SRU-HvJ-2018-18

G.R.No. 14770

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

1. a) [appellant 1], wonende in het [district],

b) [appellant 2], wonende te [plaats], [land],

c) [appellant 3], wonende in het [district],

d) [appellant 4], gehuwd Bhagwandien, wonende in het [district],

e) [appellant 5], wonende in het [district],

allen in de hoedanigheid van erfgenamen van wijlen Haripersad Anandbahadoer (hierna ook de erflater), overleden op 20 juni 2007, en

2. [appellant 6] voornoemd, hierna ook te noemen de weduwe, als privé-persoon,

allen appellanten, oorspronkelijk eisers in kort geding,

gemachtigde: mr C.B. Lachman, advocaat

tegen

[geintimeerde], wonende te [plaats], [land],

geïntimeerde , oorspronkelijk gedaagde in kort geding,

gemachtigde: de mr. S.N. Woei A Sioe, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 5 juli 2012 uitgesproken vonnis (A.R.No. 11-3849) in kort geding tussen appellanten als oorspronkelijke eisers en geïntimeerde als oorspronkelijk gedaagde, spreekt de Fungerend President in Naam van de Republiek het volgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken inhoudende dat appellanten op 16 juli 2012 hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van het eerste kanton, op 5 juli 2012 in kort geding tegen hen uitgesproken;

– een pleidooi van appellanten van 19 april 2013 waarin een vijftal grieven tegen het vonnis is ontwikkeld;

– een antwoordpleitnota van 4 oktober 2013;

– een repliekpleidooi van 20 juni 2014;

– een dupliekpleidooi van 3 oktober 2014.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

1. Hoewel partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak op 5 juli 2012 waren verschenen en een aangetekende dienstbrief van de griffier houdende mededeling van deze uitspraak nog niet was verzonden toen namens appellanten hoger beroep werd ingesteld op 16 juli 2012, kan appellanten niet worden tegengeworpen dat zij te vroeg in hoger beroep zijn gekomen. Het Hof verwijst daarvoor naar de gronden, vermeld in zijn uitspraak van 18 maart 2011 in de zaak met nummer GR 14428, Surinaams Juristenblad 2011, p. 83.

2. Geïntimeerde heeft gevorderd appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep op grond dat hun pleidooi slechts strekt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Daarin zouden ook geen (voldoende) redenen voor het hoger beroep zijn aangegeven in de vorm van grieven en een toelichting daarop met als gevolg dat geïntimeerde zich in zijn verdediging geschaad acht en in het duister tast omtrent de omvang van de rechtsstrijd. Van dat laatste blijkt echter niets uit het vervolg van de antwoordpleitnota en het dupliekpleidooi, waarin geïntimeerde puntsgewijs ingaat op de grieven van appellanten. In het repliekpleidooi hebben appellanten vervolgens voldoende duidelijk gemaakt dat zij naast vernietiging van het vonnis waarvan beroep, ook toewijzing van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen wensen.

3. Geïntimeerde heeft ten slotte – kennelijk subsidiair – gevorderd appellante onder 1-e in haar hoedanigheid van erfgename niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep op grond dat zij – blijkens het op 22 november 2012 aan hem als geïntimeerde betekende afschrift van de in het register gehouden aantekening van beroep – alleen in haar onder 2) vermelde hoedanigheid als oorspronkelijke procespartij wenste op te komen tegen het in eerste aanleg gewezen kort-geding-vonnis. Het hof verwerpt deze vordering van geïntimeerde op grond dat uit het bedoelde register het tegendeel blijkt. Geen onvolledig of zelfs nietig oproepingsexploit vermag ooit een appellant te beroven van de ontvankelijkheid in zijn deugdelijk geregistreerde appel.

4. Geïntimeerde heeft ook nog beweerd dat het oproepingsexploit d.d. 22 november 2012 (no 177) tegen de eerste zitting in hoger beroep van 1 maart 2013 nietig is, maar zijn verschijning heeft de eventuele nietigheid gedekt. Appellanten kunnen dus allemaal in hun hoger beroep worden ontvangen.

De beoordeling

5. De feiten

5.1 Appellanten onder 1) zijn de erfgenamen bij versterf van [naam 1], overleden op 20 juni 2007, hierna de erflater; appellante onder 1-e en 2 was zijn echtgenote, hierna de weduwe.

5.2 Bij vonnis van 26 oktober 2010 (AR 07-1137) zijn op verzoek van geïntimeerde d.d. 5 maart 2007 de erflater en de weduwe in kort geding veroordeeld tot levering van de nog niet geleverde tweede helft van een stuk perceelland in Tout Lui Faut op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag. De weduwe was op 19 december 2003 al verschenen bij de levering van de eerste helft van het perceelland voor de notaris met haar nadien op 20 juni 2007 overleden echtgenoot.

5.3 Op 4 april 2011 heeft de weduwe bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte ter zake van de zogenaamde “Voorlopige koopovereenkomst” d.d. 12 februari 2003 betreffende een perceelland van 30 x 40 meter, welke onderhandse akte aan het rechterlijk bevel tot levering ten grondslag was gelegd: haar naam was als haar handtekening geschreven terwijl ze nergens van wist. Het volgens deze onderhandse akte (voorlopig) verkochte perceelland mat 30 x 40 meter, terwijl het op 19 december 2003 bij notariële akte geleverde slechts 15 m breed was.

5.4 intussen was de toenmalige gemachtigde die namens het echtpaar [naam 2] verweer had gevoerd – beweerdelijk door hen beiden daartoe uitdrukkelijk gemachtigd – tweemaal (op 24 november 2010 en zonder intrekking van het vorige appel opnieuw op 31 januari 2011) in hoger beroep gekomen; het vonnis was echter uitvoerbaar bij voorraad verklaard niettegenstaande appel en bleef dus voor executie vatbaar.

5.5 De executie werd op 21 april 2011 aangevangen met de betekening van het vonnis aan “de gezamenlijke erfgenamen” aan het sterfhuis en aan de te Rotterdam woonachtige erfgename via de Procureur-Generaal bij dit Hof. Het vonnis werd op 14 juli 2011 opnieuw betekend aan de gezamenlijke erfgenamen.

5.6 De erfgenamen en de weduwe – in haar dubbele hoedanigheid van voor de helft gerechtigde en van erfgename van de erflater – hebben een kort geding aangespannen, strekkende tot schorsing van de executie totdat in het hoger beroep van het tot levering strekkende kort-geding-vonnis van 26 oktober 2010 zou zijn beslist, en wel op grond van nieuwe omstandigheden en kennelijke misslagen in dat laatste vonnis waarvan de executie inmiddels was aangevangen.

5.7 Bij vonnis in dit kort geding van 5 juli 2012 is in de eerste aanleg door de kantonrechter geweigerd, het vonnis dan wel de executie ervan op die gronden te schorsen of op te schorten.

Toetsingskader voor schorsing van executie van een vonnis

6. Het Hof stelt voorop dat de kantonrechter daarbij het juiste toetsingskader voor de schorsing van een executie heeft gehanteerd, te weten dat een executie geschorst kan worden als het geëxecuteerde vonnis klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust dan wel er zich na het vonnis nieuwe feiten hebben voorgedaan of aan het licht zijn gekomen die een noodtoestand zouden creëren voor appellanten.

Verwerping van de grieven

7. Tegen de wijze waarop de kantonrechter daaraan in dit geval invulling heeft gegeven, voeren appellanten vijf grieven aan, waarop geïntimeerde heeft gereageerd.

7.1 De eerste twee stellen de valsheid van de aan de vordering tot levering ten grondslag gelegde “voorlopige koopovereenkomst” van 12 februari 2003 aan de orde, waaraan in eerste aanleg ten onrechte voorbij zou zijn gegaan. Appellanten hebben in dit kort geding echter zelf in de conclusie van repliek in eerste aanleg gesteld dat zij al bij conclusie van antwoord in conventie d.d. 9 oktober 2007 in het tot levering strekkende kort geding geantwoord hadden dat ze geen partij waren bij de voorlopige koopovereenkomst en (kennelijk bedoelen appellanten: impliciet) kenbaar hadden gemaakt dat de akte vals is en de erin gepretendeerde overeenkomst nimmer heeft bestaan althans niet rechtsgeldig is. Daarmee is er dus geen sprake van een pas na het in dat eerdere kort geding gewezen vonnis van 26 oktober 2010 aan het licht gekomen valsheid.

7.2 In hun derde grief kaarten appellanten aan dat er minstens tot en met de aantekening van het hoger beroep tegen het tot levering strekkende kort-geding-vonnis in die procedure geen melding van was gemaakt, dat de erflater al enige maanden na de aanvang van dat kort geding in 2007 overleden was. Appellanten hebben er vervolgens tot het onderhavige hoger beroep van afgezien, het geding op de voet van artikel 185 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te doen schorsen wegens de dood van de erflater. Dat was hun goed recht: zij hoefden zich niet in de procedurele plaats van de erflater te stellen, al was het maar om vertraging van het kort geding te voorkomen. Het was aan hun om de afweging te maken of zij al dan niet een termijn voor (onderling) beraad op aanvaarding van de nalatenschap of op voortzetting van het geding of op een gewijzigde procedurele stellingname wensten. Dat het vonnis een overledene veroordeelt, leidt dus niet tot de constatering van een klaarblijkelijke juridische misslag.

7.3 In hun vierde grief hebben appellanten aangevoerd dat het tot levering strekkende eerdere kort-geding-vonnis niet tegen hen kan worden ten uitvoer gelegd omdat zij in die eerdere zaak geen partij waren. Dat geldt echter wel voor hun erflater. In weerwil van de stelling van appellanten onder 1) kan een tegen een overledene gewezen vonnis wel degelijk tegen diens erfgenamen als rechtsopvolgers onder algemene titel worden geëxecuteerd, mits zij de nalatenschap aanvaard hebben en dat dit het geval is, blijkt wel uit hun eigen inleidend rekest tot dit kort geding, waarin appellanten onder 1) zich in de aanhef als erfgenamen afficheren en opkomen tegen een jegens hen en de weduwe ondernomen executie. Dit brengt ook mee dat al deze appellanten tegen deze executie kunnen opkomen.

7.4 Het Hof signaleert in dit verband dat ook de stellingen van appellanten onder 1) impliceren dat zij optreden als rechtsopvolgers onder algemene titel; in eerste aanleg hebben zij met zoveel woorden gesteld dat de erflater ab intestato overleden is en zijn zij opgekomen tegen de executie. Zij hebben daarbij aangevoerd dat rechtsopvolgers onder algemene titel – als hoedanig zij zich kennelijk beschouwen – zich tegen hun rechtsvoorganger gerichte veroordelende vonnissen niet behoeven te laten welgevallen. Dat is volgens het Hof echter de consequentie van hun vrijwillige aanvaarding van de nalatenschap die – naast baten – nu eenmaal ook al dan niet in een vonnis bevestigde verbintenissen kan omvatten. Als dat niet zo was, zouden appellanten onder 1) ook niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep van het eerdere tot levering strekkende kort-geding-vonnis.

7.5 In hun vijfde grief ten slotte klagen appellanten ten onrechte over de in het veroordelend vonnis gegeven omschrijving van het te leveren perceel. Zij verwijzen naar een in eerste aanleg overgelegd schrijven van de hypotheekbewaarder d.d. 21 februari 2012, waarin deze onder verwijzing naar artikel 1203 van het Burgerlijk Wetboek – dat voor inschrijving van een akte van overdracht “een bijzondere opgave van het onroerend goed en van des zelfs aard en ligging” eist- stelt dat in het tot levering strekkende kort-geding-vonnis het perceelland onvoldoende geïdentificeerd is. Het Hof voegt daaraan toe dat artikel 53 lid 2 van de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem (Staatsblad 2009, no 149, ook wel GLIS-wet) dezelfde eis stelt. Overigens blijkt niet dat de hypotheekbewaarder zich op dezelfde negatieve wijze heeft uitgelaten over de blijkens de dupliek in eerste aanleg onder 10) bij de notaris reeds opgemaakte kadastrale omschrijving van het te leveren perceelland.

7.6 Volgens het Hof hoeft dat alles in dit geval ook daarom niet aan executie in de weg staan, omdat de vereiste specificatie alsnog met behulp van een landmeter kan plaatsvinden. Als de aard en ligging van het te leveren onroerend goed partijen voldoende bekend is – en dat is volgens de kantonrechter het geval en in zoverre is hij door appellanten niet bekritiseerd – kunnen partijen bij een overdracht de landmeter aanwijzingen geven voor de opmeting en registratie van de door hen gewenste althans de door de rechter bevolen nieuwe grenzen en oppervlakten. Het Hof benadrukt daarbij dat niet de bestaande of door het Instituut Grondregistratie en Landinformatie Systeem (GLIS) nog te maken kavel-omschrijvingen leidend zijn, maar de wensen tot herverkaveling van partijen bij een leveringsakte; opmeting en inschrijving zijn volgend en dienend, niet voorschrijvend.

8. Andere redenen voor schorsing van de executie ?

8.1 Appellanten beroepen zich ook nog op andere omstandigheden die de executie voor geïntimeerde bemoeilijken of vertragen. Niet alleen de omschrijvingen van het door hen te leveren perceelland zouden omdat de verkavelingen en activiteiten van de landmeters van voormeld Instituut GLIS nog gaande zijn, te vaag zijn voor inschrijving ten hypotheekkantore – ook de betekeningen aan alle erfgenamen en appellante sub 2) als niet-erfgenaam in het kader van de door geïntimeerde voorgenomen executie zouden nog zijn uitgebleven. Dat is allemaal geen reden voor schorsing van de executie: immers wat niet is, kan komen.

8.2 Appellanten hebben zich nog afgevraagd hoeveel geld zij verbeuren aan dwangsommen bij overtreding van het tot levering strekkende verbod door slechts een hunner. Uiteraard verbeurt dan slechts die ene nalatige persoon dwangsommen.

8.3 Nu appellanten ook in hoger beroep geen klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslagen noch zogenaamde nova hebben kunnen aantonen, zal het Hof het vonnis van de kantonrechter bevestigen onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals hierboven overwogen.

De beslissing

Het Hof van Justitie:

rechtdoende in kort geding:

verklaart appellanten ontvankelijk in hun hoger beroep;

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt appellanten in de kosten van dit hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr S.M.M. Chu, Fungerend president, mr. M.C. Mettendaf en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en

w.g. S.M.M. Chu

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-17

G.R.No.14760

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],

wonende in [district],

verder te noemen: [appellant],

appellant,

gemachtigde: mr. S. Dulam, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [district],

verder te noemen: [geïntimeerde],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.M. Moerahoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 22 maart 2011 (A.R.No. 94-5152) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het proces-verbaal d.d.19 april 2012 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 17 mei 2013;

– de antwoordpleitnota d.d. 1 november 2013;

– de repliekpleitnota d.d. 6 december 2013;

– de dupliekpleitnota d.d. 2 mei 2014;

– de conclusie tot uitlating productie d.d. 4 juli 2007.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen. Ingevolge artikel 269 Rv is het tevens gericht tegen het aan het eindvonnis voorafgegane tussenvonnis van 27 februari 1996.

2. [appellant] heeft in deze zaak gevorderd, zakelijk weergegeven:

primair om [geïntimeerde] te veroordelen, tegen het in ontvangstnemen van een bedrag van Sf. 145.000,-, mede te werken aan het verlijden van een notariële akte van overdracht om aldus de levering door hem aan [appellant] te bewerkstelligen van een nader in de processtukken omschreven onroerend goed, onder verbeurte van een dwangsom indien hij daarmee in gebreke zou blijven en

subsidiair de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden althans ontbonden te verklaren met veroordeling van [geïntimeerde] tot het betalen aan [appellant] van een bedrag van Sf. 355.000,-, vermeerderd met rente en proceskosten en met van waarde verklaring van het door [appellant] gelegde conservatoir beslag.

3. De kantonrechter heeft bij het door [appellant] bestreden eindvonnis de primaire vordering afgewezen en de subsidiaire vordering tot betaling van het bedrag van Sf. 355.000,- vermeerderd met rente en proceskosten toegewezen, het conservatoir beslag van waarde verklaard met afwijzing van het subsidiair overigens gevorderde. De primaire vordering werd afgewezen omdat, kort gezegd, het litigieuze perceel mede aan de echtgenote van [geïntimeerde]in eigendom toebehoorde en zij voor de (beweerde) verkoop aan [appellant] niet de vereiste toestemming had gegeven; daardoor, aldus de kantonrechter, is de verkoop, mocht deze hebben plaatsgevonden, nietig. De subsidiaire vordering werd in zoverre als hiervoor aangegeven toegewezen omdat [geïntimeerde] zich tot betaling van het betreffende bedrag bereid had verklaard.

4. In hoger beroep vordert [appellant] dat zijn primaire vordering tot levering alsnog wordt toegewezen. Daaraan legt hij ten grondslag dat de (verval)termijn van één jaar als genoemd in artikel 164 BW – bedoeld zal zijn artikel 173 BW -, waarbinnen de echtgenote van [geïntimeerde] de koopovereenkomst had kunnen vernietigen, is verstreken zonder dat zij van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Immers, zo stelt hij, was de echtgenote van [geïntimeerde] sedert 11 januari 2007 van het bestaan van de koopovereenkomst op de hoogte. Zij heeft namelijk op die datum een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het door [appellant] gelegde conservatoir beslag, welk beslag hij had doen leggen in verband met de verkoop van het onderhavige perceel door [geïntimeerde] aan hem. Vervolgens heeft deze echtgenote, aldus [appellant], de termijn van een jaar, waarin zij de koopovereenkomst had kunnen vernietigen, laten verstrijken. Ter adstructie van een en ander heeft [appellant] het vonnis overgelegd, waarbij de kantonrechter over de gevorderde opheffing van het beslag heeft geoordeeld.

5. Uit bedoeld vonnis blijkt dat de echtgenote van [geïntimeerde] aan haar vordering tot opheffing van het beslag ten grondslag heeft gelegd dat het verkochte perceel behoorde tot de gemeenschap van goederen waarin zij met hem was gehuwd en dat zij tot de verkoop daarvan geen toestemming had gegeven.[appellant] heeft aldus op niet mis te verstane wijze kennisgenomen van het standpunt van [geïntimeerde]’s echtgenote dat zij zich verzette tegen de verkoop aan [appellant]. Het gaat hier om een aan hem gerichte verklaring, waaruit duidelijk blijkt dat zij de koopovereenkomst wenste te vernietigen, ervan af wilde, al heeft zij zich mogelijk niet uitdrukkelijk van de term “vernietigen” bediend.

6. Nu niet gesteld of gebleken is dat de echtgenote van [geïntimeerde] meer dan een jaar vóór 11 januari 2007 kennis droeg van de onderhavige koopovereenkomst, treft haar vernietiging doel. Reeds op deze grond dient [appellant] vordering tot nakoming daarvan ook in hoger beroep te worden afgewezen.

Het Hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen de beroepen vonnissen, zodat deze zullen worden bevestigd.

[appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het appel worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt de in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnissen d.d. 27 februari 1996 en 22 maart 2011 (A.R.No. 94-5152);

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-16

G.R.No.15023

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

1. DE STICHTING HEALTH REFORM, gevestigd te Paramaribo,

2. DE STICHTING NOEREEN, gevestigd te Paramaribo,

3. [appellant], wonende te [district],

appellanten,

afzonderlijk aangeduid met: SHMD, Noereen en [appellant],

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE CENTRALE BANK VAN SURINAME,

gevestigd te Paramaribo,

geïntimeerde,

verder te noemen: De Bank

gemachtigde: mr. Marja I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 7 augustus 2014 (A.R.No. 13-2087) tussen appellanten als eisers en De Bank als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het proces-verbaal d.d. 3 oktober 2014 van de griffier der kantongerechten, waaruit blijkt dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;

– de pleitnota d.d. 7 augustus 2015;

– de antwoordpleitnota d.d. 4 december 2015;

– de repliekpleitnota d.d. 5 februari 2016;

– de dupliekpleitnota d.d. 3 juni 2016.

De beoordeling

1. In dit kort geding vorderen appellanten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep primair De Bank te veroordelen de onder 2a en 2b genoemde overeenkomsten op straffe van verbeurte van een dwangsom na te komen. Subsidiair vorderen zij betaling van zekere geldbedragen. Naast een en ander vorderen zij De Bank te veroordelen zich in een brief aan appellanten op een nader in het inleidend verzoekschrift aangegeven wijze uit te laten.

2. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. SHMD heeft op 21 juni 2000 een overeenkomst met De Bank gesloten, krachtens welke eerstgenoemde de leiding van de gezondheidsdienst bij De Bank moest overnemen in geval van ontstentenis en/of afwezigheid van het Hoofd conform de aan het contract gehechte taakomschrijving.

b. Ook Noereen heeft een overeenkomst met De Bank gesloten, en wel op 25 mei 2000. Ingevolge deze overeenkomst diende Noereen als bedrijfsarts medische diensten te verlenen aan het personeel van De Bank. Feitelijk werden deze diensten verricht door de aan Noereen en SHMD verbonden [appellant].

c. Als tegenprestatie voor de onder a en b bedoelde werkzaamheden was De Bank aan SHMD en Noereen onderscheiden geldbedragen verschuldigd. Deze werkzaamheden zijn na het inwerkingtreden van de overeenkomsten tot een nader te noemen tijdstip in 2013 onafgebroken door SHMD en Noereen uitgevoerd. [appellant] had ook al eerder, namelijk vanaf 1990, gedurende enige jaren werkzaamheden van dezelfde aard ten behoeve van De Bank verricht krachtens een in die tijd met haar persoonlijk door hem gesloten contract.

d. Beide hiervoor genoemde overeenkomsten zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Daarin is opgenomen dat zij kunnen worden opgezegd met inachtneming van een termijn van drie maanden.

Aan de zijde van De Bank is deze opzeggingsbevoegdheid beperkt met de zinsnede “uitsluitend bij niet naleving van de overeenkomst door SHMD”, onderscheidenlijk “de bedrijfsarts”.

e. Op 5 februari 2013 heeft De Bank aan [appellant] een brief doen bezorgen met de volgende inhoud:

Geachte heer,

Op zaterdag 2 februari 2013 is de heer [naam 1], Beveiligingsmedewerker van de Bank, komen te overlijden in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo.

Deze Bankmedewerker stond bij u als patiënt geregistreerd en u was als bedrijfsarts verantwoordelijk voor zijn 1e lijns medische zorg en moest u zoveel mogelijk toezien op bevordering van zijn welzijn.

Uit een verklaring van Chirurg Girjasing is gebleken dat bij opname bij de Spoedeisende Hulp de heer [naam 1] als diagnose “zeer waarschijnlijk maagperforatie” was vastgesteld. Bij operatie bleek dat het ging om een langer bestaande maagperforatie welke niet is onderkend en een ernstige ontsteking van de buik heeft te weeg heeft gebracht. De heer [naam 1] is meerdere keren geopereerd omdat de infectie bleef aanhouden.

Uit de informatie verkregen van de Chirurg blijkt, dat de maag perforatie geruime tijd moet hebben bestaan, en de vraag rijst hoe dat kon gebeuren omdat de heer [naam 1] vaker bij u op de Poli is geweest met dezelfde klachten. Dit verwijst naar een zekere nalatigheid.

Ten slotte kan ik u mede delen dat er meerdere klachten door de medewerkers van de Bank, over uw behandeling, tijdens hun consult aan mij is gerapporteerd en dat die op eigen kosten wel naar een specialist zijn geweest.

Op grond van het bovenstaande, wens ik de overeenkomsten die de Bank met u als bedrijfsarts en als subhoofd Medische Dienst heeft, per heden met in achtneming van de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden op te zeggen.

Hoogachtend,

G. Hoefdraad

President

f. [appellant] is met ingang van 5 februari 2013 niet meer in het gebouw van De Bank toegelaten. Op genoemde datum heeft een bewaker hem bij de ingang daarvan tegengehouden.

g. Bij brief van 15 februari 2013 heeft [appellant] de President van De Bank om een onderhoud verzocht; hierop is door De Bank niet op enige wijze gereageerd.

h. De Bank heeft geweigerd de opzegging van de overeenkomsten in te trekken, waarop appellanten het onderhavige kort geding hebben aangespannen.

3. (standpunt appellanten)
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep leggen appellanten aan hun vorderingen, naast de hiervoor onder 2 genoemde feiten het volgende, zakelijk weergegeven, ten grondslag.

De opzegging van de overeenkomsten berust op een onjuiste interpretatie van het handelen van [appellant] jegens [naam 1]. Aan [appellant] kan niet het verwijt van een onjuiste diagnose bij [naam 1] worden gemaakt of dat hij anderszins jegens hem is tekortgeschoten. De opzegging heeft ernstige gevolgen gehad en het aanzien van [appellant] als arts heeft daardoor een deuk opgelopen. Het tegenhouden van [appellant] bij de ingang van het gebouw van De Bank door een bewaker is diffamerend. De Bank had, alvorens haar opinie te vormen, aan [appellant] gelegenheid moeten bieden zijn visie op de behandeling van [naam 1] te geven. Zelfs is De Bank niet ingegaan op een verzoek van [appellant], na ontvangst van de opzeggingsbrief, om het daarin gestelde te bespreken.

Tijdens de lange duur van de overeenkomsten is nooit enige klacht van patiënten aan [appellant] kenbaar gemaakt.

Er bestaat kortom onvoldoende grond voor de gedane opzegging en, nu appellanten als gevolg daarvan grote schade lijden, hebben zij bij de ingestelde vorderingen recht en belang.

4. (standpunt De Bank)

De Bank voert aan dat zij de overeenkomsten met SMHD en Noereen op goede gronden heeft beëindigd.

Haar verwijt aangaande [appellant]s behandeling van [naam 1] steunt op informatie van de chirurg Girjasing in combinatie met de stelling dat [naam 1] al vaker met dezelfde klachten bij [appellant] op de Poli was geweest. [naam 1] leed gedurende langere tijd aan dezelfde maagklachten en die bleken ook uit het beeld van zijn ziekteverzuim. Ondanks herhaald consult bij de bedrijfsarts schreef deze telkens dezelfde effectloze medicatie voor “totdat de patiënt van de pijn niet meer overeind kon staan”.

[naam 1] bezocht haar medische dienst op 17 december 2012 en hij kreeg toen van [appellant], “die als bedrijfsarts werd getypeerd” bepaalde medicijnen toegediend en vanaf die datum bovendien “prikjes”. Op 22 januari 2013 vond na veel aandringen van de familie verwijzing naar een radioloog plaats, waarbij de diagnose van de bedrijfsarts gal- of nierstenen was. [naam 1] werd na terugkeer op zwaardere medicatie van dezelfde soort gesteld en in telefoongesprek met de dochter van [naam 1] gaf [appellant] te kennen dat uit een laboratoriumtest was gebleken dat de patiënt een ontsteking had aan de twaalfvingerige darm. [naam 1] is vervolgens op eigen initiatief in de Spoedeisende Hulp (SEH) van het Academisch Ziekenhuis opgenomen en daar werd geconstateerd dat hij gaten in zijn maag had.

Een afdelingshoofd van De Bank heeft met Girjasing telefonisch contact gehad en laatstgenoemde heeft hem gezegd dat het ging om een verwaarloosde maagperforatie en het te laat doorverwijzen van een patiënt; [naam 1] klaagde al maanden over pijn in zijn buik, maar [appellant] heeft hem niet adequaat geholpen.

Er bestonden bij de werknemers van De Bank meerdere klachten over de wijze waarop [appellant] zijn beroep uitoefende; deze betroffen vooral het niet doorverwijzen naar een specialist.

De Bank voert, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, nog enige andere verweren. Deze komen onder de punten 17 t/m 25 aan de orde.

5. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

6. Ingevolge artikel 269 Rv is het hoger beroep mede gericht tegen het aan het eindvonnis voorafgegane tussenvonnis van de kantonrechter. Daarbij is een comparitie bepaald. Nu tegen dit vonnis geen grief is gericht en het Hof ambtshalve tegen de inhoud daarvan geen bedenkingen heeft, zal het worden bevestigd.

7. Appellanten bestrijden het eindvonnis van de kantonrechter met twee grieven. Deze leggen, mede blijkens de daarop gegeven toelichting het geschil in volle omvang aan het Hof voor. Het Hof zal, zoals hieronder zal blijken, de door de kantonrechter niet besproken verweren van De Bank mede in zijn oordeel betrekken.

8. In geschil is de vraag of De Bank de overeenkomsten met SHMD en Noereen mocht opzeggen, gelijk zij op 5 februari 2013 heeft gedaan. De Bank heeft in de op die datum aan [appellant] bezorgde brief als reden voor de opzegging in de eerste plaats genoemd dat hij jegens de heer [naam 1], werknemer van de bank, nalatig is geweest door niet te onderkennen dat deze persoon leed aan een maagperforatie, met als fataal gevolg dat [naam 1] is komen te overlijden. Voorts verwijst De Bank in de brief naar meerdere – niet gespecificeerde – klachten die andere werknemers van De Bank aangaande het functioneren van [appellant] hadden.

9. Door partijen zijn wederzijds, ter ondersteuning van hun stellingen, enige documenten met een medische achtergrond overgelegd. Het gaat, in chronologische volgorde, om:

– een kennelijk onjuist gedateerde brief (4-2-1913) van Girjasing aan de president van De Bank;

– een rapportage van de radioloog Chang Pang Huo d.d. 22 januari 2013;

– de brief van 4 februari 2013 van Girjasing aan de president van De Bank;

– een verklaring van genoemde radioloog d.d. 6 februari 2013;

– het schrijven van 15 mei 2013 van de Directeur van Volksgezondheid aan [appellant];

– informatie van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (verder: AZP) aan [appellant] omtrent [naam 1];

– een rapportage d.d. 2 september 2014 van AZP aan [appellant];

– een schrijven d.d. 10 februari 2015 van de Directeur van Volksgezondheid aan [appellant].

10. In deze documenten wordt, aangaande het overlijden van [naam 1], alleen in de brief van Girjasing d.d. 4 februari 2013 met een beschuldigende vinger in de richting van [appellant] gewezen. De inhoud van de brief is hierboven onder 2 e woordelijk weergegeven. Kort gezegd komt de inhoud van de brief erop neer dat [appellant] veel eerder een maagperforatie bij [naam 1] had moeten diagnosticeren en in verband daarmee passende maatregelen had moeten nemen.

De Directeur van Volksgezondheid rapporteert in haar hiervoor genoemde brieven, op basis van bestudering van de documenten van de SEH (spoedeisende hulp) en AZP, enige feiten. Zij is van mening dat het overlijden van [naam 1], elf dagen nadat hij naar de SEH is verwezen niet zonder meer in de schoenen van [appellant] kan worden geschoven. Er waren immers, zo relateert zij, meerdere partijen betrokken bij de diagnostiek en de behandeling van deze patiënt: de huisarts [appellant], de radioloog, de triage verpleegkundige bij de SEH van het AZP, de dienstdoende SEH arts, de dienstdoende internist, de voorwacht chirurgie, de chirurg en de medische staf en verpleging van de intensive care van het AZP. Bij de opname van [naam 1] in de SEH werd onder meer genoteerd: “ High risk situatie: Nee”.

In het dossier van het AZP komt voorts naar voren, aldus de Directeur van Volksgezondheid, dat de chirurg (Girjasing) pas de dag na opname bij de SEH in consult werd geroepen, omdat toen de algemene toestand van [naam 1] sterk verslechterde.

Uit de overige hierboven genoemde documenten blijkt nog dat de diagnose “maagperforatie” door geen van de andere betrokken medisch beroepsbeoefenaren op 22 januari 2013 – toen [appellant] [naam 1] naar de radioloog verwees – is gesteld.

11. De inhoud van de hierboven genoemde documenten geeft naar het oordeel van het Hof onvoldoende steun aan de opvatting van De Bank dat [appellant] een (ernstige) beroepsfout heeft gemaakt. Indien al, zoals Girjasing rapporteert, inderdaad reeds op 22 januari 2013 of eerder sprake was van een maagperforatie bij [naam 1], was deze blijkbaar moeilijk te diagnosticeren. Immers heeft noch de radioloog, noch enig andere medisch beroepsbeoefenaar, die bij de opname van [naam 1] op genoemde datum was betrokken, een diagnose van zodanige aard gesteld.

12. Girjasing vermeldt in zijn op 4-2-1913 gedateerde brief dat [naam 1] op 8 januari 2013 toenemende klachten van pijn in de maagstreek had en dat op 14 januari 2013 de klachten verergerd waren met braken en ernstig ziek zijn. Daaraan verbindt De Bank het verwijt dat [appellant] ook op deze beide laatste data ernstig jegens [naam 1] is tekort geschoten: “8 januari .. geen actie van drs. [appellant]; 14 januari …er gaat nog geen licht bij drs. [appellant] branden” (conclusie De Bank d.d. 15 juli 2014 sub 12).

Dit verwijt treft geen doel. [appellant] heeft, ondersteund door bescheiden – met name prod. 4 bij zijn repliekpleitnota – aangevoerd dat hij op genoemde data afwezig was. De Bank heeft dat niet betwist. Dit doet de vraag rijzen of [naam 1] op die dagen een van de andere bedrijfsartsen heeft geconsulteerd. Het antwoord op deze vraag kan het Hof niet geven, maar het onterechte verwijt dat De Bank hier maakt, onderstreept naar zijn oordeel dat zij op te lichtvaardige gronden heeft aangenomen dat [appellant] met betrekking tot [naam 1] een (ernstige) beroepsfout heeft gemaakt.

13. Ten minste had De Bank, alvorens de contracten op te zeggen, [appellant] de gelegenheid moeten geven zijn visie op de kwestie [naam 1] te geven en eventueel, zo de mededelingen van [appellant] daartoe aanleiding gaven, ter zake nader onderzoek moeten doen. In feite steunde haar mening over deze kwestie immers slechts op eenzijdige, van Girjasing ontvangen, informatie. Een en ander had te meer van De Bank mogen worden verwacht vanwege de langjarige relatie tussen partijen.

14. Ook het in opdracht van De Bank door een harer bewakers tegenhouden van [appellant] bij de ingang van het bedrijfsgebouw rekent het Hof De Bank aan. Van haar mocht worden verwacht dat zij het verbod tot binnentreden op een minder diffamerende manier aan [appellant] kenbaar had gemaakt, nog afgezien van het oordeel dat voor een dergelijk verbod onvoldoende grond bestond.

15. In de opzeggingsbrief geeft De Bank aan dat er bij haar meerdere klachten over de praktijkuitoefening van [appellant] bestonden. Deze worden daarin niet gespecificeerd, maar hebben blijkbaar betrekking op het in een aantal gevallen niet naar een specialist doorverwijzen. Uit de ter comparitie in eerste aanleg namens De Bank afgelegde verklaringen blijkt de juistheid van de stelling van appellanten dat deze klachten in alle jaren van samenwerking nimmer met [appellant] zijn besproken. Dit laatste wekt bevreemding omdat in de bij het contract met Noereen behorende “Taakomschrijving Bedrijfsartsen” is bepaald dat eenmaal per kwartaal tussen partijen eventuele grieven, problemen en dergelijke zouden worden geëvalueerd. Vanwege de vaagheid van de klachten en het niet melden daarvan aan [appellant] en/of Noereen kunnen deze noch zelfstandig, noch in samenhang met de kwestie [naam 1], de opzegging van de contracten rechtvaardigen.

16. Het Hof zal hieronder de verdere weren van De Bank bespreken.

17. De opzegging van de contracten heeft meegebracht dat appellanten een belangrijke inkomstenbron zijn kwijtgeraakt, terwijl daardoor tevens imagoschade is ontstaan. Deze imagoschade treft vooral [appellant]. Anders dan De Bank aanvoert, hadden en hebben appellanten een voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen om een en ander zo veel mogelijk te herstellen of te beperken.

18. Het is op zichzelf juist dat in een kort geding geen diepgaand onderzoek naar de feiten kan worden uitgevoerd. Voor het horen van getuigen of een onderzoek door deskundigen is daarin in beginsel geen plaats. Het nadeel daarvan kan De Bank echter niet op appellanten afwentelen. Zij had zelf voor het nodige bewijsmateriaal moeten zorgen alvorens de contracten op te zeggen. De Bank had moeten begrijpen dat de opzegging ingrijpende consequenties voor appellanten had en diende er dan ook rekening mee te houden dat vorderingen als de onderhavige zouden worden ingesteld. Wie kaatst, moet de bal verwachten.

19. In eerste aanleg heeft De Bank betwist dat SHMD en Noereen rechtspersonen zijn. Op andere plaatsen geeft zij echter aan dat het bij deze entiteiten gaat om stichtingen, zodat haar verweer op dit punt weinig eenduidig is. Bovendien is zij de voorliggende contracten met SHMD en Noereen zelf – op haar papier – aangegaan en heeft zij gedurende een reeks van jaren daarnaar geleefd. Onder deze omstandigheden had zij de betwisting van de rechtspersoonlijkheid van SHMD en Noereen met bescheiden moeten onderbouwen, hetgeen zij echter heeft nagelaten. Het Hof gaat daaraan voorbij.

20. Omdat niet (rechtstreeks) met [appellant] is gecontracteerd, mist deze de positie om in rechte tegen De Bank op te treden, zo voert De Bank verder aan. Het Hof verwerpt deze stelling omdat die eraan voorbij ziet dat [appellant] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat de opzegging van de contracten, mede door de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, jegens hem als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd en dat hij als gevolg daarvan onder meer reputatieschade heeft geleden.

21. Aan de overeenkomsten met SHMD en Noereen ligt volgens De Bank een ongeoorloofde oorzaak ten grondslag, zodat deze nietig zijn. Appellanten kunnen geen nakoming verlangen van nietige overeenkomsten. SHMD is niet zelf arts, zodat zij de verplichtingen, als in het met haar aangegane contract neergelegd, niet kan uitvoeren. Hetzelfde geldt voor het contract met Noereen, aldus De Bank.

Het Hof verwerpt ook dit betoog. Uit alle gedingstukken blijkt dat het steeds ook aan De Bank voldoende duidelijk was dat [appellant] als natuurlijk persoon aan de in de contracten neergelegde verplichtingen leiding c.q. uitvoering zou geven. Het Hof ziet daar niets ongeoorloofds in.

22. Het stond de kantonrechter vrij om, na aanvankelijke weigering, appellanten toe te laten tot het nemen van een conclusie van repliek. Niet valt in te zien dat De Bank daardoor in enig processueel belang is geschaad, nu zij vervolgens heeft kunnen dupliceren en haar standpunten zelfs daarna, ter comparitie en nog volgende gedingstukken, heeft kunnen uiteenzetten.

23. Aan de gestelde valsheid van de handtekeningen onder de door appellanten als producties 8 en 9 overgelegde contracten gaat het Hof voorbij. Ook De Bank gaat er immers van uit dat in deze stukken is neergelegd wat tussen partijen is overeengekomen.

24. Juist is, zoals De Bank aanvoert, dat duurovereenkomsten in beginsel door partijen met inachtneming van een zekere termijn kunnen worden opgezegd.
In de voorliggende contracten was de opzeggingsmogelijkheid aan de zijde van De Bank echter beperkt door de zinsnede “uitsluitend bij niet naleving van de overeenkomst door SHMD”, onderscheidenlijk “de bedrijfsarts”. Zoals eerder overwogen, heeft het Hof “niet naleving” aan de zijde van appellanten niet kunnen vaststellen.

25. Ten slotte heeft De Bank zich verzet tegen toewijzing van de vordering, zoals die in het inleidend verzoekschrift onder B VII is geformuleerd. Het gaat om het schrijven van een excuusbrief door De Bank aan appellanten.

Het Hof ziet onvoldoende grond om De Bank daartoe te verplichten. In dit vonnis is uiteengezet dat niet kan worden vastgesteld dat appellanten in hun verplichtingen jegens De Bank zijn tekortgeschoten alsmede dat zij door de handelingen van De Bank schade hebben geleden. Daarmee hebben appellanten voldoende rectificerend materiaal in handen.

26. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het eindvonnis van de kantonrechter moet worden vernietigd. De primaire vorderingen van appellanten zijn toewijsbaar als hieronder aan te geven.

Gezien het tijdverloop sedert het aanhangig maken van deze zaak, zal aan de veroordeling tot nakoming een ingangstermijn van twee maanden worden verbonden. Het Hof acht het denkbaar dat partijen het, vanwege de verstoorde verhoudingen, inmiddels voor verstandig houden een minnelijke regeling te treffen. Zij hebben dan gedurende die termijn gelegenheid zodanige regeling te effectueren.

De dwangsom zal worden gemaximeerd.

De Bank zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen.
Het Hof zal het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, nu het in hoogste instantie wordt gewezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter gewezen tussenvonnis d.d. 23 mei 2014.

Vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter gewezen eindvonnis d.d. 7 augustus 2014.

en opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt De Bank de met SHMD en Noereen gesloten overeenkomsten na te komen, en wel met ingang van 16 mei 2018 onder dezelfde voorwaarden en bedingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor elke keer dat appellanten gehinderd worden in de uitvoering van de overeenkomsten, met een maximum van SRD. 250.000,–.

Veroordeelt De Bank in de kosten van het geding in hoger beroep alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van appellanten begroot op:

– voor de eerste aanleg op SRD. 328,–.

– voor het hoger beroep op SRD. 508,–.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Chatterpal, Fungerend-President, mr. M.V. KuldipSingh, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. R.G. Chatterpal

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat

mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-15

G.R.No. 14856

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende te [district],

appellant in kort geding,

verder ook aan te duiden als [appellant],

procederende in persoon,

tegen

N.V. ENERGIEBEDRIJVEN SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

geïntimeerde in kort geding,

verder ook aan te duiden als EBS,

gevolmachtigde: [naam],

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 14 maart 2013 (A.R.No. 12-5137) tussen [appellant] als eiser in conventie, gedaagde in reconventie in kort geding en EBS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in kort geding spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 26 maart 2013, inhoudende dat [appellant] op diezelfde dag hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 14 maart 2013 in kort geding gewezen tussen hem als eiser in conventie, gedaagde in reconventie in kort geding en EBS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in kort geding;

– een pleitnota van 17 januari 2014 van [appellant];

– een antwoordpleidooi van 21 februari 2014 van EBS;

– een pleidooi van 4 april 2014 van [appellant].

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken of blijkende uit overgelegde en niet betwiste producties, dan wel door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, staan de volgende feiten in rechte vast.

[appellant] is op 1 juli 2012 voor de bepaalde tijd van een jaar in dienst van EBS getreden als SFS medewerker I op de afdeling Security Fireprevention & Safety tegen een basissalaris van SRD 2.941,=. Hij is op 29 september 2013 gedetacheerd naar het district Nickerie.

In de eerste helft van oktober 2012 ontstond bij EBS de verdenking dat [appellant] zich aan misdragingen had schuldig gemaakt. Op 22 oktober 2012 werden door EBS van [appellant] een aantal voor de vervulling van de dienst bestemde en aan [appellant] in bruikleen gegeven goederen ingenomen en twee dagen later werd hem door de manager human resources meegedeeld dat hij van zijn normale dagelijkse werkzaamheden werd vrijgesteld, maar dat hij zich beschikbaar moest houden ten behoeve van het onderzoek dat EBS wilde instellen.

Bij brief van 29 oktober 2012 aan [appellant] stelde EBS hem in de gelegenheid zich te verweren tegen de tegen hem ingebrachte verdenkingen. Deze brief werd aan [appellant] op 31 oktober 2012 betekend, maar omdat [appellant] door de deurwaarder niet op zijn woonadres werd aangetroffen en zijn wel aanwezige concubine het exploit niet in ontvangst wenste te nemen, heeft de deurwaarder het exploit gedaan en het afschrift daarvan en van de erbij betekende brief met bijlage gelaten ten parkette van de procureur-generaal bij dit hof.

Bij brief van 9 november 2012 heeft EBS aan [appellant] ontslag op staande voet aangezegd en daarvoor als reden opgegeven dat zij diens afwezigheid vanaf 25 oktober 2012 als onwettige afwezigheid aanmerkte. Deze brief heeft zij aan [appellant]doen betekenen bij exploit van 12 november 2012. Ook dit exploit werd, omdat de deurwaarder aan het woonhuis van [appellant] geen volwassene aantrof, gedaan en afschrift ervan en van de daarbij betekende brief gelaten aan het parket van de procureur-generaal. Bij beschikking van de minister van ATM van 22 november 2012 is beslist geen bezwaar aan te tekenen tegen het ontslag wegens dringende redenen van [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

Behoudens één uitzondering, die hierna afzonderlijk besproken zal worden, komt het geschil tussen partijen uitsluitend neer op hun verschil van mening of het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet rechtmatig was. De kantonrechter heeft het ontslag rechtmatig geacht en [appellant] voert daar drie argumenten tegen aan.

In de eerste plaats voert hij daartegen aan dat hij op 22 oktober 2012 de voor zijn werk benodigde goederen had moeten inleveren en daaruit duidelijk werd dat de werkgever van zijn diensten geen gebruik meer zou willen maken, terwijl hem bovendien twee dagen later door de manager HRM uitdrukkelijk werd meegedeeld dat men van zijn diensten geen gebruik meer wenste te maken. Daarbij ziet hij eraan voorbij dat het (vaststaande) feit dat hij van zijn dagelijkse werkzaamheden werd vrijgesteld nog niet betekent dat men helemaal niets meer van hem verwachtte en al helemaal niet dat hij al ontslagen was. Het kon hem duidelijk zijn dat er iets aan de hand was dat opgehelderd moest worden, dat hij daarin een rol speelde en dat hij daarvoor beschikbaar moest zijn. Dat heeft [appellant] bij zijn conclusie van repliek ook uitdrukkelijk bevestigd, maar om inderdaad beschikbaar te zijn, was het ook nodig dat men hem kon vinden.

In de tweede plaats voert hij aan dat de bewering dat EBS werknemers naar zijn huisadres heeft gestuurd om hem te zoeken, onzin moet zijn omdat hij helemaal geen collega’s gezien heeft. Het is natuurlijk hoogst geloofwaardig dat hij geen collega’s gezien heeft omdat zij hem ook niet gezien hebben. Het hof houdt het ervoor dat dat kwam doordat hij er niet was, met name omdat hij zelf heeft aangevoerd dat hij een aantal dagen wegens huiselijke omstandigheden een ander adres had, terwijl hij niet heeft gesteld dat hij EBS daarvan op de hoogte heeft gesteld.

In de derde plaats voert hij aan dat het exploit waarbij de ontslagbrief hem werd betekend, nietig is en als een vals/vervalst stuk moet worden beschouwd. De niet heel doorzichtige redenering waar [appellant]dat op baseert, berust in de eerste plaats op de stelling dat het exploit zelf aangeeft dat het op vrijdag 9 november 2012 bezorgd is, maar bij kennisneming van het exploit blijkt dat onjuist: het exploit dateert van maandag 12 november 2012. Het berust in de tweede plaats op de stelling dat het aan hetzelfde adres is uitgebracht als het eerdere exploit van 31 oktober 2012 wat onmogelijk is, gezien het drastische verschil in kosten tussen beide exploiten. Bij kennisneming van de beide exploiten blijkt dat er inderdaad verschillende kostenbedragen voor berekend zijn, voor het eerste exploit SRD 250,=, voor het tweede SRD 300,=, maar het hof acht dat verschil te gering om eruit af te leiden dat die exploiten of één ervan vals/vervalst moet(en) zijn. Tenslotte voert [appellant]aan dat in werkelijkheid geen afschrift gelaten is aan het parket van de procureur-generaal, maar die stelling moet afstuiten op het feit dat het origineel van het exploit door de procureur-generaal is getekend voor “gezien en de afschriften overgenomen”. Het is wel waar dat die gezientekening niet voorkomt op alle in het geding gebrachte afschriften van de exploiten (omdat sommige daarvan blijkbaar vervaardigd zijn voordat de deurwaarder zich aan het parket vervoegde), maar in elk geval wel op de afschriften die [appellant] zelf bij zijn laatste processtuk heeft overgelegd.

Het hof ziet ook overigens geen redenen om aan de rechtmatigheid van het ontslag te twijfelen en verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag rechtmatig gegeven is.

Het enige punt van geschil dat losstaat van het ontslag heeft betrekking op de al dan niet betaling van het door [appellant] verrichte overwerk in de maand oktober 2012. Bij inleidend verzoekschrift heeft [appellant] gesteld dat hij die betaling niet had ontvangen en heeft hij die betaling alsnog gevorderd. EBS heeft daarop doen zeggen dat die betaling door een administratie omissie achterwege was gebleven en dat zij er alsnog toe zou overgaan. De kantonrechter heeft dit onderdeel van de vordering afgewezen omdat [appellant] niet concreet had gesteld waarop hij recht meende te hebben.

In hoger beroep is in de pleitnota van [appellant] sprake van de overwerkvergoeding over september en oktober 2012. Voor het geval de (niet helemaal helder verwoorde) bedoeling daarvan is dat [appellant] daarvan betaling vordert, geldt dat die vordering moet worden afgewezen. EBS heeft immers bij antwoordpleidooi gesteld dat het overwerk van september 2012 is betaald samen met het salaris over oktober 2012 en dat het overwerk van oktober 2012 afzonderlijk is betaald op 26 februari 2013 en dat is door [appellant], hoewel hij nog een repliek pleidooi heeft ingediend, niet weersproken.

Nu alle grieven falen, dient het bestreden vonnis te worden bevestigd met verwijzing van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van, A.R.No 12-5137, tussen partijen gewezen;

Veroordeelt [appellant]in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van EBS begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-14

G.R.No. 14860

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende in Aruba,

appellant, hierna aangeduid als ”de vrouw”,

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als ”de man”,

gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 2 oktober 2015.

1. Het verdere procesverloop

– het proces-verbaal van de zitting in appél van 3 december 2015, aangetekend op de kaft van het proces-dossier;

– het proces-verbaal van de zitting in appél van 16 december 2015, aangetekend op de kaft van het proces-dossier;

– de conclusie tot uitlating na niet gehouden enquête zijdens de man;

– de conclusie tot uitlating na niet gehouden enquête zijdens de vrouw, met producties;

– de conclusie tot uitlating producties zijdens de man.

2. De verdere beoordeling

2.1 Hier wordt overgenomen en volhard bij hetgeen hiervoor in het tussenvonnis in deze zaak gewezen en uitgesproken op 2 oktober 2015 is overwogen en beslist.

2.2 Het hof stelt het volgende voorop. Het hof constateert dat uit de in het procesdossier aangetroffen stukken, meer in het bijzonder de huwelijksakte van partijen staat dat op 5 oktober 1962 met elkaar zijn gehuwd [geïntimeerde] en [appellant]. Omdat in het proces in hoger beroep de vrouw zichzelf steeds [naam] noemt gaat het hof ervanuit dat er aan haar zijde sprake is van een schrijffout voor wat betreft de eerste voornaam met name [voornaam1] in stede van [voornaam2]. Daarnaast is de tweede voornaam van de vrouw namelijk [voornaam3] weggelaten. Het hof begrijpt dat ook deze weglating een duidelijke omissie is en dat [appellant] en [naam]dezelfde persoon betreft. In de kop van het vonnis is bereids hiermee rekening gehouden.

2.3 De vrouw is bij bovenvermeld tussenvonnis toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate aan de man is te wijten. Hiertoe is de zaak afgeroepen voor de zitting van 3 december 2015 en daarna wederom voor de zitting van 16 december 2015.

2.4 Op de enquête dagen is door de raadsvrouwe van de vrouw aangegeven dat zij geen getuigen heeft om te doen horen waarna de enquête is gesloten.

2.5 Bij haar conclusie na niet gehouden enquête heeft de vrouw vier schriftelijke stukken overgelegd waarin verklaringen zijn opgenomen van derden met betrekking tot de duurzame ontwrichting.

2.6 De man heeft op de verklaringen gereageerd waarbij hij aangaf dat de verklaringen vals zijn. Dat deze verklaringen niet kunnen worden meegenomen voor het bewijs omdat de getuigen niet op de zitting zijn verschenen en hij daardoor ook niet de getuigen vragen heeft kunnen stellen en de getuigen niet met hem geconfronteerd konden worden in het kader van de waarheidsvinding.

2.7 Het Hof overweegt dat de verklaringen niet onder ede zijn afgelegd waardoor het feit dat de man de verklaringen van valsheid beticht met zich meebrengt dat de verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden meegenomen. Ook is het Hof het eens met de man dat hij door het overleggen van schriftelijke verklaringen op een ongeoorloofde wijze in zijn belang is geschaad omdat hij niet in de gelegenheid is geweest de getuigen te confronteren met eventuele vragen of feiten welke hij zou willen stellen of aan hun zou willen voorhouden naar aanleiding van de verklaringen.

2.8 Nu er verder geen bewijs is geleverd zal het Hof het ervoor houden dat de vrouw het aan haar opgedragen bewijs niet heeft kunnen leveren waardoor het vonnis in eerste aanleg onder aanvulling van gronden zal worden bevestigd.

2.9 De proceskosten zullen tussen partijen warden gecompenseerd nu zij echtelieden zijn.

3. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1 Bevestigt het vonnis tussen partijen gewezen op 21 oktober 2009 in de zaak met A.R.No . 08-3921, onder aanvulling van gronden;

3.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-13

G.R.No.15033

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende in [district],

verder te noemen: [appellant],

appellant,

gemachtigde: mr. Delano P.A. Landvreugd M.A., advocaat,

tegen

[bedrijf],

gevestigd te [district],

verder te noemen: [bedrijf],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het Eerste Kanton aan partijen gegeven en uitgesproken beschikking van 9 december 2014 (A.R. No.14-4707) tussen [appellant], als verweerder en [bedrijf] als verzoekster spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

de verklaring d.d. 21 januari 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 7 augustus 2015;

– de antwoordpleitnota d.d. 6 november 2015;

– de repliekpleitnota d.d. 4 december 2015;

– de dupliekpleitnota d.d. 5 februari 2016

– de rechtsdag voor de uitspraak van de beschikking was aanvankelijk bepaald op 3 juni 2016 en vervolgens nader op 20 juli 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het betreft hier een appel tegen een beschikking waarbij de kantonrechter, met toepassing van artikel 1615 x BW, de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft ontbonden. Tegen zodanige beschikking staat in beginsel generlei voorziening open (artikel 1615 m BW, laatste lid).

2. [appellant] voert op daartoe door hem uiteengezette gronden aan dat voormeld beginsel in deze zaak uitzondering lijdt; [bedrijf] betwist dat en stelt bovendien dat [appellant], ware het anders, niet hoger beroep doch verzet tegen de beschikking had moeten aantekenen.

3. Het Hof erkent dat in enkele gevallen het in artikel 1615 m BW laatste lid neergelegde beletsel kan worden doorbroken. Dit is onder meer het geval indien in de ontbindingsprocedure zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

4. [appellant] noemt in dit verband dat in deze zaak het beginsel van hoor en wederhoor is veronachtzaamd en licht deze stelling toe met de opmerking dat hij in eerste aanleg geen verweer heeft kunnen voeren omdat hij van de zitting niet op de hoogte was. Hij was in het buitenland en vervolgens in het binnenland (van Suriname, bedoelt hij kennelijk) en pas daarna heeft hij de door de deurwaarder uitgereikte oproep voor de zitting onder ogen gekregen. Toen was de zitting al voorbij, aldus [appellant].

5. Het Hof oordeelt dat tot zover de klachten van [appellant] ongegrond zijn. De deurwaarder heeft blijkens het zich in het dossier bevindende exploot de oproeping voor de zitting van 8 december 2014 aan de huis- of echtgenote van [appellant] betekend, en wel op 27 november 2014, dus tijdig. Dat [appellant] vervolgens eerst na de zitting van de oproeping heeft kennis genomen, komt voor zijn risico.

6. Ook de door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheid dat zijn echtgenote overstuur was vanwege het gelijktijdig leggen van revindicatoir beslag alsmede sekwestratie en daardoor geen aandacht heeft gehad voor de oproeping, komt in deze zaak voor zijn rekening.

7. [appellant] stelt nog dat het oproepingsexploot aan nietigheid lijdt omdat het eerst in de avonduren door de deurwaarder is betekend en door hem tussen de beslagexploten is geplaatst. [bedrijf] betwist een en ander en voert aan dat de deurwaarder weliswaar in de avonduren nog bezig is geweest met het revindicatoir beslag en de sekwestratie, maar vóór 18.00 uur de oproeping heeft betekend.

8. Het Hof heeft in beginsel uit te gaan van de geldigheid van het door een openbaar ambtenaar betekend exploot, dus van het uitbrengen daarvan vóór 18.00 uur en het op behoorlijke wijze laten van een afschrift, in dit geval aan de echt- en huisgenote. Het Hof constateert dat [appellant] slechts in algemene bewoordingen een bewijsaanbod heeft gedaan en (dus) heeft verzuimd op het onderhavige geschilpunt voldoende specifieke feiten te bewijzen aan te bieden. [appellant] zal niet tot bewijslevering worden toegelaten.

9. Op grond van het vorenstaande gaat het Hof ervan uit dat het exploot van oproeping geldig is betekend, zodat de kantonrechter, toen [appellant] niet ter zitting verschenen was, tegen hem verstek mocht verlenen en daarmee geen beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. De klacht dat “het allemaal wel erg snel ging” en dat de kantonrechter niet al op de dag na de zitting uitspraak mocht doen, treft evenmin doel. Het stond de kantonrechter vrij op grond van de haar ter zitting gebleken omstandigheden te handelen gelijk zij heeft gedaan. Ook in dit opzicht is van schending van enig fundamenteel rechtsbeginsel geen sprake.

10. De overige klachten van [appellant] leveren, wat daarvan verder zij, geen schending in de ontbindingsprocedure van enig fundamenteel rechtsbeginsel op.

11. Reeds op het voorgaande stuit het appel af. Daarom kan in het midden blijven of [appellant] in het voorliggende geval verzet in plaats van hoger beroep had moeten aantekenen. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt de in deze zaak door de kantonrechter aan partijen gegeven beschikking d.d. 9 december 2014 (A.R.No. 14-4707),

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf] begroot op nihil.

Aldus gegeven door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. D.P.A. Landvreugd M.A., gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A.M. Kensmil namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2006-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-573

[verzoekster] gehuwd [naam], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 14, bij het Advocantenkantoor Lim A Po, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E.F. van der Hilst, advocaat

verzoekster,

t e g e n

DE STICHTING JEUGDTANDVERZORGING, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo op de hoek van de Kernkampweg en Samsonstraat, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. H. Veldkamp, advocaat,

verweerster,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie in Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] gehuwd [naam] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoekster wenst de navolgende vordering in te stellen tegen de STICHTING JEUGDTANDVERZORGING, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo op de hoek van de Kernkampweg en Samsonstraat, verweerster.

2. Verzoekster is vanaf 1 januari 1981 in dienst van verweerster. Verweerster is blijkens haar oprichtingsakte, welke hierbij in fotocopie wordt overgelegd, een van landswege opgerichte rechtspersoon.

3. Op de van landswege opgerichte rechtspersoon is de Personeelswet (PW) van toepassing, hetgeen mag blijken uit artikel 1 lid 2 van die wet, welke stelt dat onder het Land, voor de toepassing van deze wet is begrepen, de van landswege opgerichte rechtspersonen, aldus ook op verweerster. Ingevolge artikel 1 van de PW zijn de werknemers van verweerster, dus ook verzoekster, landsdienaren, aangezien een landsdienaar in dat artikel wordt gedefinieerd als :”ambtenaren en arbeidscontractanten” en waarbij ambtenaren zijn: “personen die krachtens aanstelling in bezoldigde dienst van het Land zijn” en arbeidscontractanten zijn: “personen die krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van het Land zijn”. Uit het bovenstaande volgt dat verzoekster landsdienaar is en dat de Personeelswet ook op haar van toepassing is.

4. Verzoekster is lid van de rechtspersoonlijkheid bezittende “Bond van personeel Stichting Jeugdtandverzorging “BPSJTV”, welke Bond aangesloten is bij de vakcentrale Centrale van Landsdienaren Organisatie “CLO”.

5. Tussen de Regering van de Republiek Suriname en het Onderhandelingsorgaan van de Overheid enerzijds en vakorganisaties/-centrales – dus ook de CLO – anderzijds, is in de periode mei 2001 intensief overleg gevoerd inzake een nieuwe bezoldigingsreeks. Dit overleg heeft geresulteerd in een overeenstemming tussen partijen, welke is bekrachtigd in de resolutie van 5 maart 2002 no. 1624, houdende vaststelling van de bezoldigingsreeks per beroepsgroep m.i.v. 1 januari 2002. Deze resolutie wordt hierbij in fotocopie overgelegd. In genoemde resolutie wordt uitdrukkelijke de term “landsdienaren” gebezigd, op wie deze resolutie van toepassing is en wordt verwezen naar bedragen per beroepsgroep onder de daarvoor aangegeven kolom, welke zijn vastgesteld in de bij de resolutie behorende bijlagen. M.a.w. de tabellen in de bijlagen geven aan wat het salaris van een bepaalde landsdienaar met een bepaald salaris ná toepassing van de resolutie zal zijn.

6. Uit al het bovenstaande volgt dat de resolutie van 5 maart 2002 ook van toepassing is op verzoekster, aangezien zij landsdienaar is en lid is van een Bond die aangesloten is bij de CLO, die ook partij was bij het overleg voor de totstandkoming van genoemde resolutie.

7. Verweerster is echter, ondanks vele gesprekken met haar en verzoeken aan haar gericht nalatig gebleven genoemde resolutie op vezoekster toe te passen. Verweerster heeft in plaats van de tabellen van de resolutie, zoals in alinea 5 hierboven aangehaald, toe te passen, vezoekster een salarisverhoging van 50% toegekend. Door deze handeling is verzoekster thans achtergesteld op landsdienaren met een zelfde uitgangsinkomen als haar. Verzoekster heeft toen, na deze handeling, middels haar procesgemachtigde, verweerster bij schrijven van 19 november 2003, 3 februari 2004 en 13 april 2004, gevraagd een formeel besluit omtrent de uitvoering van de resolutie te nemen, aangezien er nu onduidelijkheid ontstond over de positie van vezoekster. Kopieën van deze brieven worden hierbij overgelegd. Echter heeft verweerster ook dit nagelaten te doen, weshalve het niet nemen van het formeel besluit resulteert in een negatief besluit, inhoudende het niet toepassen c.q. weigeren toe te passen van de resolutie van 5 maart 2002 en daardoor het vasthouden aan het toekennen van een salarisverhoging van 50%

8. Vanwege het feit dat de bedragen van de salarissen van de werknemers van verweerster niet zo af te lezen zijn uit de tabellen van de resolutie, is door de voorzitter van de CLO, aan de hand van de conform de resolutie geldende regels, een tabel vervaardigd toegespitst op de loonverhoudingen van verweerster. Deze tabel wordt hierbij in fotocopie overgelegd. Het salaris van verzoekster bedroeg op 1 januari 1998 SRD 278,–. Ingevolge deze tabel zou verzoekster vanaf 1 januari 2002 een salaris van SRD 1.572,– dienen te ontvangen. Echter is haar salaris door de 50% loonsverhoging thans slechts SRD 1.190,–.

9. Door in gebreke te blijven met het toepassen van de resolutie pleegt verweerster wanprestatie jegens verzoekster, van welke wanprestatie verzoekster een voortdurende schade lijdt, bestaande uit het te min ontvangen salaris.

10. Verzoekster verzoekt U de hierbij in fotocopie overgelegde producties als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis verweerster zal worden veroordeeld om:

I.. Het vorenomschreven besluit van verweerster, nietig te verklaren;

II. De resolutie van 5 maart 2002 op verzoekster toe te passen in dier voege dat het salaris van verzoekster met ingang van 1 januari 2002 op SRD 1.572,– wordt gesteld, op straffe van een dwangsom van SRD 1.000,– per dag voor iedere dat dat verweerster nalatig blijft deze resolutie op verzoekster toe te passen.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerster ontkent en betwist al hetgeen verzoekster in haar Inleidend Rekest heeft gesteld en aangevoerd, indien en voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweerster wordt erkend. Verweerster biedt bewijs aan voor haar stellingen, voor zover de bewijslast op haar mocht rusten.

2. Verweerster kan erkennen dat de rechtspersoon DE STICHTING JEUGDTANDVERZORGING bij notariële akte is opgericht op 19 september 1980, en dat verzoekster vanaf 01 januari 1981 in dienst is van deze Stichting.

3. Verweerster spreekt evenwel tegen en met stelligheid, dat verzoekster landsdienaar zou zijn c.q. dat de Personeelswet en de Resolutie van 05 maart 2002 no. 1624 houdende vaststelling van een nieuwe bezoldigingsreeks per beroepsgroep, m.i.v. 01 januari 2002, op haar als werkneemster van de Stichting, van toepassing zou zijn.

4. Het is gelet op het bovenstaande dan ook pertinent onjuist, wanneer verzoekster in het 3e sustenu van haar Inleidend Rekest stelt, dat in casu de Personeelswet op verzoekster en verweerster van toepassing is. Om de juistheid van het bovenstaande aan te tonen, moge het volgende dienen: Verzoekster is niet , zoals de Personeelswet art. 1 derde volzin stelt, in dienst van het Land (de Staat), maar in dienst van de Stichting, hetgeen moge blijken uit:

a. de aanstellingsbrief van mej. [verzoekster] gehuwd [naam] E.A.(verzoekster) dd. 01 augustus 1983, waarin met zoveel woorden wordt gesteld: “Hierbij bevestigen wij Uw indiensttreding bij de Stichting Jeugdtandverzorging dd.01-01-1981”.

Deze aanstellingsbrief wordt ter kennisneming van Uw Hof van Justitie hierbij gevoegd met verzoek deze als in dit verweer geinsereerd en daarvan deel uitmakende te willen beschouwen.

b. Het feit dat verzoekster niet in dienst is van het Land (de Staat) blijkt ook uit de Statuten van de Stichting Jeugdtandverzorging:

Artikel 13 van deze Statuten verplicht deze zelfstandige rechtspersoon om voor het personeel dat zij in dienst neemt, een Personeelsreglement te maken waarin regels m.b.t. de rechtspositie van het personeel worden vastgesteld door het bestuur van de Stichting. Een zodanig reglement is inderdaad reeds bij de aanvang van de Stichting, door het bestuur van de Stichting vastgesteld en goedgkeurd door de Minister van Volksgezondheid. In dit reglement zijn omstandig alle momenten van de rechtspositie van het personeel vastgelegd en wel zodanig, dat er zelfs discrepantie waarneembaar is tussen de rechtsposititeregeling in de Personeelswet voor landsdienaren en de positieregeling van deze verzoekster in dienst, niet van het Land (de Staat), maar van de Stichting Jeugdtandverzorging. Zie artt. 17, 19, 21, 287 en 36 van het Personeelsreglement.

Een vergelijking van deze bepalingen met die van de Personeelswet laat zien, dat deze voorschriften niet alleen ten opzichte van elkaar uiteenlopen, maar zelfs met elkaar onderlinge afwijking vertonen.

Een exemplaar van het Personeelsreglement van de Stichting Jeugdtandverzorging wordt hierbij ter kenninsneming van Uw Hof gevoegd, met verzoek deze als in dit verweer geinsereerd en daarvan deel uitmakende te willen beschouwen.

c. Ook het gestelde in de Personeelswet art. 1 lid 2 onder a kan tot het bewijs bijdragen, dat verzoekster niet is in dienst van het Land (de Staat). Onder het Land zijn namelijk, voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet, ook wel begrepen de van landswege opgerichte rechtspersonen, maar met uitzondering van die voor welke afzonderlijke voorschriften omtrent de rechtstoestand van het personeel zijn vastgelegd.

d. Het BESLUIT IN DE Resolutie van 05 maart 2002 no. 1624 onder I en II heeft niet het rechtsgevolg welke verzoekster willkeurig naar eigen inzicht daaraan verbindt. De resolutie alleen kan nimmer het constitutief gevolg teweeg brengen dat in strijd is met de Personeelswet. Anders gezegd: De hierbedoelde resolutie kan niet op zichzelf willekeurig de Personeelswet wijzigen op het stuk van het al of niet zijn van ambtenaar of landsdienaar. De zinsnede in de Resolutie “en met hen gelijkgestelden”, maakt verzoekster nog niet tot landsdienaar. Verweerster spreekt ten stelligste tegen dat de werknemers van de Stichting Jeugdtandverzorging door deze resolutie zijn gelijkgesteld aan landsdienaren in overheidsdienst.

5. Ten aanzien van het gestelde door verzoekster in haar 4e t/m 7e sustenu Inleidend Rekest, m.b.t. de relatie van de Bond bij de Stichting Jeugdtandverzorging (bond van Personeel Stichting Jeugdtandverzorging: (BPSJTV) en de vakcentrale CLO, moge verweerster het volgende opmerken:

a. De aansluiting van de Bond BPSJTV bij de vakcentrale CLO, draagt er niet toe bij om van de werkneemster in dienst van de Stichting Jeugdtandverzorging zonder meer een landsdienaar of ambtenaar te maken.

b. Op grond hiervan ontkent verweerster dan ook nadrukkelijk dat de relatie van verzoekster met de vakbond CLO er toe bijdraagt om haar opvatting, landsdienaar te zijn, te onderbouwen.

c. Ten aanzien van het gestelde door verzoekster in haar 8ste sustenu dat de bedragen van het salaris van de werkneemster bij de Stichting Jeugdtandverzorging niet af te lezen zijn in de tabellen van de resolutie, kan thans gesteld worden dat zulks uiteraard het geval zal zijn, eenvoudig, omdat verzoekster geen landsdienaar is.

d. Het is naar de mening van verweerster ook onjuist dat in dit 8ste sustenu Inleidend Rekest bij de vergelijking van salarissen van 01 januari 1998, verzoekster werkt met de Surinaamse munteenheid (SRD) waarvan de wettelijke grondslag pas in 2004 geldt.

6. Onverminderd het voorgaande wenst verweerster alsnog te stellen dat verzoekster niet de juiste rechter (rechterlijke instantie) heeft geadieerd met haar verzoekschrift gericht aan het Hof van Justitie oordelende in ambtenarenzaken (art. 79 PW). Verzoekster heeft zulks in eerste instantie ook begrepen en heeft dan ook terecht het land (de Staat) niet gedagvaard als gedaagde partij. Verzoekster is immers nooit in dienst van het LAND, de STAAT, geweest.

7. Daargelaten al het voorgaande, wenst verweerster op te merken dat in het petitum van verzoekster waarin de vordering wordt verwoord, enkele misslagen zijn geslopen als daar zijn:

a. verzoekster verzoekt het Hof van Justitie om de Stichting Jeugdtandverzorging te veroordelen het vorenomschreven besluit (welk?) nietig te verklaren; hetgeen betekent dat niet het Hof van Justitie tot die nietigverklaring zal overgaan, maar de Stichting voornoemd;

b. verzoekster vordert dat de Resolutie van 05 maart 2002 no. 1624 op verzoekster zal worden toegepast, hetgeen naar inzien van verweerster bedoeld is te zijn: dat de Stichting zal worden veroordeeld om de Resolutie van 05 maart 2002 no. 1624 op haar toe te passen. Ten onrechte, omdat verzoekster geen landsdienaar ias en verzoekster in casus niet de juiste rechter adieert.

8. Hetgeen door verzoekster in haar 9e sustenu Inleidend Rekest wordt gesteld, dat de Stichting zich schuldig zou hebben gemaakt aan wanprestatie jegens verzoekster en deswege tot schadevergoeding aan verzoekster gehouden zou zijn, wordt, gelet op de inhoud van dit verweer en het feit dat verzoekster geen landsdienaar is, door de Stichting Jeugdtandverzorging nadrukkelijk ontkend.

Overwegende, dat verweerster op deze gronden heeft geconcludeerd:

Dat verzoekster niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans aan haar de vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond, niet bewezen en in strijd met de Personeelswet en het recht, met veroordeling van verzoekster in de kosten van dit proces.

Overwegende, dat ingevolge ‘s Hovens beschikking van 19 october 2005 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon bijgestaan door haar gemachtigde, advocaat Mr. E.F. van der Hilst, Mr.Dr. C.D. Ooft, gemachtigde van de Stichting Jeugdtandverzorging en Drs. Marcel Panday, Directeur van voornoemde Stichting, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende , dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota, antwoord- en dupliek pleidooi een productie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende dat de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating productie heeft genomen, waarna advocaat Mr.S.A. van Lobbrecht namens de gemachtigde van verzoekster advocaat Mr. E.F. van der Hilst vonnis heeft gevraagd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 7 april 2006, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verweerster als formeel verweer van de verste strekking heeft aangevoerd, aldus haar stellingen terzake opvattend, dat het Hof van Justitie, als gerecht in ambtenarenzaken, niet bevoegd is kennis te nemen van de onderhavige vordering van verzoekster omdat zij – verweerster – is een zelfstandige rechtspersoon die ingevolge artikel 13 van haar statuten verplicht is voor haar personeel dat zij in dienst neemt, een personeelsreglement te maken waarin regels met betrekking tot de rechtspositie van dat personeel worden vastgesteld door haar bestuur; dat in zodanig reglement reeds bij de aanvang van de stichting door het bestuur van die stichting is vastgelegd en goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid; dat in het reglement omstandig alle momenten van de rechtspositie van het personeel zijn vastgelegd en wel zodanig dat er zelfs discrepantie waarneembaar is tussen de rechtspositieregeling in de Personeelswet voor landsdienaren en de positieregeling van deze verzoekster in dienst niet van het Land (de Staat), maar van de Stichting Jeugdtandverzorging in verband waarmede verwezen wordt naar de artikelen 17, 14, 21, 27 en 36 van de Personeelswet;

Overwegende, dat verweerster voorts heeft aangevoerd, dat het gestelde in de Personeelswet, artikel 1 lid 2 onder a, bijdragen kan tot het bewijs, dat verzoekster niet in dienst van het Land (de Staat) is; dat onder het land voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet, ook wel begrepen is de van landswege opgerichte rechtspersonen, maar met uitzondering van die voor welke afzonderlijke voorschriften omtrent de rechtstoestand van het personeel zijn vastgesteld; dat het besluit in de resolutie van 05 maart 2002 no. 1624 onder I en II heeft niet het rechtsgevolg hetwelk verzoekster willekeurig naar eigen inzicht daaraan verbindt; dat de resolutie alleen kan nimmer het constitutief gevolg te weeg brengen dat in strijd is met de Personeelswet. M.a.w.: de hierbedoelde resolutie kan niet op zichzelf willekeurig de Personeelswet wijzigen op het stuk van het al of niet zijn van ambtenaar of landsdienaar; dat de zinsnede in de resolutie: “en met hen gelijkgestelden”, maakt verzoekster nog niet tot landsdienaar; dat zij – verweerster – ten stelligste tegenspreekt dat, de werknemers in dienst van de Stichting Jeugdtandverzorging door deze resolutie zijn gelijkgesteld aan landsdienaren in overheidsdienst;

Overwegende, dat verweerster ten bewijze van het zijdens haar gestelde in onderhavige geding heeft doen brengen:

– Personeelsreglement van de Stichting Jeugdtandverzorging ter uitvoering van artikel 13 der Statuten van de Stichting Jeugdtandverzorging vastgesteld door het Bestuur van de Stichting Jeugdtandverzorging, de dato 1 februari 1997;

Overwegende, dat verzoekster naar aanleiding van voormeld verweer aangevoerd heeft, dat artikel 1 lid 2 onder a van de Personeelswet stelt:

“Onder het land zijn voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet begrepen de van landswege opgerichte rechtspersonen, met uitzondering van

a: die voor welke bij of krachtens wet afzonderlijke voorschriften omtrent de rechtstoestand van het personeel zijn vastgesteld”.

Met andere woorden: indien er bij of krachtens wet afzonderlijke voorschriften voor het personeel zijn vastgesteld, is het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet niet van toepassing op die van landswege opgerichte rechtspersoon. Belangrijk in dit artikel is de zinsnede: “bij of krachtens wet”. Zoals reeds bij repliekpleidooi is uitgelegd betekent “bij wet” dat er naast de Personeelswet een afzonderlijke wet en geen reglement is, waarin de rechtspositie van het personeel is geregeld en “krachtens wet” dat er een staatsbesluit of resolutie, en geen reglement, is waarin de rechtspositie van het personeel is geregeld. Gezien het feit dat een personeelsreglement geen wet is, en ook geen staatsbesluit of resolutie, betekent dit dat de uitzondering die artikel 1 lid 2 onder a van de P.W. maakt, niet van toepassing is op verweerster en verweerster aldus normaal onderworpen is aan de regels van de Personeelswet;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van voormeld betoog van verzoekster, opgemerkt, dat met betrekking tot de vraag voor welke van staatswege opgerichte rechtspersonen bij of krachtens wet afzonderlijke voorschriften zijn vastgesteld, er in de praktijk misverstanden blijken te bestaan. De Personeelswet stelt: bij of krachtens de wet, hetgeen dus inhoudt dat de voorschriften niet expliciet en die betreffende wet behoeven te worden opgenomen, want krachtens wet kan ook betekenen bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij arbeidsreglement. Voorwaarde is dat de grondslag wettelijk moet zijn vastgelegd, waaruit dan blijkt dat deze bevoegdheid aan de rechtspersoon toekomt. Hier is dus sprake van delegatie van wetgevende bevoegdheid. Als uitvoering wordt gegeven aan hetgeen vastgelegd is in de statuten (stichting) om de rechtspositie van het personeel te regelen, dan is duidelijk dat voor deze groep rechtspersonen de bepalingen van de Personeelswet niet van toepassing zijn; (vide: prft. van M.R.Hoever-Venoaks, het Surinaamse Ambtenarenrecht in Ontwikkelingsperspectief, diss., Paramaribo, 1999, m.n. blz. 117 (7.8);

Overwegende, dat het voorgaande inhoudt, dat krachtens wet ook betekent bij Personeelsreglement van de Stichting Jeugdtandverzorging 1997;

Overwegende, dat nu blijkens het door verweerster in het onderahvige geding gebracht Personeelsreglement uitvoering gegeven is aan artikel 13 van haar statuten ter regeling van de rechtspositie van haar personeel en derhalve op verweerster de bepalingen van de Personeelswet, waar verzoekster zich op beroepen heeft, niet van toepassing zijn zal het Hof verzoekster niet ontvankelijk verklaren in haar tegen verweerster ingestelde vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar vordering;

Aldus gewezen door: Mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend-President, Mr. H.E. Struiken, Lid en Mr. A.A. Hermelijn, Lid-plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 2 juni 2006 in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh- Jangbahaboersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

SRU-HvJ-2018-12

G.R.No. 14606

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

1. [appellant],

2. [appellante]

beiden wonende te [district],

appellanten,

verder te noemen: [appellanten],

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP DE SURINAAMSE CREDIETMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Amstelveen, Nederland,

geïntimeerde,

verder te noemen: de B.V.,

gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 8 december 2009 (A.R. No. 04-0373) tussen [appellanten] als eisers en de B.V. als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het vonnis d.d. 7 maart 2014, waarbij in het incident het verzoek tot wijziging van de eis is afgewezen en in de hoofdzaak aan de B.V. bewijs is opgedragen;

– de processen-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 maart 2014 en 7 april 2014;

– het op 15 april 2014 ontvangen schikkingsvoorstel zijdens de B.V.;

– de uitlating zijdens de B.V. d.d. 1 augustus 2014;

– de akte uitlating schikking d.d. 15 augustus 2014.

De beoordeling

1. Bij bovengenoemd vonnis is de B.V. toegelaten het tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geacht feit dat de B.V. wel op de hoogte was van het feit dat [appellanten] uitgingen van een veilingkoopsom van € 28.000,-, door de persoon van [naam 1] aan hun voorgehouden bij het aangaan van het krediet, terwijl bij de persoon van [naam 1] bekend was dat de veilingkoopsom € 18.619,- was.

2. Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft de B.V. de heer [naam 1] doen horen. Verdere getuigen zijn door de B.V. niet voorgebracht en zij heeft evenmin op andere wijze bewijsmateriaal verschaft. Er is geen contra-enquête gehouden. Door de B.V. gedane schikkingsvoorstellen zijn door [appellanten] afgewezen.

3. [naam 1] was tijdens het getuigenverhoor directeur van de B.V. Het Hof heeft hem als privépersoon gehoord. [naam 1] was, naar uit de processtukken blijkt, ook ten tijde van het aangaan van de litigieuze geldlening en hypotheekverstrekking directeur van de B.V. Ten slotte was hij, naar eveneens uit de processtukken blijkt, degene die op de veiling – namens [naam 2] – het perceel op de veiling kocht voor een bedrag van, omgerekend in Euro’s, € 18.619,-.

4. [naam 1] heeft als getuige verklaard dat niet aan [appellanten] is voorgehouden dat de veilingkoopsom € 28.000,- beliep. Zijn verklaring is, nu deze op zichzelf is blijven staan en [naam 1] bovendien als directeur van de B.V. bij het afleggen daarvan belang had, onvoldoende om het aan de B.V. opgedragen tegenbewijs aan te nemen.

5. Het Hof heeft reeds bij bovengenoemd tussenvonnis beslist dat [appellanten] de leningsovereenkomst en hypotheekverstrekking onder invloed van dwaling hebben aangegaan. Aangezien de B.V. niet geslaagd is in het haar opgedragen (tegen)bewijs, oordeelt het Hof dat deze dwaling aan de B.V. kan worden tegengeworpen op gronden als overigens in het tussenvonnis vermeld.

6. De grieven slagen in zoverre als hiervoor en in het tussenvonnis aangegeven en behoeven voor het overige geen bespreking.

Het Hof zal de vonnissen van de kantonrechter vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen van [appellanten] op de wijze als in het dictum aan te geven alsnog toewijzen. De B.V. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt de in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnissen van 13 juni 2006 en 8 december 2009 (A.R.No. 04-0373)

en opnieuw rechtdoende

vernietigt de tussen partijen op 18 oktober 2002 gesloten geldleenovereenkomst, verklaart de door [appellanten] aan de B.V. verstrekte hypotheekrechten op de onroerende goederen als vermeld in het inleidend verzoekschrift d.d. 26 januari 2004 onder 1 A, B en C vervallen, veroordeelt de B.V. in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot

– voor de eerste aanleg op SRD 63,- en

– voor het hoger beroep op SRD 357,20

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. R.E.W. Truideman namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S.M.D. Sitaram namens advocaat mr. A.E. Veldman, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2010-2

G.R. 14389

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STAAT SURINAME

(meer in het bijzonder het Ministerie van Binnenlandse Zaken)

zetelende te Paramaribo,

appellant,

gemachtigden: mr. A.R. Baarh en mr. K.J. Brandon, advocaten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. F. Ishaak, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 8 november 2007 (A.R. 072423) tussen appellant (hierna “de Staat” te noemen) als gedaagde en geïntimeerde (hierna “[geïntimeerde]” te noemen) als eiser.

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de Staat op 20 november 2007 – tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;

– het proces-verbaal van terechtzitting d.d. 17 oktober 2008, waarin opgenomen het pleidooi, houdende grieven, van de zijde van de Staat;

– antwoord pleitnota d.d. 7 november 2008;

– repliek pleidooi d.d. 21 november 2008;

– dupliek pleidooi d.d. 5 december 2008, met productie;

– uitlating producties van de zijde van de Staat d.d. 16 januari 2009, met productie;

– uitlating producties van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 6 februari 2009.

De beoordeling

1. De in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis vermelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaar is gemaakt, dienen ook in hoger beroep tot uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

1.1 [geïntimeerde] is bij resolutie van 21 oktober 1993, [nummer 1], benoemd tot [minister 1] en heeft dat ambt van 21 oktober 1993 tot en met 19 september 1996 vervuld.

Bij resolutie van 19 september 1996, [nummer 2], is [geïntimeerde] benoemd tot [minister 2]. Hij heeft dat ambt van 20 september 1996 tot en met 14 januari 1997 vervuld.

Bij presidentieel besluit van 20 januari 1997, [nummer 3], is aan [geïntimeerde] met ingang van 15 januari 1997 eervol ontslag verleend.

1.2 Bij brief van 9 september 1996 schrijft de voorzitter van de Raad van Ministers aan de Minister van Binnenlandse Zaken:

“Hierbij deel ik U mede dat de Raad van Ministers (…) in zijn vergadering van dinsdag 3 september 1996 heeft goedgekeurd dat alle personen die na 1 januari 1996 op eervolle wijze uit een ambt als lid van de Regering zijn ontslagen, voor zover het ambt werd vervuld als resultaat van gehouden algemene, vrije en geheime verkiezingen, en zij dit ambt gedurende tenminste een jaar hebben vervuld, in de hoogste ambtelijke rang, zijnde Hoofdambtenaar A, op het maximum van de geldende schaal (thans 24), kunnen worden ingedeeld, c.q. aangesteld.

Aan belanghebbenden zullen benevens de bezoldiging alle emolumenten verbonden aan de functie van Directeur ener Departement van Algemeen Bestuur, worden toegekend.

Voor de toepassing van deze regeling dienen belanghebbenden aan de President van de Republiek Suriname schriftelijk het verzoek daartoe te doen.

Het betreffende besluit zal ingaan te rekenen vanaf de maand volgende op die waarin het verzoek is gedaan, met inachtneming van de overgangsregeling vervat in de Wet van 23 juni 1993 (S.B. 1993 no. 58), artikel V sub 1, respectievelijk de Wet van 23 juni 1996 ( S.B. 1993 no. 55) artikel V”.

1.3 Bij brief van 9 juni 2000 heeft de eerste vervanger van de voorzitter van de Raad van Ministers aan de Minister van Binnenlandse Zaken medegedeeld dat de Raad van Ministers op 31 mei 2000 heeft goedgekeurd dat de eerste alinea van de zojuist geciteerde missive komt te vervallen en dat met ingang van 1 januari 1998:

“alle personen die op eervolle wijze uit een ambt van de Regering zijn ontslagen voor zover het ambt werd vervuld als resultaat van gehouden algemene, vrije en geheime verkiezingen, en zij dit ambt gedurende tenminste een jaar hebben vervuld, kunnen worden ingedeeld c.q. aangesteld als ambtenaar, onder toekenning van de maximum-bezoldiging verbonden aan de bezoldigingsreeks die geldt voor de hoogste ambtenaar op een Departement van Algemeen Bestuur, zijnde thans de Directeur van een Departement”.

De in deze brieven beschreven regeling van 3 september 1996, zoals gewijzigd op 31 mei 2000, zal in het hiernavolgende worden aangeduid als “de missive”.

1.4 Bij brief van 12 februari 2003 schrijft [geïntimeerde] aan de President van de Republiek: “Bij deze nadert ondergetekende (…) U met het verzoek het daarheen te leiden dat, conform de geldende regeling voor ex-ministers (…) ondergetekende ingedeeld wordt casu quo aangesteld wordt in de hoogst ambtelijke rang zijnde Hoofdambtenaar A op de maximum geldende schaal (toen schaal 24), thans gewijzigd conform Staatsbesluit 1998 no. 66) en wel te rekenen vanaf 1 februari 1997, onder toekenning van salaris en alle emolumenten die verbonden zijn aan de functie van Directeur ener Departement van Algemeen Bestuur(…).

1.5 Op het verzoek van 12 februari 2003 is door [geïntimeerde] geen reactie ontvangen.

2.1 [geïntimeerde] vordert in kort geding de Staat te gelasten om hem binnen 24 uur na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, aan te stellen in de hoogste ambtelijke rang, namelijk Hoofdambtenaar A op de maximum geldende schaal (toen schaal 24, thans gewijzigd conform Staatsbesluit 1998 no. 66), en wel te rekenen vanaf 1 februari 1997 onder toekenning van salaris en alle emolumenten die verbonden zijn aan de functie van Directeur van een Departement van Algemeen Bestuur, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000,= per dag.

2.2 [geïntimeerde] voert ter onderbouwing van zijn vordering aan dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt door zijn verzoek om als ambtenaar in de hoogste rang te worden aangesteld, niet te honoreren. Volgens [geïntimeerde] lijdt hij daardoor schade en had zijn verzoek, gelet op de toepasselijkheid van de missive in zijn situatie en op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, behoren te worden toegewezen. [geïntimeerde] voert daartoe aan, kort weergegeven, dat ten aanzien van andere gewezen ministers in gelijke, althans vergelijkbare situaties de missive zonder meer is toegepast.

2.3 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

2.4 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat er geen uitdrukkelijke termijn is genoemd waarbinnen een ex-minister een beroep moet hebben gedaan op de missive om deze toe te kunnen passen, dat er geen beperkingen zijn vastgesteld ter zake van het vervullen van een beroep of functie elders en dat [geïntimeerde] aan de hand van de missive kon nagaan wat hij van de kant van de Staat kon verwachten. Volgens de kantonrechter kan uit de door [geïntimeerde] ter vergelijking aangehaalde gevallen worden afgeleid dat er een beleidslijn is om ex-ministers conform de missive als ambtenaar aan te stellen en mocht [geïntimeerde], gezien de omstandigheid dat verzoeken van andere ex-ministers om als ambtenaar te worden aangesteld zijn ingewilligd, erop vertrouwen dat ook zijn verzoek zou worden gehonoreerd. [geïntimeerde] mocht ervan uitgaan dat hij op dezelfde wijze als andere ex-ministers zou worden bejegend en dat hij evenals zijn ex-ambtgenoten zou worden ingedeeld dan wel aangesteld als ambtenaar, aldus de kantonrechter. De kantonrechter concludeert dat de Staat door het verzoek van [geïntimeerde] niet in te willigen in strijd heeft gehandeld met het vertrouwens-, rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel en dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op toepassing van de missive.

2.5 De Staat concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering in kort geding. De Staat werpt daartoe de volgende grieven op (verkort weergegeven):

1. onrechte heeft de kantonrechter aangenomen dat de vordering van [geïntimeerde] spoedeisend is, nu aan [geïntimeerde] reeds op 15 januari 1997 eervol ontslag is verleend, hij eerst op 12 februari 2003 het onderhavige verzoek heeft ingediend en eerst in mei 2007 het onderhavige kortgeding heeft geëntameerd. De door [geïntimeerde] gestelde financiële problemen die de vordering volgens [geïntimeerde] spoedeisend doen zijn, zijn niet aangetoond.

2. In de door [geïntimeerde] aangehaalde gevallen van andere ex-ministers is het verzoek om als ambtenaar te worden aangesteld binnen zes maanden na het ontslag ingediend, zulks in lijn met artikel 1 lid 3 van de Wet financiële voorzieningen ministers en onderministers (wet van 23 september 1988, S.B. 1988 no. 58, zoals gewijzigd bij wet van 23 juli 1993, S.B. 1993 no. 55, hierna: “wet financiële voorzieningen”), waarin is bepaald dat een gewezen minister gedurende – thans – zes maanden na zijn ontslag een vergoeding ontvangt ter grootte van zijn als minister genoten honorarium. Volgens de Staat dient de in genoemde Wet financiële voorzieningen vermelde termijn van zes maanden ertoe om de (gewezen) ministers in die termijn de keuze te laten maken om ofwel een eigen bedrijf te beginnen, ofwel een dienstbetrekking in het bedrijfsleven te vinden, ofwel een aanstelling als ambtenaar te verzoeken. [geïntimeerde] heeft het verzoek niet binnen die termijn van zes maanden ingediend, waarmee het recht om als ambtenaar te worden aangesteld is verwerkt. De kantonrechter heeft mede daarom ten onrechte geoordeeld dat het door de Staat in acht te nemen gelijkheidsbeginsel is geschonden, aldus de Staat.

3. Uit de Wet financiële voorzieningen volgt volgens de Staat voorts dat een aanstelling als ambtenaar eerst na afloop van de in die wet bedoelde termijn van zes maanden kan plaatsvinden, dat een aanstelling niet met terugwerkende kracht kan worden gedaan en dat door de gewezen ministers elders gegenereerde inkomsten op het salaris in mindering strekken. De kantonrechter heeft daar volgens de Staat ten onrechte geen rekening mee gehouden.

4. De missive is geen bij of krachtens de wet vastgestelde regeling, zodat [geïntimeerde] daaraan geen afdwingbare aanspraken kan ontlenen. Indien en voor zover [geïntimeerde] van mening was dat hij desondanks aanspraak kon maken op een aanstelling als ambtenaar, had hij zich tot het Hof van Justitie als ambtenarenrechter moeten wenden. De kantonrechter heeft zich daarom ten onrechte bevoegd verklaard aldus de Staat.

5. De vordering zoals die is ingesteld kan niet worden toegewezen, omdat er nog geen besluit was genomen op het verzoek. [geïntimeerde] had in kort geding hooguit kunnen vragen om de Staat te veroordelen een besluit op zijn verzoek te nemen. De veroordeling zoals die thans is gegeven schept een definitieve rechtstoestand die niet meer in een bodemgeschil ter beoordeling kan worden voorgelegd. De kantonrechter heeft dat volgens de Staat miskend.

2.6 Op de grieven en op hetgeen daartegen door [geïntimeerde] is ingebracht zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

2.7 Op 8 november 2007 heeft de kantonrechter in kort geding vonnis in de zaak onder A.R. no. 072423 gewezen, en was de Staat op de dag van de uitspraak wel vertegenwoordigd. Blijkens het bepaalde in artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen partijen binnen 14 dagen na de uitspraak hoger beroep aan te wenden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de Staat uiterlijk 22 november 2007 hoger beroep diende aan te wenden. Gebleken is dat de Staat op 20 november 2007 en dus binnen de wet gestelde termijn het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend, zodat hij in het hoger beroep zal worden ontvangen.

2.8 Gezien artikel 79 van de Personeelswet is het Hof als ambtenarenrechter bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van besluiten met betrekking tot salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld, besluiten met betrekking tot verlaging van rang, vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit, besluiten waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd en besluiten tot schorsing of ontslag. In de Personeelswet is niet bepaald dat (het uitblijven van) een besluit tot aanstelling als ambtenaar als zodanig een besluit is dat ter beoordeling van het Hof van Justitie als ambtenarenrechter kan worden voorgelegd. De stelling van de Staat, dat niet de kantonrechter maar het Hof van Justitie als ambtenarenrechter bevoegd is om van de verordening kennis te nemen, gaat derhalve niet op.

2.9 Naar het oordeel van het Hof is een vordering die ertoe strekt om te worden aangesteld in een dienstbetrekking en dienovereenkomstig te worden uitbetaald naar haar aard spoedeisend. Het standpunt van de Staat, dat [geïntimeerde] wegens het ontbreken van spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vordering daarin niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, wordt verworpen. De omstandigheid dat [geïntimeerde] niet eerder aanspraak heeft gemaakt op een benoeming als ambtenaar en een daartoe strekkende vordering in kort geding heeft ingesteld doet aan het spoedeisende karakter van de vordering niet af.

2.10 Juist is, zoals de Staat heeft aangevoerd, dat de missive niet de status heeft van wet of een bij of krachtens de wet algemeen verbindende regel, maar in beginsel slechts interne werking heeft. [geïntimeerde] kan daarom niet rechtstreeks op grond van de missive aanspraak maken op een aanstelling als ambtenaar als een hem toekomend subjectief recht. Uitgangspunt is dat het aanstellen van ambtenaren door een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 lid 2 van de Personeelswet een discretionaire bevoegdheid is van de President en/of de ministers en dat zij daarin in beginsel beleidsvrijheid hebben. Zulks volgt ook uit de tekst van de missive, waarin is bepaald dat gewezen ministers in de hoogste ambtelijke rang kunnen worden ingedeeld, c.q. aangesteld.

Beoordeeld dient te worden of de Staat, in het licht bezien van de door de Staat bij het nemen van besluiten te hanteren algemene beginselen van behoorlijk bestuur, al dan niet jegens [geïntimeerde] onrechtmatig handelt door hem niet als ambtenaar aan te stellen. Bij de vraag of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn nageleefd speelt de missive wel een rol, met name in het kader van het vertrouwensbeginsel (mocht [geïntimeerde] er op grond van de missive als beleidslijn op vertrouwen dat deze ten aanzien van hem zou worden toegepast) en het rechtszekerheidsbeginsel (is de missive consequent toegepast).

2.11 Volgens de Staat moet de missive in samenhang worden bezien met de Wet financiële voorzieningen en volgt daaruit dat verzoeken van gewezen ministers om als ambtenaar te worden benoemd niet meer worden ingewilligd na afloop van de termijn van zes maanden, tijdens welke gewezen ministers op grond van die wet een vergoeding krijgen betaald ter hoogte van het door hen als minister ontvangen honorarium. De Staat voert aan dat de door hem ingewilligde verzoeken altijd zijn ingediend binnen die termijn.

Deze beleidslijn blijkt als zodanig niet uit de missive zelf, maar komt het Hof voorshands niet onwaarschijnlijk of onredelijk voor. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat in de missive uitdrukkelijk wordt verwezen naar (de overgangsregeling van) de Wet financiële vergoedingen. Voorshands is derhalve aannemelijk, zoals de Staat heeft aangevoerd, dat de missive is bedoeld om te voorzien in de periode volgend op het tijdvak van – thans – zes maanden waarin gewezen ministers uit hoofde van die wet een vergoeding ter hoogte van hun honorarium krijgen doorbetaald.

2.12 De gewezen ministers [naam 1], [naam 2] en [naam 3], die – naar de Staat onbetwist heeft gesteld – allen per augustus 2000 zijn ontslagen, hebben in januari 2001 een verzoek ingediend om als ambtenaar te worden benoemd. Minister [naam 4], die als zodanig per september 2005 eervol is ontslagen, heeft in december 2005 een verzoek ingediend. Indiening van het verzoek heeft derhalve steeds plaatsgevonden binnen de termijn van zes maanden vanaf het eervol ontslag. Door [geïntimeerde] zijn geen gevallen aangedragen waarin het verzoek na afloop van bedoelde termijn van zes maanden is ingediend, laat staan een met zijn situatie vergelijkbaar geval waarin een verzoek om tot ambtenaar te worden benoemd na afloop van zes jaar, of een daarmee vergelijkbare periode, is gedaan. In zoverre wordt de door de Staat gestelde beleidslijn feitelijk bevestigd door de door partijen aangehaalde gevallen.

2.13 Uitgaande van de beleidsvrijheid die de Staat ten aanzien van de toepassing van de missive in beginsel heeft en gelet op het hiervoor overwogene mocht [geïntimeerde] er naar het voorlopig oordeel van het Hof niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat ten aanzien van hem de missive nog na verloop van zes jaren na zijn ontslag zou worden toegepast en dat zijn daartoe strekkende verzoek zou worden ingewilligd. De omstandigheid dat in de missive wordt verwezen naar de Wet financiële voorzieningen en dat er geen met zijn situatie vergelijkbare gevallen zijn gebleken waarin de missive is toegepast staat daaraan in de weg. Dat de Staat door het verzoek van [geïntimeerde] niet in te willigen in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het verbod op willekeur is derhalve niet aannemelijk geworden. De Staat heeft het verzoek in redelijkheid kunnen weigeren. De omstandigheid dat de Staat niet, althans niet binnen een redelijke termijn op het verzoek van [geïntimeerde] heeft beslist en in zoverre jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld kan aan het voorgaande niet afdoen.

2.14 Gezien het voorgaande slagen de grieven en zal het bestreden vonnis worden vernietigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

alsnog rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep, aan de zijde van de Staat gevallen en begroot op SRD 316,–;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.M.M. Chu, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 november 2010, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Giffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

 

SRU-HvJ-2016-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna te noemen ‘de Staat’
gevolmachtigde: mr. M. Winter, substituut-officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1 Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift d.d. 14 mei 2014, met producties;
– het verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 11 juli 2014, ingediend ter griffie d.d. 14 juli 2016;
– het schrijven van het Hof van Justitie d.d. 16 juli 2014 waarbij is aangegeven dat het verzoek voor verlenging van de termijn binnen welke het verweerschrift moest zijn ingediend, reeds verstreken was d.d. 01 juli 2014 en het Hof van Justitie derhalve genoodzaakt is om de zaak op een nader te bepalen datum te behandelen;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 03 oktober 2014, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 oktober 2014;
– het verzoek tot uitstel van het verhoor van partijen d.d. 16 oktober 2014 zijdens [verzoeker], overgelegd ter terechtzitting d.d. 17 oktober 2014;
– het verzoek tot uitstel van het verhoor van partijen d.d. 15 oktober 2014 zijdens de Staat, ingekomen ter griffie d.d. 16 oktober 2014;
– het verzoek tot uitstel van het verhoor van partijen d.d. 15 december 2014 zijdens [verzoeker], ingekomen ter griffie d.d. 17 december 2014;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 05 juni 2015;
– de pleitnota d.d. 03 juli 2015;
– de antwoordpleitnota d.d. 06 november 2015, onder overlegging van producties;
– de repliekpleitnota d.d. 04 december 2015;
– de dupliekpleitnota d.d. 15 januari 2016

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 15 april 2016, doch nader op heden.

2 De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.1 [verzoeker] is agent van politie in vaste dienst bij het Ministerie van Justitie en Politie, derhalve ambtenaar in de zin van de Personeelswet.
2.2 [verzoeker] is op 04 juni 2013 in verzekering gesteld op grond van artikel 249a Wet van 06 april 2006, houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (G.B. 1911 no. 1, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2014 no. 15) en op grond van artikel 188 Wetboek van Strafrecht, luidende als volgt:
Artikel 249a Wet van 06 april 2006, houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (G.B. 1911 no. 1, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2014 no. 15):
“1. Degene die een ander al dan niet uit winstbejag behulpzaam is bij het verschaffen van toegang tot of verblijven in Suriname, of hem daartoe al dan niet uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en een geldboete van ten hoogste SRD. 300.000,–.
2. Indien het feit omschreven in lid 1 van dit artikel wordt begaan door een persoon, die daarvan een beroep of gewoonte maakt of in vereniging wordt begaan door meerdere personen, wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste acht jaren en een geldboete van ten hoogste SRD. 600.000,–.”
Artikel 188 Wetboek van Strafrecht:
“Degene die deel heeft aan een organisatie waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij tot oogmerk heeft het begaan van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren en met geldboete van ten hoogste zevenhonderdvijftigmiljoen gulden.”
2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 31 maart 2014 Bureau [nummer] (hierna aangeduid als: ontslagbeschikking), de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest, luidende als volgt:
“Aan een ambtenaar van politie, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan een der tuchtstraffen worden opgelegd:
j. ontslag”
2.4 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking ontvangen op 23 april 2014.

2.5 [verzoeker] is bij verkort vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 26 mei 2014 No. 303 veroordeeld tot:
“ a. Gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN. Beveelt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen.

b. Een geldboete van VIJFDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR, met
bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van zes maanden.”

2.6 [verzoeker] heeft tegen het verkort vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 26 mei 2014 N0. 303, hoger beroep ingesteld.

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken, uitvoerbaar bij voorraad:
I. vernietiging c.q. nietig verklaring van de ontslagbeschikking d.d. 31 maart 2014 Bureau [nummer];
II. de Staat te veroordelen hem het gebruikelijk salaris en overige emolumenten toe te kennen, in afwachting van de uiteindelijke uitspraak in de strafzaak.

3.2 [verzoeker] heeft aan zijn vordering – zakelijk weergegeven – onder meer ten grondslag gelegd:
a. dat van mensensmokkel, zoals vermeld in de inverzekeringstelling, geen sprake kan zijn omdat de zes paspoorten die in zijn lade waren gevonden, niet waren voorzien van een stempel, niet getekend waren en ook niet in het vrije verkeer waren gebracht (afgegeven aan belanghebbenden);

b. dat de gestelde feiten in de inverzekeringstelling verschillen met de gestelde feiten in de dagvaarding. In de inverzekeringstelling zijn de feiten: mensensmokkel, criminele organisatie c.q. valsheid in geschrifte genoemd, en in de dagvaarding wordt er gesproken van voorbereiding mensensmokkel op grond van artikel 249a lid 2 Wetboek van Strafrecht en poging tot mensensmokkel;

c. dat de feiten, aangehaald in de ontslagbeschikking, niet zijn bewezen: in het bijzonder de kwestie van het voorzien van de paspoorten van een stempel van verlenging kortverblijf;

d. dat ten tijde van het ontslag, de strafzaak nog gaande was en op 26 mei 2014 zou worden voortgezet waarbij de vervolgingsambtenaar aan zet zou zijn om haar requisitoir te houden waarna er vonnis zou worden gewezen waardoor de ontslagbeschikking derhalve in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat het plichtsverzuim vooralsnog niet is komen vast te staan bij de behandeling der zaak door de onafhankelijke rechter;

e. dat de ontslagbeschikking tegenstrijdig is, omdat onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid geen plichtsverzuim oplevert, maar een afzonderlijk ontslaggrond, zoals vermeld in artikel 69 leden 2 en 4 van de Personeelswet, luidende als volgt:
Artikel 69 lid 2 (lees: lid 3) Personeelswet
“GRONDEN VOOR ONTSLAG
3. Aan een ambtenaar kan, behalve wegens plichtsverzuim, voorts ontslag worden verleend:
a. indien krachtens rechterlijk gewijsde lijfsdwang wegens schulden op hem is toegepast;
b. indien hij bij rechterlijk gewijsde onder curatele is gesteld;
c. wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid;
d. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid;
e. wegens aan hem te wijten onmogelijkheid van samenwerking;
f. indien hij blijkens de resultaten van een geneeskundig onderzoek hetzij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen;
g. wegens verlies van een wettelijk vereiste voor de vervulling van de functie waarin hij is benoemd, tenzij dit vereiste is vastgesteld bij een na zijn benoeming in werking getreden regeling;
h. wegens het aangaan van een huwelijk, indien daardoor een graad van zwagerschap ontstaat, welke krachtens enige wet een benoeming in zijn functie zou uitsluiten;
i. wegens opheffing van zijn functie;
j. wegens een zodanige wijziging van de formatie van het onderdeel van ’s Lands dienst waartoe hij behoort, dat ontslag van een of meer ambtenaren onvermijdelijk is en hij daarvoor, gelet op de bij staatsbesluit vastgestelde rangorde, in aanmerking komt;
k. wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst;
l. wegens het in het belang van de dienst ondernomen algehele reorganisatie, inkrimping en sanering van de Staatsdienst.”

Artikel 69 lid 4 Personeelswet
4. Ontslag wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid kan aan een ambtenaar worden verleend, indien hij:
a. hetzij lid is van een vereniging, ten aanzien waarvan bij staatsbesluit is verklaard, dat het lidmaatschap, gelet op de doeleinden welke die vereniging nastreeft en de middelen die zij aanwendt, de behoorlijke vervulling van de ambtelijke plichten in gevaar kan brengen of schaden;
b. hetzij op enige wijze medewerking of steun verleent aan een vereniging als onder a bedoeld, of aan een van haar uitgaande aktie;
c. hetzij door andere gedragingen blijk heeft gegeven van een zodanige gezindheid, dat hij redelijkerwijs niet geacht kan worden voldoende waarborgen voor een getrouwe plichtsbetrachting te bieden.”

f. dat hij geen giften of beloften heeft aangenomen van de Brazilianen en ook al zou hij de instructies voor de ambtenaren van politie niet hebben nageleefd, zulks rechtvaardigt een ontslag uit Staatsdienst niet op grond van artikel 79 lid 3 Personeelswet, luidende als volgt:
“Nietigverklaring van een besluit, waarbij een tuchtstraf is opgelegd, kan mede worden gevorderd op de grond, dat die straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan.”

g. dat uit de overwegingen niet is gebleken dat artikel 44 lid 2 jo. artikel 32 lid 1 van het Politiehandvest zijn nageleefd, luidende als volgt:
Artikel 44 lid 2 Politiehandvest:
“OPLEGGING VAN TUCHTSTRAFFEN
2. Indien ter zake van een door een ambtenaar van politie begaan plichtsverzuim tevens een strafrechtelijk onderzoek gaande is, wordt geen tuchtstraf opgelegd, dan nadat de procureur-generaal in de gelegenheid is gesteld zijn gevoelens daaromtrent te doen kennen.”

Artikel 32 lid 1 Politiehandvest:
“COMMISSIE VOOR OVERLEG
1. De algemene regelen omtrent de rechtspositie van landsdienaren zijn mede van toepassing op de ambtenaren van politie, voor zover daarvan niet bij deze wet uitdrukkelijk is afgeweken.”

h. dat hij tegen het verkort vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 26 mei 2014, hoger beroep heeft ingesteld en dat het Hof van Justitie ter zake nog geen uitspraak heeft gedaan, waardoor de gestelde feiten nergens vast staan.

3.3 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering waarop, voor zover nodig, bij de beoordeling zal worden ingegaan.
Als meest verstrekkend verweer heeft de Staat aangevoerd dat in het door het hof uitgesproken vonnis in de zaak [naam] contra de Staat (A-650) is overwogen dat er geen enkele wetsbepaling is die voorschrijft dat, indien tegelijk met een disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar, een strafrechtelijk onderzoek gaande is, moet worden gewacht totdat de rechter in de strafzaak uiteindelijk heeft beslist of dat enkel een in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis door de ambtenarenrechter als bewijs voor beweerd plichtsverzuim mag worden aanvaard, om een tuchtstraf op te leggen. Noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens, de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.

4. De beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
4.1 Het hof constateert dat [verzoeker] in hoofdzaak opkomt tegen het besluit van de Minister van Justitie en Politie d.d. 31 maart 2014 Bureau [nummer] welke hij heeft ontvangen op 23 april 2014. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 14 mei 2014 ter griffie is ontvangen, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschiedt ingevolge artikel 80 lid 2 sub c van de Personeelwet, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit.

Bevoegdheid
4.2 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Het hof is daarbij tevens bevoegd om te oordelen over vorderingen tot schadevergoeding, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten betreffende ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof bevoegd om kennis te nemen van het onder sub I en II gevorderde.

4.3 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – verweer gevoerd dat ten aanzien van het verschil in de gestelde feiten in de inverzekeringstelling en de dagvaarding, het een strafrechtelijk verweer betreft welke in het kader van de strafzaak moet worden gevoerd. Voor wat het tuchtrechtelijke betreft is komen vast te staan waarvan [verzoeker] beschuldigd is geworden. Dit is aan hem bekend gemaakt in zijn ingebrekestelling, waarbij hij in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren, hetgeen hij ook gedaan heeft. Naar het oordeel van het Hof is het daartoe strekkend verweer van de Staat derhalve gegrond en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van [verzoeker] niet in rechte komen vast te staan.

4.4. Voorts heeft de Staat – zakelijk weergegeven – verweer gevoerd dat de opgelegde tuchtstraf niet afhankelijk is van de uitkomst van de strafzaak. Naar het oordeel van het hof is het standpunt van de Staat in deze correct. Er is geen enkele wetsbepaling die voorschrijft dat, indien tegelijk met een disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar van Politie, een strafrechtelijk onderzoek gaande is, de uiteindelijke afloop van de strafzaak dient te worden afgewacht alvorens een tuchtstraf kan worden opgelegd. Het daarop betrekking hebbende verweer van de Staat is derhalve gegrond en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van [verzoeker] niet in rechte komen vast te staan.

4.5. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de gewraakte beschikking in strijd is met artikel 44 lid
2 jo. artikel 32 lid 1 van het Politiehandvest. Artikel 44 lid 2 van het op [verzoeker] van toepassing zijnde Politiehandvest bepaalt dat, indien ter zake van een door een ambtenaar van Politie gepleegd plichtsverzuim tevens een strafrechtelijk onderzoek gaande is, geen tuchtstraf wordt opgelegd dan nadat de Procureur-Generaal in de gelegenheid is gesteld zijn gevoelens daaromtrent te doen kennen. Het hof is van oordeel dat uit deze bepaling kan worden afgeleid dat het gepleegd zijn van plichtsverzuim kan worden vastgesteld zonder dat de betreffende ambtenaar voor de handelingen die, behalve plichtsverzuim, een strafbaar feit opleveren, bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis door de strafrechter is veroordeeld.

4.6. Het hof tekent bij het voorgaande aan dat voor het vaststellen van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.

4.7. Nu gesteld en gebleken is dat [verzoeker] bij zijn verweerschrift d.d. 12 november 2013, gericht aan de Korpschef, heeft toegegeven dat hij tegen de regels in de paspoorten heeft afgestempeld en het feit dat er op 05 juni 2013 nog 25 Braziliaanse paspoorten zijn aangetroffen in de directe werkomgeving van [verzoeker] achtte de Minister van Justitie en Politie het vermoeden bevestigd dat [verzoeker] zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan de aan hem verweten gedraging en is derhalve aan hem op grond van plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst verleend.

4.8. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – verweer gevoerd dat artikel 32 lid 1 van het Politiehandvest, namelijk het horen van de Commissie van Overleg, verder in artikel 32 lid 3 van het Politiehandvest specifiek aangeeft wanneer de Minister de Commissie van Overleg moet raadplegen. Het gaat met name om beslissingen in aangelegenheden die in algemene zin voor de bijzondere rechtstoestand van de ambtenaren van politie van belang zijn. Het betreft dus absoluut geen aangelegenheden in bijzondere en/of individuele zin. Ingevolge lid 4 van voornoemd artikel is de Minister bevoegd om ook andere zaken dan de in het 3e lid bedoelde aangelegenheden voor te leggen aan de Commissie van Overleg. In een concreet geval heeft de Minister de keus, maar is wettelijk niet verplicht om de Commissie van Overleg te raadplegen. Het hof is van oordeel dat het daartoe strekkend verweer van de Staat derhalve gegrond is en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van [verzoeker] niet in rechte komen vast te staan.

4.9. In de beschikking is als dragende overweging opgenomen:

4.10. “dat agent [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met artikel 4 lid 2 van het Politie Handvest, de artikelen 3 en 10 van de Instructies voor ambtenaren van politie en de punten 1,2 en 3 Gedragscode voor de ambtenaren van politie en de Personeelswet; namelijk taakuitoefening in overeenstemming met de geldende rechtsregelen; het verbod om giften en beloften aan te nemen teneinde in de dienstbetrekking iets te doen of na te laten; toezicht houden op de naleving van wettelijke regelingen; zich te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig gedragen dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad; altijd eerlijk en oprecht zijn, zich houden aan de instructies voor ambtenaren van politie en alle andere ter zake dienende wettelijke regelingen; betrouwbaar zijn, de waarheid spreken en de waarheidsvinding te bevorderen; zich als een voorbeeldfiguur gedragen, alsook zich niet schuldig maken aan strafbare feiten en overtredingen;”. Naar het oordeel van het hof is de inhoud van al het voorgaande komen vast te staan met de beslissing van de strafrechter.

4.11. Het hof merkt op dat [verzoeker] diende in de rang van ambtenaar van Politie 2e klasse en reeds 2,5 jaar werkzaam was op de afdeling Vreemdelingenzaken. [verzoeker] heeft bij zijn verweerschrift d.d. 12 november 2013, gericht aan de Korpschef, toegegeven dat hij tegen de regels in de paspoorten heeft afgestempeld. Hieruit begrijpt het hof dat [verzoeker] op de hoogte was van de geldende regels en procedures. Desondanks heeft [verzoeker] tegen de regels in de paspoorten afgestempeld.

4.12. Alhoewel [verzoeker] tijdens het verhoor van partijen d.d. 05 juni 2015 heeft aangegeven dat hij slechts een opdracht van een meerdere heeft willen uitvoeren, rechtvaardigt dat niet de handelingen, welke tevens in strijd zijn met de geldende regels en procedures, die hij heeft gepleegd. Het hof benadrukt hierbij de punten 1,2 en 3 Gedragscode voor de ambtenaren van politie en de Personeelswet; namelijk taakuitoefening in overeenstemming met de geldende rechtsregelen; het verbod om giften en beloften aan te nemen teneinde in de dienstbetrekking iets te doen of na te laten; toezicht houden op de naleving van wettelijke regelingen; zich te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig gedragen dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad; altijd eerlijk en oprecht zijn, zich houden aan de instructies voor ambtenaren van politie en alle andere ter zake dienende wettelijke regelingen; betrouwbaar zijn, de waarheid spreken en de waarheidsvinding te bevorderen; zich als een voorbeeldfiguur gedragen, alsook zich niet schuldig maken aan strafbare feiten en overtredingen.

4.13. Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de grondslag van het gevorderde niet in rechte is komen vast te staan en zal het hof het onder punt I en II gevorderde afwijzen.

De beslissing

Het Hof:

Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 juli 2016, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S.J. Lo Tam Loi namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.