SRU-HvJ-2017-29

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende aan [adres],
in [district],
eiser, hierna aangeduid als [eiser],
gemachtigde: voorheen mr. S.G.R. Khoen Khoen, advocaat, die zich echter bij schrijven d.d. 6 december 2012 onttrok, thans procederend in persoon,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet juncto artikel 58 van de Wet Rechtspositie Militairen als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift ter griffie ontvangen op 29 februari 2012, met producties;
– de beschikking van het Hof van 18 april 2012 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
– het verweerschrift ter griffie ontvangen op 23 mei 2012, met een productie;
– de beschikking van het Hof van 6 augustus 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 5 oktober 2012;
– het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat partijen meermalen uitstel van de mondelinge behandeling hebben verzocht, hetgeen door het Hof is toegestaan;
– het proces-verbaal van de op 3 mei 2013 gehouden mondelinge behandeling; verhoor van partijen;
– de bij schrijven d.d. 7 juni 2013 door de Staat overgelegde producties.
De gemachtigde van [eiser] heeft zich hierna bij schrijven d.d. 6 december 2013 onttrokken aan deze zaak. [eiser] is bij aangetekend schrijven van de fungerend griffier d.d. 13 december 2013 hiervan in kennis gesteld en dat de zaak op de zitting van 17 januari 2014 peremptoir stond voor uitlating en pleitnota zijdens [eiser]. [eiser] heeft op 17 januari 2014 nagelaten te pleiten, waarop de Staat heeft verzocht recht te doen op de in het procesdossier aanwezige stukken.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [eiser] is als soldaat eerste klasse in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie.

2.2 [eiser] is op 15 februari 2011 bij terugkeer uit Nederland (als deporté) in verzekering gesteld door de militaire politie op verdenking zich schuldig te hebben gemaakt aan desertie.

2.3 Bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel & Algemeen van het Ministerie van Defensie d.d. 28 maart 2011 is [eiser] aangezegd zich te verweren ter zake desertie.

2.4 [eiser] heeft zich bij ongedateerd schrijven verweerd. In zijn verweerschrift heeft hij verklaard dat hij bij aankomst in Nederland op Schiphol in een gevecht is geraakt met een hem onbekende man. [eiser] indiceerde in zijn verweerschrift dat hij in verband met dit gevecht door de rechtbank in Nederland is veroordeeld voor 8 maanden.

2.5 In een schrijven d.d. 13 juni 2011 heeft de Onderdirecteur Personeel & Algemeen van het Ministerie van Defensie [eiser] in reactie op het verweerschrift te kennen gegeven dat de daarin vermelde informatie niet op waarheid berust, aangezien volgens ingekomen informatie van de Recherche Administratie [eiser] in Nederland was gedetineerd vanwege overtreding van de Opiumwet, zijnde een feit dat zwaar wordt aangerekend in de Defensie organisatie. Tevens is middels hiervoor vermeld schrijven d.d. 13 juni 2011 aan [eiser] medegedeeld dat hem ontslag uit de militaire dienst zal worden verleend.

2.6 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 31 januari 2012, [nummer] is aan [eiser] ontslag wegens plichtsverzuim verleend op basis van artikel 35 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 69 lid 2 sub c en e van de Personeelswet, hierna aangeduid als “de ontslagbeschikking”.
Daartoe is onder meer overwogen:
“- dat zijn verweerschrift niet steekhoudend is bevonden, daar betrokkene zaken aanhaalt die niet op waarheid berusten, en volgens ingekomen informatie van de Recherche Administratie van het Korps Militaire Politie betrokkene gedetineerd was in Nederland vanwege overtreding van de Opium Wet. Dit wordt zwaar aangerekend in de Defensie organisatie, aangezien dit de organisatie in diskrediet brengt;

– dat het voorgaande, ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub c en e van de “Personeelswet”, grond voor ontslag oplevert en er derhalve aanleiding bestaat om betrokkene uit Staats (militaire) dienst te ontslaan”.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken de ontslagbeschikking te vernietigen althans nietig te verklaren met veroordeling van de Staat tot rehabilitatie van [eiser] in de rang waarin hij diende onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,= per dag althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat de Staat weigert aan het vonnis uitvoering te geven.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is, omdat de ontslagbeschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
In artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen (S.B. 1996 no.28) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken –dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot militaire ambtenarenzaken.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een militair ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5. [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat de ontslagbeschikking op 15 februari 2012 bij deurwaardersexploot aan hem is betekend, hetgeen zijdens de Staat niet is betwist.
Het Hof zal derhalve voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van deze datum uitgaan.
Nu het inleidend verzoekschrift op 29 februari 2012 ter griffie van het hof is ontvangen, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
Strijd met het motiveringsbeginsel
6.1 [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat de Staat heeft nagelaten te vermelden op basis waarvan zij tot de conclusie komt dat sprake is van onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, dan wel een aan hem te wijten onmogelijkheid tot samenwerking.

6.2 De Staat heeft in haar verweerschrift gesteld dat op 15 februari 2011 door de afdeling Interpol van het Korps Politie Suriname aan de immigratiedienst te J.A. Pengel Luchthaven is gemeld dat [eiser] in Nederland is veroordeeld ter zake overtreding van de wet verdovende middelen en dat hij na het uitzitten van zijn straf het land zal worden uitgezet. [eiser] kwam op genoemde datum werkelijk als deporté het land binnen. Een veroordeling op grond van de Opiumwet maakt naar het oordeel van de Staat, vanwege de aard en de strekking van de militaire dienst, voortzetting van de dienst onmogelijk. [eiser] is, aldus de Staat, in verschillende sessies inzicht verschaft in het drugsbeleid van de Staat en niet onbekend met het feit dat bij verzaking van een goede plichtsbetrachting op dit stuk ontslag uit de militaire dienst was geïndiceerd.

6.3 [eiser] heeft bij de mondelinge behandeling erkend dat hij wegens overtreding van de opiumwet in Nederland is veroordeeld tot acht maanden hechtenis van 1 augustus 2010 tot
15 februari 2011. Tegen dit veroordelend vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld. [eiser] heeft daarbij tevens verklaard dat hij bekend is met het feit dat verdovende middelen op het ministerie niet worden gedoogd.
[eiser] heeft verder verklaard dat hij in zijn verweerschrift de waarheid heeft omzeild en heeft verklaard dat hij vanwege mishandeling opgesloten zat.

6.4 Zijdens de Staat is als productie overgelegd een document verkregen naar aanleiding van een door de Staat gedaan rechtshulpverzoek, te weten het vonnis in hoger beroep ten aanzien van [eiser], waaruit blijkt dat hij ook in hoger beroep is veroordeeld wegens het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
[eiser] heeft deze productie onweersproken gelaten, zodat naar het oordeel van het Hof is komen vast te staan dat [eiser] in Nederland bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld wegens overtreding van de Nederlandse Opiumwet.

6.5 Het Hof constateert dat de artikelen die zijn toegepast bij het verlenen van het ontslag aan [eiser], betrekking hebben op onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid en een aan de ambtenaar te wijten onmogelijkheid tot samenwerking.
Het Hof constateert tevens dat [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld zich ten aanzien van deze twee ontslaggronden te verantwoorden. Dit leidt tot de slotsom dat het ontslag is verleend in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat duidt dat een ambtenaar gehoord moet worden alvorens een voor hem nadelige beslissing wordt genomen. Dit heeft tot gevolg dat het bij de ontslagbeschikking verleend ontslag nietig verklaard zal worden.
[eiser] heeft tijdens de onderhavige procedure de gelegenheid gehad zich uit te laten over de door de Staat aangevoerde veroordeling, welke door hem is erkend. [eiser] heeft tevens erkend dat hij, wetende wat het beleid van het ministerie is ten aanzien van verdovende middelen, in zijn verweerschrift een relaas heeft opgenomen dat in strijd met de waarheid was. Naar het oordeel van het Hof is dit voldoende om aan te nemen dat er sprake is van plichtsverzuim ex artikel 61 lid 2 sub b, terwijl tevens sprake is voor onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid. Het Hof zal dan ook ambtshalve krachtens artikel 82 lid 4 van de Personeelswet de naar zijn oordeel passende tuchtstraf bepalen.
In overweging nemende de onherroepelijke veroordeling van [eiser] voor een drugsmisdrijf, het feit dat [eiser] heeft erkend te weten dat verdovende middelen op het ministerie niet worden gedoogd en een leugenachtige verklaring te hebben afgelegd, acht het Hof passend dat [eiser] ontslag uit staatsdienst wordt verleend te rekenen van de dag volgend op die waarop dit vonnis aan hem is betekend.

6.6 De overige stellingen van [eiser] behoeven, gezien hetgeen onder 6.5 overwogen, geen verdere bespreking.

De beslissing
Het Hof:
7.1 Verklaart het besluit vervat in de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 31 januari 2012, [nummer] nietig.

7.2 Bepaalt dat [eiser] wegens plichtsverzuim ontslag wordt verleend te rekenen van de dag volgend op die waarop dit vonnis aan hem is betekend.

7.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en
mr. S.M.M. Chu, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van justitie van vrijdag 6 januari 2017, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Rathipal namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellanten 1], wonende te [district 1],
B. [appellanten 2], wonende te [woonplaats 1] in [land],
C. [appellanten 3], wonende te [district 1],
D. [appellanten 4], wonende te [district 1],
E. [appellanten 5], wonende te [district 1],
F. [appellanten 6], wonende in het district [district 2],
G. [appellanten 7], wonende te [district 1],
appellanten, hierna aangeduid als “de erfgenamen”,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

DE NATIONALE BELEGGINGS- EN BEHEERS MAATSCHAPPIJ N.V.,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “NBBM”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis d.d. 28 mei 2009 (A.R. No. 08-1440) tussen de erfgenamen als eisers in conventie tevens gedaagden in reconventie in kort geding en NBBM als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie in kort geding.

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de erfgenamen op 10 juni 2009 hoger beroep hebben ingesteld;
– de pleitnota overgelegd op 20 juli 2012;
– het antwoordpleidooi overgelegd op 01 februari 2013;
– het repliekpleidooi overgelegd op 15 maart 2013, met producties;
– het dupliekpleidooi en uitlating producties overgelegd op 19 april 2013;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis welke aanvankelijk was bepaald op 02 augustus 2013, is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
De erfgenamen waren op de dag van de uitspraak (28 mei 2009) ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. K. Brandon namens hun gemachtigde, terwijl NBBM noch in persoon noch bij gemachtigde was verschenen. De erfgenamen hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 10 juni 2009 appèl aangetekend. De erfgenamen hebben derhalve tijdig appèl aangetekend en zijn daarin ontvankelijk.

3. De feiten
3.1 Aan de op 06 mei 1992 ab intestato overleden [naam 1] en zijn op 31 juli 2005 overleden echtgenote [naam 2], met wie hij in gemeenschap van goederen gehuwd is geweest (hierna: de erflaters), behoorde toe het navolgend onroerend goed:
het recht van erfpacht rustende op het perceelland groot 1,8939 ha, gelegen in het [district 3] aan de [straat] [district 1]-[woonplaats 2] deel uitmakende van de houttuinpolder op de kaart van S.O. Esajas van 25 februari 1975 door figuur ABCD (hierna: het litigieuze perceelland), door [naam 1] voornoemd verkregen door overschrijving van een afschrift van de beschikking d.d. 11 september 1975 op 15 september 1975, in register C deel 695 onder [nummer 1].

3.2 Tot de nalatenschap van de erfgenamen behoort het perceelland voornoemd.

3.3 [naam 2] voornoemd heeft bij onderhandse akte van koop/verkoop op 12 juli 1991 aan NBBM verkocht het gedeelte groot 0,9881 ha van het in het register onder [nummer 1] omschreven perceelland voor de koopsom van Sf 300.000,-, naderhand verhoogd met Sf 50.000,-, waarbij was overeengekomen dat het verkochte stuk perceelland zou worden overgedragen aan SURON MIJ N.V.

3.4 Bij verzoekschrift d.d. 17 oktober 1991 heeft [naam 2], als gevolmachtigde van [naam 1] [naam 1] (haar echtgenoot), aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen verzocht om hem toestemming te verlenen om van het perceelland het deel groot 0,9881 ha te mogen overdragen aan SURON MIJ N.V.

3.5 [naam 2] heeft van de totale koopsom van Sf 350.000,- bij de koop op 12 juli 1991 het bedrag van Sf 50.000,- ontvangen en op 14 augustus 1992 heeft zij het saldo ontvangen middels een cheque van Sf 300.000,-.

3.6 Van de onderhandse koopakte is op 12 februari 1993 aantekening gemaakt in dagregister A deel 175 onder [nummer 2].

3.7 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 09 januari 1996 (A.R. No. 94-2450) in de zaak van De Naamloze Vennootschap De Nationale Bemiddelingsmaatschappij N.V. (NBM) tegen [naam 2] voornoemd, is NBM in conventie niet- ontvankelijk verklaard in haar vordering tot veroordeling van [naam 2] voornoemd om mee te werken aan de levering van het verkochte stuk perceelland groot 0,9881 ha en is de gevraagde vanwaardeverklaring op het in conservatoir beslag genomen verkochte stuk perceelland, geweigerd; in reconventie is het conservatoir beslag op het verkochte stuk perceelland groot 0,9881 ha opgeheven, onder de overweging dat [naam 2] alleen, niet bevoegd was het perceelland aan NBM te verkopen. Tegen dit vonnis is geen appèl aangetekend.

3.8 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 28 mei 2009 (A.R.No. 08-1440) in de zaak van de erfgenamen tegen NBBM (het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld en hier aan de orde is), is de gevraagde voorziening in conventie geweigerd en zijn de erfgenamen in reconventie veroordeeld om mee te werken aan de juridische levering van het bij beschikking d.d. 11 september 1975 in erfpacht afgestane perceelland groot 1,8939 ha, gelegen in het [district 2] aan de [straat] onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor elke keer dat zij in strijd handelen met dit vonnis, tot een maximum van SRD 100.000,-.

4. De vordering in eerste aanleg in conventie en in reconventie 4.1 De vordering in conventie De erfgenamen vorderen, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, de doorhaling te gelasten van de op 12 februari 1993 gepleegde aantekening van de onderhandse akte van koop/verkoop d.d. 12 juli 1991 in dagregister A deel 175 onder [nummer 2] van het hypotheekkantoor.

4.2 De vordering in reconventie
NBBM vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de erfgenamen te veroordelen mee te werken aan de juridische levering van het perceelland groot 1,8939 ha onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per keer dat zij in strijd handelen met het te wijzen vonnis.

5. De grieven
De erfgenamen hebben een vijftal grieven aangevoerd op grond waarvan het vonnis waarvan beroep vernietigd dient te worden, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief I: dat de kantonrechter ten onrechte in 4.2 van het vonnis a quo heeft overwogen dat de rechtsvoorganger van appellanten, [naam 2], bevoegd was om 0,9881 ha van het recht van erfpacht op het perceelland te mogen verkopen, daar echtelieden die in algehele gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd, zonder toestemming van de andere echtgenoot hun aandeel in een onroerend goed mogen verkopen, doch is voor de levering van dat aandeel de toestemming van de andere echtgenoot vereist. Volgens de erfgenamen heeft [naam 2] toch nog onbevoegd gehandeld, omdat zij ten tijde van de koop slechts gerechtigd was tot het deel groot 0,94695 ha, terwijl zij heeft verkocht 0,9881 ha, dus meer dan waar zij recht op had.

Grief II: dat de kantonrechter ten onrechte in het vonnis waarvan beroep heeft overwogen dat de erfgenamen in het midden hebben gelaten dat zij een beroep doen op het gezag van gewijsde van het vonnis d.d. 09 januari 1996 met A.R.No. 94-2450, omdat zij, de erfgenamen, in hun conclusies, met name de punten 4 en 8 van de conclusie van repliek, duidelijk hebben aangegeven dat NBBM geen appèl tegen het litigieus vonnis heeft aangetekend, waardoor zij hebben aangegeven dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en dat derhalve de overweging van de kantonrechter dat [naam 2] niet bevoegd was om de koop/verkoopovereenkomst aan te gaan, weshalve de nietigheid van de koop/verkoopovereenkomst thans rechtens vaststaat tussen partijen, waarmede de erfgenamen wel degelijk expliciet een beroep hebben gedaan op het in gezag van gewijsde gaan van het vonnis.

Grief III: dat de kantonrechter ten onrechte de erfgenamen heeft veroordeeld om mee te werken aan de juridische levering van het recht van erfpacht op het perceelland groot 1,8939 ha, daar zij, de erfgenamen in punt 2 van hun conclusie van dupliek in reconventie hebben gesteld dat NBBM niet wettelijk heeft kunnen bewijzen dat zij een rechtsgeldige titel bezitten om de juridische levering van 1,8939 ha van het perceelland in rechte te vorderen, weshalve de vordering ook niet kon worden toegewezen.

Grief IV: dat de kantonrechter het vonnis waarvan beroep, uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, terwijl de erfgenamen stelselmatig hebben aangevoerd dat het vonnis d.d. 09 januari 1996 met A.R.No. 94-2450 in kracht van gewijsde is gegaan met als gevolg dat tussen partijen rechtens vaststaat dat de destijds gesloten koop/verkoopovereenkomst nietig is, waarmede zij, de erfgenamen duidelijk een beroep hebben gedaan op het gezag van gewijsde, hetgeen tot gevolg heeft dat de erfgenamen het onderhands geschrift hebben ontkend en betwist, weshalve ingevolge artikel 55 juncto 56 Rv de voorlopige ten uitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep niet kon worden bevolen. Bovendien kon de voorlopige ten uitvoerlegging ook niet worden bevolen, omdat het onderhands geschrift blijk geeft dat er aan NBBM is verkocht het perceelland groot 0,9881 ha en niet het recht van erfpacht op het perceelland groot 1,8939 ha.

Grief V: dat de kantonrechter de erfgenamen heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van NBBM gevallen, terwijl NBBM geen kosten proceskosten heeft gemaakt in het onderhavig geding.

6. De vordering in Hoger Beroep
De erfgenamen concluderen op deze gronden het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende in kort geding, alsnog bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in conventie: de doorhaling te gelasten van de op 12 februari 1993 door, namens of ten behoeve van NBBM gepleegde aantekening in het dagregister A deel 175 onder [nummer 2] van het hypotheekkantoor met veroordeling van NBBM in de kosten aan beide zijden van het geding;
in reconventie: de gevraagde voorzieningen te weigeren.

7. Het verweer
NBBM heeft gemotiveerd verweer gevoerd – waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan – ten slotte concluderende om het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie te bevestigen, met dien verstande dat er een correctie plaatsvindt in de levering van het perceelland van 0,9881 ha instede van 1,8939 ha.

8. Vooraf
8.1 Het Hof stelt voorop dat bij het overlijden van één der partijen tijdens een aanhangig geding, het geding middels een akte of conclusie tot schorsing van het geding ingevolge artikel 185 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt geschorst, waarna middels een akte of conclusie tot hervatting van het geding wordt verzocht tot hervatting van het geding ten name van de rechtsopvolgers van de overledene, onder eventuele overlegging van een verklaring van erfrecht waaruit de namen en de woonplaatsen van de rechtsopvolgers blijken, alsmede te wiens name er zal worden voort geprocedeerd, waarop de wederpartij in de gelegenheid wordt gesteld zich daarover uit te laten. Ten slotte wordt bij vonnis in het incident bepaald wanneer en te wiens name het geding zal worden voortgezet.

8.2 Het Hof constateert dat er in casu appèl is aangetekend door de zeven oorspronkelijke eisers in eerste aanleg in conventie c.q. appellanten, terwijl het pleidooi is overgelegd ten name van zes van de appellanten en vier erfgenamen van appellant sub A, doch zonder gewag te maken van het overlijden van appellant sub A en zonder overlegging van een overlijdensakte en/of verklaring van erfrecht, nog minder een conclusie of akte tot schorsing en hervatting van het geding.

8.3 Nu het geding niet is geschorst, brengt de rechtspraktijk naar het oordeel van het Hof met zich mee dat er is voortgeprocedeerd ten name van de oorspronkelijke zeven eisers in conventie c.q. appellanten, weshalve de vier erfgenamen van de overleden appellant sub A, geen partij zijn in de onderhavige zaak.

9. De beoordeling
Het Hof acht het van belang om de grieven in de navolgende volgorde te beoordelen.

9. Grief I: de bevoegdheid van [naam 2] m.b.t. de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991.
9.1.1 NBBM beroept zich met betrekking tot de bevoegdheid van [naam 2] om de koopovereenkomst met haar aan te gaan, op het feit dat de koopsom is voldaan en het schrijven van de echtgenoot van [naam 2] d.d. 17 oktober 1991, waarin de vereiste toestemming voor overdracht door hem is verleend. Voorts voert NBBM aan dat de koopsom mede door de echtgenoot van [naam 2] is ontvangen.

9.1.2 De erfgenamen voeren hiertegen aan dat het schrijven d.d. 17 oktober 1991, hetwelk overigens niet door de echtgenoot van [naam 2] is ondertekend, geen blijk geeft dat de echtgenoot van [naam 2] de vereiste toestemming heeft verleend voor de overdracht. Voorts voeren de erfgenamen aan dat de kantonrechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat zij niets van voormeld schrijven hebben gesteld, daar zij in punt 3 van hun conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie hebben gesteld dat het bescheid geen bestaan van een koop/verkoopovereenkomst tussen NBBM en de echtgenoot van [naam 2] aangeeft.

9.1.3 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen erkennen dat [naam 2] haar aandeel heeft verkocht en daarvoor de volledige koopsom heeft ontvangen, waarna [naam 2] in persoon en als gemachtigde van haar echtgenoot toestemming heeft gevraagd om het perceelland groot 0.9881 ha te mogen overdragen. Volgens NBBM hebben de erfgenamen niet kunnen weerleggen dat zij het schrijven niet van valsheid hebben beticht. NBBM persisteert bij hetgeen de kantonrechter terzake heeft overwogen in punt 4.2 van het vonnis.

9.1.4 Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 172 juncto artikel 173 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een goed dat tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort, in beginsel onder het bestuur van ieder der echtgenoten staat, hetgeen inhoudt dat ieder der echtgenoten de bevoegdheid heeft om met betrekking tot dat goed daden van beheer en beschikking te verrichten, terwijl er voor vervreemding en bezwaring van registergoederen waarvan de ene echtgenoot niet zijn beroep of bedrijf maakt, steeds de medewerking van beide echtgenoten is vereist en indien deze medewerking c.q. toestemming niet is gegeven, de andere echtgenoot de vernietiging van de gepleegde rechtshandeling kan doen inroepen conform artikel 173 BW.

9.1.5 Gelet op hetgeen is overwogen onder 9.4.4 van dit vonnis, concludeert het Hof dat [naam 2] als de ene echtgenoot bevoegd was om de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 aan te gaan, alsmede dat zij zelfs bevoegd was om het hele perceelland te verkopen. Naar het oordeel van het Hof hebben de erfgenamen niet betwist dat de echtgenoot van [naam 2] bij schrijven d.d. 17 oktober 1991, nog voor zijn overlijden, het verzoek heeft gedaan om het stuk perceelland groot 0,9881 ha aan SURON MIJ N.V. te mogen overdragen, evenmin is voornoemd schrijven van valsheid beticht, waardoor de medewerking c.q. toestemming van de echtgenoot van [naam 2] met betrekking tot de verkoop van het stuk perceelland aan NBBM rechtens tussen partijen vaststaat. Dit brengt met zich mee dat de verkoop voornoemd niet in strijd met artikel 172 BW is geschied, zodat de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 rechtsgeldig is en de erfgenamen gehouden zijn tot levering van het verkochte stuk perceelland groot 0,9881 ha aan NBBM of een door haar aangewezen derde. Ten overvloede overweegt het Hof dat ook indien de toestemming c.q. medewerking van de echtgenoot niet zou hebben vastgestaan, zulks niet met zich mee zou hebben gebracht dat de koopovereenkomst niet rechtsgeldig was, omdat niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoot van [naam 2] ingevolge artikel 173 lid 2 BW op enig moment de nietigheid van de door rechtshandeling tegenover NBBM zou hebben ingeroepen. Tussen partijen staat vast dat [naam 2] de gehele koopsom heeft ontvangen. Naar het oordeel van het Hof heeft de kantonrechter derhalve terecht geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in conventie en tot toewijzing van de vordering in reconventie, met dien verstande dat de veroordeling tot juridische levering aan NBBM betreft het stuk perceelland groot 0,9881 ha deel van de bij beschikking d.d. 11 september 1975 [nummer 3] in erfpacht afgestane perceelland groot 1,8939 ha gelegen in het [district 2] aan de [straat] en deel uitmakende van de Houttuinpolder. De gevorderde dwangsom wordt thans bepaald op een maximum van SRD. 500.000,-.
Op grond van het voorgaande faalt grief I.

9.2 Grief II: het beroep op gezag van gewijsde.
9.2.1 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen hun stellingen niet met enige jurisprudentie hebben onderbouwd, noch naar enige expliciete literatuur hebben verwezen waaruit zulks blijkt. De door de kantonrechter onderbouwde motivering is daarom volgens NBBM niet weerlegd. Voorts verwijst NBBM naar de rechtsoverweging van de Kantonrechter waaruit de rechtsgeldigheid van de overeenkomst d.d. 09 juli 1991 blijkt.

9.2.2 Bij repliekpleidooi beroepen de erfgenamen zich met betrekking tot hun beroep op gezag van gewijsde, op de door hun overgelegde producties en de punten 4, 6 en 8 van de conclusie van repliek in conventie en punt 3 van hun conclusie van antwoord in reconventie d.d. 29 mei 2008, alsmede de punten 2 en 4 van hun conclusie van dupliek in reconventie d.d. 17 juli 2008, op grond waarvan zij, de erfgenamen concluderen dat zij derhalve een impliciet beroep op het gezag van gewijsde hebben gedaan.

9.2.3 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen erkennen dat zij geen uitdrukkelijk beroep hebben gedaan op gezag van gewijsde, doch wel een impliciet beroep, terwijl er ingevolge Surinaamse wetgeving en jurisprudentie een uitdrukkelijk beroep dient te worden gedaan, zodat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat er geen expliciet beroep is gedaan op gezag van gewijsde. NBBM voert tevens aan dat indien de erfgenamen nog in hoger beroep een expliciet beroep op gezag van gewijsde zouden willen doen, zij daarmede tardief zijn, nu zulks bij memorie van grieven had moeten plaatsvinden.

9.2.4 Het Hof overweegt dat het vonnis d.d. 09 januari 1996 met A.R.No. 94-2450 is gewezen tussen DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DE NATIONALE BEMIDDELINGSMAATSCHAPPIJ (NBM) en [naam 2], waarbij geïntimeerde, DE NATIONALE BELEGGINGS- EN BEHEERS MAATSCHAPPIJ N.V. (NBBM) dus geen partij was. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat NBM en de NBBM, een en dezelfde partij zijn. Naar het oordeel van het Hof komt in de onderhavige zaak aan de erfgenamen als rechtsopvolgers van [naam 2], niet het recht toe om zich te beroepen op gezag van gewijsde van voornoemd vonnis, nu bedoeld vonnis tussen andere partijen is gewezen dan die betrokken in het onderhavig geding. Grief II van de erfgenamen faalt derhalve eveneens.

9.3 Grief IV: de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis.
9.3.1 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen ten onrechte een beroep doen op artikel 55 juncto artikel 56 Rv aangezien zij hun stellingen (lees: niet) met feiten en omstandigheden hebben onderbouwd.

9.3.2 Aangezien het beroep op gezag van gewijsde niet opgaat, terwijl de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 rechtens tussen partijen vaststaat, staat naar het oordeel van het Hof niets in de weg aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis ingevolge artikel 55 juncto 56 Rv. Grief IV wordt derhalve eveneens ongegrond bevonden.

9.4 Grief III: geen rechtsgeldige titel voor levering 1,8939 ha.
9.4.1 NBBM stelt zich op het standpunt dat het in casu om een schrijffout gaat welke noch de overeenkomst ongeldig noch het vonnis apert onjuist maken, weshalve zij geen bezwaar heeft dat het perceelland groot 0,9881 ha aan haar wordt geleverd.

9.4.2 Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief dat het in casu duidelijk om een verschrijving gaat welke haar oorsprong vindt in het petitum van de vordering in reconventie, waardoor het vonnis waarvan beroep naar het oordeel van het Hof op dit stuk onjuist is en vernietigd dient te worden. Immers maakt de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 duidelijk gewag van de verkoop/koop van het stuk perceelland groot 0,9881 ha, zodat nimmer de levering van 1,8939 ha kon zijn bevolen. Nu grief III gegrond is bevonden, zal het Hof in het dictum in zoverre hiermee rekening houden dat de juiste perceelgrootte wordt gehanteerd.

9.5 Grief V: de veroordeling in de proceskosten.
9.5.1 NBBM heeft zich aan het oordeel van het Hof gerefereerd met betrekking tot deze grief.

9.5.2 Naar het oordeel van het Hof zijn de erfgenamen als de in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg, zowel in conventie als in reconventie, ten onrechte veroordeeld in de proceskosten ad SRD 110,-, omdat de erfgenamen de oorspronkelijke aanleggers van het geding in eerste aanleg waren en deze dus reeds waren voldaan door de erfgenamen, weshalve de proceskosten aan de zijde van NBBM gevallen moesten worden begroot op nihil. Hoewel grief V op grond van het voorgaande gegrond is bevonden en leidt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, acht het Hof geen termen aanwezig om op grond daarvan de zaak opnieuw inhoudelijk te beoordelen.

9.6 Het Hof overweegt dat op grond van de gegrondheid van de grieven III en V, het vonnis waarvan beroep vernietigd zal worden en opnieuw rechtdoende de vordering in conventie zal worden afgewezen en de vordering in reconventie zal worden toegewezen onder aanvulling van de gronden, één en ander als in het dictum te melden.

9.7 De erfgenamen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de erfgenamen gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

10. De beslissing in hoger beroep in kort geding in conventie en in reconventie

Het Hof:

10.1 Vernietigt het vonnis d.d. 28 mei 2009 van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen in de zaak met A.R.No. 08-1440, waarvan beroep, en

OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie
10.2 Weigert de gevraagde voorziening.

In reconventie
10.3 Veroordeelt de erfgenamen om mee te werken aan de juridische levering, althans aan de akte van transport, van het stuk perceelland groot 0,9881 ha deel van de bij beschikking d.d. 11 september 1975 [nummer 3] in erfpacht afgestane perceelland groot 1,8939 ha gelegen in het [district 2] aan de [straat] en deel uitmakende van de Houttuinpolder, onder verbeurte van een dwangsom van SRD.10.000,- (tienduizend Surinaamse Dollar) voor elke keer dat zij in strijd handelen met dit vonnis, tot een maximum van SRD. 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar).

10.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie
10.5 Veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten aan de zijde van NBBM gevallen in en tot aan de uitspraak begroot op Nihil;

10.6 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 januari 2017 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. J. Kraag en mr. H.R. Schurman.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. I.A. Nazir, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 april 2014 (A.R.No. 13-2141) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de man op 08 juli 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota overgelegd op 04 december 2015;
– de antwoordpleitnota overgelegd op 05 februari 2016;
– de repliekpleitnota overgelegd op 03 juni 2016;
– de dupliekpleitnota overgelegd op 17 juni 2016;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak (28 april 2014) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting vertegenwoordigd. Een afschrift van het vonnis is per griffiersbrief d.d. 07 juli 2014 aan de man verzonden. De man heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 08 juli 2014 appèl aangetekend. De man heeft derhalve tijdig appèl aangetekend en is daarin ontvankelijk.

3. De feiten
3.1 Partijen zijn op 28 december 1961 te Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, bij akte [nummer 1], folio [nummer 2].

3.2 Uit voormeld huwelijk is één kind geboren, die thans meerderjarig is.

3.3 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 april 2014, is onder meer de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken, waarbij tevens is bevolen de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van notaris mr. J.G. Kemp als notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zal plaatsvinden, en tot onzijdig persoon voor de vrouw, mr. A. Adelaar, advocaat, en voor de man, mr. K.V. Alakhramsing, advocaat.

4. De vordering in eerste aanleg
De vrouw heeft, zakelijk weergegeven, als definitieve voorziening gevorderd dat:
c. tussen partijen de scheiding van tafel en bed zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
d. de man zal worden veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet.

5. De grieven
De man heeft een viertal grieven aangevoerd neerkomende op:
1. de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen;
2. de schuldvraag met betrekking tot de duurzame ontwrichting;
3. het beroep op artikel 263 BW;
4. het gevolg van scheiding van tafel en bed.

6. De vordering in Hoger Beroep
De man verzoekt in hoger beroep te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren althans de vordering af te wijzen met haar veroordeling in de kosten in beide instanties.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat het vonnis waarvan beroep bevestigd dient te worden.

8. De beoordeling
8.1 Grief I: de duurzame ontwrichting van het huwelijk
8.1.1 De man voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
‘….Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend danwel niet of niet voldoende betwist rechtens vast dat zij thans ruim veertien jaar niet meer samen wonen en dat zij al jaren geen contact met elkaar hebben. Op grond van het voorgaande is volgens de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.’ Immers, de man heeft in zijn verweer duidelijk gesteld dat hoewel partijen uit elkaar leven, herstel van de relatie wel mogelijk is. De vrouw is volgens hem zelf uit huis gegaan met een simpele smoes om niet meer terug te keren om te doen voorkomen alsof het huwelijk duurzaam was ontwricht.

8.1.2 De vrouw voert hiertegen aan dat de man met geen woord rept over de bevinding van de rechter dat vaststaat dat partijen al ruim 14 jaren, inmiddels zelfs langer dan dat, niet meer samenwonen, hetgeen wel de grond voor de rechter is geweest om vast te stellen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Volgens de vrouw heeft de man niet ontkend dat zij al langer dan 14 jaren gescheiden leven en hoegenaamd geen gemeenschap en/of contact met elkaar hebben, weshalve dit tussen partijen rechtens vaststaat. De vrouw voert aan dat volgens de man herstel van de relatie wel mogelijk is, doch heeft hij al die jaren niets gedaan om het huwelijk te herstellen. Volgens de vrouw heeft zij de echtelijke woning verlaten vanwege het overmatig drankgebruik van de man en zijn agressiviteit als gevolg daarvan. De vrouw stelt voorts dat zij vaker door de man is mishandeld en daarvan ook aangifte heeft gedaan bij politie Geyersvlijt, alsmede dat zij de laatste keer ook naar de huisarts is geweest, die niet eens over mishandelen wilde praten, maar het toetakelen noemde.

8.1.3 Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat zij thans reeds langer dan 14 jaren niet meer samenwonen en/of een man/vrouw relatie met elkaar onderhouden, waardoor naar het oordeel van het Hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat. Het feit dat de man af en toe contact heeft met de vrouw, doet daaraan niets af. Uit het door partijen gestelde en aangevoerde blijkt geenszins het bestaan van enige band tussen partijen, weshalve de kantonrechter terecht heeft overwogen zoals in het vonnis waarvan beroep is aangegeven. Grief 1 is derhalve ongegrond.

8.2 Grief 2: De schuldvraag met betrekking tot de duurzame ontwrichting
8.2.1 De man voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
‘Nu de man het hiervoor bij 4.5 vermelde verweer niet althans onvoldoende met feiten heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter plaatsvervanger verder voorbij aan dit verweer.’
Immers, de man heeft duidelijk gesteld dat voor zover er sprake is van duurzame ontwrichting, dit niet te wijten is aan hem, doch in overwegende mate te wijten is aan de vrouw, die de woning heeft verlaten met medeneming van haar persoonlijke spullen. De man kan erkennen dat partijen al geruime tijd niet meer samenwonen, doch hebben zij wel contact met elkaar. Voorts ontkent de man dat hij destijds extreem drankgedrag zou hebben vertoond en dat hij bovenmatig dronk, waardoor partijen vele ruzies met elkaar hadden. De man ontkent voorts, de vrouw te hebben geslagen en dat zij in angst leefde. Volgens de man hebben deze argumenten betrekking op omstandigheden die zich langer dan 14 jaren terug volgens de vrouw hebben voorgedaan. De vrouw is volgens hem 14 jaren geleden de woning uit vrije wil vertrokken uit de echtelijke woning zonder enige opgaaf van redenen en heeft al die jaren geen bezwaar gehad tegen de huidige situatie. De man voert verder aan dat hij de vrouw meerdere malen heeft gevraagd om terug te komen, terwijl de vrouw niet aangeeft dat de kans op verzoening niet mogelijk is, vermits de man zich juist wenst te verzoenen om hun jarenlange relatie te redden.

8.2.2 De vrouw ontkent dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende aan haar te wijten is en moet de man ingevolge artikel 299 juncto 263 BW het bewijs hiervan leveren. Volgens de vrouw heeft de kantonrechter de man terecht niet tot bewijs toegelaten, omdat zulks naar vaste rechtspraak onnodig is. Volgens HR 24 juni 1977, NJ 1978 no. 339 geldt: wanneer partijen al vele jaren gescheiden leven en er geen uitzicht op of verlangen naar herstel van de echtelijke samenwoning bestaat, kan het schuldverweer niet gevoerd worden. Bovendien heeft zij niet zonder reden de echtelijke woning verlaten. De vrouw voert verder aan dat de man haar nimmer heeft gevraagd om terug te komen en heeft hij zelf geen enkele stap ondernomen om het huwelijk te herstellen.

8.2.3 Het Hof overweegt dat het enkel verlaten van de echtelijke woning door de vrouw, niet met zich meebrengt dat de duurzame ontwrichting aan haar schuld te wijten is geweest, nu de vrouw duidelijk heeft aangegeven waarom zij de echtelijke woning heeft verlaten. Het feit dat de argumenten van de vrouw betrekking hebben op gebeurtenissen die langer dan veertien jaren zouden hebben plaatsgevonden, doet daaraan niets af, omdat de vrouw de echtelijke woning toentertijd heeft verlaten vanwege die aangehaalde argumenten. De vrouw heeft gemotiveerd aangegeven waarom zij de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de man slechts heeft volstaan met een blote ontkenning. Naar het oordeel van het Hof had het op de weg van de man gelegen om gemotiveerd aan te geven waarom de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan de vrouw te wijten dan wel niet aan hem te wijten was, weshalve de kantonrechter de man terecht niet heeft toegelaten tot bewijs van zijn stelling. Voorts overweegt het Hof dat de feiten en omstandigheden in casu inderdaad van dien aard zijn, zoals aangevoerd door de vrouw, dat de schuldvraag niet meer terzake doet, omdat van een verzoeningspoging niet gesteld of gebleken is en na al die jaren niet meer verwachtbaar is, zodat het verzet van de man tegen de vordering van de vrouw niet gerechtvaardigd is. Meer nog, het verzet van de man is naar het oordeel van de man niet gericht op een eventuele verzoening, doch is puur gericht op het materieel belang van de man, met name dat hij niet dakloos wordt. Gerief 2 is derhalve eveneens ongegrond.

8.3 Grief 3: het beroep op artikel 263 BW
8.3.1 De man voert aan dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan dit verweer, terwijl de vordering in ieder geval op grond van artikel 299 juncto artikel 263 BW diende te worden afgewezen. Immers, de man heeft duidelijk gesteld dat voor zover er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk, deze in overwegende mate aan de vrouw te wijten is, daar zij uit vrije wil uit de woning is vertrokken.

8.3.2 De vrouw voert aan dat deze grief een herhaling is van de voorgaande grieven, zodat een aparte bespreking hiervan overbodig is.

8.3.3 Het Hof verwijst ten aanzien van deze grief naar zijn overweging onder 8.2.3, waarin reeds is overwogen dat het verzet van de man ongerechtvaardigd is, zodat het beroep op artikel 263 BW niet opgaat. Op grond hiervan is ook grief 3 ongegrond.

8.4 Grief 4: het gevolg van scheiding van tafel en bed
8.4.1 De man voert aan dat de kantonrechter geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de man, nu de scheiding van tafel en bed slechts als gevolg heeft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, welke thans alleen uit een onroerend goed bestaat waar de man woont, terwijl de vrouw niet heeft aangegeven waarom zij nu plots na 14 jaren verdeling van de goederen wenst, daar zij
niet in financiële nood verkeert, omdat zij wordt verzorgd door hun meerderjarige zoon. Volgens de man heeft de veroordeling grote psychische, sociale en economische gevolgen, daar hij op 77-jarige leeftijd niet in staat is om het aandeel van de vrouw in geld uit te keren en daardoor dakloos zal worden. De man stelt zich op het standpunt dat beide partijen thans een onderdak hebben en de relatie tussen hen zeer goed is, terwijl geen van hen in financiële nood verkeert, de scheiding van tafel en bed, met name het gevolg, thans ongeoorloofd is.

8.4.2 De vrouw voert hiertegen aan dat ingevolge artikel 175 BW een gevolg van de scheiding van tafel en bed is dat de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden en ex artikel 176 BW vatbaar is voor verdeling, terwijl ingevolge artikel 1093 juncto 295 BW, niemand verplicht is om in een onverdeeldheid te blijven. Volgens de vrouw kan de kantonrechter daarom het rechtsgevolg niet laten meewegen bij de beoordeling of er grond voor de scheiding van tafel en bed aanwezig is.

8.4.3 Het Hof overweegt dat voor de beoordeling van een vordering tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed slechts van belang is dat de in de wet daartoe vereiste grond aanwezig is dan wel bewezen wordt geacht. Een eventuele benadeling als gevolg van de rechtsgevolgen van een dergelijke scheiding van tafel en bed of echtscheiding, moeten partijen middels een convenant proberen te minimaliseren. Evenwel kan een dergelijke geschil worden voorgelegd aan de boedelnotaris die het dan kan voorleggen aan de kantonrechter ter beoordeling indien partijen niet tot een overeenstemming kunnen komen. Grief 4 is daarom ook ongegrond.

8.5 Nu, de grieven ongegrond zijn bevonden, ziet het Hof geen aanleiding om het vonnis waarvan beroep opnieuw te beoordelen, zodat dit zal worden bevestigd onder eventuele aanvulling van gronden.

8.6 De man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van vrouw gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 april 2014 (A.R.No. 13-2141) waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil;

 

Aldus gewezen door: mr. M. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M. Mettendaf

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 06 januari 2017, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Sohansingh namens advocaat mr. I.A. Nazir, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr, A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 13 januari 2015 met producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 19 januari 2015;
– het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 23 februari 2015;
– de beschikking van het Hof d.d. 9 maart 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 03 maart 2015 met 6 weken is verlengd;
– het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 13 april 2015;
– de beschikking van het Hof d.d. 21 april 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 14 april 2015 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
– het verweerschrift d.d. 25 mei 2015, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 26 mei 2015;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 03 juli 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 augustus 2015;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 juni 2016;

De motivering
1. De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
1.1 Verzoeker is in de maand mei 1991 in dienst getreden van verweerder en tewerk gesteld bij de districtsafdeling Paramaribo van het Onderdirectoraat Algemeen Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting als ambtenaar B in klasse 1a in de functie van administratief medewerker.
1.2 Te rekenen van 01 juli 2001 is verzoeker bevorderd tot ambtenaar B. Zijn laatstgenoten salaris bedroeg SRD. 1.290,-.
1.3 In de maand september van het jaar 2010 is het salaris van verzoeker stopgezet.
1.4 Verzoeker is vanaf het dienstjaar 2010 veelvuldig onwettig afwezig geweest.
1.5 Verzoeker is nimmer ontslagen.
1.6 Verzoeker heeft bij schrijven d.d. 13 december 2013 en 02 januari 2014 aan verweerder te kennen gegeven het daarheen te leiden dat hij zijn werkzaamheden kan hervatten en hem alsnog het salaris en emolumenten vanaf augustus 2010 tot heden wordt voldaan.

2. De vordering en het verweer daartegen
2.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
a. verweerder te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem uit te keren zijn salaris vanaf september 2010 ad SRD 1.290,-, vermeerderd met alle in de tussentijd toegekende salarisverhogingen en looncorrectie, alsmede conform de salarisaanpassingen ingevolge het Fiso-systeem totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd;
b. verweerder te veroordelen tot betaling van de vertragingsrente van 50% van het loon ingevolge artikel 1614q lid 1 BW;
c. verweerder te veroordelen binnen een week een besluit te nemen teneinde wederom arbeid te mogen verrichten, zulks op straffe van een dwangsom van SRD. 5.000,- per dag, voor elke dag dat verweerder hiermee in gebreke mocht blijven;
d. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2 Verzoeker heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd:
– dat hij in de maand augustus 2010 door het hoofd van zijn afdeling mondeling is aangezegd dat hij wegens gewijzigde beleidsinzichten thuis kon blijven met behoud van salaris;
– dat in de maand september van het jaar 2010 het salaris van verzoeker zonder enige reden of kennisgeving is stopgezet;
– dat hij, verzoeker, zich vaker tot verweerder heeft gewend en aangegeven dat hij zijn werkzaamheden wenst uit te voeren, doch werd hem medegedeeld dat hij een schrijven zou ontvangen wanneer hij met zijn werkzaamheden kon beginnen.
– dat verzoeker nimmer is ontslagen en dat de dienstbetrekking dus voortduurt totdat deze op richtige wijze is beëindigd.
– dat hij echter vanaf september 2010 zijn salaris en emolumenten niet heeft ontvangen;
– dat verweerder gehouden is het salaris van verzoeker te voldoen, doch weigert hij dit, weshalve hij zich schuldig maakt aan wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad;
– dat hij recht heeft op salaris en emolumenten te weten, het salaris vanaf de periode september 2010, vermeerderd met een boeterente van 50%, vakantiedagen in geld uitgedrukt en vakantie uitkeringen.
– dat voorts verweerder gehouden is, ingevolge artikel 1614q lid 1 Burgerlijk wetboek (BW), een boete van 50% van het loon aan verzoeker te voldoen, wegens vertraagde betaling.

2.3 De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat het Hof van Justitie onbevoegd is van de vordering kennis te nemen, althans dat verzoeker niet ontvangen kan worden in zijn vordering, aangezien verzoekers vordering tot uitkering van salaris, betaling van vertragingsrente of een besluit tot het mogen verrichten van arbeid niet voorkomt in de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet (PW). Voorts dat verzoeker tardief met het instellen van zijn vordering.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof overweegt ten aanzien van het verweer van verweerder, dat hij op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet (PW) onbevoegd is van de vordering kennis te nemen, het navolgende.
3.1.1 Op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet (PW), oordeelt het Hof als ambtenarenrechter in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
3.1.2 Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan die in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet (PW) bedoelde.
Het Hof begrijpt dat verzoeker vordert dat het besluit van verweerder tot stopzetting van zijn salaris vernietigd dient te worden. Blijkens artikel 79 lid 2 van de Personeelswet zijn vatbaar voor nietigverklaring, besluiten betreffende het salaris en besluiten waarbij een tuchtstraf is opgelegd. Gelet hierop acht het Hof zich wel bevoegd kennis te nemen van hetgeen is gevorderd onder a van het petitum.
3.1.3 Met betrekking tot het onder b van het petitum gevorderde wordt overwogen dat de in artikel 1614q BW bedoelde wettelijke verhoging die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, niet bedoeld is als een ( gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (verg.HR 5 januari 1979, NJ 1979/207). Tijdige betaling van het salaris is immers van groot belang voor de werknemer, aangezien hij zijn levensbehoefte afstemt op de ontvangst van zijn salaris. In zoverre is de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW niet op te vatten als onderdeel van hetgeen gevorderd kan worden binnen het kader van artikel 79 van de Personeelswet (PW) en zal het Hof zich derhalve onbevoegd verklaren kennis te nemen van dit onder b van het petitum gevorderde.
3.1.4 Ten aanzien van het gevorderde onder c van het petitum overweegt het Hof dat blijkens artikel 79 van de Personeelswet het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot wedertewerkstelling. Het Hof zal zich dan ook ten aanzien van dit gevorderde onbevoegd verklaren.
3.1.5 De onder d van het petitum gevorderde proceskostenveroordeling zal worden afgewezen nu dit gevorderde eveneens niet op de wet is gestoeld.

3.2 Ten aanzien van het verweer dat verzoeker niet ontvangen moet worden in zijn vordering, daar hij tardief is met het instellen daarvan, overweegt het Hof ten aanzien van het onder a van het petitum gevorderde het navolgende.
Het besluit tot stopzetting van het salaris is in de maand september van het jaar 2010 ter kennis gekomen van verzoeker. Niet is gesteld noch is gebleken dat verzoeker binnen de administratie tegen dit besluit beklag heeft gedaan of in beroep is gegaan. Het besluit kan geacht worden ter kennis van verzoeker te zijn gekomen in de maand oktober van het jaar 2010. Verweerder heeft de vordering ingesteld op 19 januari 2015. Geoordeeld wordt dan ook, dat verzoeker tardief is met het instellen van zijn vordering tot betaling van het salaris voor de periode september 2010 tot en met 19 december 2014 aangezien verzoeker deze vordering uiterlijk 01 november 2010 had moeten hebben ingesteld. Het Hof zal op grond van artikel 80 lid 1 van de Personeelswet verzoeker slechts ontvangen ten aanzien van dat deel van de vordering, daterende vanaf 19 december 2014.

3.3 Verzoeker heeft bij zijn verhoor d.d. 03 juni 2016 onder meer het navolgende verklaard:
“Ik was werkzaam op het Ministerie van Sociale Zaken en zou overgeplaatst worden naar het Kabinet van de President. Op gegeven moment heeft de heer [naam], Beleidsmedewerker op het Kabinet van de President, mij in de maand augustus 2010 mondeling gezegd dat ik wegens gewijzigde beleidsinzichten in afwachting van mijn overplaatsing thuis kon blijven met behoud van mijn salaris. De [naam] was niet mijn directe chef op het Ministerie van Sociale Zaken. …Ik ben thuis gebleven en het ministerie heeft mijn salaris toen stopgezet….In antwoord op uw vraag kan ik u aangeven dat ik niet door het Ministerie van Sociale Zaken ben aangezegd om thuis te blijven, maar door iemand van het Kabinet van de President.”

3.4 Het Hof overweegt, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken is komen vast te staan dat verweerder in de periode januari 2010 tot en met december 2010 vaak onwettig afwezig is geweest. Vanaf de maand januari 2011 is verzoeker niet meer aan het werk verschenen. Blijkens het schrijven d.d. 30 juli 2010 – zijnde een verweerschrift zijdens verzoeker – is zijn veelvuldig verzuim te wijten geweest aan zijn participatie aan de verkiezingen en dat hij in staat voor de gevolgen van zijn handelen.
Voorts is gebleken dat verzoeker op aanzeggen van dhr. [naam], die toentertijd beleidsmedewerker op het Kabinet van de President was, de werkplek niet langer heeft bezocht. Tenslotte heeft verzoeker pas bij schrijven d.d. 13 december 2013 en 02 januari 2014 betaling gevorderd van zijn vanaf 2010 uitgebleven salaris.

3.5 Het hof is van oordeel, dat niet is komen vast te staan, dat dhr. [naam] bevoegd was verzoeker toestemming te geven om thuis te blijven in afwachting op zijn overplaatsing. Evenmin is komen vast te staan dat van een overplaatsing van verzoeker volgens de aangewezen procedure melding is gemaakt en is afgehandeld, waardoor verzoeker niet langer gehouden was zich op de werkplek aan te melden. Ook is niet gebleken dat verzoeker van een bevoegde instantie vrijstelling van dienst heeft gekregen in verband met zijn participatie aan de te houden verkiezing. Het Hof overweegt derhalve, dat nu is gebleken dat verzoeker zonder enige valide reden onwettig aanwezig is geweest voor langer dan 3 jaren opeenvolgend en dientengevolge de aan hem opgedragen werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, hij dan ook geen aanspraak maakt op het daarbij behorend salaris vanaf 19 december 2014, met de bijbehorende verhogingen c.q. looncorrectie.

3.6 Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen, zal als na te melden worden beslist.

De beslissing

Het Hof:

Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde onder b en c van het petitum kennis te nemen;

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering vermeld onder a van het petitum voor wat betreft het gevorderde salaris over de periode van september 2010 tot en met 19 december 2014;

Wijst het overig gevorderde onder onder a en d van het petitum af;

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 januari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van verzoeker en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. M. Winter namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

In de zaak van:

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. G.D. Faerber, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres] in [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gegeven beschikking van 14 februari 2011 (A.R.No. 110524) tussen [appellant] als verzoeker en [geïntimeerde] als gedaagde,

geeft de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 4 maart 2011 hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter-plaatsvervanger d.d. 14 februari 2011 (A.R.No. 110524) tussen [appellant] als verzoeker en [geïntimeerde] als gedaagde;

De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1. Bij verzoekschrift d.d.7 februari 2011 heeft [appellant] toen als verzoeker het verzoek gedaan bij de kantonrechter in het eerste kanton hem toestemming te verlenen ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag te doen leggen op diens roerende goederen alsook op diens onroerend goed zoals weergegeven in het inleidend verzoekschrift en wel ter verzekering van zijn vordering inclusief rente en kosten begroot op USD.60.000,- (zestigduizend Amerikaanse dollars) .
1.2. Door de kantonrechter is de gevraagde toestemming bij beschikking d.d. 14 februari 2011 afgewezen op de grond dat niet summierlijk is gebleken van een vordering van [appellant] op [geïntimeerde] en voorts daar door [appellant], naar het oordeel van de Kantonrechter, geen beroep kan worden gedaan op een ongetekende overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst.
1.3. Partijen hebben in dit hoger beroep geen grieven genomen.
1.4. Nu [appellant] het hoger beroep heeft ingesteld binnen de door de wet vereiste termijn is hij daarin ontvankelijk.
1.5. [appellant] heeft ter staving van zijn vermeende vordering gesteld dat hij op 9 maart 2009 een mondelinge arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] is aangegaan; dat daarbij het salaris USD.14.084,27 bedroeg op basis van veertig uren per werkweek; dat bij de aanvang van de dienstbetrekking [appellant] USD.8.000,- maandelijks zou ontvangen en het verschil per maand na het tweede jaar in zijn geheel aan [appellant] zou worden voldaan; dat op 31 mei 2010 de dienstbetrekking tussen partijen op verzoek van [appellant] is beëindigd; dat [geïntimeerde] in strijd met de afspraken niet het volledig salaris heeft betaald aan [appellant] over de periode dat de dienstbetrekking heeft geduurd; dat [geïntimeerde] over genoemde periode van 14 maanden slechts heeft betaald USD.65.500,- terwijl [geïntimeerde] over genoemde periode moest betalen 14 maanden á USD.8000,- is USD.118.000,-; dat [geïntimeerde] als gevolg hiervan nog aan [appellant] verschuldigd is het geldbedrag van USD.52.500,–.
1.6. [appellant] heeft ter staving van de vordering overgelegd, een ongetekende schriftelijke arbeidsovereenkomst in het Engels, een negental kopieën van overmakingsformulieren, een kopie van een deurwaardersexploit inhoudende betekening van een ingebrekestelling en een kopie van een hypothecair uittreksel ten name van [geïntimeerde].
2.1 Teneinde te beoordelen of het gevraagde verlof tot het leggen van het beslag kan worden toegestaan dient eerstens te worden nagegaan of [appellant] aannemelijk heeft kunnen maken dat hij een summierlijk deugdelijke vordering op [geïntimeerde] heeft. Uit de overgelegde ongetekende schriftelijke overeenkomst kan dit niet worden afgeleid, immers is de overeenkomst niet getekend en kunnen partijen dus niet daaraan worden gehouden.
2.2 Uit de overmakingsformulieren kan worden afgeleid dat er gelden zijn overgemaakt naar [appellant] door hoofdzakelijk andere opdrachtgevers [namen] dan [geïntimeerde]. Slechts op één van de overmakingsformulieren is de naam van [geïntimeerde] ook genoemd. Echter, ook al zou blijken dat [geïntimeerde] altijd de opdrachtgever voor de overmaking is geweest, dan nog blijkt uit deze overmakingen niet wat de onderlinge afspraken waren tussen partijen. [appellant] heeft bijvoorbeeld geen enkel stuk overgelegd waaruit deugdelijk blijkt wat partijen daadwerkelijk waren overeengekomen, voorts wat [geïntimeerde] reeds heeft betaald aan [appellant] en wat door [geïntimeerde] uit dien hoofde nog verschuldigd zou zijn aan [appellant] danwel een stuk waaruit de erkentenis van [geïntimeerde] blijkt dat hij genoemd bedrag aan [appellant] verschuldigd is. Een betekende ingebrekestelling draagt niet bij om de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] aannemelijk te maken nu dat een eenzijdige handeling betreft.
2.3 Gelet op het hiervorenoverwogene komt het hof, gelijk de kantonrechter heeft geconcludeerd in de bestreden beschikking, tot de slotsom dat [appellant] zijn vordering op [geïntimeerde] niet summierlijk deugdelijk aannemelijk heeft gemaakt, weshalve de aangevallen beschikking zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

Beschikkende in beroep:
Bevestigt onder aanvulling van gronden de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 14 februari 2011 (A.R.No.110524), waarvan beroep;

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 januari 2017, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, jurist op het Parket van de Procureur-Generaal,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justi-tie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 16 april 2012 met producties, ter Griffie ontvangen op 17 april 2012;
– het verweerschrift d.d. 28 mei 2012 met producties, ter Griffie ontvangen op 29 mei 2012;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 25 september 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 19 oktober 2012;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 19 oktober 2012;
– de pleitnota d.d. 03 mei 2013, met producties;
– het antwoordpleidooi en uitlating producties d.d. 05 juli 2013, met producties;
– het repliekpleidooi en uitlating producties d.d. 02 augustus 2013;
– het dupliekpleidooi d.d. 04 oktober 2013, met een productie;
– de conclusie tot uitlating productie d.d. 06 december 2013;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 04 april 2014,doch nader bepaald op heden.

De motivering
De feiten
1. Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 Bij schrijven d.d. 30 juli 2008 gericht aan de Onderdirekteur van de Afdeling Vervoer van het ministerie, heeft mevrouw R.S. Nanan haar beklag gedaan over het hoofd van de Afdeling Vervoer, [verzoeker].
1.2 [verzoeker] is bijkans 27 jaar ambtenaar en is bij beschikking d.d. 16 november 2007 AD [nummer] benoemd in de functie van Hoofd Vervoer van de Hoofdafdeling Technische Diensten van het ministerie.

1.3 Bij schrijven van de waarnemend Onderdirekteur Technische Diensten van het ministerie d.d. 19 januari 2012, [kenmerk 1], is ondermeer het navolgende aan [verzoeker] medegedeeld:
“Met verwijzing naar de recente aantijgingen aan uw adres door uw ondergeschikten en uw onbetamelijk handelen en gedrag tijdens onze bespreking op 18 januari 2012, wordt u op grond van artikel 23 van de vigerende Personeelswet met ingang van donderdag 19 januari 2012, in afwachting van nog te nemen maatregelen, buiten functie gesteld.”

1.4 Bij schrijven d.d. 19 januari 2012 gericht aan de direkteur van het ministerie, heeft de Organisatie van Bushouders in Suriname haar beklag gedaan over het slecht functioneren van het Hoofd van de Afdeling Vervoer.

1.5 Bij schrijven d.d. 30 januari 2012 gericht aan de waarnemend Onderdirekteur Technische Dienst van het ministerie, heeft [verzoeker] verweer gevoerd tegen zijn buitenfunctiestelling.

1.6 Bij schrijven van de waarnemend Onderdirekteur Technische Diensten van het ministerie d.d. 17 februari 2012, [kenmerk 2], is ondermeer aan [verzoeker] medegedeeld dat zijn buitenfunctiestelling per heden wordt beëindigd met zijn onmiddellijke ter beschikkingstelling van de waarnemend direkteur van het ministerie en dat hij zich op 20 februari 2012 om 07.00 uur dient aan te melden bij de direkteur voor het verkrijgen van
verdere directieven.

1.7 Bij schrijven d.d. 23 februari 2012 gericht aan de waarnemend Onderdirekteur Technische Dienst van het ministerie, heeft [verzoeker] verweer gevoerd tegen de brieven d.d. 19 januari 2012 en d.d. 17 februari 2012.

1.8 Bij exploot no.136 d.d. 06 maart 2012 heeft [verzoeker] bezwaar doen aantekenen bij de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling tegen de tegen hem genomen maatregelen en is tevens herstel in oude toestand gevraagd.

1.9 Bij schrijven van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 27 maart 2012, [kenmerk 3], heeft de Minister het door [verzoeker] gevraagde bij exploot no.136 d.d. 06 maart 2012, afgewezen.

De vordering en het verweer daartegen
2.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
Primair:
I. voor recht te verklaren dat de besluiten vervat in de brieven d.d. 19 januari 2012 en 17 februari 2012, nietig zijn;
II. herstel in oude toestand te gelasten onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat geweigerd wordt het aan het vonnis te voldoen;

Subsidiair:
I. de besluiten vervat in de brieven d.d. 19 januari 2012 en 17 februari 2012, te vernietigen;
II. herstel in oude toestand te gelasten onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat geweigerd wordt het aan het vonnis te voldoen;

2.2 [verzoeker] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de maatregel van buitenfunctiestelling van zijn persoon door de waarnemend Onderdirecteur Technische Diensten van het ministerie, van elke grond ontbloot is en de Staat kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt van artikel 23 van de Personeelswet dan het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, weshalve het besluit van rechtswege nietig is. Vanaf 19 januari 2012
weet [verzoeker] niet waar hij aan toe is. Hij moet zich dagelijks aanmelden op het hoofdkantoor van het ministerie, zonder dat het duidelijk is waar zijn werkplek is en welke werkzaamheden hij moet verrichten. Het handelen van de Staat doorstaat de toets aan de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid en van zorgvuldigheid, niet. De Staat heeft alzo schade aan [verzoeker] berokkenend.

2.3 Het ministerie heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het besluit betreffende de ter beschikkingstelling ingevolge artikel 79 van de Personeelswet niet vatbaar is voor nietigverklaring, hetgeen betekent dat het Hof zich als ambtenarengerecht onbevoegd moet verklaren ten aanzien van het onder I van het primair gevorderde. Evenmin biedt artikel 79 van de Personeelswet het Hof de bevoegdheid om zich te buigen over het onder II van het primair en onder I en II van het subsidiair gevorderde, weshalve het Hof zich onbevoegd zal dienen te verklaren.

De beoordeling van het geschil
3.1 Voorop wordt gesteld dat het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bevoegd is tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur; en dat ingevolge lid 2 van hetzelfde artikel, de navolgende besluiten vatbaar zijn voor nietigverklaring:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-aktiviteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.

3.2 Het Hof begrijpt dat [verzoeker] onder I van het primair gevorderde vraagt om de besluiten vervat in de brieven d.d. 19 januari 2012 en d.d. 17 februari 2012 nietig te verklaren.
Nu het besluit vervat in de brief d.d. 19 januari 2012 betrekking heeft op de buitenfunctiestelling van [verzoeker], hetgeen naar het oordeel van het Hof ingevolge artikel 61 lid 1 van de Personeelswet geen tuchtstraf is, acht het Hof zich op grond van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet onbevoegd om van deze vordering kennis te nemen aangezien dit be-sluit niet vatbaar is voor nietigverklaring.
Aangezien de brief d.d. 17 februari 2012 betrekking heeft op de ter beschikkingstelling van [verzoeker] van de direkteur van het ministerie, acht het Hof zich eveneens op grond van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet onbevoegd om van de vordering kennis te nemen, nu dit besluit evenmin vatbaar is voor nietigverklaring.

3.3 Op grond van het vorenoverwogene acht het Hof zich onbevoegd om van het primair gevorderde onder I kennis te nemen.
Evenmin acht het Hof zich bevoegd om op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet kennis te nemen van het primair gevorderde onder II en het subsidiair gevorderde onder I en II van het petitum.
Het verweer van het ministerie c.q. de Staat treft derhalve doel en zal het Hof zich onbevoegd verklaren om van de vorderingen van [verzoeker] kennis te nemen.

De beslissing
Het Hof:

– verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van verzoeker en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. R. Rathipal namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-23

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie, vertegenwoordigd wordende
door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. A.R. Rathipal, jurist op het Parket van de Procureur-Generaal,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken
gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 15 mei 2012, met producties;
– het verweerschrift d.d. 20 juni 2012, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 27 juni 2012;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 25 september 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 19 oktober 2012;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 19 oktober 2012;
– de conclusie tot overlegging producties zijdens de Staat, d.d. 07 december 2012, met producties;
– de pleitnota d.d. 15 februari 2013, met producties;
– het antwoordpleidooi en uitlating producties d.d. 15 maart 2013, met producties;
– het repliekpleidooi en uitlating producties d.d. 05 april 2013;
– het dupliekpleidooi d.d. 03 mei 2013;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 04oktober 2013, doch nader bepaald op heden.

De motivering
De feiten
1. Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoekster]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 [verzoekster] is vanaf het jaar 2005 in vaste dienst van het ministerie en als schoonmaakster te werk gesteld bij de Landmacht.

1.2 [verzoekster] is op 10 maart 2011 door de douane bij het postbedrijf Suriname Service Line aangehouden en daarna in verzekering gesteld terzake Overtreding van de Wet op Verdovende Middelen, waarbij zij gebruik heeft gemaakt van een vervalste identiteitskaart.

1.3 Vanaf 01 mei 2011 heeft [verzoekster] geen salaris ontvangen.

1.4 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 03 juni 2011, Bureau [nummer 1], is besloten om [verzoekster] met toepassing van artikel 66 lid 1 juncto artikel 66 lid 3 van de Personeelswet alsnog van rechtswege te schorsen, met bepaling dat indien zij kostwinner mocht zijn, de helft van het salaris zal worden uitbetaald aan de daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden.

1.5 Bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 07 juni 2011 is [verzoekster] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, een bevel tot gevangenhouding, een proeftijd van 3 jaar en een geldboete van SRD 1.500,-, subsidiair 1 maand hechtenis.

1.6 De schorsingsbeschikking van het ministerie is op 09 september 2011 aan [verzoekster] in persoon uitgereikt.

1.7 Bij schrijven d.d. 14 september 2011, is [verzoekster] aangezegd zich binnen 5 dagen na ontvangst van het schrijven, schriftelijk te verweren.

1.8 Bij schrijven d.d. 19 september 2011, heeft [verzoekster] zich schriftelijk verweerd, waarbij [verzoekster] voor zover van belang heeft betoogd:
“… De rede waarom ik mijzelf heb schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet Verdovende middelen is dat ik in geldnood zat en had de bank mijn aanvraag tot een lening afgewezen. Bovengenoemde veroordeling betreur ik ten zeerste en deel ik u bij deze mede dat ik mijn les heb geleerd en dat zulks nimmer meer zal gebeuren. Verder verzoeke ik bij deze dat ik mijn functie als schoonmaakster bij het Ministerie van Defensie wenst te behouden, zulks daar ik als alleenstaande moeder 2 minderjarige kinderen heb die ik dien te verzorgen en heb ik ook nog schulden c.q. aflossingen die ik dien te plegen bij bedrijven waar ik goederen op afbetaling heb gekocht….Bij deze geef ik verder nog aan dat ik sedert 3 juni 2011 ben geschorst en verzoek ik dat de termijn van schorsing als mijn straf zal dienen en dat ik wederom met mijn werkzaamheden een aanvang kan/mag maken.”

1.9 Bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van het ministerie d.d. 23 februari 2012, kenmerk 518/12, is aan [verzoekster] medegedeeld dat aan haar ontslag uit Staatsdienst conform artikel 61 lid 1 sub j en lid 2 sub b van de Personeelswet, zal worden verleend.

1.10 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 04 april 2012, Bureau [nummer 2], is besloten om [verzoekster] ingevolge artikel 61 lid 1 sub j en lid 2 sub b van de Personeelswet wegens plichtsverzuim, uit Staatsdienst te ontslaan, met bepaling dat zij te rekenen van 01 mei 2011 haar ambtsverplichtingen niet heeft vervuld, weshalve zij geen aanspraak maakt op salaris, onder de navolgende overwegingen:
“- dat de schoonmaakster ………door de Politie in verzekering werd gesteld als verdacht van zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding Wet op verdovende middelen;
– dat betrokkene bij vonnis van de Kantonrechter van 07 juni 2011 is veroordeeld…;- dat mevrouw [verzoekster] voornoemd bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 14 september 2011 in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren, doch is haar verweerschrift van 19 september 2011, gezien de aard van het delict niet steekhoudend bevonden, met dien verstande, dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding Wet op Verdovende middelen;
– dat mevrouw [verzoekster], voornoemd, het imago van de Defensie- organisatie heeft geschaad, zelf heeft toegegeven dat zij het strafbaar feit heeft begaan en dat in haar verweerschrift geen enkele redenen zijn aangegeven die haar handeling kunnen rechtvaardigen;
– dat het voorgaande en gezien de aard van het delict, ingevolge artikel 61 lid 1 sub j en lid 2 sub b van de “Personeelswet” grond voor ontslag oplevert en er derhalve alle aanleiding bestaat om mevrouw [verzoekster] meergenoemd uit Staatsdienst te ontslaan.”

1.11 Voornoemde ontslagbeschikking is op 18 april 2012 bij exploot van de gerechtsdeurwaarder Louise Tran van Can-Doesburg, aan [verzoekster] betekend.

1.12 [verzoekster] is kostwinner.

De vordering en het verweer daartegen
2.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de beschikking van de Minister Defensie d.d. 04 april 2012 te willen vernietigen, althans nietig te verklaren.

2.2 [verzoekster] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de ontslagbeschikking voornoemd in strijd is met artikel 28 lid 3 juncto artikel 30 lid 3 juncto artikel 68 lid 3 van de Personeelswet, nu haar salaris met terugwerkende kracht wordt ingehouden terwijl van een schorsing middels een schriftelijk stuk ingevolge artikel 71 lid 5 van de Personeelswet niet is gebleken.
Voorts is het vonnis waarbij [verzoekster] is veroordeeld op 21 juni 2011 in kracht van gewijsde gegaan, terwijl zij op 23 februari 2012 pas wordt medegedeeld dat aan haar ontslag uit Staatsdienst zal worden verleend, hetgeen onbehoorlijk bestuur en in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur is, met name het rechtszekerheidsbeginsel, nu het ministerie heeft nagelaten binnen een maand nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, een tuchtstraf op te leggen, weshalve zij erop mocht vertrouwen dat zij, na haar werk te hebben hervat in september 2011 en geen enkel signaal van de leiding van het ministerie te hebben ontvangen,
gehandhaafd zou worden in de dienst. Bovendien ontbeert de ontslagbeschikking een motivering. Tenslotte wijkt artikel 30 van de Personeelswet duidelijk af van het principe ‘no work no pay’ en heeft het ministerie nagelaten ingevolge artikel 29 lid 3 van de Personeelswet rekening te houden met het feit dat [verzoekster] kostwinner, alleenstaande moeder met 2 minderjarige kinderen is en moeilijk een vaste baan kan vinden.

2.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd erop neerkomende dat [verzoekster] ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet van rechtswege was geschorst en ingevolge artikel 30 lid 2 en lid 3 van de Personeelswet het salaris wordt ingehouden gedurende de schorsing, alsmede dat [verzoekster], gelet op het beleid en de voorlichting van het ministerie, had kunnen weten dat zij na een strafvonnis niet meer gehandhaafd zou worden in de dienst. Bovendien is op geen enkele wijze het vertrouwen gewekt dat [verzoekster] in de dienst gehandhaafd zou worden. [verzoekster] haar vordering is daarom gebaseerd op onjuiste gronden en omstandigheden waardoor haar vordering ongegrond en onbewezen blijft en derhalve geweigerd dient te worden.

De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

3.2 Op grond van artikel 80 lid 1 van de Personeelswet is het Hof van oordeel dat [verzoekster] kan worden ontvangen in haar vordering, nu [verzoekster] de gewraakte ontslagbeschikking op 18 april 2012 heeft ontvangen en het verzoekschrift in casu op 15 mei 2012 is ingediend.

3.3 Het Hof stelt voorop dat [verzoekster] ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet vanaf haar inverzekeringstelling op 10 maart 2011 van rechtswege was geschorst, welke schorsing ingevolge artikel 68 lid 1 van de Personeelswet is geëindigd op de dag waarop [verzoekster] in vrijheid is gesteld, zijnde 06 maanden na 10 maart 2011, omstreeks 09 september 2011.
De schorsingsbeschikking ingevolge artikel 66 lid 1 en lid 3 van de Personeelswet d.d. 03 juni 2011, die [verzoekster] zijdens het ministerie heeft ontvangen op 09 september 2011, is naar het oordeel van het Hof slechts een bevestiging van de schorsing van rechtswege en dus geen tuchtmaatregel, met dien verstande dat op grond van de schorsingsbeschikking van het ministerie, gedurende de schorsingsperiode de daarvoor in aanmerking komende belanghebbenden van [verzoekster] recht hebben op uitbetaling van de helft van haar salaris.

Naar het oordeel van het Hof is de schorsing van [verzoekster] ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet derhalve ingevolge artikel 68 lid 1 van de Personeelswet, geëindigd op de dag waarop [verzoekster] in vrijheid is gesteld, zijnde omstreeks 09 september 2011, nu [verzoekster] door het ministerie niet is geschorst op grond van artikel 66 lid 2 sub b van de Personeelswet.

3.4 Gelet op het overwogene onder 3.3 hebben de rechthebbenden van [verzoekster] recht op uitbetaling van de helft van het salaris van [verzoekster] vanaf 01 mei 2011 tot en met medio september 2011.

3.5 Het Hof overweegt dat [verzoekster] na haar invrijheidstelling niet buiten functie was gesteld noch was geschorst op grond van artikel 66 lid 2 van de Personeelswet door het ministerie zoals bepaald in artikel 71 lid 5 van de Personeelswet, en heeft het ministerie in haar schorsingsbeschikking d.d. 03 juni 2011 uitdrukkelijk bepaald dat aan de rechthebbenden van [verzoekster] gedurende de schorsingsperiode de helft van haar
salaris zal worden uitbetaald indien [verzoekster] kostwinner is. Gelet op het vorenoverwogene, is naar het oordeel van het Hof het ontslag, met name het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van de ontslagbeschikking d.d. 04 april 2012, in strijd met artikel 30 lid 2 en artikel 71 lid 5 van de Personeelswet, weshalve het ontslag dus niet kan terugwerken.

3.6 Het Hof is voorts van oordeel dat de tuchtmaatregel gepast is, mede gelet op het feit dat [verzoekster] niet weersproken heeft op de hoogte te zijn van het beleid van het ministerie ten aanzien van vonnissen uitgesproken tegen het personeel en zij willens en wetens dit risico heeft willen nemen, wetende dat zij kostwinner is met 2 minderjarige kinderen. Op grond hiervan en ook op grond van het feit dat [verzoekster] niet wederom te werk was gesteld, had [verzoekster] er niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zij in de dienst gehandhaafd zou worden. Meer nog, in de vele gesprekken die zij na haar invrijheidstelling volgens haar met het ministerie heeft gevoerd, is haar niet medegedeeld dat zij haar werkzaamheden zou mogen hervatten. Bovendien had zij reeds op 23 februari 2012 de mededeling ontvangen dat zij ontslagen zou worden.
Naar het oordeel van het Hof is het ministerie slordig geweest door bij het opleggen van de schorsing, deze niet tevens te baseren op artikel 66 lid sub b van de Personeelswet, doch leidt deze slordigheid naar het oordeel van het Hof, niet tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het gevolg hiervan is dat [verzoekster] naar het oordeel van het Hof recht heeft op doorbetaling van haar volledig salaris vanaf medio september 2011 tot aan de ingangsdatum van haar ontslag, zijnde 19 april 2012. De bepaling in artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek is derhalve niet van toepassing.

3.7 Nu op grond van het vorenoverwogene kan worden geconcludeerd dat het ontslag als tuchtmaatregel aan [verzoekster] rechtmatig is gegeven en de gewraakte beschikking naar het oordeel van het Hof deugdelijk is gemotiveerd, zal de beschikking d.d. 04 april 2012 slechts gedeeltelijk nietig worden verklaard en met name het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van voormelde beschikking. Gebruikmakend van de bevoegdheid gegeven in artikel 82 lid 3 juncto lid 4 van de Personeelwet, zal het Hof het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van de beschikking d.d. 04 april 2012, nietig verklaren, met bepaling
dat het ministerie aan de rechthebbenden van [verzoekster] de helft van haar salaris zal uitbetalen vanaf 01 mei 2011 tot medio september 2011 en aan [verzoekster] zelf het volledige salaris uitbetalen vanaf medio september 2011 tot en met 18 april 2012.

De beslissing
Het Hof:

4.1 verklaart nietig de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 04 april 2012, Bureau no. PW/Ag.no. 1000/12 voor wat betreft het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van voornoemde beschikking, als volgt luidende:

“II. Te bepalen, dat betrokkene ingevolge artikel 30 lid 2, juncto artikel 28 lid 3 van de “Personeelswet”, en artikel 1614b van het “Surinaams Burgerlijk Wetboek”, geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding over de dagen waarop zij haar ambtsverplichtingen niet heeft vervuld en wel te rekenen van 01 mei 2011 tot en met de datum van ingang van het ontslag.”

4.2 draagt het ministerie op om binnen 3 maanden na betekening van dit vonnis:
1. aan de rechthebbenden van [eiser] uit te betalen de helft van het laatst genoten salaris van [verzoekster], vanaf 01 mei 2011 tot medio september 2011; en
2. aan [eiser] zelf het volledige, laatst genoten salaris uit te betalen vanaf medio september 2011 tot de ingangsdatum van het ontslag, zijnde 19 april 2012.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. F.M.S. Ishaak namens advocaat mr. H.H. Veldkamp, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door
mr. A.R. Rathipal, gevolmachtigde namens verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2017-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende in [district],
eiser, hierna aangeduid als [eiser],
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. M. Winter,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift d.d. 8 juni 2012, ter griffie ontvangen op 8 juni 2012, met producties;
– het verweerschrift d.d. 20 juli 2012, ter griffie ontvangen op 23 juli 2012, met producties;
– de beschikking van het Hof van 22 oktober 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 2 november 2012;
– het proces-verbaal van de op 2 november 2012 gehouden mondelinge behandeling;
– de pleitnota d.d. 15 februari 2013, met een productie;
– de antwoord pleitnota d.d. 18 april 2013, overgelegd ter griffie op 19 april 2013;
– de repliek pleitnota d.d. 17 mei 2013;
– de dupliek pleitnota d.d. 31 juli 2013, overgelegd ter griffie op 2 augustus 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [eiser] is als Penitentiair Ambtenaar 2e klasse in vaste dienst bij de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie en werkzaam in de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan.

2.2 [eiser] was op 24 juli 2011 ingedeeld in de ochtenddienst van 07.00 uur tot 14.00 uur tezamen met onder andere penitentiair ambtenaar [naam 1].

2.3 Op 24 juli 2011 is kort na de dienstoverdracht (omstreeks 17.00 uur) de gedetineerde [naam 2] in beschonken toestand aangetroffen.

2.4 In de nachtdienst van 28 op 29 juli 2011 is op de kamer van de gedetineerde [naam 3] een petfles met bruingekleurde vloeistof, vermoedelijk whisky, aangetroffen.

2.5 In een aan [eiser] gericht schrijven van de Directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan van 2 augustus 2011, P.I.D.[nummer 1] is vermeld:
“Naar aanleiding van aanhoudende informatie dat u zich bezig houdt met het verlenen van hand en spandiensten voor gedetineerde en dat u in de morgendienst van zondag 24 juli dezer alchohol (bier) in de inrichting hebt binnengebracht, werd u in bijzijn van de onderdirecteur mr. RAMADHIN, A. geconfronteerd met de informatie als voornoemd.

U gaf toe op die bewuste zondag 24 juli dezer een blik bier te hebben gekocht bij de Chinees tegenover de Inrichting alhier, welke u samen met uw collega [naam 1] hebt gedronken in het cellenblok. Na confrontatie met de informatie van de penitentiaire ambtenaar [naam 1] bekende u dat u nog eens twee (2) blikken bier de inrichting hebt binnengebracht en deze te hebben gedronken samen met penitentiaire ambtenaar [naam 1] voornoemd, daar het warm weer was en u een bier lustte.

Voorts hebt u bekend slechts een (1) keer alcohol in een mini plastic softfles te hebben gebracht voor de gedetineerde [naam 3], waarvoor u vijftig Surinaamse dollars (SRD 50) hebt ontvangen. Zulks gebeurde een maand terug. Verder geeft u door dat u nu wel gestopt bent met dergelijke praktijken.

Vermits het vorenstaande plichtsverzuim voor u kan opleveren, wordt u middels deze aangezegd zich ter zake, binnen 1 x 24 uur na ontvangst van dit schrijven schriftelijk te verweren.”

2.6 In zijn schriftelijk verweer van 2 augustus 2011 heeft [eiser] onder meer verklaard:
“Ik heb mij nimmer bezig gehouden met het verlenen van hand- en spandiensten aan gedetineerden. Evenmin heb ik nimmer in de morgendienst van zondag 24 juli 2011 alcohol (bier) de inrichting binnen gebracht en gedronken.

De beschuldiging dat ik samen met collega [naam 1] enkele blikken bier zou hebben gedronken in het cellenblok zijn ongegrond.

Het voorgaande heb ik tijdens het gesprek waar u, de onderdirecteur, collega [naam 1] en mij persoon aanwezig waren steeds aangegeven dat ik mij nimmer aan de feiten genoemd in uw verweeraanzegging heb schuldig gemaakt. De beschuldiging dat ik een keer, voor de gedetineerde [naam 3], alcohol in een petfles zou hebben gebracht tegen betaling van SRD 50,= is eveneens onwaar. Volgens de regels van de Penitentiaire Inrichting mogen gedetineerden niet over geldmiddelen beschikken, waardoor zij ook geen betalingen kunnen verrichten.

Onder bedreiging met degradatie en schorsing en uw mededeling dat de zaak als afgehandeld zou worden beschouwd indien ik zou bekennen, heb ik aangegeven dat ik de feiten waar ik van wordt beschuldigd wel zou hebben gepleegd, hetgeen niet op de waarheid berust.”

2.7 [eiser] is in verband met een tegen hem ingesteld onderzoek met ingang van 2 augustus 2011 buiten functie gesteld. De buitenfunctiestelling is ingaande 26 augustus opgeheven.

2.8 In een door de penitentiaire onderdirecteur, mr. A. Ramadhin, aan de directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan gericht schrijven van 2 augustus 2011 staat onder meer het volgende:
“Op zondag 24 juli 2011 is de gedetineerde [naam 2] omstreeks 15.50 uur vervoerd naar de SEH van het Academisch Ziekenhuis voor medische bijstand, daar hij kort te voren vanwege een val in de badruimte een gapende wond had overgehouden aan zijn hoofd. De dienstdoende arts … constateerde dat bedoelde gedetineerde onder invloed van alcohol bevond…

Naar aanleiding van het incident verrichtte ik een onderzoek, waarbij het volgende moge worden vermeld:

Volgens informaties bleek dat in de ochtenduren van zondag 24 juli dezer de penitentiaire ambtenaren [naam 1] en [eiser] enkele malen buiten de inrichting zijn geweest en vermoedelijk met alcohol de inrichting weer terug zijn gekomen. De ploegcommandant [naam 4] bevestigde de informatie en verklaarde dat hij [eiser] die tot drie malen toe naar buiten was geweest nog had gewaarschuwd. Telkens kwam hij met een plastiek zak met inhoud naar binnen. Na de waarschuwing kwam penitentiair ambtenaar [naam 1] bij hem om te vragen of hij naar de winkel mocht gaan, waarmee hij toestemde. Ook hij kwam met een plastiek zak met inhoud naar binnen. Voorts verklaarde de ploegcommandant voornoemd dat hij begrepen heeft dat er een plastiek zak met lege bierblikken is aangetroffen in de wachtruimte in het cellencomplex. Het vermoeden bestaat dat de ambtenaren zowel de gedetineerden, althans de gedetineerde [naam 2] op die dag alcohol heeft gebruikt in de inrichting…

Naar aanleiding van die informatie (incident op zondag 24 juli 2011) werden beide ambtenaren afzonderlijk opgeroepen door de directie, op de werkkamer van de directeur op dinsdag 02 augustus dezer.

De Penitentiaire ambtenaar [naam 1] geconfronteerd met eerder vermelde informaties en feiten, verklaarde het volgende:

Dat hij op die bewuste zondag 24 juli dezer in de morgendienst bevond samen met zijn collega [eiser]. Het was warm die dag en [eiser] bracht een blik bier vanuit buiten de inrichting, waarvan zij samen dronken. Daarna is [eiser] weer naar buiten geweest om bier te halen/kopen. In totaal haalde hij in twee keer telkens twee blikken bier waarvan zij samen dronken. Vervolgens ging hij naar buiten en kocht bij de chinees twee blikken bier welke hij verder met [naam 3] in het cellenblok nuttigde…

De penitentiaire ambtenaar [eiser] werd eveneens afzonderlijk ontvangen in de werkkamer van de directeur. Nadat hij ook geconfronteerd werd met de informatie, gaf hij toe 3 (drie) blikken bier in de ochtend van 24 juli dezer te hebben gekocht bij de chinees tegenover de inrichting en te hebben genuttigd samen met zijn collega [naam 1]. Daarna is [naam 1] geweest om bier te kopen en heeft hij in een keer twee blikken gekocht, welke hij samen met hem heeft genuttigd.
Op de vraag wat hij te verklaren had op de vondst van een petfles met alcohol op 29 juli bij de gedetineerde [naam 3], verklaarde hij daarvan niets af te weten. Hij gaf wel toe ongeveer een maand terug een petfles met alcohol te hebben gebracht voor diezelfde gedetineerde tegen betaling. Hij zou naar eigen zeggen van een relatie van de gedetineerde voornoemd als tegenprestatie SRD 50,– hebben ontvangen.”

2.9 [eiser] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 12 april 2012,
J.[nummer 2] wegens plichtsverzuim de navolgende tuchtstraffen opgelegd:
a) ontslag ingevolge artikel 32 lid 1 sub j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub j van de Personeelswet, onder voorwaarde dat deze niet ten uitvoer zal worden gebracht, indien betrokkene gedurende twee jaren zich niet aan een plichtsverzuim van soortgelijke of ernstige aard schuldig maakt;
b) degradatie ingevolge artikel 32 lid 1 sub i van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub i van de Personeelswet, bestaande uit terugstelling tot de rang Penitentiair Ambtenaar der 3e klasse (functiegroep 6, schaal 06A), voor de duur van 1 jaar, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 1.629,= per maand.
In deze beschikking is daartoe overwogen:
“ dat betrokkene tijdens zijn mondeling verweer bij de Directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan, heeft toegegeven bij verschillende gelegenheden alcohol en andere etenswaren voor gedetineerden de inrichting binnen te hebben gebracht, met andere woorden, betrokkene geeft toe hand- en spandiensten te hebben verricht;

dat deze handelingen, die plichtsverzuim voor hem opleveren, niet getolereerd kunnen worden in een gedisciplineerd korps;

dat betrokkene … in de gelegenheid is gesteld zich binnen 1×24 uur ter zake schriftelijk te verweren, waaraan hij gevolg heeft gegeven, echter heeft hij het hem ten laste gelegde niet kunnen weerleggen;

dat betrokkene zich eerder aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt waarvoor hij ook disciplinair is gestraft;

dat het derhalve nodig is wederom een tuchtstraf op te leggen aan betrokkene.”.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a. de beschikking onder 2.9 vermeld, althans het besluit daarin vervat nietig te verklaren;
b. de Staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom ad SRD 1.000,= voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
c. veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, met name de beginselen van juiste informatie, van deugdelijke feitelijke grondslag, van draagkrachtige juiste formulering en het zorgvuldigheidsbeginsel en wel omdat:
1. in zijn verweerschrift hij het gestelde plichtsverzuim heeft weerlegd, althans hij heeft ontkend zich aan het hem verweten plichtsverzuim te hebben schuldig gemaakt.
2. er zou sprake zijn van aanhoudende informatie dat hij zich aan plichtsverzuim schuldig maakte, maar hij niet eerder hiermee geconfronteerd is. Er is ook nimmer bewijs hiervan overgelegd.
3. hij tijdens het mondeling verweer werd bedreigd met degradatie en schorsing indien hij niet zou bekennen. Onder invloed van deze druk heeft hij bekend alcohol de inrichting te hebben binnen gebracht en de alcohol tezamen met zijn collega [naam 1] te hebben gebruikt.
4. bij het nemen van het gelaakt besluit is geen, althans onvoldoende rekening gehouden met het aantal dienstjaren van hem en het feit dat dit naast de eerdere tuchtmaatregel van extra diensten de tweede keer is dat hij een tuchtstraf ondergaat.

3.3 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Bevoegdheid
4. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot verlaging van rang of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering, kort gezegd, tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot verlaging van rang dan wel voorwaardelijk ontslag van een penitentiair ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5. [eiser] heeft verklaard dat de bestreden beschikking op 10 mei 2012 te zijner kennis gebracht. De Staat heeft dit erkend, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
Dit heeft tot gevolg dat [eiser], nu zijn verzoekschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
6.1 Het Hof merkt allereerst op dat de Staat ten aanzien van het in de Personeelswet gebezigde begrip “plichtsverzuim” de ruimte is gelaten om deze term verder in te vullen, zodat naar het oordeel van het Hof in deze sprake is van beoordelingsruimte zijdens de Staat. Dit brengt met zich mee dat bij de beoordeling in rechte slechts marginaal getoetst mag worden; ter beoordeling van het Hof ligt slechts de vraag open of de Staat in redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen.
Daarvoor is allereerst vereist dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

6.2 Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij tijdens een vier uur durend verhoor onder druk is gezet. De onderdirecteur heeft hem voorgehouden te bekennen, waarna alles binnenshuis zou worden opgelost. Onder deze druk heeft hij bekend. [eiser] heeft verder verklaard dat hij niet drie keer naar de winkel is geweest maar slechts één keer, tegen negen uur.

6.3 De Staat heeft aangevoerd dat er geen sprake was van bedreiging tijdens het verhoor van [eiser]. Het mondelinge verweer van [eiser], heeft volgens de Staat niet lang geduurd. [eiser] is wel ongeveer vier uren ter beschikking geweest, maar het verhoor zelf heeft volgens de Staat niet meer dan een uur geduurd.

6.4 Het Hof overweegt dat ook indien tijdens het mondeling verweer sprake is geweest van degradatie en schorsing, dit niet als een bedreiging hoeft te gelden; het zijn immers tuchtstraffen die ingevolge de personeelswet kunnen worden toegepast indien een ambtenaar zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Daarnaast overweegt het Hof dat de verklaring van [eiser] tijdens het mondelinge verweer overeenkomt met de verklaring van [naam 1] voornoemd, die immers een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van het gebeuren op 24 juli 2011: [eiser] heeft als eerst meermalen alcohol gehaald bij de winkel, waarna [naam 1] dit heeft gedaan; de alcohol hebben zij ([eiser] en [naam 1]) tezamen genuttigd tijdens werkuren. De verklaring van [naam 1] wordt ook ondersteund door de verklaring van de ploegcommandant. Daarnaast wordt de bekennende verklaring van [eiser] ook ondersteund door de bierblikken die in de wachtruimte zijn aangetroffen. De bekennende verklaring van [eiser] wordt dan ook geloofwaardig geacht.
Ten aanzien van het verstrekken van alcohol aan gedetineerden wordt overwogen dat op 24 juli 2011 gesteld noch gebleken is dat bij de dienstoverdracht door [eiser] hij er melding van heeft gemaakt dat een gedetineerde gebruik heeft gemaakt van alcohol. Nu vrij korte tijd daarna een gedetineerde uit dit cellenblok in beschonken toestand is aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat de penitentiaire ambtenaren die aldaar de wacht hielden, waaronder [eiser], het alcoholgebruik tenminste hadden behoren op te merken. Nu hier geen melding van is gemaakt, kan worden geconcludeerd dat [eiser] zijn plicht als penitentiair ambtenaar heeft verzaakt.

6.5 Naar het oordeel van het Hof is het handelen van [eiser] dat heeft geleid tot het opleggen van de tuchtstraffen vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 12 april 2012, J.[nummer 2] dermate ernstig dat ontslag, bij herhaling van dit handelen, passend wordt geacht. Nu het ontslag voorwaardelijk is, is het daarnaast verlagen van de rang geoorloofd en passend.
Uit het voorwaardelijk ontslag blijkt dat ruimschoots rekening is gehouden met het langdurig dienstverband van [eiser], zodat aan het door hem in dat kader gestelde, zal worden voorbij gegaan.
De overige standpunten van partijen behoeven geen bespreking, nu reeds is geoordeeld dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat [eiser] zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en tot het genomen besluit heeft kunnen komen.

6.6 Gelet op hetgeen onder 6.4 en 6.5 is overwogen zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

De beslissing

Het hof:
Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en

mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Rathipal namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van de verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2017-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als [verzoekster],
gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME
meer in het bijzonder het Ministerie van Volksgezondheid,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift ter griffie ingekomen op 19 december 2013 (met twee producties);
– de beschikking van het Hof van 07 april 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 02 mei 2014;
– het proces-verbaal van het nader op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen;
– een aantal producties in totaal 23 pagina’s belopende overgelegd zijdens de Staat op 01 augustus 2014;
– een conclusie tot uitlating zijdens verzoekster over de door de Staat overgelegde producties d.d. 17 oktober 2014;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoekster] is op 06 november 1998 op basis van een arbeidsovereenkomst [nummer 1] in dienst getreden van verweerder, met name het ’s Lands Hopitaal te Paramaribo en belast met de funcie van Interieur Verzorgster ingedeeld in functiegroep 3, functieschaal 3C.

2.2. Blijkens een verklaring van de Geneeskundige Commissie van 11 april 2013 is Vanier arbeidsongeschikt bevonden.

2.3. [verzoekster] is bij beschikking d.d. 04 oktober 2013 [nummer 2], ingevolge artikel 69 lid 2 sub f juncto 71 lid 4 van de Personeelswet ingaande 01 januari 2014 ontslag uit Staatsdienst verleend. Voor zover van belang is [verzoekster] het volgende medegedeeld:
“ dat de op arbeidsovereenkomst diendende landsdienaar belast met de functie van Interieur Verzorgster ingedeeld in functiegroep 3/schaal 3C, in———————-’s Lands Hospitaal te Paramaribo van het Ministerie van Volksgezondheid, mw. Conchita Hillery Vanier, blijkens de verklaring van de Geneeskundige Commissie van 11 april 2013, arbeidsongeschikt is bevonden;
dat [verzoekster] voornoemd, derhalve uit Staatsdienst dient te worden ontslagen, ingevolge artikel 69 lid 2 sub f van de “Personeelswet”.”

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoekster] vordert -zakelijk weergegeven- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a) de beschikking van 04 oktober 2013 [nummer 2] op elk der voorgeschreven gronden alsmede deze in ondeling verband en samenhang beschouwd te vernietigen althans nietig te verklaren;
b) veroordeling van verweerder tot rehabilitatie van verzoekster onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,= per dag, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat verweerder weigert uitvoering te geven aan het vonnis.

3.2. [verzoekster] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij is ontslagen wegens de vaststelling van de Geneeskundige Commissie. Echter raakt de rapportage van de Geneeskundige Commissie kant nog wal, vanwege de hoge mate van obscuriteit. [verzoekster] geeft ook aan dat zij niet in staat was terzake verweer te voeren.

3.3. [verzoekster] stelt tenslotte dat het besluit van de Minister van Volksgezondheid in strijd is met het motiverings- en het gelijkheidsbeginsel als zijnde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.4. Van verweerder is er, na het verstrijken van de termijn van zes weken conform artikel 714d van de Personeelswet, geen verweerschrift ter Griffie ontvangen.

Bevoegdheid
4. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens artikel 79 lid 2 sub e van de Personeelswet zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat het Hof bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [verzoekster].

Ontvankelijkheid
5. Geconstateerd wordt dat [verzoekster] opkomt tegen het besluit van de Minister van Volksgezondheid waarin haar ontslag uit Staatsdienst wordt aangezegd. Nu het besluit van de Minister [verzoekster] heeft bereikt op 21 november 2013 en het verzoekschrift ten Griffie is ontvangen op 19 december 2013 concludeert het Hof dat [verzoekster] ontvankelijk is in haar vordering daar deze op grond van artikel 80 lid 1 van de Personeelswet binnen een maand na het besluit van de Minister aan haar kenbaar is gemaakt, is ingediend.

Beoordeling van het geschil
6.1. Het Hof constateert dat artikel 69 lid 2 sub f van de Personeelswet aangeeft dat aan een ambtenaar, behalve wegens plichtsverzuim, ook ontslag kan worden verleend indien hij blijkens de resultaten van een geneeskundig onderzoek hetzij uit hoofde van ziekten en gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen. Uit de door verweerder overgelegde stukken, welke door [verzoekster] niet genoegzaam gemotiveerd zijn weersproken, blijkt dat [verzoekster] vaker voor langere perioden wegens ziekte niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten. Zo staat alszijnde niet weersproken onder meer vast, dat [verzoekster] 138 ziekte dagen had in 2011 en 199 ziekte dagen in 2012.

6.2. Op 28 januari 2013 heeft het Hoofd Personeelsbeheer en Loonadministratie een schrijven gericht aan de Geneeskundige Commissie waarin gevraagd wordt dat er door voornoemde commissie een onderzoek wordt ingesteld naar de arbeidsgeschiktheid van [verzoekster].
De Geneeskundige Commissie heeft een verklaring betreffende ziekteverlof d.d. 11 april 2013 uitgegeven, waaruit blijkt dat [verzoekster] door haar is onderzocht en dat vrijstelling van dienst wegens ziekte voor herstel van gezondheid voor de tijd 26 t/m 31 jan; 21 t/m 24 febr; 21, 22, 13 mrt; 05, 13, 16, 17, 18 apr; 02, 23 t/m 29 mei; 21, 22, juni; 20 t/m 30 juli; 13 t/m 31 aug; 01 sept t/m 31 dec 2012 en 01 jan t/m 31 mei 2013 noodzakelijk is. Tevens heeft de Geneeskundige Commissie een verklaring betreffende afkeuring voor ’s Landsdienst d.d. 11 april 2013 uitgegeven waarbij zij heeft verklaard [verzoekster] te hebben onderzocht en bevonden te hebben dat onderzochte bijvend ongeschikt is zijn (lees: haar) betrekking te vervullen door één der oorzaken genoemd in artikel 69 tweede lid onder f van de Personeelswet.

6.3 Gelet op de langdurige ziekte van [verzoekster], één en ander zoals dat hierboven is beschreven, is het voor het Hof niet onbegrijpelijk dat verweerder [verzoekster] op enig moment naar de Geneeskundige Commissie heeft gestuurd ter keuring. Dat de Geneeskundige Commissie gelet op het voorgaande tot de bevinding is gekomen dat [verzoekster] blijvend arbeidsongeschikt is, is naar ’s Hovens oordeel eveneens niet onbegrijpelijk. De motivering in het genomen ontslagbesluit, met name dat [verzoekster] blijkens de verklaring van de Geneeskundige Commissie d.d. 11 april 2013 arbeidsongeschikt is bevonden, is naar oordeel van het Hof genoegzaam, hetgeen tot gevolg heeft dat de stelling van [verzoekster] dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden, geen doel treft en dat hieraan wordt voorbijgegaan.

6.4 Voor wat betreft de grondslag van de vordering dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel oordeelt het Hof dat [verzoekster] onvoldoende heeft gesteld om eventuele niet in achtneming van het gelijkheidsbeginsel te kunnen toetsen. Gelet hierop wordt aan deze grond danook voorbijgegaan. Eén en ander heeft tot gevolg dat de vordering van [verzoekster] zal worden afgewezen.

6.5 Gelet op het overgelegde certificaat van onvermogen wordt [verzoekster] toegestaan ten deze kosteloos te procederen.

De beslissing
Verstaat dat [verzoekster] ten deze kosteloos procedeert;

Wijst het gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en
mr. G.L. de Miranda, Leden-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door mr. P. Chen namens mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Rathipal namens mr. R. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-20

Het Hof van Justitie van Suriname

In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker],
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. R. Rathipal, Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop:
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift met producties, ter Griffie ontvangen op 14 december 2015, van de kant van [verzoeker];
– het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 juni 2016 aangetekend op het kaft van het procesdossier;
– het proces-verbaal van het gehouden verhoor van partijen d.d. 2 december 2016.
1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op 19 mei 2017.

2. De feiten
2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
Bij beschikking van 4 maart 2005 is [verzoeker] wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag uit staatsdienst opgelegd. Dit besluit is ingetrokken bij beschikking van 5 augustus 2005, bekend onder [nummer] en [verzoeker] is daarbij tevens ontslagen uit actieve politiedienst en gelijktijdig aangesteld in de burgerrang van stafambtenaar A 3e klasse.
2.1 Bij schrijven van 18 mei 2015 heeft [verzoeker] aan de Minister van Justitie en Politie het verzoek gedaan om hem wederom in actieve politie dienst te plaatsen, althans hem in aanmerking te doen komen voor bevordering in zijn huidige functie.
2.2 Bij schrijven van 13 juli 2015 heeft de korpschef het verzoek afgewezen.

3. De vordering en de grondslag
3.1 [verzoeker] vordert:
Primair:
– dat het besluit van 5 augustus 2005 nietig wordt verklaard en de Staat wordt veroordeeld om hem wederom in actieve politiedienst te doen plaatsen onder verbeurte van een dwangsom;

Subsidiair:
– dat de Staat wordt veroordeeld om hem per 10 mei 2001 in aanmerking te doen komen voor een bevordering in zijn huidige functie in de burgerrang, inclusief de daarop gebaseerde verhoging in salaris en voorts;

Primair en Subsidiair:
– dat de Staat wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag:
[verzoeker] voert – kort en zakelijk weergegeven – als grondslag voor het gevorderde aan dat het besluit:
– in strijd is met de wet en
– in strijd is met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en motiveert die grondslag alsvolgt.
Bij het nemen van het besluit is er geen rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, namelijk dat hij sinds 1990 trouw en eerlijk gediend heeft en dat hij zich nimmer schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

4. Bevoegdheid
4.1 Gelet op hetgeen hiervoor bij 2.1 is overwogen dient [verzoeker] als een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Personeelswet te worden beschouwd.
4.2 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot ontslag van een ambtenaar uit de actieve politiedienst, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

5. Ontvankelijkheid
5.1 Het door [verzoeker] bestreden besluit tot ontslag uit de actieve politiedienst is vervat in de beschikking van 5 augustus 2005. Dit besluit is in 2005 aan hem ter kennis gebracht waarna hij in de burgerrang is gaan dienen.
5.2 De vordering van [verzoeker] is ingediend op 14 december 2015.
5.3 [verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat hij wegens overmacht pas na circa 10 jaren de vordering instelt daarbij stellende dat de overmacht hierin bestond dat hij na het ontslag uit actieve politiedienst, in een gemoedstoestand was die hem niet toeliet een vordering in te stellen.
5.4 Het Hof zal aan dit beroep op overmacht voorbij moeten gaan nu [verzoeker] ten aanzien van die overmachtssituatie geen documenten heeft overgelegd waaruit de overmacht zou kunnen blijken en [verzoeker] in zijn verzoekschrift zelf aangeeft dat hij in 2006 wel bij de Minister van Justitie middels een schrijven heeft aangegeven dat hij het met het ontslag niet eens is.
5.5 De vordering is niet ingediend binnen een maand nadat het besluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht en is [verzoeker] derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet niet-ontvankelijk.

5. De beslissing
Het hof:
– Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn vordering;
Aldus gewezen en uitgesproken door: mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. I. Sonai, Leden-Plaatsvervanger en
w.g. S.S.S. Wijnhard

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advocaat mr. E.D. Esajas en mr. R. Rathipal, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld