HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
A. [appellant 1],
B. [appellant 2],
beiden wonende in [land] te [woonplaats], aan de [adres 1],
C. [appellant 3],
wonende te [district]
aan de [adres],
D. [stichting 1],
vroeger geheten de [stichting 2],
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district]
aan de [adres 2],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,
tegen
[geïntimeerde], ten rechte geheten [geïntimeerde],
wonende te [district]
aan de [adres 3],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,
inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 07 juni 2012 (A.R.No.11-0321) tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellanten];
Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– Het schrijven van de advocaat van appellanten gedateerd 26 juli 2012 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 26 juli 2012 – waaruit blijkt dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 07 juni 2012;
– De pleitnota de dato 03 mei 2013;
– De antwoordpleitnota de dato 18 oktober 2013;
– De repliekpleitnota de dato 15 november 2013;
– De dupliekpleitnota de dato 21 maart 2014;
– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 17 oktober 2014 doch nader op heden;
De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1. Appellanten hebben in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede Justitie te bepalen termijn, ten behoeve van hen af te geven aan de heer [naam 1] of diens vervanger op het kantoor van de T & H Groep Parmesar en Tjon A Ten, gevestigd te [district] aan de [adres 2] de door hem gehouden volledige administratie van De Stichting ([stichting 1]) gedaagde, behelzende de kas- en bankboeken, bankafschriften en soortgelijke bewijsstukken, de conform artikel 14 der statuten van appellanten door of namens hem opgemaakte balansen, en staten van baten en lasten, alsmede de jaarverslagen over de jaren 2002 tot en met 2010. Voorts hebben zij gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 10.000.00,– voor iedere dag waarop hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen. Eveneens hebben zij gevorderd dat Brahim zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.
1.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 07 juni 2012 (A.R.No. 11-0321) het gevorderde afgewezen en zijn appellanten in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen veroordeeld.
2.1. Appellanten hebben blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van hun raadsman bij schrijven gedateerd 26 juli 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht op 26 juli 2012 – appel aangetekend tegen het vonnis van 07 juni 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest terwijl [geïntimeerde] vertegenwoordigd door zijn gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg tegenwoordig is geweest. Nu de appelaantekening op 26 juli 2012 heeft plaatsgevonden terwijl de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier dateert van 01 augustus 2012 hebben appellanten ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.
2.2. Appellanten hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
2.2.1. [stichting 1] is opgericht op 8 december 1994 door de heer [naam 2]. De Stichting had eerst de naam [stichting 2]. De oprichter was een familielid van [appellant 1] en [appellant 2];
2.2.2. Bij de oprichting heeft de oprichter drie personen als bestuursleden benoemd namelijk de heer [naam 3], [naam 4], de echtgenote van de oprichter, en de heer [geïntimeerde];
2.2.3. [naam 4] is overleden en de heer [naam 3] is op een gegeven moment afgetreden;
2.2.4. De oprichter [naam2] heeft in 2002 een testament gemaakt in welk testament hij de Stichting als zijn enige erfgenaam heeft aangewezen en waarin tevens enkele legaten zijn genoemd;
2.2.5. In het testament heeft [naam 2] tevens een bestuur benoemd welk bestuur na zijn dood binnen 14 dagen ene dagelijks bestuur moet aanwijzen. De bestuursleden die zijn genoemd zijn: [geïntimeerde], als voorzitter, notaris Blom, zijn neven [appellant 1] en [appellant 2], de heer [appellant 3] en de heer [naam 5];
2.2.6. [naam 2] is op 12 mei 2003 overleden;
2.2.7. Bij beschikking van 3 augustus 2004 is op verzoek van onder andere de weduwe van [naam 2], [naam 6], die tevens de moeder is van de kinderen van [naam 2], door de kantonrechter een bestuur van de Stichting benoemd bestaande uit [naam 6], de weduwe, de heren [naam 7], [naam 8], [appellant 3] en de heer [geïntimeerde], die als voorzitter aanbleef;
2.2.8. [appellant 1] en [appellant 2] hebben bij verzoekschrift van 7 oktober 2005 een vordering ingediend tegen de weduwe, de Stichting en de heer [geïntimeerde], waarin zij vorderden dat voor recht wordt verklaard dat hun benoeming in het bestuur bij testament rechtsgeldig was en dat zij bestuursleden zijn van de Stichting;
2.2.9. In die zaak is op 18 december 2007 vonnis gewezen waarbij [appellant 1] en [appellant 2] in het gelijk werden gesteld en de aanwijzing van het bestuur in het testament als rechtsgeldig werd aangemerkt;
2.2.10. Op 20 oktober 2010 hebben [appellant 2] en [appellant 1] een bestuursvergadering gehouden waarin zij hebben aangewezen als bestuursleden, hunzelf en de heer [appellant 3]. Zij hebben [geïntimeerde] van deze bestuurssamenstelling op de hoogte gebracht middels een schrijven;
2.2.11. Zij hebben [geïntimeerde] het verzoek gedaan om de administratie van de Stichting aan hen over te dragen;
2.2.12. Aan dit verzoek heeft [geïntimeerde] geen gevolg gegeven;
2.3. Naast voormelde vaststaande feiten hebben appellanten – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- aan hun vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat blijkens de akte d.d. 8 december 1994 [naam 2] heeft opgericht de [stichting 2] met als enig doel het verlenen van steun aan sociale instellingen en daarvoor in aanmerking komende hulpbehoevenden. Voor de eerste maal zijn door de oprichter tot bestuurder van de stichting benoemd de heer
[naam 3] als voorzitter, [geïntimeerde] en de echtgenote van de oprichter t.w. [naam 4], als leden. De heer [naam 3] is zelf afgetreden terwijl de echtgenote van de oprichter is overleden, waardoor [geïntimeerde] het enig overgebleven bestuurslid werd. De oprichting van deze stichting is ingegeven door de passie van de oprichter om aan sociale instellingen en daarvoor in aanmerking komende hulpbehoevenden steun te verlenen. Het is voorts een notoir feit dat deze oprichter al zijn vorenbedoelde sociale activiteiten ontplooide vanuit deze Stichting, waar zijn echtgenote [naam 4] ten nauwste betrokken is geweest. Na het overlijden van zijn echtgenote had de oprichter het voornemen de naam van “zijn” voornoemde Stichting te wijzigen in [stichting 1], met de duidelijke bedoeling dat ook na de dood van zijn echtgenote en daarna van hemzelf de sociale activiteiten zouden worden voortgezet uit het vermogen dat zij, [naam 2] en [naam 4], zo rijkelijk hadden vergaard. De oprichter van de Stichting heeft, vόόrdat hij toe kwam aan de voorgenomen naamswijziging van de Stichting bij testament d.d. 17 september 2002 verleden ten overstaan van notaris mr. D. Alexander, de [stichting 1] benoemd tot zijn enige en algehele erfgenamen, onder de last van het uitkeren van enige legaten, blijkende zulks uit de ten processe overgelegde verklaring van erfrecht, opgemaakt door notaris mr. C.A. Calor d.d. 24 september 2003. Uit de tekst van het testament in zijn geheel, in onderling verband en samenhang met de verhouding welke dit testament wil regelen alsmede de omstandigheden waaronder het is gemaakt blijkt onmiskenbaar dat de erflater bij het kenbaar maken van zijn volledige uiterste wil met de aanduiding daarin van de [stichting 1] de bestaande gedaagde sub B op het oog heeft gehad. Blijkens artikel 7 van de statuten van de Stichting wordt in ontstane bestuursvacatures voorzien door de oprichter en na diens overlijden door diens echtgenote. De oprichter heeft echter bewust van het feit dat zijn echtgenote reeds voor overleden was in zijn voormeld testament als bestuursleden van de Stichting aangewezen de personen van [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en de Stichting alsmede notaris mr. G.H.B. Blom en [naam 5]. Laatstgenoemde is op dezelfde dag als de erflater overleden, terwijl notaris Blom en [geïntimeerde] kenbaar hebben gemaakt deze benoeming niet te aanvaarden. Bij de aanwijzing van dit bestuur in zijn testament is door de oprichter bepaald dat het door hem aangewezen bestuur binnen 14 (veertien) dagen na zijn overlijden behoort te voorzien in een dagelijks bestuur. [geïntimeerde] heeft steeds geweigerd, ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne, om een bestuursvergadering bijeen te roepen om onder meer een dagelijks bestuur van de Stichting aan te wijzen dat conform artikel 8 van de statuten de Stichting in en buiten rechte vertegenwoordigd. Hij stelde zich daarbij op het onterechte standpunt dat de benoeming door de erflater in het testament gedaan onwettig en van onwaarde is. Aangezien geen penningmeester is aangewezen kan niet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5 sub 3 der statuten, weshalve van het gevoerd financieel beheer van de Stichting helemaal geen verantwoording wordt afgelegd. [geïntimeerde] die als enig overgebleven lid uit het vorig bestuur de volledige administratie van de Stichting onder zich heeft weigert aldus aan eisers inzicht te verschaffen in de huidige stand van zaken voor wat betreft het vermogen, de administratie en de sociale activiteiten van de Stichting casu quo om deze administratie aan eisers over te dragen. Door dit nalaten althans weigeren van [geïntimeerde] kan het doel waartoe de Stichting is opgericht helemaal niet worden gerealiseerd, zulks in flagrante strijd met de bedoeling van de oprichter van de Stichting casu quo van de erflater die een aanmerkelijk deel van zijn vermogen heeft bestemd voor de Stichting. [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben op 20 oktober 2010 een bestuursvergadering van de Stichting belegd en uit hun midden een dagelijks bestuur aangewezen bestaande uit [appellant 1] als plaatsvervangend-voorzitter, [appellant 2] als penningmeester en [appellant 3] als secretaris. Voorts hebben zij de naam van de Stichting, overeenkomstig de wens casu quo bedoeling van de oprichter en erflater gewijzigd in :
[stichting 1]. Eisers hebben bij schrijven van hun raadsman d.d. 11 november 2009, hetwelk bij exploit van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 8 december 2010 aan [geïntimeerde] werd betekend op de hoogte gesteld van de bestuurssamenstelling van de Stichting. Voorts is [geïntimeerde] daarbij aangemaand om ten behoeve van eisers af te geven op het kantoor van de T & H Groep Parmesar en Tjon A Ten, gevestigd te Paramaribo aan de [adres 2] t.a.v. de heer [naam 1], de behoorlijk gedocumenteerde administratie van de Stichting. [geïntimeerde] heeft geweigerd aan deze sommatie te voldoen;
2.4. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd da de benoeming bij uiterste wilsbeschikking d.d. 17 september 2001 door [naam 2] van [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en de heren G.H.B. Blom en [naam 5] tot bestuurslid van de Stichting nietig en dus rechtens van onwaarde is. [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] zijn dan ook op grond van voormelde benoeming geen bestuursleden van de Stichting en hebben dan ook geen enkel belang bij de onderhavige vordering en weigert [geïntimeerde] terecht om hen te erkennen als rechtmatig aangewezen bestuursleden van de Stichting;
2.5. In hoger beroep concluderen appellanten tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot toewijzing van hun vordering;
2.6. Daartoe hebben appellanten een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. Ten eerste hebben zij aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen onder sub 5.2 dat uit het dossier een aantal bestuurssamenstellingen zijn te halen en daarmede de indruk wekkende als zouden partijen in het geding zich hebben beroepen op het in functie zijn van de diverse door de kantonrechter gereleveerde bestuurssamenstellingen. Ten tweede hebben zij aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de mening is toegedaan dat het onderzoek in de bodemprocedure moet worden afgewacht om te kunnen vaststellen wie bevoegd is de afgifte van de bescheiden te vorderen;
2.7. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;
2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grieven. Gelet op de samenhang tussen beide grieven zal het hof beide grieven gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen. Dienaangaande overweegt het hof dat de eerste grief geen opgeld doet. Grondige doorlezing van het bepaalde onder 5.2 van het beroepen vonnis leidt tot de slotsom dat de kantonrechter de diverse bestuurssamenstellingen heeft gememoreerd ter adstructie van het feit dat er meerdere bestuurssamenstellingen zijn die “claimen” het rechtsgeldig bestuur uit te maken. Nergens valt uit af te leiden dat de kantonrechter de indruk heeft willen wekken dat appellanten zich daarop zouden hebben beroepen. Ten aanzien van de tweede grief overweegt het hof dat de kantonrechter zich in punt 5.3 van het beroepen vonnis op het terechte standpunt heeft gesteld dat er diepgaand onderzoek noodzakelijk is in bodemprocedure teneinde vast te kunnen stellen wie bevoegd is de afgifte van de bescheiden te vorderen. Gelet op het voorgaande zal het hof derhalve eveneens voormelde grief van appellanten verwerpen;
2.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd aangezien de grieven niet op gaan en het het hof voorts ambtshalve evenmin is gebleken dat er gronden zijn die tot vernietiging van het beroepen vonnis aanleiding zouden geven;
2.10. De consequentie van het voorgaande is dat appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, zullen worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.
2.11. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof – als voor de beslissing niet langer relevant zijnde – achterwege laten.
3. De beslissing in kort geding in hoger beroep
Het hof:
3.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 07 juni 2012, A.R.No. 11-0321, waarvan beroep.
3.2. Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;
Aldus in kort geding gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en
mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan
Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat
mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P.S.E. Sewdien namens advocaat mr. M.I. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld