SRU-K1-2023-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202202981

09 februari 2023

NNA

Vonnis in kort geding in de zaak van:

STAATSOLIE MAATSCHAPPIJ SURINAME NV,

gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Ir. H.S. Adhinstraat no. 21 te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no. 76-78 te Paramaribo bij het Advocatenkantoor Essed & Sohansingh,

eiseres,

gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. STICHTING FOUNDATION TO PROTECT OUR BIODIVERSITY SURINAME afgekort STICHTING PROBIOS,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Hanoverlaan no. 04 te Paramaribo,

B. SLEUR, KENNETH ERLAN,

wonende aan de Hanoverlaan no. 04 te Paramaribo,

gedaagden,

gemachtigde: mr. S.N. Muntslag-Essed, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2022 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 17 november 2022;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Op 24 oktober 2022 hebben gedaagden, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, een oproep gedaan via het social media platform ‘Facebook’ voor een persconferentie omtrent een oliemors (oil spill) die is waargenomen in de Suriname rivier.

2.2 De persconferentie is gehouden op 25 oktober 2022, waarbij gedaagden informatie hebben verschaft aan de media over de waargenomen oil spill in de Suriname rivier. Tijdens voormelde persconferentie hebben gedaagden aangegeven dat eiseres de veroorzaker is, dan wel verantwoordelijk is voor de oil spill.

2.3 De persconferentie is onder andere uitgezonden via het televisie programma ABC Online Nieuws en via de radioprogramma Nieuwsshow van het radiostation ABC.

2.4 De aantijgingen van gedaagden aan het adres van eiseres, zijn via het platform Facebook op diverse nieuwspagina’s gedeeld waaronder Starnieuws Suriname, UnitedNews.sr, Dagblad De West, Dagblad Suriname, ABC Online Nieuws, ATV Suriname en de Ware Tijd Online.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, zal:

a. veroordelen om binnen 1×24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, op hun kosten de navolgende verklaring op de Facebook pagina Probios Erlan, de website van de Stichting Probios en de volgende media waaronder: Starnieuws Suriname, UnitedNews.sr, Dagblad De West, Dagblad Suriname, ABC Online Nieuws, ATV Suriname, De Ware Tijd evenals op het televisiekanaal en radio van Ampie’s Broadcasting Corporation (ABC) en in de eerstvolgende editie van de in Suriname verschijnende dagbladen Times of Suriname, De Ware Tijd, Dagblad Suriname en het avondblad De West, te doen opnemen:

‘Rectificatie:

Ondergetekende, Sleur Kenneth Erlan, in privé en in hoedanigheid van voorzitter van de Stichting Foundation To Protect Our Biodiversity Suriname afgekort Probios, heeft in een persconferentie van 25 oktober 2022, Staatsolie onterecht en zonder bewijs beschuldigd dat zij de veroorzaker is van de oliemors (oil spill) in de Suriname rivier. Met deze onware beschuldiging heeft ondergetekende onrechtmatig jegens Staatsolie gehandeld en de goede naam en eer van Staatsolie aangetast. Ondergetekende verontschuldigt zich, in privé en in hoedanigheid van de voorzitter van de Stichting Probios, jegens Staatsolie voor de onware en onbewezen uitlatingen over Staatsolie’,

althans woorden van overeenkomstige strekking dan wel bewoordingen zoals de kantonrechter geraden zal achten, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- die gedaagde(n) aan haar zal verbeuren voor elke dag dat gedaagde(n) in gebreke mochten blijven om aan het vonnis te voldoen;

b. gelasten c.q. gebieden om binnen 1×24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, al hun eerdere berichten op Facebook, de website van Stichting Probios of welk ander digitaal medium dan ook waarin zij wordt genoemd inzake de oil spill, permanent te verwijderen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- die gedaagde(n) aan haar zal verbeuren voor elke dag dat gedaagde(n) in gebreke mochten blijven om aan het vonnis te voldoen;

c. verbieden om: uitlatingen c.q. beschuldigingen jegens en/of over haar te doen inzake de oil spill, totdat het onderzoek door het Openbaar Ministerie is afgerond en de onderzoeksresultaten bekend zijn gemaakt, • in berichten via welke medium of communicatiemiddel dan ook, haar te beledigen c.q. te schaden in haar goede naam en eer, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- die gedaagde(n) aan haar zal verbeuren voor elke dag dat gedaagde(n) in gebreke mochten blijven om aan het vonnis te voldoen.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat er sprake is van een onrechtmatige daad aan de zijde van gedaagden. Volgens eiseres zijn de uitlatingen van gedaagden naar maatschappelijke opvattingen beledigend c.q. onrechtmatig, weshalve zij ingevolge artikel 1393 BW het recht heeft op een belang bij betering van het nadeel in eer en goede naam aangedaan onder meer door een publieke verontschuldiging c.q. rectificatie.

3.3 Gedaagden voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiseres wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Geconstateerd wordt dat gedaagden in hun conclusie van antwoord onder het kopje ‘formeel verweer’ een tweetal formele verweren hebben aangevoerd. Vooropgesteld wordt dat formele verweren betrekking hebben op de procesrechtelijke regels die gelden bij een gerechtelijke procedure. Dergelijke verweren strekken ertoe om ervoor te zorgen dat de kantonrechter niet aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt.

4.3 Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de verweren die gedaagden onder het kopje ‘formeel verweer’ hebben aangevoerd, geen formele verweren betreffen doch materiele verweren, zodat de kantonrechter die in de navolgende overwegingen overeenkomstig zal beoordelen, voor zover voor de beslissing van belang.

4.4 Uit de stellingen van eiseres kan worden afgeleid dat zij zich beledigd heeft gevoeld door de uitlatingen die gedaagden over haar hebben gedaan op de door gedaagden gehouden persconferenties, welke door onder ander het televisie station ABC zijn uitgezonden in het programma ABC Online Nieuws, en welke uitlatingen tevens via het platform Facebook op diverse nieuwspagina’s zijn gedeeld waaronder Starnieuws Suriname, UnitedNews.sr, Dagblad De West, Dagblad Suriname, ABC Online Nieuws, ATV Suriname en de Ware Tijd Online.

In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat de burgerrechtelijke rechtsvordering ter zake belediging wordt ingesteld op grond van de artikelen 1393 juncto 1397 BW. Blijkens het bepaalde in artikel 1397 BW kan de burgerlijke rechtsvordering ter zake belediging niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Dat oogmerk wordt niet aanwezig geacht voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

4.5 Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit intern onderzoek is gebleken, althans is vastgesteld dat de olie die is aangetroffen in de Suriname rivier, geen chemische samenstelling van haar bevat en derhalve met klem kan worden gesteld dat de olie niet afkomstig is van haar. Volgens eiseres zijn gedaagden nationaal en internationaal bekend vanwege hun milieuactiviteiten, zodat hun uitlatingen terzake ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor haar. Voorts stelt eiseres dat zij als gevolg van de uitlatingen van gedaagden, dagelijks enorme last ondervindt en imago schade lijdt. Tot slot stelt eiseres dat de door gedaagden gedane uitlatingen schade creëert ten aanzien van haar handelsrelaties, zowel op nationaal als internationaal niveau.

4.6 Gedaagden voeren, zakelijk weergeven en voor zover van belang, aan dat zij op basis van een gedegen onderzoek welke zij zelf hebben verricht, tot de conclusie zijn gekomen dat eiseres de veroorzaker is van de oil spill. Ter onderbouwing van het door hun verrichte onderzoek hebben gedaagden aangevoerd dat zij zich fysiek hebben georiënteerd bij het vervuilde gebied. Vervolgens hebben zij samples genomen van de vervuiling om het te onderzoeken. Er heeft een intern onderzoek plaatsgevonden waarbij is uitgewezen dat het aardolie is. Ook hebben zij satellietbeelden bekeken en met elkaar vergeleken over een periode vóór de vervuiling. Volgens gedaagden blijkt uit de, door hen bij conclusie van antwoord, overgelegde foto’s dat het reëel is dat eiseres middels een goot, dan wel een afvoer, olie loost in de inham voor de raffinaderij. Voorts voeren gedaagden aan dat de oil spill zich heeft voltrokken binnen het domein van eiseres. Het betreft immers ernstige contaminatie binnen steenworp afstand van de raffinaderij van eiseres. Tot slot wordt aangevoerd dat de Rio Declaration principes bevat die internationaal erkend zijn en gehanteerd worden ter bescherming van het milieu. Principe 15 van de Rio Declaration, bekend als de ‘precautionary principle’, schrijft voor dat ter bescherming van het milieu, voorzorgsmaatregelen in acht moeten worden genomen. Onder voormeld principle wordt in de praktijk tevens begrepen dat het niet vereist is dat er wetenschappelijk bewijs dient te zijn, alvorens een veroorzaker verantwoordelijk te houden voor de milieuschade. Het aannemelijk maken hiervan is voldoende, aldus gedaagden.

4.7 Geconstateerd wordt dat partijen strijden over de juistheid van de door hen verrichte onderzoeken. Zij zijn elk de mening toegedaan dat de door hun verrichte onderzoeken juist is. Voorts wordt geconstateerd dat eiseres de documenten ten aanzien van het door haar verrichtte interne onderzoek niet heeft overgelegd, waardoor haar stelling dat uit intern onderzoek is gebleken, althans is vastgesteld dat de olie die is aangetroffen in de Suriname rivier, geen chemische samenstelling van haar bevat en derhalve met klem kan worden gesteld dat de olie niet afkomstig is van haar, niet aannemelijk is geworden. Er is, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, derhalve geen aanleiding om een orde maatregel te treffen.

4.8 Gelet op het voorgaande mede in acht nemende het feit dat het een oil spill in de Suriname rivier betreft, zal er een diepgaand deskundigen onderzoek moeten plaatsvinden waarbij een deskundige eventueel gehoord zal moeten worden. Het kort geding leent zich echter niet voor een dergelijk onderzoek, zodat partijen verwezen zullen worden naar de gewone wijze van rechtspleging. Dit heeft tot gevolg dat de grondslag van het gevorderde niet aannemelijk is geworden. De gevraagde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd.

4.9 De overige stellingen en verweren behoeven geen bespreking. Dit, omdat de bespreking daarvan tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zal leiden.

4.10 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden tot op de dag van de uitspraak begroot op SRD 7.500,-, zijnde het liquidatietarief op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 7.500,- (Zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 09 februari 2023 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2021-53

Vonnisnummer : 48/2021
Uitspraak : 15 november 2021
Parketnummer : 1-2-05993
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 07 maart 2017 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep taxichauffeur en wonende aan de [adres 1] te [plaats], thans in detentie verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt niet bijgestaan door een advocaat.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van voornoemde verdachte op 21 maart 2017 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

op of omstreeks 07 september 2016, althans in het jaar 2016, in het [district 1], in ieder geval in Suriname,

tezamen en in vereniging met [naam 1] en/of [naam 2], althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollars) en/of een hoeveelheid sieraden setjes (geel metaal) en/of 7 (zeven), althans één of meer halsketting(en) en/of 19 (negentien), althans één of meer vingerring(en) en/of een flatscreen televisie en/of een laptop en/of een hoeveelheid Surinaamse muntstukken, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
(artikel 371 WvSr.)

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 07 maart 2017 zal bevestigen.

De verdachte heeft, ten aanzien van de aan hem bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste gelegde feit, ontkend zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. De verdachte heeft gesteld dat hij niet wist dat het ingestelde hoger beroep kon worden ingetrokken. De verdachte heeft tevens aangevoerd dat hij geen baat heeft bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep, omdat hij de opgelegde straf reeds heeft uitgezeten.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 07 maart 2017 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding (diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak) ten laste gelegde, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 4 en 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee (2) jaren, met bepaling dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 05 december 2016 af, voorlopig in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Voorts heeft de Kantonrechter in het Derde Kanton bepaald dat de gevangenhouding van verdachte zal worden gehandhaafd.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 341 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

op 07 september 2016 in het district Wanica tezamen en in vereniging met [naam 1] en [naam 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollars) en een hoeveelheid sieraden setjes (geel metaal) en 7 (zeven) halskettingen en 19 (negentien) vingerringen en een flatscreen televisie en een laptop en een hoeveelheid Surinaamse muntstukken, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het feit:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 23 februari 2017, doorgenummerde pagina’s 04 tot en met 07, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de [getuige], agent van politie 3de klasse, inhoudende:

“De getuige vervolgt zijn toelichting.
De toelichting heeft betrekking op herkenning. De verdere uitwerking van het beeldmateriaal heeft betrekking op de drie manspersonen die in beeld zijn gebracht, met name de verdachten: [verdachte]; [naam 2] en [naam 1].
Op basis van de personen op het beeld en de fragmenten uit het beeld gehaald zijn deze 03 personen als verdachten aangewezen.

Fragmenten uit het beeld gehaald zijn:
De persoon die als eerste uitstapt, is lichtbruin; als wij de 2 beelden naast elkaar zetten en de foto van de verdachte, dan zien wij overeenkomsten bestaan tussen de beelden en de foto. Als wij de foto van verschillende kanten bekijken, dan zien wij dat de verdachte, het gaat om verdachte [verdachte], een bijzondere hoek aan zijn oog heeft. Bijzonderheden aan de benen en het lopen van deze verdachte is; hij heeft een verwonding aan zijn rechterbeen. Verdachte is gefotografeerd en het beeld is gedyscalopeerd. De verdachte [verdachte] heeft een overloophouding: hij heeft een verwonding aan zijn rechterbeen.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de aangifte van diefstal middels braak door de aangeefster, [naam aangeefster], in de wettelijke vorm opgemaakt op 07 september 2016 door [verbalisant 1] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 46 tot en met 47 voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Zij verklaarde dat zij op vermeld adres woonachtig is samen met haar man en dochter. Omstreeks 12.10 uur verliet zij samen met haar moeder en dochter de woning. Op dat moment was haar man niet thuis. Voordat zij de woning verliet, had zij alle ramen en deuren van de woning goed afgesloten. Omstreeks 12.50 uur kwamen zij weer thuis. Zij merkte dat de voordeur van de woning open stond. Zij kwam tot de ontdekking dat vermelde goederen door onbekenden zonder toestemming zijn weggenomen, althans gestolen.

Plaatselijk onderzoek:
De voordeur van de woning was geforceerd. Via deze ontstane opening zijn de daders naar binnen gedrongen en het vermoeden bestaat sterk dat de daders via dezelfde manier de woning hebben verlaten met medeneming van de vermelde goederen. De slaapkamer was door de daders overhoop gehaald. De vermelde goederen hebben de daders uit de slaapkamer gehaald. Vermeldenswaard is, dat de benadeelde een wit gelakte Premio of Corolla met donker getinte ruiten met een hoge vaart zag uitrijden uit de [straatnaam 1], gaande in de richting van de [straatnaam 2]. Verder moge vermeld worden dat de woning beveiligd is met een camera installatie. De daders hebben de harde schijf van de camera vernield, waardoor de beelden niet bezichtigd konden worden. De woning is niet beveiligd. Het perceel is niet omrasterd en heeft ook geen poort.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aanhouding, overbrenging, overdragen ter voorgeleiding aan een hulp officier van justitie van de verdachten [naam 2]; [verdachte] en [naam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 05 december 2016 door [verbalisant 2], (agent van politie 3de klasse), doorgenummerde pagina’s 49 tot en met 51, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik bevond mij thuis bij mijn schoonouders aan de [straatnaam 3] in het [district 1]. Omstreeks 12.30 uur zag ik een wit gelakt voertuig van het merk Toyota Premio met als volgnummer [kentekenummer] met donker getinte ruiten, in de voornoemde weg op verdachte wijze rijden. Dit voertuig was mij niet bekend als te zijn van een der bewoners van de omgeving. Na ongeveer 5 minuten zag ik het voormeld voertuig in de [straatnaam 4] rijden. Daar ik het voertuig voor de tweede keer zag en het feit dat er vaak overdag in woningen wordt ingebroken, kwam dit voertuig mij heel verdacht over, reden waarom ik bedoeld voertuig observeerde.
Op een gegeven moment zag ik het bedoeld voertuig het erf van de achterbuurman van mijn schoonouders aan de [straatnaam 4] oprijden en aldaar stopte. Ook zag ik dat de bestuurder van het voertuig, zijnde een man van gemengd ras, slank van postuur met een gemiddelde lengte, uit het voertuig stapte en hij liep in de richting van de woning bij een raam. Hij keek steeds naar achteren, kennelijk om te overtuigen of iemand hem had gezien. De bedoelde man had een zwarte trui en een blauwe jeansbroek aan. Ik herkende hem positief als te zijn dezelfde verdachte die op 7 september 2016 thuis bij mijn zwager aan de [straatnaam 1] in het [district 1], een inbraak had gepleegd en waarbij hij met hetzelfde voertuig ter plaatse was geweest.
Moge worden vermeld dat tijdens die inbraak er camerabeelden beschikbaar waren en ik de camerabeelden had gezien. Toen de verdachte door had dat ik hem had gezien, haastte hij zich snel naar zijn voertuig. Bij die gelegenheid keek hij steeds naar mijn richting en ook naar achteren. Nadat bedoelde man in het voertuig was gestapt, keerde hij het voertuig zodanig op het erf en reed met volle vaart in de richting van de [straatnaam 5], waardoor er een stof ontwikkelde. Vervolgens zette ik met mijn privé voertuig de achtervolging in.
Ik reed de witte Toyota Premio klem. Nadat ik het voertuig klem had gereden, stapten uit het voertuig drie mannen, waarvan 1 van gemengd ras en twee van creoolse komaf. Zij maakten aanstalten om weg te vluchten. De meerijder die een grijze trui en blauwe kniebroek aan had, had bij zich een blauw/oranje rugtas. Hij poogde iets uit de tas te halen. Ik legitimeerde mij duidelijk als te zijn ambtenaar van politie en schreeuwde tot drie maal toe “POLITIE”. Ook sommeerde ik hen om plat te liggen, hetgeen twee van hen deden. Ik sommeerde de man met grijze trui en blauwe kniebroek wederom om plat te liggen, bij welke gelegenheid hij door de knieën zakte. Ik hield de verdachte voor dat zij ervan verdacht werden zich schuldig te hebben gemaakt aan gekwalificeerde diefstal.
Bij een korte ondervraging verklaarden zij afzonderlijk zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. Ik stelde een onderzoek in de blauw oranje tas van verdachte en trof ik een jachtgeweer met ingekorte loop van het merk Baikal voorzien van het serienummer [serienummer], twee wielsokken en 4 scherpe patronen aan. Bij onderzoek aan het jachtgeweer bleek dat dit wapen geladen was. Door mij werd het wapen ontladen. De verdachte, [naam 2], kon geen bescheiden van het jachtgeweer overleggen. Hij verklaarde dat de tas niet van hem is, maar van verdachte [naam 1] die samen met hun is. [naam 1] ontkende dit. Verdachte [verdachte] verklaarde dat hij een taxirit voor de twee moest rijden.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het doen van onderzoek in de woningen van de verdachten [verdachte]; [naam 1] en [naam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 05 december 2016 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 54 tot en met 55, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“In tegenwoordigheid van verdachte [verdachte] werd er een onderzoek in de woning verricht. Er werd 01 paar zwart witte gympies aangetroffen en in beslag genomen. Zulks werd gedaan daar het vermoeden bestaat dat de verdachte tezamen met [naam 2] en een andere manspersoon in een woning aan de [adres 2] te [district 1], op woensdag 07 september 2016 hadden ingebroken. Bij deze inbraak waren er ook camerabeelden, die waren veilig gesteld waarop de verdachte [verdachte] en [naam 2] te zien zijn. Bij het bezichtigen van de camerabeelden zijn de in beslag genomen gympies die de verdachte [verdachte] bij de inbraak aan had, op de beelden te zien.”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het niet kunnen vaststellen van het alibi van de verdachte [verdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt op 06 december 2016 door [verbalisant 4] (brigadier van politie), doorgenummerde pagina’s 56 tot en met 57, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Verdachte [verdachte] had verklaard dat hij zich aan het werk zou moeten bevinden op de dag waarop de inbraak in kwestie had plaatsgevonden. Hij ontkende bij de inbraak betrokken te zijn geweest. Blijkens zijn verklaring is hij werkzaam bij [taxibedrijf].
Zijn manager [naam 3] verklaarde dat verdachte al ongeveer twee jaren daar werkzaam is. Voorts dat hij dagelijks aldaar taxi rijdt. De laatste vier maanden deed hij dat middels een wit gelakte Toyota Premio waarvan het kentekennummer niet bekend was bij hem.
Voor het laatst was verdachte [verdachte] op maandag 05 december 2016 aan het werk en wel in de ochtenduren. Het exacte tijdstip is echter niet bekend waarop hij de werkplek heeft verlaten dan wel met wie hij de plaats had verlaten. Met betrekking tot de dagelijkse door de verdachte [verdachte] verrichte werkzaamheden, verklaarde hij dat het thans niet te achterhalen is wat zijn bezigheden waren op 07 september 2016, zijnde de dag van de inbraak in kwestie.
Het is namelijk zo, dat het regel is dat de dagelijkse werkzaamheden in een schrift vermeld dienen te worden, echter heeft verdachte [verdachte] verzuimd zulks te doen ofschoon de manager hem meerdere malen erop had gewezen om zulks te doen”

6. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 06 december 2016 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 60 tot en met 66, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik ken de taxichauffeur die een rit voor mij heeft gereden. Ik moet u verklaren dat met betrekking tot de camerabeelden die u eerder aan mij heb getoond, ik de taxichauffeur met wie ik ben aangehouden op maandag 05 december 2016 wel positief heb herkend. Ik heb hem aan zijn gezicht en postuur herkend. De 2 andere mannen op de beelden ken ik niet. Ik weet niet wie ze zijn. Alle bovengenoemde goederen die u mij getoond heeft, zijn bij mij in beslag genomen door de politie. Ook het jachtgeweer, maar die behoort niet aan mij toe. De paar witte handschoenen had ik gekocht voor het gebruik tijdens bouwwerkzaamheden, thuis voor mijn concubine genaamd [naam 4].”

7. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [naam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 07 december 2016 door [verbalisant 4] (brigadier van politie), doorgenummerde pagina’s 70 tot en met 72, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik zie mezelf niet op de beelden, alleen de verdachte [verdachte] herken ik. Ik zag hem uit de auto stappen en na korte tijd weer in het voertuig stappen. Ik herken hem duidelijk aan zijn gezicht. De auto op de beelden is de auto van verdachte [verdachte]. Wij waren met deze auto toen wij op maandag 06 december 2016 door de politie waren aangehouden. Ik herken de auto aan de kleur en het model. De auto is van verdachte [verdachte]. Met deze auto rijdt hij taxi. De verdachten [verdachte] en [naam 2] verklaren niet de waarheid. Zoals ik eerder had verklaard, werd ik aan de [straatnaam 6] opgehaald.”

8. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van aangeefster/benadeelde [naam aangeefster], in de wettelijke vorm opgemaakt op 07 december 2016 door [verbalisant 5] (agent van politie 2de klasse), doorgenummerde pagina’s 77 tot en met 79, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De daders hebben weggenomen een geldbedrag van SRD 5.000,-, gouden sieraden, vijf setjes, waarvan vier van dames modellen, een heren model, 7 halskettingen en 19 vingerringen. Een laptop van het merk HP, een televisietoestel van het merk Digitrek. Ik heb SRD 20.000,- aan schade geleden. Toen ik naar huis reed, zag ik een witte auto van het merk Toyota Premio uit mijn straat rijden. De auto reed de [straatnaam 5] op en reed vervolgens in de richting van de [straatnaam 2]. Ik bevond mij op de [straatnaam 5] en wel dichtbij de [straatnaam 1]. De bestuurder reed roekeloos over de straat. Toen ik thuis kwam zag ik dat er was ingebroken in mijn woning. Ik zal het voertuig bij terugzien kunnen herkennen. Omtrent het voertuig van het handelsmerk Toyota Premio, gekentekend [kenteken], die op het achter terrein van het politiestation staat geparkeerd, geef ik u aan dat ik denk dat het deze auto is geweest, die ik op de bewuste dag had gezien. Ik heb wel het vermoeden dat dit het voertuig is die ik woensdag 7 september 2016 uit mijn straat had zien wegrijden. Ik heb niet kunnen zien hoeveel inzittenden er waren, omdat de ruiten getint zijn. Mijn woning is beveiligd middels camera. De daders hadden de kabels weggetrokken van de camera beveiligingssysteem. De harde schijf is ook beschadigd geraakt.”

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 4 en 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 07 maart 2017 zal bevestigen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder het feit dat hij een recidivist is en thans uit andere hoofde is aangehouden, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde strafbare feit en gesteld dat hij geen belang heeft bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep aangezien hij de opgelegde straf reeds heeft uitgezeten. Voorts dat hij gedurende zijn detentie en nadat hij in vrijheid was gesteld geen psychologische begeleiding heeft gehad, maar aan zijn lot was overgelaten. Naar het oordeel van het Hof behoort de verdachte tot de categorie van criminelen die een koele berekening danwel inschatting hebben gemaakt van de risico’s en de opbrengsten en tot de conclusie zijn gekomen dat misdaad loont. In dat kader wordt het slachtoffer geobserveerd en wordt er toegeslagen als het slachtoffer niet thuis is. Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst weer voor dezelfde verleidingen zal bezwijken is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het Hof op zijn plaats. Alles overziende acht het Hof de door de Kantonrechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38, 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 07 maart 2017 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 4 en 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht;

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) JAREN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 05 december 2016 in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger,
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 15 november 2021 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

 

 

SRU-HvJ-2023-3

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

Op het Hoger Beroep van de appellant, Biervliet Stephano Eduard Waidi, meergenoemd “Pakittow”, ingediend op 23 februari 2023 door mrs. B.A.H. Pick en Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie (hierna: het Hof), namens de appellant tegen de beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 22 februari 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 18 februari 2023 in verzekering gesteld terzake verdenking van verstoring openbare orde of ontwrichting van het economisch leven der maatschappij; medeplichtigheid tot openlijke geweldpleging tegen personen of goederen; medeplichtigheid tot opzettelijke brandstichting; medeplichtigheid tot diefstal door meer of twee verenigde personen; medeplichtigheid tot vernieling of beschadiging van goederen, zoals omschreven in de artikelen 179; 177; 169; 189 jo 72 jo 73; 207 jo 72 jo 73; 371 jo 72 jo 73; 414 jo 72 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Het verloop van de behandeling in hoger beroep

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 23 februari 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 23 februari 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 24 februari 2023 om 13.00 uur des namiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:

  • de raadslieden van appellant, mrs. B.A.H. Pick en Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie;
  • de waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;
  • de appellant (telefonisch).

Beschikking van de rechter-commissaris

Bij beschikking d.d. 22 februari 2023 heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard.

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 22 februari 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 23 februari 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54 c Sv vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appél.

De grieven van appellant:

De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • ten onrechte heeft de rechter-commissaris overwogen “ dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten”. Immers zijn deze uit niets gebleken. Door de raadslieden is gemotiveerd aangegeven dat die er niet zijn. In de reactie van het Openbaar Ministerie zijn 3 verklaringen genoemd, welke door haar zijn samengevat zonder daarbij enig feit, dan wel omstandigheid te noemen waaruit dat redelijk vermoeden kan worden gehaald. Het had op de weg van de rechter-commissaris gelegen, nu hij afwijzend heeft beslist op het verzoek van appellant, om aan te geven wat die feiten en omstandigheden zijn. Immers behoort een rechter elke beslissing en zeker afwijzende beslissingen deugdelijk te motiveren. De rechter-commissaris kan nimmer volstaan met een standaardformulering, terwijl door de raadslieden gemotiveerd gronden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat voorafgaand aan de inverzekeringstelling geen feiten en omstandigheden aanwezig waren om appellant als verdachte aan te merken.
  • appellant is ten onrechte als verdachte aangemerkt. Zo is uit het onderzoek gebleken dat appellant een vreedzame protestactie heeft georganiseerd waarbij overleg en afstemming is geweest met de justitiële autoriteiten. Appellant is nu reeds langer dan 8 jaren activist en hij heeft steeds vreedzame protesten georganiseerd dan wel gehouden. Uit alle feiten en omstandigheden is gebleken dat er op 17 februari 2023 naast de groep van appellant, welke bestond uit vreedzame protesteerders, andere groepen aanwezig waren die een hele andere agenda hadden. Het is evident dat de groep protesteerders en de groep plunderaars niet dezelfde waren. Appellant kan nimmer strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor gedragingen van anderen waar hij absoluut geen connectie mee heeft gehad. De verwijten genoemd in het bevel tot inverzekeringstelling zijn doleuze delicten en is er zelfs dubbel opzet vereist voor de feiten waar appellant medeplegen dan wel medeplichtigheid wordt verweten. Uit geen enkel feit noch omstandigheid is gebleken van enig opzet van appellant aan brandstichting, diefstal, vernieling, openlijke geweldpleging en ordeverstoring.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • de beschikking van de rechter-commissaris is voldoende gemotiveerd en kan bevestigd worden.
  • het zou volgens appellant een vreedzame betoging worden maar het is geheel uit de hand gelopen waarbij er is vernield en geplunderd. De vraag rijst hoe de mobilisatie heeft plaatsgevonden uit de verschillende buurten. Daarnaast is er een video rond gegaan van de appellant waarbij hij zelf aangeeft dat als er iets gebeurt dan kan de politie hem oppakken. Daarnaast zegt de bestuurder van de truck, Ramharakh, dat hij op instigatie van appellant moest doorrijden vanuit het DNA-gebouw naar de richting van het Kabinet van de President van de Republiek Suriname. De verschillende diensten stonden daar opgesteld en gelet op de snelheid van de truck waren zij genoodzaakt de banden van de truck lek te schieten. Er is niet gebleken dat appellant heeft getracht om de menigte tot rust aan te manen toen het geheel begon te escaleren. De ordediensten van de Staat kunnen moeilijk op deze calamiteiten voorbereid zijn.
  • er is nog onderzoeksbelang aanwezig. De mensen van Triple Security moeten nog gehoord worden en met appellant geconfronteerd worden.

De beoordeling:

  • Het Hof zal beide grieven simultaan aan een bespreking onderwerpen aangezien die in de kern op hetzelfde neer komen. Beide grieven hebben in de visie van het Hof als kern dat de appellant ten onrechte als verdachte is aangemerkt aangezien er daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden zijn voortgevloeid uit het ingesteld onderzoek. Door zulks aan te nemen en daarbij een standaardformulering te hanteren heeft de rechter-commissaris in de visie van de verdediging van appellant de beroepen beschikking niet op rechtens juiste wijze met redenen omkleed (althans zo vat het Hof dat op).
  • Naar het oordeel van het Hof is voormelde grief voor zover het betreft de ontoereikende motivering van de beroepen beschikking gegrond. In de visie van het Hof diende de rechter-commissaris in casu niet te volstaan met een standaardmotivering in de beroepen beschikking maar gelet op de maatschappelijke “impact” van deze zaak en hetgeen de raadslieden hadden aangevoerd had het op de weg van de rechter-commissaris gelegen om daar nader op in te gaan. Gegrondverklaring van deze grief leidt evenwel niet tot vernietiging van de beroepen beschikking aangezien het Hof deze manco zal repareren in hoger beroep en de beroepen beschikking op dit punt zal aanvullen en verbeteren.
  • Uitgaande van de verweten gedragingen, te weten verstoring openbare orde/opruiing/aanprijzing tot verstoring openbare orde/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan openlijke geweldpleging/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan veroorzaken brand/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan vernieling, komt het Hof tot de navolgende slotsom. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit het voorlopig strafdossier vooralsnog niet dat er op enigerlei wijze een connectie bestaat tussen appellant en de verwijten ter zake opruiing/openlijke geweldpleging/ veroorzaken brand/gekwalificeerde diefstal/vernieling. In de visie van het Hof is uit het tot dusver ingesteld onderzoek niet gebleken dat appellant op enigerlei wijze als verdachte kan worden aangemerkt van deze delicten. Er zijn in de visie van het Hof geen feiten en/of omstandigheden gebleken uit het tot dusver ingesteld onderzoek die enige verdenking ten aanzien van het voorgaande zouden kunnen schragen.
  • Anders ligt het ten aanzien van de verwijten betreffende het verstoren van de openbare orde (artikel 179 Sr) casu quo het aanprijzen tot verstoring van de openbare orde (artikel 169 Sr). Dienaangaande is het Hof van oordeel dat voorafgaande aan de inverzekeringstelling van appellant wel een redelijk vermoeden van schuld aanwezig is geweest ter zake van voormelde delicten. Het voorgaande wordt gegrondvest op de verklaring van Ramharakh Asween (de bestuurder van de truck) die heeft aangegeven dat het op den duur onoverzichtelijk werd op het plein daar de mensen verhit raakten waarna appellant de opdracht gaf om achter hem en mede protestanten aan te rijden in de richting van het Kabinet van de President, alwaar de militairen en politie agenten in linie stonden met wapenstokken en schilden. Voorts heeft Hughes, Errol aangegeven dat appellant op enig ogenblik van de trekker was afgestapt en voor de soundtruck was gaan staan en de uitlating in het Surinaams deed “ famirie if oe noh wang goh, kong goh massaal goh tak nanga mang “ en zwaaide hij met de Surinaamse vlag aan de voorkant (van de soundtruck). De rechter-commissaris heeft in zoverre in de visie van het Hof terecht geoordeeld dat uit de aanwezige processen-verbaal welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van appellant, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten. Evenwel heeft de rechter-commissaris met het hanteren van deze constructie qua formulering niet gedifferentieerd naar type delict hetgeen het Hof thans wel heeft gedaan.
  • De consequentie van voorgaande redenering is dat de beroepen beschikking zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden.
  • Uit het strafdossier blijkt dat inmiddels de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant is ingegaan op 25 februari 2023. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat hoewel er een redelijk vermoeden van schuld aan de zijde van appellant bestond er thans geen dringende noodzakelijkheid bestaat tot verlenging van de inverzekeringstelling van appellant. Immers kan het ingesteld onderzoek worden voortgezet en afgerond zonder dat er een noodzaak bestaat om de detentie van appellant te continueren. Het Hof houdt het ervoor dat appellant beschikbaar zal blijven voor de continuering van het onderzoek van deze zaak en waar nodig zijn medewerking aan het onderzoek zal blijven verlenen.
  • Uit het voorgaande vloeit voort dat de continuering van de verlengde inverzekeringstelling

van appellant onrechtmatig zal worden verklaard en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant zal worden gelast.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

  • Verklaart het hoger beroep van appellant tegen de beroepen beschikking ongegrond.
  • Bevestigt de beroepen beschikking van de rechter-commissaris de dato 22 februari 2023.
  • Verklaart de continuering van de verlengde inverzekeringstelling van appellant onrechtmatig.
  • Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant, Biervliet Stephano Eduard Waidi alias “Pakkitow”,

Aldus gegeven te Paramaribo op maandag 27 februari 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door: mr. A. Charan, fungerend-president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. K.S. Mahabier.

SRU-HvJ-2022-19

Vonnisnummer : 10/2022
Uitspraak : 09 februari 2022
Parketnummer : 1-2-02817
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 10 februari 2021 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep autohandelaar en wonende aan de [adres] in het [district], thans in detentie verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door de raadsman, mr. K. Bhoendie, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van voornoemde verdachte op 11 februari 2021 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op woensdag 10 februari 2021 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de Mgr. Wulfinghstraat no. 05, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. op of omstreeks 18 november 2020, althans in het jaar 2020, in het [district], in ieder geval in Suriname;

A. tezamen en in vereniging met een zekere [naam 1] en/of een zekere [naam 3], althans één of meer tot nog toe (on)bekend gebleven perso(o)n(en), in ieder geval alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft (hebben) weggenomen 1 (één) flatscreen televisie en/of 1 (één) laptop, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
(Art. 371 WvSr)

althans, indien en voorzover het onder IA gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. [naam 1] en/of een zekere [naam 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft (heeft) weggenomen 1 (één) Flatscreen televisie en/of 1 (één) laptop, in elk geval een of meer goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [naam 1]en/of die zekere [naam 2] en/of verdachte die [naam 1] en/of die zekere [naam 2] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/ het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 november 2020, althans in het jaar 2020, te [district], in ieder geval in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door”
– op de uitkijk te staan en/of;
– die [naam 1] en of ene [naam 2] te vervoeren van en naar het plaats delict en/of;
(Art. 371 jo. 73 WvSr)

II. op of omstreeks 19 november 2020, althans in het jaar 2020, te [district], in ieder geval in Suriname,

[naam 4], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam 4], dreigend de woorden toegevoegd (in het Surinaams): “Mo bonk wan handgranaat tapi” (“Ik ga een handgranaat op je gooien”), althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
(Art. 345 WvSr)
III. op of omstreeks 27 november 2020, althans in het jaar 2020, te Wanica, in ieder geval in Suriname,

opzettelijk heeft verkocht en/of geleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine, in elk geval een andere hoeveelheid cocaine, zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 punt a onder B en/of C van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 10 februari 2021 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (feiten I, II en III) tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren onvoorwaardelijk onder aftrek van de tijd in voorarrest gezeten. Voorts vordert de vervolging een geldboete van SRD 2.000,- met de bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 02 (maanden). Tot slot vordert de vervolging de onttrekking van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine aan het verkeer.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 10 februari 2021 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding voor de kantonrechter in het Derde Kanton onder IA ten laste gelegde (medeplegen van diefstal middels braak), het onder II ten laste gelegde (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) en het onder III ten laste gelegde (Overtreding Wet Verdovende Middelen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie (3) jaren en een geldboete van SRD 2000, – (Tweeduizend Surinaamse dollars), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 2 (twee) maanden. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 27 november 2020 af, in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. De kantonrechter in het Derde Kanton heeft ook de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaïne bevolen en het bevel tot gevangenhouding van de verdachte gelast.

Het beroepen vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder IA en III van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

I. op 18 november 2020 in het [district];

A. tezamen en in vereniging met een zekere [naam 1] en een zekere [naam 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen 1 (één) flatscreen televisie en 1 (één) laptop, geheel toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn voornoemde mededaders zich de toegang tot de plaats der misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
(Art. 371 WvSr)

III. op 27 november 2020 te [district],

opzettelijk heeft vervoerd 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaїne zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 punt a onder B van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder IA en III ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Evenmin acht het Hof bewezen hetgeen de verdachte onder II is ten laste gelegd weshalve de verdachte zal worden vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit IA:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 februari 2021, doorgenummerde pagina 06, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben 23 jaar oud en van beroep autohandelaar. Ik word ook [bijnaam 2 verdachte] genoemd en gebruik de naam [accountnaam 1] voor mijn ‘social accounts’. Het gaat in deze om een flatscreen en een laptop. De 17-jarige [naam 1] en ik zijn naar een woning van [naam 1] oom aan de [adres 2] gegaan. Wij hebben een schuifraam opengeschoven en het dievenijzer geforceerd. Wij zijn met mijn voertuig naar daar gegaan. En ik heb een gele ijzersnijder (cutter) en een zwarte koevoet uit mijn woning gehaald waarmee wij het dievenijzer geforceerd hebben. Die flatscreen televisie heb ik verkocht voor SRD 1.200,-. De opbrengst hebben [naam 1] en ik verdeeld. Ik heb SRD 400,- uit de buit gekregen. Ik had dat geld nodig om een andere auto van mij te laten spuiten.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aangifte van diefstal middels braak door de aangeefster, [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt op 18 november 2020 door [verbalisant 1] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina 78 e.v. voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Heden woensdag 18 november 2020 omstreeks 08.30 uur ging zij als laatste uit huis na die goed te hebben afgesloten. Omstreeks 04.30 uur kwam zij tot de ontdekking dat onbekenden haar woning hebben ingebroken en een 32 inch flatscreen televisie van het merk TCL en een zwart verkaste laptop hebben weggenomen.

Plaatselijk onderzoek
Bekeken vanuit de straatzijde hebben de daders een dievenijzer aan de rechterachterzijde van de woning geforceerd. Na de dievenijzer geforceerd te hebben, kwamen de daders in een slaapkamer terecht. Volgens verklaring van de aangeefster was de weggenomen televisie op een tafel in bedoeld kamer geplaatst, terwijl de weggenomen laptop aan de bovenzijde van de scheepsbed dat in de kamer was geplaatst. Volgens de verklaring van de aangeefster was de slaapkamer deur door haar op slot gemaakt waardoor de daders geen toegang in de rest van de woning heeft kunnen verschaffen. Aan de deurkozijn zijn er forceringen waargenomen, waaruit bleek dat de daders getracht hebben bedoeld deur open te krijgen, echter is het hun niet gelukt die open te krijgen.

Buurtonderzoek:
De buurtbewoner van pandnummer 17, [naam 4], heeft verklaard dat hij op woensdag 18 november 2020, omstreeks 11.00 uur een zwart gelakt voertuig van het merk Toyota Auris 2 keren in de straat heeft zien rijden. Omstreeks 13.00 uur zag hij bedoeld voertuig wederom in zijn inrit keren. Het gelukte de bestuurder niet om te keren en ging hij terug om verder te gaan. Toen bedoeld voertuig in zijn inrit was zag hij het kentekennummer. Het gaat om [kentekennummer 1] of [kentekennummer 2]. Toen reed die voertuig verder en stopte voor de woning van aangeefster. Toen zag hij dat iemand rennend uit het erf van aangeefster aan de achterzijde van het voertuig gaan plaats nemen. Hij heeft wel niet kunnen zien wie bedoeld persoon was en hoe hij eruit zag.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het bezichtigen van beeldmateriaal, in beslag nemen en veiligstellen daarvan door de afdeling Digitale Recherche, in de wettelijke vorm opgemaakt op 20 november 2020 door [verbalisant 2], (majoor van politie), doorgenummerde pagina 80, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De aangeefster [benadeelde], toonde beeldmateriaal en chatberichten op haar mobiele telefoon. Dit beeldmateriaal is van een Facebook Messenger Account onder de naam [accountnaam 2]. Hierop is te zien dat een manspersoon van creoolse komaf met een bril op gezeten in een auto een lied zingen. Volgens verklaring van de aangeefster is deze manspersoon [naam 1] geheten. Ook is op het beeldmateriaal een manspersoon van Hindostaanse komaf te zien, die naast [naam 1] zit en meezingt. Op de achter zitting is een televisietoestel te zien dat afgedekt wordt met een kledingstuk. Het beeldmateriaal is veiliggesteld. De chatberichten betreffen screenshots van Facebook messenger van een account onder de naam [accountnaam 1].”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van opsporing, aanhouding, overbrenging verdachten en inbeslagneming goederen, in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 novemember 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 81 tot en met 85, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De verdachte [naam 1] meergenoemd [bijnaam naam 1] gaf toe de inbraak te hebben beraamd en gepleegd samen met een vriend van hem, de verdachte [naam 1]. Op aanwijzing van verdachte [naam 1] werd de verdachte [verdachte] opgespoord in het [wijk 1]. Gekomen aan de [straatnaam 1] ter hoogte van de [straatnaam 2] werd de zwartgelakte Toyota Auris voorzien van het kentekennummer [kentekennummer 3] gesignaleerd waarbij de bestuurder meteen werd staande gehouden. De bestuurder gaf daarnaar gevraagd op te zijn: [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], autoverkoper van beroep en wonende aan de [adres 1] in het [district]. Telefonisch te bereiken op het mobielnummer [mobielnummer]. Op een daartoe strekkende vraag gaf hij aan geen inbraak te hebben gepleegd.”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding en inverzekeringstelling van de verdachten [naam 2]; [naam 1]; [naam 5] en [naam 6], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 4] (agent van politie 1ste klasse), doorgenummerde pagina 87-88, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De verdachte [naam 1] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte]en [naam 2] is gereden naar de [straatnaam 3], alwaar [verdachte]heeft ingebroken in de woning van mijn oom. Hij heeft daarbij een televisie en een laptop meegenomen. De televisie is verkocht voor SRD 1.500,-.”

6. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 1]meergenoemd [bijnaam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 5] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 95 tot en met 100, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De inbraak is gepleegd door [verdachte] meergenoemd [bijnaam 3 verdachte]. [verdachte] heeft de inbraak gepleegd terwijl een zekere [naam 2] en ik op de uitkijk waren. De diefstal heeft plaatsgevonden op 18 november 2020 op een tijdstip gelegen tussen 14.00 uur en 15.00 uur. Ik heb de inbraak uitgelokt. Het is namelijk zo dat ik wist dat [benadeelde] elke dag tot 12.00 uur werkt en omstreeks 15.00 uur thuis aankomt. Ik besloot de inbraak door [verdachte]te laten plegen en wel voor 15.00 uur. Ik heb de plan bedacht en heb ik [verdachte] benaderd om de inbraak te plegen. Ik ken [verdachte] al bijkans 03 jaren.
Op 18 november 2020, omstreeks 12.00 uur was ik bij de Suribet shop gelegen bij de samenkomst van de wegen [straatnaam 4] en de [straatnaam 5]. Ik was bezig met gokspelen. Terwijl ik daar was, kwam [verdachte]in de Suribet Shop. Ik benaderde [verdachte] met het voorstel van de inbraak. [verdachte]was bereid de inbraak te plegen.
[verdachte]was met zijn zwartgelakt voertuig van het merk Toyota, Auris bij de Suribet Shop gekomen. Nadat [verdachte] en ik overeen waren gekomen om de inbraak tot een feit te maken, nam ik plaats in het voertuig van [naam 1]. Toen ik al in het voertuig zat, zag ik [naam 2] in het voertuig. Ik ben vervolgens samen met [verdachte]en [naam 2] gereden naar de woning van [benadeelde], gelegen aan de [straatnaam 6] in het [district], zijnde een zijstraat van de [straatnaam 3] om de woning van [benadeelde] te observeren. Het voertuig werd door [verdachte] bestuurd.
Thuis bij [benadeelde] aangekomen, parkeerde [verdachte] het voertuig op de inrit. Ik stapte uit en klopte op de ramen van de woning, om zeker te zijn of [benadeelde] thuis was. Toen ik geen reactie zag, wist ik dat [benadeelde] niet thuis was en dat [verdachte]ongestoord de inbraak kon plegen. Echter, niemand had breekwerktuig bij zich. [verdachte]gaf te kennen, dat hij breekwerktuig thuis had liggen. Wij verlieten de woning van [benadeelde] en gingen wij samen naar de woning van [naam 1], gelegen aan de [straatnaam 5]. [verdachte] haalde een gele ijzersnijder de zogenaamde ‘cutter’ en een zwarte koevoet uit zijn woning. Wij waren toen klaar om de inbraak te gaan plegen. We reden in dezelfde formatie terug naar de woning van [benadeelde]. Onderweg, ergens aan de [straatnaam 3], nam [naam 2] de besturing over het voertuig van [verdachte] over, omdat volgens afspraak [verdachte] de inbraak moest plegen. [verdachte] nam plaats op de rechter achterzitting en vervolgden wij onze weg naar de woning van [benadeelde].
Thuis bij [benadeelde] aangekomen, stapte [verdachte] met de breekwerktuigen uit het voertuig om de inbraak te plegen, terwijl [naam 2] en ik wegreden, naar een supermarkt gelegen aan de [straatnaam 3]. Bij de supermarkt hebben [naam 2] en ik op [verdachte] gewacht. Na ongeveer een uur belde [verdachte] mij met de mededeling dat hij de inbraak reeds had gepleegd en dat [naam 2] en ik hem konden ophalen. [naam 2] en ik reden vervolgens naar de woning van [benadeelde] om [verdachte] op te halen. Bij de woning van [benadeelde] aangekomen, laadde [verdachte]een zwarte flatscreen smart televisie van het merk TCL; een zwarte laptop vermoedelijk van het merk Dell en een zwarte gymtas in het voertuig. Nadat de goederen waren ingeladen, nam [verdachte] plaats in het voertuig en reden wij weg van de woning van [benadeelde].

[naam 3], [verdachte] en ik zijn meteen gereden naar de [wijk 2] om de televisie te verkopen. [verdachte]had ene [naam 7] opgebeld om de televisie op te kopen. Op [wijk 2] aangekomen, kwam [naam 7] naar buiten. Hij wenkte [naam 3], waarna [naam 2] met de televisie was uitgestapt en naar de woning van [naam 7] liep. Na enkele ogenblikken kwam [naam 2]terug met SRD 1.500,-. Ik ontving SRD 400,- van [naam 1], waarna ik meteen uit het voertuig was gestapt. De laptop had [naam 2] voor zichzelf gehouden. Ik weet niet wat [naam 2] en [verdachte] met de rest van het geldbedrag hebben gedaan.

Het is namelijk zo dat na de inbraak ik een video had gemaakt in het voertuig van [naam 1]. Ik had die video op de story van mijn social media facebook geplaatst. Ik had echter over het hoofd gezien, dat de televisie welke [verdachte] had gestolen op de achtergrond van de video voorkwam. De video werd bekeken door [naam 4]. [naam 3] stuurde de video naar heel wat familieleden van mij met de mededeling dat ik de inbraak had gepleegd. [verdachte] heeft met de auto van het merk Toyota, Auris, gekentekend [kenteken 3] de inbraak tot een feit gemaakt.”

7. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [verdachte]meergenoemd [bijnaam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 6] (onderinspecteur van politie), doorgenummerde pagina’s 108 tot en met 112, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Ik geef toe betrokken te zijn geweest bij de inbraak aan de [straatnaam 6], zijnde een zijweg van de [straatnaam 3]. Ik was met [naam 1] ernaar toe gegaan. Ik bleef buiten op hem wachten, terwijl [naam 1] naar binnen ging. Er was geen plan om de inbraak te plegen. Het lag in de bedoeling dat ik [naam 1] naar de woning van zijn oom zou brengen om zijn kleren op te halen. Hij heeft een televisie van het merk TCL gestolen alsook een laptop. Ik heb de grootte van de televisie niet gecheckt. De laptop was zwart van kleur. Ik heb niet gelet op het merk van de laptop. De gestolen goederen zijn door mij vervoerd met dezelfde auto waarmee ik reed bij mijn aanhouding.”

8. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 december 2020 door [verbalisant 5] (agent van politie 1ste klasse), doorgenummerde pagina’s 113 tot en met 116, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Thans kom ik terug op mijn verklaring en verklaar dat [naam 1] de waarheid heeft gesproken. Na de inbraak heb ik de breekwerktuigen gegooid ergens aan de [straatnaam 7]. Ik ga de plek niet meer kunnen aanwijzen aangezien ik rijdend de breekwerktuigen uit het voertuig had gegooid. [naam 1] spreekt de waarheid. Ik heb ene [naam 7] gebeld om de televisie op te kopen. Op [wijk 2] aangekomen, kwam [naam 7] naar buiten. [naam 2] stapte met de gestolen televisie uit het voertuig en verkocht die aan [naam 7] voor een geldbedrag groot SRD 1.500, -. [naam 1]ontving SRD 400 en is meteen uit het voertuig uitgestapt. [naam 1] spreekt de waarheid. Ik heb [naam 2] SRD 400 betaald. Ik heb SRD 400 voor mezelf gehouden en met SRD 300 heb ik mijn voertuig laten bijtanken. [naam 2] had die laptop ook voor zichzelf gehouden, omdat die laptop defect was.”

9. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 1] meergenoemd [bijnaam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 117 tot en met 120, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“[verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de woning geforceerd. Hij heeft de woning ook betreden. De goederen heeft hij uit de woning weggenomen. Nadat hij de daad had gepleegd, heeft hij ons opgebeld om hem te komen halen, wat wij ook deden. De auto van [verdachte] was betrokken bij de inbraak. [verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de woning geforceerd met een grote pijpentang. De pijpentang behoorde toe aan [naam 1]. Het gaat om een gele pijpentang. [naam 2] en [verdachte] hebben elk SRD 400 gehad. SRD 300 hebben wij gebruikt om de auto van [verdachte] bij te tanken. [verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de slaapkamer geforceerd.”

10. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de aangeefster/benadeelde, [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt op 30 november 2020 door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 129 tot en met 131 voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Ik woon op dat adres samen met mijn man genaamd [naam 8] en mijn kind, dat thans ander half jaar oud is. Wij zijn omstreeks 07.30 uur vertrokken. Voor mijn vertrek, had ik de woning goed afgesloten. Omstreeks 04.30 uur ben ik teruggekeerd. Op dat moment viel het mij meteen op dat de slaapkamer overhoop was gehaald. Ik begreep gelijk dat onbekenden in mijn slaapkamer waren geweest tijdens mijn afwezigheid. Ik stelde gelijk een onderzoek in, in de slaapkamer en ontdekte ik dat de flatscreen televisie; de laptop en de grijze tas, die ik in mijn slaapkamer had, waren weggenomen. De daders hebben het glazenraam en het dievenijzer van mijn slaapkamer geforceerd. Het dievenijzer is namelijk vanuit de binnenzijde geplaatst. Via dat raam hebben de daders mijn slaapkamer betreden. De deur van mijn slaapkamer was op slot. Ik zag wel sporen aan mijn slaapkamerdeur, alsof de deur getracht is om te forceren. Het merk van de flatscreen was TCL. Het betreft een zwart flatscreen van 32 inch. Het merk van de laptop was Compac.
Ik had na de inbraak, gesproken met mijn buren. Mijn buren vertelden mij, dat een zwart gelakte Toyota Auris betrokken was bij de inbraak. De buren hadden ook het kentekennummer van bedoelde auto aan mij doorgegeven. Het betrof [kentekennummer 1] of [kentekenummer 2]. Ik had mijn stiefmoeder ook verteld over de inbraak. Mijn stiefmoeder had op haar beurt over de inbraak verteld aan mijn jongere nicht [naam 4]. Later op de dag had ik de informatie van mijn stiefmoeder dat mijn jongere neef [naam 1] betrokken was bij de inbraak. Zij vertelde aan mij dat zij een video op de facebook status van [naam 1] had gezien, waarbij de weggenomen televisie van mij op de achtergrond in beeld kwam. Ik bekeek de facebook status van [naam 1] en zag inderdaad hetgeen mijn stiefmoeder mij had voorgehouden.”

11. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de benadeelde, [naam 4], in de wettelijke vorm opgemaakt op 30 november 2020 door [verbalisant 8] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 132 tot en met 134 voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Op de videobeelden zag ik een vriend van [naam 1] genaamd [verdachte] ook. [naam 1] had deze beelden waarschijnlijk met zijn mobiele telefoon toestel geschoten. Op dit videobeeld zag ik een flatscreen televisie toestel op de achterste zitting. Ik kreeg gelijk het vermoeden dat die televisie op het eerder genoemde adres is weggenomen. Ik had [verdachte] ten aanzien hiervan gevraagd, echter ontkende hij iets daarvan af te weten.”

12. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 03 november 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben wel schuldig. Ik erken de inbraak te hebben gepleegd. Ik heb sinds het begin gezegd dat ik wel betrokken ben geweest bij die inbraak.”

13. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 09 februari 2022, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik heb de inbraak samen met [naam 1] gepleegd. Ik heb het dievenijzer geforceerd en ben via het openstaande raam naar binnen gegaan. Ik ben met mijn voertuig ernaar toe gereden.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit III:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van opsporing, aanhouding, overbrenging verdachten en inbeslagneming goederen, in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 81 tot en met 85, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Op aanwijzing van verdachte [naam 1] werd de verdachte [verdachte] opgespoord in het [wijk 1]. Gekomen aan de [straatnaam 1] ter hoogte van de [straatnaam 2] werd de zwartgelakte Toyota Auris voorzien van het kentekennummer [kenteken 3] gesignaleerd waarbij de bestuurder meteen werd staande gehouden. De bestuurder gaf daarnaar gevraagd op te zijn: [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], autoverkoper van beroep en wonende aan de [adres 1] in het [district]. Telefonisch te bereiken op het mobielnummer [mobielnummer]. Bij een ingesteld onderzoek in tegenwoordigheid van de verdachte [verdachte]in zijn voertuig, werd in de laadruimte (kofferbak) een witte plasticzak aangetroffen. Daarin zaten er drie zwarte zakken, waarvan een inhoudende bruine substantie en twee inhoudende witte substantie. Op een daartoe strekkende vraag, verklaarde de verdachte [verdachte]niks daarvan af te weten. In tegenwoordigheid van de verdachte [verdachte]werd de aangetroffen en inbeslaggenomen drugs gewogen. Daarbij is komen vast te staan dat de bruine substantie een totaal gewicht had van 610 gram, terwijl de witte substanties respectievelijk een gewicht hadden van 550 gram en 1015 gram.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [naam 6], in de wettelijke vorm opgemaakt op door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 104 tot en met 107, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De auto behoort toe aan [bijnaam 1 verdachte]. Ik ken [bijnaam 1 verdachte] bijkans twee jaren. Hij en ik drinken vaak alcohol samen. [bijnaam 1 verdachte] haalde mij, zoals afgesproken, thuis op. Hij reed op mijn aanwijzing naar de [straatnaam 8], alwaar ik een geldbedrag van SRD 50, – ophaalde bij mijn jongere neef [naam 9]. Na het geld te hebben opgehaald reden wij terug. Vervolgens bracht [bijnaam 1] me naar het [wijk 1], alwaar ik ‘high grade drugs’ voor een bedrag van SRD 20, – kocht. Na de drugs te hebben gekocht reden we terug. Onderweg reed de politie de auto van [bijnaam 1] klem. De politie stelde een onderzoek in, in de auto van [bijnaam 1] en trof een hoeveelheid drugs aan in de auto. De door mij gekochte drugs zouden [bijnaam 1] en ik samen roken. Ik weet wel dat hij drugs rookt.”

3. Het proces-verbaal van onderzoek, d.d. 04 december 2020, opgemaakt door de de gouvernementsscheikundige, Dr. J. Codrington, doorgenummerde pagina 39 van het dossier voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

“Het aangeboden materiaal bevat cocaïne en valt derhalve onder de Wet Verdovende Middelen.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina 166, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een witte zak inhoudende een bruine substantie met een gewicht van 610 gram en twee witte substanties met de respectievelijke gewichten van 550 gram en 1015 gram.”

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder IA bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 juncto artikel 370 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder III bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 3 lid 1`punt a onder B juncto artikel 11 lid 3 van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 10 februari 2021 zal vernietigen en op grond van de genoemde overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (I, II en III) tot een gevangenisstraf van twee jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts vordert de vervolgingsambtenaar een geldboete van SRD 2000, – (Tweeduizend Surinaamse dollars), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 2 (twee) maanden. Vervolgens vordert de vervolgingsambtenaar onttrekking van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine aan het verkeer.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een kans wil om zijn leven te herstellen en heeft beloofd dat hij niet meer in aanraking zal komen met justitie.

Het fair trial beginsel
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat in eerste aanleg er tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat hij tijdens de eerste behandeling in eerste aanleg desgevraagd geen uitstel heeft gehad om het dossier, dat onvolledig was, te bestuderen. Volgens de raadsman moest hij zich binnen twee uren voorbereiden om de zaak te bepleiten en heeft hij geen gelegenheid gehad om getuigen à decharge te laten horen terwijl de behoefte daartoe wel bestond. De raadsman moest volgens hem in de gelegenheid worden gesteld om de verdediging op een correcte wijze en in de ruimste zin des woords te kunnen voeren.

Naar aanleiding van het bovenstaande overweegt het Hof na kennisname van het proces-verbaal in eerste aanleg dat er inderdaad in strijd is gehandeld met het recht van de verdachte op een eerlijk proces.

Hoewel voor het bewezen verklaarde in het Derde Kanton naar het oordeel van het Hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de totale duur van twee (2) jaren en een geldboete van SRD 2.000,- (Tweeduizend Surinaamse Dollars) passend en geboden zou zijn geweest, zal het Hof, gelet op vorenbedoelde inbreuk op het recht van verdachte, in het onderhavige geval, overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur.

Het Hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen aldus tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen, wat door de vervolgingsambtenaar is gevorderd. Het Hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Alles overziende acht het Hof een gevangenisstraf voor het bewezenverklaarde in het Derde Kanton voor de duur van één (1) jaar en zes (6) maanden passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 10 februari 2021 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder IA en III is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders onder IA en III is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder II is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
IA. het medeplegen van gekwalificeerde diefstal; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 juncto artikel 370 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Ill. overtreding van de Wet Verdovende Middelen; voorzien bij artikel 3 lid 1 punt a onder B en strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 3 van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ÉÉN (1) JAAR en ZES (6) MAANDEN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 27 november 2020 in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaïne.

Gelast de gevangenhouding van de veroordeelde.

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger,
bijgestaan door mr. A.M. Jhagroe, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 09 februari 2022 te Paramaribo.

w.g. A.M. Jhagroe     w.g. A. Charan
                                  w.g. S. Punwasi
                                  w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

 

 

SRU-HvJ-2021-52

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking inzake beklag ex artikelen 460 en 475 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering

Gelezen het klaagschrift ex artikelen 460 en 475 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna WSv.) welke namens de klager, [klager], wonende aan de [adres 1] in [land], door de raadsman mr. V.V.C. Piqué is ingediend op 8 april 2021.

Het klaagschrift betreft het bevel de dato 30 september 2019 van de hoofdofficier van justitie (mr. C. Klein) aan de gerechtsdeurwaarder (de heer R. Sontono) tot het onverwijld leggen van beslag tot bewaring van het recht tot verhaal ten laste van [klager] op:
1. Het perceelland groot tweehonderd zeven en zeventig, een/tiende vierkante meter (277,1 m²) gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 1], ten westen van de [straatnaam 2] aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ing. H. Kalloe de dato twee november tweeduizend negen vervaardigd met gebruikmaking van de gegevens voorkomende op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig, met de letters ABCD en het nummer [nummer 1], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEF.

2. Het perceelland, groot tweehonderd tweeëntachtig, vijfenveertig/honderdste, gelegen in het [district], thans [plaats], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig aangeduid met het nummer [nummer 2], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABab, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van enkele gedeelten van gelegen in het [district], thans [plaats], deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK Straatregister [registernummer].

Het (bevel tot) beslag is gegrond op:
• De tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname geldende overeenkomst betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (’s-Gravenhage, 27 augustus 2976).
• Het protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (’s-Gravenhage, 18 mei 1993)
• Het rechtshulpverzoek van de Nederlandse officier van justitie te Den Haag van 27 mei 2019, betreffende de strafzaak tegen [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [klager], die verdacht worden van witwassen en handel in verdovende middelen. In dit verzoek, dat een aanvulling is op het rechtshulpverzoek van 18 oktober 2017 (Lurisnummer: [nummer 3]) dat was gesplitst in 3 delen (A, B, C), wordt o.a. verzocht om ten laste van [klager] beslag te leggen op het onroerend goed gelegen aan de [adres 2], 282 m² groot te [plaats] en op het onroerend goed gelegen aan de [adres 3], 277 m² groot te [plaats] welk beslag dient ter zekerheidstelling van het recht tot verhaal van een uiteindelijk door de strafrechter aan de verdachte op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
• De artikelen 82 lid 1, 82 a onder 3 en 91 lid 2 Wetboek van Strafvordering (SB 2002 no. 67.

Blijkens exploit nummer 30 van R. Sontono, deurwaarder bij het Hof van Justitie, is op 10 januari 2020 het hierboven aangehaalde, op naam van de klager staand, onroerende goederen met al hetgeen daarop staat, in conservatoir beslag genomen. Vermits klager binnen Suriname noch een bekende woonplaats, noch een werkelijk verblijf heeft en daarbuiten een bekende woonplaats heeft, is een afschrift van de door de deurwaarder d.d. 10 januari 2020 opgemaakt proces-verbaal van inbeslagneming betekend aan de Procureur – Generaal.

Grondslag van het beklag:
• De klager is van oordeel dat de litigieuze beslagen onrechtmatig zijn jegens hem, daar de vervolgingsambtenaar c.q. het Openbaar Ministerie niet bevoegd was om zonder toestemming van de rechter-commissaris in Suriname, bevel tot beslaglegging te geven. In dit kader zijn volgens klager o.a. van belang de artikelen 91, 473 en 474 van het WSv.
• Klager voert aan dat het Openbaar Ministerie mede verwijst naar artikel 82a onder 3 als grondslag voor (het bevel tot) de beslaglegging. Dit artikel geeft volgens klager slechts aan dat de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder noodzakelijk is voor wat betreft beslag op onroerende registergoederen, maar geeft niet aan welke instantie bevoegd is de gerechtsdeurwaarder de opdracht te geven tot het leggen van beslag en welke procedure gevolgd dient te worden.
• Het door het Openbaar Ministerie aangehaalde artikel 91 lid 2 WSv. dat mede ten grondslag is gelegd aan het (bevel tot) beslag, geeft slechts aan dat behalve de voorwerpen genoemd in artikel 82 WSv. ook de daarin aangeduide voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Echter heeft dit artikel betrekking op inbeslagname door de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek.
• Verder is er jegens klager niet voldaan aan de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, met name het motiveringsbeginsel c.q. de motiveringsplicht en het rechtszekerheidsbeginsel.

Op grond van het bovenstaande wordt aan het Hof van Justitie verzocht de gelegde beslagen op de onroerende goederen, welke in eigendom toebehoren aan de klager, op te heffen en teruggave te gelasten aan de klager en de vervolgingsambtenaar c.q. het Openbaar Ministerie te verbieden in de toekomst op basis van het litigieus rechtshulpverzoek, wederom beslagen te leggen c.q. te laten leggen op bedoelde onroerende goederen.

Het verweer van het Openbaar Ministerie
De vervolgingsambtenaar geeft aan dat de beslagen berusten op een geldig rechtshulpverzoek en haar grondslag vindt in artikel 10 e.v. van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de Uitlevering en Rechtshulp in strafzaken en de artikelen 467 e.v. van ons Wetboek van Strafvordering.

Voorts geeft de vervolging aan dat zij haar bevoegdheid ontleent aan de artikelen 82 lid1, 82 a onder 3 en 91 lid 2 van het WSv. betreffende de wettelijke procedure regels bij beslaglegging.

Klager is in Nederland aangehouden in 2018. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek en vervolging in Nederland is er een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld, na machtiging verkregen te hebben van de rechter-commissaris in Nederland.

Bij het strafrechtelijk financieel onderzoek is de rechter-commissaris in Nederland in beeld gekomen. De officier van justitie, mr. B de Jonge, heeft op 22 maart 2018 conform artikel 103 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering de rechter-commissaris in de strafzaak betrokken door een vordering handhaving conservatoir beslag in te stellen, welke vordering aan hem d.d. 26 maart 2018 is verleend.

Klager is noch door Nederland noch door Suriname onwetend gelaten omtrent de beslagleggingen ten laste van klager. De beslagleggingen zijn, conform de regels van strafvordering in Suriname, rechtmatig geschied. Het bevel van het conservatoir beslag is ook door de deurwaarder, op bevel van het Openbaar Ministerie in Suriname, d.d. 17 januari 2020, aan klager betekend.

Onder verwijzing naar artikel 473 van ons WSv. merkt de vervolging op dat de gang naar de rechter-commissaris bij inbeslagneming en onttrekking van het wederrechtelijk verkregen voordeel meestal plaatsvindt wanneer het gaat om een gerechtelijk vooronderzoek, waarbij er o.a. getuigen moeten worden gehoord en huiszoekingen moeten plaatsvinden.

De vervolging is conform het tweede lid van artikel 473 van het Wetboek van Strafvordering niet verplicht om het verzoek van een buitenlandse autoriteit in handen van de rechter-commissaris te stellen. Er is dus conform de procedurele regels van strafvordering gehandeld.

De beoordeling door het Hof
Artikel 460 WSv. luidt:
Lid 1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teuggave, over een voornemen als bedoeld in artikel 105, derde lid, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 88, 89 en 101, over een beslag op verbeurd te verklaren vorderingen of over het voortduren van zodanig beslag.

Lid 2. Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk ingediend ter griffie van het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

Lid 3. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaar na de inbeslagneming der voorwerpen of de kennisneming der gegevens, ingediend ter griffie van het kantongerecht, binnen welks rechtsgebied de inbeslagneming of kennisneming is geschied. De kantonrechter is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.

Artikel 475 lid 4 WSv. luidt: Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 102-105, 107, 460, 462-464 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in artikel 460 bedoelde klaagschrift wordt ingediend bij en behandeld door het Hof van Justitie.

Bevoegdheid van het Hof van Justitie
Het conservatoir beslag waartegen de klacht is gericht, is gelegd in het kader van een rechtshulpverzoek. Op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 4 van het WSv. is het klaagschrift terecht ingediend bij de griffie van het Hof van Justitie en is het Hof van Justitie bevoegd het klaagschrift te behandelen.

De ontvankelijkheid van klager
Als eigenaar van de onroerende goederen, waarop de conservatoire beslagen zijn gelegd, is klager belanghebbende als bedoeld in artikel 460 lid 1 WSv.
Aangezien onderhavige inbeslagneming is geschied in het kader van een rechtshulpverzoek in verband met een strafzaak tegen de klager in Nederland en tegen klager geen strafvervolging plaatsvindt in Suriname, acht het Hof van Justitie de in lid 3 van artikel 460 van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn voor de indiening van het klaagschrift van uiterlijk binnen drie jaar, in casu van toepassing.
Er doen zich overigens geen (andere) gronden voor die zich verzetten tegen de indiening van het klaagschrift. Klager is dus ontvankelijk.

De beoordeling van de juridische grondslag van het bevel tot beslaglegging
Ingevolge de artikelen 468 en 469 van het Wetboek van Strafvordering komt aan de Procureur-Generaal de centrale positie als rechtshulp autoriteit toe. Alle verzoeken die niet zijn gericht aan de Procureur – Generaal moeten onverwijld aan hem worden doorgezonden. De Procureur-Generaal beslist in het belang van een spoedige afdoening onverwijld omtrent het aan het verzoek te geven vervolg.

Artikel 473 lid 1 W v Sv. bepaalt dat de Procureur – Generaal
• een voor inwilliging vatbaar
• en op een verdrag gegrond verzoek
• van een buitenlandse rechterlijke autoriteit

in handen dient te stellen van de rechter-commissaris:
a. indien het strekt tot het horen van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;
b. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring of om een verklaring afgelegd ten overstaan van een rechter;
c. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen tegen de wil van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.

De gevallen waarin de rechter-commissaris in de zaak wordt betrokken hebben hoofdzakelijk te maken met de gewenste toepassing van dwangmiddelen. Anders dan in het commune strafprocesrecht heeft de vervolgingsambtenaar in geval van de kleine rechtshulp, daartoe geen bevoegdheden uit eigen hoofde.

Lid 2 en lid 3 van artikel 473 Sv. bepalen dat in andere dan in het eerste lid genoemde gevallen de Procureur-Generaal het verzoek van de buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris kan stellen bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.

Artikel 474 lid 1 WSv. bepaalt dat voor zover de in artikel 473 WSv. bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, de vordering dezelfde rechtsgevolgen heeft als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek onder meer voor wat betreft de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking en het in beslag nemen van stukken van overtuiging.

Anders dan de bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming krachtens artikel 91 WSv. tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, strekt de competentie van de rechter-commissaris zich krachtens lid 2 van artikel 474 WSv. uitsluitend tot inbeslagneming van stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn.

Het derde lid van artikel 474 WSv. bepaalt onomstotelijk: Ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp kan, anders dan overeenkomstig de voorgaande leden van dit artikel, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.

In het kader van de kleine rechtshulp heeft de vervolgingsambtenaar geen bevoegdheden op basis waarvan hij zelfstandig inbreuk mag maken op de rechten van burgers. Als hij het verzoek eigenhandig afdoet, is hij aangewezen op de vrijwillige medewerking van betrokkenen. Ontbreekt die vrijwilligheid, dan dient de rechter-commissaris te worden ingeschakeld door middel van de in artikel 473 WSv. bedoelde vordering.

Het Hof vermag niet in te zien hoe de vervolging haar bevoegdheid tot het uitvaardigen van het bevel tot inbeslagname kan ontlenen aan een bevoegdheid die ingevolge artikel 91 lid 2 WSv. uitsluitend is toebedeeld aan de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek.

Het Hof merkt ten overvloede op dat zowel de Surinaamse strafvordering (artikel 82 WSv.) als de Nederlandse strafvordering (artikel 94 Ned. Sv.) het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen als grond voor inbeslagneming kent.

In tegenstelling tot de Nederlandse strafvordering (artikel 94 a NSv.) kent de Surinaamse strafvordering geen bepaling dat in geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen inbeslaggenomen kunnen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor:
• een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete;
• een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 103 Ned. Sv. bepaalt dat beslag op grond van artikel 94a Ned. Sv. slechts kan worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.

Het bevel tot beslaglegging van de Hoofdofficier van Justitie mr. C. Klein d.d. 30 september 2019 aan de gerechtsdeurwaarder de heer Rawan Sontono tot het onverwijld leggen van beslag tot bewaring van het recht tot verhaal op het aan [klager] toebehorende onroerende goederen vindt geen grondslag in de Surinaamse strafvordering en is in strijd met het in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering vervatte legaliteitsbeginsel.

Het onderhavige rechtshulpverzoek is niet voor inwilliging vatbaar en dient daaraan geen gevolg te worden gegeven. Om die reden komt het niet in aanmerking om op grond van artikel 473 lid 1 WSv. in handen van de rechter-commissaris te worden gesteld, wat in casu ook niet is geschied.

Het bevel is bovendien strijdig met artikel 10 van de tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname geldende overeenkomst betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, waarbij de Overeenkomst sluitende partijen zich verbinden om, overeenkomstig de regels van de Overeenkomst en met inachtneming van hun nationale wetgeving elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen.

Om redenen als hiervoor vermeld acht het Hof het door de hoofdofficier van justitie d.d. 30 september 2019 uitgevaardigde bevel tot beslaglegging, e.e.a. zoals omschreven in voormeld bevel, onrechtmatig. Het Hof zal daarom de doorhaling gelasten van het ten laste van klager gelegde conservatoire beslagen op de onroerende goederen, zoals in het dictum vermeld.

De vordering tot verbod van het Openbaar Ministerie om in de toekomst op basis van het litigieuze rechtshulpverzoek wederom beslag te leggen c.q. te laten leggen op bedoelde onroerende goederen is niet voor toewijzing vatbaar.

De beslissing
Het Hof:
I. verklaart het klaagschrift van de klager gegrond

II. verklaart het door de hoofdofficier van justitie d.d. 30 september 2019 uitgevaardigde bevel tot beslaglegging tot bewaring van het recht tot verhaal en het, ter uitvoering van dat bevel door de gerechtsdeurwaarder gelegde conservatoire beslagen op het in het bevel vermelde onroerende goederen van de klager onrechtmatig.

III. beveelt de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 10 januari 2020 no. 30, ten laste van klager gelegde conservatoir beslag op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot tweehonderd zeven en zeventig, een/tiende vierkante meter (277,1 m²) gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 1], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ing. H. Kalloe de dato twee november tweeduizend negen vervaardigd met gebruikmaking van de gegevens voorkomende op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig, met de letters ABCD en het nummer [nummer 1], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK.

IV. beveelt de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 10 januari 2020 no. 30, ten laste van klager gelegde conservatoir beslag op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot tweehonderd tweeëntachtig, vijfenveertig/honderdste, gelegen in het [district], thans [plaats], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig aangeduid met het nummer [nummer 2], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABab, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van enkele gedeelten van gelegen in het [district], thans [plaats], deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK Straatregister [registernummer].

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 03 mei 2021 door mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-K1-2023-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR 202203882

13 januari 2023

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[naam] h.o.d.n. [bedrijf], gevestigd aan de [adres] in het district [plaats] ten deze domicilie kiezende te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: [eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. M.A. Gout, advocaat,

gevolmachtigde: [naam 2],

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. de Ministeries van Economische Zaken Ondernemerschap en Technologische Innovatie en van Financiën vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

hierna te noemen: “de staat”,

gedaagde,

gevolmachtigden:

  • mr. V. Jules-October, verbonden aan het bureau landsadvocaat;
  • M.A. Abdoel, jurist op het Ministerie van Financiën & Planning;
  • S. Bansropansingh, wnd. Hoofd IUD van het Ministerie van Economische Zaken, Ondernemerschap en Technologische Innovatie;
  • R.S. Kalka, verificateur 1e klasse.
  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 30 december 2022 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 06 januari 2023;
  • de conclusie van antwoord met productie;
  • het proces-verbaal van de op 06 januari 2023 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 [eiser] heeft medio 2022 van de in Japan gevestigde bedrijven AA Japan Ltd. 11 (elf) en Autocom Japan Inc. 6 (zes) gebruikte personenauto’s gekocht, welke personenauto’s in oktober 2022 in Suriname arriveerden.

2.2. [eiser] heeft de invoerrechten van de betreffende personenauto’s in november 2022 voldaan aan de staat voor een bedrag van SRD 1.121.076,50 (een miljoen een honderd eenentwintigduizend zesenzeventig Surinaamse dollar en vijftig dollarcent).

2.3. De Staat weigert de personenauto’s aan [eiser] af te staan zich op het standpunt stellende dat de personenauto’s ouder zijn dan 8 (acht) jaar.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) de staat veroordeelt om aan hem af te staan de 17 (zeventien) in het inleidend verzoekschrift omschreven personenauto’s, bij gebreke waarvan aan de staat een dwangsom wordt opgelegd van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) per personenauto’s per dag indien de staat geen uitvoering geeft aan het in deze te wijzen vonnis.

b) de staat veroordeelt om, bij wijze van voorschot, aan hem te betalen het bedrag van SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse dollar) zijnde de verschuldigde opslagkosten aan VSH Shipping NV, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar te rekenen van 30 december 2022.

c) de staat veroordeelt om, bij wijze van voorschot, aan hem te betalen het bedrag van SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse dollar) zijnde de verschuldigde opslagkosten over de periode 01 november 2022 tot aan de dag van de afgifte van de personenauto’s.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de staat ten onrechte weigert de 17 (zeventien) door hem ingevoerde gebruikte personenauto’s aan hem af te staan.

3.3 De staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voorzover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 [eiser] stelt dat de staat ten onrechte weigert de door hem ingevoerde gebruikte personenauto’s aan hem af te staan. [eiser] stelt dat de verkopers van de gebruikte personenauto’s als uitgangspunt voor het vaststellen van de ouderdom van een gebruikte personenauto’s hanteren het jaar van de eerste registratie van de personenauto’s. Dat in het Besluit Negatieve Lijst 2003 (S.B. 2003 no. 74) is bepaald dat het verboden is om tweedehandse personenauto’s ouder dan 8 (acht) jaar in te voeren zonder dat is aangegeven wat het uitgangspunt is voor het bepalen van de ouderdom van een personenauto. De staat stelt dat de door [eiser] ingevoerde personenauto’s ouder zijn dan 8 (acht) jaar uitgaande van het jaar waarin de personenauto’s zijn gefabriceerd (bouwjaar).

4.2 De kantonrechter constateert dat ten aanzien van het bepalen van de ouderdom van gebruikte personenauto’s er verwarring is ontstaan omdat er twee verschillende uitgangspunten worden gehanteerd, welke uitgangspunten tot verschillende uitkomsten kunnen leiden ten aanzien van de vaststelling welke voertuigen al dan niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in de negatieve lijst van goederen die ingevoerd mogen worden. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het een feit van algemene bekendheid dat met bouwjaar slechts wordt aangegeven in welk jaar een personenauto is geproduceerd en het registratiejaar het jaar waarin de personenauto in gebruik wordt genomen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het een feit van algemene bekendheid dat niet alle personenauto’s die in een bepaald jaar zijn geproduceerd ook in dat jaar voor gebruik worden geregistreerd. Het voorgaande heeft tot gevolg dat personenauto’s die in een bepaald jaar zijn geproduceerd en in hetzelfde jaar in gebruik worden genomen, het productiejaar in overeenstemming is met het registratiejaar. Bij personenauto’s van een bepaald productiejaar die bijvoorbeeld 2 (twee) jaar na productie in gebruik zijn genomen, het productiejaar niet in overeenstemming is met het jaar waarin de personenauto in gebruik is genomen en dus wordt geregistreerd. In het eerste geval valt het aantal jaren dat de personenauto in gebruik is samen met het jaar dat de personenauto is geregistreerd. In het tweede geval valt het registratiejaar niet samen met het productiejaar waardoor de periode waarin de auto voor gebruik wordt geregistreerd op een later tijdstip aanvangt dan het jaar van productie. In het Besluit Negatieve Lijst 2003 is bepaald dat de grondslag voor het verbod op de invoer van tweedehandse personenauto’s is de bescherming van het milieu. Uitgaande van de door de wetgever bepaalde grondslag voor het verbod is de kantonrechter van oordeel dat de wetgever het gebruik van personenauto voor ogen heeft gehad. De registratiedatum, zijnde de datum waarop het gebruik van de personenauto is aangevangen moet naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt worden gebruikt. Gelet op het voorgaande voldoen de in het geding betrokken personenauto’s, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aan de in de wet gestelde eis om ingevoerd te kunnen worden. De kantonrechter zal daarom de vordering tot afgifte van de personenauto’s toewijzen. De gevorderde dwangsom zal door de kantonrechter worden gemitigeerd, omdat die hem bovenmatig voorkomt.

4.3. De vordering van [eiser] tot schadevergoeding zal worden afgewezen, omdat in kort geding een veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding niet aan de orde kan komen, omdat er in het algemeen geen spoedeisend belang zal zijn en de kantonrechter geen definitieve beslissing geeft over de vraag of [eiser] daarop recht heeft. Wel is mogelijk het toekennen van een voorschot op een eventueel door de gewone rechter vast te stellen schadevergoeding, waarbij [eiser] wel een spoedeisend belang kan hebben.

4.4 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.5 De staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld, welke tot aan de uitspraak is begroot op SRD 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1. veroordeelt de staat om binnen 01 (één) werkdag na de betekening van dit vonnis aan [eiser] af te staan de in de onderstaande lijst opgenomen personenauto’s, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan dit vonnis met een maximum van SRD 1.000.000, – (een miljoen Surinaamse dollar),

No. Personenauto Chassisnummer Bouwjaar Registratiejaar
1. Toyota Vitz NSP130-2097716 2012 2014
2. Toyota Vitz NSP130-2086208 2012 2014
3. Toyota Vitz NSP130-2033445 2013 2014
4. Toyota Vitz NCP131-2015168 2012 2014
5. Toyota Noah ZRR70-0436410 2011 2014
6. Toyota Ractis NCP120-2005665 2010 2014
7. Toyota Vanguard GSA33-5104238 2011 2014
8. Toyota Vanguard ACA38-5226147 2012 2014
9. Toyota Vanguard ACA38-5217962 2011 2014
10. Toyota RAV4 ACA36-5028756 2011 2014
11. Mercedes Benz WDD1760422J096967 2013 2014
12. Toyota Vitz NSP130-2090784 2012 2014
13. Toyota Vitz NSP130-2029336 2011 2014
14. Toyota Vanguard ACA38-5174167 2010 2014
15. ToyotaVanguard ACA38-5199466 2011 2014
16. Toyota Rush J200E-2002039 2013 2014
17. Toyota Vitz NSP130-2040622 2011 2014

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. veroordeelt de staat in de proceskosten die aan de zijde van [eiser] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar),

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken te Paramaribo door mr. C.A. Wallerlei op vrijdag 13 januari 2023, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2022-18

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 04 oktober 2022 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is in verzekering gesteld op 07 juli 2022 ter zake overtreding van de artikelen 349; 347; 363 lid 2; 362 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 15 van de Vuurwapenwet.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 05 oktober 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking d.d. 05 oktober 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op donderdag 06 oktober 2022 om 12.00 uur des middags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum en tijdstip heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. A. Niamat, namens het Openbaar Ministerie;
• de advocaat, mr. G.M. Leter en
• de appellant (telefonisch).

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. 04 oktober 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van appellant afgewezen. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, het volgende overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
“(…) dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten;
“(…) dat onderzoeksbelang aanwezig wordt geacht;
“(…) dat de inverzekeringstelling rechtmatig dient te worden verklaard en het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 04 oktober 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op 05 oktober 2022 omstreeks 12.15 uur des namiddags ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het op 05 oktober 2022 omstreeks 13.00 uur des namiddags heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep dus binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appél.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant in verzekering is gesteld op basis van de verklaringen van vier getuigen terwijl deze getuigen niet hebben gezien op welke wijze het strafbaar feit is gepleegd;
• dat het Openbaar Ministerie sinds de inverzekeringstelling van appellant tot heden de door haar genoemde onderzoekshandelingen niet heeft gepleegd; de camerabeelden zijn niet veiliggesteld en de getuigen zijn niet geconfronteerd met appellant;
• dat er tijdens de huiszoeking en het onderzoek in de auto van appellant geen bewijsmiddelen en wapen zijn aangetroffen;
• dat de verdenking slechts is gebaseerd op de getuigenverklaringen van de buurtbewoners terwijl appellant geen band met hun heeft. Het Openbaar Ministerie heeft de verklaringen van appellant niet in ogenschouw genomen;
• dat er in casu geen bewijsmiddelen zijn die de appellant bezwaren. Het dossier bestaat slechts uit getuigenverklaringen die niet getoetst kunnen worden op waarheid en
• dat er inderdaad een paar keren in de woning van appellant is ingebroken. Men heeft de verdenking in casu op de appellant gelegd, omdat hij bepaalde uitspraken zou hebben gedaan, maar er zijn geen bewijzen die de appellant bezwaren.
Op basis van het bovenstaande heeft de verdediging aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant te bevelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
• dat appellant slachtoffer is geworden van woninginbraak en op zoek is gegaan naar de dader. De buurtbewoners van appellant hebben aangegeven dat ene [bijnaam slachtoffer] de inbraak heeft gepleegd. Volgens de buurtbewoners heeft appellant steeds de uitlating gedaan dat hij [naam 2] van het leven gaat beroven;
• dat appellant niet slechts op basis van getuigenverklaringen in verzekering is gesteld, maar ook op basis van bezwarende feiten en omstandigheden;
• dat appellant, volgens de verklaring van een getuige, met zijn auto met gierende banden van huis is vertrokken nadat er was geschoten op het slachtoffer. Het slachtoffer lag niet ver van de woning van appellant op het wegdek. Deze verklaring is bevestigd door een tweede getuige die ook een vuistvuurwapen bij appellant heeft gezien;
• dat de derde getuige heeft gesteld dat hij heeft gezien dat appellant op het slachtoffer heeft geschoten;
• dat appellant heeft gesteld dat hij het slachtoffer niet kent, maar de getuigen hebben verklaard dat hij het slachtoffer wel kent. De appellant zou opmerkingen hebben gemaakt en uitlatingen hebben gedaan dat hij het slachtoffer, [naam] meergenoemd ‘[bijnaam slachtoffer], gaat doodschieten, omdat er vaak is ingebroken in zijn woning;
• dat appellant aan bepaalde buurtbewoners heeft gezegd: ‘Laat mij zien wie die [bijnaam slachtoffer] is hoor, want mo kir a mang disi.’. Twee goede vrienden van appellant hebben bevestigd dat appellant inderdaad deze uitlating heeft gedaan;
• dat appellant heeft geweigerd om mee te werken aan de confrontatieverhoren met de getuigen en
• dat er in casu sprake is van onderzoeksbelang; twee getuigen moeten nog worden gehoord, het confrontatieverhoor tussen de getuigen en de appellant moet nog plaatsvinden en er zal via de camerabeelden van Safe City worden nagegaan wat de route van appellant na het schietincident is geweest en of hij het wapen heeft weggemaakt. In dat kader zijn er reeds instructies gegeven en het Openbaar Ministerie is in afwachting van het bericht van de politie.
Op basis van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om het verzoek van appellant af te willen wijzen en om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het Hoger Beroep
Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van het Openbaar Ministerie op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.
Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.

Met de vervolging is het Hof van oordeel dat er wel feiten en omstandigheden zijn gebleken uit het onderzoek die een redelijk vermoeden van schuld tegen appellant construeren. Het betreft in casu doodslag, moord, zware mishandeling, zwaar lichamelijk letsel met de dood als gevolg en overtreding van de Vuurwapenwet welke appellant verweten wordt. Uit de getuigenverklaringen van de verschillende buurtbewoners, behelsende onder andere de uitlatingen van de appellant aan het adres van het slachtoffer, en het feit dat appellant, nadat er op het slachtoffer was geschoten, met zijn auto met gierende banden van huis is vertrokken terwijl het slachtoffer niet ver van zijn woning op het wegdek lag, is naar het oordeel van het Hof een redelijk vermoeden van schuld gebleken. Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. De appellant dient onder andere nog te worden geconfronteerd met de getuigen die bezwarende verklaringen jegens hem hebben afgelegd. Daarnaast moeten twee andere getuigen nog worden gehoord. Voorts, moeten de camerabeelden veilig worden gesteld waaruit het handelen van appellant na het schietincident kan worden blootgelegd. Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt de appellant niet in de door hem opgeworpen grieven. Op grond van het voorgaande zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 worden bevestigd.

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.

DE BESLISSING

HET HOF:

Verklaart het beroep van appellant, [naam 1], ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 06 oktober 2022 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S. Punwasi, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-17

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, VAN [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. woensdag 15 juni 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 11 juni 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 9; 15 jo. 22 van de Vuurwapenwet.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. woensdag 15 juni 2022; het beroepschrift d.d. donderdag 16 juni 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 16 juni 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 17 juni 2022 om 12.00 uur des middags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de raadslieden, mr. R. Denz en mr. R.R. Lobo en
• de Wnd. Procureur-Generaal, mr. N. Maikoe, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd woensdag 15 juni 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 16 juni 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten aangezien het bevel tot inverzekeringstelling onrechtmatig is.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant als wapenliefhebber één jachtgeweer, vuistvuurwapens en vijf alarmpistolen voorhanden heeft gehad zonder daartoe in het bezit te zijn geweest van een bijzondere volmacht. De appellant heeft foutief gehandeld;
• dat het voorhanden hebben van een vuurwapen zonder een machtiging vijftien of zestien jaren geleden van een overtreding is omgezet tot een misdrijf aangezien het aantal berovingen middels vuurwapens toenam;
• dat er gevallen zijn geweest waarbij verdachten, die zwaardere wapens voorhanden hadden, binnen één of twee weken in vrijheid zijn gesteld. Op basis van de soort wapens die bij appellant in beslag zijn genomen had hij al lang op vrije voeten moeten worden gesteld;
• dat er geen misdrijven zijn gepleegd met de wapens die bij appellant zijn aangetroffen;
• dat er geen sprake is van vluchtgevaar. De appellant heeft zijn bestaan in Suriname opgebouwd en heeft een gezin;
• dat de appellant first offender is en zijn volledige medewerking verleent bij het onderzoek;
• dat de detentie van appellant in casu niet noodzakelijk is;
Op grond van het bovenstaande heeft de appellant aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat er één jachtgeweer, 3 Glock pistolen, gasbuksen, alarmpistolen en een aantal verschillende formaten patronen in het bezit van appellant zijn aangetroffen zonder dat appellant over een vergunning beschikt;
• dat de appellant heeft verklaard dat hij eerst een persoonlijk wapen in Frans-Guyana heeft gekocht waarna hij voor de tweede keer naar Frans-Guyana is geweest om een heel assortiment aan wapens van ene [naam 2] te kopen. Hiermee is hij naar Suriname teruggekeerd. De appellant kan de nadere omschrijving van [naam 2] en zijn contactnummer niet aangeven;
• dat appellant steeds van verklaring verandert. In eerste instantie heeft hij gezegd dat [naam 2] contact met hem heeft gemaakt en hierna heeft hij verklaard dat zijn vriend hem in Frans-Guyana in contact heeft gebracht met [naam 2]. Volgens appellant kent hij [naam 2] verder niet. De appellant heeft tot nu toe geen duidelijke verklaring gegeven waaruit blijkt op welke wijze hij de vuurwapens in zijn bezit heeft gekregen;
• dat de telefoon waarin eventuele informatie zou zijn opgeslagen ook niet is gevonden. De appellant heeft wel een telefoonnummer doorgegeven en dat moet nog worden uitgewerkt;
• dat er ook een onderzoek moet worden gedaan naar de ‘online shop’ van appellant om te kijken wat hij ten verkoop aanbiedt en of hij wapens ten verkoop heeft aangeboden. Voorts zal [naam 2] worden opgespoord en zal er in de buurt ook onderzoekingen worden verricht door de politie;
• dat de huisgenoten van appellant, waaronder zijn moeder, zus en vrouw niet eens wisten dat appellant een wapenliefhebber is. Dat was een verrassing voor een ieder. De verklaring van de appellant heeft dus geen enkele ondersteuning gevonden in de verklaringen die zijn afgelegd door zijn familieleden;
• dat alle wapens gevaarlijk zijn. Het is niet van belang of het een zwaar wapen of een minder zwaar wapen is. Dat is ook niet van belang bij het kopen van een wapen, want de wet maakt dat onderscheid niet;
• dat het noodzakelijk is dat appellant in detentie blijft, want als hij in vrijheid wordt gesteld dan zou hij in contact kunnen treden met mensen die als mede verdachten kunnen worden aangemerkt;
• dat er vrees voor vluchtgevaar bestaat;
• dat er in casu sprake is van een redelijk vermoeden van schuld, dringende noodzakelijkheid voor continuering van de detentie en onderzoeksbelang;
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. woensdag 15 juni 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
Appellant komt op tegen de beschikking die door de rechter-Commissaris is gegeven in het kader van de rechtmatigheidstoets en waarbij de inverzekeringstelling rechtmatig is getoetst. Het Hof dient derhalve te toetsen of de inverzekeringstelling al dan niet terecht rechtmatig is verklaard en of er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van feiten en omstandigheden op grond waarvan een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de appellant ontstaat met betrekking tot een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast zal ook bekeken worden of er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat appellant verschillende wapens en verschillende formaten munitie voorhanden heeft gehad zonder daartoe in het bezit te zijn geweest van een vergunning. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk vermoeden van schuld uit het bovenstaande komen vast te staan. Op grond van hetgeen zijdens het Openbaar Ministerie is aangevoerd met betrekking tot het verder onderzoek, acht het Hof tevens het onderzoeksbelang nog aanwezig.
In de visie van het Hof moet er – gelet op de vele meedogenloze gewapende roofovervallen – aan het Openbaar Ministerie de ruimte worden geboden om te onderzoeken wat de werkelijke bedoeling van het in het bezit hebben van de verschillende wapens en verschillende formaten munitie is geweest. Er mag redelijkerwijs niet van het Openbaar Ministerie worden verwacht dat zij genoegen neemt met de bewering dat appellant een wapenliefhebber is, nu hij geen vergunning heeft voor het voorhanden hebben van wapens en hij die ook niet heeft aangevraagd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek van appellant te worden verworpen en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. 15 juni 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam 1], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 15 juni 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 17 juni 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. L. Ravenberg Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. M.V. Kuldip Singh
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-16

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 21 juli 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 19 juli 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 186 en 414 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 21 juli 2022, het beroepschrift d.d. maandag 25 juli 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van dinsdag 26 juli 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op woensdag 27 juli 2022 om 09.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden. De behandeling van de zaak is op woensdag 27 juli 2022 uitgesteld naar donderdag 28 juli 2022.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de advocaat, mr. M.C.M. Nibte;
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant (telefonisch).

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 21 juli 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op maandag 25 juli 2022 in de dropbox van het Hof van Justitie achtergelaten. De griffier van de Rechter-Commissaris heeft het beroepschrift op dinsdag 26 juli 2022 doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Ter beoordeling van de ontvankelijkheid dient vast te staan wanneer de gewraakte beslissing aan appellant is betekend en niet de datum waarop de beslissing de verdediging ter ore is gekomen. Gelet op het feit dat het tijdens de behandeling van de zaak in raadkamer niet duidelijk is geworden wanneer de beslissing van de Rechter-Commissaris aan appellant is betekend, zal in zijn voordeel worden beslist. Appellant wordt derhalve geacht ontvankelijk te zijn in zijn beroep.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om appellant op basis van het gelijkheidsbeginsel onmiddellijk in vrijheid te stellen.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• appellant is betrokken in een boedelkwestie en is door middel van de sterke arm uit de woning ontruimd. De volgende dag heeft appellant zich wederom de toegang tot de woning verschaft door de slot van de voordeur kapot te slaan. Naar aanleiding daarvan is appellant in verzekering gesteld terzake huisvredebreuk en vernieling;
• de broer van appellant is ook in de ontruimde woning geweest en is er daarbij een vechtpartij ontstaan. De broer van appellant was terzake huisvredebreuk, vernieling en mishandeling in verzekering gesteld, maar is door de Rechter-Commissaris reeds in vrijheid gesteld terwijl het verzoek van appellant door een andere Rechter-Commissaris is afgewezen;
• appellant is bereid de kosten van het slot te vergoeden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven van appellant, onder meer, het volgende aangevoerd:
• het gaat in casu niet simpelweg om huisvredebreuk en vernieling, omdat appellant de woning is binnengedrongen nadat hij was ontruimd;
• door appellant zijn een aantal mensen in beeld gebracht waaronder de oom van appellant die de sloten kapot zou hebben gemaakt;
• appellant en zijn broer worden overigens niet verweten zich tezamen en in vereniging schuldig te hebben gemaakt aan de strafbare handelingen.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om het verzoek van appellant af te willen wijzen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
In casu is appellant met behulp van de sterke arm ontruimd en heeft zich hierna wederom de toegang tot de woning verschaft door het slot kapot te slaan, hetgeen niet is weersproken door de appellant. De appellant heeft zich bereid verklaard om de kosten van het slot te vergoeden. Uit het onderzoek in raadkamer is verder gebleken dat appellant reeds is verhuisd. Het Hof is – gelet op de geschetste situatie – van oordeel dat er onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er in casu sprake is van een onderzoeksbelang dat noopt tot verdere vrijheidsbeneming van de appellant. Nu het onderzoeksbelang niet is komen vast te staan, is het Hof van oordeel dat er in dit stadium van het onderzoek geen dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van appellant. De gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 21 juli 2022 dient derhalve te worden vernietigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 21 juli 2022.

En opnieuw rechtdoende:
Verklaart het ingesteld hoger beroep gegrond;

Verklaart de continuering van de inverzekeringstelling van appellant, [naam], onrechtmatig;

Wijst toe het verzoek tot invrijheidstelling van appellant, [naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant, [naam], voornoemd.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 28 juli 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. D. Nanhoe en mr. L. Ravenberg, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-15

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 09 juni 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 15 mei 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 362; 362 jo. 70 en 360 van het Wetboek van Strafrecht, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 17 mei 2022 en ingaande op 22 mei 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 09 juni 2022, het beroepschrift d.d. vrijdag 10 juni 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van maandag 13 juni 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op dinsdag 14 juni 2022 om 11.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de raadsman, mr. D.E.R. Veira;
• de Wnd. Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 09 juni 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op maandag 13 juni 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Aangezien de beslissing van de Rechter-Commissaris op vrijdag 10 juni 2022 kenbaar was gemaakt, wordt het beroep geacht op tijd te zijn aangetekend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadsman heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en de invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant op de zondag samen met zijn vrouw aan de openbare weg langs de Tourtonnelaan bezig was een tent op te zetten om goederen ten verkoop aan te bieden. De appellant bevond zich daarbij een pand verwijderd van het pand van Yokohama;
• dat de bewakers van Yokohama op een gegeven moment naar appellant zijn toegelopen en op een denigrerende wijze aan hem hebben gezegd dat hij zich van die plek moest verwijderen. Toen de appellant daaraan geen gevolg gaf is één van de bewakers ertoe overgegaan om de tent zelf af te breken en heeft daarbij vernielingen aangebracht;
• dat de bewaker de tent heeft vernield en niet als verdachte is aangemerkt;
• dat de appellant vanwege de ontstane situatie, waaronder de dreigende houding en het, verschil in lichaamsbouw, genoodzaakt was om steeds stappen achteruit te doen. De appellant heeft de bewaker verscheidene malen te kennen gegeven dat hij politieambtenaar is. Desondanks bleef de bewaker een dreigende houding aannemen. Op een bepaald moment kwam de appellant te vallen. Vanwege de afstand van één en een halve meter tussen de bewaker en de appellant was appellant niet in de gelegenheid om zich veilig te verplaatsen en om een waarschuwingsschot te lossen. De appellant was daardoor genoodzaakt om vuurwapen geweld aan te wenden en heeft de bewaker aan zijn been geschoten;
• dat appellant in een geheel andere situatie zou zijn beland, indien hij geen vuurwapengeweld had toegepast. De omstandigheid dat appellant zodanige slagen zou hebben moeten incasseren met het risico dat hij het ziekenhuis kon belanden, was daarbij niet uitgesloten;
• dat appellant in de hoedanigheid van politieambtenaar bevoegd was om bij constatering van het strafbaar feit op heterdaad, de verdachte aan te houden en
• dat er getuigen zijn die verklaringen in het voordeel van appellant hebben afgelegd en dat er geen noodzaak bestaat om de detentie van appellant te handhaven;
Op grond van het bovenstaande heeft de appellant aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en de invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat de bewaker aan appellant heeft gezegd dat zijn tent deels op het terrein van Yokohama is geplaatst en heeft gevraagd om de tent van het terrein te verwijderen. De appellant heeft toen pertinent geweigerd om zijn tent te verplaatsen. De bewaker heeft geantwoord dat hij die tent zelf gaat verwijderen. Terwijl de bewaker bezig was de tent weg te halen heeft appellant hem een klap gegeven waarna de bewaker hem heeft gestoten. Op een bepaald moment is appellant uitgegleden en heeft zijn dienstwapen tevoorschijn gehaald. Vervolgens heeft appellant gericht geschoten op het been van de bewaker;
• dat appellant in zijn nader verhoor heeft gezegd dat hij heeft gezien dat de bewaker geen wapen bij zich had. De bewaker had slechts een gummistok bij zich die aan zijn riem was bevestigd;
• dat de appellant een pas op de plaats had moeten maken en een collega had moeten vragen om de zaak over te nemen aangezien het in casu ging om zijn persoonlijk belang;
• dat er geen getuigenverklaringen in het voordeel van appellant zijn afgelegd. Een getuige heeft verklaard dat appellant op een provocerende wijze heen en weer liep nadat hij het wapen uit zijn schoudertas had gehaald;
• dat er in casu geen sprake is van noodweer zijdens de appellant, omdat de dreiging zich niet had gemanifesteerd en het was niet van dien aard dat appellant zo disproportioneel hoefde te handelen.
Op grond van het bovenstaande vraagt het Openbaar Ministerie om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 09 juni 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar het oordeel van het Hof is de rode draad in de grieven in casu dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding welke aanranding verdediging noodzakelijk en geboden maakte.
Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat de bewaker niet gewapend was en dat zijn gummistok aan zijn riem was bevestigd. Bovendien heeft de appellant in zijn verhoor d.d. 15 mei 2022 aan de verbalisant verklaard dat hij geen wapen bij de bewaker heeft gezien. Op basis daarvan is komen vast te staan dat tussen de bewaker en de appellant er geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar, dat appellant noodzaakte met zijn vuistvuurwapen gericht te schieten op de bewaker.
Het Hof overweegt voorts dat appellant als ambtenaar van politie is getraind om met agressie om te gaan, ingeval daarvan sprake is. De appellant was aangezegd om de opgezette tent te verwijderen en heeft geweigerd om daaraan gevolg te geven. In casu gaat het niet om geweld aangewend in de uitoefening van zijn beroep zoals de verdediging het doet voorkomen, maar om een geval waarbij appellant als burger in een woordenwisseling en handgemeen is geraakt met een bewaker die op dat moment wel in de uitoefening van zijn taak als beveiliger ter plekke aanwezig was.
Gelet op de geschetste situatie en het geïndiceerd onderzoeksbelang is het Hof van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek er een dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant. Om die reden dient het door appellant gedane verzoek afgewezen te worden en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 09 juni 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 09 juni 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op dinsdag 14 juni 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. L. Ravenberg
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)