SRU-HvJ-2021-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15022
3 december 2021

In de zaak van

DE N.V. ANSOE, rechtens geheten DE N.V. NIEUWE HOUTONDERNEMING ANSOE, gevestigd en kantoorhoudende in het district [District 1],
appellante,
hierna te noemen “Ansoe”,
gemachtigde: mr. K. Baldew, advocaat,

tegen

A. DE STICHTING MISSILE, gevestigd en kantoorhoudende te [Plaats 1],
B. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
hierna te noemen: “de Stichting en de Staat”;
gemachtigde voor geïntimeerde sub A: voorheen mr. H.P. Boldewijn, advocaat, thans mr. J. Kraag en mr. C. Mijnals, advocaten,
gemachtigde voor geïntimeerde sub B: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 20 oktober 2009 in de zaak bekend onder AR no. 064102 tussen Ansoe als eiseres en de Stichting en de Staat als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 16 maart 2018.

1. Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 20 juli 2018, 3 augustus 2018, 19 oktober 2018, 16 november 2018, 4 januari 2019, 7 juni 2019,17 januari 2020 en 21 februari 2020;
• het schrijven van de raadsvrouwe van Ansoe d.d. 13 augustus 2021;
1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vordering in hoger beroep
2.1 Ansoe vordert in hoger beroep:
vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 20 oktober 2009 bekend onder arno. 064102 en opnieuw rechtdoende:
appellante alsnog toestemming te verlenen tot het leggen van conservatoir beslag op het onroerend goed althans het gevorderde alsnog toe te wijzen.

2.2 Ansoe vorderde voorts de onderhavige zaak te voegen met de zaak bekend onder Grno. 15046 doch dat gevorderde is bij tussenvonnis van het Hof van 16 maart 2018 geweigerd.

3. De feiten
3.1 Bij beschikking van de Minister van Opbouw d.d. 5 maart 1959 met nummer [nummer 1] is het recht van erfpacht aan Ansoe afgestaan op het perceelland groot 0,6701 ha gelegen in het district [District 1], bekend als Serie E nummers [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] van de vestigingsplaats [plaats 2].

3.2 Bij beschikking van de Minister van Opbouw d.d. 11 mei 1963 met nummer [nummer 5] is aan Ansoe het recht van erfpacht afgestaan op de percelen groot 4355,54 vierkante meter gelegen in [District 1] binnen de vestigingsplaats [plaats 2] en deel uitmakende van de percelen bekend als [plaats 2] Serie E no. [nummer 6] en [nummer 7].

3.3 Bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 24 mei 2000 heeft de Staat aan de Stichting het recht van grondhuur verleend op het perceelland groot 0,7259 ha gelegen in het district [District 1] te [plaats 2] Serie E bekend als [plaats 2] serie E no. [nummer 8] en [plaats 2] Serie A no. [nummer 9].

3.4 Bij schrijven van 31 mei 2000 heeft de Staat aan Ansoe een sommatie gestuurd waarin de Staat Ansoe sommeert om alle activiteiten op het door Ansoe onwettig geoccupeerd stuk land, gelegen in het district [District 1], ten wensten en grenzende aan het perceel bekend als [plaats 2] Serie E no. [nummer 7] stop te zetten en het perceel onmiddellijk te ontruimen.

3.5 Bij verzoekschrift van 24 juli 2000, ingediend op 25 juli 2000 met LaD nummer [nummer 10] heeft Ansoe het perceelland dat ligt achter de percelen die zij in erfpacht heeft verkregen, en welk perceelland aan de stichting is uitgegeven in grondhuur, in grondhuur aangevraagd.

3.6 De stichting heeft tegen Ansoe een vordering ingediend welke bekend staat onder arno. 011776. Gevorderd werd dat Ansoe wordt veroordeeld om binnen een week na het vonnis de barakken en houtblokken staande op het perceelland dat aan haar in grondhuur is uitgegeven, te verwijderen.

3.7 In die zaak heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 16 maart 2004 geoordeeld dat de stichting de stelling van Ansoe, dat zij sedert 40 jaren activiteiten op het onroerend goed uitoefent en er zich op het perceel houtblokken en tien dienstwoningen van Ansoe bevinden, onweersproken heeft gelaten. De kantonrechter overweegt in dat vonnis alsvolgt:
“Overwegende, dat nu eiseres, naar haar stellingen valt af te leiden, in ieder geval, veertig jaren daarna het zakelijk genotsrecht van grondhuur op het litigieuze perceelland heeft verkregen, ontgaat het ons geheel hoe zij kan stellen, dat gedaagde zonder haar toestemming barakken op het litigieuze onroerend goed heeft opgezet alsook houtblokken heeft opgeslagen en dat zij, gedaagde, zich jegens eiseres aan een onrechtmatige daad schuldig maakt en dat zij als gevolg daarvan schade lijdt met gedaagde haar schuld daaraan;
Overwegende immers, dat gedaagde van eiseres, die pas in juni 2000 het zakelijk genotsrecht van grondhuur zou hebben verkregen, zeer beslist geen toestemming nodig had en eiseres die ook 40 jaar geleden niet kon geven aan gedaagde om haar activiteiten op het litigieuze perceelland te ontplooien en daarop houtblokken en dienstwoningen te hebben;
Overwegende, dat wij eiseres haar vordering dan ook zullen ontzeggen en haar als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen.”

3.8 De stichting heeft in 2005 ontruimingsvorderingen ingediend met betrekking tot het perceel dat aan haar in grondhuur is toegewezen, welke bekend staan onder de arnummers 054865 tot en met 054873. Bij vonnis van 13 april 2006 is in die zaken de vordering toegewezen. Op 14 oktober 2006 heeft de stichting het perceel ontruimd waarbij tevens de opstallen die op het perceel stonden zijn verwijderd.

3.9 Bij schrijven van 14 oktober 2006 afkomstig van de raadsvrouwe van Ansoe en gericht aan de stichting, heeft Ansoe onder de aandacht van de stichting gebracht dat zij, de Stichting, de dienstwoningen die aan Ansoe toebehoren, met de grond gelijk heeft gemaakt zonder dat zij daar ooit toestemming voor heeft gekregen. Ansoe stelt in dat schrijven dat zij de stichting aansprakelijk stelt voor de schade welke geschat is op USD.200.000,=. Ansoe stelt dat de stichting bewust te kwader trouw heeft gehandeld. De schade bestaat niet alleen uit de woningen die zijn verwijderd doch ook uit de gederfde inkomsten ad. USD.4.000,= per dag doordat de exportorders in het gedrang zijn gekomen en de arbeiders uit hun huis moesten vluchten voor het grof geweld van de machines waarmee de huizen werden neergehaald terwijl zij er nog in zaten. Ansoe voert aan dat de stichting zich aan wanprestatie schuldig heeft gemaakt en dat de stichting aansprakelijk is voor de schade welke zij begroot op USD.100.000,= aan voorlopige schade en USD.100.000,= aan gevolgschade. Ansoe sommeert de stichting om deze schade aan haar te voldoen.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof overweegt dat Ansoe in deze zaak, blijkens het inleidend verzoekschrift vordert dat stichting en de Staat worden veroordeeld om aan haar te betalen het bedrag van USD.200.000,= vermeerderd met de wettelijke rente en van waarde verklaart het gelegde conservatoir beslag. Ansoe heeft als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat stichting en de Staat onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld als gevolg van welk onrechtmatig handelen zij schade heeft geleden ter hoogte van het gevorderde bedrag. Het onrechtmatig handelen heeft zij alsvolgt onderbouwd:
1. zij bewerkt en gebruikt het perceelland dat aan stichting is uitgegeven reeds langer dan veertig jaar en is door de Staat langer dan veertig jaar in het ongestoord-, openbaar- en ondubbelzinnig gebruik van de grond gelaten; hierdoor heeft zij erop vertrouwd dat het perceel haar toebehoorde danwel dat het perceel tenminste in huur aan haar zou worden uitgegeven;
2. ten onrechte heeft de Staat in 2000 besloten het perceel aan stichting in grondhuur uit te geven; stichting had daar niet eens een aanvraag voor ingediend; uit de rapportage van 22 maart 2000 afkomstig van de dienst grondinspectie blijkt dat de Staat ervan op de hoogte was dat Ansoe gebruik maakte van het perceel, daar een zestal arbeiderswoningen op had gebouwd en daar houtblokken had opgeslagen; ook blijkt uit het rapport dat Ansoe het gedeelte gelegen achter de nummers [nummer 2] tot en met [nummer 7] met houten palen heeft beschoeid;
3. dat ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid (SB 1982 no. 10) rechten op domeingrond in beginsel toekomen aan hen die de grond bebouwen, bewonen en bewerken; om die reden had de grond aan Ansoe moeten worden uitgegeven en niet aan de stichting; er is in haar geval geen sprake van onwettige occupatie;
4. Ansoe heeft het recht van grondhuur aangevraagd bij verzoekschrift van 24 juli 2000 en is degene die in aanmerking zou moeten komen voor het recht van grondhuur;
5. Ansoe heeft in de loop der jaren zeker USD.100.000,= in de grond geïnvesteerd welke investering zij thans door het handelen van de Staat en de stichting kwijt is geraakt; de Staat heeft onrechtmatig gehandeld door de grond onrechtmatig aan een derde uit te geven en de stichting handelt onrechtmatig door het perceel te ontruimen en de arbeiderswoningen met de grond gelijk te maken; door het handelen van de Staat en de stichting staat het bedrijf van Ansoe voor de helft stil omdat de arbeiders niet aan het werk komen.

4.2 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

4.3. Ansoe heeft in haar pleitnota vier grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

De beoordeling van de grieven I en II:
4.4.1 De eerste twee grieven hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter verwoord in 4.3 van het beroepen vonnis, dat Ansoe onwettig occupant is en geen rechten kan doen gelden op het perceel. Ansoe stelt in haar grieven dat de kantonrechter niet tot dat oordeel kon komen. Zij voert aan dat, indien de kantonrechter de feiten had onderzocht en de wet erop had nageslagen, zij tot een ander oordeel zou zijn gekomen. De kantonrechter heeft volgens Ansoe ten onrechte aangenomen dat Ansoe de grond onwettig had geoccupeerd.

4.4.2 Het Hof overweegt dat de kantonrechter in overweging 4.2 de stelling van Ansoe heeft besproken dat zij ingevolge artikel 3.1 van de Wet Beginselen Grondbeleid de persoon is die in aanmerking zou moeten komen voor het recht van grondhuur en dat haar geen onwettige occupatie kan worden verweten. De kantonrechter heeft daarbij gemotiveerd dat zij bij haar oordeel een aantal zaken in ogenschouw heeft genomen, zaken die zijn genoemd onder de punten a, b, c, d, e en f van 4.2. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat de stelling van Ansoe, dat de stichting het perceel nimmer heeft aangevraagd, faalt omdat Ansoe dat weliswaar heeft gesteld, doch dat dat door de stichting en de Staat is betwist. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat het op de weg van Ansoe lag om nadere feiten en omstandigheden aan te dragen die haar stelling staafden, hetgeen zij niet heeft gedaan. De kantonrechter heeft ook overwogen dat het occuperen van de grond door Ansoe als onwettig zou moeten worden aangemerkt ongeacht de wijze waarop de aanvraag van de stichting zou zijn verlopen.

4.4.3 Het Hof zal moeten oordelen of de kantonrechter met het voorgaande tot een verkeerde beslissing is gekomen.

4.4.4 Het Hof overweegt dat uit de stellingen en weren van partijen het volgende begrepen kan worden:
1. Ansoe heeft in 1959 en in 1963 de percelen met de nummers [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 6] en [nummer 7] in erfpacht verkregen; zij heeft in de afgelopen jaren ook op de grond die naast of achter die percelen ligt, activiteiten ontplooid; naar zeggen van Ansoe was zij zich er niet van bewust dat zij op gronden naast de percelen activiteiten ontplooide; zij ging ervan uit dat zij activiteiten ontplooide op de gronden die aan haar in erfpacht waren toegewezen;
2. in het jaar 2000 heeft de Staat Ansoe aangesproken op het verrichten van activiteiten op de percelen die niet aan haar waren uitgegeven;
3. op 24 mei 2000 heeft de stichting het perceel waarop Ansoe activiteiten ontplooide in grondhuur verkregen;
4. in juli 2000 heeft Ansoe het perceel ook in grondhuur aangevraagd;
5. het recht van grondhuur over het betreffende perceel is niet aan Ansoe verleend.

4.4.5 Ansoe beroept zich op de uitspraak van de kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 van 16 maart 2004 en voert aan dat door die uitspraak in rechte is komen vast te staan dat Ansoe het perceel niet onwettig heeft geoccupeerd.

Het Hof overweegt dat het vonnis bekend onder arno. 011776 een vordering betreft van de stichting tegen Ansoe waarin de stichting heeft aangevoerd dat Ansoe de barakken en houtblokken moet verwijderen omdat deze zonder toestemming van de stichting op het perceel zijn geplaatst. De kantonrechter in die zaak heeft geoordeeld dat de barakken en houtblokken op het perceel zijn geplaatst lang voordat de stichting de titel op de grond had. Om die reden kan de stichting niet stellen dat de barakken en houtblokken zonder haar toestemming op het perceel zijn geplaatst omdat Ansoe van de stichting geen toestemming nodig had, immers, de stichting had vóór mei 2000 niets over het perceel te zeggen. Op grond daarvan is de vordering afgewezen.

Anders dan Ansoe meent heeft de kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 niet geoordeeld over de vraag of Ansoe rechtmatig of onrechtmatig het perceel occupeerde, dan wel op het perceel barakken of houtblokken plaatste. Over die vraag, die wel in het onderhavig geding aan de orde komt, is in die zaak niet geoordeeld. Er is slechts geoordeeld over de vraag of de stichting, vóórdat zij het recht van grondhuur verkreeg, iets te zeggen had over het perceel en of de stichting daarom redenen zou hebben om te stellen dat Ansoe, nog vóórdat de stichting de titel op de grond verkreeg in mei 2000, onrechtmatig jegens de stichting handelde door op het perceel houtblokken te plaatsen en barakken op te zetten. De kantonrechter in de zaak bekend onder arno. 011776 heeft terecht geoordeeld dat de stichting over de activiteiten van Ansoe op het perceel vóór mei 2000, geen vordering kon indienen immers, toen had de stichting nog geen enkele titel op het perceel.

Het Hof zal op grond van het voorgaande voorbij gaan aan het beroep van Ansoe op het vonnis in de zaak bekend onder arno. 011776.

4.4.6 Het Hof overweegt met betrekking tot het beroep van Ansoe op artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid en het beroep van Ansoe op de verkrijgende verjaring alsvolgt.
Ansoe beroept zich erop dat zij al lang op het perceel activiteiten ontplooide. De stichting heeft het perceel op een gegeven moment aangevraagd. Dat blijkt uit het advies van het hoofd van de dienst grondinspectie d.d. 22 maart 2000. In dat advies verwijst het hoofd van de dienst grondinspectie naar de aanvraag van de stichting. Op dat moment had Ansoe geen aanvraag ingediend voor het perceel en ook geen beroep gedaan op artikel 3 lid 1 van de Wet Beginselen Grondbeleid of op verjaring. De aanvraag van de stichting was toen in behandeling bij de Staat, die de behandeling op een gegeven moment heeft afgerond en het perceelland in grondhuur heeft toegewezen in mei 2000. Pas nadat het perceel in grondhuur is toegewezen heeft Ansoe een aanvraag voor het perceel ingediend en haar standpunt met betrekking tot haar aanspraak op het perceel aan de Staat kenbaar gemaakt.

4.4.7 Het komt het Hof voor dat indien de dienst grondinspectie heeft gemerkt dat Ansoe op het perceel dat achter haar erfpachtspercelen ligt activiteiten ontplooit, het niet onbegrijpelijk is wanneer deze dienst ervan uitgaat dat die activiteiten worden ontplooid op een grond waar Ansoe geen titel op heeft en adviseert dat het perceel in grondhuur aan de aanvrager, de stichting, kan worden uitgegeven, zoals is opgenomen in het advies na het heronderzoek van 22 maart 2000 waarin het hoofd stelt: “Dezerzijds bestaat er geen bezwaar, dat genoemd gedeelte wordt uitgegeven”.

4.4.8 Het Hof overweegt dat, nu ten tijde van de aanvraag van de stichting en het onderzoek door de adviserende organen, geen kennis bestond van het standpunt van Ansoe dat zij eigelijk aanspraak zou maken op het perceel, vanwege het gebruik danwel vanwege verjaring, niet gesteld kan worden dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ansoe door het perceel uit te geven. Ansoe heeft haar standpunt pas na de uitgifte bekend gemaakt waardoor de Staat geen onrechtmatig handelen verweten kan worden.

4.4.9 Het Hof overweegt met betrekking tot de stelling van Ansoe dat de stichting geen aanvraag ingediend zou hebben dat, gelijk hiervoor onder 4.4.11 is overwogen, en gelijk de kantonrechter in het vonnis heeft overwogen, dat gestelde nergens uit blijkt en dat uit de producties eerder het tegendeel blijkt. Aan die stelling zal daarom ook voorbij gegaan moeten worden.

4.4.10 Het Hof acht op grond van het voorgaande de eerste twee grieven ongegrond.

De beoordeling van de grieven III en IV:
4.5.1 Het Hof overweegt dat de twee overige grieven handelen over de klacht dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat er wel sprake was van onrechtmatig handelen jegens Ansoe, dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met het belang van Ansoe en dat de overwegingen die gelden in de zaak Klooster ook gelden in de onderhavige zaak.

4.5.2 Het Hof overweegt dat, nu hierboven reeds is geoordeeld dat over de vraag of er sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de uitgifte van het recht van grondhuur aan de stichting, en het Hof tot het oordeel is gekomen dat daar geen sprake van was, ook voorbij gegaan zal moeten worden aan de twee laatste grieven. Vast is komen te staan dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld door het perceel aan de stichting uit te geven. De daaropvolgende handelingen van de stichting vloeiden voort uit het recht van grondhuur en de executoriale titels die de stichting verkreeg door de rechtszaken die partijen tegen elkaar aanspanden. Ook hierdoor is er geen sprake geweest van onrechtmatig handelen van de Staat jegens Ansoe en ook niet van de stichting jegens Ansoe. Aan de desbetreffende grief zal daarom voorbij worden gegaan.

4.5.3 Het hof acht de overwegingen opgenomen in het beroepen vonnis met betrekking tot de zaak Klooster, voldoende gemotiveerd en begrijpelijk waardoor ook de desbetreffende grief niet gegrond wordt geacht.

4.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.7 Het Hof zal op grond van het voorgaande het beroepen vonnis bevestigen en Ansoe, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5. De beslissing
Het Hof

5.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter gedateerd 20 oktober 2009 bekend onder arno. 064102 waarvan beroep;

5.2 Veroordeelt Ansoe in de kosten van dit geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President,
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en uitgesproken door
mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van
mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris                            w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Baldew, gemachtigde van appellante en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. J. Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-62

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak in de zaak van

De naamloze vennootschap N.V. ANSOE, rechtens geheten,
De naamloze vennootschap N.V. NIEUWE HOUTONDERNEMING ANSOE,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende in het district [District 1],
appellante, hierna aangeduid als ”Ansoe”,
gemachtigde: mr. K. Baldew, advocaat,

tegen

A. DE STICHTING MISSILE,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [Plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”de Stichting”,
gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

B. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen,
rechtspersoon, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, zetelende te diens parkette te Paramaribo, geïntimeerde, aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 20 oktober 2009 (A.R.No. 06-4102) tussen Ansoe als eiseres in eerste aanleg en de Stichting en de Staat als gedaagden in eerste aanleg, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:
• de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Ansoe op 27 juli 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota met producties overgelegd op 06 november 2015;
• het antwoordpleidooi en uitlating producties zijdens de Staat overgelegd op 15 januari 2016;
• het antwoordpleidooi en uitlating producties zijdens de Stichting overgelegd op 18 maart 2016;
• de repliekpleidooien overgelegd op 06 mei 2016;
• het dupliekpleidooi zijdens de Staat overgelegd op 17 juni 2016;
• het dupliekpleidooi zijdens de Stichting overgelegd op 15 juli 2016;
• de rechtsdag voor de uitspraak die aanvankelijk was bepaald voor 3 februari 2017, is bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak (20 oktober 2009) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting aanwezig. Ansoe heeft bij schrijven van haar procesgemachtigde op 27 juli 2010 appél aangetekend. Nu aan partijen een afschrift van het vonnis per griffiersbrief d.d. 05 juli 2010 is verzonden, heeft Ansoe tijdig appél aangetekend en kan zij daarin worden ontvangen.

3. De beoordeling in het incident
3.1 Het hof overweegt dat Ansoe in haar vordering in hoger beroep mede heeft gevorderd dat de behandeling van de zaak (A.R. No. 06-1020) in hoger beroep bekend onder G.R. No. 15046, wordt gevoegd bij de onderhavige zaak vanwege het feit dat, naar het hof begrijpt, beide zaken aan elkaar gerelateerd zijn.

3.2 Naar het oordeel van het hof heeft Ansoe haar vordering tot voeging van beide zaken niet conform de vereisten van artikel 126 juncto 127 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), bij wege van incidentele conclusie en met redenen omkleed gedaan. Meer nog, het vonnis in de zaak met A.R. No. 06-1020 thans bekend onder G.R. No. 15046 is niet ten processe overgelegd, zodat de inhoud van die zaak onbekend is en het hof derhalve niet tot beoordeling zou kunnen overgaan. De Staat en de stichting hebben op deze vordering evenmin gereageerd. Nu, beide zaken in staat van wijzen staan, zou de gevorderde voeging ook niet meer mogelijk zijn. De vordering in het incident tot voeging van de onderhavige zaak met de zaak bekend als G.R. No. 15046, zal daarom als niet op de wet gegrond worden afgewezen.

3.3 Het hof overweegt evenwel, dat naar wordt begrepen, Ansoe in de zaak bekend als G.R. No. 15046, oorspronkelijk zou hebben gevorderd dat primair aan haar het recht van grondhuur op het perceelland toekomt, op grond waarvan het hof termen aanwezig acht om de beslissing in de onderhavige zaak aan te houden, teneinde Ansoe in de gelegenheid te stellen het vonnis in de zaak bekend als G.R. No. 15046 over te leggen. Aangezien het hof ambtshalve kennis draagt van het feit dat de zaak bekend als G.R. No. 15046 op de rol voor vonnis staat op 20 april 2018, zal de onderhavige zaak,
rekening houdende met de termijn van verstrekking van het over te leggen vonnis, worden verwezen naar de rol van 20 juli 2018.

3.4 Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden tot de datum zoals bepaald in de beslissing.

4. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof

In het incident
4.1 Wijst af de gevorderde voeging van de onderhavige zaak met de zaak bekend als G.R. No. 15046.

In de hoofdzaak
4.2 Bepaalt dat de hoofdzaak weder ter rolle zal worden afgeroepen op vrijdag 20 juli 2018 om 08.30 uur voor het overleggen van het op 20 april 2018 of nader, te wijzen vonnis in de zaak bekend onder G.R. No. 15046;

4.3 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President en mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

                                                             w.g. S.S.S. Wijnhard

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken te openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                            w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd dor advocaat mr. K.J. Hok A Hin namens advocaat mr. K. Baldew, gemachtigde van appellante en geïntimeerde sub B vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde sub B zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2022-3

HOF VAN JUSTITIE
dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

In de zaak van

Stichting Sandstone, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant, hierna aangeduid als ‘Sandstone’,
gevolmachtigde: [naam],

tegen

[gedaagde], advocaat,
kantoorhoudende te [adres],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [gedaagde]
procederend in persoon,

naar aanleiding van het door Sandstone ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege (hierna ATC genoemd) van 22 mei 2020 (no. 19/25) tussen Sandstone als klaagster en [gedaagde] de advocaat tegen wie de klacht is ingediend,

spreekt de Fungerend-president, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 57 van de Advocatenwet (S.B. 2004 no. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 no. 42) de navolgende beslissing uit.

1 De procedure in hoger beroep
1.1 Het Hof heeft kennis genomen van:
– de processtukken van de eerste aanleg;
– de memorie van grieven die de Griffie van het Hof van Justitie van Sandstone heeft ontvangen op 26 juni 2020 in verband met het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van het ATC;
– antwoord appelmemorie d.d. 06 oktober 2020;
– de processen-verbaal van het verhandelde in Raadkamer van het Hof van Justitie op respectievelijk 06 oktober 2020 en 10 november 2020;
– de conclusie na verhoor van partijen zijdens Sandstone;
– de conclusie na verhoor van partijen zijdens [gedaagde].

1.2 De uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

2 De feiten
Het volgende is komen vast te staan:
2.1 Op 21 juli 2009 heeft Sandstone een geldbedrag geleend van de stichting “Chacha”, hierna aangeduid als de schuldeiseres.
Als zekerheid tot terugbetaling van het geldbedrag, met overeengekomen rente, heeft Sandstone ten behoeve van de schuldeiseres een hypotheek gevestigd op “het erfpachtsrecht – vervallende twee april tweeduizend en vijftig – op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot vierhonderd en tien zeven en veertig/honderdste meters, gelegen in het district [district], deel uitmakende van het voorland van het perceelland bekend als serie A van de vestigingsplaats [vestigingsplaats] en nader aangeduid op de kaart van de landmeter F. Emanuels de dato zes en twintig januari 1976 met de letters AFGHK.”, hierna aangeduid als het onroerend goed.

2.2 Vanaf het jaar 2015 heeft Sandstone diverse processen tegen de schuldeiseres gevoerd met het oog op respectievelijk stopzetting van aangezegde openbare verkopen van het onroerend goed en vernietiging van de hypotheekakte in de zaken bekend onder respectievelijk A.R.No.15-4909, A.R.No.15-5133, A.R.No.16-5056 en A.R.No.16-6324. In de processen vanaf het jaar 2016 heeft [gedaagde] als procesgemachtigde namens de schuldeiseres opgetreden.

2.3 Bij exploit van deurwaarder Dasimin Toekimin d.d. 5 januari 2017 no.006 is een brief d.d. 2 januari 2017 afkomstig van [gedaagde], advocaat, kantoorhoudende aan de [adres] en gericht aan Stichting Sandstone betekend waarvan de inhoud als volgt luidt:

“Betreft: Stichting Cahcha
Contra
Stichting Sandstone
(Sommatie)

Aan: Stichting Sandstone
T.a.v. de voorzitter
[naam]
[plaats]
[District]

Paramaribo, 02 januari 2017
Geachte [naam],

Bij vonnis in Kort geding de dato 25 oktober 2016, A.R. no. 16-5056, heeft de kantonrechter in het door u aangespannen kort geding de executie van de hypotheekakte de dato 21 juli 2009 opgeschort op grond van de door u opgeworpen rechtsvraag omtrent de verjaring van de opgelopen rente, zoals door partijen bedongen.
Bij gemeld vonnis heeft de rechter u opgedragen om binnen twee maanden na het vonnis deze rechtsvraag aan de rechter voor te leggen in een bodemprocedure.
Mijn cliënte wil echter deze rechtsvraag reeds nu voor u beantwoorden en geeft zij hierbij te kennen u de rente volledig kwijt te schelden.

Op grond hiervan wordt u dan ook gesommeerd om op uiterlijk vrijdag 13 januari 2017 uiterlijk 12.00 uur te mijne kantore, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de ter leen verkregen hoofdsom ad USD 60.000 minus de gepleegde betaling van in totaal USD 3.000, brengende het saldo op USD 57.000. Mocht u aan deze sommatie geen gevolg geven, dan zal mijn cliënte opnieuw de executie aanzeggen en zijn de gevolgen geheel voor uw rekening.

Hopende u naar behoren te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
[gedaagde]
(voorzien van een handtekening)

2.4 In september 2017 heeft [gedaagde] namens de schuldeiseres een andere zaak tegen Sandstone, bekend onder A.R.No.17-3721 ingediend, in welke zaak [gedaagde] slechts de hoofdsom heeft gevorderd, daarbij onderbouwend dat de rente volledig is kwijtgescholden.

2.5 Middels betekening bij exploit d.d. 15 juni 2019, no.179 van deurwaarder Bhoelan – zakelijk weergegeven – een grosse akte crediet hypotheek verleden ten overstaan van Notaris Mr. P. Bishoen, een rectificatie en in juli 2019 wordt Sandstone middels betekening van een exploit van een deurwaarder door [gedaagde] aangemaand tot betaling van de hoofdsom en rente, waarbij tevens de aanzegging voor de veiling is gedaan.
Op 18 oktober 2019 heeft Sandstone een klacht tegen [gedaagde] bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten ingediend.

3 De klacht
3.1 De klacht van Sandstone houdt – zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang – in, dat [gedaagde] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 37 van de Advocatenwet.

3.2 Daartoe heeft Sandstone het volgende gesteld:
a) de sommatie/saldo-opgave d.d. 04 juni 2019, inhoudende de hoofdsom en achterstallige rente, is valselijk opgemaakt en ondertekend door [gedaagde] en het heeft Sandstone nimmer bereikt; [gedaagde] doet ten onrechte voorkomen alsof de sommatie in de brievenbus van het bestuurslid van Sandstone is bezorgd;
b) [gedaagde] heeft namens zijn cliënte de veiling aangezegd voor 12 augustus 2019; indien deze veiling zou hebben plaatsgevonden, dan zou het tot benadeling van Sandstone hebben kunnen leiden, omdat de volledige rente reeds was kwijtgescholden door de cliënte van [gedaagde]; [gedaagde] heeft ondanks de kwijtschelding van de rente, geprobeerd het op een slinkse wijze op Sandstone te verhalen;
c) in het deurwaardersexploit no. 006 d.d. 05 januari 2017 van deurwaarder Dasimin Toekimin, bij welk exploit de brief van [gedaagde] d.d. 02 januari 2017 is betekend aan Sandstone, staat de passage “onder voorbehoud van rechten” niet vermeld, terwijl in het exemplaar van de brief van 02 januari 2017 dat [gedaagde] aan de Deken heeft doen toekomen en welk exemplaar Sandstone onder ogen heeft gehad, de hiervoor bedoelde passage wel vermeld staat. [gedaagde] heeft de passage “onder voorbehoud van rechten” achteraf erbij getypt in de brief.

4 De beslissing van het ATC op de klacht
4.1 Het Hof verwijst naar de inhoud van de beslissing van het ATC van 22 mei 2020, onder nummer 19/29, van welke beslissing partijen een afschrift van de Secretaris van het ATC hebben ontvangen op 28 mei 2020.

4.2 Het ATC is in diens beslissing tot de slotsom gekomen – verkort weergegeven – dat niet in rechte is komen vast te staan dat [gedaagde] onbetamelijk heeft gehandeld jegens Sandstone c.q. dat van enig tuchtrechtelijk verwijt aan de zijde van [gedaagde] niet is gebleken. Het ATC heeft op grond van deze conclusie de klacht van Sandstone ongegrond verklaard en heeft hierover – zakelijk weergegeven – als volgt geoordeeld dat:
1) de sommatie niet gekwalificeerd kan worden als te zijn valselijk opgemaakt, omdat de sommatie in opdracht van de cliente van [gedaagde] is opgemaakt en daarover geen twijfel bij het ATC bestaat;
2) het betekenen van stukken een bevoegdheid is van de deurwaarder, zodat het eventuele nalaten, onzorgvuldigheid of slordigheid van een deurwaarder [gedaagde] niet kan worden toegerekend;
3) uit de inhoud van de brief van 02 januari 2017 die [gedaagde] op 05 januari 2017 aan Sandstone heeft doen betekenen duidelijk blijkt dat er een voorbehoud is opgemaakt;
4) het ATC uit de inhoud van het schrijven van 17 januari 2017 in reactie op de brief van 02 januari 2017 begrijpt dat de kwijtschelding van de rente voorwaardelijk is geschied en dat Sandstone binnen een bepaalde periode toch nog de hoofdsom moet betalen.

5 De vordering en grieven in hoger beroep
Sandstone vordert vernietiging van de bestreden beslissing en om alsnog de door haar ingediende klacht tegen [gedaagde] gegrond te verklaren.
Daartoe voert zij – zakelijk weergegeven – een vijftal grieven aan, te weten:
Grief 1. Het ATC gaat in overweging 4.3 van de bestreden beslissing er onterecht van uit dat de deurwaarder in opdracht van de cliënte van [gedaagde] moest executeren, omdat het de notaris is die in opdracht van een cliënte executeert en de deurwaarder elke bevoegdheid mist om te executeren. De sommatie is niet in opdracht van de cliënte van [gedaagde] opgemaakt, omdat niet voor of namens de cliënte is gesommeerd en de saldo-opgave niet door de cliënte is ondertekend;
Grief 2. Sandstone kan de overweging van het ATC in 4.3 van de bestreden beslissing dat de wijze van het betekenen van stukken een bevoegdheid is van de deurwaarder niet volgen, omdat de deurwaarder de stukken op vrijdag 14 juni 2019 van het notariaat Kalisingh heeft gehad om te betekenen en hij deze stukken op zaterdag 15 juni 2019 aan Sandstone heeft betekend. De vermeende sommatie is niet aan Sandstone betekend, doch slechts een saldo-opgave afkomstig van [gedaagde]. [gedaagde] heeft de sommatie niet aan een deurwaarder afgegeven om te doen betekenen aan Sandstone, doch heeft hij de sommatie in de brievenbus van het oud adres van het bestuurslid van Sandstone gedaan. De sommatie is valselijk opgemaakt, omdat de daarin opgesomde rente reeds volledig was kwijtgescholden;
Grief 3. [gedaagde] kan wel een nalaten, onzorgvuldigheid, slordigheid en plichtsverzuim worden verweten. Hij heeft door middel van listige trucjes gepoogd de sommatie opzettelijk buiten het gezichtsveld van Sandstone te houden, met het doel om Sandstone tegen te houden om daartegen op te komen en de termijn van betaling te laten verstrijken om de executie aan te zeggen. [gedaagde] droeg er kennis van dat het huidige en enige bestuurslid niet op het adres woont alwaar de sommatie in de brievenbus is gedeponeerd en hij was bekend met het adres van Sandstone en dat is het adres alwaar de deurwaarder het exploit aan Sandstone heeft betekend;
Grief 4. Het ATC gaat in overweging 4.3 er onterecht vanuit dat de rente een voorwaardelijke kwijtschelding zou betreffen, omdat de schuldeiseres een proces in de zaak bekend onder A.R. No. 17-3721 heeft opgestart waarin zij zelf duidelijk heeft aangegeven dat de rente volledig is kwijtgescholden. Dit heeft het ATC niet in de beoordeling van de bestreden beslissing meegenomen;
Grief 5. Het ATC heeft in de bestreden beslissing ten onrechte overwogen dat zij uit de inhoud van het schrijven van 17 januari 2017 inzake antwoord Stichting Sandstone op het schrijven van 02 januari 2017 begrijpt, dat de kwijtschelding van de rente voorwaardelijk is geschied.

6 De beoordeling
6.1 De ontvankelijkheid van het beroep
Het afschrift van de beslissing van het ATC heeft elk der partijen op 28 mei 2020 van de Secretaris van het ATC ontvangen. Sandstone heeft middels het in drievoud indienen van een met redenen omklede memorie, vergezeld van drie afschriften van de beslissing van het ATC, op 26 juni 2020 op de Griffie van het Hof van Justitie hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van het ATC (hierna aangeduid als de bestreden beslissing). De conclusie is dat Sandstone binnen de in artikel 56 lid 1 van de Advocatenwet gestelde termijn van 30 dagen hoger beroep heeft aangetekend tegen de bestreden beslissing, zodat zij ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

6.2.1 De klacht en grief 1 betrekking hebbend op de bevoegdheid om te executeren
Het Hof kan Sandstone in het eerste deel van grief 1 niet volgen, zijnde het deel waarin zij stelt dat het ATC er onterecht van uitgaat dat de deurwaarder in opdracht van de cliënte van [gedaagde] moest executeren, omdat het de notaris is die in opdracht van een cliënte executeert en de deurwaarder elke bevoegdheid mist om te executeren. Dit deel dat betrekking heeft op de beantwoording van de vraag welke beroepsgroep de bevoegdheid tot executie toekomt, acht het Hof niet relevant voor de inhoudelijke beoordeling van de tuchtklacht. Dit, omdat elke beroepsgroep ingevolge de op hun beroepsgroep van toepassing zijnde wet weet of hoort te weten waartoe zij bevoegd is en dat zij afzonderlijk onder enig tuchtrecht onderworpen zal zijn indien zij de aan haar gegeven bevoegdheid overschrijdt.

6.2.2 [gedaagde] werpt in reactie op grief 1 op dat de stelling van Sandstone, inhoudende dat de saldo-opgave die door de advocaat is opgemaakt door de schuldeiseres zelf moet worden ondertekend en niet door de advocaat, geen steun vindt in de wet.
Ter zake is het Hof van oordeel dat deze grief van Sandstone op grond van de hierna volgende overwegingen niet opgaat. Elke advocaat die door een justitiabele is benaderd om in een geschil voor diens belangen op te komen, is bevoegd om namens die justitiabele, in casu de schuldeiseres tevens cliënte van [gedaagde], stukken aangaande dat geschil te tekenen. Zou de advocaat daartoe niet bevoegd zijn dan zou de justitiabele een desaveauprocedure tegen de advocaat kunnen instellen. Gesteld noch gebleken is dat de schuldeiseres een dergelijke procedure jegens [gedaagde] heeft ingesteld, zodat mag worden aangenomen dat [gedaagde] bevoegd was de saldo-opgave namens de schuldeiseres te tekenen en de sommatie namens de schuldeiseres te doen plaatsvinden. Overigens moge het duidelijk zijn dat [gedaagde] als advocaat namens zijn cliënte heeft opgetreden tot het tegendeel is bewezen. In de sommatie is immers gesteld “Mijn cliënte wil echter deze rechtsvraag reeds nu voor u beantwoorden en geeft zij hierbij te kennen u de rente volledig kwijt te schelden.” Uit het bovenstaande volgt dat grief 1 van Sandstone als ongegrond wordt verworpen.

6.3 De klacht en grief 3 betrekking hebbend op het niet doen betekenen van de sommatie en doen deponeren van de sommatie op een oud adres
Ten aanzien van het niet doen betekenen van de sommatie is het Hof van oordeel dat Sandstone zulks ter beoordeling aan de civiele rechter, die belast is met de behandeling van de zaak in het tussen partijen bestaande civiele geschil, moet voorleggen, omdat die de bevoegdheid heeft om – voor zover van de juistheid van de stelling van Sandstone zou mogen worden uitgegaan – hieraan consequenties te verbinden volgens de spelregels van het procesrecht. Grief 3 wordt daarom ook verworpen.

6.4 De gronden van de klacht en grief 2 betrekking hebbend op de valselijk opgemaakte sommatie en grieven 4 en 5 betrekking hebbend op het al dan niet voorwaardelijk kwijtschelden van de rente
6.4.1 De grieven 2, 4 en 5 van Sandstone lenen zich voor gezamenlijke bespreking daar zij elkaar overlappen en verband houden met elkaar.
Het Hof stelt vast dat het in de kern van de grieven 4 en 5 van Sandstone het erom gaat dat op het exemplaar van de brief van 02 januari 2017 die [gedaagde] aan Sandstone heeft doen betekenen de passage “onder voorbehoud van rechten” niet staat vermeld, terwijl deze passage wel vermeld staat op het exemplaar van de brief die [gedaagde] in de zaak bekend onder A.R. No. 17-3721 en bij de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten heeft overgelegd. Naar het Hof de grieven 4 en 5 van Sandstone begrijpt, zou [gedaagde] de bedoelde passage achteraf hebben toegevoegd om de indruk te doen wekken dat hij datzelfde exemplaar met de bedoelde passage aan Sandstone heeft doen betekenen, enkel en alleen met doel om de reeds kwijtgescholden rente alsnog op Sandstone te kunnen verhalen en de veiling van het onroerend goed aan te kunnen zeggen. In het licht van het bovenstaande is Sandstone door het Hof in de gelegenheid gesteld om het exemplaar van de brief die [gedaagde] op 05 januari 2017 aan hem heeft doen betekenen ten processe over te leggen, opdat deze vergeleken kon worden met het exemplaar dat [gedaagde] in de zaak bekend onder A.R. No. 17-3721, aan de Deken van de Surinaamse Orde van Advocaten en het ATC (hierna het “tweede exemplaar” genoemd) heeft doen toekomen. Bij een minutieuze vergelijking van de twee exemplaren heeft het Hof vastgesteld dat:
a) de handtekening van [gedaagde] in de brief die [gedaagde] aan Sandstone heeft doen betekenen en de handtekening van [gedaagde] in het tweede exemplaar verschillen, voorts verschilt ook de tekstopmaak;
b) in beide exemplaren dezelfde inhoud staat vermeld, te weten:
“ Bij vonnis in Kort geding de dato 25 oktober 2016, A.R. no. 16-5056, heeft de kantonrechter in het door u aangespannen kort geding de executie van de hypotheekakte de dato 21 juli 2009 opgeschort op grond van de door u opgeworpen rechtsvraag omtrent de verjaring van de opgelopen rente, zoals door partijen bedongen.
Bij gemeld vonnis heeft de rechter u opgedragen om binnen twee maanden na het vonnis deze rechtsvraag aan de rechter voor te leggen in een bodemprocedure.
Mijn cliënte wil echter deze rechtsvraag reeds nu voor u beantwoorden en geeft zij hierbij te kennen u de rente volledig kwijt te schelden.
Op grond hiervan wordt u dan ook gesommeerd om op uiterlijk vrijdag 13 januari 2017 uiterlijk 12.00 uur te mijne kantore, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de ter leen verkregen hoofdsom ad USD 60.000 minus de gepleegde betaling van in totaal USD 3.000, brengende het saldo op USD 57.000. Mocht u aan deze sommatie geen gevolg geven, dan zal mijn cliënte opnieuw de executie aanzeggen en zijn de gevolgen geheel voor uw rekening.”; en
c) de passage “onder voorbehoud van rechten” niet vermeld staat op het exemplaar van Sandstone.

6.4.2 Bij confrontatie met de constatering van het Hof heeft [gedaagde] tijdens het verhoor op 10 november 2020 beaamd dat het tweede exemplaar van de brief niet hetzelfde is als het exemplaar dat hij aan Sandstone heeft doen betekenen. Volgens zijn verklaring heeft hij het exemplaar waarop “onder voorbehoud van rechten” staat aangegeven naderhand uitgeprint en bij zijn verweer toegevoegd. Hij heeft aangegeven geen verklaring te kunnen geven hoe het verschil is gekomen en heeft daarbij gelijk kenbaar gemaakt dat indien hij in deze fout is en indien deze fout door wie dan ook op zijn kantoor is gemaakt, hij de verantwoordelijkheid hiervoor neemt omdat hij de eindverantwoordelijke is. [gedaagde] heeft kenbaar gemaakt dat hij met zijn cliënt kan praten indien Sandstone de hoofdsom wenst te betalen en dat het praten met zijn cliënt hierover geen probleem hoeft te zijn.

6.4.3 Sandstone heeft in reactie op hetgeen [gedaagde] heeft aangegeven c.q. voorgesteld, ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat het betalen van de hoofdsom thans niet aan de orde is. Wat volgens Sandstone aan de orde is, is de tuchtzaak. Met name de door [gedaagde] valselijk opgemaakte stukken en het feit dat [gedaagde] op grond van deze valselijk opgemaakte stukken wil overgaan tot executeren.

6.4.4 Vaststaat dat [gedaagde] een ander exemplaar van de brief van 02 januari 2017 aan Sandstone heeft doen betekenen, terwijl hij nadien in de tussen partijen gevoerde processen het exemplaar van de brief met de passage “onder voorbehoud van alle rechten” heeft overgelegd. Uit de feiten weergegeven onder 2.1 tot en met 2.4 staat onomstotelijk vast dat de verschuldigde rente was kwijtgescholden. Sandstone diende alleen de hoofdsom te betalen. In juli 2019 werd Sandstone “verrast” met een deurwaardersexploit genoemd onder 2.5 met aanzegging de hoofdsom en de rente te betalen. Daarbij is een veiling aangezegd. Kennelijk ter onderbouwing van de renteaanzegging (die eerder was kwijtgescholden) is door [gedaagde] het “tweede exemplaar” geproduceerd en overgelegd onder meer bij de deken en het ATC. [gedaagde] heeft steeds volhard dat dit tweede exemplaar authentiek was totdat hij na confrontatie met de verschillen van de handtekening erkende dat er een andere exemplaar was geproduceerd en dat dit exemplaar wel was voorzien van de tekst “ONDER VOORBEHOUD VAN ALLE RECHTEN”. Deze gedraging van [gedaagde] is naar het oordeel van het Hof bewust gedaan en zou ertoe leiden dat Sandstone benadeeld zou kunnen worden en wordt aangemerkt als een handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt, hetgeen wel als een tuchtrechtelijk verwijt in de zin van artikel 37 van de Advocatenwet dient te worden aangemerkt. Het is een ernstige inbreuk die des te ernstiger is nu het door een advocaat is gepleegd. De advocaat heeft immers een publieke opdracht in de rechtsbedeling. Dit houdt onder meer in dat de advocaat zich dient te schikken naar de wetten van het land en zich hierbij bewust moet zijn van zijn specifieke positie. Het gegeven dat de genoemde valsheid en het gebruik van het valse stuk werden gepleegd in de uitoefening van zijn beroep en deel uitmaken van het dossierbeheer, is een verzwarende omstandigheid. Het schendt immers het vertrouwen van de rechterlijke macht en instanties waar de advocaat zijn cliënt vertegenwoordigt of bijstaat. Dit vertrouwen is fundamenteel voor een goed functioneren van de rechtstaat en de advocatuur.

6.4.5 Het Hof komt op grond van hetgeen hiervoor onder 6.4.1 tot en met 6.4.4 is overwogen tot de slotsom, dat grieven 2, 4 en 5 van Sandstone gegrond zijn en [gedaagde] wel een tuchtrechtelijk verwijt in de zin van artikel 37 van de Advocatenwet kan worden gemaakt. Mitsdien zal de bestreden beslissing van het ATC worden vernietigd en aan [gedaagde] een passende maatregel uit de opsomming van artikel 45 lid 2 van de Advocatenwet worden opgelegd.

6.5 De op te leggen tuchtmaatregel

6.5.1 Bij het opleggen van een tuchtmaatregel heeft het Hof in overweging genomen:
– de ernst van het tuchtrechtelijk verwijt;
– de mogelijke gevolgen voor Sandstone vanwege het handelen van [gedaagde];
– de proceshouding van [gedaagde] tijdens de behandeling van de klacht;
– of [gedaagde] al eerder een tuchtmaatregel is opgelegd door het ATC.

6.5.2 Gebleken is dat er nog een civiele zaak tussen de schuldeiseres en de Sandstone loopt omtrent de hoogte van het nog door haar aan de schuldeiseres verschuldigde bedrag, hetgeen het Hof een indicatie geeft dat de schade voor Sandstone met de onderhavige tuchtzaak is beperkt. [gedaagde] heeft tijdens de behandeling van de tuchtzaak in hoger beroep een goede proceshouding getoond, waarbij hij zelfs heeft kenbaar gemaakt dat indien hij een fout in deze heeft begaan hij de verantwoordelijkheid hiervoor op zich neemt. Geenszins is gebleken dat [gedaagde] als advocaat eerder een tuchtmaatregel opgelegd heeft gehad of een tuchtklacht tegen hem is gediend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het Hof passen en geboden om aan [gedaagde] een maatregel van berisping op te leggen.

6.5.3 Gelet op het publieke belang van kennisneming van onderhavige materie zal het Hof tevens beslissen dat een afschrift van deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

7 De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

7.1 Verklaart het ingestelde hoger beroep gegrond;

7.2 Vernietigt de bestreden beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 22 mei 2020, bekend onder no. 19/29;

En opnieuw rechtdoende:

7.3 Verklaart de klacht van Sandstone gegrond;

7.4 Legt aan [gedaagde] de maatregel van berisping op.

7.5 Bepaalt dat een afschrift van deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitsprakendatabank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. S.M.M. Chu en mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-president uitgesproken ter openbare zitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van donderdag 02 juni 2022, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-griffier.

SRU-K1-2022-1

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 20-1030

24 maart 2022

 

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Paramaribo,

eiseres,

gemachtigde: mr. drs. S. Boedhoe, advocaat,

tegen

a.DE STAAT SURINAME, met name het Directoraat van de Nationale Veiligheid van de Republiek Suriname (DNV), in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudend te Paramaribo,

b.TELECOMMUNICATIEBEDRIJF SURINAME (TELESUR),

gevestigd te Paramaribo,

gemachtigde voor gedaagde sub a: mr. D.S. Kraag,

gemachtigde voor gedaagde sub b: mr. N.U. van Dijk AMLCA, beiden advocaat.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als [eiseres], ‘de Staat’ en ‘Telesur’.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 13 maart 2020 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis die is genomen op de zitting van 16 april 2020;
  • de conclusies van antwoord met producties;
  • de conclusies van repliek met producties;
  • de conclusie van dupliek van Telesur met een productie;
  • de comparitie van partijen gehouden op 25 januari 2022, verschenen zijn:

. voor [eiseres] [naam 1], hierna aangeduid als [naam 1],

. voor de Staat [naam 2]/[functie 1] en [naam 3]/[functie 2],

. voor Telesur [naam 4]/[functie 3], [naam 5]/[functie 4], [naam 6]/[functie 5].

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Algemeen

2.1 [eiseres] stelt zich onder meer ten doel kennis, onderwijs en wetenschap te promoten, sociaal cultureel en maatschappelijk werk uit te voeren, techniek en technologie te implementeren voor een mens en milieu verantwoordelijkere wereld, het promoten, bevorderen en faciliteren van projecten voor onder andere de islamitische gemeenschap, waaronder de verbetering van de financiële situatie door middel van bankieren. De stichting is opgericht in november 2015.

2.2 Het Directoraat Nationale Veiligheid van de Republiek Suriname – hierna DNV – schrijft op 03 oktober 2019 aan Telesur onder meer [citaat]:

“(…) Uit onderzoek is gebleken dat er een csirt.sr is opgezet die zich voordoet als de officiële surcsirt cyber incident response team van Suriname.

Phishing is een vorm van internetfraude waarbij de bezoeker naar een valse webpagina wordt gebracht. Deze vorm van internetfraude vindt meestal plaats via e-mail, maar ook online en heeft als doel het verkrijgen van persoonlijke gegevens.

Hierbij het verzoek voor het volgende:

  1. Het verwijderen van deze informatie van uw server. (graag eerst een full copy als backup te maken). (…)

3.De account van csirt.sr over te plaatsen onder de account van DNV.

Gezien de urgentie van de zaak vragen wij u beleefd deze zo snel als mogelijk te bewerkstelligen.” [einde citaat].

2.3 [eiseres] schrijft op 17 oktober 2019 onder meer [citaat]:

“(…) Geachte [naam 7],

Sedert vorige week 8 oktober hebben wij beheer verloren over onze CSIRT.sr website in opdracht van uw persoon.

Volgens telesur heeft u ons beschuldigd van phishing, scamming en het nabootsen van een overheidsinstantie. U heeft onze website laten blokkeren/uitwissen en subsequent de domein overgenomen voor uw eigen website. Zonder tussenkomst van een politioneel onderzoek of rechterlijke bevel. (…)

Csirt.sr is sedert 2018-08-15 mijn domein. Legaal aangevraagd, geregistreerd en betaald bij telesur. Deze domein, de website erop, de email en database, ondersteunend personeel en de voorlichting campagne waaraan het is gebonden hebben nimmer de indruk gegeven dat de website van DNV/overheid is. De intentie om een particuliere CSIRT op te zetten stamt uit 2014. De planning en uitwerking ervan sedert april 2017. [naam 8] en [naam 9] zijn hiervan informeel op de hoogte gesteld tijdens een oriëntatie begin 2018. Tot mijn beste kennis is er juridisch geen toestemming vereist voor het opzetten van een particuliere CSIRT in Suriname of zelfs internationaal. [eiseres] heeft ook 50+ politie agenten en enkele DNV personeel voorlichting gegeven met deze domein en verbonden diensten. (…) [eiseres], welke de domein gebruikte, heeft nu al schade ondervonden door uw toe eigenen van mijn domein. Deze zal moeten worden gecompenseerd. Er is c.a. USD$30.000,- geinvesteert in de cyber programma van [eiseres] sinds april 2017. (…) Ik verzoek u hierbij nogmaals, vriendelijk, uw handelingen terug te draaien.” [einde citaat].

2.4 DNV schrijft aan [eiseres] op 29 november 2019 onder meer [citaat]:

“(…) Het Directoraat Nationale Veiligheid treft uit hoofde van haar taken en verantwoordelijkheden, maatregelen die de nationale veiligheid van ons grondgebied waarborgen.

Een der beleidsgebieden van voornoemd directoraat is Cybersecurity. Dit beleidsgebied dat bijzondere aandacht behoeft en krijgt wordt met zekere discretie omsprongen daar de impact van een succesvolle aanval desastreus zal zijn voor de totale financiële en economische ontwikkeling van ons land.

Op basis van het bovenstaande is besloten dat het Nationaal Cybersecurity Incident Response Team ressorteert onder het eerder genoemd directoraat.

(…) het is geen criminele daad om een privé/commerciële Computer Security Incident Response Team op te richten, weliswaar bij het gebruik van csirt.sr door uw instantie kan dit voor verwarring zorgen binnen de samenleving. (…) Op grond van eerdergenoemde zal het directoraat het door u gevraagde niet kunnen honoreren. Als oplossing moge dienen dat de [eiseres] in overleg met Telesur een ander domein aanmaakt ter voorkoming van dwaling tussen het domein van [eiseres] en het DNV in de toekomst.” [einde citaat].

Wet- en regelgeving

2.5 In artikel 34 lid 1 van de Wet Telecommunicatievoorzieningen, S.B. 2004 no. 151 is bepaald:

Elke concessiehouder is verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bijzondere last gegeven door een bevoegde instantie of persoon tot het aftappen of opnemen van telecommunicatie die over diens infrastructuur wordt afgewikkeld; daartoe is elke concessiehouder mede gehouden aan de bevoegde autoriteiten alle benodigde informatie te verstrekken en beschikbaar te hebben, die noodzakelijk is om een bijzondere last uit te kunnen voeren.

2.6 In artikel 35 lid 1 van de Wet Telecommunicatievoorzieningen is voorts bepaald:

Elke concessiehouder is verplicht gegevens met betrekking tot een bijzondere last als bedoeld in artikel 34 lid 1 en de verstrekking van informatie, bedoeld in artikel 31 lid 3, te beveiligen tegen kennisneming door onbevoegden alsmede geheimhouding te betrachten met betrekking tot deze gegevens.

2.7 In artikel 23 van de ‘Algemene Voorwaarden .sr-domeinnamen’ (gedeponeerd ter Griffie van het Kantongerecht van het Eerste Kanton te Paramaribo onder AR no. 094373) onder ‘Reglement voor registratie van .sr-domeinnamen’ staat [citaat]:

23.1 Telesur behoudt zich het recht voor om bepaalde (Persoons)Domeinnamen uit te sluiten van registratie. Telesur zal op zijn website een niet limitatieve lijst publiceren van (Persoons)Domeinnamen die uitgesloten zijn van registratie.

23.2 Telesur behoudt zich het recht voor om bepaalde (Persoons)Domeinnamen hetzij tijdelijk dan wel permanent te onttrekken c.q. onttrokken te houden aan registratie.” [einde citaat].

2.8 In artikel 6 van de ‘Algemene Voorwaarden .sr-domeinnamen’ staat onder meer [citaat]:

“6. (…) Klant is zelf verantwoordelijk voor een back-up van betreffende website bestanden.” [einde citaat].

2.9 In artikel 7 van de ‘Algemene Voorwaarden .sr-domeinnamen’ staat [citaat]:

“7. Telesur wordt door de klant gevrijwaard van alle mogelijke juridische claims met betrekking tot de door de klant geregistreerde domeinnaam of geplaatste inhoud van de website. Spamming en/of illegaal handelen is niet toegestaan, mogelijke conflicten die hierdoor ontstaan zijn allen de verantwoordelijkheid van de klant.” [einde citaat].

2.10 In artikel 12 van de ‘Algemene Voorwaarden .sr-domeinnamen’ staat [citaat]:

“12. Indien een domeinnaam, host- of mailaccount wordt opgeheven zullen direct alle bestanden van zowel de host- als de mailaccount(s) worden verwijderd.” [einde citaat].

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1 [eiseres] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

a. de Staat en Telesur veroordeelt een voorschot van geleden schade vermeerderd met 15% incassokosten, 8% omzetbelasting de wettelijke rente, totaal het bedrag van SRD 37.500, -;

b. Telesur veroordeelt om binnen een uur na betekening van het vonnis of in een in goede justitie te bepalen termijn de blokkade van de domeinnaam csirt.sr op te heffen of op te schorten of weer ter beschikking te stellen totdat in een bodemzaak anders is beslist tegen een dwangsom van SRD 100.000, – voor iedere keer dat Telesur nalatig is;

c. Telesur beveelt om binnen een uur na betekening van het vonnis of in een in goede justitie te bepalen termijn de Staat te blokkeren in de toegang tot de domeinnaam csirt.sr totdat in een bodemzaak anders is beslist tegen een dwangsom van SRD 100.000, – voor iedere keer dat Telesur nalatig is;

d. de Staat verbiedt om na betekening van het vonnis de domeinnaam csirt.sr te gebruiken of [eiseres] te beperken in het gebruik daarvan tegen een dwangsom van SRD 100.000, – voor iedere keer dat Telesur nalatig is;

e. de Staat en Telesur gelast te gehengen en te gedogen dat [eiseres] de domeinnaam csirt.sr gebruikt totdat in een bodemzaak anders is beslist;

f. de Staat en Telesur veroordeelt, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, de gerechtelijke kosten aan haar te voldoen;

g. indien nodig, een of meer beslissingen te geven zoals de kantonrechter geraden voorkomt, desnoods onder aanvulling van de rechtsgronden;

subsidiair

a. de Staat veroordeelt een voorschot van geleden schade vermeerderd met 15% incassokosten, 8% omzetbelasting de wettelijke rente, totaal het bedrag van SRD 37.500, -;

b. Telesur veroordeelt om binnen een uur na betekening van het vonnis of in een in goede justitie te bepalen termijn de blokkade van de domeinnaam csirt.sr op te heffen of op te schorten of weer ter beschikking te stellen totdat in een bodemzaak anders is beslist tegen een dwangsom van SRD 100.000, – voor iedere keer dat Telesur nalatig is;

c. Telesur beveelt om binnen een uur na betekening van het vonnis of in een in goede justitie te bepalen termijn de Staat te blokkeren in de toegang tot de domeinnaam csirt.sr totdat in een bodemzaak anders is beslist tegen een dwangsom van SRD 100.000, – voor iedere keer dat Telesur nalatig is;

d. de Staat verbiedt om na betekening van het vonnis de domeinnaam csirt.sr te gebruiken of [eiseres] te beperken in het gebruik daarvan tegen een dwangsom van SRD 100.000, – voor iedere keer dat Telesur nalatig is;

e. de Staat en Telesur gelast te gehengen en te gedogen dat [eiseres] de domeinnaam csirt.sr gebruikt totdat in een bodemzaak anders is beslist;

f. de Staat en Telesur veroordeelt, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, de gerechtelijke kosten aan haar te voldoen;

g. indien nodig, een of meer beslissingen te geven zoals de kantonrechter geraden voorkomt, desnoods onder aanvulling van de rechtsgronden.

3.2 Daartoe voert [eiseres], kort gezegd, het volgende aan. De Staat en Telesur hebben onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door in strijd te handelen met de goedkeuring die [eiseres] van Telesur verkreeg om gebruik te maken van de domeinnaam csirt.sr. Het onrechtmatig handelen van de Staat en Telesur bestaat daarin dat vitale informatie van [eiseres] is weggenomen en uitgewist en de domeinnaam is geblokkeerd. Als gevolg hiervan lijdt [eiseres] inkomens- en investeringsschade. Ook lijdt [eiseres] personele schade gelegen in uit te keren loon aan twee vaste medewerkers over een periode van 23 maanden. [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat zij inkomsten ontbeert, terwijl zij haar cliënten en personeel dreigt te verliezen als zij niet spoedig weer haar diensten aanbiedt.

3.3 De Staat en Telesur voeren verweer waarop hierna, voor zover van belang, wordt teruggekomen.

  1. De beoordeling

4.1 [eiseres] stelt dat de Staat en Telesur onrechtmatig jegens haar handelen. Op grond van de aard van de vordering is de bevoegdheid tot kennisneming daarvan door de kortgedingrechter gegeven.

4.2 Het gevorderde strekt tot betaling van een geldsom. De kantonrechter merkt op dat [eiseres] zowel in haar primair als subsidiair petitum betaling vordert van SRD 37.500, -. Evenwel schrijft zij in letters achter dit bedrag zevenendertigduizend vijfhonderd Amerikaanse dollar en stelt zij in randnummer 11 van het verzoekschrift het bedrag van US$ 37.570,50. [eiseres] heeft geen rectificatie gevraagd en de Staat en Telesur hebben het bedrag zoals in het petitum vermeld niet weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een kennelijke verschrijving. De kantonrechter leest daarom het gevorderd bedrag verbeterd, en wel als USD 37,500. – (zevenendertigduizend en vijfhonderd Noord-Amerikaanse Dollar).

4.3 [eiseres] vordert te betalen schade uit onrechtmatige daad door de Staat en Telesur. Voor een geldvordering in kort geding is terughoudendheid geboden. Of het bestaan van de geldvordering voldoende aannemelijk is, zal onderzocht moeten worden. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Het restitutierisico dient in de afweging van de belangen van partijen meegenomen te worden.

4.4 Verder moet voor aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad sprake zijn van een onrechtmatige daad die aan de dader kan worden toegerekend, van de schade en van een oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. De geschonden norm moet dienen tot bescherming van de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

4.5 De Staat betwist onrechtmatig gehandeld te hebben jegens [eiseres] en voert als meest verstrekkend verweer dat in tegenstelling tot het door [eiseres] gevorderde, de domeinnaam csirt.sr reeds jaren aan DNV toebehoort.

4.5.1 De Staat heeft ter comparitie zijn verweer nader toegelicht. Hij stelt gemotiveerd dat DNV het eerste csirt is, toegerust met specifieke nationale verantwoordelijkheden op het gebied van bescherming van de Staat Suriname tegen cybercrime (computercriminaliteit in brede zin). Daarom is DNV binnen de overheidsstructuur ondergebracht en valt de domeinnaam csirt.sr met uitsluiting van derden binnen de bevoegdheid en taken van DNV. Volgens de toelichting van zowel de Staat als Telesur is mondiaal het uitgangspunt dat elke staat een csirt moet hebben, in lijn met de Budapest Convention, de kantonrechter begrijpt, een verdrag tussen staten voor de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken. Daarin past volgens de toelichting van de Staat en Telesur niet dat buiten het door de Staat aangewezen eerste csirt een derde de domeinnaam csirt.sr, die met uitsluiting van derden aan de Staat Suriname toekomt, als eigen domeinnaam gebruikt.

4.5.2 Over de door haar uitgevoerde controle en de daarop gevolgde maatregel heeft de Staat, op vragen van de kantonrechter als volgt verklaard. Naar aanleiding van binnengekomen klachten over geplaatste confidentiële interne informatie op csirt.sr, waaronder ook foto’s van het Korps Politie Suriname, heeft DNV tijdens onderzoek geconstateerd dat [eiseres] gebruik maakt van de domeinnaam csirt.sr en eigen informatie daarop heeft geplaatst. Dat bedrijfsactiviteiten van [eiseres] via de domeinnaam worden uitgevoerd heeft [naam 1] ter comparitie bevestigd. Alle ICT’ers van [eiseres] loggen volgens zijn toelichting via csirt.sr in om online hun werkzaamheden te verrichten.

4.5.3 Gelet op zijn verantwoordelijkheden voor het garanderen van de nationale veiligheid en acht slaand op de verwarring die reeds bij bezoekers van csirt.sr dreigde te ontstaan, zo voert DNV aan, is aan [eiseres] gevraagd haar domeinnaam te wijzigen. De Staat stelt dat het verzoek aan [eiseres] moet voorkomen dat (verdere) verwarring bij het publiek ontstaat over de competentie en bevoegdheden van [eiseres] ten opzichte van DNV als eerste csirt. [eiseres] heeft – in weerwil van het verzoek – de bevoegdheden om cybercriminaliteit te onderzoeken en op te lossen juist als een aan [eiseres] toekomende competentie op de website vermeld. De Staat stelt zich op het standpunt dat [eiseres] niet alleen willens en wetens de domeinnaam voor eigen bedrijfsactiviteiten aanwendt, maar door haar handelingen ook verwarring veroorzaakt, omdat gebruik van csirt.sr onvermijdelijk tot gevolg heeft dat bezoekers van de website zullen menen met de officiële csirt van de Staat Suriname in contact te staan.

4.5.4 [naam 1] volhardt erin dat hij eerst de domeinnaam csirt bij Telesur heeft aangevraagd en zich als eerste csirt bij Telesur heeft geregistreerd.

4.5.5 De kantonrechter volgt dit standpunt niet. Terecht stelt Telesur dat in het geval van registratie van het csirt, de regel van eerste registratie geen toepassing vindt, nu in dit specifieke geval van domeinnaamgeving de Staat Suriname in het belang van de nationale veiligheid zich heeft te richten naar de daarvoor geldende internationale verdragsregels. Ook is tussen partijen onweersproken dat DNV niet bekend was met [eiseres] noch met diens gebruikmaking van de domeinnaam csirt.sr. DNV heeft niet uitgesloten dat de goedkeuring die Telesur aan [eiseres] heeft verleend voor gebruikmaking van de domeinnaam op een vergissing berustte, wat overigens ook door [eiseres] niet is weersproken.

4.5.6 De Staat heeft betwist dat [eiseres] op zijn verzoek personeel van het Korps Politie Suriname, DNV of andere overheidsinstituten heeft getraind. De Staat stelt zich op het standpunt dat personen die in activiteiten van [eiseres] hebben geparticipeerd, dit op eigen initiatief en in privé hebben gedaan. Uit de verklaringen van [naam 1] ter comparitie blijkt genoegzaam dat hij mede via personen met wie hij gedurende jaren contact onderhoudt, het opzetten van de organisatie heeft kunnen voorbereiden. Ook het houden van trainingen en presentaties heeft hij via deze contacten kunnen realiseren. Zo heeft hij via de persoon [naam 10], een ICT’er werkzaam bij [eiseres], contact gelegd met een gewestelijk commandant van het Korps Politie Suriname voor presentaties dan wel trainingen. Via de persoon [naam 8], toen werkzaam bij DNV, heeft [eiseres] onder meer voor de Port Control Unit presentaties dan wel trainingen verzorgd. Dat [eiseres] volgens de daartoe gebruikelijke formele en officiële structuren trainingen en of presentaties bij of voor genoemde overheidsinstanties heeft uitgevoerd is daarom op grond van de afgelegde verklaringen voorshands geenszins aannemelijk.

4.5.7 Dat [eiseres] geheel onbevangen en vrij van voorkennis voor csirt koos, is op grond van voorgaande verklaringen vooralsnog niet aannemelijk. En ook indien sprake zou zijn geweest van totale onbekendheid bij [eiseres] over aanwijzing van DNV als het csirt, heeft [naam 1] geen redelijk belang geduid of een aanvaardbare verklaring gegeven waarom [eiseres] zich verzet tegen wijziging van de domeinnaam, omwille van het in casu te respecteren zwaarwegend belang van de nationale veiligheid.

4.5.8 Het domein en daarmee de bedrijfsinformatie van [eiseres], is op 8 oktober 2021 weggehaald en geblokkeerd, zo stelt [eiseres]. [naam 1] heeft verklaard dat dit gebeurde zonder dat vooraf een waarschuwing van DNV naar [eiseres] is uitgegaan. De kantonrechter stelt vast dat uit de motivering van het besluit van Telesur tot technische wijzigingen volgt dat zij overeenkomstig de bepalingen in de Wet Telecommunicatievoorzieningen en volgens haar Algemene Voorwaarden (hiervoor onder de feiten in randnummer 2 aangehaald) reden had om onverwijld te handelen.

4.5.9 Concluderend gaat het in casu om een – naar later blijkt – ten onrechte verleende toewijzing van een verzoek voor het voeren van een bepaalde domeinnaam. Zulks omdat de domeinnaam gedurende langere tijd reeds in gebruik was en nota bene met uitsluiting van derden aan die bepaalde gebruiker was toegewezen. Een causaal verband tussen het door [eiseres] gestelde onrechtmatige handelen en de schade is evenwel niet komen vast te staan. De reden waarom [eiseres] zich verzet tegen wijziging van de domeinnaam, ondanks het te respecteren algemeen belang is niet gesteld, zodat aan een beoordeling niet wordt toegekomen. Dit klemt te meer nu uit de onweersproken briefwisseling voldoende blijkt dat te voorzien was dat DNV het voortzetten van de domeinnaam door [eiseres] niet zou en ook niet kon toestaan op gronden als hiervoor reeds overwogen. Voorts is onweersproken dat DNV eerst na het maken van een back-up de informatie van [eiseres] van de website heeft verwijderd. Nu eveneens niet weersproken is dat de back-up beschikbaar is, is vooralsnog de stelling dat de bedrijfsinformatie van [eiseres] is gewist, niet aannemelijk.

4.5.10 Vooralsnog is op voorgaande gronden niet aannemelijk geworden dat aan de vereiste causaliteit en relativiteit is voldaan. Aldus is niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat de bodemrechter een door [eiseres] te vorderen schadevergoeding zal toewijzen. In deze kortgedingprocedure heeft toewijzing van een voorschot van die schade geen plaats. De vordering mist een voldoende feitelijke grondslag en zal om die reden worden afgewezen.

4.5.11 Bij deze stand van zaken kunnen de overige stellingen van partijen verder onbesproken blijven.

4.5.12 [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat en Telesur tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 24 maart 2022 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-K2-2022-4

KANTONGERECHT

Vonnisnummer:53

Datum uitspraak: 31 januari 2022

Tegenspraak

Raadslieden: mr. J. Kraag en I.D. Kanhai Bsc.

 

VONNIS

van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

Naam: VAN TRIKT, ROBERT – GRAY

Geboren op [datum 1] in [land 1]

Van beroep: accountant / docent

Wonende aan de [adres 1] te [district].

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden als hierboven voornoemd, advocaten bij het Hof van Justitie.

 

HET ONDERZOEK VAN DE ZAAK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 juli 2020, 5 oktober 2020, 26 november 2020, 12 januari 2021, 9 februari 2021, 30 maart 2021, 29 april 2021, 6 juli 2021, 12 juli 2021, 29 juli 2021, 17 augustus 2021, 15 oktober 2021, 9 november 2021, 22 december 2021 en 31 januari 2022.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. C. Klein – Jules, van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mr. mr. D. Kraag en I.D. Kanhai Bsc naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

De dagvaarding voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 242 van het wetboek van Strafvordering en is derhalve geldig.

DE BEVOEGDHEID VAN DE KANTONRECHTER

Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

 

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De verdediging stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat:

  • de vervolging van verdachte is ingesteld krachtens artikel 13 van de Anti – Corruptiewet en de Anti – Corruptie Commissie als bedoeld in artikel 2 van voormelde wet was nog niet ingesteld ten tijde dat verdachte in verzekering werd gesteld. De melders ex artikel 1 van de Anti – Corruptiewet kunnen meldingen van misstanden doen bij deze Commissie en de Commissie kan deze meldingen vervolgens doorgeleiden naar de Procureur – Generaal. De wetgever heeft hiermee beoogd dat geregistreerde gevallen worden onderzocht en dat daarbij rekening wordt gehouden met het opportuniteitsbeginsel. Ten tijde van de brief van 28 januari 2020 was er nog geen Commissie ingesteld en hebben de melders zich rechtstreeks gewend tot de Procureur – Generaal. Noch uit het politioneel onderzoek, noch uit het GVO is gebleken danwel is komen vast te staan, dat de in de Anti – Corruptie Wet genoemde Commissie, corruptie heeft vastgesteld en dat er naar aanleiding daarvan een strafrechtelijk onderzoek is verzocht. Het Openbaar Ministerie mocht derhalve niet overgaan tot vervolging van verdachte. In casu is derhalve in strijd gehandeld met de Anti – Corruptie Wet.
  • De Anti – Corruptiewet is een een bijzondere wet (lex specialis). De term ‘wettelijk voorschrift’ in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht heeft noch dezelfde strekking noch dezelfde bedoeling als de term ‘wettelijk voorschrift’ in de Anti – Corruptiewet. In artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht wordt juist het handelen gerechtvaardigd. De gedraging in de Anti – Corruptiewet is niet in strijd met voornoemd artikel in het Wetboek van Strafrecht en aldus is er geen sprake van een strafbaar feit. De term ‘wettelijk voorschrift’ in de Anti – Corruptiewet en ook het verdrag doelen op voorschriften die een verplichting opleggen. De wetgever heeft de term ‘wettelijk voorschrift’ in artikel 13 van de Anti – Corruptiewet niet gedefinieerd. Op grond hiervan dient voor de term ‘wettelijk voorschrift’ een omschrijving te worden gezocht in het bestuursrecht, hetgeen Suriname niet kent. Bij de bestudering van de rechtswetenschap ten aanzien van het onderwerp ‘wettelijk voorschrift’ komt vast te staan dat zowel in de strafrechtelijke benadering als in de bestuursrechtelijke benadering, het wettelijk voorschrift een specifiek voorschrift moet zijn. Met andere woorden; het moet bepalingen omvatten die een taak, verplichting of een bevoegdheid toekennen, waarbij voor de strafrechtelijke benadering de voorschriften, die een taak of een verplichting opwerpen, slechts als rechtvaardigingsgrond kunnen dienen en van belang zijn.
  • De wetgever heeft niet elk verbod, genoemd in de Bankwet, strafbaar gesteld en dientengevolge is de noodzaak ontstaan om het verbod in artikel 16 lid 3 en 18 lid 1 en lid 4 van de Bankwet aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Uit de systematiek van de Bankwet volgt dat de verbodsbepalingen in voornoemde artikelen geen strafrechtelijke consequenties hebben of tot gevolg hebben en kunnen de in deze artikelen genoemde verbodsbepalingen slechts worden aangemerkt als bepalingen ter begrenzing van de algemene bevoegdheid aan de CBVS c.q. de verdachte. De artikelen 16 en 18 van de Bankwet bieden geen strafrechtelijke verhaalsmogelijkheid, daar de norm ontbreekt, welke strafrechtelijk beschermd wordt danwel strafrechtelijke consequenties verbindt;

De officier van justitie stelt daartegenover het volgende:

  • Ten aanzien van de stelling van de verdediging, dat vanwege het ontbreken van de Anti – Corruptie Commissie, de vervolgingsambtenaar niet bevoegd is om een strafrechtelijke vervolging tegen verdachte in te stellen:

Onze strafrechtwetgeving geeft duidelijk aan op grond van welke bepalingen er een strafrechtelijk onderzoek danwel een vervolging kan worden ingesteld door het Openbaar Ministerie. Ook blijkt nergens uit de Anti – Corruptiewet dat het hebben van een Commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen, noch kan ergens uit worden afgeleid dat de wet niet uitvoerbaar is zonder instelling van de Anti-Corruptie Commissie. Ook is dat niet af te leiden uit de Memorie van Toelichting. De Commissie als bedoeld in de Anti – Corruptiewet heeft slechts taken m.b.t. regulering en monitoring van het preventiebeleid. Het verband dat de verdediging probeert te leggen tussen het installeren van de Anti – Corruptie Commissie en het instellen van een strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 13 van de Anti-Corruptiewet, snijdt dan ook geen hout. Vaststaat dat het strafrechtelijk onderzoek werd aangevangen, nadat er aangifte is gedaan door functionarissen van de CBvS, in opdracht van de gewezen minister van Financiën. Conform de regels van het Wetboek van Strafvordering – in casu art. 113 Sv – heeft de Procureur Generaal instructies gegeven tot het verrichten van een onderzoek. Artikel 18 van de Anti – Corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in het 1ste en 2de lid van artikel 17 van dezelfde wet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie dan ook bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten (zie art 3 Wet RIS). Bovendien staat in de M.v.T. van voormelde wet op pagina 28 het volgende: “De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken valt onder de exclusieve bevoegdheden van het Openbaar Ministerie en de Procureur-Generaal.” Voorts verwijst de M.v.T. op pag. 31 naar strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die aanvankelijk zouden worden opgenomen in de Anti – Corruptiewet en vermeldt: ‘’Deze vernieuwing van de bestaande bepalingen met betrekking tot anti-corruptie in het herziene Wetboek van Strafrecht waren aanvankelijk onderdeel van deze wet. Aangezien het herziene Wetboek van Strafrecht reeds eerder de goedkeuring heeft verkregen van De Nationale Assemblée, zijn bedoelde verruimde anti-corruptie bepalingen uiteraard niet meer opgenomen in deze wet.’’ Op grond hiervan houdt de stelling van de verdediging geen stand en moet daaraan worden voorbijgegaan.

  • Ten aanzien van de term ‘wettelijk voorschrift’:

De term ‘wettelijk voorschrift’ is weliswaar niet nader omschreven in de Anti – Corruptiewet, echter staat vast dat het strafrechtelijk onderzoek duidelijk heeft aangetoond dat de verdachte in strijd heeft gehandeld met de Bankwet. Thans zal met jurisprudentie en literatuur, de term ‘wettelijk voorschrift’ in strafrechtelijke zin worden verduidelijkt:

Zoals bekend bepaalt artikel 65 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht (Rechtvaardigingsgronden) – dat overeenkomt met art. 42 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht – in lid 1 onder punt c: ‘ niet strafbaar is een gedraging (c) gepleegd ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.’ In de rechtspraak[1] en literatuur[2] is er t.a.v. de term ‘wettelijk voorschrift’ als bedoeld in artikel 65 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht (artikel 42 Wetboek van Strafrecht Nederland), nader uitleg gegeven dat als volgt luidt: Met ’wettelijk voorschrift’ in artikel 65 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht (art 42 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht) wordt gedoeld op wetten gegeven door machten aan welke wetgevend vermogen is toegekend. Het kan dus ook gaan om wetten van lagere bestuursorganen en verdragen. Ook voorschriften van lagere wetgevers worden aangemerkt als ‘wettelijk voorschrift[3].’ Er wordt niet vereist dat het voorschrift een verplichtend karakter heeft; voldoende is dat het een meer vrijblijvende bevoegdheid geeft[4]. Vast staat dat de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173 is aangenomen door de wetgevende instantie, bij resolutie door de President van Suriname is bekrachtigd en afgekondigd en is opgenomen in het Staatsblad van de Republiek Suriname, ten einde raadpleging daarvan te vergemakkelijken. In het requisitoir zijn de wettelijke voorschriften – waarmee de verdachte VAN TRIKT in strijd heeft gehandeld – ook duidelijk aangegeven. Gelet op het hierboven aangehaalde, is het voor de vervolgingsambtenaar dan ook onbegrijpelijk waarom volgens de verdediging de Bankwet (en of bepalingen daarin opgenomen waaronder artikel 18 Bankwet) niet aangemerkt moet worden als een ‘wettelijk voorschrift.’ Is dat alleen, omdat vermelde bepalingen geen strafdreiging bevatten? Deze vraag dient hoe dan ook ontkennend te worden beantwoord. Zo zijn er ook in de Grondwet van Suriname geen bepalingen opgenomen met een strafdreiging en zou dit – volgens de zienswijze van de verdediging – dan zeggen, dat ook de Grondwet nu niet aangemerkt kan worden als te zijn een wettelijk voorschrift? In essentie is een wettelijk voorschrift elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegd instituut c.q. autoriteit. Als voorgaande definities worden toegepast op de bepalingen van artikel 18, kan niet worden miskend dat die bepalingen wettelijke voorschriften zijn. Het zijn namelijk regels gebaseerd op de Bankwet welke wet is uitgevaardigd door de regering van Suriname, inhoudende regels waaraan de Bank zich dient te houden en dus is het een voorschrift volgens de definitie in de rechtswetenschap. Hetgeen voornoemde wettelijke bepaling m.n. art. 18 van de Bankwet voorschrijft, betreft een verbodsbepaling, waaraan men zich strikt dient te houden c.q.na te leven. De wetgever heeft zulks noodzakelijk geacht en derhalve in de Bankwet geïncorporeerd. Elke verrichte handeling, die niet gestoeld is op de wet, levert evenzeer een strijdigheid op. In dit strafrechtelijk onderzoek wordt het gevolg van de strijdigheid gekenmerkt door een enorme financiële schade voor de CBvS, waarmee de Bank heden ten dage te kampen heeft. Ten overvloede wordt wat betreft het begrip verbod opgemerkt dat – als wordt gelet op de taalkundige definitie – er in principe geen verschil is tussen de begrippen verbod en gebod. De definitie van gebod is een bevel van een hoge autoriteit of een leefregel. Een verbod is een gebod om iets na te laten. Met andere woorden: als het gebod een bepaalde handeling verbiedt, dan wordt gesproken van een verbod. In politieke eenheden spreekt men niet van een gebod, maar van een wet.[5] Deze definitie is terug te leiden tot de bepaling van artikel 18 van de Bankwet. Artikel 18 van de Bankwet is een verbod en daarnevens een gebod tot het nalaten van de daarin vastgelegde handelingen uitgevaardigd door de regering als politiek instituut en dus een ‘wettelijk voorschrift.’

  • Ten aanzien van de bepaling in artikel 21 en artikel 18 van de Bankwet:

Naar oordeel van de vervolging is het evident dat in onderhavige zaak sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 21 lid 2 van de Bankwet en wordt dit gestaafd met het schrijven (ex artikel 21 lid 6 van de Bankwet) afkomstig van de huidige Governor van de CBvS[6]. Uit het voorgaande blijkt ook dat er wel degelijk sprake is van de overschrijding als bedoeld in artikel 21 lid 2 juncto artikel 18 lid 1 van de Bankwet. Kortom een grove onregelmatigheid. Verder geeft de Bankwet in lid 5 van artikel 21 juncto artikel 35 a leden 1 en 2 aan, wie in persoon aansprakelijk kan worden gesteld voor overtredingen als bedoeld in de leden 2 en 4 van artikel 21 van de Bankwet. Reden genoeg waarom de vervolging in het requisitoir en de politie in het vooronderzoek melding hebben gemaakt van artikel 21 leden 2 en 4 Bankwet. Het is een ontegenzeggelijk feit, dat voormelde bepaling is overtreden in genoemde periode zoals ten laste is gelegd en heeft de vervolging zulks ook gestaafd middels het schrijven afkomstig van de huidige Governor van de Bank (bijlage). Kortom uit het onderzoek en de bewijsmiddelen is zeer duidelijk komen vast te staan dat het verbod opgelegd in artikel 18 eerste lid juncto artikel 21 van de Bankwet, door verdachte VAN TRIKT en zijn medeverdachten op grove wijze is genegeerd. De vervolging geeft hierbij een korte uiteenzetting, waarbij er in strijd met art. 18 van de Bankwet is gehandeld en een wettelijk voorschrift is overtreden. Hierbij wordt verwezen naar het schrijven afkomstig van de medeverdachte HOEFDRAAD en de reactie op voormeld schrijven afkomstig van verdachte VAN TRIKT. Blijkens het eerste schrijven, gedateerd 07 november 2019 afkomstig van VAN TRIKT naar HOEFDRAAD.(1ste tranche panden) wordt door VAN TRIKT het volgende als reactie gegeven:

Met deze transactie is een koopsom van Euro 45 miljoen gemoeid, welke bereids ter beschikking van de Staat c.q. het Ministerie van Financiën is gesteld.

en

Blijkens het tweede schrijven gedateerd 03 december 2019 afkomstig van VAN TRIKT naar HOEFDRAAD (2de tranche panden) wordt door VAN TRIKT het volgende als reactie gegeven: “ Met deze transactie is een koopsom van Euro 60 miljoen gemoeid, welke bereids ter beschikking van de Staat c.q. het Ministerie van Financiën is gesteld.

Uit het voorgaande kan niets anders geconcludeerd worden, dan dat er hier sprake was van een koop – verkoop transactie, aangezien de ene partij (Min. van Financiën) bereid is over te dragen als schuldverrekening en de andere partij (president van de CBvS) bereid is te voldoen aan de koopsom c.q. de gelden daarvoor ter beschikking te stellen.

Artikel 18 lid 4 van de Bankwet stelt immers het volgende: “Behoudens het bepaalde in het tweede lid koopt of bezit de Bank geen onroerende goederen, dan die welke voor de uitoefening van haar bedrijf benodigd zijn”.

Met andere woorden niet slechts op het (onnodig) kopen van onroerende goederen wordt een verbod opgelegd, doch ziet deze bepaling ook toe, tot het weerhouden van het onnodig bezitten van onroerende goederen. Kortom een wettelijk verbod zowel op het kopen alsook het onnodig bezitten van onroerende goederen. Concluderend: Van belang en relevant is hier dat het opgelegd verbod nageleefd dient te worden en niet de wijze waarop voormelde onroerende goederen in beheer van de Bank zouden komen.

Het oordeel van de Kantonrechter

De officier van justitie heeft de door de verdediging opgeworpen formele verweren gemotiveerd weersproken zoals hierboven is vermeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de verweren van de raadslieden geen stand houden en is de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering.

 

DE SCHORSING VAN DE VERVOLGING

Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

 

DE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Het ten laste gelegde komt erop neer dat de verdachte zich – kort en zakelijk weergegeven – schuldig heeft gemaakt aan:

  • onder feit I, medeplegen aan het eerste lid van artikel 13 van de Anti – Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 1 Anti – Corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit II, medeplegen aan het tweede lid van artikel 13 van de Anti – Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 2 Anti – Corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit III A (primair): medeplegen aan opzettelijk Money Laundering, welk feit strafbaar is gesteld in art. 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • subsidiair onder III B: medeplegen aan schuld Money Laundering welk feit strafbaar is gesteld in 3b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit IV A (primair): medeplegen aan verduistering van geld of geldwaardig papier, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • subsidiair onder feit IV B: medeplegen aan gekwalificeerde verduistering van geld of geldwaardig papier, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 382 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit V A (primair): medeplegen aan verduistering van geld of geldwaardig papier, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • subsidiar onder feit V B: medeplegen aan gekwalificeerde verduistering van geld of geldwaardig papier, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 382 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit VI: doen plegen van valsheid in geschrifte, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 278 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit VII A (primair): vervalsing van bescheiden door een ambtenaar of een ander met enige openbare dienst of tijdelijk belast persoon, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht.
  • subsidiair onder feit VII B: gekwalificeerde valsheid, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

DE VORDERING VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder I, II, III A, IV A, V A, VI en VII A van de dagvaarding. Zij verwijst naar de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen afgelegd bij de politie en tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek en op de terechtzitting. Daarbij wordt gevorderd:

  • dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 (tien) jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een geldboete tot een totaal van SRD 500.000,– subsidiar 18 maanden hechtenis en zijn bevel tot gevangenhouding;
  • de verbeurdverklaring van het onroerend goed te weten ORION CAPITAL INVESTMENTS N.V. gevestigd aan de [adres 1]te [district], op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50 a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a;
  • de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,– op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachten Van Trikt, Robert Gray en Angnoe, Ashween Ryan c.q. hen te verplichten tot betaling van voormeld geldsbedrag;
  • Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voertuig van het merk Range Rover welke bij verdachte Angnoe, Ashween Ryan in beslag is genomen.

 

HET STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING

De verdediging is – kort en zakelijk weergegeven – van mening dat de tenlaste gelegde feiten niet zijn bewezen. Uit de processtukken blijkt niet dat verdachte heeft samengewerkt met genoemde medeverdachten en is het bewijs van medeplegen en medeplichtigheid van de in de dagvaarding genoemde feiten ook niet geleverd. De verdediging verzoekt ook om niet mee te gaan met het verzoek tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen. Voor wat betreft de vordering ter ontneming van het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht, wordt verzocht om dit verzoek ook af te wijzen. Immers is in artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht bepaald dat op vordering van het Openbaar – Ministerie, bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die veroordeeld is de verplichting wordt opgelegd. In casu is er geen sprake van een veroordeelde en is er geen sprake van een afzonderlijke procedure, waardoor er geen afzonderlijke rechterlijke beslissing kan worden gegeven. Blijkens Tekst en Commentaar van het Wetboek van Strafrecht is voor de ontnemingsmaatregel een afzonderlijke van de hoofdzaak afgesplitste procedure gecreëerd. In casu is dat niet het geval en is het gevorderde niet toewijsbaar.

Verder blijkt uit geen van de in de dagvaarding genoemde feiten, dat aan verdachte het verwijt wordt gemaakt, dat hij door het aannemen van een gift, dienst of belofte misbruik heeft gemaakt van zijn functie door iets te doen of na te laten, waarbij hij of een ander onrechtmatig voordeel heeft gekregen.

De Clairfield overeenkomsten vielen compleet binnen de werksfeer van de CBvS. Deze overeenkomsten waren noodzakelijk en vielen binnen de grenzen van een redelijke vergoeding. In het rapport van Kroll op pagina 39 is vermeld dat voorschotten minder relevant zijn als de overeengekomen bedragen marktconform zijn. Verder is de overeengekomen non – refundable fee gebruikelijk in contracten. Op instructie van de gewezen minister van Financien, de heer Hoefdraad, zijn de opdrachten bij de CBvS stopgezet zonder overleg met de dienstverleners.

De gesloten overeenkomsten met Orion zijn ook marktconform en noodzakelijk. Dat de overmaking van Clairfield naar Orion van het bedrag van Euro 625.000,– een kickback is geweest, berust niet op waarheid. Het is een deelbetaling geweest van het project Prodigy.

De vervolgingsambtenaar kan niet aantonen dat de overeenkomsten niet noodzakelijk waren c.q. dat de activa van verdachte en zijn mededaders aanzienlijk zijn toegenomen. Er kan ook niet worden aangetoond, dat verdachte giften heeft aangenomen, noch dat er sprake is van nadelige contractsvoorwaarden.

De verdediging concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van het Openbaar – Ministerie voor de feiten onder I en II van de dagvaarding en subsidiair integrale vrijspraak voor de verdachte van de gehele dagvaarding.

HET OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER

De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder I, II, III A, IV A, V A, VI en VII A van de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat hij:

  1. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met oktober 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

hij, verdachte tezamen en in vereniging met ANGNOE, ASHWEEN RYAN en BUYSSE, HANS en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB. 2017 no 85, verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn bedongen, waarbij door hem in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor zichzelf en ten behoeve van anderen te weten ANGNOE, ASHWEEN RYAN en BUYSSE, HANS en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als Minister van Financiën en ten behoeve van de rechtspersonen CLAIRFIELD BENELUX NV en ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en ten behoeve van het Ministerie van Financiën enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen,

hebbende immers hij verdachte tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, de volgende handelingen verricht en de besluiten genomen om ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, één of meer overeenkomsten aan te gaan te weten:

met CLAIRFIELD BENELUX NV en voornoemde BUYSSE, HANS:

  • de overeenkomst Project Lagarde 1 “Valuation and Fairness opinion RGM royalty Structure getekend op 13 september 2019, voor een non-refundable vergoeding van € 620.000, – (zeshonderd en twintigduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening € 300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en
  • de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname” getekend op 16 mei 2019, voor een non- refundable vergoeding van € 2.500.000, – (twee miljoen en vijfhonderdduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening een bedrag van € 1.250.000, – (een miljoen en tweehonderd en vijftigduizend Euro’s) als voorschot is betaald en
  • de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019 voor een totaal bedrag van € 850.000, – (achthonderd en vijftigduizend Euro’s) als indicatief budget waarvan bij ondertekening € 425.000 (vierhonderd vijfentwintig duizend Euro’s) als voorschot is betaald en
  • de overeenkomst Project Prodigy 3 “Implementation of reforms and optimizations at the Central Bank of Suriname” getekend op 5 augustus 2019 voor een indicatief budget van €.360.000, – (driehonderd en zestigduizend Euro’s), waarvan op 2 oktober 2019 €.300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en
  • de overeenkomst Project Prodigy 5 “Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring, getekend op 19 december 2019, voor een nog te bepalen totaal eindbedrag in Euro’s, waarvan bij ondertekening € 196.000 als voorschot is betaald zulks,

terwijl er geen noodzaak aanwezig was voor het sluiten van de overeenkomsten betreffende project Lagarde 1 en project Prodigy en project Prodigy 2 en project Prodigy 5 met CLAIRFIELD BENELUX NV en geen noodzakelijke en gegronde reden aanwezig was om de Centrale Bank van Suriname te verbinden aan vermelde overeenkomsten, daar de inhoud en de strekking van die overeenkomsten niet conform de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname is zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en,

hebbende hij, verdachte vóór het aangaan van voormelde overeenkomsten geen (openbare) aanbesteding gehouden en daarbij nimmer advies ingewonnen en enige vergelijking gemaakt met soortgelijke (eerder gesloten) contracten van de Centrale Bank van Suriname en nagelaten die overeenkomsten ter inzage en voor juridisch advies door te geleiden naar de juridische afdeling van de Centrale Bank van Suriname en een (externe) juridische deskundige, althans de beginselen van goed bestuur niet in acht genomen en

hebbende hij, verdachte opzettelijk voormelde overeenkomsten gesloten zonder het vooraf in kennis stellen van de Raad van Ccommissarissen van de Centrale Bank van Suriname en zonder enige toestemming of goedkeuring van voormelde Raad van Commissarissen en daarbij oneigenlijke/onredelijk grote bedragen bedongen en zeer ongebruikelijk en afwijkend in één of meer van vermelde overeenkomsten non-refundable cash fees (contante betalingen waarbij geen terugbetaling/terugvordering mogelijk is) en voorafbetalingen van 50% of meer overeengekomen ten behoeve van, voornoemde rechtspersoon CLAIRFIELD BENELUX NV en HANS, BUYSSE zonder redelijke tegenprestatie, althans nadelige clausules en contractvoorwaarden bedongen en

hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging met ANGNOE, ASHWEEN RYAN, n of meer besluiten genomen en (vervolgens) ten aanzien van twee van de overeenkomsten (te weten project Prodigy en/of project Prodigy 2 ) met CLAIRFIELD BENELUX NV onnodig één of meer onverplichte betalingen verricht, zoals het betalen van reiskosten naar België en verblijfkosten aldaar tot een totaalbedrag van SRD 147.461,03,- (honderd zevenenveertigduizend en vierhonderdeenenzestig Surinaamse Dollars en 3 centen) en kosten voor verrichtte arbeid (advies op basis van uurtarieven) tot een totaal van SRD 153.000,- (honderd drieënvijftig duizend Surinaamse Dollars), ten behoeve van een of meer medewerkers en personen verbonden aan ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV, terwijl hij, verdachte en die ANGNOE, ASHWEEN RYAN wisten dat voor die overeenkomsten die betalingen niet waren vereist en

hebbende hij, verdachte aldus in strijd gehandeld met het verbod vastgelegd in het derde lid van artikel 16 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, door als president van de Centrale Bank van Suriname ten behoeve van die Centrale Bank de overeenkomsten project Lagarde 1 en project Prodigy en project Prodigy 2 en project Prodigy 5 aan te gaan met die CLAIRFIELD BENELUX NV welke overeenkomsten voornamelijk in het belang van de Staat Suriname waren, te financieren met gelden althans middelen van de Centrale Bank van Suriname, in ieder geval daarvoor gelden beschikbaar heeft gesteld en

hebbende hij, verdachte tezamen en in vereniging, althans in nauw en gemeen overleg met HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën besluiten genomen tot het verschaffen/verstrekken van gelden toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, als voorschot in ieder geval als blanco krediet ten behoeve van het ministerie van Financiën, door tussenkomst van voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als Minister van voormeld ministerie en

hebbende hij, verdachte daartoe tezamen en vereniging als voormeld althans alleen, als Ppresident van de Centrale Bank van Suriname van voornoemde minister van Financiën HOEFDRAAD GILLMORE 17, (zeventien), althans één of meer onroerende goederen aangekocht, terwijl die onroerende goederen niet noodzakelijk waren voor de bedrijfsvoering van de Centrale Bank en waarvan 2 (twee) onroerende goederen, vooraf bezwaard waren middels hypotheken en daarvoor een blanco krediet of een voorschot ter waarde van totaal SRD 869.055.000, – (achthonderd en negenzestig miljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollars) aan de Minister van Financiën verstrekt, zonder dat voormelde 17 (zeventien) panden zijn overgedragen aan de Centrale Bank van Suriname en zonder dat de Centrale Bank van Suriname daarbij een redelijk belang had en

hebbende hij, verdachte tezamen en vereniging als voormeld, na het sluiten van de overeenkomst gedateerd 01 november 2019 tussen hem verdachte, als President van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde Minister van Financiën HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE – welke overeenkomst als gevolg van verkregen informatie uit het “project Lagarde I”, is aangegaan in ieder geval in welke overeenkomst verkregen informatie uit de overeenkomst “ project Lagarde I” is gebruikt – één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot SRD 2.073.205.996, 67, – (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), althans enig geld als voorschot, in ieder geval als blanco krediet verstrekt aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als Minister van Financiën, en

hebbende hij, verdachte aldus tezamen en vereniging als voormeld, bij de door hem genomen besluit(en) met name het aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomsten ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname, in strijd gehandeld met de bepaling in het eerste en het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval in strijd gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor zichzelf en ten behoeve van een ander te weten de voornoemde rechtspersonen CLAIRFIELD BENELUX NV en ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en die ANGNOE, ASHWEEN RYAN en die HANS, BUYSSE en die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, ten behoeve van het ministerie van Financiën enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen te weten ten voordele van CLAIRFIELD BENELUX NV en BUYSSE, HANS een totaal bedrag € 2.471.000, – (tweemiljoen en vierhonderd en eenenzeventigduizend Euro’s), althans een ander totaalbedrag in Euro’s en ten voordele van ORION ASSURANCE AND ADVISORY en ANGNOE, ASHWEEN een totaal bedrag SRD 300.461,03,- (driehonderdduizend en vierhonderd eenenzestig Surinaamse Dollars en drie centen), en ten voordele althans ten behoeve van het ministerie van Financiën en voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als Minister van Financiën een totaal bedrag SRD 2.942.260.996, 75, – (tweemiljard en negenhonderdtweeënveertig miljoen en tweehonderdzestigduizend en negenhonderdzesennegentig Surinaamse dollars en vijfenzeventig centen) althans een ander totaal bedrag in Surinaamse Dollars, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financieel nadeel heeft ondervonden en zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus door het verrichten van vermelde handelingen en door het nemen van voormelde besluiten door hem, verdachte en zijn mededaders opzettelijk financieel benadeeld.

(artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht)

 

II. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode maart 2019 tot en met mei 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

hij, verdachte tezamen en in vereniging met ANGNOE, ASHWEEN RYAN, één of meer overeenkomsten hebben gesloten ten behoeve van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en ORION CAPITAL INVESTMENT NV en

waarbij voornoemde ANGNOE, ASHWEEN RYAN en hij, verdachte, als de President van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB. 2017 no. 85, bij het aangaan die overeenkomsten niet de vereiste maatregelen hebben genomen om belangenconflicten/belangenverstrengeling te voorkomen en een transparante procedure en gelijke behandeling van partijen te waarborgen,

hebbende hij, verdachte toen aldaar als de President van de Centrale Bank van Suriname en mede aandeelhouder van voornoemde rechtspersonen met die rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en ORION CAPITAL INVESTMENT NV en ANGNOE, ASHWEEN RYAN ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname een of meer overeenkomsten gesloten te weten:

  • een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreffende het optreden van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV in de persoon van ANGNOE, ASHWEEN als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname, getekend op 18 april 2019 voor een bedrag USD.150,- per uur, waarvan reeds een tegenwaarde in Srd. 188.904, – (honderd achtentachtig duizend en negenhonderd en vier Surinaamse dollars) is betaald en
  • een overeenkomst betreffende assistentie bij het inrichten en opzetten van de Internal Audit bij de Centrale Bank van Suriname dd. 7 juli 2019, voor een totaal bedrag van US $ 65.000, – (vijfenzestig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 18 oktober 2019 reeds drie vierde deel van het totaal bedrag te weten een tegenwaarde in Srd. 409.301, 75, – (vierhonderd en negenduizend en driehonderd en een Surinaamse dollars en vijf en zeventig centen) is betaald en
  • een overeenkomst betreffende assistentie bij het inrichten en opzetten van de Afdeling Financial Intelligence bij de Centrale Bank van Suriname, getekend op 13 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 72.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse Dollars), waarvan op 25 september 2019 de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 327.754, – (driehonderd en zeven en twintigduizend en zevenhonderd vierenvijftig Surinaamse dollars) als voorschot is betaald en
  • een overeenkomst betreffende het Faciliteren en Begeleiden van een stagiair accountant administratieconsulent getekend op 30 september 2019 voor USD. 2.500 (twee duizend vijfhonderd Amerikaanse dollars) per maand, waarvan op 11 november 2019 voor de maanden oktober en november 2019 een tegenwaarde in SRD. 45.475, – (vijfenveertig duizend en vierhonderd en vijfenzeventig Surinaamse Dollars) is betaald en
  • een overeenkomst betreffende het instellen van een Bijzonder Onderzoek naar de Inventaris van het Wapenarsenaal van de Centrale Bank van Suriname over de periode begin 2010 tot en met augustus 2019, getekend op 30 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 40.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan de helft te weten een tegenwaarde in SRD. 171.200, – (honderd en eenenzeventigduizend en tweehonderd Surinaamse dollars) als voorschot is betaald,

en aldus door de Centrale Bank van Suriname (reeds totaal in voorschot) een bedrag groot SRD.1.142.634,75,- (één miljoen honderdtweeënveertigduizend en zeshonderd vierendertig Surinaamse dollars en vijfenzeventig centen), en

hebbende hij, verdachte vóór het aangaan van de overeenkomsten met voormelde rechtspersonen en ANGNOE ASHWEEN – in welke rechtspersonen hij, verdachte tezamen met die ANGNOE, ASHWEEN RYAN als mede aandeelhouders zijn verbonden en direct of indirect financiële, economische en persoonlijke belangen hadden bij de procedure of uitkomst van voormelde overeenkomsten – geen (openbare) aanbesteding gehouden en daarbij nimmer advies ingewonnen en enige vergelijking gemaakt met soortgelijke (eerder gesloten) contracten en nagelaten die overeenkomsten ter inzage en voor juridisch advies door te geleiden naar de juridische afdeling van de Centrale Bank van Suriname en een (externe) juridische deskundige, althans de beginselen van goed bestuur niet in acht genomen bij het aangaan van voormelde overeenkomsten en

hebbende hij, verdachte aldus niet de vereiste maatregelen genomen teneinde belangenconflicten/belangenverstrengeling tijdens de procedure te voorkomen en een transparante procedure en een gelijke behandeling van partijen gewaarborgd en bij de procedure of de uitkomst van die overeenkomsten, in strijd gehandeld met zijn geboden onpartijdigheid of onafhankelijkheid als president van de Centrale Bank van Suriname.

(artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht)

III. op een of meer tijdstippen gelegen in de periode vanaf mei 2019 tot en met december 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. tezamen en in vereniging met ANGNOE, ASHWEEN RYAN (zijnde de managing partner van de rechtspersonen te weten ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en ORION CAPITAL INVESTMENT NV) en HANS, BUYSSE (zijnde de managing partner van CLAIRFIELD BENELUX NV), en met de rechtspersoon LIMEBRIDGE VZW waarin hij verdachte samen met voornoemde ANGNOE, ASHWEEN RYAN en HANS, BUYSSE als aandeelhouders en partners zijn verbonden- althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen in Euro’s en Amerikaanse dollars te weten:

  • op 28 mei 2019 een bedrag groot EURO 625.000, – (zeshonderd en vijfentwintigduizend Euro’s) en
  • op 05 juli 2019 een bedrag groot USD 30.059, – (dertigduizend en negenenvijftig Amerikaanse Dollard) en
  • op 15 oktober 2019 een bedrag groot EURO 48.000, – (achtenveertigduizend Euro’s) en
  • op verschillende data in de maand december 2019, althans op 10 december 2019 enkele geldbedragen groot € 90.900,- (negentigduizend en negenhonderd EURO’S) en € 9.100,- (negenduizend en honderd EURO’S) (als aanbetaling/voorschot voor een voertuig te weten een RANGE ROVER betaald) en welk voertuig in de maand december 2019 is ontvangen,

althans één of meer (andere) geldbedragen in elk geval enig(e) voorwerp(en) te weten voormelde RANGE ROVER, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en zijn voornoemde mededaders wisten dat vermelde voorwerpen- middellijk of onmiddellijk- afkomstig was waren uit enig misdrijf;

(art. 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht)

IV. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de maanden juni 2019 tot en met september 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst, (telkens) tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE, zijnde alstoen de minister van Financiën althans een politieke ambtsdrager en een of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, althans alleen (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000,- (honderd en vijfmiljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000, – (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans enig geld of geldswaardig papier, dat hij verdachte in zijn bediening als de president van de Centrale Bank van Suriname onder zich had, heeft verduisterd en heeft toegelaten dat het door een ander(en) te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE en die tot nog toe onbekend gebleven personen weggenomen of werd verduisterd,

immers heeft hij verdachte en zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000, – (honderd en vijfmiljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000, – (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig goed toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd was/waren ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no 173, aan zijn bestemming onttrokken en

hebbende hij, verdachte als president van de Centrale Bank van Suriname, na gemeen overleg en afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde HOEFDRAAD GILLMORE als minister van financiën, zeventien panden, althans een of meer onroerende goederen aangekocht, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en

hebbende hij, verdachte (vervolgens) de autorisatie verleend, althans de opdracht gegeven om voormeld geldbedrag te (doen) verstrekken aan het ministerie van Financiën als betaling voor de aankoop van die onroerende goederen en aldus voormeld geldbedrag wederrechtelijk en oneigenlijk heƅƅen aangewend althans heƅƅen onttrokken aan hun bestemming;

(artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafreccht)

V. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf 07 november 2019 tot en met 09 januari 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst (telkens)tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE, zijnde alstoen de minister van Financiën, althans een politieke ambtsdrager (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot SRD 2.073.205.996,67 (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), althans enig geld of geldswaardig papier, dat hij verdachte in zijn bediening als de president van de Centrale Bank van Suriname onder zich had, heeft verduisterd en heeft toegelaten dat het door een ander(en) te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE, als minister van Financiën weggenomen of verduisterd werd,

immers heeft hij verdachte en zijn mededaders (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen tot een totaal groot Srd 2.073.205.996, 67, – (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd waren ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173, aan zijn bestemming onttrokken, door (telkens) oneigenlijk en in strijd met artikel 18 lid 1 van de geldende tekst de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173, op grond van de overeenkomst gedateerd 01 november 2019, betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname, een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van voormelde Srd 2.073.205.996,67 (twee miljard en drieënzeventig miljoen en tweehonderdenvijfduizend en negenhonderd en zesennegentig Surinaamse Dollars en zevenenzestig centen), in de vorm van (blanco) voorschotten te verstrekken aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE, als minister van Financiën zonder enig deugdelijk grondslag en aldus voormeld geldsƅedrag wederrechtelijk en oneigenlijk heƅƅen aangewend althans heƅƅen onttrokken aan hun bestemming;

(artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht)

VI. op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de periode vanaf juli 2019 tot en met september 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

een document -inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende valuta-interventies van enkele maanden te weten vanaf maart 2019 tot en met juli 2019- zijnde een geschrift, waaruit enig recht, enige verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan of dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft doen opmaken en heeft doen vervalsen,

immers heeft hij verdachte toen aldaar aan [getuige 2]en [getuige 1] en [getuige 6] , althans aan een of meer directieleden en medewerkers van de Centrale Bank van Suriname de opdracht gegeven en hun opzettelijk geïnstrueerd valselijk althans in strijd met de werkelijkheid, in vermeld document inhoudende die statistieken of tabellen van totaal bedragen aan valuta-interventies over de maanden maart tot en met juli van het jaar 2019, andere totaal bedragen van die valuta interventies te doen noteren in ieder geval doen opnemen te weten:

  • voor de maand maart 2019, € 5.355.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 2.355.000, – en/of
  • voor de maand april 2019 € 4.735.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 3.735.000, – en/of
  • voor de maand mei 2019 € 5.250.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 1.250.000, – en/of
  • voor de maand juni 2019 € 4.617.000, – in stede van het werkelijk bedrag van € 3.000.000, – en/of
  • voor de maand juli 2019 € 6.300.300, – in stede van het werkelijk bedrag van € 15.917.300, –

zulks met het oogmerk om dat document inhoudende statistieken over cijfers met betrekking tot valuta interventies door de minister van Financiën in De Nationale Assemblée te doen gebruiken, althans te doen presenteren als zijnde de juiste weergave van de werkelijke valuta interventie bedragen;

(artikel 278 juncto artikel 72van het Wetboek van Strafrecht (doen plegen)

VII. op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand januari 2020 en op of omstreeks 13 januari 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst opzettelijk een leenovereenkomst en boeken en registers van de afdeling Huisvestingfonds bij de Centrale Bank van Suriname, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie binnen het Huisvestingfonds van de Centrale Bank van Suriname, valselijk heeft doen opmaken en heeft doen vervalsen immers heeft hij, verdachte aan de persoon van [getuige 17], althans een medewerker van de Centrale Bank van Suriname de opdracht gegeven en geïnstrueerd om opzettelijk valselijk:

  • in een leenovereenkomst, voor de aankoop van een voertuig van het merk RANGE ROVER, welke als controlestuk ten behoeve van een register en boek van de afdeling Huisvestingfonds bij de Centrale Bank zou dienen, een valse datum te weten, 19 augustus 2019 instede van 13 januari 2020 te vermelden, in ieder geval doen opnemen en het alzo doen voorkomen dat vermelde leenovereenkomst tijdig althans vooraf aan de levering van voormeld voertuig was opgemaakt,

zulks met het oogmerk om die leenovereenkomst, althans die boeken of registers die bestemd zijn tot controle van de administratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(Art. 424 van het Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

DE BEWIJSMIDDELEN TEN AANZIEN VAN DE BEWEZENVERKLAARDE FEITEN ONDER I, II, III A, IV A, V A, VI en VII A van de ten laste gelegde feiten.

Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo op 05 oktober 2020, kort en zakelijk weergegeven:

De kantonrechter houdt de verdachte delen van zijn verklaring voor, afgelegd bij de RC in het kader van het GVO d.d.17 februari 2020: “ Bij mijn aantreden als governor zijn er geen specifieke afspraken gemaakt met de President dan wel Minister Hoefdraad over de wijze waarop ik invulling moest geven aan mijn werk.”

De verdachte reageert als volgt:

Ik heb geen taakstelling gehad om de bank te leiden. De minister had gezegd, dat hij mij zou bijstaan. De monetaire persoon bij de bank was [getuige 2] en ik had een secretaresse, die mij moest behoeden en adviseren. Op een gegeven moment werd IMF betrokken en daarbij gevraagd om expertise, die mij in staat kon stellen het werk te doen. Op enig moment in november 2019 kwamen er problemen over de kasreserve. Ik was van mening dat de kasreserve niet aan de Staat toebehoorde maar aan de Banken terwijl de minister van mening was dat ook de kasreserve aan de Staat toebehoorde. Volgens hem moest ik dit maar navragen bij [naam 1] en [getuige 2]. We hebben hierover een grote meeting gehouden op de CBvS met de staf en directie. Dit was begin december 2019. Van deze vergaderingen zijn er geen notulen opgemaakt. Het was geen gebruik bij de CBvS dat bij vergaderingen notulen werden opgemaakt met uitzondering van de vergaderingen bij de Raad van commissarissen. De kasreserves zijn niet verdwenen. Die drie miljoen wordt verrekend. De monetaire reserve was gewoon een pot. De overheid zegt ik heb buitenlandse betalingsverplichtingen, ik heb SRD op mijn rekening. In mijn opinie was artikel 22 Bankwet duidelijk. De kasreserves behoren toe aan de banken. Deze zienswijze wordt niet door de internationale banken ondersteund.

De kantonrechter houdt de verdachte delen van zijn verklaring voor, afgelegd bij de RC in het kader van het GVO d.d.17 februari 2020:

“ Van Limebridge Holding N.V. bezit ik 100% van de aandelen. Limebridge Holding N.V. en Ashween Agnoe bezitten elk 45% van de aandelen in Orion Assurance and Advisory. De persoon van [naam 2] bezit 10% van de aandelen. Limebridge Holding N.V. bezit 50% van de aandelen van Orion Capital Investments. De overige 50% aandelen behoren toe aan mijn partner Ashween Angnoe. Orion Assurance and Advisory N.V. is betrokken bij drie van de contracten die ik gesloten heb met Clairfield. Echter niet in die zin dat Clairfield ze als subcontractor heeft aangenomen. De bemoeienis van Orion Assurance and Advisory N.V. is vanwege de CBvS., in die zin dat zij mij hebben bijgestaan. (…). Naast de overeenkomsten met Clairfield heeft de CBvS ook overeenkomsten gesloten met Orion Assurance and Advisory N.V. Het gaat in casu om 5 overeenkomsten. Het eerste contract met Orion Assurance and Advisory N.V. heb ik gesloten omdat ik een vertrouwenspersoon nodig had. Bij de overeenkomsten met Orion heb ik gezorgd voor voldoende waarborgen. De Directie was ervan op de hoogte en ze waren ook de contactpersonen voor deze opdrachten. Ze hebben ook meegetekend. Ik wist niet dat ik voor dit soort opdrachten een aanbesteding zou moeten houden. Er waren ook andere consultants binnen de Bank waarbij ik geen aanbesteding heb gezien. Geen van de directieleden hebben mij hierop geattendeerd. Ook niet de Minister. Met de RvC heb ik ook geen overleg hierover gehad. Dit was geen gebruik en daarnaast waren er andere urgentere zaken die besproken moesten worden.

De kantonrechter merkt op dat dit allemaal gaat om transparancy, om gelijkheidsbeginsel toe te passen. Dat de verdachte weet wat de procedures zijn bij de overheid met het houden van aanbestedingen bij het uitvoeren van opdrachten. Ondanks dat dit gebruik is geweest bij de Bank, zullen er toch richtlijnen gevolgd moeten worden. Hoe kijkt de verdachte daar tegen aan. Ook de betrokkenheid van de verdachte als Governor. Het feit dat de verdachte betrokken is bij Limebridge, Orion NV, er zijn contracten gesloten met Clairfield. Ziet verdachte in dit alles niet een belangenverstrengeling, als conflict of interest?

De verdachte reageert als volgt: Ik zie dit niet als belangenverstrengeling, want vanaf mijn aantreden had ik mijn email gekoppeld met Hausil. Zij had inzage in alle mails. Bovendien was zij er om mij te behoeden.

De kantonrechter vraagt aan de verdachte of het de taak van de RvC is om bekend te maken met welke partners de CBvS in zee gaat en waarom er voor die partner wordt gekozen.

De verdachte reageert als volgt: De RvC heeft twee keren per jaar vergaderd over een CAO. Er is een app met de Regerings Commissaris daarin, de Minister van Financiën en mij persoon. Ik heb de laatste overeenkomst, dat van het dubbel patchen, van december niet onder de aandacht van de RvC gebracht. Op 11 januari 2019 werd mij gevraagd om verlof op te nemen.

De kantonrechter houdt de verdachte de volgende verklaring voor:

  1. De overeenkomst: Project Prodigy “ Valuation of the Assets of the Government of Suriname”.

Deze overeenkomst dateert van 10 mei 2019 en is door mij ondertekend op dezelfde datum. Deze overeenkomst is alleen door mij ondertekend. Het onderwerp van deze overeenkomst is het waarderen van activa van de Republiek Suriname. De kosten voor dit project zijn door Clairfield beraamd op Euro 2.5 miljoen. Hiervan is totaal betaald aan Clairfield door de CBvS de volgende bedragen: Euro1.250.000, – en Euro182.885, -. Uit het overzicht van de CBvS (dat is productie 2) dat het bedrag van Euro 1.250.000, – is betaald op 16 mei 2019.

Dit project is uitgebreid besproken met de minister van Financiën nog voordat het contract tot stand is gekomen.

(…)

De minister heeft zelfs ook instructies gegeven inzake de aanpassing van brieven naar de verschillende ministeries en parastatale bedrijven toe.

Het bedrag is niet besproken met de minister. Dit project komt van de CBvS en het is niet gebruikelijk om de renumeratie (kosten) van projecten binnen de CBvS, met hem te bespreken.

(…)

De overeenkomst is niet gescreend door de juridische afdeling van de CBvS voor de totstandkoming daarvan, ook niet door andere afdelingen binnen de CBvS.

(…)

In deze gaat het om een contract waarbij de CBvS is gebonden aan bijvoorbeeld Non Refundable Fee en de juridische afdeling zou mij op de consequenties hiervan moeten wijzen.

Ik heb voor geen van de projecten waarbij Clairfield betrokken is een aanbesteding gehouden vanwege de gevoeligheid van deze projecten.

De verdachte reageert als volgt: het houden van aanbestedingen is maar een maatregel. BDO was al bij een project betrokken en Ernst en Young en Lakhisaran en Lutchman waren betrokken bij de SPSB bank. Vandaar dat ik niet voor deze bedrijven heb gekozen. Het is nergens opgenomen dat de RvC bepaalt wie wij als consult of bedrijf binnenhalen. Dat is geen gebruik bij de RvC. De agenda wordt bepaald door de Regeringscommissie. Pas als het gaat om bepaalde bedragen zou je de RvC bij moeten betrekken. De RvC houdt zich meer bezig met strategisch plannen. Ik zag geen redenen om aanbestedingen te houden. Daarvoor had ik waarborgen opgebouwd. Ik ben altijd transparant geweest. Ik ben vanuit de bank bekend met de non – refundable fee, die niet schadelijk was voor de bank. Bij het niet opleveren van projecten, worden de reeds betaalde gelden niet terugbetaald. Er wordt aan het eind van elke fase betaald. Ten aanzien van de aanbesteding van de panden had de Minister van Financiën data nodig. Hij is naar de Verenigde Arabische Eilanden geweest. Bij de comptabiliteitswetgeving moesten ook andere systemen gecreëerd worden. Toen kwam Buysse naar Suriname.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

Iedereen was op de hoogte van de contracten. Er waren mensen vanuit de Regering en de Bank meegereisd naar Belgie. Ik heb alles binnen de bank besproken. Ik heb de politie foto´s gewezen om aan te tonen wie er allemaal bij betrokken waren. Op grond van de Bankwet ben ik van oordeel dat alle taakstellingen die u noemt, vallen onder de Bank o.g.v artikel 9F van de Bankwet. Dat is mijn visie. Het was gebruik binnen de bank dat er geen aanbestedingen werden gehouden. Er was ook geen expertise. Ik heb wel een vergelijking van prijzen gemaakt met Lloyd en BVO. Wanneer je een klant binnenkrijgt en er worden inspanningen verricht, dan zal je de klant daarvoor een bedrag moeten betalen. Zo was dat ook met de vliegticket en treinkosten.

Op vragen van de raadsman, I.D. Kanhai, Bsc. verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

Deze projecten waren in het kader van een uitvoering van een strategisch plan. De Minister van Financiën was altijd op de hoogte dat de bank met Clairfield en Orion in zee zou gaan. De minister heeft in een voice app gezegd ga door met het goede werk. Samen met Clairfield en Orion. De hele RvC lag overhoop omdat er sprake was van conflict of interest.

De kantonrechter houdt de verdachte zijn verhoor bij de RC voor in het kader van het GVO d.d. 20 februari 2020. In dit onderzoek is gebleken dat u als Governor van de CBvS 5 (vijf) overeenkomsten tot het verrichten van diensten heeft gesloten met Clairfield Benelux n.v. (hierna Clairfield) en 5 (vijf) met Orion Assurance & Advisory Services N.V. (hierna Orion). De kantonrechter vraagt aan de verdachte of dit niet als conflict of interest gezien moet worden.

De verdachte reageert als volgt: ik zie dit niet als conflict of interest. Het is als Governor volgens de Bankwet niet verboden aandeelhouder te zijn. De opdrachten zijn door directieleden getekend. Hierdoor heb ik waarborgen ingebouwd.

De kantonrechter houdt de verdachte zijn verhoor bij de RC voor in het kader van het GVO d.d. 26 februari 2020. De kantonrechter hoort de verdachte t.a.v. het aanschaffen van twee voertuigen en vraagt aan hem of de Centrale Bank geen inkoopafdeling heeft.

De verdachte reageert als volgt: de CBvS heeft een eigen inkoopafdeling, maar ik heb een persoonlijke keus gemaakt om die afdeling niet in te zetten. Ik ben het volledig met u eens dat checks and balances niet gevolgd zijn. elke governor heeft een eigen voertuig ingevoerd. Het is geen gebruik om eerst een aanbesteding te houden. De procedures binnen de bank voor het aanschaffen van voertuigen worden in de regel niet gevolgd. Wij hebben enorm veel verworvenheden, maar wij hebben ook heel veel gewerkt. Zelfs het IMF heeft dat erkend. De voertuigen zijn een persoonlijke keus van mij geweest. Het eerste voertuig, de Lexus, is doorgestuurd naar DNV.

De kantonrechter houdt de verdachte zijn verhoor bij de RC voor in het kader van het GVO d.d. 14 april 2020: “ Op grond van een overeenkomst tussen de Republiek Suriname en de CBvS d.d. 1 november 2019, dienden de royalty’s als zekerheid voor alle schulden die de Staat heeft bij de CBvS, alsmede de overschrijding op lopende rekeningen. Mocht Financiën het bedrag van ongeveer SRD2.2 miljard trekken op grond van deze overeenkomst? Bent u het eens met mij als ik zeg dat de Staat voor het bedrag van SRD 2.2 miljard geen zekerheid heeft geboden, nu dit bedrag niet mocht worden getrokken op grond van de royalty’s gezien de overeenkomst van 1 november 2019? Dienen de royalty’s ook als zekerheid voor de US$ 550 miljoen obligatielening die in oktober 2016 is uitgezet op de internationale kapitaalmarkt?”

De verdachte reageert als volgt: er is zekerheid aan de Bank gegeven door de resolutie van de President van Suriname, waarbij de bank voor 15 jaren alle gelden van de royalty’s zal ontvangen. Pas in december 2019 heb ik vernomen dat de royalty’s als zekerheid aan het IMF zijn verpand d.w.z. dat je de zekerheid, die je aan mij hebt gegeven hebt aan een ander geeft. Ik had toen mijn misnoegen hierover wel geuit. Ik had in goed vertrouwen geld vooruit gestort voor de minister van Financiën.

De kantonrechter houdt de verdachte zijn verhoor bij de RC voor in het kader van het GVO d.d. 14 april 2020: “ Uit het onderzoek is inmiddels gebleken dat de Minister van Financiën op grond van twee brieven respectievelijk gedateerd 26 juni 2019 en 20 september 2019 heeft aangeboden in totaal 17 onroerende goederen over te dragen aan de CBvS tegen de geschatte marktwaarde van in totaal €105 miljoen (omgerekend in SRD). Heeft deze overdracht van de onroerende goederen te maken met een van de projecten van Clairfield?”

De verdachte reageert als volgt: ten aanzien van de eerste trance betalingen van de panden had ik het volste vertrouwen dat de panden overgedragen zouden worden aan de Bank. De bedoeling was om de langlopende schuld van de Staat Suriname door de panden af te lossen. Ik had ge’appt naar de juristen van de afdeling en naar de Directeur van SPSB dat ik geen zwevende posten wilde hebben. Toen kwam [getuige 1] melden dat de panden niet overgedragen konden worden. Toen waren wij al in december 2019. Ik stond sowieso onder druk. Toen waren de gelden voor die panden reeds gestort. Op 29 december 2019 heb ik de opdracht gegeven om die betalingen te corrigeren, maar ik weet niet of die opdracht is uitgevoerd. Ik had de medewerkers aangegeven om met het gemiddelde cijfer te werken, maar zij hebben mij aangegeven dat het niet de juiste werkwijze was. Het gemiddelde cijfer geeft geen juiste weergave.

De vervolgingsambtenaar houdt de verdachte voor dat hij aangaf dat het doel in het jaar 2015 was de schuld in te lopen en de royalty zou worden gestort voor 01 maand. De vervolgingsambtenaar wenst te weten of de schuld dan zou zijn ingelopen.

De verdachte reageert als volgt: wanneer de dollars binnen zouden komen zou ik een vorderingsrecht hebben. Ik heb dat recht gekocht voor 2.3 miljoen SRD voor een goudprijs van 12. Nu is de prijs 20. Ik maak elk jaar winst plus krijg ik valuta binnen. Ik ben niet bekend met een missive van 11 april 2020. Als er nu t.a.v. de panden een missive is geslagen, dan is dat niet meer relevant voor deze zaak.

De raadsman geeft aan dat hij de missive van april 2020 zal overleggen.

  1. Het proces – verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo op 05 oktober 2020, kort en zakelijk weergegeven:

De kantonrechter houdt de verdachte de verklaringen van [getuige 17] voor, (GVO d.d.16 april 2020).

De verdachte reageert als volgt: voor mij was het gebruik dat contracten niet per se naar de juridische afdeling hoefden voor verificatie. Mensen die heel lang bij de bank werken, ondertekenden documenten zonder dat die door de juridische afdeling werden geverifieerd. De juridische afdeling is wel betrokken geweest bij de projecten. U houdt mij voor dat medeverdachte Hausil heeft verklaard dat er wel een e-mail door mij naar haar is gestuurd, maar dat zij geen specifieke opdracht van mij heeft gehad. Hausil geeft wel advies aan de Minister van Financiën, maar niet aan mij? Conform mijn contract had ik recht op een voertuig. Toen de commotie op 09 januari 2020 begon zei [getuige 7] om een lening te nemen met inhouding op salaris, waardoor dat voertuig van mij wordt en dan had de bank daarmee niets te maken. Ik heb voorgesteld dat de datum van 19 augustus 2019 als ingangsdatum van de lening zou worden gebruikt omdat de Bank op die datum de betaling van het voertuig heeft gedaan. Het was de bedoeling dat de bank geen verliezen zou lijden, vandaar dat voorstel. Er was geen enkele intentie dat de Bank benadeeld zou worden. Ik was niet op de hoogte van de documenten van 26 juni 2019 en 20 september 2019. Het voorstel om de 17 panden over te nemen, was afkomstig van Kromosoeto. Het was de Minister van Financiën, die zei om de panden over te nemen en wij hebben besloten om dat te doen. Wij hebben niet laten onderzoeken of de Minister bevoegd was om de panden van de Staat Suriname te verkopen. Er was een team samengesteld om de overdracht van de panden te realiseren. Op gegeven moment zeiden [naam 3]en [getuige 1] dat de panden niet aan de Staat Suriname toebehoorden. Ik geef opdracht om deze posten uit de boeken te halen en afgesproken werd om de reeds gestorte bedragen te verrekenen met project Lagarde. Ik heb afspraken gemaakt nadat het kwaad reeds was geschied. De Minister geeft onze assets die wij uit de royalty´s van Grassalco kregen als onderpand aan IMF. Ik had dus een vorderingsrecht. Ik weet niet of er ooit in het verleden een pand voor eigen gebruik is gekocht door de Centrale Bank van Suriname. Ik had Sociale Zaken wel nodig voor eigen gebuik, maar dat gebouw stond op de lijst Heritage. Ik vind wel dat ik te kort ben geschoten, want ik heb te veel vertrouwen gehad in de verkeerde personen.

Mijn voertuig is op voorstel van [getuige 7] betaald door de Bank en achteraf is het gefinancierd na commotie daarover in de samenleving. Zij heeft het voorstel gedaan om mijn vervoerstoelage te gebruiken. Ik moest een lening nemen en ik moest ook rente betalen. Ik heb aan [getuige 7] gezegd dat we de datum moesten veranderen. De werkwijze op de bank was dat ik de opdrachten naar de directeur stuurde en het was zijn taak om opmerkingen te plaatsen. Ik weet niet of het zijn taak was om daarna de documenten door te sturen naar de juridische afdeling. Wij hadden openheid van transparantie.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb de contracten niet laten tekenen door de juridische afdeling, omdat ik vond dat een ieder binnen de bank een eigen verantwoordelijkheid had. Ik heb me niet vergewist dat die contracten gescreend moesten worden, omdat dat niet een geschreven regel was. Ik ben in ieder geval blij dat de Directeur heeft mede ondertekend. De vervolgingsambtenaar merkt op dat de Directeuren slechts een paraaf hebben geplaatst. Neen, ze hebben ondertekend. De contracten zijn er. Ik ben de hoofdverantwoordelijke bij de Bank, maar ik was niet op de hoogte van de richtlijnen binnen de bank.

Op vragen van de raadsman I.D. Kanhai, Bsc. verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb het vorderingsrecht aan Royalty gekocht voor 15 jaren voor een bedrag van SRD 310.000.000, waardoor er nu Amerikaanse dollars en goud binnenkomen. Toen was de koers 7.39. Toen was de goudprijs 133 per troy ounce. Dit jaar is het 2000 geworden. Na de unficatiekoers van 14,29 srd is de winst ongeveer 150 miljoen geworden. Daarnaast wordt er 15 jaren lang huur van 80 miljoen per jaar ontvangen. De projecten zijn goed. Het brengt Amerikaanse Dollars naar binnen. Als u de voiceberichten van Hoefdraad beluisterd, dan zal het u opvallen dat hij wel op de hoogte was van de projecten en van de bedragen.

De kantonrechter houdt de verdachte de verklaringen van Hoefdraad tijdens het GVO voor.

De verdachte reageert als volgt: Prodigy gaat om de waardering van al onze rijkdommen. Hoefdraad heeft in de app berichten aangeven om de prodigy´s uit te werken. Hij heeft in de maand augustus met Clairfield om tafel gezeten, waarna hij een brief heeft gestuurd naar alle ministeries, waarin hij aangeeft dat aan Clairfield en Orion toegang wordt verleend om alle data te verzamelen. Ik heb van alle opdrachten alle scoops gemaakt en die met hem besproken. Hij heeft in de voice-app gereageerd toch, wat [naam 4] moest doen, wat Hans Buysse moest doen. Hij heeft gezegd dat de opdracht binnen de taak van de Centrale Bank valt, vandaar dat hij de contracten niet hoefde te ondertekenen, terwijl ik geen toestemming nodig had van de Minister van Financiën. De verklaring van Hoefdraad staat in schril contrast met die van de app. Nu zegt hij dat hij niets afweet van de projecten. Zelfs in e-mails bevestigd hij om door te gaan met het goede werk. Daarna gaat hij naar DNA om te zeggen dat hij van niets weet. Ik had geen toestemming van de minister van Financiën nodig om te werken met Clairfield en Orion. Hoefdraad had Clairfield zelf benaderd voor de ALCOA deal. De Centrale Bank heeft daar niet mee bemoeid. DSB bank had aandelen emissie uitgebracht, maar alles is verdampt. DSB leed al 03 jaren lang verlies. Als deze bank zou vallen, zou die ook alle andere instellingen meenemen. Het zou een domino-effect sorteren. Ik kreeg de signalen dat de DSB in financiële problemen zat en ik meende de financiële sector te stabiliseren.

[naam 5] heeft een rapport uitgebracht waarin hij zijn opinie heeft weergeven. Dat mag, maar er zijn andere rapporten. Ik weet niet hoe hij tot die conclusie komt zonder de informatie vanuit de bank te hebben. Ik heb middels internationale, onafhankelijke deskundigen rapporten laten opmaken, waaruit blijkt dat het om projecten ging, die goed waren voor het land. Ik vond de verantwoordelijkheid te groot om aan de economisten van de bank te vragen om een rapport op te maken, want het ging om grote geldbedragen. Ik heb inderdaad de opdracht gegeven om die post van de tweede tranche panden te corrigeren. Hoefdraad kreeg elke dag van de Bank een overzicht van de inkomsten en uitgaven van de staat. Wat hij daarover zegt, is onjuist. Ten aanzien van de vreemde valuta interventie, had de Minister van Financiën alle informatie daarover ontvangen. Ik heb inderdaad de opdracht gegeven om het gemiddelde op te maken. Het ging om de bedragen die in Miami en Nederland waren aangehouden. Ik heb geen idee waarom hij een punt heeft gemaakt van tabel 2.

Ten aanzien van de onroerende goederen was ik er niet van op de hoogte dat de gebouwen via de SPSB aan allerlei stichtingen toebehoorden. Ik deel de mening met u dat de Staat Suriname benadeeld is. Ten aanzien van het IMF zei ik tegen de Minister dat hij rood stond. Hij vond dat hij altijd kon wisselen vanuit het monetair fonds. Sedert de maand september werden er betalingen verricht met valuta en sindsdien daalde de kasreserve. Hij wist dat hij valuta gebruikte uit de kasreserve. In de maand oktober worden wij onder druk gezet om met Surinaamse Dollars te financieren. Ten aanzien van De Surinaamse Bank had de Regeringscommissaris zijn bedenkingen daarover. Er was een presentatie voor de RvC gehouden over DSB. Dat was vóór de koop. Daarna heeft [getuige 3] aangegeven dat hij advies van een externe deskundige wenste. Verder heb ik mij niet mee bemoeid.

Hoefdraad heeft de contracten wel gezien. alles was tot in details met hem besproken. Hij is de initiator geweest van enkele projecten. Hij wist wel niet welke bedragen als fee waren opgenomen, want die bedragen stonden niet in de contracten. Ik had hem alle getekende contracten in een enveloppe gegeven. Het waren getekende contracten met de bedragen van de fee.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt: (De vervolgingsambtenaar houdt de verdachte voor dat de assets de Staat Suriname toebehoren en dat artikel 9F en 16 van de Bankwet duidelijk is).

De verdachte reageert als volgt: als de juridische afdeling de handeling ondersteunt, dan vond ik dat goed. Omdat de output bij project Lagarde groot was, besloot ik om de juristen van de Bank niet erbij te betrekken. De President – Commissaris hoeft niet eerst voor fiat te ondertekenen als de bank een bedrag van SRD 2.000.000 gaat uitgeven. Binnen de bank gaat de afdeling binnen – of buitenland na of er voldoende saldo is en als het wel eens voorkomt dat er niet genoeg saldo is dan wordt er geappt naar de Minister van Financiën die bijv. dan aangeeft dat er een bedrag gestort moet worden. Dat wordt dan gefiatteerd. Ik wilde weten wat er gebeurd als ik het gemiddelde zou spreiden over de piek en dal momenten, vandaar dat ik de opdracht had gegeven om in de tabellen het gemiddelde op te nemen. Wij stuurden namelijk Euro´s naar China en kregen dollars daarvoor terug. Wij moesten de behoefte aangeven hoeveel wij nodig hadden om de dollarkoers te stabiliseren. Ik heb geen idee of het gebruik was binnen de Bank om te werken met het gemiddelde van de tabellen. Het aangaan van de contracten is het beleid van de Centrale Bank geweest. De juristen van de bank waren wel betrokken. Ik heb de contracten aan de Directie afgegeven. De juristen van de bank waren er niet bij toen de contracten werden ondertekend.

Op vragen van de raadsman, I.D. Kanhai, Bsc. verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

[getuige 3] was bezig met investeringen en als de bank zou omvallen, dan kon hij die met zijn vermogen overnemen. Dat heeft hij onder andere bij de Hakrinbank gedaan o.b.v. private activity wetgeving. Het uitgeven van biljetten aan de Staat Suriname kwam niet uit de rekening van de CBvS. Pas als ik dat geld over mijn eigen toonbank zou uitgeven, zou dat ten koste van de rekening van de Bank gaan. Ik ben niet gehoord in het kader van de Anti – Corruptiewet voordat het inging.

Op vragen van de raadsman, J. Kraag, verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

De bedoelingen van de speeches, gedaan bij IMF, was policy resources. Niemand had aangegeven dat het aangaan van overeenkomsten niet onder de taakstelling van de Bank viel.

  1. Het proces – verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo op 12 januari 2021, kort en zakelijk weergegeven. De kantonrechter houdt de verdachte de verklaring van [getuige 6] voor, GVO d.d.31 maart 2020:

Pagina 3: Als 2de heeft de ex-Governor gewerkt aan het wisselkoers beleid. In het begin was er vanwege de aangehouden geldzending door Nederland een enorme druk op de wisselkoers. Om dit te verdedigen is er toen op twee fronten geprobeerd om de wisselkoers aan te pakken. Als eerst heeft hij geprobeerd om dit aan te pakken door het verkopen van cash euro’s aan de cambio’s, die toen erin heeft geresulteerd dat er rust werd gebracht in de contante cash USD sfeer. Deze cash Euro’s werden toen door de cambio’s gesmokkeld naar Miami en werden ingeruild tegen cash US Dollars. Deze cash US Dollars werden daarna naar Suriname teruggebracht. Deze operatie heeft voor een zekere rust gezorgd op de cash US Dollar markt en is toen gedoogd geworden door alle partijen. Met alle partijen bedoel ik, de CBvS, de Douane en Militaire Politie (omdat de euro’s vanuit Zanderij naar Miami werden gesmokkeld) en de Deviezencommissie. Ik ga ervan uit dat al deze instanties hiervan kennis dragen omdat dit niet een keer is gebeurd maar vaker. Het kan niet zo zijn dat men dit niet heeft gezien. Deze operatie van verkoop van euro’s aan wisselkantoren heeft o.a. geleid dat cash euro’s van kasreserve middelen van de handelsbanken gebruikt zijn geworden.

De verdachte reageert als volgt: dat was een verantwoordelijke beslissing, die onderbouwd was met het wettelijk systeem. De wisselwerking was: Euro’s worden voor Amerikaanse Dollars ingewisseld ten behoeve van stabiliteit.

De kantonrechter leest verder uit de verklaring van [getuige 6]: “ Op enig moment begreep ik in een meeting met de ex-Governor dat alle waarden van de Staat Suriname zouden worden gekwantificeerd. Dit zou worden gedaan door Clairfield. Hierna zou worden getracht om de d.m.v. de waarden van de Staat Suriname, vreemde valutamiddelen te genereren voor de CBvS en de Minister van Financiën, waardoor artikel 21 van de bankwet overbodig zou worden en dan worden geschrapt. Dit was muziek in mijn oren. Het project Prodigy had naar ik begreep hierop betrekking vandaar dat ik blij was met dit project.” Ik kan u niet zeggen of de Staat Suriname goedkeuring heeft gegeven voor dit project.

De verdachte reageert als volgt: ik heb aangetoond dat een ieder op de hoogte was van de projecten en dat die projecten thans geld in het land brengen. Deze projecten sloten aan bij de taken van de Bank. De huidige regering is nu bezig om projecten met Noorwegen uit te zetten, die al in Prodigy 2 zijn uitgezet.

De kantonrechter leest verder voor uit de verklaring van [ getuige 6]: “ Bij de overeenkomst Project Lagarde 1, is een vergoeding overeengekomen van €620.000, –. Er waren afspraken gemaakt over de betalingen en wel als volgt: De betalingen zouden plaatsvinden bij elke deeloplevering van een sub-opdracht. Per sub-opdracht zijn non-refundable cash fees van € 250.000, -, € 110.000, -, € 140.000, – en € 120.000, – afgesproken. Gebleken is dat reeds bij de eerste overmaking een bedrag van €300.000, = i.p.v. €250.000, = is overgemaakt. Waarom is er meer overgemaakt en in wiens opdracht? [getuige 6] verklaart als volgt: Voor zover ik de overmaking heb gedaan, heb ik een invoice ontvangen om het bedrag van €300.000, = over te maken naar Clairfield, hetgeen ik ook heb gedaan. Bij de invoice zijn er geen onderliggende stukken waaruit zou kunnen worden opgemaakt welk bedrag contractueel is overeengekomen. Bij de overmaking zijn er dus geen checks and balances om na te gaan of een bepaalde overmaking wel of niet terecht is geschied. Ik ga steeds uit van de autorisatie van de Governor.”

De verdachte reageert als volgt: ik ontvang een betalingsopdracht nadat er een paraaf op is geplaatst. Ik kan geen antwoord geven op de opmerking dat het afwijkt van een proposal. Ik vertrouwde op de organisatie, dus ik tekende als er een paraaf op stond. Ik vertrouwde op de mensen die al langer dan 20 jaren bij de Bank werkten en de kwaliteit daarvoor hadden. Om checks and balances in te bouwen zou je heel veel moeten veranderen. Dat doe je niet binnen 10 maanden.

De kantonrechter leest verder uit de verklaring van [getuige 6] :” De eerste persoon die zou moeten hebben gezien dat het bedrag op de invoice niet overeenkomt met het bedrag dat in beginsel zou moeten worden overgemaakt o.g.v. de overeenkomst, is de President van de Bank.”

De verdachte reageert als volgt: ik heb geen antwoord op wat [getuige 6] heeft verklaard. U zult aan hem moeten vragen wat hij bedoelt.

De kantonrechter leest verder uit de verklaring van [getuige 6]: “ Wat was de instructie van de ex-Governor? Waarop de getuige antwoordt: “ De instructie van de ex-Governor was om niet de juiste cijfers aan vreemde valuta interventie af te staan aan de Minister van Financiën omdat uit de cijfers bleek dat in de maand juli 2019 een extreem hoog bedrag aan vreemde valuta interventie is geweest. Dit blijkt ook uit het tabel welke u aan mij ter inzage heeft gegeven over de vreemde valuta interventie. Er is toen een andere lijst geproduceerd, waarvan ik mij de inhoud niet kan herinneren. Deze lijst zal ik opvragen en aan u doen toekomen. Zo een correctie waarbij er een andere lijst aan vreemde valuta interventie dan de originele lijst is geproduceerd, is nooit eerder voorgevallen.”

De verdachte reageert als volgt: De Minister van Financiën heeft alle tabellen ontvangen. Naar aanleiding van de U$ cash heb ik gezegd om het gemiddelde ten behoeve van de U$ verzending op te maken. Dat zie ik niet als het kwalificeren van onjuiste cijfers. Ik had geen instructie gegeven om af te wijken van de juiste gegevens.

De kantonrechter leest verder uit de verklaring van [getuige 6]: “ Ging u akkoord met de voorgestelde wijzigingen? Waarom wel/niet? De getuige antwoordt: “ Wij waren het er allemaal over eens dat de gecorrigeerde cijfers niet de correcte weergave was van de realiteit. Ik kan mij niet herinneren dat een van ons uit de groep aan de ex-Governor te kennen heeft gegeven dat hetgeen hij vroeg niet correct was.” Voelde u zich onder druk gezet om de correcties aan te brengen, en zo ja waarom? “ Ik voelde mij onder druk gezet door de ex-Governor om de correcties te plegen. Ter uwer informatie deel ik u mede dat ik vaker door hem ben gezegd dat ik zijn beleid niet moet frustreren. Ik heb eraan meegewerkt om de cijfers te corrigeren vanwege de constante druk die er was van de zijde van de ex-Governor. De kantonrechter merkt op dat zij hierin valsheid in geschrifte leest.”

De verdachte reageert als volgt: wij moesten een verhaal erom heen maken t.b.v. de U$ verzending. Ik weet niet waarom [getuige 6] zegt dat hij onder druk werd gezet om de juiste cijfers te produceren.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

De verdachte reageert als volgt: ik zou niet weten of de juridische afdeling betrokken was om de contracten te screenen. Ik zal niet ontkennen dat ik binnen de organisatie een bepaalde taak en verantwoordelijkheid had. Het kan dat Clairfield meer werk heeft verricht en dat er daarom meer is uitgegeven.

Op vragen van de raadsman I.D. Kanhai, Bsc. verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

De raadsman merkt op dat [getuige 2] tijdens zijn verhoor bij de RC in het kader van GVO heeft verklaard dat de totalen van de tabellen niet gewijzigd was.

De verdachte reageert als volgt: op de vraag van u of Lagarde nodig was om de dam over te nemen verklaar ik dat het erom ging dat er gelden nodig waren om die dam over te nemen.

De kantonrechter houdt de verdachte de verklaringen van [getuige 3] tijdens het GVO van 27 maart 2020 voor : “ P.4: door de RvC zijn er geen afspraken gemaakt met de ex-Governor over de limieten in een overeenkomst. Goed bestuur en Compliance regels vereisen wel dat eerst afstemming wordt gepleegd met de RvC over materiele bedragen en contracten. Uit het onderzoek dat wij hebben gedaan blijkt niet dat er aan crypto currency is geïnvesteerd door de ex-Governor. Er is wel een publicatie geweest dat suggereerde dat het wel het geval was. Met mijn toestemming mag u daar enkele foto’s van maken. Ik weet niet door wie van de CBvS de Minister werd geïnformeerd over deze kwestie.”

De verdachte reageert als volgt: de taken en bevoegdheden van de RvC zijn in het jaar 2019 vastgesteld. Voorheen was er niets geregeld. De Raad van Commissarissen bemoeit zich niet met de operationalisering. De Raad was wel op de hoogte van de projecten, maar ze hebben niet mede ondertekend, omdat dat geen gebruik was.

De vervolgingsambtenaar houdt de verdachte voor dat [getuige 3] bij de RC heeft verklaard dat hij steeds heeft gevraagd om in contact te treden met de Directie van de bank, maar op den duur kreeg hij het gevoel dat verdachte, [getuige 3] ontweek.

De verdachte reageert als volgt: het is niet voorgekomen dat hij een raadsvergadering bijeen had geroepen en dat ik daarvoor had geweigerd. Hij had mij uitgenodigd om bij [getuige 3] te gaan voor een vergadering, maar vanwege strategische doeleinden had ik dat geweigerd. Het staat nergens geschreven dat een contract eerst door de Raad van Commissarissen moet worden goedgekeurd.

Op vragen van de raadsman, I.D. Kanhai, Bsc. verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

De heer [getuige 3] heeft mijn goedkeuring niet nodig om raadsvergaderingen bij elkaar te roepen.

De kantonrechter houdt de verdachte de verklaringen van [getuige 3] tijdens het GVO van 25 maart 2020 voor: “ P.4-5 In uw verhoor bij de politie d.d. 4 februari 2020 heeft u aangegeven: “…Er was eerder al een issue tussen mij, de RvC en de Governor, waar er een perceelland groot 550 hectare was aangeschaft, ondanks de RvC en ik tegen de koop van het perceelland waren. Dit was in strijd met artikel 18 van de Bankwet. Aan de Governor is steeds gevraagd voor een onafhankelijke legal opinion, welke nooit is aangetoond….”. Wanneer is dit geweest en over welk perceel ging het? De getuige antwoordt: “ Deze gesprekken met de ex-Governor moeten zijn begonnen omstreeks juni 2019 en het ging over een oude plantage. Dit weet ik omdat het jaarverslag van DSB uiterlijk eind juni 2019 moest worden goedgekeurd door de AvA. Ik heb de informatie van iemand van DSB gehad omdat die er kennelijk van uitging dat ik als Regeringscommissaris wel op de hoogte was hiervan, hetgeen niet zo was. Ik heb hierna terstond de ex-Governor gebeld en ik heb een lang gesprek met hem gehad hierover. Ik heb hem daarbij gezegd dat mijn inziens deze transactie in strijd was met de Bankwet. Volgens de ex-Governor had hij dit besproken met de President van het land en ik zei hem dat ik het zelf zou bespreken met de President. Nadat ik dat had besproken met de President begreep ik van deze dat hij hem juist had geadviseerd om de transactie niet te doen. Ik heb de informatie van de President niet met Van Trikt besproken omdat hij zijn ontslag al had ingediend. In de brief van de ex-Governor m.b.t zijn ontslagaanvraag heeft hij als reden aangegeven “verschil van inzicht” tussen de regering en zijn persoon op basis waarvan hij niet langer kan functioneren als gewenst. Ik verwijs hierbij naar de brief van 18 januari 2020. Ik weet niet wat Van Trikt bedoelde met het “verschil van inzicht”. De President van het land heeft een gesprek met de ex-Governor en de minister van Financien gehad waarbij ik ook aanwezig was. Tijdens dat gesprek is niet gesproken over verschil van inzichten, doch wel over o.a. de overeenkomsten met Clairfield. Tijdens dat gesprek heeft de ex-Governor aangegeven dat het aantrekken van Clairfield met de Minister van Financien was besproken. De Minister van Financiën gaf daarbij aan dat hij niet op de hoogte was van de overeenkomsten en ook Btoestemming had gegeven voor de bedragen genoemd in die overeenkomsten. Volgens de minister was hij wel op de hoogte van Clairfield maar volgens hem zou het no cure no pay moeten zijn m.a.w. als er niet gepresteerd wordt, wordt er niet betaald. De kwestie van zijn bevoegdheid om die overeenkomsten aan te gaan is ook aan de orde geweest en volgens hem was hij bevoegd o.g.v. de Bankwet.” De Rc vraagt aan de getuige: Bedoelt u dat het in strijd is met artikel 18 lid 4, waarin is bepaald dat de de Bank geen onroerende goederen koopt of bezit, dan die welke voor de uitoefening van haar bedrijf benodigd zijn? De getuige antwoordt: Dat klopt. De Rc vraagt aan de getuige: Wat heeft de ex-Governor gedaan met uw verzoek voor een onafhankelijke legal opinion? De getuige antwoordt: Dat heeft hij niet gedaan.

De verdachte reageert als volgt: bij de kwestie van DSB was de Raad van Commidsarissen wel betrokken. De Minister van Financien was gekend en de gehele team van de Directie binnen de bank was op de hoogte. De legal opinion zat in de file van mr. Vos. Ik heb [getuige 3] inderdaad niet geïnformeerd t.a.v. de aanschaf van panden. Hij is ook achteraf over de lening van Oppenheimer te weten gekomen.

De kantonrechter leest verder uit de verklaringen van [getuige 3] tijdens het GVO van 25 maart 2020 : “ Bij de politie heeft u verklaard dat u denkt dat de ex-Governor de overeenkomsten is aangegaan voor “persoonlijk gewin”. Waarom zegt u dat en wat is het persoonlijk gewin? De getuige antwoordt: Gelet op de financiele verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomsten in relatie tot de dienstverlening ben ik van mening dat de bedragen in de overeenkomsten absurd zijn. Daarnaast ben ik van mening dat de ex-Governor buiten zijn bevoegdheid heeft gehandeld, op een van de overeenkomsten na. Naar aanleiding van het onderzoek zijn er transacties naar boven gekomen waar ik mijn vraagtekens bij plaats. Ik verwijs hierbij naar een bedrag van € 1.250.000, – dat is overgemaakt naar Clairfield en ook de bedragen m.b.t. de voertuigen die zijn gekocht t.b.v. de ex-Governor.”

De verdachte reageert als volgt: er wordt steeds verwezen naar absurd hoge bedragen, maar men heeft ze niet vergeleken met andere absurd hoge bedragen van vorige projecten. Ik had vergelijkingsmateriaal en [getuige 3] had die niet. Gezien die vergelijkingsmateriaal waren de prijzen niet hoog.

De kantonrechter leest verder uit de verklaringen van [getuige 3] tijdens het GVO van 25 maart 2020: “ Bent u op de hoogte dat in juli 2019 de cijfers van de maandelijkse valutainterventie van de periode maart 2019 tot en met juli 2019 door de directeuren ([getuige 1] en [getuige 2]), [getuige 20] en [getuige 6] zijn veranderd in opdracht en instructie van de ex-Governor? Daarbij was ook aanwezig mevrouw Alibaks, Hausil. De bedoeling was dat deze cijfers naar de Minister werden doorgestuurd op zijn verzoek, omdat hij DNA informatie moest verschaffen daarover. Neen, ik ben daarvan niet op de hoogte. Ik hoor dat nu.”

De verdachte reageert als volgt: er was geen vuiltje aan de lucht, want de cijfers waren niet veranderd.

De kantonrechter leest verder uit de verklaringen van [getuige 3] tijdens het GVO van 25 maart 2020: “ Is dat toegestaan dat op zo een manier correcties worden aangbracht aan de juiste cijfers? Het is niet correct om cijfers op zo’n manier te corrigeren, ook niet in opdracht van de Governor. Je kunt niet willens en wetens verkeerde informatie presenteren aan DNA.”

De verdachte reageert als volgt: de Minister had alle rapporten ontvangen, maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Hij had slechts een kattenbelletje bij zich.

De kantonrechter leest verder uit de verklaringen van [getuige 3] tijdens het GVO van 25 maart 2020: “ Was u of de RvC op de hoogte van de aankoop van twee voertuigen ten behoeve van de Governor (een LEXUS en een RANGE ROVER)? Zo ja, vanaf wanneer? Toen ik gehoord had over de prijs van de RANGE ROVER van ongeveer € 300.000,-, begreep ik dat er ook een LEXUS eerder was gekocht. Op 5 januari 2020 wist ik dat er een RANGE ROVER was gekocht t.b.v. de ex-Governor. Ik kan mij niet herinneren vanwaar ik deze informatie heb gehad. Deze voertuigen hebben gekost US$280.000,= respectievelijk US$285.000,=. Zijn deze bedragen normaal voor een voertuig van de Governor? Deze bedragen zijn niet normaal voor een voertuig van de Governor. Een redelijke prijs zou zijn rond de US$100.000, -. Bent u ervan op de hoogte dat de ex Governor nog geen maand in de LEXUS heeft gereden en dat het voertuig daarna aan DNV is afgestaan zonder dat de tegenwaarde daarvan is vergoed aan de CBvS? Deze informatie heb ik rond 18 tot 21 januari 2020 gehad en ik had gevraagd of DNV had betaald voor het voertuig. Ik heb wel informatie gehad maar ik weet niet precies of de betaling heeft plaatsgevonden. Bij de politie heeft u verklaard dat u op 10 januari 2020 een bericht op de groepsapp (Governor, uw persoon en Minister van Financien) heeft gehad, waarin de ex-governor verklaarde dat de auto een prive auto is. Wat was de aanleiding dat de ex-Governor, dit heeft verklaard? Ik had een foto in de groepsapp gestuurd en dat is de aanleiding van deze reactie van de ex-Governor. Waarom heeft u een foto van het voertuig (Range Rover) in de groepsapp gepost? Mijn bedoeling was om hem te vragen of het voertuig inderdaad € 300.000, – heeft gekost. Voordat ik de vraag kon stellen had hij al gereageerd op de foto.”

De verdachte reageert als volgt: gepantserde voertuigen zijn gewoon duurder. Het tweede voertuig was gewoon een eigen keuze geweest. Ik weet niet waaraan [getuige 3] kan vergelijken door te stellen dat het voertuig gewoon te duur is geweest.

De kantonrechter leest verder uit de verklaringen van [getuige 3] tijdens het GVO van 25 maart 2020:” Ik weet niet of de ex-Governor nog belangen had bij Orion bij zijn benoeming tot Governor. Hieruit hebben wij geleerd en is bij de benoeming van de nieuwe Governor zoveel mogelijk nagegaan of hij conflicterende belangen heeft. Op uw vraag of voorkomen had kunnen worden dat de CBvS thans zoveel schade lijdt vanwege de benoeming van Van Trikt tot Governor vanwege zijn relaties met Orion, moet ik zeggen dat wij een betere job hadden kunnen doen achteraf gezien. Echter, wij wisten niets van de relatie met Clairfield. Vanwege de relatie tussen van Trikt en Orion zou het raadzaam zijn geweest als de RvC daar strenger mee was geweest. De contracten met Orion zouden dus moeten worden voorgelegd voor toetsing aan de RvC. Ik verwijs hierbij naar de bepalingen van het handboek deugdelijk bestuur van de CBvS.

De verdachte reageert als volgt: er is bij Orion transparant gewerkt. Ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomsten zou de Directie moeten weten dat ik ook belangen had bij Orion. Ik kan me dat nu niet meer heugen. Ik ben er niet van op de hoogte of zij op de hoogte waren dat ik belangen had bij Orion, maar daarover had ik geen geheim van gemaakt.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt: Ik had aan de bankmedewerkers wel aangegeven dat ik participeert bij Orion. Aan wie? Tenminste een van de directieleden was ervan op de hoogte.

De vervolgingsambtenaar merkt op dat de verdachte geen specifieke naam van dat lid kan noemen. De vervolgingsambtenaar houdt de verdachte voor dat er getuigen zijn die steeds hebben aangegeven dat de bedragen die zijn betaald aan Clairfield absurd hoog was en dat de verdachte de enige persoon is, die de bedragen normaal vindt.

De verdachte reageert als volgt: Clairfield vroeg 2 ‰ van de begroting, terwijl 2% marktconform was en dan vindt u dat absurd hoog?

De vervolgingsambtenaar merkt op dat er tenminste een directielid is dat heeft verklaard dat het om een prestatie ging die moest worden geleverd voor die bedragen.

De verdachte reageert als volgt: Er zijn alleen maar voorschotten betaald. De werkzaamheden die zijn verricht waren in overeenstemming met de bedragen die zijn betaald. Ik weet niet waarmee [getuige 3] het bedrag van het voertuig heeft vergeleken. Het is mij niet bekend of de ex governor ook een gepantserd voertuig reed.

De kantonrechter houdt de verdachte de verklaringen van [getuige 2] tijdens het GVO van 23 maart 2020 voor.

De verdachte reageert als volgt: de cijfers zoals gepresenteerd hadden een andere bedoeling. Die cijfers zijn niet arbitrair gedistribueerd. Ik denk niet dat ik aan [getuige 2] specifiek had voorgehouden dat ik ook aandeelhouder was van Orion. Er was een rapport van de PG waarin stond dat ik aandeelhouder was en ik ga ervan uit dat een ieder dat gelezen zal hebben.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

De cijfers waren rondom het gemiddelde en die zijn gepresenteerd.

Op vragen van de raadsman, I.D. Kanhai, Bsc. verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik had met [getuige 2] op kantoor van Orion vergaderd en hij had mij gevraagd wat ik te maken had met Orion en ik had hem daarop antwoord gegeven. Er is geen verbod in de Bankwet dat een Governor geen aandeelhouder mag zijn.

De vervolgingsambtenaar merkt op dat verdachte geen bezwaar had om te vergaderen bij Orion, maar hij had wel moeite om bij [getuige 3] te gaan vergaderen ten aanzien van de Centrale bank.

De verdachte reageert als volgt: Het was weekend en bij Orion zitten wij alleen.

De Kantonrechter merkt het volgende op: Hausil heeft verklaard dat e – mails door de secretaris van de verdachte werden geprint en dat die door verdachte werden voorzien van instructies waarna die naar desbetreffende afdelingen werden gestuurd. Dat Hausil heeft verklaard dat zij niet wist wat zij moest doen als er geen specifieke opdracht werd gegeven.

De verdachte reageert als volgt: Hausil hoefde niet op mij te wachten om aan de slag te gaan. Ik stuurde de e-mails naar de desbetreffende afdelingen en ik stuurde via app berichten wat ik van ze verwachtte. Daarnaast zaten wij elke dag om de tafel. Als Hausil haar taak had volbracht zou zij mij hebben behoed om hier te staan.

  1. Het proces – verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo op 9 februari 2021, kort en zakelijk weergegeven. De kantonrechter houdt de verdachte de verklaring van [getuige 2] tijdens het GVO van 23 maart 2020 voor.

De verdachte reageert als volgt: ik weet niet waarom [getuige 2] verklaart dat hij nooit een draft rapport heeft gezien. Als er gekeken wordt naar alle projecten kan gesteld worden dat er meer productie komt in het land. [getuige 2] was erbij toen IMF zei dat de projecten heel goed waren. IMF wist niet dat de CBVS de projecten zou financieren. De langlopende lening zou worden afgelost. De brief voor de verzekering van de langlopende schuld is nooit gekomen, maar het geld is besteed aan salarissen betalingen, AOV en pensioen subsidie en moest 100 miljoen per maand naar SZF gaan. De overeenkomst was bedoeld voor andere doelstellingen maar ze hebben zich daaraan niet gehouden. Er was ook een brief gekomen voor schuldaflossing bij de Hakrinbank en DSB bank. De cijfers zoals gepresenteerd hadden een andere bedoeling. De cijfers zijn niet arbitrair gedistribueerd. Ik denk niet dat ik [getuige 2] specifiek had voorgehouden dat ik ook aandeelhouder was van Orion. De contracten waren mede door [getuige 2] en Hausil opgesteld. Ik vond dat de afdeling interne controle niet hoefde te ondertekenen. Interne sessies werden niet mede geparafeerd, terwijl de externe wel. De CBVS is het enige instituut die geld kan afdrukken. Dat bedoelt [getuige 2] met het creëren van giraal met papiergeld.

Hausil had toegang tot alle contracten van mij en had inzage in alle contracten die ik had afgesloten. Alle contracten komen toch terecht bij Hausil? Ze kan zich er niet op beroepen dat ze de contracten niet heeft gezien. Ik forwarde ze meteen voor haar en ze hoefde niet speciaal op mij te wachten om advies uit te brengen. Ze kan achteraf niet komen zeggen dat ze aan damage control moest doen. Ik wist niet dat Hausil niet conform de procedures van de Bankwet is benoemd. Ik had een brief van de Minister van Financien ontvangen dat Hausil wordt aangenomen, maar volgens de Bankwet kon ik een voordracht doen. Hausil heeft een brief opgesteld en een contract. Alles was met de Minister besproken. Toen ik als Governor werd aangetrokken, wist de Minister dat ik aandeelhouder was van Orion.

Het is niet waar wat [getuige 2] bij de R.C. heeft gezegd over de cijfers. Die waren niet bestemd voor D.N.A.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 1] bij de RC in het kader van GVO (dd. 11 maart 2020 & 17 maart 2020 m.b.t. de Clairfield ovk.:
  1. Project LAGARDE 1 “Valuation and Fairness opinion RGM Royalty Structure”.

De getuige verklaart: naar mijn mening was dit project niet noodzakelijk voor de CBvS. Voor Suriname kan dat wel z’n nut hebben gehad. Ik ben niet op de hoogte van de reden waarom de Governor het nodig vond om deze overeenkomst te sluiten.

  1. Project Prodigy “Valuation of the Assets of the Government of Suriname”.

De getuige verklaart: in beginsel was dit project van belang voor Suriname als land. Puur voor de bank was deze overeenkomst niet noodzakelijk. Mijns inziens was er geen prioriteit voor dit project op dat moment. Misschien was het nodig om eens te komen maar niet op dit moment. De druk op de Bank werd groter met dit project omdat er andere prioriteiten waren met betrekking tot de interne organisatie van de bank.

  1. Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”. De getuige verklaart: ik zou niet weten of dit project op het moment waarop de overeenkomst is gesloten zo noodzakelijk was. Dit project was belangrijk voor de verdiencapaciteit van de Staat. De vraag die beantwoord moest worden is of dit prioriteit genoot voor de CBvS op dat moment. Voor de Staat Suriname was het wel belangrijk en genoot het prioriteit, maar naar mijn mening was het voor de CBvS op dat moment niet noodzakelijk. De vraag of het logisch is dat deze twee overeenkomsten op korte termijn na elkaar zijn gesloten moet ik u zeggen dat ik daarop geen antwoord op kan geven. De noodzaak ervan zou de Governor op dat moment moeten aangeven.
  2. Project Prodigy 3 “Implementation of reforms and optimizations at the Central Bank of Suriname”. De getuige verklaart: dit project was wel noodzakelijk voor de CBvS. U houdt mij voor dat deze overeenkomst is getekend op 25 juli 2019. Het resultaat van dit project zou dwars door de gehele organisatie ten goede komen. Er was aangegeven dat ervaren Centrale Bank bankiers betrokken zouden worden bij de uitvoering van dit project. Deze overeenkomst heb ik niet mede ondertekend maar wel geparafeerd. Op verzoek van de Governor moesten wij onze paraaf plaatsen op de overeenkomst ter ondersteuning van het project. Ook als wij onze paraaf niet hadden geplaatst op de overeenkomst zou dit niet veel uitmaken voor de voortgang van het project. De bedragen in de overeenkomst heb ik gezien en die vond ik opvallend hoog.
  3. Project Prodigy 5 “Valuation of Suriname Embassies and Sale and lease back Structure”. De getuige verklaart: naar mijn mening was dit project in eerste instantie noodzakelijk voor de Overheid maar niet voor de CBvS. Indien de bezittingen van de Staat Suriname verkocht zouden worden zou de Overheid daar wel voordeel aan hebben. Het voordeel van de CBvS zou zijn het moment waarop de Overheid in vreemde valuta aan de CBvS zou verkopen of hun eigen uitgaven zou financieren.

Met betrekking tot de overeenkomsten met Orion verklaart de getuige als volgt:

Ik wist niet dat van Trikt aandeelhouder was van Orion. Later begreep ik dit wel. Ik ben dus van mening dat er wel sprake is van tegenstrijdige belangen.

  1. Voor wat betreft de overeenkomst met betrekking tot het optreden van Orion als adviseur en sparringpartner van de CBvS heeft de Governor aangegeven dat het zijn persoonlijke keus is. Voorgaande Presidenten hebben ook adviseurs gehad die hun persoonlijke keus was. Het is eerder niet voorgekomen dat Presidenten, een mede aandeelhouder van een bedrijf als adviseur aantrokken. Aangezien van Trikt en Angnoe zakenpartners van elkaar zijn keur ik het niet goed dat hij Orion als adviseur heeft aangetrokken. Ik ben het met u eens dat het eigenlijk geen probleem zou hoeven te zijn indien dit vooraf besproken was met de directeuren en de RvC. Ik als directeur ben pas achteraf nadat hij het besluit had genomen ermee geconfronteerd dat Orion als adviseur was aangetrokken. Het besluit was dus al genomen. Alle andere directeuren zijn achteraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
  2. Voor wat betreft het project met betrekking het inrichten en opzetten van de Internal Audit kan ik u het volgende zeggen: er zou een aanbesteding gehouden kunnen worden ten aanzien van dit project of andere bedrijven zouden ook benaderd kunnen worden. Ik denk wel dat er andere bedrijven in Suriname te vinden zijn die dit project zouden kunnen uitvoeren. Ik denk aan andere accountant kantoren en adviesbureaus.
  3. Ten aanzien van het project met betrekking tot assistentie bij het inrichten en opzetten van de afdeling Financial Intelligence bij de CBvS verklaar ik het volgende. Ik zou hierover geen uitspraak kunnen doen of er andere bedrijven in Suriname zijn die dit project zouden kunnen uitvoeren. Wat ik weet is dat [getuige 18] ten behoeve van de Internal Audit Department was aangetrokken maar dat hij daar niet het gewenste resultaat heeft geleverd. Ons advies aan van Trikt ten aanzien van [getuige 18] was om de overeenkomst met hem te beëindigen na verloop van het contract. Ons advies is helaas niet opgevolgd door van Trikt. Integendeel heeft hij hem op het project met betrekking tot de afdeling Financial Intelligence gezet.
  4. Voor wat betreft de overeenkomst met betrekking tot het faciliteren en begeleiden van de stagiaire deel ik u mede dat er geen enkele accountantskantoor kon worden gevonden om haar te begeleiden. Ik ging ervan uit dat de facilitering van de medewerkster om stage te lopen kosteloos zou zijn. Achteraf bleek het tegendeel nl. dat het niet kosteloos was. Ik weet niet of een ander bedrijf zou willen faciliteren als zij betaald zouden worden. Dat zou ik moeten verifiëren. Het is echter niet ondenkbaar dat andere bedrijven wel zouden faciliteren tegen betaling.
  5. Voor wat betreft de overeenkomst betrekking hebbende op het wapenarsenaal Deel ik u mede op uw concrete vraag dat ook de politie of de defensie dit onderzoek zouden kunnen doen. In eerste instantie was ik van mening dat de politie dit onderzoek zou moeten doen omdat dit project is gekomen naar aanleiding van de informatie van een medewerker van de afdeling beveiliging. Deze informatie hield in dat er onregelmatigheden waren met betrekking tot het Wapenarsenaal, waarbij er wapenonderdelen en munitie ontbraken. Om die reden was ik van mening dat de politie het onderzoek zou moeten doen. Van Trikt was echter van mening dat het een zooitje was bij het wapenarsenaal en dat hij de boel wilde reorganiseren.

Met betrekking tot de royalty overeenkomst verklaart de getuige als volgt:

Op basis van de Royalty overeenkomst die op 1 november 2019 getekend is, heeft de minister al miljarden (2.2.miljard) getrokken. Deze transactie is geboekt op de tussenrekening. Er was een discussie over de vraag onder welke noemer de transactie moest worden geplaatst. Dat is de reden waarom het op de tussenrekening is geboekt. Wij zouden hierover aan de accountant van de bank advies vragen onder welke post de boeking moest plaatsvinden. Het gevolg hiervan is dat deze post nog niet zichtbaar is. Pas als duidelijk is onder welke noemer het geplaatst moet worden zal het zichtbaar zijn. Deze werkwijze is niet ongebruikelijk. Dit zal ook meegenomen moeten worden in de weekstaat van de CBvS. In februari 2020 heeft de laatste trekking van het bedrag plaatsgevonden. Nu moet er een besluit worden genomen onder welke noemer het geplaatst moet worden. Deze lening c.q. overeenkomst is niet geregistreerd bij het Bureau voor de Staatsschuld. De Staat Suriname heeft een langlopende lening van 2.3 miljard van 2015. Er is geen dekking omdat het een langlopende lening is.

U vraagt mij of de lening van 2.2 miljard Surinaamse Dollar welke als dekking heeft de royalty’s van Rosebel Gold Mines geen langlopende lening is. Voor de duidelijkheid wil ik aangeven dat ik nog niet weet of er sprake is van een lening in dit geval. Het moet nog worden vastgesteld. Op uw vraag waarom er voor deze overeenkomst wel een dekking is, verklaar ik dat ik geen antwoord heb op die vraag. De schuld van 2015 is nog steeds 2.3. miljard Surinaamse Dollar. Voor zover ik weet wordt er niets afgelost van deze schuld. Op deze schuld is er geen rente bijgeboekt.

Met betrekking tot de overeenkomsten regarderende de 1ste en 2de tranche onroerende goederen verklaart de getuige als volgt:

Ik ben bekend met de twee brieven van de MinFin aan de Governor van de CBvS. Één is van 20 september 2019 en daar zijn er 9 onroerende goederen met een waarde van 60 miljoen Euro overgenomen. De andere brief is gedateerd 26 juni 2019 en daar zijn er 8 onroerende goederen overgenomen met een waarde van 45 miljoen Euro. Juridisch zijn geen van deze onroerende goederen nog overgedragen aan de CbvS. Ik ben er niet van op hoogte of er is onderzocht dat deze onroerende goederen allemaal aan de Staat Suriname toebehoren.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 2] opgemaakt door [verbalisant 1] dd. 08 maart 2020 en bij de RC in het kader van het GVO dd. 23 maart 2020 en dd. 02 april 2020:

Met betrekking tot de Clairfield overeenkomsten verklaart de getuige:

Doordat de normale aankoopprocedures van de Bank niet zijn gevolgd, werd het vermoeden versterkt dat er mogelijk sprake was van financiële ongeregeldheden. Tegen die tijd kwam er ook informatie naar boven, met betrekking tot de zakelijke verwevenheden tussen Clairfield en ORION. Hierdoor begon ik twijfels te krijgen over de argumenten van de ex-Governor, om projecten zonder openbare aanbesteding te gunnen aan Clairfield. Het argument dat de ex-governor consequent gebruikte was, dat de projecten beschouwd moesten worden in het kader van de sociaal economische ontwikkelingsfunctie van de CBvS en tegen de achtergrond van de verbreiding van de ontwikkelingsrelatie met België, alwaar Clairfield is gevestigd, als tegenhanger van Nederland, die in politiek opzicht moeilijk deed tegen Suriname. De minister heeft op enig moment in augustus en september 2019 een meeting gehad met de ex-Governor op het ministerie van Financiën. Bij deze meeting waren ook aanwezig, mij persoon en Hausil. Ik kan mij niet meer herinneren of er anderen bij waren. Op deze meeting heeft de minister aan de ex-Governor voorgehouden dat hij van de President heeft gehoord over transacties met Clairfield. Daarbij is aangegeven dat de ex-Governor op zijn zaken moest letten. De ondertoon van het gesprek was dat er hoge bedragen werden betaald voor projecten.

Met betrekking tot de overeenkomsten met Orion verklaart de getuige als volgt:

Volgens de ex-Governor had hij geen andere banden met Orion behalve dat het gebouw waarin Orion gevestigd was aan hem toebehoorde en dat hij en zijn gezin leefden van de huuropbrengsten van dat gebouw. Het zou niet passen als mocht blijken dat, anders dan hij mij heeft voorgehouden, hij wel banden heeft met Orion. De ex-Governor heeft mij ten onrechte geïnformeerd dat hij geen banden heeft met Orion. Indien ik had geweten dat hij aandeelhouder was bij Orion dan zou ik de overeenkomst m.b.t. FID niet hebben mede geparafeerd. Ik zie dit namelijk als conflict of interest.

Met betrekking tot Royalty overeenkomsten verklaart de getuige als volgt:

Ik verwijs u daarbij naar de overeenkomst d.d. 1 november 2019 tussen de Republiek Suriname en de CBvS. In deze overeenkomst is opgenomen dat de inkomsten vanuit de royalty’s van RGM zouden worden gebruikt om de langlopende schulden van de Staat bij de CBvS in te lopen. Echter is gebleken dat het resultaat van dit project juist is gebruikt om een nieuwe schuld van 2.2 miljard SRD aan te gaan. Dit is dus geheel in strijd met de overeenkomst. Binnen de CBvS is er een discussie gaande onder welke noemer deze schuld moet worden geboekt. Dit omdat ingevolge de bankwet de CBvS geen langlopende leningen mag verstrekken. Vooralsnog is deze schuld geboekt op een tussenrekening.

Met betrekking tot de manipulatie cijfers van de valuta-interventies verklaart de getuige als volgt:

De ex-Governor had zijn preferentie aangegeven hoe het totaal bedrag aan interventie uitgesmeerd moest worden over de verschillende maanden, aangevende dat hij dit zou doorgeven aan de Minister van Financiën. De ex-Governor heeft toen mij persoon, Hausil en [getuige 1]gevraagd om de data op een bepaalde manier te presenteren. Verder ook nog andere informatie te verstrekken aan de minister, die direct danwel indirect relevant was om de interventies data in perspectief te plaatsen. Na over en weer met de ex-Governor te hebben gecorrespondeerd over de presentatie van de interventie data, hebben wij uiteindelijk een document gepresenteerd dat acceptabel was voor de ex-Governor. Zowel mij persoon, Hausil als [getuige 1] waren van mening dat de juiste data aan de minister moest worden gepresenteerd, echter heeft de ex-Governor aangegeven dat op zijn verantwoordelijkheid de gecorrigeerde versie moest worden afgegeven aan de minister. Volgens de informatie van de ex-Governor moesten wij ervoor zorgen dat er in de data geen pieken voorkwamen, maar dat de data min of meer gelijkelijk verdeeld moesten worden. Volgens de correcte cijfers was er in de maand juli 2019 geïntervenieerd voor een cash bedrag van €18.067, 300, -. Dit ziet u ook in het tabel ( 9de vervolg dossier, pag.34).

Dit bedrag vond de ex-Governor veel te hoog en hij was van mening dat het niet zo gepresenteerd kon worden omdat er anders vragen zouden kunnen komen vanuit DNA. Ter uwer informatie deel ik u mee dat in die periode enkele personen waren aangehouden met een grote hoeveelheid Euro’s op de vlucht naar Miami. Het was bekend dat mensen in Miami Euro’s wisselden voor US Dollars. Door deze situatie was de ex-Governor bang dat men het idee zou hebben dat hij de oorzaak was van de grote hoeveelheden Euro’s die waren aangetroffen omdat de CBvS voor zo’n groot bedrag had geïntervenieerd. Naar mijn mening is deze presentatie niet juist omdat het geen betrouwbaar beeld geeft. Ik ben van mening dat de juiste cijfers moeten worden gepresenteerd. Ik kan gerust zeggen dat de correcties onder een bepaald druk van de ex-Governor zijn gepleegd omdat hij onder geen beding wilde dat het anders moest. Hij zei dat hij alle verantwoordelijkheid daarvoor droeg en dat hij de minister zou zeggen dat hij de interventie data gelijkelijk heeft verdeeld. Om deze reden zijn wij gezwicht voor hetgeen de ex-Governor heeft gevraagd. Voornoemde getuige heeft een toelichting gegeven met betrekking tot het laatst aangehaalde bij pv dd. 01 mei 2020 opgemaakt door [verbalisant 2] met als onderwerp: Analyse en toelichting van de documenten, die zijn overlegd door [getuige 2] tijdens de open confrontatie met VAN TRIKT, Robert Gray waarin hij de cijfers van de valuta-interventies verduidelijkt

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 3] opgemaakt door [verbalisant 3] dd. 06 april 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd 25 maart 2020:

De getuige verklaart: dat hij als gewezen regeringscommissaris toezicht zou moeten houden op de handelingen van de CBvS. De juiste wijze zou zijn, dat wij tenminste één keer per twee weken zouden vergaderen met de Governor en/of de minister van Financiën. Dat is wel zo begonnen tijdens mijn aantreden als regeringscommissaris maar het is niet gecontinueerd. Ik heb er wel steeds naar gevraagd bij de ex-Governor, echter had ik het gevoel dat hij de besprekingen ontweek en dat hij niet erg happig was om de besprekingen te voeren. Hij heeft mij zelf tot twee keren toe laten wachten nadat wij een afspraak hadden om te vergaderen. De laatste keer ben ik zelf weggegaan omdat ik dat niet accepteerde. De eerste keer zal rond augustus 2019 zijn geweest en de tweede keer was rond eind oktober begin november 2019. De overeenkomsten tussen de CBvS en Clairfield heb ik pas omstreeks 10 januari 2020 gezien en de overeenkomsten met Orion zijn omstreeks een week later aan mij gepresenteerd door de directie. Gelet op de financiële verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomsten in relatie tot de dienstverlening ben ik van mening dat de bedragen in de overeenkomsten absurd zijn. Daarnaast ben ik van mening dat de ex-Governor buiten zijn bevoegdheid heeft gehandeld, op één van de overeenkomsten na. Naar aanleiding van het onderzoek zijn er transacties naar boven gekomen waar ik mijn vraagtekens bij plaats. Ik verwijs hierbij naar een bedrag van € 1.250.000, – dat is overgemaakt naar Clairfield. Ik ben er niet van op de hoogte dat in het rapport m.b.t. het Project LAGARDE 1 een waarde van US$ 300 miljoen (tegenwaarde 2.2. miljard SRD) is gekoppeld aan de royalty’s voor 15 jaar. Ik heb wel een vijf tellend pagina’s rapport gezien waarvan vier pagina’s grafieken hadden en slechts één pagina een berekening had. De berekening van de NPV (Net Present Value of Netto Contante Waarde) is geen ingewikkelde zaak. Ik denk wel dat de economen op de banken deze berekening zelf konden maken. Een fee is afhankelijk van de prestatie. Naar mijn mening is de prestatie die geleverd is voor dit project (5 pagina’s tellend rapport) niet in verhouding tot het bedrag dat daarvoor betaald is. In casu gaat het om een bedrag van € 620.000, = dat betaald zou moeten worden voor dit project waarvan een voorschot van € 300.000, = is betaald. Ik hoor de advocaat zeggen dat de afgesproken fee bedraagt ongeveer 2% van de waarde van de royalty’s. Hierop zeg ik dat gezien de ingewikkeldheid van de opdracht een bedrag van € 5000, = naar mijn redelijk zou zijn.

M.b.t. de overeenkomsten gesloten tussen de CBvS met Orion: Vanwege de relatie tussen van Trikt en Orion zou het raadzaam zijn geweest als de RvC daar strenger mee was geweest. De contracten met Orion zouden dus moeten worden voorgelegd voor toetsing aan de RvC. Ik verwijs hierbij naar de bepalingen van het handboek deugdelijk bestuur van de CBvS.

M.b.t. de panden: Ik ben van mening dat het kopen van panden en onroerend goed uitsluitend voor eigen gebruik van de CBVS mogelijk zijn. Anders kan het niet. In deze voldoet deze transactie niet aan de regels van de Bankwet. Voor zover ik weet heft de overdracht niet plaatsgevonden, volgens informatie verkregen van de heer ROEMER. In feite zou de RvC gekend moeten worden conform de regels van het Wetboek van Koophandel. Voor zover het Wetboek van Koophandel niet van toepassing is, zou de zorgvuldigheid wel eisen dat een dergelijke transactie met de RvC zou moeten worden besproken.

M.b.t. de royalty overeenkomst: Het was een feit dat de CBvS aan de hand van de overeenkomst van 01 november 2019 de SRD 2,2 miljard niet mocht verstrekken aan de Staat. Ik ben als gewezen regeringscommissaris niet op de hoogte of betrokken geweest van deze overeenkomst. Ik weet ook ik niet waarom deze transactie toch heeft plaatsgevonden. Aan de hand van de thans beschikbare informatie lijkt het erop dat er een additionale of Monetaire financiering heeft plaatsgevonden, méér dan de Bankwet toestaat. De Bankwet staat toe 10% van de gewone dienst te financieren conform het gestelde in artikel 21 lid 2 van de Bankwet.

M.b.t. de cijfers van valuta interventies: Het is niet correct om cijfers op zo’n manier te corrigeren, ook niet in opdracht van de Governor. Je kunt niet willens en wetens verkeerde informatie presenteren aan DNA.

  1. Het proces – verbaal [getuige 4] opgemaakt door [verbalisant 2] dd. 09 februari 2020 en bij de RC in het kader van het GVO dd. 12 maart 2020:

De getuige verklaart (m.b.t. Project Strenght): Wij van de Hakrinbank hebben aan de politie een overzicht van de betalingen aan Clairfield mbt project Strenght overgelegd. Dit document is gedateerd 10 februari 2020. Op 4 september 2019 heeft de Hakrinbank € 60.000, = overgemaakt op de rekening van Clairfield bij de BNP Fortisbank. Tot heden is er niets meer bij betaald aan Clairfield. Uit het overzicht blijkt verder dat voor wat betreft het vast gedeelte een bedrag van €50.000, = nog betaald moet worden. Ten aanzien van dit saldo bedrag hebben wij geen invoice van Clairfield ontvangen waardoor dit saldo nog openstaat. Voor wat betreft het variabel gedeelte (“succes fee”) op basis van 1,25% moet de Hakrinbank nog ongeveer een bedrag van US$250.000, = tot 275.000, = betalen aan Clairfield.

Ik weet niet welke afspraken tussen Clairfield en Orion zijn gemaakt. Naar mijn inschatting heeft Clairfield meer werk verricht dan Orion in het kader van dit project. Wij hebben de bedrijfsinformatie van de Hakrinbank aangeleverd in een shared file waar Hakrinbank, Clairfield en Orion toegang hadden. Clairfield heeft de rapporten opgesteld. Hakrinbank heeft deze rapporten becommentarieerd en Clairfield heeft verder gefinaliseerd. Uit de rapporten heeft Orion presentaties gemaakt en deze zijn gehouden op kantoor bij Orion voor potentiele beleggers. Bij de uitvoering hebben zij ook ondersteuning verleend. De inschrijvers konden verder ook op het kantoor van Orion inschrijven naast de Hakrinbank kantoren. Hieruit concludeer ik dat Clairfield meer werkzaamheden heeft verricht dan Orion.

M.b.t. formulier incoming payments: Hierop deel ik u mede dat dit document betreft een verklaring waarbij door de ontvanger van een betaling, dient te worden aangegeven wat de reden is van de ontvangen gelden. Uit deze verklaring blijkt dat dhr. Ashween Angnoe, die de procuratiehouder is van de rekening van Orion Capital Investment bij de Hakrinbank, verklaart dat de reden van de overmaking van het bedrag van € 625.000, = betreft “voorschot verleende diensten”. Dit formulier is bestemd voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT). Indien achteraf blijkt dat de reden waarvoor de overmaking heeft plaatsgevonden niet juist is, betekent dit dat aan de Hakrinbank en MOT verkeerde informatie is doorgespeeld.

M.b.t. de Clairfield overeenkomsten: Ik ben niet bekend met de inhoud van de overeenkomsten tussen Clairfield en de CBvS. Ik kan u wel zeggen dat bij consultancy overeenkomsten waarin de Hakrinbank partij is wij nimmer non-refundable fees overeenkomen. Wij kunnen hooguit een succesfee overeenkomen in voorkomende gevallen en dit bedrag is variabel. Voor wat betreft het uitbrengen van adviezen wordt meestal een uurloon overeengekomen of eventueel een vast bedrag op basis van de werkzaamheden die verricht zullen worden. Doorgaans worden betalingen gedaan nadat een fase is opgeleverd. Ter verduidelijking geef ik aan dat het een risico is voor de opdrachtgever als er non-refundable voorschotten worden overeengekomen. Immers het kan zijn dat het werk om de een of andere reden niet of niet conform afspraak kan worden opgeleverd door de opdrachtnemer. In dit geval loopt de opdrachtgever het risico dan dat hij het door hem betaalde bedrag niet terug krijgt omdat het non-refundable is. De betaling is dan wel gedaan maar het nut is niet ontvangen.

  1. Het proces – verbaal van het 3de nader verhoor van [getuige 5] opgemaakt door [verbalisant 2] dd. 2 maart 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat m.b.t. de reis naar België: zij, als medeweker van Orion niet weet in welke hoedanigheid zij was afgereisd naar België. Zij had wel een agenda ontvangen van CLAIRFIELD over hetgeen in België zou plaatsvinden. Daarin stond haar naam vermeld en kon zij ook lezen, dat het ging om de projecten tussen CBVS en CLAIRFIELD. Echter, heeft de verdachte ASHWEEN Agnoe haar nimmer persoonlijk voorgehouden waarvoor of waarom ze moest afreizen, maar het doel van haar reis was bij haar uiteindelijk wel bekend.

m.b.t. het factuur met de benaming ‘STRENGHT’: In het document is dat niet te zien of af te lezen, maar ik vermoed, dat er een afspraak moet zijn gemaakt tussen CLAIRFIELD BENELUX en ORION CAPITAL INVESTMENTS ten aanzien van een verdeelsleutel omdat zij, ORION in de overeenkomst zijn opgenomen als hoofd en subcontractor. Ik kan u wel zeggen, dat de INVOICE van ORION CAPITAL INVESTMENTS met als datum 12 mei 2019 heel vaag en onduidelijk voor mij is. Aan de hand van de omschrijving kan ik niet zeggen op basis waarvan de facturatie heeft plaatsgevonden. Ook, al zet ik deze INVOICE naast de overeenkomst van project STRENGHT, dan nog kan ik niet uitmaken waarvoor de Euro. 625.000, – is gefactureerd. Ik had geen idee dat het project USD. 500.000, – zou opbrengen. In dat geval lijkt het bedrag van Euro.625.000, – dat ORION in rekening heeft gebracht aan CLAIRFIELD hoog. Ik zeg dat ook naar aanleiding van de werkzaamheden die door mijn team zijn verricht in project “STRENGTH”.

M.b.t. 50% overmaking vanuit Clairfield t.b.v. Orion voor een bedrag van Euro 625.000, -:

De getuige geeft aan het te willen hebben over een contact moment met BUYSSE. Laatstgenoemde haalde hierbij tussen neus en lippen door aan dat er een contract is met ORION van 50% op alle projecten die ORION lokaal uitvoert. Na inzage in het document dat aan haar werd getoond en als het bedrag berekend wordt, is het bedrag dat betaald werd aan CLAIRFIELD door de Hakrinbank namelijk EURO 1.250.000, – voor project STRENGHT, precies 50% gestort op rekening van ORION N.V. Getuige vermoedt dat er tussen BUYSSE en ASHWEEN afspraken waren gemaakt, dat hij 50% zou ontvangen van alle projecten die ORION lokaal zou uitvoeren. Naar aanleiding van de INVOICE van Euro.625.000,- vermoed ik dat CLAIRFIELD Euro 1.250.000, – moet hebben ontvangen van Hakrinbank om 50% daarvan, namelijk Euro.625.000, – aan ORION te kunnen betalen.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 6] afgelegd bij de RC in het kader van het GVO dd. 31 maart 2020:

Met betrekking tot het project Lagerde I: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat bij de overeenkomst Project Lagarde1, er een vergoeding is overeengekomen van € 620.000, =. Er waren afspraken gemaakt over de betalingen en wel als volgt: De betalingen zouden plaatsvinden bij elke deeloplevering van een sub-opdracht. Per sub-opdracht zijn non-refundable cash fees van € 250.000, -, € 110.000, -, € 140.000, – en € 120.000, – afgesproken. Gebleken is dat reeds bij de eerste overmaking een bedrag van €300.000, = i.p.v. €250.000, = is overgemaakt. Waarom er meer is overgemaakt weet ik niet. Bij de invoice zijn er geen onderliggende stukken waaruit zou kunnen worden opgemaakt welk bedrag contractueel is overeengekomen. Bij de overmaking zijn er dus geen checks en balances om na te gaan of een bepaalde overmaking wel of niet terecht is geschied. Ik ga steeds uit van de autorisatie van de Governor. De eerste persoon die zou moeten hebben gezien dat het bedrag op de invoice niet overeenkomt met het bedrag dat in beginsel zou moeten worden overgemaakt o.g.v. de overeenkomst, is de President van de bank. Kort om: De facturen kreeg ik van de ex-Governor om de gelden over te maken naar Clairfield.

M.b.t. valsheid cijfers valuta interventie: Op enig moment was door DNA aan de Minister van Financiën gevraagd naar de informatie over vreemde valuta interventie. De afdeling Buitenland heeft op grond hiervan een lijst geproduceerd hoeveel valuta er beschikbaar is gesteld. De instructie van de ex-Governor was om niet de juiste cijfers aan vreemde valuta interventie af te staan aan de minister van Financiën omdat uit de cijfers bleek dat in de maand juli 2019 een extreem hoog bedrag aan vreemde valuta interventie is geweest. Dit blijkt ook uit het tabel welke u mij ter inzage heeft gegeven over de vreemde valuta interventie. Er is toen een andere lijst geproduceerd, waarvan ik mij de inhoud niet kan herinneren. Deze lijst zal ik opvragen en aan u doen toekomen. Zo een correctie waarbij er een andere lijst aan vreemde valuta interventie dan de originele lijst is geproduceerd, is nooit eerder voorgevallen. Wij waren het er allemaal over eens dat de gecorrigeerde cijfers niet de correcte weergave was van de realiteit. Ik voelde mij onder druk gezet door de ex-Governor om de correcties te plegen. Ter uwer informatie deel ik u mede dat ik vaker door hem ben gezegd dat ik zijn beleid niet moet frustreren. Ik heb eraan meegewerkt om de cijfers te corrigeren vanwege de constante druk die er was van de zijde van de ex-Governor.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 7] opgemaakt door [verbalisant 2] dd. 22 februari 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat ten aanzien van de overeenkomsten tussen CLAIRFIELD BENELUX en VAN TRIKT, die helemaal quasi fiscaal zijn. Ik zie zulke overeenkomsten voor het eerst. De CBVS doet in deze uitgaven die eigenlijk voor rekening van de overheid zouden moeten zijn. Het begrip “quasi fiscaal” houdt kort gezegd in dat de CBVS uitgaven doet ten behoeve van de overheid (de staat) die eigenlijk door de staat zelf betaald moeten worden. Dit blijkt bij de bankwet verboden te zijn.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 8] opgemaakt door [verbalisant 4] dd. 03 maart 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat zij de overeenkomsten aangegaan met [getuige 1] te hebben gehad, die hij op zijn beurt van het secretariaat van de president van de bank heeft gehad. Bij controle van het financieel gedeelte kwam ik tot de ontdekking, althans de afdeling waaraan ik leiding geef kwam ik tot de ontdekking dat er informatie ontbrak omtrent de declaratie aan de bedrijven Clairfield en Orion. Daarom heb ik de overeenkomsten/contracten opgevraagd om na te gaan of declaraties/betalingen conform de contracten zijn gedaan. De non refundable cash fee: zoals het is uitgelegd is betekent dit dat de CBvS gehouden is te betalen, ook bij beëindiging van het contract, dat wat in het contract is overeengekomen. Intern konden wij de declaraties met betrekking tot de reiskosten naar België niet goed plaatsen. Wij hadden geen document, waaruit mocht blijken, dat twee functionarissen van Orion mee moesten gaan op de missie, oftewel de dienstreis naar België en nog steeds hebben wij dat document niet. Althans in het contract van prodigy 2 is niet duidelijk aangegeven waarom CBvS aan Orion moest betalen.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 9] opgemaakt door [verbalisant 1] dd. 11 maart 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat [naam 6] en mij persoon door ex-Governor Van Trikt niet zijn ingezet om besprekingen te voeren met Clairfield toen we naar België waren afgereisd. Wij waren toehoorders bij de presentaties. Er zijn separate besprekingen gevoerd met Clairfield, waarbij [naam 6] en ik in een aparte ruimte moesten wachten. De ex-Governor, [getuige 10], mevrouw Hausil en meneer ANGNOE, Ashween, hebben besprekingen gevoerd met Clairfield. Ik heb hierover s ’avonds vanuit mijn hotelkamer, telefonisch, de heer [getuige 17] , die mijn afdelingshoofd is en ook in de betreffende werkgroep zit, mijn misnoegen kenbaar gemaakt. Ik heb hem duidelijk gevraagd wat het nut is dat ik ben meegekomen. Hij heeft mij toen gevraagd om kalm te blijven. Ook [naam 6] was ontstemd over het uitsluiten van ons twee. Tijdens een presentatie van Clairfield is tot onze verbazing gebleken dat behalve SPIM er meerdere projecten van Clairfield lopen.

De ex-governor was mijns inziens niet bevoegd om zonder machtiging van de Staat Suriname, contracten aan te gaan als gevolg waarvan er voor de Staat Suriname verplichtingen ontstaan. Het lijkt mij ook dat er sprake is van een quasi fiscale activiteit. Ik moet aan u verklaren dat ik niet bekend ben met betalingen die hebben plaatsgevonden. De overeenkomst is niet gestuurd naar onze afdeling.

M.b.t. Orion overeenkomsten: bij deze overeenkomsten tussen CBVS en Orion was er sprake van belangenverstrengeling, omdat dhr. Van Trikt aandeelhouder is van ORION en tevens Governor van de CBvS. Daarom is er sprake van belangenverstrengeling. Dit is onverenigbaar cq een conflict of interest.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 10] opgemaakt door [verbalisant 5] dd. 16 februari 2020:

bij een werkbezoek aan het bedrijf van Clairfield kwamen mw. Hausil en ik de personen dhr. Agnoe en [getuige 5] tegen. Daar aangekomen bleek dat er een bespreking gaande was met betrekking tot de Royalties van de goud bedrijven van Suriname door de heer Angnoe, Hans Buysse en de ex – Governor. Ten tijde van die bespreking werden er berekeningen gemaakt met betrekking tot Royalties, omdat het een economische exercitie was. Wij zaten niet in de bespreking. Wij werden erbij geroepen indien er iets juridisch bekeken moest worden. Dat de ex Governor de Bank heeft gebonden in het kader van enkele overeenkomsten Orion is achteraf bekeken sprake van belangenverstrengeling. Het was mij niet bekend dat er overeenkomsten waren gesloten. En als ik nu met de inhoud ervan geconfronteerd wordt schrik ik ervan. Er zijn vastgestelde procedures om overeenkomsten aan te gaan met bedrijven of personen. Over het algemeen worden overeenkomsten eerst door de afdeling Legal Department grondig doorgenomen, waarna zij een juridisch advies uitbrengen. Hierna word de overeenkomst weer opgestuurd naar desbetreffende afdeling voor verdere afhandeling. Ook moet worden aangeven dat niet alle overeenkomsten bij de afdeling Legal Department gaan. Er worden ook advies genomen bij juristen buiten de bank.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 11] opgemaakt door [verbalisant 6] dd. 19 februari 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat er achteraf bekeken, er wel sprake geweest van antidatering in de leenovereenkomst van het voertuig van de voormalige Governor. Naar ik kort vóór de ondertekening had vernomen was het verzoek om de lening te doen ingaan rond het tijdstip van aanschaf van een voertuig. Dat er geantidateerd is blijkt zulks uit de datum en was dat in opdracht van de gewezen Governor Van Trikt.

  1. Het proces – verbaal van het 2de nader verhoor van [getuige 12] opgemaakt door [verbalisant 1] dd. 17 februari 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd 3 maart 2020:

Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat met uitzondering van de twee voertuigen, die hij heeft laten importeren voor de governor ROBERT-GRAY VAN TRIKT als dienstvoertuigen t.b.v. de CBvS, hij, getuige ook een privé voertuig voor hem, ROBERT-GRAY VAN TRIKT heeft geregeld. Het betreft éen door M&N Car Center een grijs/groen gelakte SVR RANGE ROVER, dat al was geïmporteerd naar Suriname. Hij, getuige ging op bezoek bij M&N Car Center en zag het voertuig. Ik wist dat Robert van RANGE ROVERS houdt, waardoor hij contact maakte met hem of hij een koper had voor bedoeld voertuig. Op vrijdag 29 november 2019, had ik telefonisch contact gemaakt met ROBERT-GRAY VAN TRIKT. Ik vroeg hem als hij iemand kende die een RANGE ROVER wilde kopen. Ik stuurde foto’s van bedoeld voertuig via Whatsapp voor hem. Daarna zei Robert aan mij dat hij het voertuig wilde bezichtigen, daar zijn zakenpartner ANGNOE, Ashween, binnenkort jarig zou zijn en hij had hard gewerkt, dus hij verdiende ook zo een mooie auto. De volgende zaterdag 30 november 2019 moest ik het voertuig voor hem brengen. Ik bracht de auto op die bewuste dag naar het kantoor van ORION aan de [adres 2] in [district]. Robert Van Trikt was ter plaatse met zijn lijfwachten, personeelsleden van dat bedrijf alsook ANGNOE, Ashween. ANGNOE vond het voertuig mooi en wilde het hebben. Toen heeft Robert mij gevraagd als hij het geld in twee termijnen kon betalen. Ik heb toen contact gemaakt met [getuige 14] voor overleg. Echter zei [getuige 14] dat de auto casco verzekerd moest worden, waarna alle papieren in orde zijn gemaakt. Voorts dat het voertuig op naam van M & N Car Center zou blijven staan tot alles afbetaald was. Het voertuig was op dat moment niet voorzien van kentekenplaten. Dat heeft M & N Car Center in orde gemaakt en werd de auto op 4 december 2019 door mijn medewerker geleverd voor ANGNOE, Ashween, bij het bedrijf ORION aan de [adres 2] in [district]. De eerste deelbetaling was Euro 100.000, — en hiervan is op 10 december 2019, betaald Euro 90.900,– op rekening van M &N Car Center in Nederland en Euro 9.100, – is betaald op de bankrekening van mijn broer in Nederland ten behoeve van mij. Het verzoek om de betaling in Nederland te doen geschieden is geweest op verzoek van Van Trikt. Het bedrag moest worden overgemaakt naar twee rekeningen, omdat een deel mijn gedeeltelijke winst betrof terwijl het ander deel ten behoeve was van de importeur. Van Trikt heeft mij niet gevraagd waarom de overmaking naar twee rekeningen moest geschieden. De afspraak is dat de tweede termijn (Euro 100.000, -) in augustus 2020 moet worden betaald. Vandaar dat de auto nog niet is overgeschreven op naam van de koper.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 13] opgemaakt door [verbalisant 2] 20 februari 2020:

Uit de verklaring van voornoemde getuige is komen vast te staan dat hij als gewezen Governor van de CBvS de volgende procedure hanteerde voor het ondertekenen van een overeenkomst namelijk: “Als ik een overeenkomsten onder ogen kreeg stuurde ik die gelijk naar de juridische afdeling voor advies. Ik wilde mij altijd goed laten adviseren alvorens ik een overeenkomst ondertekende. Ik koppelde ook altijd met de vak afdeling en de juridische afdeling zodat zij samen konden werken aan de overeenkomst, vóórdat die door mij werd ondertekend. In periode van mijn governorschap heb ik voorbereidingen gepleegd om rechtstreekse rapportagelijnen naar de RVC tot stand te brengen. In dat kader had ik, vóórdat ik bij de Centrale Bank vertrok, middels een instructie gedaan gekregen dat het Hoofd van de afdeling Internal Audit rechtstreeks kon rapporteren aan de RVC. Ook het Hoofd van de Juridische Zaken zou dat moeten kunnen doen bij de RVC. Ten aanzien van de afdeling Juridische Zaken wil ik aangeven, dat ik de instructies reeds lang had gegeven, doch is de uitvoering door de drukke werkzaamheden blijven liggen. ANGNOE is van het accountantskantoor van VAN TRIKT. Ik als governor zou hem niet aantrekken voor het project IAD, omdat de IAD daardoor niet onafhankelijk zou kunnen functioneren. Zoals ik reeds eerder heb aangegeven, de IAD moet onafhankelijk kunnen functioneren om rechtstreeks met de RVC te kunnen communiceren.

M.b.t. de Clairfield overeenkomsten: ik zou de overeenkomst met CLAIRFIELD BENELUX met als onderwerp “PROJECT PRODIGY- VALUATION OF THE ASSETS OF THE GOVERNMENT OF SURINAME” niet ondertekenen. Er is te weinig informatie daarin om het bedrag dat is opgenomen, te rechtvaardigen. Ik zou zo een overeenkomst eerst opsturen naar de juridische afdeling met de aantekeningen om het een en ander in de overeenkomst voor mij uit te werken. In de overeenkomst zou duidelijk of specifiek moeten staan welke werkzaamheden op welk moment of periode zouden worden verricht. Zo alleen kan het verloop van de werkzaamheden worden beoordeeld en kunnen de betalingen worden verantwoord. Kortom, er is veel te weinig informatie in de overeenkomst. De non – refundable fee in dit geval vind ik heel erg vreemd. De non – refundable fee ben ik eerder wel tegengekomen, maar niet in zulke overeenkomsten. Ik denk, dat een non – refundable fee meer wordt gebruikt in overeenkomsten met ICT-bedrijven. Ik zie ook, dat er bij de ondertekening de helft van het totaalbedrag is betaald. Het is niet nieuw dat er bij het ondertekenen van een overeenkomst al een bedrag wordt betaald zodat het bedrijf enkele uitgaven kan doen om een aanvang te kunnen maken met de werkzaamheden, maar de helft van het totaal bedrag is wel aan de hoge kant. De uitvoer van “PROJECT PRODIGY- VALUATION OF THE ASSETS OF THE GOVERNMENT OF SURINAME” valt niet binnen de Bankwet. In dit project gaat het duidelijk om iets van de Staat Suriname. Het is voor mij ook een raadsel waarom de CBVS dit project moet doen terwijl de Staat Suriname de informatie nodig heeft. Ik zie niet welk belang / voordeel CBVS daarbij zou hebben. Het komt quasi fiscaal over en dat wordt door de Bankwet verboden.

Artikel 9 onder f van de Bankwet, waarop de verdachte Van Trikt zich beroept, geeft slechts de betrokkenheid aan bij het monetair beleid van de regering. Met andere woorden is de CBVS ondersteunend en niet andersom. Artikel 9 f verwijst naar de voorgaande leden van artikel 9, het is meer een verduidelijking. Artikel 9 gaat over het macro-economisch bestuur zoals werkgelegenheid; evenwichtige prijspeil (dit is een kerntaak van de CBVS); evenwichtige inkomensverdeling, zorg voor het milieu en bevorderen van de economisch groei. Het komt mij in het geval van “PROJECT PRODIGY- VALUATION OF THE ASSETS OF THE GOVERNMENT OF SURINAME” voor dat het om een aangelegenheid van de Staat gaat welke buiten het werkterrein van de CBVS valt.

Net als bij het eerste project gaat het PROJECT LAGARDE 1 VALUATION AND FAIRNESS OPINION OF RGM ROYALTY STRUCTURE” ook om een project van de Staat Suriname. Het komt bij mij ook quasi fiscaal over omdat de CBVS er geen belang bij heeft, althans het behoort in mijn visie niet tot het werkterrein van de CBVS

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 14] opgemaakt door [verbalisant 2] 17 februari 2020.:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat t.a.v. de inbeslaggenomen LANDROVER (bouwjaar 2019), [getuige 12] mij had voorgehouden, dat die auto bestemd was voor ene ASHWEEN van het bedrijf ORION. Echter, was deze ASHWEEN er niet bij toen er over de prijs werd onderhandeld. Omgerekend kostte de auto Euro 180.000 en met [getuige 12] ben ik overeengekomen, dat er bij de aankoop de helft worden betaald en het resterend deel in maximaal 8 maanden. Dat zijn wij overeengekomen. [getuige 12] heeft die auto meegenomen en zou hij de auto tonen aan ASHWEEN en als die het goed zou vinden zou de deal uiteindelijk worden beklonken. De maandag daarop gaf hij door dat de auto goed was bevonden en dat de Euro 90.000 voor mij zou worden overgemaakt of althans voor M&N-carcenter. Er werd aan mij voorgehouden, dat het geld op een Nederlandse rekening zat en dat zij het voor mij zouden overmaken in Suriname. Voor de gemakkelijkheid heb ik een bankrekeningnummer in Nederland van mijn zakenpartner [getuige 15] doorgespeeld. De overmaking heeft toen plaatsgevonden en wel door het bedrijf LIMEBRIDGE VZW. Er is in totaal Euro 90.900,– overgemaakt.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 15] opgemaakt door [verbalisant 1] dd. 27 februari 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat het geld ten behoeve van de Range Rover, op 10 december 2019 ten behoeve van [getuige 14] op zijn – getuige ’s rekening – is gestort. Hij, getuige had van [getuige 12] en [getuige 14] begrepen, dat iemand geld wilde overmaken vanuit Nederland, voor een auto die zij hadden verkocht. Het geld moest van Nederland naar Suriname overgemaakt worden, doch zou dat te lang duren. [getuige 12] , [getuige 14] en ik waren samen toen hierover werd gesproken. Ik heb toen aan hen gezegd, dat zij mijn rekeningnummer konden gebruiken voor die overmaking. Als het geld overgemaakt zou worden, zou ik dat gemakkelijk kunnen controleren. Het bedrag, dat is overgemaakt op zijn rekeningnummer ten behoeve van [getuige 14] bedroeg Euro 90.900, – en is voormeld bedrag via LIMEBRIDGE VZW overgemaakt. Het rekeningnummer is [nummer 1] Ik vermoed dat het een Belgisch rekeningnummer is. Als omschrijving is aangegeven: Company Car Ashween Angnoe. Ik weet niet wie het geld heeft overgemaakt.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 16] opgemaakt door [verbalisant 7] 11 maart 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat het niet noodzakelijk was dat ORION N.V. binnen gehaald moest worden bij het project (Opzet van de Internal Audit Afdeling). Want achteraf bekeken was het niet noodzakelijk. ORION N.V heeft aan de hand van het dossier van [getuige 18] alle opgeleverde documenten opgemaakt. Er was daar duidelijk sprake van plagiaat. Met betrekking tot voornoemde overeenkomst tussen de CbvS en Orion kan er gesproken worden over een belangen verstrengeling tussen Orion N.V en VAN TRIKT, dit omdat Van Trikt ook mede eigenaar is van ORION. Er moet duidelijk sprake zijn van een functie scheiding.

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 17] opgemaakt door [verbalisant 7] dd. 19 februari 2020:

is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat er op hem op gegeven moment druk werd gezet om de leenovereenkomst te ondertekenen. Terwijl ik het nog was bezig te bespreken met mijn collega [getuige 11] als ik het document moest tekenen of niet, werd ik tot drie maal toe gebeld door VAN TRIKT. Bij de derde keer zette ik deze op luidspeaker en liet mijn overige twee collega’s horen doe hij druk op mij uitoefende om deze overeenkomst te ondertekenen. M.b.t. de Clairfield overeenkomsten: ik ben niet bekend met deze gesloten overeenkomsten met het genoemd bedrijf. Ik ben ook niet betrokken geweest bij de tot standkoming van deze bewuste overeenkomsten. Ik heb deze overkomsten niet gescreend. Ik heb hiervan kennis genomen op een veel later stadium

  1. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 18] opgemaakt door [verbalisant 1] 20 februari 2020:

Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat hoewel naar verluidt de ex-Governor Van Trikt geen directe betrokkenheid meer had bij ORION, het in het algemeen bijzonder onverstandig is om zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling te laten ontstaan. Zeker niet in zo een high profile functie. Ik heb daarover niets gezegd, maarik vond het onverstandig. Maar nogmaals ik ben het komen aantreffen. Het is was niet mijn taak om mij formeel daarover uit te laten. Als ik nog in de rol van Interim Hoofd Internal Audit zat had ik daar vanuit mijn functie zeker iets over moeten hebben gerapporteerd aan de Audit Committee van de RvC. De hele bancaire sector was denk ik voorzichtig met het inhuren van Orion gezien de voormalige betrokkenheid van Robert VAN TRIKT bij Orion. Ook bij de Hakrinbank, waar ik voorzitter van de Audit Committee ben, is de Directie van de Hakrinbank geadviseerd om behoedzaam met de inzet van Orion als consultant om te gaan. Ik ben niet op de hoogte dat het project IAD aangegaan is en zie dit document nu voor de eerste keer. Naar de aard van het project vind ik het bijzonder onverstandig uit hoofde van integriteit en good governace. Het is op de rand van het toelaatbare zo niet onacceptabel om een gewezen partner in een consultatiebedrijf zo een kritische opdracht te gunnen aan je eigen voormalig kantoor. Overigens vind ik de overwegingen genoemd voor het aangaan van dit project of fout, of suggestief, bezijdens de waarheid, twijfelachtig. Met de kennis van nu achteruit kijkend, bekruipt mij nu wel het nare gevoel dat Governor Van Trikt mij doelbewust omstreeks april 2019 van de afdeling Interne Controle heeft gedirigeerd naar de andere eerder genoemde afdelingen, in eerste instantie naar DTK, om ruimte te creëren voor een opdracht aan Orion, zonder dat dit tot een tegengeluid van mijn zijde zou kunnen leiden. Afdeling Iinternal Audit moet zowel effectief als in haar uitstraling naar de organisatie een hoge mate van onafhankelijkheid kunnen hebben. Binnen haar mandaat moet ook vallen het integer en compliant handelen van de Governor zelf. Door ORION aan te trekken creëer je minimaal de schijn tegen je, dat je die belangrijke onafhankelijke positie van de afdeling Interne Controle niet daadwerkelijk wenste door te voeren.

  1. Het proces – verbaal van het nader verhoor van [getuige 19] opgemaakt door [verbalisant 2], dd. 12 maart 2020:

Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat de invoice op naam van CAPITAL INVESTMENTS N.V. met daarop het bedrag Euro 625.000,– door haar is opgemaakt in opdracht van ANGNOE, Ashween. Ze heeft voor het opmaken van deze factuur nimmer een overeenkomst onder ogen gehad. Alle informatie voor die factuur heeft ze van ANGNOE per mail ontvangen.

  1. Het proces – verbaal van het nader verhoor van [getuige 20] opgemaakt door [verbalisant 4] dd. 11 maart 2020:

 

Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat de getuige het geval met betrekking tot het manipuleren met de cijfers voor de interventies van de CBvS gedurende een bepaalde maand wel kent. Dat overzicht van de valuta-interventie van de afdeling Kassierderij en Buitenland was er al en daarom had de heer [getuige 1] aan de heer [getuige 2] gevraagd om dan een analyse en of een presentatie te maken van dat overzicht. Mijn afdeling FCM, waarvan ik hoofd ben, heeft daaraan meegewerkt en werd het eindresultaat opgestuurd naar de Bankpresident. Kennelijk had de Bankpresident geen voldoening daarmee en wilde meer informatie in de analyse. Ter uwer informatie moet ik aan u verklaren dat ik niet bekend ben met het voorgesprek tussen de minister en de ex-governor VAN TRIKT, Robert-Gray over het verzoek van de valuta-interventie data. Tijdens de meeting over de valuta-interventie analyse werd er gebeld met de ex-governor, VAN TRIKT Robert-Gray, die op dat moment in het buitenland vertoefde en gaf hij via conference call de instructies hoe de gemiddelde valuta-interventies in de tabel verwerkt moesten worden. Verder wilde hij ook in de analyse zien de aanleiding tot beschikbaarstelling van vreemde valuta, de strategie die de Bank heeft gevolgd en hoe de CBvS de internationale reserves heeft opgebouwd en ook nog hoe de CBvS de SRD liquiditeiten heeft afgeroomd. Hij wilde de valuta-interventies plaatsen in een bepaalde context. Naar aanleiding hiervan werden de instructies gegeven, hoe wij het gemiddelde met betrekking tot valuta-interventies over de maanden maart 2019 tot en met juli 2019 in een tabel moesten verwerken. Kortom heeft de heer Van Trikt heeft gevraagd om de valuta-interventie data te verdelen als een soort gemiddelde over de maanden maart 2019 tot en met juli 2019. Ik heb mezelf die vraag ook gesteld, want ik zag het nut niet in om een gemiddelde maandelijkse valuta-interventies te verwerken. Dat overzicht was er al van de afdeling Kassierderij en afdeling buitenland met het eindresultaat. Ik weet ook niet of die informatie aan de minister van Financiën is doorgegeven.

Het schriftelijk bewijs.

  1. Verklaring Incomming Payments met als reden van overmaking Voorschot verleende diensten. Voor een bedrag groot Euro 625.000, — (overmaking Clairfield Benelux voor Orion Capital Investments).
  1. Verklaring Incomming Payments met als reden van overmaking Factuur OCI-2019-003 “Project strenghth”. Voor een bedrag groot Euro 625.000, – (overmaking Clairfield Benelux voor Orion Capital Investments).
  1. Dossier I productie 26: overmaking ad Euro 625.000, – dd. 28 mei 2019 (internationaal betalings overzicht Centrale Bank van Suriname).
  1. Handgeschreven brief afkomstig van verdachte Angnoe voor de Rechter Commissaris: waaruit blijkt dat het bedrag Euro 650.000, – afkomstig en gestort is door Clairfield t.b.v. Orion in het kader van Project “Strenght” m.b.t. werkzaamheden verricht voor de Hakrinbank.
  1. Document Hakrinbank dd2 sept 2019: Swift Internationale Transfer Form voor ene bedrag Euro 60.000,- welke is overgemaakt ten behoeve van Clairfield Benelux NV . oinvoice # 2019-0118 door voornoemde bank, waarbij er nog een restant saldo van euro 50.000, – staat.
  1. Document Rechtbank van Koophandel. Naam: Limebridge VZW. Rechtsvorm Vereniging zonder Winstoogmerk gevestigd in [adres 3],[land 2]. Leden: Van Trikt R; Angnoe A en Buysse H.
  1. Snap shot Whatsapp afkomstig van [getuige 15], waarbij er Euro 90.900,– is overgemaakt door Limebridgde VZW ten behoeve van [getuige 15] voor de Rangerover (Company Car Ashween Angnoe).
  1. Document SPSB mbt betaling overzicht: waaruit blijkt dat op 4 juni 2019 voor USD 235165, 48 betaald een lening van Orion Capital Investment en voor usd 9812,93 is betaald een lenig van Limebridge Financial adv. En op 20 juni is afbetaald de lening tnv [naam 7] bij Pensioenfonds Kersten en co voor een totaal bedrag van USD 36.079, 07, –.
  1. Snapshot Whatsapp communicatie (Tijdlijn aan de hand van Whatsapp bericht) tussen Van Trikt en [naam 8] (directeur Pensioenfonds Kersten & co.). waaruit blijkt dat Van Trikt de lening van zijn echtgenote [naam 7] wil afwikkelen. En gaat daartoe ook over meteen na ontvangst van euro 625.000, – vanuit Clairfield.
  1. Brief wisseling tussen Min. Fin. Hoefdraad en Van Trikt R m.b.t. eerste en tweede tranche panden.
  • Het eerste schrijven (1ste tranche) afkomstig van Min Fin dateert van 26 juni 2019 waarbij hij 8 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 45.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 7 nov 2019 waarbij hij aangeeft om een koopsom tot euro 45 miljoen ter beschikking te stellen van het Ministerie van Financien.
  • Het eerste schrijven (2de tranche) afkomstig van Ministerie van Financien dateert van 20 sept 2019 waarbij hij 9 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 60.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 3 dec 2019 waarbij hij aangeeft om een koopsom tot euro 60 miljoen ter beschikking te stellen van het Ministerie van Financien.
  1. Een veiliggesteld emailbericht afkomstig van KROMOSOETO verstuurd naar HOEFDRAAD en VAN TRIKT, waarbij laatstgenoemde op 10 juni 2019 het bericht heeft ge-forward naar Hausil. In voormeld email bericht doet KROMOSOETO voorstellen m.b.t. verkoop van panden, overdracht Royaltys en één of meer natuurreservaten in Suriname
  1. een veiliggesteld emailbericht afkomstig van Hausil, gedateerd 22 juni 2019 en gericht aan HOEFDRAAD en VAN TRIKT, waaruit blijkt dat zij aan de 2 voornoemde verdachten een conceptbrief heeft doen toekomen in het kader van eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBvS, ter verrekening van de langlopende schuld. In dit mailtje geeft zij aan dat SPSB heeft voorgesteld dat zij de restauratie ter hand willen nemen, echter stelt zij voor dat de Bank hierin het voortouw neemt.
  1. Uitwerking email – wisseling tussen VAN TRIKT; HOEFDRAAD en KROMOSOETO dd. 25 april 2019; 26 april 2019 & 16 december 2020 (15de aanvullend dossier dd. 08 januari 2021) nl: emailbericht van KROMOSOETO aan VAN TRIKT. waarbij HOEFDRAAD in de C.C. wordt meegenomen. De datum van dit bericht is 25 april 2019. Gaat om dezelfde mail die HAUSIL heeft ontvangen op 10 juni 2019. Op 26 april 2019 reageert VAN TRIKT met “Thanks all, dit betekend ruimte in de maand mei. Bij overdracht je zou kunnen repareren maar zou dat niet doen. CBvS kan dat dragen. Just look at the valuation”. Op 26 april 2019 reageert HOEFDRAAD op hetzelfde bericht met “DO (Roepnaam van KROMOSOETO) Je hebt alle gebouwen in kaart. Laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget”.

Boven aangehaalde mail berichten geeft aan dat voornoemde verdachten duidelijk de intentie hadden om de Staat Suriname monetair te financieren

  1. Missive van de RVM regarderende de 1ste tranche panden dd 15 november 2019 [nummer 2]/RVM. Blijkt dat deze missive is uitgekomen op 15 november 2019 en dat HOEFDRAAD handelingen m.b.t. voormelde transactie 1ste tranche panden had verricht op 26 juni 2019. Kortom HOEFDRAAD had geen toestemming van de VP, ook niet van president BOUTERSE of van de RVM om over te gaan tot de verkoop van onroerend goederen (1ste tranche panden) van de Staat Suriname. Voorts is ook gebleken dat de tegenwaarde van de 1ste tranche onroerende goederen in SRD van de Euro 45 miljoen, namelijk SRD 377.955.000,00 op 28 juni 2019 is overgeschreven op rekening van het Ministerie van Financiën. Geconcludeerd mag worden dat deze overmaking vóór 15 november 2019 heeft plaatsgevonden, namelijk de datum waarop de missive t.a.v. de 1ste trance is uitgekomen. Ook is komen vast te staan dat HOEFDRAAD in strijd heeft gehandeld met de inhoud van de missive, doordat er niet is voldaan aan schuldsanering doch integendeel aan monetaire financiering.
  1. Betalingsoverzicht voor de panden op 28 juni 2019; 20 september 2019 en 24 september 2019. Totaal SRD.869, 055, 000.00, –. Voornoemd bedrag is overgeschreven door de CBvS op de rekening van het Ministerie van Financiën in het kader van overdacht van de 17 onroerende goederen.
  1. Royalty Overeenkomst 1 november 2019. De overeenkomst van 01 november 2019 is in opdracht van VAN TRIKT en in afstemming met de Minister van Financiën, HOEFDRAAD, G opgemaakt door één der directeuren van de CBVS, genaamd mevrouw HAUSIL, Faranaaz (directeur Legal Compliance and Internal Affaires). Genoemde personen hebben haar bepaalde instructies gegeven hoe de overeenkomst er inhoudelijk moest uitzien. VAN TRIKT heeft bij de politie aangegeven, dat HOEFDRAAD de informatie voor deze overeenkomst heeft gehaald uit het resultaat van project Lagarde I. Uit het onderzoek is gebleken, dat enkele delen uit genoemde overeenkomst daadwerkelijk terug te vinden zijn in de overeenkomst van 01 november 2019. Voorts gaat het in deze overeenkomst om het afdragen van de royalty’s voor 15 jaren aan de CBvS waarmee de staatsschuld tegelijk wordt afgelost, echter heeft hier (net als bij de transacties m.b.t. de onroerende goederen) ook geen schuldverrekening plaatsgevonden, doch is de Staat (wederom) voor SRD 2.2 miljard (SRD 2.216.729.120, 00, -) monetair gefinancierd door de CBvS.
  1. Een overzicht met betrekking tot trekking uit de Royalty ’s overeenkomst van 01 november 2019 en afwikkeling lening (tabel 2). Een betalingsoverzicht SRD. 2.2 miljard (SRD 216.729.120, 00, -) afkomstig van de CBvS. Voormeld bedrag is overgemaakt op een rekening van het Ministerie van Financien bij de CbvS.
  1. Rapport Kroll. A divission Duff & Phelps / Project Paramaribo. Hierna enkele uitgelichte passages vanuit het rapport Project Paramaribo:
  1. Hoofdstuk II.
  • Onder paragraaf 2.3 pg. 11: “Gezien het bovenstaande en op basis van onze professionele ervaring, overwegen we vooruitbetalingen in een bereik van 50% van de totale projectkosten als hoog en niet gebruikelijk voor Prodigy 1, Prodigy 2 en Prodigy 3, waar vergoedingen over het algemeen gebaseerd waren op uur-maal-tarieven, zelfs als CBvS als opdrachtgever als zeer riskant werd beschouwd door Clairfield. Met betrekking tot Lagarde 1 zijn wij van mening dat een upfront deel van 50% dat niet ongebruikelijk is voor billijkheidsadviezen, met name wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat een billijkheids mening kan leiden tot een oneerlijke conclusie. De nogal gematigde vooruitbetaling van ongeveer 17% voor Prodigy 5 lijkt ons redelijker, maar het moment van betaling in oktober 2019 kan in twijfel zijn getrokken, gezien de vertraging van het project vanwege het urgente karakter van Lagarde 1”
  • Onder paragraaf 2.4.1 pg.13 m.b.t. prodigy (1) “Op basis van onze kennis van het hoeveelheid verricht werk door Clairfield en Orion aan Prodigy 1, welke voornamelijk gedaan is op basis van hun geregistreerde en geschatte uren van respectievelijk 2.184 uur en 1.000 uur, dat deze hoeveelheid aan bestede tijd niet in verhouding staat ​​tot de geleverde prestaties regarderende Prodigy 1.
  • Onder paragraaf 2.4.2 pg 13 m.b.t. prodigy 2: Evenzo komen de 1.081 uren die Clairfield aan Prodigy 2 besteedt overeen met vergoedingen van ongeveer EUR 280.000, of ongeveer. 70% van de totale vergoedingen die oorspronkelijk zijn overeengekomen voor Service Pack 1, en ca. 66% van de vooruitbetaling van EUR 425.000 die Clairfield voor Prodigy 2 heeft ontvangen. Naar onze mening lijken de 1.081 uren overdreven en buitensporig voor de twee rapporten die Clairfield voor Prodigy 2 heeft afgeleverd.
  • Onder paragraaf 2.4.3 pg 14 m.b.t. prodigy 3 : We hebben onvoldoende informatie om in precieze bewoordingen te bepalen hoeveel werk Clairfield aan Prodigy 3 heeft verricht, maar op basis van de informatie waarover wij beschikken, de werklast en vergoedingen die worden geïmpliceerd door de 936 bestede uren van Clairfield lijken niet in verhouding te staan ​​tot de vorderingen/verrichtingen van Clairfield op Prodigy 3.
  • Onder paragraaf 2.4.4 pg 14 m.b.t. Lagarde I : Hoewel een totale vergoeding van EUR 620.000, – binnen een redelijk bereik kan liggen voor een ‘fairness opinion’ van Lagarde 1 project, zijn wij van mening dat de kwaliteit en het niveau van verfijning van de uitgevoerde waarderingsanalyses door Clairfield niet voldoet, aan een “fairness opinion”, noch in verhouding staat aan een vergoeding tot een totaal van EUR 620.000, -.

Pg 15: We merken op dat een fairness opinion die bijna 5 maanden na de transactiedatum is afgegeven, welke getypeerd kan worden als hoogst ongebruikelijk en heeft dit weinig voordeel opgeleverd voor de CBvS. We hebben van Clairfield begrepen dat Orion een belangrijke rol speelde in Lagarde 1. Clairfield stelt dat er geen ‘engagement letter’ Opdrachtbrief werd ondertekend tussen hen en onder aannemer Orion voor het uitbestede werk.

  • Onder paragraaf 2.4.5 pg m.b.t. Prodigy 5: Wat betreft de overeengekomen omvang en vergoedingen, zijn wij van mening dat de totale vergoeding van EUR 1,16 miljoen voor de waardering van 20 Surinaamse ambassades niet in verhouding staat tot de geplande werkzaamheden van Clairfield voor dit deel van het project, aangezien deze vergoeding geen kosten voor externe taxateurs en taxateurs van onroerend goed behelsde. Met betrekking tot Clairfield’s werk voor sale en leaseback-transacties en voor onderhoud en rapportage, zijn wij van mening dat de overeengekomen maandelijkse retainer fee van EUR 60.000 (ongeveer gelijk aan de fulltime inzet van 1,5 medewerkers), de succesfee van 2,5% voor gesloten transacties en het uurloon tarieven van € 200 – € 300 voor doorlopend onderhoud en rapportage allemaal redelijk zijn voor een project van vergelijkbare omvang en reikwijdte. Deze beoordeling is echter sterk afhankelijk van de exacte diensten en het detailniveau dat is gepland en daadwerkelijk wordt uitgevoerd door Clairfield. In termen van daadwerkelijk geleverd werk begrijpen we dat Prodigy 5 vanwege de urgentie is uitgesteld vanwege prioriteitstelling van Lagarde 1. We merken op dat ondanks dit, de Prodigy 5 engagement letter/opdracht brief (EL) gedateerd is na de Lagarde 1 EL, en de vooruitbetalingen voor beide projecten werden gedaan op 3 oktober 2019.

II. Hoofdstuk IV Onder Paragraaf 4.4 pg 34.

Met betrekking tot de specifieke vereisten van de “Clairfield Engagements (de opdrachten aan Clairfield gegeven door CbvS)” merken we het volgende op

  • Voor Prodigy 3 was Clairfield nodig om de implementatie van hervormingen en optimalisaties te ondersteunen bij CBvS. Naar onze mening zou het verlenen van dergelijke diensten aan een Centrale Bank specifieke kennis en expertise van de openbare banksector, die niet blijkt uit de informatie die ons, door Clairfield is verstrekt.
  • Lagarde 1 had taxatiediensten nodig, specifiek in de context van de goudmijnbouw. Er wordt geen eerdere ervaring met de goudmijnindustrie aangetoond in de verstrekte informatie door Clairfield aan ons.
  • Uit geen van de eerdere opdrachten uitgevoerd door Clairfield, lijkt van een vergelijkbare reikwijdte te zijn als de onderhavige zgn. Clairfield overeenkomsten.

Hoofdstuk V.

onder paragraaf 5.3 pg. 40.: “Gezien het bovenstaande en op basis van onze professionele ervaring, overwegen we dat de vooruitbetalingen in een bereik van 50% van de totale projectkosten als hoog en niet gebruikelijk voor de volgende projecten: Prodigy 1, Prodigy 2 en Prodigy 3, waar vergoedingen over het algemeen gebaseerd waren op uurtarieven, ook al werd CBvS, als opdrachtgever als zeer riskant en risicovol beschouwd door Clairfield.

Met betrekking tot Lagarde 1 zijn wij van mening dat een “upfront” deel van 50% dat niet is ongebruikelijk voor billijkheidsadviezen, vooral wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat een billijkheid mening kan leiden tot een oneerlijke conclusie. De nogal gematigde vooruitbetaling van ongeveer 17% voor Prodigy 5 lijkt ons redelijker, maar het moment van betaling in oktober 2019 werpt twijfels op, gezien de vertraging van het project vanwege het urgente karakter van Lagarde 1 “.

Hoofdstuk VI.

  • Onder Paragraaf 6.1 pg 48 m.b.t. Prodigy 1: Gebaseerd op onze kennis van de hoeveelheid werk van Clairfield en Orion aan Prodigy 1, dat voornamelijk is op basis van hun geregistreerde en geschatte uren van respectievelijk 2.184 uur en 1.000 uur, deze hoeveelheid aan tijd lijkt niet in verhouding te staan ​​tot de geleverde prestaties regarderende Prodigy 1.
  • Onder Paragraaf 6.2.3 pg 52 m.b.t. prodigy 2: “Evenzo komen de 1.081 uur die Clairfield aan Prodigy 2 besteedt aangeboden met vergoedingen van ongeveer EUR 280.000, of ongeveer. 70% van de totale vergoedingen die oorspronkelijk zijn overeengekomen voor Service Pack 1, en ca. 66% van de vooruitbetaling van EUR 425.000 die Clairfield voor Prodigy 2 heeft ontvangen. Naar onze mening lijkt 1.081 uur overdreven te zijn voor de twee rapporten die Clairfield voor Prodigy 2 heeft afgeleverd.”
  • Onder paragraaf 6.3.3. pg. 55-56 m.b.t. prodigy 3:

“Wat betreft de afgesproken omvang en vergoedingen zijn wij van mening dat de afgesproken vergoedingen EUR 80.000, – per maand bedragen binnen een redelijk bereik van vergoedingen vallen voor een project van vergelijkbare omvang en betrokkenheid van hooggekwalificeerde specialisten; deze beoordeling is echter sterk afhankelijk van de exacte services en het niveau van detail gepland en daadwerkelijk uitgevoerd door Clairfield. In termen van het feitelijke geleverde werk, gebaseerd op ons begrip van de tijdlijn en evaluatie van het project van de Prodigy 3 diapresentaties die voor ons beschikbaar zijn, hebben we geen enkele indicatie dat één van de doelstellingen betrekking heeft op optimalisaties zoals uiteengezet in de opdrachtbevestiging zijn uitgevoerd door Clairfield. Een belangrijk onderdeel van Clairfield’s werk aan Prodigy 3 lijkt de identificatie en betrokkenheid van gekwalificeerd personeel te zijn geweest sleutelexperts op het gebied van centrale bankzaken en de planning van workshops en trainingssessies door deze experts; Prodigy 3 had echter blijkbaar een vertraging van enkele maanden. We hebben onvoldoende informatie om in precieze bewoordingen de hoeveelheid werk te bepalen die door Clairfield aan Prodigy 3 is uitgevoerd, maar op basis van de informatie waarover wij beschikken, de werklast en vergoedingen die worden geïmpliceerd door de 936 bestede uren van Clairfield lijken niet in verhouding te staan ​​tot de vorderingen van Clairfield op Prodigy 3”.

  • Onder Paragraaf 6.4.4 Algehele beoordeling van Lagarde 1 67: Hoewel een totale vergoeding van EUR 620.000, – binnen een redelijk bereik kan liggen voor de ‘fairness opinion’ van Lagarde 1 project, zijn wij van mening dat de kwaliteit en het niveau van verfijning van de uitgevoerde waarderingsanalyses door Clairfield niet voldoet, aan een “fairness opinion”, noch aan de vergoedingen van EUR 620.000, -.

Resumerend:

Uit voormeld rapport blijkt kort en samengevat, dat:

  1. Oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomsten prodigy, prodigy 2, prodigy 3 en Lagarde 1 (hetgeen ook is ten laste gelegd) kortom dat hetgeen betaald is niet in verhouding staat met hetgeen door Clairfield is/was geleverd.
  2. Clairfield niet de nodige kwaliteiten beschikte om werkzaamheden te verrichten in het kader van een of meer van voormelde overeenkomsten.
  3. De vooruitbetalingen t.a.v. de projecten Prodigy 1, Prodigy 2 en Prodigy 3, waren hoog en niet gebruikelijk.
  4. Hoewel het normaal is dat non-refundable fees afgesproken wordt tussen partijen de tegensprestaties in onderhavig geval niet evenredig waren met de geleverde diensten door Clairfield.

De overwegingen per ten laste gelegd feit.

  • Met betrekking tot het ten laste gelegde onder I en II t.a.v. verdachte Van Trikt, Robert – Gray ( overtreding van 13 leden 1 onder a en lid 2 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 en het juridische kader).

De anti corruptiewet definieert corruptie onder artikel 1 k van genoemde wet als volgt: “ het door een publieke fucntionaris in de uitoefening van zijn functie misbruik maken van zijn functie of positie en/of de aan hem toegekende bevoegdheden en/of daaruit voortvloeiende mogelijkheden tot beinvloeding, waarbij hij/zij iets doet of nalaat vanwege een verkregen gift, dienst of belofte teneinde daaruit rechtstreeks onrechtmatig voordeel te krijgen voor zichzelf of een ander.” Verdachte Van Trikt was governor bij de CBvS, derhalve een publieke functionaris en is de Anticorruptie wet op hem van toepassing. Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.

De verdachte Van Trikt heeft de hierna te noemen overeenkomsten met CLAIRFIELD BENELUX NV en/of voornoemde BUYSSE, HANS getekend te weten:

  • de overeenkomst Project Lagarde 1 “Valuation and Fairness opinion RGM royalty Structure getekend op 13 september 2019, voor een non-refundable vergoeding van € 620.000, – (zeshonderd en twintigduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening € 300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of
  • de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname” getekend op 16 mei 2019, voor een non refundable vergoeding van € 2.500.000, – (twee miljoen en vijfhonderdduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening een bedrag van € 1.250.000, – (een miljoen en tweehonderd en vijftigduizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of
  • de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019 voor een totaal bedrag van € 850.000, – (achthonderd en vijftigduizend Euro’s) als indicatief budget waarvan bij ondertekening € 425.000 (vierhonderd vijfentwintig duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of
  • de overeenkomst Project Prodigy 3 “Implementation of reforms and optimizations at the Central Bank of Suriname” getekend op 5 augustus 2019 voor een indicatief budget van €.360.000, – (driehonderd en zestigduizend Euro’s), waarvan op 2 oktober 2019 €.300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of
  • de overeenkomst Project Prodigy 5 “Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring, getekend op 19 december 2019, voor een nog te bepalen totaal eindbedrag in Euro’s, waarvan bij ondertekening € 196.000 als voorschot is betaald.

Zulks terwijl er geen noodzaak aanwezig was voor het sluiten van de overeenkomsten betreffende project Lagarde1en/of project Prodigy en/ of project Prodigy 2 en/of project Prodigy 5 met CLAIRFIELD BENELUX NV en/of geen noodzakelijke en/of gegronde reden aanwezig was de Centrale Bank van Suriname te verbinden aan vermelde overeenkomsten, daar de inhoud en de strekking van die overeenkomsten niet conform de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname is zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet. Ook is komen vast te staan dat er geen degelijk juridisch advies vooraf is ingewonnen bij de juristen, althans de juridische afdeling van de Bank. De raad van commissarissen van de Centrale Bank van Suriname is ook niet gekend, althans zonder enige toestemming of goedkeuring van voormelde raad van commissarissen zijn er daarbij oneigenlijke/onredelijk grote bedragen bedongen.

Zo is er ten behoeve van voormelde overeenkomsten aan voorschotten in totaal ten voordele van CLAIRFIELD BENELUX NV en/of die BUYSSE HANS een totaal bedrag € 2.471.000, – (tweemiljoen en vierhonderd en eenenzeventigduizend Euro’s) is betaald en ten voordele van ORION ASSURANCE AND ADVISORY en/of ANGNOE, ASHWEEN een totaal bedrag SRD 300.461,03,- (driehonderdduizend en vierhonderd eenenzestig Surinaamse Dollars en drie centen). Hierbij zijn er voor reis en verblijfkosten ten behoeve van werknemers van Orion met middelen van de Bank betaald.

Ook zijn verschillende interne regels c.q. waarborgen overboord gegooid. Er zijn zaken gedaan met verschillende partners (verdachten Angnoe en Buysse) terwijl dit voor een ernstige interne conflictsituatie heeft zorggedragen(belangenverstrengeling). Angnoe is zakenpartner en medeaandeelhouder van Orion samen met verdachte Van Trikt.

Buysse H, Van Trikt en Angnoe zijn als partners (leden) gezamenlijk verbonden aan Limebridge VZW.

Met Angnoe heeft Van Trikt als Governor en als medeaandeelhouder van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV van de hierna te nomen overeenkomsten gesloten te weten:

  • een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreffende het optreden van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV in de persoon van ANGNOE, ASHWEEN als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname getekend op 18 april 2019 voor een nog een bedrag USD.150,- per uur, waarvan reeds een tegenwaarde in Srd. 188.904, – is betaald en/of
  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Internal Audit bij de Centrale Bank van Suriname dd. 7 juli 2019, voor een totaal bedrag van US $ 65.000, -, waarvan op 18 oktober 2019 reeds drie vierde deel van het totaal bedrag te weten een tegenwaarde in Srd. 409.301, 75, – is betaald en/of
  • een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Afdeling Financial Intelligence bij de Centrale Bank van Suriname, getekend op 13 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 72.000, -, waarvan op 25 september 2019 de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 327.754, – als voorschot is betaald en/of
  • een overeenkomst betreffende het Faciliteren en Begeleiden van een stagiair accountant administratieconsulent getekend op 30 september 2019 voor USD. 2.500 per maand, waarvan op 11 november 2019 voor de maanden oktober en november 2019 een tegenwaarde in Srd. 45.475, – is betaald en/of
  • een overeenkomst betreffende het Instellen van een Bijzonder Onderzoek naar de Inventaris van het Wapenarsenaal van de Centrale Bank van Suriname over de periode begin 2010 tot en met augustus 2019, getekend op 30 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 40.000, – waarvan de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 171.200, – als voorschot is betaald,

Kortom waarbij er door de Centrale Bank van Suriname (reeds totaal in voorschot) een bedrag groot Srd 1.142. 634, 75, – althans een ander totaal bedrag aan die ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en de verdachte ANGNOE, ASHWEEN betaald. Ook heeft Van Trikt de verdachte ANGNOE aangetrokken als zijn adviseur bij de Bank en hem doen participeren aan de totstandkoming van één of meerdere overeenkomsten gesloten met Clairfield te weten de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname en de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”. (in het kader van participatie aan deze twee voornoemde overeenkomsten zijn de eerder vermeldde bedragen aan reis en verblijfkosten, onnodig betaald met gelden van de Bank).

Ook het rapport Kroll geeft aan dat de gelden die betaald zijn, de hoogte daarvan en de tijdstippen waarop, discutabel zijn.

Voorts zijn er gelden toebehorende aan de CbvS onterecht dan wel onnodig aangewend, danwel buiten het doel en taakstelling van de Bank gebruikt. Uit het onderzoek is komen vast te staan dat 3 van de 5 gesloten overeenkomsten met Clairfield niets te maken hadden met het werkdomein van de Bank als bedoeld in Hoofdstuk III van de Bankwet, doch hadden die meer te maken dan wel hadden die betrekking op de Staat Suriname. Kortom waren die handelingen regarderende die 3 overeenkomsten te kwalificeren als quasi fiscaal. Ter adstructie hiervan het volgende;

  1. Project LAGARDE 1 is uiteindelijk uitgemond in de overeenkomst tussen de Staat Suriname en de CBvS, waarbij de Royalty’s van ROSEBEL GOLDMINES N.V. voor de komende 15 jaren (vanaf 01 november 2019) als zekerheid zijn gegeven aan de CBvS, waarbij deze zekerheid zal worden gebruikt om de langlopende schuld van de Surinaamse overheid af te lossen.
  2. Project Prodigy.
  3. Bij project Prodigy 2

Uit ad 2 en 3 zijn uitgerold de transacties zgn. de 17 onroerende goederen.

Toelichting ad1: Project Lagarde 1 “Valuation and Fairness opinion RGM Royalty Structure.

Deze overeenkomst is van 9 september 2019. Daarin is aangegeven, dat de CBVS momenteel een mogelijkheid bekijkt om een waarderings- en billijkheidsadvies te verkrijgen van de royalty rechten uit Rosebel Goldmines N.V. en ondersteuning heeft gevraagd van CLAIRFIELD BENELUX N.V. Verder, dat CBVS zulks in samenwerking met de Surinaamse Overheid wil uitvoeren om te komen tot een schuldsanering. Daarbij worden de volgende punten aangehaald, namelijk:

  • De Surinaamse Overheid en de CBVS hebben hun interesse getoond met betrekking tot het in zekerheid plaatsen van royalty rechten vanuit Rosebel Goldmines N.V. die in bezit zijn van de Surinaamse Overheid en momenteel gealloceerd aan Grassalco.
  • Voorgesteld wordt om dit royalty recht van 6,5% voor 10 jaren in zekerheid te plaatsen bij de CBVS
  • De Surinaamse overheid zal in ruil de geldswaarde van deze rechten ontvangen
  • De waardering zal worden gebaseerd op de verdisconteerde kasstroommethode en gecontroleerd met verscheidene andere methoden.
  • De opbrengst van de zekerheid zal worden gebruikt om de schuld van de Surinaamse Overheid af te lossen.

Deze overeenkomst (LAGARDE I) is op 18 september 2019 ondertekend door verdachte VAN TRIKT, Robert (toen als Governor van de CBVS). De medeverdachte HOEFDRAAD is als getuige gehoord in onderhavige strafzaak, doch op enig moment de status van verdachte gekregen in onderhavige strafzaak. Verdachte VAN TRIKT heeft bij de politie verklaard, dat hij deze overeenkomst in afstemming met de gewezen Minister van Financiën, medeverdachte HOEFDRAAD, G (verdachte) heeft ondertekend. De Minister van Financiën geeft echter aan dat het idee achter dit project hem bekend is maar dat hij niet op de hoogte was dat er reeds verregaande afspraken waren gemaakt tussen de CBVS en CLAIRFIELD BENELUX, die zijn uitgemond in een overeenkomst. Deze overeenkomst en de daaruit verkregen informatie regarderen de Staat Suriname en had de CBVS niet al zodanig moeten contracten en betalen en heeft de CBVS hier in strijd gehandeld met het derde artikel 16 van de Bankwet (quasi fiscale activiteit). Hierbij verklaard verdachte VAN TRIKT te hebben gehandeld in nauw overleg met de gewezen Minister van Financiën medeverdachte HOEFDRAAD. Uit een voice-bericht (communicatie tussen verdachten VAN TRIKT en HOEFDRAAD) blijkt ook dat er instructies worden gegeven aan verdachte VAN TRIKT door medeverdachte HOEFDRAAD m.b.t. de gesloten overeenkomsten met CLAIRFIELD.

Hoewel de gewezen Minister van Financiën medeverdachte HOEFDRAAD, G. als getuige eerder aangaf, dat het hem niet bekend was dat er reeds een overeenkomst cq overeenkomsten waren ondertekend tussen de CBVS (VAN TRIKT) en CLAIRFIELD BENELUX (BUYSSE, Hans), komt er op 11 oktober 2019 een missive uit ondertekend door de Voorzitter van de Raad van Ministers, de Vicepresident, Dr. ADHIN, A.

Op 01 november 2019 wordt er tussen de Minister van Financiën HOEFDRAAD, G en VAN TRIKT een overeenkomst ondertekend waarin het volgende wordt vastgelegd, namelijk dat de Staat Suriname ingaande 01 november 2019 voor de duur van 15 jaar en wel tot 01 november 2034 zijn royalty’s die Grassalco N.V. verkrijgt van I AM GOLD voortvloeiend uit de Delfstoffenovereenkomst d.d. 7 april 1994 afdraagt aan de CBVS. In de overeenkomst staat duidelijk vermeld, dat uit de aan de CBVS afgedragen inkomsten alle schulden die de Staat heeft bij de CBVS worden afgelost, alsmede de overschrijding op lopende rekeningen. (Met andere woorden betreft dit geen leenovereenkomst, maar een overeenkomst waarin de Staatschuld (SRD 2,3 miljard) wordt afgelost middels de Royalty’s). In deze overeenkomst staat er ook een (heel belangrijke) clausule, namelijk dat de overeenkomst in werking treedt op het moment van ondertekening door beide partijen hetgeen ook is geschied en kan deze overeenkomst schriftelijk ná wederzijdse instemming worden gewijzigd.

Voormelde overeenkomst d.d 01 november 2019 (tussen de Minister van Financiën en de CBVS) is in opdracht van VAN TRIKT en in afstemming met de Minister van Financiën, HOEFDRAAD, G opgemaakt door één der directeuren van de CBVS, genaamd mevrouw HAUSIL, Faranaaz (directeur Legal Compliance and Internal Affaires) tevens medeverdachte. Eerder genoemde personen hebben haar, HAUSIL bepaalde instructies gegeven hoe de overeenkomst er inhoudelijk moest uitzien. VAN TRIKT heeft bij de politie aangegeven, dat HOEFDRAAD de informatie voor deze overeenkomst heeft gehaald uit het resultaat van project Lagarde. Uit het onderzoek is gebleken, dat enkele delen uit genoemde overeenkomst daadwerkelijk terug in de overeenkomst van 01 november 2019. Naar aanleiding van de overeenkomst van 01 november 2019 en tegelijkertijd ook in strijd met hetgeen in deze overeenkomst is opgenomen, blijkt HOEFDRAAD in samenspraak met VAN TRIKT op vijf (5) verschillende dagen in totaal SRD 2.216.729.120, 00,- (2.2 miljard) te hebben getrokken van de CBVS, te weten:

  • SRD 500. 000.000, 00, – op 07 november 2019;
  • SRD 500. 000.000, 00, – op 12 november 2019;
  • SRD 400. 000. 000, 00, – op 19 december 2019;
  • SRD 205. 996, 67, – op 9 januari 2020 en
  • SRD 143. 523.123, 33, – op 26 februari 2020. (na vertrek van VAN TRIKT bij de CBvS)

Deze trekkingen door medeverdachte HOEFDRAAD en gefiatteerd door verdachte VAN TRIKT zijn in strijd met de artikelen 18 lid 1 en 21 van de Bankwet. (BLANCO KREDIET/VOORSCHOT). Voorts blijkt uit het onderzoek, dat de CBVS geen besluit heeft genomen onder welke noemer deze cashflow naar de overheid (Ministerie van Financiën) moet worden geboekt. Er is geen sprake van een lening omdat de overeenkomst van 01 november 2019 waarop deze cashflow is gestoeld uitdrukkelijk aangeeft, dat de schuld van de overheid bij de CBVS wordt afgelost. Naar aanleiding daarvan is de SRD 2.216.729.120, 00( SRD 2.2 miljard) op de verkorte balans van de CBVS ondergebracht onder de post “Diverse Rekeningen”.

Toelichting ad 2 en ad 3. m.b.t. de panden (1ste en 2de tranche)

De overeenkomst “Project prodigy Valuation of the Assets of the Government of Suriname” (ad2) is van 10 mei 2019 en is op dezelfde dag ondertekend door VAN TRIKT (CBVS) en BUYSSE, Hans (CLAIRFIELD BENELUX). In deze overeenkomst is er aangegeven, dat de CBVS momenteel de mogelijkheden exploreert om een waardering te verkrijgen van alle belangrijke activa en participaties vallende onder het aandeelhoudersbeleid van de Staat Suriname en daarbij CLAIRFIELD BENELUX om ondersteuning heeft gevraagd. Verder, dat aan CLAIRFIELD BENELUX wordt gevraagd om als financiële adviseur op te treden met betrekking tot de analyse van de participaties en belangrijke activa welke de CBVS voornemens is uit te voeren in samenwerking met haar toezichthoudende minister (zijnde de Minister van Financiën) binnen het kader van de Surinaamse overheid inzake het aandeelhoudersbeleid van de Staat Suriname. Van deze overeenkomsten geeft de Minister van Financiën aan dat het idee achter deze projecten hem wel bekend is maar uit het onderzoek is gebleken, dat hij VAN TRIKT nimmer heeft voorgehouden, dat hij uiteindelijk een raamwerk met een kostenplaatje van hem verwachtte om zulks voor te leggen aan de regering om uiteindelijk te komen tot de ondertekening van de overeenkomsten. Net als bij (ad1) laat de Minister van Financiën de indruk ontstaan, dat hij niets afweet van de ondertekende overeenkomsten. Daartegenover blijkt uit het onderzoek dat HOEFDRAAD steevast gebruik maakt van de informatie die uit de overeenkomsten (ad2 en ad3) tussen CBVS en CLAIRFIELD BENELUX is komen rollen.

Uit (whatsapp) voice berichten tussen VAN TRIKT en HOEFDRAAD blijkt duidelijk van de werkafspraken tussen CBVS en CLAIRFIELD BENELUX, waarbij door HOEFDRAAD zelf aanwijzingen zijn gegeven om te komen tot een betere informatie stroom naar CLAIRFIELD BENELUX in het kader van de samenwerking met CBVS, zonder dat er daarbij ruis ontstaat zoals HOEFDRAAD dit zelf typeert. Het kom erop neer, dat hij een brief door [naam 4] (adviseur van HOEFDRAAD) heeft laten opstellen, waarin hij de parastatale bedrijven naar informatie vraagt. Welke informatie nodig was voor de overeenkomst Prodigy 1 (ad2).

Uit een emailwisseling tussen BUYSSE, Hans en [naam 4], die uiteindelijk ook is doorgestuurd naar HOEFDRAAD blijkt duidelijk, dat er onder andere wordt gesproken over Prodigy 1. Één van de punten in Prodigy 1 is de brief die HOEFDRAAD naar de verschillende parastatale bedrijven heeft gestuurd. Met het laten opmaken en verzenden van deze brief naar de verschillende parastatale bedrijven heeft HOEFDRAAD invulling gegeven aan hetgeen tussen CLAIRFIELD BENELUX en CBVS is overeengekomen in Prodigy 1.

Één van de onderdelen van (ad2 en ad3) heeft betrekking op de overheidsgebouwen. Zoals eerder aangegeven heeft de Minister van Financiën gebruik gemaakt van een constructie om zeventien (17) overheidspanden “te verkopen” aan de CBVS. Er zijn twee brieven van de Minister van Financiën gericht aan VAN TRIKT (toen als governor) waarin hij aangeeft de desbetreffende overheidspanden “over te dragen” aan de CBVS voor een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening. Deze tekst is in strijd met de werkelijkheid omdat VAN TRIKT (als governor) in twee brieven aan de Minister van Financiën praat over het “aankopen van de overheidspanden”. Ten tweede heeft er nimmer een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening plaatsgevonden, integendeel heeft VAN TRIKT aan Financiën uitbetaald met middelen van de CBVS, namelijk een totaal bedrag van Euro 105 miljoen. De Minister van Financiën heeft in samenwerking met VAN TRIKT de volledige geschatte marktwaarden van de overheidspanden ontvangen en daardoor VAN TRIKT in strijd heeft laten handelen met artikel 18 van de Bankwet.

Korte uiteenzetting van de aangeschafte panden door de CbvS

De eerste tranche panden (de volgende panden behoren aan de Staat toe): Schrijven van de Minister van Financiën aan de CBVS d.d. 26 juni 2019 –

  1. Ministerie van Financiën (Tamarindelaan br. No. 3)
  2. Ministerie van Financiën (Oud gebouw afdeling Thesaurie Inspectie – Mr. Dr. J. C. De Mirandastraat br. No 17)
  3. Ministerie van Financiën (Oud gebouw afdeling Economische aangelegenheden – Onafhankelijkheidplein)
  4. Ministerie van Justitie en Politie (Oud KKF gebouw – Mr. Dr. J. C. De Mirandastraaat br. No. 6)
  5. Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (Waterkant br. No. 30 – 32)
  6. Ministerie van Regionale Ontwikkeling (Roseveltkade br. No. 2)
  7. Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond – en Bosbeheer (Cornelis Jongbawstraat 10-12)
  8. Het gebouw van de Nationale Loterij aan de Keizerstraat.

In het schrijven waarin deze panden worden opgesomd wordt er aangegeven door HOEFDRAAD, dat deze panden een geschatte marktwaarde hebben van Euro 45, 000.000,– (vijf en veertig miljoen Euro). een missive van de Raad van Ministers d.d. 15 november 2019 ondertekend door de voorzitter van de Raad van Ministers, de Vice President, Dr. Ir. ADHIN, A. Echter, er ontbreekt een resolutie van de President.

De 2de tranche (8 van de 9 panden behoren aan PUTTER toe): Schrijven van de Minister van Financiën aan de CBVS d.d. 20 september 2019 (2de schrijven).

  1. Hoofdkantoor Ministerie van Financiën – S.M. Jamaludinstraat 26 (toebehorende aan Putter)
  2. Directoraat Financiën – J.D. Gomperstraat 03 (toebehorende aan Putter)
  3. Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 51 (toebehorende aan Putter)
  4. Parking Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 36(toebehorende aan Putter)
  5. Directoraat Ontwikkeling financiering – Henk A.E. Arronstraat 36 (toebehorende aan Putter)
  6. Gebouw t.o. Belastingkantoor (Adviseur Min) – Van Sommelsdijkstraat 34 (toebehorende aan Putter)
  7. Belastingkantoor – Van Sommelsdijk 27 (van de Staat)
  8. Directoraat Belastingen (Oud -BDO gebouw) Kerkplein 12 (toebehorende aan Putter)
  9. Het Nationaal Informatie Instituut (ABC gebouw) – Mahonylaan 55. (toebehorende aan Putter)

In het schrijven waarin deze panden worden opgesomd wordt er aangegeven door HOEFDRAAD, dat deze panden een geschatte marktwaarde hebben van Euro 60, 000.000,– (zestig miljoen Euro). Uit het onderzoek is gebleken, dat deze panden nimmer zijn getaxeerd. Ook ontbreekt er een missive van de Raad van Ministers, alsook een resolutie van de President. De betalingen voor de panden hebben op de navolgende dagen plaatsgevonden, namelijk:

  • 28 juni 2019 ——————– SRD 377. 955.000,00
  • 20 september 2019 ————– SRD 220.000.000,00
  • 24 september 2019 ————– SRD 271.100.000,00

—————————————————————

Totaal ——————— SRD 869. 055. 000, 00, –

Het totaalbedrag komt voor op de verkorte balans van de CBVS onder de post “Gebouwen en Inventaris” en VAN TRIKT heeft hiervoor autorisatie verleend middels twee afzonderlijke schrijven.

Kortom met betrekking tot de tranche panden:

  • Met betrekking tot de panden, die zijn genoemd in het eerste schrijven (d.d. 26 juni 2019) van de Minister van Financiën. Van Trikt heeft ten behoeve van HOEFDRAAD instede van schuldverrekening, zoals vervat is in het schrijven dd. 26 juni 2019 en de missive van 15 november 2019, het bedrag overgeschreven zonder dat voormelde panden zijn overgeschreven t.n.v. / overgedragen aan de Bank.
  • Met betrekking tot de panden, die zijn genoemd in het tweede schrijven (d.d. 20 september 2019) / 2de tranche: Uit het onderzoek is gebleken, dat deze panden genoemd in de tweede brief niet in eigendom aan de Staat Suriname toebehoren, maar staan op naam van de navolgende stichtingen en naamloze vennootschappen, namelijk SATURNUS; Stg. KWATAKAMA; Stg. REDI OEDOE; Stg. WAWONA; Stg. HERITAGE SURINAME 2011; LESCOMP V. en FORCE ONE SECURITY N.V.

Stg. SATURNUS heeft als bestuurder [naam 9] geboren op [datum 2]. Stg. KWATAKAMA; Stg. REDI OEDOE; Stg. WAWONA; Stg. HERITAGE SURINAME 2011 en LESCOMP N.V. hebben als bestuurder INVESTMENT PARTNERS N.V. Van INVESTMENT PARTNERS N.V. en FORCE ONE SECURITY N.V. is PUTTER, PAUL geboren op [datum 3] in [stad], [land 1] het enig bestuurslid.

Genoemde panden zijn tot heden niet overgedragen ten behoeve van de CBVS, terwijl de betalingen reeds hebben plaatsgevonden door tussen komst van HOEFDRAAD ten behoeve van het Ministerie van Financiën ad Euro.105 miljoen ten laste van de CBVS.

Kortom: komt het voorgaande duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen en is deze te herleiden op grond van de bewijsmiddelen opgesomd onder de nummers 1 t/m 20. Ook vindt zulks de weergave uit het verkregen schriftelijk bewijs zoals hierbiven is opgesomd .

  • Met betrekking tot het ten laste gelegde onder de Feit III A verdachte Van Trikt (Opzettelijk Money Laundering en het juridische kader).

Zoals de woorden al zeggen gaat het bij money laundering van opbrengsten van misdrijven om het verbergen of het verhullen van de illegale herkomst van gelden of voorwerpen. Doel hiervan is om die opbrengsten aan het zicht van Justitie en Politie te onttrekken, zodat confiscatie wordt voorkomen.

Bij de in artikel 1 onder a strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen, die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. van een voorwerp te verbergen ofte verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen ”verbergen” en ”verhullen” impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van dergelijke doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen die tezamen een geval van money laundering opleveren

De beoordeling van het bewijs van money laundering vraagt bijzondere aandacht en expertise. De vervolging heeft bij de presentatie van het bewijsmateriaal, de rechter op de rechtszitting voorgehouden over de achtergronden van de door verdachten toegepaste constructies en de werking van bepaalde delen van de financieel economische sector. De rechter kan verder voor het bewijs van money laundering gebruik maken van, zoals ze in internationaal verband worden genoemd, ”typologieën” van money laundering. Hierbij gaat het om min of meer objectieve kenmerken die naar de ervaring elders leert, duiden op money laundering van opbrengsten van misdrijven.

Zo is uit het onderzoek komen vast te staan dat Van Trikt samen met Angnoe en Buysse een deel (Euro 625.000, -) van het overgemaakt geld (Euro 1.250.000, -) ten behoeve van Clairfield (in het kader van overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname”) terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion (ORION CAPITAL INVESTMENT NV)waarvan Van Trikt de enige aandeelhouder is. Het geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux via de Hakrinbank ten behoeve van verdachten. En om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is een vals document (incoming Payments ten behoeve van de MOT) door Agnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000, – betrekking zou hebben op project ‘Strenght’, zijnde een project uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank NV door Clairfield en Orion/Angnoe. Met dit geld zijn er heel wat aflossingen gepleegd namelijk zijn er leningen van Orion afgelost bij de bank, alsook persoonlijke leningen aangegaan door de echtgenote van Van Trikt bij Kersten en Co. zijn daarmede afgelost.

Ten aanzien van dit vals stuk zijn er getuigen gehoord, waaronder de directeur van de Hakrinbank die heeft aangegeven dat ten behoeve van project Strength die overmaking dubieus blijkt te zijn, althans twijfels doet opwerpen daar project Strenght nooit zoveel aan zou hebben opgeleverd ten behoeve van Clairfield en Orion/Angnoe. Nadat verdachte met dit omstandigheid geconfronteerd werd, alsook met voormeld vals stuk bleef hij steevast persisteren dat het een betaling betrof t.a.v. project ‘Strenght’. Hij heeft ter ondersteuning daarvan een met de hand geschreven brief overhandigd aan de rechter commissaris, alsook meerdere verklaringen met dezelfde strekking afgelegd.

Toen Angnoe geconfronteerd werd met de getuigen verklaring kwam hij terug op zijn eerder afgelegde verklaring en gaf aan dat voornoemde overmaking van Euro 625.000, – betrekking had op project Prodigy en geen project strength.

Het document welke valselijk werd opgemaakt te weten Incoming Payments betreft een document welke bedoeld is voor de afdeling MOT (Meldpunt Ongebruikelijke Transacties), die eventuele ongebruikelijke transacties verifieert. Het was juist voor verdachte Angnoe juist daarom van belang om deze transactie te omzeilen en toe doen blijken dat het doel van deze transactie een andere was dan de werkelijkheid.

Ook is er Euro 100.000,- via de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW (in welke vereniging zitting hebben Van Trikt, Angnoe en Buyse ) overgemaakt in Nederland op een rekening van [getuige 15] ten behoeve van MN Carcenter als aanbetaling voor de aanschaf van een Range Rover (waarde van Euro 200.000, -). Over de vraag t.a.v. de verkrijging, herkomst c.q. beheer van financiën van voornoemde kunnen /konden geen der voornoemde verdachten een deugdelijke verklaring afleggen.

Kortom: komt het voorgaande duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen en is deze te herleiden op grond van de bewijsmiddelen. Ook vindt zulks de weergave uit het verkregen schriftelijk bewijs opgesomd.

  • Met betrekking tot het ten laste gelegde onder de Feiten IV A en V A van verdachte Van Trikt (verduistering van geld of geldwaardig papier en het juridische kader).

Er is sprake van overtreding van artikel 423 WvSr als een ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon geld dat is gebudgetteerd voor een specifiek doel voor een ander publiek doel wordt gebruikt, zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 (de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname). De Hoge Raad oordeelde dat van verduistering in de zin van art. 359 Sr Nederland (423 Sr Suriname) sprake is bij onttrekking aan de bestemming van gelden en geldswaardig papier. Voorts beschermt art. 359 Sr NL volgens de Hoge Raad het belang van een juiste vervulling van het ambt, ter wille van de integriteit van de openbare dienst, ‘welk belang van een goede taakvervulling gelijkelijk heeft te gelden ten aanzien van de persoon die in persoonlijke dienstbetrekking staat tot zijn werkgever (HR 02-06-2015, ECLI: NL: HR:2015:1449.). Gelet op de eerder aangehaalde bewijsmiddelen komt de vervolging tot de conclusie dat verdachte VAN TRIKT als governor van de CBvS als heer en meester over de op de in beheer zijnde middelen van de CBvS gaan beschikken en deze heeft gebruikt voor doeleinden waarvoor zij niet aangewezen waren. Zo heeft Van Trikt als gewezen governor gelden tot een totaal van bijkans 2.8 miljard Surinaamse Dollars toebehorende aan de CBvS uitgegeven in de mom van blanco voorschotten, althans laten verduisteren door medeverdachte HOEFDRAAD toen als gewezen minister van Financiën. Deze handelingen zijn verricht door middel van verschillende valse constructies in het kader van de transacties regarderende de 1ste en 2de tranche panden alsook de overeenkomst dd. 1 november 2019 omtrent de Royalty’s onder de mom van zogenaamde schuldsanering.

Aldus heeft verdachte Van Trikt tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD en overige medeverdachten, betreffende geldbedragen in zijn hoedanigheid van respectievelijk governor en minister van Financiën opzettelijk wederrechtelijk toegeëigend. Kortom: komt het voorgaande duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen, en is dit boven aangehaalde te herleiden op grond van de bewijsmiddelen opgesomd onder de nummers 1, 2 en 3. Ook vindt zulks weergave in het verkregen schriftelijk bewijs opgesomd onder 10 t/m 17.

  • Met betrekking tot het ten laste gelegde onder het feit VI en VII A (vervalsing van bescheiden, gekwalificeerde valsheid in geschrifte en valsheid in geschriften en het juridische kader).

Met betrekking tot de artikelen 278 & 279 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht. Het gaat om het zogenaamd beschermd belang. Bij deze artikelen gaat het ten eerste omtrent het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen en ten tweede het mogelijke nadeel dat door de valsheid wordt geleden. Ook is bij voornoemde artikelen niet vereist dat er daadwerkelijk nadeel was geldeden, doch dat nadeel moest wel kunnen ontstaan. (mvt Wetboek van Strafrecht SB 2015 no 44 pg 211 e.v. ).

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte Van Trikt een document -inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende valuta-interventies van enkele maanden te weten vanaf maart 2019 tot en met juli 2019 – zijnde een geschrift, valselijk heeft doen opmaken en heeft doen vervalsen waarbij hij daartoe aan [getuige 2] en/of [getuige 1] en/of [getuige 6] , althans aan medewerkers van de Bank de opdracht heeft gegeven of hun heeft geïnstrueerd valselijk althans in strijd met de werkelijkheid, in vermeld document inhoudende die statistieken of tabellen van totaal bedragen aan valuta-interventies over de maanden maart tot en met juli van het jaar 2019 te doen noteren, in ieder geval doen opnemen in ieder geval anders dan de werkelijkheid te doen verwerken en die te verstrekken aan de Minister van Financiën.

De verdachte Agnoe heeft het document “Incoming Payments” valselijk opgemaakt. Vermeld document – dat bestemd is voor de controle door de afdeling Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) en welk document dient als verklaring van de reden of een doel van te ontvangen gelden bij de Hakrinkbank NV. Verdachte Angnoe heeft daarin als reden opgenomen/vermeld cq doen opnemen/vermelden: “Project Strenght”, althans een fictief of een valse omschrijving als doel/reden van die geldovermaking (Euro 625.000,-) vanuit het buitenland ten behoeve van hem, verdachte of de rechtspersoon ORION CAPITAL INVESTMENT NV, zulks als ware voormelde gelden overgemaakt voor betaling van door hem, verdachte en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV verrichtte werkzaamheden ten behoeve van het “Project Strength” bij de Hakrinbank NV.

M.b.t. artikel 424 Sr. (t.a.v. verdachte Van Trikt). Het gaat bij dit feit omtrent het belang dat beschermd wordt m.n. van een doeltreffende controle op het functioneren van leden der staatsorganen. Verdachte van Trikt was als governor tijdelijk belast met enige openbare dienst bij de Bank. Voornoemd beschermd belang wordt benadeeld als valse stukken deel uitmaken van een te controleren administratie (HR 5 februari 1952, NJ 1952/239).

Zo blijkt uit het onderzoek dat Van Trikt toen als governor bij de Bank een leenovereenkomst, althans een document bestemd voor de administratie (boeken) van de afdeling Huisvestingfonds bij de Bank, welk boek uitsluitend bestemd is tot controle van de administratie binnen het Huisvestingfonds van de Bank, valselijk heeft doen opmaken of heeft doen vervalsen. Hij heeft toen als governor aan de persoon van [getuige 17], althans een medewerker van de Bank de opdracht gegeven cq hem geïnstrueerd valselijk in een leenovereenkomst, voor de aankoop van een voertuig van het merk RANGE ROVER, welke als controlestuk ten behoeve van een register en/of boek van de afdeling Huisvestingfonds bij de Centrale Bank zou dienen, een valse datum te weten, 19 augustus 2019 instede van 13 januari 2020 heeft doen opnemen en het alzo doen voorkomen dat vermelde leenovereenkomst tijdig althans vooraf aan de levering van voormeld voertuig was opgemaakt. Dit voorgaande met het oogmerk om die leenovereenkomst, althans dat/die boek(en) of register(s) die bestemd zijn tot controle van de administratie als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Kortom: komt het voorgaande duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen, en is dit boven aangehaalde te herleiden op grond van de bewijsmiddelen opgesomd onder de nummers4, 5, 6, 7, 9 11, 17 en 20. Ook vindt zulks weergave in het verkregen schriftelijk bewijs opgesomd onder 1, 2 en 5.

Het oordeel van de kantonrechter

Gelet op het al hetgeen hier voren is aangehaald en in samenhang met de opgesomde bewijsmiddelen kan – tegenover de ontkenningen van verdachte – vastgesteld worden dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, waarbij er duurzaam en in structureel verband is samengewerkt en daarbij wettelijke bepalingen zoals vervat in het Wetboek van Strafrecht en de Bankwet doelbewust zijn vertrapt. Dit voorgaande met het enig oogmerk om financiering ten behoeve van zichzelf en aan één of meer aan hun toebehorende rechtspersonen voordeel te hebben cq te bieden en voor de financiering van de overheidsuitgaven ten behoeve van de verdachte Hoefdraad voor behoud van hun functie en hun machtspositie.

De verdachte Van Trikt heeft steevast te kennen gegeven dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en telkens het belang van de CBvS heeft gediend, doch is dat uit de bewijsmiddelen niet gebleken gelet op het ernstig financieel nadeel dat is toegebracht aan de CBvS als moederbank met als gevolg grote tekorten ten nadele van de CBvS en nadelige gevolgen voor de Surinaamse economie, gevolgen waarmee de Surinaamse samenleving thans mee geconfronteerd wordt. Verdachte Van Trikt heeft op grove wijze de financiële middelen toebehorende aan de CBvS verkwist. Hierbij ontstaat de indruk dat verdachte Van Trikt mede voor dit doel in de functie van governor bij de Bank is geplaatst door medeverdachte Hoefdraad. Op zijn beurt betrekt Van Trikt zijn partner Angnoe van Orion NV als adviseur bij de Centrale Bank van Suriname. Verdachte heeft vanwege de door hem genomen besluiten en handelingen duidelijk andere belangen gediend te weten zijn eigen financiële belangen en die van medeverdachte HOEFDRAAD en daarmede de CBvS ernstig financieel benadeeld. Verdachte heeft als register accountant misbruik gemaakt van zijn kennis en posities als Governor bij de Centrale Bank van Suriname en als aandeelhouder van Orion NV en Limebridge VZW. Hij heeft het vertrouwen dat in hun gesteld was in ernstige mate geschaad. Als toenmalig Governor moest Van Trikt als register accountant hebben geweten dat dergelijke handelingen helemaal niet passen binnen de wet en regelgeving, desondanks heeft hij meegewerkt aan voormelde constructies.

Ten aanzien van corruptie merkt de kantonrechter nog het volgende op. In onderhavige zaak is er onder meer sprake van grootschalige corruptie: “consists of acts, committed at a high level of government that distort policies or the central functioning of the state, enabling leaders to benefit at the expense of the public good.” (zie Transparancy International, geraadpleegd op 1 juli 2015, van http:// www. Transparancy.org/glossary/term/corruption). Bij corruptie is de context van het corrupt handelen en de gelegenheid die door de organisatie wordt geboden van belang. Er zijn drie voorwaarden nodig voor het plegen van het delict namelijk: een gemotiveerde dader, een aantrekkelijk doelwit en weinig of geen toezicht. Bepaalde functies brengen een zekere mate van status en macht met zich mee. Het is die macht, en het vertrouwen in de bekleder van die macht, die misbruikt wordt ten eigen bate. Het beroep brengt als het ware een eigen gelegenheidsstructuur met zich mee. De handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd worden vergeleken met een slechte boomgaard, een institutionele context waar de organisatie, het soort werk en de werkcultuur een belangrijke rol hebben gespeeld. Bij corruptie falen zowel de individuen als de organisatie: de organisatie creëert de gelegenheid om corruptie te plegen. Personen die corruptie plegen en aldus de organisatie corrupt maken hebben veelal hun gedrag aangeleerd via (non) verbale communicatieprocessen in een omgeving waarin anti – sociaal gedrag ook veel voorkomt: het is ieder voor zichzelf en getuige dit ook op grond van de verklaringen bij de rechter – commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek afgelegd, het gebrek aan verantwoordelijkheid en accuraat handelen van verdachte en zijn mededaders. Mede daardoor heeft verdachte zich de behoeften en (morele) opvattingen en vaardigheden eigen gemaakt die het plegen van corruptie bevorderen. Ook persoonlijkheidskenmerken kunnen corrupt gedrag bevorderen: de behoefte aan geldingsdrang, aan macht over de omgeving, een bepaalde mate van hebzucht, het handelen onder druk van anderen en thrill seeking, de sterke behoefte om bij anderen gezien te worden en belangrijk geacht c.q. erkend te worden alsook een ongezonde loyaliteit aan opdrachtgevers die (politieke) macht bekleden.

Uit de processen – verbaal van de politie, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de variabelen van meso en micro niveau voor een groot deel aanwezig waren om te komen tot de vaststelling van corruptie die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd. Deze variabelen zijn ook belangrijke toetsstenen om na te gaan of er sprake is van good governance van instituten. De Centrale Bank van Suriname en Orion hebben ten tijde van de tewerkstelling van verdachte en zijn mededaders, gefunctioneerd als een corrupt orgaan vanwege de corruptieve handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd.

De variabelen op mesoniveau zijn:

  1. Leiderschap waarbij de rol van de leidinggevende centraal staat. Er is een gebrek aan integer leiderschap. De leidinggevende:
  1. geeft niet het goede voorbeeld en is niet bepaald een integere leider;
  2. is onduidelijk over wat is toegestaan;
  3. spreekt de medewerkers niet aan op regelovertredend gedrag;
  4. geeft geen ondersteuning aan integer gedrag.
  1. Procedures, deze variabele betreft het bestaan en de naleving van wet – en regelgeving en de uitwerking daarvan in procedures. Er is onbekendheid met wet – en regelgeving, een beperkte naleving van de procedures en een gebrek aan ownership. De procedures:
  1. Zijn niet schriftelijk vastgelegd;
  2. Sluiten niet aan bij de praktijk;
  3. Zijn niet gericht op het voorkomen van integriteitsrisico’s;
  4. Zijn niet duidelijk;
  5. Zijn niet bekend;
  6. Worden niet nageleefd door de medewerkers.
  1. Aan de hand van deze variabele wordt nagegaan in hoeverre er sprake is van interne of externe controle. Er zijn haperende controles, ondeugdelijke administraties en de sanctionering blijft uit. Met de controles:
  1. Wordt niet nagegaan of volgens de voorgeschreven procedures wordt gewerkt;
  2. Worden medewerkers niet aangesproken op regelovertredend gedrag;
  3. Wordt niet opgetreden en bestraft indien wordt afgeweken van de procedures.
  1. Deze variabele gaat over het moraal binnen de organisatie en de groepscultuur. In een niet integere organisatiecultuur:
  1. gaat men niet zorgvuldig om met elkaar, de middelen van de organisatie en (vertrouwelijke) informatie:
  2. ontbreekt onderling vertrouwen en open communicatie;
  3. voelen medewerkers zich niet veilig om vragen te stellen als zij strafbare feiten – zoals corruptie – vermoeden;
  4. bestaat geen onderling corrigerend gedrag;
  5. is er sprake van een onveilige organisatiecultuur; een cultuur van wantrouwen, collectieve onverschilligheid en passiviteit.
  1. Er is sprake van een onsamenhangend integriteiteitsbeleid en gebrek aan continuiteit door frequente bestuurswisselingen. Het gaat hier erom of er binnen de organisatie speciale aandacht is voor het woord integriteit:
  1. er zijn geen integriteitsvoorschriften (wettelijke regelingen, gedragscode, vertrouwenspersoon, meldprocedure);
  2. de integriteitsvoorschriften zijn niet bekend bij de medewerkers;
  3. medewerkers worden niet gescreend;
  4. risicofuncties worden niet benoemd;
  5. medewerkers volgen geen integriteitstrainingen.

De variabelen op microniveau

  1. Er is sprake van één of meer persoonlijkheidskenmerken:
  1. Dominant
  2. Machtswellustig
  3. Welbespraakt
  4. Overtuigend
  5. Megalomaan (op zichzelf gericht)
  6. Principeloos
  7. Onverantwoordelijk
  8. Laag moreel besef
  1. Motieven
  1. Geld
  2. Macht
  3. Behoud of versterking van de eigen positie
  1. Rationaliteit van handelen, waarbij er sprake is van een rationele keuze aan de hand van een kosten- en batenanalyse. Corrupte bestuurders en ambtenaren zijn vaak rationele wezens die maximaal profijt nastreven met het eigen belang voorop: zij proberen de instituties in hun eigen voordeel te hervormen door meer macht naar zich toe te trekken. Potentiële daders van corruptie maken een bewuste keuze van de kosten en baten analyse. Zij zijn bereid om corruptie te plegen als zij verwachten dat de opbrengsten groter zijn dan de kosten. “Opbrengsten” staan niet uitsluitend voor financieel gewin, maar ook voor het bereiken van een bepaalde status, aanzien en macht. Het begrip “ kosten” betreft niet alleen de kosten van steekpenningen, maar ook het ingeschatte risico van een lage pakkans ( waar verdachte en haar mededaders bedrogen in zijn uitgekomen) en het risico op een eventueel baanverlies ( als ik niet doe wat mijn meerdere mij opdraag kan ik mijn baan verliezen) of een reputatieschade ( in ga mijn aanzien bij mijn meerderen verliezen als ik niet doe wat zij van mij vragen).
  1. De gedragingen worden vooraf en/of achteraf verantwoord door toepassing van een of meer van de volgende neutralisatietechnieken:
  1. Ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid
  2. Ontkenning van schade of benadeling
  3. Ontkenning van slachtoffer(s): niemand is benadeeld. Handelingen gepleegd in het belang van land en volk / ik heb het beste met het land voor/ vaderlandsliefde.
  4. Veroordeling van de oordelaars cq degenen die de wantoestanden aan het licht hebben gebracht.
  5. Verwijzing naar hogere plichten of morele principes: een groot risico genomen, financiering gegeven zonder enige dekking daartegenover, wij zijn vooruitgelopen op zaken en we hadden er geloof in dat het wel goed zou komen, Ik ben loyaal aan mijn opdrachtgevers en had het beste voor met het land.

Bovenstaande variabelen op mesoniveau en microniveau zijn belangrijke toetsstenen voor instanties die bemenst worden door publieke functionarissen en hun medewerkers, teneinde na te gaan of er sprake is van good governance en sterke democratische instituten met transparante regels en werkwijzen. Burgers dienen vertrouwen te hebben in publieke functionarissen en hun zakenpartners en de instituten waaraan zij leiding geven. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben – op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in samenhang met de geraadpleegde literatuur en de jurisprudentie – verdachte en zijn mededaders gefaald om aan de noodzakelijke voorwaarden te voldoen met als gevolg een geschokte rechtsorde en een zeer grote benadeling van de Centrale Bank van Suriname en in het verlengde daarvan ook De Staat Suriname.

De maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Voor wat betreft het verweer van verdachte inzake artikel 54 e Sr. (de maatregel tot ontneming) is de kantonrechter van oordeel dat de redenering van de verdediging dat deze maatregel niet kan worden uitgevoerd omdat er geen sprake is van een veroordeelde, onjuist is. In de M.v.T. op artikel 54e wordt namelijk aangegeven dat deze maatregel is ingevoerd ter bestrijding van de in aantal toegenomen georganiseerde en lucratieve vormen van voornamelijk internationale criminaliteit (zoals fraude, witwassen mensenhandel en handel in verdovende middelen. Voorts dat het accent van de maatregel van artikel 54e Sr. ligt op het afromen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inclusief alle daarmee verworven zaken of vermogensrechten( huizen, aandelen) en de eventueel weer uit die zaken of vermogensrechten verkregen voordelen (huurpenningen, dividend, uitkeringen). De stelling van de verdediging dat blijkens Tekst en Commentaar voor de maatregel van artikel 54e een afzonderlijke procedure is gecreёrd is onvolkomen. In Tekst en Commentaar Strafrecht (Cleieren/Nijboer 7e druk) wordt in de toelichting op artikel 36e ned. Sr.(art.54e sur. Sr.) o.a. aangegeven dat deze vordering op één en dezelfde terechtzitting kan samengaan met de vordering in de strafzaak als het om eenvoudige zaken gaat. Bij ingewikkelde ontnemingszaken kan de ontnemingsprocedure plaatsvinden na de procedure in de strafzaak. De zaak in casu is qua inhoud erg omvangrijk, maar er is geen sprake van een ingewikkelde ontnemingsprocedure omdat uit het opsporings – en het uitvoerig gerechtelijk vooronderzoek van de Rechter Commissaris duidelijk is aangetoond wat het wederrechtelijk verkregen voordeel is.

De strafbaarheid van de feiten

De te bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. Verdachte is een first offender voor de wet.

De motivering van de straf.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan de hierna te melden op te leggen straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijk duur met zich brengt. De ernst van de feiten ligt in de grote benadeling en verregaande nadelige gevolgen welke de gepleegde strafbare feiten tot gevolg hebben voor de economie van het land en de Surinaamse samenleving. Het kan en mag niet zo zijn dat burgers hard werken en offers brengen om op een eerlijke manier in hun levensonderhoud te voorzien terwijl personen die diensten verlenen aan mensen in leidinggevende posities van financiële instellingen van de Staat, uit puur opportunisme voor zichzelf en hun medeverdachten op onverantwoorde wijze en in strijd met wetten en procedureregels omgaan met staatsfinanciën en daarbij voorbijgaan aan het algemeen belang. Verdachte en zijn mededaders hebben heel belangrijke rollen gehad binnen het geheel.

De verdachte Van Trikt is werkzaam geweest als Governor van de Centrale Bank van Suriname, een verantwoordelijke functie. De Centrale Bank van Suriname vervult immers een belangrijke wettelijke taak, waaronder het waarborgen van de waarde van de Surinaamse munt. Van de leidinggevende van zo een gezaghebbende staatsinstelling mag een voorbeeldfunctie verlangd worden en wordt integer, verantwoordelijk en zorgvuldig handelen verwacht. Deze persoon dient elke schijn van belangenverstrengeling en niet integer handelen te voorkomen. Het integriteitsbeleid van instituten brengt met zich mee dat publieke ambtsdragers zich dienen te gedragen als een goed ambtenaar, conflicterende nevenwerkzaamheden dienen te melden en zorgvuldig dienen om te gaan met (overheids) goederen cq goederen die aan de organisate toebehoren.

Dit dient verdachte Van Trikt, Robert – Gray, Ashween Ryan als register accountant ook te weten; hij heeft zich er niet om bekommerd welke schade door zijn handelen werd aangericht aan het imago en de betrouwbaarheid van de Centrale Bank van Suriname en het financieel welzijn van de samenleving. Het gedrag van verdachte typeert opportunisme. Exemplarish voor dit gedrag zijn de handelingen van verdachte en zijn mededader aangaande de Euro 625.000,–. De verdachte van Trikt heeft door zijn handelingen als governor bij de CBvS het imago van de CBvS als moederbank en het vertrouwen in publieke functionarissen van financiële instellingen ernstig geschaad. Daardoor zijn de CBvS en zijn medewerkers onnodig in een kwaad daglicht komen te staan..

Op grond van het hierboven aangehaalde en mede gelet op verdachte VAN TRIKT, ROBERT GRAY enerzijds een essentiële rol binnen het geheel heeft gehad en anderzijds een first offender is, zal de kantonrechter de na te melden straf als hieronder vermeld opleggen.

De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Verklaart het bewezenverklaarde onder I, II; III A; IV A, V A, VI EN VII A van de ten laste legging strafbaar en kwalificeert dit als volgt:

  • onder feit I, medeplegen aan het eerste lid van artikel 13 van de Anticorruptiewet., welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 1 Anti- Corruptiewet juncto artikel 72 Sr.
  • onder feit II, medeplegen aan het tweede lid van artikel 13 van de Anti – Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 2 Anti – Corruptiewet juncto artikel 72 Sr.
  • onder feit III A (primair): medeplegen aan opzettelijk money laundering, welk feit strafbaar is gesteld in 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 Sr.
  • onder feit IV A (primair): medeplegen aan verduistering van geld of geldwaardig papier, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit V A (primair): medeplegen aan verduistering van geld of geldwaardig papier, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 423 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit VI: doen plegen van valsheid in geschrifte, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 278 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • onder feit VII A (primair): vervalsing van bescheiden door een ambtenaar of een ander met enige openbare dienst of tijdelijk belast persoon, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 424 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing van de Kantonrechter berust mede op de artikelen 9, 11, 38, 43, 44, 54 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING VAN DE KANTONRECHTER

  • Verklaart de onder I; II; III A, IVA, VA, VI en VII A ten laste gelegde feiten zoals hierboven is vermeld wettig en overtuigend bewezen;
  • Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
  • Veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van acht (8) jaren.
  • Bepaalt dat de tijd door de verdachte vόόr de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
  • Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete tot een totaal bedrag van SRD 500.000, – (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar) subsidiair 16 maanden hechtenis.
  • Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.
  • Verklaart verbeurd het onroerend goed te weten ORION CAPITAL INVESTMENTS N.V. gevestigd aan de [adres 1] te [district] , op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50 a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a.
  • Beveelt de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,– (zeshonderd vijfentwintig Euro) op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachten Van Trikt, Robert Gray en Angnoe, Ashween Ryan c.q. verplicht hen tot betaling van voormeld geldsbedrag.
  • Verklaart verbeurd voertuig van het merk Range Rover die bij verdachte Angnoe, Ashween Ryan in beslag is genomen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Kuldip Singh, Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in tegenwoordigheid van A. A. Kalloe LL.B., griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 31 januari 2022.

 

[1] HR 26 juni 1899 W 7307 &

[2] Tekst en Commentaar Strafrecht 5de druk. Pg 301. Art 42 aant 4. Sr Ned.

[3] HR 30 november 1914, NJ 1915, 282.

[4] HR 30 januari 1928, NJ 1928. 215

[5] Encyclo.nl.

[6] Brief afkomstig van de dhr ML Roemer (governor CbvS) dd 3 april 2020. Welke schrijven gericht was aan de gewezen minister van Financiën, thans de verdachte Hoefdraad m.b.t. het onderwerpelijke.Productie I

SRU-K2-2022-3

KANTONGERECHT

Vonnisnummer: 51
Datum uitspraak: 31 januari 2022
Tegenspraak
Raadslieden: mr. M. Dubois en mr. R. Lobo

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

Naam: HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS,
Geboren op [datum] in [district 1],
Wonende aan de [adres] in het district [district 2].

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door haar raadslieden als hierboven voornoemd, advocaten bij het Hof van Justitie.

HET ONDERZOEK VAN DE ZAAK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 5 oktober 2020, 26 november 2020, 12 januari 2021, 28 januari 2021, 4 maart 2021, 9 maart 2021, 6 april 2021, 11 mei 2021, 29 juni 2021, 29 juli 2021, 17 augustus 2021, 29 oktober 2021, 22 december 2021 en 31 januari 2022.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. C. Klein – Jules, van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mr. M. Dubois en mr. R. Lobo naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING
Volgens de verdediging is hetgeen ten laste is gelegd onder I A en III A en V van de dagvaarding nietig, daar de bepalingen van de Bankwet met name artikel 18 via een sluiproute, middels artikel 13 lid 1 van de Anti Corruptiewet ten laste is gelegd en wordt zulks ervaren als een obscuur libel van de dagvaarding. De officier van justitie verwijst naar artikel 242 van het Wetboek van Strafvordering en stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en geldig is. De kantonrechter is komt tot het oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 242 van het wetboek van Strafvordering en de dagvaarding geldig.

DE BEVOEGDHEID VAN DE KANTONRECHTER
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
De verdediging stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vordering omdat:
• artikel 18 lid 1 en lid 4 van de Bankwet is gecombineerd met de artikelen 13 lid 1 a van de Anti- Corruptiewet en deze als een geheel wordt vastgelegd in de tenlastelegging, hetgeen lijdt tot een onbegrijpelijke dagvaarding/obscuur libel. In artikel 13 lid 1 van de Anti -Corruptiewet is er geen uitleg gegeven met betrekking tot de term “wettelijk voorschrift”;
• de vervolging is ingesteld krachtens artikel 13 van de Anti -Corruptiewet en de Commissie als bedoeld in artikel 2 van voormelde wet ten tijde van de vervolgimg van verdachte nog niet ingesteld was. De vervolging van verdachte heeft dus plaatsgevonden zonder dat de Commissie daarvan kennis heeft genomen. De Anti -Corruptiewet kan pas van kracht zijn nadat de commissie is geinstalleerd. In casu is de anti corruptiewet niet van toepassing omdat de commissie nog niet was geinstalleerd ten tijde dat de vervolging tegen verdachte werd ingesteld.

De officier van justitie stelt daartegenover:
• dat de term ‘wettelijk voorschrift’ niet nader is omschreven in de Anti -Corruptiewet, doch is uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken dat verdachten in strijd hebben gehandeld met de Bankwet. In het Wetboek van Strafrecht is als bestanddeel opgenomen artikel 65 welke luidt: “ Niet strafbaar is een gedraging gepleegd ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. De rechtspraak en literatuur (verwijzend naar de HR 26 juni 1899 W 7307 en tekst en commentaar Strafrecht vijfde druk pag. 301, art. 42 aantekening 4 Nederlands Wetboek van Strafrecht) hebben ten aanzien van de term wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht, welke overeenkomst met artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht Nederland, nader uitleg gegeven: met ‘wettelijk voorschrift’ in artikel 65 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht, welke overeenkomst met artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht Nederland, wordt gedoeld op wetten gegeven door machten aan welke wetgevend vermogen is toegekend. Het kan dus ook gaan om wetten van lagere bestuursorganen en verdragen. Ook voorschriften van lagere wetgevers worden aangemerkt als wettelijk voorschrift ( HR 30 november 2014 NJ 1915 no. 282). Niet vereist is dat een voorschrift een verplichtend karakter heeft, voldoende is dat het een meer vrijblijvende bevoegdheid geeft (HR 30 januari 1928 NJ 1928 no. 215). De geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173 is immers aangenomen door de wetgevende instantie en bij resolutie door de President van Suriname bekrachtigd en afgekondigd en opgenomen in het Staatsblad van de Republiek Suriname, ten einde raadpleging daarvan te vergemakkelijken.” In essentie is een ‘wettelijk voorschrift’ elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegd instituut c.q autoriteit. Als voorgaande definitie wordt toegepast op artikel 18, kan niet worden miskend dat die bepalingen wettelijke voorschriften zijn. Het zijn namelijk regels gebaseerd op de Bankwet welke wet is uitgevaardigd door de regering van Suriname, inhoudende regels waaraan de Bank zich dient te houden en dus een voorschrift volgens de definitie in de rechtswetenschap. Hetgeen voornoemde wettelijke bepaling, met name artikel 18 van de Bankwet, voorschrijft, betreft een verbodsbepaling, waaraan men zich strikt dient te houden c.q na te leven. De wetgever heeft zulks noodzakelijk geacht en derhalve in de Bankwet geïncorporeerd. Elke verrichte handeling die niet is gestoeld op de wet, levert evenzeer een tegenstrijdigheid op. In dit strafrechtelijk onderzoek wordt het gevolg van de strijdigheid gekenmerkt door een enorme financiële schade voor de CBvS, waarmee de Bank heden ten dage mee te kampen heeft. Taalkundig gezien is er in principe geen verschil tussen de begrippen verbod en gebod. Een gebod is een bevel van een hogere autoriteit of een leefregel, terwijl verbod aanduidt om iets na te laten. Als het gebod een bepaalde handeling verbiedt, spreekt men van een verbod. In politieke eenheden spreekt men niet van een gebod maar van een wet. Deze definitie is terug te leiden tot de bepaling van artikel 18 van de Bankwet, welk artikel een verbod is en daarnevens een gebod tot het nalaten van de daarin vastgelegde handelingen uitgevaardigd door de regering als politiek instituut en dus een wettelijk voorschrift.

• voor wat betreft de stelling van de verdediging dat het Openbaar- Ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat de vervolging is ingesteld krachtens artikel 13 van de Anti – Corruptiewet en de Commissie als bedoeld in artikel 2 van voormelde wet nog niet ingesteld is, voert de officier van justitie het volgend verweer. Voormelde redenering is onbegrijpelijk en niet valide. Onze strafrechtwetgeving geeft duidelijk aan op grond van welke bepalingen er een strafrechtelijk onderzoek dan wel een vervolging kan worden ingesteld door het Openbaar-Ministerie. Ook blijkt nergens uit de Anti-Corruptiewet dat het hebben van een Commissie de noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen, noch kan ergens uit worden afgeleid dat de wet niet uitvoerbaar is zonder instelling van de Anti-corruptie Commissie. Ook is dat niet af te leiden uit de Memorie van Toelichting. De Commissie als bedoeld in de wet heeft slechts taken m.b.t. regulering en monitoring van het preventiebeleid. Het verband dat de verdediging probeert te leggen tussen het installeren van de Anti-corruptie Commissie en het instellen van een strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 13 van de Anti-Corruptiewet snijdt dan ook geen hout.
Vast staat dat het strafrechtelijk onderzoek werd aangevangen, nadat er aangifte is gedaan door functionarissen van de CBvS, in opdracht van de gewezen minister van Financiën. Conform de regels van strafvordering- in casu art. 113 Sv- heeft de Procureur – Generaal instructies gegeven tot het verrichten van een onderzoek. Artikel 18 van de Anti-Corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in het 1ste en 2de lid van artikel 17 van dezelfde wet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar – Ministerie dan ook bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten (zie art 3 Wet RIS). Bovendien staat in de M.v.T. van voormelde wet op pagina 28 het volgende: “De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken valt onder de exclusieve bevoegdheden van het Openbaar Ministerie en de Procureur-generaal.” Voorts verwijst de M.v.T. op pag. 31 naar strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht die aanvankelijk zouden worden opgenomen in de Anti-Corruptiewet en vermeld: ‘’Deze vernieuwing van de bestaande bepalingen met betrekking tot anti-corruptie in het herziene Wetboek van Strafrecht waren aanvankelijk onderdeel van deze wet. Aangezien het herziene Wetboek van Strafrecht reeds eerder de goedkeuring heeft verkregen van De Nationale Assemblée, zijn bedoelde verruimde anti-corruptie bepalingen uiteraard niet meer opgenomen in deze wet.’’ Op grond hiervan houdt de stelling van de verdediging geen stand en moet daaraan worden voorbijgegaan.

Het oordeel van de Kantonrechter
De officier van justitie heeft de door de verdediging opgeworpen formele verweren gemotiveerd weersproken op de wijze zoals hierboven is vermeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de verweren van de raadslieden geen stand houden en is de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering.

DE SCHORSING VAN DE VERVOLGING
Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

DE TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte kopie van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. Het ten laste gelegde komt erop neer dat de verdachte zich – kort en zakelijk weergegeven – schuldig heeft gemaakt aan:
I *A en I B: Medeplegen cq medeplichtigheid aan overtreding van de anti – corruptiewet, zoals genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-Ccorruptiewet S.B. 2017 no. 8 juncto artikel 72 en 73 van het Wetboek van Strafrecht.
II A en II B: Medeplegen cq medeplichtigheid aan verduistering van geld of geldswaardig papier, zoals genoemd in artikel 423 van het wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 juncto artikel 72 en 73 van het Wetboek van Strafrecht.
III A en III B: medeplegen cq medeplichtigheid aan overtreding van de Aanti – Ccorruptiewet S.B. 2017 no. 8 juncto artikel 72 en 73 van het Wetboek van Strafrecht.
IV A en IV B: medeplegen cq medeplichtigheid van ambtsverduistering, zoals genoemd in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 72 en 73 van het Wetboek van Strafrecht.

DE VORDERING VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder I A, II B, III A en IV B van de dagvaarding. Zij verwijst naar de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen afgelegd bij de politie, tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek en op de terechtzitting. Daarbij wordt gevorderd dat verdachte wordt veroordeelt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 (vier) jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een geldboete tot een totaal van SRD 100.000,– subsidiar 10 maanden hechtenis en haar gevangenhouding.

HET STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING
De verdediging is – kort en zakelijk weergegeven – van mening dat de ten laste gelegde feiten niet zijn bewezen. Uit de processtukken blijkt niet dat verdachte heeft samengewerkt met de heer Gilmore Hoefdraad en Robert van Trikt en is het bewijs van medeplegen en medeplichtigheid aan de verdachte ten laste gelegde feiten ook niet geleverd. De verdediging concludeert tot vrijspraak voor de verdachte. De verdediging voert de volgende materiele verweren aan:
• het Openbaar – Ministerie heeft in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. De directeur Bankbedrijf en Bancaire zaken [persoon 1] en de directeur Monetaire en Economische aangelegenheden [persoon 2] die werkzaam waren bij de CBvS zijn vanwege een vertrouwensbreuk buiten functie gesteld, omdat ze te laat aan de bel hebben getrokken ten aanzien van de financieel nadelige contracten die verdachte heeft gesloten met het Belgisch adviesbureau Clairfield en desondanks zijn deze twee personen niet door het Openbaar – Minsiterie vervolgd. Het Openbaar – Ministerie heeft de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] als bewijsmiddel tegen verdachte gebruikt en dat is geheel ten onrechte;
• artikel 327 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat de verklaringen van medeverdachten alleen te hunner aanzien gelden en dient de kantonrechter voorzichtig om te gaan met de verklaringen van medeverdachten. Het betreft hier de verklaringen van de getuige Van Trikt, Robert – Gray die als medeverdachte wordt aangemerkt;
• als we kijken naar de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [persoon 1]. [getuige 2] en de confrontatie verklaring tussen verdachte enerzijds en Van Trikt, Robert – Gray anderzijds, dan kunnen wij uit de inhoud van hun verklaringen constateren dat verdachte geen rol heeft gespeeld bij de aankoop van de overheidspanden, dat zij niets afwist van de conceptbrieven die naar mede verdachte Hoefdraad werd geschreven, dat verdachte met het “ out of de box denken” doelde op het geven van juridisch correcte adviezen en dat ze pas na de aankoop van de tweede tranche panden op de hoogte is gesteld van de verwikkelingen. Het is dus onjuist om te vermelden dat verdachte tezamen en in vereniging met haar mededaders de aan haar verweten feiten heeft gepleegd. De intensiteit van de samenwerking tussen verdachte en haar mededaders is niet tot uitdrukking gekomen (Hausil had helemaal geen goede verstandhouding met Van Trikt) noch de onderlinge taakverdeling tussen verdachte en haar mededaders. Er was dus geen opzet op de samenwerking en ook geen opzet op het grondfeit. Uit geen enkel feit blijkt dat verdachte heeft meegewerkt aan de overdracht van de panden ter financiering en heeft zij zich derhalve niet schuldig gemaakt aan overtreding van de Anti – Corruptiewet.
• ten aanzien van (ambts)verduistering is de verdediging van mening dat verdachte op geen enkel moment gelden danwel geldwaardig papier onder zich heeft gehad en die aan haar ambtelijke bestemming zou hebben onttrokken.

HET OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER
De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder I A, II B, III A en IV B ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat zij:
Primair onder feit IA: dat zij verdachte, op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname; tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën, zijnde publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85 en KROMOSOETO, GINMARDO BUDIONO, verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn bedongen, waarbij door haar en haar voornoemde mededaders in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor zichzelf en ten behoeve van (een) ander te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, welk feit strafbaar wordt gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht medeplegen.

Subsidiar onder feit II B: dat zij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en), althans enig geld of geldswaardig papier, dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in zijn bediening onder zich had, door een ander te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE werd verduisterd, welk feit strafbaar wordt gesteld in artikel 423 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 voor wat betreft medeplichtigheid aan voornoemd strafbaar feit artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.

Primair onder feit IIIA: dat zij verdachte, op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode november 2019 tot en met februari 2020, in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname, tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 201secretaris no 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën, zijnde één of meer publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85 en KROMOSOETO, GINMARDO BUDIONO en één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen, verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn bedongen, waarbij door haar en haar voornoemde mededaders in strijd is gehandeld met de terzake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor zichzelf en ten behoeve van (een) ander te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, welk feit strafbaar wordt gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht medeplegen.

Subsidiair onder feit IV B: dat zij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en), althans enig geld of geldswaardig papier, dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in zijn bediening onder zich had, door een ander te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE werd weggenomen of werd verduisterd, welk feit strafbaar wordt gesteld in artikel 423 Wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44 voor wat betreft de medeplichtigheid aan voornoemd strafbaar feit artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder I A, II B, III A, IV B van de ten laste gelegde feiten.
I. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 26 november 2020 waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – heeft verklaard: De missive heb ik niet eerder gezien. De missive is in verband te brengen met de tweede tranche panden van december. Ik ben in de war gekomen en verklaar dat ik een brief heb opgesteld voor ROGB. Door [persoon 1] ben ik achteraf geconfronteerd. We kregen daarna nog een keer de opdracht om advies uit te brengen. Er waren twee momenten. De eerste was in juli, waarbij de opdracht door Van Trikt werd gegeven voor de minister van Financiën over schuldverrekening. Vanwege het tweesporen beleid waren wij tegelijk bezig om de NV’s op te richten en met de wijzigingen van de Bankwet. Voor het opzetten van rechtspersonen heeft de CBVS de bevoegdheid daarvoor. De wijzigingen waren in het kader van de meerdere onroerende goederen. In het verleden heeft de CBVS rechtspersonen opgericht en daarnaar heb ik gehandeld. Toen waren er geen andere goederen in ondergebracht vanwege artikel 18 lid 4 en lid 2. Dat staat daar aangegeven. De CBVS had wel een dekking voor betaling van de schuld. In de brief van de Minister van Financiën is een heel belangrijk woord opgenomen. Ik ben achteraf geconfronteerd voor wat er nog mogelijk was om met een mogelijke oplossing te komen. Ik heb naar beste eer en geweten gehandeld. Op het moment dat [persoon 1] mij met de getekende brieven van de Minister van Financien confronteerde, had [persoon 1] reeds uitbetaald voor de panden. Het enige dat ik kon doen was damage control. Mijn conceptbrief ging over schuldverrekening van 2,3 miljard. Ik begrijp niet dat die brief een betalingsgrondslag in het leven had geroepen. In de mail van zondag 29 december 2019 was inderdaad het woord monetaire financiering gevallen. Toen [persoon 1] aangaf dat de gelden van de twee tranches panden waren betaald heb ik geprobeerd damage control te doen. Als ik niets had gedaan zou ik tekortschieten, het was dit of dat. Er was een meningsverschil met Van Trikt. Na een reis naar Belgie kwamen we tot de ontdekking dat er een wet moet zijn om de NV’s op te richten. Van Trikt was die mening niet toegedaan. De uitvoering van SPIM is blijven sudderen. Het feit is dat [persoon 1] heeft uitbetaald. Ik heb hem aangegeven om de documenten terug te sturen naar d8xe Minister van Financiën om de zaak op te lossen. De beperkingen van de Bankwet zijn vanaf het begin met Van Trikt besproken. In België werd het duidelijk. De besluiten van Van Trikt over de panden en de onroerende goederen zijn niet in het voordeel van de CBVS. Van Trikt was verantwoordelijk voor de besluiten en [persoon 1] voor het uitvoeren, want hij was belast met de uitbetaling van de twee tranches. In mijn perceptie zouden de panden doorvloeien naar NV SPIM. Pas in november wist ik dat SPIM was verlaten, omdat er was betaald voor de panden. Tot december zijn de conceptstatuten doorgestuurd. Ik heb niet willens en wetens de Bankwet overtreden. U moet het zien als de gedachte dat SPIM werd gedragen door de werkgroep. In de functie van algemeen secretaris heb ik alle moeite gedaan om de zaken in goede banen te leiden, niet om willens en wetens de CBVS te benadelen. Ik heb niet opgelicht, niet misleidt en ik ben ook niet het brein geweest. Dat waren Kromosoeto, Hoefdraad en Van Trikt. Ik sta erbuiten. Ik was niet betrokken bij de plannen. Ik heb tijdens de white board sessies aangegeven dat er tekortkomingen zijn in de Bankwet.

II. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2021 waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – heeft verklaard: Ik was niet op de hoogte van de gesprekken die werden gevoerd ten aanzien van de panden. Ik ben achteraf geconfronteerd door [persoon 1] dat er voor de panden was betaald, maar dat die niet overgemaakt konden worden. Ik heb daarbij nog geschreeuwd en gezegd dat het monetaire financiering was. Toen moest ik een brief schrijven om de transacties terug te laten draaien. In mijn concept was er sprake van schuldverrekening en niet van schuldfinanciering. Ik ben pas gecontact toen er een concept notaris akte van notaris Ramautar naar de afdeling is gestuurd. Vóór oktober was ik niet op de hoogte van de eerste tranche betalingen. Ik ben pas achteraf benaderd geworden om een oplossing te vinden. Bij het opzetten van de NV’s zouden de panden als assets worden ingezet en dat zou weer in strijd zijn met de Bankwet. Het voorstel van het oprichten van twee NV’s was een idee van Van Trikt. Ik kreeg beperkte informatie en uit het e-mail bericht van Kromosoeto heb ik begrepen dat de panden overgedragen zouden worden aan de CBVS. Van Trikt had aan mij en [persoon 1] gezegd om de gedachtegang van de panden over te brengen in twee NV’s.

III. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2021 waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – heeft verklaard: Ik was wel op de hoogte dat men de panden in een NV wilde overbrengen, maar ik hield de governer Van Trikt voor dat het niet mogelijk was. Ik ben achteraf op de hoogte gesteld dat men voor de panden gelden had overgemaakt, maar dat die panden notarieel niet overgemaakt konden worden. De constructie voor het plaatsen van de panden in een NV is dan achteraf via de e-mail door Van Trikt geforward op 16 of 17 juni of juli en op basis daarvan moest er een conceptbrief worden opgesteld ten aanzien van de schuldverrekening. Ik was niet op de hoogte van het royement. Ik had de informatie van Van Trikt gekregen dat de fase om de panden te verkrijgen een onderdeel van SPIM zouden zijn. Ik weet niet of Van Trikt het mondeling had gevraagd om advies uit te brengen ten aanzien van de Royalty’s. Ik wist niet dat er perikelen waren ten aanzien van de Royalty’s. De enige informatie die wij hadden was dat Van Trikt zich zorgen maakte over het dalen van de deviezenvoorraad. Ik had materiaal bestudeerd en nadat [persoon 1] had ge-e-mailed dat wij moesten zoeken naar andere mogelijkheden en het bleek dat [persoon 3] al een methode had gebruikt, besloot ik naar die mogelijkheid te kijken. Toen het voor mij niet duidelijk was in welk kader ik adviezen moest geven, maakte ik contact met de Minister van Financiën om te vragen in welk kader er advies gegeven moest worden. Dat deed ik voor de duidelijkheid. Ik moest terugkoppelen met de governer Van Trikt maar vanwege de slechte relatie met hem was ik uitgeweken naar de minister. Daarna heb ik teruggekoppeld met Van Trikt, maar we kwamen er niet uit, omdat Van Trikt mij vaker had bedreigd te zullen ontslaan stuurde ik een WhatsApp bericht naar de minister om te vragen hoe ik de opdracht moest zien. Die heeft toen een voice – app bericht gestuurd en toen vroeg ik de afdeling om een advies uit te brengen. Van Trikt heeft toen het advies ondertekend. Ik had niet de indruk dat we met de externe advokaten lijnrecht tegenover elkaar stonden. Het origineel concept is denk ik met [persoon 4] opgesteld en daaruit is mijn brief uitgekomen. Als [persoon 4] zegt dat ze haar punten niet herkent in het concept dan weet ik het niet. Daar heb ik geen antwoord op. Ten aanzien van de constructie van panden is een e-mail naar de governer Van Trikt gestuurd. De kritische kanttekeningen zijn meegenomen. Ik heb tekstueel wat gecorrigeerd. Ten aanzien van de Royalties is de tekst wat aangepast, maar ten aanzien van de panden is de memo precies zo naar de governer gestuurd. Ten aanzien van de tekstuele veranderingen kan ik me niet herinneren dat ik zulke kardinale veranderingen heb aangebracht. Nadat ik de tekstuele correcties heb aangebracht heb ik Van Tikt een e-mail gestuurd en daar ben ik zeker van, omdat het een cruciale was. Ten aanzien van de kritische kanttekeningen van [persoon 4] die ik niet had doorgestuurd voor Van Trikt, dat is gebeurd omdat ik [persoon 4] wilde beschermen, want ik weet dat Van Trikt niet happig zou zijn met het voorstel. Als persoon heb ik ook in overweging genomen om de governer niet boos te maken. Ik en de juristen van de bank hadden Van Trikt gewezen op de beperkingen van de Bankwet. Hij was op de hoogte dat er beperkingen zijn en toen heeft hij gezegd om te kijken naar wat de constructie zal uitwijzen. In het jaar 2020 werden er white board sessies gehouden in het kader van waar gaat de bank naartoe. Daarbij waren er juristen aanwezig, de directeuren e.a. Er zijn geen verslagen van die white board sessies gemaakt. Toen Van Trikt zei dat er panden gekocht zouden worden stond ik erop dat er eerst taxatierapporten overgelegd zouden worden om de governer van advies te dienen. Van Trikt was op de hoogte dat er in strijd werd gehandeld met artikel 18 van de Bankwet, want daarna kwam hij met het oprichten van de NV’s. De white board sessies met Van Trikt zijn nooit genotuleerd.

IV. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 4 maart 2021, inhoudende een confrontatieverhoor tussen de verdachte en de getuige Van Trikt, Robert Gray, kort en zakelijk weergegeven:
De kantonrechter leest voor, een passage uit het procesverbaal van vrijdag 31 juli, opgemaakt door [verbalisant 1] a.v.p. 1e kl. onder meer inhoudende de verklaring van de getuige bij de politie afgelegd betreffende een forward e-mail, voorzover zakelijk weergegeven als volgt: ‘Deze forward e-mail van dhr. van Trikt krijg ik zonder instructies. Die instructies krijg ik naderhand mondeling van dhr. Van Trikt. Op basis van mondelinge instructies van dhr. Van Trikt heb ik een conceptbrief opgesteld op 22 juli 2019’.

De kantonrechter houdt de getuige Van Trikt, Robert Gray vervolgens voor: Hausil zegt, zij heeft de mondelinge instructies van u gehad en u zegt dat is niet juist, u heeft haar nimmer instructies gegeven om de conceptbrief van 22 juli 2019 op te stellen.

De getuige, Van Trikt reageert daarop kort en – zakelijk weergegeven – als volgt: Ik blijf bij mijn verklaring die ik bij de politie heb afgelegd. Ik heb de e-mail geforward op 10 juli 2019. Mw. Hausil verklaart, dat ik met [persoon 1] en haar heb gesproken op kantoor en daar mondelinge instructies heb gegeven. Ik wil haar hierop attenderen, dat ik nooit de instructies had gegeven voor het opstellen van een brief voor de minister. Mw. Faranaaz Hausil was in die periode helemaal niet in het land. Zij is op 10 juli 2019 afgereisd naar New York met de minister en is op 24 juli 2019 teruggekeerd in Suriname dan is zij 26 juli 2019 op de bank. Dat is allemaal geregistreerd in een overzicht. Ik ben dus helemaal niet betrokken bij het opstellen van die brief.

De verdachte, Hausill reageert – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Dhr. Van Trikt heeft die mondelinge instructie aan [persoon 1] en mij gegeven, omdat [persoon 1] zijn bijdrage moest geven t.a.v. de hoogte van de langlopende schuld. [persoon 1] heeft in de e-mailwisseling ook die informatie gegeven. Ik heb op 22 juli 2019 de conceptbrief opgesteld en doorgestuurd. Ik was toen al terug in Suriname. Ik weet niet uit het hoofd wanneer ik ben teruggekeerd, maar ik heb voor 27 juli 2019 de mondelinge instructie van dhr. Van Trikt gehad.
Ik blijf erbij dat ik in Suriname was toen dhr. Van Trikt mij de mondelinge instructie heeft gegeven.

De kantonrechter leest voor, een passage uit voornoemd proces-verbaal – voor zover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Hausil zegt: De heer van Trikt heeft mij geen enkele instructie gegeven, dat de bank geld zou uit betalen aan de staat’. U zegt: hetgeen Hausil heeft verklaard klopt van geen kant.’ Hausil weet als geen andere dat er bij de overdracht van de panden er een betaling zou plaatsvinden, dat is logisch en dat heeft niets te maken met de conceptbrief van haar op 22 juli 2019 en de brief van Hoefdraad van 26 juli 2019. Uiteindelijk heeft Hoefdraad besloten om het geld van de panden zijnde: 50 miljoen en 60 miljoen EURO, niet te gebruiken ter aflossing van de langlopende rekening. Het moest n.l. dat de Centrale Bank het geld kon trekken ter verrekeningvan de langlopende rekening. De minister had geld nodig om overheidsuitgaven te kunnen dekken, hetzij salarissen, vakantiegelden en twk, maar ook lonen moesten worden uitbetaald. Ik heb hem voorgehouden, dat er geen blanco kredieten konden worden verstrekt aan de overheid. O.g.v. art 21 van de Bankwet had hij reeds 670 miljoen SRD getrokken bij de Centrale Bank. Naar aanleiding hiervan n.l. dat hij geen geld kon trekken bij de Centrale Bank. Op grond van artikel 21 van de Bankwet heeft hij het geld van de panden getrokken hetgeen op de rekening stond.’

De kantonrechter reageert als volgt:
Als ik het goed begrijp zijn de panden verkocht. De Centrale Bank heeft het geld voor de Staat Suriname overgemaakt en de minister van Financien die trekt dezelfde gelden bij de Centrale Bank voor de betalingen die verricht moesten worden, zoals overheidssalarissen. Dus van de verrekening van de langlopende rekening is er geen sprake meer, omdat het geld voor een andere doel is gebruikt dan aanvankelijk de afspraak was.

De getuige Van Trikt, Robert Gray antwoordt – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Dat is juist.

Op de vraag van de kantonrechter: U zegt Hausil was hiervan op de hoogte? verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb gezegd dat er bij de overdracht van de panden een betaling zou plaatsvinden als het beschikbaar was op de rekening, want op dat moment moet je de besteding van de gelden per brief ontvangen van de minister van Financiën. Hij geeft per brief aan wat de bestemming was van de gelden.

De kantonrechter houdt de getuige het volgende voor:
Wanneer u zegt bij de politie, dat er bij de overdracht van de panden een betaling zou plaatsvinden zijn er twee plaatjes. Je hebt de schuldverrekening en het geld wordt achteraf gebruikt voor een ander doel. De afspraak was dat het geld dat de Centrale Bank heeft gestort t.b.v. de staat zou worden gebruikt voor de schuldverekening.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Dat is juist en mw. Hausil was daarvan op de hoogte.

Op de specifieke vraag van de kantonrechter: Was Hausil op de hoogte, dat het geld later is gebruikt voor het betalen van salarissen en dat het niet meer is gebruikt voor de schuldverekening? Verklaart de getuige – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Nee, Hausil was daarvan niet op de hoogte, want dat valt onder bankdomein van [persoon 1].

De kantonrechter houdt de getuige een passage voor uit voornoemd proces-verbaal voorzover – zakelijk weergegeven – als volgt:
‘De politie houdt u verder voor dat uit het onderzoek bij politie blijkt, dat er na de brief van 22 juli 2019 van de minister van Financien dhr. Hoefdraad een brief naar u was toegestuurd op 26 juli 2019. Zij hebben de brief aan u getoond. Het viel op dat deze brief deels verschilt met de conceptbrief van mw. Hausill van 22 juli 2019 en dat tenminste 4 onroerende goederen uit de brief van 22 juli 2019 wel voorkomen in de brief van Hoefdraad van 26 juli 2019. U zegt: ja, u bent bekend met de brief van Hoefdraad. De politie stelt u de vraag: waarom is er een verschil in de conceptbrief van mw. Hausill van 22 juli 2019 en die van dhr. Hoefdraad van 26 juli 2019? U zegt: u heeft er geen idee. Het was tussen Hoefdraad en Hausill, u denkt dat zij in opdracht heeft gehandeld van de minister vandaar het verschil.’

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb geen idee van wat er destijds is gebeurd. Ik heb de brief ontvangen en verder afgehandeld.

De verdachte Hausill reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik wil dhr. Van Trikt in herinnering brengen, dat nadat ik de conceptbrief heb opgesteld ik het heb gestuurd naar zowel de minister van financiën als hem. Hij heeft op de e-mail gereageerd en daarbij aangegeven dat twee van de onroerende goederen eruit gehaald moesten worden met name voor zover ik mij kan herinneren: Ornamibo en….Ik weet het niet zo uit het hoofd meer, maar ik heb gehandeld op instructie van dhr. Van Trikt, want hij heeft gezegd dat twee uit de lijst van de onroerende goederen moesten. Het onderwerp in die brief was nog steeds schuldverrekeningen, omdat ik heb gewerkt op basis van de instructie, de schuldverrekening. Dat is vastgesteld in een e-mail wisseling.

De getuige van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik kan mij niet herinneren dat ik mw. Hausil de instructie heb gegeven om twee van de panden uit de lijst te halen. Het is altijd schuldverrekening geweest en dat heb ik ook altijd verklaard.

De kantonrechter houdt de verdachte voor – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Door de politie wordt de vraag gesteld: was Hausil daarvan op de hoogte? Zo ja op welke manier en wat was haar reactie? Van Trikt zegt: Ja, want zij heeft de brief van 26 juli ook ontvangen. Zij had ook toegang tot mijn e-mailbox waarin ik deze brieven heb ontvangen.
Hausil heeft bij de politie aangegeven, dat u ( van Trikt) en Hoefdraad haar conceptbrief van 22 juli 2019 hebben veranderd, zonder dat zij daarvan iets wist en u zegt het is een pertinente leugen. U verandert geen brieven.’

De verdachte om een toelichting gevraagd op het voorgaande verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: In de ondertekende brief die vanuit de minister is teruggekomen, is er sprake van schuldverrekening of schuldfinanciering en dat zijn twee verschillende zaken. Dhr. Van Trikt heeft wel wijzigingen aangebracht in de brief, die ik daarnet heb aangegeven, nl. dat twee van de onroerende goederen eruit moesten worden gehaald. De brief is toen wederom verzonden naar de minister en dhr. Van Trikt. Ik heb geen getekende versie ontvangen, omdat de werkwijze van zulke brieven is, dat het per e-mail wordt verstuurd vanuit het secretariaat van het Ministerie, naar het secretariaat van de president, waar [persoon 5] toen secretaresse was. Zij heeft haar eigen e-mail adres. De brieven worden in hardcopy per gesloten enveloppe afgeleverd persoonlijk aan de secretaresse van de president van de bank. Dit soort brieven worden niet per e-mail ontvangen. Deze brief is niet per e-mail van dhr. Vvan Trikt, waarop hij mij op de forward had, ontvangen. Wij waren in feite op de forward, [persoon 5] en ik op het e-mailadres van dhr. Van Trikt, die in feite de algemene internationale organisatie e-mails ontving. Maar de werkwijze en procedure is dat deze brief in hardcopy bij [persoon 5] is aangekomen en niet in een mailbox. Er zijn veranderingen geplaatst op instructie van meneer van Trikt en het is vastgelegd in een e-mail. Wat vanuit de bank is verstrekt was schuldverrekening. De wijzigingen die daarna zijn aangebracht heeft de minister aangepast naar zijn eigen inzichten denk ik, en ik denk dat hij degene was die de brief moest ondertekenen. Ik weet niet of de veranderde inzichten in die brief ook in samenspraak zijn geplaatst met dhr. Van Trikt.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb niets in samenspraak met de minister gedaan of een forward brief ontvangen. Ik heb in die zin niet gereageerd of gecommuniceerd naar de minister.

De kantonrechter houdt de getuige Van Trikt, Robert Gray – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: De vraag wordt verder aan u gesteld: ‘waarom er in die brief van 26 juli 2019 geen gebruik is gemaakt van taxatierapporten maar een geschatte marktwaarde EURO 45 miljoen. U zegt: u weet het niet.’

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb wel gevraagd naar taxatierapporten. Er zaten een paar taxatierapporten bij in de e-mail. Ik heb het toen overgedragen aan [persoon 1] om het verder op te pakken.

De verdachte Hausil reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb daar geen antwoord op, omdat ik bij dat gedeelte niet betrokken was. Ik ben achteraf betrokken toen er geen overdracht van de panden kon plaatsvinden. En dat is in de periode van november, want ondertussen was er al een tweede tranche panden, waarbij [persoon 1] mij uitlegde dat de Staat Suriname was uitbetaald. En ik was eigenlijk verbaasd, omdat ik ervan uitging dat mijn concept praat over schuldverrekening en dat er afgehandeld was op basis van schuldverrekening. Ik was niet betrokken bij de tweede tranche panden. Ik geef u aan en het is ook door [persoon 1] aangegeven dat in november hij mij met beide tranches confronteerde.

De kantonrechter houdt de getuige Van Trikt, Robert Gray voor, dat hij bij de politie heeft verklaard dat mw. Hausil betrokken was bij de tweede tranche panden vanwege haar taakstelling en vraagt hem om een nadere toelichting hierop.

De getuige Van Trikt, Robert Gray antwoordt – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Toen [persoon 1] en ik terugkwamen uit USA, heeft hij opdracht gegeven om te starten met het onderzoek naar de tweede Tranche panden. In een vergadering waarin [persoon 1] aanwezig was werd bekend gemaakt dat de panden van de tweede tranche niet op naam staan van de Staat Suriname. Ik heb bij de politie verklaard dat mw. Hausil vanwege haar taakstelling betrokken is bij de tweede tranche panden, omdat [persoon 1] ook daarover met de juridische afdeling heeft afgestemd. Ik ga ervan uit dat uit hoofde van haar taakstelling als director legal affairs zij daarmee bekend moet zijn. Ik kan niet zeggen dat zij daarmee belast is en dat zij daarbij betrokken is.

De kantonrechter houdt de getuige Van Trikt, Robert Gray – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt:
De vraag wordt verder gesteld bij de politie: ‘Ik houd u voor, dat Hausil in haar analyse van 19 december 2019 aangeeft dat de onroerende goederen in een NV zullen worden geplaatst. Zij praat over project SPIM. U zegt: ik heb haar analyse niet gelezen. Ik lees het nu pas, nu u het aan mij toont. Ten aanzien van de panden kan ik kort zijn. Die zouden nimmer in een NV of project SPIM worden geplaatst. Hetgeen Hausil aangeeft is niet juist.

Aan u wordt gevraagd: Was Hausil daarna bekend dat de panden niet in NV SPIM zouden worden geplaatst en zo ja vanaf wanneer was zij daarmee bekend? Want zij zegt al die tijd dat zij in de veronderstelling verkeerde, dat de panden in NV SPIM zouden worden geplaatst, dat was aanvankelijk de bedoeling en dat zijn de afspraken geweest. Later is er afgeweken van de afspraken en zij zegt, dat u haar nimmer op de hoogte heeft gesteld dat de zaken een andere wending zouden krijgen. En gezien het feit dat u zegt, dat die panden nooit in een NV en in een project SPIM zouden worden geplaatst. Hoe komt het dat zij nog steeds in de veronderstelling verkeert dat het nog steeds gaat om project SPIM. Zij zegt: u hebt daarover niet met haar gecommuniceerd, niet meer althans.

De getuige, Van Trikt, Robert Gray verklaart – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Dat verbaasd mij, want er zijn uitgebreide sessies geweest met Clairefield erbij, waar mw Hausil bij was en ook op de hoogte gesteld is en heeft geweten dat er niet langer sprake zou zijn van het plaatsen van de panden in NV SPIM. NV SPIM is de participatiemaatschappij zoals andere centrale banken dat ook hebben, die valt onder de structuur van de Centrale Bank maar de Staat Suriname is nog steeds 100 procent eigenaar, want het zijn nog steeds de assets van de Staat die daarin worden opgenomen. Als ik de langlopende schuld verreken of het geld beschikbaar stel voor overheidssalarissen dan behoren de panden niet meer voor alle honderd procent aan de Staat Suriname maar aan de Centrale Bank. Dus in een NV, waarvan de staat 100 procent eigenaar is zou ik de panden nooit kunnen plaatsen.

De verdachte Hausil reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik blijf bij mijn stelling dat er nooit meer met mij is gesproken dat de panden niet meer in NV SPIM zouden worden ondergebracht. Al die tijd dat ik de opdrachten uitvoerde verkeerde ik nog steeds in die veronderstelling. Samen ook in de werkgroep, omdat die ook in de veronderstelling door is gegaan. Wij hebben door gewerkt aan het opzetten van de rechtspersonen tot in december. In december hebben wij de finale documenten doorgestuurd. Omdat wij in november van Clairfield ook een lastdraft van dat concept hebben ontvangen. Ik wil dhr. Van Trikt ter herinnering brengen, dat ik niet de enige aanwezige persoon was op de dienstreis naar België met Clairfield. Het heel team die samen heeft gewerkt met project SPIM was daarbij aanwezig. Er is op geen enkel moment aan de orde geweest dat de staat al had uitbetaald. Wat aan de orde is geweest is zoals dhr. Van Trikt aangeeft dat er een felle discussie was over hoe wij dat gedeelte van de eigendommen van de Staat Suriname moeten zien. Het ging erom of de nv van de staat gewoon een normale nv zou zijn zoals de rechtspersoon die zou worden opgericht door de Centrale Bank. Want als wij het Belgisch voorbeeld naast ons voorbeeld moesten zetten, was het uitgangspunt van België dat de nv die opgezet is geworden in België, door de wetgever goedgekeurd is. Het wordt dan een rechtspersoon Sui Generis die door de assemblee goedgekeurd wordt. Dat was de felle discussie. Dhr. Van Trikt heeft tijdens die discussie nimmer aangehaald dat er uitbetalingen waren geweest voor panden. Er is tijdens die bespreking op geen enkel moment aan de orde geweest dat de Centrale Bank op basis van de eerste brief, want dan praten wij over de periode van de eerste brief, een uitbetaling had gedaan. Die discussie was heftig omdat het uitgangspunt verschilde.

Op de daartoe strekkende vraag van de kantonrechter antwoordt de getuige Van Trikt, Robert Gray – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb aan mw. Hausil en de medewerkers heel concreet en duidelijk aangegeven dat de panden niet meer zouden worden ondergebracht in N.V. SPIM, want dat was nooit de bedoeling van de eerste tranche.

De kantonrechter houdt voor, dat de politie een e-mail bericht heeft getoond waarin de verdachte Hausil een verklaring heeft afgelegd. In het e-mail bericht is het volgende weergegeven:
‘Beste allen,
‘Door de minister is via de president van de Bank kenbaar gemaakt dat de weg van wetgeving niet werkbaar is. De minister verwacht een werkbare en juridisch correcte manier van oplossing in deze waarbij hij voorstelt dat er gekeken moet worden in overeenkomsten naar het mogelijke zonder dat wetswijziging aan de orde is. Wetswijziging geschiedt op een later moment. De minister heeft ondertussen vrij duidelijk aan haar voorgesteld waar [persoon 4] en verwacht dat u daar een veel betere bijdrage kan leveren en ook jullie gedachten laten gaan om out of the box te denken en werkbare oplossingen voor te dragen.
U zegt u kent dit Hoefdraad had haast omdat hij in die periode het lening plafond had overschreden. Een van de reden was de Opperheimer lening van 2016 (eind oktober 2019). Hij wilde niet wachten totdat de wetgeving was veranderd omdat hij vond dat de weg naar DNA tijdrovend was en Hausil had mij gevraagd als dat wel kon.’

De kantonrechter houdt de verdachte voor hetgeen [persoon 4] bij het GVO heeft verklaard – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: [persoon 4] zei o.a. dat wetgeving in deze wel noodzakelijk was.

De kantonrechter stelt de verdachte vervolgens de vraag: Kijkt u daar achteraf anders tegen, dat er wel wetgeving had moeten komen voordat de zaken geconcretiseerd zouden worden?

De verdachte Hausill reageert daarop – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Achteraf bekeken zou ik zeggen, ja, er zou wetgeving plaats moeten vinden, maar dan vanwege het feit dat de Centrale Bank vanwege Royalties agreement is gaan uitbetalen. Ik geef nog eens een keer aan dat bij het opstellen van de conceptovereenkomst het nimmer de bedoeling was dat de Centrale Bank op basis van Royalties agreement een uitbetaling zou doen. Was dat wel het geval, dan zou ik niet in artikel 3 opnemen, dat er sprake gaat zijn van schuldverrekening. In het eerste geval heeft men de schuldverrekening niet gedaan, want [persoon 1] had mij ondertussen de verrekening van de panden al gewezen. Ik ging ervan uit dat ik ervoor moest waken dat de Centrale Bank niet overgaat tot uitbetaling vandaar dat ik dan heb aangegeven, (Ik ben geen econoom), maar er komt een geldstroom naar binnen en op de balans zou je dan een evenwicht voor moeten hebben. Vandaar dat ik dus heb aangegeven dat evenwicht gaat worden bereikt in de schuldverrekening van de langlopende schuld. Ik onderstreep nogmaals van Ja, als ik achteraf bekijk dan moest er wel wetgeving zijn maar men heeft mij nimmer op de hoogte van gesteld, dat er al een uitbetaling heeft plaatsgevonden op basis van die royalties agreement. Ik ben daarmee geconfronteerd bij de rechter-commissaris toen zij het geldsbedrag aangaf wat er aan SRD was uitbetaald. Ik vroeg mijzelf af hoe dat kan, want er moest schuldverrekening plaatsvinden. Ik wil ook in herinnering brengen, in het gesprek die dhr. Van Trikt heeft gehad met mij en [persoon 1] heeft dhr. Van Trikt ook zijn ernstige bezorgdheid geuit over de hoogte van de langlopende staatsschuld vandaar dat ik consequent in de oplossingen die langlopende schuld heb meegenomen niet wetende dat men in feite boven mijn hoofd reeds andere uitvoeringen aan heeft gegeven om achteraf daarmee geconfronteerd te worden.

De kantonrechter stelt de verdachte Hausil de volgende vraag: Wie zou boven uw hoofd de andere opdracht hebben gegeven voor de andere uitvoeringen?

De verdachte Hausill antwoordt – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
De enige opdracht voor uitbetaling kan alleen dhr. Van Trikt geven aan [persoon 1] en dhr. Van Trikt moet op zijn beurt de opdracht hebben gehad van de minister van Financiën want de betalingen zijn standaard. De uitbetalingen van de panden, de eerste en tweede tranche zijn buiten mij en mijn directoraat om gegaan.

De getuige, Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Het is altijd geweest schuldverrekening. Dat hebben wij binnen de Bank besproken. Het is altijd de intentie geweest van de Centrale Bank om van de langlopende schulden, het schuldplafond te verlagen. De minister heeft inderdaad contact met mij opgenomen in oktober vanwege het schuldplafond. Wij hebben de gelden beschikbaar gesteld op de rekening met dien verstande dat, zoals het in de normale praktijk toegaat, een schrijven van de minister aangeeft wat de bestelling is van die gelden. Wij hebben een goed voorbeeld voor de verrekening van de schulden van de Hakrinbank en de VCB, dat op schrijven van de minister bij een bankbedrijf wordt aangegeven welke betalingen worden geschiedt. Bij ons is het in elk geval duidelijk geweest. Dit is daarna de discussie geweest met de minister dat er gelden worden gebruikt voor consumptief gebruik.

De verdachte Hausil reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik denk dat hier aan de orde is, de uitbetaling die de bank heeft gedaan op basis van de brieven die ik heb opgesteld waarbij het uitgangspunt was schuldverrekening. Als dhr. Van Trikt zegt dat het uitgangspunt altijd schuldverrekening is geweest; waarom is er dan uitbetaald geworden? Want dan is er geen rechtsgrond.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Wij hebben een aparte rekening geopend zelfs daarvoor, om het te parkeren, zodat de brieven van de minister kunnen aangeven wat de bestemming wordt van de gelden. U kunt de waarnemend president of de bankbedrijfdirecteur vragen hoe dat te werk gaat, want dat is de normale werkwijze bij een bank.

De verdachte Hausil reageert verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Wat hier aan de orde is, is: heeft de Centrale Bank een valide rechtsgrond gehad om uit te betalen? Op basis van mijn conceptbrief niet. De uitvoering van de betaling is hier niet aan de orde.

De kantonrechter gaat over tot de confrontatie tussen de verdachte en de getuige met betrekking tot het 2e vervolgdossier van het aanvullend dossier van woensdag 15 juli. (p.60)

De kantonrechter leest de verdachte voor, een passage uit de verklaring van de verdachte bij de politie, opgemaakt door, [verbalisant 1] a.v.p. 1e kl., d.d. 25 augustus. (p. 60) – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Ik houd u voor, dat dhr. Van Trikt met deze verklaring is geconfronteerd en daarbij heeft aangegeven, dat hij niet het idee had om aan schuldverrekening te doen, door de panden van de overheid over te laten nemen door de Centrale Bank. Hij heeft wel aangegeven dat …(waarde) van de overheid zocht voor schuldverrekening. U zegt daarop: Van Trikt verklaart niet de waarheid. Hij heeft mij duidelijk de instructies gegeven, dat de panden van de overheid zouden worden geplaatst in een nv van de staat. Ik wil daarbij ook aangeven dat de panden zouden worden geplaatst in een nv van de staat.

De verdachte reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: “Ik blijf bij mijn standpunt, want het eindresultaat is ook geweest dat er geen concepten worden gestuurd voor dhr. van Trikt rond 30 december, waarbij conceptstatuten voor de staat voor de rechtspersoon van de staat en conceptstatuten voor de rechtspersoon de Centrale Bank. Het uitgangspunt van SPIM was altijd dat er twee rechtspersonen zouden zijn omdat de staat zijn eigendommen niet kan plaatsen in een nv die toebehoort aan de Centrale Bank. Die uitleg, als ik het goed begrijp, heeft dhr. Van Trikt ook gegeven.”

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Nee, ik heb geen instructie gegeven, dat de panden van de overheid zouden worden geplaatst in een nv van de staat. Ik kan mij echt niet voorstellen dat ik zou zeggen schuldverrekening als de panden in een nv komen van de staat, want dan is er geen sprake van schuldverrekening.

De kantonrechter leest voor een passage uit voornoemd proces-verbaal – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Ik houd u voor dat dhr. Van Trikt is geconfronteerd met de verklaring, dat de overheidspanden in de nv zouden worden geplaatst. Hij heeft toen aangegeven dat dit niet juist is. Volgens van Trikt zouden de overheidspanden nimmer in de nv van de staat worden geplaatst, omdat de Centrale Bank de eigenaar van de panden zou worden en de staat daarna geen enkele invloed of bemoeienis zou hebben en het plaatsen in een nv helemaal niet ter sprake was. U zegt: hetgeen Van Trikt nu zegt over de overheidspanden, had hij mij eerder niet voorgehouden. Kunt u aantonen, dat dhr. Van Trikt u had aangegeven dat de overheidspanden in een nv zouden worden geplaatst? Nee. ik kan dat niet aantonen maar de personen van de werkgroep kunnen het wel aangeven. dat zijn [persoon 4], [getuige 2] en [persoon 6].’

De verdachte verklaart – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik zeg, dat deze personen het wel kunnen aantonen en ik niet, omdat dit in feite vaker de discussiepunt is geweest maar in de uitwerking van de opdracht is ook geleverd geworden, door de werkgroep onder mijn leiding, het opzetten van twee rechtspersonen en dat is bevestigd in een e-mailwisseling van 30 december van mij naar dhr. Van Trikt. De drie personen, [persoon 4], [getuige 2] en [persoon 6] zijn hierin niet meegenomen. Nadat ik heb gemaild naar dhr. Van Trikt, heb ik het eindresultaat in een separate e-mail, toen ook voor de werkgroep ge – e- maild in een separate e-mail, omdat als wij e-mailen naar de president in feite de werkwijze op de Centrale Bank is dat de laatst verantwoordelijke e-mailt en dan weer met de werkgroep terugkoppelt. Ik heb deze e-mail gestuurd naar de drie voornoemde personen t.a.v. het eindrapport zodat zij daaruit konden concluderen, dat dhr. Van Trikt de opdracht had gegeven om de overheidspanden in een nv van de overheid te plaatsen. Dhr. Van Trikt heeft mij dit vanaf het begin gezegd en de werkgroep heeft consequent daaraan doorgewerkt. Misschien is er mogelijk verwarring bij dhr. Van Trikt. Dhr. Van Trikt heeft dit oorspronkelijk idee vanaf het begin gehad, dat heb ik ook aangegeven. Heel vroeg vanaf het aantreden van dhr. Van Trikt hebben wij uitvoerige discussies hierover gehad tezamen met de werkgroep. Wat in feite niet aan mij is doorgegeven en wat in feite dus een verandering heeft gebracht in het oorspronkelijk idee van SPIN is die uitbetaling die toen geweest is. Daarvan was ik niet op de hoogte tot november.

De getuige van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Als het goed is, waren er 20 getuigen in de zaal toen ik op de Whiteboardsessie heb gezegd dat panden van de overheid niet in SPIM geplaatst kunnen worden. Clairfield, de minister, [persoon 1] een ieder zat in de zaal. Dus mw. Hausil kan niet nu aangeven dat het niet besproken is of dat het niet de bedoeling is. Ten tweede als ik de panden in een overheids nv plaats, behoren zij toe aan de overheid. Dat kan ik niet op schuld verrekenen, it makes no sense. Ik kan mij die mailwisseling niet heugen, want 30 december is al eindejaarsviering. Ik heb waarschijnlijk niet eens meer naar gekeken en op 2 januari begon deze hele confrontatie.

De verdachte Hausil reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Dhr. Van trikt heeft Whiteboardsessies gehad. Ik wil hem aangeven, dat ik niet zeg dat de overheidsgebouwen in de nv van de Bank zouden komen. Daarom zei ik, er zouden twee nv’s worden opgericht. Wat dhr. Van Trikt niet meer prettig vond, en dat was toen een heel felle discussie in november waarbij de werkgroep mij nog had geattendeerd dat het opzetten van de nv door de staat niet die nv had kunnen zijn die de Centrale Bank zou kunnen opzetten zijnde het opzetten van een gewone, maar dat de nv van de staat door het parlement goedgekeurd moest worden en hierover hebben dhr. Van Trikt en ik nog een heel heftige discussie gehad, omdat meneer van Trikt het niet eens was. Ik wil even aangeven dat er geen verwarring moet ontstaan tussen wat in feite oorspronkelijk het doel was voor het opzetten van de rechtspersonen wat men achteraf toch niet heeft gedaan. Dat is dan de uitbetaling die men is gaan doen. Dat heeft gemaakt dat SPIM niet meer uitgevoerd kon worden op de wijze zoals voorgesteld door dhr. Van Trikt en van de betalingen daarvan was ik niet op de hoogte. Dat brengt in feite de totale omslag in hoe ik verder ben gaan uitvoeren, en hoe dhr. Van Trikt verder is gaan uitvoeren. Mogelijk heeft dhr. Van Trikt over het hoofd gezien dat hij mij moest zeggen of ging hij ervan uit dat ik het wist, maar ik wist het niet. Ik ben geconfronteerd met de uitbetalingen door [persoon 1], toen hij met die twee brieven naar mij toe kwam. [persoon 4] stond er ook bij.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik blijf erbij dat de Whiteboard sessies uitgebreid aan de orde heeft gebracht, dat de panden nimmer zouden worden geplaatst in de nv van de staat.

De verdachte, Hausil reageert – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Dat is juist aan de orde geweest. Daarom zou er een nv voor de staat moeten komen, omdat de staat zou participeren via zijn nv.

De kantonrechter gaat over confrontatieverhoor over de toegang tot de e-mailadressen van dhr. Van Trikt. De kantonrechter leest de verdachte voor een passage uit haar verklaring bij de politie afgelegd, – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt:
U zegt: Omtrent de toegang tot alle werk e-mailadressen wil ik kort zijn. Ik had slechts toegang tot een gemeenschappelijk e-mailadres en dat was het adres waarop internationale organisaties mailen. Ik ken dat adres niet uit het hoofd. Ik wil expliciet erbij vermelden dat dhr. Van Trikt meerdere e-mailadresen had waartoe ik geen toegang had.

De getuige Van Trikt reageert – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik kan hierover kort zijn. Mw. Hausil had toegang tot alle e-mailadressen, van de e-mailadressen binnen de bank zijn twee doorgestuurd naar het e-mailadres van mw. Hausill. Zowel de ICT als [persoon 1] kunnen dat bevestigen.

De verdachte Hausil reageert – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
In tegenstelling tot hetgeen dhr. Van Trikt zegt, had ik een forward op basis van een e-mailadres samen met [persoon 5] en niet twee e-mailadressen. Dat was het algemeen secretariaat e-mailadres waarop in feite de internationale organisaties de meeste e-mail berichten versturen.

De kantonrechter houdt de verdachte het volgende voor, – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘U had de vorige keer aangegeven, dat u geen inzage had in al die stukken die binnenkwamen, omdat dhr. Van Trikt verschillende e-mailadressen had. Van u werd verwacht, dat u hem advies gaf over de binnenkomende e-mailberichten die betrekking hadden op het juridisch gedeelte. Dhr. Van Trikt verklaart daarop, dat u toegang had tot al de e-mailadressen en dat hij van u verwachtte, dat uit hoofde van uw functie hij u geen opdracht behoefde te geven, omtrent het geven van adviezen.’

De verdachte Hausil antwoordt – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Het is niet juist als meneer van Trikt zegt dat ik toegang had tot alle e-mail adressen en dat van mij verwacht werd dat ik zelf in de e-mailberichten moest kijken wat relevant was voor het geven van advies. Ik handelde op basis van instructie waarbij dhr. Van Trikt een aantekening maakte van wat naar de verschillende afdelingen moest. Ook kreeg ik mondelinge instructie, omdat het ook gebeurde dat dhr. Van Trikt bij mij binnenstapte en mij voorhield van; ‘mw. Hausil doet u dit’.

Het is een ‘standaard procedure’ op de Centrale Bank, en [persoon 5] hanteerde die werkwijze wel, dat wanneer er een e-mailbericht binnenkomt, zij in een vloeiboek in feite alle e-mails ging uitprinten en daarop gaf dhr. Van Trikt een aantekening naar wie of naar welk land het moest gaan. Dat was de werkwijze. Dhr. Van Trikt zelf heeft zich daaraan gehouden, omdat ik documenten heb waarvan hij een aantekening heeft, gaarne advies of graag advies of dit doen of dat doen maar niet op basis van een forwardmail.

De getuige van Trikt, Robert Gray reageert – kort zakelijk weergegeven – als volgt:
Mw. Hausil behoefde niet te wachten op mijn instructie, omdat haar taak was om mij te adviseren over de zaken die binnenkwamen. Ik zou niet zomaar mw. Hausil koppelen aan mijn e-mailadresen en aan alle e-mailadressen. De ICT en [persoon 1] kunnen het bevestigen. Wat dat betreft is [persoon 1] hoofd van de ICT en wij hebben het hierover gehad.

De verdachte reageert – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Als dat zo is. Dan vraag ik mij wel af waarom [persoon 5] al die moeite heeft gedaan om die vloeiboeken te plaatsen want er was elke middag postbespreking. Uit de forwardmail werden alle posten meegenomen. Ze werden onder de aandacht gebracht van dhr. Van trikt. De secretaresse zat met dhr. Van Trikt die de instructies heeft gegeven.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Die handelswijze van oudsher binnen de bank was er ook nog.

De kantonrechter houdt de getuige Van Trikt, Robert Gray voor als volgt:
Er waren meerdere werkwijzen:
• aan de ene kant besprak u de e-mailberichten die de secretaresse, [persoon 5], binnenbracht en u gaf de instructie wat er naar de afdeling moest.
• Aan de ander kant verwachtte u ook dat uit hoofde van mw. Hausill haar functie zij dan zelf initiatieven zou nemen om te kijken wat er in de inbox was aan relevante informatie om u daarover te informeren.

De getuige van Trikt, Robert Gray reageert – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Hetgeen u mij daarnet hebt voorgehouden is juist.

De verdachte reageert – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Dhr. Van Trikt heeft mij niet met zoveel woorden gezegd dat wij moeten werken, zoals dhr. Van Trikt aangeeft, op basis van die ‘standard procedure’. Als wij daarvan waren afgeweken zou ik dat moeten weten.

De kantonrechter leest voor – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Duidelijk blijkt dat de Centrale Bank geld zou betalen aan de staat. Er wordt in het bericht een bedrag genoemd van SRD 75.56192,18 tegen een EURO koers van 1 op 8,46. U zegt u heeft het inderdaad gelezen maar dat is niet de instructie geweest van dhr. Van Trikt. Ik heb de instructie uitgevoerd die was gegeven door dhr. Van Trikt. Het was duidelijk dat er verekening moest plaatsvinden met de langlopende schulden van de staat. De vraag wordt gesteld: Waarom heeft u van Trikt niet voorgehouden dat de Centrale Bank geen panden mag kopen op bezitten tenzij die nodig zijn voor de uitoefening van het bedrijf? Waarom moet u juist uw medewerking verlenen tot het totstandkomen van de aankoop van de eerste tranche onder het mom van schuldverrekening. U zegt: Ja, dat heb ik gedaan nl. Hem wijzen op de beperkingen in de bankwet, maar veel eerder. Dat was toen hij aantrad als governer bij de Centrale Bank en aangaf panden van de overheid te willen plaatsen in een nv. Ik heb hem toen voorgehouden dat de bankwet hierop ristricties heeft.

Op de vraag van de kantonrechter aan de getuige Van Trikt, Robert Gray: heeft mw. Hausil u voorgehouden dat de Bankwet restricties heeft? Verklaart de getuige – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Nee, Mw. Hausil heeft mij niet op de hoogte gesteld over de restricties in de Bankwet. mw. Hausil zei dat al aan het begin dat wij al panden hadden van de nv, dat klopt niet helemaal. Aan het begin hebben wij gewoon gezegd het gaat over de assets en de panden die er als eerst waren, waren voor eigen gebruik. We hebben het over sociale zaken en de panden erom heen. Dus niets klopt wat dat betreft.

De verdachte Hausil reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb dhr. Van Trikt wel gewezen op de restricties in de bankwet, daarom zijn de rechtspersonen in het concept gekomen. Het idee van SPIM was al daar en dat hebben wij uitgevoerd en dat was op instructie van de president van de bank. Als ik dhr. Van Trikt niet op de restricties op de bankwet heb gewezen, hoefden wij geen rechtspersonen op te zetten. De rechtspersoon voor de bank was opgezet naar het voorbeeld van Asfis. De nationale munt veel eerder waarbij het uitgangspunt was dat als de bankwet restricties heeft en de situatie van dien aard wordt dat de Centrale Bank op enig moment zou moeten kunnen handelen, dat die werkwijze is gekozen voor het opzetten van rechtspersonen. Dat was veel eerder toegepast en niet door dhr. Van Trikt. De nationale munt was onder [persoon 7]. Onder [persoon 8] was ASFIS opgezet. Anders was er geen noodzaak om een rechtspersoon op te zetten of het idee voor te bereiden.

De kantonrechter leest voor – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Aan de hand van uw antwoord kan gevoeglijk worden aangenomen dat u voor het emailbericht van Kromosoeto reeds op de hoogte was dat de Centrale Bank de overheidspanden zou overnemen. U zegt: u heeft de informatie van dhr. Van Trikt. Ik hou u voor dat er in een e-mail bericht van Kromosoeto staat vermeld over schuldverrekening. Waarom schrijft u over schuldverrekening in uw conceptbrief en in het mailtje? U zegt: dat was de instructie van Van Trikt. Die instructie had [persoon 1] over hem gehad nl. Schuldverrekening. Ik hou u voor, dat uit het onderzoek van de politie naar voren is gekomen dat u rond 22 juli 2019 te weten bent gekomen dat de langlopende schuld van de staat bij de Centrale Bank SRD 2,3 miljard betrof. Verder dat u in de maand oktober 2019 via [persoon 1] werd geconfronteerd met de aankoop van de tweede tranche panden die eveneens voor schuldverekening was aangegaan. Waarom heeft u desondanks uw medewerking verleend aan de overeenkomst van 1 november 2019 m.b.t. tot de royalties eveneens voor schuldverrekening als u aan de hand van een simpele vergelijking kon uitmaken dat er sinds 22 juli 2019 t.a.v. de eerste en de tweede tranche panden nimmer een schuldverrekening had plaatsgevonden? U zegt: omdat [persoon 1] aan mij had voorgehouden dat de …..van twee panden ….van Hoefdraad door de Centrale Bank was uitbetaald door de staat en er nimmer schuldverrekening heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan heb ik meegewerkt aan de overeenkomst van 1 november 2019 omdat de Centrale Bank inkomsten moest verwerven. Als u naar de overeenkomst van 1 november 2019 kijkt, zult u niet zien vermeld dat de uitbetalingen op basis van deze overeenkomst aan de staat moet geschieden. Dat de andere uiteindelijk een andere uitvoering hebben gegeven aan deze overeenkomst is buiten mij omgegaan.’

De verdachte Hausil, reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik blijf nog steeds bij mijn verklaring die u mij daarnet hebt voorgehouden.

De kantonrechter houdt de verdachte voor – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: ‘De politie vermoedt dat zoals van Trikt heeft aangegeven, u hier een adviserende rol heeft gehad waarbij u hem nimmer heeft voorgehouden, dat er hier in strijd wordt gehandeld met de Bankwet. Dhr. Van Trikt heeft ook aangegeven dat u hem nimmer heeft voorgehouden, dat er restricties zijn in de Bankwet, integendeel heeft u een belangrijke rol gespeeld bij de voltooiing van deze verkoop aan de Centrale Bank. U verklaart daarop: Ik heb meegewerkt omdat de achterliggende gedachte van Van Trikt was dat de gebouwen cq panden in een nv van de staat zouden worden geplaatst. De Bankwet zou ook worden aangepast cq veranderd. U heeft de vorige keer al gezegd dat vooruitlopend op de verandering van de Bankwet dat deze handelingen zijn gepleegd. Ik hou u voor, dat bij de politie het vermoeden bestaat; dat, Hoefdraad, Kromosoeto en van Trikt steeds naar mogelijkheden zochten om de staat te financieren ten koste van de Centrale Bank en dat u daarbij als, directeur legal compliance and international affairs heeft gewerkt, om deze constructies die in strijd zijn met de Bankwet, legaal te doen overkomen.’ U zegt: u heeft te goeder trouw gehandeld op instructies van, Van trikt en u blijft erbij dat u van Trikt op de hoogte heeft gesteld van restricties van de Bankwet.

De verdachte verklaart – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Dhr. Van Trikt en ik hebben een politioneel e-mailconfrontatie gehad en daarbij had dhr. Van Trikt aangegeven ik hem dat mogelijk wel heb geïnformeerd en niet alleen ik, maar meerdere juristen hadden hem gewezen op de restricties in de Bankwet.

De getuige Van Trikt, Robert Gray verklaart daarop – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik blijf bij mijn verklaring dat mw. Hausil mij niet heeft gewezen op de restricties in de Bankwet.

De kantonrechter houdt de verdachte voor – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Het onderzoek van de politie heeft aangetoond dat u heeft gewerkt aan een lening van 80 miljoen EURO door de staat bij de Hakrinbank door de VCB gekoppeld aan een termijndeposito. Verder, dat er bij deze constructie aan geldschepping is gedaan daar er geen sprake is van cash EUROS maar er wel sprake is van cash SRD nadat de staat de euro’s had gekocht van de Centrale Bank. U zegt: ik moet aan u verklaren dat dit een bestaande overeenkomst was voordat ik aantrad als algemeen secretaris en het een gangbare constructie was. Ik heb het van [persoon 2] vernomen. Ik had geen idee dat het in deze gaat om geldschepping. [persoon 2] heeft mij dat niet voorgehouden. Indien hij toen wist dat er geldschepping zou plaatsvinden, diende hij dat zeker aan mij voor te houden en zou ik nimmer mijn medewerking hebben verleend aan deze constructie.’

Op de specifieke vraag van de kantonrechter aan de verdachte: Had u als jurist niet moeten weten dat artikel 21 van de Bankwet werd overtreden?

De verdachte verklaart daarop – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Nee, ik zou die informatie van [persoon 1] moeten krijgen, omdat daar de balans wordt bijgehouden en cijfermateriaal niet gaat door de juridische afdeling. Indien er op enig moment kennis zou zijn geweest zou artikel 21 van de Bankwet in stemming gebracht moeten worden. Dit betekent dat de brief van dhr. Van Trikt moet gaan naar de minister, om hem 45 dagen speling te geven, waarna de minister zou moeten antwoorden hoe hij een plan zou aangeven van hoe er uiteindelijk betaald zou moeten worden. En voorzover ik weet is die stap op geen enkel moment gedaan dus ik had geen – of onvoldoende informatie van de vraag: is er nu wel of geen sprake van overschrijding van het plafond.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik kan mij niet terugvinden in de verklaring van mw. Hausil. Mw. Hausil kon – of moet als directielid op de hoogte zijn dat er sprake zou zijn van monetaire financiering omdat er hierover gesprekken zijn geweest. Iedereen was erbij waaronder de directeur [persoon 1], [persoon 2], Staffunctionarissen waren erbij en Mw. Faranaaz Hausil is erbij als zij aanwezig is in Suriname. Zij heeft de Whiteboard sessies en obstructies meegemaakt van Le Garde die in de royalties, per resolutie van de Republiek Suriname zijn gesteld. Zij heeft een contract opgesteld bij Le Garde. Dus het verbaasd mij dat zij dan zegt: “ik ben niet op de hoogte”. Er zijn uitgebreide sessies geweest waarbij dit punt aan de orde is gekomen en de week balans wordt elke week gepubliceerd. Ik vind het raar dat op een gegeven moment je in een directeurschap zou zijn en niet kijkt naar de publicaties van de bank.

De verdachte reageert – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
U heeft mij eerder ook de vraag gesteld: of ik aanwezig was op de vergaderingen van de Hakrinbank waarin deze zaak bediscussierd is geworden. Ik was niet aanwezig. Wat daarna is gebeurd is dat zowel dhr. Van Trikt als [persoon 2] na die mogelijke meeting bij mij naar binnen zijn gestapt. Dhr. Van Trikt gaf mij toen de opdracht om die overeenkomst op te stellen en toen gaf [persoon 2] aan, dat ik geen overeenkomst hoefde op te stellen maar dat dit een staand iets was en het zou vormen. Zoals dhr. Van Trikt aangeeft waren de Le Garde sessies daar. Maar dan geef ik nog eens een keer aan, o.a. de royalties waren ook een onderdeel van de Le Garde sessie. Maar het uitgangspunt van de Le Garde sessie was nimmer de bedoeling, dat de Centrale Bank in 1 keer alle gelden zou betalen. Dat is het verschil. Bij de royalties overeenkomst is het achteraf aan mij medegedeeld, dat er uitbetaald is geworden en dat brengt dan het verschil in inzicht, omdat ik dan beperkt geïnformeerd ben geworden. Ik was niet op de hoogte van de uitbetalingen en ik bleef maar doorwerken aan wat aan mij oorspronkelijk is doorgegeven. Met het eindresultaat van 30 december, als dhr. Van Trikt het niet heeft gelezen. Ik denk wel dat de documenten in het dossier aanwezig zijn. Ik ben geen econoom.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert verkort – zakelijk weergegeven – als volgt:
Wat ik wel moet aangeven in deze: dat de sessies aldaar zijn, dat is allemaal bekend. Er is niet in één keer uitbetaald. Bij Le Garde is dat bij verschillende tranches geweest. Dat kunt u ook zien in het dossier. Als Legarde zo slecht zou zijn geweest. Waarom is dan op 26 februari toen ik reeds weg was bij de bank, en in gevangenschap was, de laatste tranche van Legarde ook beschikbaar gesteld ten behoeve van de minister van financiën door de regeringscommissaris, [persoon 9] en de huidige directie of de zittende directie die daar nog was? Ik bedoel mw. Hausil die was dan ook nog op de bank. Terwijl de royalties al zijn afgegeven aan Oppenheimer wordt 143 miljoen, de laatste tranche van Le Garde beschikbaar gesteld.

De kantonrechter houdt de verdachte voor, voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘De vraag wordt vervolgens aan u gesteld: Waarom heeft u aan het eind van het vorig jaar dhr. Van Trikt middels uw analyse verkeerd geïnformeerd omtrent risico’s bij de tweede tranche panden? Waarom heeft u de analyse van [persoon 4] niet in een oorspronkelijke vorm doorgegeven aan Van Trikt? Waarom heeft u belangrijke delen daaruit weggelaten en aanvullingen gepleegd waarmee zij niet bekend is? De kantonrechter houdt de verdachte voor dat [persoon 4] dat ook heeft aangegeven tijdens het GVO. U zegt: Ik heb daadwerkelijk dingen veranderd omdat ik de mening ben toegedaan dat zaken anders moesten worden verwoord maar de kern van de inhoud van het stuk van [persoon 4] is hetzelfde gebleven.’

Op een daartoe strekkende vraag van de kantonrechter, antwoordt de getuige Van Trikt, Robert Gray – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb het stuk van [persoon 4] niet onder ogen gehad.

De verdachte antwoordt daarop – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb geen inhoudelijke wijzigingen gepleegd in de memo van [persoon 4]. [persooon 4] is een medewerker die heel scherp formuleert en uit egards voor de functie van de governer heb ik bepaalde scherpe randen afgezwakt, maar niet de inhoud aangepast.

De kantonrechter voert het woord als volgt:
Ten aanzien van het laatste is er daarover een punt van discussie want [persoon 4] is wel de mening toegedaan dat er essentiële zaken zijn weggelaten in de wijzigingen die u heeft aangebracht waarvan zij vindt dat het wel onder de aandacht van dhr. Van Trikt moest worden gebracht. Waren de punten onder de aandacht van dhr. Van Trikt gebracht dan had hij wellicht anders gehandeld.

De verdachte reageert – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Ook al mocht ik cruciale zaken hebben weggelaten. Ik blijf erbij dat wij hebben gedaan ‘damage control’ was. Zaken zouden niet veranderen. De staat zou het geld niet terugstorten. Niets zou veranderen. Wat gedaan is geworden van de minister is damage control. De schade tot een minimum beperken, dat is gedaan. De monetaire financiering die daarmee wel of niet is uitgevoerd, zou niet teruggedraaid worden.

De kantonrechter gaat over tot de confrontatie van mw. Hausil en dhr. Van Trikt m.b.t. de inbeslag genomen laptop. (derde vervolg dossier van het aanvullend dossier van 15 juli 2020, op p.1.) Op de daartoe strekkende vraag antwoordt de verdachte dat zij de laptop bij zich heeft gehad, totdat het in beslag werd genomen. De kantonrechter houdt de verdachte voor een passage uit voornoemd proces-verbaal op p.1, – voorzover zakelijk weergegeven- als volgt. ‘Er is een onderzoek gepleegd naar de inbeslaggenomen laptop uit uw handen. [persoon 10] van de ICT afdeling is gehoord en zegt als volgt: ‘Hij herkent de laptop positief. Deze is de laptop geweest die aan u in bruikleen is gegeven. De buitenzijde van de laptop is gecontroleerd. Voorts dat er bij die gelegenheid schuurschade werd waargenomen aan de rechteronderzijde van de laptop, zulks bekeken van de voorzijde van de laptop.’

Voorts houdt de kantonrechter de verdachte het volgende voor: De laptop is al die tijd bij u in bruikleen gebleven, en dat wordt geregistreerd.

De verdachte antwoordt: dat is juist.

De kantonrechter vervolgt:
‘Volgens verklaring van [persoon 10] lijkt de schade op eerste oogopzicht op gebruikersschade, maar nadat de laptop werd opengedaan is gebleken dat de schade doorliep en van binnen te zien was. Hieruit kon geconcludeerd worden dat de schade werd aangebracht.

‘Volgens de ICT afdeling is dat een geconstrueerde schade terwijl het onderste paneel werd gedemonteerd om toegang te krijgen tot het moederbord en de aangesloten onderdelen. Op de daartoe strekkende vraag waarom iemand op dergelijke wijze deze schade zou kunnen hebben aangebracht terwijl het onderste paneel losgeschroefd kan worden en deze moeiteloos kan worden verwijderd gaf [persoon 10] te kennen, dat er aan de achterzijde van het paneel klippen zijn die alleen vanuit de achterzijde losgemaakt kunnen worden. Hieruit concludeerde hij dat de persoon die de laptop demonteerde geen kennis droeg dat er klippen waren aan de achterzijde, dus vermoedelijk geen medewerker is geweest van de ICT afdeling van de Centrale Bank. Bij nadere inspectie door [persoon 10] is aan de harde schijf duidelijk te zien dat de schroeven reeds waren losgemaakt. Dat is te zien aan de hoeken van de kop van de schroeven. … ervan is verder… zwart grijs te zien op de foto’s. Naar aanleiding hiervan stelde de persoon van [persoon 10] de conclusie dat de harde schijf werd ontkoppeld en vermoedelijk heel voorzichtig onbruikbaar werd gemaakt waardoor de computer deze niet meer kan lezen. Tot slot gaf [persoon 10] aan, dat in tegenstelling tot de traditionele harde schijven, de harde schijf uit deze laptop niet uit bewegende onderdelen bestaat. Hierdoor zou de schijf bij een val of andere uitwendige schade gewoon blijven werken. Bold, vetgedrukt. Het is dus een geconstrueerde schade met de bedoeling om de harde schijf te ontkoppelen en ervoor te zorgen dat informatie werd weggewerkt.’

De verdachte reageert – verkort zakelijk weergegeven – als volgt: Mijn laptop ging aan, want ik heb mij op die dag aangemeld bij de politie met mijn laptop. Ik heb mijn laptop na mijn inverzekeringstelling afgegeven aan mijn advocaat met de opdracht dat deze terug moet naar de bank. Ik zou vanuit mijn laptop ook informatie moeten delen m.n. dat van 30 december. Ik weet niet hoelang daarna de laptop in handen van de politie is gekomen. De politie heeft op die dag mijn telefoon in beslag genomen. Ten aanzien van de schade antwoord ik u: Ja, de laptop is 1 keer met mij gevallen. Maar dat was ver daarvoor. Over de schade die [persoon 10] heeft geconstateerd nl. dat het een andere schade is dan die van een val, verklaar ik dat ik daarvan niet op de hoogte ben.

De kantonrechter houdt voor een passage uit het referte proces-verbaal van zondag 1 november 2020 m.b.t. het analyseren van de data van de SRD bankrekening bij verdachte Hausil op p.70: ‘Er is een handboek deugdelijk bestuur van de Centrale Bank van Suriname van 24 juni 2019. Op pagina 40 en 41 is opgenomen ten aanzien van de nevenfuncties,: de werkzaamheden die de werknemer in een arbeidsrelatie uitvoert voor een derde tegen betaling naast zijn hoofdbetrekking bij de bank. Zolang u bij de bank in dienst bent mag u zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de president geen nevenfuncties verrichten of neven betrekkingen aanvaarden, ongeacht of deze nevenactiviteiten in of buiten de normale arbeidstijd worden verricht. U bent verplicht neven functies schriftelijk te melden bij het secretariaat van HRM.’

De kantonrechter houdt de getuige voor dat Mw. Hausil deel uitmaakte van de RvC van CLAD vanaf het jaar 2018 en stelt de vraag aan de getuige Van Trikt of hij daar kennis van draagt.

De getuige Van Trikt, Robert Gray antwoordt – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Uit hoofde van mijn andere functie als president van het bestuur van de accountants daarvoor in het jaar 2018 heb ik een gesprek gehad met de RvC van CLAD en zo ben ik te weten gekomen dat mw. Hausil deel uitmaakte dan de RvC van de CLAD omdat wij toen het bestuur waren. Na de benoeming van mw. Hausil als algemeen secretaris hebben wij het hier over gehad. Laat dat even duidelijk zijn. Toen zij werd aangesteld in haar functie als algemeen secretaris bij de bank heeft u daar geen bemoeienis mee gehad en ik weet niet of het ook gemeld is geworden aan de betreffende afdeling zoals het handboek van deugdelijk bestuur had vermeld.

Op de daartoe strekkende vraag van de kantonrechter antwoordt de verdachte verkort – zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb niet conform het handboek van deugdelijk bestuur gehandeld om aan te geven bij de betreffende afdeling dat ik lid van de RvC van CLAD ben. Ik wil ook aangeven dat nadat ik ook terug ben gegaan ik ook had aangegeven dat mijn voordracht toen bij de RvC van CLAD was gedaan op basis van het functioneren binnen het Ministerie. Toen ik terug ben gekomen had ik ook al aangegeven aan de president commissaris dat hij moest terugkoppelen met de minister, omdat die functie vrij gaat moeten komen omdat ik terug ga naar de Centrale Bank.

De kantonrechter houdt de verdachte voor, als volgt:
U bent vanaf het jaar 2018 lid van de RvC van CLAD en dhr. Van Trikt zegt dat hij daarvan op de hoogte is. In een andere proces-verbaal was reeds gewag gemaakt van het feit dat u op 29 december 2019 een analyse m.b.t. de tweede tranche panden heeft gestuurd voor dhr. Van Trikt. In deze analyse staat o.a. het volgende vermeld: “ Voorts is de persoon van, Robert Putter, discutabel omdat hij wordt genoemd in het SPSB schandaal. En zijn verwevenheid met de rechtspersonen bij deze transacties noodzaken dat de bank rekening dient te houden met haar imago voor de toekomst en in het bijzonder haar taakstelling overeenkomstig de Bankwet.” Dat is een analyse van 29 december van 2019 maar een paar maanden daarvoor, op 14 mei 2019 is Kromosoeto met verlof gegaan, zodat ruimte werd gecreëerd aan het onderzoek dat was ingesteld door de minister van financiën. Ginmardo Kromosoeto is met verlof gegaan op 14 mei 2019. De e-mail of analyse van u dateert 29 december 2019 een paar maanden daarna en u maakt gewag ervan dat men voorzichtig moet zijn met de persoon van Putter, maar waarom heeft u in deze analyse ook geen gewag gemaakt van de heer Kromosoeto daar hij een paar maanden voor uw analyse van 29 december 2019 al met verlof was gestuurd en ook zijn positie discutabel was?

De verdachte antwoordt – verkort zakelijk weergegeven – als volgt: De bankinstellingen vallen onder directoraat Kredietwezen en daar was [persoon 11], directeur van. De informatie dat dhr. G. Kromosoeto met verlof was, wist ik op dat moment niet. Ten tijde van de analyse 5 maanden later was ik niet op de hoogte dat dhr. Kromosoeto met verlof was.

De kantonrechter houdt de verdachte voor – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Op 5 mei 2019 heeft dhr. Gillmore Hoefdraad een president commissaris van de CLAD de opdracht gegeven voor het doen van een onderzoek naar de bedrijfsprocedures bij de SPSB. U bent vanaf het jaar 2018 lid van de CLAD. Op 5 mei 2019 geeft dhr. Hoefdraad opdracht voor het doen van onderzoek naar de bedrijfsprocedures bij de SPSB.’

De kantonrechter stelt de verdachte vervolgens de vraag: Als lid van de RvC van CLAD wilt u mij zeggen dat u niet op de hoogte was dat de opdracht werd gegeven voor onderzoek naar de bedrijfsprocedures bij de SPSB, waarvan een paar dagen later op 14 mei 2019 de heer G. Kromosoeto met verlof is gegaan?

De verdachte Hasill reageert hierop – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
U zegt correct, de opdracht is gegeven aan de president commissaris. Als de opdracht wordt gegeven aan de president commissaris wordt een onderzoek gestart. Er worden nog geen meldingen gedaan. Ik denk dat vanwege de gevoeligheid van de zaak. Ik ben pas hiervan in kennis gesteld, toen wij via de bank in februari of in maart van de PG een schrijven ontvingen.

De kantonrechter houdt de verdachte voor: Wilt u mij zeggen dat de president commissaris van CLAD de informatie voor zichzelf heeft gehouden en niet heeft gedeeld met de overige RvC leden dat er een onderzoek loopt tegen SPSB?

De verdachte Hausil reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Aan mij is die informatie niet medegedeeld. Ik was formeel niet op de hoogte van het onderzoek dat werd gestart tegen SPSB. Vanuit de media heb ik de informatie over het onderzoek dat werd gestart tegen de SPSB. Ik heb aan het gedeelte van dhr. G. Kromosoeto geen aandacht geschonken omdat dat gedeelte vanuit het directoraat Toezicht Kredietwezen aangepakt zou moeten worden en ik denk dat het wel is gebeurd. Nogmaals de stricte scheidingen tussen de directoraten.

De kantonrechter stelt de getuige de volgende vraag:
Mw. Hausil maakte deel uit van de RvC van CLAD, en ten tijde dat de zaken begonnen te lopen kwam er een brief van Hoefdraad met een instructie. Droeg u daar enige kennis van?

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert – kort zakelijk weergegeven – als volgt:
Op dat moment droeg ik daar geen kennis van. Uit hoofde van mijn andere functie als president van het bestuur van de accountants daarvoor in het jaar 2018 heb ik een gesprek gehad met de RvC van de CLAD en zo ben ik te weten gekomen dat mw. Hausil deel uitmaakte dan de RvC van de CLAD omdat wij toen het bestuur waren Toen zij werd aangesteld in de functie van algemeen secretaris bij de bank, heb ik daar geen bemoeienis mee gehad en ik weet ook niet of het ook gemeld is geworden aan de betreffende afdeling zoals het handboek van deugdelijk bestuur dat vermeld. Na de benoeming van mw. Hausil als algemeen secretaris hebben wij het hier over gehad. Laat dat even duidelijk zijn.

De vervolgingsambtenaar houdt de verdachte voor:
Als ik dhr. Van Trikt goed begrijp: als het om een nv van de staat gaat dan kunnen alleen bezittingen van de staat die daarin worden geplaatst. Maar u heeft aangegeven bij het voorstel, zoals u zegt, voor schuldverrekening die onroerende goederen over te nemen, dat bij u in gedachte leefde dat de goederen bij nv SPIN zouden worden geplaatst. Als ik u begrijp, zouden de goederen tot bezittingen zijn van de Centrale Bank, waarom zegt u dan, dat zij in de nv van de staat geplaatst zouden kunnen worden.

De verdachte reageert verkort – zakelijk weergegeven – als volgt: Ik had niet de wetenschap dat er reeds betaald was en dat de onroerende goederen aan de bank zijn komen toebehoren. Ik heb een brief opgesteld voor de schuldverrekening en men is toen gaan uitbetalen en heeft men toen de panden in onderpand gegeven. Ik was niet op de hoogte van die uitbetaling daarom is bij mij de gedachte van die onroerende goederen komen in de nv voor de staat.

De vervolgingsamtenaar stelt de verdachte de volgende vraag: Was u als directeur legal affairs toen op de hoogte dat schuldverrekening op deze wijze in strijd was met artikel 18 lid 2 van de Bankwet?

De verdachte reageert daarop – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Schuldverrekening zou niet in strijd zijn met de art 18 van de Bankwet, omdat er bij schuldverrekening de panden een bepaalde waarde vertegenwoordigen en die waarde zou op den duur afgeschreven worden op de langlopende rekeningen.

De vervolgingsambtenaar houdt de verdachte vervolgens voor:
Bij de rechter commissaris heeft u aangegeven: ‘Op grond van de huidige grondwet bestaat de mogelijkheid niet dat de Centrale Bank onroerende goederen van de staat overneemt ter verrekening van langlopende schulden. U heeft daarbij aangegeven er was al een voorstel gedaan om de Bankwet te wijzigen, maar zoals de Bankwet er nu voor ligt was het wel in strijd met artikel 18 van de Bankwet.’

De verdachte reageert – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt: Hetgeen u mij voorhoudt is juist. Het is in strijd met artikel 18 van de Bankwet en daarom leg ik uit dat er daarom is gekozen voor de werkwijze voor het opzetten van die rechtspersonen m.n. voor het opzetten van de rechtspersoon voor de Centrale Bank, want dat is nu aan de orde, want het gaat over restricties die er gelden voor de Bankwet. Daarom geeft ik u aan, dat de wetenschap dat er restricties waren in de Bankwet, vanaf het begin bekend waren. Toen deze handelingen werden verricht voorzag de Bankwet nog niet in die mogelijkheid.

De verdachte, verklaart op nadere vragen van de vervolgingsambtenaar – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Ik heb mijn laptop aan mijn advocaat afgegeven op de dag van mijn inverzekeringstelling. Ik weet niet op welk moment de laptop in handen van de politie in is terechtgekomen. Op het moment waarop de inspecteur mij voorhield dat ik gearresteerd was, heb ik mijn laptop en mijn mappen aan mijn advocaat overhandigd want op hetzelfde moment is er een restrictie opgelegd dat ik geen contact mocht hebben met mijn advocaat. Mijn advocaat ging toen weg. Ik was toen bij de politie toen ik mijn laptop ter beschikking stelde. Ik weet niet als de laptop direct is afgegeven aan de politie. Ik weet niet wat er verder met de laptop is gebeurd. Omstreeks 6 uur kwam de politie en ze vroegen mij naar mijn mobiele telefoon. Ik heb toen mijn telefoon aan de politie afgestaan. Ik ben niet op de hoogte over de constatering van [persoon 10] dat de harde schijf moet zijn gedemonteerd, omdat er stukken zijn losgemaakt.

Ik was niet op de hoogte dat er ook een onderzoek tegen dhr. Kromosoeto liep omdat hij betrokken was bij het onderzoek van de SPSB. Ik was wel aanwezig op de vergaderingen maar dit onderwerp is niet op die vergaderingen besproken. De notulen van de vergaderingen zijn van het verzoek van de minister, dat is binnengekomen om het onderzoek te doen.

Vervolgens houdt de vervolgingsambtenaar het volgende aan de verdachte voor:
In de notulen van 8 mei waarbij u aanwezig was, staat vermeld, dat dhr. Kromosoeto, directeur van de SPSB, niet zal worden betrokken bij het onderzoek, omdat hijzelf het onderwerp is van het onderzoek. Het was u dus wel bekend.

De verdachte antwoordt – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Dat klopt, dat heeft de president commissaris toen medegedeeld. Maar dat is ook het enige dat ooit besproken is geworden.

De vervolgingsambtenaar houdt de verdachte voor als volgt:
Desondanks maakt u wel een opmerking over, dhr. Putter, maar niet ten aanzien van dhr. Kromosoetoe, terwijl een mail van hem afkomstig is waarbij zaken moeten worden gedaan door de bank.

De verdachte antwoordt – verkort zakelijk weergegeven – als volgt:
Hetgeen u mij voorhoudt is juist. Misschien heb ik dat over het hoofd gezien, maar ik heb meer gefocust op het gedeelte met dhr. Putter. Om eerlijk te zeggen, weet ik nu niet waarom ik mij niet gefocust heb daarop.

Op de daartoe strekkende vraag, verklaart de verdachte – verkort zakelijk weergegeven – als volgt: Ik wist toen dat dhr. Kromosoeto niet in dat beroep was in het kader van het onderzoek van de SPSB. Waarom ik dhr. Kromosoeto niet per definitie heb genoemd in dat e-mail bericht, omdat ik wist dat er al een onderzoek tegen hem gaande was en tegen dhr. Putter was er als zodanig nog geen onderzoek gaande, maar dhr. Putter was wel in opspraak geraakt. Dat ik dhr. Kromosoeto niet heb genoemd is omdat het algemeen bekend was dat hij op verplicht verlof was gezet.

Op vragen van de raadsman mr. Dubois verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Het Ministerie was duidelijk ervan op de hoogte dat er schuldverrekening zou zijn omdat het reeds met de minister besproken was. Vanwege haar taakstelling ga ik ervan uit dat mw. Hausil op de hoogte zou moeten zijn vanwege de gesprekken die er zijn geweest. Er is geen toegang tot mijn e-mail. Alle email-berichten over alle linies die ik ontvang van 3 inboxen, komen in de inbox van mw. Hausil. Het gaat om een intranetsysteem, een binnensysteem die gekoppeld is aan elkaar. Het is niet zo dat mw. Hausil het bericht ontvangt. Het is automatisch, dat in het systeem alles wat bij mij binnenkomt, bij mw. Hausil ook binnenkomt. Het systeem is met elkaar verbonden. Ik hoef niet te forwarden dat zij het ontvangt. Mw Hausil heeft zicht op alles wat binnenkomt.

De raadsman houdt de getuige Van Trikt, Robert Gray voor als volgt:
U zegt: alles wat binnenkomt heeft mw. Hausil zicht en u verwacht op basis daarvan dat zij u adviseert. Als er op enig moment honderd documenten bij mw. Hausil terechtkomen. Op grond waarvan zou mw. Hausill moeten bepalen wat relevant en wat niet?

De getuige Van Trikt, Robert Gray verklaart daarop als volgt:
Mw. Hausil is de juridische adviseur. Ook in haar taakstelling staat het opgeschreven.

Op de vraag van de raadsman, van welke datum het document van goed bestuur dateert, deelt de kantonrechter mede dat het document dateert van 24 juni 2019.

De getuige Van Trikt, Robert Gray verklaart op nadere vragen van de raadsman – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Voor gebruik van het document van goed bestuur heb ik eind september getekend en in oktober met de raad. De aanstelling van mw. Hausil als raad van commissaris bij de CLAD was van een eerdere datum. Het was mij bekend dat dhr. Kromosoeto met verlof was.

De raadsman mr. R. Lobo in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen, houdt de getuige het volgende voor: ‘In het bijzijn van mw Hausil geeft dhr. Van Trikt aan dat het best wel mogelijk is dat tijdens een whiteboard session mw Hausil heeft aangegeven, dat ten aanzien van de panden er restricties zijn in de Bankwet.’ Nu zegt u nee, dat heb ik niet aangegeven. De raadsman stelt vervolgens de vraag: Is dit concreet de verklaring die u heeft afgelegd bij het GVO?

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert hierop – verkort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb verklaard dat het best mogelijk is, omdat daar ook bijvoorbeeld zaken naar voren worden gebracht, maar het is ons niet specifiek aangegeven. Ik heb geen restricties aangegeven. Het is niet aan de orde gekomen in zo een whiteboardnsessie. Ik heb het uitgelegd bij het proces-verbaal bij de politie, bij een whiteboard sessie zitten wij met elkaar en dan overwegen wij wat er mogelijk is en wat er kan voor de bank. Daar was iedereen bij.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray, – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Het was mij bekend dat er een onderzoek liep bij de SPSB. Dat is gemeld. De reden van het verlof van dhr. Kromosoetoe was bij mij niet zozeer bekend. Als mw. Hausil mij wel had aangegeven dat de gepleegde handelingen in strijd waren met de wet, dan handel je als governer niet zo simpel. Ik werd net benoemd tot governer en heb niet de ervaring. Ik ga af op de 20 en 26 jaren ervaring van de mensen die mij ondersteunen, daarom zulke sessies.

De kantonrechter gaat over tot het 1e gedeelte van het verdachte verhoor. De kantonrechter houdt de verdachte voor een passage uit de verklaring [persoon 12], d.d. 28 juni 2020, uit het eerste vervolgdossier – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘Ik houd u voor, een passage uit de verklaring van [persoon 12], waarin zij zegt dat de missive ten aanzien van de RvM die ten uitvoer worden gebracht daarin heeft [persoon 13] het concept overeenkomst opgemaakt. Dit concept is gestuurd naar [persoon 14] die de directeur is van het Ministerie van financiën en [getuige 1] van de Centrale Bank. De bedoeling was dat zowel het Ministerie van Financiën als de Centrale Bank de overeenkomst moest laten screenen door eventuele juristen voor eventuele aanvullingen of wijzigingen.’

De kantonrechter stelt de verdachte vervolgens de vraag: Ten aanzien van deze overeenkomsten die gescreend moesten worden was u daarvan op de hoogte?

De verdachte verklaart – verkort zakelijk weergegeven – als volgt: Deze overeenkomsten heeft dhr. Van Trikt separaat via zijn secretariaat doen opsturen naar juridische zaken voor advies en [getuige 1] heeft het opgenomen bij mijn secretaresse. De juristen hebben daarop advies gegeven. De verkoopovereenkomst van deze overheidspanden is gescreend en de juristen hebben feedback gehad van genoemde personen aan wie ik het recht had. De juristen hebben een memo voorbereid.

De kantonrechter houdt de verdachte voor een passage uit de verklaring van [persoon 12], – voorzover zakelijk weergegeven – als volgt: ‘[persoon 12] zegt: ‘Ik heb nooit feedback gehad van de personen nadat de e-mail naar hun was gestuurd in december 2019. Op 16 maart 2020 heeft de secretaresse van de minister van Financiën [persoon 15] een mail gestuurd naar het secretariaat waarin zij vraagt naar de missive van de overeenkomst. Het secretariaat heeft de missive of overeenkomst naar haar gemaild en haar ook aangegeven, dat zij nimmer een reactie hebben gekregen op de mail die zij hadden gestuurd in december 2019.’

De kantonrechter stelt vervolgens de vraag: Weet u of de reacties zijn gestuurd naar [persoon 12]?

De verdachte reageert hierop – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Over dat gedeelte met [persoon 12] was ik helemaal niet op de hoogte.

De kantonrechter houdt de verdachte voor, – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
‘Wat stond er in de mail vermeld van december 2019. Het ging om de verkoopovereenkomst, toen wij een screening hebben aangeboden aan de directie [persoon 14] van het Ministerie van Financiën en [getuige 1] die het verder zou doorgeleiden naar de afdeling legal affairs van de Centrale Bank.’

Op de daartoe strekkende vraag verklaart de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – als volgt: Hetgeen u mij daarnet hebt voorgehouden is de memo die de juristen hebben voorbereid op 30 december 2019 naar dhr. Van Trikt. Ik weet niet of het verder is doorgestuurd naar [persoon 12].

V. Het proces – verbaal van verhoor op de terechtzitting van 9 maart 2021 inhoudende het confrontatie verhoor tussen de verdachte en de getuige Van Trikt, Robert Gray.
De kantonrechter houdt een passage voor uit het proces verbaal betreft het verhoor van de getuige opgemaakt door agent van politie 1e klasse [verbalisant 1] dd 31 juli ten aanzien van de mondelinge instructie die is gegeven om de concept brief op te stellen en de forwarded mail.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray, – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb nooit een mondelinge instructie gegeven om de concept brief dd 22 juni 2019 op te stellen. Ik blijf bij mijn verklaring bij de politie afgelegd.

De verdachte reageert als volgt:
Er is een mondelinge instructie aan mij en [persoon 1] gegeven. [persoon 1] moest zijn bijdrage leveren tav de hoogte van het besluit. Hij heeft in een mail wisseling die informatie gegeven.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
De mail heb ik geforward op 10 juni. Hetgeen Fara heeft aangegeven dat ik met haar en [persoon 1] op kantoor heb besproken en dat ik een mondelinge instructie heb gegeven, is niet waar. Ik zal nooit een mondelinge instructie geven voor het opstellen van een brief voor de Minister. Bovendien was zij niet in het land. Zij was samen met de Minister in New York en op 26 juni 2019 is zij teruggekeerd. Ik ben niet betrokken geweest bij het opstellen van die brief. Ik weet wel dat er heel veel sessies zijn gehouden. De brief gaat over de aankoop van de 1e tranche van panden ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname. Voor de 1e tranche van panden welke voor eigen gebruik bestemd waren, zijn er sessies gehouden en er was een openstaande rekening op de balans. Wij hebben dit goed besproken en wij konden erop rekenen.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik was niet uitlandig. Ik blijf erbij dat Van Trikt mij een mondelinge instructie heeft gegeven voor het opstellen van die brief.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op 10 juni is zij doorgereisd naar New York. Zij was bij Opperheimer samen met Claire field en de Minister en op 24 juni is zij teruggekeerd naar Suriname

Verdachte wederom aan het woord vervolgt:
Het klopt dat ik op 24 juni ben teruggekeerd; de instructie is daarna gegeven. Op 27 juni heb ik de mail opgesteld en doorgeleid. Vóór 27 juni heb ik de mondelinge instructie gehad. Ja sorry, de brief is gedateerd 22 juni en ik was al terug. Ik kan niet aangeven wanneer ik ben teruggekeerd.

De getuige merkt op dat hij de registratie bij zich heeft en vervolgt:
Ik heb net in mijn cahier gekeken. Het overzicht van haar dienstreis heb ik niet bij mij. Zij is in het weekend van 24 juni teruggekeerd en op 26 juni was zij op de bank.

De kantonrechter houdt uit de verklaring van de getuige voor dat de verdachte op de hoogte was dat er bij de overdracht van de panden er uitbetaling zou plaats vinden en dat er geen sprake was van verrekening omdat het geld voor andere doeleinden gebruikt zou worden dan afhankelijk was afgesproken.
De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
De bestemming van de gelden moet per brief van de Minister van Financiën verkregen worden. Het is dan een opdracht. Het geld komt op de separate rekening. De afspraak was gemaakt dat de gelden die door de CBvS werden gestort ten behoeve van de Staat gebruikt zou worden voor de schuldverrekening. De verdachte was hiervan op de hoogte. Verdachte was niet op de hoogte dat het geld later is gebruikt voor het betalen van salarissen en dat het niet meer ging om schuldverrekening. Het zijn bank geheimen.

De kantonrechter houdt een passage voor uit het verhoor betreft een concept brief dd 22 juni welke is opgesteld door de verdachte en de brief dd 26 juni van de Minister van Financiën naar Van Trikt en dat die brief deels verschilt met de concept brief van Hausil van 22 juni waarin er 4 Onroerende Goederen waren opgenomen.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Ik ben bekend met de concept brief dd 22 juni en de brief van 26 juni van Hoefdraad. Ik zou niet weten wat er intussen is gebeurd. Ik heb de brief ontvangen en afgehandeld.

De verdachte reageert als volgt:
Nadat ik de conceptbrief heb opgesteld en opgestuurd naar de Minister en naar Van Trikt, heeft de getuige via een mail gereageerd en aangegeven dat twee panden (onroerende goederen) weggehaald zouden worden namelijk Ornamibo en nog één waarvan ik nu de naam niet ken. Ik heb gehandeld op instructie van Van Trikt en het onderwerp was altijd schuldverrekening, maar 2 panden moesten eruit gehaald worden. Dit alles is in een mail wisseling vastgesteld.

De getuige Van Trikt, Robert Gray wederom aan het woord en vervolgt:
Er was altijd sprake van schuldverrekening geweest. Ik kan mij niet herinneren dat ik instructies hebt gegeven om twee panden uit de brief weg te halen. Ik weet dat Ornamibo is weggehaald en ik denk dat er in opdracht van Hoefdraad is gehandeld om de twee panden weg te halen.

De kantonrechter houdt uit het proces verbaal voor dat uit een email bericht blijkt dat Van Trikt en Hoefdraad de concept brief van 22 juni van Hausil hebben veranderd zonder dat Hausil iets weet en de getuige Van Trikt, Robert Gray heeft aangegeven dat dit een pertinente leugen is en dat hij geen brieven heeft veranderd althans de concept brief van 22 juni.

De verdachte reageert als volgt:
In die brief die terug is gekomen van de Minister was er sprake van schuldverrekening of schuldfinanciering. Het betreft twee verschillende zaken. Van Trikt heeft wel verandering in de brief aangebracht namelijk dat de twee onroerende goederen eruit zijn gehaald. De brief is nog één keer gestuurd naar Van Trikt en de Minister. Ik heb geen ondertekende versie ontvangen. De werkwijze is als volgt: Er wordt vanuit het secretariaat van het Ministerie naar het Secretariaat van de president bij de secretaresse [persoon 5] gemaild. Zij heeft haar eigen e-mail adres. Die brieven worden per gesloten enveloppe persoonlijke afgeleverd aan de secretaresse van de President van de bank. Deze brieven worden niet gemaild. De werkwijze is dat deze brieven in hard kopie worden afgegeven en niet in de mail box terecht komen dat wil zeggen dat deze brieven niet per mail worden afgehandeld. [persoon 5] en ik waren op de forward page van de President waarop hij de posten van de Internationale Organisaties kreeg. Wat vanuit de bank is verstrekt was schuldverrekening. De Minister heeft naar eigen inzichten veranderingen aan de brief gebracht en dat is daarna gebeurd. Hij moest de brief ondertekenen en hij heeft naar eigen inzichten gehandeld. Ik weet niet of de veranderende inzichten in samenspraak is geweest met de heer Van Trikt.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Ik heb niets in samenspraak gedaan met de Minister. Ik heb niet met de Minister gecommuniceerd.

De kantonrechter houdt voor dat er in de brief van 26 juni geen gebruik is gemaakt van Taxatie rapportwaarde maar van een geschatte marktwaarde van 45 miljoen euro.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Ik heb in een mail gevraagd naar de taxatie rapporten. Bij de 1e tranche was het voor eigen gebruik bestemd en de panden lagen in de buurt van de Centrale Bank. Er zaten een paar taxatie rapporten erbij in de email en later werd het overgedragen aan [persoon 1] voor verdere afhandeling.

De verdachte reageert als volgt:
Bij dit gedeelte was ik niet betrokken. Pas in november ben ik betrokken geweest toen de overdracht niet kon plaats vinden; daarvoor niet en in intussen was er een tweede tranche. In mijn concept brief wordt er gesproken over schuldverrekening. Ik ging ervan uit dat die brief was afgehandeld op basis van schuldverrekening. Bij de tweede tranche panden was ik niet betrokken. In november ben ik door [persoon 1] met beide brieven geconfronteerd omdat er op basis van die twee brieven was uitbetaald

De kantonrechter houdt voor dat de getuige bij het proces verbaal heeft verklaard dat de verdachte bij de 2e trance betrokken is geweest vanwege haar taakstelling.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Hausil en ik waren in Turkije toen de brief kwam. Toen ik eind september terug keerde heb ik [persoon 1] de opdracht gegeven voor onderzoek naar de tweede tranche van de brief. Dat was eind november. In een vergadering werd bekend dat de panden van de tweede tranche niet op naam van de Staat waren. [persoon 1] had ook met de juridische afdeling afgestemd. Hij is ook naar de notaris geweest. Het uitgangspunt van mij is dat Hausil uit hoofde van haar taakstelling, als director legal betrokken was. [persoon 1] is van de juridische afdeling. Het is een uitgangspunt van mij dat zij wel op de hoogte moest zijn vanwege haar taakstelling en haar functie.

De kantonrechter houdt voor dat de verdachte op 29 december 2019 heeft verklaard dat de onroerende goederen zouden worden geplaatst in een NV namelijk NV Spim en dat de getuige Van Trikt, Robert Gray heeft aangegeven dat de panden nimmer in een NV of NV Spim zouden worden geplaatst en Hausil zegt dat zij niet op de hoogte was.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Het verbaasd mij dat Hausil heeft verklaard dat zij niets ervan wist terwijl er uitgebreide discussies zijn geweest met Clairefield ten aanzien van NV Spim. Hausil was altijd erbij. Als wij ervoor betalen kan ik geen pand zetten als de Staat 100 % eigenaar blijft. NV Spim is een participatie maatschappij zoals andere Centrale banken het hebben en die valt onder de governer structuur van de Centrale bank; de Staat Suriname is 100 % eigenaar want de assets van de Staat worden opgenomen. Als er wordt betaald ter verrekening van langlopende schulden of er wordt geld beschikbaar gesteld voor het betalen van overheidssalarissen, het feit is dat de panden niet van de Staat zijn maar van de CbvS. In die NV waar de Staat 100 % aandeelhouder is zou ik de panden nooit kunnen plaatsen. Er zijn uitgebreide sessies geweest met Claire Field en Hausil wist dat de panden niet geplaatst zouden worden in NV Spim.

De verdachte reageert als volgt:
Ik was niet alleen naar België; het heel team die heeft samen gewerkt voor project NV Spim was aanwezig. Er is geen enkel moment aangehaald dat de Staat reeds had uitbetaald. Er was een felle discussie hoe wij de eigendommen van de Staat moeten zien; Het ging erom dat de NV van de Staat per definitie een normale NV zou zijn zoals de NV/ rechtspersoon zou zijn welke was opgericht door de Centrale Bank. In België is het uitgangspunt dat de NV die wordt opgezet door de wetgever goedgekeurd moet zijn; het wordt een rechtspersoon Sui Generis door de assemblee goedgekeurd. Dat was die felle discussie. Van Trikt heeft nooit gezegd dat de CBvS een uitbetaling had gedaan. De discussie was heftig omdat het uitgangspunt ook heftig was. Er is ook een verslag door [getuige 2] opgemaakt. Tijdens die bespreking is er nooit over gesproken dat de CbvS obv de 1e brief een uitbetaling had gedaan. Het uitgangspunt verschilde en daarom was de discussie fel. Ik blijf erbij dat er nooit is gesproken dat de panden bij NV Spim zouden worden ondergebracht en al die tijd dat ik de opdracht heb uitgevoerd verkeerde ik in die veronderstelling. Ook de werkgroep verkeerde in die veronderstelling. Wij zijn doorgegaan met het opzetten van de rechtspersonen tot in december. In december hebben wij de final documenten doorgestuurd. In november hebben wij van ClaireField de last draft van concepten ontvangen

De kantonrechter houdt voor dat de gesprekken andere onderwerpen hadden en dat de panden nooit zouden worden ondergebracht in NV SPIM

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Nee ik heb aan Hausil en de medewerkers niet concreet aangegeven dat de panden niet ondergebracht zouden worden in NV Spim.

De kantonrechter houdt een passage uit het proces verbaal voor waarin in een e -mail bericht van de Minister aan Van Trikt is aangegeven dat de weg van de wetgever niet werkbaar was. De Minister verwacht een werkbare en juridische correcte wijze. De Minister gaf ook aan dat de weg naar DNA tijdrovend was. De getuige [persoon 4] gaf aan dat de wetgeving wel noodzakelijk was.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
Achteraf bekeken zou er wel wetgeving moeten komen voordat zaken geconcretiseerd zouden worden maar dan wel alleen op basis van het feit dat de Centrale Bank met de Royaltys agreement is gaan uitbetalen. Bij het opstellen van de concept overeenkomst was het nimmer de bedoeling dat de Centrale Bank op basis van de Royaltys agreement een uitbetaling zou doen. Ik zou dan nooit in artikel 3 opnemen dat er sprake was van schuldverrekening. Ik kon op dat gebeid wat aanvoelen want bij het eerste geval was er sprake van schuldverrekening en dat was niet gebeurd.
Ik dacht dat ik ervoor moest waken dat de CBvS niet zou overgaan tot uitbetalen. Ik ging ervan uit dat er een geldstroom naar binnen zou komen en op de balans zou er evenwicht komen en dat evenwicht kon bereik worden in de schuldverrekening van lang lopende schulden.
Achteraf bekeken moest er wel wetgeving komen, maar ik was nimmer op de hoogte gesteld dat de uitbetaling heeft plaats gevonden op basis van de Royaltys agreement. Dit heb ik pas bij de Rechter Commissaris gehoord toen de RC het bedrag aangaf dat in SRD was uitbetaald. Ik vroeg mij af hoe dat heeft plaats gevonden want er heeft schuldverrekening plaats gevonden. Tijdens een gesprek had Van Trikt zijn bezorghdheid naar mij en [persoon 1] geuit over de hoogte van de langlopende staatsschulden. Daarom heb ik steeds consequent bij het zoeken naar oplossingen de langlopende schulden meegenomen, niet wetende dat men andere uitvoering had gegeven om achteraf daarmee geconfronteerd te worden.
De uitbetaling van de panden van de 1e en 2e tranche is buiten mij en mijn directoraat gebeurd. De enige opdracht voor uitbetaling kan alleen Van Trikt hebben gegeven aan [persoon 1] en op zijn beurt heeft hij (Van Trikt) de opdracht gekregen van de Minister van Financien, want betalingen zijn standaard.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Er is altijd sprake geweest van schuldverrekening en dat is binnen de bank besproken. Dat is de intentie geweest van de Centrale Bank om het plafond van de langlopende schulden te verlagen. De Minister heeft contact opgenomen met mij omdat het leningen plafond was overschreden. De gelden zijn beschikbaar gesteld op de rekening met dien verstande dat een schrijven van de Minister moest aangeven waarvoor de gelden waren bestemd. Een voorbeeld is de verrekening van de schulden van de Hakrinbank en de VCB. Er kwam een schrijven van de Minister binnen en de gelden waren bestemd voor constructief gebruik.

De verdachte vervolgt:
De uitbetaling die de bank heeft gedaan op basis van de brief die ik heb opgesteld waarbij het uitgangspunt schuldverrekening was, is hier aan de orde. Als Van Trikt steeds aangeeft dat er schuldverrekening is dan is de vraag waarom er is uitbetaald, want er is geen rechtsgrond.

De getuige Van Trikt, Robert Gray vervolgt:
Er is daarvoor een aparte rekening geopend; het geld werd geparkeerd. De brief van de Minister moest aangeven wat de bestemming van de gelden zou zijn. Dat is de normale werkwijze van de bank.

De verdachte vervolgt: De vraag is of de CBvS een valide rechtsgrond had om uit te betalen. Op basis van mijn concept brief niet. De uitvoering van de betaling is hier niet aan de orde.

De kantonrechter vervolgt het confrontatie uit het proces verbaal uit het 2e aanvullend dossier dd woensdag 15 juli pag 60.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de verdachte – zakelijk weergegevn – als volgt:
Ja ik ben door avp [verbalisant 1] op 25 augustus gehoord. Ik blijf bij mijn standpunt dat Van Trikt instructies heeft gegeven dat panden van de overheid geplaatst zouden worden in een NV van de Staat waarbij de CBvS in een andere NV de assets en riks (waarden) ter hand zou nemen.
Het eindresultaat was dat er omstreeks 30 november, 2 concepten gestuurd werden naar Van Trikt namelijk de Concept statuten voor het oprichten van een rechtspersoon van de Staat en de concept statuten voor het oprichten van een rechtspersoon van de CBvS. Het uitgangspunt van Spim was dat er 2 rechtspersonen zouden zijn omdat de Staat zijn eigendommen niet kan plaatsen in een NV die behoort aan de Centrale Bank.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Ik heb nimmer de instructie gegeven om panden van de overheid te plaatsen in NV van de Staat.

De kantonrechter houdt uit het proces verbaal een passage voor dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat de overheidspanden in NV zouden worden geplaatst. Van Trikt zegt dat dat niet juist is. Als de CBvS eigenaar van de panden zou worden zou de Staat geen invloed hebben en van het plaatsen in een NV was er geen sprake. De verdachte heeft aangegeven dat dit eerder niet aan haar is voorgehouden tav de overheidspanden.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de verdachte zakelijk weergegeven als volgt:
Ik kan u niet aantonen dat Van Trikt heeft aangegeven dat overheidspanden in een NV zouden komen. Drie personen genaamd [getuige 2], [persoon 4] en [persoon 6] kunnen dit wel aantonen. Dit is vaak het discussie punt geweest maar in de uitwerking van de opdracht is door de werkgroep onder mijn leiding het opzetten van twee rechtspersonen geleverd en dit is bevestigd in de mail van 30 december. Uit de mail wisseling kan ik concluderen dat deze 3 personen wel op de hoogte waren. Mogelijk is er een verwarring bij dhr Van Trikt omdat het oorspronkelijk idee zoals is doorgegeven niet heeft plaats gevonden. Er is uitvoerig gediscussieerd samen met de werkgroep. De uitbetaling is niet aan mij doorgegeven en verandering in het oorspronkelijk idee van Spim was de uitbetaling. Tot november was ik niet op de hoogte. De mail wisseling van mij naar Van Trikt heeft op 30 december plaats gevonden. De drie personen waren niet meegenomen in de mail. Ik heb een separate mail met het eindresultaat geforward naar de werkgroep. De werkwijze is dat de laatste verantwoordelijke naar de werkgroep mailt. Tav het eind rapport konden de 3 concluderen dat Van Trik de opdracht had gegeven om de overheidspanden in een NV te plaatsen. Hiervan was er vanaf het begin sprake en de werkgroep heeft consequent daaraan doorgewerkt.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Er waren ongeveer 20 personen aanwezig tijdens de White Board sessie. Daarbij heb ik aangegeven dat overheidspanden niet geplaatst kunnen worden in een NV Spim; dit heb ik vanaf het begin gezegd. Ook [persoon 1] en de juristen zaten erbij. Hausil kan niet zeggen dat zij niets wist en dat er hierover niet is gesproken. Ik kan de panden van de overheid niet plaatsen; het behoort dan aan de overheid en dat kan ik niet onder schuldverrekening brengen. Ik kan mij niet herinneren ten aanzien van de mail van 30 december; het was dichtbij oud op nieuwjaar en op 2 of 3 januari begon deze hele confrontatie.

De kantonrechter merkt op dat de verdachte aangeeft dat er een mailwisseling heeft plaats gevonden terwijl de getuige aangeeft dat er White Board sessies zijn gehouden waarbij een en ander aan de orde is gebracht

De verdachte reageert als volgt:
Van Trikt heeft White Board sessies gehad. Ik heb niet aangegeven dat overheids gebouwen in de NV van de bank zouden komen. Daarom zouden er 2 NV’s worden opgericht. Van Trikt vond het niet prettig. In november had ik een standpunt ingenomen en de werkgroep had mij ook erop geattendeerd dat het opzetten van een NV door de Staat niet die simpele NV zou zijn zoals de Centrale Bank het wil opzetten. Een NV van de Staat zou door het parlement goedgekeurd moeten worden. Er ontstond een heftige discussie tussen mij en Van Trik en Van Trik was niet mee eens. Er moet geen verwarring zijn tussen wat het oorspronkelijke doel was namelijk het opzetten van rechtspersonen en wat achteraf niet heeft plaats gevonden. Ik was niet op de hoogte van de uitbetaling. NV Spim kon niet worden uitgevoerd zoals voorgesteld door Van Trikt. Dat brengt de totale omslag in hoe Van Trikt is gaan uitvoeren en hoe ik ben gaan uitvoeren. Mogelijk heeft Van Trikt over het hoofd gezien dat hij mij moest zeggen of hij ging ervan uit dat ik op de hoogte was. Ik wist van niets af. Ik ben geconfonteerd geworden met de uitbetaling door [persoon 1] toen hij met de twee brieven naar mij toe kwam. [persoon 4] was er ook bij.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Als je het uitbetalen parkeert op rekening van schuldverrekening wil dat zeggen dat de Staat betaalt of verrekent met de schuld of het zijn uitgaven van de staat. Dit is de discussie geweest tijdens de White Board sessie en niet de wetgeving. België en Apache II zouden hun wetgeving ter beschikking stellen voor het opzetten van de maatschappij.

Op een vraag van de kantonrechter verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray als volgt:
Tijdens de White Board Sessie is er uitgebreid gesproken dat de panden nimmer zouden worden geplaatst in een NV van de Staat

Op een vraag van de kantonrechter verklaart de verdachte als volgt:
Ja er is uitgebreid gesproken over dit onderwerp daarom zou er een NV van de Staat moeten komen. De Staat zou participeren met haar assets via haar NV.

De getuige Van Trikt, Robert Gray vervolgt:
De NV van Staat is Apache II en die NV zou komen. Na waardering van alle activa van de Staat zouden die worden geplaatst in een seperate NV waar de Staat 100 % aandeelhouder is. Ten aanzien van die governer structure van de CB moet er conform gewerkt worden; ook bij het afgeven van assets aan het buitenland ga je conform het model van de Centrale bank van Noorwegen, Belgie, Canada en Mexico moeten werken. Eerst ga je waarderen en vervolgens plaatsen in die NV voor het aangaan van leningen. Er is zelfs een investeringscommissie die bepaalt wat de investeringen worden ten behoeve van de agrarische sector en de productie sector voor de diversificatie die kan opbrengen met de Belgische wetgeving. Er is gekozen voor de Belgische maatschappij.

De kantonrechter houdt een passage voor uit het proces verbaal met betrekking tot de toegang tot de werk e-mail adressen van Van Trikt.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Hausil had toegang tot alle email adressen van mij en er waren twee. ICT en [persoon 1] kunnen dat bevestigen.

De verdachte reageert als volgt:
Ik had een forward op basis van één mail adres te samen met [persoon 5]. Er was één adres en niet 2. Het was een algemeen mail adres van het secretariaat waar alle internationale organisaties de mails stuurden.

De kantonrechter houdt voor dat de verdachte heeft verklaard dat zij geen inzage had in de stukken die binnen kwamen omdat Van Trikt verschillende e-mail adressen had en Van Trikt heeft aangegeven dat de verdachte toegang had tot alle adressen en advies moest uitbrengen.

De verdachte reageert als volgt:
Er zijn standaard procedures op de Centrale Bank als mail berichten binnen komen. [persoon 5] moest alle berichten uitprinten en werd het in een vloeiboek gezet en Van Trikt gaf de instructies. Van Trikt hield ook aan deze procedure want hij plaatste op de documenten “gaarne advies” of verwees naar een afdeling ter afhandeling en niet obv forwarded mail. Ik handelde op basis van instructies; er werd op dat stuk een aantekening gemaakt en soms was de instructie ook mondeling. Ik had geen toegang tot alle emails adressen.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
De belangrijke zaken waren de contracten. Zij hoefde niet te wachten op mijn instructies. Uit hoofde van haar functie mocht zij de inkomende berichten screenen en advies uit brengen. Zij had ook aangegeven dat ze mijn secretaresse niet was. De belangrijke zaken die binnen kwamen moest zij screenen zoals de concept contracten. Ze hoefde niet te wachten op instructies omdat het haar taak was om te adviseren over de zaken die binnen kwamen.

De verdachte reageert als volgt:
[persoon 5] maakte elke middag het vloeiboek klaar en er was post bespreking met het Secretariaat en ook uit de forward mails werden alle stukken meegenomen en werd het onder de aandacht van Van Trikt gebracht; hij gaf instructies. Er werd een uitdraai gemaakt van alle stukken.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Er waren meerdere werkwijzen; ik gaf instructies en uit hoofde van haar functie mocht zij ook initiatieven nemen en mij informeren.

De verdachte reageert als volgt:
Ik werkte obv de standaard procedures. Als er was afgeweken dan zou ik wel op de hoogte gesteld moeten worden.

De kantonrechter houdt een passage voor uit het verhoor van de verdachte dat uit een email bericht van Kromosoeto blijkt dat de Centrale bank geld aan de Staat zou betalen. In het bericht is een bedrag genoemd SRD 75.592,18 miljoen tegen een koers van 1 euro op 8.46.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Hausil heeft mij niet voorgehouden dat de bankwet restricties heeft. Vanaf begin gaat het om de assets en de panden waren voor eigen gebruik bijvoorbeeld sociale zaken en panden erom heen.

De verdachte reageert als volgt:
Ik heb Van Trikt op de restricties van de bankwet gewezen daarom zijn de rechtspersonen in concept gekomen. Het idee van Spim was er. Dat hebben wij uitgevoerd obv instruktie van de President van de Bank. Als ik niet op de restricties gewezen had hoefde wij toch geen rechtspersoonlijkheid op te zetten? De rechtspersoon voor de bank was opgezet naar voorbeeld van Asvis, de nationale munt veel eerder, waarbij het uitgangspunt was dat als de bankwet restrikties heeft en de situatie van dien aard wordt de bank op enig moment zou moet kunnen handelen. Daarom is er voor deze werkwijze gekozen namelijk het opzetten van een rechtspersoon. Het idee was al daar. Dit was veel eerder ook al toegepast. De nationale munt dateert van de periode van [persoon 7] en onder [persoon 8] is de stichting Asvis opgezet. Anders was de noodzaak er niet voor het opzetten van een rechtpersoon of was het niet nodig om een concept voor te bereiden.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
De 1e tranche panden die werden gekocht waren bestemd voor eigen gebruik. Nee Hausil heeft mij niet gewezen op de restricties in de bankwet.

De kantonrechter leest een passage uit het proces verbaal waaruit blijkt dat verdachte reeds vóór het email bericht van Kromosoetoe, reeds op de hoogte was dat de Centrale bank de overheidspanden zou overnemen. Deze info heeft zij van Van Trikt en de emails berichten gingen niet over schuldverrekening. Uit onderzoek van politie is gebleken dat verdachte op 22 juni 2019 te weten is gekomen dat de langlopende schulden van de Staat naar de Centrale bank 2.3 miljard SRD betrof en in oktober 2019 werd zij via [persoon 1] geconfronteerd met de aankoop van 2e tranche panden. Waarom heeft verdachte hieraan meegewerkt aan de overeenkomst van 01 nov 2019 mbt royalty’s. Eveneens voor schuldverrekening als verdachte kon uitmaken dat sedert 2019 nimmer schuldverrekening had plaats gevonden en de verdachte heeft ook verklaard dat zij heeft meegewerkt omdat de Centrale bank inkomsten moest verwerven en dat anderen andere uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst is buiten haar omgegaan.

De verdachte reageert als volgt:
Ik blijf bij mijn verklaring bij de politie afgelegd.

De kantonrechter houdt de passage voor uit het proces verbaal dat de verdachte nimmer aan Van Trikt heeft voorgehouden dat er in strijd met bankwet is gehandeld en dat de verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld ter voltooiing van de verkoop aan de Centrale bank en heeft meegewerkt dat gebouwen onder de Centrale Bank zijn gekomen. De gebouwen zouden in een NV worden geplaatst van de Staat en voorts heeft de verdachte reeds eerder aangehaald dat aan haar was voorgehouden dat de bankwek zou worden aangepast cq veranderend. Vooruitlopende op de veranderingen in de bankwet zijn de handelingen gepleegd. Kromosoeto, Van Trikt en Hoefdraad zochten steeds naar mogelijkheden om de Staat te financieren ten koste van de Centrale bank en als directeur legal compliance en international affair heeft de verdachte meegewerkt om deze constructie, die in strijd is met de bankwet, legaal te doen overkomen. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij te goeder trouw heeft gehandeld op instruktie van Van Trikt. Zij blijft erbij dat zij Van Trikt op de hoogte had gesteld tbv de restricties.

De verdachte reageert als volgt:
Van Trikt en ik zijn bij de politie geconfronteerd. Van Trikt heeft bij de politie verklaard dat ik hem mogelijk wel had geïnformeerd en mogelijk hadden de juristen hem ook gewezen op de restricties.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Er zijn White Board sessie gehouden wat de mogelijkheden zijn ter verrekening van langlopende schulden. Hausil heeft mij niet gewezen op de restricties in de bankwet.

De kantonrechter houdt het volgende voor: waarom heeft verdachte als directeur meegewerkt aan financiering hetgeen de Centrale bank ernstig heeft benadeeld. De verdachte heeft aangegeven dat zij te goeder trouw heeft gehandeld en niet op de hoogte was dat er sprake was van monetaire financiering en steeds achteraf geconfronteerd werd met de betaling en geen van de overige directies en ook Van Trik hebben haar voorgehouden dat art 21 bankwet is overtreden.

De verdachte reageert als volgt:
Als jurist zou ik niet kunnen weten dat art 21 van de Bankwet werd overtreden. Die informatie zou ik van [persoon 1] moeten krijgen omdat op die afdeling de balans wordt bijgehouden. Het cijfer materiaal wordt niet door een jurist bijgehouden.
Indien wij op enig moment kennis zouden dragen dan zou art 21 van de Bankwet in stelling gebracht moeten worden dat wil zeggen dat er een brief van Van Trikt naar de Minister zou moeten gaan en er moest 45 dagen speling gegeven worden. De Minister zou een plan van aanpak moeten geven hoe er terugbetaald zou worden en voor zover ik het weet is die stap op geen enkel moment gegeven. Ik had onvoldoende informatie of er wel of geen sprake was van overschrijding van het leningen plafond.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Monetaire financiering door de overheid is geen nadeel voor de Centrale Bank. Wij kunnen de SRD beschikbaar stellen. Ik kan mij niet terug vinden in het feit dat zij aangeeft dat zij niet wist dat er sprake was van overschrijding van het plafond. Hausil is directie lid en wij bespreken dit met [persoon 2], [persoon 1] en staffunctionarissen alsook met Hausil. Zij was op de hoogte of kon op de hoogte zijn geweest dat er sprake was van monetaire financiering omdat er gesprekken zijn geweest omtrent monetaire financiering. Zij heeft veel sessies bijgewoonde tav van dit specifiek onderwerp namelijk monetaire finnaciering. Zij heeft de White Board Sessie van Lagarde bijgewoond, zij heeft de constructie van Lagarde meegemaakt alsook heeft zij meegewerkt aan het contract van Lagarde. De royalties zijn bij resolutie door de president van de Republiek Suriname ter beschikking gesteld. Het verbaasd mij als zij zegt dat zij niet op de hoogte was. Ik zou niet exact willen zeggen dat art 21 van de bankwet is overtreden, maar zij wist wel dat er sprake was van monetaire financiereing. Er zijn uitgebreide sessies gehouden waarbij dit punt aan de orde is gekomen. De weekbalans wordt elke week gepubliceerd en als directie lid vind ik het vreemd dat zij niet naar de publicaties van de bank heeft gekeken.

De verdachte reageert als volgt:
Er is een juridisch gedeelte; de overeenkomsten waren bestaande overeenkomsten die ik heb aangetroffen. [persoon 2] had mij voorgehouden dat de overeenkomsten opgesteld waren door de vorige algemene secretaris en dat het door de juridische afdeling was gescreend. Hij gaf aan dat ik ernaar kon kijken. Ik was niet aanwezig op de vergadering van de Hakrinbank waarbij deze zaak is besproken. [persoon 2] en Van Trikt waren wel aanwezig op die vergadering en na de meeting is hij naar mij toe gekomen en gaf hij mij de opdracht voor het opstellen van de overeenkomst. [persoon 2] gaf aan dat de bestaande overeenkomsten er waren en dat ik geen overeenkomst hoeft op te stellen en hij zou het voor mij forwarden. De Lagarde sessies waren er en de Royalties waren ook een onderdeel van de Lagarde sessie. Het uitgangspunt van de Lagarde sessie was het nimmer de bedoeling dat de Centrale bank in één keer het geld zou uitbetalen.
Achteraf is aan mij meegedeeld dat het was uitbetaald. Dat is het verschil in inzicht. Ik was beperkt geinformeerd en ik was niet op de hoogte van de uitbetalingen en bleef maar doorwerken wat mij oorspronkelijk was doorgegeven met als eind resultaat van 30 december. Ik ben geen econoom en het berekenen van geldschepping zou ik niet kunnen doen.

De getuige Van Trikt, Robert Gray reageert als volgt:
Het is een monetaire en economisch aangelegenheid. De sessies waren er. Er is niet in één keer uitbetaald. Er zijn verschillende tranches van uitbetaling geweest. Als het zo slecht zou zijn geweest met Lagarde dan is de vraag waarom er op 26 februari toen ik reeds in detentie was de laatste tranche van Lagarde beschikbaar gesteld tbv de Minister van Financien door de regerings commissaris [persoon 9] en de zittende directie die er nog was. Alle perikelen waren al bekend en de laatste tranche van 143 miljoen werdt beschikbaar gesteld terwijl de Royalties al waren afgegeven aan Opperheimer. Ik was in detentie en Hausil was er nog. Ik ben niet op de hoogte van het stuk van [persoon 4].

De verdachte reageert als volgt:
Ik heb geen inhoudelijke correcties aangebracht in de memo van [persoon 4]. Zij is een persoon die scherp formuleert en de scherpe randen heb ik afgezwakt maar niet de inhoud. Ook al zou ik cruciale zaken achterlaten zaken zouden niet veranderen. Het was damage control; zaken zouden niet teruggedraaid worden; de Staat zou niet terug storten. De schade heb ik tot een minimun beperkt. De monitaire financiering zou niet teruggegdraaid worden.

De kantonrechter houdt uit het proces verbaal van de verdachte voor: dat uit e-mail dd 29 december 2019 blijkt dat er een analyse mbt de 2e tranche panden is gestuurd naar Van Trikt waarin staat dat oa de persoon van dhr R.Putter discutabel is omdat hij wordt genoemd in de SPSB scandalen. Dat de bank rekening moet houden met de imago in de toekomst en de taakstelling overeenkomstig de bankwet. Enkele maanden daarvoor ging op 14 mei 2019 Kromosoetoe met verlof met betrekking tot het onderzoek door de Minister van Financien ingesteld.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de verdachte als volgt:
In deze analyse heb ik geen gewag gemaakt over Kromosoeto. De bankinstelling valt onder Directoraat toezicht Kredietwezen. Ten tijde van het opmaken van de analyse was ik niet op de hoogte dat Kromosoetoe met verlof was. Wij waren 5 maanden verder echter was ik als lid van de RvC niet op de hoogte dat Kromosoeto met verlof was.
De opdracht voor onderzoek is gegeven aan de President Commissaris van de Clad en het onderzoek is gestart. Er worden dan geen meldingen gedaan vanwege de gevoeligheid van de zaak. Ik droeg pas kennis ervan in februari/ maart toen wij van de PG een schrijven kregen. Door de President Commissaris van de Clad is het niet medegedeeld aan mij. Formeel was ik niet op de hoogte van het onderzoek bij de SPSB. Vanuit de media wist ik wel dat er een onderzoek gaande was. Aan het gedeelte van Kromosoeto heb ik geen aandacht geschonken want dat moest door het directoraat toezichtkredietwezen aangepakt worden. Er is een strikte scheiding tussen de directoraten.

Op vragen van de kantonrechter verklaart de getuige als volgt:
Sedert 2018 droeg ik kennis dat Hausil lid was van de Raad van Commissaris van de Clad en wel als bestuur van de accountantsvereniging. Uit hoofde van mijn functie toen heb ik een gesprek gehad met de Clad en toen ben ik te weten gekomen dat Hausil deel uitmaakte van de RvC van de CLAD. Ik weet niet of zij bij de bank heeft aangemeld.

De verdachte reageert als volgt:
Ik ging ervan uit dat Van Trikt zelf kennis had gemaakt met de RvC en op de hoogte was. Ik heb niet conform het handboek van “Deugdelijk bestuur” doorgegeven dat ik lid ben van RvC van de CLAD.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de getuige – zakelijk weergegeven – als volgt:
NV Spim zou een NV van de Staat Suriname zijn en geen NV van de CBvS. De Staat zou 100 % aandeelhouder zijn want alle bezittingen van de Staat zouden erin komen. Alleen onroerende goederen/bezittingen van de Staat zouden geplaatst kunnen worden.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
Er zouden twee NV’s zijn namelijk een NV van de Staat en een NV van de Bank. NV Spim zou van beiden zijn. Onroerende goederen zou in een separate NV van de Staat geplaatst worden en de participatie vanuit de CBvS was als manager en dat zou als NV van de bank plaats vinden. Alleen bezittingen van de Staat zouden worden geplaatst. Ja ik dacht dat het in NV Spim geplaatst zou worden. Ik had niet de wetenschap dat er reeds betaald was en dat onroerende goederen aan de bank toebehoorde. Ik heb een brief opgesteld met als onderwerp schuldverrekening. Er is uitbetaald en de panden zijn als onderpand gegeven. Ik was niet op de hoogte van de uitbetaling daarom ging ik ervan uit dat de onroerende goederen in de NV van de Staat zouden komen. Als directeur Legal kan ik aangeven dat bij schuldverrekening niet in strijd zou zijn met artikel 18 van de bankwet. Bij schuldverrekening vertegenwoordigen de panden een bepaalde waarde en die waarde zou afgeschreven worden op de lang lopende rekeningen. Op grond van de huidige bankwet was het in strijd met art 18 en daarom is er gekozen voor het opzetten van een rechtspersoon van de Centrale Bank. Er waren restricties in de bankwet en dat was bekend. De restricties in de bankwet waren vanaf het begin bekend. Toen deze handelingen werden verricht voorzag de bankwet niet in de mogelijkheid.
Als lid van de RvC van de CLAd heb ik de vergadering dd 08 mei bijgewoond maar dat onderwerp van dhr Kromosoeto is niet besproken op de vergadering. Het verzoek van de Minister voor onderzoek van Kromosoetoe was binnen gekomen en Kromosoeto was niet aanwezig omdat hij het onderwerp van gesprek was. In mijn analyse heb ik gefocust op Putter en niet op Kromosoeto. Ik wist dat er een onderzoek gaande was tegen hem en daarom heb ik hem niet genoemd. Tegen Putter was er geen onderzoek al zodanig gaande. Hij was wel in opspraak. Het was algemeen bekend dat hij met verplicht verlof was.

Op vragen van de raadsman mr. M. Dubois verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
De Minister was op de hoogte dat er schuldverrekening zou plaats vinden anders was het contract niet getekend. Er was reeds met de Minister besproken.
Vanwege haar taakstelling zou Hausil op de hoogte van de uitbetaling moeten zijn. De afdeling valt onder haar. Zij was algemeen direkteur. Alle e-mail berichten die ik ontving kreeg zij ook in haar inbox. Alles wat bij mij binnen kwam kreeg zij ook. Het is automatisch gekoppeld; het systeem is met elkaar verbonden. Zij is juridisch adviseur en ze kan mij zelf adviseren. In haar taakstelling staat alles goed beschreven.
Het document van goed bestuur dateert van 24 juni 2019 en in september is het goedgekeurd. Voor gebruik in september is het besproken met de Raad en haar aanstelling bij Clad was van eerdere datum. Ja ik was bekend met het feit dat Kromosoeto met verlof was en het was geen strafmaatregel.

Op vragen van de raadsman mr.R.Lobo verklaart de getuige Van Trikt, Robert Gray – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Zij heeft niet aangegeven dat de bankwet restricties heeft. Tijdens de White Board sessies zijn er uitgebreide discussies geweest. Dit punt is niet aan de orde gekomen. Er worden zoveel als mogelijk zaken naar voren gebracht. Het is niet specifiek aangegeven door de verdachte.

Op nadere vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de getuige – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:
Ja er is gemeld ten aanzien van het onderzoek van de SPSB. De exacte reden van verlof is niet aangegeven maar er is wel aangegeven dat er een onderzoek gaande was. Ik was net President van de bank geworden en gezien haar ervaring van 26 jaar had zij moeten aangeven dat het in strijd was met de bankwet en daarom zijn er zulke sessies gehouden.

De kantonrechter gaat over tot het horen van de verdachte.

De verdachte voert het woord zakelijk weergegeven als volgt:
De overeenkomsten die gescreend moesten worden heeft Van Trikt separaat naar de juridische afdeling gestuurd. De juristen hebben adviezen uitgebracht. De juristen hebben een memo geschreven ten aan zien van de 8 panden. Ja er is een memo dd 30 december 2019. Ik weet niet of ik een reactie heb gestuurd naar [persoon 12]. Met [persoon 12] had ik geen bemoeienis. Ja ik heb feed back gegegeven aan de juristen die het hebben voorbereid. Ik weet niets over dat gedeelte van [persoon 12].

De overige bewijsmiddelen ten aanzien van het feit onder I A van de tenlastelegging: medeplegen van de overtreding van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht

De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van het voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, op grond van de intensiteit van samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip door verdachte, hetgeen blijkt uit de hierboven en hieronder genoemde bewijsmiddelen.

VI. De processen – verbaal van verhoren van de getuige [persoon 1] opgemaakt door avp [verbalisant 2] dd. 22 juli 2020 en zijn verklaringen bij de RC in het kader van het GVO dd 4 aug 2020:
Uit de verklaring van voornoemde getuige is komen vast te staan dat ten aanzien van de eerste tranche van acht panden hij pas eind juni 2019 daarvan kennis kreeg.

De getuige zegt in zijn verklaring: Ik kreeg van het secretariaat van Van Trikt (toen governor) een brief waarin in grote lijnen stond aangegeven dat de Staat de panden aan de CBvS zou overdragen tegen een gezamenlijke waarde van Euro 45 miljoen. Nadat ik de brief ontvangen had ging ik ermee naar van Trikt en vroeg hem wat de bedoeling daarvan was. Hij hield mij voor dat de tegenwaarde in SRD van het bedrag van Euro 45 miljoen moest worden overgemaakt op rekening van het ministerie van Financiën. Ik heb hierover een verregaande discussie gehad met van Trikt omdat ik van mening was dat de CBvS dit nooit eerder had gedaan en ik daar mijn twijfels over had. Hij hield mij daarbij voor dat het goed komt omdat hij verregaande afspraken heeft met de minister van Financiën. Ik kreeg dan de opdracht dat de tegenwaarde van de middelen moesten worden overgeschreven op de rekening van het ministerie van Financiën. Ik heb de opdracht gegeven aan de afdeling accounting om de middelen bij te schrijven zoals door van Trikt gevraagd. De overmaking is kort daarna gebeurd. Ik heb dit zelf niet direct met HAUSIL besproken, omdat ik ervan uitging dat zij hiervan wist. Zij had immers nauw contact met Hoefdraad. Het was geen geheim dat HAUSIL vaker op het ministerie van Financiën was. Zij had zelf ook aangegeven dat zij daar ook een werkkamer had. Ik ging ervan uit dat zij ook werkzaamheden deed ten behoeve van Hoefdraad. Daarnaast ging zij ook op dienstreis met Hoefdraad. Het was voor mij niet duidelijk in welk kader zij met Hoefdraad op dienstreis ging. Nadat de overmaking was gedaan ten behoeve van Financiën, heb ik wel steeds aan van Trikt gevraagd om de overdracht in orde te maken. Hij hield mij voor dat dit wel zou gebeuren. Ik was op enig moment op vakantie en toen ik terugkwam en mijn email bekeek zag ik dat er nog een transactie was met betrekking tot de tweede tranche panden. Dit is gebeurd rond 1 oktober 2019. Bij de tweede tranche panden ging het om 9 panden tegen een waarde van Euro 60 miljoen. Toen ik dit zag ben ik naar Van Trikt geweest en heb ik hem weer gevraagd wat dat te betekenen had. Hij reageerde daarop door te zeggen dat het in orde komt. Kort daarna ben ik naar HAUSIL geweest met de twee brieven (1e en 2e tranche panden) en zij vroeg mij van waar die brieven komen. Ik heb haar daarop gevraagd hoe zij het niet weet, omdat zij degene is die de concepten schreef voor Hoefdraad. Volgens haar was dat niet altijd zo. Volgens haar wist zij helemaal niets van de brieven. Ik was van mening dat als de panden niet konden worden overgedragen aan de CBvS, de Staat weer het geld moest terugbetalen aan de CBvS, omdat wij al de middelen hadden overgemaakt t.b.v. Financiën. Ik hield Van Trikt voor dat het bijna eind van het jaar is en dat onze begroting niet in orde is, in die zin dat de boeken zouden worden afgesloten met zaken die niet in orde zijn. Dit was naar mijn mening monetaire financiering en daar was ik ook heel erg tegen. Van Trikt hield mij voor dat de directeur van de SPSB, Kromosoeto Ginmardo, zorg zou dragen voor de overdracht van de panden aan de CBvS. Volgens Van Trikt was Kromosoeto aangewezen door Hoefdraad om de panden te doen overdragen. Van [getuige 1] begreep ik dat overdracht van de eerste tranche panden door ROGB zou geschieden middels een overeenkomst.

Voor wat betreft de tweede tranche panden waren er veel onduidelijkheden, omdat gebleken was dat deze panden niet in eigendom aan de Staat toebehoorden. Ook bleek dat enkele van de panden bezwaard waren met beslagen. Ik hield dit voor aan Van Trikt en hij zou dit met de minister bespreken. Ik heb hierna niets meer gehoord van Van Trikt. De panden zijn nimmer overgedragen aan de CBvS. Ingevolge de Bankwet mag de CBvS slechts over onroerend goed beschikken indien het betreft de eigen bedrijfsvoering. Het grootste deel van de panden die gekocht waren, waren in elk geval niet voor de eigen bedrijfsvoering van de CBvS. Ten aanzien van twee van de 1e tranche panden begreep ik van Van Trikt dat die gebruikt worden voor de CBvS. Ik kan u geen antwoord geven op de vraag hoe de panden gebruikt zouden worden voor de eigen bedrijfsvoering van de CBvS, nu die voor een groot deel in vervallen staat waren. Toen de transactie plaatsvond in juni 2019 had ik nog niet door dat deze in strijd was met de Bankwet, alhoewel ik aanvoelde dat deze transactie ongebruikelijk was. Ik werd op enig moment nadat de 1e transactie was geschied door [persoon 16] erop geattendeerd dat deze in strijd was met de Bankwet. Ik ben dit toen nagegaan en constateerde inderdaad dat het in strijd was met de Bankwet.

M.b.t. de eerste tranche panden is een overeenkomst opgemaakt door min ROGB. Het ging om een overeenkomst dat juridisch gescreend moest worden. Ik heb het per email gestuurd naar HAUSIL. Deze overeenkomst had ik ontvangen van [getuige 1] omdat hij bezig was met de overdracht van de panden. Voor zover ik weet heeft zij de overeenkomst gestuurd naar medewerkers van haar afdeling ter screening. Om precies te zijn heb ik de email gestuurd op 14 december 2019 naar HAUSIL en ik heb [persoon 4] en [getuige 1] in de cc. meegenomen. Ik zie in de email wisseling dat [persoon 4] op 20 december 2019 naar HAUSIL heeft gereageerd met haar advies. Op 21 december 2019 reageert HAUSIL naar [persoon 4] en maakt mij kopielezer daarvan, waarbij zij aangeeft dat de overeenkomst juridisch onzin is. Dat blijkt allemaal uit de email wisseling. In haar email geeft zij aan dat zij het met mij zou bespreken, wat zij niet heeft gedaan.

Ik heb geen idee waarom er een nieuwe rekening geopend moest worden. Zoals eerder gezegd heeft Van Trikt de opdracht gegeven dat er een nieuwe rekening geopend moest worden. De rekening is niet gebruikt om schulden van de Staat af te lossen bij de CBvS. Het was niet de bedoeling dat de CBvS zou moeten betalen voor de assets die in de NV zouden moeten worden geplaatst, althans dat heb ik niet zo begrepen. Ik heb nimmer begrepen dat de assets die in de NV zouden worden geplaatst bedoeld waren voor schuldverrekening ten behoeve van de Staat.

Nadat de betaling van de 1e tranche panden was geweest, heeft van Trikt gesproken over schuldverrekening. Vooraf aan de betaling van de 1e tranche panden is er niet met mij gesproken over schuldverrekening, alhoewel dit wel in de brief staat aangegeven. Het gesprek over schuldverrekening is pas na de betaling geweest.

VII. De processen – verbaal van verhoren van de getuige RAMAUTAR, GLENN (notaris) opgemaakt door avp [verbalisant 1] dd. 22 juli 2020 en bij de rc in het kader van het GVO d.d. 10 aug 2020:
Uit de verklaring van voornoemde getuige is komen vast te staan dat: Wat betreft de 2de tranche panden, Putter van Investment Partners NV hem getuige heeft benaderd voor de overdracht van een negental panden aan de CBvS. Dit moet zijn geweest in de 2e week van de december 2019. Hij is persoonlijk bij mij op kantoor geweest en heeft ook documenten met betrekking tot de verschillende panden voor mij gebracht zodat ik de overdracht kon voorbereiden. Bij dit onderzoek is gebleken dat toestemming van de RVC nodig was.

Nadat wij ook de Bankwet op na hadden nageslagen, zagen wij dat het niet mogelijk was om de onroerende goederen aan de CBvS over te dragen. Dit omdat de CBvS geen onroerende goederen mag kopen tenzij voor eigen gebruik. Verder was er een staatsbesluit nodig voor de overdracht van de onroerende goederen aan de CBvS. Putter hield hem voor dat hij de zaken in orde zou maken en dat hij weer contact met ons zou opnemen. Ik heb daarna ergens na 10 juli 2020 stukken ontvangen van Putter om de overdracht verder af te handelen. Van hem heb ik ontvangen een missive gedateerd 10 juli 2020. Op zijn verzoek om de overdracht af te ronden, heb ik hem gezegd dat ik dat niet kan doen omdat er momenteel een strafrechtelijk onderzoek gaande is met betrekking tot de panden. Uit de media had ik namelijk begrepen dat er een strafrechtelijk onderzoek gaande was en om deze reden heb ik een pas op de plaats gemaakt. De onroerende goederen waar het om gaat behoren niet aan de Staat toe, maar aan rechtspersonen.

De missive had betrekking op de aankoop van de panden door de Staat. De verkoper in deze zou zijn de NV Investment Partners. Met deze missive moest ik ROGB bellen en vragen aan wie de onroerende goederen overgedragen moesten worden. Ik weet niet wat de beweegreden van hem is geweest om de onroerende goederen aan de Staat over te dragen aangezien hij in eerste instantie die aan de CBvS wilde overdragen. Ik denk dat hij aan de Staat wilde overdragen omdat wij hem hadden geïnformeerd dat op grond van de Bankwet hij niet aan de CBvS kon overdragen.

Uit mijn onderzoek is gebleken dat de onroerende goederen niet aan de Staat toebehoorden, maar aan de NV Investment Partners. Hoe de Staat zou willen overdragen aan de CBvS, terwijl zij niet de eigenaar is van de onroerende goederen is mij onduidelijk. Putter had mij niet voorgehouden dat deze onroerende goederen door de Staat zouden worden overgedragen aan de CBvS. Wat ik begreep was het de bedoeling dat Investment Partners de onroerende goederen aan de CBvS zou overgedragen. Dat is ook wat ik heb opgenomen in de concept overeenkomst. Voor zover mij bekend is de special purpose vehicle Investment Partners geen NV. Ter verduidelijking wil ik nogmaals benadrukken dat ik niet bekend ben met special purpose vehicle Investment Partners NV, maar wel met Investment Partners NV. Deze NV is de bestuurder van de stichtingen die de juridische eigenaren zijn van de onroerende goederen.

VIII. Het procesverbaal van verhoor van de getuige Van TRIKT, ROBERT-GRAY opgemaakt door avp [verbalisant 1] dd. 31 juli 2020 en zijn verklaring bij de RC i.h.k.v. het GVO dd. 13 augustus 2020: Voornoemde getuige heeft in zijn verklaring aangegeven: Dat de bedoeling m.b.t. de panden, was geweest om de langlopende lening uit 2015 van de Staat bij de CBvS, die geen dekking had, te verrekenen. Dat er onderscheid moet een worden gemaakt tussen de 1e en 2e tranche panden, omdat de panden uit de 1e tranche wel degelijk voor eigen gebruik van de CBvS bedoeld waren. Vooral de panden van Sociale Zaken, het ministerie van Financiën en het terrein van ROGB waren in het bijzonder bedoeld voor eigen gebruik van de CBvS. Deze panden waren bedoeld voor het opzetten van een academy van de CBvS en een museum. Daarnaast was het de bedoeling om iedereen van de CBvS weer bij elkaar te brengen, zodat het personeel weer gecentraliseerd was. Ten aanzien van de overige 1e tranche panden hadden wij niet zo zeer in mind wat wij daarmee zouden doen. HAUSIL wist als geen andere dat er bij de overdracht van de panden een betaling zou plaatsvinden. Dat is logisch en dat heeft niets te maken met het concept van haar van 22 juni 2019 en de brief van HOEFDRAAD d.d. 26 juni 2019. Omdat er een betaling zou plaatsvinden heeft [persoon 1] in diezelfde periode een rekening geopend in opdracht van HOEFDRAAD waarop het geld van de panden zou worden geboekt. Uiteindelijk heeft HOEFDRAAD besloten om het geld van de panden (Euro 45 miljoen en Euro 60 miljoen) niet te gebruiken ter aflossing van de langlopende lening. Naar aanleiding van een e – mail van Kromosoeto heeft HAUSIL een concept brief opgesteld. Het email bericht van Kromosoeto had ik doorgestuurd naar HAUSIL. Dit heb ik gedaan zonder dat ik haar daarbij heb gezegd wat zij met de e-mail van Kromosoeto moest. Met het email bericht afkomstig van Kromosoeto was het altijd duidelijk dat het om de verkoop van de panden ging aan de CBvS. De gelden ten aanzien van deze verkoop, die komen op een separate rekening van de Staat bij de CBvS. Hierna zou de opdracht van de minister moeten komen om de gelden ter beschikking te stellen en de bestemming te bepalen. Vanuit de CBvS was het duidelijk wat de bedoeling was van de panden van de Staat die overgedragen zouden worden aan de CBvS. Het was altijd de bedoeling dat die zouden worden verkocht aan de CBvS en dat de gelden hiervan in beginsel zouden moeten worden bestemd voor de verrekening van de langlopende schuld. In het e-mail bericht van Kromosoeto blijkt niet dat de panden zouden worden overgedragen aan de CBvS ter schuldverrekening.

De getuige heeft verder verklaard: “Uit de conceptbrief blijkt dat deze is opgesteld ten behoeve van Hoefdraad. Ik zou geen opdracht kunnen geven aan HAUSIL om een conceptbrief op te stellen ten behoeve van Hoefdraad. Ik heb geen opdracht aan Kromosoeto gegeven en ik weet ook niet wie de opdracht heeft gegeven. Op enig moment begreep ik van Hoefdraad dat Kromosoeto een overzicht zou hebben over de assets van de Staat. Ik kan mij niet meer herinneren hoe het contact met Kromosoeto tot stand is gekomen inzake de assets van de Staat zoals hij die heeft aangegeven in zijn e-mail. In ieder geval heeft hij niet van mij de opdracht gehad om in een e-mail vast te leggen aan mij wat de assets van de Staat zijn. De algemeen secretaris is de beschermheer of vrouwe van de governor. HAUSIL was algemeen secretaris. Toen ik als governor aantrad, is het eerste wat ik gedaan heb HAUSIL toegang te verlenen tot alle e-mail berichten van mij als governor, zodat zij op de hoogte was van alles dat binnenkwam. Zij had ook plaats naast het secretariaat naast de directie. Mijn e-mail berichten kwamen dus ook tegelijkertijd bij haar binnen en op grond daarvan had zij kennis kunnen nemen van de brief van 26 juni 2019 (brief van Hoefdraad m.b.t. 1ste tranche). Het was ook haar taak om de correspondentie die ik kreeg in mijn e-mail box ook te bekijken. Dat was ook de bedoeling waarom zij werd gekoppeld aan mijn e-mail boxen. Anders had het geen zin om haar te koppelen aan mijn e-mail boxen.

HAUSIL was ook bekend met de verkoop van de 2e tranche panden aan de CBvS, omdat dit vaker is besproken binnen de CBvS tussen september 2019 en december 2019. En dat zij vanwege haar taak belast was met het leiding geven aan de juridische afdeling die betrokken is bij de overdracht van de panden. HAUSIL, heeft als hoofd Legal, mij niet aangegeven dat het idee van de overdracht van de panden door de Staat aan de CBvS in strijd is met de Bankwet. HAUSIL heeft mij ook niet getracht tegen te houden om de panden over te nemen van de Staat. Dat HAUSIL speciale afgezant van Hoefdraad is, bedoel ik te zeggen dat Hoefdraad haar nog nodig had bij het ministerie van Financiën. Het project van de panden lag in handen van HAUSIL, hiermee bedoel ik dat zij belast was met de juridische overdracht van de panden. Voor zover ik mij kan herinneren was dat vanaf het begin van de aankoop van de panden. Het was nimmer de bedoeling geweest om de panden van de 1ste en 2de tranche in een NV of project SPIM te plaatsen, omdat de CBvS betaald had voor de panden. Weliswaar was het de bedoeling ter verrekening van de langlopende schuld, maar de panden zouden eigendom worden van de CBvS. Het project SPIM had te maken met alles assets van de Staat, inclusief panden, die in een investeringsmaatschappij zouden worden geplaatst. De 1e en 2e tranche panden zouden dus niet meer de eigendom zijn van de Staat en zouden daarom niet in SPIM worden geplaatst.

IX. Verklaring getuige [persoon 4] blijkens de processenverbaal van verhoren door avp. [verbalisant 3] d.d. 22 juli 2020 en bij de RC d.d. 17 augustus 2020:
De getuige zegt: ten aanzien van de 1e tranche panden kan ik mij herinneren dat ik pas daarbij werd betrokken nadat de betaling al was geschied van de Bank aan de Staat. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik kennis kreeg hiervan. Als ik mij niet vergis heb ik van HAUSIL de opdracht gehad om een concept brief te maken ten behoeve van de ex governor waarin wordt aangegeven, dat het aanbod van de minister ten aanzien van de panden wordt geaccepteerd. Dit omdat de betaling reeds had plaatsgevonden.

Ten aanzien van de 2e tranche panden kan ik zeggen dat ik absoluut geen bemoeienis daarmee heb gehad. Ik denk dat zij mijn eerste concept brief met betrekking tot de 1e tranche panden hebben gebruikt voor de 2e tranche panden. Wie dat heeft gedaan kan ik niet zeggen. Op enig moment kreeg ik enkele overeenkomsten afkomstig van notaris Ramautar met betrekking tot de 2e tranche panden, doorgestuurd door [getuige 1] met het verzoek om deze overeenkomsten te screenen. Ik heb deze overeenkomsten dan doorgestuurd naar de afdeling juridische zaken ter screening. Uiteindelijk heb ik een notitie voorbereid waarin ik allerlei kritische opmerkingen heb gemaakt met betrekking tot de voorgestelde constructie om de panden te doen overdragen. Ik heb mijn analyse zowel naar [persoon 17] als naar HAUSIL doorgestuurd. Mijn uiteindelijke analyse met betrekking tot de overeenkomsten van de 2e tranche panden, heb ik naar haar verzonden en heb ik ook met haar besproken. In deze analyse heb ik vrij kritische vragen gesteld en ik heb ook een uiteenzetting gegeven van het geheel. Zij heeft uiteindelijk een eigen analyse gemaakt voor de governor die zij ook naar mij en [persoon 17] heeft gestuurd.

X. Verklaring afgelegd door de verdachte HAUSIL (zowel bij de politie als bij de RC in het kader van het GVO) t.a.v. feit I A.

De processen – verbaal van verhoren van de verdachte HAUSIL F opgemaakt door avp [verbalisant 1] dd. 25 aug 2020 en bij de RC in het kader van de GVO 27 juli 2020:
Verdachte verklaarde: “De onroerende goederen waren niet bedoeld om de eigen bedrijfsvoering van de CBvS uit te oefenen zoals omschreven in artikel 18 lid 4 van de Bankwet, doch was het de bedoeling om deze onroerende goederen in een NV te plaatsen. In mijn achterhoofd had ik het idee dat de NV zou worden opgericht en ik heb er niet zo naar gekeken dat de Bankwet willens en wetens werd overtreden. Om deze reden heb ik er ook niet aan gedacht om VAN TRIKT ervan te weerhouden om de onroerende goederen te doen overnemen van de Staat. Achteraf is gebleken dat de NV bij wet zou moeten worden opgericht en dit was dan ook het grootste obstakel, omdat ik van mening verschilde met VAN TRIKT hierover. Ik wist inmiddels ook niet dat de betaling had plaatsgevonden voor de panden. Ergens in juni 2019 had VAN TRIKT een e-mail van de directeur van SPSB, dhr. Kromosoeto, naar mij doorgestuurd zonder instructies. Ik heb niet expliciet gevraagd wat de instructies waren voor die e-mail, omdat ik ervan uitging dat die instructies kennelijk nog zouden komen. De instructies zijn inderdaad ook gekomen op enig moment toen VAN TRIKT aan mij en [persoon 1] heeft gevraagd om te bekijken een manier op de langlopende schuld die de Staat had bij de CBvS te verlagen. VAN TRIKT gaf daarbij aan dat de Staat geen financiële middelen had om de schuld af te lossen. In dat kader zouden er onroerende goederen van de Staat worden overgedragen aan de CBvS. Ik zag dit als een soort zekerheid voor de CBvS dat de langlopende schuld omlaag ging.

Bij het aantreden van VAN TRIKT was het al zijn idee om NV’s op te richten en in dat kader had hij aan ons gevraagd om twee NV’s op te doen richten, waarin er onroerende goederen van de Staat zouden worden geplaatst. Een van de NV’s was speciaal voor de Staat en de andere NV zou worden beheerd door de CBvS. Toen wij in de werkgroep nagingen in hoeverre de NV’s konden worden opgericht, merkten wij dat er wat probleempunten waren mede vanwege de beperkingen in de Bankwet. Een van de beperkingen in de Bankwet was artikel 18. Dit artikel houdt in dat de CBvS geen andere onroerende goederen mag bezitten anders dan voor haar bedrijfsvoering. In dit kader en ook naar aanleiding van andere onvolkomenheden in de Bankwet is er een concept wijziging van de Bankwet ingediend welke nog niet is goed gekeurd. De brieven van HOEFDRAAD die terug zijn gekomen naar de CBvS en die betrekking hadden op overdracht van de onroerende goederen tegen betaling waren niet mijn concepten. De minister heeft nimmer met mij gesproken over de overdracht van de panden. In de forward e-mail van KROMOSOETO blijkt wel dat het overleg met betrekking tot de overdracht van de onroerende goederen was gevoerd tussen KROMOSOETO, VAN TRIKT en de HOEFDRAAD.

Ergens in november 2019 kreeg ik kennis van deze brieven van de minister toen [persoon 1] al zwaaiend met de brieven naar mij toe kwam en zei dat er is betaald voor de panden. Ik stond perplex toen ik dat hoorde. Ook mijn collega [persoon 4] die ter plekke was, was verbaasd over de betaling omdat het dan te maken zou hebben met monetaire financiering.

Dit was ook de reden waarom mijn directoraat een brief heeft opgesteld voor dhr. VAN TRIKT gedateerd 07 november 2019 en gericht aan de minister waarin wordt aangegeven dat het aanbod is geaccepteerd en dat bereids een bedrag van 45 miljoen euro door de CBvS is betaald aan de Staat.

In reactie op een opmerking en vraag van de RC waarbij de verdachte erop wordt geattendeerd dat er ook een soortgelijke brief is van 03 december 2019 waaruit blijkt dat de CBvS aan de minister aangeeft, dat het aanbod van de minister -verwijzend naar zijn brief van 20 september 2019- is geaccepteerd en dat bereids het bedrag van 60 miljoen euro ter beschikking is gesteld van de Staat en vraagt als zij daarvan kennis van draagt antwoordt de verdachte “ik kan mij deze brief niet herinneren”. Op vraag van de RC waarom er niet voor is gekozen om in één brief op te nemen dat het totaal bedrag van 105 miljoen euro is betaald en dat daarmee het aanbod is geaccepteerd, antwoordt verdachte: “ik moet u het antwoord schuldig blijven, omdat ik mij niet kan herinneren waarom wij niet daarvoor hebben gekozen. Terecht merkt u op, dat toen de brief van 07 november 2019 de deur uitging naar de minister het totaal bedrag van 105 miljoen euro al was betaald aan de minister. “Voor wat betreft de betalingen heb ik geen enkel verrichting gepleegd, omdat betalingen niet via mijn directoraat gaan. Ook toen de minister de brieven van 26 juni 2019 en 20 september 2019 heeft toegezonden aan VAN TRIKT, ben ik daarvan niet op de hoogte gesteld.”

Verdachte door RC geconfronteerd met het e-mail bericht afkomstig van de verdachte HAUSIL gericht aan VAN TRIKT, van zaterdag 22 juni 2019, omstreeks 09:07 PM met als onderwerp “Taxatierapporten Overheidsgebouwen en terreinen ”gericht aan VAN TRIKT en HOEFDRAAD, waarin staat vermeld:
“Beste minister en president, onderstaand volgt een conceptbrief i.h.k.v. eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBVS ter verrekening van de lang lopende schuld. Ik weet niet wat de hoogte van deze schuld nu is vandaar dat het openstaat. Ik heb dit reeds gevraagd aan [persoon 1]. De SPSB heeft voorgesteld dat zij de restauratie ter hand willen nemen. Echter stel ik voor dat de Bank hierin het voortouw neemt, het onroerend goed komt toe aan de bank, maar het besluit is aan u.” Verklaarde verdachte op deze brief: “deze mail heb ik gestuurd naar aanleiding van de opdracht die van Trikt mij en [persoon 1] heeft gegeven om na te gaan of de langlopende schuld kon worden verrekend met onroerende goederen van de Staat.” Het idee om de panden over te dragen aan de CBvS kwam waarschijnlijk van Kromosoeto, Hoefdraad en van Trikt. Dit naar aanleiding van de forward e-mail die ik heb ontvangen en waaruit blijkt dat de e-mail van Kromosoeto is gegaan naar Hoefdraad en van Trikt. Dhr. Putter is bezitter geweest van enkele van de overheidspanden voor de 2e tranche. Ik weet niet hoe Putter bezitter is geworden van deze panden. Ik ken dhr. Putter niet. Ik heb nimmer met hem gesproken. Ik heb wel in de krant gelezen dat hij betrokken was bij het SPSB schandaal. Dhr. Putter is naar mijn mening niet integer vanwege zijn betrokkenheid bij het SPSB schandaal. Ik wil nadrukkelijk erop wijzen dat de brieven van de minister van Financiën met betrekking tot de panden niet mijn concept zijn. Ik ben het er mee eens dat nu de gelden zijn verstrekt aan de Staat zonder dat de panden zijn overgedragen aan de CBvS, dit in het nadeel van de Bank is omdat de Bank ook haar bedrijf draaiende moet houden. De bedrijfsvoering van de Bank kan hierdoor in gevaar komen. Ik ben het dan ook met u eens dat er in dit kader sprake is van benadeling van de Bank.

Uit bovengenoemde verklaring van verdachte is komen vast te staan dat zij heeft meegewerkt aan de transacties m.b.t. de panden (1ste en 2de), omdat volgens haar de achterliggende gedachte was dat de gebouwen/panden in een NV van de Staat Suriname zouden worden geplaatst en de Bankwet zou dan ook moeten worden aangepast c.q. veranderd, hetgeen niet is gebeurd.

De bewijsmiddelen ten aanzien van het feit onder III A van de tenlastelegging: medeplegen van de overtreding van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.

De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van het voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, op grond van de intensiteit van samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip door verdachte, hetgeen blijkt uit de hieronder genoemde bewijsmiddelen.

I. Blijkens de processen verbaal van verhoren van de getuige [getuige 2] opgemaakt door avp [verbalisant 4] dd. 22 juli 2020 en bij de RC in het kader van het GVO dd. 04 aug 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat hij advies had gegeven met betrekking tot de kwestie van afdracht van royalty’s , en wel dat daarvoor juridisch vereist is:
1. Een machtigingswet van De Nationale Assemblee;
2. Een addendum op de Delfstoffenovereenkomst van 7 april 1994;
3. Een overeenkomst tussen de Staat en de CBvS.

De getuige [getuige 2] heeft voorts verklaard:
Nadat wij dit advies hadden gegeven kregen wij bericht van Hausil dat zij niet tevreden was met ons advies en dat wij ‘out of the box’ moeten denken. Zij gaf aan dat zij een andere oplossing wenste. Zij gaf verder aan dat [persoon 4] op de hoogte was en dat wij van haar de informatie zouden krijgen. [persoon 4] gaf met zoveel woorden aan dat de weg naar de assemblee geen mogelijkheid is en dat wij een andere juridisch correcte manier moesten zoeken om de royalty’s bij de CBvS te krijgen. Voor ons was er geen andere juridisch correcte manier dan wat wij hadden voorgesteld. Dit heb ik ook aan [persoon 4] voorgehouden. Met ‘out of the box’ denken werd bedoeld een werkbare en een juridisch correcte wijze.

Mevrouw HAUSIL en [persoon 4] waren niet tevreden over ons advies. Mevrouw HAUSIL heeft richting ons de opmerking gemaakt dat zij ontevreden hierover is en dat wij out of de box moeten gaan denken. Wij werden daarna niet meer betrokken. Mijn mening ten aanzien van deze opmerking is dat ik het volledig oneens ben, omdat het wetgevingstraject de enige juridisch correcte weg is om de onderhavige overeenkomst die bij wet is goedgekeurd te kunnen wijzigen en op geen enkele andere wijze. Het is mij bekend dat de delfstoffen overeenkomst tot 2 keer toe is gewijzigd nadat de assemblee daartoe toestemming heeft gegeven. Voor zover ik mij kan herinneren is de delfstoffen overeenkomst gewijzigd in 2002 en voor het laatst in 2013. Dit hadden wij ook in mind toen wij ons advies uitbrachten aan HAUSIL. Het is mij niet bekend dat er op een andere wijze zaken in de delfstoffen overeenkomst zijn veranderd zonder dat de nationale assemblee daartoe toestemming heeft gegeven. Ik sta nog steeds achter mijn advies die wij eerder aan HAUSIL hebben gegeven met betrekking tot de royalty’s. Na mijn advies heb ik nimmer meer iets gehoord van HAUSIL of [persoon 4]. Wat er met mijn advies is gedaan weet ik niet. Mijn inziens ontbreekt de rechtsgeldigheid van de overeenkomst waarbij de royalty’s zijn overgedragen aan de CBvS, nu er geen machtigingswet en een addendum op de delfstoffenovereenkomst is. Nadat ik de brief [persoon 18] heb kunnen doornemen reageer ik als volgt: uit deze brief haal ik dat vanuit Grassalco, die de royalty’s op grond van de delfstoffenovereenkomst ontvangt, een regeling wordt gezocht om delen van deze royalty’s te doen overdragen aan de Staat en de Bank. De case die wij nu voor ons hebben heeft mijn inziens te maken met de afdracht van de royalty’s door Rosebel Goldmines aan de CBvS zonder dat Grassalco, die de rechtmatige eigenaar is van de royalty’s, daarin wordt meegenomen. Dit is naar mijn mening een wezenlijk verschil.

II. Verklaring getuige VAN TRIKT ROBERT GRAY -m.b.t. Royalty ovk- bij proces verbaal opgemaakt door de a.v. p. [verbalisant 1] d.d. 31 juli 2020, bij de RC d.d. 13 augustus 2020 en ter terechtzitting d.d. 9 maart 2021.
De getuige verklaarde o.a.: Kromosoeto heeft slechts een voorstel gedaan ten aanzien van de royalty’s. Hij is niet zozeer betrokken geweest bij de royalty’s die uiteindelijk in pand zijn gegeven bij de CBvS. Kortom het idee komt van Kromosoeto en dit idee is verder uitgewerkt. Ik ben niet bekend, dat de afdeling juridische zaken, met name de persoon van [getuige 2], had geadviseerd dat voor de overdracht van de royalty’s door de Staat aan de CBvS de volgende documenten vereist zijn te weten: een machtigingswet van De Nationale Assemblee; een addendum op de Delfstoffenovereenkomst van 7 april 1994 en een overeenkomst tussen de Staat en de CBvS.

Ter terechtzitting d.d. 09 maart 2021, is voornoemde getuige geconfronteerd met verdachte HAUSIL en persisteert hij bij wat hij eerder in het vooronderzoek heeft verklaard.

III. De pv’s van verhoren van getuige [persoon 4] opgemaakt door avp [verbalisant 3] dd. 22 jul 2020 en bij de RC 17 aug 2020.
Uit de verklaring van voornoemde getuige blijkt dat, de verdachte HAUSIL aan het juridisch team de opdracht had gegeven om naar mogelijkheden te bekijken hoe de royalty’s van Grassalco aan de CBvS overgedragen moesten worden. “Ik kan mijn niet herinneren wat de exacte opdracht is geweest en ook niet wat het waarom was van deze opdracht. Wij kregen slechts fragmentarisch informatie indien wij een opdracht moesten uitvoeren. Ik weet niet van wie HAUSIL de opdracht heeft gehad die zij aan het team heeft gedelegeerd. Wat ik wel weet is dat deze opdracht betrekking had op het Ministerie van Financiën en de CBvS. Vanaf ons bezoek in België hebben wij kennis genomen van overdracht van royalty’s aan de Bank. Toen had ik het niet als zodanig begrepen wat het doel precies was. Op enig moment kregen wij van HAUSIL een e-mail waarin zij vroeg om advies uit te brengen en als ik mij niet vergis moest het zelf dezelfde dag nog gebeuren. Ik weet niet waarom we binnen korte tijd advies moesten uitbrengen. Er waren twee meningen in de werkgroep. Het team van [getuige 2] was van mening dat inderdaad de drie voorgenoemde zaken in orde gemaakt moesten worden voordat de royalty’s konden worden overgedragen. Nadat HAUSIL kennis had genomen van de notitie van het team van [getuige 2] heeft zij in een e-mail te kennen gegeven dat moest worden uitgekeken naar andere mogelijkheden en dat ik naar aanleiding van informatie van de minister van financiën op de hoogte ben van wat er moet gebeuren. HAUSIL had mij in dit kader een app toegezonden van de minister Hoefdraad van financiën waarin hij uitleg gaf over wat er met de royalty’s moest gebeuren en dat er brieven opgesteld moesten worden. Uit het app bericht welke ik beluisterd heb van Hoefdraad begrijp ik wel dat hij kennelijk wel iets hiermee te maken heeft gehad.

Ik weet niet of het voorstel van [persoon 18] is geaccepteerd en of er uitvoering aan is gegeven. Ik ben thans ermee eens, dat ik niet op grond van de brief van [persoon 18] ervan mocht uitgaan dat de royalty’s zonder wetswijziging konden worden overgedragen aan de CBvS. Dit omdat mij ook niet duidelijk is geworden of uitvoering is gegeven aan het voorstel [persoon 18]. Nadat ik de uiteindelijke overeenkomst (1 nov 2019) tussen de Bank en de Republiek Suriname heb mogen inkijken, kom ik tot de conclusie dat ik niet de indruk heb dat de brief van [persoon 18] dezelfde strekking heeft als de overeenkomst. Als ik eerlijk naar mezelf toe ben kan ik zeggen dat ik terzake de royalty’s enkele zaken over het hoofd heb gezien. Echter is dit een onbewuste fout die ik gemaakt heb.

IV Verklaring van de verdachte HAUSIL t.a.v. Feit III A. betreffende de Royalty overeenkomst, afgelegd bij de politie, de RC en ter terechtzitting.
Verdachte geeft aan dat de royalty’s zouden toekomen aan de CBvS waarmee een aflossing zou plaatsvinden van de lopende rekening. Voorts dat Artikel 3 van de overeenkomst tussen de Republiek Suriname en de CBvS waarbij de royalty’s aan de CBvS zijn overgedragen bepaalt dat:
“uit de aan de Bank afgedragen inkomsten worden alle schulden die de Staat heeft bij de Bank afgelost, alsmede de overschrijding op lopende rekeningen.” Als door de RC aan de verdachte wordt voorgehouden dat daaruit niet blijkt dat de royalty’s slechts bedoeld waren voor aflossing van de lopende rekening verklaart verdachte: “Ik heb de overeenkomst kunnen inkijken en merk inderdaad wat u mij voorhoudt. Echter weet ik niet of dit het concept is wat ik heb voorbereid.”

Bij het confronteren van de verdachte HAUSIL met de e-mail wisseling d.d. 26 en 27 september 2019 met als onderwerp “RE: Royalty’s Grassalco” tussen de verdachte HAUSIL, [persoon 4], [persoon 6], ANGNOE Ashween (abusievelijk) en [getuige 2]: de mail gaat over de afdracht van de royalty’s aan de CBVS ter aflossing van de langlopende lening. Daarbij verklaart verdachte: Deze mail gaat over de afdracht van de royalty’s aan de CBVS ter aflossing van de langlopende lening. De essentie van deze mailwisseling is dat er o.a. een machtigingswet moest komen voor de afdracht van de Royalty’s aan CBvS”. Ik ben bekend met deze e-mail wisseling. Ik heb aangegeven, dat men out of the box moest denken om werkbare oplossingen voor te dragen, omdat ik het voorbeeld van ex-minister van Financiën, [persoon 3], en de toenmalige governor, [persoon 18], kende. Hierbij waren ook de royalty’s overgedragen aan de CBvS door middel van briefwisseling. Verdachte verklaart verder: ”Ik ben op geen enkel moment in kennis gesteld dat de royalty’s tot doel hadden om geld uit te betalen aan de Staat. Dat zegt de overeenkomst ook niet. De datum van de royalty overeenkomst is 01 november 2019. Toen had ik al begrepen dat de brieven van 26 juni 2019 en 20 september 2019 met betrekking tot de panden al waren uitbetaald door de Bank. Om deze reden heb ik dan ook aangegeven, dat de royalty’s bedoeld waren voor het aflossen van alle schulden van de Staat. Nu kan ik mij dit weer herinneren. Toen [persoon 1] de mededeling aan mij deed dat de CBvS geld had betaald aan de Staat voor de panden, was het voor mij duidelijk dat de royalty’s dan moesten worden gebruikt voor het aflossen van alle schulden van de Staat. Ook uit deze overeenkomst zou er geen betalingsverplichting van de CBvS voor de Staat ontstaan.

Schriftelijke bescheiden

1. Het e – mail bericht afkomstig van Kromosoeto verstuurd naar Hoefdraad en Van Trikt, waarbij laatstgenoemde op 10 juni 2019 het bericht heeft ge-forward naar HAUSIL. In voormeld email bericht doet Kromosoeto voorstellen m.b.t. verkoop van panden, Royalty’s en een of meer natuurreservaten in Suriname (Feit III)

2. Het e – mailbericht afkomstig van HAUSIL, gedateerd 22 juni 2019 en gericht aan Hoefdraad en Van Trikt, waaruit blijkt dat zij aan de 2 voornoemde verdachten een conceptbrief heeft doen toekomen in het kader van eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBvS, ter verrekening van de langlopende schuld. In dit mailtje geeft zij aan dat SPSB heeft voorgesteld dat zij de restauratie ter hand willen nemen, echter stelt zij voor dat de Bank hierin het voortouw neemt.(Feit I)

3. Het e – mailbericht d.d. 22 juni 2019 met een conceptbrief opgemaakt t.b.v. Hoefdraad, afkomst van HAUSIL en gericht naar Van Trikt, waarbij 6 panden ter schuld verrekening (SRD 2.3 miljard schuld) aan de CBVS worden aangeboden.(Feit I)

4. Het e – mail bericht van 29 december 2019, welke HAUSIL stuurt naar VAN TRIKT met als onderwerp “2de tranche gebouwen”. Hieruit blijkt dat de verdachte HAUSIL nauw betrokken is geweest bij de uitvoering van de aankoop van de panden door de CBvS en geeft zij ook toe dat er bij de aankoop van de panden sprake is van Monetaire Financiering en dus in strijd gehandeld met de Bankwet.
Feit, dat de CBVS zaken heeft gedaan met niet integere personen. Vermoedelijk doelende op PUTTER, die ook in opspraak is geraakt in de corruptie zaak van de SPSB. (Feit I)

5. Het e – mail bericht d.d. 29 december 2019. verstuurd door HAUSIL naar Van Trikt:
In de memo “analyse van de opgestuurde documenten van notaris Ramautar” schets HAUSIL een beeld van de stand van zaken t.a.v. de 2de tranche gebouwen en komt met een oplossingsmodel. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte HAUSIL begrijpt dat het voor haar problematisch wordt indien de strafbare feiten rond de aankoop van de panden bekend worden. Ook blijkt dat de verdachte HAUSIL ter voorkoming hiervan bepaalde adviezen geeft, die van de Directeur Legal Compliance and International Affaires niet verwacht wordt. Bovendien geeft zij daarbij zelf toe, dat PUTTER discutabel is omdat hij wordt genoemd in de SPSB schandaal en desondanks een constructie bedenkt om dat te omzeilen. Echter zwijgt zij over Kromosoeto terwijl zij uit hoofde van haar RvC lidmaatschap bij de CLAD wist dat er een onderzoek gaande was naar malversaties van die Kromosoeto als directeur van de SPSB. (Feit I)

6. De Brief wisseling tussen Minister van Financiën Hoefdraad en Van Trikt R m.b.t. eerste en tweede tranche.
• Het eerste schrijven (1ste tranche) afkomstig van Min Fin dateert van26 juni 2019 waarbij hij 8 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 45.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 7 nov 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 45 miljoen ter beschikking moet worden gesteld van het Min Fin. (FEIT I)

• Het eerste schrijven (2de tranche) afkomstig van Min Fin dateert van 20 sept 2019 waarbij hij 9 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 60.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 3 dec 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 60 miljoen ter beschikking te stellen van het Min Fin. (FEIT I)

7. Betalingsoverzicht voor de panden op 28 juni 2019; 20 september2019 en 24 september 2019. Totaal SRD 869.055.000,00

8. De e – mail van 27 september 2019 afkomstig van [getuige 2] en verstuurd naar HAUSIL waarin zij wordt geadviseerd om vooruitlopend op de overdracht van de Royalty’s de navolgende zaken ter hand te nemen, namelijk een machtigingswet; een addendum op de Delfstoffen overeenkomt en een overeenkomst tussen de Staat en de Bank.(Feit III) en zij dit advies naast zich neerlegt.

9. De e – mail 27 september 2019 bericht HAUSIL verstuurd naar het Juridisch team/[getuige 2]. Echter, legt HAUSIL dit voorstel van [getuige 2] naast zich neer. HAUSIL geeft vervolgens aan de juristen die het negatief advies hadden uitgebracht aan om ”out of the box ”te denken (term welke zij heeft overgenomen van medeverdachte Hoefdraad,). Dit geeft aan en laat geen twijfel dat zij de intentie had om de wil van medeverdachte Hoefdraad door te drukken, waarbij de ovk tot stand is gekomen. Als gevolg van het voorgaande is in stede van een schuldverrekening, juist 2.2 miljard getrokken door de medeverdachte Hoefdraad bij de CBVS (monetaire financieren.) (Feit III)

10. De Royalty Overeenkomst dd. 1 november 2019: Het is de verdachte HAUSIL die de opsteller van deze overeenkomst is geweest, ondanks er negatief advies was uitgebracht door de juridische afdeling (Team [getuige 2]). (Feit III)

11. Een betalingsoverzicht SRD 2.2 miljard afkomstig van de CBvS. Voormeld bedrag is overgemaakt op een rekening van Min Fin bij de CbvS.

12. De notulen van de CLAD zoals vastgelegd in het vierde vervolgdossier op het aanvullend dossier van 15 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte HAUSIL op voordracht van medeverdachte –toen minister van financiën- Hoefdraad en zonder schriftelijke toestemming van de toenmalige governor van de CBvS- VAN TRIKT- lid was van de RVC van de CLAD. Voorts blijkt dat de verdachte HAUSIL als RVC lid dien op 10 juni 2019 reeds kennis droeg dat medeverdachte KROMOSOETO onderwerp van onderzoek is bij de SPSB en was het voor haar geen belemmering om t.b.v. HOEFDRAAD met de mail van Kromosoeto aan de slag te gaan.

Het juridisch kader ten aanzien van de ten laste gelegde onder de Feiten IA en IIIA (medeplegen tot overtreding van 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht).

In artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-Corruptiewet wordt bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem/haar in strijd met een wettelijk voorschrift handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het betreft namelijk de publieke functionaris aan wie terzake, beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.

Dat de verdachte HAUSIL geen publieke functionaris als bedoeld in voornoemde wet, doet niets af aan de strafbaarheid als deelnemer aan overtreding van artikel 13 van de Anticorruptie-wet ook strafbaar. Ter adstructie hiervan het volgende.

Vast staat dat de verdachten HOEFDRAAD als gewezen minister van financiën en VAN TRIKT als gewezen governor van de CBvS publieke functionarissen waren als bedoeld in artikel 13 van de Anticorruptie wet en is voornoemde wet dan ook van toepassing op voornoemde verdachten. Omdat artikel 13 lid 1 een kwaliteitsdelict is, is het niet van toepassing op een persoon, die niet de hoedanigheid heeft van een publieke functionaris. Echter biedt de wet (Wetboek van Strafrecht) wel de mogelijkheid om personen die niet over een bepaalde kwaliteit beschikken, zoals verdachte HAUSIL, als deelnemers aan die kwaliteitsdelicten strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Het betreft de uitleg op het Surinaams strafrecht artikel 75, welke bepaling identiek en eensluidend is aan artikel 50 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht. Met dit artikel heeft de wetgever beoogd, om zeker te stellen dat de persoonlijke omstandigheden van deelnemers aan een strafbaar feit alleen van invloed kunnen uitoefenen in straf-uitsluitende, straf-verminderende en strafverzwarende zin ten aanzien van de deelnemer (dader of medeplichtige) die het persoonlijk betreft. Voorts is het bekend dat volgens het leerstuk van deelneming er sprake is van zowel medeplegen als medeplichtigheid aan een kwaliteitsdelict, ook indien één der daders niet de kwaliteit bezit. (in casu de publieke functionaris/Governor).

In Tekst en Commentaar. (Cleiren e.a.) 5e druk pg 335; 360 en 361.) (uitleg artikel 50 Wetboek van Strafrecht Nederland) staat het volgende: “Kortom wordt door literatuur gesteld dat bij een kwaliteitsdelict is het bezit van een bepaalde kwaliteit vereist. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict dat door een ander wordt gepleegd, hoeft niet zelf in het bezit te zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft; bij medeplegen hoeft slechts 1 van de medeplegers de kwaliteit te bezitten. (HR 21 april 1913, NJ 1913.pg 961)” zie ook uitspraak HR. ECLI: NL: HR:2006: AU9096 “De opvatting is onjuist dat een kwaliteitsdelict niet kan worden mede gepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit, mist” .

De kantonrechter is daarom van oordeel dat voor wat betreft de verdachte HAUSIL zij zowel voor medeplegen als medeplichtigheid aan een kwaliteitsdelict strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kan worden. Nu is aangetoond dat artikel 13 van de anti corruptie wet wel van toepassing op de verdachte HAUSIL, wordt verwezen – voor wat betreft de strafwaardigheid ex artikel 13 Anti-corruptiewet – naar pag. 46 van de MvT m.b.t. art 13 lid 1 Anti-corruptiewet waarin heel duidelijk en helder het volgende wordt vermeld: Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het betreft hier dus de publieke functionaris aan wie terzake beslissings- of handelingsbevoegdheid (in casu de medeverdachte VAN TRIKT, als president van de CbvS) is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. De uitleg van dit artikel door de wetgever, is helder en duidelijk en niet vatbaar voor meerdere interpretaties.

Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat waar er in de tenlasteleggingen staat vermeld “in strijd met een wettelijke voorschrift” duidt op in strijd te hebben gehandeld met artikel 18 van de Bankwet.

De handelingen die voormelde strijdigheid opleveren:
Toelichting projecten Project Prodigy “Valuation of the Assets of the Government of Suriname & Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname participating and investment company in het kader van transacties verricht voor de1ste en 2de tranche panden (Feit I)

De overeenkomst “Project Prodigy Valuation of the Assets of the Government of Suriname” is van 10 mei 2019 en is op dezelfde dag ondertekend door VAN TRIKT (CBVS) en BUYSSE, Hans (CLAIRFIELD BENELUX). In deze overeenkomst is er aangegeven, dat de CBVS mogelijkheden onderzoekt om een waardering te verkrijgen van alle belangrijke activa en participaties vallende onder het aandeelhoudersbeleid van de Staat en is CLAIRFIELD BENELUX daarbij om ondersteuning heeft gevraagd. Voorts, dat aan CLAIRFIELD BENELUX wordt gevraagd om als financieel adviseur op te treden t.a.v. de analyse van de belangrijke bezittingen en participaties die de CBVS voornemens was uit te voeren in samenwerking met haar toezichthoudende minister (zijnde de Minister van Financiën) binnen het kader van het aandeelhoudersbeleid van de Surinaamse overheid.

Eén van de onderdelen van voornoemde twee projecten heeft betrekking op de overheidsgebouwen. De gewezen Minister van Financiën, de medeverdachte HOEFDRAAD heeft informatie geput uit de projecten en daarvan gebruik gemaakt en zo samen met zijn mededaders een constructie bedacht om zeventien (17) overheidspanden “te verkopen” aan de CBVS. De Minister van Financiën heeft twee brieven gericht aan VAN TRIKT (toen als governor) waarin hij aangeeft de desbetreffende overheidspanden “over te dragen” aan de CBVS voor een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening.

Deze tekst is in strijd met de werkelijkheid omdat VAN TRIKT (als governor) in twee brieven aan de Minister van Financiën praat over het “aankopen van de overheidspanden”. Ten tweede heeft er nimmer een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening plaatsgevonden, integendeel heeft VAN TRIKT aan de minister van Financiën uitbetaald met middelen van de CBVS, namelijk een totaal bedrag van Euro 105 miljoen. De Minister van Financiën heeft in samenwerking met VAN TRIKT de volledige geschatte marktwaarden van de overheidspanden ontvangen en is het niet anders dan dat VAN TRIKT in strijd heeft gehandeld met artikel 18 van de Bankwet, in ieder geval een wettelijk voorschrift als bedoeld in het eerste lid van artikel 13 Anti-corruptiewet.

Korte uiteenzetting van de aangeschafte panden door de CbvS

De eerste tranche panden
Volgens een schrijven van de Minister van Financiën aan de CBVS d.d. 26 juni 2019 behoren de volgende panden toe aan de Staat:
1. Ministerie van Financiën (Tamarindelaan br. No. 3)
2. Ministerie van Financiën (Oud gebouw afdeling Thesaurie Inspectie – Mr. Dr. J. C. De Mirandastraat br. No 17)
3. Ministerie van Financiën (Oud gebouw afdeling Economische aangelegenheden – Onafhankelijkheidplein)
4. Ministerie van Justitie en Politie (Oud KKF gebouw – Mr. Dr. J. C. De Mirandastraaat br. No. 6)
5. Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (Waterkant br. No. 30 – 32)
6. Ministerie van Regionale Ontwikkeling (Roseveltkade br. No. 2)
7. Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond – en Bosbeheer (Cornelis Jongbawstraat 10-12)
8. Het gebouw van de Nationale Loterij aan de Keizerstraat.

In het schrijven waarin deze panden worden opgesomd, geeft de medeverdachte HOEFDRAAD aan, dat deze panden een geschatte marktwaarde hebben van Euro 45, 000,000 (vijf en veertig miljoen Euro) daarbij is er ook een missive van de Raad van Ministers d.d. 15 november 2019 ondertekend door de voorzitter van de Raad van Ministers, de Vice President, Dr. Ir. ADHIN, A. Echter, ontbreekt er een resolutie van de President.

De 2de tranche- waarvan 8 van de 9 panden toebehoren aan PUTTER
Volgens het schrijven van de Minister van Financiën aan de CBVS d.d. 20 september 2019 (2de schrijven) betreft het:
1. Hoofdkantoor Ministerie van Financiën – S.M. Jamaludinstraat 26 (toebehorende aan Putter)
2. Directoraat Financiën – J.D. Gomperstraat 03 (toebehorende aan Putter)
3. Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 51 (toebehorende aan Putter
4. Parking Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 36 (toebehorende aan Putter)
5. Directoraat Ontwikkeling financiering – Henk A.E. Arronstraat 36 toebehorende aan Putter)
6. Gebouw t.o. Belastingkantoor (Adviseur Min) – Van Sommelsdijkstraat 34 (toebehorende aan Putter)
7. Belastingkantoor – Van Sommelsdijk 27 (van de Staat)
8. Directoraat Belastingen (Oud -BDO gebouw) Kerkplein 12 (toebehorende aan Putter)
9. Het Nationaal Informatie Instituut (ABC gebouw) – Mahonylaan 55.(toebehorende aan Putter)

In het schrijven waarin deze panden worden opgesomd wordt door medeverdachte HOEFDRAAD, vermeld dat deze panden een geschatte marktwaarde hebben van Euro 60, 000,000 (zestig miljoen Euro). Uit het onderzoek is gebleken, dat deze panden nimmer zijn getaxeerd. Ook ontbreekt er een missive van de Raad van Ministers, alsook een resolutie van de President.

Een uiteenzetting van betalingen gedaan door de CBvS aan het Ministerie van Financiën m.b.t. de 1ste en 2de tranche panden.
De betalingen voor de panden hebben op de navolgende dagen plaatsgevonden, namelijk
• 28 juni 2019 ———————– SRD 377. 955.000,00
• 20 september 2019 ————– SRD 220.000.000,00
• 24 september 2019 ————– SRD 271.100.000,00
—————————————————————————-——-
Totaal —————————— SRD 869. 055. 000, 00, –
Het totaalbedrag komt voor op de verkorte balans van de CBVS onder de post “Gebouwen en Inventaris” en medeverdachte VAN TRIKT heeft hiervoor autorisatie verleend middels twee afzonderlijke schrijven.

• Met betrekking tot de 1ste tranche panden, die zijn genoemd in het eerste schrijven (d.d. 26 juni 2019) van de Minister van Financiën is er een missive van de Raad van Ministers d.d. 15 november 2019 ondertekend door de voorzitter van de Raad van Ministers, de Vice President, Dr. Ir. ADHIN, A. met andere woorden heeft medeverdachte HOEFDRAAD gehandeld (geld getrokken van de 1ste tranche panden) voordat er een missive was, althans toestemming had van de regering. Ook heeft medeverdachte HOEFDRAAD zich niet gehouden aan de zogenoemde gemaakte afspraken van schuldverrekening, zoals vervat is in het schrijven dd. 26 juni 2019 en de missive van 15 november 2019.

• Met betrekking tot de 2de tranche panden, die zijn genoemd in het tweede schrijven (d.d. 20 september 2019) van de Minister van Financiën ontbreekt er een missive van de Raad van Ministers, alsook een resolutie van de President van de Republiek Suriname. Uit het onderzoek is gebleken, dat deze panden genoemd in de tweede brief niet in eigendom aan de Staat toebehoren, maar staan op naam van de navolgende stichtingen en naamloze vennootschappen, namelijk Stg. SATURNUS; Stg. KWATAKAMA; Stg. REDI OEDOE; Stg. WAWONA; Stg. HERITAGE SURINAME 2011; LESCOMP N.V. – met als bestuurder Investment Partner NV- en FORCE ONE SECURITY N.V. met Putter Paul geb. 17 mei 1949, Amsterdam Nederland als enig bestuurslid. Putter Paul is ook enig bestuurslid van Investment Partners.

• Uit het voorgaande is komen vast te staan dat de verdachte HAUSIL nauw betrokken is geweest en samen met haar mededaders handelingen heeft verricht -t.w. als hoofd Legal van de CBvS overeenkomsten heeft opgesteld waarin haar ideeën en voorstellen en juridische adviezen zijn uitgewerkt, die geleid hebben tot de aankoop van en de overname van zeventien panden, althans één of meer onroerende goederen, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173.

Toelichting Project Lagarde 1 “Valuation and Fairness opinion RGM Royalty Structure (Feit III A).
Deze overeenkomst is van 9 september 2019. Daarin is aangegeven, dat de CBVS momenteel een mogelijkheid bekijkt om een waarderings- en billijkheidsadvies te verkrijgen van de royalty rechten uit Rosebel Goldmines N.V. en ondersteuning heeft gevraagd van CLAIRFIELD BENELUX N.V. Verder, dat CBVS zulks in samenwerking met de Surinaamse Overheid wil uitvoeren om te komen tot een schuldsanering. Daarbij worden de volgende punten aangehaald, namelijk:
• De Surinaamse Overheid en de CBVS hebben hun interesse getoond met betrekking tot het in zekerheid plaatsen van royalty rechten vanuit Rosebel Goldmines N.V. die in bezit zijn van de Surinaamse Overheid en momenteel gealloceerd aan Grassalco.
• Voorgesteld wordt om dit royalty recht van 6,5% voor 10 jaren in zekerheid te plaatsen bij de CBVS
• De Surinaamse overheid zal in ruil de geldswaarde van deze rechten ontvangen
• De waardering zal worden gebaseerd op de verdisconteerde kasstroommethode en gecontroleerd met verscheidene andere methoden.
• De opbrengst van de zekerheid zal worden gebruikt om de schuld van de Surinaamse Overheid af te lossen.

Deze overeenkomst (LAGARDE I) is op 18 september 2019 ondertekend door medeverdachte VAN TRIKT, Robert (toen als Governor van de CBVS). Medeverdachte VAN TRIKT heeft bij de politie verklaard, dat hij deze overeenkomst in afstemming met de gewezen Minister van Financiën, HOEFDRAAD, G (medeverdachte) heeft ondertekend. Op 01 november 2019 wordt er tussen de Minister van Financiën HOEFDRAAD, G en VAN TRIKT (medeverdachten) een overeenkomst ondertekend waarin het volgende wordt vastgelegd, namelijk dat de Staat ingaande 01 november 2019 voor de duur van 15 jaar en wel tot 01 november 2034 zijn royalty’s die Grassalco N.V. verkrijgt van IAM GOLD voortvloeiend uit de Delfstoffenovereenkomst d.d. 7 april 1994 afdraagt aan de CBVS. In de overeenkomst staat duidelijk vermeld, dat uit de aan de CBVS afgedragen inkomsten alle schulden die de Staat heeft bij de CBVS worden afgelost, alsmede de overschrijding op lopende rekeningen.

Met andere woorden betreft dit geen leenovereenkomst, maar een overeenkomst waarin de Staatschuld (SRD 2,3 miljard) wordt afgelost met de Royalty’s. In deze overeenkomst staat er ook een (heel belangrijke) clausule, namelijk dat de overeenkomst in werking treedt op het moment van ondertekening door beide partijen wat ook is geschied en kan deze overeenkomst schriftelijk na wederzijds instemming worden gewijzigd.

De overeenkomst van 01 november 2019 (tussen de Minister van Financiën en de CBVS) is in opdracht van medeverdachte VAN TRIKT en in afstemming met de medeverdachte HOEFDRAAD, G opgemaakt door verdachte HAUSIL F. (directeur Legal Compliance and Internal Affaires bij de CbvS). Eerder genoemde medeverdachten hebben aan de verdachte HAUSIL instructies gegeven hoe de overeenkomst er inhoudelijk moest uitzien. Medeverdachte VAN TRIKT heeft bij de politie aangegeven, dat HOEFDRAAD de informatie voor deze overeenkomst heeft gehaald uit het resultaat van project Lagarde I. Uit het onderzoek is gebleken, dat enkele delen uit genoemde Lagarde I overeenkomst daadwerkelijk terug in de overeenkomst van 01 november 2019, welke door verdachte HAUSIL werd opgesteld. Ondanks er negatief advies was uitgebracht door het juridisch team van de juridische medewerker [getuige 2], werd het proces m.b.t. de totstandkoming van deze overeenkomst doorgedrukt door verdachte HAUSIL. Het advies van het juridisch team van [getuige 2] luidde als volgt:

Dat er voor het aangaan van voormelde overeenkomst tot nadere wijziging en aanvulling op de Delfstoffenovereenkomst de dato 7 april 1994 (SB 1994 no 22 gewijzigd bij SB 2002 no115) de vereiste machtiging moest zijn verleend door De Nationale Assemblee en dat die machtiging bij wet in het Staatsblad van de Republiek Suriname moest zijn afgekondigd. Hieromtrent wordt verwezen naar de eerder opgesomde getuigenverklaring van [getuige 2] en een mail door hem verzonden d.d. 26 september 2019 omstreeks 05.02 PM uur. Echter, legt HAUSIL dit voorstel naast zich neer (mail 27 september 2019 omstreeks 09.15 uur). Zij geeft per mail ook aan, dat medeverdachte HOEFDRAAD toen als minister van Financiën, kenbaar heeft gemaakt, dat de weg van wetgeving niet werkbaar is en dat men “out of the box” moest denken. Kortom de totstandkoming van de overeenkomst dd 1 november 2019 is op aandringen van de medeverdachte Hoefdraad doorgedrukt door verdachte HAUSIL.

Op grond van de overeenkomst van 01 november 2019 en tegelijkertijd ook in strijd met hetgeen in deze overeenkomst is opgenomen, blijkt dat medeverdachte HOEFDRAAD in samenspraak met VAN TRIKT op vijf (5) verschillende dagen in totaal SRD 2.216.729.120, 00,- (2.2 miljard) blanco en ongedekt heeft getrokken bij de CBVS. Te weten:

  • SRD 500. 000.000, 00, – op 07 november 2019;
  • SRD 500. 000.000, 00, – op 12 november 2019;
  • SRD 400. 000. 000, 00, – op 19 december 2019;
  • SRD 205. 996, 67, – op 9 januari 2020 en
  • SRD 143. 523.123, 33, – op 26 februari 2020. (na vertrek van VAN TRIKT bij de CBvS)

Door de verdachte HAUSIL is verder vermeld dat de Royalty overeenkomst van 1 november 2019 draagvlak heeft naar het model c.q. idee van gewezen governor [persoon 18] en gewezen minister van Financiën [persoon 3], echter wordt dit laatste tegengesproken door getuigen [persoon 4] en [getuige 2], kortheidshalve wordt verwezen naar de verklaringen afgelegd door deze twee getuigen bij de rechter commissaris i.h.k.v. het GVO. Uit het GVO is komen vast te staan dat de strekking van het model van [persoon 18] en [persoon 3] niet het zelfde is als de reeds tot stand gekomen overeenkomst van 1 november 2019. Kortom er is een wezenlijk verschil tussen voornoemde overeenkomst en het model van [persoon 18] en [persoon 3].

Dat verdachte HAUSIL steeds het belang van medeverdachte HOEFDRAAD heeft gediend ten koste van de CBVS blijkt ook uit de e – mail wisseling tussen haar en [persoon 4]; [persoon 6]; ANGNOE, Ashween (abusievelijk) en [getuige 2] de d.d. 27 september 2019 met als onderwerp “RE: Royalty’s Grassalco”. Deze mail gaat over de afdracht van de royalty’s aan de CBVS ter aflossing van de langlopende lening. Aan de hand van deze mail blijkt wederom, dat verdachte HAUSIL doende is geweest mee te werken om met royalty’s dezelfde langlopende lening af te lossen. Net als bij de panden heeft er ook bij deze constructie monetaire financiering plaatsgevonden m.n. is er ongedekt geld in totaal meer dan SRD 3 miljard in omloop gebracht. Gevolg financiële benadeling van de CbvS, alsook de economie en de burgers van Suriname.

Door medewerking van HAUSIL aan de hiervoren vermelde overeenkomst zijn trekkingen gedaan door de verdachte HOEFDRAAD en gefiatteerd door de verdachte VAN TRIKT alles in strijd met de artikelen 18 lid 1 en 21 van de Bankwet. (BLANCO KREDIET/VOORSCHOT)

In onderhavige zaak is er sprake van Grand Corruption: “ consists of acts, committed at a high level of government that distort policies or the central functioning of the state, enabling leaders to benefit at the expense of the public good.” (zie Transparancy International, geraadpleegd op 1 juli 2015, van http:// www. Transparancy.org/glossary/term/corruption).

Volgens geraadpleegde literatuur zijn er zes factoren en condities die een organisatie kunnen behoeden voor onregelmatigheden:
a) Een gezonde organisatiestructuur en in het bijzonder een (eerlijke) verdeling van werk
b) Direct contact tussen het topmanagement en de werkvloer ter vergroting van de kans op ontdekking (transparantie)
c) De aanwezigheid van een specifiek integriteitsbeleid (regels)
d) De strengheid, duidelijkheid en correctheid van leidinggevenden (toezicht)
e) Voorbeeldgedrag en betrouwbaarheid van de leiders
f) Een groepscultuur, met onderling vertrouwen en de cultuurethiek.

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn bovengenoemde factoren en condities niet (duidelijk) uit de verf gekomen in de organisatiecultuur waar verdachte werkte, blijkende dit uit de bewijsmiddelen die zijn vervat in de processen – verbaal van de politie, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Bij corruptie is de context van het corrupt handelen en de gelegenheid die door de organisatie wordt geboden van belang. Er zijn drie voorwaarden nodig voor het plegen van het delict namelijk: een gemotiveerde dader, een aantrekkelijk doelwit en weinig of geen toezicht. Wanneer een duidelijke omschrijving van good en bad policing ontbreekt, blijft het onduidelijk wat er wordt verwacht. Medewerkers weten niet meer wat is toegestaan en gaan vervolgens de grijze vlakken zelf invullen. Bovendien brengen bepaalde functies een zekere mate van status en macht met zich mee. Het is die macht, en het vertrouwen in de bekleder van die macht, die misbruikt wordt ten eigen bate. Het beroep brengt als het ware een eigen gelegenheidsstructuur met zich mee. De handelingen die door verdachte en haar mededaders zijn gepleegd worden vergeleken met een slechte boomgaard, een institutionele context waar de organisatie, het soort werk en de werkcultuur een belangrijke rol hebben gespeeld. Bij corruptie falen zowel de individuen als de organisatie: de organisatie creëert de gelegenheid om corruptie te plegen. Werknemers hebben veelal hun gedrag aangeleerd via (non) verbale communicatieprocessen in een omgeving waarin anti – sociaal gedrag ook veel voorkomt: het is ieder voor zichzelf en getuige dit ook op grond van de verklaringen bij de rechter – commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek afgelegd, het gebrek aan verantwoordelijkheid en adequaat toezicht door de toenmalige Raad van Commissarissen bij de Centrale Bank van Suriname. Mede daardoor hebben verdachte en haar mededaders zich de behoeften en (morele) opvattingen en vaardigheden eigen gemaakt die het plegen van corruptie bevorderen. Ook persoonlijkheidskenmerken kunnen corrupt gedrag bevorderen: de behoefte aan geldingsdrang, aan macht over de omgeving, een bepaalde mate van hebzucht, het handelen onder druk van anderen en thrill seeking, de sterke behoefte om bij anderen gezien te worden en belangrijk geacht cq erkend te worden of een sterke loyaliteit aan opdrachtgevers om bij hun in de gunst te vallen.

De kantonrechter verwijst naar de hieronder nader te noemen toetsstenen / variabelen op mesoniveau en op microniveau; toetsstenen om corruptie in instituten die bemand worden door publieke functionarissen en hun medewerkers te kunnen herkennen. De CBvS heeft in de periode waar verdachte en haar mededaders hebben gewerkt, gefunctioneerd als een corrupt orgaan vanwege de corruptieve handelingen die door verdachte en haar mededaders zijn gepleegd. De genoemde variabelen op meso en micro niveau waren voor een groot deel aanwezig waren om te komen tot de vaststelling van corruptie die door verdachte en haar mededaders zijn gepleegd. Deze variabelen zijn ook belangrijke toetsstenen om na te gaan of er sprake is van good governance van instituten die bemand worden door publieke functionarissen en/of hun medewerkers.

De variabelen op mesoniveau zijn:
1. Leiderschap waarbij de rol van de leidinggevende centraal staat. De leidinggevende:
a) geeft niet het goede voorbeeld en is niet bepaald een integere leider;
b) is onduidelijk over wat is toegestaan;
c) spreekt de medewerkers niet aan op regelovertredend gedrag;
d) geeft geen ondersteuning aan integer gedrag

2. Procedures, deze variabele betreft het bestaan en de naleving van wet – en regelgeving en de uitwerking daarvan in procedures. De procedures:
a) Zijn niet schriftelijk vastgelegd;
b) Sluiten niet aan bij de praktijk;
c) Zijn niet gericht op het voorkomen van integriteitsrisico’s;
d) Zijn niet duidelijk;
e) Zijn niet bekend;
f) Worden niet nageleefd door de medewerkers.

3. Controle. Aan de hand van deze variabele wordt nagegaan in hoeverre er sprake is van interne of externe controle. Met de controles:
a) Wordt niet nagegaan of volgens de voorgeschreven procedures wordt gewerkt;
b) Worden medewerkers niet aangesproken op regelovertredend gedrag;
c) Wordt niet opgetreden en bestraft indien wordt afgeweken van de procedures.

4. Organisatiecultuur. Deze variabele gaat over het moraal binnen de organisatie en de groepscultuur. In een niet integere organisatiecultuur: a) gaat men niet zorgvuldig om met elkaar, de middelen van de organisatie en (vertrouwelijke) informatie:
b) ontbreekt onderling vertrouwen en open communicatie;
c) voelen medewerkers zich niet veilig om vragen te stellen als zij strafbare feiten – zoals corruptie – vermoeden;
d) bestaat geen onderling corrigerend gedrag.

5. Integriteitsbeleid. Het gaat hier erom of er binnen de organisatie speciale aandacht is voor het woord integriteit:
a) er zijn geen integriteitsvoorschriften (wettelijke regelingen, gedragscode, vertrouwenspersoon, meldprocedure);
b) de integriteits voorschriften zijn niet bekend bij de medewerkers;
c) medewerkers worden niet gescreend;
d) risicofuncties worden niet benoemd;
e) medewerkers volgen geen integriteits trainingen.

De variabelen op microniveau
1. Persoonlijkheidskenmerken. Er is sprake van een of meer persoonlijkheidskenmerken bijvoorbeeld:
a. Dominant (bijvoorbeeld de eigen wil doordrukken en het advies van medewerkers in de wind slaan)
b. Toename van macht
c. Welbespraakt
d. Overtuigend
e. Megalomaan (op zichzelf gericht)
f. Principeloos
g. Onverantwoordelijk

2. Motieven
a) Eigen voordeel zoeken
b) Macht

3. Rationaliteit van handelen, waarbij er sprake is van een rationele keuze aan de hand van een kosten- en batenanalyse. Corrupte bestuurders en ambtenaren zijn vaak rationale wezens die maximaal profijt nastreven met het eigen belang voorop: zij proberen de instituties in hun eigen voordeel te hervormen door meer macht naar zich toe te trekken. Potentiële daders van corruptie maken een bewuste keuze van de kosten en baten analyse. Zij zijn bereid om corruptie te plegen als zij verwachten dat de opbrengsten groter zijn dan de kosten. “Opbrengsten” staan niet uitsluitend voor financieel gewin, maar ook voor het bereiken van een bepaalde status, aanzien en macht. Het begrip “ kosten” betreft niet alleen de kosten van steekpenningen, maar ook het ingeschatte risico van een lage pakkans ( waar verdachte en haar mededaders bedrogen in zijn uitgekomen) en het risico op een eventueel baanverlies ( als ik niet doe wat mijn meerdere mij opdraag kan ik mijn baan verliezen) of een reputatieschade ( in ga mijn aanzien bij mijn meerderen verliezen als ik niet doe wat zij van mij vragen).

4. Neutralisatietechnieken. De gedragingen worden vooraf en/of achteraf verantwoord door toepassing van een of meer van de volgende neutralisatietechnieken:
a) Ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid
b) Ontkenning van schade of benadeling
c) Ontkenning van slachtoffer(s): niemand is benadeeld. Handelingen gepleegd in het belang van land en volk / ik heb het beste met het land voor/ vaderlandsliefde.
d) Veroordeling van de oordelaars cq degenen die de wantoestanden aan het licht hebben gebracht
e) Verwijzing naar hogere plichten of morele principes: een groot risico genomen, de staat had vele schulden en de CBvS kon de staat niet blijven voorfinancieren, wij moesten de CBvs redden, wij zijn vooruitgelopen op zaken en we hadden er geloof in dat de bankwet zou worden gewijzigd.

De bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten onder II B en IV B van de ten laste legging (medeplichtigheid aan Ambtsverduistering zoals genoemd in artikel 423 en artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht en het juridische kader). Er is sprake van overtreding van artikel 423 Wetboek van Strafrecht als een ambtenaar geld dat is gebudgetteerd voor een specifiek doel voor een ander publiek doel wordt gebruikt, zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 (de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname). De Hoge Raad oordeelde dat van verduistering in de zin van art. 359 Sr Nederland (423 Sr Suriname) sprake is bij onttrekking aan de bestemming van gelden en geldswaardig papier. Voorts beschermt art. 359 Sr.nl. volgens de Hoge Raad het belang van een juiste vervulling van het ambt, ter wille van de integriteit van de openbare dienst, ‘welk belang van een goede taakvervulling gelijkelijk heeft te gelden ten aanzien van de persoon die in persoonlijke dienstbetrekking staat tot zijn werkgever (HR 02-06-2015, ECLI: NL: HR:2015:1449). Volgens de literatuur[1] betekent het niet dat bij verduisteren van geld of geldwaardig papier in de zin van art 423 Sr (eensluidend art 359 Sr Nederland) de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed onttrekt aan zijn bestemming.

In onderhavig geval zijn, met medewerking en in nauwe samenwerking met van de verdachte VAN TRIKT en zijn medeverdachten HOEDFDRAAD en HAUSIL gelden onttrokken bij de CBvS. Deze financiële middelen behoorden toe aan de Centrale Bank van Suriname zelf en waren ter beschikking gesteld voor schuldverrekening, waarbij de bestaande langlopende schulden van de Staat Suriname, weggewerkt zouden worden. Het betoog van de verdediging dat de verdachte VAN TRIKT of de overige medeverdachten de gelden niet te eigen bate heeft/hebben aangewend is niet steekhoudend.
De in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht gestelde eis m.n. dat de dader het goed onttrekt aan zijn bestemming is duidelijk. Hausil hoeft dus niet zelf het voordeel te hebben genoten van de strafbare handeling van ambtsverduistering. Ook de wederrechtelijke toe-eigening is hier geen vereiste en hoeft het geld zelfs niet toe te behoren aan een ander dan aan de ambtenaar[2]. Volgens de literatuur hoeft er ook niet aangegeven te worden vanuit welke rekening die gelden ( in casu bijkans SRD 3 miljard) afkomstig waren.

Gelet op de eerder aangehaalde bewijsmiddelen komt de kantonrechter tot de conclusie dat medeverdachte VAN TRIKT als governor van de CBvS als heer en meester over de op de in beheer zijnde middelen van de CBvS gaan beschikken en deze heeft gebruikt voor doeleinden waarvoor zij niet aangewezen waren. Zo heeft de gewezen governor gelden tot een totaal van 3 miljard Surinaamse Dollars (meer specifiek SRD. 3.069.055.000, -) toebehorende aan de CBvS uitgegeven in de vorm van blanco voorschotten, althans laten verduisteren door medeverdachte HOEFDRAAD toen als gewezen minister van Financiën. Deze handelingen konden alleen gepleegd worden als gevolg van verschillende valse constructies van de verdachte HAUSIL in het kader van de transacties regarderende de 1ste en 2de tranche panden alsook de overeenkomst dd. 1 november 2019 omtrent de Royalty’s onder het mom van zogenaamde schuldsanering.

Verdachte HAUSIL heeft als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij CbvS na gemeen overleg en afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde medeverdachten (VAN TRIKT, ROBERT en HOEFDRAAD, GILLMORE) in strijd met het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, een of meer voorstellen gedaan en juridische constructies bedacht en uitgewerkt, in ieder geval bewust meegewerkt dat procedures werden omzeild en voornoemde medeverdachten tot de aankoop van en/of de overname van zeventien panden, konden overgaan van onroerende goederen, die niet noodzakelijk zijn gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173. Voorts heeft zij een overeenkomst gedateerd 01 november 2019 omtrent de afdracht van de royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de CbvS opgesteld, althans doen opstellen, althans doen opmaken ondanks dat er daartoe een (ongunstige) juridisch advies was uitgebracht om vermelde overeenkomst niet aan te gaan en zonder dat de daarvoor de vereiste machtiging tot het aangaan van voormeld overeenkomst tot nadere wijziging en aanvulling op de Delfstoffenovereenkomst de dato 7 april 1994 (SB 1994 no 22 gewijzigd bij SB 2002 no115) was verleend door De Nationale Assemblee en zonder dat een machtigingswet daartoe in het Staatsblad van de Republiek Suriname was afgekondigd. Kortom de getrokken middelen van circa meer dan 3 miljard, – hebben een ander bestemming gehad, dan waarvoor het bedoeld was.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. Zij is een First Offender en zal hierbij rekening worden gehouden bij het opleggen van de straf.

De kantonrechter is daarbij ook van oordeel dat de omstandigheid dat de getuigen [persoon 1] en [persoon 2] niet vervolgd zijn geworden door het Openbaar Ministerie, niet met zich meebrengt dat verdachte op vrije voeten moet worden gesteld. Het al dan niet vervolgen van personen of organisaties is een perogatief van het Openbaar Ministerie (de monopolie van de vervolging) en zijn deze twee getuigen vooralsnog niet als verdachten aangemerkt door het Openbaar Ministerie. Het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel is daarom niet steekhoudend.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat de bewijsmiddelen niet alleen zijn gebaseerd op de verklaring van de medeverdachte Van Trikt, Robert – Gray die als getuige verklaringen onder ede heeft afgelegd, maar zijn de bewijsmiddelen ook gebaseerd op de verklaringen van andere getuigen zoals in de bewijsmiddelen vervat en op schriftelijk bewijs (documenten). De kantonrechter heeft derhalve geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de door de vervolgingsambtenaar gebezigde bewijsmiddelen.

De strafoplegging
Bij het bepalen van de straf heeft de Kantonrechter rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Gelet op het eerder aangehaalde en in samenhang met de opgesomde bewijsmiddelen kan – tegenover verdachte ‘s ontkenning – vastgesteld worden dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte HAUSIL en haar voornoemde mededaders te weten HOEFDRAAD, G. voornoemd; VAN TRIKT, R. voornoemd, waarbij er duurzaam en in structureel verband is samengewerkt en daarbij wettelijke bepalingen zoals vervat in het Wetboek van Strafrecht, de Anti – Corruptiewet en de Bankwet doelbewust zijn vertrapt, dit voorgaande met het enig oogmerk financiering van de overheidsuitgave ten nadele van de staatsinstelling in deze de moederbank(CbvS), waarbij aan die ernstig financieel nadeel is toegebracht. Verdachte HAUSIL heeft steevast te kennen gegeven dat ze niet op de hoogte was van betalingen/ongedekte verstrekkingen die zijn verricht met betrekking tot de eerste tranche panden, desondanks heeft ze meegewerkt en constructies bedacht zeker bij twee volgende momenten te weten de 2de tranche panden en de Royalty overeenkomst van 01 november 2019. De verdachte HAUSIL had als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires en als juridisch deskundige bij de CBvS, de bank kunnen behoeden van eerder vermelde ongeregeldheden. Ze had als taak om de Bank met de op haar rustende juridische taak te beschermen, doch heeft zij integendeel andere belangen gediend en daarmede de Bank ernstig financieel benadeeld. Zij heeft samen met haar mededaders de anti – corruptiewet en het wetboek van strafrecht overtreden met quasi fiscale handelingen zoals de aankoop van gebouwen door de CBvS, terwijl die – mede vanwege de vervallen staat waarin de gebouwen verkeerde en het feit dat de tweede tranche panden niet stond geregistreerd op naam van de Staat Suriname – er geen enkel belang bij had. Er zijn blanco kredieten verstrekt aan de Staat Suriname en royalty’s van de goudmaatschappij I Am Gold, die in beheer werden gegeven bij de CBvS en anders zijn aangewend dan waarvoor ze waren voorbestemd. Verdachte was wel degelijk op de hoogte van alle handelingen die binnen de bank werden gepleegd en ook als bestuurslid van de Clad wist zij cq had zij behoren te weten dat er reeds zaken misgingen met de door verdachte en haar mededaders gepleegde handelingen waarvan zij worden verweten. De projecten die zijn geïnitieerd en aan het Belgisch bedrijf zijn toegewezen – verdachte heeft de vergaderingen in Belgie ook bijgewoond – konden alleen worden uitgevoerd met toestemming van de regering. Hoefdraad trad op als regeringsvertegenwoordiger in zijn hoedanigheid als minister van Financien en heeft verdachte met haar mededaders de nodige inspanningen gepleegd en handelingen verricht om de staat Suriname te bevoordelen, waarbij de CBvS ernstig werd benadeeld. Verdachte wist als hoof van de juridische afdeling als geen ander dat er bij de CBvS geen voorschotten konden worden opgenomen omdat het leningen plafond van de regering als was bereikt en was overschreden. Nog voordat er een raadsvoorstel door de regering was goedgekeurd, was er een totaal bedrag van meer dan SRD 105 miljoen overgemaakt in twee tranches op rekening van het ministerie van Financien, bestemd voor de aankoop van in totaal 17 panden door de bank. De middelen die waren bestemd voor de schuldverrekening hebben een andere bestemming gekregen en er heeft nooit aflossing van de schulden door de Staat Suriname plaatsgevonden. Verdachte en haar medeverdachten hebben over een lange periode gebruik gemaakt van schijnconstructies om geld te laten opnemen door de gewezen minister van Financien de heer G. Hoefdraad.

De verdachte HAUSIL heeft in het belang van o.a. medeverdachte HOEFDRAAD, G. voornoemd puur gehandeld ten faveure en behoud van haar functie en positie en financieel voordeel dat daarmee gepaard gaat. Daarbij heeft zij het pad van de minste weerstand is gekozen, terwijl zij als hoofd van de juridische afdeling van de CBvS wel degelijk op de hoogte was althans had moeten weten welke nadelige (economische) consequenties haar handelingen en die van haar medeverdachten teweeg konden brengen. Het toebrengen van dergelijke financiële klappen aan een moederbank heeft ernstige gevolgen gehad voor de totale economie en samenleving van Suriname.

Verdachte HAUSIL heeft door haar handelen ook misbruik gemaakt van haar bijzondere vertrouwenspositie als hoofd jurist binnen de Bank. Zij heeft het vertrouwen dat in haar is gesteld in ernstige mate geschaad. Door verdachte en haar medeverdachten is aan de CBvS grote financiële schade toegebracht. Gelet op de hiervoor besproken ernst van de feiten en met name de rol van de verdachte in het geheel, is de Kantonrechter van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Deze straf dient verdachte en anderen duidelijk te maken dat de bewezen verklaarde feiten zeer ernstig zijn en hebben gezorgd voor een geschokte rechtsorde, meer nog, dat door het handelen van de verdachte ernstige schade is toegebracht aan ons economisch stelsel waarvan onze samenleving tot nu toe de gevolgen draagt.

De persoon van de verdachte
Bij de bepaling van de hierna op te leggen straf is er ook gelet op de persoon van de verdachte HAUSIL, zoals een en ander uit het vooronderzoek en ter terechtzitting naar voren is gekomen. De kantonrechter neemt bij het opleggen van de straf mede in aanmerking dat verdachte een First Offender is en niet eerder door de kantonrechter is veroordeeld. Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat verdachte deel is geweest van een luguber en duister spel waarbij zij in een spinnenweb is komen te verkeren door dubieuze opdrachten van haar opdrachtgevers die haar meerderen waren uit te voeren en heeft zij daarbij ook nog de weg van de minste weerstand gekozen in de veronderstelling dat het allemaal wel goed zou aflopen. Verdachte heeft gewerkt in een ongezonde organisatiecultuur die niet beantwoord aan de vereisten van good governance. Zij heeft zich ernstig vergist in het vertrouwen in haar meerderen waarbij het in een goed blaadje bij haar meerderen staan als ze hun dubieuze opdrachten zou uitvoeren en daarvan voordeel zou genieten, ook een grote rol heeft gespeeld. De kantonrechter geeft verdachte voor de toekomst ook een les mee in haar relaties op de werkvloer: liever klein en eervol dan groot en afhankelijk. Prestigekwesties gaan vaak hand in hand met afhankelijkheid van anderen, waarbij er vaak een prijs wordt betaald die ten koste gaat van de integriteit, het zelfrespect en de normen en waarden die van een goede werknemer verwacht mogen worden. Het gedrag van verdachte en haar mededaders heeft grote schade aangericht aan de economische ordening van de maatschappij, waarvan de burgerij het meest te lijden heeft.

Alles afwegende acht de Kantonrechter, mede rekening houdend met het feit dat verdachte een first offender is, een gevangenisstraf toepasselijk op de wijze zoals hieronder is vermeld.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing van de Kantonrechter berust mede op de artikelen 9, 11, 38, 43, 44, 54 van het Wetboek van Strafrecht.

HET BEWEZEN VERKLAARDE
De kantonrechter is van oordeel dat de tenlaste gelegde feiten onder I A, II B, III A en IV B vermeld wettig en overtuigend zijn bewezen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wetttig en overtuigend bewezen en wordt de verdachte daarvan vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hierboven op pagina 28 van dit vonnis is vermeld:
I A (medeplegen van de overtreding van de anti – corruptiewet zoals genoemd en strabnaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de anti – corruptiewet S.B. 2017 no. 8 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht).
II B (medeplichtigheid aan ambtsverduistering zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht)
III A (medeplegen van de overtreding van de anti – corruptiewet zoals genoemd en strafnaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de anti – corruptiewet S.B. 2017 no. 8 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht).
IV B (medeplichtigheid aan ambtsverduistering zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht).

De strafbaarheid van de verdachte
Verklaart verdachte strafbaar.

De beslissing ten aanzien van de straf
• Veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren.
• Bepaalt dat de tijd door de verdachte vόόr de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
• Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete tot een totaal van SRD 100.000,– (honderdduizend Surinaamse Dollar) subsidiar 10 maanden hechtenis.
• Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Kuldip Singh, kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in tegenwoordigheid van A. A. Kalloe LL.B. griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 januari 2022.

De Griffier, De Kantonrechter,

Mw. A.A.KALLOE,fg. Mr. M.V. KULDIP SINGH

 

 

[1] Tekst en Commentaar Strafrecht 10de druk. Pg 1854. Art 359 aant 1. Sr Ned.

[2] Tekst en Commentaar Strafrecht 10de druk. Pg 1855 aant 8.

 

 

 

 

SRU-K2-2022-2

KANTONGERECHT

Vonnisnummer: 54
Datum uitspraak: 31 januari 2022
Tegenspraak
Raadslieden: mr. B. Pick en I.D. Kanhai Bsc.

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

ANGNOE, ASHWEEN RYAN
Geboren op [datum 1] in [district]
Van beroep accountant
Wonende aan de [adres 1] in [district].

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden als hierboven genoemd, advocaten bij het Hof van Justitie.

HET ONDERZOEK VAN DE ZAAK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 juli 2020, 5 oktober 2020, 26 november 2020, 12 januari 2021, 9 februari 2021, 30 maart 2021, 29 april 2021, 6 juli 2021, 29 juli 2021, 17 augustus 2021, 15 oktober 2021, 9 november 2021, 22 december 2021 en 31 januari 2022.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. C. Klein – Jules, van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mr. B. Pick en I.D. Kanhai Bsc. naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING
De dagvaarding voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 242 van het Wetboek van Strafvordering en is derhalve geldig.

DE BEVOEGDHEID VAN DE KANTONRECHTER
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
De verdediging stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vordering omdat:
• de vervolging van verdachte is ingesteld krachtens artikel 13 van de Anti Corruptiewet en de Anti Corruptie Commissie, hierna te noemen de commissie, als bedoeld in artikel 2 van voormelde wet, was nog niet ingesteld ten tijde dat verdachte in verzekering werd gesteld. Er mag niet worden vervolgd alvorens de commissie is ingesteld. De melders ex. artikel 1 van de Anti Corruptiewet kunnen meldingen van misstanden doen bij deze commissie en de commissie kan deze meldingen vervolgens doorgeleiden naar de Procureur – Generaal. De wetgever heeft hiermee beoogd dat geregistreerde gevallen worden onderzocht en dat daarbij rekening wordt gehouden met het opportuniteitsbeginsel. Ten tijde van de brief van 28 januari 2020 was er nog geen commissie ingesteld en hebben de melders zich rechtstreeks gewend tot de Procureur – Generaal. Noch uit het politioneel onderzoek noch uit het GVO is gebleken danwel is komen vast te staan, dat de in de Anti Corruptie Wet genoemde commissie, corruptie heeft vastgesteld en dat er naar aanleiding daarvan een strafrechtelijk onderzoek is verzocht. In casu is derhalve in strijd gehandeld met de Anti Corruptie Wet. De verdediging verwijst ook naar de artikelen 19 en 20 van het door Suriname geratificeerd Anti – Corruptie verdrag en constateert dat de onvolledige Surinaamse Anti – Corruptiewet nimmer als grondslag kan dienen voor de vervolging van verdachte.

• De Anti – Corruptiewet is een lex specialis (bijzondere wet) en de term wettelijk voorschrift in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht heeft noch dezelfde strekking noch dezelfde bedoeling. De term wettelijk voorschrift in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht is een spiegelbeeld van de term wettelijk voorschrift in de Anti – Corruptiewet omdat de term in artikel 65 van het Wetboek van Strafrecht juist de gedraging die een strafbaar feit oplevert, zijn wederrechtelijk karakter verliest. De gedraging in de Anti – Corruptiewet is dus niet in strijd met de wet en aldus is er geen sprake van een strafbaar feit. In artikel 65 van het wetboek van strafrecht wordt juist het handelen gerechtvaardigd. De term ‘wettelijk voorschrift’ in de Anti – Corruptiewet en ook het verdrag, doelen op voorschriften die een verplichting opleggen. De wetgever heeft de term ‘wettelijk voorschrift’ in artikel 13 van de Anti – Corruptiewet niet gedefinieerd. Op grond hiervan dient voor de term ‘wettelijk voorschrift’ een omschrijving te worden gezocht in het bestuursrecht, hetgeen Suriname niet kent. Bij de bestudering van de rechtswetenschap ten aanzien van het onderwerp ‘wettelijk voorschrift’ komt vast te staan dat zowel in de strafrechtelijke benadering als in de bestuursrechtelijke benadering, het ‘wettelijk voorschrift’ een specifiek voorschrift moet zijn m.a.w. het moet bepalingen omvatten, die een taak, verplichting of een bevoegdheid toekennen, waarbij voor de strafrechtelijke benadering de voorschriften die een taak of een verplichting opwerpen slechts als rechtvaardigingsgrond kunnen dienen, van belang zijn.

• De wetgever heeft niet elk verbod dat genoemd is in de Bankwet, strafbaar gesteld en dientengevolge is de noodzaak ontstaan om het verbod in artikel 16 lid 3 en 18 lid 1 en lid 4 van de Bankwet aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Uit de systematiek van de Bankwet volgt dat de verbodsbepalingen in voornoemde artikelen geen strafrechtelijke consequenties dragen of tot gevolg hebben en kunnen de in deze artikelen genoemde verbodsbepalingen slechts worden aangemerkt als bepalingen ter begrenzing van de algemene bevoegdheid aan de CBVS cq de verdachte. Artikelen 16 en 18 van de Bankwet bieden geen strafrechtelijke verhaalsmogelijkheid, daar de norm ontbreekt welke strafrechtelijk beschermd danwel strafrechtelijke consequenties verbindt. De Bankwet kent slechts in artikel 21 lid 6 in combinatie met artikel 35a van die wet een strafbepaling en er is geen reglement zoals bedoeld in artikel 23 van de Bankwet. De vervolging concludeert dat er geen wettelijk voorschrift is zoals bedoeld in de Anti – Corruptiewet.

• de Anti – Corruptiewet zich in het bijzonder richt tegen vormen van corruptie gepleegd door publieke functionarissen en de verdachte Angnoe is geen publieke functionaris en dus kan de Anti – Corruptiewet niet op hem van toepassing zijn.

De officier van justitie stelt daartegenover het volgende:
• onze strafrechtwetgeving geeft duidelijk aan op grond van welke bepalingen er een strafrechtelijk onderzoek danwel een vervolging kan worden ingesteld door het Openbaar Ministerie. Ook blijkt nergens in de Anti -Corruptiewet dat het hebben van een Commissie de noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen, noch kan ergens uit worden afgeleid dat de wet niet uitvoerbaar is zonder instelling van de Anti-Corruptie Commissie. Ook is dat niet af te leiden uit de Memorie van Toelichting. De Commissie als bedoeld in de Anti – Corruptiewet heeft slechts taken m.b.t. regulering en monitoring van het preventiebeleid. Het verband dat de verdediging probeert te leggen tussen het installeren van de Anti-Corruptie Commissie en het instellen van een strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 13 van de Anti-Corruptiewet snijdt dan ook geen hout. Vaststaat dat het strafrechtelijk onderzoek werd aangevangen, nádat er aangifte is gedaan door functionarissen van de CBvS, in opdracht van de gewezen minister van Financiën. Conform de regels van het Wetboek van Strafvordering – in casu art. 113 Sv – heeft de Procureur – Generaal instructies gegeven tot het verrichten van een onderzoek. Artikel 18 van de Anti – Corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in het 1ͤ en 2de lid van artikel 17 van dezelfde wet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar – Ministerie dan ook bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten (zie art 3 Wet RIS). Bovendien staat in de M.v.T. op pag. 28 van voormelde wet het volgende: “De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken valt onder de exclusieve bevoegdheden van het Openbaar – Ministerie en de Procureur-Generaal.” Voorts verwijst de M.v.T. op pag. 31 naar strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die aanvankelijk zouden worden opgenomen in de Anti-Corruptiewet en vermeldt: ‘’Deze vernieuwing van de bestaande bepalingen met betrekking tot anti-corruptie in het herziene Wetboek van Strafrecht was aanvankelijk onderdeel van deze wet. Aangezien het herziene Wetboek van Strafrecht reeds eerder de goedkeuring heeft verkregen van De Nationale Assemblée, zijn bedoelde verruimde anti-corruptie bepalingen uiteraard niet meer opgenomen in deze wet.’’ Op grond hiervan houdt de stelling van de verdediging geen stand en moet daaraan worden voorbijgegaan.

• het is evident dat er in onderhavige zaak sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 21 lid 2 van de Bankwet en met het schrijven (ex artikel 21 lid 6 van de Bankwet) afkomstig van de huidige Governor van de CBvS wordt dit gestaafd . Uit het voorgaande blijkt ook dat er wel degelijk sprake is van de overschrijding als bedoeld in artikel 21 lid 2 juncto artikel 18 lid 1 van de Bankwet. Kortom een grove onregelmatigheid. Verder geeft de Bankwet in lid 5 van artikel 21 juncto artikel 35 a leden 1 en 2 aan, wie in persoon aansprakelijk kan worden gesteld voor overtredingen als bedoeld in de leden 2 en 4 van artikel 21 van de Bankwet. Het is een ontegenzeggelijk feit, dat in voormelde bepaling artikel 21 leden 2 en 4 van de Bankwet is overtreden in genoemde periode zoals ten laste is gelegd en is dit ook gestaafd middels het schrijven afkomstig van de huidige Governor van de Bank. Kortom uit het onderzoek en de bewijsmiddelen is zeer duidelijk komen vast te staan dat het verbod opgelegd in artikel 18 eerste lid juncto artikel 21 van de Bankwet, door verdachte VAN TRIKT en zijn medeverdachte ANGNOE, ASHWEEN RYAN op grove wijze is genegeerd.

• Korte uiteenzetting waarbij er in strijd met artikel 18 Bankwet is gehandeld en een ‘wettelijk voorschrift’ is overtreden. Hierbij wordt verwezen naar het schrijven afkomstig van de medeverdachte HOEFDRAAD en de reactie op voormeld schrijven afkomstig van verdachte VAN TRIKT. Blijkens het eerste schrijven, gedateerd 07 november 2019 afkomstig van VAN TRIKT naar HOEFDRAAD.(1ste tranche) wordt door VAN TRIKT het volgende als reactie gegeven: “Met deze transactie is een koopsom van Euro 45 miljoen gemoeid, welke bereids ter beschikking van de Staat c.q. het Ministerie van Financiën is gesteld.

en

Blijkens het tweede schrijven gedateerd 03 december 2019 afkomstig van VAN TRIKT naar HOEFDRAAD.(2de tranche) wordt door VAN TRIKT het volgende als reactie gegeven: “Met deze transactie is een koopsom van Euro 60 miljoen gemoeid, welke bereids ter beschikking van de Staat c.q. het Ministerie van Financiën is gesteld.

Uit het voorgaande kan niets anders geconcludeerd worden, dan dat er hier sprake was van een koop verkoop transactie, aangezien de ene partij (Min. van Financiën) bereid is over te dragen als schuldverrekening en de andere partij (president van de CBvS) bereid is te voldoen aan de koopsom c.q. de gelden daarvoor ter beschikking te stellen. Artikel 18 lid 4 van de Bankwet stelt immers het volgende: “Behoudens het bepaalde in het tweede lid koopt of bezit de Bank geen onroerende goederen, dan die welke voor de uitoefening van haar bedrijf benodigd zijn”. Met andere woorden, niet slechts op het (onnodig)kopen van onroerende goederen wordt een verbod opgelegd, doch ziet deze bepaling ook toe, tot het weerhouden van het onnodig bezitten van onroerende goederen. Kortom een wettelijk verbod, zowel op het kopen alsook het onnodig bezitten van onroerende goederen. Concluderend: Van belang en relevant is hier dat het opgelegd verbod nageleefd dient te worden en niet de wijze waarop voormelde onroerende goederen in beheer van de Bank zouden komen.

• in artikel 13 lid 1 onder a is bepaald de Anti-Corruptiewet dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door die functionaris in strijd met een wettelijk voorschrift handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het betreft namelijk de publieke functionaris aan wie terzake, beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten, die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. In deze zaak hebben zowel de verdachte VAN TRIKT en zijn medeverdachte HOEFDRAAD de kwaliteit van publieke functionaris. Het feit dat de verdachte ANGNOE geen publieke functionaris is, als bedoeld in voornoemde wet, doet niets af aan zijn strafbaarheid als deelnemer aan overtreding van artikel 13 van de Anti – Corruptie wet. Ter adstructie hiervan het volgende. Vast staat dat de verdachte VAN TRIKT als gewezen governor van de CBvS ten tijde van het plegen van de strafbare feiten een publieke functionaris is geweest als bedoeld in de Anti – Corruptiewet en is voornoemde wet dan ook van toepassing op VAN TRIKT. Hoewel artikel 13 lid 1 een kwaliteitsdelict is en niet van toepassing is op een persoon, die niet de hoedanigheid heeft van een publieke functionaris, biedt de wet (Wetboek van Strafrecht) echter wel de mogelijkheid om personen, die niet over een bepaalde kwaliteit beschikken (in casu de verdachte ANGNOE) als deelnemer aan die kwaliteitsdelicten strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Het betreft hier de uitleg op artikel 75 van het Wetboek van Strafrecht, dat identiek en eensluidend is aan artikel 50 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht. Met dit artikel heeft de wetgever beoogd, te garanderen dat de persoonlijke omstandigheid van deelnemers aan een strafbaar feit alleen invloed kan uitoefenen in strafuitsluitende, strafverminderende en strafverzwarende zin ten aanzien van de deelnemer (dader, medeplegen of medeplichtige) die het persoonlijk betreft. Het is ook bekend dat volgens het leerstuk van deelneming er sprake is van zowel medeplegen als medeplichtigheid aan een kwaliteitsdelict, ook indien één van de daders niet de kwaliteit bezit (in casu die van publieke functionaris c.q. Governor). Hierbij wordt verwezen naar de toelichting op artikel 50 Nederlands Wetboek van Strafrecht (art. 75 Surinaams Wetboek van Strafrecht) in Tekst en Commentaar. (Cleiren/ Nijboer) 5e druk pg 335; 360 en 361.) waar het volgende staat:
“Kortom wordt door literatuur gesteld dat bij een kwaliteitsdelict het bezit van een bepaalde kwaliteit is vereist. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict die door een ander wordt gepleegd, hoeft niet zelf in het bezit te zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft; bij medeplegen hoeft slechts 1 van de medeplegers de kwaliteit te bezitten. (HR 21 april 1913, NJ 1913.pg 961)”. Zie ook de uitspraak HR. ECLI: NL: HR:2006: AU9096 : “De opvatting is onjuist dat een kwaliteitsdelict niet kan worden mede gepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit mist.”

De vervolging benadrukt dat volgens de literatuur voor de aansprakelijkstelling van daderschap en deelneming slechts van belang is, het onderscheid tussen algemene delicten en kwaliteitsdelicten. Met het voorgaande is duidelijk aangetoond dat voor wat betreft de verdachte ANGNOE, hij zowel voor medeplegen als medeplichtigheid aan een kwaliteitsdelict strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kan worden. Nu is komen vast te staan dat voormelde wet wel van toepassing is op verdachte ANGNOE – met betrekking tot het strafwaardigheid ex artikel 13 Anti-Corruptiewet – wordt verder verwezen naar de M.v.T. op pag. 46 artikel 13 lid 1 van de Anti-Corruptiewet, waarin heel duidelijk en helder het volgende staat:

• Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid – hierbij valt te denken aan medeverdachte VAN TRIKT, als president van de CBvS – is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. Voormeld artikel en de uitleg daarvan door de wetgever, is heel duidelijk en niet vatbaar voor meerdere interpretaties.

Het oordeel van de Kantonrechter
De officier van justitie heeft de door de verdediging opgeworpen formele verweren gemotiveerd weersproken, zoals hiervoren is vermeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de verweren van de raadslieden geen stand houden en is de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering.

DE SCHORSING VAN DE VERVOLGING
Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

DE TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Het ten laste gelegde komt erop neer dat de verdachte zich – kort en zakelijk weergegeven – schuldig heeft gemaakt aan:
1) onder feit I A primair, medeplegen aan het eerste lid van artikel 13 van de Anti – Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 1 Anti – Corruptiewet juncto artikel 72 Sr.
Subsidair I B medeplichtigheid tot het eerste lid van artikel 13 van de Anti -Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 1 Anti – Corruptiewet juncto artikel 73 Sr.
2) onder feit II A primair, medeplegen aan het tweede lid van artikel 13 van de Anti – Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 2 Anti – Corruptiewet juncto artikel 72 Sr.
Subsidair II B medeplichtigheid tot het tweede lid van artikel 13 van de Anti – Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 2 Anti – Corruptiewet juncto artikel 73 Sr.
3) onder feit IIIA (primair) valsheid in geschrifte, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 278 lid 1 Sr;
Subsidiair III B: gebruik maken van een vals of vervalst document/geschrift voorzien en strafbaar gesteld in artikel 278 lid 2 Sr;
4) onder feit IVA (primair): medeplegen aan opzettelijk money laundering, welk feit strafbaar is gesteld in art. 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 Sr.
Subsidiair onder IVB: medeplegen aan schuld money laundering, welk feit strafbaar is gesteld in art. 3b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 Sr.

DE VORDERING VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder I, II A, III A en IV A van de dagvaarding. Zij verwijst naar de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen afgelegd bij de politie en tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek en op de terechtzitting. Daarbij wordt gevorderd:
• dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een geldboete tot een totaal van SRD 150.000,– subsidiar 12 maanden hechtenis en zijn bevel tot gevangenhouding;
• de verbeurdverklaring van het onroerend goed te weten ORION CAPITAL INVESTMENTS N.V. gevestigd aan de [adres 2] te [district], op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50 a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a;
• de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,– op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachte Angnoe, Ashween Ryan c.q. hem te verplichten tot betaling van voormeld geldsbedrag;
• Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voertuig van het merk Range Rover dat bij verdachte Angnoe, Ashween Ryan in beslag is genomen.

HET STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING
De verdediging is – kort en zakelijk weergegeven – van mening dat de tenlaste gelegde feiten niet zijn bewezen. Uit de processtukken blijkt niet dat verdachte heeft samengewerkt met genoemde medeverdachten en is het bewijs van medeplegen en medeplichtigheid van de in de dagvaarding genoemde feiten ook niet geleverd. De verdediging verzoekt ook om niet mee te gaan met het verzoek tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen. Voor wat betreft de vordering ter ontneming van het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht, wordt verzocht om dit verzoek ook af te wijzen. Immers is in artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht bepaald dat op vordering van het Openbaar Ministerie, bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die veroordeeld is de verplichting wordt opgelegd. In casu is er geen sprake van een veroordeelde en is er geen sprake van een afzonderlijke procedure, waardoor er geen afzonderlijke rechterlijke beslissing kan worden gegeven. Blijkens Tekst en Commentaar van het Wetboek van Strafrecht is voor de ontnemingsmaatregel een afzonderlijke van de hoofdzaak afgesplitste procedure gecreëerd. In casu is dat niet het geval en is het gevorderde niet toewijsbaar.

Verder blijkt uit geen van de in de dagvaarding genoemde feiten dat aan verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij door het aannemen van een gift, dienst of belofte misbruik heeft gemaakt van zijn functie door iets te doen of na te laten, waarbij hij of een ander onrechtmatig voordeel heeft gekregen.

De verdachte Angnoe heeft geen enkele bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de noodzakelijke overeenkomstem met Clairfield. Voornoemde overeenkomsten vielen compleet binnen de werksfeer van de CBvS. Deze overeenkomsten waren noodzakelijk en vielen binnen de grenzen van een redelijke vergoeding. In het rapport van Kroll op pag. 39 is vermeld dat voorschotten minder relevant zijn als de overeengekomen bedragen marktconform zijn. Verder is de overeengekomen non – refundable fee gebruikelijk in contracten. Op instructie van de gewezen minister van financien de heer Hoefdraad, zijn de opdrachten bij de CBvS stopgezet zonder overleg met de dienstverleners.

De gesloten overeenkomsten met Orion zijn ook marktconform en noodzakelijk. Dat de overmaking van Clairfield naar Orion van het bedrag van Euro 625.000,– een kickback is geweest, berust niet op waarheid. Het is een deelbetaling geweest van het project Prodigy.

De vervolgingsambtenaar kan niet aantonen dat de overeenkomsten niet noodzakelijk waren c.q dat de activa van verdachte en zijn mededaders aanzienlijk zijn toegenomen. Er kan ook niet worden aangetoond dat verdachte giften heeft aangenomen noch dat er sprake is van nadelige contractsvoorwaarden. De verdediging concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van het Openbaar – Mministerie voor de feiten onder I en II van de dagvaarding en subsidiair integrale vrijspraak van de gehele dagvaarding voor de verdachte.

HET OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER
De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder IA, II A, III A en IV A ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat hij:

I. op een of meer tijdstippen gelegen in de periode maart 2019 tot en met januari 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY, een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel heeft toegebracht, waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-Corruptiewet SB 2017 no. 85, verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen, waarbij door die VAN TRIKT, ROBERT – GRAY in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures om voor hun en ten behoeve van de rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV, enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen en
zijnde die VAN TRIKT, ROBERT – GRAY tot dat doeleinde ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname met CLAIRFIELD BENELUX NV en met BUYSSE, HANS één of meer overeenkomsten aangegaan, waaronder:
• de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname” getekend op 16 mei 2019, voor een non refundable vergoeding van € 2.500.000, – (twee miljoen en vijfhonderdduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening een bedrag van € 1.250.000, – (een miljoen en tweehonderd en vijftigduizend Euro’s) als voorschot is betaald en
• de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019 voor een totaal bedrag van € 850.000, – (achthonderd en vijftigduizend Euro’s) als indicatief budget waarvan bij ondertekening € 425.000 (vierhonderd vijfentwintig duizend Euro’s) als voorschot is betaald en terwijl er geen noodzaak aanwezig was voor het sluiten van voormelde overeenkomsten en geen noodzakelijke en gegronde reden aanwezig was de Centrale Bank van Suriname te verbinden aan vermelde overeenkomsten, daar de inhoud en de strekking van die overeenkomsten niet conform de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname is zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en,
hebbende hij, verdachte ten aanzien van de overeenkomsten ‘Prodigy’ en ‘Prodigy 2’ die voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY, als president van de Centrale Bank van Suriname met BUYSSE, HANS en met een rechtspersoon te weten CLAIRFIELD BENELUX N.V. had gesloten en waarbij hij, verdachte en de rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV geen partij waren, onverplicht / onnodig onverschuldigde reiskosten naar België en verblijfkosten en uurtarieven voor verrichte diensten, in ieder geval één of meer vergoedingen tot een totaal van SRD 300. 461, 03, – (driehonderdduizend en vierhonderd eenenzestig Surinaamse Dollars en drie centen), althans een ander totaal bedrag in SRD’s gedeclareerd, althans één of meer bedragen ontvangen, althans door voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY, als president van de Centrale Bank van Suriname doen betalen, ten behoeve van een of meer personen en medewerkers verbonden aan ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en ORION CAPITAL INVESTMENT NV en hem verdachte, terwijl voor die overeenkomsten met die CLAIRFIELD BENELUX N.V. en BUYSSE, HANS, die betalingen niet waren vereist en de noodzaak daartoe niet aanwezig was en
waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als president van de Centrale Bank van Suriname bij het aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomsten ten behoeve van voormelde Centrale Bank van Suriname, in strijd heeft gehandeld met ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften of procedures teneinde voor hem, verdachte en die VAN TRIKT, ROBERT – GRAY en ten behoeve van een ander te weten voornoemde rechtspersonen ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financiële nadelen heeft ondervonden en
zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus door het verrichten van voormelde handelingen en door het nemen van voormelde besluiten door die VAN TRIKT, ROBERT – GRAY en hem, verdachte opzettelijk financieel benadeeld, zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85.
(artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto 72 Wetboek van Strafrecht medeplegen)

II. op een of meer tijdstippen gelegen in de periode maart 2019 tot en met januari 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY althans alleen, één of meer overeenkomsten hebben gesloten ten behoeve van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV, waarbij hij, verdachte en voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet S.B. 2010 no. 173, zijnde een publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no. 85, bij het aangaan van die overeenkomsten niet de vereiste maatregelen heeft genomen om belangenconflicten / belangenverstrengeling te voorkomen en een transparante procedure en gelijke behandeling van partijen te waarborgen,

hebbende immers hij, verdachte als medeaandeelhouder van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en ORION CAPITAL INVESTMENT NV samen met zijn voornoemde mededader VAN TRIKT, ROBERT – GRAY die eveneens medeaandeelhouder is van voornoemde rechtspersonen ten behoeve, althans ten laste van een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, één of meer overeenkomsten gesloten te weten:
• een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreffende het optreden van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV in de persoon van hem, verdachte als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname getekend op 18 april 2019 voor een nog een bedrag USD.150,- per uur, waarvan reeds een tegenwaarde in Srd. 188.904, – (honderd achtentachtigduizend en negenhonderd en vier Surinaamse dollars) is betaald en
• een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Internal Audit bij de Centrale Bank van Suriname dd. 7 juli 2019, voor een totaal bedrag van USD. 65.000, – (vijfenzestig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 18 oktober 2019 reeds drie vierde deel van het totaal bedrag te weten een tegenwaarde in Srd. 409.301, 75, – (vierhonderd en negenduizend en driehonderd en een Surinaamse dollars en vijf en zeventig centen) is betaald en
• een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Afdeling Financial Intelligence bij de Centrale Bank van Suriname, getekend op 13 september 2019 voor een totaal bedrag van USD. 72.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan op 25 september 2019 de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 327.754, – (driehonderd en zeven en twintigduizend en zevenhonderd vierenvijftig Surinaamse dollars) als voorschot is betaald en
• een overeenkomst betreffende het Faciliteren en Begeleiden van een stagiaire accountant administratieconsulent getekend op 30 september 2019 voor USD. 2.500 (twee duizend vijfhonderd Amerikaanse dollars) per maand, waarvan op 11 november 2019 voor oktober en november 2019 een tegenwaarde in Srd. 45.475,- (vijfenveertig duizend en vierhonderd en vijfenzeventig Surinaamse dollars) is betaald en
• een overeenkomst betreffende het Instellen van een Bijzonder Onderzoek naar de Inventaris van het Wapenarsenaal van de Centrale Bank van Suriname over de periode begin 2010 tot en met augustus 2019, getekend op 30 september 2019 voor een totaal bedrag van USD 40.000, – (tweeënzeventig duizend Amerikaanse dollars), waarvan de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 171.200, – (honderd en eenenzeventigduizend en tweehonderd Surinaamse dollars) als voorschot is betaald en
waarbij voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vóór het aangaan van de overeenkomsten met voormelde rechtspersonen waarin hij, verdachte samen voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY, als medeaandeelhouder is verbonden geen (openbare) aanbesteding heeft gehouden en daarbij nimmer advies heeft ingewonnen en enige vergelijking heeft gemaakt met soortgelijke(eerder gesloten) contracten en nagelaten die overeenkomsten ter inzage voor juridisch advies door te geleiden naar de juridische afdeling van de Centrale Bank van Suriname en/of een (externe) juridische deskundige, althans de beginselen van goed bestuur niet in acht heeft genomen bij het aangaan van voormelde overeenkomsten en (reeds totaal in voorschot) een bedrag groot Srd 1.142. 634, 75, – (één miljoen honderdtweeënveertigduizend en zeshonderd vierendertig Surinaamse dollars en vijfenzeventig centen), aan hem verdachte en voormelde rechtspersonen heeft betaald en waarbij, hij verdachte en die VAN TRIKT, ROBERT – GRAY aldus direct of indirect financiële, economische en persoonlijke belangen hadden bij de procedure of uitkomst van voormelde overeenkomsten en

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY, als president van de Centrale Bank van Suriname niet de vereiste maatregelen heeft genomen teneinde belangenconflicten/belangenverstrengeling tijdens de procedure te voorkomen en een transparante procedure en een gelijke behandeling van partijen heeft gewaarborgd en bij de procedure of de uitkomst van die overeenkomsten, in strijd heeft gehandeld met zijn, VAN TRIKT, ROBERT – GRAY geboden onpartijdigheid of onafhankelijkheid als president van de Centrale Bank van Suriname en dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85;
(artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht medeplegen).

III. op of omstreeks 27 mei 2019 te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte een document “VERKLARING INCOMMING PAYMENTS” van de HAKRINBANK NV, zijnde een geschrift, waaruit enig recht, enige verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan of dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst,
hebbende hij, verdachte opzettelijk valselijk in vermeld document – dat bestemd is voor de controle door de afdeling Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) en welk document dient als verklaring van de reden of een doel van te ontvangen gelden – als reden opgenomen/vermeld en/of doen opnemen/vermelden: “Project Strenght”, althans een fictief en een valse omschrijving als doel/reden van die geldovermaking vanuit het buitenland ten behoeve van hem, verdachte en de rechtspersoon ORION CAPITAL INVESTMENT NV, zulks als ware voormelde gelden overgemaakt voor betaling van door hem, verdachte en ORION CAPITAL INVESTMENT NV verrichtte werkzaamheden ten behoeve van het “Project Strength” en met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
(artikel 278 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

IV. op een of meer tijdstippen gelegen in de periode vanaf de maand mei 2019 tot en met december 2019 te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte (als de managing partner van de rechtspersonen te weten ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en/of ORION CAPITAL INVESTMENT NV) tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY en HANS, BUYSSE (zijnde de managing partner van Clairfield Benelux NV), en met de rechtspersoon LIMEBRIDGE VZW (waarin hij verdachte samen met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY en HANS, BUYSSE als aandeelhouders c.q. partners zijn verbonden), (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen in Euro’s en Amerikaanse dollars te weten:
• op 28 mei 2019 een bedrag groot € 625.000, – (zeshonderd en vijfentwintigduizend Euro’s) en
• op 05 juli 2019 een bedrag groot USD 30.059, – (dertigduizend en negenenvijftig Amerikaanse Dollard) en
• op 15 oktober 2019 een bedrag groot € 48.000, – (achtenveertigduizend Amerikaanse Euro’s) en
• op verschillende momenten in de maand december 2019, althans op 10 december 2019 enkele geldbedragen groot € 90.900, – (negentigduizend en negenhonderd EURO’S) en € 9.100, – (negenduizend en honderd EURO’S) (als aanbetaling/voorschot voor een voertuig te weten een RANGE ROVER betaald) en welk voertuig in de maand december 2019 is ontvangen,
althans één of meer (andere) geldbedragen in elk geval enig(e) voorwerp(en) te weten die RANGE ROVER, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en zijn voornoemde mededaders wisten dat vermelde voorwerpen- middellijk of onmiddellijk- afkomstig was waren uit enig misdrijf;
(art. 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht medeplegen)

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder I, II A, III A, IV A van de ten laste legging.
1. Het proces – verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting de dato 5 oktober 2020, waarbij de kantonrechter de verdachte confronteert met de verklaringen die getuigen op 15 april 2020 bij de Rechter – Commissaris in het kader van het G.V.O. hebben afgelegd en de verdachte de gelegenheid krijgt om ten overstaan van de kantonrechter te reageren.

Rechter – Commissaris: Is uw betrokkenheid bij de Clairfield overeenkomsten als local team vastgelegd in een overeenkomst? Zo nee waarom niet? De verdachte antwoordt: Neen, wij hebben onze betrokkenheid bij deze projecten niet geformaliseerd. We gingen ervan uit dat er voldoende tijd was. Het werk was voor ons belangrijker.

De kantonrechter houdt de verdachte voor dat zij daaruit begrijpt dat de taken en de opdrachten niet in een overeenkomst met de Staat Suriname zelf zijn vastgesteld. Dat, dit het moeilijk maakt om ook het uurloon, de tarieven en de begroting van het aantal uren waaraan verdachte heeft gewerkt vast te stellen. Dat deze stukken ook niet zijn overlegd.

De verdachte antwoordt: “Ik heb aan de politie documenten gegeven van takenverdeling van de belangrijkste projecten, waaruit duidelijk blijkt de werkverdeling tussen Orion en Clairfield is aangegeven en dat was de leidraad voor ons om de werkzaamheden uit te voeren”.

De kantonrechter merkt op dat er een leidraad was, maar die was niet verder gefinaliseerd.

De verdachte antwoordt: “De finalisering is niet in een contract opgenomen, maar wel de taakverdeling. Er werd aan ons gevraagd hoe wij invulling konden geven, want het zou moeilijk zijn om vanuit België te werken“.

De kantonrechter vraagt de verdachte: “Zou uw voornoemde betrokkenheid bij de Clairfield overeenkomsten niet moeten worden vastgelegd in een overeenkomst? Dit niet alleen voor de transparantie maar ook voor u zodat u weet wat van u wordt verwacht in het kader hiervan en ook wat uw verdiensten zullen zijn“?

De verdachte antwoordt: “Naast het voorgaande waren ook niet alle contouren m.b.t. de werkzaamheden in het kader van de projecten met de CBvS duidelijk. Het was dus niet duidelijk wat er precies gedaan zou moeten worden en wie wat zou moeten doen. Ik heb mij verder niet gefocust op een overeenkomst omdat ik dat zag als een formaliteit. Ik keek naar het groter plaatje dat voor mij een grote uitdaging was. Wij zijn geen contract aangegaan met de CBvS, maar wij hebben als onderaannemer voor Clairfield gewerkt. Daartoe bestond er geen noodzaak om zaken vast te leggen. Wij hadden werkafspraken met Clairfield en de gemaakte uren zou aan Clairfield gefactureerd worden. Het werk is niet afgerond“.

Op een vraag van de Rechter – Ccommissaris aan de verdachte: “Hoe heeft u uit elkaar kunnen houden welke werkzaamheden van u betrekking hadden op uw taak als adviseur van de ex-Governor, uw taak op grond van een van de andere overeenkomsten met Orion dan wel uw taak op grond van de werkzaamheden van Clairfield antwoordt de verdachte:
“ Bij de dagelijkse werkzaamheden als adviseur diende ik als klankbord voor de Governor en de directeuren. Hier heb ik het over niet al te ingewikkelde vraagstukken, waarbij ik geen groot team nodig had. Zodra het werk ingewikkelder werd en ik een groter team nodig had, dan kwam er een project uitrollen. Bij deze projecten met Orion werd mijn team ingezet. De projecten met Clairfield waren voor mij interessante en uitdagende projecten waar ik zelf aan wilde werken. De werkzaamheden van al de projecten waren in hoofdlijnen niet moeilijk om uit elkaar te houden, maar het was wel uitdagend. Dit omdat ik ook het bedrijf had dat gerund moest worden, waarbij het niveau van de werknemers alsook van de klanten moest worden opgekrikt. Wij verwachten namelijk veel van onze klanten en vaak was het zo dat zij over gebrekkige administratie beschikten, waardoor wij ons werk niet goed konden doen“.

De kantonrechter merkt op dat met deze vraag de belangenverstrengeling tussen de verschillende functies van verdachte wordt bedoeld.

De verdachte antwoordt: “Als accountant moet jij je ook houden aan beroepsregels. Je moet alle schijn van belangenverstrengeling gescheiden houden. Je moet in zo’n geval waarborgen inbouwen. Met al mijn taakstellingen zag ik geen conflict of interest, want ik had genoeg waarborgen ingebouwd“.

De kantonrechter vraagt aan de verdachte: “Heeft u van elk van deze werkzaamheden een timesheet bijgehouden? “

De verdachte antwoordt: “Als adviseur van de Governor is er niet een concrete timesheet bijgehouden, maar ik reconstrueerde de uren door email berichten, telefoon gesprekken, WhatsApp communicatie enz. Voor wat betreft de andere werkzaamheden bij de overige projecten van Orion en Clairfield heb ik geen concrete timesheet voor mezelf bijgehouden. De policy is er wel dat de medewerkers van Orion een timesheet voor de gewerkte uren bijhouden, maar ik weet wel dat dit erg gebrekkig is. Als bedrijf waren wij ook bezig met projecten om dit proces te verstevigen en te automatiseren. Ik durf niet uit mijn hoofd te zeggen of medewerkers van Orion in de verschillende projecten met de CBvS en Clairfield een timesheet hebben bijgehouden. Ondertussen zijn de timesheets bij de politie en die horen in het strafdossier te zijn. Ik durf niet echt aan te geven of de werkelijk gemaakt uren zijn onderzocht. Ik weet wel dat wij slordig waren. Wij declareren op basis van contracten die wij hebben afgesloten.

De kantonrechter merkt op dat de verdachte bij de RC verklaard heeft dat de administratie
nog niet was opgemaakt.

De verdachte antwoordt: “In de statuten zijn er regels opgenomen, die betrekking hebben op de wetgeving van België. Daarnaast zijn er bankovermakingen gedaan. Ik heb een timesheet bijgehouden, die ondertussen aan de politie is afgegeven. Er is t.a.v. een ontvangen voorschot in Prodigy I een Excel sheet opgemaakt en in een mailwisseling is deze sheet als attachment verstuurd, waaruit af te leiden is wie wat zou doen. Ik heb geen ingebrekestelling naar Clairfield gestuurd. Ik heb vanaf het begin aan de RC gezegd dat er geen contract was opgesteld, maar dat er presentaties waren gehouden. Op grond van de wetgeving is er wel een overeenkomst geweest tussen ons, al is er geen contract getekend. De server van ons is door de politie in beslag genomen. Ik weet niet of alle overeenkomsten daarop te vinden is. Ik ben daarmee niet geconfronteerd. Met de Centrale Bank heeft Orion geen financiële overeenkomsten getekend“.

2. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 1] bij de RC in het kader van GVO (dd. 11 maart 2020 & 17 maart 2020 m.b.t. de Clairfield ovk.:
1. Project LAGARDE 1 “Valuation and Fairness opinion RGM Royalty Structure”.
De getuige verklaart: naar mijn mening was dit project niet noodzakelijk voor de CBvS. Voor Suriname kan dat wel z’n nut hebben gehad. Ik ben niet op de hoogte van de reden waarom de Governor het nodig vond om deze overeenkomst te sluiten.
2. Project Prodigy “Valuation of the Assets of the Government of Suriname”.
De getuige verklaart: in beginsel was dit project van belang voor Suriname als land. Puur voor de bank was deze overeenkomst niet noodzakelijk. Mijn inziens was er geen prioriteit voor dit project op dat moment. Misschien was het nodig om eens te komen maar niet op dit moment. De druk op de Bank werd groter met dit project omdat er andere prioriteiten waren met betrekking tot de interne organisatie van de bank.
3. Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”. De getuige verklaart: ik zou niet weten of dit project op het moment waarop de overeenkomst is gesloten zo noodzakelijk was. Dit project was belangrijk voor de verdiencapaciteit van de Staat. De vraag die beantwoordt moest worden is of dit prioriteit genoot voor de CBvS op dat moment. Voor de Staat was het wel belangrijk en genoot het prioriteit, maar naar mijn mening was het voor de CBvS niet noodzakelijk op dat moment. De vraag of het logisch is dat deze twee overeenkomsten op korte termijn na elkaar zijn gesloten moet ik u zeggen dat ik daarop geen antwoord op kan geven. De noodzaak ervan op dat moment zou de Governor moeten aangeven.
4. Project Prodigy 3 “Implementation of reforms and optimizations at the Central Bank of Suriname”. De getuige verklaart: dit project was wel noodzakelijk voor de CBvS. U houdt mij voor dat deze overeenkomst getekend is op 25 juli 2019. Het resultaat van dit project zou dwars door de gehele organisatie ten goede komen. Er was aangegeven dat ervaren Centrale Bank bankiers betrokken zouden worden bij de uitvoering van dit project. Deze overeenkomst heb ik niet medeondertekend maar wel geparafeerd. Op verzoek van de Governor moesten wij onze paraaf plaatsen op de overeenkomst ter ondersteuning van het project. Ook als wij onze paraaf niet hadden geplaatst op de overeenkomst zou dit niet veel uitmaken voor de voortgang van het project. De bedragen in de overeenkomst heb ik gezien en die vond ik opvallend hoog.
5. Project Prodigy 5 “Valuation of Suriname Embassies and Sale and lease back Structure”. De getuige verklaart: naar mijn mening was dit project in eerste instantie noodzakelijk voor de Overheid maar niet voor de CBvS. Indien de bezittingen van de Staat verkocht zouden worden zou de Overheid daar wel voordeel aan hebben. Het voordeel van de CBvS zou zijn het moment waarop de Overheid in vreemde valuta aan de CBvS zou verkopen of hun eigen uitgaven zou financieren.

Met betrekking tot de overeenkomsten met Orion verklaart de getuige als volgt:
´´Ik wist niet dat Van Trikt aandeelhouder was van Orion. Later begreep ik dit wel. Ik ben dus van mening dat er wel sprake is van tegenstrijdige belangen.
1. Voor wat betreft de overeenkomst met betrekking tot het optreden van Orion als adviseur en sparringpartner van de CBvS heeft de Governor aangegeven dat het zijn persoonlijke keus is. Voorgaande presidenten hebben ook adviseurs gehad, die hun persoonlijke keus waren. Het is eerder niet voorgekomen dat presidenten, een mede aandeelhouder van een bedrijf als adviseur aantrokken. Aangezien Van Trikt en Angnoe zakenpartners van elkaar zijn keur ik het niet goed dat hij Orion als adviseur heeft aangetrokken. Ik ben het met u eens dat het eigenlijk geen probleem zou hoeven te zijn, indien dit vooraf besproken was met de directeuren en de RvC. Ik als directeur ben pas achteraf, nadat hij het besluit had genomen, ermee geconfronteerd dat Orion als adviseur was aangetrokken. Het besluit was dus al genomen. Alle andere directeuren zijn van dit besluit achteraf op de hoogte gesteld.
2. Voor wat betreft het project met betrekking het inrichten en opzetten van de Internal Audit kan ik u het volgende zeggen: Er zou een aanbesteding gehouden kunnen worden ten aanzien van dit project of andere bedrijven zouden ook benaderd kunnen worden. Ik denk wel dat er andere bedrijven in Suriname te vinden zijn, die dit project zouden kunnen uitvoeren. Ik denk aan andere accountant kantoren en adviesbureaus.
3. Ten aanzien van het project met betrekking tot assistentie bij het inrichten en opzetten van de afdeling Financial Intelligence bij de CBvS verklaar ik het volgende. Ik zou hierover geen uitspraak kunnen doen of er andere bedrijven in Suriname zijn die dit project zouden kunnen uitvoeren. Wat ik weet is dat [getuige 18] ten behoeve van de Internal Audit Department was aangetrokken maar dat hij daar niet het gewenste resultaat heeft geleverd. Ons advies aan Van Trikt ten aanzien van [getuige 18] was om na verloop van het contract de overeenkomst met hem te beëindigen. Ons advies is helaas niet opgevolgd door Van Trikt. Integendeel heeft hij hem op het project met betrekking tot de afdeling Financial Intelligence gezet.
4. Voor wat betreft de overeenkomst met betrekking tot het faciliteren en begeleiden van de stagiaire deel ik u mede dat er geen enkele accountantskantoor kon worden gevonden om haar te begeleiden. Ik ging ervan uit dat de facilitering van de medewerkster om stage te lopen kosteloos zou zijn. Achteraf bleek het tegendeel nl. dat het niet kosteloos was. Ik weet niet of een ander bedrijf haar zou willen faciliteren als zij betaald zouden worden. Dat zou ik moeten verifiëren. Het is echter niet ondenkbaar dat andere bedrijven tegen betaling wel zouden faciliteren.
5. Voor wat betreft de overeenkomst betrekking hebbende op het wapenarsenaal deel ik u mede op uw concrete vraag dat ook de politie of defensie dit onderzoek zouden kunnen doen. In eerste instantie was ik van mening dat de politie dit onderzoek zou moeten doen, omdat dit project is gekomen naar aanleiding van de informatie van een medewerker van de afdeling beveiliging. Deze informatie hield in dat er onregelmatigheden waren met betrekking tot het Wapenarsenaal, waarbij er wapenonderdelen en munitie ontbraken. Om die reden was ik van mening dat de politie het onderzoek zou moeten doen. Van Trikt was echter van mening dat het een zooitje was bij het wapenarsenaal en dat hij de boel wilde reorganiseren´´.

Met betrekking tot de royalty overeenkomst verklaart de getuige:
´´Op basis van de Royalty overeenkomst d.d. 01 november 2019, die getekend is, heeft de minister van financien al miljarden (2.2.miljard) getrokken. Deze transactie is geboekt op de Tussenrekening. Er was een discussie over de vraag onder welke noemer de transactie moest worden geplaatst. Dat is de reden waarom het op de Tussenrekening is geboekt. Wij zouden hierover aan de accountant van de bank advies vragen onder welke post de boeking moest plaatsvinden. Het gevolg hiervan is dat deze post nog niet zichtbaar is. Pas als duidelijk is onder welke noemer het geplaatst moet worden zal het zichtbaar zijn. Deze werkwijze is niet ongebruikelijk. Dit zal ook meegenomen moeten worden in de weekstaat van de CBvS. In februari 2020 heeft de laatste trekking van het bedrag plaatsgevonden. Nu moet er een besluit worden genomen onder welke noemer het geplaatst moet worden. Deze lening c.q. overeenkomst is niet geregistreerd bij het Bureau voor de Staatsschuld. De Staat heeft een langlopende lening van 2.3 miljard Surinaamse Dollar van 2015. Er is geen dekking´, omdat het een langlopende lening is.

U vraagt mij of de lening van 2.2 miljard Surinaamse Dollar welke als dekking heeft de royalty’s van RGM geen langlopende lening is. Voor de duidelijkheid wil ik aangeven dat ik nog niet weet of er sprake is van een lening in dit geval. Het moet nog worden vastgesteld. Op uw vraag waarom er voor deze overeenkomst wel een dekking is verklaar ik dat ik geen antwoord heb op die vraag. De schuld van 2015 is nog steeds 2.3. miljard Surinaamse Dollar. Voor zover ik weet wordt er niets afgelost van deze schuld. Op deze schuld is er geen rente bijgeboekt´´.

Met betrekking tot de overeenkomsten regarderende de 1ste en 2de tranche onroerende goederen verklaart de getuige:
´´Ik ben bekend met twee brieven van de minister van financien aan de Governor van de CBvS. Één is van 20 september 2019 en daar zijn er 9 onroerende goederen met een waarde van 60 miljoen Euro overgenomen. De andere brief is gedateerd 26 juni 2019 en daar zijn er 8 onroerende goederen overgenomen met een waarde van 45 miljoen Euro. Juridisch zijn geen van deze onroerende goederen nog overgedragen aan de CbvS. Ik ben er niet van op hoogte of is onderzocht dat deze onroerende goederen allemaal aan de Staat toebehoren´´.

3. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 2] opgemaakt door avp SOEKHOE KR dd. 08 maart 2020 en bij de RC in het kader van het GVO dd. 23 maart 2020 en dd. 02 april 2020:
Met betrekking tot de Clairfield overeenkomsten verklaart de getuige:
´´Dat de normale aankoopprocedures van de Bank niet zijn gevolgd, werd het vermoeden versterkt dat er mogelijk sprake is van financiële ongeregeldheden. Tegen die tijd kwam ook informatie naar boven, met betrekking tot zakelijke verwevenheden tussen Clairfield en ORION. Hierdoor begon ik twijfels te krijgen over de argumenten van de ex-Governor, om projecten zonder openbare aanbesteding te gunnen aan Clairfield. Het argument dat de ex-governor consequent gebruikte was, dat de projecten beschouwd moeten worden in het kader van de sociaal economische ontwikkelingsfunctie van de CBvS en tegen de achtergrond van de verbreiding van de ontwikkelingsrelatie met België, alwaar Clairfield is gevestigd, als tegenhanger van Nederland, die in politiek opzicht moeilijk deed tegen Suriname. De minister heeft op enig moment in augustus en september 2019 een meeting gehad met de ex-Governor op het ministerie van Financiën. Bij deze meeting waren ook aanwezig, mij persoon en Hausil. Ik kan mij niet meer herinneren of er andere bij waren. Op deze meeting heeft de minister aan de ex-Governor voorgehouden dat hij van de President heeft vernomen over transacties met Clairfield. Daarbij is aangegeven dat de ex-Governor op zijn zaken moest letten. De ondertoon van het gesprek was dat er hoge bedragen werden betaald voor projecten´´.

Met betrekking tot de overeenkomsten met Orion verklaart de getuige:
´´Volgens de ex-Governor had hij geen andere banden met Orion behalve dat het gebouw waarin Orion gevestigd was aan hem toebehoorde en dat hij en zijn gezin leefden van de huuropbrengsten van dat gebouw. Het zou niet passen als mocht blijken dat, anders dan hij mij heeft voorgehouden, hij wel banden heeft met Orion. De ex-Governor heeft mij ten onrechte geïnformeerd dat hij geen banden heeft met Orion. Indien ik had geweten dat hij aandeelhouder was bij Orion dan zou ik de overeenkomst m.b.t. FID niet hebben mede geparafeerd. Ik zie dit namelijk als conflict of interest´´.

Met betrekking tot Royalty overeenkomsten verklaart de getuige:
´´Ik verwijs u daarbij naar de overeenkomst d.d. 1 november 2019 tussen de Republiek Suriname en de CBvS. In deze overeenkomst is op genomen dat de inkomsten vanuit de royalty’s van RGM zouden worden gebruikt om de langlopende schulden van de Staat bij de CBvS in te lopen. Echter is gebleken dat het resultaat van dit project juist is gebruikt om een nieuwe schuld van 2.2 miljard SRD aan te gaan. Dit is dus geheel in strijd met de overeenkomst.
Binnen de CBvS is er een discussie gaande onder welke noemer deze schuld moet worden geboekt. Dit omdat ingevolge de bankwet de CBvS geen langlopende leningen mag verstrekken. Vooralsnog is deze schuld geboekt op een tussenrekening´´.

Met betrekking tot de manipulatie cijfers van de valuta-interventies verklaart de getuige:
´´De ex-Governor had zijn preferentie aangegeven hoe het totaal bedrag aan interventie uitgesmeerd moest worden over de verschillende maanden, aangevende dat hij dit zou doorgeven aan de minister van financiën. De ex-Governor heeft toen mij persoon, Hausil en [getuige 1] gevraagd om de data op een bepaalde manier te presenteren. Verder ook nog om andere informatie te verstrekken aan de minister die direct danwel indirect relevant was om de interventie data in perspectief te plaatsen. Na over en weer met de ex-Governor te hebben gecorrespondeerd over de presentatie van de interventie data, hebben wij uiteindelijk een document gepresenteerd dat acceptabel was voor de ex-Governor. Zowel mij persoon, Hausil als [getuige 1] waren van mening dat de juiste data aan de minister moest worden gepresenteerd, echter heeft de ex-Governor aangegeven dat op zijn verantwoordelijkheid de gecorrigeerde versie moest worden afgegeven aan de minister. Volgens de informatie van de ex-Governor moesten wij ervoor zorgen dat in de data er geen pieken voorkwamen maar dat de data min of meer gelijkelijk verdeeld moesten worden. Volgens de correcte cijfers was er in de maand juli 2019 geïntervenieerd voor een cash bedrag van €18.067, 300, -. Dit ziet u ook in het tabel ( 9de vervolg dossier, pag.34). Dit bedrag vond de ex-Governor veel te hoog en hij was van mening dat het niet zo gepresenteerd kon worden omdat er anders vragen zouden kunnen komen vanuit DNA. Ter uwer informatie deel ik u mede dat in die periode enkele personen waren aangehouden met een grote hoeveelheid Euro’s op de vlucht naar Miami. Het was bekend dat mensen in Miami Euro’s wisselden voor US Dollars. Door deze situatie was de ex-Governor bang dat men het idee zou hebben dat hij de oorzaak was van de grote hoeveelheden Euro’s die waren aangetroffen omdat de CBvS voor zo’n groot bedrag had geïntervenieerd. Naar mijn mening is deze presentatie niet juist omdat het geen betrouwbaar beeld geeft. Ik ben van mening dat de juiste cijfers moeten worden gepresenteerd. Ik kan gerust zeggen dat de correcties onder een bepaald druk van de ex-Governor zijn gepleegd omdat hij onder geen beding wilde dat het anders moest. Hij zei dat hij alle verantwoordelijkheid daarvoor droeg en dat hij de minister zou zeggen dat hij de interventie data gelijkelijk heeft verdeeld. Om deze reden zijn wij gezwicht voor hetgeen de ex-Governor heeft gevraagd. Voornoemde getuige heeft een toelichting gegeven met betrekking tot het laatst aangehaalde bij pv dd. 01 mei 2020 opgemaakt door avp PIERKHAN, Zamier met als onderwerp: Analyse en toelichting van de documenten, die zijn overlegd door [getuige 2] tijdens de open confrontatie met VAN TRIKT, Robert Gray waarin hij de cijfers van de valuta-interventies verduidelijkt´´.

4. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 3] opgemaakt door avp Best M dd. 06 april 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd 25 maart 2020:
´´ Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat hij als gewezen regeringscommissaris toezicht zou moeten houden op de handelingen van de CBvS. De juiste wijze zou zijn, dat wij tenminste één keer per twee weken zouden vergaderen met de Governor en/of de minister van Financiën. Dat is wel zo begonnen tijdens mijn aantreden als regeringscommissaris, maar het is niet gecontinueerd. Ik heb er wel steeds naar gevraagd bij de ex-Governor, echter had ik het gevoel dat hij de besprekingen ontweek en dat hij niet erg happig was om de besprekingen te voeren. Hij heeft mij zelf tot twee keren toe laten wachten nadat wij een afspraak hadden om te vergaderen. De laatste keer ben ik zelf weggegaan omdat ik dat niet accepteerde. De eerste keer zal rond augustus 2019 zijn geweest en de tweede keer was rond eind oktober begin november 2019. De overeenkomsten tussen de CBvS en Clairfield heb ik pas omstreeks 10 januari 2020 gezien en de overeenkomsten met Orion zijn omstreeks een week later aan mij gepresenteerd door de directie. Gelet op de financiële verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomsten in relatie tot de dienstverlening ben ik van mening dat de bedragen in de overeenkomsten absurd zijn. Daarnaast ben ik van mening dat de ex-Governor buiten zijn bevoegdheid heeft gehandeld, op één van de overeenkomsten na. Naar aanleiding van het onderzoek zijn er transacties naar boven gekomen waar ik mijn vraagtekens bij plaats. Ik verwijs hierbij naar een bedrag van €1.250.000, – dat is overgemaakt naar Clairfield. Ik ben er niet van op de hoogte dat in het rapport m.b.t. het Project LAGARDE 1 een waarde van USD$ 300 miljoen (tegenwaarde 2.2. miljard SRD) is gekoppeld aan de royalty’s voor 15 jaar. Ik heb wel een vijf tellend pagina’s rapport gezien waarvan vier pagina’s grafieken hadden en slechts van één pagina een berekening had. De berekening van de NPV (Net Present Value of Netto Contante Waarde) is geen ingewikkelde zaak. Ik denk wel dat de economen op de banken deze berekening zelf konden maken. Een fee is afhankelijk van de prestatie. Naar mijn mening is de prestatie die geleverd is voor dit project (5 pagina’s tellend rapport) niet in verhouding tot het bedrag dat daarvoor betaald is. In casu gaat het om een bedrag van €.620.000, = dat betaald zou moeten worden voor dit project waarvan een voorschot van €.300.000, = is betaald. Ik hoor de advocaat zeggen dat de afgesproken fee bedraagt ongeveer 2% van de waarde van de royalty’s. Hierop zeg ik dat gezien de ingewikkeldheid van de opdracht een bedrag van €5000, = naar mijn oordeel redelijk zou zijn´´.

M.b.t. de overeenkomsten gesloten tussen de CBvS met Orion: ´´Vanwege de relatie tussen van Trikt en Orion zou het raadzaam zijn geweest als de RvC daar strenger mee was geweest. De contracten met Orion zouden dus moeten worden voorgelegd voor toetsing aan de RvC. Ik verwijs hierbij naar de bepalingen van het handboek deugdelijk bestuur van de CBvS´´.

M.b.t. de panden: Ik ben van mening dat het kopen van panden en onroerend goed uitsluitend voor eigen gebruik van de CBVS mogelijk zijn. Anders kan het niet. In deze voldoet deze transactie niet aan de regels van de Bankwet. Voor zover ik weet heft de overdracht niet plaatsgevonden, volgens informatie verkregen van de heer ROEMER. In feite zou de RvC gekend moeten worden conform de regels van het Wetboek van Koophandel. Voor zover het Wetboek van Koophandel niet van toepassing is, zou de zorgvuldigheid wel eisen dat een dergelijke transactie met de RvC zou moeten worden besproken.

M.b.t. de royalty overeenkomst: Het was een feit dat de CBvS aan de hand van de overeenkomst van 01 november 2019, de SRD 2,2 miljard niet mocht verstrekken aan de Staat. Ik ben als gewezen regeringscommissaris niet op de hoogte of betrokken geweest van deze overeenkomst. Ik weet ook ik niet waarom deze transactie toch heeft plaatsgevonden. Aan de hand van de thans beschikbare informatie lijkt het erop dat er een additionale of Monetaire financiering heeft plaatsgevonden, meer dan de Bankwet toestaat. De Bankwet staat toe 10% van de gewone dienst te financieren conform het gestelde in artikel 21 lid 2 van de Bankwet.

M.b.t. de cijfers van valuta interventies: Het is niet correct om cijfers op zo’n manier te corrigeren, ook niet in opdracht van de Governor. Je kunt niet willens en wetens verkeerde informatie presenteren aan DNA.

5. Het proces – verbaal [getuige 4] opgemaakt door avp PIERKHAN, Z. dd. 09 februari 2020 en bij de RC in het kader van het GVO dd. 12 maart 2020:
(m.b.t. Project Strenght) Wij, van de Hakrinbank hebben aan de politie een overzicht van de betalingen aan Clairfield mbt project Strenghth overgelegd. Dit document is gedateerd 10 februari 2020. Op 4 september 2019 heeft de Hakrinbank € 60.000, = overgemaakt op de rekening van Clairfield bij de BNP Fortisbank. Tot heden is er niets meer bij betaald aan Clairfield. Uit het overzicht blijkt verder dat voor wat betreft het vast gedeelte een bedrag van €50.000, = nog betaald moet worden. Ten aanzien van dit saldo bedrag hebben wij geen invoice van Clairfield ontvangen waardoor dit saldo nog openstaat. Voor wat betreft het variabel gedeelte (“succes fee”) op basis van 1,25% moet de Hakrinbank nog ongeveer een bedrag van US$250.000, = tot 275.000, = betalen aan Clairfield.

Ik weet niet welke afspraken tussen Clairfield en Orion zijn gemaakt. Naar mijn inschatting heeft Clairfield meer werk verricht dan Orion in het kader van dit project. Wij hebben de bedrijfsinformatie van de Hakrinbank aangeleverd in een shared file waar Hakrinbank, Clairfield en Orion toegang hadden. Clairfield heeft de rapporten opgesteld. Hakrinbank heeft deze rapporten becommentarieerd en Clairfield heeft verder gefinaliseerd. Uit de rapporten heeft Orion presentaties gemaakt en deze zijn gehouden op kantoor bij Orion voor potentiele beleggers. Bij de uitvoering hebben zij ook ondersteuning verleend. De inschrijvers konden verder ook op het kantoor van Orion inschrijven naast de Hakrinbank kantoren. Hieruit concludeer ik dat Clairfield meer werkzaamheden heeft verricht dan Orion.

M.b.t. formulier incoming payments: Hierop deel ik u mede dat dit document betreft een verklaring waarbij door de ontvanger van een betaling, dient te worden aangegeven wat de reden is van de ontvangen gelden. Uit deze verklaring blijkt dat dhr. Ashween Angnoe, die de procuratiehouder is van de rekening van Orion Capital Investment bij de Hakrinbank, verklaart dat de reden van de overmaking van het bedrag van €625.000, = betreft “voorschot verleende diensten”. Dit formulier is bestemd voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT). Indien achteraf blijkt dat de reden waarvoor de overmaking heeft plaatsgevonden niet juist is betekent dit dat aan de Hakrinbank en MOT verkeerde informatie is doorgespeeld.

M.b.t. de Clairfield overeenkomsten: Ik ben niet bekend met de inhoud van de overeenkomsten tussen Clairfield en de CBvS. Ik kan u wel zeggen dat bij consultancy overeenkomsten waarin de Hakrinbank partij is wij nimmer non-refundable fees overeenkomen. Wij kunnen hooguit een succesfee overeenkomen in voorkomende gevallen en dit bedrag is variabel. Voor wat betreft het uitbrengen van adviezen wordt meestal een uurloon overeengekomen of eventueel een vast bedrag op basis van de werkzaamheden die verricht zullen worden. Doorgaans worden betalingen gedaan nadat een fase is opgeleverd. Ter verduidelijking geef ik aan dat het een risico is voor de opdrachtgever als er non-refundable voorschotten worden overeengekomen. Immers het kan zijn dat het werk om de één of andere reden niet of niet conform afspraak kan worden opgeleverd door de opdrachtnemer. In dit geval loopt de opdrachtgever het risico dan dat hij het door hem betaalde bedrag niet terug krijgt omdat het non-refundable is. De betaling is dan wel gedaan maar het nut is niet ontvangen.

6. Het proces – verbaal van het 3de nader verhoor van [getuige 5] opgemaakt door avp Pierkhan dd. 2 maart 2020:
M.b.t. de reis naar België: Zij, als medeweker van Orion niet weet in welke hoedanigheid zij was afgereisd naar België. Zij had wel een agenda ontvangen van CLAIRFIELD over hetgeen in België zou plaatsvinden. Daarin stond haar naam vermeld en kon zij ook lezen, dat het ging om de projecten tussen CBVS en CLAIRFIELD. Echter, heeft de verdachte ASHWEEN Agnoe haar nimmer persoonlijk voorgehouden waarvoor of waarom ze moest afreizen, maar het doel van haar reis was bij haar uiteindelijk wel bekend.

m.b.t. het factuur met de benaming ‘STRENGHT’: In het document is dat niet te zien of af te lezen, maar ik vermoed, dat er een afspraak moet zijn gemaakt tussen CLAIRFIELD BENELUX en ORION CAPITAL INVESTMENTS ten aanzien van een verdeelsleutel omdat zij, ORION in de overeenkomst zijn opgenomen als hoofd en subcontractor. Ik kan u wel zeggen, dat de INVOICE van ORION CAPITAL INVESTMENTS met als datum 12 mei 2019 heel vaag en onduidelijk voor mij is. Aan de hand van de omschrijving kan ik niet zeggen op basis waarvan de facturatie heeft plaatsgevonden. Ook, al zet ik deze INVOICE naast de overeenkomst van project STRENGHT, dan nog kan ik niet uitmaken waarvoor de Euro. 625.000, – is gefactureerd. Ik had geen idee dat het project USD. 500.000, – zou opbrengen. In dat geval lijkt het bedrag van Euro.625.000, – dat ORION in rekening heeft gebracht aan CLAIRFIELD hoog. Ik zeg dat ook naar aanleiding van de werkzaamheden die door mijn team zijn verricht in project “STRENGTH”.

M.b.t. 50% overmaking vanuit Clairfield t.b.v. Orion voor een bedrag van Euro 625.000, -:
Getuige geeft aan het te willen hebben over een contact moment met BUYSSE. Laatstgenoemde haalde hierbij tussen neus en lippen door aan dat er een contract is met ORION van 50% op alle projecten die ORION lokaal uitvoert. Na inzage in het document dat aan haar werd getoond en als het bedrag berekend wordt, is het bedrag dat betaald werd aan CLAIRFIELD door de Hakrinbank namelijk EURO 1.250.000, – voor project STRENGHT, precies 50% gestort op rekening van ORION N.V. Getuige vermoedt dat er tussen BUYSSE en ASHWEEN afspraken waren gemaakt, dat hij 50% zou ontvangen van alle projecten die ORION lokaal zou uitvoeren. Naar aanleiding van de INVOICE van Euro.625.000,- vermoed ik dat CLAIRFIELD Euro 1.250.000, – moet hebben ontvangen van Hakrinbank om 50% daarvan, namelijk Euro.625.000, – aan ORION te kunnen betalen.

7. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 6] afgelegd bij de RC in het kader van het GVO dd. 31 maart 2020:
Met betrekking tot het project Lagerde I: Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat bij de overeenkomst Project Lagarde 1, een vergoeding is overeengekomen van € 620.000, =. Er waren afspraken gemaakt over de betalingen en wel als volgt: De betalingen zouden plaatsvinden bij elke deeloplevering van een sub-opdracht. Per sub-opdracht zijn non-refundable cash fees van € 250.000, -, € 110.000, -, € 140.000, – en € 120.000, – afgesproken. Gebleken is dat reeds bij de eerste overmaking een bedrag van €300.000, = i.p.v. €250.000, = is overgemaakt. Waarom is er meer overgemaakt weet ik niet. Bij de invoice zijn er geen onderliggende stukken waaruit zou kunnen worden opgemaakt welk bedrag contractueel is overeengekomen. Bij de overmaking zijn er dus geen checks and balances om na te gaan of een bepaalde overmaking wel of niet terecht is geschied. Ik ga steeds uit van de autorisatie van de Governor. De eerste persoon die zou moeten hebben gezien dat het bedrag op de invoice niet overeenkomt met het bedrag dat in beginsel zou moeten worden overgemaakt o.g.v. de overeenkomst, is de President van de bank. Kortom: De facturen kreeg ik van de ex-Governor om de gelden over te maken naar Clairfield.

M.b.t. valsheid van cijfers in de valuta interventie: Op enig moment was door DNA aan de minister van Financiën gevraagd naar de informatie over vreemde valuta interventie. De afdeling Buitenland heeft op grond hiervan een lijst geproduceerd hoeveel valuta er beschikbaar is gesteld. De instructie van de ex-Governor was om niet de juiste cijfers aan vreemde valuta interventie af te staan aan de minister van Financiën, omdat uit de cijfers bleek dat in de maand juli 2019 een extreem hoog bedrag aan vreemde valuta interventie is geweest. Dit blijkt ook uit het tabel welke u mij ter inzage heeft gegeven over de vreemde valuta interventie. Er is toen een andere lijst geproduceerd, waarvan ik mij de inhoud niet kan herinneren. Deze lijst zal ik opvragen en aan u doen toekomen. Zo een correctie waarbij er een andere lijst aan vreemde valuta interventie dan de originele lijst is geproduceerd, is nooit eerder voorgevallen. Wij waren het er allemaal over eens dat de gecorrigeerde cijfers niet de correcte weergave was van de realiteit. Ik voelde mij onder druk gezet door de ex-Governor om de correcties te plegen. Ter uwer informatie deel ik u mede dat ik vaker door hem ben gezegd dat ik zijn beleid niet moet frustreren. Ik heb eraan meegewerkt om de cijfers te corrigeren vanwege de constante druk die er was van de zijde van de ex-Governor.

8. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 7] opgemaakt door a.v.p. PIERKHAN Z dd. 22 februari 2020:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat ten aanzien van de overeenkomsten tussen CLAIRFIELD BENELUX en VAN TRIKT, die helemaal quasi fiscaal zijn. Ik zie zulke overeenkomsten voor het eerst. De CBVS doet in deze, uitgaven die eigenlijk voor rekening van de overheid zouden moeten zijn. Het begrip “quasi fiscaal” houdt kortgezegd in dat de CBVS uitgaven doet ten behoeve van de overheid (de Staat Suriname) die eigenlijk door de Staat Suriname zelf betaald moeten worden. Dit blijkt bij de bankwet verboden te zijn.

9. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 8] opgemaakt door avp ARICHERO, Jean dd. 03 maart 2020:
Dat zij de overeenkomsten die zijn aangegaan van [getuige 1] heeft gehad, die hij op zijn beurt van het secretariaat van de president van de bank heeft gehad. Bij controle van het financieel gedeelte kwam ik tot de ontdekking, althans de afdeling waaraan ik leiding geef kwam ik tot de ontdekking dat er informatie ontbrak omtrent de declaratie aan de bedrijven Clairfield en Orion. Daarom heb ik de overeenkomsten/contracten opgevraagd om na te gaan of declaraties/betalingen conform de contracten zijn gedaan. De non refundable cash fee: zoals het is uitgelegd is betekent dat de CBvS gehouden is te betalen, ook bij beëindiging van het contract, dat wat in het contract is overeengekomen. Intern konden wij de declaraties met betrekking tot de reiskosten naar België niet goed plaatsen. Wij hadden geen document, waaruit mocht blijken, dat twee functionarissen van Orion mee moesten gaan op de missie, oftewel de dienstreis naar België en nog steeds hebben wij dat document niet. Althans in het contract van prodigy 2 is niet duidelijk aangegeven waarom CBvS aan Orion moest betalen.

10. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 9] opgemaakt door avp SOEKHOE KR dd. 11 maart 2020:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat mevrouw [naam 1] en mijn persoon door ex-Governor Van Trikt niet zijn ingezet om besprekingen te voeren met Clairfield toen we naar België waren afgereisd. Wij waren toehoorders bij de presentaties. Er zijn separate besprekingen gevoerd met Clairfield, waarbij [naam 1] en ik in een aparte ruimte moesten wachten. De ex-Governor, [getuige 10], mevrouw Hausil en meneer ANGNOE, Ashween, hebben besprekingen gevoerd met Clairfield. Ik heb hierover s ’avonds vanuit mijn hotelkamer, telefonisch, [getuige 17], die mijn afdelingshoofd is en ook in de betreffende werkgroep zit, mijn misnoegen kenbaar gemaakt. Ik heb hem duidelijk gevraagd wat het nut is dat ik ben meegekomen. Hij heeft mij toen gevraagd om kalm te blijven. Ook [naam 1] was ontstemd over het uitsluiten van ons tweeen. Tijdens een presentatie van Clairfield is tot onze verbazing gebleken dat behalve SPIM er meerdere projecten van Clairfield lopen. De ex-governor was mijns inziens niet bevoegd om zonder machtiging van de Staat, contracten aan te gaan als gevolg waarvan er voor de Staat verplichtingen ontstaan. Het lijkt mij ook dat er sprake is van een quasi fiscale activiteit. Ik moet aan u verklaren dat ik niet bekend ben met betalingen die hebben plaatsgevonden. De overeenkomst is niet gestuurd naar onze afdeling.

M.b.t. Orion overeenkomsten: bij deze sprake overeenkomsten tussen CBVS en Orion was er sprake van belangenverstrengeling, omdat dhr. Van Trikt aandeelhouder is van ORION en tevens Governor van de CBvS is er sprake van belangenverstrengeling. Dit is onverenigbaar/conflict of interest.

11. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 10] opgemaakt door avp DJEMADI, Immanuel dd. 16 februari 2020:
bij een werkbezoek aan het bedrijf van Clairfield kwamen mw. Hausil en ik de personen dhr. Agnoe en [getuige 5] tegen. Daar aangekomen bleek dat er een bespreking gaande was met betrekking tot de Royalties van de goud bedrijven van Suriname door de heer Angnoe, Hans Buyse en de ex governor. Ten tijde van die bespreking werden er berekeningen gemaakt met betrekking tot Royalties, omdat het een economische exercitie was. Wij zaten niet in de bespreking. Wij werden erbij geroepen indien er iets juridisch bekeken moest worden. Dat de ex Governor de Bank heeft gebonden in het kader van enkele overeenkomsten met Orion is achteraf bekeken sprake van belangenverstrengeling. Het was mij niet bekend dat er overeenkomsten waren gesloten. En als ik nu met de inhoud ervan geconfronteerd wordt schrik ik ervan. Er zijn vastgestelde procedures om overeenkomsten aan te gaan met bedrijven of personen. Over het algemeen worden overeenkomsten eerst door de afdeling Legal Department grondig doorgenomen, waarna zij een juridisch advies uitbrengen. Hierna word de overeenkomst weer opgestuurd naar desbetreffende afdeling voor verdere afhandeling. Ook moet worden aangeven dat niet alle overeenkomsten bij de afdeling Legal Department gaan. Er worden ook advies genomen bij juristen buiten de bank.

12. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 11] opgemaakt door avp WALKER M dd. 19 februari 2020:
is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat er achteraf bekeken er wel sprake geweest van antidatering in de leenovereenkomst van het voertuig van de voormalige Governor. Naar ik kort vóór de ondertekening had vernomen was het verzoek de lening te doen ingaan rond het tijdstip van aanschaft van een voertuig. Dat er geantidateerd is blijkt zulks uit de datum en was dat in opdracht van de gewezen Governor Van Trikt.

13. Het proces – verbaal van het 2de nader verhoor van [getuige 12] opgemaakt door avp SOEKHOE, Kishnu R dd. 17 februari 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd 3 maart 2020:
is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat met uitzondering van de twee voertuigen die hij heeft laten importeren voor de governor ROBERT-GRAY VAN TRIKT als dienstvoertuigen t.b.v. de CBvS, hij, getuige ook een privé voertuig voor hem, ROBERT-GRAY VAN TRIKT heeft geregeld. Het betreft 1 door M&N Car Center een grijs/groen gelakte SVR RANGE ROVER welke al was geïmporteerd naar Suriname. Hij, getuige ging op bezoek bij M&N Car Center, en zag het voertuig. Ik wist dat Robert van RANGE ROVERS houd, waardoor hij contact maakte met hem of hij een koper had voor bedoeld voertuig. Op vrijdag 29 november 2019, had ik telefonisch contact gemaakt met ROBERT-GRAY VAN TRIKT. Ik vroeg hem als hij iemand kende die een RANGE ROVER wilde kopen. Ik stuurde foto’s van bedoeld voertuig via Whatsapp voor hem. Daarna zei Robert aan mij dat hij het voertuig wilde bezichtigen, daar zijn zaken partner ANGNOE, Ashween, binnenkort jarig zou zijn en hij had hard gewerkt, dus hij verdiende ook zo een mooie auto. De volgende zaterdag 30 november 2019 moest ik het voertuig voor hem brengen. Ik bracht de auto op die bewuste dag naar het kantoor van ORION aan de [adres 3] in [district]. Robert Van Trikt, was ter plaatse met zijn lijfwachten, personeelsleden van dat bedrijf alsook ANGNOE, Ashween. ANGNOE vond het voertuig mooi en wilde hem hebben. Toen heeft Robert mij gevraagd als hij het geld in twee termijnen kon betalen. Ik heb toen contact gemaakt met [getuige 14] voor overleg. Echter zei [getuige 14] dat de auto casco verzekerd moest worden, waarna alle papieren in orde zijn gemaakt. Voorts dat het voertuig op naam van M & N Car Center zou blijven staan tot alles afbetaald was. Het voertuig was op dat moment niet voorzien van kentekenplaten. Dat heeft M & N Car Center in orde gemaakt en werd de auto op 4 december 2019, door mijn medewerker geleverd voor ANGNOE, Ashween, bij het bedrijf ORION aan de [adres 3] in [district]. De eerste deel betaling was Euro 100.000, -, hiervan is op 10 december 2019, betaald Euro 90.900, – op rekening van M &N Car Center in Nederland en Euro 9.100, – is betaald op mijn bankrekening van mijn broer in Nederland ten behoeve van mij. Het verzoek om de betaling in Nederland te doen geschieden is geweest op verzoek van Van Trikt. Het bedrag moest worden overgemaakt naar twee rekeningen omdat een deel mijn gedeeltelijke winst betrof terwijl het ander deel ten behoeve was van de importeur. Van Trikt heeft mij niet gevraagd waarom de overmaking naar twee rekeningen moest geschieden. De afspraak is dat de tweede termijn (Euro 100.000, -) in augustus 2020, moet worden betaald. Vandaar dat de auto nog niet is overgeschreven op naam van de koper.

14. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 13] opgemaakt door a.v.p. Pierkhan Z dd. 20 februari 2020:
is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat hij als gewezen Goveror van de CbVS de volgende procedure hanteerde voor het ondertekenen van een overeenkomst nl: Als ik een overeenkomsten onder ogen kreeg stuurde ik die gelijk naar de juridische afdeling voor advies. Ik wilde mij altijd goed laten adviseren alvorens ik een overeenkomst ondertekende. Ik koppelde ook altijd de vak afdeling met de juridische afdeling zodat zij samen konden werken aan de overeenkomst, voordat die door mij werd ondertekend. In periode van mijn governorschap heb ik voorbereidingen gepleegd om rechtstreekse rapportagelijnen naar de RVC tot stand te brengen. In dat kader had ik voordat ik bij de Centrale Bank vertrok middels een instructie gedaan gekregen, dat het Hoofd van de afdeling Internal Audit rechtstreeks kon rapporten aan de RVC. Ook, het Hoofd van de Juridische Zaken zou dat moeten kunnen doen bij de RVC. Ten aanzien van de afdeling Juridische Zaken wil ik aangeven, dat ik de instructies reeds lang had gegeven, doch is de uitvoering door de drukke werkzaamheden blijven liggen. ANGNOE is van het accountantskantoor van VAN TRIKT. Ik als governor zou hem niet aantrekken voor het project IAD, omdat de IAD daardoor niet onafhankelijk zou kunnen functioneren. Zoals ik reeds eerder heb aangegeven de IAD moet onafhankelijk kunnen functioneren om rechtstreeks met de RVC te kunnen communiceren.

M.b.t. de Clairfield overeenkomsten: Ik zou de overeenkomst met CLAIRFIELD BENELUX met als onderwerp “PROJECT PRODIGY- VALUATION OF THE ASSETS OF THE GOVERNMENT OF SURINAME”. niet ondertekenen. Er is te weinig informatie daarin om het bedrag dat is opgenomen te rechtvaardigen. Ik zou zo een overeenkomst eerst opsturen naar de juridische afdeling met de aantekeningen om het een en ander in de overeenkomst voor mij uit te werken. In de overeenkomst zou duidelijk of specifiek moeten staan welke werkzaamheden op welk moment of in welke periode zouden worden verricht. Zo alleen kan het verloop van de werkzaamheden worden beoordeeld en kunnen de betalingen worden verantwoord. Kortom, er is veel te weinig informatie in de overeenkomst. De non refundable fee in dit geval vindt ik heel erg vreemd. Non refundable fee ben ik eerder wel tegengekomen, maar niet in zulke overeenkomsten. Ik denk, dat non refundable fee meer wordt gebruikt in overeenkomsten met ICT-bedrijven. Ik zie ook, dat er bij de ondertekening de helft van het totaalbedrag is betaald. Het is niet nieuw dat er bij het ondertekenen van een overeenkomst al een bedrag wordt betaald zodat het bedrijf enkele uitgaven kan doen om een aanvang te kunnen maken met de werkzaamheden, maar de helft van het totaalbedrag is wel aan de hoge kant. De uitvoer van “PROJECT PRODIGY- VALUATION OF THE ASSETS OF THE GOVERNMENT OF SURINAME” valt niet binnen de bankwet. In dit project gaat het duidelijk om iets van de staat Suriname. Het is voor mij ook een raadsel waarom de CBVS dit project moet doen terwijl de staat de informatie nodig heeft. Ik zie niet welk belang / voordeel CBVS daarbij zou hebben. Het komt quasi fiscaal over en dat wordt door de bankwet verboden.

Artikel 9 f van de Bankwet, waarop de verdachte Van Trikt zich beroept, geeft slechts de betrokkenheid aan bij het monetair beleid van de regering. Met andere woorden is de CBVS ondersteunend en niet anders om. Artikel 9 f verwijst naar de voorgaande leden van artikel 9, het is meer een verduidelijking. Artikel 9 gaat over macro-economisch bestuur zoals werkgelegenheid; evenwichtige prijspeil (dit is een kerntaak van de CBVS); evenwichtige inkomensverdeling, zorg voor het milieu en bevorderen van de economisch groei. Het komt mij in het geval van “PROJECT PRODIGY- VALUATION OF THE ASSETS OF THE GOVERNMENT OF SURINAME” voor dat het om een aangelegenheid van de Staat Suriname gaat welke buiten het werkterrein van de CBVS valt.

Net als bij het eerste project gaat het PROJECT LAGARDE 1 VALUATION AND FAIRNESS OPINION OF RGM ROYALTY STRUCTURE” ook om een project van de Staat Suriname. Het komt bij mij ook quasi fiscaal over omdat de CBVS er geen belang bij heeft, althans het behoort in mijn visie niet tot het werkterrein van de CBVS

15. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 14] opgemaakt door avp Pierkhan Z dd. 17 februari 2020.:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat t.a.v. de inbeslaggenomen LANDROVER (bouwjaar 2019), [getuige 12] mij had voorgehouden, dat die auto bestemd was voor ene ASHWEEN van het bedrijf ORION. Echter, was deze ASHWEEN er niet bij toen er over de prijs werd onderhandeld. Omgerekend kostte de auto Euro 180.000 en met [getuige 12] ben ik overeengekomen, dat er bij de aankoop de helft worden betaald en het resterend deel in maximaal 8 maanden. Dat zijn wij overeengekomen. [getuige 12] heeft die auto meegenomen en zou hij de auto tonen aan ASHWEEN en als die het goed zou vinden zou de deal uiteindelijk worden beklonken. De maandag daarop gaf hij door dat de auto goed was bevonden en dat de Euro 90.000 voor mij zou worden overgemaakt of althans voor M&N-carcenter. Er werd aan mij voorgehouden, dat het geld op een Nederlandse rekening zat en dat zij het voor mij zouden overmaken in Suriname. Voor de gemakkelijkheid heb ik een bankrekeningnummer in Nederland van mijn zakenpartner [getuige 15] doorgespeeld. De overmaking heeft toen plaatsgevonden en wel door het bedrijf LIMEBRIDGE VZW. Er is in totaal Euro 90900 overgemaakt.

16. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 15] opgemaakt door avp SOEKHOE, Kishnu R dd. 27 februari 2020
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat het geld ten behoeve van de Range Rover, op 10 december 2019 ten behoeve van [getuige 14] op zijn, getuige ’s rekening is gestort. Hij, getuige had van [getuige 12] en [getuige 14] begrepen, dat iemand geld wilde overmaken vanuit Nederland, voor een auto die zij hadden verkocht. Het geld moest van Nederland naar Suriname overgemaakt worden, doch zou dat te lang duren. [getuige 12], [getuige 14] en ik waren samen toen hierover werd gesproken. Ik heb toen aan hen gezegd, dat zij mijn rekeningnummer konden gebruiken voor die overmaking. Als het geld overgemaakt zou worden, zou ik dat makkelijk kunnen controleren. Het bedrag, dat is overgemaakt op zijn rekeningnummer ten behoeve van [getuige 14], bedroeg Euro 90.900, – en is voormeld bedrag via LIMEBRIDGE VZW overgemaakt. Het rekeningnummer is [nummer 1]. Ik vermoed dat het een Belgisch rekeningnummer is. Als omschrijving is aangegeven (Company Car Ashween Angnoe). Ik weet niet wie het geld heeft overgemaakt.

17. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 16] opgemaakt door avp THAKOER, R R dd. 11 maart 2020:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat het niet noodzakelijk was dat ORION N.V binnen gehaald moest worden bij het project (opzet van de Internal Audit Afdeling). Want achteraf bekeken was het niet noodzakelijk. ORION N.V heeft aan de hand van het dossier van [getuige 18], alle opgeleverde documenten opgemaakt. Er was daar duidelijk sprake van plagiaat. Met betrekking tot voornoemde overeenkomst tussen de CbvS en Orion kan er gesproken worden over een belangen verstrengeling tussen Orion N.V en VAN TRIKT, dit omdat Van Trikt ook mede eigenaar is van ORION. Er moet duidelijk sprake zijn van functie scheiding.

18. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 17] opgemaakt door avp THAKOER, RR dd. 19 februari 2020:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat er op hem op gegeven moment druk werd gezet om de leenovereenkomst te ondertekenen. Terwijl ik het nog was bezig te bespreken met mijn collega [getuige 11] als ik het document moest tekenen of niet, werd ik tot drie maal toe gebeld door VAN TRIKT. Bij de derde keer zette ik deze op luidspeaker en liet mijn overige twee collega’s horen doe hij druk op mij uitoefende om deze overeenkomst te ondertekenen. M.b.t. de Clairfield overeenkomsten: Ik ben niet bekend met deze gesloten overeenkomsten met de genoemd bedrijf. Ik ben ook niet betrokken geweest bij de tot standkoming van deze bewuste overeenkomsten. Ik heb deze overkomsten niet gescreend. Ik heb hiervan kennis genomen op een veel later stadium

19. Het proces – verbaal van verhoor van [getuige 18] opgemaakt door avp SOEKHOE, Kishnu, R. R. dd. 20 februari 2020:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat hoewel naar verluid de ex-Governor Van Trikt geen directe betrokkenheid meer had bij ORION het in het algemeen bijzonder onverstandig is om zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling te laten ontstaan. Zeker niet in zo een high profile functie. Ik heb daarover niets gezegd, maar vond het onverstandig. Maar nogmaals ik ben het komen aantreffen. Het is was niet mijn taak om mij formeel daarover uit te laten. Als ik nog in de rol van Interim Hoofd Internal Audit zat had ik daar vanuit mijn functie zeker iets over moeten hebben gerapporteerd aan de Audit Committee van de RvC. De hele bancaire sector was denk ik voorzichtig met het inhuren van Orion gezien de voormalige betrokkenheid van Robert VAN TRIKT bij Orion. Ook bij Hakrinbank, waar ik voorzitter van de Audit Committee ben, is de Directie van de Hakrinbank geadviseerd behoedzaam met de inzet van Orion als consultant om te gaan. Ik ben niet op de hoogte dat het project IAD aangegaan is en zie dit document nu voor de eerste keer. Naar de aard van het project vind ik het bijzonder onverstandig en uit hoofde van integriteit en good governace op de rand van de toelaatbare zo niet onacceptabel om als gewezen partner in een consultatiebedrijf, maar ten tijde van de ondertekening in de hoedanigheid van governor van de CBVS, zo een kritische opdracht te gunnen aan je eigen voormalig kantoor. Overigens vindt ik de overwegingen genoemd voor het aangaan van dit project of fout, of suggestief, bezijden de waarheid, twijfelachtig of doel redenerend. Met de kennis van nu achteruit kijkend, bekruipt mij nu wel het nare gevoel dat Governor van Trikt mij doelbewust omstreeks april 2019 van de afdeling Interne Controle heeft gedirigeerd naar de andere eerder genoemde afdelingen, in eerste instantie naar DTK, om ruimte te creëren voor een opdracht aan Orion, zonder dat dit tot een tegengeluid van mijn zijde zou kunnen leiden. Afdeling internal audit moet zowel effectief als in haar uitstraling naar de organisatie een hoge mate van onafhankelijkheid kunnen hebben. Binnen haar mandaat moet ook vallen het integer en compliant handelen van de Governor zelve. Door ORION aan te trekken creëer je minimaal de schijn tegen je, dat je die belangrijke onafhankelijke positie van de afdeling Interne Controle niet daadwerkelijk wenste door te voeren.

20. Het proces – verbaal van het nader verhoor van [getuige 19] opgemaakt door avp PIERKHAN, Zamier, dd. 12 maart 2020:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat de invoice op naam van CAPITAL INVESTMENTS N.V. met daarop het bedrag Euro 625.000 door haar is opgemaakt in opdracht van ANGNOE, Ashween. Ze heeft voor het opmaken van deze factuur nimmer een overeenkomst onder ogen gehad. Alle info voor die factuur heeft ze van ANGNOE per mail ontvangen.

21. Het proces – verbaal van het nader verhoor van [getuige 20] opgemaakt door avp ARICHERO J dd. 11 maart 2020:
Is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat getuige het geval met betrekking tot het manipuleren met de cijfers voor de interventies van de CBvS gedurende een bepaalde maand wel kent. Dat overzicht van de valuta-interventie van de afdeling Kassierderij en Buitenland was er al en daarom had [getuige 1] aan [getuige 2] gevraagd om dan een analyse en of een presentatie te maken van dat overzicht. Mijn afdeling FCM, waarvan ik hoofd ben, heeft daaraan meegewerkt en werd het eindresultaat opgestuurd naar de Bankpresident. Kennelijk had de Bankpresident geen voldoening daarmee en wilde meer informatie in de analyse. Ter uwer informatie moet ik aan u verklaren dat ik niet bekend ben met het voorgesprek tussen de minister en de ex-governor VAN TRIKT Robert-Gray over het verzoek van de valuta-interventie data. Tijdens de meeting over de valuta-interventie analyse werd er gebeld met de ex-governor, VAN TRIKT Robert-Gray, die op dat moment in het buitenland vertoefde en gaf hij via conference call de instructies hoe de gemiddelde valuta-interventies in de tabel verwerkt moesten worden. Verder wilde hij ook in de analyse zien de aanleiding tot beschikbaarstelling van vreemde valuta, de strategie die de Bank heeft gevolgd en hoe de CBvS de internationale reserves heeft opgebouwd en ook nog hoe de CBvS de SRD liquiditeiten heeft afgeroomd. Hij wilde de valuta – interventies plaatsen in een bepaalde context. Naar aanleiding hiervan werden de instructies gegeven, hoe wij het gemiddelde met betrekking tot valuta-interventies over de maanden maart 2019 tot en met juli 2019 in een tabel moesten verwerken. Vervolgens is volgens mij dat overzicht ge-appt en gemaild naar de Bankpresident, toen de heer VAN TRIKT, Robert-Gray. Kortom heeft de heer Van Trikt gevraagd om de valuta-interventie data te verdelen als een soort gemiddelde over de maanden maart 2019 tot en met juli 2019. Ik heb mezelf die vraag ook gesteld, want ik zag het nut niet in om een gemiddelde maandelijkse valuta-interventies te verwerken. Dat overzicht was er al van de afdeling Kassierderij en afdeling buitenland met het eindresultaat. Ik weet ook niet of die informatie aan de minister van Financiën is doorgegeven.

Het schriftelijk bewijs.
1. Verklaring Incoming Payments met als reden van overmaking Voorschot verleende diensten. Voor een bedrag groot Euro 625.000, -(overmaking Clairfield Benelux voor Orion Capital Investments).

2. Verklaring Incomming Payments met als reden van overmaking Factuur OCI-2019-003 “Project strenghth”. Voor een bedrag groot Euro 625.000, – (overmaking Clairfield Benelux voor Orion Capital Investments).

3. Dossier I productie 26: overmaking ad Euro 625.000, – dd. 28 mei 2019 (internationaal betalings overzicht Centrale Bank van Suriname).

4. Handgeschreven brief afkomstig van verdachte Angnoe voor de Rechter Commissaris: waaruit blijkt dat het bedrag Euro 650.000, – afkomstig en gestort is door Clairfield t.b.v. Orion in het kader van Project “Strenght” m.b.t. werkzaamheden verricht voor de Hakrinbank.

5. Document Hakrinbank dd 2 sept 2019: Swift Internationale Transfer Form voor een bedrag Euro 60.000,- welke is overgemaakt ten behoeve van Clairfield Benelux NV . oinvoice # 2019-0118 door voornoemde bank, waarbij er nog een restant saldo van euro 50.000, – staat.

6. Document Rechtbank van Koophandel. Naam: Limebridge VZW. Rechtsvorm Vereniging zonder Winstoogmerk gevestigd in [adres 4] [land 1]. Leden: Van Trikt R; Angnoe A en Buysse H.

7. Snap shot Whatsapp afkomstig van [getuige 15], waarbij er Euro 90.900 is overgemaakt door Limebridgde VZW ten behoeve van [getuige 15] voor de Rangerover (Company Car Ashween Angnoe).

8. Document SPSB mbt betaling overzicht: waaruit blijkt dat op 4 juni 2019 voor USD 235165, 48 betaald een lening van Orion Capital Investment en voor usd 9812,93 is betaald een lenig van Limebridge Financial adv.
En op 20 juni is afbetaald de lening tnv [naam 2] ( = de echtgenote van medeverdachte Van Trikt) bij het Pensioenfonds Kersten en co voor een totaal bedrag van usd. 36.079, 07, –

9. Snapshot Whatsapp communicatie (Tijdlijn aan de hand van Whatsapp bericht) tussen Van Trikt en [naam 3] (directeur Pensioenfonds Kersten & co.). waaruit blijkt dat Van Trikt de lening van zijn echtgenote [naam 2] wilt afwikkelen. En gaat daartoe ook over meteen na ontvangst van euro 625.000, – vanuit Clairfield.

10. Brief wisseling tussen Min. Fin. Hoefdraad en Van Trikt R m.b.t. eerste en tweede tranche panden.
• Het eerste schrijven (1ste tranche) afkomstig van Min Fin dateert van 26 juni 2019 waarbij hij 8 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 45.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 7 nov 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 45 miljoen ter beschikking te stellen van het Min Fin.
• Het eerste schrijven (2de tranche) afkomstig van Min Fin dateert van 20 sept 2019 waarbij hij 9 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 60.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 3 dec 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 60 miljoen ter beschikking te stellen van het Min Fin.

11. Een veiliggesteld emailbericht afkomstig van KROMOSOETO verstuurd naar HOEFDRAAD en VAN TRIKT, waarbij laatstgenoemde op 10 juni 2019 het bericht heeft ge-forward naar Hausil. In voormeld email bericht doet KROMOSOETO voorstellen m.b.t. verkoop van panden, overdracht Royaltys en een of meer natuurreservaten in Suriname

12. een veiliggesteld emailbericht afkomstig van Hausil, gedateerd 22 juni 2019 en gericht aan HOEFDRAAD en VAN TRIKT, waaruit blijkt dat zij aan de 2 voornoemde verdachten een conceptbrief heeft doen toekomen in het kader van eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBvS, ter verrekening van de langlopende schuld. In dit mailtje geeft zij aan dat SPSB heeft voorgesteld dat zij de restauratie ter hand willen nemen, echter stelt zij voor dat de Centrale Bank van Suriname hierin het voortouw neemt.

13. Uitwerking email – wisseling tussen VAN TRIKT; HOEFDRAAD en KROMOSOETO dd. 25 april 2019; 26 april 2019 & 16 december 2020 (15de aanvullend dossier dd. 08 januari 2021) nl: emailbericht van KROMOSOETO aan VAN TRIKT. waarbij HOEFDRAAD in de C.C. wordt meegenomen. De datum van dit bericht is 25 april 2019. Gaat om dezelfde mail die HAUSIL heeft ontvangen op 10 juni 2019.
Op 26 april 2019 reageert VAN TRIKT met “Thanks all dit betekend ruimte in de maand mei. Bij overdracht je zou kunnen repareren maar zou dat niet doen. CBvS kan dat dragen. Just look at the valuation”. Op 26 april 2019 reageert HOEFDRAAD op hetzelfde bericht met “DO (Roepnaam van KROMOSOETO) Je hebt alle gebouwen in kaart. Laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget”. Boven aangehaalde mail berichten geven aan dat voornoemde verdachten duidelijk de intentie hadden om de staat monetair te financieren.

14. Missive RVM regarderende de 1ste tranche panden dd 15 november 2019 no. [nummer 2]. Blijkt dat deze missive is uitgekomen op 15 november 2019 en dat HOEFDRAAD handelingen m.b.t. voormelde transactie 1ste tranche panden had verricht op 26 juni 2019. Kortom HOEFDRAAD had geen toestemming van de VP, ook niet van president BOUTERSE of van de RVM om over te gaan tot de verkoop van onroerend goederen (1ste tranche panden) van de staat. Voorts is ook gebleken dat de tegenwaarde van de 1ste tranche onroerende goederen in SRD van de Euro 45 miljoen, namelijk SRD 377.955.000,00 op 28 juni 2019 is overgeschreven op rekening van het Ministerie van Financiën. Geconcludeerd mag worden dat deze overmaking voor 15 november 2019 heeft plaatsgevonden, namelijk de datum waarop de missive t.a.v. de 1ste trance is uitgekomen. Ook is komen vast te staan dat HOEFDRAAD in strijd heeft gehandeld met de inhoud van de missive, doordat de er niet is voldaan aan schuldsanering doch integendeel aan monetaire financieren.

15. Betalingsoverzicht voor de panden op 28 juni 2019; 20 september 2019 en 24 september 2019. Totaal SRD.869, 055, 000.00, -. Voornoemd bedrag is overgeschreven door de CBvS op de rekening van het Ministerie van Financiën in het kader van overdacht 17 onroerende goederen.

16. Royalty Overeenkomst dd. 1 november 2019. De overeenkomst van 01 november 2019 is in opdracht van VAN TRIKT en in afstemming met de Minister van Financiën, HOEFDRAAD, G opgemaakt door één der directeuren van de CBVS, genaamd mevrouw HAUSIL, Faranaaz (directeur Legal Compliance and Internal Affaires). Genoemde personen hebben haar bepaalde instructies gegeven hoe de overeenkomst er inhoudelijk moest uitzien. VAN TRIKT heeft bij de politie aangegeven, dat HOEFDRAAD de informatie voor deze overeenkomst heeft gehaald uit het resultaat van project Lagarde I). Uit het onderzoek is gebleken, dat enkele delen uit genoemde overeenkomst daadwerkelijk terug te vinden zijn in de overeenkomst van 01 november 2019. Voorts gaat het in deze overeenkomst om het afdragen van de royalty’s voor 15 jaren aan de CBvS waarmee de staatsschuld tegelijk wordt afgelost, echter heeft hier (net als bij de transacties m.b.t. de onroerende goederen) ook geen schuldverrekening plaatsgevonden, doch is de Staat (wederom) voor SRD SRD 2.2 miljard (SRD 2.216.729.120, 00, -) monetair gefinancierd door de CBvS.

17. Een overzicht met betrekking tot trekking uit de Royalty ’s overeenkomst van 01 november 2019 en afwikkeling lening (tabel 2). Een betalingsoverzicht SRD. 2.2 miljard (SRD 2.216.729.120, 00, -) afkomstig van de CBvS. Voormeld bedrag is overgemaakt op een rekening van Min Fin bij de CbvS.

18. Rapport Kroll. A division Duff & Phelps / Project Paramaribo Hierna enkele uitgelichte passages vanuit het rapport Project Paramaribo:

I. Hoofdstuk II.
• Onder paragraaf 2.3 pg. 11: “Gezien het bovenstaande en op basis van onze professionele ervaring, overwegen we vooruitbetalingen in een bereik van 50% van de totale projectkosten als hoog en niet gebruikelijk voor Prodigy 1, Prodigy 2 en Prodigy 3, waar vergoedingen over het algemeen gebaseerd waren op uur-maal-tarieven, zelfs als CBvS als opdrachtgever als zeer riskant werd beschouwd door Clairfield. Met betrekking tot Lagarde 1 zijn wij van mening dat een upfront deel van 50% dat niet ongebruikelijk is voor billijkheidsadviezen, met name wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat een billijkheid mening kan leiden tot een oneerlijke conclusie. De nogal gematigde vooruitbetaling van ongeveer 17% voor Prodigy 5 lijkt ons redelijker, maar het moment van betaling in oktober 2019 kan in zijn twijfel getrokken, gezien de vertraging van het project vanwege het urgente karakter van Lagarde 1”
• Onder paragraaf 2.4.1 pg.13 m.b.t. prodigy (1) “Op basis van onze kennis van het hoeveelheid verricht werk door Clairfield en Orion aan Prodigy 1, welke voornamelijk gedaan is op basis van hun geregistreerde en geschatte uren van respectievelijk 2.184 uur en 1.000 uur, dat deze hoeveelheid aan bestede tijd niet in verhouding staat tot de geleverde prestaties regarderende Prodigy 1.
• Onder paragraaf 2.4.2 pg 13 m.b.t. prodigy 2 Evenzo komen de 1.081 uren die Clairfield aan Prodigy 2 besteedt overeen met vergoedingen van ongeveer EUR 280.000, of ongeveer. 70% van de totale vergoedingen die oorspronkelijk zijn overeengekomen voor Service Pack 1, en ca. 66% van de vooruitbetaling van EUR 425.000 die Clairfield voor Prodigy 2 heeft ontvangen. Naar onze mening lijken de 1.081 uren overdreven en buitensporig voor de twee rapporten die Clairfield voor Prodigy 2 heeft afgeleverd.
• Onder paragraaf 2.4.3 pg 14 m.b.t. prodigy 3 : We hebben onvoldoende informatie om in precieze bewoordingen te bepalen hoeveel werk Clairfield aan Prodigy 3 heeft verricht. Maar op basis van de informatie waarover wij beschikken, de werklast en vergoedingen die worden geïmpliceerd door de 936 bestede uren van Clairfield lijken niet in verhouding te staan tot de vorderingen/verrichtingen van Clairfield op Prodigy 3.
• Onder paragraaf 2.4.4 pg 14 m.b.t. Lagarde I : Hoewel een totale vergoeding van EUR 620.000, – binnen een redelijk bereik kan liggen voor een ‘fairness opinion’ van Lagarde 1 project, zijn wij van mening dat de kwaliteit en het niveau van verfijning van de uitgevoerde waarderingsanalyses door Clairfield niet voldoet, aan een “fairness opinion”, noch in verhouding staat aan een vergoeding tot een totaal van EUR 620.000, -.
Pg 15: We merken op dat een fairness opinion die bijna 5 maanden na de transactiedatum is afgegeven, welke getypeerd kan worden als hoogst ongebruikelijk en heeft dit weinig voordeel opgeleverd voor de CBvS. We hebben van Clairfield begrepen dat Orion een belangrijke rol speelde in Lagarde 1. Clairfield stelt dat er geen ‘engagement letter’ Opdrachtbrief werd ondertekend tussen hen en onder aannemer Orion voor het uitbestede werk.
• Onder paragraaf 2.4.5 pg m.b.t. Prodigy 5: Wat betreft de overeengekomen omvang en vergoedingen, zijn wij van mening dat de totale vergoeding van EUR 1,16 miljoen voor de waardering van 20 Surinaamse ambassades niet in verhouding staat tot de geplande werkzaamheden van Clairfield voor dit deel van het project, aangezien deze vergoeding geen kosten voor externe taxateurs en taxateurs van onroerend goed behelsde. Met betrekking tot Clairfield’s werk voor sale en leaseback-transacties en voor onderhoud en rapportage, zijn wij van mening dat de overeengekomen maandelijkse retainer fee van EUR 60.000 (ongeveer gelijk aan de fulltime inzet van 1,5 medewerkers), de succesfee van 2,5% voor gesloten transacties en het uurloon tarieven van € 200 – € 300 voor doorlopend onderhoud en rapportage allemaal redelijk zijn voor een project van vergelijkbare omvang en reikwijdte. Deze beoordeling is echter sterk afhankelijk van de exacte diensten en het detailniveau dat is gepland en daadwerkelijk wordt uitgevoerd door Clairfield. In termen van daadwerkelijk geleverd werk begrijpen we dat Prodigy 5 vanwege de urgentie is uitgesteld vanwege prioriteitstelling van Lagarde 1. We merken op dat ondanks dit, de Prodigy 5 engagement letter/opdracht brief (EL) gedateerd is na de Lagarde 1 EL, en de vooruitbetalingen voor beide projecten werden gedaan op 3 oktober 2019.

II. Hoofdstuk IV Conclusie. Onder Paragraaf 4.4 pg 34.
Met betrekking tot de specifieke vereisten van de “Clairfield Engagements (de opdrachten aan Clairfield gegeven door CbvS)” merken we het volgende op:
• Voor Prodigy 3 was Clairfield nodig om de implementatie van hervormingen en optimalisaties te ondersteunen bij CBvS. Naar onze mening zou het verlenen van dergelijke diensten aan een Centrale Bank specifieke kennis en expertise van de openbare banksector, die niet blijkt uit de informatie die ons, door Clairfield is verstrekt.
• Lagarde 1 had taxatiediensten nodig, specifiek in de context van de goudmijnbouw. Er wordt geen eerdere ervaring met de goudmijnindustrie aangetoond in de verstrekte informatie door Clairfield aan ons.
• Uit geen van de eerdere opdrachten uitgevoerd door Clairfield, lijkt van een vergelijkbare reikwijdte te zijn als de onderhavige zgn. Clairfield overeenkomsten.

III. Hoofdstuk V.
onder paragraaf 5.3 pg. 40.: “Gezien het bovenstaande en op basis van onze professionele ervaring, overwegen we dat de vooruitbetalingen in een bereik van 50% van de totale projectkosten als hoog en niet gebruikelijk voor de volgende projecten: Prodigy 1, Prodigy 2 en Prodigy 3, waar vergoedingen over het algemeen gebaseerd waren op uurtarieven, ook al werd CBvS, als opdrachtgever als zeer riskant en risicovol beschouwd door Clairfield. Met betrekking tot Lagarde 1 zijn wij van mening dat een “upfront” deel van 50% dat niet is ongebruikelijk voor billijkheidsadviezen, vooral wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat een billijkheid mening kan leiden tot een oneerlijke conclusie. De nogal gematigde vooruitbetaling van ongeveer 17% voor Prodigy 5 lijkt ons redelijker, maar het moment van betaling in oktober 2019 werpt twijfels op, gezien de vertraging van het project vanwege het urgente karakter van Lagarde 1 “.

IV. Hoofdstuk VI.
• Onder Paragraaf 6.1 pg 48 m.b.t. Prodigy 1: Gebaseerd op onze kennis van de hoeveelheid werk van Clairfield en Orion aan Prodigy 1, dat voornamelijk is op basis van hun geregistreerde en geschatte uren van respectievelijk 2.184 uur en 1.000 uur, deze hoeveelheid aan tijd lijkt niet in verhouding te staan tot de geleverde prestaties regarderende Prodigy 1.
• Onder Paragraaf 6.2.3 pg 52 m.b.t. prodigy 2: “Evenzo komen de 1.081 uur die Clairfield aan Prodigy 2 besteedt aangeboden met vergoedingen van ongeveer EUR 280.000, of ongeveer. 70% van de totale vergoedingen die oorspronkelijk zijn overeengekomen voor Service Pack 1, en ca. 66% van de vooruitbetaling van EUR 425.000 die Clairfield voor Prodigy 2 heeft ontvangen. Naar onze mening 1.081 uur lijkt overdreven te zijn voor de twee rapporten die Clairfield voor Prodigy 2 heeft afgeleverd.”
• Onder paragraaf 6.3.3. pg. 55-56 m.b.t. prodigy 3:
“Wat betreft de afgesproken omvang en vergoedingen zijn wij van mening dat de afgesproken vergoedingen EUR 80.000, – per maand bedragen binnen een redelijk bereik van vergoedingen vallen voor een project van vergelijkbare omvang en betrokkenheid van hooggekwalificeerde specialisten; deze beoordeling is echter sterk afhankelijk van de exacte services en het niveau van detail gepland en daadwerkelijk uitgevoerd door Clairfield. In termen van het feitelijke geleverde werk, gebaseerd op ons begrip van de tijdlijn en evaluatie van het project van de Prodigy 3 diapresentaties die voor ons beschikbaar zijn, hebben we geen enkele indicatie dat een van de doelstellingen betrekking heeft op optimalisaties zoals uiteengezet in de opdrachtbevestiging zijn uitgevoerd door Clairfield. Een belangrijk onderdeel van Clairfield’s werk aan Prodigy 3 lijkt de identificatie en betrokkenheid van gekwalificeerd personeel te zijn geweest sleutelexperts op het gebied van centrale bankzaken en de planning van workshops en trainingssessies door deze experts; Prodigy 3 had echter blijkbaar een vertraging van enkele maanden. We hebben onvoldoende informatie om in precieze bewoordingen de hoeveelheid werk te bepalen die door Clairfield aan Prodigy 3 is uitgevoerd, maar op basis van de informatie waarover wij beschikken, de werklast en vergoedingen die worden geïmpliceerd door de 936 bestede uren van Clairfield lijken niet in verhouding te staan tot de vorderingen van Clairfield op Prodigy 3”.
• Onder Paragraaf 6.4.4 Algehele beoordeling van Lagarde 1 pg. 67: Hoewel een totale vergoeding van EUR 620.000, – binnen een redelijk bereik kan liggen voor de ‘fairness opinion’ van Lagarde 1 project, zijn wij van mening dat de kwaliteit en het niveau van verfijning van de uitgevoerde waarderingsanalyses door Clairfield niet voldoet, aan een “fairness opinion”, noch aan de vergoedingen van EUR 620.000, -.

Resumerend:
Uit voormeld rapport blijkt kort en samengevat, dat:
1. Oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomsten prodigy , prodigy 2, prodigy 3 en Lagarde 1 (hetgeen ook is ten laste gelegd) kortom dat hetgeen betaald is niet in verhouding staat met hetgeen door Clairfield is/was geleverd;
2. Clairfield niet de nodige kwaliteiten beschikte om werkzaamheden te verrichten in het kader van een of meer van voormelde overeenkomsten,
3. De vooruitbetalingen t.a.v. de projecten Prodigy 1, Prodigy 2 en Prodigy 3, waren hoog en niet gebruikelijk.
4. Hoewel het normaal is dat non-refundable fees afgesproken worden tussen partijen, de tegensprestaties in onderhavig geval niet evenredig waren met de geleverde diensten door Clairfield

Overwegingen per ten laste gelegd feit.
• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder I en II t.a.v. verdachte Angnoe ( overtreding van 13 leden 1 onder a en lid 2 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 en de juridische kader).
Gesteld is door de verdediging dat er in casu geen sprake is van een oogmerk gericht op corruptie; dat het Openbaar Ministerie niet heeft aangetoond dat er giften en beloften zijn geweest zoals de Anticorruptie wet eist en er ook geen sprake is van een wettelijk voorschrift. Geconcludeerd is dat het bewijs van corruptie niet geleverd is.

Dat het oogmerk van de verdachte VAN TRIKT en zijn mededaders waaronder verdachte Angnoe gericht was op corruptie spreekt – zoals uit de bewijsmiddelen blijkt – boekdelen. Zo blijkt uit de verklaring van de getuigen en documenten waaronder het rapport Kroll, dat VAN TRIKT bewust overeenkomsten voor grote sommen geld met nadelige voorwaarden voor de CBvS, is aangegaan met CLAIRFIELD/BUYSSE en ORION/ANGNOE terwijl hij – VAN TRIKT – samen met zijn medeverdachte ANGNOE aandelen heeft in ORION en hij samen met BUYSSE en ANGNOE partner is en zij samen belangen hebben in LIMEBRIDGE VZW. Tevens is gebleken dat via voormelde rechtspersoon betalingen worden verricht voor luxe goederen (z.a. de Range Rover) t.b.v ORION en ANGNOE. Onomstotelijk is ook komen vast te staan dat een deel van betalingen – die vanuit de CBvS overgemaakt zijn naar CLAIRFIELD – door Buysse c.q. CLAIRFIELD is teruggevloeid naar ORION waarvan ANGNOE en VAN TRIKT aandeelhouder zijn. Hieruit blijkt het puur opportunisme waaruit gehandeld is en ook het beoogde oogmerk aantoont.

Wat betreft het moeten aantonen van giften en beloften merkt de kantonrechter op dat deze stelling niet afdoend is. Het al dan niet aantonen van verkregen giften of beloften doet namelijk niets af aan het bewijs omdat dit geen wettelijke vereiste is voor het bewijs van dit strafbaar feit. Het beschermd belang die de wetgever bij artikel 13 van de Anti corruptiewet stelt is bescherming van een staatsinstelling of staatsbedrijf tegen benadeling. Dit blijkt ook duidelijk in de MvT waar staat vermeld:
“Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift “(pag 46).

Verdachte Van Trikt was governor bij de CBvS, derhalve een publieke functionaris en is de Anticorruptie wet op hem van toepassing. Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.

De verdachte Van Trikt heeft de hierna te noemen overeenkomsten met CLAIRFIELD BENELUX NV en/of voornoemde BUYSSE, HANS getekend te weten:
• de overeenkomst Project Lagarde 1 “Valuation and Fairness opinion RGM royalty Structure getekend op 13 september 2019, voor een non-refundable vergoeding van € 620.000, – (zeshonderd en twintigduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening € 300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of
• de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname” getekend op 16 mei 2019, voor een non refundable vergoeding van € 2.500.000, – (twee miljoen en vijfhonderdduizend Euro’s), waarvan bij ondertekening een bedrag van € 1.250.000, – (een miljoen en tweehonderd en vijftigduizend Euro’s) als voorschot is betaald en/of
• de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019 voor een totaal bedrag van € 850.000, – (achthonderd en vijftigduizend Euro’s) als indicatief budget waarvan bij ondertekening € 425.000 (vierhonderd vijfentwintig duizend Euro’s) als voorschot is betaald en
• de overeenkomst Project Prodigy 3 “Implementation of reforms and optimizations at the Central Bank of Suriname” getekend op 5 augustus 2019 voor een indicatief budget van €.360.000, – (driehonderd en zestigduizend Euro’s), waarvan op 2 oktober 2019 €.300.000, – (driehonderd duizend Euro’s) als voorschot is betaald en
• de overeenkomst Project Prodigy 5 “Valuation of Suriname Embassies and sale and lease back structuring, getekend op 19 december 2019, voor een nog te bepalen totaal eindbedrag in Euro’s, waarvan bij ondertekening € 196.000 als voorschot is betaald.

Zulks terwijl er geen noodzaak aanwezig was voor het sluiten van de overeenkomsten betreffende project Lagarde1 en project Prodigy en project Prodigy 2 en project Prodigy 5 met CLAIRFIELD BENELUX NV en geen noodzakelijke en/of gegronde reden aanwezig was de Centrale Bank van Suriname te verbinden aan vermelde overeenkomsten, daar de inhoud en de strekking van die overeenkomsten niet conform de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname is zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet. Ook is komen vast te staan dat er geen degelijk juridisch advies vooraf is ingewonnen bij de juristen, althans de juridische afdeling van de Bank. De Raad van Commissarissen van de Centrale Bank van Suriname is ook niet gekend, althans zonder enige toestemming of goedkeuring van voormelde raad van commissarissen zijn er daarbij oneigenlijke/onredelijk grote bedragen bedongen.

Zo is er ten behoeve van voormelde overeenkomsten aan voorschotten in totaal ten voordele van CLAIRFIELD BENELUX NV en die BUYSSE HANS een totaal bedrag € 2.471.000, – (tweemiljoen en vierhonderd en eenenzeventigduizend Euro’s) is betaald en ten voordele van ORION ASSURANCE AND ADVISORY en ANGNOE, ASHWEEN een totaal bedrag SRD 300.461,03,- (driehonderdduizend en vierhonderd eenenzestig Surinaamse Dollars en drie centen). Hierbij zijn er voor reis en verblijfkosten ten behoeve van werknemers van Orion met middelen van de Centrale Bank van Suriname betaald.

Ook zijn verschillende interne regels c.q. waarborgen overboord gegooid. Er zijn zaken gedaan met verschillende partners (verdachten Angnoe en Buysse) terwijl dit voor een ernstige interne conflictsituatie heeft zorggedragen (belangenverstrengeling). Angnoe is zakenpartner en medeaandeelhouder van Orion samen met verdachte Van Trikt. Buysse H, Van Trikt en Angnoe zijn als partners (leden) gezamenlijk verbonden aan Limebridge VZW.
Met Angnoe heeft Van Trikt als governor en als medeaandeelhouder ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV van de hierna te nomen overeenkomsten gesloten te weten:
• een overeenkomst voor onbepaalde tijd betreffende het optreden van ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV in de persoon van ANGNOE, ASHWEEN als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname getekend op 18 april 2019 voor een nog een bedrag USD.150,– per uur, waarvan reeds een tegenwaarde in Srd. 188.904, – is betaald en
• een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Internal Audit bij de Centrale Bank van Suriname dd. 7 juli 2019, voor een totaal bedrag van US $ 65.000, -, waarvan op 18 oktober 2019 reeds drie vierde deel van het totaal bedrag te weten een tegenwaarde in Srd. 409.301, 75, – is betaald en
• een overeenkomst betreffende Assistentie bij het inrichten en opzetten van de Afdeling Financial Intelligence bij de Centrale Bank van Suriname, getekend op 13 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 72.000, -, waarvan op 25 september 2019 de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 327.754, – als voorschot is betaald en
• een overeenkomst betreffende het Faciliteren en Begeleiden van een stagiair accountant administratieconsulent getekend op 30 september 2019 voor USD. 2.500 per maand, waarvan op 11 november 2019 voor de maanden oktober en november 2019 een tegenwaarde in Srd. 45.475, – is betaald en
• een overeenkomst betreffende het Instellen van een Bijzonder Onderzoek naar de Inventaris van het Wapenarsenaal van de Centrale Bank van Suriname over de periode begin 2010 tot en met augustus 2019, getekend op 30 september 2019 voor een totaal bedrag van US $ 40.000, – waarvan de helft te weten een tegenwaarde in Srd. 171.200, – als voorschot is betaald,

Kortom waarbij er door de Centrale Bank van Suriname (reeds totaal in voorschot) een bedrag groot Srd 1.142. 634, 75, – aan die ORION ASSURANCE AND ADVISORY NV en de verdachte ANGNOE, ASHWEEN betaald. Ook heeft Van Trikt de verdachte ANGNOE aangetrokken als zijn adviseur bij de Bank en hem doen participeren aan de totstandkoming van 1 of meerdere overeenkomsten gesloten met Clairfield te weten de overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname en de overeenkomst Project Prodigy 2 “Support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname Participating and Investment Company”. (in het kader van participatie aan deze twee voornoemde overeenkomsten zijn de eerder vermeldde bedragen aan reis en verblijfkosten, onnodig betaald met gelden van de Bank)

Ook het rapport Kroll geeft aan dat de gelden die betaald zijn, de hoogte daarvan en de tijdstippen waarop, veelal marktcomform zijn maar vermelden zij ook de te hoge en ongebruikelijke voorschotten en de non refundable fees waarvan de kantonrechter van oordeel is dat die niet in het voordeel zijn van de Centrale Bank van Suriname zijn. Daarbij wordt ook verwezen naar de verklaring van [getuige 4] (zie bewijsmiddel no. 5 op pagina 23) m.b.t. de Clairfield overeenkomsten.

Voorts zijn er gelden toebehorende aan de CbvS onterecht dan wel onnodig aangewend, danwel buiten het doel en taakstelling van de Bank gebruikt. Uit het onderzoek is komen vast te staan dat 3 van de 5 gesloten overeenkomsten met Clairfield niets te maken hadden met het werkdomein van de Bank als bedoeld in Hoofdstuk III van de Bankwet, doch hadden die meer te maken dan wel hadden die betrekking op de Staat Suriname. Kortom waren die handelingen regarderende die 3 overeenkomsten te kwalificeren als quasi fiscaal. Ter adstructie hiervan het volgende:
1. Project LAGARDE 1 is uiteindelijk uitgemond in de overeenkomst tussen de Staat Suriname en de CBvS, waarbij de Royalty’s van ROSEBEL GOLDMINES N.V. voor de komende 15 jaren (vanaf 01 november 2019) als zekerheid zijn gegeven aan de CBvS, waarbij deze zekerheid zal worden gebruikt om de langlopende schuld van de Surinaamse overheid af te lossen.
2. Project Prodigy.
3. Bij project Prodigy 2
Uit ad 2 en 3 zijn uitgerold de transacties zgn. de 17 onroerende goederen

Toelichting ad1: Project Lagarde 1 “Valuation and Fairness opinion RGM Royalty Structure.
Deze overeenkomst is van 9 september 2019. Daarin is aangegeven, dat de CBVS momenteel een mogelijkheid bekijkt om een waarderings- en billijkheidsadvies te verkrijgen van de royalty rechten uit Rosebel Goldmines N.V. en ondersteuning heeft gevraagd van CLAIRFIELD BENELUX N.V. Verder, dat CBVS zulks in samenwerking met de Surinaamse Overheid wil uitvoeren om te komen tot een schuldsanering. Daarbij worden de volgende punten aangehaald, namelijk:
• De Surinaamse Overheid en de CBVS hebben hun interesse getoond met betrekking tot het in zekerheid plaatsen van royalty rechten vanuit Rosebel Goldmines N.V. die in bezit zijn van de Surinaamse Overheid en momenteel gealloceerd aan Grassalco.
• Voorgesteld wordt om dit royalty recht van 6,5% voor 10 jaren in zekerheid te plaatsen bij de CBVS
• De Surinaamse overheid zal in ruil de geldswaarde van deze rechten ontvangen
• De waardering zal worden gebaseerd op de verdisconteerde kasstroommethode en gecontroleerd met verscheidene andere methoden.
• De opbrengst van de zekerheid zal worden gebruikt om de schuld van de Surinaamse Overheid af te lossen.

Deze overeenkomst (LAGARDE I) is op 18 september 2019 ondertekend door verdachte VAN TRIKT, Robert (toen als Governor van de CBVS). De medeverdachte HOEFDRAAD is als getuige gehoord in onderhavige strafzaak, doch op enig moment de status van verdachte gekregen in onderhavige strafzaak. Verdachte VAN TRIKT heeft bij de politie verklaard, dat hij deze overeenkomst in afstemming met de gewezen Minister van Financiën, medeverdachte HOEFDRAAD, G (verdachte) heeft ondertekend. De Minister van Financiën geeft echter aan dat het idee achter dit project hem bekend is maar dat hij niet op de hoogte was dat er reeds verregaande afspraken waren gemaakt tussen de CBVS en CLAIRFIELD BENELUX, die zijn uitgemond in een overeenkomst. Deze overeenkomst en de daaruit verkregen informatie regarderen de Staat Suriname en had de CBVS niet al zodanig moeten contracten en betalen en heeft de CBVS hier in strijd gehandeld met het derde artikel 16 van de Bankwet (quasi fiscale activiteit). Hierbij verklaard verdachte VAN TRIKT te hebben gehandeld in nauw overleg met de gewezen Minister van Financiën medeverdachte HOEFDRAAD. Uit een voice-bericht (communicatie tussen verdachten VAN TRIKT en HOEFDRAAD) blijkt ook dat er instructies worden gegeven aan verdachte VAN TRIKT door medeverdachte HOEFDRAAD m.b.t. de gesloten overeenkomsten met CLAIRFIELD.

Hoewel de gewezen minister van Financiën medeverdachte HOEFDRAAD, G als getuige eerder aangaf, dat het hem niet bekend was dat er reeds een overeenkomst/overeenkomsten waren ondertekend tussen de CBVS (VAN TRIKT) en CLAIRFIELD BENELUX (BUYSSE, Hans), komt er op 11 oktober 2019 een missive uit ondertekend door de voorzitter van de raad van ministers, de Vicepresident, Dr. ADHIN, A.

Op 01 november 2019 wordt er tussen de Minister van Financiën HOEFDRAAD, G en VAN TRIKT een overeenkomst ondertekend waarin het volgende wordt vastgelegd, namelijk dat de Staat ingaande 01 november 2019 voor de duur van 15 jaar en wel tot 01 november 2034 zijn royalty’s die Grassalco N.V. verkrijgt van I AM GOLD voortvloeiend uit de Delfstoffenovereenkomst d.d. 7 april 1994 afdraagt aan de CBVS. In de overeenkomst staat duidelijk vermeld, dat uit de aan de CBVS afgedragen inkomsten alle schulden die de Staat Suriname heeft bij de CBVS worden afgelost, alsmede de overschrijding op lopende rekeningen. ( Met andere woorden betreft dit geen leenovereenkomst, maar een overeenkomst waarin de Staatschuld (SRD 2,3 miljard) wordt afgelost middels de Royalty’s). In deze overeenkomst staat er ook een heel belangrijke clausule, namelijk dat de overeenkomst in werking treedt op het moment van ondertekening door beide partijen hetgeen ook is geschied en kan deze overeenkomst schriftelijk na wederzijds instemming worden gewijzigd.

Voormelde overeenkomst d.d 01 november 2019 (tussen de Minister van Financiën en de CBVS) is in opdracht van VAN TRIKT en in afstemming met de Minister van Financiën, HOEFDRAAD, G opgemaakt door een der directeuren van de CBVS, genaamd mevrouw HAUSIL, Faranaaz (directeur Legal Compliance and Internal Affaires) tevens medeverdachte. Eerder genoemde personen hebben haar, HAUSIL bepaalde instructies gegeven hoe de overeenkomst er inhoudelijk moest uitzien. VAN TRIKT heeft bij de politie aangegeven, dat HOEFDRAAD de informatie voor deze overeenkomst heeft gehaald uit het resultaat van project Lagarde. Uit het onderzoek is gebleken, dat enkele delen uit genoemde overeenkomst daadwerkelijk terug in de overeenkomst van 01 november 2019.

Naar aanleiding van de overeenkomst van 01 november 2019 en tegelijkertijd ook in strijd met hetgeen in deze overeenkomst is opgenomen, blijkt HOEFDRAAD in samenspraak met VAN TRIKT op vijf (5) verschillende dagen in totaal SRD 2.216.729.120, 00,- (2.2 miljard) te hebben getrokken van de CBVS, te weten:
• SRD 500. 000.000, 00, – op 07 november 2019;
• SRD 500. 000.000, 00, – op 12 november 2019;
• SRD 400. 000. 000, 00, – op 19 december 2019;
• SRD 673. 205. 996, 67, – op 9 januari 2020 en
• SRD 143. 523.123, 33, – op 26 februari 2020. (na vertrek van VAN TRIKT bij de CBvS)

Deze trekkingen door medeverdachte HOEFDRAAD en gefiatteerd door verdachte VAN TRIKT zijn in strijd met de artikelen 18 lid 1 en 21 van de Bankwet. (BLANCO KREDIET/VOORSCHOT)

Voorts blijkt uit het onderzoek, dat de CBVS geen besluit heeft genomen onder welke noemer deze cashflow naar de overheid (Ministerie van Financiën) moet worden geboekt. Er is geen sprake van een lening omdat de overeenkomst van 01 november 2019 waarop deze cashflow is gestoeld uitdrukkelijk aangeeft, dat de schuld van de overheid bij de CBVS wordt afgelost. Naar aanleiding daarvan is de SRD 2.216.729.120, 00 (SRD 2.2 miljard) op de verkorte balans van de CBVS ondergebracht onder de post “Diverse Rekeningen”.

Toelichting ad 2 en ad 3. m.b.t. de panden (1ste en 2de tranche)
De overeenkomst “Project prodigy Valuation of the Assets of the Government of Suriname” (ad2) is van 10 mei 2019 en is op dezelfde dag ondertekend door VAN TRIKT (CBVS) en BUYSSE, Hans (CLAIRFIELD BENELUX). In deze overeenkomst is er aangegeven, dat de CBVS momenteel de mogelijkheden exploreert om een waardering te verkrijgen van alle belangrijke activa en participaties vallende onder het aandeelhoudersbeleid van de Staat en daarbij CLAIRFIELD BENELUX om ondersteuning heeft gevraagd. Verder, dat aan CLAIRFIELD BENELUX wordt gevraagd om als financiële adviseurs op te treden met betrekking tot de analyse van de participaties en belangrijke activa welke de CBVS voornemens is uit te voeren in samenwerking met haar toezichthoudende minister (zijnde de Minister van Financiën) binnen het kader van de Surinaamse overheid inzake het aandeelhoudersbeleid van de Staat. Van deze overeenkomsten geeft de Minister van Financiën aan dat het idee achter deze projecten hem wel bekend is maar uit het onderzoek is gebleken, dat hij VAN TRIKT nimmer heeft voorgehouden, dat hij uiteindelijk een raamwerk met een kostenplaatje van hem verwachtte om zulks voor te leggen aan de regering om uiteindelijk te komen tot de ondertekening van de overeenkomsten. Net als bij (ad1) laat de Minister van Financiën de indruk ontstaan, dat hij niets afweet van de ondertekende overeenkomsten. Daartegenover blijkt uit het onderzoek dat HOEFDRAAD steevast gebruik maakt van de informatie die uit de overeenkomsten (ad2 en ad3) tussen CBVS en CLAIRFIELD BENELUX komen rollen.

Uit (whatsapp) voice berichten tussen VAN TRIKT en HOEFDRAAD blijkt duidelijk, over de werkafspraken tussen CBVS en CLAIRFIELD BENELUX waarbij door HOEFDRAAD zelf aanwijzingen heeft gegeven om te komen tot een betere informatie stroom naar CLAIRFIELD BENELUX in het kader van de samenwerking met CBVS zonder dat er daarbij ruis ontstaat zoals HOEFDRAAD die zelf typeert. Het kom erop neer, dat hij een brief door [naam 4] (adviseur van HOEFDRAAD) heeft laten opstellen, waarin hij de parastatale bedrijven naar informatie vraagt. Welke informatie nodig was voor de overeenkomst Prodigy 1. (ad2)

Uit een emailwisseling tussen BUYSSE, Hans en [naam 4], die uiteindelijk ook is doorgestuurd naar HOEFDRAAD blijkt duidelijk, dat er onder andere wordt gesproken over Prodigy 1. Een van de punten in Prodigy 1 is de brief die HOEFDRAAD naar de verschillende parastatale bedrijven heeft gestuurd. Met het laten opmaken en verzenden van deze brief naar de verschillende parastatale bedrijven heeft HOEFDRAAD invulling gegeven aan hetgeen dat tussen CLAIRFIELD BENELUX en CBVS is overeengekomen in Prodigy 1.

Een van de onderdelen van (ad 2 en ad 3) heeft betrekking op de overheidsgebouwen. Zoals eerder aangegeven heeft de Minister van Financiën gebruik gemaakt van een constructie om zeventien (17) overheidspanden “te verkopen” aan de CBVS. Er zijn twee brieven van de Minister van Financiën gericht aan VAN TRIKT (toen als governor) waarin hij aangeeft de desbetreffende overheidspanden “over te dragen” aan de CBVS voor een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening. Deze tekst is in strijd met de werkelijkheid omdat VAN TRIKT (als governor) in twee brieven aan de Minister van Financiën praat over het “aankopen van de overheidspanden”. Ten tweede heeft er nimmer een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening plaatsgevonden, integendeel heeft VAN TRIKT aan Financiën uitbetaald met middelen van de CBVS, namelijk een totaal bedrag van Euro 105 miljoen. De Minister van Financiën heeft in samenwerking met VAN TRIKT de volledige geschatte marktwaarden van de overheidspanden ontvangen en daardoor VAN TRIKT in strijd heeft laten handelen met artikel 18 van de Bankwet.

Korte uiteenzetting van de aangeschafte panden door de CbvS
De eerste tranche panden (de volgende panden behoren aan de Staat toe):
Schrijven van de Minister van Financiën aan de CBVS d.d. 26 juni 2019 :
1. Ministerie van Financiën (Tamarindelaan br. No. 3)
2. Ministerie van Financiën (Oud gebouw afdeling Thesaurie Inspectie – Mr. Dr. J. C. De Mirandastraat br. No 17)
3. Ministerie van Financiën (Oud gebouw afdeling Economische aangelegenheden – Onafhankelijkheidplein)
4. Ministerie van Justitie en Politie (Oud KKF gebouw – Mr. Dr. J. C. De Mirandastraaat br. No. 6)
5. Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (Waterkant br. No. 30 – 32)
6. Ministerie van Regionale Ontwikkeling (Roseveltkade br. No. 2)
7. Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond – en Bosbeheer (Cornelis Jongbawstraat 10-12)
8. Het gebouw van de Nationale Loterij aan de Keizerstraat.

In het schrijven waarin deze panden worden opgesomd wordt er aangegeven door HOEFDRAAD, dat deze panden een geschatte marktwaarde hebben van Euro 45, 000,000 (vijf en veertig miljoen Euro). In een missive van de Raad van Ministers d.d. 15 november 2019 ondertekend door de voorzitter van de Raad van Ministers, de Vice President, Dr. Ir. ADHIN, A. echter, ontbreekt er een resolutie van de President.

De 2de tranche (8 van de 9 panden behoren aan PUTTER toe): Schrijven van de Minister van Financiën aan de CBVS d.d. 20 september 2019 (2de schrijven).
1. Hoofdkantoor Ministerie van Financiën – S.M. Jamaludinstraat 26 (toebehorende aan Putter)
2. Directoraat Financiën – J.D. Gomperstraat 03 (toebehorende aan Putter)
3. Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 51 (toebehorende aan Putter)
4. Parking Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 36(toebehorende aan Putter)
5. Directoraat Ontwikkeling financiering – Henk A.E. Arronstraat 36 (toebehorende aan Putter)
6. Gebouw t.o. Belastingkantoor (Adviseur Min) – Van Sommelsdijkstraat 34 (toebehorende aan Putter)
7. Belastingkantoor – Van Sommelsdijk 27 (van de Staat)
8. Directoraat Belastingen (Oud -BDO gebouw) Kerkplein 12 (toebehorende aan Putter)
9. Het Nationaal Informatie Instituut (ABC gebouw) – Mahonylaan 55. (toebehorende aan Putter)

In het schrijven waarin deze panden worden opgesomd wordt er aangegeven door HOEFDRAAD, dat deze panden een geschatte marktwaarde hebben van Euro 60, 000,000 (zestig miljoen Euro). Uit het onderzoek is gebleken, dat deze panden nimmer zijn getaxeerd. Ook ontbreekt er een missive van de Raad van Ministers, alsook een resolutie van de President.
De betalingen voor de panden hebben op de navolgende dagen plaatsgevonden, namelijk:
• 28 juni 2019 ———————- SRD 377. 955.000,00
• 20 september 2019 ————– SRD 220.000.000,00
• 24 september 2019 ————– SRD 271.100.000,00
———————————————————————–
Totaal —————————— SRD 869. 055. 000, 00, –

Het totaalbedrag komt voor op de verkorte balans van de CBVS onder de post “Gebouwen en Inventaris” en VAN TRIKT heeft hiervoor autorisatie verleend middels twee afzonderlijke schrijven.

Kortom met betrekking tot de tranche panden:
• Met betrekking tot de panden, die zijn genoemd in het eerste schrijven (d.d. 26 juni 2019) van de Minister van Financiën. Van Trikt heeft ten behoeve van HOEFDRAAD instede van schuldverrekening, zoals vervat is in het schrijven dd. 26 juni 2019 en de missive van 15 november 2019, het bedrag overgeschreven zonder dat voormelde panden zijn overgeschreven t.n.v. / overgedragen aan de Bank.
• Met betrekking tot de panden, die zijn genoemd in het tweede schrijven (d.d. 20 september 2019)/ 2de tranche: Uit het onderzoek is gebleken, dat deze panden genoemd in de tweede brief niet in eigendom aan de Staat toebehoren, maar staan op naam van de navolgende stichtingen en naamloze vennootschappen, namelijk SATURNUS; Stg. KWATAKAMA; Stg. REDI OEDOE; Stg. WAWONA; Stg. HERITAGE SURINAME 2011; LESCOMP N.V. en FORCE ONE SECURITY N.V.

Stg. SATURNUS heeft als bestuurder [naam 5] geboren op [datum 2]. Stg. KWATAKAMA; Stg. REDI OEDOE; Stg. WAWONA; Stg. HERITAGE SURINAME 2011 en LESCOMP N.V. hebben als bestuurder INVESTMENT PARTNERS N.V. Van INVESTMENT PARTNERS N.V. en FORCE ONE SECURITY N.V. is PUTTER, PAUL geboren op [datum 3] in [stad], [land 2] het enig bestuurslid.

Genoemde panden zijn tot heden niet overgedragen ten behoeve van de CBVS, terwijl de betalingen reeds hebben plaatsgevonden door tussen komst van HOEFDRAAD ten behoeve van het Ministerie van Financiën ad Euro.105 miljoen ten laste van de CBVS.

Kortom: komt het voorgaande duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen en is deze te herleiden op grond van de bewijsmiddelen opgesomd onder de nummers 1 t/m 20. Ook vindt zulks de weergave uit het verkregen schriftelijk bewijs opgesomd onder 1 t/m 18.

• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder Feit IV t.a.v. verdachte Angnoe (Opzet – en Schuld Money Laundering en het juridische kader).
Zoals de woorden al zeggen gaat het bij money laundering van opbrengsten van misdrijven om het verbergen of het verhullen van de illegale herkomst van gelden of voorwerpen. Doel hiervan is om die opbrengsten aan het zicht van Justitie en Politie te onttrekken, zodat confiscatie wordt voorkomen.
Bij de in artikel 1 onder a strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen, die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. van een voorwerp te verbergen ofte verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor dc strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen ”verbergen” en ”verhullen” impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van dergelijke doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen die tezamen een geval van money laundering opleveren. De beoordeling van het bewijs van money laundering vraagt bijzondere aandacht en expertise. Daarbij is van belang, dal de vervolging bij de presentatie van het bewijsmateriaal de rechter op de rechtszitting goed voorlicht over de achtergronden van door de verdachten toegepaste constructies en de werking van bepaalde delen van de financieel economische sector.

Voor het bewijs van money laundering gebruik kan gebruik worden gemaakt van, zoals ze in internationaal verband wel worden genoemd, ”typologieën” van money laundering. Hierbij gaat het om min of meer objectieve kenmerken die naar de ervaring elders leert, duiden op money laundering van opbrengsten van misdrijven.

Zo is uit het onderzoek komen vast te staan dat Van Trikt samen met Angnoe en Buysse een deel (Euro 625.000, -) van het overgemaakt geld (Euro 1.250.000, -) ten behoeve van Clairfield (in het kader van overeenkomst Project Prodigy “Valuation of the assets of the Government of Suriname”) terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion (ORION CAPITAL INVESTMENT NV) waarvan Van Trikt enige aandeelhouder is. Het geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux via de Hakrinbank ten behoeve van verdachten. En om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is een vals document (incoming Payments ten behoeve van de MOT) door Agnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000, – betrekking zou hebben op project ‘strenght’, zijnde een project uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank NV door Clairfield en Orion/Angnoe. Met dit geld zijn er heel wat aflossingen gepleegd namelijk dat de leningen van Orion zijn afgelost bij de bank alsook persoonlijke leningen aangegaan door de echtgenote van Van Trikt bij Kersten en Co. zijn daarmede afgelost.

T.a.v dit vals stuk zijn getuigen gehoord, waaronder de directeur van de Hakrinbank die heeft aangegeven dat ten behoeve van project strength die overmaking dubieus blijkt te zijn, althans twijfels doet opwerpen daar project strenght nooit zoveel aan zou hebben opgeleverd ten behoeve van Clairfield en Orion/Angnoe. Nadat verdachte met dit omstandigheid geconfronteerd werd, alsook met voormeld vals stuk bleef hij steevast persisteren dat het een betaling betrof t.a.v. project ‘strenght’. Hij heeft ter ondersteuning daarvan een met de hand geschreven brief overhandig aan de rechter commissaris, alsook meerdere verklaringen met dezelfde strekking afgelegd.

Toen Angnoe geconfronteerd werd met de getuigen verklaring kwam hij terug op zijn eerder afgelegde verklaring en gaf aan dat voornoemde overmaking van Euro 625.000, – betrekking had op project Prodigy en geen project strength.

Het document welke valselijk werd opgemaakt te weten incoming Payments betreft een document welke bedoeld is voor de afdeling MOT (Meldpunt Ongebruikelijke Transacties), die eventuele ongebruikelijke transacties verifieert. Het was juist voor verdachte Angnoe juist daarom van belang om deze transactie te omzeilen en toe doen blijken dat het doel van deze transactie een andere was dan de werkelijkheid.

Ook is er Euro 100.000,- via de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW (in welke vereniging zitting hebben Van Trikt, Angnoe en Buyse ) overgemaakt in Nederland op een rekening van [getuige 15] ten behoeve van MN Carcenter als aanbetaling voor de aanschaf van een Range Rover (waarde van Euro 200.000, -). Over de vraag t.a.v. de verkrijging, herkomst c.q. beheer van financiën van voornoemde kunnen /konden geen der voornoemde verdachten een deugdelijke verklaring afleggen.

Kortom: komt het voorgaande duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen en is deze te herleiden op grond van de bewijsmiddelen opgesomd onder de nummers 4, 5, 12, 14,15 en 19. Ook vindt zulks de weergave uit het verkregen schriftelijk bewijs opgesomd onder 1, 2, 3, 4, 5, 8 en 9.

• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder feit III t.a.v. verdachte Angnoe (Vervalsing van bescheiden, gekwalificeerde valsheid in geschrifte en valsheid in geschriften en het juridische kader).
Met betrekking tot de artikelen 278 & 279 Sr. Het gaat (het zgn. beschermd belang) bij deze artikelen ten eerste omtrent het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen en ten tweede het mogelijke nadeel dat door de valsheid wordt geleden. Ook is niet vereist bij voornoemde artikelen dat er daadwerkelijk nadeel was geleden, doch nadeel moest wel kunnen ontstaan. (mvt Wetboek van Strafrecht SB 2015 no 44 pg 211 e.v. ).

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte Van Trikt een document – inhoudende statistieken of tabellen met totaal bedragen betreffende valuta-interventies van enkele maanden te weten vanaf maart 2019 tot en met juli 2019- zijnde een geschrift, valselijk heeft doen opmaken en heeft doen vervalsen waarbij hij daartoe aan [getuige 2] en/of [getuige 1] en [getuige 6] althans aan medewerkers van de Bank de opdracht heeft gegeven of hun heeft geïnstrueerd valselijk althans in strijd met de werkelijkheid, in vermeld document inhoudende die statistieken of tabellen van totaal bedragen aan valuta-interventies over de maanden maart tot en met juli van het jaar 2019 te doen noteren in ieder geval doen opnemen in ieder geval anders dan de werkelijkheid te doen verwerken en die te verstrekken aan de Minister van Financiën met de bedoeling om het in DNA te presenteren.

De verdachte Angnoe heeft het document “incoming Payments” valselijk opgemaakt. Vermeld document – dat bestemd is voor de controle door de afdeling Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) en welk document dient als verklaring van de reden of een doel van te ontvangen gelden bij de Hakrinkbank NV. Verdachte Angnoe heeft daarin als reden vermeld doen: “Project Strenght”, althans een fictief of een valse omschrijving als doel/reden van die geldovermaking (Euro 625.000,-) vanuit het buitenland ten behoeve van hem, verdachte of de rechtspersoon ORION CAPITAL INVESTMENT NV, zulks als ware voormelde gelden overgemaakt voor betaling van door hem, verdachte en ORION CAPITAL INVESTMENT NV verrichtte werkzaamheden ten behoeve van het “Project Strength” bij de Hakrinbank NV, hetgeen in strijd is met de waarheid.

Kortom: komt het voorgaande duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen, en is dit boven aangehaalde te herleiden op grond van de bewijsmiddelen en het schriftelijk bewijs.

Het oordeel van de kantonrechter
Gelet op al hetgeen hier voren is aangehaald en in samenhang met de opgesomde bewijsmiddelen kan – tegenover de ontkenningen van beide verdachten – vastgesteld worden dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten en hun mededaders, waarbij er duurzaam en in structureel verband is samengewerkt en daarbij wettelijke bepalingen zoals vervat in het Wetboek van Strafrecht en de Bankwet doelbewust zijn vertrapt. Dit voorgaande met het enig oogmerk om financiering ten behoeve van hunzelf en/of aan een of meer aan hun toebehorende rechtspersonen en de financiering van de overheidsuitgaven ten behoeve van de verdachte Hoefdraad, waarbij als gevolg van ontstane tekorten ten nadele van de staatsinstelling in deze de moederbank (CbvS), aan die ernstig financieel nadeel is toegebracht. Verdachte Van Trikt heeft steevast te kennen gegeven dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en telkens het belang van de Bank heeft gediend, doch niets daarvan is gebleken. Hij heeft juist het tegendeel gedaan.

Verdachten Van Trikt en Angnoe hebben op flagrante wijze de financiële middelen toebehorende aan de Bank verkwist. Hierbij ontstaat de indruk dat verdachte Van Trikt mede voor dit doel in de functie van governor bij de Bank is geplaatst door medeverdachte Hoefdraad. Op zijn beurt betrekt Van Trikt zijn medeaandeelhouder / partner Angnoe als adviseur bij de Bank.

Als toenmalig governor moesten Van Trikt en zijn zakenpartner Angnoe als register accountant) hebben geweten dat dergelijke handelingen helemaal niet passen binnen de wet en regelgeving. Desondanks hebben zij meegewerkt aan voormelde constructies.

Door de verrichtingen van verdachten en hun mededaders werd aan de CBvS ernstige financiële klappen toegebracht en dat heeft geleid tot nadelige gevolgen voor de Surinaamse economie, gevolgen waarmee de Surinaamse samenleving thans mee geconfronteerd wordt. Verdachten hebben door hun genomen besluiten en handelingen duidelijk andere belangen gediend te weten hun eigen financiële belangen en die van medeverdachte HOEFDRAAD en daarmede de CBvS ernstig financieel benadeeld.

Verdachten hebben beiden als register accountants misbruik gemaakt van hun kennis en posities als governor bij de Bank en aldaar als adviseur. Zij hebben het vertrouwen dat in hun gesteld was in ernstige mate geschaad.

Ten aanzien van corruptie merkt de kantonrechter nog het volgende op. In de onderhavige zaak is er sprake van grootschalige corruptie: “consists of acts, committed at a high level of government that distort policies or the central functioning of the state, enabling leaders to benefit at the expense of the public good.” (zie Transparancy International, geraadpleegd op 1 juli 2015, van http:// www. Transparancy.org/glossary/term/corruption). Bij corruptie is de context van het corrupt handelen en de gelegenheid die door de organisatie wordt geboden van belang. Er zijn drie voorwaarden nodig voor het plegen van het delict namelijk: een gemotiveerde dader, een aantrekkelijk doelwit en weinig of geen toezicht. Bepaalde functies brengen een zekere mate van status en macht met zich mee. Het is die macht, en het vertrouwen in de bekleder van die macht, die misbruikt wordt ten eigen bate. Het beroep brengt als het ware een eigen gelegenheidsstructuur met zich mee. De handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd worden vergeleken met een slechte boomgaard, een institutionele context waar de organisatie, het soort werk en de werkcultuur een belangrijke rol hebben gespeeld. Bij corruptie falen zowel de individuen als de organisatie: de organisatie creëert de gelegenheid om corruptie te plegen. Personen die corruptie plegen en aldus de organisatie corrupt maken hebben veelal hun gedrag aangeleerd via (non) verbale communicatieprocessen in een omgeving waarin anti – sociaal gedrag ook veel voorkomt: het is ieder voor zichzelf en getuige dit ook op grond van de verklaringen bij de rechter – commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek afgelegd, het gebrek aan verantwoordelijkheid en accuraat handelen van verdachte en zijn mededaders. Mede daardoor heeft verdachte zich de behoeften en (morele) opvattingen en vaardigheden eigen gemaakt die het plegen van corruptie bevorderen. Ook persoonlijkheidskenmerken kunnen corrupt gedrag bevorderen bijvoorbeeld: materialisme, aan macht over de omgeving, de sterke behoefte om bij anderen gezien te worden en belangrijk geacht c.q. erkend te worden alsook een ongezonde loyaliteit aan opdrachtgevers of partners die (politieke) macht bekleden.

Uit de processen – verbaal van de politie, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de variabelen van meso en micro niveau voor een groot deel aanwezig waren om te komen tot de vaststelling van corruptie die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd. Deze variabelen zijn ook belangrijke toetsstenen om na te gaan of er sprake is van good governance van instituten. De Centrale Bank van Suriname en Orion hebben ten tijde van de tewerkstelling van verdachte en zijn mededaders, gefunctioneerd als een corrupt orgaan vanwege de corruptieve handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd.

De variabelen op mesoniveau zijn:
1. Leiderschap waarbij de rol van de leidinggevende centraal staat. De leidinggevende:
a) geeft niet het goede voorbeeld en is niet bepaald een integere leider;
b) is onduidelijk over wat is toegestaan;
c) spreekt de medewerkers niet aan op regelovertredend gedrag;
d) geeft geen ondersteuning aan integer gedrag.

2. Procedures, deze variabele betreft het bestaan en de naleving van wet – en regelgeving en de uitwerking daarvan in procedures. De procedures:
a) Zijn niet schriftelijk vastgelegd;
b) Sluiten niet aan bij de praktijk;
c) Zijn niet gericht op het voorkomen van integriteitsrisico’s;
d) Zijn niet duidelijk;
e) Zijn niet bekend;
f) Worden niet nageleefd door de medewerkers.

3. Controle. Aan de hand van deze variabele wordt nagegaan in hoeverre er sprake is van interne of externe controle. Met de controles:
a) Wordt niet nagegaan of volgens de voorgeschreven procedures wordt gewerkt;
b) Worden medewerkers niet aangesproken op regelovertredend gedrag;
c) Wordt niet opgetreden en bestraft indien wordt afgeweken van de procedures.

4. Organisatiecultuur. Deze variabele gaat over het moraal binnen de organisatie en de groepscultuur. In een niet integere organisatiecultuur:
a) gaat men niet zorgvuldig om met elkaar, de middelen van de organisatie en (vertrouwelijke) informatie:
b) ontbreekt onderling vertrouwen en open communicatie;
c) voelen medewerkers zich niet veilig om vragen te stellen als zij strafbare feiten – zoals corruptie – vermoeden;
d) bestaat geen onderling corrigerend gedrag.

5. Integriteitsbeleid. Het gaat hier erom of er binnen de organisatie speciale aandacht is voor het woord integriteit:
a) er zijn geen integriteitsvoorschriften (wettelijke regelingen, gedragscode, vertrouwenspersoon, meldprocedure);
b) de integriteitsvoorschriften zijn niet bekend bij de medewerkers;
c) medewerkers worden niet gescreend;
d) risicofuncties worden niet benoemd;
e) medewerkers volgen geen integriteitstrainingen.

De variabelen op microniveau
1. Persoonlijkheidskenmerken. Er is sprake van een of meer persoonlijkheidskenmerken bijvoorbeeld:
a. Welbespraakt
b. Overtuigend
c. Megalomaan (op zichzelf gericht)
d. Principeloos
e. Onverantwoordelijk

2. Motieven
a) Geld
b) Macht

3. Rationaliteit van handelen, waarbij er sprake is van een rationele keuze aan de hand van een kosten- en batenanalyse. Corrupte bestuurders en ambtenaren zijn vaak rationele wezens die maximaal profijt nastreven met het eigen belang voorop: zij proberen de instituties in hun eigen voordeel te hervormen door meer macht naar zich toe te trekken. Potentiële daders van corruptie maken een bewuste keuze van de kosten en baten analyse. Zij zijn bereid om corruptie te plegen als zij verwachten dat de opbrengsten groter zijn dan de kosten. “Opbrengsten” staan niet uitsluitend voor financieel gewin, maar ook voor het bereiken van een bepaalde status, aanzien en macht. Het begrip “ kosten” betreft niet alleen de kosten van steekpenningen, maar ook het ingeschatte risico van een lage pakkans ( waar verdachte en haar mededaders bedrogen in zijn uitgekomen) en het risico op een eventueel baanverlies ( als ik niet doe wat mijn meerdere mij opdraag kan ik mijn baan verliezen) of een reputatieschade ( in ga mijn aanzien bij mijn meerderen verliezen als ik niet doe wat zij van mij vragen).

4. Neutralisatietechnieken. De gedragingen worden vooraf en/of achteraf verantwoord door toepassing van een of meer van de volgende neutralisatietechnieken:
a) Ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid
b) Ontkenning van schade of benadeling
c) Ontkenning van slachtoffer(s): niemand is benadeeld. Handelingen gepleegd in het belang van land en volk / ik heb het beste met het land voor/ vaderlandsliefde.
d) Veroordeling van de oordelaars cq degenen die de wantoestanden aan het licht hebben gebracht
e) Verwijzing naar hogere plichten of morele principes: een groot risico genomen, financiering gegeven zonder enige dekking daartegenover, wij zijn vooruitgelopen op zaken en we hadden er geloof in dat het wel goed zou komen, Ik ben loyaal aan mijn opdrachtgevers en had het beste voor met het land.

Bovenstaande variabelen op mesoniveau en microniveau zijn belangrijke toetsstenen voor instanties die bemenst worden door publieke functionarissen en hun medewerkers of zakenpartners als mogelijke deelnemers, teneinde na te gaan of er sprake is van good governance, sterke democratische instituten met transparante regels en werkwijzen en een veilige werkomgeving. Burgers dienen vertrouwen te hebben in publieke functionarissen en hun medewerkers of zakenpartners en de instituten waaraan zij leiding geven. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben – op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in samenhang met de geraadpleegde literatuur en de jurisprudentie – verdachte en zijn mededaders gefaald om aan de noodzakelijke voorwaarden te voldoen met als gevolg een geschokte rechtsorde en een zeer grote benadeling van de Centrale Bank van Suriname en in het verlengde daarvan ook De Staat Suriname vanwege de economische malaise waarin ons land is komen te verkeren als gevolg van de handelingen van verdachte en zijn mededaders.

De maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor wat betreft het verweer van verdachte inzake artikel 54 e Sr. (de maatregel tot ontneming) is de kantonrechter van oordeel dat de redenering van de verdediging dat deze maatregel niet kan worden uitgevoerd omdat er geen sprake is van een veroordeelde, onjuist is. In de M.v.T. op artikel 54e wordt namelijk aangegeven dat deze maatregel is ingevoerd ter bestrijding van de in aantal toegenomen georganiseerde en lucratieve vormen van voornamelijk internationale criminaliteit (zoals fraude, witwassen mensenhandel en handel in verdovende middelen. Voorts dat het accent van de maatregel van artikel 54e Sr. ligt op het afromen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, inclusief alle daarmee verworven zaken of vermogensrechten( huizen, aandelen) en de eventueel weer uit die zaken of vermogensrechten verkregen voordelen (huurpenningen, dividend, uitkeringen). De stelling van de verdediging dat blijkens Tekst en Commentaar voor de maatregel van artikel 54e een afzonderlijke procedure is gecreёrd is onvolkomen. In Tekst en Commentaar Strafrecht (Cleieren/Nijboer 7e druk) wordt in de toelichting op artikel 36e ned. Sr.(art.54e sur. Sr.) o.a. aangegeven dat deze vordering op één en dezelfde terechtzitting kan samengaan met de vordering in de strafzaak als het om eenvoudige zaken gaat. Bij ingewikkelde ontnemingszaken kan de ontnemingsprocedure plaatsvinden na de procedure in de strafzaak. De zaak in casu is qua inhoud erg omvangrijk, maar er is geen sprake van een ingewikkelde ontnemingsprocedure omdat uit het opsporings – en het uitvoerig gerechtelijk vooronderzoek van de Rechter Commissaris duidelijk is aangetoond wat het wederrechtelijk verkregen voordeel is.

De strafbaarheid van de feiten
De te bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. Verdachte is een first offender voor de wet en zal de kantonrechter daarmee rekening houden met de strafmaat.

De motivering van de straf.
Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan de hierna te melden straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijk duur met zich brengt. De ernst van de feiten ligt in de grote benadeling en verregaande nadelige gevolgen welke de gepleegde strafbare feiten tot gevolg hebben voor de economie van het land en de Surinaamse samenleving. Het kan en mag niet zo zijn dat burgers hard werken en offers brengen om op een eerlijke manier in hun levensonderhoud te voorzien terwijl personen die diensten verlenen aan mensen in leidinggevende posities van financiële instellingen van de Staat, uit puur opportunisme voor zichzelf en hun medeverdachten op onverantwoorde wijze en in strijd met wetten en procedureregels omgaan met staatsfinanciën en daarbij voorbijgaan aan het algemeen belang. Verdachte en zijn mededaders hebben heel belangrijke rollen gehad binnen het geheel.
De verdachte Van Trikt is werkzaam geweest als governor van de Centrale Bank van Suriname, een verantwoordelijke functie. De Centrale Bank van Suriname vervult immers een belangrijke wettelijke taak, waaronder het waarborgen van de waarde van de Surinaamse munt. Van de leidinggevende van zo een gezaghebbende staatsinstelling mag een voorbeeldfunctie verlangd worden en wordt integer, verantwoordelijk en zorgvuldig handelen verwacht. Deze persoon dient elke schijn van belangenverstrengeling en niet integer handelen te voorkomen.

Dit dient verdachte Angnoe, Ashween Ryan als register accountant ook te weten; hij heeft zich er niet om bekommerd welke schade door zijn handelen werd aangericht aan het imago en de betrouwbaarheid van de Centrale Bank van Suriname en het financieel welzijn van de samenleving.

Op grond van het hierboven aangehaalde en mede gelet op verdachte ANGNOE, ASHWEEN RYAN enerzijds een essentiële rol binnen het geheel heeft gehad en anderzijds een first offender is, zal de kantonrechter de na te melden straf als hieronder vermeld opleggen.

De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Verklaart het bewezenverklaarde onder I, II A; III A; IV A van de ten laste legging strafbaar en kwalificeert dit als volgt:
• onder feit I primair, medeplegen aan het eerste lid van artikel 13 van de Anti-Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 1 Anti-Corruptiewet juncto artikel 72 Sr.
• onder feit II A primair, medeplegen aan het tweede lid van artikel 13 van de Anti-Corruptiewet, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 13 lid 2 Anti-Corruptiewet juncto artikel 72 Sr.
• onder feit IIIA (primair) valsheid in geschrifte, welk feit strafbaar is gesteld in artikel 278 lid 1 Sr;
• onder feit IVA (primair): medeplegen aan opzettelijk money laundering, welk feit strafbaar is gesteld in art. 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B. 2002 no. 64 juncto artikel 72 Sr.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing van de Kantonrechter berust mede op de artikelen 9, 11, 38, 43, 44, 54 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING VAN DE KANTONRECHTER
• Verklaart de onder I; IIA; III A, IVA ten laste gelegde feiten zoals hierboven is vermeld wettig en overtuigend bewezen;
• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
• Veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vier (4) jaren.
• Bepaalt dat de tijd door de verdachte vόόr de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
• Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete tot een totaal bedrag van SRD 150.000, – (honderdvijftigduizend Surinaamse Dollar) subsidiair 12 maanden hechtenis.
• Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.
• Verklaart verbeurd het onroerend goed te weten ORION CAPITAL INVESTMENTS N.V. gevestigd aan de [adres 2] te [district], op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50 a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a.
• Beveelt de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,– (zeshonderd vijfentwintig Euro) op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachten Van Trikt, Robert Gray en Angnoe, Ashween Ryan c.q. verplicht hen tot betaling van voormeld geldsbedrag.
• Verklaart verbeurd het voertuig van het merk Range Rover die bij verdachte Angnoe, Ashween Ryan in beslag is genomen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Kuldip Singh, kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in tegenwoordigheid van A. A.Kalloe LL.B., griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 31 januari 2022.

De Griffier, De Kantonrechter,

Mw. A.A.KALLOE,fg. Mr. M.V. KULDIP SINGH

SRU-aa–2208

KANTONGERECHT

Vonnisnummer: 52
Datum uitspraak: 31 januari 2022
Tegenspraak
Raadslieden: mr. B. Pick en mr. R. Tjong A Joe

VONNIS
van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden als hierboven voornoemd, advocaten bij het Hof van Justitie.

KROMOSOETO, GINMARDO BUDIONO
Geboren op [datum] te [district]
Van beroep bankier
Wonende aan de [adres] te [district].

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden als hierboven voornoemd, advocaten bij het Hof van Justitie.

HET ONDERZOEK VAN DE ZAAK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 december 2020, 12 januari 2021, 26 januari 2021, 9 februari 2021, 30 maart 2021, 29 april 2021, 25 mei 2021, 29 juni 2021, 13 juli 2021, 17 augustus 2021, 15 oktober 2021 en 22 december 2021 en 31 januari 2022.

De Kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. C. Klein – Jules, van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mr. R. Tjong A Joe en mr. B. Pick naar voren hebben gebracht en hetgeen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen is gebleken.

DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING
De dagvaarding voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 242 van het wetboek van Strafvordering en is derhalve geldig.

DE BEVOEGDHEID VAN DE KANTONRECHTER
Krachtens de wettelijke bepalingen is de kantonrechter bevoegd om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
De verdediging stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vordering omdat de vervolging van verdachte is ingesteld krachtens artikel 13 van de Anti Corruptiewet en de Commissie als bedoeld in artikel 2 van voormelde wet nog niet ingesteld was ten tijde dat verdachte in verzekering werd gesteld. De melders ex artikel 1 van de Anti Corruptiewet kunnen meldingen van misstanden doen bij deze commissie en de commissie kan deze meldingen vervolgens doorgeleiden naar de Procureur – Generaal. De wetgever heeft hiermee beoogd dat geregistreerde gevallen worden onderzocht en dat daarbij rekening wordt gehouden met het opportuniteitsbeginsel. Ten tijde van de brief van 28 januari 2020 was er nog geen commissie ingesteld en hebben de melders zich rechtstreeks gewend tot de Procureur – Generaal. Noch uit het politioneel onderzoek noch uit het GVO is gebleken dan wel is komen vast te staan, dat de in de Anti Corruptie Wet genoemde commissie, corruptie heeft vastgesteld en dat er naar aanleiding daarvan een strafrechtelijk onderzoek is verzocht. In casu is derhalve in strijd gehandeld met de Anti Corruptie Wet. Verder blijkt uit geen van de in de dagvaarding genoemde feiten dat aan verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij door het aannemen van een gift, dienst of belofte misbruik heeft gemaakt van zijn functie door iets te doen of na te laten waarbij hij of een ander onrechtmatig voordeel hebben gekregen. Derhalve dient het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard dan wel dient de verdachte Kromosoeto ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie stelt daartegenover het volgende. Onze strafrechtwetgeving geeft duidelijk aan op grond van welke bepalingen er een strafrechtelijk onderzoek dan wel een vervolging kan worden ingesteld door het Openbaar Ministerie. Ook blijkt nergens in de Anti Corruptie Wet dat het hebben van een Commissie de noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen, noch kan ergens uit worden afgeleid dat de wet niet uitvoerbaar is zonder instelling van de anti-corruptie Commissie. Ook is dat niet af te leiden uit de Memorie van Toelichting. De Commissie als bedoeld in de Anti Corruptiewet heeft slechts taken m.b.t. regulering en monitoring van het preventiebeleid. Het verband dat de verdediging probeert te leggen tussen het installeren van de anti-corruptie Commissie en het instellen van een strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 13 van de Anti Corruptie Wet snijdt dan ook geen hout.

Vaststaat dat het strafrechtelijk onderzoek werd aangevangen nadat er aangifte is gedaan door functionarissen van de CBvS, in opdracht van de gewezen minister van Financiën. Conform de regels van het Wetboek van Strafvordering – in casu art. 113 Sv – heeft de Procureur Generaal instructies gegeven tot het verrichten van een onderzoek. Artikel 18 van de Anti Corruptie Wet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in het 1ste en 2de lid van artikel 17 van dezelfde wet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie dan ook bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten (zie art 3 Wet RIS). Bovendien staat in de M.v.T. van voormelde wet op pagina 28 het volgende: “De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken valt onder de exclusieve bevoegdheden van het Openbaar Ministerie en de Procureur-generaal.” Voorts verwijst de M.v.T. op pag. 31 naar strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht die aanvankelijk zouden worden opgenomen in de Anti – Corruptiewet en vermeldt: ‘’Deze vernieuwing van de bestaande bepalingen met betrekking tot anti-corruptie in het herziene Wetboek van Strafrecht waren aanvankelijk onderdeel van deze wet. Aangezien het herziene Wetboek van Strafrecht reeds eerder de goedkeuring heeft verkregen van De Nationale Assemblée, zijn bedoelde verruimde anti-corruptie bepalingen uiteraard niet meer opgenomen in deze wet.’’ Op grond hiervan houdt de stelling van de verdediging geen stand en moet daaraan worden voorbijgegaan.

Het oordeel van de Kantonrechter
De officier van justitie heeft de door de verdediging opgeworpen formele verweren gemotiveerd weersproken zoals hierboven is vermeld. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de verweren van de raadslieden geen stand houden en is de conclusie dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering.

DE SCHORSING VAN DE VERVOLGING
Er zijn geen redenen gebleken om de vervolging te schorsen.

DE TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Het ten laste gelegde komt erop neer dat de verdachte zich – kort en zakelijk weergegeven – schuldig heeft gemaakt aan:

I. Deelneming criminele organisatie zoals genoemd in artikel 188 van het wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44.

II. A en II. B. Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan overtreding van de Anti – corruptiewet, zoals genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 8.
III. A en III. B. Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan ambtsverduistering van geld of geldswaardig papier, zoals genoemd in artikel 423 van het wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44.

VI. A en IV. B. Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan overtreding van de anti – corruptiewet, zoals genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 8.

V. A en V. B Medeplegen c.q. medeplichtigheid aan ambtsverduistering van geld of geldswaardig papier, zoals genoemd in artikel 423 van het wetboek van Strafrecht S.B. 2015 no. 44.

DE VORDERING VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder I, II A, III B, IV A en V B van de dagvaarding. Zij verwijst naar de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen afgelegd bij de politie en tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek en op de terechtzitting. Daarbij wordt gevorderd dat verdachte wordt veroordeelt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren, onder aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een geldboete tot een totaal van SRD 150.000,– subsidiar 12 maanden hechtenis en handhaving van het bevel tot gevangenhouding.

HET STANDPUNT VAN DE VERDEDIGING
De verdediging is – kort en zakelijk weergegeven – van mening dat de tenlaste gelegde feiten niet zijn bewezen. Uit de processtukken blijkt niet dat verdachte heeft samengewerkt met de heer Gilmore Hoefdraad en Robert van Trikt en is het bewijs van medeplegen en medeplichtigheid van de in de dagvaarding genoemde feiten ook niet geleverd. De verdediging concludeert tot vrijspraak voor de verdachte.

HET OORDEEL VAN DE KANTONRECHTER
De Kantonrechter acht op grond van de inhoud van de hieronder genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder I, II A, III B, IV A en V B ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat hij:

I. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en februari 2020, in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

(telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan hij verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij (telkens) tot het oogmerk had tot het begaan van misdrijven, te weten
• het (telkens) om een feit, bedoeld in het eerste lid van artikel 18 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, te weten het (telkens) opzettelijk doen verstrekken van een of meer blanco kredieten of voorschotten door de Centrale Bank van Suriname en
• het in strijd te handelen met het verbod, als bedoeld in het vierde lid van artikel 18 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, te weten het doen aanschaffen en het doen bezitten van één of meer onroerende goederen door de Centrale Bank van Suriname, zonder dat de Centrale Bank van Suriname daarbij een redelijk belang had en
• het (telkens) verrichten van verboden handelingen en het nemen van besluiten waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn overeengekomen, waarbij (telkens) in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste en vierde lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en procedures ten einde voor zichzelf en/of ten behoeve van (een) ander(en) enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen, als bedoeld in artikel 13 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 en
• het (telkens) opzettelijk door VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname, doen verduisteren of het toelaten van het verduisteren of wegnemen van een of meer geldsbedrag(en) of geldswaardig papier, dat die VAN TRIKT, ROBERT-GRAY in zijn bediening onder zich had, als bedoeld in artikel 423 Wetboek van Strafrecht en
welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast hem verdachte, uit VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no.173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën, zijnde één of meer publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85 en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en PUTTER, ROBERT, PAUL.
(artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht)

II. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën, zijnde één of meer publieke functionarissen in de uitoefening van hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85 en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en PUTTER, ROBERT, PAUL verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn overeengekomen, waarbij door hem en zijn voornoemde mededaders in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste en vierde lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en procedures teneinde voor zichzelf en ten behoeve van (een) ander(en) te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, althans één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen,

hebbende immers hij verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK tezamen en in vereniging als voormeld, althans alleen, de volgende handelingen verricht en ideeën bedacht en naar aanleiding daarvan voorstellen gedaan en besluiten genomen en gesprekken gevoerd, in ieder geval het initiatief genomen om ten behoeve, althans ten laste van de Centrale Bank van Suriname, zijnde een staatsinstelling, één of meer koopverkoopovereenkomsten van 17, (zeventien), althans één of meer onroerende goederen aan te gaan in het kader van een schuldverrekening en/of ter schuldsanering ten behoeve van het ministerie van Financiën, althans de Staat Suriname en,

hebbende hij, verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK daartoe voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE zijnde de gewezen minister van Financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname geadviseerd, althans een of meer (oneigenlijke) voorstellen gedaan en ideeën bedacht en naar aanleiding daartoe gesprekken gevoerd en berichten per email aan voornoemde medeverdachten gepresenteerd, in ieder geval geïnstrueerd, om voormelde 17, (zeventien), onroerende goederen door de Centrale Bank van Suriname te doen kopen en te doen aankopen, althans voormelde onroerende goederen ten behoeve van een schuldverrekening te doen overnemen van het Ministerie van Financiën, althans de Staat Suriname, terwijl die onroerende goederen niet noodzakelijk waren voor de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname en waarvan 8(acht) van voornoemde onroerende goederen niet aan de Staat Suriname toebehoorden, doch aan een of meer rechtspersonen te weten INVESTMENT PARTNERS N.V en LIFESTYLE TRUST N.V. en N.V. LESCOMP en FORCE ONE SECURITY N.V en aan voornoemde PUTTER, ROBERT, PAUL, die enige bestuurslid en directeur was van voornoemde rechtspersonen en waarvan een of meer van voormelde onroerende goederen, vooraf door de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK en anderen bezwaard waren middels hypotheken en waarop een of meer beslagen waren gelegd en zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking voornoemde onroerende goederen en zonder dat hij, verdachte zich daarvan had overtuigd en

hebbende voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname (na voormelde ideeën en/of voorstellen) vervolgens ten aanzien van voornoemde onroerende goederen – in stede van een schuldverrekening – een blanco krediet dan wel een voorschot ter waarde van totaal SRD 869.055.000,- (achthonderd en negenzestig miljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollars) aan die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën verstrekt, zonder dat voormelde 17(zeventien), althans een of meer van die panden werd/werden overgedragen aan de Centrale Bank van Suriname en zonder dat de Centrale Bank van Suriname daarbij – als na te melden – een redelijk belang had en

hebbende hij, verdachte aldus tezamen en vereniging als voormeld althans alleen, bij de door voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname genomen besluit(en) met name het accorderen en/of aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomst(en) ten aanzien van voormelde onroerende goederen ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname, in strijd gehandeld met de bepaling in het eerste en het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval in strijd gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en/of het eerste en vierde lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en/of procedures ten einde voor zichzelf en/of ten behoeve van een ander te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als minister van Financiën (ten behoeve van het ministerie van Financiën) enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen te weten een totaal bedrag SRD. 869.055.000, – (achthonderd en negenenzestig miljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse Dollars), althans een ander totaal bedrag in Surinaamse Dollars, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financieel nadeel heeft ondervonden en

zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus opzettelijk financieel benadeeld, door het verstrekken van voormelde (oneigenlijke) voorstellen en (oneigenlijke) adviezen, althans door het verrichten van vermelde handelingen door hem, verdachte, als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB. 2017 no. 85 en zijn mededader(s) opzettelijk financieel benadeeld en

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB. 2017 no. 85;
(medeplegen van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti – Corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 Wetboek van Strafrecht)

III. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

B. VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde alstoen de minister van Financiën, althans een politieke ambtsdrager en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en met PUTTER PAUL ROBERT (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000, – (honderd en vijf miljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000, – (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig geld of geldswaardig papier, dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in zijn bediening als de president van de Centrale Bank van Suriname onder zich had, heeft verduisterd en heeft toegelaten dat het door een ander te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE werd weggenomen of werd verduisterd,

immers heeft voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en zijn voornoemde mededader(s) (telkens) opzettelijk (onverschuldigd) één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot € 105.000.000, – (honderd en vijf miljoen Euro’s), althans een ander in Surinaams dollars equivalent bedrag te weten een totaal van SRD. 869.055.000,- (achthonderd negenenzestigmiljoen en vijfenvijftigduizend Surinaamse dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig goed toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd was/waren ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173, aan diens bestemming onttrokken en

hebbende VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in gemeen overleg en afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname en een zekere PUTTER PAUL ROBERT, zeventien panden, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers van de Republiek Suriname voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking voornoemde onroerende goederen en

hebbende voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname (vervolgens) de autorisatie verleend, althans de opdracht gegeven om voormelde geldbedragen te (doen) verstrekken aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën als betaling voor de aankoop van die onroerende goederen en aldus voormelde geldbedragen wederrechtelijk en oneigenlijk aangewend, althans onttrokken aan diens bestemming en tot bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met september 2019, in het jaar 2019, te Paramaribo en elders in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door deel te nemen en te participeren bij de totstandkoming van voormelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige besluiten en ter ondersteuning van vermelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige handelingen en genomen nadelige besluiten, door toen aldaar als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 aan voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als president van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën een of meer (oneigenlijke) voorstellen te doen en gesprekken gevoerd en (oneigenlijke) adviezen te doen en daartoe een e – mailbericht opgesteld en (oneigenlijke) ideeën bedacht, in ieder geval geïnstrueerd/voorgesteld om voormelde 17, (zeventien), onroerende goederen door de Centrale Bank van Suriname te kopen en op te doen aankopen, althans voormelde onroerende goederen ten behoeve van een schuldverrekening te doen overnemen van het Ministerie van Financiën, althans de Staat Suriname en zulks terwijl hij, verdachte wist dat:
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als president van de Centrale Bank van Suriname bij het plegen van vermelde handelingen in strijd handelde met het tweede lid van artikel 16 en het eerste en het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en
• dat (8), althans een of meer van voornoemde onroerende goederen niet aan de Staat Suriname en aan de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK toebehoorden en
• dat een of meer van voornoemde onroerende goederen bezwaard waren middels hypotheken en beslagen en
• zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers van de Republiek Suriname voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking voornoemde onroerende goederen en
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en/of voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid van een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst.
(artikel 423 Wetboek van Strafecht juncto artikel 73 Wetboek van Strafrecht medeplichtigheid aan ambtsverduistering)

IV. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode juni 2019 tot en met februari 2020, in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

A. hij, verdachte telkens als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 tezamen en in vereniging met VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, zijnde een of meer publieke functionarissen in de uitoefening van zijn/hun publieke functies als bedoeld in artikel 1 van de Anti-Corruptiewet SB 2017 no. 85 en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname, verboden handelingen heeft verricht en besluiten heeft genomen waarbij aan een staatsinstelling te weten de Centrale Bank van Suriname, opzettelijk financieel nadeel is toegebracht of financieel nadelige voorwaarden zijn overeengekomen, waarbij door hem en zijn voornoemde mededaders in strijd is gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en procedures ten einde voor zichzelf en ten behoeve van een ander te weten die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als gewezen minister van Financiën (ten behoeve van het ministerie van Financiën), althans één of meer tot nog toe onbekend gebleven personen enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen,

hebbende immers hij, verdachte als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB 2017 no. 85 na tevoren gemaakte afspraak en in gemeen overleg met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als gewezen minister van Financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname, het idee bedacht en het voorstel gedaan en advies gegeven, in ieder geval zijn voornoemde mededaders ertoe gebracht besluiten te nemen en handelingen te verrichten voor de afdracht van de royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname en ten gevolge waarvan zijn, verdachte‘s mededaders de overeenkomst gedateerd van 01 november 2019 betreffende de afdracht van de royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname voor de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname hebben opgesteld, althans doen opstellen en opgemaakt, althans doen opmaken en ondanks dat er daartoe een (ongunstig) juridisch advies was uitgebracht om vermelde overeenkomst niet aan te gaan en zonder dat De Nationale Assemblee daarvoor de vereiste machtiging tot het aangaan van voormelde overeenkomst tot nadere wijziging en aanvulling op de Delfstoffenovereenkomst de dato 7 april 1994 (SB 1994 no. 22 gewijzigd bij SB 2002 no. 115) was verleend en zonder dat een machtigingswet daartoe in het Staatsblad van de Republiek Suriname was afgekondigd en waardoor zijn verdachte ’s mededader VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en ten behoeve van de Centrale Bank van Suriname het besluit heeft genomen tot het aangaan en ondertekenen van voormelde overeenkomst de dato 1 november 2019 betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname en

hebbende aldus hij, verdachte en voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname, in strijd gehandeld met de ter zake geldende voorwaarden of wettelijke voorschriften, zoals vervat in het tweede lid van artikel 16 en het eerste lid van 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en procedures, waarbij na de ondertekening van voormelde overeenkomst de dato 01 november 2019 tussen die VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE als minister van Financiën, door de Centrale Bank van Suriname – na autorisatie door VAN TRIKT, ROBERT – GRAY – onverschuldigd één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot Srd 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), althans enig geld als voorschot, in ieder geval als blanco krediet verstrekt aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als gewezen minister van Financiën, waardoor de Centrale Bank van Suriname ernstig financieel nadeel heeft ondervonden en

zijnde de Centrale Bank van Suriname aldus opzettelijk financieel benadeeld door het verstrekken van voormelde (oneigenlijke) adviezen en voorstellen, althans door het verrichten van vermelde handelingen en door het nemen van voormelde besluiten door hem, verdachte en/of zijn mededader(s),

zulks terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en/of voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid, als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB 2017 no 85;
(medeplegen van artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht)

V. op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf november 2019 tot en met februari 2020, althans in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

B. VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in de zin van artikel 1 van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173, in ieder geval een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst tezamen en in vereniging met HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als gewezen minister van Financiën, althans een politieke ambtsdrager en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot SRD. 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), althans enig geld of geldswaardig papier, dat voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd en heeft toegelaten dat het door een ander(en) te weten voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE werd verduisterd, immers heeft voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als de president van de Centrale Bank van Suriname en zijn voornoemde mededaders (telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) tot een totaal groot SRD. 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), althans een ander totaal, in ieder geval enig goed toebehorende aan de Centrale Bank van Suriname, welke bestemd was ter uitoefening van de wettelijke taken van de Centrale Bank van Suriname conform de geldende tekst van de Bankwet 1956 SB 2010 no. 173, aan diens bestemming onttrokken, door (telkens) oneigenlijk en in strijd met artikel 18 lid 1 van de geldende tekst de Bankwet 1956 SB 2010 no 173, op grond van voormelde overeenkomst gedateerd 01 november 2019, betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname, een of meer geldbedrag(en) tot een totaal van voormelde SRD. 2.216.729.120, – (twee miljard en tweehonderdzestien miljoen en zevenhonderd en negenentwintig duizend en honderd en twintig Surinaamse Dollars), in de vorm van (blanco) voorschotten te verstrekken aan die HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, als gewezen minister van Financiën zonder enig deugdelijk grondslag en aldus voormelde geldbedragen wederrechtelijk en oneigenlijk aangewend althans onttrokken aan diens bestemming en

tot bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode vanaf november 2019 tot en met februari 2020, althans in de jaren 2019 en 2020, te Paramaribo en elders in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door actief deel te nemen en te participeren bij de totstandkoming van voormelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige besluiten en ter ondersteuning van vermelde voor de Centrale Bank van Suriname nadelige handelingen en genomen nadelige besluiten, door toen aldaar als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid als publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti – Corruptiewet SB. 2017 no. 85, ideeën bedacht en vervolgens daartoe voorstellen gedaan en gesprekken gevoerd en daartoe een email bericht opgesteld betreffende zijn voorstel voor de afdracht van de royalty’s en vervolgens verzonden naar zijn voornoemde mededaders ten einde dat voormelde overeenkomst de dato 1 november 2019 inhoudende de afdracht van royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname werd opgesteld, althans ter ondersteuning/onderbouwing voor het opstellen van voormelde overeenkomst,
en zulks terwijl hij, verdachte wist dat:
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY als president van de Centrale Bank van Suriname bij het plegen van vermelde handelingen in strijd handelde met het eerste lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en
• voornoemde VAN TRIKT, ROBERT – GRAY vermelde handelingen heeft gepleegd en voornoemde besluiten heeft genomen in de hoedanigheid van een persoon die voortdurend of tijdelijk belast is met een openbare dienst.
(artikel 423 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 73 Wetboek van Strafrecht medeplichtigheid aan ambtsverduistering)

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten onder I, II A, III B, IV A en V B van de ten laste gelegde feiten.
I. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 12 januari 2021, waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ten aanzien van de e-mailberichten van 10 juni 2019, die ik heb verzonden naar Hoefdraad en Van Trikt en die doorgestuurd zijn naar Hausil moet ik u verklaren dat er reeds gesprekken waren met Hoefdraad en Van Trikt, die vroegen of er voorstellen waren. Er werd gekeken naar assets en ik heb toen het voorstel gestuurd t.a.v. de Royalty’s en natuurbeschermingsgebieden. Hoefdraad had mij gevraagd om een presentatie te houden en dat heb ik ook gedaan. Er was toen geen sprake van verkoop van onroerende goederen. Ik had de panden alleen geregistreerd en ik wist dat die noch aan de staat, noch aan SPSB toebehoorden. Ten aanzien van het “Fonds Woningbouw Lagere Inkomensgroepen” was de intentie er om te ondertekenen in hoedanigheid van beheerder volkswoningbouw. Er was verzuimd om aan te geven dat ik als beheerder heb getekend.

Ik heb slechts de opdracht uitgevoerd van de staat, omdat de staat een cliënt is van de bank. De bank heeft wel een juridische afdeling, maar zij hebben daarover niets geadviseerd. De opdracht kwam van Hoefdraad, vandaar dat de juridische afdeling niet is gevraagd voor toetsing. Ik heb Putter betaald voor de uren die hij doorgaf. Hij rapporteerde zijn werkzaamheden aan mij. Hij gaf naast een urenstaat aan welke werkzaamheden hij had verricht. De kantonrechter merkt op dat [persoon 1] heeft verklaard dat hij nergens in de administratie stukken is tegengekomen waaruit de taken en werkzaamheden, verricht door Putter, blijkt. De verdachte geeft geen antwoord.

De verdachte verklaart verder: Ik was niet onder druk gezet, maar er was een vertrouwensrelatie met Hoefdraad om de voorschotten te betalen. Wanneer er wordt gevraagd om voorschotten, dan wordt er ook meteen gevraagd naar schatkist papier. Niet elke schuld moet gemeld worden aan het bureau Staatsschuld. De middelen, die de staat op de rekening bij SPSB had, waren voldoende voor de dekking van de schuld, zo ook die SRD.381 miljoen. We hadden wel gevraagd om dat bedrag terug te storten, maar er is slechts een deel betaald. Er was volgens Hoefdraad een crisis en daarom was dat bedrag nodig. Achteraf bekeken besef ik dat ik anders had moeten handelen. In het jaar 2015 had de SPSB geen legal advice unit. Zoals reeds door u vastgesteld was de administratie zoek bij SPSB. Ik ben sedert 15 januari 2015 in dienst van de SPSB aangetreden en sedertdien gaf Hoefdraad aan dat het land in een crisis zit en dat hij de SPSB zal gebruiken. Inderdaad lopen de jaarrekeningen van de bank achter. Ik had gevraagd om een particuliere accountant aan te trekken om die alsnog in te halen. Hoefdraad had mij niet voorgehouden dat de panden voor een veel hoger bedrag dan de getaxeerde waarde zijn verkocht. Bij mijn aantreden bij de bank heb ik gemerkt dat de bank niet over een legal advice afdeling beschikte. Ik heb toen die afdeling bemenst. Verder heb ik gekeken naar de regels die de Centrale Bank hanteert. Ik heb gekeken naar de middelen van de staat en ik heb daarop geanticipeerd door leningen aan de staat te verstrekken. Volgens de wet is de SPSB de bankier van de staat. Er is een gezagsrelatie tussen de minister van Financiën en SPSB. Ik was met verplicht verlof gestuurd en de verantwoording had ik overgedragen aan de waarnemend directeur. Ik mocht geen handelingen verrichten. Ik heb bij de aankoop van de twee tranches panden geen bemoeienissen gehad dan alleen bij die van Fatum. Na het verzenden van de e-mail op 10 juni 2019 naar Hoefdraad en Van Trikt, had ik geen follow up gehad. Ik was ook niet betrokken bij de overdracht van de panden van de staat aan de Centrale Bank van Suriname.

II. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 9 februari 2021, waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
De koop en verkoop is gedaan door Investment Partners. Ik weet niet of er t.a.v. de zes onroerende goederen een taxatierapport is opgemaakt. Ik had de overeenkomst getekend in hoedanigheid van vertegenwoordiger van volkswoningbouw. De percelen zijn niet getaxeerd, omdat er haast was en de geschatte waarde was acceptabel. De verkoper zei gezien de waarde van de percelen was de getaxeerde waarde acceptabel. Aan mij was gezegd dat de verkoopprijs de klapperwaarde was. Er was haast geboden en ik had de inschatting gemaakt dat ik kon tekenen. Deze constructie van de koop verkoop overeenkomst is besproken met de toenmalige minister van Financiën. Als de SPSB bank zou kopen dan zou de ratio´s van de bank onder druk komen te staan. Toen is het idee geponeerd om een derde erbij te halen, die gefinancierd zou worden door SPSB. Het was ook aan [persoon 2] kenbaar gemaakt dat de SPSB niet kon kopen, maar een derde. Tijdens de onderhandelingen en uitvoering had ik de Minister van Financiën gezegd dat de uitvoering voor het betalen van de huur van de percelen met opstallen niet door SPSB gedragen konden worden. Ten aanzien van de hele koopsom had de minister gezegd dat er garanties gegeven zou worden maar dat is niet gedaan. In mijn periode dat ik niet actief was is de rest betaald. Ten aanzien van de rente kan ik me niet herinneren dat er rente was overeengekomen. Er waren nota´s ingeleverd door Fatum, maar de rente en de berekening daarvan heb ik pas bij de RC gezien. Er waren betalingsverplichtingen aan Fatum en het ministerie had de gebouwen nodig en ik wilde betalen hoewel de betalingdisciplines er niet waren. De betalingen van rente waren aan mijn aandacht ontsnapt. Vanaf mijn aantreden is Putter in dienst van de SPSB geweest. Bij de besprekingen met de minister werd er afgesproken dat er een special purpose vehicle gebruikt zou worden en die zou later worden overdragen aan de bank. Investment Partners zou als special purpose vehicle functioneren en we zouden ook rente erop berekenen en woningbouw zou overmaken.

Op dat moment was het voorstel van de minister om Investment Partners te financieren en vanwege de urgentie meende ik mijn medewerking te verlenen. Ik denk niet dat het goed gebruik is om als bank op deze wijze vóór te financieren. Er zijn hypotheken gevestigd op de onroerende goederen die gekocht zijn door Investment Partners. Het is niet gebruikelijk maar het was het verzoek van de minister om medewerking te verlenen. Er was een vertrouwensrelatie ontstaan tussen mij en de minister, vandaar dat we die afspraken hadden gemaakt. Voordat ik met verlof ging had ik aan accountant [persoon 3] gevraagd om de controle te doen, maar dat is niet gebeurd. De controle van die nota´s zijn niet gedaan. De toenmalige minister had gevraagd om zaken in orde te maken, omdat het personeel gehuisvest moest worden en mijn inschatting op dat moment was dat ik de koop verkoopovereenkomst moest tekenen. Op verzoek van de minister heb ik mijn medewerking verleend om Investment Partners met zulke grote bedragen vóór te financieren. Volgens de minister was er een crisissituatie, vandaar dat ik mijn medewerking heb verleend. Ik was niet op de hoogte dat er boeterente betaald moest worden aan [persoon 2]. Dat ben ik bij de RC tijdens GVO te weten gekomen. Het was mij niet opgevallen dat er reeds bedragen voor Fatum werd overgemaakt. Er kwamen nota´s vanuit Fatum bij mij en na die bestudeerd te hebben verleende ik fiat voor uitbetaling. Daarbij was ik me er niet van bewust dat het om rentebedragen ging. De controle moest daarna gebeuren, maar dat is niet gedaan. Er werden verschillende bedragen aangeboden door Fatum zoals koop en verhuur, vandaar dat de boeterente niet is opgevallen. SPSB heeft geen onroerend goed gekocht, maar SPSB heeft slechts gefinancierd, vervolgens financiert de SPSB de gebouwen die gehuurd waren. De minister had mij gevraagd de financiering te doen middels een special vehicle en daarvoor had ik Putter gevraagd. Ik denk dat er vanuit Investment Partners is overgemaakt voor [persoon 4]. Ik heb later van de minister begrepen dat het pand is verkocht. Ik had van Putter begrepen dat Investment Partners niet meer gebruikt zou worden als special vehicle, maar dat er een andere entiteit ingezet zou worden. Ik kan me nu niet meer heugen waarom er voor een andere entiteit is gekozen.

Putter stuurde naar mij een uurwerkstaat en die werd dan naar het secretariaat doorgestuurd. De nota´s van Putter werden altijd onderbouwd middels een uur-staat en die vond ik verantwoordelijk. Ik vind het vreemd dat [persoon 1] nergens een onderbouwing heeft gezien. Toen ik directeur was, had Putter als taak om drie afdelingen op te zetten en hij heeft geholpen met de operatie waarbij cambio´s een rekening moesten openen bij de SPSB. Dat de declaratie van Putter met $3000 afnam, toen [persoon 1] om een onderbouwing vroeg, is nooit onder mijn aandacht gebracht. Ik kan me niet herinneren of ik vooraf de RvT had gevraagd om een pand, gelegen aan de Watermolenstraat, door SPSB te laten afbouwen.

Ten aanzien van het kopen van zeven onroerende goederen toebehorende aan [persoon 2] door Investment Partners merk ik achteraf op dat de gebruikelijke procedures niet gevolgd zijn. Dit is gebeurd omdat de minister haast had. Ik kan alleen achteraf opmerken dat ik zulke besluiten niet had moeten nemen, maar eerst het papierwerk in orde had moeten maken. [persoon 1] heeft het over ´kleine bedragen.’. Die zijn afhankelijk van een creditaanvraag. Daarna kan er een limiet worden vastgesteld. Normaal gesproken krijgt de afdeling Internal Audit alle overzichten voor kredietverstrekking. Ik weet niet of in dit geval dat ook is gebeurd. De verschillende afdelingen hadden wel de mogelijkheid om te rapporteren bij de Raad van Toezicht. De haast die aan mij werd opgelegd had ook invloed waarom ik niet rapporteerde bij de Raad Van Toezicht. De Minister van Financiën gaf mondeling de garantie dat de taxatierapporten op verzoek van de minister, door de SPSB zijn gefinancierd. Voor mij was belangrijk de bank en primair het verdienen voor de bank en het financieren van de taxatierapporten zag ik als een middel om meer rente te kunnen verdienen.

Ik had de bevoegdheid om mezelf goedkeuring te geven voor het ontstaan van debetstanden, maar achteraf gezien vond ik het wel een conflict of interest om mijn handtekening te plaatsen op mijn eigen kredietaanvraag. Ik weet niet of er documenten zijn verdwenen. Op wat [persoon 1] over de achteraf geconstateerde verhaalsmogelijkheid te verklaren heeft, heb ik niets te zeggen.

III. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 30 maart 2021, hetgeen kort en zakelijk weergegeven, het volgende inhoudt:
De kantonrechter houdt de verdachte de verklaring van de getuige [persoon 5] van 07 september 2020 voor, afgelegd bij de RC:

P.3-4 Is deze wijze van financieren conform de regels van de SPSB gegaan? Zo nee, welke regels zijn niet in acht genomen door Kromosoeto?
De getuige verklaart: Intern is het zo geregeld dat de directeur toestemming mag geven voor een kredietverlening tot een bedrag SRD150.000, -. Tussen het bedrag van SRD150.000,- en SRD750.000, – ( of SRD1miljoen) dienen twee directieleden, de kredietcommissie en drie raadsleden toestemming te verlenen voor kredietverlening. Ten aanzien van bedragen hierboven dient de voltallige RvT toestemming te verlenen. Ik weet niet wie toestemming heeft gegeven voor de bedragen die door Investment Partners zijn getrokken uit de girorekening. Voor zover mocht blijken dat Kromosoeto geen toestemming heeft gehad van de RvT bij de kredietverlening aan Investment Partners dan heeft hij tegen de regels gehandeld. Ik ben er niet van op de hoogte of Kromosoeto dit heeft besproken met de RvT. Tot nu toe weet ik dat niet.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Ik heb het achteraf besproken met de RvT. Ik kan me niet herinneren of ze de goedkeuring als nog hadden verleend.

Indien de lening van Investment Partners door de Staat is afgelost, wat is de reden daartoe?
De getuige verklaart: Er was een opdracht binnengekomen vanuit het ministerie van Financiën om de schuld af te lossen. Ik heb begrepen dat betaald is voor het pand aan de Jamalludinstraat waar het ministerie van Financiën is gehuisvest. Achteraf heb ik begrepen dat er voor meerdere onroerende goederen is betaald. Waarom voor de rest van de onroerende goederen is betaald weet ik niet.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Hierop heb ik geen reactie. Er was een afspraak dat de onroerende goederen betaald zouden worden door de minister van Financiën. Hij had mij daarover geïnformeerd. De opdracht was niet rechtstreeks aan mij gegeven, want ik was op dat moment met verlof. Het was gegeven aan de directie en ik heb begrepen dat de waarnemend directeur dat heeft uitgevoerd. Ik was op de hoogte dat er voor de gebouwen betaald zou worden.

P.7 Uit het Clad onderzoek is ook gebleken dat een van de privé girorekeningen van Kromosoeto [rekeningnummer] een debetstand had van SRD 914.942,97 per 3 augustus 2018. Wie heeft goedkeuring gegeven voor deze debetstand?
De getuige verklaart: Uit de girobiljetten zou moeten blijken wie gefiatteerd heeft voor de bedragen. Ik heb daar geen zicht op. Ik weet niet zeker of Kromosoeto zelf goedkeuring heeft gegeven voor dit debet stand.

Mag de directeur van SPSB (in deze Kromosoeto) de regels voor kredietverstrekking naast zich neerleggen?
De getuige verklaart: Kromosoeto zou niet zelf de girobiljetten ten aanzien van zichzelf mogen fiatteren. Hij zou tenminste goedkeuring van een van de directieleden moeten vragen. Ik heb zelf geen goedkeuring verleend t.a.v. deze girobiljetten.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Er was geen toestemming gegeven voor deze bedragen, omdat het om kleine bedragen ging, onder de SRD 150.000 en die zijn gecumuleerd samen met de rente. Ik had geen toestemming gevraagd om geldsbedragen op 1 van mijn girorekeningen over te maken. De reden daartoe is dat ik betalingen moest doen en ik heb gebruik gemaakt van mijn girorekening met dien verstande dat de rente daarin zou worden opgenomen. Ik had geen toestemming nodig om die bedragen op te nemen, omdat het ging om bedragen onder de 150.000. Er is geen regel binnen de bank dat een directeur aan een andere fiat moet vragen ook al gaat het om bedragen beneden de 150.000, maar ik had wel bijvoorbeeld voor hypotheken vestigen, dat een directielid zou mede ondertekenen.

Wordt door SPSB geld gecreëerd? Zo ja in welke gevallen?
De getuige verklaart: Ik ben wel van mening dat SPSB geld creëert. Gezien de liquide positie van SPSB ben ik van mening dat SPSB wel geld creëert. Dit omdat SPSB gelden heeft uitgegeven terwijl zij niet daarover beschikt. Dit komt doordat SPSB gelden heeft voorgeschoten aan de woningbouwfonds terwijl het juist de bedoeling was dat de middelen t.b.v. het woningbouwfonds vooraf ter beschikking zouden worden gesteld.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Ik werd gevraagd door de minister van Financiën om het woningbouwproject voor te schieten en dat heb ik ook uitgevoerd met de afspraak dat de regering de gelden daarna ter beschikking zou stellen.

De getuige verklaart: U houdt mij als rechter – commissaris voor dat uit de nadere overeenkomst die Kromosoeto is aangegaan met [persoon 2] niet blijkt dat Kromosoeto hiermee SPSB heeft willen binden. Als reactie daarop verklaar ik dat hij in die overeenkomst heeft doen opnemen dat hij directeur is van de SPSB en dat daarmee de intentie is gegeven om de bank te binden. Indien dat niet de intentie was, dan zou hij kunnen volstaan met het afgeven van een bankgarantie. Ik hoor de rechter-commissaris opmerken dat indien Kromosoeto niet de intentie had SPSB te binden aan een nadere overeenkomst dan had hij in privé de kosten ten aanzien van deze overeenkomst moeten betalen en niet middels financiering door de SPSB hetgeen in casu is gebeurd. De directeur had niet de bevoegdheid om de bank te binden aan een bedrag van Euro13.350.000, – omdat hij daarvoor toestemming zou moeten hebben van de RvT. Dat is niet gebeurd. De directeur mag de bank slechts binden tot een bedrag van SRD150.000, -.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Ik denk dat er getekend zou worden als beheerder van Volkswoningbouw, omdat de financiering van daaruit was. Ik heb echter niet erop gelet dat ik daar moest schrijven “ Directeur handelende als beheerder Volkswoningbouw”. Ik moest tekenen als bankdirecteur.

Op vragen van de vervolgingsambtenaar verklaart de verdachte – zakelijk weergegeven – als volgt:
U hebt op een vraag van de rechter verklaard dat door de min van Fin is gevraagd om voorschotten te betalen, dat is ook gebeurd, met de bedoeling dat het geld wederom ter beschikking zou worden gesteld. Is dat gebeurd?

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Er is daarna een missive gekomen. Toen ik met verlof moest gaan was 150 miljoen gestort. Er moest nog een verschil van ongeveer 350 miljoen gestort worden. Ten aanzien van de bewakingskosten die [persoon 6] heeft opgebracht bij SPSB weet ik dat ze verschillende objecten moesten bewaken. Die nota’s gaan naar Algemene zaken die worden gecheckt en dan wordt de uitbetaling gedaan. Wat [persoon 1] heeft gezegd daar kan ik niets op zeggen.

De kantonrechter houdt de verdachte de verklaring van de getuige Van Trikt van 09 september 2020 voor, afgelegd bij de RC:

P.10 Was u op de hoogte dat middelen van de Staat ook werden gestort bij de SPSB? Zo ja, welke middelen werden gestort bij SPSB?
De getuige verklaart: Toen ik Governor werd begreep ik op enig moment dat middelen van de Staat werden gestort bij de SPSB. Ik weet niet waarom. Wij hadden wel een analyse gemaakt van wat de CBvS misliep aan inkomsten van de Staat en er waren grote discrepanties. Ik weet dat er stortingen waren van het woningbouwfonds en het agrarische fonds. Ook belastingmiddelen werden gestort bij SPSB. Op enig moment had ik wel gemerkt dat SPSB ten behoeve van de Staat een bedrag had van 600 miljoen SRD op de rekening, terwijl zij slechts een bedrag van 60 miljoen SRD hadden gestort bij de CBvS. Ik had [persoon 10] gevraagd om dit verder uit te zoeken met de heer [persoon 7]. Ik kan mij niet herinneren of dit onderzoek is afgerond en wat daaruit is gebleken.

De verdachte antwoordt ter terechtzitting van 30 maart 2021:
Belastingmiddelen worden ook bij commerciële banken gestort. Daarna wordt het gestort bij de CBvS. De minister heeft mij gevraagd om ter effectuering van inning van belastingmiddelen bij de SPSB, een loket te plaatsen bij het Belastingkantoor zodat de cliënt daar de storting kan doen en er is één bij haven geplaatst. Deze stortingen komen op de rekening van ministerie van financiën te staan. Ik weet niet waarom Van Trikt opmerkt dat er een achterstand van 600 miljoen is. Ten aanzien van wat Van Trikt heeft verklaard: De middelen zijn van de staat. Administratief moet er gematcht worden met de rekening van de staat bij de CBvS. Ik heb de staat als een cliënt beschouwd. Wij moesten de middelen van de staat beheren en dat hebben we ook gedaan. Nu blijkt dat de staat uitgaven moet doen, ze een beperking hebben en dat ze geen uitgaven kunnen doen? Ik heb de staat als een cliënt beschouwd en aldus behandeld. Er werd wel periodiek rapportage gedaan aan de CBvS. Er was reeds uitvoering gegeven tot betaling van 150 miljoen in mijn afwezigheid en toen kwam de opdracht van mij voor restbetaling en dat is ook gedaan. Hoefdraad was procuratiehouder, hij was niet bevoegd vandaar dat de transactie teruggedraaid. Ik heb de instructies alleen maar opgevolgd. De SPSB is niet nagegaan of de bevoegdheid er was. Ik had slechts een voorstel gedaan t.a.v. de panden. Ik moest [persoon 8] in contact brengen met de minister van ROGB en daar is het bij gebleven. Daarvoor had ik wel het voorstel gedaan om de restauratie van de panden te doen. [persoon 9] heeft mij gevraagd om [persoon 8] in contact te brengen met de minister van ROGB die zou handelen ten behoeve van de CBvS. De gelden die door mij zijn getrokken van de SPSB zijn reeds gezuiverd.

IV. Het proces – verbaal van de terechtzitting van 29 april 2021, waar de verdachte – kort en zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: ik heb uit dit alles veel geleerd over de procedure – en beleidsregels. De verantwoordelijkheid als directeur lag bij mij, maar ik was ook verantwoording schuldig aan de Minister van Financiën. Achteraf bekeken had ik de checks en balances in de gaten moeten houden. Ik heb de verzoeken van de regering moeten honoreren. Ik heb in mijn verhoor niets meer aan te vullen.

V. Blijkens de processen-verbaal van verhoren van de getuige [persoon 1], opgemaakt door avp PIERKHAN Z & WALKER, M dd. 13 aug 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd. 02 sept 2020 & 07 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat dhr. Kromosoeto als directeur van de SPSB slechts kredieten tot SRD 150.000 mocht goedkeuren. Kredieten met bedragen van boven de SRD 150.000 moeten eerst goed worden gekeurd door de Raad van Toezicht (hierna te noemen RVT). Dit staat in een raadsbesluit, waarin de bevoegdheden van de directeur zijn opgenomen. M.b.t. de panden: De directeur heeft goedkeuring nodig van de RVT voor de aankoop van onroerende goederen voor de bank (SPSB). Als ik het goed heb staat dit ook vermeld in de wet van de SPSB. KROMOSOETO had aan de directie voorgehouden dat de onroerende goederen door INVESTMENT PARTNERS zouden worden gekocht met een financiering van SPSB. KROMOSOETO was voornemens om t.a.v. van deze onroerende goederen huur te innen bij de Staat Suriname en daarmee de schuld van INVESTMENT PARTNERS bij de SPSB af te lossen. Voor zover ik weet heeft er nimmer een schuldaflossing plaatsgevonden.

[persoon 2] (Fatum) heeft op 5 september 2018 een (nadere) overeenkomst gesloten met: Putter in persoon en Kromosoeto als directeur van SPSB. Hierin komen partijen overeen dat de koopsom van een aantal (7) percelen in totaal bedraagt €. 13.350.000, -, waarbij een voorschot van €. 5.000.000, – is betaald, terwijl het saldo van €. 8.350.000, – zal worden betaald binnen 18 maanden na 5 september 2018. Naar mijn mening mocht Kromosoeto als directeur de SPSB niet binden aan zo’n overeenkomst omdat SPSB kredietverstrekker is en geen schuldenaar of partij bij de overeenkomst. Kormosoeto heeft in die overeenkomst doen opnemen dat hij directeur is van de SPSB en dat daarmee de intentie is gegeven om de bank te binden. Indien dat niet de intentie was, dan zou hij kunnen volstaan met het afgeven van een bankgarantie. Indien Kromosoeto niet de intentie had SPSB te binden aan een nadere overeenkomst dan had hij in privé de kosten ten aanzien van deze overeenkomst moeten betalen en niet middels financiering door de SPSB hetgeen in casu is gebeurd. Ik vind dat Kromosoeto met deze overeenkomst de bank ten onrechte heeft gebonden, terwijl de bank geen partij is bij de koopovereenkomst m.b.t. de onroerende goederen. Bovendien is er nimmer goedkeuring verleend door de kredietafdeling voor een krediet t.b.v. Investment Partners of Putter. Door de SPSB zijn er betalingen gedaan m.b.t. de voornoemde onroerende goederen uit middelen van het ministerie van Financiën bij SPSB. De voorschotten die zijn verstrekt aan Investment Partners komen uit de positie van de SPSB. Uiteindelijk is er vanuit het ministerie van Financiën de opdracht gekomen om middelen uit haar rekening te gebruiken voor het aflossen van de schuld van Investment Partners. Er is een schrijven van de minister ten aanzien hiervan.

De onroerende die aan de Staat moesten worden overgedragen naar aanleiding van de schuld die de Staat heeft betaald voor NEW VISION INTERNATIONAL; INVESTMENT PARTNERS en PARAMARIBO TRAVEL bij de SPSB zijn tot op de dag van vandaag nog steeds niet zijn overgedragen, waarbij zelf één van de onroerende middels een ontbinding terug is in boezem van [persoon 2]. De Bank is in deze schotvrij, omdat de schuld die bij ons was is voldaan door de Staat Suriname. Echter, is de Staat Suriname benadeeld omdat die een schuld heeft betaald en daarvoor niets terug heeft gehad.

VI. Blijkens de afgelegde verklaring van de getuige VAN TRIKT, Robert Gray bij de RC in het kader van het GVO dd. 09 sept 2020: Getuige Van Trikt, Robert Gray heeft het volgende verklaard nl dat er met de minister van Financiën en ook met medewerkers en directieleden van de Bank er veel is gesproken over het terugbrengen van de langlopende schuld van de Staat bij de CBvS en het verhogen van de inkomsten van de CBvS. De bedoeling was om het schuldenplafond van de Staat omlaag te brengen. De minister gaf aan dat Kromosoeto ook enige betekenis hierin zou kunnen hebben. Naar aanleiding hiervan is door Kromosoeto contact opgenomen met mijn persoon. Het kan ook zijn dat Kromosoeto toevallig op de Bank was vanwege zijn positie als directeur van de SPSB en dat dit ter sprake is geweest. Ik heb Kromosoeto uitgelegd wat mijn bedoeling was namelijk het aflossen van de langlopende lening door de Staat bij de CBvS. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door middel van assets die verrekend konden worden. Naar aanleiding hiervan heeft Kromosoeto een e-mail gestuurd naar mijn persoon en Hoefdraad waarin hij ook zijn ideeën gaf.

Nadat ik de e-mail van Kromosoeto ontving heb ik die direct geforward naar Hausil. Kromosoeto is als adviseur opgetreden in het zoeken naar assets van de Staat ten behoeve van de Bank voor het verrekenen van de langlopende schuld. Ik kan mij herinneren dat de naam van Kromosoeto door de minister aan mij is doorgegeven, in die zin dat Kromosoeto contact met mij zou opnemen. Waarom Kromosoeto zich specifiek heeft beziggehouden met de assets weet ik niet. Het idee om de royalty’s in pand te geven aan de CBvS: Vanuit de e-mail bekeken lijkt dit idee wel afkomstig te zijn van Kromosoeto.

Kromosoeto hield zich bezig met het taxeren van panden van de overheid. Dit, terwijl zulks de taak is van het ministerie van ROGB. Ik weet niet waarom hij, als directeur van SPSB, zich heeft beziggehouden hiermee. M.b.t. het email bericht van Kromosoeto welke ertoe heeft geleid dat Hoefdraad brieven respectievelijk gedateerd 26 juni – en 20 september 2019 in totaal 17 panden willen overdragen aan de CBvS. Op basis van het emailbericht is de brief van de minister opgemaakt, die werd ontvangen in juni 2019 ten aanzien van de 1e tranche panden. Ik weet niet op welke wijze Kromosoeto betrokken is geweest bij de 2e tranche panden. M.b.t. de zinsnede:” tot zover, terwijl ik verder ga met het zoeken naar mogelijkheden”: Ik denk dat Kromosoeto hiermee bedoelde dat hij verder zou nadenken over andere assets die gebruikt zouden kunnen worden ter verrekening van de langlopende schuld. In mijn opinie zou iedereen kunnen nadenken over mogelijkheden met betrekking tot de assets van de Staat en de ontwikkeling van Suriname. Waarom Kromosoeto zich specifiek heeft beziggehouden met de assets weet ik niet. De royalty’s zijn niet gebruikt ter aflossing van de langlopende lening van de Staat bij de CBvS, omdat Hoefdraad een groot bedrag aan SRD heeft getrokken op grond van de royalty’s. Wij hebben geen brief van hem ontvangen dat de royalty’s gebruikt zouden worden ter verrekening van de langlopende schuld. Op grond van deze overeenkomst is een bedrag van ongeveer 2.3 miljard betaald aan de Staat (het ministerie van Financiën) in de vorm van monetaire financiering.

VII. Blijkens de processen-verbaal van verhoren t.n.v. van de getuige [persoon 5] bij de rc in het kader van het GVO dd. 07 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat zij als directielid van de SPSB voorheen niet op de hoogte was dat Investment Partners onroerende goederen zou kopen en dat SPSB deze zou financieren. Inmiddels weet ik wel dat de onroerende goederen die door Investment Partners zijn gekocht zijn gefinancierd door SPSB. Dit weet ik naar aanleiding van het onderzoek dat thans gaande is. De financiering is gegaan vanuit de girorekening van Investment Partners, in die zin dat er gelden getrokken zijn van deze rekening zonder dat deze rekening beschikte over de middelen. Dit is terug te zien in de debet standen van Investment Partners. Kortom heeft de SPSB de gekochte onroerende goederen gefinancierd vanwege de ongedekte debet standen.

Voorts had ik van Kromosoeto begrepen dat Investment Partners is opgetreden als “Special Purpose Vehicle”. Echter heb ik geen documenten ter zake gezien. Ik begreep van Kromosoeto dat de percelen niet konden worden geplaatst op naam van het ministerie van financiën. Op uw vraag waarom het ministerie van ROGB niet betrokken is geweest bij de koop van de percelen, maar een wild vreemde rechtspersoon (Investment Partners) moet ik u zeggen dat ik daar niet over heb nagedacht. Ik heb slechts aangenomen hetgeen Kromosoeto mij heeft voorgehouden.

VIII. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 10], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 17 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, Van Trikt, Robert Gray hem had voorgehouden dat Kromosoeto was aangewezen door de minister om mee te helpen aan de overdracht van de panden aan de CBvS. Om deze reden heb ik contact opgenomen met Kromosoeto en hem medegedeeld hetgeen ik van de governor had vernomen. Kortom: Ik had van van Trikt begrepen dat Kromosoeto door de minister was aangewezen als de persoon die zou mee helpen aan de overdracht van de panden. Om deze reden ga ik ervan uit dat de minister Kromosoeto heeft betrokken bij de verkoop van de panden dan wel de overdracht daarvan. Kromosoeto was betrokken bij de overdracht van zowel de 1ste als de 2de tranche panden.

IX. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 8], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 22 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, ten aanzien van de eerste tranche panden hij, het volgende kan zeggen. Van [persoon 10] moest ik eerst Kromosoeto bellen. Nadat ik Kromosoeto gebeld had, gaf hij mij te kennen dat ik contact moest opnemen met de gewezen minister van ROGB, [persoon 11], hetgeen ik ook heb gedaan.
Ten aanzien van de 2e tranche panden deel ik u het volgende mede. Terwijl ik bezig was met de voorbereidingen ten aanzien van de 1e tranche panden, kwam de 2e brief van de 2e tranche panden binnen en moest ik ook daaraan werken. Ik heb hetzelfde traject weer afgelegd, met dien verstande dat ik niet meer naar Kromosoeto en [persoon 11] ben geweest voor informatie, maar dat ik rechtstreeks contact heb opgenomen met [persoon 12]. Zij zou de voorbereidingen doen en op een goed moment deelde zij mij mede dat een groot deel van de panden niet aan de Staat in eigendom toebehoren. Zij zei dat ze om deze reden niet meer kan meewerken aan de overdracht van de panden en dat het proces dus moet stoppen. Uit de informatie van [persoon 12] kon worden geconcludeerd dat de percelen in eigendom toebehoorden aan rechtspersonen, waarbij de heer Putter betrokken was. Dit heb ik gerapporteerd aan [persoon 10].
Op enig moment begreep ik van [persoon 10] dat Putter contact met mij zou opnemen, hetgeen ook is gebeurd. De eerste keer werd ik gebeld door Putter en hij deelde mij mede dat hij mijn nummer heeft van Kromosoeto. Hij zei mij dat hij de overdracht in orde zou laten maken door notaris [persoon 13] en dat deze notaris contact met mij zou opnemen hierover. Van de notaris begreep ik dat hij informatie nodig had van de heer van Trikt. Deze zou namens de Bank zitting nemen in het bestuur van de rechtspersonen. Volgens afspraak zou de overdracht plaatsvinden na de kerstperiode, maar wel nog voor oudjaar. In opdracht van [persoon 10] moest ik voorbereidingen treffen zodat het ondertekenen van de akten op de Bank zou plaatsvinden. Kort voordat dit zou plaatsvinden werd ik gebeld door [persoon 10] en hij deelde mij mede dat het ondertekenen van de akte niet door zou gaan op de afgesproken dag. Als ik het goed heb, heb ik contact gemaakt met [persoon 13] en hem medegedeeld dat de ondertekening van de akten niet door zou gaan.

X. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 13], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 22 sept 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, op 5 september 2018 partijen, te weten [persoon 2] als partij A en de heren Putter en Kromosoeto als partij B, een nadere overeenkomst hebben ondertekend met betrekking tot de betaling van de koopsom van Euro 13.350.000, –. Voorts dat hij geen idee had waarom Kromosoeto zich met de betaling van de gehele koopsom van Euro 13.350.000, – t.b.v. FATUM/[persoon 2], heeft ingelaten, terwijl hij slechts voor één van de percelen ten behoeve van het Fonds verantwoordelijk was. Partijen hebben mij hierover niet geïnformeerd. Ik had helemaal geen idee waarom al deze percelen gekocht werden door Investment Partners NV en wat de bedoeling daarvan was. Ik weet niet of de koopsom is betaald en door wie. Ik hoor u zeggen dat de gehele koopsom inmiddels is betaald, maar ik ben daar niet van op de hoogte.
Ik kan mij herinneren dat ik op 27 december 2019 zou vertrekken naar Nederland. Twee weken daarvoor hebben de heer Putter en de heer [persoon 8] van de CBvS contact met mij opgenomen voor de overdracht van de hiervoor genoemde onroerende goederen aan de CBvS. Putter was persoonlijk bij mij langs geweest, terwijl de heer [persoon 8] mij telefonisch had gesproken hierover. Hierna heb ik de voorbereidingen getroffen, maar hoorde een hele tijd niets meer van betrokkenen.
Toen ik in Nederland was, werd ik door mijn collega [persoon 14] die voor mij waarnam, gebeld. Hij deelde mij mede dat men weer is gekomen voor de overdracht van de onroerende goederen, maar nadat hij onderzoek had gedaan was gebleken dat er meerdere documenten nodig waren voor de overdracht. Zo was nodig toestemming van de Raad van Ministers, een missive enz.
Ik heb toen aan Putter gezegd dat de overdracht niet zal kunnen zonder de benodigde stukken en dat beter is dat hij de overdracht doet aan de Staat. Echter zou ook daarvoor een missive nodig zijn en hij zou dit in orde maken. Zo is de missive van de president van 10 juli 2020 op enig moment aan mij verstrekt.
Het is erg ondenkbaar dat voor de onroerende goederen(2de tranche) de tegenwaarde in SRD van het bedrag van Euro 60 miljoen door de CBvS aan de minister van Financiën is betaald als koopsom. De Minister van Financiën mocht nooit geld hebben aangenomen voor deze onroerende goederen, omdat zij niet beschikte daarover. Zij was niet de eigenaar van de onroerende goederen. CBvS had ook het bedrag niet mogen overmaken ten behoeve van financiën, omdat ook zij een onderzoek plicht hebben. Als zij hadden onderzocht, hadden ze kunnen zien dat de onroerende goederen niet aan de Staat toebehoorden en dat de minister onbevoegd was om over te dragen. Ook de koopsom van Euro 60 miljoen is absurd en niet realistisch. Dit omdat ik weet dat de onroerende goederen zijn gekocht en overgedragen voor het bedrag van minder dan Euro 13 miljoen. Aan mij was gezegd door Putter dat voor hetzelfde bedrag als waarvoor de onroerende goederen waren gekocht deze zouden worden overgedragen aan de CBvS

XI. Blijkens het proces-verbaal van verhoor t.n.v. van de getuige [persoon 2], afgelegd bij de rc in het kader van het GVO dd. 28 aug 2020: is uit de verklaring van voornoemde getuige komen vast te staan dat, het nodig was om een nadere overeenkomst te sluiten m.b.t. aanschaf van de onroerende goederen (7), omdat er alleen een voorschot was betaald van Euro 5 miljoen bij het sluiten van de koopovereenkomst. Het saldo bedrag moest nog worden betaald en daarom was de nadere overeenkomst van belang.
Uit de nadere overeenkomst blijkt dat daarbij partij zijn: Putter in persoon en Kromosoeto als directeur van SPSB. Waarom de nadere overeenkomst is gesloten met deze twee personen terwijl zij niet de kopers zijn van de percelen, houd ik voor dat ik van begin af aan onderhandelingen heb gepleegd met Kromosoeto die voor mij ook de koper was. Pas bij de notaris kwam Putter in beeld en begreep ik dat de onroerende goederen zouden worden overgedragen aan rechtspersonen waarbij Putter betrokken was. Ik ben er altijd vanuit gegaan, dat SPSB de koper was en dat deze bepaalde aan wie de onroerende goederen moesten worden overgedragen.
Zes van de onroerende goederen zijn aan de N.V. verkocht waarvan Putter de bestuurder is, terwijl een perceel (3e Rijweg) verkocht is aan het woningbouwfonds voor lagere inkomens.
De keus van de notaris is geweest Kromosoeto. Bij de koop van onroerend goed is het de koper die bepaald wie de notaris wordt.

Putter heb ik gezien bij de ondertekening van de akten bij de notaris. Kromosoeto heeft mij eerder niet voorgehouden dat de onroerende goederen zouden worden overgedragen aan andere rechtspersonen dan de SPSB. Ik ging ervan uit dat de onroerende goederen gekocht werden door de SPSB en ook aan SPSB zouden worden overgedragen. Ik heb geen vragen ten aanzien hiervan gesteld aan Kromosoeto, omdat ik ervan uitga dat de koper zelf mag bepalen aan wie de onroerende goederen zullen worden overgedragen. Ik heb Putter eerder gezien bij Kromosoeto op kantoor in een andere werkkamer en ik ging ervan uit dat Putter verbonden was aan SPSB. Om deze reden was er voor mij geen aanleiding om vragen te stellen. Het is niet ongebruikelijk in de zakenwereld dat een rechtspersoon wordt gebruikt als een special purpose vehicle bij de koop van onroerende goederen. Bij de ondertekening van akten ten overstaan van de notaris heb ik voor mijzelf de conclusie getrokken dat Investment Partners N.V. kennelijk als special purpose vehicle van de SPSB zou worden gebruikt. In mijn belevenis ging ik ervan uit dat Investment Partners N.V. het beheer van de onroerende goederen zou voeren en dat in de boeken van SPSB zou opnemen. In een dergelijke constructie hoort de SPSB dus de eigenaar te zijn danwel enig aandeelhouder. Ik weet niet of dit hier ook het geval is geweest. Het enige dat ik op dat moment wist was dat Putter de directeur van Investment Partners N.V. was. Deze transactie van 5 september 2018 is de enige transactie geweest waarbij Kromosoeto en Putter betrokken zijn geweest. Ik heb geen andere onroerende goederen verkocht aan of door tussenkomst van hen. Ook niet aan Hoefdraad.

M.b.t. een special purpose vehicle: dat het niet ongebruikelijk is in de zakenwereld om een special purpose vehicle aan te wijzen bij de koop van onroerende goederen. De vereiste daarvoor is dat de degene die het onroerend goed koopt, dit ook in zijn boeken verwerkt als te zijn de eigenaar van het onroerend goed.
Het is als een vereiste voor een special purpose vehicle dat de eigenaar van het onroerend goed dit ook in zijn boeken vermeld. Immers als jij eigenaar bent van een onroerend goed en je gebruikt een special purpose vehicle hiervoor, dan moet het wel duidelijk uit je administratie blijken dat jij de eigenaar bent.

Verklaring van verdachte KROMOSOETO

XII. Blijkens de processen-verbaal verhoren t.n.v. van de verdachte KROMOSOETO, Ginmardo afgelegd bij avp ARICHERO J dd. 15 oktober 2020 en bij de rc in het kader van het GVO dd. 15 okt 2020: op verzoek van de voormalige minister van financiën, de heer Hoefdraad, moest ik vanwege mijn ervaring als minister van ROGB in het verleden, assets van de Staat in kaart brengen met het doel om de minister van financiën de gelegenheid te bieden om het te gebruiken als onderpand voor mogelijke financiering. Ik heb hierbij voorgesteld de panden die aan de overheid in eigendom toebehoren, de royalty’s en verder heb ik ook gekeken naar natuurreservaten van de Staat. Alhoewel ik in mijn e-mail heb gesproken over verkoop van de panden aan de CBvS, wist ik niet zeker of dit het geval zou zijn. Mij was verteld dat de panden in een fonds bij de CBvS zouden worden ondergebracht. Ik heb niet over het fonds gesproken in mijn e-mail, maar over verkoop omdat dat het gemakkelijkste was om de waarde aan te geven. Waarom ik de minister niet heb geweigerd om het voorgaande te doen en hem verwezen heb naar de minister van ROGB hiervoor, hou ik u voor dat ik dit niet heb gedaan vanwege mijn relatie met de minister van financiën. De relatie met de minister had betrekking op een verzoek van de minister aan mij of ik bereid was om hem te ondersteunen bij het identificeren van de assets.
Dat de 1ste tranche panden zijn verkocht aan de CBvS voor een bedrag dat vele malen hoger is dan de getaxeerde waarde, daarop kan ik geen reactie daarop geven. [persoon 10] van de CbvS heeft inderdaad contact met mij opgenomen en mij gezegd dat [persoon 8] de zaken met betrekking tot de overdracht verder zal behartigen bij de CBvS. [persoon 8] heeft mij inderdaad ook benaderd en het enige dat ik heb gedaan is dat ik hem in contact heb gebracht met [persoon 11]. Hoefdraad had mij gevraagd om te assisteren bij de overdracht van de genoemde panden, hetgeen ik ook heb gedaan. Ik weet niet waarom Hoefdraad mij gevraagd heeft om te assisteren. Het kan zijn vanwege mijn kennis over de panden. Over de verkoop transacties zelf was ik niet op de hoogte omdat ik slechts bij de overdracht zou assisteren. De assistentie bestond alleen maar uit het in contact brengen van [persoon 8] met de minister van ROGB. Het was slechts een verzoek van Hoefdraad om te assisteren en ik heb mijn assistentie verleend door de contacten te leggen met [persoon 11] en [persoon 8].
Hij was zelf niet betrokken bij de verkoop van de panden (zowel 1ste als 2de tranche).

M.b.t. de 2de tranche panden: Ik ben er wel van op de hoogte dat enkele van deze(9) panden gekocht waren bij [persoon 2] van de FATUM, danwel rechtspersonen waarmee [persoon 2] bemoeienis in had. De eerste zes panden zijn gekocht bij [persoon 2] door Investment Partners NV.
Hoefdraad had mij gevraagd of FWLI onroerende goederen zou kunnen kopen ten behoeve van de Staat. Ik had hem daarop aangegeven, dat het niet kon omdat FWLI slechts onroerende goederen kon kopen voor woningbouw projecten. Hij heeft toen voorgesteld dat er een rechtspersoon zou worden gebruikt als ‘special purpose vehicle’ om onroerende goederen te kopen en die later over te dragen aan de Staat. Waarom de Staat niet zelf de onroerende goederen kon kopen, indien dat nodig was, geef ik daarop aan dat ik Hoefdraad daar niets over heb gevraagd. Ik heb mij verder niet bemoeid met de overdracht van de panden door Investment Partner aan de Staat. U houdt mij voor dat het u bevreemd dat ik mij in de voorfase wel heel actief heb voorgesteld om Investment Partner te gebruiken als ‘special purpose vehicle’ maar dat ik mij verder niet heb druk gemaakt over de overdracht van de panden aan de Staat, hetgeen de bedoeling was. Als reactie daarop verklaar ik dat ik het idee had dat Hoefdraad dit verder zou afhandelen.

Ik heb inderdaad meegewerkt aan het vestigen van hypotheek op een van de percelen van FWLI ten behoeve van [persoon 2], in de hoedanigheid van bestuurder van FWLI. U maakt terecht de opmerking dat mijn functie als bestuurder van FWLI gekoppeld was aan mijn functie als directeur van SPSB. U vraagt mij of ik ondanks het feit dat ik met verplicht verlof was in die periode, toch heb meegewerkt aan het vestigen van hypotheek. Hierop verklaar ik dat ik heb meegewerkt omdat Hoefdraad mij gevraagd heeft om dit af te handelen.

M.b.t. de Royalty’s overeenkomst: uit het mailbericht blijkt dat ik het voorstel heb gedaan t.a.v. de royalty’s van IAMGold.
(De zinsnede “Met betrekking tot de royalty’s van IAMGold: misschien kan Gillmore hierin interveniëren.” ) Dit voorstel had ik ook gedaan vanwege de vraag van Hoefdraad om uit te kijken naar assets van de Staat. Het was slechts een voorstel.
Gebleken is dat de genoemde royalty’s uiteindelijk door de Staat aan de CBvS in pand zijn gegeven, op grond waarvan een totaal bedrag van ongeveer SRD2.3 miljard door Hoefdraad is getrokken bij de CBvS. Dat Hoefdraad dus dankbaar gebruik heeft gemaakt van mijn voorstel m.b.t. de royalty’s, was ik helemaal niet op de hoogte daarvan. M.b.t. het doen van voorstellen (emailbericht) was het niet mijn taak als directeur van de SPSB, maar omdat hij mij gevraagd had om hem te assisteren, heb ik dit gedaan.

I. Schriftelijke bescheiden/ het schriftelijk bewijs.

1. Email bericht afkomstig van hem, verdachte KROMOSOETO verstuurd naar Hoefdraad en Van Trikt, waarbij laatstgenoemde op 10 juni 2019 het bericht heeft ge-forward naar Hausil.
In voormeld email bericht doet Kromosoeto voorstellen m.b.t. verkoop van panden, overdracht Royalty’s en een of meer natuurreservaten in Suriname.

2. Een emailbericht afkomstig van Hausil, gedateerd 22 juni 2019 en gericht aan Hoefdraad en Van Trikt, waaruit blijkt dat zij aan de 2 voornoemde verdachten een conceptbrief heeft doen toekomen in het kader van eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de CBvS, ter verrekening van de langlopende schuld. In dit mailtje geeft zij aan dat SPSB heeft voorgesteld dat zij de restauratie ter hand willen nemen, echter stelt zij voor dat de Bank hierin het voortouw neemt.

3. Brief wisseling tussen Min. Fin. Hoefdraad en Van Trikt R m.b.t. eerste en tweede tranche panden.
• Het eerste schrijven (1ste tranche) afkomstig van Min Fin dateert van26 juni 2019 waarbij hij 8 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 45.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 7 nov 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 45 miljoen ter beschikking te stellen van het Min Fin.
• Het eerste schrijven (2de tranche) afkomstig van Min Fin dateert van 20 sept 2019 waarbij hij 9 panden ter beschikking stelt voor een bedrag tot Euro 60.000.000, -. Van Trikt reageert op dit schrijven dd. 3 dec 2019 waarbij hij aangeeft dat een koopsom tot euro 60 miljoen ter beschikking te stellen van het Min Fin.

4. Betalingsoverzicht voor de panden op 28 juni 2019; 20 september2019 en 24 september 2019. Totaal SRD.869, 055, 000.00, –

5. Royalty Overeenkomst dd. 1 november 2019.

6. Een betalingsoverzicht SRD 2.2 miljard afkomstig van de CBvS. Voormeld bedrag is overgemaakt op een rekening van Min Fin bij de CbvS.

Overwegingen per ten laste gelegd feit.
• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder Feit I (deelneming aan Criminele organisatie strafbaar gesteld in art 188 Sr en het juridisch kader).

Voor het bestanddeel “organisatie” is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon (ECLI: NL: HR:2018:378 ).
Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (vgl. ECLI: NL: HR:2004: AQ8470) of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (vgl. NJB 1991, 50).

Kortom, voor dit feit moet er sprake zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en een of meerdere andere personen. Het samenwerkingsverband moet een zeker doel hebben en zijn deelnemers moeten in dat samenwerkingsverband actief zijn ter verwezenlijking van dat doel. Van de duurzaamheid van samenwerkingsverband, structuur en doel van de organisatie te verwezenlijken: de verdachten hebben zich geruime tijd bezig gehouden met onrechtmatige trekkingen van financiële middelen bij de CBvS, waarbij ten laste van de CBvS in totaal 3 miljard Surinaamse Dollars (meer specifiek SRD. 3.069.055.000, -) aan ongedekte voorschotten/blanco kredieten zijn verstrekt ten behoeve van het ministerie van Financiën.

De verdachten (KROMOSOETO; HOEFDRAAD; VAN TRIKT; PUTTER en HAUSIL) hebben elk afzonderlijk hun bijdrage geleverd in dit geheel.

Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat verdachten samen met zeker op minimaal twee momenten de moederbank, financieel hebben benadeeld. Ten eerste bij transacties regarderende de zeventien onroerende goederen en tenslotte de trekking naar aanleiding van de Royalty- overeenkomst.

Verdachten hebben gezamenlijk op meerdere momenten zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, zoals vervat in de tenlastelegging.

Kortom: het oogmerk van de criminele organisatie was gericht op het in strijd handelen met bepalingen opgenomen in de Strafwet en de Bankwet, In dit geval het verstrekken van blanco kredieten aan het ministerie van Financiën, alsook het verrichten van quasi fiscale activiteiten door de CBvS. Het boven aangehaalde komt tot uiting in de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen in het vooronderzoek, alsook de afgelegde verklaringen van medeverdachten VAN TRIKT en HAUSIL als getuigen en is het eerder aangehaalde te herleiden op grond van de hierboven opgesomde bewijsmiddelen.

• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder de Feiten II, IV ( overtreding van 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 8 en het juridisch kader).
Verdachte KROMOSOETO was directeur van de SPSB, derhalve een publieke functionaris en is de Anti – Corruptiewet op hem van toepassing. Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handeling aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.

Het blijkt, dat deze verdachten samen hebben gespannen om de CBVS en ook de Staat Suriname ernstig te benadelen. De rollen zijn daarbij duidelijk verdeeld. HOEFDRAAD heeft op regeringsniveau bepaalde zaken afgehandeld en afgedekt. Als voorbeeld een missive van de Raad van Ministers met betrekking tot de verkoop van de overheidspanden (1ste tranche). VAN TRIKT als governor bij de CBVS om autorisatie te verlenen voor de betalingen en allerlei andere zaken, waarbij hij in strijd met de Bankwet heeft gehandeld. Als voorbeeld de betaling voor de 1ste en 2de tranche panden, die nimmer zijn overgedragen aan de CBVS. HAUSIL als directeur Legal Compliance and International Affairs om illegale transacties (in strijd met de Bankwet) legaal te doen overkomen. Bijvoorbeeld de aankoop van onroerend goed (1ste en 2de tranche) en de Royalty’s van IAM GOLD.

M.b.t. de transacties regarderende de 1ste en 2de tranche panden:
• Artikel 18 het eerste lid van de Bankwet luidt als volgt: “ De Bank verleent in blanco geen krediet of voorschot. Onder krediet of voorschot in blanco is niet begrepen het toevertrouwen in haar eigen belang van gelden of goederen aan lasthebbers die niet bij haar in vaste dienst zijn.”
• Artikel 18 lid 4 van de Bankwet geeft het volgende aan: “Behoudens het bepaalde in het tweede lid koopt of bezit de Bank geen onroerende goederen, dan die welke voor de uitoefening van haar bedrijf benodigd zijn.”

De constructie van de panden is één van de mogelijkheden geweest, die genoemde verdachten in vereniging hebben toegepast om blanco voorschotten of kredieten (de zgn. Monetaire Financiering) te verkrijgen van de CbvS. Monetaire financiering brengt met zich mee dat er meer geld in omloop wordt gebracht waartegenover geen dekking staat met als gevolg een wisselkoers die omhoogschiet. Om de wisselkoers “stabiel” te houden is er geïntervenieerd op de valutamarkt en daarbij is er onder andere gebruik gemaakt van de kasreservemiddelen van de commerciële banken.

In het strafrechtelijk onderzoek verricht bij de CBVS in het kader van de aankoop van de zeventien onroerende goederen komen in beeld de verdachten KROMOSOETO, Ginmardo Budiono en PUTTER, Robert Paul.

Op 26 juni 2019 heeft HOEFDRAAD een brief gericht aan VAN TRIKT waarin hij de navolgende onroerende goederen aanbiedt aan de CBVS voor gedeeltelijke financiering of schuldverrekening en wel voor een bedrag van Euro 45 miljoen. (een geschatte marktwaarde) (1ste tranche)

1. Ministerie van Financiën (Tamarindelaan br.no 3)
2. Ministerie van Financiën (oud gebouw afdeling Thesaurie Inspectie – Mr. Dr. J.C. de Mirandastraat br.no.17)
3. Ministerie van Financiën (oud gebouw afdeling Economische aangelegenheden – Onafhankelijkheidsplein)
4. Ministerie van Justitie en Politie (oud KKF gebouw – Mr. Dr. J.C. De Mirandastraat br.no.6)
5. Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (Waterkant br.no 30-32)
6. Minister van Regionale Ontwikkeling (Roseveltkade br.no. 2)
7. Minister van Ruimtelijke Ordening, Grondbeheer en Bosbeheer(Cornelis Jongbawstraat 10-12)
8. Het gebouw van de Nationale Loterij aan de Keizerstraat

Op 07 november 2019 richt VAN TRIKT een brief aan HOEFDRAAD waarin hij het bod van de 8 onroerende goederen accepteert en ook de betaling van Euro 45 miljoen autoriseert.

Op 20 september 2019 heeft HOEFDRAAD een brief gericht aan VAN TRIKT waarin hij de navolgende onroerende goederen aanbiedt aan de CBVS voor een gedeeltelijke financiering of schuldverrekening en wel voor een bedrag van Euro 60 miljoen (geschatte marktwaarde) (2de tranche)
1. Hoofdkantoor Ministerie van Financiën – S.M. Jamaludinstraat 26
2. Directoraat Financiën – J.D. Gomperstraat 03
3. Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 51
4. Parking Trainingscentrum Financiën – Gongrijpstraat 36
5. Directoraat Ontwikkeling financiering – Henk A.E. Arronstraat 36
6. Gebouw t.o. Belastingkantoor (Adviseur Min) – Van Sommelsdijkstraat 34
7. Belastingkantoor – Van Sommelsdijk 27
8. Directoraat Belastingen (Oud -BDO gebouw) Kerkplein 12
9. Het Nationaal Informatie Instituut (ABC gebouw) – Mahonylaan 55

Op 3 december 2019 richt VAN TRIKT een brief aan HOEFDRAAD waarin hij het bod van de 9 onroerende goederen accepteert en ook de betaling van Euro 60 miljoen autoriseert.

De betaling voor de onroerende goederen hebben op de navolgende dagen plaatsgevonden:
• 28 juni 2019……………………….SRD 377, 955,000.00
• 20 september 2019……………..SRD 220, 000,000.00
• 24 september 2019……………..SRD 271, 100,000.00
Totaal———————————–SRD 869, 055,000.00

Kortom: Er heeft nimmer een schuldverrekening plaatsgevonden.

Na de aanhouding van medeverdachte HAUSIL is haar emaildata over het jaar 2019 en 2020 (gedeeltelijk) ter beschikking gesteld van het onderzoek. Daarbij is er een email bericht aangetroffen afkomstig van verdachte KROMOSOETO en verzonden naar medeverdachten HOEFDRAAD en VAN TRIKT. Dit bericht is op 10 juni 2019 door medeverdachte VAN TRIKT (ge-forward)doorgestuurd naar HAUSIL.

Uit dit mailtje blijkt, dat KROMOSOETO met het voorstel is gekomen om onroerende goederen van de overheid te verkopen aan de CBVS. Verder heeft hij het ook over de royalty’s van IAM GOLD en natuurreservaten van Suriname. Hij sluit het mailtje af met:

“Tot zover, terwijl ik verder ga met zoeken naar mogelijkheden”.

Uit het boven aangehaalde staat onomstotelijk vast, dat hij, verdachte KROMOSOETO, met ideeën is gekomen, die uiteindelijk hebben geleid tot ongedekte verstrekkingen/blanco voorschotten (monetaire financiering) door de CBVS, waarbij de CBVS, als Staatsinstelling ernstig financieel is benadeeld. Het verhaal rond de onroerende goederen is uitgebreid omschreven. Dat van royalty’s (een overeenkomst van 01 november 2019 aanvankelijk bedoeld voor de verrekening van de langlopende Staatschuld, terwijl daarvan gebruik is gemaakt om SRD 2,3 miljard te trekken) was volgens medeverdachte VAN TRIKT bedoeld om de langlopende staatschuld te verrekenen en dat zegt hij ook omtrent de aankoop van de panden, maar aan de hand van dit mailtje is dat van het verrekenen van de langlopende staatschuld een drogreden omdat het nu blijkt, dat het meer bedoeld was om aan financiën te komen voor de Staat Suriname. HOEFDRAAD; HAUSIL en VAN TRIKT hebben bewust hieraan meegewerkt. Weliswaar komt het idee van de onroerende goederen niet van HAUSIL, maar zij was wel degelijk (vooraf) op de hoogte van dat er middels allerhande constructies aan monetaire financiering zou worden gedaan ten nadele van de CBVS en zij heeft zulks helpen faciliteren.

Rekening houdend met de verklaring van HOEFDRAAD bij de Rechter Commissaris, namelijk dat de onroerende goederen (2de tranche) het eigendom zijn van de SPSB en de inhoud van het e – mail bericht, dat KROMOSOETO naar HOEFDRAAD en VAN TRIKT heeft verstuurd kan gevoeglijk worden aangenomen, dat KROMOSOETO de onroerende goederen in de 2de tranche (met uitzondering van het pand van de belastingdienst aan de Sommelsdijkstraat) via HOEFDRAAD ten verkoop heeft geboden aan de CBVS wetende dat deze onroerende goederen niet van Staat Suriname zijn en nog minder van de SPSB.

Uit documentatie en verklaring van de notaris [persoon 13] en de getuige [persoon 2] blijkt het volgende:
• Het onroerend goed aan de Mahonylaan op 16 maart 2018 is gekocht door PUTTER die werkzaam was bij de SPSB.
• De onroerende goederen aan de GRAVENSTRAAT, GONGRIJPSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); SOMMELSDIJKSTRAAT zijn op 5 september 2018 van [persoon 2] gekocht door PUTTER.
• Volgens [persoon 2] heeft hij steeds onderhandeld met KROMOSOETO die genoemde onroerende goederen zou kopen voor de SPSB. Deze panden werden door [persoon 2] verhuurd aan het ministerie van Financiën en de huur werd betaald door de SPSB. Op de dag van de verkoop werd PUTTER door KROMOSOETO naar voren geschoven om op te treden als koper. De stichtingen en naamloze vennootschappen waarvan PUTTER het enige bestuurslid is heeft geen enkele link met de SPSB. De onroerende goederen zijn door [persoon 2] voor Euro 13.350.000 verkocht aan de GONGRIJPSTRAAT; GOMPERTSTRAAT en SOMMELSDIJKSTRAAT- Euro 2.450.000 voor een verkavelingsproject aan de 3de rijweg. Dit verkavelingsproject is gekocht door KROMOSOETO in zijn hoedanigheid als bestuurder van het “Fonds Woningbouw Lagere Inkomensgroepen”.
KROMOSOETO (niet in de hoedanigheid als directeur van de SPSB, nog minder als bestuurder van het “Fonds Woningbouw Lagere Inkomensgroepen) heeft samen met PUTTER als partij een betalingsovereenkomst ondertekend met [persoon 2] t.a.v. de onroerende goederen gekocht op 05 september 2018. De betalingsovereenkomst is per zelfde datum ondertekend. In de betalingsovereenkomst is aangegeven, dat op 05 september 2018 Euro 5.000.000 wordt betaald en het resterend bedrag, namelijk Euro 8.350.000 binnen 18 maanden na 05 september 2018.
• Daar KROMOSOETO en PUTTER hun betalingsverplichting niet optimaal konden nakomen is er door [persoon 2], rente doorberekend van SRD 3.075.000.
KROMOSOETO heeft [persoon 2] dit jaar aangegeven dit bedrag niet te kunnen betalen en heeft toen het voorstel gedaan aan [persoon 2], dat die een hypotheek vestigt van SRD 3.075.000 op het verkavelingsproject aan de 3de rijweg. Dit heeft plaatsgevonden op 01 april 2020.
• Met uitzondering hiervan heeft KROMOSOETO op 20 juli 2020 de aankoop van het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE laten ontbinden. PUTTER heeft de ontbinding ondertekend. De koopsom van REDI OEDOE was Euro 100.000 omgerekend SRD 1.500.000. Dit bedrag is afgetrokken van de SRD 3.075.000 waardoor KROMOSOETO en PUTTER (SPSB) [persoon 2] nog SRD 1.575.000 verschuldigd zijn.
• Het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE is in eerst instantie door HOEFDRAAD verkocht aan de CBVS. Vervolgens, heeft PUTTER in zijn brief van 31 december 2019 aangegeven, dat hij de onroerende goederen, waaronder ook het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE zal overdragen aan de Republiek Suriname. Zulks naar aanleiding van het feit, dat de Republiek Suriname de schuld van PUTTER bij de SPSB heeft afgelost. Echter, is noch de CBVS noch de Republiek Suriname de eigenaar geworden van dit onroerend goed (REDI OEDOE) dat door handelingen van KROMOSOETO en PUTTER middels een ontbinding d.d. 20 juli 2020 terug is gekeerd in de boezem van de verkoper ([persoon 2]).
• In een laatste wanhoopsdaad heeft HOEFDRAAD met een brief en een missive van de ex-president van de Republiek Suriname, BOUTERSE, D d.d. 10 juli 2020 dat van de panden recht proberen te trekken. In deze brief vraagt HOEFDRAAD aan INVESTMENT PARTNERS N.V. om de onroerende goederen aan de GRAVENSTRAAT; GONGRIJPSTRAAT; GOMPERTSTRAAT/ JAMALUDINSTRAAT en KERKPLEIN over te dragen aan de Staat Suriname. In deze brief rept hij met geen woord over het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE waarvoor de Republiek Suriname in 2019 reeds heeft betaald. Hier blijkt duidelijk, dat HOEFDRAAD en KROMOSOETO, nauw hebben samengewerkt bij de constructie van de panden. HOEFDRAAD heeft het onroerend goed op naam van stichting REDI OEDOE niet opgenomen te nemen in zijn brief van 10 juli 2020 en heeft de ontbinding van desbetreffende overeenkomst pas 10 dagen daarna plaatsgevonden, namelijk op 20 juli 2020.
• Er is in casu sprake van een criminele organisatie, die op systematische wijze niet alleen de CBVS, maar ook de Republiek Suriname heeft benadeeld en zichzelf en mogelijk ook anderen hebben bevoordeeld.
• Op 02 mei 2019 heeft KROMOSOETO in de hoedanigheid van directeur van de SPSB een brief geschreven aan de notaris [persoon 13] waarin hij vestiging van een krediethypotheek wenst in de hoofdsom groot SRD 1.400.000 ten laste van INVESTMENT PARTNERS; NEW VISION INTERNATIONAL en PARAMARIBO TRAVEL CENTER N.V. ten behoeve van de SPSB. Het gaat in deze om de onroerende goederen aan de GRAVENSTRAAT; SOMMELSDIJKSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); GONGRIJPSTRAAT en het KERKPLEIN. Op 10 mei 2019 is genoemde hypotheek gevestigd en op 13 mei 2019 ingeschreven in het register bij GLIS. PARAMARIBO TRAVEL CENTER waarvan [persoon 15], directeur is.
• Per zelfde datum, namelijk 2 mei 2019 heeft KROMOSOETO als directeur van SPSB een brief geschreven aan notaris [persoon 13] waarin hij vraagt om ten gunste van SPSB een akte van onherroepelijke volmacht tot hypotheekvestiging en hypotheek belofte te passeren, af te geven door INVESTMENT PARTNERS; NEW VISION INTERNATIONAL en PARAMARIBO TRAVEL CENTER N.V. waarbij de SPSB onherroepelijk volmacht zal hebben om de navolgende goederen te bezwaren ten gunste in hoofdsom groot SRD 67.500.000. De onroerende goederen in deze aan de GRAVENSTRAAT; SOMMELSDIJKSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); GONGRIJPSTRAAT en het KERKPLEIN. Op 10 mei 2019 is deze volmacht tot hypotheek gevestigd.
• Op 16 december 2019 heeft [persoon 1], in hoedanigheid van waarnemend directeur van de SPSB, acht (8) brieven gestuurd naar notaris [persoon 13] waarin hij aangeeft, dat de SPSB bereid is om royement te verlenen van de hypothecaire inschrijving ten name van Investment Partners, New Vission International NV en Paramaribo Travel Center NV. Het gaat om de navolgende onroerende goederen, namelijk GRAVENSTRAAT; SOMMELSDIJKSTRAAT; GOMPERTSTRAAT (COMPLEX); GONGRIJPSTRAAT en het KERKPLEIN. Het royement is op 18 december 2019 gepasseerd bij de notaris [persoon 13].

In deze is het opmerkelijk, dat het verzoek tot het verlenen van royement op 16 december 2019 is gedaan door de SPSB, terwijl in een brief aan PUTTER d.d. 20 december 2019 wordt aangegeven, dat zijn rekening courant kredieten d.d. 18 december 2019 volledig zijn afgewikkeld. Het komt erop neer, dat er royement is aangevraagd vóórdat de rekening courant kredieten waren afgewikkeld.

Conclusie:
Uit het voorgaande is komen vast te staan dat de verdachte KROMOSOETO nauw betrokken is geweest en samen met zijn mededaders handelingen heeft verricht -t.w.
• als directeur van de SPSB bank informatie per mail gedeeld over (de eerste tranche) onroerende goederen en/of het voorstel gedaan t.a.v. de Royalty overeenkomst aan zijn medeverdachten HOEFDRAAD en VAN TRIKT en
• als directeur van de SPSB bank – alwaar de medeverdachte PUTTER de scepter zwaaide over het zgn. special vehicle en met zijn vele stichtingen en overige rechtspersonen de bezittingen had over een aantal onroerende goederen ten verkoop onder de mom van schuldsanering ten verkoop zijn aangeboden (2de tranche) – voornoemde onroerende goederen althans de informatie daarvan gedeeld en voorstellen gedaan en juridische adviezen uitgebracht met zijn medeverdachten HOEFDRAAD en VAN TRIKT en
• daarbij enkele ontmoetingen danwel overleg momenten gehad met voornoemde mededaders die geleid hebben tot de aankoop van en de overname van zeventien panden, althans één of meer onroerende goederen, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173 en de verstrekking van ongedekte voorschotten middelen in het kader van de Royalty overeenkomst als bedoeld in artikel 18 lid 2 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no. 173.

Het boven aangehaalde komt duidelijk tot uiting volgens de verklaringen afgelegd door verschillende getuigen in het vooronderzoek, alsook de afgelegde verklaringen van medeverdachten VAN TRIKT en HAUSIL als getuigen en is het eerder aangehaalde te herleiden op grond van de eerder opgesomde bewijsmiddelen.
In onderhavige zaak is er onder meer sprake van grootschalige corruptie: “consists of acts, committed at a high level of government that distort policies or the central functioning of the state, enabling leaders to benefit at the expense of the public good.” (zie Transparancy International, geraadpleegd op 1 juli 2015, van http:// www. Transparancy.org/glossary/term/corruption).

Volgens geraadpleegde literatuur kunnen zes factoren en condities een organisatie behoeden voor onregelmatigheden:
a) Een gezonde organisatiestructuur en in het bijzonder een (eerlijke) verdeling van werk
b) Direct contact tussen het topmanagement en de werkvloer ter vergroting van de kans op ontdekking (transparantie)
c) De aanwezigheid van een specifiek integriteitsbeleid (regels)
d) De strengheid, duidelijkheid en correctheid van leidinggevenden (toezicht)
e) Voorbeeldgedrag en betrouwbaarheid van de leiders
f) Een groepscultuur, met onderling vertrouwen en de cultuurethiek.

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn bovengenoemde factoren en condities niet (duidelijk) uit de verf gekomen in de organisatiecultuur waar verdachte werkte, blijkende dit uit de bewijsmiddelen die zijn vervat in de processen – verbaal van de politie, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Bij corruptie is de context van het corrupt handelen en de gelegenheid die door de organisatie wordt geboden van belang. Volgens de literatuur zijn er drie voorwaarden nodig voor het plegen van het delict namelijk: een gemotiveerde dader, een aantrekkelijk doelwit en weinig of geen toezicht. Wanneer een duidelijke omschrijving van good en bad policing ontbreekt, blijft het onduidelijk wat er wordt verwacht. Medewerkers weten niet meer wat is toegestaan en gaan vervolgens de grijze vlakken zelf invullen. Bovendien brengen bepaalde functies een zekere mate van status en macht met zich mee. Het is die macht en het vertrouwen in de bekleder van die macht, die misbruikt wordt ten eigen bate. Het beroep brengt als het ware een eigen gelegenheidsstructuur met zich mee. De handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd worden vergeleken met een slechte boomgaard, een institutionele context waar de organisatie, het soort werk en de werkcultuur een belangrijke rol hebben gespeeld. Bij corruptie falen zowel de individuen als de organisatie: de organisatie creëert de gelegenheid om corruptie te plegen. Werknemers hebben veelal hun gedrag aangeleerd via (non) verbale communicatieprocessen in een omgeving waarin anti – sociaal gedrag ook veel voorkomt: het is ieder voor zichzelf en dit getuige ook op grond van de verklaringen bij de rechter – commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek afgelegd, het gebrek aan verantwoordelijkheid en adequaat toezicht van de directeur (verdachte) en de Raad van Toezicht van de Surinaamse Postspaarbank. Mede daardoor heeft verdachte zich de behoeften en (morele) opvattingen en vaardigheden eigen gemaakt die het plegen van corruptie bevorderen. Ook persoonlijkheidskenmerken kunnen volgens de literatuur corrupt gedrag bevorderen: de behoefte aan geldingsdrang, aan macht over de omgeving, een bepaalde mate van hebzucht, het handelen onder druk van anderen en thrill seeking, de sterke behoefte om bij anderen gezien te worden en belangrijk geacht c.q erkend te worden alsook een ongezonde loyaliteit aan opdrachtgevers die (politieke) macht bekleden.

Uit de processen – verbaal van de politie, het gerechtelijk vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de variabelen van meso en micro niveau voor een groot deel aanwezig waren om te komen tot de vaststelling van corruptie die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd. Deze variabelen zijn ook belangrijke toetsstenen om na te gaan of er sprake is van good governance van instituten met sterke democratische wortels waarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur centraal staan. De SPSB heeft in de periode waar verdachte en zijn mededaders hebben gewerkt, gefunctioneerd als een corrupt orgaan vanwege de corruptieve handelingen die door verdachte en zijn mededaders zijn gepleegd.

De variabelen op mesoniveau zijn:
1. Leiderschap waarbij de rol van de leidinggevende centraal staat. De leidinggevende:
a) geeft niet het goede voorbeeld en is niet bepaald een integere leider;
b) is onduidelijk over wat is toegestaan;
c) spreekt de medewerkers niet aan op regelovertredend gedrag;
d) geeft geen ondersteuning aan integer gedrag.

2. Procedures, deze variabele betreft het bestaan en de naleving van wet – en regelgeving en de uitwerking daarvan in procedures. De procedures:
a) Zijn niet schriftelijk vastgelegd;
b) Sluiten niet aan bij de praktijk;
c) Zijn niet gericht op het voorkomen van integriteitsrisico’s;
d) Zijn niet duidelijk;
e) Zijn niet bekend;
f) Worden niet nageleefd door de medewerkers.

3. Controle. Aan de hand van deze variabele wordt nagegaan in hoeverre er sprake is van interne of externe controle. Met de controles:
a) Wordt niet nagegaan of volgens de voorgeschreven procedures wordt gewerkt;
b) Worden medewerkers niet aangesproken op regelovertredend gedrag;
c) Wordt niet opgetreden en bestraft indien wordt afgeweken van de procedures.

4. Organisatiecultuur. Deze variabele gaat over het moraal binnen de organisatie en de groepscultuur. In een niet integere organisatiecultuur:
a) gaat men niet zorgvuldig om met elkaar, de middelen van de organisatie en (vertrouwelijke) informatie:
b) ontbreekt onderling vertrouwen en open communicatie;
c) voelen medewerkers zich niet veilig om vragen te stellen als zij strafbare feiten – zoals corruptie – vermoeden;
d) bestaat geen onderling corrigerend gedrag.

5. Integriteitsbeleid. Het gaat hier erom of er binnen de organisatie speciale aandacht is voor het woord integriteit:
a) er zijn geen integriteitsvoorschriften (wettelijke regelingen, gedragscode, vertrouwenspersoon, meldprocedure);
b) de integriteitsvoorschriften zijn niet bekend bij de medewerkers;
c) medewerkers worden niet gescreend;
d) risicofuncties worden niet benoemd;
e) medewerkers volgen geen integriteitstrainingen.

De variabelen op microniveau
1. Persoonlijkheidskenmerken. Er is sprake van een of meer persoonlijkheidskenmerken:
a. Dominant
b. Machtswellustig
c. Welbespraakt
d. Overtuigend
e. Megalomaan
f. Principeloos
g. Onverantwoordelijk

2. Motieven
a) Geld
b) Macht

3. Rationaliteit van handelen, waarbij er sprake is van een rationele keuze aan de hand van een kosten- en batenanalyse. Corrupte bestuurders en ambtenaren zijn vaak rationale wezens die maximaal profijt nastreven met het eigen belang voorop: zij proberen de instituties in hun eigen voordeel te hervormen door meer macht naar zich toe te trekken. Potentiële daders van corruptie maken een bewuste keuze van de kosten en baten analyse. Zij zijn bereid om corruptie te plegen als zij verwachten dat de opbrengsten groter zijn dan de kosten. “Opbrengsten” staan niet uitsluitend voor financieel gewin, maar ook voor het bereiken van een bepaalde status, aanzien en macht. Het begrip “ kosten” betreft niet alleen de kosten van steekpenningen, maar ook het ingeschatte risico van een lage pakkans ( waar verdachte en zijn mededaders bedrogen in zijn uitgekomen) en het risico op een eventueel baanverlies (als ik niet doe wat mijn meerdere mij opdraag kan ik mijn baan verliezen) of een reputatieschade ( bijvoorbeeld: ik ga mijn aanzien bij mijn meerderen verliezen als ik niet doe wat zij van mij vragen).

4. Neutralisatietechnieken. De gedragingen worden vooraf en/of achteraf verantwoord door toepassing van een of meer van de volgende neutralisatietechnieken:
a) Ontkenning van de eigen verantwoordelijkheid
b) Ontkenning van schade of benadeling
c) Ontkenning door de dader: niemand is benadeeld. Handelingen gepleegd in het belang van land en volk / ik heb het beste met het land voor/ vaderlandsliefde.
d) Veroordeling van de oordelaars cq degenen die de wantoestanden aan het licht hebben gebracht
e) Verwijzing naar hogere plichten of morele principes: een groot risico genomen, financiering gegeven zonder enige dekking daartegenover, wij zijn vooruitgelopen op zaken en we hadden er geloof in dat het wel goed zou komen, Ik ben loyaal aan mijn opdrachtgevers en had het beste voor met het land.

Bovenstaande variabelen op mesoniveau en microniveau zijn belangrijke toetsstenen voor instanties die bemenst worden door publieke functionarissen, teneinde na te gaan of er sprake is van good governance en sterke democratische instituten met transparante regels en werkwijzen. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben – op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in samenhang met de geraadpleegde literatuur en de jurisprudentie – de SPSB en verdachte gefaald om aan de noodzakelijke voorwaarden te voldoen met als gevolg een geschokte rechtsorde en benadeling van De Staat Suriname.

• Met betrekking tot het ten laste gelegde onder de Feiten III en V (Ambtsverduistering en subsidiair verduistering in persoonlijke dienstbetrekking en het juridisch kader).
Er is sprake van overtreding van artikel 423 Wetboek van Strafrecht als een ambtenaar geld dat is gebudgetteerd voor een specifiek doel voor een ander publiek doel wordt gebruikt, zoals bedoeld in Hoofdstuk III van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 (de taakstelling en werkkring van de Centrale Bank van Suriname).
De Hoge Raad oordeelde dat van verduistering in de zin van art. 359 Sr Nederland (423 Sr Suriname) sprake is bij onttrekking aan de bestemming van gelden en geldswaardig papier. Voorts beschermt art. 359 Sr NL volgens de Hoge Raad het belang van een juiste vervulling van het ambt, ter wille van de integriteit van de openbare dienst, ‘welk belang van een goede taakvervulling gelijkelijk heeft te gelden ten aanzien van de persoon die in persoonlijke dienstbetrekking staat tot zijn werkgever (HR 02-06-2015, ECLI: NL: HR:2015:1449.)

Gelet op de eerder aangehaalde bewijsmiddelen komt de kantonrechter tot de conclusie dat medeverdachte VAN TRIKT als governor van de CBvS als heer en meester over de op de in beheer zijnde middelen van de CBvS gaan beschikken en deze heeft gebruikt voor doeleinden waarvoor zij niet aangewezen waren.
Zo heeft de gewezen governor gelden tot een totaal bedrag van 3 miljard Surinaamse Dollars (meer specifiek SRD. 3.069.055.000, -) toebehorende aan de CBvS uitgegeven in de mom van blanco voorschotten, althans laten verduisteren door HOEFDRAAD toen als gewezen minister van Financiën. Deze handelingen zijn verricht door middel van verschillende valse constructies in het kader van de transacties regarderende de 1ste en 2de tranche panden alsook de overeenkomst dd. 1 november 2019 omtrent de Royalty’s onder de mom van zogenaamde schuldsanering.
Aldus heeft medeverdachte HOEFDRAAD tezamen en in vereniging met voornoemde medeverdachte, zich naar het oordeel van de kantonrechter, betreffende geldbedragen in zijn hoedanigheid van minister van Financiën opzettelijk wederrechtelijk toegeëigend.

Verdachte KROMOSOETO heeft als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK in de hoedanigheid van publieke functionaris in de uitoefening van zijn publieke functie als bedoeld in artikel 1 van de Anti-corruptiewet SB. 2017 no. 85 na gemeen overleg en afstemming, althans in nauwe samenwerking met voornoemde VAN TRIKT, ROBERT als de president van de Centrale Bank van Suriname en/of voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE als minister van financiën en HAUSIL, FARANAAZ gehuwd ALIBAKS als algemeen secretaris bij de Centrale Bank van Suriname en/of functionerende als directeur Legal Compliance International affaires bij de Centrale Bank van Suriname in strijd met het vierde lid van artikel 18 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173, een of meer gesprekken gevoerd en voorstellen gedaan en ideeën of constructies bedacht, in ieder geval geïnstrueerd en voorstellen gedaan, althans geadviseerd tot de aankoop van en de overname van zeventien panden, welke onroerende goederen niet noodzakelijk zijn gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de Centrale Bank van Suriname als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de geldende tekst van de Bankwet 1956 S.B. 2010 no 173 en waarvan een deel van voornoemde onroerende goederen niet aan de Staat Suriname toebehoorden en zonder dat er aan voornoemde HOEFDRAAD, GILLMORE ANDRE, zijnde de minister van Financiën, (vooraf en daartoe) toestemming was verleend door de Raad van Ministers van de Republiek Suriname voor het verrichten van handelingen regarderende transacties met betrekking tot voornoemde onroerende goederen en zonder dat hij verdachte zich daarvan had overtuigd. Voorts heeft hij, verdachte persoonlijk danwel per email voorstellen gedaan voor de afdracht van royalty’s aan de aan de Centrale Bank van Suriname en/of ten gevolge waarvan door zijn voornoemde mededaders een overeenkomst gedateerd van 01 november 2019 omtrent de afdracht van de royalty’s door de Republiek Suriname aan de Centrale Bank van Suriname betreffende de aflossing van de lopende lening (de Staatsschuld) van het ministerie van financiën, althans de Staat Suriname bij de Centrale Bank van Suriname werd opgesteld, althans hebben doen opstellen en opgemaakt, althans hebben doen opmaken en ondanks dat er daartoe een (ongunstige) juridisch advies was uitgebracht om vermelde overeenkomst niet aan te gaan en zonder dat daarvoor de vereiste machtiging tot het aangaan van voormeld overeenkomst tot nadere wijziging en aanvulling op de Delfstoffenovereenkomst de dato 7 april 1994 (SB 1994 no 22 gewijzigd bij SB 2002 no115) was verleend door De Nationale Assemblee en/of zonder dat een machtigingswet daartoe in het Staatsblad van de Republiek Suriname was afgekondigd.

Kortom de getrokken middelen van circa meer dan 3 miljard, hebben een ander bestemming gehad, dan waarvoor het bedoeld was.

De bewijsconstructie
Gelet op het eerder aangehaalde en in samenhang met de opgesomde bewijsmiddelen kan – tegenover verdachte ‘s ontkenning – vastgesteld worden dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte KROMOSOETO en zijn voornoemde mededaders te weten HOEFDRAAD G; VAN TRIKT R en PUTTER, waarbij er duurzaam en in structureel verband is samengewerkt en daarbij wettelijke bepalingen zoals vervat in het Wetboek van Strafrecht en de Bankwet doelbewust zijn vertrapt, dit voorgaande met het enig oogmerk financiering van de overheidsuitgave ten nadele van de staatsinstelling in deze de moederbank(CbvS), waarbij aan die ernstig financieel nadeel is toegebracht. Verdachte KROMOSOETO heeft steevast te kennen gegeven dat hij de voorstellen t.a.v. de onroerende goederen en de royalty’s heeft gedaan na overleg, goed vertrouwen en op voorstel van medeverdachte HOEFDRAAD. Als voormalig bankier moest hij hebben geweten dat dergelijke handelingen helemaal niet gepast zijn binnen de wet en regelgeving, desondanks heeft hij meegewerkt aan voormelde constructies. Door een moederbank dergelijke financiële klappen toe te brengen heeft dat voor de totale economie en samenleving van Suriname ernstige gevolgen gehad. Verdachte KROMOSOETO heeft duidelijk andere belangen gediend te weten dat van medeverdachte HOEFDRAAD en daarmede de CBvS ernstig financieel benadeeld. De verdachte KROMOSOETO heeft puur gehandeld ten faveure en behoud van zijn functie en positie als topman bij de SPSB.

Verdachte KROMOSOETO heeft misbruik gemaakt van zijn kennis en positie als directeur van de SURINAAMSE POSTSPAAR BANK, alwaar hij over de nodige informatie beschikte t.a.v. de onroerende goederen (vooral t.a.v. de 2de tranche panden). Hij heeft het vertrouwen dat in hem gesteld in ernstige mate geschaad. Door verdachte en zijn medeverdachten is aan de CBvS grote financiële schade toegebracht, waardoor de bestaande Staatsschuld hierdoor enorm is gaan toenemen. Dit voorgaande heeft ertoe geleid tot de verdere ontwaarding van de Surinaamse munt en hierdoor de huidige economische malaise waaronder elke Surinaamse burgers thans gebukt gaat. Komende generaties komen hieraan niet onderuit en zullen deze nare gevolgen eveneens ondervinden.

Bij de bepaling van de hierna op te leggen straf is, gelet op de aard en ernst van de te bewezen verklaren feiten, op de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op de persoon van de verdachte KROMOSOETO, zoals een en ander uit het vooronderzoek en ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De strafbaarheid van de feiten
De te bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. Verdachte is een first offender voor de wet.

De motivering van de straf.
Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan de hierna te melden straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijk duur met zich brengt. Op grond van het hierboven aangehaalde en mede gelet op het feit dat verdachte KROMOSOETO enerzijds een essentiële rol binnen het geheel heeft gehad, is de kantonrechter van oordeel dat de straf zoals die is geëist, passend en geboden is. Verdachte heeft gewerkt in een ongezonde organisatiecultuur die niet beantwoord aan de vereisten van good governance en waarbij loyaliteit aan opdrachtgevers met dubbele agenda’s een centrale rol hebben gespeeld. Het spreekwoordelijk gezegde “ wat baat het een mens om de wereld te winnen en daarbij schade te lijden aan zijn ziel” is daarbij aan verdachte voorbij gegaan. Prestige kwesties gaan vaak hand in hand met afhankelijkheid van anderen, waarbij er vaak een prijs wordt betaald die ten koste gaat van de integriteit, het zelfrespect en de normen en waarden en het naleven van wettelijke regels die van een publieke functionaris in de uitoefening van zijn bediening worden verwacht. Het gedrag van verdachte en zijn mededaders hebben grote schade aangericht aan de economische ordening, waarbij de burgerij het meest te lijden heeft.

De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Verklaart het bewezenverklaarde onder I; II A; III B; IV A; V B van de ten laste legging strafbaar en kwalificeert dit als volgt:
I: Deelneming criminele organisatie zoals voorzien en strafbaar gesteld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.
II A: Medeplegen van de overtreding van de Anti – Corruptiewet zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti – Corruptiewet S.B. 2017 no. 8. juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
III B: Medeplichtigheid aan ambtsverduistering zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.
IV A: Medeplegen van de overtreding van de Anti – Corruptiewet zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti – Corruptiewet S.B. 2017 no. 8.juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
V B: Medeplichtigheid aan ambtsverduistering zoals genoemd en strafbaar gesteld in artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing van de Kantonrechter berust mede op de artikelen 9, 11, 38, 43, 44, 54 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING VAN DE KANTONRECHTER
• Verklaart de onder I; IIA; III B; IVA; VB: ten laste gelegde feiten zoals hierboven is vermeld wettig en overtuigend bewezen;
• Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
• Veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van vijf (5) jaren.
• Bepaalt dat de tijd door de verdachte vόόr de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
• Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete tot een totaal bedrag van SRD 150.000, – (honderdvijftigduizend Surinaamse Dollar) subsidiair 12 maanden hechtenis.
• Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Kuldip Singh, kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo, in tegenwoordigheid van A. A. Kalloe LL.B. griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 31 januari 2022.

De Griffier, De Kantonrechter,
Mw. A.A.KALLOE,fg. Mr. M.V. KULDIP SINGH

 

 

 

SRU-HvJ-2022-2

HOF VAN JUSTITIE

dienende als beroepsinstantie van het Advocaten Tuchtcollege

 

In de zaak van

[verweerster],

advocaat,

wonende in [district],

appellant, hierna aangeduid als [verweerster],

gemachtigde: mr. E. Glunder, advocaat,

 

tegen

 

[klager],

wonende in [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als [klager],

gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist,

inzake het hoger beroep van de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege (hierna: ATC) van 22 mei 2020 (no. 19/25) gewezen tussen [klager] en [verweerster],

spreekt de Fungerend-president, in naam van de Republiek, op de voet van artikel 57 van de Advocatenwet (S.B. 2004 No. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 No. 42) de navolgende beslissing uit.

  1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de brief en de daarbij ingediende memorie van grieven d.d. 25 juni 2020 waaruit blijkt dat [verweerster] hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van het ATC;
  • het proces-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 18 augustus 2020;
  • het proces-verbaal van de voortzetting van het verhoor van partijen gehouden op 13 oktober 2020;
  • de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen, zijdens partijen d. 17 november 2020;

1.2. De uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Partijen zijn op de dag van de uitspraak, 22 mei 2020, niet ter zitting verschenen. Een afschrift van de beslissing hebben partijen op 27 mei 2020 van de Secretaris van het ATC ontvangen en [verweerster] heeft bij schrijven d.d. 25 juni 2020 appel aangetekend weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld appel.

  1. De feiten

3.1. [klager] is een jongere zus van [verweerster] en is procespartij in 18 processen die tussen partijen worden gevoerd c.q. zijn gevoerd.

3.2. Er is sprake van een verstoorde relatie tussen [klager] en [verweerster].

  1. De procedure in eerste aanleg

4.1. [klager] heeft bij het ATC gevorderd dat er maatregelen worden getroffen tegen [verweerster] op grond van tuchtrechtelijk verwijtbare handelingen door [verweerster] gepleegd.

4.2. Als grondslag voor de vordering heeft [klager] aangevoerd dat [verweerster] over hetzelfde onderwerp gedingen aanhangig maakt tegen haar en andere familieleden waarbij steeds verweer moet worden gevoerd en rechtsbijstand moet worden ingeroepen, hetgeen voor zware financiële druk zorgt. [klager] is van mening dat [verweerster] hierdoor misbruik maakt van procesrecht. Voorts dat zij verschillende brieven heeft geschreven naar de werkgever van [klager], waarbij zij haar heeft beklad en haar goede naam onterecht is aangetast.

4.3. [verweerster] heeft verweer gevoerd in dier voege dat haar woning en perceel door het geknoei van [klager] op de veiling is gezet en dat zij zich bestolen voelt. Verder dat zij volgens de wettelijke procedures voor zichzelf opkomt en dat haar privé problemen met haar familie niets te maken hebben met haar functioneren als advocaat. Tenslotte ontkent zij misbruik te maken van procesrecht en onbetamelijk te handelen.

4.4. Het ATC heeft hierna bij beslissing d.d. 22 mei 2020 met de daarin vermelde gronden, de klacht van [klager] gegrond verklaard en [verweerster] de tuchtmaatregel van schorsing voor de duur van één (1) jaar opgelegd en haar voorts verboden om gedurende twee jaren over hetzelfde onderwerp van geschil te procederen tegen [klager].

  1. De grieven

[verweerster] heeft een negental grieven aangevoerd tegen de beslissing van het ATC, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief 1.Ten onrechte heeft het ATC appellante geen redelijke mogelijkheid geboden tot verweer.

Onder 3.2 van haar beslissing heeft het Tuchtcollege onterecht overwogen dat [verweerster] verweer heeft gevoerd.

Het Tuchtcollege heeft haar moeder, ondanks haar protest bij schrijven d.d. 26 november 2019 vanwege de fragiele gezondheid van haar moeder, toch gehoord op de zitting van 29 november 2019. Tijdens dit verhoor heeft zij, [verweerster], de ruimte voor enige tijd verlaten en bij terugkomst heeft zij opgemerkt dat haar moeder onwaarheden vertelde aan het Tuchtcollege, waartegen zij (emotioneel) niet bij machte was om verweer te voeren. Gelet op de brief van 26 november 2019, had het Tuchtcollege haar in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de door haar moeder afgelegde verklaringen. Ook het niet kenbaar maken van het bestaan van het proces-verbaal van de gehouden zittingen, heeft ertoe bijgedragen dat zij geen deugdelijk verweer heeft kunnen voeren. Ten onrechte heeft het Tuchtcollege voorts onder 4.4 van haar beslissing, het gevoerd verweer van [verweerster], vermeld als te zijn niet relevant.

Grief 2. Het ATC heeft in strijd met de wet gehandeld

Het ATC vermeldt in haar beslissing in punt 1.2 dat van de behandeling proces-verbaal is opgemaakt, welke zich onder de processtukken bevindt. Echter heeft het ATC in strijd met artikel 52 lid 2, nagelaten om haar van dit processtuk kennis te doen nemen zowel gedurende het proces als daarna. De mogelijkheid tot verweer is haar ontnomen.

Het ATC heeft met verwijzing naar artikel 47 lid 2, als bijzondere voorwaarde een verbod aan appellante opgelegd om met betrekking tot hetzelfde onderwerp van geschil te procederen tegen [klager] gedurende een periode van twee jaren met ingang van de dag waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Met het opgelegd verbod, dat als bijzondere voorwaarde is geformuleerd, overtreedt het ATC volgens haar, artikel 47 lid 2 waarop het volgens de bewoordingen gebaseerd zou zijn. De gestelde bijzondere voorwaarde zoals genoemd in dit artikel heeft alleen betrekking op de praktijkbeoefening van de advocaat. Het feit dat [verweerster] advocaat van beroep is, neemt niet weg dat zij in persoon kan procederen, hetgeen binnen de grenzen van Suriname is toegestaan. Volgens [verweerster] kan het Tuchtcollege haar niet hiervan uitsluiten, gezien dit indruist tegen de bepaling neergelegd in artikel 11 van de Grondwet en het discriminatieverbod neergelegd in artikel 1 jo 8 leden 1 en 2 van de Grondwet. Voorts heeft het Tuchtcollege onterecht onder 4.3 overwogen dat de persoon van [verweerster] en de advocaat [verweerster], niet van elkaar afgezonderd kunnen worden. Volgens [verweerster] vervult zij meerdere maatschappelijke functies die elk hun eigen specifieke verantwoordelijkheid en zorgplicht hebben. [verweerster] erkent dat, door haar beroep als advocaat, een verregaande zorgplicht op haar rust, doch is de mening toegedaan dat zij zich steeds naar haar zorgplicht heeft gedragen.

Volgens [verweerster] mag van haar, ook al is zij advocaat, niet verwacht worden dat zij zich erbij neerlegt dat zij wordt bestolen van hetgeen zij moeizaam heeft opgebouwd.

Ten onrechte heeft het Tuchtcollege verklaringen afgenomen van de moeder van [verweerster], daar zij niet beëdigd was als getuige en is het Tuchtcollege hiermee in overtreding van artikel 52 lid 8 van de Advocatenwet.

Grief 3. Het Tuchtcollege heeft zijn wettelijke bevoegdheden overschreden

Ten onrechte heeft het Tuchtcollege getracht te bemiddelen in het geschil tussen [verweerster] en [klager], zonder daarvoor de wettelijke bevoegdheid te hebben. Volgens [verweerster] is er in Suriname geen sprake van enige geschillenregeling voor de advocatuur, waarbij de bevoegdheid zou zijn verleend aan het ATC tot geschiloplossing naar aanleiding van klachten tegen een advocaat.

Grief 4. Ten onrechte heeft het ATC zich ingelaten met het verloop van lopende processen.

Door het opgelegd verbod om te mogen procederen heeft het Tuchtcollege, naar de mening van [verweerster], haar in de situatie gebracht om zonder enig verweer toe te zien, dat [klager] en haar moeder door misleiding van meerdere personen en autoriteiten, hebben bewerkstelligd dat zij haar woning en perceel is kwijtgeraakt. Volgens [verweerster] houdt het aan haar opgelegd verbod om te procederen ook in dat alle lopende zaken niet meer voortgezet mogen worden.

Grief 5. De beslissing van het Tuchtcollege is niet voldoende gemotiveerd

Het Tuchtcollege heeft onder 3.1 van de beslissing aangegeven, dat [klager] rechtsbijstand heeft moeten inroepen en advocaatkosten heeft moeten betalen. Echter heeft het Tuchtcollege verzuimd aan te geven dat er in Suriname geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat. Het ATC heeft merendeels de klachten van klaagster verwoord en het specifieke verweer niet in de overwegingen c.q. beslissing betrokken maar volstaan met de algemene vermelding in punt 4.4 dat het ATC bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig acht daar die voor de beslissing niet relevant zijn gebleken. Hiermee is in strijd gehandeld met artikel 45 van de Advocatenwet.

Grief 6. Het Tuchtcollege heeft bij de beslissing ontoelaatbare onzorgvuldigheden en tegenstrijdigheden begaan

De door het Tuchtcollege genomen beslissing behelst naast meerdere onjuiste spellingen en vermeldingen, ook een oppervlakkige beoordeling met vergaande gevolgen waarbij de relevante feiten en omstandigheden, afgezien van het eenzijdig verhaal van [klager] en de rest van de familie, niet in de overwegingen van het Tuchtcollege zijn meegenomen.

Mr. Glunder is als haar raadsman opgetreden en staat desondanks als gemachtigde vermeld. Het dictum van de beslissing bevat verder niet de volledige vermelding van de naam van [verweerster], waardoor het in twijfel kan worden getrokken of de beslissing zonder de volledige naamsvermelding enige werking heeft.

De in de beslissing van het Tuchtcollege opgenomen bijzondere voorwaarde is verder onuitvoerbaar, daar het Tuchtcollege niet heeft aangegeven welke vordering als basis zal gelden voor het verbod tot procederen. Hierdoor kan de Deken van de Orde van Advocaten de toebedeelde toezichtfunctie ingevolge artikel 48 van de Advocatenwet niet uitoefenen. Het Tuchtcollege heeft in de beslissing aangegeven, dat het aan de rechter is toebedeeld om te bepalen of er sprake is van misleiding van de rechter door [klager] en dat het Tuchtcollege deze overweging niet kan maken. Echter heeft het Tuchtcollege wel een beslissing genomen in de civiele procedures tussen partijen, door het verbod van procederen op te leggen.

Grief 7. Het Tuchtcollege heeft zich eenzijdig ingelaten met familie aangelegenheden

Het Tuchtcollege heeft indringende vragen gesteld over de begrafenis van de vader van [verweerster] en deze ook betrokken in haar beslissing, hetgeen doet vermoeden dat het Tuchtcollege de handelingen van [verweerster] op dit zeer persoonlijk gebied wilde beoordelen.

Grief 8. Het Tuchtcollege heeft de klachten niet objectief benaderd

Gedurende het proces en de daarin genomen beslissing heeft het Tuchtcollege zich zeer ontvankelijk getoond voor de emotionele beïnvloeding van de tegenpartij. Het Tuchtcollege heeft in de beslissing te vaak eenzijdige informatie opgenomen, zoals onder andere de brief gericht aan de werkgever van [klager]. Echter zijn in deze brief geen zaken van familierechtelijke aard opgenomen, maar is de werkgever van [klager] aangeschreven in het kader van het publiekrecht. Het Tuchtcollege heeft gericht een negatief beeld van [verweerster] opgebouwd, door enkel de klachten van [klager] op te nemen zonder het daartegen gevoerd verweer van [verweerster].

Grief 9. Het Tuchtcollege heeft geen recht op een eerlijk proces gegund

Het Tuchtcollege heeft een eenzijdig beïnvloed oordeel gegeven in een jarenlange familievete.

  1. De vordering in hoger beroep

[verweerster] concludeert op bovengenoemde gronden tot vernietiging van de beslissing van het ATC waarvan beroep, althans te bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd.

  1. Het standpunt van [klager] in hoger beroep.

Verkort weergegeven, blijft [klager] bij haar standpunt, ingenomen bij het ATC, dat [verweerster] misbruik maakt van het procesrecht en zich onbetamelijk gedraagt in de uitoefening van haar beroep als advocaat

  1. De beoordeling

8.1. Advocaten zijn op grond van artikel 37 van de Advocatenwet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de ordebesluiten en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Ingevolge het bepaalde in artikel 17 lid 2 van de Advocatenwet zijn de ere-regelen op advocaten van toepassing. Deze ere-regelen, ook wel gedragsregels genoemd, kunnen als een leidraad dienen bij de beantwoording van de vraag of de tuchtrechtelijke norm van artikel 37 van de Advocatenwet is geschonden. Om te bepalen wat de advocaat in het concrete geval heeft te doen of heeft na te laten, is de tuchtrechter vaak genoodzaakt zich uit te laten over de strekking van een gedragsregel.

Het Hof overweegt met betrekking tot de aangevoerde grieven als volgt:

Voorop dient gesteld te worden dat [verweerster] geen duidelijke scheiding trekt tussen de verschillende grieven die zij aanvoert. Door herhaling van delen van sommige grieven in andere grieven, vindt er overlapping plaats. Waar nodig zal het Hof derhalve meerdere grieven samen bespreken.

8.2. Met betrekking tot grief 1 en delen van grief 2

[verweerster] is van mening dat zij geen kans heeft gehad om verweer te voeren en dat het ATC in strijd met artikel 52 lid 2 van de Advocatenwet heeft gehandeld door haar het proces-verbaal van de zitting van 29 november 2019 te onthouden.

Artikel 52 lid 2 van de Advocatenwet luidt als volgt: “De betrokken advocaat en de klager zijn bevoegd zich bij de behandeling van de klacht door een raadsman te doen bijstaan; zij en hun raadslieden worden in de gelegenheid gesteld tijdig van de processtukken kennis te nemen; hen wordt door de secretaris van het Tuchtcollege tijdig medegedeeld waar en wanneer deze gelegenheid bestaat.”

Het zal de aandachtige lezer bij het lezen van het gehele artikel 52 opvallen dat daarin in feite enkele procedurele handelingen zijn beschreven die gevolgd moeten worden bij het in behandeling nemen van de zaak. De daarin bedoelde processtukken hebben in bijzonderheid te maken met de aanwezige stukken aan het begin van het proces. Niet is gebleken dat [verweerster] om een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 29 november 2019 heeft gevraagd en desgevraagd dit niet te harer beschikking is gesteld.

De stelling van [verweerster] dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren is onjuist. Uit de door het Hof opgevraagde stukkenin eerste aanleg, met name het proces-verbaal van de tuchtzitting van vrijdag 29 november 2019,wordt zakelijk weergegeven, het volgende gelezen: Aan het begin van de terechtzitting is door de voorzitter van het ATC ingegaan op de brief die [verweerster] heeft geschreven met betrekking tot het bezwaar, dat haar moeder gehoord zou worden. Het Hof maakt op dat is aangegeven, dat de moeder als informant gehoord zal worden en is uiteengezet welk doel het college dacht te bereiken met de aanwezige partijen. In de aanhef van het proces-verbaal is de moeder ook aangeduid als informante. Op grond hiervan wordt vastgesteld dat er geen verplichting bestond de moeder te beëdigen zoals wordt gesteld in grief 2.

[verweerster] heeft na de uitleg terzake door de voorzitter van het ATC, in emotionele toestand, de zaal verlaten. De zitting is toen geschorst om haar advocaat mr. Glunder de gelegenheid te geven met haar in gesprek te gaan. De behandeling van de zaak is hervat nadat [verweerster] en haar advocaat terug zijn gekeerd in de zaal. [naam], zijnde de moeder, [klager] en [verweerster] zijn achtereenvolgens aan het woord geweest en hierna de raadsman van [verweerster], mr. Glunder, althans zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten. Dat [verweerster] thans stelt geen gelegenheid te hebben gehad om verweer te voeren oftewel dat er ten onrechte is overwogen dat zij verweer heeft gevoerd is naar het oordeel van het Hof onjuist. In het verlengde hiervan rustte er op het ATC geen plicht het proces-verbaal van de zitting van 29 november 2019, ongevraagd aan [verweerster] te verstrekken. Het ATC heeft op grond hiervan dus niet in strijd gehandeld met artikel 52 lid 2 van de Advocatenwet zoals gesteld door [verweerster]. Grief 1 en de besproken delen van grief 2 falen derhalve.

8.3. Met betrekking tot grief 3

Van belang is eerstens vast te stellen of het ATC bevoegd is kennis te nemen van de aan haar voorgelegde klacht. Die bevoegdheid staat vast nu dit college ex artikel 38 van de Advocatenwet (S.B. 2004 No. 42 zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2015 No. 42), specifiek voor dit doel – tuchtrechtspraak – is ingesteld. Nu er geen enkele wettelijke bepaling is die het ATC verbiedt te bemiddelen, faalt deze grief.

8.4. Met betrekking tot het overig deel van grief 2 en grief 4

Deze grieven komen in essentie op hetzelfde neer of liggen in elkaars verlengde en worden daarom samen besproken. In het overig deel van grief 2 spreekt [verweerster] zich uit tegen het verbod dat haar is opgelegd dat zij gedurende een periode van twee jaren geen processen mag voeren met betrekking tot hetzelfde geschil tegen [klager]. Volgens [verweerster] heeft het ATC er geen rekening mee gehouden dat art. 47 lid 2 alleen betrekking heeft op de praktijkbeoefening van de advocaat. Zij heeft zich steeds aan haar zorgplicht gehouden in het besef dat vanwege haar beroep deze zorgplicht verregaand is. Het feit dat zij advocaat is neemt niet weg dat zij in persoon mag procederen. Ten slotte is zij van mening dat zij door dit verbod in de situatie gebracht wordt om zonder verweer de processen te moeten ondergaan.

Ten aanzien van het overig deel van grief 2 overweegt het hof als volgt.

Onderdeel van de klacht van [klager] is dat [verweerster] misbruik van procesrecht maakt door steeds processen tegen haar aanhangig te maken en haar alzo doende in de kosten jaagt.

Voorop dient gesteld te worden dat zowel de advocaat als beroepsbeoefenaar, als de privépersoon van de advocaat, procederende in persoon, dienen te handelen zoals het een goed advocaat betaamt. Het Hof gaat derhalve mee met de overweging van het ATC dat de persoon van [verweerster] en de advocaat [verweerster] onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, waardoor [verweerster] zich ook in haar privé- c.q. maatschappelijk gerelateerde aangelegenheden, naar de stand van haar beroep behoort te gedragen. De advocaat dient steeds voor ogen te houden, dat die door de toelating als advocaat bij het Hof van Justitie in Suriname, geroepen is richting te geven aan het rechtsleven en naast de Rechterlijke Macht mede te werken aan de rechtsbedeling, één en ander ter bevordering van een goede rechtspraak in het land. Zijn verplichtingen, voortvloeiend uit de betekenis van het beroep, kunnen worden samengevat in het door de wetgever als grondslag zowel voor weigering van toelating als voor disciplinaire maatregelen aanvaarde voorschrift, dat de advocaat zich heeft te onthouden van alles, wat inbreuk maakt op de eer van de stand der advocaten.

Ten einde in casu het gestelde misbruik van procesrecht te kunnen beoordelen, heeft het Hof het door [klager] overgelegd overzicht van 18 aanhangig gemaakte processen onder de loep genomen. Het hof heeft dit overzicht geplaatst tegen de verplichting genoemd onder a van het Algemeen gedeelte I van de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname, met name de verplichting dat de advocaat in en buiten de uitoefening van het beroep alles hoort na te laten dat zijn stand zou kunnen schaden. Onder deze verplichting valt, naar het oordeel van het Hof, in elk geval dat de advocaat als deskundige een gedegen inschatting dient te maken van de kans van slagen van rechtszaken alvorens de rechter te adieren. Daarbij hoort hij mede in overweging te nemen, het belang van alle bij het proces betrokken personen. [verweerster] kan, mede gelet op haar jarenlange ervaring als advocaat en na alle omstandigheden in aanmerking genomen hebbende, worden verweten bewust in strijd te hebben gehandeld met de verplichting genoemd onder a van het Algemeen gedeelte I van de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname. Het Hof komt tot de conclusie dat [verweerster] tegen beter weten in, onnodig rechtsprocessen aanhangig heeft gemaakt tegen [klager].

Ten aanzien van grief 4 overweegt het hof als volgt.

Artikel 47 lid 2 van de Advocatenwet luidt: “Bovendien is het Tuchtcollege bevoegd bij de beslissing ook andere bijzondere voorwaarden, betreffende de praktijk-beoefening van de betrokken advocaat gedurende de proeftijd of een bij de beslissing te bepalen gedeelte daarvan, te stellen.”

Dit artikel staat niet op zichzelf maar ligt in het verlengde van artikel 46 van de Advocatenwet waarin is bepaald dat het ATC bij het opleggen van de maatregel van schorsing mag bepalen dat een deel daarvan niet zal worden tenuitvoer gelegd, een voorwaardelijk deel dus, onder bepaling van een proeftijd. De voorwaarde is dat hij binnen de bepaalde proeftijd niet in strijd mag handelen met hetgeen opgenomen staat in artikel 37 van deze wet. Boven op dit alles mag het ATC krachtens artikel 47 een bijzondere voorwaarde opleggen.Nu het ATC onder 5.2 van de beslissing een onvoorwaardelijke schorsing heeft opgelegd, kan er geen bijzondere voorwaarde, ex artikel 47 lid 2 van de Advocatenwet, worden opgelegd. De beslissing onder 5.3 kan derhalve geen stand houden.

Het overig deel van grief 2 dat zich richt tot met name de beslissing onder 5.3, slaagt.
Op grond van al hetgeen hierboven is overwogen acht het Hof de verdere bespreking van grief 4 niet nodig, aangezien bedoelde grief zich richt tot de implementatie van de bijzondere voorwaarde, het verbod om met betrekking tot hetzelfde onderwerp van geschil te procederen tegen [klager] gedurende een periode van twee jaren.

8.5. Met betrekking tot grief 5

Inderdaad kent de Surinaamse wetgeving geen verplichte procesvertegenwoordiging.

Dit houdt in dat iemand ervoor mag kiezen zijn eigen zaak voor de kantonrechter in Suriname te verdedigen maar sluit niet uit dat iemand zich mag doen bijstaan door een raadsman wanneer dat voor haar noodzakelijk is. Wanneer volgens het ATC de relevante onderdelen voor haar beslissing zijn besproken, staat het haar vrij niet relevante onderdelen onbesproken te laten, ongeacht door welke partijen deze zijn ingebracht. In casu is naar het oordeel van het Hof niet in strijd gehandeld met artikel 45 van de Advocatenwet. De redenering van [verweerster] gaat derhalve mank op dit stuk, waardoor deze grief faalt.

8.6. Met betrekking tot grief 6

Indien er in de beslissing van het ATC waarvan beroep, omissies danwel schrijffouten voorkomen worden die uiteraard verbeterd. Voor het overige ligt het aan het Hof om de overwegingen van het ATC te beoordelen hetgeen ook geschiedt in de bespreking van de grieven.

[verweerster] is vanaf 2005 toegelaten om als advocaat bij het Hof van Justitie te postuleren en is het haar niet onbekend, of althans behoort het haar bekend te zijn dat de naamsaanduiding van partijen zoals in hoofde van de beslissing vermeld, geen praktische c.q. implementatie problemen oplevert voor de werking van de beslissing, nu deze als één geheel moet worden opgevat. Het Hof vermag niet na te laten op te merken dat in casu geen juridisch betoog is gevoerd doch dat eerder sprake is van een zoektocht “naar spijkers op laag water”. Het 2e deel van grief 6 richt zich wederom tot de bijzondere voorwaarden, waarover het Hof zich bereids heeft uitgelaten.

8.7. Met betrekking tot de grieven 7 en 9

Grief 7: Het Tuchtcollege heeft zich eenzijdig ingelaten met familie aangelegenheden. Grief 9: Het Tuchtcollege heeft een eenzijdig beïnvloed oordeel gegeven in een jarenlange familievete.

Beide partijen hebben in het proces bij het ATC hun familievete ter sprake gebracht waardoor het logisch is dat er daarover vragen zijn gesteld. Het is het Hof niet gebleken dat het ATC zich eenzijdig heeft ingelaten met familie aangelegenheden.

Het Hof is evenwel van oordeel dat voor het vaststellen of [verweerster] ingevolge de Advocatenwet tuchtrechtelijk aansprakelijk moet worden gesteld, het ATC partijen veel ruimte geboden heeft om de familie omstandigheden aan de orde te stellen. Naar het oordeel van het Hof is echter niet gebleken dat het ATC zich bij de beslissing in deze zaak heeft laten leiden door de familievete. Grieven 7 en 9 falen derhalve.

8.8. Met betrekking tot grief 8

Ten aanzien van grief 8 kan worden gesteld, dat indien [verweerster] tot de conclusie was gekomen dat er zich enige onregelmatigheid zou hebben voorgedaan ten aanzien van het perceel, hetwelk onderwerp is van een proces tussen haar en [klager], het op haar weg had gelegen om dit ter attentie van de behandelende rechter te brengen. Het siert een advocaat niet om de werkgever van een partij waartegen geprocedeerd wordt, aan te schrijven en daarbij vermoedens, insinuaties en aantijgingen, als te zijn vaststaande feiten, aan te halen. Bovendien heeft [verweerster] hierbij gebruik gemaakt van het brievenhoofd van haar advocatenpraktijk met de kennelijke bedoeling meer gewicht te geven aan de inhoud van die brief c.q. brieven. Dit handelen kan slechts tot doel hebben gehad de goede naam en eer van [klager] aan te tasten. Naar het oordeel van het Hof zijn privé gedragingen van een advocaat tuchtrechtelijk van belang indien er voldoende verwevenheid is met de praktijkuitoefening. Er bestaat in casu verwevenheid tussen het handelen van [verweerster] als advocaat, met haar optreden in de gedingen, ook al berusten die, volgens haar op een familievete. Privé gedragingen van een advocaat worden in tuchtrechtelijk belang beoordeeld, wanneer door die gedragingen het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Er kan hiervan sprake zijn indien er een zeker verband met de praktijkuitoefening is of wanneer de verweten gedraging voor een advocaat in het licht van diens beroepsuitoefening, absoluut ongeoorloofd moet worden geacht. Naar het oordeel van het Hof heeft [verweerster] met het zich wenden tot de werkgever van [klager], in strijd gehandeld met Ere- regel nummer 25, luidende: “De advocaat zal zich steeds in gepaste termen uitlaten en alles vermijden, wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven.”

Aan de verplichting genoemd onder a van het Algemeen gedeelte I van de Ere-regelen voor de Advocaten in Suriname, met name de verplichting dat de advocaat in en buiten de uitoefening van het beroep, niets behoort te doen, wat zijn stand zou kunnen schaden, is [verweerster], ook met deze handeling, wederom voorbijgegaan.

8.9. Concluderend is het Hof van oordeel dat [verweerster] zich bij het uitoefenen van het beroep, meer dan eens schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van de Ere-regelen van de Advocaten in Suriname, namelijkhet bepaalde onder a van het Algemeen gedeelte I van voormelde Ere-regelen, met name de verplichting dat de advocaat in en buiten de uitoefening van het beroep alles hoort na te laten dat zijn stand zou kunnen schaden. Tevens is overtreden Ere-regel nummer 25 als bijzondere regel, die bepaalt dat de advocaat zich steeds in gepaste termen zal uitlaten en alles zal vermijden, wat tot ongewenste incidenten, in het bijzonder van persoonlijke aard, aanleiding kan geven. [verweerster] heeft door in strijd te handelen met de genoemde ere-regels, gehandeld zoals het een goed advocaat niet betaamt en kan haar daarom schending van artikel 37 van de advocatenwet worden verweten. De klacht ingediend door [klager] is daarom gegrond.

8.10. Artikel 45 lid 2 van de Advocatenwet somt limitatief vier tuchtmaatregelen op die het ATC kan opleggen indien het college van oordeel is dat het tegen de betrokken advocaat gerezen bezwaar gegrond is. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen zal het Hof de getroffen maatregel niet overnemen en acht het Hof een maatregel als na te noemen passend.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

9.1. Verklaart de klacht van [klager] gegrond;

9.2. Vernietigt de beslissing van het Advocaten Tuchtcollege d.d. 22 mei 2020, waarvan beroep voor wat betreft de opgelegde tuchtmaatregel;

En opnieuw rechtdoende:

9.3. Legt aan [verweerster] de tuchtstraf van schorsing uit het ambt van advocaat op voor de duur van vier maanden met ingang van de dag waarop het afschrift van deze beslissing van de griffier is ontvangen.

9.4 Bepaalt dat deze beslissing zal worden bekendgemaakt c.q. gepubliceerd op de uitspraken databank van de website van het Hof van Justitie (www.rechtspraak.sr).

Aldus gewezen door mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-president, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. E.P. Rudge LL.M., Lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-president ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op 11 januari 2022 uitgesproken, in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.M., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. M.C. Mettendaf

w.g. S.S.S. Wijnhard

w.g. E.P. Rudge

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2022-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

De Staat Suriname
zetelende te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

Simson, Paris Yvanna,
wonende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: Yvanna of zij,
gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen Yvanna als eiseres en de Staat als gedaagde gewezen en uitgesproken vonnis van 11 januari 2017 (A.R. no. 15-5612), spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal van 24 januari 2017 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de Staat tegen het voormelde vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota van de Staat van 17 november 2017;
• de conclusie van antwoordpleitnota van Yvanna van 2 februari 2018;
• de conclusie van repliekpleidooi van de Staat van 2 november 2018;
• de conclusie van dupliekpleidooi van Yvanna van 18 januari 2019.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling
2. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Het hof gaat dan ook van die feiten uit. De zaak gaat – kort weergegeven – over het volgende.

a. Yvanna is op [datum] te Paramaribo geboren als wettig kind van [persoon 1] en [persoon 2]. In de geboorteakte over het jaar [jaartal] folio [nummer] zijn als voornamen van het kind vermeld de voornamen [naam 1] en als geslacht van het kind, het mannelijk geslacht.
b. In de door Yvanna overgelegde verificatieverklaring d.d. 16 februari 2009, opgemaakt door neuropsycholoog [naam 2] is onder ander het volgende opgenomen:
“Dit is een verificatieverklaring om aan te geven dat [naam 1] heeft deelgenomen aan een aantal sessies van individuele psychotherapie, vanwege haar gevoel in het verkeerde lichaam te zijn geboren.
[naam 1] gebruikt al ruim twee jaren oestrogeen en leidt al ongeveer tien jaren het leven van een vrouw.
Volgens het Diagnostisch en Statistisch Handboek van Psychische Stoornissen, Vierde Herziene druk, luidt haar diagnose: Genderidentiteitsstoornis.
Om psychologische gronden is het haar toegestaan een verandering naar het vrouwelijk geslacht te ondergaan.
De operatie tot geslachtsverandering is voor haar erg belangrijk, aangezien zij sinds haar kinderjaren daarnaar heeft verlangd”.
c. In de medische verklaring van 8 mei 2009 heeft de Plastisch en Reconstructief Chirurg dr. [naam 3]. onder meer het volgende verklaard:
“Mejuffrouw [naam 1], geboren op [datum], als kind van het mannelijk geslacht, is door een team van vooraanstaande medische deskundigen gediagnosticeerd met dysforie (geslachtidentificatieafwijking) en heeft geslachtveranderingschirurgie ondergaan in het Piyavate Ziekenhuis in Thailand.
Op 22 april 2009 heb ik voor deze patiënt een geslachtsveranderingsoperatie uitgevoerd (mannelijk naar vrouwelijk) in het Piyavate Ziekenhuis, in Bangkok, Thailand. De ingreep bestond uit orchidectomie (verwijdering van de testikels), penectomie (verwijdering van de penisschacht), reconstructie van de urinekanaalopening, enkele-fase plastische chirurgie van schaamlippen (kleine en grote schaamlippen), plastische chirurgie van de clitoris, con-structie van een vaginale opening met huid van de penis en constructie van een neo-vaginaal kanaal met huidtransplantatie. Op medische en wettelijke gronden is zij nu een onvruchtbare persoon van het vrouwelijk geslacht, daar haar geslacht blijvend is veranderd naar dat van een vrouw door middel van geslachtsveranderingschirurgie.
(…)
Ik verklaar hierbij, op straffe van meineed, dat het voorgaande op waarheid berust en juist is”.
d. Bij beschikking van de kantonrechter in het eerste kanton van 12 januari 2011 (A.R. no. 10-1164) is aan Yvanna toestemming verleend om haar voornamen [naam 1] te veranderen in Paris Yvanna. De beschikking is blijkens een kantmelding op de geboorteakte ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand Paramaribo.

3. Bij inleidend processtuk van 24 juli 2002 heeft Yvanna de kantonrechter verzocht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, om de Staat te veroordelen tot het plaatsen van een latere vermelding c.q. kantmelding in de registers van geboorte voor wat betreft de geslachtsaanduiding van Yvanna als behorend tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht. De Staat heeft hiertegen verweer gevoerd.

4. De kantonrechter heeft de vordering van Yvanna toegewezen. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat noch het huidige BW noch het toekomstige BW een oplossing biedt en dat een oplossing daarom moet worden gezocht in de mensenrechtenverdragen waar Suriname partij bij is. Het kunnen aanpassen van de voornaam en het geslacht op de geboorteakte vormt naar het oordeel van de kantonrechter een van de fundamentele rechten van transseksuele personen. Vaststaat dat Yvanna met een identiteitsprobleem kampt. Zij ondervindt dagelijks problemen omdat in haar ID-kaart, paspoort en andere relevante documenten vermeld staat dat zij van het mannelijke geslacht is, terwijl zijn naar uiterlijke verschijningsvorm vrouwelijk is. Ook heeft zij verklaard dat zij gediscrimineerd wordt en geen werk kan vinden. De kantonrechter is van oordeel dat Yvanna zich dagelijks in een situatie bevindt die niet verenigbaar is met het recht op respect voor privéleven als bedoeld in de artikelen 17 van de Grondwet (GW), 17 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en 11 Amerikaans Verdrag voor de rechten van de mens (AVRM), en er derhalve sprake is van een schending van deze artikelen. Gelet op het bepaalde in de artikelen 106 en 137 GW geeft de kantonrechter in casu een zodanige ruimere interpretatie aan de bepalingen van de artikelen 17 Burgerlijk Wetboek (BW) en 64 -67a BW dat deze aansluit bij hetgeen door Yvanna wordt gevorderd.

5. In het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter heeft de Staat een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van Yvanna en verder nog twee grieven aangevoerd. Volgens de Staat moet Yvanna niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek omdat zij haar verzoek al eerder aan de kantonrechter heeft voorgelegd. Dit heeft geleid tot het vonnis van 12 oktober 2011 (A.R.11-1445) waarbij haar verzoek is afgewezen.

6. Grief 1 betoogt dat nu er geen wettelijke bepaling is die voorziet in de gevraagde wijziging op de geboorteakte en de maatschappelijke discussie over onder andere transseksualiteit in Suriname nog gaande is, de kantonrechter zich meer terughoudend had moeten opstellen en de vordering niet had moeten toewijzen. De Staat verwijst in dat verband naar het voornoemde vonnis van de kantonrechter waarin een eerder gelijkluidend verzoek van Yvanna door de kantonrechter is afgewezen en waar als volgt is overwogen: “De geboorteakte, die krachtens artikel 23 van het Burgerlijk Wetboek “de kunne van het kind” moet vermelden, bewijst naar algemeen wordt aangenomen ten aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de daarin genoemde moeder een kind van de “daarin vermelde kunne” is geboren. Met “de kunne van het kind” kan niet anders zijn bedoeld dan “ de kunne van het kind” ten tijde van de geboorte. De juistheid van dat gegeven vermeld in de onderliggende akte wordt niet door verzoekster betwist. De wet kent geen voorziening die het mogelijk maakt om een wijziging van het geslacht, als waarvan in casu sprake is, in de registers van de burgerlijke stand te vermelden. In de registers van de burgerlijke stand behoren alleen die gegevens, die daarin volgens de desbetreffende bepalingen moeten voorkomen en de wet kent geen bepaling volgens welke een geslachtsverandering als gegeven in die registers van de burgerlijke stand moet worden verwerkt/ in het bijzonder behoort niet tot de rechterlijke uitspraak waarvan volgens de wet inschrijving moet geschieden, een rechterlijke uitspraak waarbij een geslachtsverandering als hier bedoeld wordt vastgesteld”. De vordering kan daarom niet worden toegewezen.

7. Verder heeft de Staat verwezen naar de volgende overweging in het voornoemde vonnis: “Om het onderhavige verzoek in te willigen dient het stelsel van de wet ingrijpend te worden gewijzigd, hetgeen een zorgvuldig wetgevingstraject vereist, waarin de medische, medisch-psychologische, medisch-ethische, sociale facetten en met het oog op de rechtszekerheid de juridische facetten van deze problematiek tegen het licht worden gehouden en waarin nauwkeurig in kaart is gebracht welke juridische consequenties uit een dergelijke uitbreiding van de registratie voortvloeien. De wetgever zal bovendien heldere criteria moeten formuleren voor de onderbouwing en de beoordeling van een verzoek tot registratie van een geslachtsverandering. Niet alleen de belangen van de verzoeker grijpen zo diep in, maar ook de consequenties voor het gehele systeem van ons familierecht zijn zo verstrekkend, dat de regeling van de onderhavi-ge problematiek niet aan de incidentele beslissingen van de rechter kan worden overgelaten”. De vordering kan ook daarom niet worden toegewezen, aldus de Staat.

8. Met grief 2 betoogt de Staat dat de artikelen 64-67a BW en artikel 17 BW hier niet van toepassing zijn dan wel niet ruim geïnterpreteerd moeten worden. De artikelen 64-67a BW gaan over verbetering en aanvulling van akten van de burgerlijke stand. Yvanna vraagt geen verbetering of aanvulling maar het plaatsen van een kantmelding dat zij van geslacht is veranderd. Artikel 17 BW gaat over het plaatsen van een kantmelding maar daarbij geldt dat latere ver-meldingen geen andere gegevens mogen bevatten dan die ingevolge de wet vermeld moeten worden. De wet voorziet hoegenaamd niet in de mogelijkheid van geslachtsverandering. Zolang de wet daartoe niet is gewijzigd kan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand op grond van de wet niet een dergelijke kantmelding plaatsen. Van strijd met grondrechten of mensenrechten ex artikel 106 en 137 GW is ook geen sprake omdat geslachtsverandering niet in de wet is geregeld.

Niet-ontvankelijkheid
9. Het beroep van de Staat op niet-ontvankelijkheid dan wel misbruik van omstandigheden of procesrecht van Yvanna omdat zij al eerder een gelijkluidend verzoek tot aantekening van de geslachtverandering bij de kantonrechter heeft gedaan, wordt door het hof verworpen. Dat verzoek van Yvanna heeft geleid tot het vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2011 (A.R.11-1445) waarbij haar verzoek toen is afgewezen. De Staat was geen partij bij die procedure en het vonnis is dus niet tussen partijen gewezen. Het vonnis heeft daarom geen gezag van gewijsde. Van misbruik van omstandigheden of procesrecht is evenmin sprake. De discussie over rechten van onder andere transpersonen is volop in ontwikkeling, ook op de sociale media. Dit leidt in steeds meer landen tot wetgeving en rechtspraak. Gelet op die ontwikkeling heeft Yvanna dan ook, na een aanvankelijke afwijzing van haar verzoek in 2011, haar gelijkluidende verzoek opnieuw in december 2015 aan de kantonrechter mogen voorleggen en daarbij de Staat in rechte mogen betrekken. Dat Yvanna geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het afwijzend vonnis van 12 oktober 2011 staat niet aan haar ontvankelijkheid in deze procedure in de weg.

Verbod op discriminatie
10. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de onderhavige zaak door het hof stelt het hof het volgende voorop. Artikel 8 van de Surinaamse grondwet (GW) bepaalt dat niemand op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enige andere status [cursivering hof] gediscrimineerd mag worden. Hieronder moet ook worden begrepen discriminatie we-gens seksuele gerichtheid zoals die van transpersonen. Onder transpersoon wordt verstaan, iemand bij wie (zoals bij Yvanna) de genderidentiteit en/of genderexpressie niet overeenkomt met het geslacht dat bij de geboorte is toegekend. Het verbod op discriminatie is ook neergelegd in artikel 26 IVBPR en artikel 24 AVRM, bij welke verdragen Suriname partij is.

Privé leven, persoonlijke identiteit en juridische erkenning daarvan
11. Verder stelt het hof voorop dat artikel 17 lid 1 GW bepaalt dat een ieder, dus ook een transpersoon, recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven (zie ook artikel 17 IVBPR en artikel 11 AVRM). Het recht op privéleven van artikel 17 lid 1 GW ziet ook op de bescherming van de persoonlijke identiteit, daaronder begrepen de genderidentiteit (of geslachtsbewustzijn zoals Yvanna dat noemt) en de juridische erkenning daarvan, zoals bij een transpersoon die een operatieve geslachtsverandering heeft ondergaan en die wijziging wenst van de vermelding van het geslacht in de registers van de burgerlijke stand.

12. Zowel ten aanzien van het verbod op discriminatie (hiervoor onder 10) als ten aanzien van het recht op bescherming van de persoonlijke identiteit (hiervoor onder 11) verwijst het hof verder nog naar de uitspraak van het UN Human Rights Comittee dat toeziet op de naleving van het IVBPR. Het UN Human Rights Committee heeft in de zaak van G. tegen Australië bevestigd dat het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR ook omvat discriminatie op grond van genderidentiteit, daaronder begrepen de status van transgender. In die uitspraak is verder bevestigd dat artikel 17 IVBPR ziet op de bescherming van de persoonlijke identiteit, daar-onder begrepen genderidentiteit (Communication No. 2172/2012 (CCPR/C/119/D/2172/2012) (UN HRC, 15 June 2017).

Strijdigheid met grondrechten
13. Ten slotte stelt het hof voorop dat artikel 137 GW bepaalt dat de rechter die in een concreet aan hem voorgelegd geval de toepassing van een wettelijke bepaling strijdig oordeelt met een of meer van de in hoofdstuk V genoemde grondrechten, hij die toepassing voor dat geval ongeoorloofd verklaard. Zowel het discriminatieverbod van artikel 8 GW als het recht op privéleven van artikel 17 lid 1 GW vallen onder de in hoofdstuk V van de Grondwet genoemde grondrechten.

Recht op juridische erkenning van de geslachtsverandering
14. Uit hetgeen het hof onder 10. en 11. voorop heeft gesteld moet volgen dat Yvanna, gelet op het aldus bepaalde in artikel 8 en artikel 17 lid 1 GW, recht heeft op juridische erkenning van haar persoonlijke identiteit en daarmee ook van de geslachtsverandering die zij heeft ondergaan. Niet weersproken is dat Yvanna nog immer een identiteitsprobleem heeft omdat haar geslachtsverandering juridisch niet is erkend. Verder ondervindt zij dagelijks, maar in ieder geval veelvuldig, problemen doordat op haar ID-kaart, haar paspoort en andere relevante documenten vermeld staat dat zij van het mannelijk geslacht is terwijl zij een geslachtsverandering heeft ondergaan en naar uiterlijke verschijningsvorm vrouwelijk is. De Surinaamse wet kent geen specifieke wettelijke bepaling die voorziet in een wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte. De Staat betoogt dat zolang een dergelijke bepaling er niet is, de rechter terughoudendheid moet betrachten en een verzoek tot aantekening van de geslachtsverandering in de geboorteakte moet afwijzen.

Grief 1 Terughoudendheid van de rechter
15. Het verweer dat de rechter zich hier terughoudend moet opstellen vindt geen steun in het recht. Integendeel, zoals vooropgesteld onder 13. moet de rechter ingevolge artikel 137 GW als er sprake is van strijdigheid met een of meer grondrechten, zoals het verbod op discriminatie en het recht op privéleven, de toepassing van een wettelijke bepaling ongeoorloofd verklaren. Dat geldt dus ook voor een wettelijke bepaling zoals artikel 23 BW waarvan de Staat betoogt dat dit artikel (in samenhang met de artikelen 17 BW en 64-67a BW) de mogelijkheid van inschrijving van de geslachtswijziging belemmert. Het hof werkt dit hierna verder uit on-der 17. en 18. van dit vonnis.

16. De Staat heeft ter onderbouwing van de noodzaak van rechterlijke terughoudendheid ook verwezen naar het vonnis van de kantonrechter van 12 oktober 2011 (A.R.11-1445) en de hierboven onder 7 aangehaalde overweging uit dat vonnis. Het hof acht die verwijzing onvoldoende overtuigend. Allereerst wijst het hof erop dat het vonnis ruim tien jaar geleden gewezen is en er sedertdien meer aandacht is gekomen voor het recht op persoonlijke identiteit en de noodzaak tot juridische erkenning daarvan, in het bijzonder voor transpersonen en andere personen behorend tot de LGBTQ+-gemeenschap. Verder valt niet goed in te zien, althans de Staat heeft dit niet verder onderbouwd, dat voor toewijzing van het verzoek van Yvanna “het stelsel van de wet ingrijpend moet worden gewijzigd”. In het geval van Yvanna is niet in geding dat zij – blijkens de verklaring van dr. [naam 3] genoemd onder 2.c –geslachtsveranderingschirurgie heeft ondergaan en hierdoor blijvend van geslacht is veranderd naar dat van een vrouw en dat zij onvruchtbaar is geworden. Nu niet gesteld of gebleken is dat zij gehuwd is, spelen er geen familierechtelijke problemen die aan de aantekening van de geslachtsverandering in de geboorteakte in de weg zouden kunnen staan, althans deze zijn niet gesteld of gebleken. Hoewel het aangehaalde vonnis van de kantonrechter – zoals gezegd – ruim tien jaar geleden is gewezen zijn er van overheidswege geen initiatieven ontplooid – althans de Staat heeft in dat verband niets aangevoerd – om te komen tot een wetge-vingstraject laat staan tot een met het oog daarop georganiseerde maatschappelijke discussie of voorbereidend (juridisch) onderzoek. In de memorie van toelichting van het Ontwerp Boek 1 van het Nieuw Surinaams Burgerlijk Wetboek bij titel 4, afdeling 12, is opgenomen dat in navolging van de Nederlandse Antillen en Aruba de bepalingen over transseksualiteit niet zijn overgenomen. Er is dus hoegenaamd geen uitzicht op een wettelijke regeling. Het hof is dan ook van oordeel dat de Staat zich niet op de afwezigheid van wetgeving kan blijven beroepen indien zij daartoe zelf geen initiatieven ontplooit. Bij een afweging van de belangen van Yvanna tegenover die van de Staat is het hof van oordeel dat van Yvanna niet kan worden gevergd dat zij schending van het verbod van gelijke behandeling en een inbreuk op haar privéleven nog langer moet dulden, zonder enig uitzicht op een wettelijke regeling.

Grief 2 Overige wettelijke belemmeringen
17. Het hof is verder van oordeel dat het bepaalde in de artikelen 17 BW, 23 BW en 64-67a BW niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering van Yvanna. Yvanna vraagt specifiek om het plaatsen van een latere vermelding c.q. kantmelding in de registers van geboorte voor wat betreft de geslachtsaanduiding van Yvanna als behorend tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht. Artikel 23 BW bepaalt dat de geboorteakte “de kunne van het kind” zal vermelden. Dit heeft weliswaar betrekking op het geslacht van het kind, en dus niet het geslacht van de volwassene, maar dat geldt ook voor de voornamen die aan het kind (“aan hetzelfde”) worden gegeven. Eventueel nadien gewijzigde voornamen kunnen door middel van het plaatsen van een kantmelding in de geboorteakte worden opgenomen. Het valt dan ook niet in te zien waarom dit niet eveneens zou kunnen ten aanzien van een geslachtswijziging zoals door de kantonrechter ten aanzien van Yvanna is gelast. Zoals hiervoor is overwogen, is daartoe niet een specifieke wettelijke voorziening vereist, maar kan dit bij rechterlijke uitspraak worden gelast en ingevolge artikel 67 BW worden ingeschreven.

18. De mogelijkheid van plaatsing van een kantmelding is geregeld in artikel 17 BW. De Staat heeft betoogd dat die mogelijkheid alleen bestaat ten aanzien van gegevens die ingevolge de wet vermeld moeten worden, en de geslachtsverandering niet zo’n wettelijk voorgeschreven gegeven is, dat ook daartoe een nader ingeschreven akte ontbreekt, en dus niet bij wege van kantmelding kan worden gedaan. Indien het hof er veronderstellenderwijs van uit moet gaan dat dit juist is, kan dit de Staat niet baten. Dan is er immers sprake van een situatie als be-doeld in artikel 137 GW waarin de toepassing van deze voorschriften hier, in het onderhavige geval, strijdig is met de grondrechten van artikel 8 GW en artikel 17 GW. Het hof moet deze voorschriften hier dan ongeoorloofd c.q. buiten toepassing verklaren. Ten overvloede overweegt het hof dat de te plaatsen kantmelding als volgt kan komen te luiden: “Blijkens vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton te Paramaribo van 11 januari 2017 (A.R. 15-5612) is de melding gelast van de geslachtsverandering van Simson, Paris Yvanna, in de registers van geboorte, als behorend tot het vrouwelijk geslacht in plaats van het mannelijk geslacht.

19. Nu de grieven falen zal het hof het vonnis van de kantonrechter bevestigen.

20. Bij deze stand van zaken zal het hof de Staat, als de in het ongelijk gestelde partij, veroorde-len in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De beslissing
Het Hof:
• bevestigt het vonnis van de kantonrechter van 11 januari 2017 (A.R. 15-5612);
• veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Yvanna tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend – President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur – Lachitjaran, Leden en uitgesproken door de Fungerend-President ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 januari 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend – Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                   w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
Mr. E. Ommen-Dors
(Substituut-Griffier van het Hof van Justitie)