SRU-HvJ-2021-11

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKELEN 70 JO. 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikelen 70 jo. 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 09 juni 2021 door I.D. Kanhai BSc. en mr. J. Kraag, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, VAN TRIKT, ROBERT-GRAY, met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd conform de artikelen 70 jo. 61 Sv. op te willen heffen onder door het Hof te stellen voorwaarden en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te willen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 22 juni 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 30 juni 2021 om 09.30 uur des voormiddags;

Gehoord de raadslieden, I.D. Kanhai BSc. en mr. J. Kraag, advocaten bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. S. Mahadew, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 30 juni 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadslieden eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op of omstreeks 06 februari 2020 is aangehouden en in verzekering is gesteld, één en ander op verdenking van het hebben begaan van strafbare feiten zoals is omschreven in de verlenging van de inverzekeringstelling. Eveneens is gebleken dat op of omstreeks 07 februari 2020 en 13 februari 2020 er een gerechtelijk vooronderzoek is gestart, welk onderzoek op 05 mei 2020 door de rechter-commissaris is afgesloten. De behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is op 04 juni 2020 aangevangen;

Overwegende, dat het Hof na kennisname van het bezwaar van verzoeker en het standpunt van de vervolging daaromtrent tot de slotsom is gekomen dat er wel ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker zijn gerezen die een continuering van de vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Daarbij heeft het Hof eveneens acht geslagen op de maatschappelijke ‘impact’ die het aan het rollen komen van deze zaak heeft veroorzaakt en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd rechtvaardigen in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom dat er ernstige bezwaren zijn gerezen ten aanzien van verzoeker welke een continuering van zijn vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Bovendien is de Kantonrechter – in de visie van het Hof – beter in staat om te oordelen omtrent de strafwaardigheid van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en dat in samenhang te bezien met de eventuele continuering van de detentie van de verzoeker;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling van de zaak in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, VAN TRIKT, ROBERT-GRAY;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 30 juni 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-10

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 21 juni 2021 door I.D. Kanhai BSc. en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om conform art. 61 van het Wetboek van Strafvordering het verzoek gedaan door de Surinaamse autoriteiten om verzoeker aan te houden en uit te leveren te willen opheffen, althans de aanhouding (lees voorlopige hechtenis) te willen opheffen en de onmiddellijke invrijheidstelling te willen verzoeken aan de Nederlandse autoriteiten.

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 25 juni 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 14 juli 2021 om 12.30 uur des namiddags;

De verzoeker is niet gehoord vanwege zijn detentie in Nederland;

Gehoord de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 14 juli 2021;

Grondslag van het verzoek:
Naar de mening van de verdediging van verzoeker [Naam] is de akte van uitreiking in Nederland en als gevolg daarvan ook de uitgereikte dagvaarding nietig. Art. 517 lid 4 van het WSv schrijft dwingend en nadrukkelijk voor dat de autoriteit (de vervolgingsambtenaar) van wie het gerechtelijk schrijven uitgaat en het parket nummer van het (gerechtelijk) schrijven, te weten het nummer 1, moeten worden vermeld in de akte van uitreiking. In de akte van uitreiking wordt vermeld “akte van uitreiking van de dagvaarding van de Kantonrechter in het Derde Kanton” en als nummer wordt vermeld [nummer].

Naar de mening van de verdediging is het Nederlands recht niet toepasselijk en zelfs als het toepasselijk zou zijn, dan nog is er sprake van nietigheid van de dagvaarding zoals verwoord in artikel 517 WSv en artikel 588 Ned. WSv. Voorts is ex art. 2 WSv het Surinaams recht toepasselijk.

Nu er, aldus de raadsman, sprake is van een nietige dagvaarding heeft de vervolging naar de mening van de verdediging niet voldaan aan art. 365 Sv en heeft zij haar vervolgingsrecht verspeeld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Primair vraagt de vervolgingsambtenaar dat het Hof zich onbevoegd verklaart om te beslissen over de aanhouding (als opgeëiste persoon) ten behoeve van de uitlevering van verzoeker. De opgeëiste persoon is (voorlopig) aangehouden op grond van de artikelen 1 en 21 van de Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken juncto artikel 13 van de Nederlandse Uitleveringswet. Onder verwijzing naar artikel 31 lid 1 van de Nederlandse Uitleveringswet krachtens welk tegen de uitspraak van de rechtbank door de opgeëiste persoon beroep in cassatie kan worden ingesteld, concludeert het Openbaar Ministerie dat verzoeker niet de juiste instantie heeft geadieerd met zijn verzoek tot opheffing van diens voorlopige aanhouding als opgeëiste persoon.
Voorts is de vervolging van mening dat het verzoek om de dagvaarding nietig te verklaren zich niet leent voor een verzoek ex artikel 61 WSv. Een dergelijk preliminair verweer dient aan de orde te worden gesteld bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de Kantonrechter, hetgeen ook reeds is geschied. De Kantonrechter neemt daaromtrent een beslissing op 19 juli 2021.

Subsidiair vraagt het Openbaar Ministerie het verzoek ex art. 61 WSv, dat gegrond is op de door verzoeker beweerde nietigheid van de akte van uitreiking en dientengevolge van de dagvaarding, af te wijzen. De ernstige bezwaren waarvoor verzoeker (voorlopig) is aangehouden ter uitlevering ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek staan nog recht overeind.

De vervolging verwijst voorts naar art. 517 lid 7 WSv op grond waarvan bij bekende verblijfplaats buitenlands van de te dagvaarden persoon, door de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat, tevens een afschrift van de mededeling welke het schrijven bevat (in casu de dagvaarding), bij aangetekende brief wordt verzonden aan hem voor wie het schrijven bestemd is. De niet-naleving van de voorschriften in de leden 1 tot en met 5 van artikel 517 WSv is in lid 6 van dit artikel bedreigd met nietigheid. De sanctie van nietigheid heeft geen betrekking op het bepaalde in lid 7 van het artikel.

Art. 588 lid 2 van het Nederlandse WSv bevat een soortgelijke bepaling met betrekking tot de wijze van uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, namelijk door toezending van de mededeling door het Openbaar Ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.

De beoordeling door het Hof:
Art. 517 van het Surinaamse WSv bepaalt dat in de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, bij bekende verblijfplaats buitenlands, tevens door de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat, een afschrift van de mededeling welke het schrijven bevat, bij aangetekende brief wordt verzonden aan hem voor wie het schrijven bestemd is.

Art. 588 lid 1 onder a van het Nederlandse WSv luidt: De uitreiking geschiedt aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen, in persoon.

Blijkens de overgelegde Akte van Uitreiking welke op ambtseed (ambtsbelofte) is opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Nederlandse autoriteit (instantie), is de gerechtelijke brief, inhoudende de dagvaarding van verzoeker [Naam] om te verschijnen in de verzet strafzaak die wordt behandeld op 15 maart 2021 om 08.30 uur aan de Mgr. Wulfinghstraat no 5 te Paramaribo, op 25 februari 2021 aan verzoeker, verblijvende in Nederland, in persoon uitgereikt. Het Hof stelt vast dat de uitreiking in persoon is geschied op grond van art. 588 lid 1 van het Nederlandse WSv.

Het verzoek tot uitreiking is gebaseerd op de Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken. Artikel 10 van de Overeenkomst bepaalt: “De Overeenkomst sluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels van deze overeenkomst en met inachtneming van hun nationale wetgeving elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten, waarvan de bestraffing, op het tijdstip waarop de rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteit van de verzoekende partij”.

Zowel in de nationale wetgeving van Suriname (art. 476 lid 1 WSv) als in de Nederlandse nationale wetgeving (art. 552q lid 1 Ned. WSv) ) is in overeenstemming met art. 10 van de Overeenkomst tussen Suriname en Nederland gelijkluidend bepaald dat het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van Surinaamse respectievelijk Nederlandse stukken van vergelijkbare strekking.

Op grond van art. 10 uit de Overeenkomst tussen Suriname en Nederland en art. 552q Ned, WSv is de Nederlandse autoriteit belast met de uitreiking van de gerechtelijke brief betreffende de dagvaarding aan verzoeker in Nederland, gehouden aan de ter zake in Nederland geldende wettelijke voorschriften.

Dit is ook in overeenstemming met de “interne soevereiniteit” van landen om hun rechtsorde in het algemeen, maar zeker hun strafvordering, naar eigen opvattingen in te richten. De uitvoering van een rechtshulpverzoek wordt in de regel beheerst door het recht van de aangezochte staat. Wederzijdse rechtshulpverlening is mede gebaseerd op het vertrouwensbeginsel dat inhoudt dat de betrokken landen in principe niet treden in de beoordeling van de rechtmatigheid van elkaars strafvorderlijk optreden, in casu de rechtmatigheid van de akte van uitreiking in Nederland van de gerechtelijke brief betreffende de dagvaarding aan verzoeker volgens de in Nederland geldende wettelijke voorschriften. Het Hof gaat derhalve voorbij aan het door de raadslieden van verzoeker gevoerde verweer met betrekking tot vermelding van het nummer en van “akte van uitreiking van de dagvaarding van de kantonrechter in het Derde Kanton” in de akte van uitreiking.

Op grond van het hier voren gestelde oordeelt het Hof dat het namens verzoeker gevoerde verweer m.b.t. de akte van uitreiking en de daaraan gekoppelde inroeping van de nietigheid van de uitgereikte dagvaarding ongegrond is. Het Hof zal het daartoe strekkend verweer dan ook verwerpen.

De consequentie van voorgaande slotsom is dat het Hof niet toekomt aan de beoordeling van het op het verweer gebaseerde verzoek ingevolge artikel 61 WSv tot opheffing van het door de Surinaamse autoriteiten gedaan verzoek om verzoeker aan te houden en uit te leveren, althans de aanhouding (voorlopige hechtenis) op te heffen en de onmiddellijke invrijheidstelling te verzoeken aan de Nederlandse autoriteiten, nog daargelaten de vraag of art. 61 WSv zich leent voor (inwilliging van) een dergelijk verzoek.

De beslissing
Het Hof:

Verklaart het verzoek ongegrond.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 14 juli 2021 door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-9

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 21 juli 2021 door mr. R.R. Lobo en mr. M.C.M. Nibte, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 23 juli 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor maandag 02 augustus 2021 om 12.00 uur des middags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. A. Niamat, waarnemend Advocaat-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. maandag 02 augustus 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Advocaat – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de kantonrechter reeds een aanvang heeft gemaakt met de behandeling van de zaak in eerste aanleg, waarbij de eerste behandeling in eerste aanleg is bepaald voor maandag 02 augustus 2021.

Overwegende, dat de kantonrechter in eerste aanleg – gelet op de stand waarin deze zaak zich bevindt – in de visie van het Hof beter in staat is om te oordelen omtrent de strafbaarheid van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en dat in samenhang te bezien met de eventuele continuering van de detentie van de verzoeker;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoeker dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor opheffing van de voorlopige hechtenis;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 02 augustus 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend-Griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-8

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op vrijdag 11 juni 2021 door mr. Ch. Algoe en mr. E.M. Redjopawiro, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op de mededeling van het Hof waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 23 juni 2021 om 10.00 uur des voormiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, waarvan de verdediging kopielezer is gemaakt, van welke gelegenheid de verdediging heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadslieden en de reactie op voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in zijn verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 30 september 2020 in verzekering is gesteld en op 20 april 2021 door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht. Verzoeker moest dus ingevolge voormelde veroordeling een onvoorwaardelijk deel van 12 maanden gevangenisstraf uitzitten. Blijkens mededeling van verzoeker heeft de vervolging hoger beroep ingesteld tegen voormelde veroordeling en wel op 21 april 2021. Voorts, dat verzoeker op 30 mei 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten;

Overwegende, dat de vervolging in haar reactie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek van de verzoeker. Immers heeft hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf, hetgeen gelijk is aan 8 maanden, op 30 mei 2021 uitgezeten. Voorts, vanwege het feit dat er nog geen zicht is op behandeling van zijn zaak in hoger beroep en verzoeker geen nadeel mag ondervinden van het aangewende rechtsmiddel van hoger beroep, terwijl hij tijdens de detentieperiode geen tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 30 september 2020. Voorts is gebleken dat de vervolging op 21 april 2021 tegen voormeld vonnis, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat, gelet op de datum van het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton er – anders dan door de verdediging en vervolging wordt gesteld – redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat er geen zicht is op behandeling van de zaak in hoger beroep. Immers dateert het vonnis van de kantonrechter van vrij recente datum en is het in de Surinaamse rechtspraktijk algemeen bekend dat de op de zaak in eerste aanleg betrekkelijke stukken niet binnen twee maanden naar het Hof worden opgestuurd. De daartoe strekkende grondslag van het verzoek haalt het derhalve niet in rechte en zal worden verworpen;

Overwegende, dat gelet op het feit dat verzoeker voornoemd bijkans twee/derde deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten, het belang bij het nog langer voortduren van de voorlopige hechtenis afgezet tegen het belang van de vervolging om tegen de beslissing van de kantonrechter op te komen, tot de slotsom leidt, dat verzoeker in casu onevenredig nadeel ondervindt door het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep door de vervolging, hetgeen nimmer de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Immers is het verwachtbaar dat tegen de tijd dat de op de strafzaak in eerste aanleg betrekking hebbende stukken het Hof zullen hebben bereikt de verzoeker inmiddels de door de kantonrechter opgelegde gevangenisstraf volledig zal hebben uitgezeten;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof de consequentie van het voorgaande is dat het verzoek voor toewijzing in aanmerking dient te komen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker [Naam];

Heft op het bevel tot gevangenhouding van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 23 juni 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-7

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 19 juli 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 23 juli 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 juli 2021 om 13.30 uur des namiddags;
Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 juli 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de verdediging in haar verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 08 juli 2021 door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en drie maanden met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Daarnaast heeft de verdediging gesteld, dat de verzoeker hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter. Vervolgens geeft de verdediging aan dat de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. Op basis van het voorgaande vordert de verdediging opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd;

Overwegende, dat de vervolging tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat het recidivegevaar ten aanzien van verzoeker te groot is, daar hij zich reeds vier keren schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De vervolging heeft tevens gesteld dat het Hof bij eerdere verzoeken ex. artikel 33 Sr. afwijzend heeft beslist vanwege het recidivegevaar. Op basis van het voorgaande vraagt de vervolging aan het Hof om het verzoek van de verdediging af te wijzen;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter op 08 juli 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren en drie (3) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend. Op 18 juni 2021 heeft de verzoeker voornoemd reeds twee/derde deel van de aan hem opgelegde straf uitgezeten. Vervolgens is uit het onderzoek in Raadkamer gebleken dat verzoeker zich ettelijke malen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

Overwegende, dat een redelijke en billijke afweging van het belang van verzoeker op terugkeer in de samenleving afgezet tegen het belang van beveiliging van de samenleving naar het oordeel van het Hof tot de slotsom leidt dat verzoeker in concreto thans nog geen aanspraak maakt op terugkeer in de samenleving.

Overwegende, dat het Hof aanleiding vindt in hetgeen bij de behandeling in raadkamer aan de orde is gesteld om de griffier te vragen om door tussenkomst van de Griffie der Kantongerechten te bewerkstelligen dat het appeldossier in deze zaak ten spoedigste naar het Hof zal worden opgestuurd.

Gelet op voormelde overwegingen zal het Hof het verzoek van verzoeker afwijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 juli 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-6

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 04 mei 2021 door mr. A. Ramlakhan, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 05 mei 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 26 mei 2021 om 13.00 uur des namiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, van welke gelegenheid de verdediging kopielezer is gemaakt, heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadsman en het antwoord op het voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in zijn verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 18 juni 2020 door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden en in het Derde kanton tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden. Daarnaast heeft de verdediging gesteld, dat de verzoeker hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter in zowel het Tweede als het Derde Kanton. Vervolgens geeft de verdediging aan, dat de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten terwijl er geen zicht is op behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Op basis van het voorgaande vordert de verdediging opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd;

Overwegende, dat de vervolging in haar antwoord heeft aangegeven dat de verzoeker op 18 juni 2020 door de kantonrechter in zowel het Tweede als het Derde Kanton is veroordeeld. Voorts, dat de verzoeker slechts tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton hoger beroep heeft aangetekend met als gevolg dat het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton in kracht van gewijsde is gegaan. Aangezien het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton in kracht van gewijsde is gegaan, dient de verzoeker de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden uit te zitten. Op basis van het voorgaande vraagt de vervolging aan het Hof om het verzoek van de verdediging af te wijzen;

Overwegende, dat de verdediging reeds op 15 maart 2021 het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, conform artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, had gedaan, doch heeft het Hof afwijzend beslist op voormeld verzoek van de verdediging;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter in het Tweede Kanton op 18 juni 2020 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 05 februari 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en tot op heden geen zicht heeft op behandeling van de zaak in hoger beroep;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker eveneens op 18 juni 2020 door de kantonrechter in het Derde Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, doch heeft de verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton geen hoger beroep aangetekend met als gevolg dat het voornoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

Overwegende, dat zich in casu het geval voordoet dat verzoeker zowel in het Tweede Kanton als in het Derde Kanton is veroordeeld door de kantonrechter. Verzoeker is aangehouden en in verzekering gesteld op 05 februari 2019. Op 18 juni 2020 is verzoeker in het Tweede Kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van (20) maanden onder aftrek van het voorarrest. In het Derde Kanton is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden. Verzoeker heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton. De vraag die rijst is of de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten;

Overwegende, dat nu verzoeker bijkans twee (2) jaren en twee (2) maanden in detentie heeft doorgebracht verzoeker in de visie van het Hof de volledige straf in het Tweede Kanton heeft uitgezeten en thans bezig is de door de kantonrechter in het Derde Kanton opgelegde straf uit te zitten, tegen welk vonnis er geen hoger beroep is aangetekend waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Om deze reden komt aan verzoeker geen recht toe om een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis te doen op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, nog daar gelaten het antwoord op de vraag of verzoeker al dan niet reeds twee/derde deel van de aan hem in het Derde Kanton opgelegde straf heeft uitgezeten. Verzoeker zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het door hem gedane verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 26 mei 2021, door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend – President,  mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari        w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
                               w.g. S. Punwasi
                               w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-5

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 15 maart 2021 door mr. A. Ramlakhan, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 23 maart 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 31 maart 2021 om 10.00 uur des voormiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Ramlakhan, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Wnd. Procureur – Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces – verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 31 maart 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Wnd. Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft verzocht het verzoek af te wijzen op gronden zoals door haar aangehaald en gerelateerd in het opgemaakte proces – verbaal, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter in het Tweede Kanton op 18 juni 2020 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 05 februari 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en tot op heden geen zicht heeft op behandeling van de zaak in hoger beroep.

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker eveneens op 18 juni 2020 door de kantonrechter in het Derde Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, doch heeft de verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton geen hoger beroep aangetekend met als gevolg dat het voornoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Overwegende, dat zich in casu het geval voordoet dat verzoeker zowel in het Tweede Kanton als in het Derde Kanton is veroordeeld door de kantonrechter. Verzoeker is aangehouden en in verzekering gesteld op 05 februari 2019. Op 18 juni 2020 is verzoeker in het Tweede Kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van (20) maanden onder aftrek van het voorarrest. In het Derde Kanton is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden. Verzoeker heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton. De vraag die rijst is of de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten.

Overwegende, dat nu verzoeker bijkans twee (2) jaren en twee (2) maanden in detentie heeft doorgebracht verzoeker in de visie van het Hof de volledige straf in het Tweede Kanton heeft uitgezeten en thans bezig is de door de kantonrechter in het Derde Kanton opgelegde straf uit te zitten, tegen welk vonnis er geen hoger beroep is aangetekend waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Gelet op het voorgaande is de grondslag van het gevorderde niet in rechte komen vast te staan zodat het verzoek voor afwijzing in aanmerking komt.

Gelet op voormelde overwegingen zal het Hof het verzoek van verzoeker afwijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 31 maart 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier   mr. M. Behari.

w.g. M. Behari          w.g. A. Charan
                                 w.g. S. Punwasi
                                 w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. 14944
15 oktober 2021
In de zaak van

[Appellante],
wonende te [Plaats],
appellante in kort geding,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

A. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Justitie en Politie,
B. De Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
beiden kantoor houdende te Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
gevolmachtigde: mr. G. Paragsingh, Hoofd-Officier van Justitie.

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 25 oktober 2013 (A.R. no. 13-2536) tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden.

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
• de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant op 30 oktober 2013 hoger beroep heeft aangetekend tegen het hiervoor genoemde vonnis;
• de pleitnota ingekomen ter griffie van het Hof op 7 november 2014;
• de pleitnota van antwoord, ingekomen ter griffie van het Hof op 21 november 2014;
• de pleitnota van repliek, ingekomen ter griffie van het Hof op 19 december 2014;
• de pleitnota van dupliek onder overlegging van een productie, ingekomen ter griffie van het Hof op 20 februari 2015;
• de mondelinge conclusie tot uitlating over de producties zijdens appellante waarbij geconcludeerd is tot persistit.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Uit de griffiersbrief blijkt dat appellante op 30 oktober 2013 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter gedateerd 25 oktober 2013. Het Hof concludeert dat het hoger beroep binnen de bij wet gestelde termijn is geschied, zodat appellante ontvankelijk is in het door haar aangetekende beroep.

3. De feiten
3.1 Het Openbaar Ministerie heeft tegen appellante in het 2e en 3e kanton een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
Naar aanleiding van voormeld onderzoek, is door het Openbaar Ministerie justitieel beslag gelegd op diverse goederen toebehorende aan appellante.

3.2 De kantonrechter in strafzaken heeft bij vonnis in het tweede en derde kanton d.d. 2 mei 2013, het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard respectievelijk zich onbevoegd verklaard.
De kantonrechter heeft daarbij tevens de opheffing van het beslag gelast en de teruggave van de inbeslaggenomen goederen bevolen.

3.3 Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep aangetekend tegen eerder vermeld strafvonnis d.d. 2 mei 2013 van de kantonrechter.

3.4 In eerste aanleg heeft appellante in civilibus – zakelijk weergegeven – gevorderd geïntimeerden te gelasten tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan appellante, onder verbeurte van een dwangsom.

3.5 Ter onderbouwing van voormelde vordering heeft appellante aangevoerd dat geïntimeerden weigeren om uitvoering te geven aan het strafvonnis van de kantonrechter waarbij teruggave van de goederen is bevolen.

3.6 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 25 oktober 2013 bekend onder AR no. 13-2536, de door appellante ingestelde vordering afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

4. De beoordeling
4.1 Appellante voert aan dat de motivering van de kantonrechter die geleid heeft tot de beslissing – één en ander zoals overwogen onder 5.4 van het beroepen vonnis – onjuist is en in strijd is met de wet.
Volgens appellante is slechts de weg van de rechter in kort geding open om de onderhavige vordering in te stellen nu de strafrechter reeds heeft beslist tot de teruggave van de goederen. Door te weigeren de goederen af te geven zoals door de kantonrechter is bevolen, handelen geïntimeerden onrechtmatig jegens haar, appellante.

4.2 Bij de beoordeling van deze vordering kan tot uitgangspunt dienen dat de burgerlijke rechter, ook als hij bevoegd is omdat de eisende partij haar vordering op een onrechtmatige daad heeft gebaseerd, zich van een oordeel onthoudt waar de wet een bijzondere, met voldoende waarborgen omklede en effectieve rechtsgang heeft opengesteld.
Ingevolge artikel 460 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, kunnen belanghebbenden zich schriftelijk beklagen over onder meer het uitblijven van een last tot teruggave, over een beslag op verbeurd te verklaren vorderingen of over het voortduren van het beslag.
Lid 2 van hetzelfde artikel bepaalt – voor zover van belang – dat het klaagschrift zo spoedig mogelijk, wordt ingediend ter griffie van het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd.
Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever met voorgaande regelgeving een bijzondere rechtsgang gecreëerd met voldoende waarborgen omkleed in gevallen van strafvorderlijk beslag, waarvan gesteld noch gebleken is dat die niet effectief is.
Nu de strafzaak voor het laatst werd vervolgd bij de strafrechter in het 2e en 3e kanton, diende appellante zich, ingevolge het bepaalde in de hiervoor genoemde leden van artikel 460 van het Wetboek van Strafvordering, te richten tot voornoemde strafrechter.
Anders dan de kantonrechter is het Hof van oordeel dat appellante – om de hiervoor vermelde reden – niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.
Het vonnis van de kantonrechter zal derhalve worden vernietigd en het Hof zal rechtdoen als in het dictum te melden.

4.3 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.4 Appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

5. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
5.1 Vernietigt het beroepen vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 25 oktober 2013 bekend onder AR no. 13-2535.

En opnieuw rechtdoende:

5.2 Verklaart appellante niet ontvankelijk in haar vordering.

5.3 Veroordeelt appellante in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen mevr. S. Nanda LLB en mr. R.B. Ormskirk MPA, gevolmachtigden van geïntimeerden sub A en B, terwijl appellante noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2021-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

De Bond van Ambtenaren bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant in Kort Geding,
verder te noemen: de Bond,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

De Staat Suriname,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in Kort Geding,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. H.A.M. Essed, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 6 oktober 2011 (A.R. No. 10-2177) tussen de Bond als eiser en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal d.d. 27 maart 2012 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de Bond tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota d.d. 15 maart 2013;
• de antwoordpleitnota d.d. 3 mei 2013;
• de repliekpleitnota d.d. 6 december 2013;
• de dupliekpleitnota d.d. 2 mei 2014.
De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling
1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de Bond daarin kan worden ontvangen.

2.1 De zaak komt, kort weergegeven, op het volgende neer. Op 2 december 1997 hebben de Staat en de Bond een akkoord (hierna: het Douaneakkoord) gesloten waarin regels zijn opgenomen met betrekking tot de aanstelling en bevordering van ambtenaren werkzaam bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Op 8 december 2009 heeft de leiding van de Douanedienst in een regulier overleg de Bond ingelicht over voorgenomen bevorderingen in de rangen van Hoofdverificateur en Adjunct-inspecteur. Bij brief van 10 december 2009 heeft de Bond de dienstleiding verzocht deze bevorderingen in heroverweging te nemen en alsnog met de Bond in overleg te treden. Bij brief van 28 december 2009 heeft de Bond zich tot de Minister gewend en gevraagd zich hierover uit te laten. Op deze brief heeft de Minister niet gereageerd.

2.2 Bij haar inleidend verzoekschrift heeft de Bond gevorderd de Staat te verbieden douaneambtenaren te bevorderen, zolang geen overleg overeenkomstig het Douaneakkoord heeft plaatsgevonden, en de Staat te gebieden alsnog met de Bond te overleggen. De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard. Kern van haar overwegingen is dat artikel 3F van het Douaneakkoord in een geschillenprocedure voorziet. Nu de voorlopige voorziening niet hangende een procedure conform deze bepaling is gevraagd, acht de kantonrechter zich niet bevoegd daarvan kennis te nemen.

2.3 De grief van de Bond is tegen de onder 2.2 weergegeven beslissing en daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de kantonrechter gericht. Kern van de grief is dat een gang naar de kortgedingrechter altijd open dient te staan. In dit geval is niet gebleken dat van een geschil als bedoeld in art. 3F van het Douaneakkoord sprake is. De geschillenregeling is dus niet in werking gezet.

3. Het hof overweegt het volgende.

3.1 Het Douaneakkoord regelt de relatie tussen de Bond en de Staat (in het bijzonder het Ministerie van Financiën) met betrekking tot de arbeidsverhoudingen in de breedste zin van het woord. Art. 3F van het Douaneakkoord bevat een geschillenregeling. De procedure komt erop neer dat, indien een van partijen meent dat van een geschil sprake is, zij dit ter kennis van de wederpartij brengt. Vervolgens treden partijen binnen drie dagen met elkaar in overleg om te trachten tot een minnelijke oplossing te komen. Leidt dit niet binnen drie weken tot een oplossing, dan wordt het aan een Arbitragecommissie onderworpen, wier uitspraak bindend is.

3.2 Het geschil tussen de Bond en de Staat betreft de bevordering van douaneambtenaren en valt dus onder het Douaneakkoord. Partijen hadden dan ook, gelet op het bindende karakter van de geschillenregeling, in de eerste plaats langs de weg van art. 3F van het Douaneakkoord dienen te trachten tot een oplossing daarvan te komen.

3.3 De Bond voert aan (in sustenu 3 van zijn pleitnota) dat uit geen van de brieven die in het kader van het onderliggende geschil zijn gewisseld, blijkt dat van een geschil als bedoeld in de geschillenregeling sprake was en dat de Bond dit traject daarom niet kon betreden of afwachten. Terecht voert de Staat daartegen aan dat het op de weg van de Bond zelf had gelegen het geschil aan te kaarten en op die wijze de geschillenregeling van art. 3F van het Douaneakkoord in werking te zetten. Dat de Bond dat niet heeft gedaan, is dus aan de Bond zelf te wijten.

3.4 Dat betekent dat de kantonrechter, nu (en zolang) de overeengekomen geschillenregeling niet in werking is gezet, terecht heeft bepaald dat zij onbevoegd is van de vordering van de Bond kennis te nemen. Ten overvloede voegt het Hof hieraan toe dat art. 3F in een procedure voorziet die binnen relatief korte tijd tot een oplossing kan komen.

3.5 Hetgeen hiervoor is overwogen, betekent niet dat de weg van het kort geding geheel is afgesloten. Zo hadden partijen zich, als hangende de geschillenregeling hun belang enige onverwijlde voorziening bij voorraad had gevorderd, overeenkomstig het in art. 226 Rv bepaalde tot de kantonrechter kunnen wenden voor het treffen van een dergelijke voorziening. Van een dergelijke situatie was in dit geval echter geen sprake.

4. Nu de grief niet slaagt en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd. De Bond zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 6 oktober 2011 (A.R. No. 10-2177)

veroordeelt de Bond in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15022
3 december 2021

In de zaak van

DE N.V. ANSOE, rechtens geheten DE N.V. NIEUWE HOUTONDERNEMING ANSOE, gevestigd en kantoorhoudende in het district [District 1],
appellante,
hierna te noemen “Ansoe”,
gemachtigde: mr. K. Baldew, advocaat,

tegen

A. DE STICHTING MISSILE, gevestigd en kantoorhoudende te [Plaats 1],
B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
hierna te noemen: “de Stichting en de Staat”;
gemachtigde voor geïntimeerde sub A: voorheen mr. H.P. Boldewijn, advocaat, thans mr. J. Kraag en mr. C. Mijnals, advocaten,
gemachtigde voor geïntimeerde sub B: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 20 oktober 2009 in de zaak bekend onder AR no. 064102 tussen Ansoe als eiseres en de Stichting en de Staat als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 16 maart 2018.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 20 juli 2018, 3 augustus 2018, 19 oktober 2018, 16 november 2018, 4 januari 2019, 7 juni 2019,17 januari 2020 en 21 februari 2020;
• het schrijven van de raadsvrouwe van Ansoe d.d. 13 augustus 2021;
1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vordering in hoger beroep
2.1 Ansoe vordert in hoger beroep:
vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 20 oktober 2009 bekend onder arno. 064102 en opnieuw rechtdoende:
appellante alsnog toestemming te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag op het onroerend goed althans het gevorderde alsnog toe te wijzen.

2.2 Ansoe vorderde voorts de onderhavige zaak te voegen met de zaak bekend onder Grno. 15046 doch dat gevorderde is bij tussenvonnis van het Hof van 16 maart 2018 geweigerd.

3. De feiten
3.1 Bij beschikking van de Minister van Opbouw d.d. 5 maart 1959 met nummer [nummer 1] is het recht van erfpacht aan Ansoe afgestaan op het perceelland groot 0,6701 ha gelegen in het district [District 1], bekend als Serie E nummers [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] van de vestigingsplaats [plaats 2].

3.2 Bij beschikking van de Minister van Opbouw d.d. 11 mei 1963 met nummer [nummer 5] is aan Ansoe het recht van erfpacht afgestaan op de percelen groot 4355,54 vierkante meter gelegen in [District 1] binnen de vestigingsplaats [plaats 2] en deel uitmakende van de percelen bekend als [plaats 2] Serie E no. [nummer 6] en [nummer 7].

3.3 Bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 24 mei 2000 heeft de Staat aan de Stichting het recht van grondhuur verleend op het perceelland groot 0,7259 ha gelegen in het district [District 1] te [plaats 2] Serie E bekend als [plaats 2] serie E no. [nummer 8] en [plaats 2] Serie A no. [nummer 9].

3.4 Bij schrijven van 31 mei 2000 heeft de Staat aan Ansoe een sommatie gestuurd waarin de Staat Ansoe sommeert om alle activiteiten op het door Ansoe onwettig geoccupeerd stuk land, gelegen in het district [District 1], ten wensten en grenzende aan het perceel bekend als [plaats 2] Serie E no. [nummer 7] stop te zetten en het perceel onmiddellijk te ontruimen.

3.5 Bij verzoekschrift van 24 juli 2000, ingediend op 25 juli 2000 met LaD nummer [nummer 10] heeft Ansoe het perceelland dat ligt achter de percelen die zij in erfpacht heeft verkregen, en welk perceelland aan de stichting is uitgegeven in grondhuur, in grondhuur aangevraagd.

3.6 De stichting heeft tegen Ansoe een vordering ingediend welke bekend staat onder arno. 011776. Gevorderd werd dat Ansoe wordt veroordeeld om binnen een week na het vonnis de barakken en houtblokken staande op het perceelland dat aan haar in grondhuur is uitgegeven, te verwijderen.

3.7 In die zaak heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 16 maart 2004 geoordeeld dat de stichting de stelling van Ansoe, dat zij sedert 40 jaren activiteiten op het onroerend goed uitoefent en er zich op het perceel houtblokken en tien dienstwoningen van Ansoe bevinden, onweersproken heeft gelaten. De kantonrechter overweegt in dat vonnis alsvolgt:
“Overwegende, dat nu eiseres, naar haar stellingen valt af te leiden, in ieder geval, veertig jaren daarna het zakelijk genotsrecht van grondhuur op het litigieuze perceelland heeft verkregen, ontgaat het ons geheel hoe zij kan stellen, dat gedaagde zonder haar toestemming barakken op het litigieuze onroerend goed heeft opgezet alsook houtblokken heeft opgeslagen en dat zij, gedaagde, zich jegens eiseres aan een onrechtmatige daad schuldig maakt en dat zij als gevolg daarvan schade lijdt met gedaagde haar schuld daaraan;
Overwegende immers, dat gedaagde van eiseres, die pas in juni 2000 het zakelijk genotsrecht van grondhuur zou hebben verkregen, zeer beslist geen toestemming nodig had en eiseres die ook 40 jaar geleden niet kon geven aan gedaagde om haar activiteiten op het litigieuze perceelland te ontplooien en daarop houtblokken en dienstwoningen te hebben;
Overwegende, dat wij eiseres haar vordering dan ook zullen ontzeggen en haar als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen.”

3.8 De stichting heeft in 2005 ontruimingsvorderingen ingediend met betrekking tot het perceel dat aan haar in grondhuur is toegewezen, welke bekend staan onder de arnummers 054865 tot en met 054873. Bij vonnis van 13 april 2006 is in die zaken de vordering toegewezen. Op 14 oktober 2006 heeft de stichting het perceel ontruimd waarbij tevens de opstallen die op het perceel stonden zijn verwijderd.

3.9 Bij schrijven van 14 oktober 2006 afkomstig van de raadsvrouwe van Ansoe en gericht aan de stichting, heeft Ansoe onder de aandacht van de stichting gebracht dat zij, de Stichting, de dienstwoningen die aan Ansoe toebehoren, met de grond gelijk heeft gemaakt zonder dat zij daar ooit toestemming voor heeft gekregen. Ansoe stelt in dat schrijven dat zij de stichting aansprakelijk stelt voor de schade welke geschat is op USD.200.000,=. Ansoe stelt dat de stichting bewust te kwader trouw heeft gehandeld. De schade bestaat niet alleen uit de woningen die zijn verwijderd doch ook uit de gederfde inkomsten ad. USD.4.000,= per dag doordat de exportorders in het gedrang zijn gekomen en de arbeiders uit hun huis moesten vluchten voor het grof geweld van de machines waarmee de huizen werden neergehaald terwijl zij er nog in zaten. Ansoe voert aan dat de stichting zich aan wanprestatie schuldig heeft gemaakt en dat de stichting aansprakelijk is voor de schade welke zij begroot op USD.100.000,= aan voorlopige schade en USD.100.000,= aan gevolgschade. Ansoe sommeert de stichting om deze schade aan haar te voldoen.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof overweegt dat Ansoe in deze zaak, blijkens het inleidend verzoekschrift vordert dat stichting en de Staat worden veroordeeld om aan haar te betalen het bedrag van USD.200.000,= vermeerderd met de wettelijke rente en van waarde verklaart het gelegde conservatoir beslag. Ansoe heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat stichting en de Staat onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld als gevolg van welk onrechtmatig handelen zij schade heeft geleden ter hoogte van het gevorderde bedrag. Het onrechtmatig handelen heeft zij alsvolgt onderbouwd:
1. zij bewerkt en gebruikt het perceelland dat aan stichting is uitgegeven reeds langer dan veertig jaar en is door de Staat langer dan veertig jaar in het ongestoord-, openbaar- en ondubbelzinnig gebruik van de grond gelaten; hierdoor heeft zij erop vertrouwd dat het perceel haar toebehoorde danwel dat het perceel tenminste in huur aan haar zou worden uitgegeven;
2. ten onrechte heeft de Staat in 2000 besloten het perceel aan stichting in grondhuur uit te geven; stichting had daar niet eens een aanvraag voor ingediend; uit de rapportage van 22 maart 2000 afkomstig van de dienst grondinspectie blijkt dat de Staat ervan op de hoogte was dat Ansoe gebruik maakte van het perceel, daar een zestal arbeiderswoningen op had gebouwd en daar houtblokken had opgeslagen; ook blijkt uit het rapport dat Ansoe het gedeelte gelegen achter de nummers [nummer 2] tot en met [nummer 7] met houten palen heeft beschoeid;
3. dat ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid (SB 1982 no. 10) rechten op domeingrond in beginsel toekomen aan hen die de grond bebouwen, bewonen en bewerken; om die reden had de grond aan Ansoe moeten worden uitgegeven en niet aan de stichting; er is in haar geval geen sprake van onwettige occupatie;
4. Ansoe heeft het recht van grondhuur aangevraagd bij verzoekschrift van 24 juli 2000 en is degene die in aanmerking zou moeten komen voor het recht van grondhuur;
5. Ansoe heeft in de loop der jaren zeker USD.100.000,= in de grond geïnvesteerd welke investering zij thans door het handelen van de Staat en de stichting kwijt is geraakt; de Staat heeft onrechtmatig gehandeld door de grond onrechtmatig aan een derde uit te geven en de stichting handelt onrechtmatig door het perceel te ontruimen en de arbeiderswoningen met de grond gelijk te maken; door het handelen van de Staat en de stichting staat het bedrijf van Ansoe voor de helft stil omdat de arbeiders niet aan het werk komen.

4.2 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

4.3. Ansoe heeft in haar pleitnota vier grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

De beoordeling van de grieven I en II:
4.4.1 De eerste twee grieven hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter verwoord in 4.3 van het beroepen vonnis, dat Ansoe onwettig occupant is en geen rechten kan doen gelden op het perceel. Ansoe stelt in haar grieven dat de kantonrechter niet tot dat oordeel kon komen. Zij voert aan dat, indien de kantonrechter de feiten had onderzocht en de wet erop had nageslagen, zij tot een ander oordeel zou zijn gekomen. De kantonrechter heeft volgens Ansoe ten onrechte aangenomen dat Ansoe de grond onwettig had geoccupeerd.

4.4.2 Het Hof overweegt dat de kantonrechter in overweging 4.2 de stelling van Ansoe heeft besproken dat zij ingevolge artikel 3.1 van de Wet Beginselen Grondbeleid de persoon is die in aanmerking zou moeten komen voor het recht van grondhuur en dat haar geen onwettige occupatie kan worden verweten. De kantonrechter heeft daarbij gemotiveerd dat zij bij haar oordeel een aantal zaken in ogenschouw heeft genomen, zaken die zijn genoemd onder de punten a, b, c, d, e en f van 4.2. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat de stelling van Ansoe, dat de stichting het perceel nimmer heeft aangevraagd, faalt omdat Ansoe dat weliswaar heeft gesteld, doch dat dat door de stichting en de Staat is betwist. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat het op de weg van Ansoe lag om nadere feiten en omstandigheden aan te dragen die haar stelling staafden, hetgeen zij niet heeft gedaan. De kantonrechter heeft ook overwogen dat het occuperen van de grond door Ansoe als onwettig zou moeten worden aangemerkt ongeacht de wijze waarop de aanvraag van de stichting zou zijn verlopen.

4.4.3 Het Hof zal moeten oordelen of de kantonrechter met het voorgaande tot een verkeerde beslissing is gekomen.

4.4.4 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren van partijen het volgende begrepen kan worden:
1. Ansoe heeft in 1959 en in 1963 de percelen met de nummers [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 6] en [nummer 7] in erfpacht verkregen; zij heeft in de afgelopen jaren ook op de grond die naast of achter die percelen ligt, activiteiten ontplooid; naar zeggen van Ansoe was zij zich er niet van bewust dat zij op gronden naast de percelen activiteiten ontplooide; zij ging ervan uit dat zij activiteiten ontplooide op de gronden die aan haar in erfpacht waren toegewezen;
2. in het jaar 2000 heeft de Staat Ansoe aangesproken op het verrichten van activiteiten op de percelen die niet aan haar waren uitgegeven;
3. op 24 mei 2000 heeft de stichting het perceel waarop Ansoe activiteiten ontplooide in grondhuur verkregen;
4. in juli 2000 heeft Ansoe het perceel ook in grondhuur aangevraagd;
5. het recht van grondhuur over het betreffende perceel is niet aan Ansoe verleend.

4.4.5 Ansoe beroept zich op de uitspraak van de kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 van 16 maart 2004 en voert aan dat door die uitspraak in rechte is komen vast te staan dat Ansoe het perceel niet onwettig heeft geoccupeerd.

Het Hof overweegt dat het vonnis bekend onder arno. 011776 een vordering betreft van de stichting tegen Ansoe waarin de stichting heeft aangevoerd dat Ansoe de barakken en houtblokken moet verwijderen omdat deze zonder toestemming van de stichting op het perceel zijn geplaatst. De kantonrechter in die zaak heeft geoordeeld dat de barakken en houtblokken op het perceel zijn geplaatst lang voordat de stichting de titel op de grond had. Om die reden kan de stichting niet stellen dat de barakken en houtblokken zonder haar toestemming op het perceel zijn geplaatst omdat Ansoe van de stichting geen toestemming nodig had, immers, de stichting had vóór mei 2000 niets over het perceel te zeggen. Op grond daarvan is de vordering afgewezen.

Anders dan Ansoe meent heeft de kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 niet geoordeeld over de vraag of Ansoe rechtmatig of onrechtmatig het perceel occupeerde, dan wel op het perceel barakken of houtblokken plaatste. Over die vraag, die wel in het onderhavig geding aan de orde komt, is in die zaak niet geoordeeld. Er is slechts geoordeeld over de vraag of de stichting, vóórdat zij het recht van grondhuur verkreeg, iets te zeggen had over het perceel en of de stichting daarom redenen zou hebben om te stellen dat Ansoe, nog vóórdat de stichting de titel op de grond verkreeg in mei 2000, onrechtmatig jegens de stichting handelde door op het perceel houtblokken te plaatsen en barakken op te zetten. De kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 heeft terecht geoordeeld dat de stichting over de activiteiten van Ansoe op het perceel vóór mei 2000, geen vordering kon indienen immers, toen had de stichting nog geen enkele titel op het perceel.

Het Hof zal op grond van het voorgaande voorbij gaan aan het beroep van Ansoe op het vonnis in de zaak bekend onder arno. 011776.

4.4.6 Het Hof overweegt met betrekking tot het beroep van Ansoe op artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid en het beroep van Ansoe op de verkrijgende verjaring alsvolgt.
Ansoe beroept zich erop dat zij al lang op het perceel activiteiten ontplooide. De stichting heeft het perceel op een gegeven moment aangevraagd. Dat blijkt uit het advies van het hoofd van de dienst grondinspectie d.d. 22 maart 2000. In dat advies verwijst het hoofd van de dienst grondinspectie naar de aanvraag van de stichting. Op dat moment had Ansoe geen aanvraag ingediend voor het perceel en ook geen beroep gedaan op artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid of op verjaring. De aanvraag van de stichting was toen in behandeling bij de Staat, die de behandeling op een gegeven moment heeft afgerond en het perceelland in grondhuur heeft toegewezen in mei 2000. Pas nadat het perceel in grondhuur is toegewezen heeft Ansoe een aanvraag voor het perceel ingediend en haar standpunt met betrekking tot haar aanspraak op het perceel aan de Staat kenbaar gemaakt.

4.4.7 Het komt het Hof voor dat indien de dienst grondinspectie heeft gemerkt dat Ansoe op het perceel dat achter haar erfpachtspercelen ligt activiteiten ontplooit, het niet onbegrijpelijk is wanneer deze dienst ervan uitgaat dat die activiteiten worden ontplooid op een grond waar Ansoe geen titel op heeft en adviseert dat het perceel in grondhuur aan de aanvrager, de stichting, kan worden uitgegeven, zoals is opgenomen in het advies na het heronderzoek van 22 maart 2000 waarin het hoofd stelt: “Dezerzijds bestaat er geen bezwaar, dat genoemd gedeelte wordt uitgegeven”.

4.4.8 Het Hof overweegt dat, nu ten tijde van de aanvraag van de stichting en het onderzoek door de adviserende organen, geen kennis bestond van het standpunt van Ansoe dat zij eigelijk aanspraak zou maken op het perceel, vanwege het gebruik danwel vanwege verjaring, niet gesteld kan worden dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ansoe door het perceel uit te geven. Ansoe heeft haar standpunt pas na de uitgifte bekend gemaakt waardoor de Staat geen onrechtmatig handelen verweten kan worden.

4.4.9 Het Hof overweegt met betrekking tot de stelling van Ansoe dat de stichting geen aanvraag ingediend zou hebben dat, gelijk hiervoor onder 4.4.11 is overwogen, en gelijk de kantonrechter in het vonnis heeft overwogen, dat gestelde nergens uit blijkt en dat uit de producties eerder het tegendeel blijkt. Aan die stelling zal daarom ook voorbij gegaan moeten worden.

4.4.10 Het Hof acht op grond van het voorgaande de eerste twee grieven ongegrond.

De beoordeling van de grieven III en IV:
4.5.1 Het Hof overweegt dat de twee overige grieven handelen over de klacht dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat er wel sprake was van onrechtmatig handelen jegens Ansoe, dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met het belang van Ansoe en dat de overwegingen die gelden in de zaak Klooster ook gelden in de onderhavige zaak.

4.5.2 Het Hof overweegt dat, nu hierboven reeds is geoordeeld dat over de vraag of er sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de uitgifte van het recht van grondhuur aan de stichting, en het Hof tot het oordeel is gekomen dat daar geen sprake van was, ook voorbij gegaan zal moeten worden aan de twee laatste grieven. Vast is komen te staan dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door het perceel aan de stichting uit te geven. De daaropvolgende handelingen van de stichting vloeiden voort uit het recht van grondhuur en de executoriale titels die de stichting verkreeg door de rechtszaken die partijen tegen elkaar aanspanden. Ook hierdoor is er geen sprake geweest van onrechtmatig handelen van de Staat jegens Ansoe en ook niet van de stichting jegens Ansoe. Aan de desbetreffende grief zal daarom voorbij worden gegaan.

4.5.3 Het hof acht de overwegingen opgenomen in het beroepen vonnis met betrekking tot de zaak Klooster, voldoende gemotiveerd en begrijpelijk waardoor ook de desbetreffende grief niet gegrond wordt geacht.

4.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.7 Het Hof zal op grond van het voorgaande het beroepen vonnis bevestigen en Ansoe, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De beslissing
Het Hof

5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter gedateerd 20 oktober 2009 bekend onder arno. 064102 waarvan beroep;

5.2 Veroordeelt Ansoe in de kosten van dit geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en uitgesproken door
mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van
mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris                            w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Baldew, gemachtigde van appellante en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. J. Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.