SRU-HvJ-2021-20

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 04 juni 2021 door mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om met toepassing van artikel 61 SV zijn onmiddellijke invrijheidstelling te gelasten, daar er geen gronden aanwezig zijn voor het verleende bevel tot bewaring;

Gelet op ’s Hofs beschikking waarbij de behandeling van dit verzoekschrift is bepaald voor woensdag 16 juni 2021 om 12.00 uur des middags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, als Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. 16 juni 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op 09 maart 2021 in verzekering is gesteld terzake de strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het Wetboek van Strafrecht. Op 15 maart 2021 is de inverzekeringstelling van verzoeker verlengd met dertig dagen ingaande 16 maart 2021. Vervolgens is er een bevel bewaring verleend door de rechter-commissaris voor de duur van dertig dagen;

Overwegende, dat het Hof tot de slotsom komt dat uit het ingesteld politioneel onderzoek is gebleken dat verzoeker erkent een schot te hebben gelost in de richting van het lichaam van het latere slachtoffer ten gevolge waarvan die letsel heeft bekomen. De omstandigheden waaronder hij tot deze daad is overgegaan plaatst verzoeker in een bepaalde feitelijke context hetwelk noodweer casu quo noodweerexces zou rechtvaardigen. Evenwel blijken de ooggetuigen deels de verklaring van verzoeker te ondersteunen terwijl er ook ooggetuigen zijn die een relaas geven die haaks op de verklaring van verzoeker staan. Het voorgaande rechtvaardigt in de visie van het Hof het oordeel dat het een en ander nader dient te worden onderzocht op de terechtzitting terwijl vooralsnog de ernstige bezwaren aanwezig worden geacht. De raadkamerprocedure biedt in dit kader geen ruimte voor uitgebreid feitenonderzoek. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd rechtvaardigt in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom dat een onverwijlde continuering van verzoeker’s vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is

Gelet op voormelde overwegingen zal het Hof het verzoek afwijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel;

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek van de verzoeker, [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 juni 2021 door: mr. A. Charan, fungerend – president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden – plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc fungerend – griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-19

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 30 maart 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoekster, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoekster voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 06 april 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 april 2021 om 12.00 uur des middags;

Gehoord de verzoekster, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. S. Mahadew, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 april 2021;

Overwegende, dat de verzoekster in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en haar raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoekster op 18 juli 2019 in verzekering is gesteld. De verzoekster is op 13 juli 2002 door de Kantonrechter in het Tweede en het Derde Kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren terzake overtreding Wet Verdovende Middelen. Volgens de vervolging zal verzoekster pas in november 2022 twee/derde deel van de opgelegde straf hebben uitgezeten. De verzoekster heeft onder overlegging van een medische verklaring aangegeven dat zij gezondheidsproblemen heeft en dat haar detentie een negatieve invloed heeft op haar nogal zeer kritieke gezondheidstoestand. Voorts is gebleken dat verzoekster sinds 04 december 2020 naar de dermatoloog was verwezen, maar pas op 11 maart 2021 naar de dermatoloog is gebracht. Op 23 maart 2021 moest verzoekster voor de tweede keer een operatie ondergaan en is tot heden niet naar de ziekenhuis gebracht. In detentie krijgt verzoekster behalve pijnstillers en paracetamol geen andere medicatie toegediend en wanneer zij recepten krijgt, dan duurt het een tijdje voordat zij van medicijnen wordt voorzien. In de visie van het Hof heeft verzoekster voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gezondheidsproblemen heeft die maken dat zij heel moeilijk de detentie kan ondergaan aangezien de gezondheidszorg in detentie, gelet op haar aandoeningen, niet adequaat genoemd kan worden. Eveneens heeft verzoekster gesteld dat zij is verzekerd via het Staatsziekenfonds en haar medische behandelingen sneller en op tijd kan laten doen als haar voorlopige hechtenis wordt opgeheven;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat – gelet op al het voorgaande – het verzoek van verzoekster op basis van humanitaire gronden voor toewijzing in aanmerking komt.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoekster [Naam];

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 april 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-18

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op donderdag 05 augustus 2021 door mr. K. Bhoendie, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 10 augustus 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor maandag 16 augustus 2021 om 12.30 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. K. Bhoendie, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. maandag 16 augustus 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de verdediging in zijn verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 16 februari 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden onder aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest is doorgebracht. Voorts geeft de verdediging aan dat de verzoeker op 27 augustus 2021 twee/derde deel van de opgelegde straf zal hebben uitgezeten. De verdediging vraagt om het verzoek tot voorlopige hechtenis toe te wijzen op basis van humanitaire redenen en om handlichting te verlenen aan verzoeker, daar er geen hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter.

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat er geen hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Op basis daarvan vraagt de Waarnemend Procureur – Generaal om verzoeker niet ontvankelijk te verklaren;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker op 16 februari 2021 door de kantonrechter in het Derde Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 01 november 2020, doch heeft de verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton geen hoger beroep aangetekend met als gevolg dat het voornoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

Overwegende, dat verzoeker in de visie van het Hof thans bezig is de door de kantonrechter in het Derde Kanton opgelegde straf uit te zitten, tegen welk vonnis er geen hoger beroep is aangetekend waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Om deze reden komt aan verzoeker geen recht toe om een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis te doen op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, nog daar gelaten het antwoord op de vraag of verzoeker al dan niet reeds twee/derde deel van de aan hem in het Derde Kanton opgelegde straf heeft uitgezeten. Verzoeker zal weshalve niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het door hem gedane verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 16 augustus 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-17

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 19 juli 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 23 juli 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 juli 2021 om 14.15 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 juli 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de verdediging in haar verzoekschrift heeft gesteld dat de verzoeker op 08 juli 2021 door de kantonrechter is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Daarnaast heeft de verdediging gesteld, dat de verzoeker hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter en tot heden geen zicht heeft op behandeling van de zaak in hoger beroep. Vervolgens geeft de verdediging aan dat de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. Op basis van het voorgaande vordert de verdediging opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd;

Overwegende, dat de vervolging tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat zij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek van de verzoeker, daar hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten en er nog geen zicht is op behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen voormelde vonnis, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en tot op heden geen zicht heeft op de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Overwegende, dat volgens de vaste gedragslijn van het Hof een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt ingewilligd, indien er nog geen zicht is op de behandeling van de zaak in hoger beroep en verzoeker reeds twee/derde deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten, ongeacht of de gronden van het bevel tot voorlopige hechtenis nog aanwezig worden geacht;

Overwegende, dat ten tijde van de behandeling in Raadkamer de verzoeker reeds twee derde deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten, terwijl er geen zicht is op behandeling van de zaak in Hoger Beroep. Naar het oordeel van het Hof is de consequentie van het voorgaande volgens de vaste gedragslijn van het Hof dat het verzoek voor toewijzing in aanmerking dient te komen.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker [Naam];

Heft op het bevel tot gevangenhouding van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 juli 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-16

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 09 februari 2021 door mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 10 februari 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 17 februari 2021 om 14.30 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. G. Paragsingh, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 17 februari 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;
Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal in haar mondelinge reactie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek van de verzoeker, daar hij voldoende is gestraft en zich in detentie moeilijk kan verplaatsen;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker op 10 november 2020 in verzekering is gesteld en reeds is gedagvaard voor de zitting in eerste aanleg op 04 februari 2021. Achteraf is de datum van eerste behandeling uitgesteld met een tussenpoos van bijkans twee maanden tot de zitting van 01 april 2021. Voorts is gebleken dat verzoeker twee inschoten in zijn bovenbeen en een uitschot in zijn bekken heeft gehad waardoor hij zich in detentie moeilijk kan verplaatsen en veel last heeft van pijnen. Tevens is gebleken dat er geen dringende redenen van maatschappelijke veiligheid of gevaar voor vlucht aanwezig zijn, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verzoeker vorderen. In de visie van het Hof heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat hij gezondheidsproblemen heeft die maken dat hij de detentie heel moeilijk kan ondergaan. Het Hof heeft eveneens acht geslagen op de jeugdige leeftijd van verzoeker;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat – gelet op al het voorgaande – het verzoek van verzoeker op basis van humanitaire gronden voor toewijzing in aanmerking komt.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker [Naam];

Heft op het bevel tot gevangenhouding van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 17 februari 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-15

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het schrijven ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 31 maart 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoekster, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoekster voornoemd op te heffen en om haar onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 06 april 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 april 2021 om 11.00 uur des voormiddags;

Gehoord de verzoekster, bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. A. Niamat, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 april 2021;

Overwegende, dat de verzoekster in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens haar ingediende verzoekschrift en haar raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;
Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoekster overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de zaak reeds in behandeling is bij Kantonrechter in eerste aanleg. Het Hof is van oordeel dat ten aanzien van de door verzoekster aangevoerde punten betreffende de twijfels omtrent de geloofwaardigheid van het obductierapport, deze bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde dienen te worden gesteld en zich er niet voor lenen om in raadkamer naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering te worden onderzocht en/of beoordeeld. Ook het in de wet verankerde anticipatiegebod leidt niet tot toewijzing van het verzoek;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoekster dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor opheffing van de voorlopige hechtenis;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 april 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2020-50

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 02 december 2020 door mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 03 december 2020, waarbij de behandeling van dit verzoekschrift is bepaald voor maandag 14 december 2020 om 15.00 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. G. Paragsingh, als Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. 14 december 2020;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het politiestrafdossier is gebleken dat verzoeker op 15 oktober 2020 in verzekering is gesteld terzake de strafbare feiten zoals genoemd in de artikelen 372 jo 72 jo 73; 381; 382 van het Wetboek van Strafrecht. Op 21 oktober 2020 is de inverzekeringstelling van verzoeker verlengd met dertig dagen ingaande 22 oktober 2020. Vervolgens is er op 20 november 2020 een bevel bewaring verleend door de rechter-commissaris met ingang van 21 november 2020 voor de duur van dertig dagen;

Overwegende, dat het Hof kennis heeft genomen van het politiestrafdossier en tot de slotsom is gekomen dat er ernstige bezwaren tegen verzoeker zijn gerezen die een continuering van de vrijheidsbeneming van verzoeker rechtvaardigen. Immers waren er al indicaties dat de verklaringen van verzoeker hiaten vertoonden en niet synchroon liepen met de verklaringen van de aangever en diens echtgenote. Vervolgens bleek dat de camerabeelden bij Yokohama N.V. en het Safe Cityproject niet overeen komen met de inhoud van de verklaringen die de verzoeker bij de politie heeft afgelegd omtrent de gevolgde route met het door hem bestuurde voertuig. Daarnaast blijkt verzoeker ook getracht te hebben de artsen te bewegen om hun bevindingen synchroon te laten lopen met zijn relaas. Het door de politie opgemaakt aanvullend dossier heeft geen materiaal opgeleverd dat de verklaring van verzoeker dat hij zelf slachtoffer zou zijn geweest van een beroving in enige mate ondersteunt.

Overwegende, dat het door verzoeker gedaan beroep op humanitaire gronden evenmin tot honorering van het verzoek aanleiding geeft. Een afweging van de in geding zijnde belangen, te weten het individueel (gezondheids-)belang van verzoeker afgezet tegen het algemeen belang van de samenleving bij normhandhaving door berechting, doet de balans vooralsnog in de visie van het Hof in de richting van de samenleving uitslaan. Niet is gebleken dat verzoeker momenteel fysiek niet in staat is om de detentie te ondergaan.

Overwegende, dat al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom rechtvaardigen dat er ernstige bezwaren zijn gerezen ten aanzien van verzoeker welke een onverwijlde continuering van zijn vrijheidsbeneming rechtvaardigen;
Gelet op voormelde overwegingen zal het Hof het verzoek van verzoeker afwijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel;

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek van de verzoeker, [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op dinsdag 15 december 2020 door: mr. A. Charan, fungerend – president, mr. D.G.W. Karamat Ali, lid en mr. J. Kasdipowidjojo, lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc fungerend-griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2020-49

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het schrijven afkomstig van verzoeker hetwelk het Hof heeft opgevat als een verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 1 december 2020 door de verzoeker [Naam], met het verzoek om persoonlijk uitgenodigd te worden om de ingediende klacht mondeling met onderliggende stukken te motiveren;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 2 december 2020, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 9 december 2020 om 14.45 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 9 december 2020;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het door hem ingediend schrijven, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat verzoeker op 27 augustus 2020 door de kantonrechter is veroordeeld. Tegen voormeld vonnis heeft de verzoeker hoger beroep aangetekend op 3 september 2020;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde punten betreffende het bewijs, deze bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde dienen te worden gesteld en zich er niet voor lenen om in raadkamer op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering te worden onderzocht en/of beoordeeld;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoeker dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor onderbreking van de detentiemaatregel zoals door verzoeker is verzocht. Het Hof vindt aanleiding in hetgeen bij de behandeling in raadkamer aan de orde is gesteld om de griffier te vragen om door tussenkomst van de Griffie der Kantongerechten te bewerkstelligen dat het appeldossier in deze zaak ten spoedigste naar het Hof zal worden opgestuurd.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het gedane verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 9 december 2020 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. I.S. Chhangur -Lachitjaran, lid en mr. J. Kasdipowidjojo, lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur -Lachitjaran
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-14

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op vrijdag 28 mei 2021 door mr. H.H. Vreden, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam 1], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op de mededeling van het Hof waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 16 juni 2021 om 13.00 uur des namiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, waarvan de verdediging kopielezer is gemaakt, van welke gelegenheid de verdediging heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadsvrouw en de reactie op het voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in haar verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 16 september 2020 in verzekering is gesteld terzake strafbare feiten, omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 280; 279; 278; 386; 280 jo. 73, 279 jo. 73, 278 jo. 73, 386 jo. 73 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging geeft aan dat verzoeker een first offender is en dat zijn recht op een eerlijk proces op een niet mis te verstane wijze is veronachtzaamd doordat niet alle processen-verbaal, waaronder het proces-verbaal gedateerd 23 september 2020, tijdig zijn verstrekt. Indien het voormeld proces-verbaal tijdig was verstrekt, dan zou er geen enkele valide reden aanwezig zijn geweest om het ingediend verzoek tot invrijheidstelling ex. artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering op 05 oktober 2020 af te wijzen. Voorts is door de verdediging gesteld dat de verzoeker de Nederlandse taal niet beheerst; hij heeft slechts tot de tweede klas van de lagere school onderwijs genoten waardoor hij niet kan lezen en schrijven. De verzoeker moest in opdracht van [Naam 2] een uur lang oefenen om een handtekening op naam van [Naam 3] na te bootsen. De verzoeker heeft geen betrokkenheid gehad bij het beramen van het plan en was ook niet bekend met het plan van [Naam 4] en [Naam 2] om de percelen te verkopen. Volgens de verdediging sluiten de handelingen van verzoeker niet aan op de in de dagvaarding opgenomen delictsomschrijvingen. Tot slot geeft de verdediging aan, dat verzoeker een dagvaarding, gedateerd 20 januari 2021 heeft ontvangen, om op donderdag 04 februari 2021 te 08.30 uur ’s morgens ter terechtzitting van de kantonrechter in het Tweede Kanton te verschijnen;

Overwegende, dat de vervolging in haar antwoord heeft aangegeven dat de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die strafbaar zijn gesteld in de artikelen 280; 278 en 279 van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien verzoeker een first offender is, zal de vervolging daar rekening mee houden bij de formulering van de strafeis. De vervolging geeft verder aan, dat de verdediging ten onrechte stelt dat het proces-verbaal niet tijdig is verstrekt, daar het proces-verbaal, gedateerd 23 september 2020, op de dag waarop het strafdossier aan de verdediging ter beschikking was gesteld, nog niet was ontvangen door het Openbaar Ministerie. Voorts, dat de ernstige bezwaren overeind staan, daar de benadeelde haar percelen is kwijt geraakt door het handelen van de verzoeker. Verzoeker heeft verklaard dat hij had geoefend om de handtekening ten name van [Naam 3] na te bootsen en dat hij wist dat het om een vervalste ID-kaart ging. De benadeelde lijdt als gevolg daarvan grote financiële verliezen en de rechtsorde is ernstig geschokt. Daarnaast zijn er concrete feiten en omstandigheden die de vrees voor bewijsvertroebeling rechtvaardigen. Op 04 februari 2021 is er in eerste aanleg een aanvang gemaakt met de behandeling van de zaak en op de terechtzitting van 03 juni 2021 heeft de kantonrechter op basis van de feiten en het procesdossier bepaald dat de voorlopige hechtenis van verzoeker zal worden gecontinueerd. De vervolging acht het prematuur om de voorlopige hechtenis van verzoeker, in de fase waarin de zaak zich nu bevindt, op te heffen. Ook bestaat er een vrees voor collusie, daar het verdachte- en getuigenverhoor nog moet plaatsvinden. Het bovenstaande in aanmerking nemend, heeft de vervolging gevraagd om het verzoek van verzoeker af te wijzen.
Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de kantonrechter reeds een aanvang heeft gemaakt met de behandeling van de zaak in eerste aanleg, waarbij de voortzetting van de behandeling in eerste aanleg is bepaald voor 19 augustus 2021. De kantonrechter heeft op de terechtzitting van 03 juni 2021 bepaald dat de ernstige bezwaren, die een onverwijlde continuering van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen, in casu aanwezig zijn;

Overwegende, dat de kantonrechter in eerste aanleg – gelet op de stand waarin deze zaak zich bevindt – in de visie van het Hof beter in staat is om te beoordelen of er al dan niet gronden aanwezig zijn voor continuering van de detentie van verzoeker. Immers beschikt de kantonrechter over het volledig dossier en is inhoudelijk op de hoogte van de zaak;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 juni 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-13

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het schrijven ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 15 maart 2021 door mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 30 maart 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 31 maart 2021 om 10.30 uur des voormiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 31 maart 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn advocaat eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenìs;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde punten betreffende hetgeen hem verweten wordt, deze bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde dienen te worden gesteld en zich er niet voor lenen om in raadkamer naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering te worden onderzocht en/of beoordeeld. Ook het in de wet verankerde anticipatiegebod leidt niet tot toewijzing van het verzoek;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoeker dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor opheffing van de voorlopige hechtenis;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 31 maart 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)