SRU-HvJ-2018-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

1. [bedrijf], gevestigd en kantoorhoudende te [district 1], en

2. [appellant], wonende te [district 1],

appellanten, hierna te noemen respectievelijk de N.V. en [appellant],

gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot

tegen

1. [geïntimeerde 1]

2. [geïntimeerde 2]

3. [geïntimeerde 3] en

4. [geïntimeerde 4], allen wonende in [land],

geïntimeerden, hierna ook gezamenlijk [geïntimeerden] te noemen,

gemachtigde: mr. M. I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 13 oktober 2009 (A.R. No. 023732) tussen de N.V. en [appellant] als gedaagden en [geïntimeerden] als eisers, spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, bij vervroeging het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Bij vonnis van het hof van 18 mei 2012 is uitspraak gedaan in het incident. Daarna is de zaak door partijen bepleit, waarna wederom bij vervroeging vonnis is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staat het navolgende vast:

a) De inmiddels overleden [persoon], verder [persoon], echtgenoot respectievelijk vader van [geïntimeerden], heeft op 28 maart 1974 een recht van erfpacht verworven op een perceel grond te [plaats], voor het opzetten van een houtzaagmolen (verder het perceel). In de loop van de daaropvolgende jaren is er een houtzaagmolen cum annexis op het terrein opgericht. De houtzagerij stond in eerste instantie ingeschreven als eenmanszaak onder de naam [persoon variant 1], met als eigenaar [persoon]. Met ingang van 28 februari 1976 werd de naam gewijzigd in ‘[bedrijf variant 1]. Met ingang van 29 januari 1977 is het bedrijf omgezet in de naamloze vennootschap ‘[bedrijf]’ (de N.V.).

b) De N.V. had in eerste instantie een vijftal aandeelhouders, waaronder genoemde [persoon] en [appellant]. In de notulen van de Algemene Vergadering van de N.V. van 19 april 1978, waarbij alle aandeelhouders aanwezig waren, en die door allen zijn getekend, staat ondermeer het navolgende vermeld: ‘ Het erfpachtsperceel, gelegen te [adres 1] in [district 2], waarop de zaagmolen is gebouwd, behoort aan de mede-aandeelhouder [persoon variant 1]. Ter vergadering is unaniem besloten om de situatie voorlopig zo te laten, zoals zij thans is, echter met dien verstande dat voor het gebruik van de grond door de N.V. geen huur zal worden getoucheerd door de heer [persoon variant 1], noch voor het verleden, noch voor de toekomst, en dat hij zich verplicht bij eventuele verkoop van de zaagmolen zijn medewerking te verlenen aan de overdracht van voornoemd perceel, althans het gedeelte waarop de zaagmolen staat met de noodzakelijke ruimten in verband met de exploitatie daarvan. Echter zal de aan de Overheid verschuldigde canon door [bedrijf] worden betaald. Verder is eveneens besloten om indien de heer [persoon variant 1] te zijner tijd zal besluiten voormeld perceel van de hand te doen, [bedrijf] daarop een voorkeursrecht tot koop zal hebben voor een nader vast te stellen bedrag.’

c) [persoon] heeft in 1985 zijn aandelen verkocht aan [appellant].

d) [persoon] is op 29 oktober 1989 overleden, waarbij [geïntimeerden] de enige erfgenamen zijn.

e) Bij deurwaardersexploit van 10 oktober 1996 hebben [geïntimeerden] de overeenkomst van bruikleen of gebruik met betrekking tot het perceel en de daarop staande opstallen opgezegd met een opzegtermijn van 2 ½ maand. De N.V. en [appellant] hebben hier niet aan voldaan.

De vordering en het verweer in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter

2. [geïntimeerden] hebben de ontruiming gevorderd van het ‘pand aan [adres 2]’ onder afgifte van een aantal met name genoemde ‘tot de houtzagerij behorende goederen’, daarbij aanvoerend dat het perceel niet is ontruimd en ‘dat dat onrechtmatig is’. De N.V. en [appellant] voeren aan dat de bestaande gebruiksovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis zakelijk weergegeven de ontruiming gelast onder afgifte van de in het verzoekschrift genoemde goederen.

De beoordeling

3. De N.V. en [appellant] hebben een aantal grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die in het hiernavolgende voorzover nodig aan de orde zullen komen. Daarbij concluderen zij tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de oorspronkelijke vordering, kosten rechtens. [geïntimeerden] hebben zich hiertegen verzet en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis. Op het verweer wordt hieronder zonodig ingegaan.

4. Om proceseconomische redenen zal het Hof eerst de grieven behandelen, zoals deze onder de punten 5. tot en met 8 staan vermeld. Kort gezegd komen deze op het volgende neer. [persoon] wilde samen met een aantal compagnons, waaronder [appellant], in 1971 een houtzagerij beginnen. Daartoe heeft hij een recht van erfpacht aangevraagd en gekregen op het perceel. Omdat het erfpachtsrecht op zijn naam stond heeft hij ook op eigen naam terzake een Hinderwetvergunning aangevraagd en verkregen. Op het document, waarin de Hinderwetvergunning wordt verleend, worden een belangrijk deel van de in het petitum van het verzoekschrift genoemde motoren en apparaten vermeld. Alle werkzaamheden op het perceel, zoals het bouwen van de zaagmolen, en alle aankopen hebben vanaf het begin gezamenlijk plaatsgevonden en later, toen de N.V. eenmaal was opgericht, binnen de N.V. De geïnvesteerde kosten werden gedeeld. Op enig moment is de N.V. opgericht waarvan alle compagnons aandeelhouder werden (zij het dat één van hen toen al was overleden en zijn weduwe in zijn plaats is gekomen). Het is van meet af aan de bedoeling geweest dat [persoon variant 2] het erfpachtsrecht zou inbrengen in de N.V., maar dat is nooit gebeurd. De N.V. heeft om die reden het gebruiksrecht van het recht op erfpacht om niet gekregen en bovendien werd afgesproken dat als de N.V. de zaagmolen zou verkopen, [persoon] het erfpachtsrecht zou mee verkopen en dat als [persoon] het erfpachtsrecht zou willen verkopen, de N.V. het recht van eerste koop had. [geïntimeerden] voeren daar tegenover aan dat [persoon] in eerste instantie voor zich zelf werkte en zelf de zaagmolen op het perceel heeft opgericht. Pas later, toen er meer investeringen nodig waren, zijn de andere aandeelhouders er bij gekomen. De opstallen en de zich daarin bevindende motoren waren daarom van [persoon]. Om die reden kunnen zij in redelijkheid de gebruiksovereenkomst opzeggen en de ontruiming van het perceel inclusief de gebouwen vragen met bijbehorende levering van de genoemde motoren en andere zaken, die in de dagvaarding zijn genoemd.

5. De N.V. en [appellant] hebben in hoger beroep een groot aantal schriftelijke bewijzen en foto’s overgelegd en verwijzen naar de onder 1b geciteerde notulen. Het Hof stelt vast dat het beeld dat daaruit komt in lijn is met hetgeen door de N.V. en [appellant] is aangevoerd. Allereerst staat vast dat de N.V. de canon voor het erfpachtsrecht betaalde en nog steeds betaalt, en dat [persoon] en [geïntimeerden] thans geen vergoeding krijgen van de N.V. Dat duidt er niet op dat de N.V. in een rijdende trein is gestapt en dat [persoon] het bedrijf inclusief opstallen en machines zelfstandig helemaal had opgezet, voordat hij de zaagmolen inbracht in de N.V. Dan zou er toch logischerwijs sprake moeten zijn geweest van een betaling door de N.V. aan [persoon] (hetgeen niet is aangevoerd) dan wel zou er door [persoon] ter aflossing van de door hem gedane investeringen een (hoge) vergoeding van het gebruik van het erfpachtsrecht zijn bedongen. Ook dat is niet gebleken. Voorts blijkt uit een stuk uit 1971 dat er sprake is van de aankoop van een raamzaag (in de hinderwetvergunning uit 1971 wordt ook gesproken over een raamzaag) die door n van de andere compagnons ([naam 1]) is gefinancierd en uit een stuk uit 1973 dat er een groot aantal financiële verrekeningen hebben plaatsvonden tussen de compagnons, waaronder ook de aankoop van de raamzaag. Verder zijn er door de N.V. blijkens de overgelegde producties een groot aantal met de zaagmolen verband houdende machines aangekocht. Uit een ander stuk, uit 1973, waarin ‘[bedrijf variant 2]’ met een zekere [naam 2] een overeenkomst sluit, blijkt dat [appellant] toen al namens de Houtzaagmolen tekende, hetgeen in de visie van [geïntimeerden] niet mogelijk zou zijn geweest. Toen bestond er immers volgens de inschrijving alleen maar een eenmanszaak ‘[persoon variant 1]’. Ook dit past veel meer in het door de N.V. en [appellant] geschetste beeld dan in hetgeen door [geïntimeerden] is aangevoerd. Verder is een stuk van 5 maart 1977 overgelegd, waarin een financieringsvoorstel wordt gedaan voor de N.V. Daarin wordt met zoveel woorden vermeld dat het erfpachtsrecht zal worden overgedragen aan de N.V. Ook dit past veel meer in de stellingen van de N.V. en [appellant] dan van [geïntimeerden]. De N.V. en [appellant] hebben ook nog foto’s van de bouw van de zaagmolen overgelegd. Volgens hen blijkt daaruit dat de bouw door de compagnons gezamenlijk is gedaan.

6. [geïntimeerden] hebben wel aangevoerd dat de overgelegde stukken niet origineel zijn en dat er soms iets is bijgeschreven, maar dat doet wat het Hof betreft niet af van de hiervoor geschetste, geconstateerde, lijn. [geïntimeerden] hebben hier feitelijk niets tegenover kunnen stellen, noch inhoudelijk verweer gevoerd tegen de inhoud van deze stukken. Zij hadden, om hun eigen verweer aannemelijk te maken, toch stukken kunnen overleggen waaruit zou hebben kunnen blijken dat het [persoon] is geweest die alle werkzaamheden in de begin jaren zeventig verrichtte en alle aankopen bekostigde. Zij hadden ook aan de hand van de overgelegde foto’s kunnen aangeven dat de N.V. en [appellant] daaruit een onjuiste conclusie trekken. Er zijn ook geen getuigenverklaringen overgelegd, bijvoorbeeld van de andere compagnons of hun erfgenamen, waaruit de juistheid van stellingen van [geïntimeerden] zou kunnen blijken. Om die reden gaat het Hof uit van de juistheid van de overgelegde stukken.

7. Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de conclusie dat de door de N.V. en [appellant] voorgestelde grieven tegen het bestreden vonnis opgaan en dat het verweer daartegen dient te worden gepasseerd.

8. Dit voorgaande leidt er toe dat het Hof van oordeel is dat de gebruiksovereenkomst (om niet) tussen [geïntimeerden] en de N.V. (van het bestaan van een gebruiksovereenkomst tussen [geïntimeerden] en [appellant] is niets gebleken) en het erfpachtsrecht onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Pas bij verkoop van het bedrijf door de N.V. of bij verkoop van het erfpachtsrecht door [geïntimeerden] (met een voorkeursrecht voor de N.V.) zou – zo waren partijen overeengekomen- de gebruiksovereenkomst eindigen. Het eenzijdig opzeggen van deze gebruiksovereenkomst, zonder de N.V. volledig schadeloos te stellen, is daarom in strijd met het karakter van deze gebruiksovereenkomst en zou leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [geïntimeerden], wat niet de bedoeling kan zijn. De opzegging zoals vermeld onder 1d. is daarom nietig en kan niet tot het gevolg leiden dat de N.V. het perceel en de opstallen moet ontruimen. De oorspronkelijke vorderingen dienen dan ook te worden afgewezen. Het bestreden vonnis dient om die reden vernietigd te worden. [geïntimeerden] zullen de proceskosten, die aan de zijde van de N.V. en [appellant] zijn gevallen, moeten dragen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De beslissing

Vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 13 oktober 2009 en opnieuw rechtdoende:

1. Wijst de vorderingen af.

2. Verwijst [geïntimeerden] in de proceskosten, zowel van de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep, aan de zijde van de N.V. en [appellant] gevallen en tot deze uitspraak begroot op SRD 200,- (Twee Honderd Surinaamse Dollars)

Aldus gewezen door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, lid en mr. A.C. Johanns, lid-plaatsvervanger en

w.g. S.M.M. Chu

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellant en advocaat mr. A.A.N. Codrington namens mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],
wonende te [district],
appellante, verder te noemen [appellante]
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
geïntimeerde, verder te noemen [geïntimeerde] ,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 25 mei 2010 (A.R.No. 080420) tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde,
Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
– een pleitnota van 4 maart 2011;
– een Pleitnota van antwoord van 1 april 2011;
– een conclusie van repliek van 3 juni 2011 en
– een Pleitnota van dupliek van 15 juli 2011.

De feiten
1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a) [appellante] heeft een relatie gehad met [naam 1], verder te noemen [naam 1].
b) [naam 1] is op 22 december 2000 overleden. Zijn enig erfgenaam is de door [naam 1] bij leven opgerichte Stichting [naam 2] , verder te noemen [naam 2].
c) De Stichting is bij leven opgericht door [naam 1].

De stellingen en vorderingen in eerste aanleg, het verweer en het oordeel van de kantonrechter
2. [appellante] stelt dat zij in concubinaat heeft geleefd met [naam 1] , dat zij met [naam 2] een maatschap heeft gevormd, dat [naam 1] (als bestuurder) als haar gevolmachtigde gelden vanuit deze maatschap heeft overgeheveld naar [geïntimeerde], dat er een vermogen van € 900.000,– op een Nederlandse rekening van de Stichting staat en dat de helft daarvan van haar is. Zij vordert primair dit bedrag aan haar uit te betalen en subsidiair de scheiding en deling van het ontbonden maatschapsvermogen, dat bij de Stichting is ondergebracht.
3. De Stichting ontkent dat er door toedoen van [naam 1] gelden van [appellante] in haar vermogen zijn terecht gekomen. De kantonrechter verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar primaire vordering en –naar het Hof begrijpt- wijst de subsidiaire vordering af, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

De beoordeling
3. [appellante], die tijdig in hoger beroep is gekomen, voert een drietal grieven in haar pleitnota aan, waarna zij concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vorderingen, zoals deze in eerste aanleg in het verzoekschrift staan vermeld. De Stichting voert verweer en concludeert tot afwijzing van het beroep. Op de grieven en het verweer zal hierna worden ingegaan.
4. In de eerste grief verwijt [appellante] de kantonrechter dat zij heeft nagelaten om het vonnis van de kantonrechter van 17 januari 2016 (A.R. 010960) in haar overwegingen te betrekken. Deze grief treft geen doel. Bij genoemd vonnis is bij verstek de scheiding en deling gelast van het maatschapsvermogen van het bedrijf /onderneming om commerciële activiteiten uit te oefenen, welke maatschap bestond tussen [appellante] en [naam 2]. Het feit dat [naam 2] is veroordeeld om over te gaan tot scheiding en deling van het ontbonden maatschapsvermogen heeft voor de onderhavige zaak alleen in zoverre betekenis dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de door [appellante] gestelde maatschap heeft bestaan (los van het verweer dat dit vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan). Het enkele feit dat deze maatschap heeft bestaan leidt echter niet zondermeer tot de conclusie dat de vordering in deze zaak toewijsbaar is.
5. In grief 2 voert [appellante] aan dat de kantonrechter bij de afwijzing geen rekening heeft gehouden met de belangen van appellante, met name wanneer zij stelt dat [appellante] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Ook deze grief is ten onrechte voorgedragen. [appellante] heeft gelet op de gemotiveerde betwisting onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en ten bewijze aangedragen om haar vorderingen zelfs maar enigszins te onderbouwen. [appellante] had moeten stellen en minst genomen aannemelijk maken, dat niet alleen het vermogen van de Stichting afkomstig is uit deze –gestelde- maatschap, maar ook dat zij als maat in deze maatschap recht had op de helft van dit bedrag en bovendien dat de maatschap op de één of andere wijze nog steeds rechten op dit geldbedrag kan claimen, ondanks het feit dat het inmiddels tot het vermogen van de Stichting is gaan behoren. Hiervan is echter niets gesteld, noch gebleken. Haar in hoger beroep weer gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, nu zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De kantonrechter heeft haar derhalve terecht niet ontvankelijk verklaard in deze vordering.
6. In grief 3 klaagt [appellante] over het feit dat de kantonrechter heeft overwogen dat de gevorderde scheiding en deling niet op de wet is gebaseerd. Ook deze grief is ten onrechte voorgedragen. De gevorderde scheiding en deling is reeds daarom niet toewijsbaar omdat [appellante] op geen enkele manier zelfs maar een begin van bewijs heeft aangedragen dat het vermogen van de Stichting deel uit maakt van het vermogen van de door haar genoemde maatschap. Ook hier heeft zij derhalve niet voldaan aan haar stelplicht. Het in algemene termen gedane bewijsaanbod kan daarom worden gepasseerd. Ook in deze vordering is [appellante] daarom niet-ontvankelijk.
7. Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden vonnis met aanvulling van gronden zal worden bevestigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dienen te dragen.

De beslissing
1. Bevestigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden.
2. Verwijst [appellante] in de proceskosten in aan de zijde van de Stichting gevallen en tot op deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President en mr. S.S.S. Wijnhard en
mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en
w.g. S.M.M. Chu
door mrmr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door
advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2018-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME (SASUR),
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
oorspronkelijk eiseres, thans appellante in kort geding,
verder ook te noemen Sasur,
gevolmachtigde: [naam], algemeen directeur,

tegen

A. N.V. RADIO OMROEP PARAMARIBO,
B. RAPAR BROADCASTING NETWORK N.V. (RBN N.V.)
beiden gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
oorspronkelijk gedaagden, thans geïntimeerden in kort geding,
verder ook te noemen: RAPAR en RBN,
gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 7 april 2016 (A.R.No. 15-3405) tussen Sasur als eiseres en RAPAR en RBN als gedaagden spreekt de fungerend-president, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 19 april 2016, inhoudende dat Sasur op 19 april 2016 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 7 april 2016 in kort geding gewezen tussen Sasur als eiseres en RAPAR en RBN als gedaagden;
– een pleitnota van Sasur van 6 januari 2017;
– een antwoordpleitnota van RAPAR en RBN van 17 maart 2017;
– een repliekpleitnota van Sasur van 21 april 2017;
– een dupliekpleitnota van RAPAR en RBN van 20 oktober 2017.
De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SASUR daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling
1. Sasur vorderde in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. aan RAPAR en RBN een verbod zal worden opgelegd om enig muziekwerk of delen daarvan, al dan niet in de oorspronkelijke versie, behorende tot het Sasur repertoire middels de door haar geëxploiteerde omroepstations of op welke andere wijze dan ook openbaar te maken zonder toestemming van Sasur,
b. RAPAR en RBN zullen worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom.

2. Sasur heeft onder meer aan haar vordering ten grondslag gelegd:
– dat RAPAR en RBN bij hun uitzendingen voortdurend gebruik maken van muziekwerken, behorend tot het door Sasur beheerde repertoire, zonder de daarvoor vereiste toestemming;
– dat Sasur als gevolg daarvan schade lijdt;
– dat Sasur bevoegd is om met betrekking tot de auteursrechten van de door RBN uitgezonden muziekwerken handhavend op te treden.

3. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen op grond dat, kort samengevat, niet is gesteld en evenmin is gebleken dat Sasur voldoet aan de vereisten, genoemd in artikel 30 a lid 1 en 30 c lid 1 van de Wet Auteursrecht 1913, ingevoerd bij Wet van 17 april 2015. Omdat de daarvoor vereiste toestemming van de minister van Justitie en Politie is ingetrokken, aldus de kantonrechter, beschikt Sasur niet over de bevoegdheid om bemiddeling te verlenen inzake de aan haar overgedragen auteursrechten van muziekwerken en kan zij geen overeenkomsten terzake van auteursrechten met RAPAR en RBN sluiten. Zij kan zich er daarom niet op beroepen dat RAPAR en RBN haar toestemming nodig hebben voor het gebruik van muziekwerken.

4. Sasur heeft vijf grieven tegen het vonnis van de kantonrechter aangevoerd. De grieven komen in onderling verband beschouwd neer op de stelling dat de kantonrechter ten onrechte het standpunt inneemt dat de wijzigingen die op 17 april 2015 in de Wet Auteursrecht 1913 zijn ingevoerd met zich meebrengen dat Sasur vanwege het ontbreken van toestemming van de Minister van Justitie en Politie geen daden van handhaving inzake muziekauteursrecht mag uitoefenen. Handhaving valt volgens Sasur niet onder bemiddeling in de zin der wet.

5. Artikel 30 a van de Wet Auteursrecht 1913, zoals die in 2015 is gewijzigd, luidt:
1. Voor het verlenen van bemiddeling inzake van muziekauteursrecht van makers en gebruikers is toestemming vereist van de Minister (lees: Minister van Justitie en Politie). De Minister verleent toestemming indien is voldaan aan alle voorwaarden gesteld bij of krachtens deze wet, na advies van de Raad.
2. Onder het verlenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht wordt verstaan het al of niet op eigen naam, ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden, sluiten of ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een radio- of een televisieprogramma, door tekens, geluid of beelden van die muziekwerken, of hun verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk.
3. Met de uitvoering en/of uitzending in een radio- of televisieprogramma van muziekwerken wordt gelijkgesteld de uitvoering en/of uitzending in een radio- of televisieprogramma van dramatisch-muzikale werken, choreografische werken en pantomimes en hun verveelvoudigingen, indien deze ten gehore worden gebracht zonder te worden vertoond.
4. Overeenkomsten als bedoeld in het derde lid, die worden aangegaan zonder dat de ingevolge het eerste lid vereiste toestemming is verkregen, zijn nietig.

6. Vast staat dat de wettelijk vereiste ministeriële toestemming aan Sasur bij beschikking van de minister van 17 mei 2013 met onmiddelijke ingang is ingetrokken. Sasur mag dus niet meer bemiddelen inzake auteursrecht. De vraag is nu, of daden van handhaving, zoals het vragen aan de rechter van een verbod op straffe van het verbeuren van dwangsommen, ook onder bemiddeling in de zin van artikel 30a Wet Auteursrecht 1913 vallen.

7. De memorie van toelichting op de Wet van 17 april 2015, Staatsblad 2015 no. 83 waarbij dat artikel werd ingevoerd, geeft geen toelichting op het begrip “bemiddeling”. Het hof is echter van oordeel dat bemiddeling bij de totstandkoming van overeenkomsten inzake auteursrecht en handhaving van die overeenkomsten zo nauw samenhangen, dat het ontbreken van toestemming door de minister ook daden van handhaving verbiedt.

8. Door bij (dreigende) uitvoering zonder betaling van royalties handhavend op te treden, maken instanties als Sasur hun bemiddelingspositie waar. Zonder die handhaving komt van bemiddeling ook niets terecht. Omgekeerd: dreiging met verboden van muziekuitvoeringen heeft voor auteurs en de buitenlandse zusterorganisaties alleen zin, als Sasur royalties voor hen kan incasseren door tegen betaling conform een vast tarief licenties te verlenen. Maar daarvoor ontbreekt haar nu juist de wettelijk vereiste toestemming van de minister. Zo gezien maakt volgens het hof dat handhavingsrecht een onlosmakelijk onderdeel uit van de bemiddelingsactiviteit die de wet heeft willen onderwerpen aan toezicht (artikel 30 i) en ministeriële toestemming (artikel 30 a). Deze lezing vindt ook steun in de bewoordingen van de wet: “het al dan niet op eigen naam ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden (…) ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar (…).

9. Het hof concludeert dat op 17 mei 2013 een eind is gekomen aan het recht van Sasur om ter handhaving van auteursrechtelijke overeenkomsten bij de rechter een verbod te vragen op verbeurte van dwangsommen.

10. Het vorenstaande brengt mee, dat de grieven moeten worden verworpen. Het hof heeft ambtshalve geen bedenkingen tegen het vonnis waarvan beroep. Dit vonnis moet dus worden bevestigd, met verwijzing van Sasur in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter van 7 april 2016, waarvan hoger beroep;
Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat
mr. A.E. Debipersad, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van
[appellant],
wonende in [district] ,
appellant in kort geding, verder te noemen [appellant], gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende in [district],
geïntimeerde in kort geding, verder te noemen “[geïntimeerde]”, gemachtigde: mr. H. Matawlie, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter van het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 15 november 2001 (A.R.No. 01-1927) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant], als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken: – een pleitnota van 5 oktober 2012 met producties; – een memorie van antwoord van 18 januari 2013; – een repliekpleidooi van 5 april 2013 met één productie, tevens inhoudende een verzoek tot rectificatie van de voornaam van appellant en – een memorie van dupliek en uitlating producties van 7 juni 2013, waarbij [geïntimeerde] instemt met de gevraagde rectificatie.

De vaststaande feiten

1. [appellant] is enig geldsbedrag verschuldigd aan [geïntimeerde].

De stellingen en verweren in eerste aanleg en het oordeel van de kantonrechter

2. [geïntimeerde] voert aan dat hij aan [appellant] in 1995 een hoeveelheid tegels en in 1996 een hoeveelheid buizen en een auto heeft geleverd tot een totaal bedrag van Nf 21.000,– welk bedrag [appellant] ondanks aanmaning niet heeft terugbetaald. [geïntimeerde] vordert dit bedrag plus een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van [appellant]. [appellant] voert een aantal formele verweren, die hierna zullen worden behandeld, waarbij hij de verschuldigdheid van genoemd bedrag betwist en waarbij hij aanvoert evenmin de buitengerechtelijke incassokosten aan [geïntimeerde] verschuldigd te zijn. De kantonrechter heeft de (primaire) vordering van [geïntimeerde] toegewezen en tevens het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

De beoordeling

3. De tijdig in appel gekomen [appellant] heeft gegroepeerd onder een viertal zogenoemde grieven zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis opgesomd, die achtereenvolgens zullen worden behandeld. [geïntimeerde] heeft daartegen verweer gevoerd. In het navolgende zal daar zonodig op in worden gegaan.
4. De eerste grief onder het kopje ‘Formeel verweer’ betreft de verschillende namen die in deze zaak voor [appellant] en [geïntimeerde] worden gebruikt. Nu hij echter bij repliekpleidooi in hoger beroep zijn verweer dat ‘[naam 1]’ een andere persoon is dan ‘[appellant]’ heeft ingetrokken en zelfs rectificatie heeft gevraagd van zijn voornaam kan aan dit verweer verder voorbij worden gegaan. [appellant]voert voorts aan dat [geïntimeerde] niet dezelfde is als de in de stukken voorkomende ‘[naam 2]’. Dit verweer gaat echter niet op. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van 20 juni 2000 zelf aangeschreven met de naam ‘[naam 3]’. In hoger beroep betwist [appellant] weliswaar deze brief te hebben geschreven, maar in eerste aanleg heeft hij onvoorwaardelijk erkend dat deze brief door hem aan [geïntimeerde] is gestuurd, zodat deze in hoger beroep gedane betwisting als gedekt wordt gepasseerd. [geïntimeerde] geeft zelf ook te kennen dat hij [naam 3] wordt genoemd, hetgeen door [appellant] vervolgens weer niet wordt betwist. Het hof komt daarom tot de conclusie dat met ‘[naam 2]’ de [geïntimeerde] wordt bedoeld. Deze grief faalt derhalve.
5. Grief 2 gaat over de vraag of een geldvordering in kort geding kan worden gevorderd. Het antwoord daarop is bevestigend. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat een geldsvordering in kort geding kan worden gevorderd. Deze grief wordt daarom ook verworpen.
6. In grief 3 betwist [appellant] dat er voldoende bewijs is voor de toewijzing van de vordering. Het Hof overweegt daarover het volgende: In kort geding gaat het om de vraag of een vordering voldoende aannemelijk is geworden om voor toewijzing vatbaar te zijn. De vraag of de vordering vaststaat kan eventueel in een bodemprocedure aan de orde komen. De kantonrechter baseert zijn oordeel, dat de vordering aannemelijk is geworden, allereerst op de hiervoor bedoelde brief van [appellant] aan [geïntimeerde] van 20 juni 2000, waarin [appellant] schrijft ‘Dat ik financiële schulden bij u heb’ en voorts ‘Ik heb nooit ontkend en zal nimmer in mijn gedachten halen Uw schulden niet te betalen, doch het feit is dat ik nu nog geen ruimte heb het totaal verschuldigde bedrag aan U te voldoen. Gelet op mijn omstandigheden en mijn verplichtingen alsmede mijn inkomen zal ik iedere maand sf 500.000 (vijfhonderd duizend) gulden storten op Uw bankinstelling’. Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat [appellant] niet heeft gereageerd op een brief van mr. R.M.F. Oemar van 12 oktober 2001, waarin precies wordt aangegeven op welke transacties met [appellant] de vordering van [geïntimeerde] betrekking heeft. Op basis van deze beide stukken komt de kantonrechter tot zijn oordeel dat de gestelde vordering aannemelijk is. Het Hof deelt het oordeel van de kantonrechter. Ook in hoger beroep is [appellant] niet inhoudelijk op deze stukken ingegaan. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangegeven welke bedragen hij dan wel verschuldigd is aan [geïntimeerde] (als de vordering van [geïntimeerde] onjuist is) en op basis waarvan, welke bedragen hij inmiddels heeft voldaan en welke van de in de brief van mr. Oemar voornoemd genoemde transacties wel en welke niet hebben plaatsgevonden, terwijl dat, zeker in hoger beroep, wel op zijn weg lag. Hij kan niet volstaan met het eenvoudig betwisten van het gestelde, terwijl hij immers zelf heeft toegegeven bedragen schuldig te zijn aan [geïntimeerde]. Nu hij dit alles niet heeft gedaan is naar het oordeel van het Hof voldoende aannemelijk, dat [appellant] het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag van Nf 21.000, — aan hem verschuldigd is. Dit deel van het vonnis van de kantonrechter kan derhalve met aanvulling van gronden worden bevestigd, met dien verstande dat de veroordeling tot betaling van Nf 21.000,– wordt omgezet in een veroordeling tot betaling van € 9.529,43, met de wettelijke rente daarover vanaf 24 april 2001.
7. Grief 4 betreft de gevorderde en door de kantonrechter toegewezen schade van Nf 3.150, –. Ten aanzien daarvan overweegt het Hof het volgende. Het betreft hier de kosten van deskundige bijstand, bestaande uit 15% van de hoofdsom. Met [appellant] is het Hof van oordeel dat deze kosten niet toewijsbaar zijn, nu is gesteld, noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat een bedrag van 15% aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd is bij niet-betaling van de vordering. Daarnaast heeft [geïntimeerde], ondanks de uitdrukkelijke betwisting door [appellant], geen bewijs bijgedragen dat deze kosten daadwerkelijk door hem zijn gemaakt. Onder die omstandigheden dient dit deel van de oorspronkelijke vordering te worden afgewezen en dient het vonnis van de kantonrechter in zoverre te worden vernietigd. Deze grief slaagt om die reden. Het Hof voegt daaraan toe, dat er geen reden is om het vonnis van de kantonrechter ten aanzien van de proceskosten te vernietigen, nu [appellant] in eerste aanleg als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dient te dragen.
8. [appellant] dient als de in hoger beroep voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij de proceskosten te dragen.

De beslissing

1.Vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover het betreft de veroordeling tot betaling door [appellant] aan [geïntimeerde] van Nf 3.150,– (drieduizendhonderdvijftig Nederlandse gulden) en opnieuw rechtdoende: Wijst de vordering af;

2. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met aanvulling van gronden en met dien verstande dat de veroordeling tot betaling van Nf 21.000,– (éénentwintigduizend Nederlandse guldens) dient te worden gelezen als een veroordeling tot betaling van € 9.529,43 (negenduizendvijfhonderdnegenentwintig euro en drieënveertig eurocent),vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2001;

3. Veroordeelt [appellant] als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en
mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens advocaat
mr. A.E. Debipersad, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat
mr. H. Matawlie, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-1998-21

H.M.

GENERALE ROL NO.13461.

[appellant], wonende in Nederland te [woonplaats] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.BIHARIESINGH, advokaat, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende in Nederland, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT,

voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen respectievelijk van 15 november 1996 en 20 februari 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen enquête niet is gehouden, waarna deze ambtshalve gesloten werd verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden enquête zijdens geintimeerde peremptoir bepaald, advokaat Mr.M.G.A.VOS namens advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT heeft gepersisteerd bij hetgeen door hem reeds gesteld is;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden enquête zijdens appellant bepaald, advokaat

Mr.H.P.BOLDEWIJN namens Mr.B.BIHARIESINGH heeft gepersisteerd bij al hetgeen bereids is gesteld;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 20 februari 1998 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat geintimeerde, ofschoon daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld, noch door getuigen noch door enig ander middel van bewijs het probandum heeft kunnen waarmaken weshalve het Hof voorbijgaat aan de stelling van geintimeerde dat [persoon 1], nu wijlen, het gehele aan haar toebehoord hebbend aandeel in alle goederen en rechten, welke tot de nalatenschap van wijlen [persoon 2] hebben behoord geen uitgezonderd, te weten de in het 4e ”sustenu ” van het verzoekschrift vermelde goederen, heeft geschonken aan appellant en de gedaagden sub b tot en met d en wijlen [persoon 3], alszijnde onbewezen;

Overwegende, dat het Hof het gevorderde onder 1 en 2 van het petitum, zo ook het gevorderde onder 3 b voorzover betreft de scheiding en deling van de nalatenschap van wijlen [persoon 2], dan ook als onbewezen aan geintimeerde zal ontzeggen;

0verwegende, dat het Hof echter zal toewijzen het gevorderde onder 3a, 3b, voorzover betreft de scheiding en deling van de nalatenschap van [persoon 1], en onder 3c zal toewijzen, nu de aan die vorderingen ten grondslag gelegde feiten als niet althans niet gemotiveerd weersproken tussen partijen in rechte zijn komen vast te staan;

Overwegende, dat het beroepen vonnis dan ook dient te worden vernietigd en zal worden beslist als in het dictum van dit vonnis te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 februari 1993 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt aan geintimeerde haar vordering, strekkende tot:

1. verklaren voor recht dat de verkoop door [persoon 1] van de gehele nalatenschap van [persoon 2] aan appellant en gedaagden sub b tot en met d en de erflaatster van gedaagden sub e tot en met l een schenking is;

2. vernietiging, althans nietigverklaring van de schenking;

3. scheiding en deling van de nalatenschap van [persoon 2];

Veroordeelt appellant binnen twee maanden na betekening van van dit vonnis over te gaan tot scheiding en deling van:

1. de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen [persoon 1] en [persoon 2] behorende goederen;

2. de tot de nalatenschap van [persoon 1] behorende goederen;

3. het onder C van het vierde ”sustenu” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed; met benoeming van Mr.L.D.Hira Sing, notaris, tot notaris, zo partijen binnen een maand na deze uitspraak omtrent de keuze van een notaris geen overeenstemming hebben bereikt voor wie of ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden op de door deze te bepalen plaats en tijd, en Mr.H.E.Struiken, advokaat bij het Hof van Justitie, tot onzijdig persoon teneinde appellant bij die scheiding en deling te vertegenwoordigen zo hij daartoe opgeroepen zijnde niet verschijnt of wel verschenen zijnde weigeren mocht aan de scheiding en deling mede te werken;

Veroordeelt appellant in de kosten van dit proces in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f.1500,–.

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.1500,–.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op Sf.1500,–.

Blijvende het beroepen vonnis voor het overige geheel in stand;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-President uitgesproken ter openbare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 november 1998, in tegenwoordigheid van

Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.M.G.A.VOS namens advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, gemachtigde van geintimeerde, terwijl de gemachtigde van de appellant niet ter terechtzitting is verschenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-1999-15

M.R.S.

GENERALE ROL NO.14001.

[appellant], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat,

appellant in conven­tie en in reconventie,

t e g e n

[persoon 1] en [persoon 2], echt­genoten van elkander, wonende te [district] aan [adres 2],

gei­ntimeerden in con­ven­tie en in reconventie.

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 17 juli 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat de door het Hof bevolen compari­tie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen en overlegging produk­ties zijdens appellant bepaald, de gemachtigde van appellant een – hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie – onder overlegging van produk­ties heeft genomen terwijl zijdens geintimeerden geen conclusie is genomen;

Overwegende, dat advokaat Mr.F.F.P.Truideman hierna vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 december 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

IN CONVENTIE EN IN RECON­VEN­TIE:

Overwegende, dat de door het Hof bij tussenvonnis d.d. 17 juli 1997 bevolen inlichtingen- en verenigings­compa­ritie niet gehouden is omdat partijen ten dage daarvoor bepaald, verstek hebben laten gaan;

Overwegende, dat het Hof thans niets anders rest dan recht te doen op grond van de zich in het proces­dossier bevindende gedingstukken;

Overwegende, dat het Hof, daartoe overgaande, op­merkt, dat appellant bij conclusie na niet gehouden comparitie van partijen d.d. 16 oktober 1997 onder meer in het geding heeft doen brengen een hypothecair uit­treksel d.d. 7 oktober 1997, ten bewijze, dat [naam] door de overschrijving ten hypo­theekkantore op 13 januari 1997 in register C [nummer] van een afschrift van de akte van verkoop en koop op 30 december 1996 voor notaris Mr.R. CURRIE te Paramaribo verleden, het eigendomsrecht verkreeg op het in bedoeld uittreksel omschreven onroe­rend goed;

IN CONVENTIE:

Overwegende, dat nu geintimeerden voormeld uit­treksel niet hebben betwist of van valsheid beticht rechtens tussen partijen is komen vast te staan, dat zij geen eigenaren meer zijn van het litigieuze onroe­rend goed;

Overwegende, dat de consequentie van het zojuist overwogene is, dat geintimeerden zowel bij het in onder­deel a als bij het in onderdeel b van het petitum gevorderde geen belang meer hebben zodat hun vordering voor wat voormelde onderdelen betreft alsnog met een niet – ontvankelijkverklaring moet worden begroet;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het in onderdeel c van het petitum gevorderde opmerkt dat geintimeerden hebben geëist veroordeling van appellant tot betaling aan hen terzake van huur van de woning aan [adres 1] van het bedrag van Nf.500,– per maand, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar te rekenen vanaf 13 juli 1996 tot op de dag waarop appellant de litigieuze woning zal hebben ontruimd en ter vrije beschikking van hen gesteld;

Overwegende, dat appellant, weersprekend dat tussen partijen heeft bestaan een overeenkomst van huur en verhuur betreffende voormelde woning in verband waarme­de hij op 13 juli 1995 vooruit zou hebben betaald een bedrag van Nf.6.000,– zijnde huur over een jaar, heeft aangevoerd, dat het bedrag van Nf.6.000,– het voor­schot is geweest op de koopsom ten bedrage van.Nf.100.0­00,–, latende een saldo van Nf.94.000,–;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de door appel­lant eveneens, bij conclusie na niet gehouden compari­tie van partijen d.d. 16 oktober 1998 in het geding gebrachte kwitantie d.d.22 oktober 1996 in fotokopie, appellant alstoen bij de te Paramaribo residerende notaris R.Ramau­tar, heeft gestort het bedrag van Nf.94.000,–, zijnde deposito koopsom [persoon 1 variant];

Overwegende, dat geintimeerden voormelde kwitantie niet hebben betwist of van valsheid beticht zodat de echtheid daarvan tussen partijen thans in confesso is;

Overwegende, dat het Hof bovendien nog opmerkt, dat geintimeerden onweersproken hebben gelaten, dat appellant het perceelland later verkocht heeft aan de heer [naam] en wel bij akte d.d. 30 december 1996 verleden ten overstaan van Notaris Mr.R.Currie;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat appel­-lant alleen dan rechtsgeldig het perceelland zou mogen verkopen aan genoemde heer [naam] indien hij eerder van geintimeerden dat perceelland had gekocht en gele­verd gekregen;

Overwegende, dat het Hof het dan ook met appellant eens is dat het bedrag van Nf.6.000,–, op 13 juli 1995 door appellant aan geintimeerden betaald, is ge­weest een voorschot op de koopsom ten bedrage van

Nf.100.000,– van het litigieuze onroerend goed en dat appellant mitsdien volkomen heeft ontzenuwd en weerlegd de stelling van geintimeerden, dat tussen partijen heeft bestaan een overeenkomst van huur en verhuur betreffende de woning aan [adres 1] voor een bedrag van Nf.500,– per maand door appellant verschuldigd en dat het bedrag van Nf.6.000,– een vooruitbetaling is geweest voor één jaar;

Overwegende, dat toewijzing van het in onderdeel C van het petitum gevorderde op grond van het vorenover­wogene dan ook geheel achterwege dient te blijven;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant in het midden latend, dat vonnis dan ook zal vernietigen, de vordering van geintimeerden alsnog afwijzen en geintimeerden in de kosten op beide instan­ties aan de zijde van appellant gevallen veroordelen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

IN RECONVENTIE:

Overwegende, dat het Hof al hetgeen in conventie is overwogen als hier letterlijk herhaald en geinse­reerd beschouwt;

Overwegende, dat nu appellant sinds 13 januari 1997 geen eigenaar meer is van het litigieuze onroerend goed en derhalve geen belang meer heeft bij zijn vorde­ring tegen geintimeerden dient hij daarin alsnog niet ontvankelijk verklaard te worden;

Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal vernietigen en appellant in de kosten op beide instanties aan de zijde van geintimeerden gevallen, zal veroordelen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

IN CONVENTIE EN IN RECONVEN­TIE:

Vernietigt het vonnis door de kantonrechter in het Eerste Kanton op 12 november 1996 tussen partij­en gewezen en uitgesproken waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

IN CONVENTIE:

Wijst de vordering van geintimeerden alsnog af;

Veroordeelt geintimeerden in de kosten in beide instanties in prima aan de zijde van appellant begroot op Sf.nihil; en in hoger beroep begroot op Sf.7.415,–;

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf.1500,–;

IN RECONVENTIE:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in de door hem ingestelde vordering;

Veroordeelt hem in de kosten in beide instanties aan de zijde van geintimeerden gevallen en in prima begroot op sf.4.038,–;

en in hoger beroep op Sf.1500,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op Sf.1500,–;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 8 JANUARI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN

GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.J.R.Von Niesewand w.g.M.E.Van Genderen-Relyveld

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.R.Baldew namens de gemachtigde van appel­lant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, terwijl de geinti­meerden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn ver­sche­nen.

SRU-HvJ-1999-14

M.H.

A – 394

[verzoeker], wonende aan de [adres 1] te [woonplaats], [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan Gravenstraat no.63 boven bij het advokatenkantoor Beckles & Brandon, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J.BRANDON, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1.Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Defensie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende ten Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is in 1985 in dienst getreden van het Nationaal Leger;

3. Verzoeker is thans Hoofd van de afdeling Communicatie bij de Marine. Verzoeker is bij Resolutie van de President van de Republiek Suriname, de dato 12 september 1996 bureau [nummer 1], [nummer 2], te rekenen van 1 oktober 1992 bevorderd tot Eerste Luitenant nadat hij eerder bij resolutie van 24 mei 1991, [nummer 3], te rekenen van 1 oktober 1990 werd belast met de waarneming van een functie waaraan organisatorisch de rang van Eerste Luitenant verbonden is, onder toekenning van een bezoldiging zoals aangegeven in die resolutie. Van de resolutie van 12 september 1996 wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 1;

4. Verzoeker is echter vanaf 1991, samen met twee andere collega’s door de commandant van de Marine voorgedragen voor bevordering tot een naast hogere rang. Deze voordracht is – zoals uit een fotokopie van het document voor voordracht blijkt – positief beoordeeld. Verzoeker moest dus blijkens het aan de voordracht gehecht schrijven d.d. 2 maart 1992, per 1 oktober 1992 bevorderd worden tot Kapitein. Van bedoelde voordracht wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 2;

5. Verzoeker zou ingevolge het document ”Besluiten die tijdens de bespreking van de werkgroep Functionele Bevordering werden genomen waarvan een aantal zijn toegepast bij het uitvoeren van de bevorderingen”, waarin is vastgelegd een carrieregang welke – volgens genoemd document – billijke hiërarchische verhoudingen binnen het Nationaal Leger zou moeten scheppen, twee jaar na zijn bevordering tot Eerste Luitenant, dus in 1994, bevorderd moeten worden tot Kapitein. Van bedoeld document wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 3;

6. Verzoeker heeft omtrent het onderhavige herhaalde malen navraag gedaan bij de beleidsmedewerker op het Ministerie van Defensie, [naam 1], die hem telkens weer meedeelde dat ”de zaak in behandeling is”;

7. Verzoeker wenst echter niet langer in onzekerheid te worden gelaten en is van mening dat hij, vooral gelet op de positieve beoordeling bij zijn voordracht voor bevordering, recht heeft op de bevordering tot Kapitein;

8. Verzoeker heeft per brief d.d 15 september 1997 zijn beklag gedaan bij de President van de Republiek Suriname echter heeft hij hierop nimmer een reactie ontvangen. Van bedoeld schrijven wordt hierbij een fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. Deze bijlage is genummerd als bijlage 4;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat verweerder zal worden veroordeeld die handelingen te verrichten vereist voor het bevorderen van verzoeker tot Kapitein te rekenen vanaf 1 oktober 1994, onder toekenning van de aan die rang verbonden bezoldiging en emolumenten, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als in goede justitie billijk mocht worden geacht vanaf het moment na ’s Hoven uitspraak of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren heeft gebracht, voor zover dit niet woordelijk door verweerder wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stellingen indien en voor zoverre de bewijslast op hem mocht rusten;

2. Verweerder erkent, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van art.1 van de Personeelswet en te rekenen van 1 oktober 1991 bevorderd is tot Luitenant;

3. Verzoeker doet in het vierde sustenu van zijn Inleidend Rekest een beroep op een intern document van het Ministerie van Defensie om zijn vordering kracht bij te zetten, omdat vertrouwelijke stukken, brieven en zelfs besluiten in het rechtsproces bij Ambtenaren Zaken geen recht scheppen voor de belanghebbende ambtenaar, die buiten alle regels om, op deze brieven de hand heeft kunnen leggen;

4. In het vijfde sustenu van verzoekers Inleidend Rekest wordt een beroep gedaan op weer een nieuw document ”besluiten genomen tijdens de bespreking van de werkgroep Functionele Bevordering”;

5. verzoeker geeft evenwel niet aan welk rechtskracht deze besluiten hebben, en of die besluiten zijn omgezet in een naar buiten werkend besluit, afkomstig van het Bevoegd Gezag, zoals bijvoorbeeld een staatsbesluit, een resolutie of een Ministeriële beschikking, besluiten namelijk, waaraan in ieder geval de ambtenaren die daaronder vallen rechtskracht kunnen ontlenen. Het is dan ook niet juist, dat verzoeker – zoals hij stelt in zijn 7de sustenu – ”gelet op de beoordeling van zijn voordracht” recht heeft op zijn bevordering tot Kapitein;

6. Onverminderd het voorgaande handelt verzoeker ook in strijd met art.79 van PW 2e lid, waar een limitatieve opsomming is gegeven van besluiten, waaromtrent het Hof van Justitie optredende in Ambtenaren Zaken bevoegd is, kennis van te nemen. Bevordering valt niet onder deze opsomming, wel verlaging van rang.

Voorts vordert verzoeker in zijn petitum de veroordeling van de Overheid om ”die handelingen te verrichten” nodig voor zijn bevordering tot Kapitein. Wederom wordt het formele voorschrift van art.79 Personeelswet 1e lid, geweld aangedaan, omdat positiefrechterlijk de bevoegdheid van het Hof duidelijk is omschreven met de woorden:

”1. Het Hof van Justitie oordeelt in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur”;

7. Verzoeker gaat met zijn petitum geheel en al aan zowel de materiële vereisten en kenmerken, als aan de formele maar dwingend voorgeschreven regelgeving van art.79 Personeelswet voorbij. Reeds op deze grond behoort verzoeker naar het bescheiden oordeel van verweerder niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering;

8. Ook de gevraagde exorbitant hoge dwangsom is niet voor inwilliging vatbaar zolang daarvóór geen veroordelend vonnis door het Hof van Justitie wordt uitgesproken tegen de STAAT op grond van hetzij:

a. strijd met de wet

b. Detournement de Povoir of:

c. strijd met een beginsel van Behoorlijk Bestuur

Omdat verzoeker op geen enkele wijze verwijst naar deze schending van beschermde waarden en hun rechthandhaving, in de Personeelswet art.79 opgenomen, zal zoals blijkt in vaste Jurisprudentie van het Hof van Justitie, de vordering zoals neergelegd in het Inleidend Rekest, naar het inzien van verweerder niet voor inwilliging vatbaar zijn;

Overwegende, dat de verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, c.q. hem het gevraagde zal worden ontzegd als zijnde onbewezen ongegrond, en in strijd met de Personeelswet;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 17 maart 1998 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.K.J.Brandon, [naam 2], [naam 3], ambtenaar bij het Ministerie van Defensie namens verweerder bijgestaan door advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder, in Raadkamer zijn verschenen, en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat

gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 november 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker blijkens het petitum vordert verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten vereist voor het bevorderen van hem tot Kapitein te rekenen vanaf 1 oktober 1994, onder toekenning van de aan die rang verbonden bezoldiging en emolumenten, zulks onder verbeurte van een dwangsom van Sf.100.000,– per dag of zoveel minder als het Hof in goede justitie billijk mocht achten vanaf het moment na de uitspraak van het Hof of vanaf een door het Hof te bepalen tijdstip;

Overwegende, dat verzoeker blijkens de aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten zijn recht op bevordering tot Kapitein meent te ontlenen aan het document ”Besluiten die tijdens de bespreking van de werkgroep Functionele Bevordering werden genomen waarvan een aantal zijn toegepast bij het uitvoeren van de bevorderingen”;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van voormeld docu­ment van oordeel is, dat het nauwelijks betoog behoeft dat daaraan elke wettelijke basis ontbreekt en dat wij hier te maken hebben met in de ambtelijke administratie gebruikelijke praktijk;

Overwegende, dat het Hof danook van oordeel is dat er niet gesproken kan worden van vereisten maar enkel van richt­lijnen waarnaar men zich in het algemeen moet gedragen, maar waarvan in naar het oordeel van die administratie daarvoor geëigende gevallen, afwijking mogelijk is;

Overwegende, dat verzoeker zich bij monde van zijn advo­kaat Mr.K.Brandon, tijdens het verhoor van partijen op 3 april 1998 hierop beroepen heeft dat de grondslag van de vordering het rechtszekerheidsbeginsel (en niet het gelijkheidsbegin­sel) is, in verband waarmede hij gerefereerd heeft aan het ten processe overgelegde document;

Overwegende, dat verzoeker in wezen verweerder verwijt voormeld beginsel te hebben veronachtzaamd;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat, wat van dat verwijt ook moge zijn, het vermag verzoeker niet te baten nu verzoeker, naar het Hof gebleken is, met betrekking tot dat verwijt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan m.a.w. geen feiten heeft gesteld die een geslaagd beroep op veronachtza­ming van het rechtszekerheidsbeginsel zou kunnen rechtvaardi­gen;

Overwegende, dat het Hof de vordering van verzoeker dan ook zal afwijzen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoekers vordering af.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 januari 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.K.J.BRANDON en Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2018-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP N.V. HAVENBEHEER SURINAME, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, appellante in het appél, geïntimeerde in het incidenteel appél, verder te noemen Havenbeheer, gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[naam], handelende onder de naam CIVIEL-CULTUURTECHNISCH EN ONDERHOUDSBEDRIJF ‘ [bedrijf]’, wonende te [district], geïntimeerde in het appél, verzoeker in het incidenteel appél, verder te noemen [bedrijf], gemachtigde: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton in Kort Geding uitgesproken vonnis van 5 augustus 2009 (A.R.No. 084449) tussen [bedrijf] als eiser en Havenbeheer als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
In deze zaak heeft het Hof op 16 mei 2014 een tussenvonnis gewezen. Daarop heeft Havenbeheer nog een conclusie genomen tot verstrekken van inlichtingen en dupliek pleidooi in het incident.

Overweging vooraf

zowel in het appél als in het incidenteel appél

1. Het hof neemt over hetgeen bij voormeld vonnis is overwogen. Het hof heeft bij voormeld vonnis aan Havenbeheer gevraagd om zich uit te laten over de stand van zaken in de bodemprocedure. Bij voormelde conclusie heeft Havenbeheer aangegeven dat er in de bodemprocedure nog geen vonnis is gewezen.

Vaststaande feiten
2. Het hof gaat, in aanvulling op de in voormeld vonnis vermelde feiten, van het volgende uit:

a) De bij overeenkomst van 8 februari 2006 overeengekomen werkzaamheden zouden worden uitgevoerd voor een vast bedrag van US$ 8.900,– per maand. Dit bedrag wordt volgens artikel 2 lid 2 vastgesteld voor een periode van één jaar en kan worden aangepast naar redelijkheid en billijkheid, indien de economische omstandigheden een dergelijke aanpassing rechtvaardigen.

b) Bij schrijven van 29 oktober 2007 heeft Havenbeheer aan [bedrijf] meegedeeld dat de werkzaamheden qua omvang drastisch zijn teruggebracht omdat een groot deel van het havengebied aan derden is afgestaan. Om die reden heeft Havenbeheer met ingang van 1 november 2007 de aan [bedrijf] te betalen vergoeding tot nader order naar evenredigheid teruggebracht tot US$ 2.048,–. [bedrijf] heeft hiertegen geprotesteerd en heeft aangeboden de overeengekomen werkzaamheden te blijven verrichten. Hem is echter vanaf 20 januari 2008 de toegang geweigerd.

c) Havenbeheer heeft van 1 november 2007 tot 1 juli 2008 genoemd bedrag van US$ 2.048,– per maand betaald. Daarna heeft zij de betalingen stopgezet, hoewel [bedrijf] de resterende werkzaamheden is blijven verrichten.

Het oordeel van de kantonrechter
3. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis van 5 augustus 2009 een bedrag van US$ 26.624,–, toegewezen, zijnde de vergoeding van US$ 2.048,– over de periode 1 juli 2008 tot 1 augustus 2009, en de rest van het gevorderde bedrag afgewezen.

De grief in appél en het verweer daartegen
4. Havenbeheer heeft één grief voorgedragen, namelijk dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat geen compensatie mogelijk is tussen enerzijds de vordering van [bedrijf] op Havenbeheer en anderzijds de vordering die Havenbeheer stelt te hebben op [bedrijf]. [bedrijf] verweert zich daartegen en voert aan zich in dit oordeel van de kantonrechter te kunnen vinden.

Het incidenteel appél en het verweer daartegen
5. [bedrijf] heeft op zijn beurt incidenteel appel ingesteld. Havenbeheer heeft daar als formeel verweer tegen aangevoerd, dat [bedrijf] zich niet aan de termijn van 30 dagen van artikel 274 Rv heeft gehouden. Dit artikel bepaalt dat de wederpartij (in dit geval [bedrijf]) bevoegd is om binnen dertig dagen na de dagtekening van de aanzegging van het beroep een memorie in te dienen, in welke memorie hij een verklaring kan (doen) afleggen dat hij ook zijnerzijds in hoger beroep wenst te komen.

De beoordeling in het incidenteel appél
6. Aan[bedrijf] is bij schrijven van deurwaarder Hariette Beatrix Verwey van 30 september 2010 aangezegd dat de zaak, die in eerste aanleg tussen [bedrijf] en Havenbeheer heeft gediend, in hoger beroep zal dienen ter terechtzitting van het hof van 15 oktober 2010. [bedrijf] heeft incidenteel hoger beroep aangetekend bij memorie van antwoord, ingediend ter terechtzitting van 4 februari 2011. Daarmee is de termijn om incidenteel in appél te komen ruimschoots overschreden, zodat [bedrijf] daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard. [bedrijf] wordt daarom verwezen in de proceskosten, aan de zijde van Havenbeheer begroot op nihil.

De beoordeling in appél
7. De vraag die voorligt is de volgende. De kantonrechter heeft de hiervoor vermelde bedragen toegewezen, omdat tussen partijen onomstreden is dat [bedrijf] op zich recht heeft op die bedragen. Havenbeheer heeft daartegen aangevoerd dat zij [bedrijf] vanaf 1 juli 2008 niet meer heeft uitbetaald omdat er werd verrekend met tegoeden, die Havenbeheer nog van [bedrijf] tegoed heeft, omdat [bedrijf] te veel had ontvangen voor niet uitgevoerde werkzaamheden. [bedrijf] heeft dit verweer gemotiveerd betwist en aangevoerd dat juist hij krachtens de overeenkomst over die voorliggende periode nog geld van Havenbeheer te goed heeft. De kantonrechter heeft onder die omstandigheden op goede gronden overwogen dat deze compensatie niet is toegestaan omdat voor compensatie is vereist dat beide vorderingen opeisbaar en voor dadelijke vereffening vatbaar zijn. Het hof deelt het op artikel 1448 B.W. gebaseerde oordeel van de kantonrechter. Anders dan Havenbeheer aanvoert staat vast dat [bedrijf] over genoemde maanden recht heeft op de door de kantonrechter genoemde vergoeding, terwijl de vordering van Havenbeheer op [bedrijf] uitdrukkelijk en gemotiveerd wordt betwist door [bedrijf]. Onder die omstandigheden is de gepretendeerde vordering van Havenbeheer niet zonder meer opeisbaar en is deze evenmin voor dadelijke vereffening vatbaar. De grief wordt daarom verworpen.

8. [bedrijf] heeft met een beroep op de devolutieve werking van het hoger beroep nog wel aangevoerd dat ook zonder incidenteel beroep het door de kantonrechter afgewezen deel van zijn vordering toch aan de orde dient te komen in hoger beroep, maar dat is niet het geval. Uiteraard moet het hof in hoger beroep met alle stellingen en weren die in eerste aanleg zijn gevoerd rekening houden, wanneer het tot een vernietiging van het bestreden vonnis komt. Maar dat is hier niet aan de orde. [bedrijf] kan het afgewezen deel van zijn vordering in hoger beroep alleen aan de orde stellen, wanneer hij incidenteel appél heeft ingesteld. Zoals onder 6. is overwogen heeft hij wel incidenteel appél ingesteld, maar wordt hij daarin niet-ontvankelijk verklaard. Onder die omstandigheden komt het afgewezen deel van de vordering van [bedrijf] niet meer in hoger beroep aan de orde.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis met aanvulling van gronden wordt bevestigd. Havenbeheer dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten te dragen, voorzover die aan de zijde van [bedrijf] zijn gevallen. Deze kosten worden begroot op nihil.

De beslissing in Kort Geding

Het Hof:
in incidenteel appél
1. Verklaart [bedrijf] niet-ontvankelijk;
2. Verwijst [bedrijf] in de proceskosten aan de zijde van Havenbeheer gevallen en tot op deze uitspraak begroot op nihil;

in appél
3. Bevestigt het bestreden vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden; 4. Verwijst Havenbeheer in de proceskosten aan de zijde van [bedrijf] gevallen en tot op heden begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat
mr. M. Tjon Jaw Chong, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-32

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
verder te noemen: [appellant],
appellant,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

tegen

[de stichting], rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
verder te noemen: [de stichting],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.J. Blufpand, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 19 oktober 2010 (A.R.No. 07-4974) tussen [appellant] en [naam] (verder tezamen aangeduid als [appellant en naam]) als eisers in conventie, tevens gedaagden in reconventie enerzijds en [de stichting] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie anderzijds spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop in hoger beroep

Bij tussenvonnis d.d. 7 augustus 2015 is [de stichting] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het feit dat het hoger beroep alleen door [appellant] is aangetekend. Zij heeft daarop een pleitnota tot uitlating d.d. 4 december 2015 ingediend. Hierna is opnieuw vonnis verzocht.

De verdere beoordeling

1. In de hiervoor genoemde pleitnota heeft [de stichting] zich over het door het Hof genoemde feit in het geheel niet uitgelaten. Zij heeft daarin slechts enkele andere punten aangesneden.

2. Het appel is door [appellant] tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3. Het Hof ziet zich genoodzaakt thans eerst de grenzen van de rechtsstrijd in appel aan te geven.

4. [appellant] heeft tegen de volgende beslissingen van de kantonrechter grieven of bezwaren aangevoerd:
a. De kantonrechter had niet mogen aannemen dat [appellant en naam] hadden gesteld dat de onder 2 tot en met 5 vermelde bedragen, als vermeld in het staatje onder 4.1 van zijn vonnis, los van het bedrag van € 220.296.- zijn betaald. Hij had moeten begrijpen dat zij bedoelden te stellen dat zij die bedragen los van het bedrag van € 195.000,- hebben betaald.
b. De kantonrechter had niet mogen uitgaan van de juistheid van bovenbedoeld staatje.
c. Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat de afwijkingen van de aannemingsovereenkomst – meerkosten of meerwerk – in beginsel voor rekening van [appellant en naam] komen. [de stichting] heeft niet aangetoond welke afwijkingen in het materiaal en ontwerp zich hebben voorgedaan; de kantonrechter heeft ten onrechte aangenomen dat de posten 2 tot en met 5 afwijkingen zijn.
d. Ten onrechte is in het vonnis beslist dat [de stichting] slechts € 5.000,- ter zake van de keuken aan [appellant en naam] moest terugbetalen in plaats van een bedrag van € 7.500,-.
e. Ten onrechte is beslist dat het in het staatje genoemde bedrag van € 13.500,- niet voor rekening van [de stichting] komt.
f. Ten onrechte is beslist dat een bedrag van € 1.827,27 bestemd was voor aanschaffingen ten behoeve van appellanten.
g. De bankkosten ad € 196,- komen, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, voor rekening van [de stichting].
h. De kantonrechter heeft ten onrechte de vordering van [appellant en naam] ter zake van herstelkosten ad € 29.141,- afgewezen.

5. In haar antwoordpleitnota voert [de stichting] aan dat de meerkosten met betrekking tot de keuken juist geheel voor rekening van [appellant en naam] komen, zodat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat [de stichting] daarvan € 5.000,- moet dragen. Een schriftelijke meerwerkopdracht was daarvoor, aldus [de stichting], niet vereist.
Bij deze stelling betrekt [de stichting] een positie die verder gaat dan hetgeen [appellant] ter zake van de keuken aan het Hof heeft voorgelegd, te weten (slechts) het verschil tussen de door hem gevorderde € 7.500,- en het door de kantonrechter toegewezen bedrag ad € 5.000,-. Voor dat verschil zal het Hof ook acht slaan op hetgeen [de stichting] te dier zake in eerste aanleg heeft aangevoerd, maar voor het overige moet het Hof aan [de stichting]’s stellingen in dit verband voorbijgaan, nu zij heeft nagelaten ter zake harerzijds te appelleren.
Dit laatste geldt eveneens voor de klacht van [de stichting] dat de kantonrechter het bedrag van € 2.273,- niet aan [appellant en naam] had mogen toewijzen. Ook om deze kwestie door het Hof te doen beoordelen had zij in hoger beroep moeten komen.

6. Het Hof zal hieronder de grieven en bezwaren van [appellant], zoals hierboven verkort onder 4 a t/m h weergegeven, behandelen. De punten a t/m g hebben betrekking op een vordering van in totaal
€ 25.296,-, waarvan [appellant en naam] stellen dat dit onverschuldigd aan [de stichting] is betaald. Punt h betreft een vordering tot schadevergoeding.

De vordering wegens onverschuldigde betaling.

7. [appellant] doet het op verschillende plaatsen in zijn processtukken voorkomen dat [de stichting] moet aantonen dat de door hem teruggevorderde bedragen wel degelijk aan haar verschuldigd waren en dat bij gebreke van zodanig bewijs zijn vordering toewijsbaar is. Dit uitgangspunt is onjuist. De bewijslast van door hem gestelde – en door [de stichting] voldoende betwiste – feiten rust daarentegen in beginsel op hém. Dit volgt uit de aanvangswoorden van artikel 1380 BW: “Iedere betaling doet een schuld veronderstellen…”.

8. Ad 4a.
Inderdaad bedoelden [appellant en naam] blijkbaar te stellen dat de posten 2 t/m 5 los van het bedrag van € 195.000.- zijn betaald (i.p.v. het in het bestreden vonnis genoemde bedrag van
€ 220.296,-). [appellant] heeft echter niet aangevoerd dat bedoelde vermelding in het vonnis enig rechtsgevolg heeft gehad en het Hof ziet zodanig rechtsgevolg evenmin. Aan de onderhavige klacht kan dan ook worden voorbijgegaan.

Ad 4b.
Het ontgaat het Hof wat [appellant] met deze klacht beoogt. De kantonrechter heeft aan het staatje niet meer ontleend dan dat daarin de bedragen vermeld staan waarom het bij de samenstelling van de vordering wegens onverschuldigde betaling gaat. De betreffende posten zijn in het vervolg van het vonnis van de kantonrechter verder in ogenschouw genomen. Ook het Hof zal deze posten, voor zover zij in hoger beroep ter beoordeling zijn voorgelegd, bespreken.

Ad 4c.
Voor zover [appellant] onder dit punt betoogt dat hij geen vergoeding aan [de stichting] verschuldigd is voor door laatstgenoemde in zijn opdracht verricht meerwerk, is dit onjuist. Dit blijkt reeds uit hetgeen in de tussen partijen gesloten overeenkomst onder 1 is bepaald, te weten dat slechts “de geraamde kosten voor gewenste optionals” in de aannemingssom van € 195.000,- zijn begrepen. Daaruit vloeit voort dat er bij- of terugbetaald moet worden indien de betreffende kosten anders uitvallen dan geraamd. Ook uit de bij de aannemingsovereenkomst behorende bijlage (onder 3) blijkt dat er meerwerk kan zijn en dat daarvoor – uiteraard – moet worden betaald. In feite weerspreekt [appellant] dit ook niet. In het vervolg van zijn betoog maakt hij duidelijk waarom het hem werkelijk gaat, namelijk dat [de stichting] niet heeft aangetoond van welk meerwerk of “afwijkingen” van het ontwerp er hier sprake is, alsmede dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat de posten 2 t/m 5 van meergenoemd staatje zodanige afwijkingen betreffen. Nu deze posten, zoals hiervoor onder
4 d t/m g weergegeven, afzonderlijk terugkeren in de bezwaren die [appellant] verder tegen het vonnis van de kantonrechter opsomt, zal het Hof die ook afzonderlijk bespreken.

Ad 4 d.
Onder de offerte van [de stichting] die ten grondslag ligt aan de tussen partijen tot stand gekomen aannemingsovereenkomst is in een noot bepaald dat daarbuiten vallen: optionals, patio-betegeling en “eigen aankoop hoofdkeuken onder aftrek van een stand keuken ad Euro 2.500,-”.
Met [appellant] is het Hof van oordeel dat deze zinsnede moeilijk anders verstaan kan worden dan dat laatstgenoemd bedrag in de totale aannemingssom is begrepen. Daarover lijken partijen het ook wel eens te zijn, maar zij strijden over het antwoord op de vraag of, nadat [appellant en naam] aan [de stichting] een bedrag ad € 7.500,- voor de door hen gewenste keuken ter doorbetaling aan de leverancier daarvan hadden overgemaakt, [de stichting] het (dus) in aftrek te brengen bedrag van € 2.500,- in werkelijkheid aan [appellant en naam] ten goede heeft doen komen. In een door [de stichting] bij antwoordpleitnota overgelegde kostenstaat is laatstgenoemd bedrag op de opgevoerde meerwerkkosten in mindering gebracht; deze staat is, naar [de stichting]onweersproken heeft gesteld, door beide partijen ondertekend. Uit de vervolgens door [appellant] bij replieknota overgelegde staat kan het tegendeel niet worden afgeleid. Reeds hierom is voldoende aannemelijk dat [appellant] niet nog eens recht heeft op terugbetaling van een bedrag van € 2.500,-. Het Hof verwijst bovendien naar hetgeen hierboven onder 7 over de bewijslastverdeling is overwogen. [appellant] heeft slechts in algemene bewoordingen, aldus niet voldoende specifiek en ter zake dienend, bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Ad 4 e.
Het bedrag van € 13.500,- betreft al dan niet vermeende prijsstijgingen van meer dan 5%, die ingevolge artikel 1 van de aannemingsovereenkomst aan [appellant en naam] mochten worden doorberekend.
Nu [appellant en naam] dit bedrag aan [de stichting] hebben betaald en [appellant] dit (ook) in hoger beroep als onverschuldigd terugvordert, rust op hem de bewijslast van feiten die zodanige terugvordering rechtvaardigen. Het Hof constateert dat hij zodanige feiten niet voldoende specifiek heeft gesteld, laat staan daarvan ter zake dienend bewijs heeft aangeboden.

Ad f.
Voor de teruggevorderde € 1.827,27 geldt hetzelfde. Uit de processtukken kan het Hof onvoldoende afleiden wie van partijen op dit punt het gelijk aan zijn of haar zijde heeft. Vanwege de hierboven onder 7 weergegeven bewijsregel diende [appellant] in dit verband voldoende specifieke feiten te stellen en, in geval van tegenspraak door [de stichting], te bewijzen. [appellant] heeft verzuimd dit te doen.

Ad g.
[appellant] betwist dat [de stichting] bankkosten tot een bedrag ad € 196,- heeft gemaakt en dat zij [appellant en naam] daarmee mocht belasten. Ook hier geldt dat de betaling daarvan door [appellant en naam] hun schuld ter zake doet veronderstellen. [appellant] had dus daaraan tegengestelde feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen. Hij heeft dit niet gedaan.

9. Het Hof verwerpt op grond van het bovenstaande de door [appellant] voorgedragen grieven en bezwaren met betrekking tot de vordering wegens onverschuldigde betaling.

De vordering tot schadevergoeding
10. [appellant en naam] hebben in de procedure niet weersproken dat hun in 2007 de sleutels van het huis zijn overhandigd, zodat de eerste oplevering van het werk toen heeft plaatsgevonden. De thans in hoger beroep voor het eerst overgelegde rapporten van Techno Ruk zijn in datzelfde jaar opgemaakt en beschrijven gebreken die volgens dit bureau toen aan het werk kleefden. Het te dezer zake door [appellant] gevorderde bedrag aan herstelkosten ad € 29.141,- is blijkbaar een samentelling van twee bedragen die in bedoelde rapporten worden genoemd: € 21.860.- en US$ 7.281,-.
Ten aanzien van de bruikbaarheid van de rapporten merkt het Hof het volgende op:
(1) De rapporten zijn kennelijk eenzijdig opgemaakt; niet gesteld of gebleken is dat [de stichting] is uitgenodigd bij de inspectie door Techno Ruk van het tot stand gebrachte werk aanwezig te zijn.
(2) In de rapporten worden bovengenoemde bedragen niet (per gebrek) gespecificeerd, zodat het inderdaad voor [de stichting] niet goed mogelijk is behoorlijk verweer te voeren.
(3) In de namens [appellant en naam]. c.q. [appellant] ingediende processtukken is noch in eerste instantie, noch in hoger beroep een poging gedaan een en ander te verduidelijken of toe te lichten. Volstaan werd met een verwijzing naar de rapporten.

11. Het Hof heeft zich beraden over de vraag in hoeverre, gelet op het vorenstaande, aan de rapporten bewijs is te ontlenen voor de juistheid van de gevorderde schade en komt daarbij tot het volgende.
Het Hof acht het op grond van de rapporten voldoende aannemelijk dat het door [de stichting] tot stand gebrachte werk enig herstel behoefde, maar kan zowel de omvang daarvan als de daarmee gemoeide kosten niet nauwkeurig vaststellen. Het komt niet raadzaam voor thans, ongeveer elf jaar na de oplevering, een nader deskundigenonderzoek te bevelen. Er kan immers niet van uit worden gegaan dat het werk nog in dezelfde staat verkeert als destijds. Daardoor wordt het onderzoek op zijn minst bemoeilijkt en wellicht is het op een aantal onderdelen onmogelijk. Bovendien brengt een nieuw deskundigenonderzoek verdere kosten en vertraging met zich mee.
Het Hof zal de herstelkosten dan ook schatten. Het heeft daarvoor geen verdere aanknopingspunten dan de omvang van het werk en de constateringen van Techno Ruk, waaraan om bovengenoemde redenen slechts beperkte waarde kan worden toegekend. Alles overziende stelt het Hof de herstelkosten vast op een bedrag van € 5.000,-, waarin de wettelijke rente tot heden is begrepen.

12. De grieven en bezwaren van [appellant] treffen doel in zoverre als hiervoor weergegeven en worden voor het overige verworpen. Dit leidt tot onderstaande beslissingen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

I. Vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 19 oktober 2010 (A.R.No. 07-4974) in zoverre daarbij in conventie het meer of anders door [appellant en naam] gevorderde bedrag is afgewezen

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt [de stichting] aan [appellant] te betalen een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf heden tot de dag der voldoening,

wijst af het meer of anders gevorderde.

II. Bevestigt het vonnis voor het overige.

III. Verrekent de proceskosten in hoger beroep aldus dat ieder der partijen de zijne c.q. de hare draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant,
verder ook te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. M.I.Vos, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
verder ook te noemen: [geïntimeerde],
in hoger beroep procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 4 juni 2007 (A.R.No. 20-4265) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 13 juni 2007, inhoudende dat [appellant] op 13 juni 2007 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 4 juni 2007 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en onder meer [appellant] als gedaagde;
– een pleitnota van [appellant], overgelegd op 1 maart 2013;
– een notitie van de griffier, dat partij [geïntimeerde] op 5 april 2013 heeft aangegeven dat
mr. R.S. Baldew niet meer zijn gemachtigde is.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

Beoordeling
1. Bij vonnis van 4 juni 2007 heeft de kantonrechter de gedaagden [naam] en [appellant], thans appellant, veroordeeld om aan [geïntimeerde], thans geïntimeerde, te betalen, des de één betalende de ander zal zijn bevrijd, een bedrag van SRD 10.000 aan smartengeld. Bij tussenvonnis van 19 juli 2005 had de kantonrechter reeds vastgesteld dat [naam] op 8 juni 1997 met een motorvoertuig dat hem door [appellant] ter beschikking was gesteld een aanrijding had veroorzaakt waarbij [geïntimeerde] ernstig en blijvend letsel opliep. De kantonrechter achtte in zijn vonnis van 4 juni 2007 [appellant] medeaansprakelijk omdat hij werkgever van [naam] was en hij zijn aansprakelijkheid op grond van artikel 1388 lid 3 BW had erkend.
2. In hoger beroep ontkent [appellant] aansprakelijk te zijn, omdat [naam] niet tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden maar buiten diensttijd, omstreeks 22.30 uur ‘s-nachts, de aanrijding zou hebben veroorzaakt.
3. Dit is een nieuw verweer. [appellant] had dat als grief in een memorie van grieven moeten aanvoeren. Hij kan dat volgens vaste Surinaamse jurisprudentie niet pas bij pleidooi in hoger beroep voor de eerste keer naar voren brengen. Het hof kan daarom met dit verweer geen rekening houden.
4. Aangezien het hof verder geen bedenkingen heeft tegen het vonnis waarvan beroep en het tussenvonnis van 19 juli 2005, wordt het vonnis waarvan beroep bevestigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep:
Het Hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 4 juni 2007, A.R.No.
20-4265, tussen partijen gewezen, waarvan beroep.
Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. S.M.M. Chu en
mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. P.S.E. Sewdien namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld