SRU-HvJ-2017-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
A. [appellant 1],
B. [appellant 2],
beiden wonende in [land] te [woonplaats], aan de [adres 1],
C. [appellant 3],
wonende te [district]
aan de [adres],
D. [stichting 1],
vroeger geheten de [stichting 2],
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district]
aan de [adres 2],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[geïntimeerde], ten rechte geheten [geïntimeerde],
wonende te [district]
aan de [adres 3],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 07 juni 2012 (A.R.No.11-0321) tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellanten];

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– Het schrijven van de advocaat van appellanten gedateerd 26 juli 2012 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 26 juli 2012 – waaruit blijkt dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 07 juni 2012;
– De pleitnota de dato 03 mei 2013;
– De antwoordpleitnota de dato 18 oktober 2013;
– De repliekpleitnota de dato 15 november 2013;
– De dupliekpleitnota de dato 21 maart 2014;
– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 17 oktober 2014 doch nader op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Appellanten hebben in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede Justitie te bepalen termijn, ten behoeve van hen af te geven aan de heer [naam 1] of diens vervanger op het kantoor van de T & H Groep Parmesar en Tjon A Ten, gevestigd te [district] aan de [adres 2] de door hem gehouden volledige administratie van De Stichting ([stichting 1]) gedaagde, behelzende de kas- en bankboeken, bankafschriften en soortgelijke bewijsstukken, de conform artikel 14 der statuten van appellanten door of namens hem opgemaakte balansen, en staten van baten en lasten, alsmede de jaarverslagen over de jaren 2002 tot en met 2010. Voorts hebben zij gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 10.000.00,– voor iedere dag waarop hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen. Eveneens hebben zij gevorderd dat Brahim zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

1.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 07 juni 2012 (A.R.No. 11-0321) het gevorderde afgewezen en zijn appellanten in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen veroordeeld.

2.1. Appellanten hebben blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van hun raadsman bij schrijven gedateerd 26 juli 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht op 26 juli 2012 – appel aangetekend tegen het vonnis van 07 juni 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest terwijl [geïntimeerde] vertegenwoordigd door zijn gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg tegenwoordig is geweest. Nu de appelaantekening op 26 juli 2012 heeft plaatsgevonden terwijl de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier dateert van 01 augustus 2012 hebben appellanten ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

2.2. Appellanten hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
2.2.1. [stichting 1] is opgericht op 8 december 1994 door de heer [naam 2]. De Stichting had eerst de naam [stichting 2]. De oprichter was een familielid van [appellant 1] en [appellant 2];
2.2.2. Bij de oprichting heeft de oprichter drie personen als bestuursleden benoemd namelijk de heer [naam 3], [naam 4], de echtgenote van de oprichter, en de heer [geïntimeerde];
2.2.3. [naam 4] is overleden en de heer [naam 3] is op een gegeven moment afgetreden;
2.2.4. De oprichter [naam2] heeft in 2002 een testament gemaakt in welk testament hij de Stichting als zijn enige erfgenaam heeft aangewezen en waarin tevens enkele legaten zijn genoemd;
2.2.5. In het testament heeft [naam 2] tevens een bestuur benoemd welk bestuur na zijn dood binnen 14 dagen ene dagelijks bestuur moet aanwijzen. De bestuursleden die zijn genoemd zijn: [geïntimeerde], als voorzitter, notaris Blom, zijn neven [appellant 1] en [appellant 2], de heer [appellant 3] en de heer [naam 5];
2.2.6. [naam 2] is op 12 mei 2003 overleden;
2.2.7. Bij beschikking van 3 augustus 2004 is op verzoek van onder andere de weduwe van [naam 2], [naam 6], die tevens de moeder is van de kinderen van [naam 2], door de kantonrechter een bestuur van de Stichting benoemd bestaande uit [naam 6], de weduwe, de heren [naam 7], [naam 8], [appellant 3] en de heer [geïntimeerde], die als voorzitter aanbleef;
2.2.8. [appellant 1] en [appellant 2] hebben bij verzoekschrift van 7 oktober 2005 een vordering ingediend tegen de weduwe, de Stichting en de heer [geïntimeerde], waarin zij vorderden dat voor recht wordt verklaard dat hun benoeming in het bestuur bij testament rechtsgeldig was en dat zij bestuursleden zijn van de Stichting;
2.2.9. In die zaak is op 18 december 2007 vonnis gewezen waarbij [appellant 1] en [appellant 2] in het gelijk werden gesteld en de aanwijzing van het bestuur in het testament als rechtsgeldig werd aangemerkt;
2.2.10. Op 20 oktober 2010 hebben [appellant 2] en [appellant 1] een bestuursvergadering gehouden waarin zij hebben aangewezen als bestuursleden, hunzelf en de heer [appellant 3]. Zij hebben [geïntimeerde] van deze bestuurssamenstelling op de hoogte gebracht middels een schrijven;
2.2.11. Zij hebben [geïntimeerde] het verzoek gedaan om de administratie van de Stichting aan hen over te dragen;
2.2.12. Aan dit verzoek heeft [geïntimeerde] geen gevolg gegeven;

2.3. Naast voormelde vaststaande feiten hebben appellanten – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- aan hun vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat blijkens de akte d.d. 8 december 1994 [naam 2] heeft opgericht de [stichting 2] met als enig doel het verlenen van steun aan sociale instellingen en daarvoor in aanmerking komende hulpbehoevenden. Voor de eerste maal zijn door de oprichter tot bestuurder van de stichting benoemd de heer
[naam 3] als voorzitter, [geïntimeerde] en de echtgenote van de oprichter t.w. [naam 4], als leden. De heer [naam 3] is zelf afgetreden terwijl de echtgenote van de oprichter is overleden, waardoor [geïntimeerde] het enig overgebleven bestuurslid werd. De oprichting van deze stichting is ingegeven door de passie van de oprichter om aan sociale instellingen en daarvoor in aanmerking komende hulpbehoevenden steun te verlenen. Het is voorts een notoir feit dat deze oprichter al zijn vorenbedoelde sociale activiteiten ontplooide vanuit deze Stichting, waar zijn echtgenote [naam 4] ten nauwste betrokken is geweest. Na het overlijden van zijn echtgenote had de oprichter het voornemen de naam van “zijn” voornoemde Stichting te wijzigen in [stichting 1], met de duidelijke bedoeling dat ook na de dood van zijn echtgenote en daarna van hemzelf de sociale activiteiten zouden worden voortgezet uit het vermogen dat zij, [naam 2] en [naam 4], zo rijkelijk hadden vergaard. De oprichter van de Stichting heeft, vόόrdat hij toe kwam aan de voorgenomen naamswijziging van de Stichting bij testament d.d. 17 september 2002 verleden ten overstaan van notaris mr. D. Alexander, de [stichting 1] benoemd tot zijn enige en algehele erfgenamen, onder de last van het uitkeren van enige legaten, blijkende zulks uit de ten processe overgelegde verklaring van erfrecht, opgemaakt door notaris mr. C.A. Calor d.d. 24 september 2003. Uit de tekst van het testament in zijn geheel, in onderling verband en samenhang met de verhouding welke dit testament wil regelen alsmede de omstandigheden waaronder het is gemaakt blijkt onmiskenbaar dat de erflater bij het kenbaar maken van zijn volledige uiterste wil met de aanduiding daarin van de [stichting 1] de bestaande gedaagde sub B op het oog heeft gehad. Blijkens artikel 7 van de statuten van de Stichting wordt in ontstane bestuursvacatures voorzien door de oprichter en na diens overlijden door diens echtgenote. De oprichter heeft echter bewust van het feit dat zijn echtgenote reeds voor overleden was in zijn voormeld testament als bestuursleden van de Stichting aangewezen de personen van [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en de Stichting alsmede notaris mr. G.H.B. Blom en [naam 5]. Laatstgenoemde is op dezelfde dag als de erflater overleden, terwijl notaris Blom en [geïntimeerde] kenbaar hebben gemaakt deze benoeming niet te aanvaarden. Bij de aanwijzing van dit bestuur in zijn testament is door de oprichter bepaald dat het door hem aangewezen bestuur binnen 14 (veertien) dagen na zijn overlijden behoort te voorzien in een dagelijks bestuur. [geïntimeerde] heeft steeds geweigerd, ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne, om een bestuursvergadering bijeen te roepen om onder meer een dagelijks bestuur van de Stichting aan te wijzen dat conform artikel 8 van de statuten de Stichting in en buiten rechte vertegenwoordigd. Hij stelde zich daarbij op het onterechte standpunt dat de benoeming door de erflater in het testament gedaan onwettig en van onwaarde is. Aangezien geen penningmeester is aangewezen kan niet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5 sub 3 der statuten, weshalve van het gevoerd financieel beheer van de Stichting helemaal geen verantwoording wordt afgelegd. [geïntimeerde] die als enig overgebleven lid uit het vorig bestuur de volledige administratie van de Stichting onder zich heeft weigert aldus aan eisers inzicht te verschaffen in de huidige stand van zaken voor wat betreft het vermogen, de administratie en de sociale activiteiten van de Stichting casu quo om deze administratie aan eisers over te dragen. Door dit nalaten althans weigeren van [geïntimeerde] kan het doel waartoe de Stichting is opgericht helemaal niet worden gerealiseerd, zulks in flagrante strijd met de bedoeling van de oprichter van de Stichting casu quo van de erflater die een aanmerkelijk deel van zijn vermogen heeft bestemd voor de Stichting. [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben op 20 oktober 2010 een bestuursvergadering van de Stichting belegd en uit hun midden een dagelijks bestuur aangewezen bestaande uit [appellant 1] als plaatsvervangend-voorzitter, [appellant 2] als penningmeester en [appellant 3] als secretaris. Voorts hebben zij de naam van de Stichting, overeenkomstig de wens casu quo bedoeling van de oprichter en erflater gewijzigd in :
[stichting 1]. Eisers hebben bij schrijven van hun raadsman d.d. 11 november 2009, hetwelk bij exploit van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 8 december 2010 aan [geïntimeerde] werd betekend op de hoogte gesteld van de bestuurssamenstelling van de Stichting. Voorts is [geïntimeerde] daarbij aangemaand om ten behoeve van eisers af te geven op het kantoor van de T & H Groep Parmesar en Tjon A Ten, gevestigd te Paramaribo aan de [adres 2] t.a.v. de heer [naam 1], de behoorlijk gedocumenteerde administratie van de Stichting. [geïntimeerde] heeft geweigerd aan deze sommatie te voldoen;

2.4. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd da de benoeming bij uiterste wilsbeschikking d.d. 17 september 2001 door [naam 2] van [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en de heren G.H.B. Blom en [naam 5] tot bestuurslid van de Stichting nietig en dus rechtens van onwaarde is. [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] zijn dan ook op grond van voormelde benoeming geen bestuursleden van de Stichting en hebben dan ook geen enkel belang bij de onderhavige vordering en weigert [geïntimeerde] terecht om hen te erkennen als rechtmatig aangewezen bestuursleden van de Stichting;

2.5. In hoger beroep concluderen appellanten tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot toewijzing van hun vordering;

2.6. Daartoe hebben appellanten een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. Ten eerste hebben zij aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen onder sub 5.2 dat uit het dossier een aantal bestuurssamenstellingen zijn te halen en daarmede de indruk wekkende als zouden partijen in het geding zich hebben beroepen op het in functie zijn van de diverse door de kantonrechter gereleveerde bestuurssamenstellingen. Ten tweede hebben zij aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de mening is toegedaan dat het onderzoek in de bodemprocedure moet worden afgewacht om te kunnen vaststellen wie bevoegd is de afgifte van de bescheiden te vorderen;
2.7. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;
2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grieven. Gelet op de samenhang tussen beide grieven zal het hof beide grieven gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen. Dienaangaande overweegt het hof dat de eerste grief geen opgeld doet. Grondige doorlezing van het bepaalde onder 5.2 van het beroepen vonnis leidt tot de slotsom dat de kantonrechter de diverse bestuurssamenstellingen heeft gememoreerd ter adstructie van het feit dat er meerdere bestuurssamenstellingen zijn die “claimen” het rechtsgeldig bestuur uit te maken. Nergens valt uit af te leiden dat de kantonrechter de indruk heeft willen wekken dat appellanten zich daarop zouden hebben beroepen. Ten aanzien van de tweede grief overweegt het hof dat de kantonrechter zich in punt 5.3 van het beroepen vonnis op het terechte standpunt heeft gesteld dat er diepgaand onderzoek noodzakelijk is in bodemprocedure teneinde vast te kunnen stellen wie bevoegd is de afgifte van de bescheiden te vorderen. Gelet op het voorgaande zal het hof derhalve eveneens voormelde grief van appellanten verwerpen;
2.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd aangezien de grieven niet op gaan en het het hof voorts ambtshalve evenmin is gebleken dat er gronden zijn die tot vernietiging van het beroepen vonnis aanleiding zouden geven;
2.10. De consequentie van het voorgaande is dat appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, zullen worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.
2.11. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof – als voor de beslissing niet langer relevant zijnde – achterwege laten.

3. De beslissing in kort geding in hoger beroep
Het hof:
3.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 07 juni 2012, A.R.No. 11-0321, waarvan beroep.

3.2. Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus in kort geding gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en
mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat
mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P.S.E. Sewdien namens advocaat mr. M.I. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-11

G.R.No. 14815

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] in [district 1],

appellant in kort geding,

verder te noemen [appellant],

gemachtigde: mr. K. Baldew, advocaat,

tegen

[De Stichting],

gevestigd en kantoorhoudende te [district 2],

geïntimeerde in kort geding,

verder ook aan te duiden als [de Stichting],

gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 13 april 2006 (A.R.No. 05-4865A) tussen de Stichting als eiseres en [appellant] als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 23 mei 2006, inhoudende dat op 23 mei 2006 door mr. K. Baldew, advocaat, namens [appellant] hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in kort geding van 13 april 2006 tussen partijen gewezen;

– pleitnota van 2 augustus 2013;

– antwoordpleitnota van 3 januari 2014;

– repliekpleitnota van 7 februari 2014;

– dupliekpleitnota van 2 mei 2014;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 7 november 2014 en vervolgens nader op 19 januari 2018, doch nader op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De dienstbrief van de griffier is gedateerd 12  mei 2006. Het hoger beroep is ingesteld op 23 mei  2006 zodat het tijdig en op de juiste wijze is ingesteld en [appellant] daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

1. Tussen partijen staat het volgende vast.

1.1. De Stichting heeft bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 24 mei 2000 het recht van grondhuur verkregen op het perceelland van 0.7259 ha. gelegen te [woonplaats] in [district 1] Serie B, nader aangeduid op de uitmetingskaart van landmeter Somopawiro d.d. 18 april met de letters ABCDEFGH, door landmeter Kalloe d.d. 18 paril 2000 vernummerd als het gedeelte groot 0.3878 ha. aangeduid met de letters CDIB thans bekend als [adres 1] en het gedeelte groot 0.3381 ha. aangeduid met de letters EFGHAI, thans bekend als [adres 2].

1.2. [appellant] is in dienst van [bedrijf] (hierna te noemen: [bedrijf]) en bewoont met haar toestemming een dienstwoning op voormeld perceelland.

1.3. De Stichting heeft de “ bewoners van de barakken [adres 3], waaronder [appellant], op 15 november 2005 gesommeerd het perceelland te ontruimen, aan welke sommatie hij geen gevolg heeft gegeven.

1.4. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 13 april 2006 [appellant] veroordeeld om binnen zes maanden na uitspraak van het vonnis het perceelland zoals in het dictum verder is omschreven te ontruimen en te verlaten en hem in de proceskosten veroordeeld.

1.5. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat de Stichting eigenaresse is van het recht van grondhuur van het litigieuze perceelland. Uit het verweer van [appellant] blijkt niet dat [bedrijf], van wie hij meent enig recht te ontlenen om op dit perceelland te verblijven, de eigendom of enig ander zakelijk- of persoonlijk recht daarop  had. [bedrijf] kon daarom geen toestemming verlenen om op het perceelland te verblijven omdat zij niet meer rechten kan overdragen dan zij zelf bezit. Daarmee is vast komen te staan dat [appellant] zich zonder recht of titel op het perceelland waarvan de Stichting de grondhuur bezit bevindt.

Vervolgens heeft de kantonrechter de vordering tot ontruiming toegewezen.

1.6. [appellant] vordert in hoger beroep dat het Hof het vonnis van de kantonrechter van 13 april 2006 vernietigt of nietig verklaart en opnieuw rechtdoende de Stichting alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze te weigeren en om zonodig herstel in de oude toestand te bevelen

1.7. De Stichting heeft in hoger beroep verweer gevoerd en verzocht het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

1.8. [appellant] heeft vier grieven tegen voornoemde uitspraak van de kantonrechter opgeworpen.

De eerste grief komt er – kort samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – op neer dat de kantonrechter heeft nagelaten de juistheid van de stellingen en grondslag van de vordering te onderzoeken. De Stichting wist dat [appellant] slechts een dienstwoning van [bedrijf], die eigenaar van de woning was, bewoonde. [appellant] heeft de woning niet gebouwd. [bedrijf] had wel degelijk rechten op het litigieuze perceel op grond van artikel 3 lid 1 Wet Beginselen Grondbeleid en ingevolge de verjaring van artikel 1967 SBW en artikel 26 Wet Uitgifte Domeingrond. [bedrijf] had volgens [appellant] het recht van grondhuur al lang gekregen, terwijl de Stichting daarentegen de grondhuur op corrupte en onrechtmatige wijze heeft gekregen. Het enige doel van de ingestelde vordering is om [bedrijf] te ontruimen.

1.9. De Stichting heeft tegen de eerste grief verweer gevoerd en gesteld dat de vordering tegen [appellant] is ingesteld omdat hij het perceel van de Stichting onbevoegdelijk bezet hield. [bedrijf] was niet bevoegd om aan [appellant] toestemming te verlenen om op het perceelland te verblijven. De overweging van de kantonrechter was dan ook correct.

De Stichting heeft in dit verband een vonnis van de kantonrechter van 19 april 2011 A.R.No. 06-1020 overgelegd waaruit blijkt dat het beroep van [bedrijf] op verkrijgende verjaring is afgewezen. Terecht heeft [appellant] gesteld dat het [bedrijf] nog niet is gelukt om een titel op de grond te verkrijgen.

1.10. Het Hof is van oordeel dat vast staat dat de Stichting rechthebbende is van het recht van grondhuur van het perceelland waar het in deze procedure om gaat die haar bij beschikking van de Minister voornoemd op 24 mei 2000 is verleend. Dit recht is op 7 juni 2000 ingeschreven in de registers van het hypotheekkantoor.

Eveneens staat vast dat [bedrijf] de woning heeft gebouwd en dat [appellant] – als werknemer van [bedrijf] – de dienstwoning die op de grond was gebouwd in gebruik heeft (gehad).

Kern van de zaak is de vraag of [bedrijf] gerechtigd was tot de grond. Zou dit het geval zijn, dan zou ook [appellant] het recht hebben om de grond te gebruiken en zou de vordering van de Stichting niet kunnen slagen. Indien dat niet het geval zou zijn, dan zou [appellant] t.a.v. de Stichting zonder recht of titel op de grond verblijven.

1.11. Het Hof stelt vast dat [appellant] geen feiten heeft aangedragen op grond waarvan als vaststaand kan worden aangenomen dat [bedrijf] enig recht of titel op de grond heeft. De Stichting heeft gewezen op een uitspraak van de kantonrechter van 19 april 2011 A.R.No. 06-1020 in de procedure tussen [bedrijf] als eiseres en de Staat als gedaagde, waarin hij niet alleen het beroep van [bedrijf] op verjaring heeft afgewezen, maar ook het beroep op artikel 3 lid 1 van het Decreet Beginselen Grondbeleid.

1.12. Ook in het onderhavige hoger beroep is niet vast komen te staan dat [bedrijf] het perceel al 40 jaar onafgebroken, ondubbelzinnig en ongestoord in bezit heeft gehad. [appellant] heeft evenmin betwist dat [bedrijf] op 31 mei 2000 schriftelijk in kennis is gesteld (welke brief op 19 juni 2000 bij deurwaardersexploit is betekend) dat zij het perceelland onwettig occupeerde en dat hij het diende te ontruimen. Daarmee staat vast dat [bedrijf] het perceel vanaf deze sommatie onwettig occupeerde. Het beroep op het Decreet Beginselen Grondbeleid stuit dan ook af op deze onwettige occupatie. Terzijde merkt het Hof nog op dat de kantonrechter in een vonnis van 20 oktober 2009 A.R.No. 06-4102 in de zaak tussen [bedrijf] als eiseres en de Stichting en de Staat als gedaagden geoordeeld heeft dat [bedrijf] onwettig occupant is van het perceel aangegeven onder 2.5. van het vonnis, dat de Stichting als productie 8 bij de repliekpleitnota heeft overgelegd.

1.13. Voor zover [appellant] in de eerste grief heeft betoogd dat de kantonrechter zijn oordeel niet heeft gebaseerd op stellingen in het verzoekschrift en ten onrechte heeft aangenomen dat [bedrijf] geen toestemming kon verlenen om op de grond te verblijven, overweegt het Hof dat het oordeel van de kantonrechter, gelet op het feit dat niet vast is komen te staan dat [bedrijf] een titel voor het perceelland had en zij ook niet meer rechten kan overdragen dan zij zelf bezit, juist is.

De eerste grief faalt derhalve

1.14. In zijn tweede grief heeft [appellant] aangevoerd – kort samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [appellant] zonder toestemming of medeweten barakken of bouwsels heeft opgezet, of dat ten onrechte heeft aangenomen.

Het verweer van de Stichting luidt – kort samengevat – dat de kantonrechter terecht heeft overwogen, dat vanwege de onbevoegdelijk gegeven of verkregen toestemming en de weigering om ondanks aanmaning het perceel te ontruimen, [appellant] zonder recht of titel op het perceelland vertoefde.

1.15. De grief faalt omdat uit het bestreden vonnis niet blijkt dat de kantonrechter heeft aangenomen dat [appellant] barakken of bouwsels heeft opgezet. De grondslag van de oorspronkelijk vordering is onrechtmatig handelen van [appellant] geweest omdat hij zich zonder recht of titel op het perceelland bevond. Inderdaad is het niet juist, zoals in het inleidende verzoekschrift is gesteld, dat [appellant] de barakken of bouwsels op het onroerend goed had opgezet, maar de Stichting heeft later in de procedure verduidelijkt dat het haar ging om het feit dat [appellant] de grond onwettig in gebruik had. De kantonrechter heeft ook niet aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat [appellant] onwettig had gebouwd, maar dat hij zich zonder recht of titel op het perceelland bevond. Omdat hij ondanks sommatie weigerde het perceelland te ontruimen bleef hij volgens de kantonrechter inbreuk maken op het recht van grondhuur van de Stichting. Het oordeel van de kantonrechter is derhalve juist.

1.16. In zijn derde grief heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter door de vordering toe te wijzen geen rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij heeft daar schade door geleden en verzoekt het Hof om inzage te nemen in het dossier A.R.No. 08-0266. De inleidende vordering was slechts bedoeld om door de onrechtmatige ontruiming aan [appellant] en [bedrijf] schade toe te brengen.

De Stichting heeft als verweer aangevoerd dat de kantonrechter heeft overwogen dat zij rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant] door een ruime ontruimingstermijn aan te houden.

1.17. Het Hof overweegt dat uit het bestreden vonnis volgt dat de kantonrechter rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant] door in aanmerking te nemen dat [appellant] gedurende enige jaren op het perceelland verbleef en daarom een ruime ontruimingstermijn heeft bepaald. Reeds daarom faalt de grief.

1.18. Ten aanzien van de schade die [appellant] stelt te hebben geleden overweegt het Hof dat deze schade – indien al aanwezig – geen onderwerp van het onderhavige geschil is en daarom verder buiten beschouwing zal blijven.

De derde grief faalt.

1.19. [appellant] voert vervolgens in zijn vierde grief aan dat de kantonrechter ten onrechte de ontruiming heeft gelast omdat deze niet gestoeld was op de grondslag van de vordering, althans omdat de gevorderde ontruiming kennelijk ontruiming door [bedrijf] betrof. In haar toelichting op deze grief heeft [appellant] gewezen op het feit dat hij heeft weersproken dat de Stichting het eigendomsrecht van het recht van grondhuur op het perceel had. Hij heeft in dit verband gewezen op het vonnis in de zaak met A.R.No. 01-1776 , een vonnis van de kantonrechter van 4 maart 2004. Daarin heeft de kantonrechter overwogen dat [bedrijf] in die zaak onweersproken heeft gesteld dat zij sedert 40 jaren activiteiten op het litigieuze onroerend goed uitoefent en dat zich daar houtblokken en tien dienstwoningen bevinden. Vervolgens heeft de kantonrechter de vordering van de Stichting tot het verwijderen van de houtblokken en de barakken afgewezen.

De Stichting heeft dienaangaande – kort gezegd – naar voren gebracht dat de ontruiming [appellant] en niet [bedrijf] betrof  en dat de grondslag van de vordering gelegen was in het zonder recht of titel gebruiken van de grond, zodat het Hof aan de grief voorbij dient te gaan.

1.20. Het Hof overweegt dat niet in geschil is dat [appellant] – en dus niet [bedrijf] – het perceelland in gebruik had. [bedrijf] is geen partij in het onderhavige hoger beroep, zodat de veroordeling tot ontruiming haar niet aangaat. Zoals onder 1.12. van dit vonnis al is overwogen heeft de kantonrechter terecht vastgesteld dat [bedrijf] geen recht of titel had en dus ook geen gebruiksrecht aan [appellant] kon geven.

1.21. Het Hof is van oordeel dat aan het vonnis van 4 maart 2004 in dit hoger beroep geen betekenis meer toe komt, nu in de zaak tussen [bedrijf] en de Staat (A.R.No. 06-1020) de kantonrechter op 19 april 2011 het beroep op verjaring van [bedrijf] heeft afgewezen en heeft  geoordeeld dat het ongestoorde bezit van 40 jaar c.a. nu juist niet vast is komen te staan en dat [bedrijf] nooit enige titel op het perceelland heeft verkregen. Verder heeft de kantonrechter in dit laatste vonnis geoordeeld:“ Zij (lees: de Staat, Hof) heeft het ouder verzoek van [de Stichting] om het perceel in grondhuur te verkrijgen toegewezen en hoefde bij het nemen van haar beslissing geen rekening te houden met de activiteiten die eiseres op dat perceel ontplooide. Voorzover gedaagde eiseres een ettelijk aantal jaren heeft gedoogd om activiteiten op het perceel te ontplooien, kan eiseres geen rechten daaraan ontlenen. Een gedoogbeleid op zich schept geen verplichting voor gedaagde om het perceel in grondhuur aan eiseres te geven. Gedaagde heeft eiseres bij schrijven van 31 mei 2000, nog vóórdat zij het perceel in grondhuur had aangevraagd, schriftelijk in kennis gesteld dat zij het litigieus perceel onwettig occupeert en dat (lees:) zij dat perceel moest ontruimen; een duidelijke boodschap aan eiseres dat zij geen enkele titel op de grond kan doen gelden.”

Het Hof onderschrijft voorgaande overweging van de kantonrechter en herhaalt dat [appellant] in dit hoger beroep geen (andere) feiten naar voren heeft gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [bedrijf] wél een recht of titel op het perceelland had, zodat ook [appellant] gerechtigd was daarop te verblijven.

De vierde grief faalt eveneens.

1.22. Omdat alle grieven falen zal het Hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. [appellant] krijgt ongelijk en zal in de proceskosten aan de zijde van de Stichting in eerste instantie en in hoger beroep gevallen worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

1. bekrachtigt  het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 13 april 2006, A.R.No. 05-4865A,  tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

2. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op

– voor de eerste aanleg op SRD 153,50

– voor het hoger beroep op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. R.G. Chatterpal, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                 w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-10

G.R.No. 14825

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

N.V. HAVENBEHEER SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellante,

verder ook te noemen: Havenbeheer,

gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

verder ook te noemen: [geïntimeerde],

procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 6 december 2012 (A.R.No. 123353), tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde, spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 14 december 2012, inhoudende dat Havenbeheer op 14 december 2012 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 6 december 2012 in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Havenbeheer als gedaagde;

– een pleitnota van Havenbeheer van 15 november 2013;

– een pleitnota van antwoord van [geïntimeerde], met produkties, van 16 mei 2014;

– een pleitnota van repliek van Havenbeheer , met 1 produktie, van 1 augustus 2014;

– een pleitnota van dupliek van [geïntimeerde] van 7 november 2014.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Havenbeheer daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

1. Bij vonnis van de kantonrechter van 1 oktober 2007, A.R.No. 063732 is, voor zover hier van belang, Havenbeheer wegens het verlenen van kennelijk onredelijk ontslag aan [geïntimeerde] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de volledige schadevergoeding, voor materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en aangevuld met de wettelijke rente van 6% per jaar.

Bij vonnis van de kantonrechter, op 19 juni 2012 onder no. A.R.No. 081239 tussen partijen gewezen, heeft de kantonrechter het bedrag van voormelde volledige schadevergoeding vastgesteld op US$ 46.025,55. Deze uitspraak is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In het vonnis waarvan beroep van 6 december 2012 heeft de kantonrechter in kort geding Havenbeheer veroordeeld om het bedrag van US$ 46.025,55 aan [geïntimeerde] te betalen. Hij verklaarde dit vonnis wel uitvoerbaar bij voorraad en hij veroordeelde Havenbeheer in de proceskosten.

2. Tegen laatstgenoemd vonnis heeft Havenbeheer drie grieven ontwikkeld. Zakelijk weergegeven komen de grieven op het volgende neer:

Grief I: De kantonrechter is er ten onrechte van uitgegaan, dat [geïntimeerde] een voldoende spoedeisend belang heeft uitbetaling van een voorschot op de aan [geïntimeerde] toegekende schadevergoeding van US$ 46.025,55. Hij heeft ten onrechte het volledige bedrag dat in de bodemprocedure aan [geïntimeerde] is toegekend toegewezen, zodat er geen sprake meer was van een voorschot. Hij heeft ten onrechte geen rekening gehouden met gelden die Havenbeheer in mindering op dat bedrag aan [geïntimeerde] heeft betaald.

Grief II: De kantonrechter is ten onrechte voorbij gegaan aan het verweer van Havenbeheer dat er bij betaling van een voorschot aan [geïntimeerde] sprake zou zijn van een restitutierisico.

Grief III: De kantonrechter mocht geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad uitspreken, omdat de uitspraken van 1 oktober 2007 en 19 juni 2012 bewust niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard en daartegen hoger beroep is aangetekend.

3. [geïntimeerde] heeft met de producties die hij bij conclusie van repliek in eerste aanleg in het geding heeft gebracht, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een hypothecaire schuld heeft en een negatief banksaldo. Daarmee is zijn spoedeisend belang bij betaling door Havenbeheer voldoende aannemelijk gemaakt. Niets staat er aan in de weg dat een rechter in kort geding bij wijze van voorlopige voorziening het volledige bedrag toewijst dat in de bodemprocedure is toegekend. Als Havenbeheer reeds bedragen in mindering op haar schuld aan [geïntimeerde] zou hebben betaald, dan had het op haar weg gelegen om dat aan te tonen. Dat is niet gebeurd. De kantonrechter mocht er dus van uitgaan dat op meergenoemd bedrag nog niets was afgelost. Grief I faalt.

4. In kort geding moet het restitutierisico afgewogen worden tegen het belang dat de eisende partij bij betaling heeft en de waarschijnlijkheid dat in de bodemprocedure het gevorderde zal worden toegewezen. Met de kantonrechter meent het hof dat in dit geval die afweging tot toewijzing van de vordering in kort geding moet leiden. Grief II faalt.

5. Grief III moet het lot van de overige grieven delen. De rechter in kort geding beoordeelt zelfstandig of bij wijze van voorlopige voorziening een voorschot (dat gelijk kan zijn aan het volledige bedrag dat in de bodemprocedure is toegewezen) uitvoerbaar bij voorraad kan worden toegekend.

6. Aangezien de grieven niet opgaan en het hof ook ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het vonnis waarvan beroep, dient dat vonnis te worden bevestigd, met veroordeling van Havenbeheer in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 december 2012, A.R.No. 123353, tussen partijen gewezen, waarvan beroep.

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerde in persoon ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-9

G.R.N0. 14832

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

N.V. HAVENBEHEER SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellante,

verder ook te noemen: Havenbeheer,

gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

verder ook te noemen: [geintimeerde],

procederend in persoon,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 1 oktober 2007 (A.R.No. 06-3732), tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde, spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 10 oktober 2007, inhoudende dat Havenbeheer op 10 oktober 2007 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, A.R.No. 06-3732, op 1 oktober 2007 gewezen tussen [geintimeerde] als eiser en Havenbeheer als gedaagde;

– een pleitnota van Havenbeheer van 15 november 2013, waarin Havenbeheer vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep formuleert;

– een pleitnota van antwoord van [geintimeerde] van 4 april 2014;

– een pleitnota van repliek van Havenbeheer van 1 augustus 2014;

– een pleitnota van dupliek van [geintimeerde] van 16 januari 2015.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Havenbeheer daarin kan worden ontvangen.

Beoordeling

1. In deze zaak kan, voor zover hier van belang, van de volgende feiten worden uitgegaan:

[geintimeerde] is op 1 februari 1996 bij Havenbeheer in dienst getreden als chef personeelszaken. Bij brief van 12 juli 2005 berichtte Havenbeheer aan [geintimeerde] dat laatstgenoemde buiten functie werd gesteld wegens dienstweigering. [geintimeerde] kreeg de kans zich tegen het verwijt te verweren, maar bij brief van 18 juli 2005 deelde Havenbeheer aan [geintimeerde] mee dat zijn verweer niet steekhoudend was en dat Havenbeheer een procedure zou opstarten om de dienstbetrekking te beëindigen.

Op 22 juli 2005 verzocht Havenbeheer aan de Ontslagcommissie om haar vergunning te verlenen om de dienstbetrekking met [geintimeerde] te beëindigen, met als reden daarvoor ‘totale absentie van het noodzakelijk vertrouwen in de persoon van betrokkene en zijn kundigheid en bekwaamheid op het gebied van Human Resource Management’.

Bij besluit van 19 augustus 2006 verleende de Ontslagcommissie aan Havenbeheer vergunning tot beëindiging van de dienstbetrekking met eiser met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn.

Bij brief van 27 september 2005 deelde Havenbeheer aan [geintimeerde] mee, dat zij de dienstbetrekking met hem beëindigde per 1 april 2006.

Na dit ontslag bood Havenbeheer aan [geintimeerde] de mogelijkheid om bij haar te solliciteren naar een andere functie. [geintimeerde] deed dat en de sollicitatie werd op 16 mei 2006 door Havenbeheer in behandeling genomen, maar daarna werd [geintimeerde] afgewezen.

Op 28 oktober 2005 maakte [geintimeerde] een vordering in kort geding tegen Havenbeheer aanhangig. Daarbij vorderde hij onder meer:

– dat het besluit van 12 juli 2005 om hem buiten functie te stellen zou worden geschorst,

-dat hij de gelegenheid zou krijgen om zijn oude functie van Human Resource Manager weer te gaan uitoefenen en

-dat Havenbeheer zou worden gelast om door te gaan met de betaling van zijn salaris.

Bij uitspraak van 24 augustus 2006, A.R. no. 054309, weigerde de kantonrechter de gevraagde voorzieningen.

Op 25 september 2006 diende [geintimeerde] bij de griffie der kantongerechten een verzoekschrift in, waarin hij, voor zover thans nog van belang, vorderde (zakelijk weergegeven):

Primair:

a) vernietiging althans nietigverklaring van de besluiten van Havenbeheer van 12 juli 2005 en 27 september 2005 en van gedaagde sub b het besluit van 19 augustus 2006;

b) een bevel aan Havenbeheer om [geintimeerde] te rehabiliteren en in de gelegenheid te stellen zijn functie als Human Resource Manager uit te oefenen;

c) uitbetaling van het salaris aan [geintimeerde];

d) uitbetaling van restant daggelden en andere verschuldigde emolumenten en toelagen.

Subsidiair:

e) op grond van kennelijk onredelijk ontslag: schadevergoeding voor materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat, met de wettelijke rente.

De kantonrechter deed uitspraak op 1 oktober 2007. Hij wees het primair gevorderde af en veroordeelde Havenbeheer conform het subsidiair gevorderde tot betaling, wegens kennelijk onredelijke beëindiging van de dienstbetrekking, van een volledige schadevergoeding aan eiser, voor materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en aangevuld met de wettelijke rente van 6% per jaar.

2. In haar pleitnota van 15 november 2013 voert Havenbeheer vier grieven aan tegen het vonnis van de kantonrechter van 1 oktober 2007.

3.1 In grief I voert Havenbeheer kort samengevat aan, dat [geintimeerde] ingevolge het bepaalde in artikel 1615v van het Burgerlijk Wetboek binnen zes maanden nadat het kennelijk onredelijk ontslag aan hem bekend was een vordering tot schadevergoeding had moeten indienen; Havenbeheer heeft bij brief van 27 september 2005 aan [geintimeerde] meegedeeld dat hij zou worden ontslagen en [geintimeerde] heeft pas op 25 september 2006 bij de kantonrechter de vordering ingediend waarbij hij tegen dat ontslag opkwam. [geintimeerde] was dus te laat en en de kantonrechter had hem in zijn vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat [geintimeerde] op 28 oktober 2005 een vordering tegen Havenbeheer aanhangig had gemaakt maakt daarbij volgens Havenbeheer niets uit, want die vordering strekte niet tot het verkrijgen van enig vorm van schadevergoeding.

3.2 Artikel 1615v BW, zoals dat bij wet van 14 februari 1975 opnieuw is vastgesteld, luidt: ‘Ieder vorderingsrecht krachtens de artikelen 1615o, 1615t en 1615u verjaart na verloop van zes maanden’. De vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging van een dienstbetrekking is echter gebaseerd op het bepaalde in 1615s lid 1 BW. Voor die vordering geldt dus niet de korte verjaringstermijn van artikel 1615v BW, maar de verjaringstermijn van twee jaar van artikel 1990 BW. De vordering van [geintimeerde] tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging van de dienstbetrekking is dus tijdig ingesteld. Grief I wordt verworpen.

4.1 In grief II stelt appellante, kort samengevat, dat de reden voor het ontslag duidelijk is, te weten: totale absentie van het noodzakelijk vertrouwen in de persoon van [geintimeerde] en zijn kundigheid en bekwaamheid op het gebied van Human Resource Management. Dat is de reden die Havenbeheer aan de Ontslagcommissie heeft opgegeven en die de Ontslagcommissie als grond voor het verlenen van de ontslagvergunning heeft aanvaard. De kantonrechter overweegt volgens Havenbeheer ten onrechte dat Havenbeheer verschillende redenen voor het beëindigen van de dienstbetrekking heeft opgegeven, wat volgens de kantonrechter uitermate verwarrend en in strijd met goed werkgeverschap zou zijn. De opgegeven reden voor ontslag kan volgens Havenbeheer het ontslag dragen en de kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat dit ontslag kennelijk onredelijk zou zijn.

4.2 Appellante meent terecht, dat ook voor [geintimeerde] duidelijk moest zijn dat de aan de Ontslagcommissie opgegeven reden voor ontslag de basis vormde voor de beëindiging van de dienstbetrekking. Dus moet de vraag beantwoord worden of dit verdwijnen van vertrouwen terecht was en of dit de uiterst ingrijpende maatregel van ontslag rechtvaardigde.

4.3 [geintimeerde] was toen hem ontslag werd aangezegd ruim negen jaar als chef personeelszaken c.q. human resource manager in dienst. Uit de in eerste aanleg overgelegde producties blijkt dat [geintimeerde] jarenlang goed heeft gefunctioneerd. Dit in aanmerking genomen is schorsing en aansluitend ontslagaanzegging na de weigering van [geintimeerde] om een zijns inziens onjuiste opdracht uit te voeren veel te drastisch. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Havenbeheer zich niet voldoende heeft ingespannen om het geschil adequaat op te lossen en het functioneren van eiser te verbeteren en niet heeft onderzocht of eiser wellicht in een andere functie binnen het bedrijf beter tot zijn recht zou komen. De kantonrechter heeft daarom de beëindiging van de dienstbetrekking terecht als kennelijk onredelijk gekwalificeerd. De grief is ongegrond.

5.1 Grief III richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het feit dat [geintimeerde] op 16 mei 2006 bij Havenbeheer heeft gesolliciteerd niet betekende dat [geintimeerde] in zijn ontslag heeft berust en zijn recht om een vordering in te stellen vanwege kennelijk onredelijke beëindiging van de dienstbetrekking heeft verwerkt.

5.2 Het enkele feit dat [geintimeerde] de kans aangreep om weer aan het werk te kunnen gaan bij Havenbeheer bracht niet mee dat Havenbeheer er op mocht vertrouwen dat [geintimeerde] het ontslag niet langer kennelijk onredelijk vond. Evenmin mocht Havenbeheer er redelijkerwijs van uitgaan dat [geintimeerde] ook in het geval dat hij niet zou worden aangenomen, van zijn aanspraken zou afzien. Het oordeel van de kantonrechter in deze is dus juist. De grief faalt.

6.1 Grief IV betreft de aard van de bij kennelijk onredelijk ontslag toe te kennen schadevergoeding. Volgens appellante betreft deze vergoeding slechts compensatie van geleden immateriële schade. De kantonrechter heeft echter ook vergoeding van materiële schade toegekend. Appellante meent dat dit ten onrechte is geschied.

6.2 De schadevergoeding bij kennelijk onredelijke beëindiging van een dienstbetrekking is een bijzondere vorm van schadevergoeding wegens wanprestatie. De werkgever wordt die verschuldigd omdat hij niet als een goed werkgever heeft gehandeld. De rechter heeft een grote mate van vrijheid om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen, maar hij moet daarbij zowel de materiële als de immateriële nadelen voor de werknemer in aanmerking nemen. Dat heeft de kantonrechter in dit geval gedaan. De grief wordt verworpen.

7 Nu de grieven ongegrond zijn en het hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het vonnis waarvan beroep, dient dit vonnis bevestigd te worden. Appellante wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van, 1 oktober 2007, A.R.No 06-3732, tussen partijen gewezen, waarvan beroep,

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerde in persoon ter terechtzitting is verschenen.

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-1999-13

H.M.

GENERALE ROL NO: 14076.

CHRISTOBAL COLON C.POR.A., gevestigd en kantoorhoudende te Isabel La Catolica 158 Santo Domin­go, Dominicaanse Republiek, voor wie als ge­machtig­de op­treedt, Mr.J.Kraag,

advokaat,

appel­lant,

t e g e n

A. [geintimeerde], wonende te [woonplaats], doch voorlopig verblijfhoudende te [district] aan boord van het m.v. [schip] gemeerd aan de Nieuwe Haven aan de van ’t Hogerhuysstraat te Paramaribo,

B. SURINAM COAST TRADERS N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Flocislaan no.4 te Paramaribo, door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat,

gein­ti­meerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 23 november 1993 en 27 juni 1995 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 juni 1996, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat CHRISTOBAL COLON C.POR A. en TROPEX INTERNATIONAL B.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoek­schrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stel­len tegen:

A. [geintimeerde], wonende te [woonplaats], doch voorlopig verblijfhoudende te [district] aan boord van het m.v. [schip] gemeerd aan de Nieuwe Haven aan de van ’t Hogerhuystraat te Paramari­bo,

B. SURINAM COAST TRADERS N.V., rechtspersoon, geves­tigd en kantoorhoudende aan de Flocislaan no.4 te Paramaribo, gedaagden;

2. Eiser sub B heeft aan eiser sub A de opdracht gegeven om voor haar rekening een charterovereenkomst reisbevrachting dat de m.s. (lees kennelijk: m.v.) [schip] gereed gemaakte motorschip te sluiten voor het vervoeren van een lading ruwe suiker in totaal 15.000 zakken vanuit Santo Domin­go naar Paramaribo, op of omstreeks 13 augustus 1990 ten behoeve van N.V.TAD’S TRADING CO. Gedaagde sub A heeft deze vervoersovereen­komst aanvaard en de opdracht uitgevoerd;

3. De verscheping zou plaatsvinden voor de prijs van U.S.$.350.250,–;

4. Bij aankomst in Paramaribo op of omstreeks 21 augustus 1990 c.q. bij de aflevering van voormelde ruwe suiker in de Haven van Paramaribo is gebleken, dat een deel van de vracht in een der laadruimten van de m.s. (lees kennelijk: m.v.) [schip] waterschade heeft opge­lo­pen, met gevolg dat de suiker onbruikbaar is gewor­den, c.q. bevonden;

5. Vermits voor de verscheping van voormelde vracht, de kapitein van het betreffend schip aansprakelijk is, is hij gehouden de schade hiervan te vergoeden;

6. Op kosten van eiser heeft de INDEPENDENT MARITIME BUREAU (SURINAME) N.V. een cargo damage survey report opgemaakt, waarbij is geconstateerd dat de hatch draine hose gelocaliseerd aan de onderzijde achterin van ruim 1 (één) is losgeraakt, met gevolg een lekkage waardoor zoutwater de laadruimte binnendrong, zodat 1624 van de zakken suiker zodanig nat werden, dat zij voor comsup­tie onbruikbaar werden verklaard;

7. Gedaagde sub A is kaptitein van het m.v. [schip] en derhalve volgens de Wet aansprakelijk terzake hande­lingen door het [schip] verricht en in rechte de vertegenwoordiger van de reeder;

8. De schade welke geconstateerd was bedraagt $.42.8­32,25, terwijl de expertisekosten f.1.275,– bedragen;

9. Terzake de vergoeding van voornoemde schade heeft eiser sub B als belanghebbende de SURINAM COAST TRADERS N.V. als eigenaar c.q. vertegenwoordiger bij schrijven van 5 februari 1991 aansprakelijk gesteld voor de schade welke zij geleden heeft, evenwel heeft zij bij terug­schrijven 10 oktober 1990 alsook 18 juni 1991, zich van iedere aansprakelijkheid onthouden, stellende daarbij dat de schade aan het schip het gevolg is van overmacht, hetgeen door eisers worden ontkent, en in een bodemvordering zal worden uitgemaakt;

10. Eisers zijn van oordeel, dat de schade welke zij hebben geleden te wijten is aan grove schuld c.q. nalatigheid van de reeder en of de kapitein van de m.s. [schip] in ieder geval zijn zij van oordeel dat de eigenaar van het schip niet die zorgvuldigheid in acht heeft genomen, waarvan verwacht kon dat de kapitein bij het inspecteren van het schip vóór de inlading deze zeewaardig, kon worden verklaard of had hij in ieder geval een survey daartoe hebben moeten doen plegen, waardoor de zeewaar­digheid van het schip in mate reder­lijkerwijs zou moeten zijn gegarandeerd;

11. Eisers meenden verder dat de reeder c.q. de kapi­tein moet worden verweten een persoonlijk tekort schie­ten in de redelijke zorg om het schip zeewaardig te houden, aangezien in casu geen sprake is van voorval welke in rederlijkerwijs zou kunnen worden afgewend indien de eigenaar c.q. de kapitein de nodige zorgvul­digheid aan de dag had gelegd, dan zou zulks voor hem, naar hij stelt, (het voorval) niet onvoorzien zijn geweest;

12. Gedaagden zijn derhalve aansprakelijk voor de schade welke eisers geleden hebben, welke thans opeis­baar is, alsgevolg van de door hun – gedaagden – ge­pleegde wanprestatie, met hun schuld daaraan;

13. Kortelings hebben eisers vernomen dat het schip de m.s. (lees kennelijk: m.v.) [schip] thans in de haven van Suriname gemeerd ligt, en doende is uit de varen;

14. Eisers hebben na daartoe verlof te hebben bekomen van de Kantonrechter bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie G.O.Niekoop d.d. 30 juli 1991 conser­vatoir beslag doen leggen op voormeld schip, welk beslag inmiddels is opgeheven, op 1 augustus j.l. middels overlegging van een bankgarantie zijdens ge­daagde sub B;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld des de één betalende de andere zal zijn bevrijd om aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van U.S.$.42.832,25 (TWEE EN VEERTIG DUIZEND ACHTHONDERD TWEE EN DERTIG EN 25/100 U.S.DOLLARS), althans tegen de geldende dag­koers in Surinaams courant tegen de dag van voldoe­ning bene­vens het bedrag van f.1.275,– (EENDUIZEND TWEEHONDERD VIJF EN ZEVENTIG GULDEN), Kosten rechtens;

Overwegende, dat SURINAM COAST TRADERS N.V. als ge­daagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – onder overleg­ging van produkties de vordering heeft bestre­den en daarbij heeft gecon­clu­deerd:

dat eisers in hun vordering niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, althans deze hen zal worden ontzegd als onge­grond en onbewezen, wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast be­schouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen bij mondelinge conclusies van re- en dupliek over en weer hebben gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partij­en heeft gelast en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden waana hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen zijdens partijen de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eisers vordering heeft ontzegd;

Eisers heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak be­groot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal CHRISTOBAL COLON C.POR A. in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 27 juni 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 10 juli 1998 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rech­tsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, terwijl advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens advokaat Mr.J.Kraag voor repliekpleidooi en advokaat Mr.H.E.Str­uiken namens advokaat Mr.B.A.

Halfhi­de voor dupliekpleidooi hebben gepersisteerd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 5 maart 1999, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat A.Christobal Colon C.Por A., één van de eisers in eerste aanleg, tijdig in hoger beroep gekomen is van het tussen partijen in eerste aanleg door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 27 juni 1995 (in de zaak bekend onder A.R.N­o.914613) gewezen en uitgesproken vonnis;

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen en uit de inhoud van door hen overgelegde produkties het navol­gende gebleken is:

1. dat als eisers in eerste aanleg opgetreden zijn:

a. A. Chri­stobal Colon C. Por A. en B. Tropex Interna­ti­onal B.V., terwijl als gedaagden de geintimeerden in hoger beroep aan het geding deel­nemen.

2. dat alleen de eiser sub A, Christobal Colon C. Por A., in hoger beroep gekomen is van de eindbeslissing van de eerste rechter d.d. 27 juni 1995, terwijl uit de pleit­nota van 6 november 1998 blijkt dat Tropex Inter­natio­nal B.V., in eerste aanleg de eiser sub B, grieven tegen de beslissing van de eerste rechter aangedragen heeft zonder dat zij geappelleerd heeft;

3. dat de geintimeerden (in eerste aanleg de gedaagden) zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd (als meest verstrekkende verweer) aangegeven hebben waarom de eisers in eerste aanleg het geding ten on­rechte tegen hen aanhangig gemaakt hebben, namelijk omdat de ladingbelanghebbende Tad’s Trading Co was, daar de suiker (de lading van het schip) door Tropex International B.V. aan deze geleverd was door middel van het desbetreffende cognossement, welke ten processe over­gelegd is;

Overwegende, dat het thans dan ook niet terzake doende is om alle feiten van deze zaak hier aan de orde te stellen en daarover een oor­deel te geven, nu voors­hands al blijkt dat de eisers in eerste aanleg op het sub 3 bovengenoemde verweer van de geintimeerden in eerste aanleg noch in hoger beroep inge­gaan zijn en dus onbesproken hebben gelaten, waardoor dat verweer rech­tens tussen partijen is komen vast te staan;

Overwegende, dat de eerste rechter aan de eisers in eerste aanleg de vordering danook niet had moeten ontzeggen, doch hen daarin niet ontvankelijk had moeten verklaren, als zijnde zij geen belanghebbenden daarbij vanwege de overgang van het belang als eerder vermeld;

Overwegende, dat een ander gebrek van het aange­vochten vonnis is de summiere en onvoldoende motive­ring, waardoor het niet duidelijk is geworden, waarom de eerste rechter de vorde­ring als ”gemotiveerd be­twist” aan eisers heeft ontzegd;

Overwegende, dat de partij die het hoger beroep ingesteld heeft (Christobal Colon C.Por A.) geen grie­ven tegen het aangevoch­ten vonnis aangedragen heeft, doch ook al had zij dat gedaan, dan zou zij toch op boven aangege­ven gronden niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering;

Overwegende, dat op de grieven die door Tropex Internati­onal B.V. aangevoerd zijn helaas niet ingegaan kan worden, omdat zij als bovenvermeld niet in hoger beroep van de be­slissing van de Kantonrechter gekomen is; Overwegende, dat het Hof dan ook als na te melden recht zal doen, met veroordeling van de appellante, als de in het onge­lijk gestelde partij, in de gedingkosten in beide instan­ties;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken op 27 juni 1995, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart de appellant niet ontvankelijk in zijn vorde­ring;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in beide instan­ties aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot:

– in eerste aanleg op f.600,–;

– in hoger beroep op f.2.500,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.2.500­,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lante eveneens op f.2.500,–

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.

P.­G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 9 april 1999, in tegen­woor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat, Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde advo­kaat, Mr.J.KRAAG en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.ESSED namems hun gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uit­spraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1999-12

M.R.S.

GENERALE ROL NO.14013.

[appellant], wonende aan [adres 1] te

[district], voor wie als ge­machtigde optreedt advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,

appellant

t e g e n

[geintimeerde], wonende aan [adres 2], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.F.M.S.ISHAAK, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 20 november 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden descente zijn verschenen partij [appellant], vergezeld van zijn gemachtigde advokaat Mr.F.F.P.Truideman en partij [geintimeerde] vergezeld van haar gemachtigde advokaat Mr.F.M.S.Ishaak, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens geintimeerde bepaald, advokaat Mr.Ishaak heeft verklaard:

”Geintimeerde is in staat en bereid het litigieuze pand uiterlijk 15 januari 2000 te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van appellant te stellen”;

Overwegende, dat terzelfde terechtzitting advokaat Mr.L.H.R.Rogers namens Mr.F.F.P.Truideman heeft verklaard:

”Appellant gaat akkoord met deze termijn door geintimeerde gesteld maar vraagt dat een en ander in een vonnis wordt vastgelegd”;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat geintimeerde bij monde van haar advo­kaat, Mr.F.M.S.Ishaak, ter terechtzitting van 5 maart 1999 heeft doen zeggen dat zij in staat en bereid is het bovenge­deelte van de woning [nummer 1], [nummer 2], staande op het per­ceel, dat gelegen is aan [adres 2] te [district], op uiterlijk 15 januari 2000, te ontruimen en te verla­ten en ter vrije en algehele beschikking van appellant te stellen;

Overwegende, dat appellant ter gemelde terechtzitting bij monde van Mr.L.H.R.Rogers, advokaat, alstoen optredend namens Mr.F.F.P.Truideman, advokaat, heeft doen zeggen accoord te gaan met de door geintimeerde voorgestelde termijn;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zo juist overwogene er dan ook van uitgaat dat de overeenkomst van huur en verhuur betreffende voormeld bovengedeelte dan op 15 janua­ri 2000 met wederzijdse toestemming van partijen zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat het Hof dan ook van oordeel is, dat na al het voorgaande bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven niet meer behoeft;

Overwegende, dat het beroepen vonnis op grond van het boven­staande dient te worden vernietigd en dat opnieuw zal worden recht gedaan, als in het dictum te melden, onder alge­hele compensatie der proceskosten in hoger beroep en in dier voege dat iedere partij de hare draagt, achtende het Hof daartoe termen aanwezig;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP :

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 2 juli 1996;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE :

Veroordeelt geintimeerde het bovengedeelte van de woning [nummer 1], [nummer 2], staande op het perceel, dat gelegen is aan [adres 2] te [district], op uiterlijk 15 januari 2000, te ontruimen en te verlaten en, met medeneming van alle aan harentwege zich daarin bevindende personen en goederen, ter vrije en algehele beschikking van appellant te stellen; met machtiging op appellant om, indien geintimeerde weigeren mocht te ontruimen daartoe zelf over te gaan, des­noods met behulp van de Sterke Arm;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten aan de zijde van appellant in prima gevallen en begroot op Sf…….

Compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen op Sf……..elk;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 9 APRIL 1999, in tegenwoor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.F.M.S.ISHAAK, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-11

H.M.

GENERALE ROL NO: 13895.

[appellant], wonende aan [adres 1], [woonplaats],

[land 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

[geintimeerde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.R.M.F.OEMAR, advo­kaat,

geinti­meerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 oktober 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [eiser] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter heeft gewend daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: [appellant], zonder bekende woon- of verblijfplaats in- of buiten Suriname, gedaagde;

2. Eiser legt hierbij over in fotokopie het af­schrift van de akte van verkoop en koop de d.d. 14 januari 1984 welk afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore alhier op 19 januari 1984 in register C 921 onder [nummer 1], met verzoek de inhoud hiervan hier als ingelast en letterlijk herhaald te willen beschouwen, waaruit blijkt dat eiser het half aandeel onverdeeld heeft gekocht in het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de La Parra de dato zeven januari negentienhonderd drieënveertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd eenendertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3];

3. Dat uit het relaas in de overgelegde akte ten aanzien van de eigendomsverkrijging van de verkoopster blijkt, dat tot de andere onverdeelde helft gerechtigd is de [appellant], de gedaagde;

4. Dat eiser niet langer in deze onverdeeldheid wenst te blijven en derhalve verschillende pogingen heeft ondernomen om gedaagde dan wel diens adres te achterha­len, echter zonder resultaat;

5. Dat vonnis van de Kantonrechter, de enige moge­lijkheid biedt om tot scheiding en deling van het onroerend goed in kwestie te kunnen geraken;

6. Eiser heeft recht en belang bij om scheiding en deling van het onroerend goed in kwestie in rechte te vorderen;

7. Aangezien eiser thans als notaris heeft de heer R.RAMAUTAR verzoekt hij de Kantonrechter hem R.RAMAU­TAR, als boedel notaris aan te wijzen, die de akte van boedel­scheiding na uitwerking door hem zal opmaken en verlij­den;

Overwegende dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad:

Gedaagde behalve ten aanzien van de kosten zal worden veroordeeld om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van het erf, met al hetgeen daarop staat, gele­gen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de La Parra de dato zeven januari negentienhonderd drieënveertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd eenendertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming van notaris R.RAMAUTAR, zo partijen niet anders overeenkomen ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden op de door deze of gekozen notaris te bepalen tijd en plaats en met benoeming van een onzij­dig persoon, om gedaagde te vertegenwoordigen bij niet verschijning voor de benoemde of gekozen notaris dan wel verschenen zijnde bij weigering om aan de werkzaam­heden van de scheiding en deling mede te werken en althans met bepaling, dat de kosten van dit geding en van de te benoemen notaris en onzijdig persoon ten laste zullen komen van de te verdelen boedel;

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegen­woordigd door zijn gemachtigde, deurwaarder B.Ghiraw ter terechtzitting is verschenen, terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hem verstek is verleend;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 maart 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om met eiser over te gaan tot scheiding en deling der boedelscheiding t.w. van het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landme­ter J.C.de La Parra de dato zeven januari negen­tienhon­derd drie en veertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd een en dertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming, zo partijen niet binnen een maand na betekening van het vonnis, anders daaromtrent zullen zijn overeengekomen, van R.RAMAUTAR, notaris te Paramaribo, tot notaris ten overstaan van wie de werk­zaamheden van die scheiding en deling zullen plaatsheb­ben op de door de notaris te bepalen plaats en tijd en van Mr.H.Matawlie, advokaat te Paramaribo tot onzijdig persoon om gedaagde bij die scheiding en deling te vertegenwoordigen, zo hij ingebreke blijft op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde weigeren mocht aan de scheiding en deling mede te werken;

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f……..;

Overwegende, dat vervolgens [appellant] zich bij verzoekschrift in verzet tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat opposant in verzet komt tegen het verstek vonnis bekend onder A.R.No. 92/3644, gewezen en uitge­sproken op 15 maart 1993, in het Eerste Kanton met als gedaagde [appellant], thans opposant; en als eiser [geintimeerde], thans geopposeerde, wonende aan [adres 2] te [district], domicilie kiezende aldaar aan de Kromme Elleboog­straat no.7, ten kantore van B.Ghiraw, deurwaarder bij het Hof van Justitie in Suriname;

2. dat opposant, als blijkt uit het vonnis van 15 maart 1993, werd veroordeeld, met uitvoerbaar verkla­ring om met de geopposeerde over te gaan tot scheiding en deling der boedelscheiding t.w.:

”Van het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district], aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de la Parra d.d. 7 januari 1943 aangeduid met de letters ABCD en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d.16 november 1931 bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming van notaris R.RAMAUTAR, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van die scheiding en deling zullen plaatsvinden, zo door partijen niet binnen één maand daaromtrent zal zijn beslist, en Mr.H.Matawlie als onzijdig persoon”.

Het vonnis d.d. 15 maart 1993, A.R.no.92/3644 wordt hierbij in fotokopie overgelegd met verzoek aan de Kantonrechter de inhoud daarvan, alsook de nader over te leggen produkties als letter­lijk herhaald en geinse­reerd te beschouwen (zie prod. no.1);

3. dat uit de hierbij in fotokopie overgelegde akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van Mr.R­ad­jen Anand Soerdjbalie, waarnemende het notariaat van notaris Ramdew Ramautar, het onverdeeld aandeel van opposant van het bij het 2e ”dat” omschreven onroerend goed aan geopposeerde werd verkocht en ingeschreven ten hypotheekkantore op 16 december 1993 in [register deel en nummer 1].

De akte maakt er voorts melding van, dat het litigieuze perceel door drie beëdigde makelaars werd getaxeerd voor een bedrag, groot Sf.479.728,– (VIER­HONDERD NEGEN EN ZEVENTIGDUIZEND ZEVENHONDERD ACHT EN TWINTIG GULDEN) en zou de overbedeling bedragen Sf.139.864,– (HONDERD NEGEN EN DERTIGDUIZEND ACHTHON­DERD VIER EN ZESTIG GULDEN) (zie prod. no.2);

4. dat opposant omtrent voormelde verkoop van zijn eigendom onlangs op informele wijze op de hoogte kwam en het een en ander zich volledig buiten zijn medeweten om heeft voltrokken en is hij ook in hoge mate bena­deeld.

Noch omtrent de verkoop aan geopposeerde door mevrouw [naam 1] gerechtigde tot de helft van het aandeel onverdeeld in het litigieuze onroerend goed, noch omtrent het proces, terzake de scheiding en deling (A.R.92/3644) en de daarop gevolgde verkoop van het aan opposant in eigendom toebehorend aandeel onverdeeld, is hij in kennis gesteld.

Een dagvaarding terzake om ten processe of bij de notaris te verschijnen, heeft hem ook nimmer bereikt.

Opposant legt hierbij over de onderhandse akte d.d. 12 feb­ruari 1980, waaruit blijkt, dat bij mevrouw [naam 1] de wetenschap aanwe­zig was omtrent de kontakt persoon – de Hr.Makdoebaks S., met wie zij tijdens haar vakantie verblijf in Suriname altijd kontakt heeft gehad op zijn huisadres op het litigieuze perceel, terwijl het adres van eiser in Nederland haar ook bekend was (zie prod. no.3);

5. dat geopposeerde wel bewust ten processe heeft doen voorkomen alsof hem omtrent het adres van eiser, dan wel het bestaan van de kontakt persoon – de [naam 2], die woonachtig was op het litigieuze perceel niets bekend is, om zodoende bij verstek het een en ander gerealiseerd te krijgen.

Immers, tijdens de vakantie van opposant in [land 2] in de jaren 1987/198­8, werd hij door geopposeerde benaderd inzake de verkoop van zijn onverdeeld aandeel in het litigieu­ze onroerend goed. Dat was ten huize van de familie [naam 3] aan [adres 4], [district], alwaar geopposeerde toen logeerde en werd in aanwezig­heid van de gemachtigde de [naam 2] uitdrukke­lijk aan geopposeerde voorgehouden, dat opposant niet voornemens is zijn deel in het litigieuze onroerend goed te verko­pen;

6. dat op het litigieuze perceel bekend als Serie A [nummer 2], Wijk B [nummer 3], een oppervlakte beslaat groot (17,5 x 200) is gelijk aan 3500 m², vier (4) gebouwen staan, genummerd 266, 268a, b en c.

De verdeling van het onroerend goed in twee gelijke delen van 1750 m², is namelijk een reële mogelijkheid (zie prod.no.4);

De onzijdige persoon wordt dan ook verweten, de belan­gen van opposant bij de scheiding en deling en de daarop gevolgde verkoop van zijn eigendom niet, althans in onvoldoende mate te hebben behartigd. Temeer waar het hem bekend was, getuige de verstek-veroordeling, dat gekozen is voor het model van de onbekende woon­plaats, wetende dat langs die weg een verstek-vonnis kan worden bekomen. Van enige beïnvloeding bij de scheiding en deling als vertegenwoordiger, ten gunste van opposant, is – gezien het verloop van het e.e.a. niet gebleken.

Evenmin is officieël iets bekend omtrent het geldbe­drag, groot Sf.139.864,– (HONDERD NEGEN EN DERTIGDUI­ZEND ACHTHONDERD VIER EN ZESTIG GULDEN), waarvan mel­ding wordt gemaakt bij de akte d.d. 2 decem­ber 1993. Ten blijke van de benadeling tengevolge van de verkoop van het eigendom van opposant, wordt hierbij overgelegd een fotokopie uit de klapper van de door de notarissen in [land 2] gehanteerde minimum prijzen per m² in Paramaribo. Vanaf [adres 5] tot [adres 6], bedraagt de prijs per m² minimaal Sf.1500,– (DUIZEND VIJFHONDERD GULDEN). De helft van het perceel, groot 1750 m² had minstens moeten opbrengen Sf. (1750 x 1500) = Sf.2.625.000,– (TWEE MILJOEN ZES HONDERD VIJF EN TWINTIG DUIZEND GULDEN) (zie prod.no.­5);

7. dat opposant zich formeel beroept op de nietig­heid, c.q. vernietigbaarheid van de akten d.d. 14 januari 1984 – verleden ten overstaan van notaris Rudolf Srimansing Hira Sing, waarbij mevrouw [naam 1] het onverdeeld aandeel in het litigieuze onroerend goed verkoopt aan de geopposeerde -, alsook de akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van Mr.Radjen Anand Soerdjbalie, kandidaat notaris, waarnemende het kantoor van notaris Ramdew Ramautar, waarbij de andere helft van het onverdeeld aandeel toekomende aan opposant, middels rechterlijke tussen­komst werd verkocht aan de geopposeerde. Immers, de koop/verkoop op 14 januari 1984 en daarop gevolgde levering, c.q. de inschrijving ten hypotheek­kantore op 19 januari 1984, in [register deel en nummer 2] van voormelde akte, is totstand gebracht, terwijl de schei­ding en deling van het litigieuze onroerend goed nog geen feit was. Bij de daarop vol­gende koop/verkoop op 2 december 1993 van de andere helft van het litigieuze onroerend goed, is volstrekt ten onrechte door de geopposeerde ervan uitgegaan, dat hij rechtens reeds de eigenaar is van de ene helft onverdeeld en ook bevoegd zou zijn de scheiding en deling te vorderen;

8. dat opposant zeer uitdrukkelijk stelt, dat naar algemeen aanvaarde rechtsleer het niet mogelijk is een onverdeeld aandeel van een gerechtigde in één of meer onroerende goederen te vervreemden, hetgeen blijkens de akte in casu d.d. 14 januari 1984 wel heeft plaatsgehad en volgt daaruit de nietigheid, c.q. vernietigbaarheid daarvan, alsmede de daarna totstand gekomen akte, ongeacht de wijze waarop de andere helft de rechtmatige eigenaar is ontnomen, buiten zijn medeweten om;

9. dat opposant aanbiedt de kosten van deze procedure te dragen en verzoekt hij de Kantonrechter hem goed opposant te verklaren;

Overwegende, dat opposant op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. nietig zal worden verklaard, c.q. zal worden vernietigd de akte d.d. 14 januari 1984, verleden ten overstaan van notaris Rudolf Srimansing Hira Sing, ingeschreven ten hypotheekkantore op 19 januari 1984 in [register deel en nummer 2];

b. nietig zal worden verklaard, c.q. zal worden vernietigd de akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van de kandidaat notaris Mr.Radjen Anand Soerdjbalie, waarnemende het notariaat van notaris Ramdew Ramautar, ingeschreven op 16 december 1993 in [register deel en nummer 1];

c. zal worden vernietigd het vonnis bij verstek gewezen en uitgesproken op 15 maart 1993 in het Eerste Kanton bekend onder A.R.92/3644, met opposant als gedaagde en geopposeerde als eiser, en opnieuw recht­doende geopposeerde in zijn oorspronkelijke vordering niet te ontvangen, c.q. hem de vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en of onbewezen;

d. opposant alsdan zal worden verklaard, goed oppo­sant. Het een en ander onder aanbieding door opposant van de kosten ten deze;

Overwegende, dat de geopposeerde bij mondelinge conclusie van antwoord heeft verklaard: ”Ik wens een raadsman in de hand te nemen om verder te procederen”;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 13 decem­ber 1994, advokaat Mr.R.M.F.Oemar de Kantonrechter heeft medege­deeld dat hij zich als gemachtigde van geopposeerde in de zaak stelt, waarna hij een schrifte­lijke conclusie van antwoord in oppositie heeft geno­men, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van opposant een schriftelijke conclusie van repliek in oppositie heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 11 april 1995 op de daarin opgenomen gronden;

Opposant kwaad opposant heeft verklaard;

Het verstek vonnis d.d. 15 maart 1992 tussen partijen heeft bekrachtigd;

Opposant heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geopposeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 april 1995 blijkt dat [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eindvonnis van 11 april 1995.

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 9 januari 1997 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak was bepaald op 3 oktober 1997;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de Griffier van het Hof de door het Hof verlang­de stukken ten processe heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies tot uitlating omtrent voormelde stukken hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 februari 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en vol­hardt bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 3 oktober 1997 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de processtukken, één en ander voor zover niet betwist, het volgende vaststaat:

  1. bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 12 oktober 1992, heeft geintimeerde, toen-eiser, kort samengevat, gevorderd dat appellant, toen-gedaagde, zou worden veroordeeld om met hem, geintimeerde, over te gaan tot scheiding en deling van het in bedoeld verzoekschrift nader omschreven erf, met benoeming van R.Ramautar tot notaris en een onzijdig persoon;
  2. het gevorderde is bij verstekvonnis van 15 maart 1993 toegewezen, met benoeming van Mr.H.Matawlie tot onzijdig persoon;
  3. bij akte, verleden ten overstaan van Mr.R.A. Soerd­jbalie, kandidaat-notaris, als plaatsvervanger van notaris R.Ramautar, waarbij hebben gecompareerd geinti­meerde in persoon en Mr.H.Matawlie in zijn hoedanigheid van onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van de appellant, is aan geintimeerde het erf en aan appellant Sf.139.864 (lees: Sf.239.864; zie verklaring van nota­ris Ramautar d.d. 28 november 1994) toebedeeld;
  4. appellant heeft bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Kantongerecht op 22 april 1995, verzet tegen het hierboven onder 2 genoemd verstekvonnis aangetekend;
  5. bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 11 april 1995 is het verstekvonnis ”d.d. 15 maart 1992” bevestigd;

Overwegende, dat appellant heeft aangevoerd dat in het vonnis van 11 april 1995 ten onrechte staat dat [appellant] is overleden en in dat vonnis ten onrechte in het dictum staat vermeld ”vonnis d.d. 15 maart 1992”;

Overwegende, dat beide verwijten terecht zijn en wel omdat, naar tussen partijen vaststaat, niet [appellant] maar [naam 4] is overleden en omdat het verstekvonnis dateert van 15 maart 1993 en niet van 15 maart 1992;

Overwegende, dat, nadat de griffier der Kantonge­rechten, ter uitvoering van ’s Hofs tussenvonnis, het verzoekschrift d.d. 12 oktober 1992 met bijlagen, het in eerste aanleg uitgebrachte exploit van oproeping van appellant met bijlagen en een afschrift van het vonnis d.d. 15 maart 1993 had overgelegd, appellant, naar het Hof begrijpt, zijn grief tegen het beroepen vonnis hiertoe heeft beperkt dat door het ontbreken van het exploit, waarbij het verstekvonnis aan appellant is betekend en het Advertentieblad van de Republiek Suri­name, waarin de betekening van het exploit is opgeno­men, hij, appellant op geen enkele wijze van de schei­ding en deling op de hoogte is gebracht, zodat het vonnis van 11 april 1995 niet in stand kan blijven;

Overwegende, dat in het verzetrekest, kort gezegd, wordt verzocht om (a) nietigverklaring c.q. vernieti­ging van de akte d.d. 14 januari 1994, (b) n­ietigverklaring c.q. vernietiging van de akte d.d.2 december 1993 en (c) vernietiging van het verstekvonnis d.d. 15 maart 1993 en niet-ontvankelijkverklaring van appellant, althans ontzegging van zijn vordering;

Overwegende, dat het verzet ertoe strekt om de oorspronkelijke gedaagde in de gelegenheid te stellen om alsnog verweer te voeren tegen de oorspronkelijke eis;

Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde van die gelegenheid gebruik kan maken om een tegenvordering in te stellen;

Overwegende echter, dat uit niets blijkt dat appellant als oorspronkelijke gedaagde een dergelijke vordering heeft willen instellen, zodat aan de hierbo­ven onder (a) en (b) weergegeven verzoeken verder wordt voorbijgegaan;

Overwegende, dat, ook indien appellant niet op de hoogte is gebracht van de scheiding en deling, dit de gronden waarop het vonnis van 15 maart 1993 is gewezen niet aantast en de grief faalt;

Overwegende, dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, tussen partijen gewezen en op 11 april 1995 uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f………

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f……..

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 5 maart 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advok­aat Mr.R.Baldew namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.­P.­TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.M.F.OEMAR, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1999-10

H.M.

GENERALE ROL NO: 13902.

[appellant], wonende aan [adres] te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.L.KENSMIL, advokaat,

appellant,

t e g e n

1. [geintimeerde 1]

2. [geintimeerde 2]

3. [geintimeerde 3]

4. [geintimeerde 4]

5. [geintimeerde 5]

6. [geintimeerde 6]

7. [geintimeerde 7]

8. [geintimeerde 8], allen wonen­de te [district 1], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,

geintimeerden,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton van 23 novem­ber 1993 tus­sen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 december 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde 1] e.a. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daar­bij stellende:

1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stel­len tegen [appellant], wonende aan [adres] te [district 1], gedaagde;

2. Eisers zijn mede-eigenaren van de plantage [naam 1] in [district 2]. Als zodanig zijn eisers tezamen met de overige mede-eigenaren ten volle gerech­tigd tot het genot en de beschikking van voormel­de plantage. Eisers behoeven dan ook niet te dulden dat derden zonder enig recht of titel zich het genot van voormelde plantage, althans gedeelten daarvan toeëige­nen en gebruik maken van die plantage, althans, gedeel­ten daarvan, zonder enig recht of titel. Eisers behoe­ven evenmin te dulden dat derden zonder enige bevoegd­heid daartoe gedeelten van voormelde plantage occupe­ren, althans doen occuperen en met betrekking tot de grond allerhande activiteiten ontwikkelen of doen ontwikkelen, zoals landbouw en recreatieactiviteiten;

3. Gedaagde heeft, naar eisers onlangs gebleken is, een stuk terrein van de plantage [naam 1] in [district 2] groot ± 400 m², gelegen langs de [plaats], die door de plantage [naam 1] stroomt, onrechtmatig, d.w.z. zonder toestemming van de mede-eigenaren geoccupeerd en daarop een huis, althans opstallen heeft gesticht, althans heeft doen plaatsen;

4. Gedaagde heeft van geen der beschikkingsbevoegde mede-erfgenamen enig recht of titel bekomen om zich te vestigen op de plantage [naam 1], gelegen in [district 2] en hij handelt derhalve dan ook vooreerst in strijd met het (mede)eigendomsrecht van eisers, doch ook op ernstige wijze in strijd met de zorgvuldig­heid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van de eisers en de hen in eigendom toebehoren­de goede­ren;

5. Gedaagde ontzegt eisers, althans de mede-eigenaren van de plantage [naam 1], gelegen in [district 2], het recht zich te begeven op het door hem geoccu­peerde terrein en het gedeelte waarop hij zijn huis heeft gesticht;

6. Eisers zijn doende om en nabij het door gedaagde onrechtmatig geoccupeerde terrein recreatieactiviteiten te ontplooien, in welke activiteiten zij door gedaagde worden belemmerd zolang hij ter plaatse activiteiten ontplooit en hun de toegang tot het terrein ontzegt;

7. Eisers hebben derhalve op grond van het voren­staande recht en belang bij een spoedige ontruiming van gedaagde en verzoeken de Kantonrechter deze zaak op verkorte termijn te doen dagvaarden en te bepalen dat er op verkorte termijn zal worden voortgeprocedeerd;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat eisers zich tot de Kantonrechter wenden met verzoek dat:

a. aan eisers toestemming zal worden verleend gedaag­de op verkorte termijn op te roepen,

b. Gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis of de betekening daarvan, althans binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn, het door hem opgezette huis en/of (andere) opstallen op de plantage [naam 1] in [district 2], althans op een gedeelte van de plantage [naam 1] in [dis­trict 2], t.w. een stuk grond groot ± 400 m², gelegen aan de [plaats], af te breken en weg te voeren, althans te verwijderen en voorts gedaagde zal worden veroordeeld om voormelde plantage, althans voormelde grond, te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschik­king van eisers te stellen, zulks binnen voor­melde termijn, althans binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn, met machtiging op eisers om indien gedaagde met voormelde afbraak, wegvoering en ontrui­ming in gebreke mocht blijven, deze zelf te verrichten of te doen verrichten, desnoods met behulp van de Sterke Arm,

Kostens rechtens; Overwegende, dat [appellant] als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – onder overlegging van een produktie de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd: dat eisers in hun vordering niet-ontvankelijk zullen worden verklaard althans hen deze zal worden ontzegd als te zijn onge­grond en niet bewezen, wordende de inhoud van de over­gelegde produktie hier als inge­last beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produk­ties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eisers hierna een nadere conclusie tot uitlating produkties heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 23 november 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om binnen (1) één maand na betekening van dit vonnis, het door hem opgezette huis en/of (andere) opstallen op de plantage [naam 1] in [district 2], althans op een gedeelte van de plantage [naam 1] in [district 2], te weten een stuk grond groot ± 400 m², gelegen aan de [plaats], af te breken en weg te voeren, althans te verwijderen en voorts gedaagde zal worden veroor­deeld om voormelde plantage, althans voormelde grond, te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschik­king van eisers te stellen;

Eisers hebben gemachtigd om indien gedaagde in gebreke mocht blijven de voor­melde afbraak, weg­voering en ontruiming te verrichten, deze zelf te verrichten of te doen ver­richten, desnoods met behulp van de Sterke Arm,

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.109,50 (EEN HONDERD EN NEGEN 50/100 GUL­DEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 23 november 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 24 december 1996 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appel­lant bij pleidooi en repliek pleidooi produkties over­gelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak was bepaald op 5 december 1997;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant op verzoek van het Hof een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie onder overlegging van produkties heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerden hierna een hier als geinsereerd aan te merken schrif­telijke conclusie tot uitlating produkties heeft geno­men; Overwegende dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 januari 1999, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrech­ter in het Eerste Kanton d.d. 23 november 1993;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg en uit de stellingen van partijen in hoger beroep en de inhoud van door hen overgelegde produk­ties, het navolgende, in zover­re hier van belang, is gebleken;

1. dat de appellant van een deelgerechtigde (erfge­naam) van een deel in de plantage bekend als [naam 1], gelegen in [district 2], [naam 2] heeft gehuurd, gelijk laatstge­noemde aan hem, appellant, heeft ver­huurd, een deel van die plantage, groot 1 ha, ingaande 17 decem­ber 1977, welke overeenkomst [naam 2] ”als beheerder van de boedel behorende aan de familie [naam]” is aangegaan;

2. dat er veel deelgerechtigden tot die plantage zijn, waaronder de geintimeerden en dat de oorspronke­lijke eige­naar van een deel daarvan groot 214,5 ha, waarover dit geding gaat, [naam 2] was;

3. dat de geintimeerden als enkele van de deelgenoten in de boedel [naam 2], de onderhavige ontruimingsvorde­ring tegen de appellant ingesteld hebben;

Overwegende, dat de centrale rechtsvraag, die in het geding aan de orde is, betreft de vraag of één deelgerech­tigde ([naam 2]) bevoegd was de bovenvermel­de huurovereenkomst met de appellant aan te gaan, waarbij die [naam 2] als beheerder opgetreden is;

Overwegende, dat (beheers-) handelingen dienende tot gewoon onder­houd of tot behoud van een gemeen­schappelijke zaak en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten worden verricht en dat overige beheershan­delingen door de deelgenoten tezamen moeten geschieden, waaronder begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van de zaak dienstig kunnen zijn;

Overwegende, dat de verhuurovereenkomst die [naam 2] met de appellant aangegaan is derhalve door alle deelgenoten tezamen aangegaan had moeten zijn, of door hen allen achteraf bekrachtigd had moeten zijn, waarvan gesteld noch gebleken is;

Overwegende, dat een andere rechtsvraag, die partijen verdeeld houdt, is of enkele deelgenoten als de geintimeerden – en dus niet alle deelgenoten tezamen – bevoegd zijn de onder­havige ontruimingsvordering tegen de appellant in te stellen;

Overwegende, dat een deelgenoot niet van de overi­ge deelgenoten afhankelijk is wanneer hij de gemeen­schappelijke zaak uit handen van een derde, die geen recht op die zaak heeft, wenst op te vorderen en is hij dus tot zelfstandig procederen bevoegd ten behoeve van de gemeenschap (boedel) en zijn de geintimeerden dus bevoegd de onderhavige vordering tegen de appellant in te stellen;

Overwegende, dat het vaak voorkomt dat één of enkele van de deelgenoten van o.a. de recreatiegebieden in [district 2] een stuk grond, behorende tot een van de onopgelos­te, veelal samengestelde boedels (mees­tal niet te verdelen vanwege de onbekendheid of onvind­baarheid van vele deelgeno­ten) ver­huurt aan een derde, en dat zolang geen der deelge­noten daar­tegen opkomt, de ”huurder” zijn activiteiten aldaar kan ont­plooien doch – zoals i.c. – als een of meer der deelge­noten tegen die verhuur als beheershandeling (zie boven) bezwaren maakt, en gaat proceduren, dan is het de huurder die de ver­liezende partij is;

Overwegende, dat de grieven die de appel­lant tegen het aangevochten vonnis aangedragen heeft dan ook falen en zal dat vonnis met verbetering van de rechts­gronden – waarvan uit het bovenoverwogene in vergelijking met de rechtsoverwegingen van het eerste vonnis blijkt – worden bevestigd, met veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de geding­kosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder verbetering van de gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewe­zen tussen partijen en uitgesproken op 23 november 1993;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op f.5.000,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.5.00­0,-­

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 23 april 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde advo­kaat Mr.R.L.K­ensmil en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.LIM A PO namens hun gemachtigde advo­kaat Mr.F.Kruis­land zijn bij de uitspraak ter terechtzitting versche­nen.

SRU-HvJ-1999-9

M.R.S.

GENERALE ROL NO: 14030.

[appellante 1], wonende te [district] te [adres 1] te [plaats 1],

[appellante 2], wonende te, [district] te [plaats 2],

[appellante 3], wonende te [district] te aan de [adres 2], te [plaats 3],

[appellante 4], wonende te [district], te [plaats 4],

[appellante 5], wonende te [district], te [plaats 2],

[appellante 6], wonende te [district], te [plaats 4]

[appelante 7] , wonende te [district], te [plaats 3],

[appellante 8], wonende te [district], te [plaats 3],

[appellante 9], wonende te [district], te [plaats 3],

door wie tot hun gemachtigde is gesteld Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

appellanten in Kort Geding,

t e g e n

[geïntimeerde], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres], [plaats] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat, geïntimeerde in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder,

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 21 december 1995 en 28 maart 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 april 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat N.V.VOORUITSTREVEND als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de volgende vordering in kort geding in te stellen tegen:

A. DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3

B. [appellante 1], wonende te [district] te, [plaats 1],

C. [appellante 2], wonende te [district],te [plaats 2],

D. [appellante 3], wonende te [district] aan de [adres 2], [plaats 3],

E. [appellante 4], wonende te [district] te [plaats 4],

F. [appellante 5], wonende te [district] te [plaats 4],

G. [appellante 6], wonende te [district] te [plaats 4],

H. [appellante 7], wonende te [district], te [plaats 4]

I. [appellante 8], wonende te [district] te [plaats 4]

J. [appellante 9], wonende te [district] te [plaats 4] gedaagden;

2. Eiseres is allodiaal eigenaar en erfelijke bezitter van de plantage WELGELEGEN in het distrikt Coronie, vermoedelijk groot driehonderd hektaren, met uitzondering van de daarvan verkochte en geschonken gedeelten en waarvoor bereids rechtsgeldige overdracht is verleend, blijkende het e.e.a. uit de hierbij in fotocopie overgelegde akte van verkoop en koop verleden t.o.v. Mr.R.G.Rodrigues en ingeschreven ten hypotheekkantore in register C deel 1004 onder no.5033. Van het vermelde perceelland heeft de landmeter in Suriname Lcs, J.O.A. Mans op 17 augustus 1994 een kaart vervaardigd.

3. Eiseres is naar aanleiding van de door de landmeter Lcs.J.O.A.Mans vervaardigde kaart, waarvan in het tweede sustenu van dit rekest sprake is tot de ontdekking gekomen, dat gedaagde sub A, hierna met het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen aangeduid, met negering van het allodiale eigendom en het erfelijk bezit van eiseres en in strijd met de wet en de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid jegens eiseres in acht te nemen, aan gedaagden B tot en met J, samen handeldrijvende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen”, een bereidverklaring heeft gegeven bij beschikking d.d. 23 april 1991 no. D.1715, inhoudende dat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bereid is aan gedaagden sub B tot en met J, samen handeldrijvende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen”, het recht van grondhuur te verlenen op een gedeelte, groot + 77 ha, aangeduid met de letters g h n C m, van het perceel ten Domeinkantore bekend als Afdeling I Sectie Coronie no. 52, hiernevens aangegeven door de figuur g h i k l vallende binnen de plantage WELGELEGEN.

4. Gedaagden sub B tot en met J voornoemd hebben op grond van de voorschreven bereidverklarende beschikking agrarische aktiviteiten ontplooid en ontplooien zij nog steeds vermelde aktiviteiten op het aan eiseres in allodiale eigendom en erfelijk bezit toebehorende perceelland als in het tweede sustenu van dit rekest vermeld.

5. Eiseres heeft gedaagden sub B tot en met J bij aangetekende brief van het vorenstaande in kennis gesteld en hen gesommeerd hun aktiviteiten ter plaatse te beeindigen en de plaats te verlaten.

6. Eiseres hoeft niet te dulden dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 23 april 1991 no. D 1715 die jegens eiseres non existent althans nietig danwel vernietigbaar is, een onrechtmatige daad constitueert en continueert en in strijd is met alle beginselen van behoorlijk bestuur en de regelgeving op het gebied van de eigendom en m.b.t. domaniale gronden, in stand blijft althans de onrechtmatige daad laat voortduren.

7. Eiseres heeft er belang bij dat de schade die zij lijdt, als gevolg van de door gedaagden sub B tot en met J voortgezette activiteiten op voorschreven perceelland, wordt beperkt en mitsdien een spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, hetgeen een beslissing in kort geding rechtvaardigt.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

a. zal worden geschorst althans zal worden opgeschort de werking van de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen dd. 23 april 1991 no.D.1715.

b. gedaagden sub B tot en met J zullen worden gelast zich te onthouden van alle handelingen op het ten rekeste vermelde perceelland en de arbeiders en/of personen van hunnentwege te verbieden zich op voormeld perceelland te begeven althans dit te betreden, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van Sf.500.000,– voor elke keer dat zij, gezamenlijk of afzonderlijk, dit verbod overtreden, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding;

Overwegende, dat De STAAT SURINAME, als gedaagde partij sub A in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zoals neergelegd in het Petitum van het Inleidend Rekest, althans aan eiseres de door haar gevorderde voorzieningen zullen worden ontzegd als onbewezen, en voor een behandeling in Kort Geding als veel te uitgebreid en omvangrijk om tot een voorlopige voorziening te geraken. Ook de afwezigheid van het spoedeisend karakter zal moeten leiden tot het niet toewijzen van het door eiseres gevorderde;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen daarbij tevens produkties overgelegd waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 21 december 1995 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ter comparitie zijn verschenen: de directeur van eiseres, dhr. H.H.A.Vriesde, gedaagden sub G en H, dhr. Robby Roy Lagenhorst namens gedaagde sub D ten deze bijgestaan door de gemachtigden, die hebben verklaard, gelijk in het door de rechter opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van de gedaagden sub B t/m F een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 28 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden heeft beslist:

dat tegen gedaagde sub A geen voorziening is gevorderd;

gedaagden sub B tot en met sub J heeft gelast zich te onthouden van alle handelingen op het gedeelte groot + 77 ha, aangeduid op de kaart van de landmeter, Lcs.J.O.A.MANS, de dato 17 augustus 1994 met de letters g h n C M, van het perceel bekend als Afdeling I Sectie Coronie no. 52, vallende binnen de plantage Welgelegen, en de arbeiders en/of personen van hunnentwege te verbieden zich op voormeld gedeelte te begeven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van Sf.500.000,– per keer voor elke keer dat zij, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, in strijd handelen met dit vonnis;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut heeft verklaard;

gedaagden sub B tot en met sub J heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.4276,– (VIERDUIZEND TWEEHONDERD ZES EN ZEVENTIG GULDEN);

het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal P.MONKAU en anderen in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 28 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 23 augustus 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 16 oktober 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat de appellanten tijdig in hoger beroep gekomen zijn van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kortgeding, d.d. 28 maart 1996;

Overwegende, dat de geintimeerde als eiseres in eerste aanleg het onderhavige geding tegen de Staat Suriname en de appellanten aangespannen heeft op grond dat de Staat Suriname een deel van het aan de geintimeerde in allodiale eigendom en erfelijk bezit toebehorende perceel, gelegen in het distrikt Coronie en bekend als plantage Welgelegen- zoals in de gedingstukken nader aangegeven is- aan de appellanten handelende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen” of N.V. Welgelegen i.o., in grondhuur wenst af te staan – waartoe zij een berechtverklaring ontvangen hebben – en oefenen de appellanten daarop landbouwactiviteiten uit;

Overwegende, dat de geintimeerde in het inleidend rekest onder andere vordert dat de appellanten, die allen in het distrikt Nickerie wonen, zich onthouden van alle handelingen op het ten rekeste vermelde perceelland en de arbeiders en/of personen van hunnentwege verbieden zich op het vermeld perceel te begeven, enz., (zie het petitum);

Overwegende, dat de essentiele rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is is of de appellanten inderdaad hun landbouwactiviteiten en daarmee samenhangende handelingen plegen op een deel van het perceel van de geintimeerde, waarbij het er niet toe doet of zij dat doen in prive, als deelgenoot in de ”Belangengroep Welgelegen” of in de naamloze vennootschap Welgelegen in oprichting (i.o.);

Overwegende, dat de N.V. Welgelegen i.o. bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 23 april 1991 no.D 1715 een bereidverklaring tot uitgifte in grondhuur voor de uitoefening van de rijstbouw ontvangen heeft: het perceelland, vermoedelijk groot 120 ha, aangeduid met het nummer 21, onder voorwaarde dat binnen zes maanden te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking onder andere een door een landmeter in Suriname vervaardigde en door de Staat goedgekeurde uitmetingskaart in viervoud aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen toegezonden wordt;

Overwegende, dat over de ligging van dat perceel in de bereidverklaring niets gezegd wordt en dus ook niet tot welke plantage dat behoort en hebben de appellanten geen uitmetingskaart ten processe overgelegd die ingevolge de bereidverklaring vereist was;

Overwegende, dat daarentegenover de geintimeerde eigendomsbescheiden en een uitmetingskaart (en dus geen figuratieve kaart zoals de appellanten beweren) van de landmeter J.O.A.Mans d.d. 17 augustus 1994 ten processe overgelegd heeft waaruit blijkt dat de bovengenoemde bereidverklaring aan de appellanten een deel van haar perceel bestrijkt en wel groot plusminus 77 ha, op de kaart aangeduid met de letters ghnCm;

Overwegende, dat ook al zouden er gebreken kleven aan de bovengenoemde kaart van de landmeter J.O.A.Mans in verband met eventuele kustafslag of kustaanwas van land in het distrikt Coronie dit een voorlopige beslissing niet in de weg staat als door de eerste rechter gegeven is, omdat in kort geding het om het aannemelijk maken van de eigen stellingen gaat en daarin is de geintimeerde, zoals uit het bovenoverwogenene blijkt, geslaagd;

Overwegende, dat de aangevoerde grieven tegen de beslissing van de eerste rechter dan ook falen en zal dat vonnis worden bevestigd, met veroordeling van de appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 28 maart 1996, waarvan beroep;

Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f………….;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY,

fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 MEI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.Matawlie namens hun gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.Lowe namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting

SRU-HvJ-1999-8

H.M.

GENERALE ROL NO.13893

[appellante], rechtspersoon, gevestigd te [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.M.I.VOS, advokaat,

appellante in Kort Geding

in conventie,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt,

Mr.H.R.SCHU­RMAN, advo­kaat,

geïntimeerde in Kort Geding

in conventie,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 juni 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voor­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de gemachtigde van appellant een hier als gein­sereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen;

Overwegende, dat zijdens partij [geïntimeerde] hierna een – eveneens hier als geinsereerd aan te merken – schrif­telijke conclusie tot uitlating produktie is genomen;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen [naam 1], gehuwd [naam 2], directrice van de N.V. [appellante] en de heer [naam 3], President-Commissaris van de N.V. [appellante], die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal – staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens – hier als geinsereerd aan te merken – schrif­telijke conclu­sies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 22 januari 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie:

Overwegende, dat het Hof overneemt en volhardt bij zijn tussenvonnis van 19 juni 1998;

Overwegende, dat het Hof bij dit tussenvonnis onder meer aan zijn griffier heeft opgedragen te be­werkstelligen dat het procesverbaal van de in eerste aanleg op 13 oktober 1994 gehouden comparitie van partijen bij de voorliggende stukken wordt gevoegd;

Overwegende, dat blijkens mededeling van de grif­fier de griffie der Kantongerechten buiten staat is het betreffende proces-verbaal te produceren;

Overwegende, dat op de door het Hof bevolen compa­ritie van partijen namens de appellante zijn verschenen haar direc­trice, te weten [naam 1], gehuwd [naam 2] en haar President-Commissaris, te weten [naam 3];

Overwegende, dat geintimeerde, onder aanvoering dat zij vanwege een administratieve fout zijdens haar procesgemachtig­de niet op de comparitie is verschenen, heeft verzocht dat het Hof wederom een comparitie van partijen zal gelasten;

Overwegende, dat niets is gesteld omtrent de aard en de oorzaak van de beweerde fout en het Hof, gelet op het spoedei­send karakter van de onderhavige procedure, de opgegeven reden onvoldoende acht om het verzoek toe te wijzen;

Overwegende, dat het verzoek zal worden geweigerd;Overwegende, dat als door appellante gesteld en door geintimeerde niet gemotiveerd betwist en deels gestaafd door de overgelegde, niet betwiste, transport­akte d.d. 28 mei 1993 vaststaat dat appellante op 28 mei 1993 van [naam 4], handelende als gevolmachtigde van [naam 5] en [naam 6], heeft gekocht en door over­schrijving van voormelde akte in de daarvoor bestemde regis­ters op 1 juni 1993 in eigendom heeft verkregen het erf met daarop staande gebouwen aan [adres 1] te [district];

Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen, een en ander voor zover niet betwist en gestaafd door de inhoud van door appellante overgelegde brief d.d. 27 mei 1993, voldoende is bewezen dat gein­timeerde de woning aan [adres 2] (in het inleidend verzoekschrift staat kennelijk abusievelijk [adres 1]) voor de duur van drie maanden en eindi­gende op 31 juli 1993 heeft gehuurd van de rechtsvoorgangers van appellante;

Overwegende, dat geintimeerde haar, door appellan­te betwiste, stelling dat zij de woning voor onbepaalde tijd heeft gehuurd niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat aan deze stelling verder voorbij wordt gegaan;

Overwegende, dat appellante vanaf de dag van de eigen­domsverkrijging, te weten 1 juni 1993, als eige­naar van het door geintimeerde gehuurde pand heeft te gelden;

Overwegende, dat geintimeerde blijkens eerderge­noemde brief van 23 mei 1993 zich op die datum tegen­over de rechts­voorgangers van appellante heeft verbon­den de woning uiterlijk op 1 augustus 1993 te ontrui­men;

Overwegende, dat geintimeerde heeft aangevoerd, naar het Hof begrijpt, dat zij zich tot de ontruiming uiterlijk op 1 augustus 1993 heeft verbonden onder voorwaarde dat zij over een andere woning beschikte;

Overwegende, dat geintimeerde deze, door appellan­te betwiste stelling evenmin aannemelijk heeft gemaakt en daaraan eveneens verder wordt voorbijgegaan;

Overwegende, dat geintimeerde zich heeft beroepen op een vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 maart 1963, volgens welke aan de huurder het recht toekomt zich op huurbescherming te beroepen ook al zou bij het sluiten van de huurovereenkomst zijn over­eengekomen dat de huurder de woning op een bepaalde datum zou ontruimen;

Overwegende, dat voormeld beroep niet opgaat, omdat geintimeerde zich niet bij het aangaan van de huurovereenkomst maar tijdens de loop daarvan tot de ontruiming uiterlijk op 1 augustus 1993 heeft ver­plicht;

Overwegende, dat appellante terecht heeft aange­voerd dat het beroep van geintimeerde op huurbescher­ming, gelet op de hierboven vermelde afspraak, in strijd is met de goede trouw;

Overwegende, dat de huurovereenkomst derhalve is geëin­digd op 31 juli 1993 en geintimeerde sindsdien zonder recht of titel in de woning verblijft;

Overwegende, dat appellante zich gegriefd gevoeld door de overweging van de Kantonrechter dat zij, appel­lante, haar vordering de grond had ingeboord doordat bij de in eerste aanleg gehouden comparitie namens haar was verklaard dat geintimeerde de huurpenningen ad f.300 per maand nog steeds betaalt en door haar, appel­lante, ook werd ontvangen;

Overwegende, dat bij de in hoger beroep gehouden inlich­tingencomparitie namens appellante is toegelicht op welke huurbetaling de mededeling in eerste aanleg betrekking had;

Overwegende, dat het Hof op het zonder gebleken veront­schuldigende reden wegblijven van geintimeerde van de inlich­tingencomparitie het vermoeden grond dat die toelichting waar is;

Overwegende, dat mitsdien vaststaat dat geinti­meerde in de periode tussen 28 mei- en 31 juli 1993 de huurpenningen over de maand juni 1993 aan appellant heeft betaald;

Overwegende, dat nu appellante sinds 1 juni 1993 als eigenaar geldt van de woning, het aannemen van de huurpennin­gen over de maand juni 1993 niet in strijd is met haar stel­ling dat geintimeerde sinds 31 juli 1993 zich zonder recht of titel in de woning bevindt;

Overwegende, dat appellante zich derhalve terecht ge­griefd voelt door de hierover weergegeven overweging van de Kantonrechter;

Overwegende, dat waar, zoals hierboven is aangeno­men, geintimeerde sinds 31 juli 1993 zonder recht of titel in de woning ver­blijft, de primaire vordering toewijsbaar is;

Overwegende, dat het beroepen vonnis, voor zover in conventie gewezen, behoort te worden vernietigd;

Overwegende, dat geintimeerde als de in het onge­lijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

In conventie:

Weigert het verzoek van geintimeerde tot het opnieuw bevelen van een inlichtingencomparitie;

Vernietigt het vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 20 oktober 1994 uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

In conventie:

Veroordeelt geintimeerde om binnen 1 (EEN) MAAND na de betekening van dit vonnis de woning aan [adres 1] ([adres 2]) te ontruimen en te verla­ten en ter vrije en algehele beschikking van appel­lante te stellen, met medeneming van al de daarin van harentwege zich bevindende personen en goederen;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Machtigt appellante om, indien geintimeerde in gebreke mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen, de ont­ruiming zelf te bewerkstelligen, des­noods met behulp van de Sterke Arm;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten aan de zijde van de appellante gevallen en begroot op f……

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geinti­meerde op f.750,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgespro­ken ter open­bare te­rechtzitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 21 mei 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.R.LIM A PO namens haar gemachtigde, advokaat Mr.M.I.VOS is bij de uit­spraak ter terechtzitting verschenen, terwijl geinti­meerde noch in persoon noch bij gemach­tigde is ver­sche­nen.