SRU-HvJ-2021-39

GRNo. 15701

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. Alwin R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 2 mei 2019 (A.R. No. 14-3989) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal d.d. 14 mei 2019 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven d.d. 14 mei 2019
• de pleitnota d.d. 6 december 2019;
• de antwoordpleitnota d.d. 17 juli 2020;
• het repliekpleidooi d.d. 21 augustus 2020;
• het dupliekpleidooi d.d. 15 januari 2021;
• de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 18 juni 2021 doch nader op heden.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

2.1 Met zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort gezegd, gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot rectificatie van volgens [appellant] smadelijke uitlatingen, vervat in stukken die onderdeel zijn van de tussen partijen gevoerde procedures onder nummers AR No. 08-4914 en AR No. 14-0574, alsmede dat aan [geïntimeerde] een verbod van herhaling en het gebod aan [appellant] schriftelijk excuses aan te bieden zullen worden opgelegd.

2.2 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3. Met zijn grieven beoogt [appellant] het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen. Het Hof zal de grieven dan ook gezamenlijk behandelen.

4.1 Voorop staat dat [geïntimeerde] in conclusies in de hiervoor genoemde procedures uitlatingen doet die op zichzelf als lasterlijk of beledigend kunnen worden aangemerkt. Daargelaten of, zoals [geïntimeerde] in zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg opmerkt, [appellant] vorderingsrecht, gelet op het in artikel 1401 BW bepaalde, was vervallen op het moment waarop hij zijn inleidend verzoekschrift indiende, is niet gebleken dat de uitlatingen van [geïntimeerde] een wijdere verspreiding hebben gehad dan in de genoemde gedingstukken. Daarover heeft de kantonrechter terecht overwogen dat partijen de ruimte moeten hebben om in tussen hen gevoerde procedures standpunten in te nemen en toe te lichten waarmee zij ter ondersteuning van hun vordering een negatief beeld van hun wederpartij schetsen. Dit geldt ook voor uitlatingen die als onjuist, onwaar of grievend worden ervaren. In de procedure kan die wederpartij daarop desgewenst reageren.

4.2 [appellant] voert aan dat dit niet meer mogelijk is, als de uitlatingen bij dupliek worden gedaan. Dat is op zichzelf juist. Als de rechter dergelijke uitlatingen evenwel wil gebruiken voor de onderbouwing van zijn beslissing, zal hij de partij tegen wie ze zijn gericht, in de gelegenheid moeten stellen daarop alsnog bij akte te reageren. Uit de vonnissen in genoemde zaken blijkt niet dat de rechters de desbetreffende uitlatingen ter onderbouwing van hun beslissingen hebben
gebruikt.

4.3 De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet aannemelijk was dat de rechter in een bodemprocedure de vordering van [appellant] toewijsbaar zou achten. Ten overvloede voegt het Hof hieraan toe dat een verbod van herhaling in elk geval niet zou kunnen worden opgelegd, omdat een partij daardoor in haar processuele vrijheid zou worden beperkt.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de
proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen
partijen gewezen vonnis van 2 mei 2019 (A.R. No. 14-3989).

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen appellant in persoon en geïntimeerde
vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtig-de van geïntimeerde.

 

 

SRU-HvJ-2021-38

GR15914 en GR15914A

15 oktober 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING SOLUTION REAL ESTATE,
gevestigd in [plaats],
appellante in kort geding, tevens geïntimeerde, hierna: ‘Solution Real Estate’
gemachtigde: [naam], voorzitter van Solution Real Estate,

tegen

FORDISTO VASTGOED N.V.,
gevestigd in [plaats],
geïntimeerde in kort geding,tevens appellante, hierna: ‘Fordisto’,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 19 december 2019bekend onder A.R. No. 16-3252 tussen Fordisto als eiseres en Solution Real Estate als gedaagde,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

in het beroep geadministreerd onder nummer GR15914:

• de verklaring van de griffier dat Fordisto hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota van Fordisto van 5 maart 2021;
• de antwoordpleitnota van Solution Real Estate van 20 mei 2021;
• de repliekpleitnota van Fordisto van 18 juni 2021;
• de dupliekpleitnota van Solution Real Estate van 06 augustus 2021;

in het beroep geadministreerd onder nummer GR15914A:

• de verklaring van de griffier dat Solution Real Estate hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven van Solution Real Estate van 20 maart 2020;
• de memorie van antwoord van Fordisto van 27 mei 2020;
• de pleitnota van Solution Real Estate van 21 mei 2021;
• de antwoordpleitnota van Fordisto van 18 juni 2021;
• de repliekpleitnota van Solution Real Estate van 06 augustus 2021;
• de dupliekpleitnota van Fordisto van 23 september 2021.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis van 19 december 2019 waarvan beroep blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen. Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrieven gedateerd 4 februari 2020 aan Solution Real Estate en aan Fordisto meegedeeld. Solution Real Estate heeft op 23 december 2019 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis, Fordisto op 18 februari 2020. Beide hoger beroepen zijn tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat partijen daarin kunnen worden ontvangen.

3. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. Op 12 januari 2016 heeft de hypothecaire veiling plaatsgevonden van het aan Solution Real Estate toebehorend recht van erfpacht op het perceelland groot 735m2 gelegen aan de [straatnaam] [nummer] te [plaats], hierna: ‘het perceelland’.

b. Het perceelland is vervolgens toegewezen aan Fordisto als veilingkoper. Fordisto is op 12 februari 2016 als verkrijger van het perceelland geregistreerd.

c. Op 25 mei 2016 heeft de deurwaarder Manodjkoemar Jaggi bij het Hof van Justitie, op verzoek van Solution Real Estate uit kracht van een daartoe verleend verlof, ten laste van Fordisto conservatoir beslag gelegd op het perceelland.

4. Het geding in eerste aanleg

4.1 In eerste aanleg heeft Fordisto bij op 29 juni 2016 ingediend verzoekschrift gevorderd om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de opheffing en doorhaling te gelasten van het conservatoir beslag gelegd bij exploot van deurwaarder Manodjkoemar Jaggi d.d. 25 mei 2016 no. 372 in de zaak bekend onder A.R. no. 16-2371 op het aan Fordisto toebehorend perceelland;
b. Solution Real Estate te veroordelen de gevorderde doorhaling te gehengen en te gedogen, alsook haar te verbieden op grond van dezelfde grondslag andermaal beslag te leggen op het perceelland en/of op goederen van Fordisto, alles op straffe van een direct opeisbare dwangsom van SRD 100.000,- per dag voor iedere dag of keer dat zij weigert aan het vonnis te voldoen.

4.2 Fordisto heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat het beslag ondeugdelijk is en dat zij niets aan Solution Real Estate verschuldigd is. Volgens Fordisto handelt Solution Real Estate onrechtmatig jegens haar door keer op keer rechtszaken tegen haar te voeren. Om die reden stelt zij belang te hebben bij het gevraagde verbod aan Solution Real Estate tot beslaglegging.

4.3 Solution Real Estate heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen, daartoe onder meer stellende dat Fordisto in samenspanning met anderen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld bij de veiling van 12 januari 2016, en dat Fordisto daarom schadeplichtig is.

4.4 Bij het kort gedingvonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het beslag opgeheven en het gevorderde verbod tot hernieuwde beslaglegging afgewezen, met veroordeling van Solution Real Estate in de kosten van het geding.

5. De beoordeling

Het hoger beroep van Solution Real Estate

5.1 Solution Real Estate vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter. Bij haar memorie van grieven heeft Solution Real Estate daarbij vorderingen geformuleerd strekkende tot schadevergoeding (USD 1.652.381,- en SRD 7.275).

5.2 Laatstbedoelde vorderingen stuiten af op artikel 182 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat onder meer bepaalt dat, indien een eis in reconventie in eerste aanleg niet is gedaan, zulks in hoger beroep niet meer mag geschieden.

5.3 Voor zover moet worden begrepen dat Solution Real Estate de desbetreffende vorderingen wel reeds in eerste aanleg heeft gedaan, dat die vorderingen zijn afgewezen en dat haar appel zich mede tegen die afwijzing richt, geldt dat deze vorderingen ook op inhoudelijke gronden niet kunnen slagen. Het Hof verwijst in dit verband naar de uitspraak die heden door het Hof is gedaan in het hoger beroep in de tussen partijen gevoerde van waardeverklaringsprocedure (A.R. 16-2371 – GR-15658). Bij dat bodemvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is geoordeeld dat er geen gronden zijn te oordelen dat de veiling niet rechtsgeldig was en/of dat Fordisto als veilingkoper onrechtmatig jegens Solution Real Estate heeft gehandeld, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter waarbij onder meer de vorderingen van Solution Real Estate tot schadevergoeding (USD 1.652.381,- en SRD 7.275) en tot vanwaardeverklaring van het beslag werden afgewezen.

5.4 Bij vonnis, waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van Fordisto strekkende tot de opheffing van het door Solution Real Estate ten laste van haar op 25 mei 2016 gelegd conservatoir beslag toegewezen. De kantonrechter heeft daarbij verwezen naar het in de van waardeverklaringsprocedure in eerste aanleg gewezen vonnis (AR No. 16-2371), bij welk vonnis onder meer is overwogen dat een conservatoir beslag op onroerende goederen slechts toelaatbaar is ter verzekering van een op geld waardeerbare schuldvordering, waarvan bij dit beslag geen sprake was. De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat Solution Real Estate in dit kort geding haar vordering als beslaglegger niet aannemelijk heeft gemaakt. Op die gronden heeft de kantonrechter overwogen en beslist dat het beslag ondeugdelijk is en dient te worden opgeheven. De kantonrechter heeft het beslag opgeheven en de doorhaling daarvan gelast, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beslissing.

5.5 Ten aanzien van vordering tot opheffing van het beslag sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van de kantonrechter. In aanvulling daarop, wijst het Hof op het hiervoor bedoelde vonnis van het Hof in de van waardeverklaringsprocedure, met welk vonnis is komen vast te staan dat het beslag niet rechtmatig was.

5.6 Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van Solution Real Estate in het onderhavige kort geding niet kan slagen.

Het hoger beroep van Fordisto

5.7 Fordisto vordert eveneens vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, doch slechts voor zover daarbij haar vordering tot een verbod aan Solution Real Estate om beslag te leggen is afgewezen.

5.8 De vordering van Fordisto strekkende tot een verbod aan Solution Real Estate om op dezelfde grondslag andermaal beslag te leggen ten laste van Fordisto heeft de kantonrechter afgewezen, met de overweging dat het niet goed mogelijk is te oordelen over de rechtsgeldigheid van een beslag dat nog niet is gelegd.

5.9 Fordisto voert op goede grond aan dat onder omstandigheden ook vooraf kan worden geoordeeld dat verdere beslaglegging onrechtmatig is, bijvoorbeeld in geval conservatoir beslag dreigt voor een bij voorbaat kansloos te achten vordering. Dat een dergelijke dreiging thans nog reëel is, is onvoldoende gebleken. Fordisto heeft er weliswaar op gewezen dat zij door Solution Real Estate in 17 processen is betrokken (hoger beroepen daaronder begrepen), maar deze procedures hadden niet alle betrekking op de vordering die Solution Real Estate met haar conservatoir beslag beoogde te verzekeren. Voorts geldt dat het beslag van 25 mei 2016 bij het vonnis waarvan beroep is opgeheven, en dat ook in hoger beroep gesteld noch gebleken is dat Solution Real Estate naast dat opgeheven beslag nog andere beslagen ten laste van Fordisto heeft gelegd of daarmee heeft gedreigd. Ten slotte is, zoals hiervoor overwogen, inmiddels in de bodemprocedure beslist dat het beslag niet van waarde kan worden verklaard en dat de door Solution Real Estate van Fordisto terzake de veiling gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar is. Er zijn geen aanwijzingen die de vrees rechtvaardigen dat Solution Real Estate desondanks zal pogen op diezelfde grondslag conservatoir beslag te leggen ten laste van Fordisto. Fordisto heeft dan ook onvoldoende belang bij het gevraagde verbod.

5.10 Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van Fordisto evenmin kan slagen

Slotsom en kosten

5.11Het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. Gelet op de mate waarin partijen in hoger beroep in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

6. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier,
mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen niet vertegenwoordigd door een gemachtigde.

 

SRU-HvJ-2021-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15882
IL

6 augustus 2021
In de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
hierna te noemen [appellant],
gemachtigde: mr. I.A. Nazir, advocaat,

tegen

Het Nederlands Lyceum Paramaribo n.v.,
gevestigd te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
ook wel te noemen het Nederlands Lyceum,
niet verschenen.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 28 februari 2019 bekend onder AR no. 17-5118 tussen [appellant] als eiser en het Nederlands Lyceum als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• de verklaring van de griffier der kantongerechten van 4 maart 2019, inhoudende dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.
• de pleitnota met producties gedateerd 21 augustus 2020 zijdens [appellant].

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 28 februari 2019. [appellant] heeft op 4 maart 2019 hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn zodat [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.

3. De feiten
3.1 [appellant] is op 1 oktober 2012 een mondelinge arbeidsovereenkomst aangegaan met het Nederlands Lyceum. [appellant] was leraar Spaans.

3.2 Het nettosalaris van [appellant], bedroeg bij de aanvang van de overeenkomst US$954,= per maand. Het laatst genoten salaris bedroeg US$1.100,= per maand.

3.3 Het Nederlands Lyceum heeft in enkele briefwisselingen met [appellant], aan hem kenbaar gemaakt dat zij flink moeten bezuinigen omdat het aantal inschrijvingen van studenten drastisch was afgenomen. Om die reden was zij genoodzaakt om over te gaan tot omzetting van de vaste krachten tot parttimers met een vergoeding van 8 US dollar per uur.

3.4 Bij schrijven gedateerd 5 oktober 2017 heeft [appellant] aan het Nederlands Lyceum kenbaar gemaakt dat hij niet akkoord gaat met de omzetting van zijn fulltime dienstverband naar een parttime overeenkomst met een vergoeding van 8 US Dollar per uur. In dit schrijven maakt [appellant] tevens kenbaar dat hij op maandag 9 oktober 2017 normaal aanwezig en beschikbaar is voor werkzaamheden op school.

3.5 Bij schrijven d.d. 8 oktober 2017 heeft het Nederlands Lyceum het dienstverband met [appellant] met onmiddellijke ingang opgezegd.

3.6 [appellant] heeft – zakelijk weergegeven – in kort geding gevorderd veroordeling van het Nederlands Lyceum tot betaling van:
a. het nettosalaris ad US$1.100,= met ingang van 1 oktober 2017 met emolumenten en doorbetaling van het loon totdat de dienstbetrekking tussen partijen op rechtens juiste wijze is beëindigd, alles vermeerderd met de wettelijke rente.
b. de verhoging ex artikel 1614q BW, alsook over de totaal verschuldigde emolumenten vermeerderd met de wettelijke rente.

3.7 De kantonrechter is tot het voorlopig oordeel gekomen dat de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet rechtsgeldig is beëindigd en heeft als voorlopige voorziening als volgt geoordeeld op de vordering van [appellant]:
“5.1 veroordeelt gedaagde (lees het Nederlands Lyceum) om aan eiser (lees [appellant]) te betalen een voorschot op het loon van US$3.300 (…) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% vanaf 24 november 2017 tot aan die der algehele voldoening.
5.2 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen de verhoging wegens te late betaling van 25% van het aan eiser te betalen voorschot op het loon.
5.3 …….”.

3.8 [appellant] heeft grieven aangevoerd tegen het vonnis. Deze grieven zullen – zover nodig – worden besproken in de boordeling.
Het Nederlands Lyceum heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.

4. De beoordeling
4.1 In de grieven I en II heeft [appellant] – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening het Nederlands Lyceum slechts heeft veroordeeld tot betaling van een voorschot op het loon terwijl het vaste jurisprudentie is dat bij loonvorderingen in kort geding het geheel bedrag aan achterstallige loon wordt toegewezen. Volgens [appellant] is hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn loon. Door het ontberen van zijn loon – al langer dan 18 maanden – is hij in ernstige financiële nood komen te verkeren. Het is geen gebruik dat voor een loonvordering de werknemer, in casu [appellant], de bodemprocedure moet afwachten.

4.2 In eerste aanleg heeft het Nederlands Lyceum aangevoerd, dat het financieel niet goed ging met het instituut vanwege de omstandigheid dat steeds minder studenten zich inschreven. Dit is de reden waarom zij na afstemming met de leraren, hun fulltime arbeidsovereenkomsten heeft omgezet in parttime arbeidsovereenkomsten. Naar het Hof begrijpt weigerde [appellant] hieraan mee te werken. Om deze reden heeft het Nederlands Lyceum het dienstverband met [appellant] opgezegd en is zij gestopt om het loon aan [appellant] door te betalen.

4.3 Aan de orde is de vraag of het Nederlands Lyceum gehouden is om het loon van [appellant] door te betalen totdat de dienstbetrekking tussen partijen op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd, één en ander zoals door [appellant] gevorderd.
Ingevolge artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning is het de werkgever verboden de dienstbetrekking van een werknemer te beëindigen zonder ontslagvergunning verleend door of namens de Minister.
Tussen partijen is niet in geding dat het dienstverband niet ingevolge de wet is opgezegd. Hierdoor is de dienstbetrekking tussen partijen nog in stand en is het besluit van het Nederlands Lyceum om te stoppen met doorbetaling van het loon aan [appellant] onrechtmatig.
Gelet op het voorgaande, is het Nederlands Lyceum in beginsel gehouden om het loon aan [appellant] door te betalen. Het Hof merkt evenwel op dat er inmiddels meer dan 4 jaren zijn verstreken, sinds het Nederlands Lyceum de dienstbetrekking met [appellant] heeft opgezegd. Om deze reden acht het Hof – na een redelijke en billijke afweging – het van belang om bij wege van een voorlopige voorziening, het Nederlands Lyceum te veroordelen tot betaling van 6 (zes) maanden loon aan [appellant]. Tegenover het belang van [appellant] om zijn loon doorbetaald te krijgen staat de onweersproken slechte financiële positie van het Nederlands Lyceum. Het Hof neemt ook dit mee in zijn overweging om te komen tot het geven van een voorlopige voorziening zoals hiervoor vermeld.
Partijen worden aanbevolen om – voor het geval dat nog niet is gebeurd – de bodemrechter te adieren voor een definitieve beslissing.

4.4 Alhoewel de kantonrechter onder 4.3 van het beroepen vonnis heeft overwogen dat aan eiser (lees [appellant]) bij wege van voorlopige voorziening een voorschot op het te vorderen loon zal worden toegekend, heeft de kantonrechter ten onrechte nagelaten te motiveren waarom een bedrag van US$3.300,- is toegekend. Dit heeft tot gevolg dat de motivering van de kantonrechter onbegrijpelijk is.
Het Hof zal het gewraakte vonnis dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen als hiervoor te melden.
Hiermee zullen de grieven I en II worden verworpen. Immers, in kort geding is het onder bepaalde omstandigheden niet ongebruiklijk dat bij wege van voorlopige voorziening slechts een voorschot op het loon wordt toegewezen. Zowel [appellant] als het Nederlands Lyceum hebben een eigen verantwoordelijkheid om een definitieve beslissing van de bodemrechter uit te lokken.

4.5 Onder grief III voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte de emolumenten niet heeft meegenomen in zijn veroordeling terwijl er wel geoordeeld is dat [appellant] nog in dienst is van het Nederlands Lyceum.
Deze grief zal worden verworpen nu, niet in eerste aanleg en evenmin in hoger beroep is aangevoerd welke emolumenten [appellant] op het oog heeft.

4.6 Als grief IV heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat met het oog op de omstandigheden van het geval, het bedrag voor de verhoging wegens late betaling op 25% van het aan eiser toegekende voorschot op het loon wordt gesteld terwijl 1614q BW uitgaat tot een maximum van 50%. De kantonrechter heeft niet gemotiveerd wat “de omstandigheden van het geval zijn”. Volgens [appellant] is het vaste jurisprudentie dat de kantonrechter 50% verhoging toekent.

4.7 Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter – terecht zoals door [appellant] is aangevoerd – had moeten motiveren welke omstandigheden van het geval hij heeft meegenomen voor het toewijzen van een rente van 25% in stede van 50%.
Ingevolge artikel 1614q heeft de rechter de bevoegdheid om de wettelijke verhoging te beperken tot een zodanig bedrag als het hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen.
Op grond van deze bevoegdheid zal het Hof de wettelijke verhoging mitigeren tot 25%. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat onweersproken is komen vast te staan dat de financiële positie van het Nederlands Lyceum is verslechterd vanwege de afname van het aantal inschrijvingen van studenten.

4.8 In grief V voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte de gevorderde wettelijke rente over de rente ex artikel 1614q BW niet heeft toegewezen. Dat zou wel moeten omdat hij ook de vertragingsrente ontbeert, aldus [appellant].
In dit specifiek geval acht het Hof het onredelijk om de wettelijke rente over de rente ex artikel 1614q BW toe te wijzen. Dit mede gelet op de verslechterde financiële positie van het Nederlands Lyceum. Een en ander zoals eerder is overwogen.

4.9 Het Hof is van oordeel dat [appellant] zich onder grief VI terecht erop beroept dat de kantonrechter heeft verzuimd om de kosten van het geding te begroten, zodat deze grief slaagt.

4.10 Het Nederlands Lyceum zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
Het Hof:
5.1 vernietigt het vonnis van de kantonrechter d.d. 28 februari 2019 bekend onder A.R. no. 17-5118.

En opnieuw rechtdoende:

5.2 veroordeelt het Nederlands Lyceum om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen het bedrag van US$6.600,= (zesduizend en zeshonderd Amerikaanse Dollar), gelijk aan zes maanden loon vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar met ingang 24 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 veroordeelt het Nederlands Lyceum om aan [appellant] te betalen de wettelijke verhoging conform artikel 1614q BW, wegens te late betaling van het loon groot 25% over het bedrag van US$6.600,= (zesduizend en zeshonderd Amerikaanse Dollar).

5.4 veroordeelt het Nederlands Lyceum in de proceskosten aan de zijde van [appellant] gevallen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1230,– (een duidend tweehonderd en dertig Surinaamse dollars).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door
mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 augustus 2021 in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. I.A. Nazir, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

SRU-HvJ-2021-36

G.R. no. 15741

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021
in de zaak van

[appellante],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de vrouw“,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,
gemachtigde: mr. G.M. Leter, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 oktober 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het schrijven van de advocaat van de vrouw gedateerd 16 december 2016
• ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 16 december 2016 – waaruit blijkt dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016;
• de pleitnota gedateerd 07 februari 2020;
• de antwoordpleitnota gedateerd 6 maart 2020;
• de repliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;
• bij wege van mondelinge dupliekpleidooi de dato16 oktober 2020 heeft de gemachtigde van de man geconcludeerd tot persistit bij het antwoordpleidooi;
1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 24 oktober 2016. Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) waarbij de beslissing volgens de wet aan de vrouw is medegedeeld dateert van 30 november 2016. De vrouw heeft bij schrijven de dato 16 december 2016 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv is dit tijdig geschied en is de vrouw ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De vrouw vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter waarvan beroep en alsnog ontzegging van de oorspronkelijke vordering aan de man, toen zijnde eiser, althans niet-ontvankelijkverklaring van hem.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 juli 1994, te [plaats], bij akte no. [nummer 1], folio no. [nummer 2].
4.2. Uit het huwelijk tussen partijen is een kind geboren die inmiddels meerderjarig is geworden.

5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
5.1. De man heeft in eerste aanleg als eiser –kort gezegd- het navolgende gevorderd:
• dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
• met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden;
• de vrouw zal worden veroordeeld om met de man over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake meer is van een man-vrouw relatie. Volgens de man probeert de vrouw hem op verschillende manieren het leven zuur te maken door met name valse beschuldigingen en bedreigingen.

5.3. De vrouw heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen te wijten is geweest aan de man, die in verband met zijn werkzaamheden merendeels niet thuis was. Volgens de vrouw onderhoudt de man vermoedelijk buitenechtelijke relaties met een andere vrouw, waardoor er ruzies ontstaan. De vrouw heeft de door de man gestelde gronden ontkend en zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is
daarbij geweest (begin citaat) “ De kantonrechter overweegt dat, nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht, terwijl gedaagde (het Hof leest: de vrouw) zich niet verzet tegen de vordering van eiser (het Hof leest: de man), deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen in voege als na te melden ” (einde citaat)

5.5. De vrouw verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de vrouw vier grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de vrouw aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk aangezien een enkele meningsverschil hetwelk is uitgemond in een toen verslechterde verstandhouding nog niet maakt dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Als tweede grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de man en vrouw niet samenwonen. De vrouw geeft aan dat zij nog steeds op hetzelfde adres woonachtig is samen met de man. De feitelijke situatie is dat beide partijen zich in dezelfde woning bevinden en aldaar ook woonachtig zijn. Ook op grond hiervan kan er geen sprake zijn van een verslechterde verstandhouding tussen beide echtgenoten. Als derde grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de vrouw de man valselijk heeft beschuldigd en bedreigd. Wat de beschuldigingen allemaal zijn is voor de vrouw niet bekend. Er is ook nooit aangifte gedaan bij de politie door de man ter zake bedreiging. Bovendien is de man een politieman en enkel op grond daarvan is het aannemelijk dat van bedreiging zijdens de vrouw geen sprake kan zijn. Als vierde grief heeft de vrouw aangevoerd dat ten onrechte in het beroepen vonnis is vermeld dat er een minderjarig kind is. Het kind genaamd [naam], is geboren op [geboortedatum] te [plaats] en is inmiddels al meerderjarig. Het verhoor van de ouders, bloed- en/of aanverwanten ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij kan derhalve ook niet plaatsvinden.

5.6. De man heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de vrouw aangevoerde grieven achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Anders dan de vrouw in haar tweede grief heeft aangevoerd heeft de Kantonrechter niet als vaststaand feit aangenomen dat partijen niet samenwonen. De Kantonrechter heeft slechts als vaststaande feiten in het beroepen vonnis aangenomen dat partijen gehuwd zijn met elkaar en dat er een (ten tijde van vonniswijzing) minderjarig kind uit het huwelijk is geboren. Onder 3.2. van het beroepen vonnis heeft de Kantonrechter de grondslag van de vordering van de man aangegeven en daarbij de man geciteerd die heeft aangegeven dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake is van een man-vrouw relatie. De tweede grief is gelet op het voorgaande totaal ongegrond. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de derde grief die de vrouw heeft aangevoerd. De Kantonrechter heeft dat geenszins als vaststaand feit aangenomen en derhalve is ook die grief gedoemd te stranden. Thans zal het Hof overgaan tot bespreking van de eerste grief die de vrouw heeft aangevoerd. Naar het oordeel van het Hof betreft het in casu ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 WvBRv een gedekt verweer. Door in eerste aanleg de grondslag van het gevorderde bloot te weerspreken zonder daar consequenties aan te verbinden en zich vervolgens te refereren aan het oordeel van de Kantonrechter heeft de vrouw – die toen reeds rechtsbijstand genoot – in de visie van het Hof het recht om naderhand in een hogere instantie verweer te voeren uitdrukkelijk prijs gegeven. Immers heeft de vrouw in eerste aanleg bij wege van conclusie van antwoord het navolgende aangevoerd (begin citaat): “ Als verzoeker (het Hof begrijpt: de man) wil scheiden met de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) moet hij duidelijk zeggen dat hij haar niet meer wil hebben als echtgenote. Op zijn Surinaams zegt men ‘ a mang bere foeroe’. Hij lust gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) niet meer en is kennelijk op zoek naar een ander partner……………Voor het overige refereert gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) naar het oordeel van de kantonrechter en persisteert de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) voor Dupliek indien de verzoeker (het Hof begrijpt: de man) voor Repliek zal persisteren.” (einde citaat). Uit het voorgaande concludeert het Hof dat de vrouw zich in eerste aanleg ten aanzien van het gevorderde ondubbelzinnig heeft gerefereerd aan het oordeel van de Kantonrechter en kan zij derhalve in hoger beroep niet met nieuwe weren op de proppen komen. Aangezien het Hof blijkens de rechtsliteratuur ambtshalve dient na te gaan of een in hoger beroep aangevoerd verweer al dan niet gedekt is heeft het Hof zich dienaangaande van haar taak gekweten. De eerste grief haalt het derhalve niet in rechte. De vierde grief die de vrouw heeft aangevoerd is in zoverre gegrond dat ten tijde van vonniswijzing door de Kantonrechter het uit het huwelijk van partijen geboren kind nog minderjarig was (20 jaar oud), zodat de Kantonrechter terecht het familieverhoor heeft bepaald. Thans is dat kind inderdaad reeds meerderjarig weshalve er thans geen plaats meer is voor een familieverhoor.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de vrouw aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van het familieverhoor aangezien het kind inmiddels meerderjarig is geworden. Het beroepen vonnis zal ten aanzien van dat onderdeel worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal dat onderdeel van het gevorderde alsnog worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 24 oktober 2016 en bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591, waarvan beroep met uitzondering van hetgeen daaromtrent onder 5.2. daarvan is bepaald met betrekking tot het familieverhoor;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.3. Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van hetgeen onder 5.2. daarvan is overwogen;

En opnieuw rechtdoende ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. van het beroepen vonnis:

6.4. Wijst af hetgeen dienaangaande is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-35

G.R. no. 15732

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021
in de zaak van

[appellant],
wonende in het district [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “de man“,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het district [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 28 januari 2019 bekend in het Algemeen Register onder no. 18-0740 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het schrijven van de advocaat van de man gedateerd 08 februari 2019 – ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 08 februari 2019 – waaruit blijkt dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 28 januari 2019;
• de pleitnota, onder overlegging van producties, gedateerd 17 januari 2020;
• de antwoordpleitnota en uitlating producties, onder overlegging van producties, gedateerd 07 februari 2020;
• de repliekpleitnota en uitlating producties, onder overlegging van producties, gedateerd 21 augustus 2020;
• de dupliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;
1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 28 januari 2019. De man is bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. De man heeft bij schrijven de dato 08 februari 2019 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis en is dit ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig geschied en is de man ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De man vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg de dato 28 januari 2019, A.R. no. 18-0740, tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres en opnieuw rechtdoende de vrouw alsnog niet ontvankelijk te verklaren althans de vordering af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
De man heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 23 maart 2002 in het Ressort [plaats] —-2002, ingeschreven onder no. [nummer] in het huwelijksregister van vorenvermeld ressort.
4. 2. Uit het huwelijk van partijen zijn de thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten:
• [naam 1] op [geboortedatum 1] in het district [district 1];
• [naam 2] op [geboortedatum 2] te [plaats];
• [naam 3] op [geboortedatum 3] te [plaats];
• [naam 4] op [geboortedatum 4] te [plaats].

5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
5.1. De vrouw heeft in eerste aanleg als eiseres –kort gezegd- het navolgende gevorderd:
– dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
– plaats en tijd zal worden bepaald waarop het verhoor als bedoeld in artikel 282 Burgerlijk Wetboek zal plaatsvinden;
– de man zal worden veroordeeld om SRD. 500,= per maand per kind bij te dragen ter voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van de hiervoor genoemde minderjarigen;
– de man zal worden veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de vrouw in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, aangezien zij geestelijk door de man is mishandeld en de echtelijke woning tezamen met de kinderen heeft verlaten. Voorts stelt de vrouw dat zij thans onder psychologische en medische behandeling is en dat herstel van het huwelijk niet mogelijk is.

5.3. De man heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat er geen sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk en dat de breuk in de relatie door een derde is veroorzaakt.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 28 januari 2019 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ Naar het oordeel van de kantonrechter is het verzet van [appellant] (het Hof begrijpt: de man) tegen het door [geïntimeerde] (het Hof begrijpt: de vrouw) gevorderde ongegrond, daar uit de verklaringen van beide partijen blijkt dat het niet aannemelijk is dat herstel van het huwelijk tussen hen mogelijk is. De kantonrechter overweegt dat, de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen rechtens vaststaat. Op grond hiervan zal de vordering van [geïntimeerde] (het Hof begrijpt: de vrouw) als op de wet gegrond worden toegewezen.” (einde citaat)

5.5. De man verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de man grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte heeft overwogen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat. Immers heeft de man in zijn verweer duidelijk gesteld dat hoewel partijen thans uit elkaar leven, herstel van de relatie wel mogelijk is. Ten tweede heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit de verklaringen van beide partijen blijkt dat het niet aannemelijk is dat herstel van het huwelijk niet meer mogelijk is aangezien herstel van het huwelijk nog steeds mogelijk is. Ten derde heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter onterecht voorbij is gegaan aan het verweer van de man dat indien er sprake zou zijn van duurzame ontwrichting, quod non, deze in overwegende mate aan de schuld van de vrouw te wijten is. De vrouw is namelijk uit vrije wil uit de woning vertrokken, hetgeen rechtens vaststaat. Volgens artikel 263 BW wordt de vordering tot echtscheiding afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenote die de vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.

5.6. De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de man aangevoerde grieven simultaan aan een beoordeling onderwerpen aangezien die grieven in wezen dezelfde strekking hebben. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. De man ontkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht maar stelt dat indien het huwelijk duurzaam is ontwricht die ontwrichting in overwegende mate aan de vrouw te wijten is waardoor zij ingevolge de wet niet gerechtigd is om de onderhavige echtscheidingsvordering in te stellen. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat de daartoe strekkende grieven van de man niet gegrond zijn gebleken. In casu is de Kantonrechter in de visie van het Hof niet “over èèn nacht ijs gegaan” maar heeft partijen ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen in eerste aanleg uitgebreid gehoord alvorens tot de vaststelling te komen zoals hiervoor onder 5.4. van dit vonnis is weergegeven. Het Hof kan zich volledig verenigen met de overwegingen van de Kantonrechter. Het enkele feit dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten betekent niet ipso jure dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan haar te wijten is geweest. Daarvoor dient er nagegaan te worden wat de oorzaak daarvan is geweest en daar heeft de Kantonrechter zich in de visie van het Hof voldoende rekenschap van gegeven. Hoewel de man aanvoert dat hij zijn huwelijk met de vrouw nog een kans wenst te geven blijkt de vrouw daar niet langer voor open te staan. En aangezien de liefde niet van één kant kan komen maar wederzijds dient te zijn, kan voormeld voornemen van de man niet in vervulling gaan. Het voorgaande betekent evenwel in de visie van het Hof geenszins dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de vrouw toegerekend kan worden. De daartoe strekkende grief van de man zal derhalve worden verworpen.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de man aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 28 januari 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 18-0740, waarvan beroep, met dien verstande dat de zaak zal worden terug verwezen naar de Kantonrechter in het Eerste Kanton voor het houden van het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over voornoemde minderjarigen;

6.2. Bepaalt dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over de thans nog minderjarige kinderen:
• [naam 1] op [geboortedatum 1] in het district [district 1];
• [naam 2] op [geboortedatum 2] te [plaats];
• [naam 3] op [geboortedatum 3] te [plaats];
• [naam 4] op [geboortedatum 4] te [plaats], zal worden gehouden op dinsdag 09 maart 2021 om 09.30 uur des voormiddags in één van de zalen van de Griffie der Kantongerechten aan de Grote Combéweg no. 02 te Paramaribo;
6.3. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc.,fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-34

G.R. no. 15718

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021
in de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de man“,
gemachtigde: mr. J.R. Garib, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 december 2018 bekend in het Algemeen Register onder no. 18-2701 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het schrijven van de advocaat van de man gedateerd 15 februari 2019
• ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 15 februari 2019 – waaruit blijkt dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 17 december 2018;
• de pleitnota, onder overlegging van een productie, gedateerd 17 januari 2020;
• de antwoordpleitnota en uitlating productie gedateerd 07 februari 2020;
• de repliekpleitnota gedateerd 21 augustus 2020;
• de dupliekpleitnota de dato16 oktober 2020;
1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 17 december 2018. De vrouw is vertegenwoordigd door haar gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen terwijl de man noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Nu de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier waarbij de beslissing volgens het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de man is medegedeeld dateert van 17 januari 2019 terwijl de man bij schrijven de dato 15 februari 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het beroepen vonnis, is dit ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig geschied en is de man ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De man vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 december 2018 bekend onder ARNO. 18-2701 en dat opnieuw rechtdoende het in prima gevorderde zal worden afgewezen.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
De man heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1. Partijen zijn bij huwelijkse voorwaarden gehuwd met elkaar op 22 november 2017 te [plaats], bij akte no. [nummer 1], folio no. [nummer 2].
4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geen minderjarige kinderen geboren.

5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
5.1. De vrouw heeft in eerste aanleg als eiseres –kort gezegd- het navolgende gevorderd:
• dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
• de man zal worden veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen gehuwd zijn geweest, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de vrouw in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht aangezien:
• de man de vrouw kort na het huwelijk meerdere malen lichamelijk en geestelijk heeft mishandeld;
• de vrouw medio mei 2018 althans in de maand mei 2018 de echtelijke woning uit behoud voor haar eigen leven/veiligheid heeft verlaten;
• het huwelijk stukgelopen is en herstel hiervan niet te verwachten is.

5.3. De man heeft in eerste aanleg bij wege van mondelinge conclusie van antwoord de dato 26 november 2018 het navolgende aangegeven (begin citaat): “ Ik erken hetgeen gesteld in sustenu 2 en 3 van het inleidend rekest. Het is betere (het Hof begrijpt: beter) dat wij scheiden, omdat het niet meer lukt tussen ons. Ik ben niet getrouwd om te scheiden, maar teruggaan bij elkaar is niet mogelijk. Ik ga akkoord met de echtscheiding.”

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 17 december 2018 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ Gedaagde (het Hof begrijpt: de man) heeft de vordering van eiseres (het Hof begrijpt: de vrouw) niet weersproken, zodat deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen als in het dictum te melden ” (einde citaat).

5.5. De man verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de man èèn (1) grief aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zal worden onderworpen. De man heeft als grief aangevoerd dat de beoordeling van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 december 2018 onjuist is en wel onder 4.1. dat de man de vordering van de vrouw niet heeft weersproken. De man stelt dat hem niet de gelegenheid is geboden om zijn verweer te voeren en hij zich hierdoor heel gegriefd voelt. De man geeft dan ook in zijn eigen schrijven aan dat hij niet heeft gezorgd voor de duurzame ontwrichting van het huwelijk. De vrouw heeft zich staande het huwelijk schuldig gemaakt aan overspel. De grondslag van de vordering onder 3.2 van het vonnis in eerste aanleg is in zijn geheel onjuist. De man wenst correctie hiervan.

5.6. De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de man aangevoerde grief aan een beoordeling onderwerpen. Onder 3.2. van het beroepen vonnis heeft de Kantonrechter de grondslag van de vordering van de vrouw aangegeven en daarbij het standpunt van de vrouw geciteerd. Correctie daarvan is dus niet aan de orde omdat het slechts een citaat betreft. Overgaande tot bespreking van de grief die de man heeft aangevoerd komt het Hof tot de slotsom dat het in casu ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een gedekt verweer betreft. Door in eerste aanleg de grondslag van het gevorderde bij wege van mondelinge conclusie van antwoord ondubbelzinnig te erkennen zoals hiervoor onder 5.3. is weergegeven, heeft de man in de visie van het Hof het recht om naderhand in een hogere instantie verweer te voeren uitdrukkelijk prijs gegeven. Aangezien het Hof blijkens de rechtsliteratuur ambtshalve dient na te gaan of een in hoger beroep aangevoerd verweer al dan niet gedekt is heeft het Hof zich dienaangaande van haar taak gekweten. Hetgeen de man heeft aangevoerd erop neerkomende dat aan hem in eerste aanleg niet de gelegenheid is geboden om zijn verweer te voeren en hij zich hierdoor heel gegriefd voelt, wordt gelogenstraft door de inhoud van het door de griffier opgemaakt proces-verbaal de dato 26 november 2018 waaruit expliciet blijkt dat de man mondeling heeft geantwoord ten aanzien van de inhoud van het door de vrouw ingediend verzoekschrift (zie hiervoor onder 5.3). De door de man aangevoerde grief haalt het derhalve niet in rechte.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de man aangevoerde grief niet gegrond is gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van al hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 17 december 2018 en bekend in het Algemeen Register onder no. 18-2701, waarvan beroep;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15705
3 december 2021

In de zaak van

YOKOHAMA TRADING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
appellante in kort geding,
hierna te noemen “Yokohama”,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen: “[geïntimeerde]”,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie MA,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 17 december 2018 bekend onder AR no. 182511 tussen Yokohama als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat Yokohama op 20 december 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota gedateerd 17 januari 2020;
• de antwoordpleitnota gedateerd 21 februari 2020;
• de repliekpleitnota gedateerd 17 juli 2020;
• de aantekening op het doorlopend proces-verbaal van 21 augustus 2020,
6 november 2020, 20 november 2020, 18 december 2020, 15 januari 2021,
19 februari 2021 en 17 juli 2021, op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat er geen dupliekpleitnota is genomen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1 Het beroepen vonnis is gedateerd 17 december 2018. Yokohama heeft op 20 december 2018 appèl aangetekend.
[Geïntimeerde] heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid de volgende formele weren aangevoerd:
a. Yokohama heeft op 20 december 2018 hoger beroep aangetekend terwijl het vonnis op 17 december 2018 is uitgesproken; het hoger beroep is daardoor na drie dagen aangetekend hetgeen in strijd is met de bepaling in artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; om die reden moet Yokohama niet-ontvankelijk verklaard worden in haar hoger beroep;

b. Yokohama heeft haar grieven niet kenbaar gemaakt middels een memorie van grieven; daardoor is de termijn waarbinnen de grieven kenbaar gemaakt hadden kunnen worden overschreden; Yokohama had binnen veertien dagen haar grieven kenbaar moeten maken waardoor zij thans niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar hoger beroep;

c. door het niet tijdig indienen van de grieven door Yokohama is het niet mogelijk dat het Hof het geschil in volle omvang beoordeelt, immers staat in de jurisprudentie en de rechtsleer vast dat het geschil in volle omvang door het Hof kan worden beoordeeld onder de voorwaarde dat het Hof gebonden is aan de grenzen van de gronden en vorderingen in de memorie van grieven gesteld; nu Yokohama heeft nagelaten tijdig en in overeenstemming met de wet en het recht haar memorie van grieven in te dienen, kan een herbeoordeling van het vonnis in eerste aanleg gewezen, niet plaatsvinden omdat het Hof de grenzen van de rechtsstrijd niet mag overschrijden; met het opnemen van eventuele grieven in een pleitnota heeft Yokohama het wettelijke grievenstelsel ondermijnd; ook om die reden zal Yokohama niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in haar hoger beoep.

2.1 Ten aanzien van het verweer onder a hiervoor is het Hof van oordeel dat, gelijk Yokohama aanvoert, er in casu geen sprake is van een vonnis zoals bedoeld in artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waardoor dat verweer moet worden gepasseerd.

2.2 Het Hof overweegt met betrekking tot de weren genoemd onder b en c dat het in de rechtspraktijk reeds lang wordt toegestaan dat in de pleitnota grieven worden opgenomen. De geïntimeerde krijgt daarbij de gelegenheid om op de grieven te reageren. Het Hof overweegt dat het gebruik in de rechtspraktijk is ontstaan omdat na de uitspraak partijen vaak niet tijdig over een afschrift van het vonnis konden beschikken. Hierdoor was het niet mogelijk binnen de wettelijke vastgestelde termijn grieven tegen het vonnis te formuleren en een memorie van grieven in te dienen. Dat was een tekortkoming die niet voor rekening van een appellerende partij kon komen. Het verweer van [geïntimeerde] terzake zal daarom worden verworpen.

Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat Yokohama ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
Yokohama vordert in hoger beroep:
vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 17 december 2018 met AR no. 182511, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen.

4. De feiten
4.1 Op de facebookpagina van [geïntimeerde] is op of omstreeks 19 januari 2018 een afbeelding geplaatst waarin de naam van Yokohama staat vermeld onder de categorie “Kapitalisten en Drugsbarons.”
4.2 [Geïntimeerde] is op 23 januari 2018, 21 maart 2018 en 9 april 2018 door de raadsvrouwe van Yokohama gesommeerd om de geplaatste afbeelding op haar facebookpagina te verwijderen en een rectificatie te plaatsen op haar facebookpagina en in drie dagbladen, waaruit genoegzaam blijkt dat zij toegeeft dat de afbeelding berust op een ongefundeerde en onjuiste interpretatie en waarin zij haar verontschuldigingen aanbiedt voor het veroorzaakte ongerief.

4.3 Bij schrijven van 13 april 2018 heeft de toenmalige raadsvrouwe van [geïntimeerde] aan de raadsvrouwe van Yokohama medegedeeld dat de afbeelding van de facebookpagina van [geïntimeerde] is verwijderd.

5. De beoordeling
5.1 Yokohama heeft in haar pleitnota drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

De beoordeling van grief I:
5.2.1 Yokohama voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat door de verwijdering van de spotprent sprake is van een verontschuldiging c.q. rectificatie. De kantonrechter is te lichtvaardig omgegaan met de belangen van Yokohama, in casu haar recht op bescherming van haar goede naam en reputatie; na de verwijdering heeft [geïntimeerde] na de uitspraak van de rechter op 17 december 2018, de afbeelding op 18 december 2018 weer op haar facebookpagina geplaatst. Het verwijderen van de afbeelding is niet gelijkwaardig aan een verontschuldiging en een rectificatie. [Geïntimeerde] is in haar reactie op deze grief erbij gebleven dat zij haar verontschuldigingen niet hoeft aan te bieden omdat zij de afbeelding niet heeft gemaakt.

5.5.2 Het Hof overweegt, dat, gelijk Yokohama aanvoert, het enkel verwijderen van de afbeelding, nog geen rectificatie inhoudt. Immers, onder rectificatie wordt verstaan: verbetering, meer speciaal door degene die een onjuiste of misleidende mededeling heeft gedaan (vide Fockema Andreae’s Juridisch Woordenboek). Bovendien heeft Yokohama gesteld, hetgeen niet door [geïntimeerde] is betwist, dat [geïntimeerde] de afbeelding na het vonnis in eerste aanleg wederom meerdere malen heeft geplaatst op haar facebookpagina. Daarmee heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het Hof getoond dat zij als oogmerk heeft de eer en goede naam van Yokohama te schaden.

Het Hof acht op grond van het voorgaande de eerste grief gegrond.
De beoordeling van grief II
5.3.1 Yokohama heeft in grief II aangevoerd dat de kantonrechter had moeten ingaan op het feit dat [geïntimeerde] erbij had moeten stilstaan wat de gevolgen zouden zijn van het posten van de afbeelding, ook al heeft zij de afbeelding niet zelf gemaakt.

5.3.2 Het Hof overweegt dat het, gelijk Yokohama stelt, bij het onrechtmatig publiceren van een afbeelding, niet relevant is of de partij die de afbeelding heeft gepubliceerd deze zelf heeft vervaardigd.

Naar het oordeel van het Hof handelt degene die een onrechtmatige publicatie verspreidt, ook onrechtmatig.

5.3.3 Het Hof overweegt voorts dat uit de afbeelding blijkt dat Yokohama wordt uitgemaakt voor drugsbaron. [Geïntimeerde] heeft daaromtrent in haar conclusie van antwoord in eerste aanleg aangevoerd dat Yokohama zich niet kan beroepen op het hebben van een goede naam. Zij verwijst daarbij naar een vijftal publicaties op het internet.
5.3.4 Het Hof overweegt dat, gelijk Yokohama stelt, en ook door [geïntimeerde] wordt beaamd, niet uit de feiten blijkt dat Yokohama als verdachte van een misdrijf wordt aangemerkt of voor een misdrijf is vervolgd en ook niet dat Yokohama voor een misdrijf is veroordeeld. De door [geïntimeerde] overgelegde publicaties en genoemde artikelen handelen allen over natuurlijke personen die mogelijk een werkrelatie hebben met Yokohama, nu in de artikelen wordt verwezen naar de “topman” bij Yokohama. In de genoemde nieuwsartikelen wordt Yokohama dus niet als verdachte genoemd en wordt ook geen melding gemaakt van enige vervolging of veroordeling van Yokohama. Ook [geïntimeerde] beaamt dat in haar conclusie van dupliek onder II B 3. Hierdoor vindt de publicatie geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Om die reden moet een publicatie waarin Yokohama als drugsbaron wordt neergezet worden aangemerkt als een publicatie die de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van Yokohama aantast en onrechtmatig is. Het feit dat de afbeelding als satirische en opiniërende uiting werd gezien door [geïntimeerde] en om die reden is gedeeld doet niets af aan het onrechtmatig karakter van de publicatie. Het enkele feit dat er ook andere publicaties te vinden zijn die schadelijk zijn voor de eer en goede naam van Yokohama, rechtvaardigt de onrechtmatige publicatie door [geïntimeerde] niet. Het Hof acht op grond van al het voorgaande grief II ook gegrond.
5.3.5 Het Hof overweegt voorts dat [geïntimeerde] zich in haar verweer in eerste aanleg ook beroept op haar recht op vrije meningsuiting zoals neergelegd in het BUPO verdrag en in de Grondwet. Het Hof overweegt in dit verband dat toewijzing van een vordering tot rectificatie van een publicatie in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 19 van het BUPO Verdrag en het in artikel 19 van de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke beperking is ingevolgde artikel 19 lid 3 van het BUPO Verdrag slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is ter bescherming van onder andere de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 1386 of 1393 en 1397 van het Burgerlijk Wetboek.
Het Hof zal daarom, indien er sprake is van belediging zoals bedoeld in artikel 1393 BW, wel een veroordeling tot rectificatie mogen uitspreken.
De beoordeling van grief III
5.4.1 Yokohama voert als derde grief aan dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het risico wel bestaat dat [geïntimeerde] de afbeelding weer zal plaatsen op haar facebookpagina.
5.4.2 Het Hof overweegt dat door [geïntimeerde] niet is betwist dat zij de afbeelding wederom op haar facebookpagina heeft geplaatst, en wel ondanks het feit dat in het vonnis van de kantonrechter een overweging is opgenomen daaromtrent namelijk de overweging onder punt 4.6 die luidt : “Immers is evenmin gebleken van een reële dreiging voor de toekomst, hetwelk de toewijzing van een gevorderd verbod voor de toekomst zou rechtvaardigen.” Uit deze overweging kan begrepen worden dat de kantonrechter ervan uitging dat [geïntimeerde] de afbeelding niet nogmaals zou plaatsen op haar facebookpagina, waarvan thans juist het tegendeel is bewezen.

Het Hof is dan ook van oordeel dat ook de derde grief gegrond is. Nu de grieven gegrond zijn zal het vonnis worden vernietigd en zal het gevorderde worden toegewezen met inachtneming van het volgende.

5.4.3 Onder B van het petitum vordert Yokohama dat [geïntimeerde] wordt bevolen zich te onthouden van onrechtmatige gedragingen die de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van Yokohama aantasten, op straffe van een dwangsom.

Het Hof overweegt dat die gevorderde voorziening te weinig specifiek is en de wet reeds voorziet in een verbod om de naam en goede eer van een medeburger te schaden. Toegewezen zal daarom worden de specifieke voorziening met betrekking tot de afbeelding, namelijk een verbod om de betreffende afbeelding wederom op haar facebookpagina te plaatsen.

5.5 Het Hof zal, nu de grieven gegrond zijn, [geïntimeerde] veroordelen een rectificatie te plaatsen. Het Hof zal afwijken van de door Yokohama opgegeven rectificatie, en wel zoals in het dictum te melden. In het licht van de af te wegen belangen wordt dat onder de gegeven omstandigheden een proportionele maatregel geacht.

5.6 Het Hof overweegt dat door Yokohama is gevorderd dat [geïntimeerde] de publicatie rectificeert en haar verontschuldigingen aanbiedt. Met betrekking tot het aanbieden van de verontschuldigingen overweegt het Hof dat dat zal worden afgewezen nu de rechtsvordering ex artikel 1393 BW niet daartoe strekt en in beginsel niemand kan worden veroordeeld om spijt te hebben van een handeling. Een eventuele spijtbetuiging zou ingevolge artikel 1395 BW van betrokkene zelf moeten uitgaan.

5.7 De door Yokohama gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd nu die het Hof bovenmatig voorkomt.

5.8 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.9 [Geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. De beslissing
Het Hof
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gedateerd 17 december 2018 in de zaak bekend onder AR no. 182511, waarvan beroep.

En opnieuw rechtdoende:
6.2 Veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de gewraakte facebook post als ten rekeste vermeld te rectificeren en wel door op de facebookpagina van [geïntimeerde] de hierna volgende rectificatie te plaatsen en het bericht gedurende zeven dagen op de facebookpagina op dezelfde wijze zichtbaar te houden als de afbeelding, en voorts om binnen vijf (5) werkdagen na betekening van het vonnis de hiernavolgende rectificatie te doen plaatsen in de landelijke dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en Dagblad Suriname, namelijk:

“Rectificatie:
[Geïntimeerde] pleegt rectificatie ten behoeve van Yokohama Trading.

Het Hof van Justitie heeft bij vonnis van 3 december 2021 geoordeeld dat de door mij, [geïntimeerde], geplaatste afbeelding op mijn facebookpagina onrechtmatig is jegens Yokohama, aangezien de publicatie een afbeelding betreft waarin Yokohama Trading wordt gecategoriseerd als drugsbaron. Met het plaatsen van de afbeelding is een inbreuk gepleegd op de eer en goede naam en de maatschappelijke reputatie van YokohamaTrading, nu de geplaatste afbeelding de suggestie wekt dat Yokohama Trading een drugsbaron is. Deze suggestie vindt geen steun in het beschikbare feitenmateriaal.”

6.3 Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) het maximum van SRD. 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat [geïntimeerde] in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling genoemd onder 6.2 hierboven;

6.4 Verbiedt [geïntimeerde] om de in dit geding bedoelde afbeelding waarin Yokohama Trading wordt gecategoriseerd als drugsbaron, op haar facebookpagina te plaatsen of geplaatst te houden;

6.5 Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) het maximum van SRD. 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat [geïntimeerde] het verbod zoals genoemd onder 6.4 hierboven overtreedt;

6.6 Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van appellante begroot op SRD. 1.110,–
(één duizend éénhonderd en tien Surinaamse Dollars)

6.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021. in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiram-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-32

GR No.15699

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po jr., advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap Luchthavenbeheer N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: Luchthavenbeheer,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 14 augustus 2018 (A.R. No. 10-3965) tussen [appellant] als eiser en Luchthavenbeheer als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal d.d. 10 september 2018 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven d.d. 11 maart 2019;
• het pleidooi d.d. 17 januari 2020;
• het antwoordpleidooi d.d. 16 oktober 2020;
• het repliekpleidooi d.d. 5 februari 2021;
• het dupliekpleidooi d.d. 4 juni 2021.
De uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling
1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.
2.1 Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort samengevat, gevorderd Luchthavenbeheer te veroordelen tot betaling aan hem van SRD 506.297,- met rente en kosten op grond van loon en gratificatie over de periode van 2007 tot en met 2009 uit hoofde van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellant] op 1 oktober 2002 voor onbepaalde tijd bij Luchthavenbeheer in dienst is getreden en dat de kantonrechter bij beschikking van 21 juli 2009 (A.R. No. 08-3176) de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2009 heeft ontbonden, onder voorwaarde dat aan [appellant] een vergoeding van acht maanden loon met alle emolumenten zal worden betaald. Vervolgens heeft de kantonrechter [appellant] vordering afgewezen, vanwege verjaring van zijn vordering voor de maanden juni tot en met september 2007 en vanwege het ontbreken van een grondslag voor zijn vordering over de periode van oktober 2007 tot en met 10 december 2009.

2.2 [appellant] heeft tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aangevoerd:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat voor de periode van oktober 2007 tot en met 10 december 2009 de grondslag ontbreekt, omdat [appellant] aanspraak op loon ex art. 1614c lid 1 BW slechts vier maanden bedraagt.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat [appellant] vordering tot betaling van loon over de periode juni 2007 tot en met september 2009 (het hof leest: 2007) wegens verjaring afgewezen.

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter – impliciet – [appellant] vordering tot betaling van gratificatie over de jaren 2007, 2008 en 2009 afgewezen.

Luchthavenbeheer kan zich met het vonnis verenigen en verzoekt het Hof het beroepen vonnis, zo nodig met verbetering van gronden, te bevestigen.

3. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Voorop staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen bij de onder 2.1 genoemde beschikking van 21 juli 2009 met ingang van 1 september 2009 is ontbonden. Per 10 december 2009 zijn hem via zijn raadsman de bedragen aangeboden die de kantonrechter in dit vonnis als voorwaarde aan de ontbinding had verbonden. Volgens [appellant] betekent dit dat de ontbinding ook pas op 10 december 2009 is ingegaan. Met Luchthavenbeheer is het Hof echter van oordeel dat dit standpunt onjuist is. De kantonrechter heeft in het vonnis immers niet bepaald dat de ontbinding pas per datum (aanbod van) betaling zou ingaan. De ontbinding was dus per 1 september 2009 een feit, ongeacht wanneer aan de daarbij gestelde voorwaarden zou zijn voldaan. Dit brengt mee dat [appellant] over de periode na die datum geen recht op loon of andere betalingen toekomt.

3.2 Vervolgens is de vraag aan de orde of [appellant] terecht aanspraak maakt op betaling van loon en andere emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 ter hoogte van de door hem in zijn inleidend verzoekschrift genoemde bedragen. Luchthavenbeheer heeft in eerste aanleg het door [appellant] gestelde maandsalaris van SRD 9.865,- bestreden en aangevoerd dat [appellant] heeft nagelaten een opbouw van de door hem gevorderde bedragen van SRD 461.906,- aan achterstallig loon en SRD 44.391,- aan achterstallige gratificatie over de jaren 2007, 2008 en 2009 te geven. Zij heeft echter niet (gemotiveerd) bestreden dat [appellant] recht op betaling van loon en emolumenten over die periode heeft. Zij heeft, bij comparitie van partijen op 12 augustus 2014 wel, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde beschikking van 1 september 2009 (bedoeld zal zijn 21 juli 2009), gezegd dat de zaak reeds was afgewikkeld. Dat is echter onjuist, omdat het ontbindingsvonnis uitsluitend de vergoeding ter gelegenheid van de ontbinding betrof en niet het (eventueel) achterstallige loon.
Vervolgens heeft Luchthavenbeheer bij conclusie tot uitlating na comparitie d.d. 4 juli 2017 erkend zowel dat de door [appellant] overgelegde loonstroken over de eerste drie maanden van 2007 en de jaaropgave over 2007 waarheidsgetrouw zijn, als dat zijn basisloon SRD 7.261,36 per maand bedroeg en het brutoloon SRD 16.051,37. Uit dit alles leidt het Hof af dat [appellant] (nog altijd) recht op betaling van loon en andere emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 heeft.

3.3 In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter overwogen dat in het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 4 februari 2010 (A.R. No. 10-0208) is overwogen dat Luchthavenbeheer [appellant] vordering tot uitkering van achterstallig salaris heeft bestreden met de stelling dat [appellant] over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 geen aanspraak op loon toekomt, omdat hij wegens ziekte de bedongen arbeid niet heeft verricht. Vervolgens heeft de kantonrechter (in het vonnis waarvan beroep) met een verwijzing naar het begrip “betrekkelijk korte tijd” in art. 1614c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat aan [appellant] na het ingaan van de ziekte nog slechts vier maanden loon toekwam (namelijk over de periode van juni tot en met september 2007) en dat deze vordering, gelet op art. 1989 BW, was verjaard. De kantonrechter is met deze verwijzing naar art. 1614c lid 1 BW buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. [appellant] voert voorts aan dat nimmer in rechte is vastgesteld dat ziekte over de relevante periode een factor was die aan door- of uitbetaling in de weg stond. Bovendien behelst art. 8 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst een doorbetaling van loon van één jaar ingeval van arbeidsongeschiktheid door ziekte.
[appellant] eerste grief slaagt dan ook in zoverre.

3.4 Ook [appellant] tweede grief slaagt. Hij voert aan dat hij, zo al van een aangevangen verjaringstermijn sprake was, deze meermalen heeft gestuit. Luchthavenbeheer heeft dit niet (gemotiveerd) bestreden. Van verjaring is dus geen sprake.

3.5 Nu vaststaat dat [appellant] aanspraak heeft op betaling van loon en emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009, slaagt ook zijn derde grief.

3.6 Teneinde te voorkomen dat partijen opnieuw in een strijd over berekening en betaling terechtkomen, zal het Hof het op grond van het bovenstaande aan [appellant] toekomende bedrag berekenen met de door hem gevorderde bedragen als uitgangspunt. Het Hof gaat hierbij, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, uit van het bruto maandloon van SRD 16.051,37. Aan [appellant] komt 27 maanden loon toe. Dat komt neer op een bruto loonbedrag van SRD 433.386,99. Daarnaast heeft hij recht op een volledige gratificatie over 2007 en 2008 en over tweederde daarvan over 2009. Nu dat, uitgaande van het hiervoor genoemde maandsalaris, zou neerkomen op een hoger bedrag dan wat [appellant] vordert, zal het Hof zijn vordering van SRD 44.391,- als uitgangspunt nemen.
Het Hof zal dan ook beslissen als in het dictum te melden met dien verstande dat bij de uitbetaling rekening dient te worden gehouden met de reguliere aftrekposten. Luchthavenbeheer zal, als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep en de eerste aanleg worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 14 augustus 2014 (A.R. No. 10-3965), en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Luchthavenbeheer tot betaling aan [appellant] van SRD 433.386,99 (vierhonderd drieëndertig duizend driehonderd en zesentachtig Surinaamse Dollar en negenennegentig cent) aan brutoloon en aan gratificatie het bedrag van SRD 44.391,- (vierenveertig duizend en driehonderd en eenennegentig Surinaamse Dollar) te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening,

veroordeelt Luchthavenbeheer in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak begroot op [SRD 95,- + SRD 350,- betekeningskosten + SRD 30,- griffierecht Kantongerecht + SRD 350,- griffierecht hoger beroep],

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. H.R. Lim A Po jr, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.D. Joella namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-K1-2021-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3668
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser, hierna te noemen: ‘[eiser]’,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [gedaagde sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, mr.[naam 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [naam 2] (hierna: [naam 2]).

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 21 juni 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 400 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [naam 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [naam 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [naam 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert het feit dat zowel hij en [naam 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald. De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn.
Bij het examenwerk van [eiser] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Bij het examenwerk van [naam 2] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie van antwoord, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [naam 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [naam 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] dienen te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=,
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 700,=, en zijn in totaal dus begroot op SRD 750,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 750,- (zevenhonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3667
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser, hierna te noemen: ‘[eiser]’,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [gedaagde sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, mr. [naam 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [naam 2] (hierna: [naam 2]).

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 05 mei 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef, op welk schrijven [eiser] nimmer enige reactie heeft ontvangen van de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 401 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren (uiteindelijk) verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [naam 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [naam 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [naam 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert heft feit dat zowel hij en [naam 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald. De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn. Bij het examenwerk van [eiser] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Bij het examenwerk van [naam 2] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [naam 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [naam 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
– het vastrecht ad SRD 50,=,
– de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 800,=,
en zijn in totaal dus begroot op SRD 850,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 850,- (achthonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.