SRU-HvJ-2021-36

G.R. no. 15741

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021
in de zaak van

[appellante],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de vrouw“,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,
gemachtigde: mr. G.M. Leter, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 oktober 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het schrijven van de advocaat van de vrouw gedateerd 16 december 2016
• ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 16 december 2016 – waaruit blijkt dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016;
• de pleitnota gedateerd 07 februari 2020;
• de antwoordpleitnota gedateerd 6 maart 2020;
• de repliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;
• bij wege van mondelinge dupliekpleidooi de dato16 oktober 2020 heeft de gemachtigde van de man geconcludeerd tot persistit bij het antwoordpleidooi;
1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 24 oktober 2016. Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) waarbij de beslissing volgens de wet aan de vrouw is medegedeeld dateert van 30 november 2016. De vrouw heeft bij schrijven de dato 16 december 2016 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv is dit tijdig geschied en is de vrouw ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De vrouw vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter waarvan beroep en alsnog ontzegging van de oorspronkelijke vordering aan de man, toen zijnde eiser, althans niet-ontvankelijkverklaring van hem.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 juli 1994, te [plaats], bij akte no. [nummer 1], folio no. [nummer 2].
4.2. Uit het huwelijk tussen partijen is een kind geboren die inmiddels meerderjarig is geworden.

5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
5.1. De man heeft in eerste aanleg als eiser –kort gezegd- het navolgende gevorderd:
• dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
• met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden;
• de vrouw zal worden veroordeeld om met de man over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake meer is van een man-vrouw relatie. Volgens de man probeert de vrouw hem op verschillende manieren het leven zuur te maken door met name valse beschuldigingen en bedreigingen.

5.3. De vrouw heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen te wijten is geweest aan de man, die in verband met zijn werkzaamheden merendeels niet thuis was. Volgens de vrouw onderhoudt de man vermoedelijk buitenechtelijke relaties met een andere vrouw, waardoor er ruzies ontstaan. De vrouw heeft de door de man gestelde gronden ontkend en zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is
daarbij geweest (begin citaat) “ De kantonrechter overweegt dat, nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht, terwijl gedaagde (het Hof leest: de vrouw) zich niet verzet tegen de vordering van eiser (het Hof leest: de man), deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen in voege als na te melden ” (einde citaat)

5.5. De vrouw verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de vrouw vier grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de vrouw aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk aangezien een enkele meningsverschil hetwelk is uitgemond in een toen verslechterde verstandhouding nog niet maakt dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Als tweede grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de man en vrouw niet samenwonen. De vrouw geeft aan dat zij nog steeds op hetzelfde adres woonachtig is samen met de man. De feitelijke situatie is dat beide partijen zich in dezelfde woning bevinden en aldaar ook woonachtig zijn. Ook op grond hiervan kan er geen sprake zijn van een verslechterde verstandhouding tussen beide echtgenoten. Als derde grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de vrouw de man valselijk heeft beschuldigd en bedreigd. Wat de beschuldigingen allemaal zijn is voor de vrouw niet bekend. Er is ook nooit aangifte gedaan bij de politie door de man ter zake bedreiging. Bovendien is de man een politieman en enkel op grond daarvan is het aannemelijk dat van bedreiging zijdens de vrouw geen sprake kan zijn. Als vierde grief heeft de vrouw aangevoerd dat ten onrechte in het beroepen vonnis is vermeld dat er een minderjarig kind is. Het kind genaamd [naam], is geboren op [geboortedatum] te [plaats] en is inmiddels al meerderjarig. Het verhoor van de ouders, bloed- en/of aanverwanten ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij kan derhalve ook niet plaatsvinden.

5.6. De man heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de vrouw aangevoerde grieven achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Anders dan de vrouw in haar tweede grief heeft aangevoerd heeft de Kantonrechter niet als vaststaand feit aangenomen dat partijen niet samenwonen. De Kantonrechter heeft slechts als vaststaande feiten in het beroepen vonnis aangenomen dat partijen gehuwd zijn met elkaar en dat er een (ten tijde van vonniswijzing) minderjarig kind uit het huwelijk is geboren. Onder 3.2. van het beroepen vonnis heeft de Kantonrechter de grondslag van de vordering van de man aangegeven en daarbij de man geciteerd die heeft aangegeven dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake is van een man-vrouw relatie. De tweede grief is gelet op het voorgaande totaal ongegrond. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de derde grief die de vrouw heeft aangevoerd. De Kantonrechter heeft dat geenszins als vaststaand feit aangenomen en derhalve is ook die grief gedoemd te stranden. Thans zal het Hof overgaan tot bespreking van de eerste grief die de vrouw heeft aangevoerd. Naar het oordeel van het Hof betreft het in casu ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 WvBRv een gedekt verweer. Door in eerste aanleg de grondslag van het gevorderde bloot te weerspreken zonder daar consequenties aan te verbinden en zich vervolgens te refereren aan het oordeel van de Kantonrechter heeft de vrouw – die toen reeds rechtsbijstand genoot – in de visie van het Hof het recht om naderhand in een hogere instantie verweer te voeren uitdrukkelijk prijs gegeven. Immers heeft de vrouw in eerste aanleg bij wege van conclusie van antwoord het navolgende aangevoerd (begin citaat): “ Als verzoeker (het Hof begrijpt: de man) wil scheiden met de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) moet hij duidelijk zeggen dat hij haar niet meer wil hebben als echtgenote. Op zijn Surinaams zegt men ‘ a mang bere foeroe’. Hij lust gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) niet meer en is kennelijk op zoek naar een ander partner……………Voor het overige refereert gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) naar het oordeel van de kantonrechter en persisteert de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) voor Dupliek indien de verzoeker (het Hof begrijpt: de man) voor Repliek zal persisteren.” (einde citaat). Uit het voorgaande concludeert het Hof dat de vrouw zich in eerste aanleg ten aanzien van het gevorderde ondubbelzinnig heeft gerefereerd aan het oordeel van de Kantonrechter en kan zij derhalve in hoger beroep niet met nieuwe weren op de proppen komen. Aangezien het Hof blijkens de rechtsliteratuur ambtshalve dient na te gaan of een in hoger beroep aangevoerd verweer al dan niet gedekt is heeft het Hof zich dienaangaande van haar taak gekweten. De eerste grief haalt het derhalve niet in rechte. De vierde grief die de vrouw heeft aangevoerd is in zoverre gegrond dat ten tijde van vonniswijzing door de Kantonrechter het uit het huwelijk van partijen geboren kind nog minderjarig was (20 jaar oud), zodat de Kantonrechter terecht het familieverhoor heeft bepaald. Thans is dat kind inderdaad reeds meerderjarig weshalve er thans geen plaats meer is voor een familieverhoor.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de vrouw aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van het familieverhoor aangezien het kind inmiddels meerderjarig is geworden. Het beroepen vonnis zal ten aanzien van dat onderdeel worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal dat onderdeel van het gevorderde alsnog worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 24 oktober 2016 en bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591, waarvan beroep met uitzondering van hetgeen daaromtrent onder 5.2. daarvan is bepaald met betrekking tot het familieverhoor;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.3. Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van hetgeen onder 5.2. daarvan is overwogen;

En opnieuw rechtdoende ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. van het beroepen vonnis:

6.4. Wijst af hetgeen dienaangaande is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-35

G.R. no. 15732

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021
in de zaak van

[appellant],
wonende in het district [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “de man“,
gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in het district [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 28 januari 2019 bekend in het Algemeen Register onder no. 18-0740 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het schrijven van de advocaat van de man gedateerd 08 februari 2019 – ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 08 februari 2019 – waaruit blijkt dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 28 januari 2019;
• de pleitnota, onder overlegging van producties, gedateerd 17 januari 2020;
• de antwoordpleitnota en uitlating producties, onder overlegging van producties, gedateerd 07 februari 2020;
• de repliekpleitnota en uitlating producties, onder overlegging van producties, gedateerd 21 augustus 2020;
• de dupliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;
1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 28 januari 2019. De man is bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. De man heeft bij schrijven de dato 08 februari 2019 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis en is dit ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig geschied en is de man ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De man vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg de dato 28 januari 2019, A.R. no. 18-0740, tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres en opnieuw rechtdoende de vrouw alsnog niet ontvankelijk te verklaren althans de vordering af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
De man heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 23 maart 2002 in het Ressort [plaats] —-2002, ingeschreven onder no. [nummer] in het huwelijksregister van vorenvermeld ressort.
4. 2. Uit het huwelijk van partijen zijn de thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten:
• [naam 1] op [geboortedatum 1] in het district [district 1];
• [naam 2] op [geboortedatum 2] te [plaats];
• [naam 3] op [geboortedatum 3] te [plaats];
• [naam 4] op [geboortedatum 4] te [plaats].

5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
5.1. De vrouw heeft in eerste aanleg als eiseres –kort gezegd- het navolgende gevorderd:
– dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
– plaats en tijd zal worden bepaald waarop het verhoor als bedoeld in artikel 282 Burgerlijk Wetboek zal plaatsvinden;
– de man zal worden veroordeeld om SRD. 500,= per maand per kind bij te dragen ter voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van de hiervoor genoemde minderjarigen;
– de man zal worden veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de vrouw in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, aangezien zij geestelijk door de man is mishandeld en de echtelijke woning tezamen met de kinderen heeft verlaten. Voorts stelt de vrouw dat zij thans onder psychologische en medische behandeling is en dat herstel van het huwelijk niet mogelijk is.

5.3. De man heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat er geen sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk en dat de breuk in de relatie door een derde is veroorzaakt.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 28 januari 2019 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ Naar het oordeel van de kantonrechter is het verzet van [appellant] (het Hof begrijpt: de man) tegen het door [geïntimeerde] (het Hof begrijpt: de vrouw) gevorderde ongegrond, daar uit de verklaringen van beide partijen blijkt dat het niet aannemelijk is dat herstel van het huwelijk tussen hen mogelijk is. De kantonrechter overweegt dat, de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen rechtens vaststaat. Op grond hiervan zal de vordering van [geïntimeerde] (het Hof begrijpt: de vrouw) als op de wet gegrond worden toegewezen.” (einde citaat)

5.5. De man verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de man grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte heeft overwogen dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat. Immers heeft de man in zijn verweer duidelijk gesteld dat hoewel partijen thans uit elkaar leven, herstel van de relatie wel mogelijk is. Ten tweede heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit de verklaringen van beide partijen blijkt dat het niet aannemelijk is dat herstel van het huwelijk niet meer mogelijk is aangezien herstel van het huwelijk nog steeds mogelijk is. Ten derde heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter onterecht voorbij is gegaan aan het verweer van de man dat indien er sprake zou zijn van duurzame ontwrichting, quod non, deze in overwegende mate aan de schuld van de vrouw te wijten is. De vrouw is namelijk uit vrije wil uit de woning vertrokken, hetgeen rechtens vaststaat. Volgens artikel 263 BW wordt de vordering tot echtscheiding afgewezen, indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de echtgenote die de vordering heeft ingesteld en de andere echtgenoot deswege tegen die vordering verweer voert.

5.6. De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de man aangevoerde grieven simultaan aan een beoordeling onderwerpen aangezien die grieven in wezen dezelfde strekking hebben. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. De man ontkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht maar stelt dat indien het huwelijk duurzaam is ontwricht die ontwrichting in overwegende mate aan de vrouw te wijten is waardoor zij ingevolge de wet niet gerechtigd is om de onderhavige echtscheidingsvordering in te stellen. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat de daartoe strekkende grieven van de man niet gegrond zijn gebleken. In casu is de Kantonrechter in de visie van het Hof niet “over èèn nacht ijs gegaan” maar heeft partijen ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen in eerste aanleg uitgebreid gehoord alvorens tot de vaststelling te komen zoals hiervoor onder 5.4. van dit vonnis is weergegeven. Het Hof kan zich volledig verenigen met de overwegingen van de Kantonrechter. Het enkele feit dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten betekent niet ipso jure dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan haar te wijten is geweest. Daarvoor dient er nagegaan te worden wat de oorzaak daarvan is geweest en daar heeft de Kantonrechter zich in de visie van het Hof voldoende rekenschap van gegeven. Hoewel de man aanvoert dat hij zijn huwelijk met de vrouw nog een kans wenst te geven blijkt de vrouw daar niet langer voor open te staan. En aangezien de liefde niet van één kant kan komen maar wederzijds dient te zijn, kan voormeld voornemen van de man niet in vervulling gaan. Het voorgaande betekent evenwel in de visie van het Hof geenszins dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de vrouw toegerekend kan worden. De daartoe strekkende grief van de man zal derhalve worden verworpen.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de man aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 28 januari 2019 en bekend in het Algemeen Register onder no. 18-0740, waarvan beroep, met dien verstande dat de zaak zal worden terug verwezen naar de Kantonrechter in het Eerste Kanton voor het houden van het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over voornoemde minderjarigen;

6.2. Bepaalt dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over de thans nog minderjarige kinderen:
• [naam 1] op [geboortedatum 1] in het district [district 1];
• [naam 2] op [geboortedatum 2] te [plaats];
• [naam 3] op [geboortedatum 3] te [plaats];
• [naam 4] op [geboortedatum 4] te [plaats], zal worden gehouden op dinsdag 09 maart 2021 om 09.30 uur des voormiddags in één van de zalen van de Griffie der Kantongerechten aan de Grote Combéweg no. 02 te Paramaribo;
6.3. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc.,fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-34

G.R. no. 15718

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021
in de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de man“,
gemachtigde: mr. J.R. Garib, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 17 december 2018 bekend in het Algemeen Register onder no. 18-2701 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het schrijven van de advocaat van de man gedateerd 15 februari 2019
• ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 15 februari 2019 – waaruit blijkt dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 17 december 2018;
• de pleitnota, onder overlegging van een productie, gedateerd 17 januari 2020;
• de antwoordpleitnota en uitlating productie gedateerd 07 februari 2020;
• de repliekpleitnota gedateerd 21 augustus 2020;
• de dupliekpleitnota de dato16 oktober 2020;
1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 17 december 2018. De vrouw is vertegenwoordigd door haar gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen terwijl de man noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Nu de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier waarbij de beslissing volgens het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de man is medegedeeld dateert van 17 januari 2019 terwijl de man bij schrijven de dato 15 februari 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het beroepen vonnis, is dit ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig geschied en is de man ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De man vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 december 2018 bekend onder ARNO. 18-2701 en dat opnieuw rechtdoende het in prima gevorderde zal worden afgewezen.

4. Waarvan kan worden uitgegaan
De man heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:
4.1. Partijen zijn bij huwelijkse voorwaarden gehuwd met elkaar op 22 november 2017 te [plaats], bij akte no. [nummer 1], folio no. [nummer 2].
4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geen minderjarige kinderen geboren.

5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg
5.1. De vrouw heeft in eerste aanleg als eiseres –kort gezegd- het navolgende gevorderd:
• dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;
• de man zal worden veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen gehuwd zijn geweest, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de vrouw in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht aangezien:
• de man de vrouw kort na het huwelijk meerdere malen lichamelijk en geestelijk heeft mishandeld;
• de vrouw medio mei 2018 althans in de maand mei 2018 de echtelijke woning uit behoud voor haar eigen leven/veiligheid heeft verlaten;
• het huwelijk stukgelopen is en herstel hiervan niet te verwachten is.

5.3. De man heeft in eerste aanleg bij wege van mondelinge conclusie van antwoord de dato 26 november 2018 het navolgende aangegeven (begin citaat): “ Ik erken hetgeen gesteld in sustenu 2 en 3 van het inleidend rekest. Het is betere (het Hof begrijpt: beter) dat wij scheiden, omdat het niet meer lukt tussen ons. Ik ben niet getrouwd om te scheiden, maar teruggaan bij elkaar is niet mogelijk. Ik ga akkoord met de echtscheiding.”

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 17 december 2018 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ Gedaagde (het Hof begrijpt: de man) heeft de vordering van eiseres (het Hof begrijpt: de vrouw) niet weersproken, zodat deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen als in het dictum te melden ” (einde citaat).

5.5. De man verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de man èèn (1) grief aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zal worden onderworpen. De man heeft als grief aangevoerd dat de beoordeling van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 december 2018 onjuist is en wel onder 4.1. dat de man de vordering van de vrouw niet heeft weersproken. De man stelt dat hem niet de gelegenheid is geboden om zijn verweer te voeren en hij zich hierdoor heel gegriefd voelt. De man geeft dan ook in zijn eigen schrijven aan dat hij niet heeft gezorgd voor de duurzame ontwrichting van het huwelijk. De vrouw heeft zich staande het huwelijk schuldig gemaakt aan overspel. De grondslag van de vordering onder 3.2 van het vonnis in eerste aanleg is in zijn geheel onjuist. De man wenst correctie hiervan.

5.6. De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de man aangevoerde grief aan een beoordeling onderwerpen. Onder 3.2. van het beroepen vonnis heeft de Kantonrechter de grondslag van de vordering van de vrouw aangegeven en daarbij het standpunt van de vrouw geciteerd. Correctie daarvan is dus niet aan de orde omdat het slechts een citaat betreft. Overgaande tot bespreking van de grief die de man heeft aangevoerd komt het Hof tot de slotsom dat het in casu ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een gedekt verweer betreft. Door in eerste aanleg de grondslag van het gevorderde bij wege van mondelinge conclusie van antwoord ondubbelzinnig te erkennen zoals hiervoor onder 5.3. is weergegeven, heeft de man in de visie van het Hof het recht om naderhand in een hogere instantie verweer te voeren uitdrukkelijk prijs gegeven. Aangezien het Hof blijkens de rechtsliteratuur ambtshalve dient na te gaan of een in hoger beroep aangevoerd verweer al dan niet gedekt is heeft het Hof zich dienaangaande van haar taak gekweten. Hetgeen de man heeft aangevoerd erop neerkomende dat aan hem in eerste aanleg niet de gelegenheid is geboden om zijn verweer te voeren en hij zich hierdoor heel gegriefd voelt, wordt gelogenstraft door de inhoud van het door de griffier opgemaakt proces-verbaal de dato 26 november 2018 waaruit expliciet blijkt dat de man mondeling heeft geantwoord ten aanzien van de inhoud van het door de vrouw ingediend verzoekschrift (zie hiervoor onder 5.3). De door de man aangevoerde grief haalt het derhalve niet in rechte.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de man aangevoerde grief niet gegrond is gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van al hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

6. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 17 december 2018 en bekend in het Algemeen Register onder no. 18-2701, waarvan beroep;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15705
3 december 2021

In de zaak van

YOKOHAMA TRADING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
appellante in kort geding,
hierna te noemen “Yokohama”,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen: “[geïntimeerde]”,
gevolmachtigde: drs. A. Biharie MA,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 17 december 2018 bekend onder AR no. 182511 tussen Yokohama als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat Yokohama op 20 december 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota gedateerd 17 januari 2020;
• de antwoordpleitnota gedateerd 21 februari 2020;
• de repliekpleitnota gedateerd 17 juli 2020;
• de aantekening op het doorlopend proces-verbaal van 21 augustus 2020,
6 november 2020, 20 november 2020, 18 december 2020, 15 januari 2021,
19 februari 2021 en 17 juli 2021, op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat er geen dupliekpleitnota is genomen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1 Het beroepen vonnis is gedateerd 17 december 2018. Yokohama heeft op 20 december 2018 appèl aangetekend.
[Geïntimeerde] heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid de volgende formele weren aangevoerd:
a. Yokohama heeft op 20 december 2018 hoger beroep aangetekend terwijl het vonnis op 17 december 2018 is uitgesproken; het hoger beroep is daardoor na drie dagen aangetekend hetgeen in strijd is met de bepaling in artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; om die reden moet Yokohama niet-ontvankelijk verklaard worden in haar hoger beroep;

b. Yokohama heeft haar grieven niet kenbaar gemaakt middels een memorie van grieven; daardoor is de termijn waarbinnen de grieven kenbaar gemaakt hadden kunnen worden overschreden; Yokohama had binnen veertien dagen haar grieven kenbaar moeten maken waardoor zij thans niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar hoger beroep;

c. door het niet tijdig indienen van de grieven door Yokohama is het niet mogelijk dat het Hof het geschil in volle omvang beoordeelt, immers staat in de jurisprudentie en de rechtsleer vast dat het geschil in volle omvang door het Hof kan worden beoordeeld onder de voorwaarde dat het Hof gebonden is aan de grenzen van de gronden en vorderingen in de memorie van grieven gesteld; nu Yokohama heeft nagelaten tijdig en in overeenstemming met de wet en het recht haar memorie van grieven in te dienen, kan een herbeoordeling van het vonnis in eerste aanleg gewezen, niet plaatsvinden omdat het Hof de grenzen van de rechtsstrijd niet mag overschrijden; met het opnemen van eventuele grieven in een pleitnota heeft Yokohama het wettelijke grievenstelsel ondermijnd; ook om die reden zal Yokohama niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in haar hoger beoep.

2.1 Ten aanzien van het verweer onder a hiervoor is het Hof van oordeel dat, gelijk Yokohama aanvoert, er in casu geen sprake is van een vonnis zoals bedoeld in artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waardoor dat verweer moet worden gepasseerd.

2.2 Het Hof overweegt met betrekking tot de weren genoemd onder b en c dat het in de rechtspraktijk reeds lang wordt toegestaan dat in de pleitnota grieven worden opgenomen. De geïntimeerde krijgt daarbij de gelegenheid om op de grieven te reageren. Het Hof overweegt dat het gebruik in de rechtspraktijk is ontstaan omdat na de uitspraak partijen vaak niet tijdig over een afschrift van het vonnis konden beschikken. Hierdoor was het niet mogelijk binnen de wettelijke vastgestelde termijn grieven tegen het vonnis te formuleren en een memorie van grieven in te dienen. Dat was een tekortkoming die niet voor rekening van een appellerende partij kon komen. Het verweer van [geïntimeerde] terzake zal daarom worden verworpen.

Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat Yokohama ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
Yokohama vordert in hoger beroep:
vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 17 december 2018 met AR no. 182511, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen.

4. De feiten
4.1 Op de facebookpagina van [geïntimeerde] is op of omstreeks 19 januari 2018 een afbeelding geplaatst waarin de naam van Yokohama staat vermeld onder de categorie “Kapitalisten en Drugsbarons.”
4.2 [Geïntimeerde] is op 23 januari 2018, 21 maart 2018 en 9 april 2018 door de raadsvrouwe van Yokohama gesommeerd om de geplaatste afbeelding op haar facebookpagina te verwijderen en een rectificatie te plaatsen op haar facebookpagina en in drie dagbladen, waaruit genoegzaam blijkt dat zij toegeeft dat de afbeelding berust op een ongefundeerde en onjuiste interpretatie en waarin zij haar verontschuldigingen aanbiedt voor het veroorzaakte ongerief.

4.3 Bij schrijven van 13 april 2018 heeft de toenmalige raadsvrouwe van [geïntimeerde] aan de raadsvrouwe van Yokohama medegedeeld dat de afbeelding van de facebookpagina van [geïntimeerde] is verwijderd.

5. De beoordeling
5.1 Yokohama heeft in haar pleitnota drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

De beoordeling van grief I:
5.2.1 Yokohama voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat door de verwijdering van de spotprent sprake is van een verontschuldiging c.q. rectificatie. De kantonrechter is te lichtvaardig omgegaan met de belangen van Yokohama, in casu haar recht op bescherming van haar goede naam en reputatie; na de verwijdering heeft [geïntimeerde] na de uitspraak van de rechter op 17 december 2018, de afbeelding op 18 december 2018 weer op haar facebookpagina geplaatst. Het verwijderen van de afbeelding is niet gelijkwaardig aan een verontschuldiging en een rectificatie. [Geïntimeerde] is in haar reactie op deze grief erbij gebleven dat zij haar verontschuldigingen niet hoeft aan te bieden omdat zij de afbeelding niet heeft gemaakt.

5.5.2 Het Hof overweegt, dat, gelijk Yokohama aanvoert, het enkel verwijderen van de afbeelding, nog geen rectificatie inhoudt. Immers, onder rectificatie wordt verstaan: verbetering, meer speciaal door degene die een onjuiste of misleidende mededeling heeft gedaan (vide Fockema Andreae’s Juridisch Woordenboek). Bovendien heeft Yokohama gesteld, hetgeen niet door [geïntimeerde] is betwist, dat [geïntimeerde] de afbeelding na het vonnis in eerste aanleg wederom meerdere malen heeft geplaatst op haar facebookpagina. Daarmee heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het Hof getoond dat zij als oogmerk heeft de eer en goede naam van Yokohama te schaden.

Het Hof acht op grond van het voorgaande de eerste grief gegrond.
De beoordeling van grief II
5.3.1 Yokohama heeft in grief II aangevoerd dat de kantonrechter had moeten ingaan op het feit dat [geïntimeerde] erbij had moeten stilstaan wat de gevolgen zouden zijn van het posten van de afbeelding, ook al heeft zij de afbeelding niet zelf gemaakt.

5.3.2 Het Hof overweegt dat het, gelijk Yokohama stelt, bij het onrechtmatig publiceren van een afbeelding, niet relevant is of de partij die de afbeelding heeft gepubliceerd deze zelf heeft vervaardigd.

Naar het oordeel van het Hof handelt degene die een onrechtmatige publicatie verspreidt, ook onrechtmatig.

5.3.3 Het Hof overweegt voorts dat uit de afbeelding blijkt dat Yokohama wordt uitgemaakt voor drugsbaron. [Geïntimeerde] heeft daaromtrent in haar conclusie van antwoord in eerste aanleg aangevoerd dat Yokohama zich niet kan beroepen op het hebben van een goede naam. Zij verwijst daarbij naar een vijftal publicaties op het internet.
5.3.4 Het Hof overweegt dat, gelijk Yokohama stelt, en ook door [geïntimeerde] wordt beaamd, niet uit de feiten blijkt dat Yokohama als verdachte van een misdrijf wordt aangemerkt of voor een misdrijf is vervolgd en ook niet dat Yokohama voor een misdrijf is veroordeeld. De door [geïntimeerde] overgelegde publicaties en genoemde artikelen handelen allen over natuurlijke personen die mogelijk een werkrelatie hebben met Yokohama, nu in de artikelen wordt verwezen naar de “topman” bij Yokohama. In de genoemde nieuwsartikelen wordt Yokohama dus niet als verdachte genoemd en wordt ook geen melding gemaakt van enige vervolging of veroordeling van Yokohama. Ook [geïntimeerde] beaamt dat in haar conclusie van dupliek onder II B 3. Hierdoor vindt de publicatie geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Om die reden moet een publicatie waarin Yokohama als drugsbaron wordt neergezet worden aangemerkt als een publicatie die de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van Yokohama aantast en onrechtmatig is. Het feit dat de afbeelding als satirische en opiniërende uiting werd gezien door [geïntimeerde] en om die reden is gedeeld doet niets af aan het onrechtmatig karakter van de publicatie. Het enkele feit dat er ook andere publicaties te vinden zijn die schadelijk zijn voor de eer en goede naam van Yokohama, rechtvaardigt de onrechtmatige publicatie door [geïntimeerde] niet. Het Hof acht op grond van al het voorgaande grief II ook gegrond.
5.3.5 Het Hof overweegt voorts dat [geïntimeerde] zich in haar verweer in eerste aanleg ook beroept op haar recht op vrije meningsuiting zoals neergelegd in het BUPO verdrag en in de Grondwet. Het Hof overweegt in dit verband dat toewijzing van een vordering tot rectificatie van een publicatie in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 19 van het BUPO Verdrag en het in artikel 19 van de Grondwet vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke beperking is ingevolgde artikel 19 lid 3 van het BUPO Verdrag slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is ter bescherming van onder andere de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 1386 of 1393 en 1397 van het Burgerlijk Wetboek.
Het Hof zal daarom, indien er sprake is van belediging zoals bedoeld in artikel 1393 BW, wel een veroordeling tot rectificatie mogen uitspreken.
De beoordeling van grief III
5.4.1 Yokohama voert als derde grief aan dat de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het risico wel bestaat dat [geïntimeerde] de afbeelding weer zal plaatsen op haar facebookpagina.
5.4.2 Het Hof overweegt dat door [geïntimeerde] niet is betwist dat zij de afbeelding wederom op haar facebookpagina heeft geplaatst, en wel ondanks het feit dat in het vonnis van de kantonrechter een overweging is opgenomen daaromtrent namelijk de overweging onder punt 4.6 die luidt : “Immers is evenmin gebleken van een reële dreiging voor de toekomst, hetwelk de toewijzing van een gevorderd verbod voor de toekomst zou rechtvaardigen.” Uit deze overweging kan begrepen worden dat de kantonrechter ervan uitging dat [geïntimeerde] de afbeelding niet nogmaals zou plaatsen op haar facebookpagina, waarvan thans juist het tegendeel is bewezen.

Het Hof is dan ook van oordeel dat ook de derde grief gegrond is. Nu de grieven gegrond zijn zal het vonnis worden vernietigd en zal het gevorderde worden toegewezen met inachtneming van het volgende.

5.4.3 Onder B van het petitum vordert Yokohama dat [geïntimeerde] wordt bevolen zich te onthouden van onrechtmatige gedragingen die de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van Yokohama aantasten, op straffe van een dwangsom.

Het Hof overweegt dat die gevorderde voorziening te weinig specifiek is en de wet reeds voorziet in een verbod om de naam en goede eer van een medeburger te schaden. Toegewezen zal daarom worden de specifieke voorziening met betrekking tot de afbeelding, namelijk een verbod om de betreffende afbeelding wederom op haar facebookpagina te plaatsen.

5.5 Het Hof zal, nu de grieven gegrond zijn, [geïntimeerde] veroordelen een rectificatie te plaatsen. Het Hof zal afwijken van de door Yokohama opgegeven rectificatie, en wel zoals in het dictum te melden. In het licht van de af te wegen belangen wordt dat onder de gegeven omstandigheden een proportionele maatregel geacht.

5.6 Het Hof overweegt dat door Yokohama is gevorderd dat [geïntimeerde] de publicatie rectificeert en haar verontschuldigingen aanbiedt. Met betrekking tot het aanbieden van de verontschuldigingen overweegt het Hof dat dat zal worden afgewezen nu de rechtsvordering ex artikel 1393 BW niet daartoe strekt en in beginsel niemand kan worden veroordeeld om spijt te hebben van een handeling. Een eventuele spijtbetuiging zou ingevolge artikel 1395 BW van betrokkene zelf moeten uitgaan.

5.7 De door Yokohama gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd nu die het Hof bovenmatig voorkomt.

5.8 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.9 [Geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. De beslissing
Het Hof
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gedateerd 17 december 2018 in de zaak bekend onder AR no. 182511, waarvan beroep.

En opnieuw rechtdoende:
6.2 Veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de gewraakte facebook post als ten rekeste vermeld te rectificeren en wel door op de facebookpagina van [geïntimeerde] de hierna volgende rectificatie te plaatsen en het bericht gedurende zeven dagen op de facebookpagina op dezelfde wijze zichtbaar te houden als de afbeelding, en voorts om binnen vijf (5) werkdagen na betekening van het vonnis de hiernavolgende rectificatie te doen plaatsen in de landelijke dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en Dagblad Suriname, namelijk:

“Rectificatie:
[Geïntimeerde] pleegt rectificatie ten behoeve van Yokohama Trading.

Het Hof van Justitie heeft bij vonnis van 3 december 2021 geoordeeld dat de door mij, [geïntimeerde], geplaatste afbeelding op mijn facebookpagina onrechtmatig is jegens Yokohama, aangezien de publicatie een afbeelding betreft waarin Yokohama Trading wordt gecategoriseerd als drugsbaron. Met het plaatsen van de afbeelding is een inbreuk gepleegd op de eer en goede naam en de maatschappelijke reputatie van YokohamaTrading, nu de geplaatste afbeelding de suggestie wekt dat Yokohama Trading een drugsbaron is. Deze suggestie vindt geen steun in het beschikbare feitenmateriaal.”

6.3 Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) het maximum van SRD. 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat [geïntimeerde] in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling genoemd onder 6.2 hierboven;

6.4 Verbiedt [geïntimeerde] om de in dit geding bedoelde afbeelding waarin Yokohama Trading wordt gecategoriseerd als drugsbaron, op haar facebookpagina te plaatsen of geplaatst te houden;

6.5 Veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van SRD.5.000,= (vijfduizend Surinaamse dollar) het maximum van SRD. 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te bovengaand voor iedere dag dat [geïntimeerde] het verbod zoals genoemd onder 6.4 hierboven overtreedt;

6.6 Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van appellante begroot op SRD. 1.110,–
(één duizend éénhonderd en tien Surinaamse Dollars)

6.7 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021. in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiram-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-32

GR No.15699

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po jr., advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap Luchthavenbeheer N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: Luchthavenbeheer,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 14 augustus 2018 (A.R. No. 10-3965) tussen [appellant] als eiser en Luchthavenbeheer als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal d.d. 10 september 2018 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven d.d. 11 maart 2019;
• het pleidooi d.d. 17 januari 2020;
• het antwoordpleidooi d.d. 16 oktober 2020;
• het repliekpleidooi d.d. 5 februari 2021;
• het dupliekpleidooi d.d. 4 juni 2021.
De uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling
1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.
2.1 Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort samengevat, gevorderd Luchthavenbeheer te veroordelen tot betaling aan hem van SRD 506.297,- met rente en kosten op grond van loon en gratificatie over de periode van 2007 tot en met 2009 uit hoofde van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellant] op 1 oktober 2002 voor onbepaalde tijd bij Luchthavenbeheer in dienst is getreden en dat de kantonrechter bij beschikking van 21 juli 2009 (A.R. No. 08-3176) de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2009 heeft ontbonden, onder voorwaarde dat aan [appellant] een vergoeding van acht maanden loon met alle emolumenten zal worden betaald. Vervolgens heeft de kantonrechter [appellant] vordering afgewezen, vanwege verjaring van zijn vordering voor de maanden juni tot en met september 2007 en vanwege het ontbreken van een grondslag voor zijn vordering over de periode van oktober 2007 tot en met 10 december 2009.

2.2 [appellant] heeft tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aangevoerd:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat voor de periode van oktober 2007 tot en met 10 december 2009 de grondslag ontbreekt, omdat [appellant] aanspraak op loon ex art. 1614c lid 1 BW slechts vier maanden bedraagt.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat [appellant] vordering tot betaling van loon over de periode juni 2007 tot en met september 2009 (het hof leest: 2007) wegens verjaring afgewezen.

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter – impliciet – [appellant] vordering tot betaling van gratificatie over de jaren 2007, 2008 en 2009 afgewezen.

Luchthavenbeheer kan zich met het vonnis verenigen en verzoekt het Hof het beroepen vonnis, zo nodig met verbetering van gronden, te bevestigen.

3. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Voorop staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen bij de onder 2.1 genoemde beschikking van 21 juli 2009 met ingang van 1 september 2009 is ontbonden. Per 10 december 2009 zijn hem via zijn raadsman de bedragen aangeboden die de kantonrechter in dit vonnis als voorwaarde aan de ontbinding had verbonden. Volgens [appellant] betekent dit dat de ontbinding ook pas op 10 december 2009 is ingegaan. Met Luchthavenbeheer is het Hof echter van oordeel dat dit standpunt onjuist is. De kantonrechter heeft in het vonnis immers niet bepaald dat de ontbinding pas per datum (aanbod van) betaling zou ingaan. De ontbinding was dus per 1 september 2009 een feit, ongeacht wanneer aan de daarbij gestelde voorwaarden zou zijn voldaan. Dit brengt mee dat [appellant] over de periode na die datum geen recht op loon of andere betalingen toekomt.

3.2 Vervolgens is de vraag aan de orde of [appellant] terecht aanspraak maakt op betaling van loon en andere emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 ter hoogte van de door hem in zijn inleidend verzoekschrift genoemde bedragen. Luchthavenbeheer heeft in eerste aanleg het door [appellant] gestelde maandsalaris van SRD 9.865,- bestreden en aangevoerd dat [appellant] heeft nagelaten een opbouw van de door hem gevorderde bedragen van SRD 461.906,- aan achterstallig loon en SRD 44.391,- aan achterstallige gratificatie over de jaren 2007, 2008 en 2009 te geven. Zij heeft echter niet (gemotiveerd) bestreden dat [appellant] recht op betaling van loon en emolumenten over die periode heeft. Zij heeft, bij comparitie van partijen op 12 augustus 2014 wel, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde beschikking van 1 september 2009 (bedoeld zal zijn 21 juli 2009), gezegd dat de zaak reeds was afgewikkeld. Dat is echter onjuist, omdat het ontbindingsvonnis uitsluitend de vergoeding ter gelegenheid van de ontbinding betrof en niet het (eventueel) achterstallige loon.
Vervolgens heeft Luchthavenbeheer bij conclusie tot uitlating na comparitie d.d. 4 juli 2017 erkend zowel dat de door [appellant] overgelegde loonstroken over de eerste drie maanden van 2007 en de jaaropgave over 2007 waarheidsgetrouw zijn, als dat zijn basisloon SRD 7.261,36 per maand bedroeg en het brutoloon SRD 16.051,37. Uit dit alles leidt het Hof af dat [appellant] (nog altijd) recht op betaling van loon en andere emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 heeft.

3.3 In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter overwogen dat in het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 4 februari 2010 (A.R. No. 10-0208) is overwogen dat Luchthavenbeheer [appellant] vordering tot uitkering van achterstallig salaris heeft bestreden met de stelling dat [appellant] over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 geen aanspraak op loon toekomt, omdat hij wegens ziekte de bedongen arbeid niet heeft verricht. Vervolgens heeft de kantonrechter (in het vonnis waarvan beroep) met een verwijzing naar het begrip “betrekkelijk korte tijd” in art. 1614c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat aan [appellant] na het ingaan van de ziekte nog slechts vier maanden loon toekwam (namelijk over de periode van juni tot en met september 2007) en dat deze vordering, gelet op art. 1989 BW, was verjaard. De kantonrechter is met deze verwijzing naar art. 1614c lid 1 BW buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. [appellant] voert voorts aan dat nimmer in rechte is vastgesteld dat ziekte over de relevante periode een factor was die aan door- of uitbetaling in de weg stond. Bovendien behelst art. 8 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst een doorbetaling van loon van één jaar ingeval van arbeidsongeschiktheid door ziekte.
[appellant] eerste grief slaagt dan ook in zoverre.

3.4 Ook [appellant] tweede grief slaagt. Hij voert aan dat hij, zo al van een aangevangen verjaringstermijn sprake was, deze meermalen heeft gestuit. Luchthavenbeheer heeft dit niet (gemotiveerd) bestreden. Van verjaring is dus geen sprake.

3.5 Nu vaststaat dat [appellant] aanspraak heeft op betaling van loon en emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009, slaagt ook zijn derde grief.

3.6 Teneinde te voorkomen dat partijen opnieuw in een strijd over berekening en betaling terechtkomen, zal het Hof het op grond van het bovenstaande aan [appellant] toekomende bedrag berekenen met de door hem gevorderde bedragen als uitgangspunt. Het Hof gaat hierbij, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, uit van het bruto maandloon van SRD 16.051,37. Aan [appellant] komt 27 maanden loon toe. Dat komt neer op een bruto loonbedrag van SRD 433.386,99. Daarnaast heeft hij recht op een volledige gratificatie over 2007 en 2008 en over tweederde daarvan over 2009. Nu dat, uitgaande van het hiervoor genoemde maandsalaris, zou neerkomen op een hoger bedrag dan wat [appellant] vordert, zal het Hof zijn vordering van SRD 44.391,- als uitgangspunt nemen.
Het Hof zal dan ook beslissen als in het dictum te melden met dien verstande dat bij de uitbetaling rekening dient te worden gehouden met de reguliere aftrekposten. Luchthavenbeheer zal, als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep en de eerste aanleg worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 14 augustus 2014 (A.R. No. 10-3965), en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Luchthavenbeheer tot betaling aan [appellant] van SRD 433.386,99 (vierhonderd drieëndertig duizend driehonderd en zesentachtig Surinaamse Dollar en negenennegentig cent) aan brutoloon en aan gratificatie het bedrag van SRD 44.391,- (vierenveertig duizend en driehonderd en eenennegentig Surinaamse Dollar) te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening,

veroordeelt Luchthavenbeheer in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak begroot op [SRD 95,- + SRD 350,- betekeningskosten + SRD 30,- griffierecht Kantongerecht + SRD 350,- griffierecht hoger beroep],

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. H.R. Lim A Po jr, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.D. Joella namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-K1-2021-22

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3668
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser, hierna te noemen: ‘[eiser]’,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [gedaagde sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, mr.[naam 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [naam 2] (hierna: [naam 2]).

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 21 juni 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 400 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [naam 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [naam 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [naam 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert het feit dat zowel hij en [naam 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald. De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn.
Bij het examenwerk van [eiser] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Bij het examenwerk van [naam 2] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie van antwoord, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [naam 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [naam 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] dienen te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
• het vastrecht ad SRD 50,=,
• de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 700,=, en zijn in totaal dus begroot op SRD 750,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 750,- (zevenhonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2021-21

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3667
09 december 2021
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

[eiser],
wonende aan de [adres] te [district],
eiser, hierna te noemen: ‘[eiser]’,
gemachtigde: mr. Ch. Algoe, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME in deze het ministerie van JUSTITIE EN POLITIE,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende aan Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
gedaagde sub A, hierna te noemen: ‘de Staat’,
gevolmachtigde: mr. I. Markiet, jurist op het ministerie van Justitie en Politie en verbonden aan het Buro Landsadvocaat,

B. [gedaagde sub B], pro sé q.q. in hoedanigheid van Voorzitter van de Examencommissie Kaderopleiding 2019-2020,
kantoorhoudende aan de Duisburglaan 43-45 te Paramaribo,
gedaagde sub B, hierna te noemen: ‘[gedaagde sub B]’,
procederend in persoon.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 11 november 2021;
• het verleend verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen [gedaagde sub B];
• de verschijning van [gedaagde sub B] op de gehouden comparitie d.d. 15 november 2021 waarbij het tegen hem verleend verstek is gezuiverd;
• de gehouden comparities van partijen d.d. 11 november en 15 november 2021 en de daarvan opgemaakte processen-verbaal;
• de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat;
• de conclusie tot uitlating producties zijdens [eiser].

1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 [eiser] is brigadier van Politie en cursist van de Kaderopleiding 2019-2020.

2.2 Voor het vak Strafrecht werd op 20 september 2020 een take-home tentamen gegeven aan de cursisten met de instructie dat samenwerking niet was toegestaan. [eiser] heeft het take-home tentamen afgelegd en ingeleverd.

2.3 Bij schrijven d.d. 17 november 2020 heeft de docent Strafrecht, mr. [naam 1], aan [gedaagde sub B] te kennen gegeven dat [eiser], tegen de gegeven instructies, vermoedelijk heeft samengewerkt met een andere cursist, zijnde [naam 2] (hierna: [naam 2]).

2.4 Naar aanleiding van voormeld schrijven heeft [gedaagde sub B] bij schrijven d.d. 19 november 2020 [eiser] verweer aangezegd.

2.5 [eiser] heeft zich verweerd en heeft vanaf 19 november 2020 tot en met 17 maart 2021 deelgenomen aan de overige tentamen, welke hij heeft behaald.

2.6 Bij schrijven d.d. 22 april 2021 heeft [gedaagde sub B] aan [eiser] medegedeeld dat besloten is dat het resultaat van hem ten aanzien van het examen Strafrecht conform artikel 17 lid 4 van het Onderwijs- en Examenreglement (OER), ongeldig wordt verklaard door de examencommissie en dat hij alsnog wordt uitgesloten van deelname aan de overige examens.

2.7 Tegen voormeld schrijven is [eiser], bij schrijven van 05 mei 2021, in beroep gegaan bij de Korpschef, op welk schrijven [eiser] nimmer enige reactie heeft ontvangen van de Korpschef.

2.8 Bij exploot van deurwaarder M.K. Jaggi d.d. 18 oktober 2021 no. 401 heeft [eiser] de Korpschef aangemaand om het daarheen te leiden dat het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 wordt herroepen c.q. nietig wordt verklaard en dat [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijst zal ontvangen en de daaraan verbonden bevordering zal verwerven.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 1 (één) week na deze uitspraak, althans door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen c.q. nietig te verklaren en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen;
b. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om binnen 2 (twee) weken na deze uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, [eiser] te bevorderen in de rang van Majoor van Politie c.q. de rang verbonden aan de geslaagden van de Kaderopleiding 2019-2020 met dezelfde ingangsdatum als de mede cursisten en met behoud van de rangorde op de ranglijst;
c. bij niet toekennen van bovengenoemde vorderingen, een zodanige voorziening te geven dat de schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden weggenomen;
d. de Staat en [gedaagde sub B] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen, bij wege van dwangsom, het bedrag ad SRD 50.000,= voor elke dag of keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde onder sub a en b.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslissing, zoals geformuleerd in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021, een late en onterechte beslissing is. Het besluit is onrechtmatig en in strijd met het systeem van sanctioneren, waarbij straffen nimmer met terugwerkende kracht kunnen worden opgelegd, aldus [eiser].

3.3 Zowel de Staat als [gedaagde sub B] voeren (uiteindelijk) verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. [eiser] wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Tijdens de gehouden comparities hebben de Staat en [gedaagde sub B] onder meer betwist dat het besluit onrechtmatig is. Volgens hen hebben [eiser] en [naam 2], tegen de instructies in, samengewerkt hetgeen de reden is van het besluit.
Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat de examenwerken van [eiser] en [naam 2] overgelegd. Volgens de Staat vertonen de examenwerken, conform de constatering van de docent Strafrecht, op onderstaande 3 punten sterke gelijkenissen:
• opzet en vorm (format) zijn het hetzelfde,
• antwoorden vertonen woordelijk veel overeenkomsten en
• materieel zijn de foute/goede antwoorden nagenoeg conform.

4.3 In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat de Staat de volgende antwoorden heeft gehighlight waaruit – volgens de Staat – zou moeten blijken dat hij en [naam 2] hebben samengewerkt: antwoord 3, 9, 10, 12, 14 en 19.
Volgens [eiser] levert heft feit dat zowel hij en [naam 2] vraag 3 fout hebben, geen enkel bewijs van fraude op. Het is een multiple choice vraag en kunnen meerdere cursisten dit fout hebben. Ten aanzien van vraag 9 en 10 voert [eiser] aan dat er wel degelijk significante verschillen zijn in de redactie van de antwoorden. Ten aanzien van vraag 12 voert [eiser] aan dat het bekend is dat in een antwoord een deel van de vraag wordt herhaald. De overeenkomsten in het eerste deel van het antwoord is dan ook daaraan te wijten. Ten aanzien van vraag 14 voert [eiser] aan dat het antwoord rechtstreeks uit het Wetboek van Strafrecht komt en is toch niet te verwachten dat hij zulks gaat parafraseren? Ten aanzien van vraag 19 voert [eiser] aan dat de redactie van het antwoord grote verschillen vertoont.

4.4 Geconstateerd wordt dat de exemplaren van de examenwerken die de Staat heeft overgelegd niet volledig zijn. Bij het examenwerk van [eiser] zijn de antwoorden op de vragen 8 en 14 niet volledig. De antwoorden op de vragen 9, 15, 16 en 17 ontbreken.
Bij het examenwerk van [naam 2] zijn de vragen 8, 13 en 20 niet volledig. De antwoorden op de vragen 14 en 15 ontbreken.
Gelet op het voorgaande mede in acht nemende hetgeen de kantonrechter aan de Staat heeft voorgehouden ter comparitie d.d. 15 november 2021 met name dat de Staat had nagelaten een conclusie van antwoord te nemen, doch alsnog in de gelegenheid is gesteld de producties over te leggen middels een conclusie, hetgeen hij heeft gedaan doch onvolledige exemplaren heeft overgelegd, zal de kantonrechter aan de hand van de antwoorden op de overige vragen (1,2,3,4,5,6,7,10,11,12, 18,19 en 20) beoordelen of aannemelijk is dat [eiser] al dan niet heeft samengewerkt met [naam 2].

4.5 Gelet op de bewoordingen van de antwoorden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] en [naam 2] hebben samengewerkt. Dat de vorm en opzet hetzelfde zijn en dat zij beiden vraag 3 fout hebben, maakt het niet anders.

4.6 Het voorgaande leidt ertoe dat de beslissing welke vervat is in het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 herroepen c.q. nietig verklaard dient te worden, daargelaten het onweersproken feit dat [eiser] alsmede de overige cursisten nimmer een OER hebben ontvangen. De gevorderde voorziening onder punt 3.1 sub a is derhalve toewijsbaar.

4.7 De gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b is constitutief van aard. Nu de aard van het kort geding zich verzet tegen dergelijke beslissingen, omdat in kort geding slechts beslissingen van condemnatoire aard worden gegeven, zal [eiser] op dit punt niet-ontvankelijk worden verklaard in de door hem gevraagde voorziening.

4.8 De gevorderde dwangsom komt de kantonrechter bovenmatig voor, zodat zulks zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna in het dictum is beslist.

4.9 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst zullen leiden.

4.10 De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,- aan [eiser] te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].
De Staat en [gedaagde sub B] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.
De kosten omvatten op de dag van de uitspraak:
– het vastrecht ad SRD 50,=,
– de kosten voor oproep per exploot van een deurwaarder ad SRD 800,=,
en zijn in totaal dus begroot op SRD 850,=.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding

5.1 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] om binnen 1 (één) maand na betekening van deze uitspraak, het schrijven van [gedaagde sub B] d.d. 22 april 2021 te herroepen en [eiser] als geslaagde cursist zijn diploma en cijferlijsten te overhandigen.

5.2 Verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in de door hem gevraagde voorziening onder punt 3.1 sub b van dit vonnis.

5.3 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van een dwangsom ad SRD 10.000,= (tienduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat zij weigeren om aan dit vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.4 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,- (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan [eiser], zijnde het salaris van de gemachtigde van [eiser].

5.5 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt de Staat en [gedaagde sub B] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 850,- (achthonderd en vijftig Surinaamse dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai ter openbare terechtzitting op donderdag 09 december 2021 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2022-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3232
10 februari 2022
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. [eiseres A], wonende aan de [adres 1] te [plaats] ,
B. [eiseres B], wonende aan de [adres 2] te [plaats] ,
C. [eiser C], wonende aan de [adres 3] te [plaats],
allen ten deze domicilie kiezende aan de Eduard J. Brumastraat no. 63 te Paramaribo bij het Advocatenkantoor Kraag,
eisers,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

HANDELSDRUKKERIJ EN UITGEVERIJ DE WEST,
kantoorhoudende aan de Mirandastraat no. 2-4 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 oktober 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 21 oktober 2021;
• de conclusie van antwoord;
• de conclusie van repliek, met producties;
• de conclusie van dupliek, met producties;
• de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op de facebook pagina van Dagblad de West is op 25 september 2021 een artikel verschenen waarin het volgende staat vermeld:
‘Verdacht van deviezensmokkel. De bekende Surinaamse handelaar [naam 1]. is naar verluidt, gisteravond op de luchthaven van Miami door de Amerikaanse autoriteiten aangehouden op verdenking van deviezensmokkel. [naam 1]. was naar wij vernemen, voornemens met de American Airlines-vlucht naar Suriname te reizen. De echtgenote van [naam 1]. en zijn zus werden ook door de autoriteiten van de AA-vlucht afgehaald. Naar wij voorts vernemen, is de vlucht zonder hen richting Suriname vertrokken.’

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagde zal veroordelen om binnen 2 dagen na ontvangst van deze brief bij de exploitanten van Facebook een schriftelijk verzoek in te dienen tot het verwijderen en verwijderd houden van de op Facebook gepubliceerde berichten zoals hierboven omschreven en alle reacties daarop en de procesgemachtigde van eisers gelijktijdig een afschrift van dat schriftelijk verzoek te doen toekomen;
b. gedaagde zal veroordelen gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag, gedurende twee maanden, op de eerst zichtbare pagina van een door gedaagde te (her) openen profiel op www.facebook.com, zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media, omgeven door een zwart kader, in zwarte letters, met lettertype Arial in punt grootte 12, op een witte achtergrond de volgende tekst te ondertekenen en te plaatsen, en eisers daarvan op elke kalenderdag gedurende genoemde periode per e-mail of per fax het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën) van onderstaande tekst te leveren:
‘RECTIFICATIE INZAKE SURINAAMSE-HANDELAAR-IN-MIAMI-AANGEHOUDEN
Het door het Dagblad De West geplaatst artikel op de Dagblad De West’s Post van 25 september 2021 berustte niet op waarheid en zijn de personen van [eiseres A], [eiseres B] EN [eiser C] niet in Amerika aangehouden op de vlucht van American Airlines van 24 september 2021 van Miami International Airport naar Suriname. Voorts waren voornoemde personen ook niet samen met [naam 1]. Hierbij rectificeren wij onze publicatie op Facebook en geven wij [eiseres A] e.a. onherroepelijke toestemming tot publicatie en verspreiding van deze rectificatie.
Paramaribo, d.d. …’;
c. het onder sub a en b gevorderde onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,= per dag voor elke dag waarop gedaagde nalatig mocht blijven aan het te wijzen vonnis uitvoering te geven;
d. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat het artikel (zoals weergegeven onder punt 2.1 van dit vonnis) zeer suggestief en bezijdens de waarheid is. Volgens eisers ondervinden zij als gevolg van het artikel onder andere last, hinder en ongerief. Gedaagde weigert het artikel te rectificeren, ondanks daartoe te zijn gesommeerd, aldus eisers. Derhalve handelt gedaagde in strijd met de wet, althans met het subjectief recht van eisers op bescherming van hun eer, goede naam en maatschappelijke reputatie.

3.3 Gedaagde voert verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert aan dat zij geen persona standi in iudicio bezit hetgeen betekent dat zij niet de bevoegdheid heeft om in rechte op te treden, zodat eisers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

4.2 In reactie hierop hebben eisers erkend dat gedaagde geen persona standi in iudicio bezit. Volgens eisers is gedaagde een eenmanszaak die tezamen door [naam 2], [naam 3] en [naam 4] wordt geëxploiteerd. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers een KKF uittreksel d.d. 09 november 2021 overgelegd.
Derhalve verzoeken eisers dat de naam van gedaagde wordt gerectificeerd met dien verstande dat het geding wordt voortgezet tegen:
a. [naam 2],
b. [naam 3],
c. [naam 4], allen handelende onder de naam HANDELSDRUKKERIJK EN UITGEVERIJ DE WEST, ten deze vertegenwoordigd door [naam 3].
Eisers stellen zich op het standpunt dat volgens de vaste rechtspraak te weten het vonnis van de Hoge Raad NJ 2008/10 en het vonnis van de Kantonrechter d.d. 02 maart 2015 AR.no. 13-2095, de aanduiding van een gedaagde als rechtspersoon en niet als eenmanszaak niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van hen moet leiden.

4.3 Gedaagde heeft zich verzet tegen de gevraagde rectificatie zich op het standpunt stellende dat de bedoeling van een rectificatie nimmer kan zijn dat er staande het geding plots 3 (drie) andere gedaagden ten processuele tonele worden opgevoerd. Bovendien zijn geen van door eisers opgevoerde gedaagden gedagvaard voor onderhavige procedure. Eisers kunnen geen beroep doen op de door hen overgelegde vonnissen omdat de situatie in voormelde zaken geheel anders is dan onderhavige.

4.4 Geoordeeld wordt dat het verzoek van eisers om de vordering voort te zetten op naam van a. [naam 2], b. [naam 3] en c. [naam 4], allen handelende onder de naam HANDELSDRUKKERIJK EN UITGEVERIJ DE WEST, ten deze vertegenwoordigd door [naam 3], niet kan worden toegestaan, nu zulks een wijziging van de partij is.
Het beroep van eisers op het vonnis van de Hoge Raad NJ 2008/10 en van de Kantonrechter d.d. 02 maart 2015 AR.no. 13-2095 gaat niet op omdat voormelde zaken wezenlijk verschillen met onderhavige. In het vonnis van de Hoge Raad NJ 2008/10 gaat het immers om een in hoger beroep gevorderde rectificatie van een aanvankelijk onjuiste partij aanduiding onder de gegeven omstandigheden dat het voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, terwijl in het vonnis van de Kantonrechter d.d. 02 maart 2015 AR.no. 13-2095 eisers zijn aangeduid als erfgenamen van een niet-overleden persoon en zijn dezelfde eisers later in het proces bij naam genoemd.

4.5 Gelet op het voorgaande zullen eisers niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

4.6 Eisers zullen, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,= aan gedaagde te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van gedaagde.
Eisers zullen tevens, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Verklaart eisers niet-ontvankelijk in de door hen gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,= (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan gedaagde, zijnde het salaris van de gemachtigde van gedaagde.

5.3 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai, ter openbare terechtzitting op 10 februari 2022 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2021-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15612
3 december 2021

In de zaak van

[appellant],
wonende aan de [adres] te [plaats 1],
appellant in kort geding,
hierna te noemen: “[appellant]”,
gemachtigde: mr. R.E.W. Truideman, advocaat,

tegen

DE SURINAAMSE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de mr. Jagernath Lachmonstraat no. 136 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen “de SLM”,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 2 augustus 2018 bekend onder AR no. 182661 tussen [appellant] als eiser en de SLM als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op
17 oktober 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
– het doorlopend proces-verbaal van de terechtzitting van 15 november 2019, aangetekend op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat er recht op stukken is gevraagd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 2 augustus 2018. Partijen zijn noch in persoon, noch bij gemachtigden bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. Per griffiersbrief van 8 oktober 2018 is het vonnis aan partijen medegedeeld. [appellant] heeft op 17 oktober 2018 appèl aangetekend en is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] heeft gevraagd dat er recht op stukken wordt gedaan.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof overweegt dat tegen het vonnis geen grieven zijn aangevoerd waardoor het Hof ambtshalve de vordering, de grondslag en de weren zal beoordelen en de uitspraak zal toetsen aan de regels van openbare orde, waaronder de regels van bevoegdheid en ontvankelijkheid.

4.2. Tegen de feiten zoals vastgelegd door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep zijn geen grieven aangevoerd. Het Hof zal dan ook van die feiten uitgaan.

4.3 Het Hof overweegt dat uit de gedingstukken blijkt dat [appellant] in maart 2009 in dienst is getreden van de SLM in de functie van steward. Op 27 december 2017 heeft [appellant] aangifte gedaan van een beroving in het Crown Plaza Hotel te [plaats 2], [land], alwaar [appellant] als steward verbleef in verband met zijn werk. In de aangifte wordt melding gemaakt van het feit dat [appellant] is beroofd door twee manspersonen met behulp van twee vrouwspersonen.

4.4 Na terugkeer in Suriname heeft [appellant] ten overstaan van het hoofd van de beveiligingsdienst van de SLM een verklaring afgelegd over het gebeuren op
27 december 2017. Aan [appellant] is medegedeeld dat het incident zal worden onderzocht. [appellant] is buiten functie gesteld gedurende de periode dat de SLM het incident onderzocht.

4.5 Op 17 mei 2018 is door de SLM een schrijven gestuurd naar de security medewerkers waarin aan hun wordt medegedeeld dat onder andere [appellant] per genoemde datum buiten functie is gesteld. Aan de security medewerkers wordt medegedeeld dat [appellant] met onmiddellijke ingang en tot nader order, de SLM terreinen niet mag betreden zonder toestemming van daartoe bevoegde functionarissen. Voor de goede orde is een foto van [appellant] en twee andere medewerkers in de brief opgenomen.

4.6 De SLM heeft na afronding van het onderzoek aan [appellant] medegedeeld dat uit het onderzoek zaken zijn gebleken die ertoe hebben geleid dat het vertrouwen in [appellant] ernstig is geschaad. De SLM heeft aan [appellant] medegedeeld dat er een ontslagvergunning aangevraagd zal worden.

4.7 [appellant] heeft gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld om de buitenfunctie- stelling binnen 24 uur in te trekken en hem in te roosteren op een vlucht. Voorts heeft hij gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld om het bericht van 17 mei 2018 waarin een foto van [appellant] is opgenomen in te trekken en een nieuw schrijven aan het personeel rond te sturen waarin is opgenomen dat [appellant] ten onrechte buiten functie was gesteld, beide zaken op straffe van een dwangsom. [appellant] heeft verder gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant] van SRD.5.000,= zijnde de kosten voor rechtsbijstand, een schadevergoeding van USD.4.950,= en EUR.4.080,= en een vergoeding voor immateriële schade van USD.3.495,=.

4.8 [appellant] heeft als grondslag voor het gevorderde het volgende aangevoerd:
• de SLM handelt onrechtmatig jegens hem door hem vijf maanden na melding van het incident in [land] buiten functie te stellen; de zogenaamde tegenstrijdigheden die volgens de SLM tot de buitenfunctiestelling hebben geleid hadden sinds januari 2018 moeten opvallen en zij moest reeds toen maatregelen hebben getroffen indien zij daar gronden voor zag; de SLM wachtte echter vijf maanden voordat zij [appellant] buiten functie stelde;
• de buitenfunctiestelling is op onduidelijke gronden gestoeld; aan [appellant] wordt mondeling meegedeeld dat er een antecedentenonderzoek is verricht welke negatief is uitgevallen, doch hij wordt buiten functie gesteld wegens een intern onderzoek;
• de SLM stelt dat zij doende is een intern onderzoek uit te voeren doch geeft aan een ontslagvergunning te zullen aanvragen vanwege het resultaat van het antecedentenonderzoek;
• door [appellant] samen met twee andere medewerkers, die verdacht werden van misdrijven, buiten functie te stellen en in het schrijven van 17 mei 2018 te noemen, heeft de SLM doelbewust [appellant] in een kwaad daglicht gesteld; de SLM probeert [appellant] te criminaliseren zonder dat daar enige grond voor bestaat;
• de door de SLM genoemde gronden bij de ontslagvergunningsaanvraag zijn tegenstrijdig en ongegrond; hij is nimmer veroordeeld voor een misdrijf en de genoemde zaken betreffen incidenten uit zijn jeugd toen hij vijftien en zestien jaar oud was;
• het is niet juist dat de reputatie van de SLM is geschaad doordat [appellant] dames op zijn kamer heeft ontvangen; [appellant] mag zijn vrije tijd naar wens invullen; er is geen enkele regel in de CAO die stelt dat een medewerker geen derden op zijn kamer mag accommoderen; de SLM stelt dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met de regels doch stelt niet welke regels [appellant] zou hebben geschonden;
• de SLM stelt zich op het standpunt dat zij er niet van op de hoogte is dat er verdachten zijn aangehouden in [land] in verband met de beroving terwijl het politie onderzoek in [land] heeft geresulteerd in de aanhouding van vier verdachten en er ook een proforma zitting is gepland;
• [appellant], dreigt door dit handelen van de SLM zijn current status te verliezen met als gevolg dat hij niet meer kan vliegen;
• de SLM heeft zonder gronden een ontslagvergunning aangevraagd;
• [appellant] treft geen enkele blaam voor wat er in [land] is gebeurd;
• het handelen van de SLM is onrechtmatig, buitenproportioneel en laakbaar;
• [appellant] lijdt door dit handelen materiële en immateriële schade.

4.9 De SLM heeft als verweer onder andere aangevoerd dat [appellant] inderdaad melding heeft gemaakt van een voorval op 27 december 2017 in het hotel te [plaats], [land]. Vanwege de ongeloofwaardigheid van het verhaal van [appellant] met betrekking tot de vermeende roofoverval en de tegenstrijdige verklaringen in de processen-verbaal van de politie in [land] en de heer Kasijo van de veiligheidsdienst van de SLM, heeft de SLM een nader onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek bleken zaken die de SLM ertoe hebben bewogen om een antecedentenonderzoek te laten uitvoeren door de CIVD. Uit het antecedentenonderzoek bleek dat [appellant] in het verleden twee keer voor de strafrechter heeft moeten verschijnen. Na het uitgebreid onderzoek kon de SLM pas besluiten over de buitenfunctiestelling van [appellant]. Dat was in mei 2018. Het was toevallig dat in die periode ook ten aanzien van twee andere medewerkers het besluit was genomen tot buitenfunctiestelling. De SLM heeft niet moedwillig de naam van [appellant] in verband willen brengen met de twee andere medewerkers die buiten functie zijn gesteld.

4.10 De SLM heeft voorts naar voren gebracht dat [appellant] de bedrijfsregels heeft overtreden. De SLM verwijst naar de werk- en rusttijden regeling van de SLM die op [appellant] van toepassing is. [appellant] was niet in zijn vrije tijd in het hotel doch tijdens zijn rusttijd. De rusttijd is de tijd in klokuren die het bemanningslid verleend wordt teneinde voldoende uitgerust te zijn om een nieuwe vluchtdienst te kunnen aanvangen. Van vrije tijd kan slechts sprake zijn in Paramaribo, dat is de standplaats van de medewerker. Uit de bijzondere regelingen voor cabinepersoneel blijkt dat de hotelaccommodatie slechts beschikbaar is voor de werknemer. [appellant] heeft in strijd met de regels gehandeld. [appellant] heeft met het uitnodigen van de twee dames zichzelf in een situatie gebracht die riskant is. Dat blijkt uit zijn verklaring. Immers, indien hij zich aan de rusttijdenregeling had gehouden, dan hadden derden geen toegang gekregen tot zijn kamer.

4.11 De SLM heeft voorts aangevoerd dat [appellant] als medewerker van de SLM in het hotel was ondergebracht, op kosten van de SLM. Elke handeling van [appellant] werd dan ook in verband gebracht met de SLM. Aangezien het verhaal van [appellant] over de overval twijfelachtig is schaadt hij daarmee ook de goede naam van de SLM. [appellant] heeft om 03.20 uur in de nacht dames ontvangen op zijn kamer terwijl hij de volgende ochtend zou moeten vliegen. Hierdoor heeft hij de regels met betrekking tot de rust en slaap naast zich neergelegd. Hij heeft zichzelf dan ook willens en wetens in de situatie gebracht dat hij de volgende dag niet kon werken. Door het handelen van [appellant] en het feit dat uit het onderzoek blijkt dat hij in het verleden twee keer in aanraking is gekomen met de politie en dat niet heeft vermeld op zijn sollicitatie formulier, is er sprake geweest van gronden voor de buitenfunctiestelling.

4.12 Het Hof overweegt dat de vordering van [appellant] om in de gelegenheid gesteld te worden de bedongen arbeid te verrichten, beoordeeld dient te worden aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 1614ij BW, die inhoudt dat een werkgever zich als een goed werkgever dient te gedragen (het beginsel van goed werkgeverschap). In zijn algemeenheid brengt deze maatstaf voor een dergelijke vordering met zich dat de toewijsbaarheid daarvan afhangt van de aard van de dienstbetrekking, de overeengekomen arbeid en de omstandigheden van het geval (vide ook: HR 27 mei 1983, NJ 1983, 758). Uitgangspunt daarbij is dat van een goed werkgever gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten indien hij daarvoor een redelijke grond heeft en die grond voldoende zwaar weegt.

4.13 In casu betreft het de belangenafweging tussen enerzijds het belang van [appellant] om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten, ook daar de maatregel van buitenfunctiestelling een diffamerend karakter heeft en [appellant] zijn current status dreigt te verliezen en anderzijds het belang van de SLM waarbij de maatregel zou mogen volgen indien de toelating van [appellant] op het werk aan de goede gang van zaken bij de SLM grote schade zou toebrengen of indien vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van [appellant] niet opwegen, in redelijkheid van de SLM niet gevergd kan worden dat zij [appellant] nog langer op het werk duldt.

4.14 Het Hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de overgelegde documenten wel aannemelijk is geworden dat [appellant] heeft verzwegen dat hij in het verleden twee keer met de strafrechter in aanraking is gekomen. Het feit dat dat op zijn zestiende of vijftiende was doet daar niets aan af. Het formulier is duidelijk. De vraag is of iemand in aanraking is gekomen met de justitie. Daarbij is ruimte open gelaten om dat nader te beschrijven. Daarbij zou kunnen worden vermeld dat [appellant] vrij is gesproken voor het eerste feit en voor het tweede feit, op zijn zestiende, slechts een berisping heeft ontvangen. Op die wijze had de werkgever de ruimte om zelf te overwegen of de feiten van dien aard zijn dat daar gevolgen aan verbonden had moeten worden of niet. Door de feiten te verzwijgen heeft [appellant], nu de zaken aan het licht zijn gekomen bij de werkgever, een vertrouwensbreuk veroorzaakt.

4.15 Het Hof is voorts van oordeel dat uit de overgelegde producties aannemelijk is geworden dat de bedrijfregels impliceren dat tijdens het verblijf in het hotel sprake is van rusttijd en dat uit de bepaling met betrekking tot de hotelkamer voortvloeit dat er geen handelingen gepleegd mogen worden die vraagtekens zouden kunnen doen ontstaan met betrekking tot de reputatie van de SLM en haar bemanningsleden. Immers, de regels zouden niet zodanig geinterpreteerd kunnen worden dat het toegestaan is dat de bemanningsleden regelmatig tijdens hun rusttijd in het hotel in de nachtelijke uren onbekende personen ontvangen of ten behoeve van onbekende personen andere kamers huren, met het risico, zoals thans uit de verklaringen van [appellant] zelf blijkt, dat deze personen ten behoeve van wie de kamer is gehuurd, misdrijven plegen of anderen in het hotel laten die misdrijven plegen tegen hotelgasten.

4.16 Het Hof is met de kantonrechter op grond van het voorgaande van oordeel dat de SLM aannemelijk heeft gemaakt dat door de hiervoor genoemde verzwijging en gedragingen van [appellant] een vertrouwenscrisis is ontstaan tussen partijen waardoor in redelijkheid niet van de SLM kan worden gevergd dat zij [appellant] nog langer op het werk duldt.

4.17 Het Hof overweegt dat verder uit de gedingstukken blijkt dat de kantonrechter bevoegd was kennis te nemen van de vordering en dat er geen sprake is van verkeerde toepassing van regelen van ontvankelijkheid, dan wel andere regels van openbare orde.

4.18 Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat het beroepen vonnis moet worden bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

5. De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het Hof
5.1 Bevestigt het vonnis in kort geding van 2 augustus 2018 bekend onder AR no. 182661, waarvan beroep;

5.2 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de SLM gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van
vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-30

6 augustus 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

HANDELSONDERNEMING SOLUTION CENTRE N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
verzoekster, hierna: ‘Solution Centre’,
gemachtigde: [naam], directeur van Solution Centre,

tegen

DE SURINAAMSE BANK N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
verweerster, hierna: ‘DSB’,
gemachtigde: aanvankelijk mr. H.R. Schurman, thans mr. G.N. Best, advocaat,

inzake het request-civiel tegen het tussen partijen in kort geding in hoger beroep gewezen vonnis van dit Hof van 1 juni 2018 (G.R.No. 15165) tussen enerzijds verzoekster als appellante in kort geding en anderzijds verweerster als geïntimeerde in kort geding spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
• het verzoekschrift van 23 januari 2019 met producties;
• het antwoord request-civiel met uitlating producties van 6 december 2019;
• de repliek request-civiel en uitlating producties van 15 mei 2020;
• de dupliek (lees: dupliek request-civiel) van 15 januari 2021.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het verzoek en het verweer

2.1 Bij bovengenoemd Hofvonnis (hierna: ‘het Hofvonnis’) heeft dit Hof het in die zaak door de kantonrechter in kort geding gewezen vonnis van 30 september 2016 (A.R.No. 16-3995) bevestigd, bij welk vonnis de vordering van Solution Centre tot deblokkering van een door haar bij DSB aangehouden bankrekening werd afgewezen.

2.2 Solution Centre heeft bij op 23 januari 2019 ingediende verzoekschrift een vordering tot herroeping van het Hofvonnis ingesteld. Zij heeft verzocht het Hofvonnis te herroepen en haar vordering tot deblokkering alsnog toe te wijzen, waarbij het rekeningsaldo vermeerderd wordt met de wettelijke rente.

2.3 DSB heeft verweer gevoerd met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van Solution Centre danwel ongegrondverklaring van haar verzoek.

3. Beoordeling
3.1 Het Hofvonnis is in laatste ressort gewezen. Nu Solution Centre in die zaak partij was, kan zij – mits daarvoor een wettelijke grond bestaat en mits binnen de voorgeschreven termijnen – daarvan herroeping vorderen.

3.2 Ingevolge artikel 292 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een vonnis worden herroepen om de volgende redenen:
1°. indien de beslissing berust op na de uitspraak ontdekt, in de procedure gepleegd bedrog of arglist van de wederpartij;
2°. indien de strafrechter een opgelegde eed heeft verklaard valselijk te zijn afgelegd, tenzij het geldt de beslissende eed, in artikel 1950, sub 1, van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bedoeld;
3°. indien beslist is omtrent zaken, waarover een beslissing niet was geëist;
4°. indien meer toegewezen dan geëist werd;
5°. indien verzuimd is over een der onderdelen van de eis te beslissen;
6°. indien tussen dezelfde partijen, op dezelfde gronden en door dezelfde rechter tegenstrijdige vonnissen in het hoogste ressort zijn gewezen;
7°. indien in hetzelfde vonnis tegenstrijdige beschikkingen zijn vervat;
8°. indien gevonnist is op stukken, welke na het vonnis voor vals erkend of vals verklaard zijn;
9°. indien men na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft bekomen, welke door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

3.3 Blijkens artikel 295 Rv moet een request-civiel worden ingediend binnen drie maanden na de dagtekening van het vonnis. Echter bepaalt artikel 297 Rv in afwijking hiervan dat, indien het request-civiel is gegrond op bedrog of arglist of het ontdekken van nieuwe stukken, de termijnen slechts lopen vanaf de dag op welke het bedrog of de arglist bekend of de stukken ontdekt zijn, mits in die laatste gevallen die dag bij geschrifte kan worden bewezen.

3.4 Volgens Solution Centre is hier sprake van de in artikel 292 Rv onder 3°, 1° en 9° bedoelde gevallen. Deze grondslagen zal het Hof hierna in die volgorde bespreken.

3.5 Solution Centre stelt in de eerste plaats dat beslist is omtrent zaken, waarover een beslissing niet was geëist, zoals bedoeld in artikel 292 sub 3° Rv. Solution Centre stelt ter toelichting hierop dat de bedragen in het Hofvonnis ten onrechte de valuta-aanduiding SRD hebben, terwijl dit USD diende te zijn. Dit betreft wellicht een (kennelijke) fout in de motivering, maar geen beslissing op iets dat niet gevorderd was. Op deze grond kan van herroeping geen sprake zijn.

3.6 Bovendien is deze grond voor herroeping niet binnen de termijn van artikel 295 Rv aangevoerd: het Hofvonnis ten aanzien waarvan Solution Centre vertegenwoordigd aanwezig was bij de uitspraak is van 1 juni 2018, het verzoekschrift tot herroeping van 23 januari 2019.

3.7 Solution Centre stelt voorts dat haar na het Hofvonnis is gebleken dat DSB haar ter zake een op 12 januari 2016 gehouden executieveiling een bedrag van enkele honderdduizenden Amerikaanse dollars te veel aan veilingkosten in rekening heeft gebracht, waarmee de restschuld van Solution Centre bij DSB ten onrechte werd vergroot. Volgens Solution Centre heeft DSB daarmee frauduleus gehandeld. Het Hof kan uit de stellingen van Solution Centre echter niet opmaken in hoeverre deze veilingkosten volgens haar relevant waren in de zaak die tot het Hofvonnis heeft geleid en onderdeel hebben uitgemaakt van het in die zaak gevoerde debat. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat het Hofvonnis berust op in die zaak op dit punt door DSB gepleegde bedrog als bedoeld in artikel 292 sub 1° Rv.

3.8 Bij het voorgaande komt nog dat niet is voldaan aan de door artikel 297 Rv gestelde eis dat de gestelde ontdekking van het bedrog of de arglist schriftelijk wordt bewezen. Solution Centre heeft zelfs niet gesteld op welke dag de ontdekking heeft plaatsgevonden. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat het verzoek tijdig is gedaan (vergelijk de uitspraak van dit Hof van 18 mei 2018, GR-15186, SRU-HvJ-2018-6). Ook om die reden kan het verzoek om herroeping wegens bedrog of arglist niet slagen.

3.9 Dit laatste geldt ook voor het beroep van Solution Centre op het achterhouden van beslissende stukken als bedoeld in artikel 292 sub 9° Rv: ook hier ontbreken schriftelijk bewijs en concrete stellingen met betrekking tot de datum van de ontdekking en kan gelet daarop niet geoordeeld worden het verzoek tot herroeping tijdig is gedaan.

3.10 Afgezien hiervan, zou ook deze laatste aangevoerde grond voor het herroepingsverzoek om inhoudelijke redenen niet kunnen slagen. Solution Centre verwijt DSB dat zij haar niet heeft voorzien van een bankafschrift waaruit de veilingkosten en de restschuld blijken. Dat Solution Centre een stuk in handen heeft gekregen als bedoeld in artikel 292 sub 9° Rv is niet gebleken, laat staan een stuk van beslissende aard voor de procedure dat tot het Hofvonnis heeft geleid.

3.11 Op grond van het voorgaande zal het verzoek van Solution Centre tot herroeping worden afgewezen. Hetzelfde lot treft haar overige vorderingen, die immers van het welslagen van de herroeping uitgaan.

3.12 De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking. Dat geldt, mede gelet op het inhoudelijke oordeel dat (ten overvloede) is gegeven over de aangevoerde gronden, ook voor Solution Centre’s opmerkingen over de datum van het opmaken van het Hofvonnis en de late ontvangst daarvan. Ten aanzien van de aanvullende stellingen van Solution Centre bij conclusie van repliek geldt bovendien dat artikel 300 Rv in de weg staat aan het aanvoeren van andere middelen dan vermeld in het verzoekschrift.

3.13 Solution Centre zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4. Beslissing in request-civiel

Het Hof:

wijst het verzoek tot herroeping af;

veroordeelt Solution Centre in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSB begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de fungerend president bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 augustus 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier,
mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door [naam], gemachtigde van verzoekster en verweerster vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Karg namens advocaat mr. G.N. Best, gemachtigde van verweerster, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.