitengewoon rechtsmiddel van herziening aangegeven. In casu beroept verzoeker zich op een novum casu quo rechtsdwaling casu quo misvattingen zijdens de Kantonrechter. Ingevolge het bepaalde in artikel 388 WvSv dient het verzoek te vermelden de omstandigheid waarop zij steunt met opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken;
3.3. Naar het oordeel van het Hof is in casu niet voldaan aan hetgeen in artikel 386 WvSv is aangegeven met betrekking tot de gronden voor herziening van een vonnis. Hetgeen verzoeker als novum kwalificeert verdient in de visie van het Hof niet de kwalificatie van een novum en evenmin blijkt er sprake te zijn van bewezenverklaringen welke niet overeen zijn te brengen. Rechtsdwaling casu quo misvattingen zijdens de Kantonrechter leveren geen grond op voor herziening van een vonnis. Al hetgeen verzoeker in het verzoekschrift heeft aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet gecategoriseerd worden onder het bepaalde in artikel 386 WvSv;
3.4. De slotsom waar al het voorgaande toe leidt is dat het verzoek tot herziening van het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 23 februari 2021 ongegrond is en dient te worden afgewezen.

4. Beslissing
4.1. Wijst af het verzoek tot herziening;

Aldus gegeven te Paramaribo in raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 31 augustus 2022 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2022-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING EX ARTIKEL 24 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het bezwaarschrift met bijagen d.d. 11 juli 2022 afkomstig van de advocaat van de klager, mr. B.A.H. Pick, namens de klager [naam] en gericht aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) en ertoe strekkende om op grond van het bepaalde in artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de beslissing d.d. 07 juli 2022 van de officier van justitie te vernietigen en te bevelen dat aan de verdachte casu quo zijn raadsman volledige afschriften van alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden verstrekt;

Gelezen de schriftelijke reactie van de vervolgingsambtenaar d.d. 15 juli 2022 waarin die primair concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van klager en secundair concludeert tot afwijzing van het beklag/verzoek van de advocaat van de verdachte Bilici, Mehmet (die illegaal in het land vertoeft);

Overwegende, dat uit het bezwaarschrift en uit de door de klager overgelegde documenten het volgende is gebleken:

1. klager is op 23 juni 2022 in verzekering gesteld;

2. op 24 juni 2022 heeft de raadsman van klager zich schriftelijk als raadsman gesteld en tevens het verzoek gedaan om te kunnen beschikken over volledige afschriften van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waarop niet is gereageerd door de vervolging;

3. op 04 juli 2022 is een rappelschrijven naar de vervolging verzonden met het dringend verzoek de volledige afschriften alsnog op te sturen;

4. Bij schrijven d.d. 07 juli 2022 heeft de vervolgingsambtenaar ex artikel 22 Sv aan klager en zijn raadsman aangegeven dat in het belang van het onderzoek de aan de raadsman verstrekte stukken niet volledig zijn;

Overwegende, dat bovenvermeld bezwaar is gebaseerd op het bepaalde in artikel 24 Sv. en de vervolgingsambtenaar heeft in haar schriftelijke reactie primair aangegeven dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek omdat hij de beroepstermijn van 3 dagen, zoals vastgelegd in artikel 24 Sv heeft overschreden. Secundair heeft de vervolging geconcludeerd tot afwijzing van het beklag/verzoek van klager;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervolging tot de slotsom komt dat door de vervolging niet middels verificatoiren is onderbouwd dat de advocaat van klager op 07 juli 2022 reeds over de beslissing ex artikel 22 Sv beschikte. De advocaat daarentegen heeft aangevoerd dat hij op 08 juli 2022 de beslissing heeft ontvangen. In casu zal het Hof het ervoor houden dat de advocaat van klager op 08 juli 2022 de beslissing ex artikel 22 Sv heeft ontvangen nu er geen indicaties voor het bewijs van het tegendeel aanwezig zijn dan een blote mededeling zijdens de vervolging. Met de indiening van het bezwaarschrift op 11 juli daaraanvolgend is klager derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar. Het daartoe strekkend verweer van de vervolging zal worden verworpen;

Overwegende, dat bij de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, naar het oordeel van het Hof de vervolging in casu voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in het belang van het onderzoek en van de waarheidsvinding en mede gelet op de fase waarin het onderzoek zich thans bevindt, afgezet tegen de aard en ernst van de beschuldigingen aan het adres van klager, de genomen beslissing door de vervolging tot het (gedeeltelijk) onthouden van processtukken aan de verdediging gerechtvaardigd is. Het daartoe strekkend bezwaar zijdens de verdediging is derhalve naar het oordeel van het Hof ongegrond gebleken. Immers betreft het ingevolge het bepaalde in artikel 22 lid 2 Sv een schriftelijke mededeling aan de verdediging en behoeft dat in de visie van het Hof niet nader gemotiveerd te worden. Daarnaast heeft de klager aangevoerd dat er vertrouwen bij hem is gewekt dat hij over alle processtukken zou kunnen beschikken nu er alleen een beperking ex artikel 40 lid 4 Sv was opgelegd. Naar het oordeel van het Hof dient voormeld vertrouwen als ongerechtvaardigd gekwalificeerd te worden aangezien een beperking ex artikel 40 lid 4 Sv een beslissing ex artikel 22 Sv niet uitsluit. Het Hof acht voormelde grondslag voor het bezwaar ongegrond;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen, met name artikel 24 Sv;

BESCHIKKENDE:

Verklaart het bezwaar van klager ongegrond;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie van Suriname op woensdag 20 juli 2022 door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-45

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd 19 mei 2021, met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 21 mei 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 27 mei 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 02 juni 2021 om 11.00 uur des voormiddags;
1.3. de behandeling ter openbare zitting is vanwege bijzondere omstandigheden aangehouden tot 16 juni 2021;
1.4. het proces-verbaal gedateerd 16 juni 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.5. de uitspraak heeft op 16 juni 2021 om 11.00 uur des voormiddags in het openbaar plaatsgevonden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 28 juni 2011 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk diefstal middels geweldpleging de dood ten gevolge hebbende, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 en 2 sub 2 en lid 3 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 07 mei 2012 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 08 mei 2012.
2.4. Het Hof heeft op 11 januari 2016 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.
2.5. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling d.d. 28 juni 2011 heeft [naam] aldus op of omstreeks 03 mei 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 28 juni 2011 reeds twee/derde (2/3) deel van zijn opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij een beschikking, gedateerd 01 november 2020, heeft ontvangen afkomstig van de Minister van Justitie en Politie met als onderwerp “Afwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling”. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en hem in aanmerking te doen komen voor V.I.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] al twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. [naam] was op 29 april 2013 uit detentie ontvlucht en werd wederom aangehouden op 06 november 2013. [naam] heeft dus de straf voor de duur van bijkans 6 maanden en 7 dagen niet aaneensluitend uitgezeten. Vanwege de ontvluchting is de V.I. datum verschoven naar 03 mei 2021. Gelet op het feit dat [naam] reeds vijf maal is veroordeeld door de kantonrechter en mede gelet op zijn inlichtingenstaat gedurende zijn detentie in de verschillende inrichtingen, heeft de Waarnemend Procureur-Generaal primair aan het Hof gevraagd om [naam] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en secundair het verzoek tot het verlenen van V.I. af te wijzen, daar [naam] meer tijd nodig heeft om te werken aan zijn resocialisatie om deviant gedrag terug te dringen.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 11 januari 2016 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie ex artikel 30a Sr. waarbij er wel een beslissing aan [naam] is uitgereikt en diende [naam] derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. binnen veertien dagen daarna een bezwaarschrift in te dienen bij het Hof. Nu [naam] de beslissing van de Minister van Justitie en Politie heeft ontvangen op 06 november 2020 en het bezwaarschrift pas op 21 mei 2021 de griffie van het Hof heeft bereikt is [naam] in beginsel tardief met het aantekenen van bezwaar. Evenwel diende ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 4 Sr. aan [naam] een raadsman te worden toegevoegd hetgeen in casu niet heeft plaatsgevonden. Tijdens de behandeling van het eerste bezwaarschrift, gedateerd 06 januari 2021 had de advocaat mr. S.W. Amirkhan, die in de hoedanigheid van waarnemer van mr. M.C.M. Nibte ter openbare zitting aanwezig was, aangevoerd dat de verzoeker toen niet over de financiële middelen beschikte om een advocaat in de arm te nemen. Aangezien de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafrecht aangeeft dat het voor de hand ligt dat de rechter de termijn van veertien dagen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren, is het Hof van oordeel dat in casu naar redelijkheid en billijkheid is voldaan aan de voor indiening van het bezwaarschrift gestelde termijn. Indien de Staat zich aan de wet had gehouden en dienovereenkomstig tijdig aan [naam] een advocaat had toegevoegd was het bezwaarschrift kennelijk wel binnen de door de wetgever gestelde termijn ingediend. Door dit na te laten kan de Staat (lees: het Openbaar Ministerie) zich in de visie van het Hof niet met succes beroepen op overschrijding van de wettelijke termijn. Gelet op al het voorgaande is [naam] derhalve ontvankelijk in het bezwaarschrift.

5.4. Beoordeling van de bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr. reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, doch is uit het onderzoek gebleken dat er in dit geval sprake is van weigeringsgronden ex artikel 30a lid 1 sub c en d Sr.
5.4.2. Het Hof overweegt dat de V.I. – onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr.- ingevolge het bepaalde in artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarden, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de V.I. wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. In casu is bij de behandeling van het bezwaarschrift gebleken dat [naam] zich gedurende zijn detentie herhaaldelijk ernstig heeft misdragen in zowel HvB Santo Boma als in PID alsmede in C.P.I.
5.4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat uit het onderzoek gebleken is dat [naam] zich gedurende zijn detentie niet goed heeft gedragen en herhaalde malen in de fout is gegaan, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irreëel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om [naam] thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

6.2. Weigert de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam].

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 16 juni 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-44

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd 27 december 2020, met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 06 januari 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 18 januari 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 01 februari 2021 om 09.30 uur des voormiddags;
1.3. vervolgens is bij beschikking van het Hof d.d. 01 februari 2021 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 17 februari 2021 om 12.00 uur des middags;
1.4. de processen-verbaal gedateerd 01 februari 2021 en 17 februari 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.5. de uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 28 juni 2011 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk diefstal middels geweldpleging de dood ten gevolge hebbende, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 en 2 sub 2 en lid 3 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 07 mei 2012 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 08 mei 2012.
2.4. Het Hof heeft op 11 januari 2016 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 28 juni 2011 reeds twee/derde (2/3) deel van zijn opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij recentelijk een schrijven heeft ontvangen afkomstig van de Minister van Justitie en Politie met als onderwerp “Afwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling”. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. [naam] heeft daartoe aangegeven dat zijn gedrag goed is geweest tijdens zijn detentie en dat hij binnen de inrichting de rol van voeding corveeër vertolkt. Daarnaast heeft [naam] gesteld dat hij binnen de inrichting als een voorbeeldfiguur wordt gezien.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] nog geen twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. [naam] was op 29 april 2013 uit zijn detentie ontvlucht en werd wederom aangehouden op 06 november 2013. Deze omstandigheid heeft geleid tot de verschuiving van de datum van zijn V.I. Vanwege de ontvluchting is de V.I. datum van [naam] verschoven naar 27 mei 2021.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 11 januari 2016 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie ex artikel 30a Sr. waarbij er wel een beslissing aan [naam] is uitgereikt en diende [naam] derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. binnen veertien dagen daarna een bezwaarschrift in te dienen bij het Hof. Nu [naam] de beslissing van de Minister van Justitie en Politie heeft ontvangen op 06 november 2020 en het bezwaarschrift pas op 06 januari 2021 de griffie van het Hof heeft bereikt is [naam] in beginsel tardief met het aantekenen van bezwaar. Evenwel diende ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 4 Sr. aan [naam] een raadsman te worden toegevoegd hetgeen in casu niet heeft plaatsgevonden. De advocaat mr. S.W. Amirkhan, die in de hoedanigheid van waarnemer van mr. M.C.M. Nibte ter openbare zitting aanwezig was, heeft aangevoerd dat de verzoeker toen niet over de financiële middelen beschikte om een advocaat in de arm te nemen. Aangezien de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafrecht aangeeft dat het voor de hand ligt dat de rechter de termijn van veertien dagen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren, is het Hof van oordeel dat in casu naar redelijkheid en billijkheid is voldaan aan de voor indiening van het bezwaarschrift gestelde termijn. Indien de Staat zich aan de wet had gehouden en dienovereenkomstig tijdig aan [naam] een advocaat had toegevoegd was het bezwaarschrift kennelijk wel binnen de door de wetgever gestelde termijn ingediend. Door dit na te laten kan de Staat (lees: het Openbaar Ministerie) zich in de visie van het Hof niet met succes beroepen op overschrijding van de wettelijke termijn. Gelet op al het voorgaande is [naam] derhalve ontvankelijk in het bezwaarschrift.

5.4. Beoordeling van de bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Het Hof overweegt dat de V.I. – onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr.- ingevolge het bepaalde in artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarde, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de V.I. wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. In dit geval heeft [naam] nog geen twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten. Hij is in verzekering gesteld op 28 juni 2011 en is uit zijn detentie ontvlucht op 29 april 2013. [naam] heeft zich dus onttrokken aan zijn detentie voor de duur van bijkans 6 maanden en 7 dagen. Vanwege de ontvluchting van [naam] is zijn V.I. datum thans gesteld op 03 mei 2021 in plaats van 26 oktober 2020.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

6.2. Weigert de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam].

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 17 februari 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING EX ARTIKEL 475 LID 2 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 afkomstig van de Rechter-Commissaris en gericht aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) om op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 2 Wetboek van Strafvordering en het bepaalde in artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976), verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van in beslag genomen stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers, als vermeld in het verzoek, (het Hof begrijpt: aan de Procureur-Generaal) ter beschikking te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten.

Overwegende, dat uit het door de Rechter-Commissaris overgelegde aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 het volgende is gebleken:
– dat de Rechter-Commissaris bij schrijven d.d. 06 juni 2022 aan het Hof had verzocht om op basis van het bepaalde in artikel 475 lid 2 Wetboek van Strafvordering en het bepaalde in artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten. Aan voornoemd schrijven waren de hierna volgende fotokopieën gehecht, te weten:
1. Het rechtshulpverzoek d.d. 22 maart 2022, afkomstig van de officier van justitie, mr. B.S. van Unnik, van het Landelijk Parket Rotterdam in de strafzaak tegen de verdachte [naam];
2. Het referte proces-verbaal betreffende doorzoeking in de woning van de verdachte [naam] alias [bijnaam] aan de [adres 1] op maandag 16 mei 2022, opgemaakt door de inspecteur van politie [verbalisant 1];
3. Het referte proces-verbaal betreffende doorzoeking in de woning van de verdachte [naam] alias [bijnaam] aan de [adres 1] d.d. 16 mei 2022, opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 2];
4. Het referte proces-verbaal opgemaakt op maandag 16 mei 2022 betreffende doorzoeking van het pand/winkelpand van de familie [naam A] aan de [adres 2], waarvan het vermoeden bestond dat [naam] meergenoemd [bijnaam] enige betrekking mee heeft, opgemaakt door de brigadier van politie [verbalisant 3];
5. Het referte proces-verbaal betreffende de overdracht van de in beslag genomen goederen aan de afdeling Financieel Onderzoek Team van het Korps Politie Suriname d.d. 21 mei 2022, opgemaakt door de brigadier van politie [verbalisant 4];
6. Twee processen-verbaal van de doorzoeking (huiszoeking) ter inbeslagneming van 16 mei 2022;
7. De staat van inbeslagname tijdens de doorzoeking op 16 mei 2022;
– dat de Rechter-Commissaris middels het aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 aan het Hof heeft verzocht om alsnog verlof te verlenen om de in de bijlage opgenomen in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht aan de Nederlandse autoriteiten en
– dat het ten aanzien van de in beslag genomen Ipad R 4e generatie, de Toshiba laptop en Dell laptop slechts gaat om het verlenen van verlof tot overdracht van de data en niet het apparatuur aan de Nederlandse autoriteiten.

Overwegende, dat bovenvermeld rechtshulpverzoek is gegrond op:
– de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) en
– het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage,18 mei 1993);

Overwegende, dat voormelde doorzoekingen op 16 mei 2022 ingevolge het bepaalde in artikel 474 Wetboek van Strafvordering zijn verricht door de Rechters-Commissarisen mr. R.H. Elgin en mr. I. Sonai, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt;

Overwegende, dat daarbij met toestemming van de Rechter-Commissaris goederen, documenten en gegevensdragers in beslag zijn genomen, één en ander zoals is verwoord in de bijgevoegde kopie(ёn) van proces(sen)-verbaal van inbeslagname. In casu is ook voldaan aan het bepaalde in artikel 474 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering;

Overwegende, dat het Hof op basis van het referte proces-verbaal betreffende de overdracht van de in beslag genomen goederen aan de afdeling Financieel Onderzoek Team van het Korps Politie Suriname d.d. 21 mei 2022, opgemaakt door de brigadier van politie [verbalisant 4], bij beschikking d.d. 13 juni 2022 verlof heeft verleend om de in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht aan de Nederlandse autoriteiten. Het gaat om de op het adres aan de [adres 1] in beslag genomen goederen, te weten:
a. BB BB Q10 toestel (11.1);
b. BB P9983 toestel (11.5);
c. BB P9983 toestel (11.6);
d. BB Z30 toestel (11.7);
e. BB P9982 toestel (11.8);
f. BB Z10 toestel (11.9A);
g. BB Z10 toestel (11.9B) en
h. 1 x Ipad-PRO gsm 12 inch 1e generatie (11.13);

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris middels het aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 aan het Hof heeft verzocht om alsnog verlof te verlenen om de in de bijlage opgenomen in beslag genomen goederen ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht aan de Nederlandse autoriteiten nu er daarvoor bij beschikking d.d. 13 juni 2022 geen verlof is verleend;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof het onderhavige rechtshulpverzoek voor inwilliging vatbaar is, aangezien nòch verdragsrechtelijk (art. 10 lid 2 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken), nòch volgens de nationale wetgeving (art. 471 Wetboek van Strafvordering), er sprake is van een (imperatieve) weigeringsgrond;

Overwegende, dat er naar het oordeel van het Hof geen bezwaar bestaat tegen inwilliging van het aanvullend verzoek van de Rechter-Commissaris d.d. 26 augustus 2022 tot het verlenen van verlof om de door de Rechter-Commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten. Het voorgaande zal echter geschieden onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten zal worden bedongen dat de stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen, met name artikel 475 van het Wetboek van Strafvordering;

BESCHIKKENDE:

A. Verleent verlof aan de Rechter-Commissaris om de hieronder vermelde in beslag genomen stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten:
– De op het adres aan de [adres 1] in beslag genomen goederen en/of gegevensdragers, te weten:

1. zwart verkaste router van het merk COMTREND en adapter en een wit
verkaste wifi versterker van het merk AMPLIFI;
2. 1 USB-stick grijs van het merk KINGSTON;
3. 1 DVD schijf + hoes van familia MULEKAGEM;
4. 1 nota met beschrijving +58417917068, stulo whatsapp;
5. document betaling Jet Lee;
6. document 3635.000;
7. document USD 470000 (loodjes);
8. BB Z10 doos;
9. BB Z30 doos;
10. BB Z10 doos;
11. BB 9983 doos;
12. 1 x doos Nokia 3310 met simkaarthouder 895970306112169813;
13. usb-stick Kingston DTSE9 2gb zilver;
14. usb-stick Kingston DTSE9 2gb zilver;
15. usb-stick Kingston DTSE9 2gb zilver;
16. usb-stick DG. Technology blauw;
17. usb-stick DG. Technology blauw;
18. usb-stick ADATA 8 gb zwart/rood;
19. usb-stick SanDisk 16 gb zwart/rood;
20. usb-stick DT101 2 gb groen/zwart;
21. usb-stick slingshot rose;
22. usb-stick DataTraveler G3 8 gb wit/geel;
23. usb-stick Enfain 8 gb groen/zilver;
24. simkaarthouder Tu Tajeta 645610511, pin 3139, puk 35413698;
25. 1 x doos Nokia telefoon 10;
26. simkaarthouder Telesur 89597020250007750561;
27. simkaarthouder Digicel 895970306112667513;
28. 1 x USB stick Kingston 4 gb;
29. 1 x USB stick Sandisk 16 gb;
30. 1 x simkaart 8959703061;
31. 1 x simcard puk 468754601, 27429420, pin 8486, 8628;
32. 1 x doos Iphone XS;
33. 1 x satelite phone Seat Code 270126srw9360 (delen van) en
34. groen kattebelletje met daarop 5 adressen en
35. de data van het apparatuur:
• Ipad R 4e generatie;
• Toshiba laptop en
• Dell laptop.

B. Bepaalt dat voormeld verlof slechts wordt verleend onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie van Suriname op woensdag 07 september 2022 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. D. Nanhoe en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

 

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D. Nanhoe
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Substituut-Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E. Ommen-Dors)

SRU-HvJ-2022-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING EX ARTIKEL 475 LID 2 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoek d.d. 06 juni 2022 afkomstig van de Rechter-Commissaris en gericht aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) om op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 2 Wetboek van Strafvordering en het bepaalde in artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers, als vermeld in het verzoek, (het Hof begrijpt: aan de Procureur-Generaal) ter beschikking te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten.

Overwegende, dat uit de door de Rechter-Commissaris overgelegde stukken het volgende is gebleken:
– Op 13 mei 2022 is op het kabinet van de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten een vordering van de Surinaamse vervolgingsambtenaar mr. M. van Dijk d.d. 12 mei 2022 ingekomen.
De vervolgingsambtenaar heeft daarbij, onder overlegging van het rechtshulpverzoek d.d. 22 maart 2022, afkomstig van mr. B.S. van Unnik, officier van justitie van het Landelijk parket te Rotterdam, Lurisnummer [nummer], gevorderd dat de Rechter-Commissaris zal overgaan tot het verrichten van de doorzoekingen (huiszoekingen) in de strafzaak tegen de verdachte [naam], in de panden op de navolgende adressen, te weten: [adres 1] en [adres 2];

Overwegende, dat bovenvermeld rechtshulpverzoek d.d. 22 maart 2022 is gegrond op:
– de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) en
– het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage,18 mei 1993);

Overwegende, dat voormelde doorzoekingen op 16 mei 2022 zijn verricht door de Rechters-Commissarisen mr. R.H. Elgin en mr. I. Sonai, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt;
Overwegende, dat daarbij met toestemming van de Rechter-Commissaris goederen, documenten en gegevensdragers in beslag zijn genomen, één en ander zoals is verwoord in de bijgevoegde kopie(en) van proces(sen)-verbaal van inbeslagname;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof het onderhavige rechtshulpverzoek voor inwilliging vatbaar is, aangezien nòch verdragsrechtelijk (art. 10 lid 2 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken), nòch volgens de nationale wetgeving (art. 471 Wetboek van Strafvordering), er sprake is van een (imperatieve) weigeringsgrond;

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris ingevolge het bepaalde in artikel 474 Wetboek van Strafvordering, op grond van de vordering van de vervolgingsambtenaar mr. M. van Dijk, bevoegd is tot het doen van doorzoekingen (huiszoekingen) en het in beslag nemen van goederen, documenten en gegevensdragers;

Overwegende, dat in casu ook voldaan is aan het bepaalde in artikel 474 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering;

Overwegende, dat er naar het oordeel van het Hof geen bezwaar bestaat tegen inwilliging van het verzoek van de Rechter-Commissaris tot het verlenen van verlof om de door de Rechter-Commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten. Het voorgaande zal echter geschieden onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten zal worden bedongen dat de documenten zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen, met name artikel 475 van het Wetboek van Strafvordering;

BESCHIKKENDE:

1. Verleent verlof aan de Rechter-Commissaris om de hieronder vermelde in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten:
– De op het adres [adres 1] in beslag genomen goederen en/of gegevensdragers, te weten:
a. BB Q10 toestel (11.1);
b. BB P9983 toestel (11.5);
c. BB P9983 toestel (11.6);
d. BB Z30 toestel (11.7);
e. BB P9982 toestel (11.8);
f. BB Z10 toestel (11.9A);
g. BB Z10 toestel (11.9B);
h. 1 x Ipad-PRO gsm 12 inch 1e generatie (11.13);

2. Bepaalt dat voormeld verlof slechts wordt verleend onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten wordt bedongen dat de documenten zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie van Suriname op maandag 13 juni 2022 door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. D. Nanhoe en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D. Nanhoe
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)