SRU-HvJ-2017-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellant sub A],
B. [appellant sub B],
beiden wonende te [district],
appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

A. [geïntimeerde A],
B. [geïntimeerde B],
beiden wonende te [district],
geïntimeerden, hierna gezamenlijk aangeduid als “[geïntimeerden],
gemachtigde: mr. D. Chocolaad, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 1 november 2005 (A.R.No. 02-0028) tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellanten] als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken en handelingen:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] bij schriftelijke verklaring van hun procesgemachtigde op 7 november 2005 hoger beroep hebben ingesteld;
– de pleitnota d.d. 5 februari 2016, met producties;
– de antwoord pleitnota d.d. 1 april 2016, met een productie;
– de repliek pleitnota d.d. 7 oktober 2016, met producties;
– de dupliek pleitnota d.d. 3 februari 2017, met producties;
– de akte tot uitlating producties zijdens [appellanten] d.d. 4 mei 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid
2 [appellanten] zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak.
Het vonnis is bij griffiersbrief van 13 februari 2006 aan partijen toegezonden.
[appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 7 november 2005 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 [geïntimeerden] hebben bij akte krediethypotheek op 23 oktober 1990 verleden ten overstaan van notaris mr. L.D. Hira Sing ten behoeve van de Surinaamse Bank N.V. – hierna aangeduid als “DSB”- hypotheek doen vestigen op onder meer het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 2.26 ha. gelegen te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter C.W. Mecidi de dato 31 oktober 1958 met de letters EFGHIBCD en uitmakende het resterende gedeelte van het perceelland, groot 3.18 ha, instede van 3,26 ha, zoals gemeld op de figuratieve kaart van de landmeter F. Emanuels de dato 13 mei 1947 met de letters AB’C’D, gedeelte van de [plantage], gelegen aan de linkeroever van de Surinamerivier, welk onroerend goed hierna wordt aangeduid als “het perceelland”.

3.2 De akte krediethypotheek is op 21 november 1990 ingeschreven ten hypotheekkantore in register B [nummer 1].

3.3 [geïntimeerden] hebben bij akte van 8 januari 1991 verleden ten overstaan van notaris R.S. Hira Sing een deel van het perceelland, en wel een gedeelte groot 1,7185 ha, gelegen aan [adres 1], aangeduid op de kaart van de landmeter G.R. Liesdek de dato 12 december 1990 met de letters BIKC, hierna aangeduid als “perceel A”, verkocht en geleverd aan [naam 1], [naam 2] en [naam 3], die hierna gezamenlijk worden aangeduid als “[groep]”. Voornoemde akte is op het hypotheekkantoor ingeschreven op 11 januari 1991 in register C [nummer 2].

3.4 DSB heeft wegens een achterstand in de terugbetaling van de hypothecaire lening verstrekt aan [geïntimeerden], aan notaris W.H. Tjon – verder aangeduid als “de notaris”- de opdracht verstrekt tot openbare verkoop van het perceelland, met uitzondering van perceel A. In de aan de openbare verkoop vooraf gegane advertenties is bekend gemaakt dat het perceelland zou worden verkocht, met uitzondering van perceel A.

3.5 Op de dag der openbare verkoop is het perceelland, inclusief perceel A, geveild.
Perceel A is gegund aan Balona N.V.; het resterend gedeelte van het perceelland groot 5467 m² – hierna aangeduid als “perceel B”- is gegund aan [appellanten].

3.6 In de van de openbare verkoop door de notaris opgemaakte akte gedateerd 8 februari 1994 – hierna aangeduid als de veilingakte – is vermeld dat [geïntimeerden] aan DSB hypotheek hebben verleend onder meer op:
4. Het perceel land, met al hetgeen daarop staat, groot twee hektaren en zesentwintig aren, gelegen te [district] aan[adres 2], aangeduid op de kaart van de landmeter C.W. Mecidi de dato eenendertig oktober negentienhonderd achtenvijftig en op die van de landmeter C.R. Liesdek de dato drie augustus negentienhonderd vijfentachtig met de letters EFGHIBCD en uitmakende het resterend gedeelte van het perceel land, groot drie hektare achttien aren in stede van drie hektaren en zesentwintig aren, zoals gemeld op de Figuratieve kaart van de landmeter F. Emanuels de dato dertien mei negentienhonderd zevenenveertig met de letters A B;C;D, gedeelte van de [plantage], gelegen aan de linkeroever van de Surinamerivier, welk perceel blijkens de uitmetingskaarten van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song de dato eenentwintig februari negentienhonderd vierennegentig na goedkeuring van de Directeur van Openbare Werken de dato eenentwintig februari negentienhonderd vierennegentig nummer 316 in twee gedeelten is verdeeld, te weten:
a. het gedeelte, groot zeventienduizend eenhonderd zesennegentig vierkante meter op de uitmetingskaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song de dato eenentwintig februari negentienhonderd vierennegentig aangeduid met de letters BCKJ en
b. het resterend gedeelte, groot vijfduizend vierhonderd zevenenzestig vierkante meter op de uitmetingskaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song de dato eenentwintig februari negentienhonderd vierennegentig aangeduid met de letters DEFGHK. (…)
In de veilingakte is tevens vermeld:
Nu de totale opbrengst van beide wijzen van veiling bekend zijn(…) verklaarde de requirante (…) het gedeelte groot zeventienduizend eenhonderd zesennegentig vierkante meter, aangeduid met de letters BCKJ en het resterend gedeelte groot vijfduizend vierhonderd zevenenzestig vierkante meter, aangeduid met de letters DEFCHK van het sub 4 omschreven onroerend goed, respektievelijk toe te wijzen aan de naamloze vennootschap BALONA N.V., (…) en [appellant sub A] en [appellant sub B] voornoemd.
De veilingakte is ten hypotheekkantore overgeschreven in register C [nummer 3].

3.6 [groep] heeft in een procedure in kort geding gevorderd dat Balona N.V. wordt bevolen c.q. zal worden gelast om alle activiteiten en/of handelingen met betrekking tot perceel A onmiddellijk te staken, alsook dat Balona N.V. zal worden veroordeeld om zich te onthouden van elke handeling die het eigendomsrecht van [groep] kan schaden.
De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 1 december 1994 de gevraagde voorzieningen geweigerd.

3.7 [groep] is vervolgens in hoger beroep gekomen tegen het onder 3.6 genoemd vonnis.
Het Hof van Justitie heeft hierop in hoger beroep bij vonnis de dato 2 juni 1995, G.R.No. 13492, in kort geding onder meer overwogen op pagina 10 e.v.:
9. dat in dit geding partijen twisten over de vraag wie thans de eigenaar of eigenaren van het perceelland is dat de appellanten van de schuldenaren gekocht en geleverd gekregen hebben, welk perceelland de geïntimeerde op de veiling (openbare verkoping) d.d. 8 februari 1994 gekocht heeft en naderhand geleverd gekregen heeft door de overschrijving van de akte proces-verbaal van veiling en toewijzing ten hypotheekkantore op 13 april 1994 in register C [nummer 3] (…)

Overwegende, dat naar Hof’s oordeel aan het voorschrift van openbaarheid eerst dan voldaan is als:
a. het publiek in het algemeen in de gelegenheid gesteld is de veiling bij te wonen en

b. een ieder uit het publiek zonder aanziens des persoons in de gelegenheid gesteld is koper te worden, waaraan i.c. door de schuldeiseres niet voldaan is met betrekking tot het perceel, groot 1.7185 ha, dat door de appellanten verkregen was, omdat dat perceel juist van die openbare verkoping uitgezonderd was en heeft de schuldeiseres danook onbevoegdelijk dat uitgezonderd perceel verkocht en geleverd aan de geïntimeerde;
Overwegende, dat in casu de schuldeiseres (DSB) niet alleen in strijd met het bovenoverwogene gehandeld heeft doch heeft zij het onderwerpelijke hypothecair verbonden onroerend goed (…) achteraf in twee delen doen splitsen (…) en heeft die twee delen aan twee verschillende kopers toegewezen (…) tot welke splitsing zij elke bevoegdheid miste, hebbende zij slechts de bevoegdheid krachtens het hypotheekrecht om het verbonden goed – zoals dat dus aan haar verbonden was – in het openbaar te doen verkopen, etc. (zie artikelen 1207 lid 2 en 1239 BW en beding 7 van de onderhavige hypotheekakte);
Overwegende, dat ten overstaan van notaris W.H. TJON de voormelde openbare verkoping gehouden is op 8 februari 1994, op welke dag ten overstaan van hem als openbaar ambtenaar alle veilinghandelingen verricht zijn blijkende van een en ander uit de daarvan door hem opgemaakte procesverbaalakte met het slot: “dit proces-verbaal opgemaakt en gesloten ter plaatse, ten dage en jare in hoofde gemeld, in tegenwoordigheid van …… als getuigen, die met de requirante, de kopers en mij notaris, dit proces-verbaal onmiddellijk na voorlezing hebben ondertekend – doch dat het niet mogelijk is dat die notaris in die procesverbaalakte feiten relateert die ná 8 februari 1994 plaatsgevonden hebben als de splitsing (verdeling) van het sub 1 bovengenoemde perceel en twee delen op 21 februari 1994 door landmeter R.R. LIEUW KIE SONG en is die akte dan ook niet een authentieke akte als vereist in artikel 670 BW voor de rechtsgeldige overdracht van onroerende zaken, omdat in zo’n authentieke akte (een notariële procesverbaalakte is zo’n akte) slechts feiten kunnen worden gerelateerd die anterieur zijn aan de dag (en het uur) van het opmaken daarvan;
Overwegende, dat de appellanten 5 grieven tegen de beslissing van de eerste rechter aangevoerd hebben en dat uit het boven overwogene blijkt dat de eerste grief (klagende over de openbare verkoop van het perceel van appellanten als derde verkrijgers door de hypotheekhouders, terwijl van die verkoop geen openlijke aankondiging gedaan was en de vijfde grief (klagende over de overweging van de Kantonrechter dat de geïntimeerde het door haar gekochte perceel op een regelmatige wijze heeft verkregen) gegrond zijn omdat:
a. een hypotheekhouder niet bevoegd is een aan hem hypothecair verbonden onroerend goed anders dan na openlijke bekendmaking te verkopen en

b. is hij in het geheel niet bevoegd zo’n onroerend goed (perceel) in delen als aparte, zelfstandige percelen te verkopen;
Overwegende, dat bovendien (c) i.c. zoals boven overwogen is (…) de proces- verbaal akte d.d. 8 februari 1994 door notaris W.H. TJON opgemaakt een feitenrelaas bevat (vermelding van feiten, die die notaris op die dag niet heeft kunnen waarnemen en vastleggen), omdat die naderhand plaatsgegrepen hebben en die die akte ongeschikt maken om een rechtsgeldige eigendomsoverdracht te bewerkstelligen;
Overwegende, dat de feiten a, b en c elk op zich tot consequentie hebben dat de verkoop en de daarop gevolgde levering aan de geïntimeerde van het perceel groot 17196 m2, niet rechtsgeldig geschied is en is zij daarvan dus geen eigenaar geworden, welk perceel hetzelfde is als het perceel, groot 17185 ha,(…) waarvan de appellanten de eigendom verkregen hebben als sub 2 boven vermeld is en welk eigendomsrecht zij nog steeds bezitten;

3.8 Bij akte van 12 april 2001 verleden door mr. Carlo Randjit Jadnanansing, notaris in Suriname, is onder verwijzing naar het vonnis van het Hof d.d. 2 juni 1995, G.R.No. 13492, en het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 7 november 1995, A.R.No. 955828 door voornoemde notaris vastgesteld dat [geïntimeerden] de eigenaren van perceel B zijn gebleven. Deze notariële akte is op 18 mei 2001 ten hypotheekkantore overgeschreven in register C [nummer 4].

De procedure in eerste aanleg
4.1 [geïntimeerden] heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de veilingakte te vernietigen althans nietig te verklaren;
B. voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] eigenaren zijn van perceel B.

4.2 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 1 november 2005 – hierna aangeduid als “het vonnis”- het onder B gevorderde toegewezen. Daartoe is overwogen dat de kantonrechter zich verenigt met het voorlopig oordeel van het Hof in het vonnis van 2 juni 1995 in kort geding gewezen in de zaak van [groep] tegen Balona N.V. in de procedure bekend onder G.R.No. 13492.
De kantonrechter heeft in eerste aanleg het onder A gevorderde afgewezen overwegende dat [geïntimeerden] door de toewijzing van het onder B gevorderde daar geen belang meer bij hebben.

De vordering, de grieven en het verweer
5.1 [appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

5.2 [appellanten] hebben tegen het bestreden vonnis de volgende grieven ingebracht:
Grief 1: de gronden kunnen de beslissing niet dragen en de beslissing voldoet niet aan de wettelijke maatstaven:
a. de kantonrechter heeft geen eigen onderzoek verricht, maar heeft de overweging van het Hof in kort geding, hetgeen dus een voorlopig oordeel betreft, overgenomen zonder dat duidelijk is welke overweging is overgenomen;
b. de kantonrechter heeft niet gemotiveerd waarom zowel de verkoop als de levering van perceel B niet rechtsgeldig is geschied;
c. de kantonrechter heeft niet gemotiveerd waarom [appellanten] geen eigenaar zijn geworden van perceel B;
Grief II: de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat [geïntimeerden] nog steeds de eigenaren zijn van perceel
Grief III: de kantonrechter heeft ten onrechte overwogen het onder B gevorderde toe te wijzen en voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] de eigenaren zijn van perceel B.
Tenslotte is ingebracht dat het vonnis in strijd is met de artikelen 65 en 67 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.), alsook dat het vonnis tegenstrijdig, althans niet begrijpelijk is, aangezien de rechter enerzijds de notariële akte van eigendomsoverdracht in stand laat en anderzijds voor recht verklaart dat [geïntimeerden] de eigenaren zijn van perceel B.

5.3 [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
6.1.1 [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat DSB en Balona N.V. eveneens in beroep zijn gegaan tegen het vonnis, doch dat DSB en Balona N.V niet betrokken zijn bij de behandeling in hoger beroep. Aangevoerd is dat [appellanten] hier op had moeten toezien, c.q. dat de zaak geroyeerd dient te worden nu blijkt dat hen de gelegenheid is ontnomen in de procedure in hoger beroep te participeren.

6.1.2 Het Hof overweegt dat [geïntimeerden] in eerste aanleg de procedure hebben aangelegd tegen diverse gedaagden, waaronder [appellanten], zodat sprake is van objectieve cumulatie: het in één procedure behandelen van rechtsgedingen betreffende hetzelfde onderwerp tegen meerdere gedaagden. Zulks is, mede gezien het proceseconomisch oogpunt, te verkiezen boven het voeren van separate rechtsgedingen. Verder wordt overwogen dat, ook indien DSB en Balona N.V. hoger beroep tegen het vonnis hebben aangetekend, maar niet participeren in onderhavige procedure in hoger beroep, zulks niet betekend dat hen het recht is ontnomen voor een behandeling in twee instanties. Er mag van worden uitgegaan dat, indien zulks niet reeds is geschied, ook het door DSB en Balona N.V. ingesteld hoger beroep in behandeling zal worden genomen.
Zulks regardeert [appellanten] evenwel niet, nu het een tussen DSB en Balona N.V. enerzijds en [geïntimeerden] anderzijds gevoerde procedure betreft.
Het door [geïntimeerden] aangevoerde treft derhalve geen doel.

6.2 Ten aanzien van grief 1:
Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter –weliswaar erg summier- de door hem genomen beslissing heeft gemotiveerd.
De kantonrechter heeft in het vonnis immers overwogen als volgt:
4.1 De kantonrechter verenigt zich met het voorlopig oordeel van het Hof als vermeld in het hiervoor onder 3.2 genoemd vonnis van 2 juni 1995 en de daaraan door het hof ten grondslag gelegde overwegingen. Dat brengt met zich dat ook de kantonrechter tot de conclusie komt dat zowel de verkoop als de levering niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden, waardoor niet alleen de in het Hofvonnis figurerende partij Balona N.V. geen eigenaar is geworden maar evenmin de overige kopers op de veiling, te weten partij [appellanten], naar reeds in het vonnis van de kantonrechter van 17 november 1995 is beslist.

4.2 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen moet worden geconcludeerd dat bij gebreke van een geldige levering, eisers nog steeds als eigenaren dienen te worden aangemerkt van perceel A2.

Uit het hierboven weergegeven citaat blijkt dat de kantonrechter in eerste aanleg het voorlopig oordeel van het Hof verwoord in het vonnis van 2 juni 1995 heeft overgenomen. Naar het oordeel van het Hof kan zulks slechts het geval zijn nadat de kantonrechter een eigen onderzoek heeft verricht. Nu niet gespecificeerd is welke overwegingen zijn overgenomen, gaat het Hof ervan uit dat alle door het Hof in het vonnis van 2 juni 1995 verwoorde overwegingen ten grondslag zijn gelegd aan de in het vonnis gegeven beslissing. Hiertoe behoren ook de overwegingen ter onderbouwing van de conclusie dat zowel de verkoop als de levering van perceel B niet rechtsgeldig is geschied.
Aan grief 1 wordt derhalve voorbij gegaan.

6.3.1 [geïntimeerden] hebben in hun antwoordpleitnota aangevoerd dat [appellanten] geheel voorbij gaan aan het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 17 november 1995, A.R.No. 95-5828, waarin door de kantonrechter is overwogen dat aan de verkrijging door [appellanten] dezelfde gebreken kleven als in de rechtsoverwegingen van het Hofvonnis van 2 juni 1995, G.R.No. 13492 genoemd zijn.

6.3.2 Het Hof constateert dat gesteld noch gebleken is of tegen bedoeld vonnis hoger beroep is aangetekend. Ook indien zulks niet het geval is geweest bekomt dat vonnis geen gezag van gewijsde, aangezien het is gewezen in een procedure in kort geding gevoerd. Het door [appellanten] aangevoerde treft derhalve geen doel.

6.4 De navolgende rechtsvragen dienen naar het oordeel van het Hof in deze beantwoord te worden:
a. moet een perceelland waarop het recht van hypotheek is verleend, door de hypotheeknemer (onder alle omstandigheden) in het openbaar worden verkocht gelijk daarop hypotheek is verleend?
b. kan de veilingakte worden gekwalificeerd als een authentieke akte nu daarin feiten zijn gerelateerd die na de veiling hebben plaatsgevonden?
c. heeft de verkoop van perceel A ten aanzien waarvan vooraf geen publicatie van de openbare verkoop is geweest, mede ten gevolge dat de verkoop van perceel B eveneens nietig dan wel vernietigbaar is?
d. welke waarde moet worden toegekend aan de akte van 12 april 2001 verleden door mr. Carlo Randjit Jadnanansing waarbij is vastgesteld dat [geïntimeerden] de eigenaren zijn van perceel B?
e. is in het vonnis waarvan beroep terecht geconcludeerd dat zowel de verkoop als de levering van perceel B aan [appellanten] niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden zodat [geïntimeerden], bij gebreke van een geldige levering, nog steeds als eigenaren dienen te worden aangemerkt van perceel B?

Het Hof overweegt evenwel dat zij aan de beantwoording van voormelde vragen niet toekomt.
Uitgangspunt van het procesrecht is immers dat degenen die geen (rechtens te respecteren) belang hebben bij de vordering, geen actie toekomt.
Niet in het geding is dat perceel B in het openbaar is verkocht omdat [geïntimeerden] nalatig is gebleven te voldoen aan hun verplichtingen tegenover DSB als hypotheekhouder.
Ook is door [appellanten] verklaard dat de betreffende hypotheek op perceel B is geroyeerd nadat zij, [appellanten], de koopsom voor perceel B hebben betaald aan DSB. [geïntimeerden] heeft dit niet betwist, zodat zulks tussen partijen in rechte vast staat.
Nu door de betaling van de koopsom door [appellanten] de schuld van [geïntimeerden] aan DSB is gedelgd, hebben zij naar het oordeel van het Hof er geen rechtens te respecteren belang bij om de nietigverklaring dan wel de vernietiging van de veilingakte te vorderen en voor recht te doen verklaren dat zij de eigenaren zijn van perceel B. [geïntimeerden] hebben bovendien ook niet gemotiveerd welk belang zij hebben bij de genoemde vordering.
Het vonnis, waarvan beroep, zal derhalve worden vernietigd, waarna, opnieuw recht doende, [geïntimeerden] niet ontvankelijk zal worden verklaard.

6.5 [geïntimeerden] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in eerste aanleg en in hoger beroep in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 1 november 2005 gewezen in de procedure bekend onder A.R.No. 02-0028 en opnieuw recht doende:
Verklaart [geïntimeerden] niet-ontvankelijk in hun vordering;

7.2 Veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding aan de zijde van [appellanten] in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak in totaal begroot op SRD. 315,–;

Aldus gewezen door: mr. I.S. Lachitjaran, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en
mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Leden-plaatsvervanger, en w.g.I.S. Lachitjaran

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 november 2017, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door mr. C.S. Djajadi namens advocaat
mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door
mr. M. Dubois namens mr. D.F. Chocolaad, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-46

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
a [appellant 1]
b [appellant 2] ook wel aangeduid als [stichting] en
c [appellant 3],
appellanten,
gemachtigde mr. Marja I. Vos, advocaat,

tegen
a [geïntimeerde 1] en
b [geïntimeerde 2]
geïntimeerden,
gemachtigde mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter van het eerste kanton uitgesproken vonnis van 18 december 2007 (A.R.No. 053946) tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerden als eisers,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
– pleitnota van 19 april 2013, houdende vijf grieven;
– antwoord pleidooi van 3 mei 2013 met drie producties;
– repliek pleidooi van 18 oktober 2013;
– dupliekpleidooi van 15 november 2013;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 21 maart 2014 en nader bepaald op 18 mei 2018, doch bij vervroeging op heden.

De feiten
1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a. Bij notariële akte van 8 december 1994 heeft [naam 1] (hierna te noemen de oprichter) opgericht [appellant 2], te weten appellante sub b, verder te noemen de Stichting. Volgens artikel 5 lid 1 van de statuten bestaat het bestuur uit tenminste drie en ten hoogste vijf leden, die door de oprichter en na diens overlijden, door zijn echtgenote worden benoemd. In de oprichtingsakte is de heer [naam 2] tot voorzitter benoemd en appellant sub a en de echtgenote van de oprichter tot leden. Na enige tijd is de heer [naam 2] afgetreden als bestuurslid en is genoemde echtgenote (op 15 mei 2000) overleden.
b. Bij testament van 17 september 2002 heeft de oprichter de [stichting] onder de last van een aantal legaten, benoemd tot zijn enig erfgenaam. Verder benoemt de oprichter in deze akte appellant sub a tot voorzitter van [stichting] en vijf personen tot lid van het bestuur. Tot deze vijf personen horen de beide geïntimeerden in deze procedure en de heer [naam 3]. Van de twee anderen is er een overleden en heeft de tweede bedankt voor deze functie. Partijen zijn het er over eens dat de oprichter met genoemde [stichting], de Stichting bedoelde.
c. De oprichter is op 12 mei 2003 overleden. Op 20 juli 2004 heeft appellant sub a zich tot de kantonrechter van het eerste kanton gewend met het verzoek om een vijftal personen, waaronder hij zelf, tot bestuursleden te benoemen van de Stichting. Daarbij geeft hij aan dat hij nog het enig overgebleven bestuurslid is van de Stichting. Tevens voert hij aan dat aanvulling van de bestuursleden niet kan plaatsvinden conform de statuten van de Stichting omdat de oprichter en zijn echtgenote zijn overleden. Van de –hem bekende- inhoud van voormelde notariële akte van 17 september 2002 maakt hij geen melding. Bij beslissing van 3 augustus 2004 wordt door de kantonrechter overeenkomstig het verzoek beslist.

De vordering en de beslissing in eerste aanleg
2. Geïntimeerden hebben in eerste instantie gevorderd -zakelijk weergegeven- om voor recht te verklaren dat met [stichting], door de oprichter de Stichting is bedoeld en dat de Stichting dus de enige algehele erfgenaam is van de oprichter, onder de in het testament gegeven lasten, om voor recht te verklaren dat thans geïntimeerden rechtsgeldig zijn aangewezen als bestuursleden van de Stichting en om thans appellanten te bevelen deze beslissingen te gehengen en gedogen onder verbeurte van een dwangsom.
3. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen, met dien verstande dat hij de dwangsom heeft beperkt tot SRD 1.000,– voor elke keer dat thans appellanten in strijd handelen met het vonnis, met een maximum van SRD 1.000.000,–, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

Ontvankelijkheid van het beroep
4. Appellanten, die tijdig in hoger beroep zijn gekomen, hebben vijf grieven aangevoerd, die in het navolgende zullen worden behandeld. Geïntimeerden hebben verweer gevoerd. Op het verweer wordt zo nodig in het navolgende ingegaan.

De beoordeling
5. Geïntimeerden voeren voor alle weren aan dat appellante sub b – de Stichting – geen opdracht heeft gegeven aan het advocatenkantoor Lim A Po of enig ander persoon om tegen het bestreden vonnis appel aan te tekenen. De Stichting heeft zich daar uitdrukkelijk tegen verweerd. Nu geïntimeerden hebben nagelaten enig stuk over te leggen waaruit de juistheid van hun verweer blijkt, wordt dit verweer als onvoldoende onderbouwd verworpen en is de Stichting ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.
6. In grief 1 klagen appellanten over het feit dat de kantonrechter heeft aangenomen dat met het overlijden van de oprichter en zijn echtgenote de mogelijkheid tot benoemen van bestuursleden is uitgesloten. Deze klacht berust op verkeerde lezing van het bestreden vonnis. De kantonrechter overweegt in de bestreden overweging onder 4.2 dat de in de statuten opgenomen mogelijkheid van benoeming van bestuursleden door het overlijden van de oprichter en zijn echtgenote onmogelijk was geworden. Dat is een vaststaand feit. Dat er uiteraard altijd een mogelijkheid is om de kantonrechter te verzoeken het bestuur aan te vullen staat niet ter discussie. Deze grief is derhalve ongegrond.
7. In grief 2 voeren appellanten aan dat de kantonrechter zonder deugdelijke motivering heeft aangenomen dat de benoeming van bestuursleden van de Stichting bij testament rechtsgeldig is geschied omdat niet in strijd is gehandeld met de wet of statuten. Ook deze grief kan niet slagen. Anders dan appellanten kennelijk aannemen is de benoeming van bestuursleden vormvrij. Het stond de oprichter geheel vrij om in zijn testament bestuursleden in de stichting te benoemen. Hij was immers op dat moment nog in leven en ingevolge artikel 5.1 van de Statuten gerechtigd om het tot 1 bestuurslid gereduceerde bestuur aan te vullen. Anders dan appellanten menen is dat ook niet in strijd met het karakter van een testament. Het komt veelvuldig voor dat in testamenten andersoortige bepalingen zijn opgenomen dan bepalingen omtrent de nalatenschap in de strikte zin van het woord. Dat maakt noch het testament, noch de betreffende bepaling nietig. Dat deze benoeming pas na de dood van de oprichter bekend zou worden en daarmee dus pas na zijn dood van kracht zou worden staat daar evenmin aan in de weg. Een dergelijke – door appellanten kennelijk beoogde – inperking voor de benoeming van de bestuursleden van de Stichting valt niet terug te vinden in de statuten en volgt evenmin uit enige wettelijke bepaling. Evenmin leidt dit tot rechtsonzekerheid, zoals geïntimeerden ook terecht hebben aangevoerd. Zolang de bepaling niet bekend was, was het enig overgebleven bestuurslid bevoegd om te handelen. Pas vanaf het moment dat de inhoud van het testament bekend is geworden aan appellant sub a en aan geïntimeerden heeft deze benoeming zijn feitelijke werking gekregen. Appellant sub a heeft ten onrechte geweigerd deze benoeming te aanvaarden.
8. Gelet op het voorgaande treft grief 3 ook geen doel. Op het moment dat de appellant de kantonrechter verzocht het bestuur aan te vullen bestond het bestuur van de Stichting, door de benoeming door de oprichter van extra bestuursleden, al uit voldoende bestuursleden. Het stond appellant sub a daarom niet vrij om op dat moment de kantonrechter te verzoeken het bestuur aan te vullen met nieuwe bestuursleden. Het bestuur bestond immers uit voldoende leden. Minst genomen had hij – nu hij kennelijk van mening was dat een dergelijke benoeming bij testament niet is toegelaten – de kantonrechter bij zijn verzoek om aanvulling van het bestuur van de testamentaire benoeming op de hoogte moeten stellen en hem zo nodig kunnen vragen of deze benoeming wel rechtsgeldig was. Onder deze omstandigheden heeft de beslissing van de kantonrechter geen rechtsgevolg gehad en staat deze dus – anders dan appellanten aanvoeren- de al daarvoor in werking getreden benoeming van nieuwe bestuursleden door de oprichter niet in de weg.
9. In de vierde grief voeren appellanten ten onrechte aan dat de kantonrechter niet had mogen aannemen dat de Stichting de enige erfgenaam van de oprichter is, ook al erkennen zij dat met de [stichting], de Stichting is benoemd. Daarbij beroepen zij zich op een verklaring van erfrecht van notaris mr. C.A. Calor van 24 september 2003, waarin met zoveel woorden staat dat de [stichting] niet de erfgenaam is van de oprichter. Appellanten gaan er echter aan voorbij dat in deze verklaring van erfrecht ten onrechte wordt aangenomen dat de [stichting] niet bestaat. Inmiddels staat tussen partijen echter vast dat hiermee de Stichting is bedoeld. Daarmee vervalt deze verklaring van erfrecht. De kantonechter is er mitsdien op goede gronden vanuit gegaan dat de Stichting de enig erfgenaam van de oprichter is. Ook deze grief wordt daarom verworpen.
10. Volgens grief 5 tenslotte hebben thans geïntimeerden geen rechtens verdedigbaar belang bij hun vordering, maar ook deze grief is tevergeefs voorgedragen. Zoals uit het voorgaande blijkt zijn ondermeer geïntimeerden door de oprichter rechtsgeldig benoemd tot bestuurslid van de Stichting en weigeren appellanten ten onrechte deze benoeming te aanvaarden. Dan rest voor geïntimeerden slechts de weg naar de rechter. Zij zijn als bestuurders immers verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de Stichting, terwijl appellanten weigeren hen de gelegenheid te geven deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Uiteraard hebben zij daarbij een rechtens te verdedigen belang. Ook deze grief wordt daarom verworpen.
11. Appellanten voeren daarnaast nog aan dat geïntimeerden in Nederland wonen en daarvoor geen toestemming hebben gekregen van het bestuur en dat dus hun bestuurslidmaatschap is geëindigd. Daarbij verwijzen appellanten naar artikel 6 van de statuten, waarin staat dat het bestuurslidmaatschap ondermeer eindigt ‘door verblijf in het buitenland van langer dan 1 jaar zonder toestemming van het bestuur’. Geïntimeerden erkennen in Nederland te wonen, maar voeren aan dat de oprichter dat bij de benoeming wist, omdat zij toen ook al in Nederland woonden. Bovendien zijn zij nooit langer dan een jaar achtereen in Nederland en komen zij ieder jaar terug naar Suriname. Anders dan appellanten menen betekent het enkele feit dat geïntimeerden in Nederland wonen nog niet dat hun bestuurslidmaatschap is geëindigd. Daarvoor is nodig dat vast is komen te staan dat geïntimeerden zonder toestemming van het bestuur langer dan een jaar buiten Suriname hebben verbleven. Daarvoor hebben appellanten geen bewijs aangedragen, ondanks de uitdrukkelijke betwisting door geïntimeerden, zodat aan deze stelling, die eerst zo laat in de procedure is geponeerd, voorbij dient te worden gegaan.
12. Nu alle grieven zijn verworpen dient het bestreden vonnis te worden bevestigd onder aanvulling van gronden en dienen appellanten in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

De beslissing
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van gronden;
Verwijst appellanten in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in aanwezigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigden van appellanten en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-45

G.R.No. 15061

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

[appellant],
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. V.M.S. Nooitmeer, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in Kort Geding van 17 juli 2014 (A.R.No. 13-2275) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 10 september 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
– de memorie van grieven d.d. 02 december 2016, waarin twee grieven zijn aangevoerd.

De beoordeling
1.1. Het perceelland met al hetgeen daarop staat groot 800 m² gelegen aan [adres] ten noorden van de [straat] te [district], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter R.R. Lieuw Kie Song d.d. 10 oktober 1981 met de letters ABCD en op diens verzamelkaart d.d. 15 augustus 1981 met het no. 228, e.e.a. deel uitmakend van het perceelland thans bekend als [adres 2] (hierna het perceel genoemd) behoort in eigendom aan [appellant] toe.

1.2. Blijkens hypothecair uittreksel van 04 maart 2010 heeft [appellant] de eigendom van het perceel verkregen door overschrijving van een afschrift van de verkoop- en koopakte d.d. 03 november 2004 verleden ten overstaan van mr. Derrick Alexander, notaris in Suriname.

1.3. Op het perceel is een eerste krediethypotheek gevestigd ten behoeve van RBTT BANK (SURINAME) N.V. ad USD 33,638.17 waarvoor [appellant] met ingang van 30 november 2004 in gelijke maandelijkse termijnen een bedrag van USD 322. – aan de bank dient af te lossen.

1.4. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] heeft een concubinaatsverhouding bestaan waarbij zij hebben samengewoond aan [adres].

1.5. Bij deurwaardersexploot van 16 februari 2013 met het nummer 367 is aan [geïntimeerde] betekend:
”Een schrijven van mr. J.P.F. Ferdinand, advocaat, d.d. 14 februari 2013, namens de requirant en gericht aan de gerequireerde, betreffende ingebrekestelling en sommatie tot ontruiming en opzegging van elk recht tot gebruik van de woning staande en gelegen aan [adres] te [district],
(…)
de gerequireerde voornoemd;
AANGEMAAND EN GESOMMEERD:
Om UITERLIJK 22 FEBRUARI 2013 de WONING STAANDE EN GELEGEN AAN [adres] te [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alles en allen die zich van de gerequireerde’s wege aldaar bevinden en deze TER VRIJE EN ALGEHELE BESCHIKKING VAN REQUIRANT TE STELLEN
MET AANZEGGING:
Dat bij niet voldoening aan voormelde aanmaning en sommatie, ELKE (EVENTUELE) OVEREENKOMST, c.q. ELK RECHT TERZAKE HET GEBRUIK VAN DE WONING staande en gelegen
aan [adres] te [district] – bij deze wordt OPGEZEGD c.q. ONTZEGD en de gerequireerde voormelde woning dient te ONTRUIMEN en te VERLATEN bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen tegen de gerequireerde getroffen zullen worden, terwijl alle daarbij te maken kosten geheel voor rekening van laatstgenoemde zullen komen;”

2.1. [appellant] heeft in eerste aanleg in kort geding gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om met onmiddellijke ingang het aan hem in eigendom toebehorend pand/woonhuis aan [adres] te ontruimen en hem te machtigen de ontruiming desnoods met behulp van de sterke arm te bewerkstelligen, indien [geïntimeerde] daartoe in gebreke blijft.

2.2. Bij het bestreden eindvonnis van 17 juli 2014 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat hij het gebruiksrecht van [geïntimeerde] op het perceelland heeft opgezegd, waardoor zij zich zonder recht of titel daarop bevindt. Ook heeft [appellant] zijn vordering gegrond op onrechtmatig, onredelijk handelen van [geïntimeerde], hetgeen indruist tegen elk rechtvaardigheidsgevoel. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt dat [appellant] dezelfde feiten en/of omstandigheden als in de zaak bekend onder A.R.No. 10-2888 aan de vordering ten grondslag heeft gelegd. De kantonrechter oordeelt dat aldus niet is gebleken van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen, nu in voormelde zaak met het A.R.No. 10-2888 reeds over dezelfde rechtsvraag is beslist. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat zich nieuwe feiten en/of omstandigheden voordoen, die het wederom beoordelen van de rechtsvraag kunnen rechtvaardigen. Door dezelfde vordering op woordelijk dezelfde gronden opnieuw in te stellen, heeft [appellant] zich naar het oordeel van de kantonrechter schuldig gemaakt aan misbruik van procesrecht. De kantonrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd.

2.3 [appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van de vordering zoals in eerste aanleg ingesteld.

3.1. Uit de aantekening van de griffier op het kort geding vonnis van 14 juli 2014 volgt dat [appellant] in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Het vonnis is bij dienstbrief van 20 augustus 2014 aan [appellant] meegedeeld.
Aangezien hij op 10 september 2014 hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.[appellant] is dan ook in zoverre ontvankelijk in het hoger beroep.

3.2.1. Het hof stelt voorop dat de vordering in kort geding slechts kan worden toegewezen indien eisers ten tijde van de uitspraak in hoger beroep voldoende spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vordering en voldoende aannemelijk is dat die vordering in een bodemprocedure door de rechter zal worden toegewezen. Een vaststelling van feiten kan dan ook slechts summierlijk plaatsvinden en de beslissing is afhankelijk van een afweging van belangen van partijen. De af te wegen belangen zijn met name het belang van [appellant] om reeds thans een voorziening, zoals door hem in eerste aanleg gevraagd, te verkrijgen en anderzijds het belang van [geïntimeerde] om van een ingrijpende maatregel verschoond te blijven totdat in een bodemzaak over de gerechtvaardigdheid ervan is beslist.

3.2.2. Voor zover al moet worden aangenomen dat [appellant] een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van zijn vordering, hetgeen [geïntimeerde] betwist, overweegt het hof als volgt.

3.3.1. [geïntimeerde] heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat partijen verwikkeld zijn in een bodemprocedure onder het A.R.No. 10-2185. In laatstgenoemde bodemzaak hebben partijen ter comparitiezitting afgesproken om door middel van gesprekken met elkaar tot een oplossing te geraken. Gebleken is nu dat naast de voorliggende zaak nog sprake is van twee vorderingen in hetzelfde geschil, en wel onder de A.R.-nummers 10-2185 en 10-2888 mede op grond
van het voorgaande overweegt het Hof dat het niet aannemelijk is dat in de onderhavige zaak sprake is van een voldoende spoedeisend belang.

3.3.2. [appellant] voert aan dat de kantonrechter in de zaak met het A.R.No. 10-2888 heeft geoordeeld dat [appellant] het gebruiksrecht niet aan [geïntimeerde] heeft opgezegd en dat op die grond de gevraagde voorziening is geweigerd. In de voorliggende zaak met het A.R.No. 13-2275 heeft [appellant] het gebruiksrecht aan [geïntimeerde] opgezegd, wat volgens [appellant] een nieuw feit oplevert. In dit verband voert hij als onderbouwing de brief aan van 14 februari 2013, betekend bij deurwaardersexploot van 16 februari 2013 met het nummer 367.Het Hof is van oordeel dat de brief van 14 februari 2013, hiervoor onder 1.5 reeds aangehaald, het recht van gebruik (en bewoning) niet op bij wet bepaalde wijze heeft doen eindigen. [appellant] kan daarom geen rechtsgevolg verbinden aan voormeld schrijven. Ook overigens heeft [appellant] geen feiten en/of omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat het recht van gebruik (en bewoning) is geëindigd. De kantonrechter heeft de vordering tot ontruiming dan ook terecht afgewezen.

3.3.3 De conclusie van [appellant] om [geïntimeerde] met bewijs te belasten wordt gepasseerd. lmmers, de procedure in kort geding leent zich niet voor bewijslevering, wat ook voortvloeit uit hetgeen reeds onder 3.2.1 is overwogen.

3.3.4 Op grond van voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat de grieven waarin [appellant] in zijn algemeenheid heeft gesteld dat de kantonrechter ten onrechte tot afwijzing van het gevorderde is gekomen, falen. Het vonnis wordt bekrachtigd onder aanvulling van de gronden.

3.5. [appellant] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding als na te melden.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh en mr. S.J.S. Bradley, Leden en w.g. S.S.S. Wijnhard
door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. H.A.M. Essed namens
advocaat mr. V.M.S. Nooitmeer, gemachtigde van appellant terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-44

G.R.No.15176

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
1. [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]
3. [verzoeker 3]
5. [verzoeker 4]
6. [verzoeker 5]

7. [verzoeker 6]

8. [verzoeker 7]

8. [verzoeker 8],

allen wonende aan de [adres 1] in het [district 1],
verzoekers,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday,
advocaat,

tegen

a. [verweerder 1]

b. [verweerder 2], echtelieden van elkaar,
zonder bekende woon- en of verblijfplaats in en buiten Suriname,
verweerders,
gemachtigde: mr. K.J. Hok- A- Hin,
advocaat,

Overwegende ten aanzien van de feiten:

Gezien het verzoekschrift met bijbehorende producties, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2017, afkomstig van verzoekers, welk verzoekschrift strekt tot verval van instantie van het aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995, in de zaak van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder
A.R.No. 92-4709;

Gezien het bestreden vonnis d.d. 17 oktober 1995 in de zaak bekend onder A.R.No.92-4709;

Gezien de overige zich in het procesdossier bevindende bescheiden;

Overwegende ten aanzien van het recht:

Verzoekers vorderen om bij vonnis het door verweerders aanhangig gemaakte appel van 30 oktober 1995 in de zaak tussen partijen, bekend onder A.R.No. 92-4709, vervallen te verklaren van instantie.

Verzoekers hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat bij schrijven van de toenmalige advocaat mr. B.A. Halfhide d.d. 30 oktober 1995 er namens [verweerder 1] en [verweerder 2] (verweerders) voornoemd appel werd aangetekend tegen het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis d.d. 17 oktober 1995 bekend onder A.R.No. 92-4709; dat de laatste rechtshandeling in deze dateert van 30 oktober 1995; dat verweerders zijn blijven stilzitten en dat op geen enkele wijze is gebleken dat zij enige actie tot op heden hebben ondernomen om het door hen ingestelde appel te doen behandelen; dat verzoekers recht en belang hebben dat aan voormelde zaak een eind komt en is het redelijk dat thans het verval van instantie zal worden uitgesproken door het Hof van Justitie;

Uit de stukken blijkt dat mr. B.A. Halfhide, toen advocaat van verweerders, bij schrijven d.d. 31 januari 2012 gericht aan de griffier der kantongerechten heeft gevraagd onderhavige zaak, waarvan appel was aangetekend en ook de appelkosten waren voldaan, te doen behandelen c.q. door te sturen naar het Hof van Justitie; voorts dat genoemde advocaat bij brief d.d. 15 januari 2013 zich heeft onttrokken als advocaat van verweerders; dat bij brief van 15 januari 2013 thans de advocaat mr. K.J. Hok-A-Hin zich heeft gesteld als procesgemachtigde van verweerders inzake de behandeling van de zaak in hoger beroep; dat bij exploot van deurwaarder J.E. Febis van 30 maart 2013, no.476 aan [naam] en [verzoeker 1] het hoger beroep is aangezegd;

Gelet op het bepaalde in artikel 211 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient voorafgaand aan het vervallen van instantie partijen ter terechtzitting te zijn opgeroepen en, voor zover verschenen, te worden gehoord; Uit de stukken blijkt niet dat deze oproeping reeds heeft plaatsgevonden, weshalve verzoekers in de gelegenheid worden gesteld alsnog deze oproeping te doen bij deurwaardersexploot en wel op de volgende wijze; dat uit een productie gehecht aan de conclusie van dupliek in conventie repliek in conventie in eerste aanleg d.d. 21 juni 1994 is gebleken dat verweerders vermoedelijk als adres hebben [adres 2] te [district 2]; dat verzoekers derhalve bij deurwaardersexploot de verweerders dienen op te roepen bij voorkeur op hun woonadres als voormeld en, indien mocht blijken dat verweerders niet op genoemd adres woonachtig zijn en hun feitelijk woonadres niet verder bekend mocht zijn, ten kantore van hun procesgemachtigde de advocaat mr. K.J. Hok A Hin op dag en datum als na te melden;

ledere verdere beslissing wordt aangehouden;

Rechtdoende:

En alvorens verder beslissen:

Bepalen dat de zaak zal dienen bij het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018 des voormiddags te half negen uur en dat verweerders zullen worden opgeroepen, op hun vermoedelijke woonadres [adres 2] te [district 2] c.q. ten kantore van de advocaat mr. K.J. Hok A Hin teneinde alsdan te verschijnen op onderhavige verzoekschrift te worden gehoord;

Houden iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. J.J. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. CharanBij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Gho

SRU-HvJ-2018-43

G.R.No. 14777

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
STICHTING [naam], hierna te noemen de Stichting,
gevestigd te Paramaribo,
appellante,
gemachtigde: mr. S. Sheombar, advocaat,
tegen
1.[geïntimeerde 1],
2.[geïntimeerde 2],
3.[geïntimeerde 3],
geïntimeerden,
hierna individueel ook wel aan te duiden respectievelijk als [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3],
allen wonende te [district],

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 26 juli 2012 (A.R.No. 122389) tussen appellanten als eisers in conventie en gedaagden in reconventie en de Stichting als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis in kort geding uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de Stichting op 7 augustus 2012 – tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota van de Stichting van 1 maart 2013;
– de antwoordpleitnota van 3 mei 2013;
– de pleitnota van repliek van 7 juni 2013;
– de pleitnota van dupliek van 4 oktober 2013;
– de uitlating van de Stichting over de bij de pleitnota van dupliek overgelegde producties.

De beoordeling
1. Het gaat in dit geding om het volgende.
1.1 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in 2008 een hypotheek op een stuk perceelland (hierna: het perceel) op [adres] verleend tot zekerheid voor de terugbetaling van een geldlening van de Stichting ten bedrage van € 10.000. Ook andere geldbedragen hebben zij geleend. Over de geleende bedragen is rente verschuldigd. Op de leningen zijn afbetalingen gedaan, (onder andere) op naam van [geïntimeerde 3]. De Stichting heeft aanvankelijk een openbare verkoop op 11 november 2011 aangezegd, zulks op de grond dat geïntimeerden niet aan hun afbetalingsverplichtingen hadden voldaan. Tegen deze aanzegging hebben geïntimeerden een kort geding gevoerd. Nadat was gebleken dat partijen in onderling overleg geen schikking hadden kunnen bereiken, heeft de kantonrechter bij vonnis in kort geding van 5 april 2012 de vorderingen van geïntimeerden afgewezen. Hij heeft daarbij onder meer overwogen dat het bedrag der deelbetalingen weliswaar het bedrag van € 10.000 oversteeg, maar niet duidelijk was op welke leningen was afbetaald. De door geïntimeerden gevorderde stopzetting van de voorgenomen openbare verkoop werd afgewezen omdat de daarvoor vastgestelde datum inmiddels was verstreken.
Enkele maanden later in 2012 werd namens de Stichting opnieuw een openbare verkoop van het perceel aangekondigd, waartegen geïntimeerden wederom een kort geding aanspanden. Ook toen stelde de Stichting zich op het standpunt dat geïntimeerden in gebreke waren gebleven met betaling van het door hen verschuldigde. De kantonrechter in deze procedure heeft in het aangevallen vonnis de door geïntimeerden gevorderde stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop van het perceel op 3 augustus 2012 gelast, en de Stichting verboden het perceel wederom ter openbare verkoop aan te bieden totdat de bodemrechter heeft beslist over de hoogte van de hypothecaire schuld, een en ander op straffe van een dwangsom. Tegen deze beslissingen keren zich de twee grieven van de Stichting in hoger beroep. De kantonrechter heeft in reconventie de vordering van de Stichting tot betaling van de op €56.621,90 berekende achterstand met rente afgewezen. De kantonrechter heeft in dit verband overwogen twijfels te hebben over de vraag, of de aflossingen al dan niet waren gedaan op de hypothecaire lening en daarom het door geïntimeerden gevorderde royement als prematuur afgewezen.

1.2 Geïntimeerden erkennen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hun handtekening hebben geplaatst onder de schuldbekentenis van 28 juli 2008 maar stellen ook dat zij het betreffende bedrag van € 10.000 nooit hebben ontvangen. Het hof gaat aan deze stelling voorbij nu de ondertekening van de akte behoudens tegenbewijs meebrengt dat het geld ook daadwerkelijk is ontvangen. Zij hebben hun stelling niet aannemelijk gemaakt en daarom is geen tegenbewijs geleverd. Het hof verwijst nog naar de kwitantie (productie 1 bij conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie), waaruit voorshands de bevestiging valt af te leiden dat het bedrag van € 10.000 is ontvangen.

1.3 Vervolgens komt de vraag aan de orde, of en in hoeverre de betalingen door geïntimeerden, die naar onvoldoende weersproken is tezamen meer dan € 10.000 bedragen, geacht kunnen worden in mindering te strekken op de hypothecaire lening. Deze vraag is in het kortgedingvonnis aldus beantwoord, dat niet uit te sluiten valt dat de betalingen geheel in mindering hebben gestrekt op de hypothecaire lening, waardoor verhaal op de hypothecaire zekerheid niet meer mogelijk zou zijn. Anderzijds kan ook niet worden vastgesteld dat het tegendeel het geval is. Het hof deelt dit standpunt van de kantonrechter en met name haar oordeel, dat deze onduidelijkheid voor rekening van de Stichting als schuldeiseres van de leningen dient te komen. Het hof voegt hieraan toe dat ook in hoger beroep niet is gebleken, welke bedragen in mindering op welke leningen zijn afbetaald. Daarom kan ook in hoger beroep niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de betalingen niet op de hypothecaire lening in mindering zijn te brengen. Het door de Stichting beoogde dwangmiddel van openbare verkoop mag dus niet worden gehanteerd.

1.4 De kantonrechter heeft de bevoegdheid als kortgedingrechter om het voorwaardelijk verbod van “ geen openbare verkoop zonder beslissing van de bodemrechter” uit te spreken. Daarvan heeft zij naar het oordeel van het hof in dit geval terecht gebruik gemaakt. De Stichting heeft in hoger beroep opnieuw niet de noodzakelijke duidelijkheid gegeven over de vraag op welke leningen is afgelost. Er moet van worden uitgegaan dat de Stichting een bodemprocedure niet heeft aangespannen. Ook die beslissing moet voor haar rekening komen. Daarom is voor het vergaande middel van openbare verkoop van het betreffende perceel geen plaats. Dit wil niet zeggen dat voor de Stichting geen andere wegen open staan om bij een aanwijsbare achterstand in de betalingen na ingebrekestelling haar recht te verkrijgen en haar vorderingen te innen.

1.5 Uit het voorgaande volgt dat de kortgedingrechter gelet op de omstandigheden van deze zaak terecht de stopzetting van de aangekondigde openbare verkoop heeft bevolen en met een juist gebruik van haar bevoegdheden heeft verboden het perceel opnieuw in het openbaar aan te bieden. De eerste grief is dus ongegrond. De tweede grief is eveneens ongegrond, nu de kortgedingrechter de bevoegdheid had, en daarvan een juist gebruik heeft gemaakt, om aan het bevel tot stopzetting een dwangsom te verbinden. De in hoger beroep herhaalde vordering van de Stichting in reconventie tot betaling door geïntimeerden van de achterstand is onvoldoende aannemelijk geworden en zal in verband met het voorgaande worden afgewezen.

1.6 De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

2. De beslissing in hoger beroep

Het hof:
bekrachtigt het vonnis in conventie en in reconventie, waarvan beroep;
veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-42

G.R.No. 14794

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP BOVAM,
gevestigd te District Nickerie,
appellante in conventie en reconventie, nader aangeduid als Bovam,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,
tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district 1],
geïntimeerde in conventie en reconventie, nader aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. S.R. Ramrattansing, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 12 augustus 2008 (A.R.No. 072299) tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en Bovam als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een pleidooi van 19 april 2013, houdende 8 grieven;
– een antwoord pleidooi van 21 juni 2013;
– een repliek pleidooi plus aanvulling eis in reconventie ex artikel 278 BRv met 9 producties en
– een dupliek pleidooi en uitlating betrekking tot aanvulling eis in reconventie van 4 oktober 2013, waarbij [geïntimeerde] zich niet tegen de eiswijziging verzet.

De beoordeling
In conventie en reconventie
1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a) Partijen hebben op 4 augustus 1986 een zogenaamde huurkoopovereenkomst gesloten, waarbij [geïntimeerde] van Bovam heeft gekocht twee percelen grond, genummerd 38 en 40, elk groot 431,34 m2, gelegen aan [adres] in het [district 2] en bekend als het [naam], verder ook de twee percelen te noemen.
b) Artikel 1 van de overeenkomst luidt als volgt: ‘De koopsom voor het bovenomschreven perceel nr 38/40 bedraagt Sf 25.880. Van voormelde koopsom is door de koper op heden aan de verkoper betaald Sf 1.000,–. Het saldobedrag der koopsom, ad Sf 24.880,– zal de koper betalen in 120 opeenvolgende maandelijkse termijnen van tenminste Sf 323,50, elk dezer termijnen te voldoen steeds aan het begin (uiterlijk de 3e) van elke kalendermaand. De eerste termijn op uiterlijk 31-8-1986. De rente bedraagt 9 ½ procent per jaar, over het saldo van de koopsom of het pro-resto daarvan, ingaande heden. De maandelijkse termijnen zijn inclusief rente.’
Ingevolge artikel 11 van de overeenkomst kan de verkoper, als de koper in gebreke blijft drie termijnen te voldoen na behoorlijke ingebrekestelling ‘gerechtigd zijn te zijnen keuze, of de overeenkomst als het door enkel intreden der gemelde omstandigheden als van rechtswege terstond, zonder rechterlijke tussenkomst, als ontbonden te beschouwen, met alle wettelijke gevolgen van dien, waaronder de verplichting van de koper om het voormeld perceelland onmiddellijk ter beschikking te stellen van verkoper evenwel met dien verstande dat de koper alle door hem aangebrachte gebouwen en getimmerten mag afbreken en mede nemen, terwijl de verkoper gerechtigd is om alle nog onbetaalde en niet verschenen termijnen als verschenen en onmiddellijk opeisbaar te beschouwen en deze en al hetgeen de koper krachtens deze overeenkomst verder aan de verkoper verschuldigd mocht zijn, terstond en ineens van de koper te vorderen, vermeerderd met alle kosten, schaden en interesten. Bij ontbinding van de overeenkomst zal de koper aan de verkoper verschuldigd zijn een bedrag gelijk 10 procent van de definitieve koopsom plus de bereids verschenen rente, welke bedragen onmiddellijk opvorderbaar zullen zijn.’
c) [geïntimeerde] heeft zich niet steeds aan de overeengekomen maandelijkse termijn-betalingen gehouden en is ook meermalen meer dan drie maanden ingebreke gebleven. Zij is meermalen aangemaand om de verschuldigde termijnen te voldoen, waarbij ook op voormeld artikel 11 wordt gewezen en op de mogelijkheid van ontbinding buiten rechte van de koopovereenkomst, maar Bovam heeft zich buiten rechte tegenover [geïntimeerde] nimmer op het standpunt gesteld dat de overeenkomst definitief is ontbonden.
d) [geïntimeerde] heeft in totaal Sf 33.221,35 aan Bovam betaald, terwijl het totaal verschuldigde bedrag uit de overeenkomst (restant koopsom plus renten) 120 X Sf 323,50= Sf 38.760,– bedraagt, welk bedrag per 31 augustus 1996 had moeten zijn voldaan.
e) Ter uitvoering van het bestreden vonnis van de kantonrechter heeft Bovam de twee percelen juridisch geleverd aan [geïntimeerde]. De twee percelen zijn nog steeds in haar bezit.

2. [geïntimeerde] heeft in conventie kort gezegd de juridische levering gevorderd van de twee percelen, op straffe van een dwangsom. Bovam op haar beurt heeft in reconventie van de kantonrechter gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van SRD 12.550,– aan gemaakte buitengerechtelijke kosten en een bedrag van US$ 43.286,11 aan valuta- en renteschade en tenslotte om de betreffende percelen kort gezegd te ontruimen.

3. De kantonrechter heeft de vordering in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen, daarbij telkens Bovam veroordelend in de kosten van het geding.

Voorts in conventie:
4. De tijdig in appel gekomen Bovam heeft acht grieven voorgedragen, die in het navolgende achtereenvolgens worden behandeld. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Daarop zal bij de behandeling van de grieven zonodig worden ingegaan.
5. De 1e grief betreft het verwijt dat Bovam ten onrechte is gedagvaard in het eerste kanton, terwijl zij gevestigd is in Nickerie en dus in het derde kanton opgeroepen had moeten worden. Hoewel op zich juist is dat Nickerie in het derde kanton ligt en Bovam daar gevestigd is, blijkens het overgelegde uittreksel van het Handelsregister, heeft zij daar in deze fase van het geding geen belang meer bij, nu zij tijdig is verschenen, zij in haar verweer niet is geschaad en de zaak inmiddels in hoger beroep voor wijzen staat. Om die reden wordt de grief verworpen.
6. In de 2e grief beroept Bovam zich op het nebis in idem beginsel, nu een soortgelijke vordering van [geïntimeerde] tegen Bovam bij vonnis van 9 juni 2005 door de kantonrechter in kort geding gelet op de diepgaandheid van de vordering naar de gewone rechter is verwezen. Wat er verder zij van genoemd beginsel en de geldigheid daarvan, in de uitspraak waarop Bovam zich beroept is geen inhoudelijke beslissing gegeven op de door [geïntimeerde] ingestelde vordering, zodat niets de kantonrechter in de weg stond om op de vordering te beslissen. Deze grief treft daarom geen doel.
7. In de 3e grief beroept Bovam zich op misbruik van procesrecht, omdat [geïntimeerde], nu de zaak bij voormelde beslissing naar de bodemrechter was verwezen desondanks wederom een kort geding aanhangig heeft gemaakt. Het zij Bovam toegegeven dat het niet de bedoeling is van het rechtssysteem om vorderingen telkens te herhalen, maar nu het hier enerzijds slechts gaat om 1 recente eerdere poging om de zaak te laten afdoen in kort geding en het anderzijds een feit van algemene bekendheid is dat bodemprocedures erg lang duren, kan het [geïntimeerde] niet worden euvel geduid dat zij wederom voor de weg van het kort geding heeft gekozen, nu wel vaststaat dat zij groot belang heeft bij de door haar ingestelde vordering. Deze grief wordt daarom verworpen.
8. In de 4e grief beroept Bovam zich op de nietigheid van de dagvaarding, nu deze niet is uitgebracht aan het adres van Bovam noch van een bestuurder van Bovam, doch nu zij door middel van de betekening desondanks tijdig op de hoogte is gesteld van de procedure en zij zich ook in rechte heeft kunnen verweren, is zij niet benadeeld en heeft zij geen belang meer bij het inroepen van de nietigheid. Ook deze grief wordt daarom verworpen.
9. In de 5e grief wordt aangevoerd dat in kort geding niet de levering van onroerend goed kan worden bevolen. Ook deze grief is tevergeefs voorgedragen. Weliswaar is een veroordeling tot levering van onroerend goed verstrekkend en zal daartoe in kort geding niet lichtvaardig worden overgegaan, maar niets weerhoudt de kortgedingrechter, indien hij van oordeel is dat er gronden zijn om een partij te veroordelen tot levering van een onroerend goed, om dat te doen. Een dergelijke handeling kan immers doorgaans, mocht de bodemrechter er anders over denken, worden teruggedraaid en mocht dat niet meer kunnen, dan lost zich dat op in schadevergoeding. De rechtspraktijk heeft er behoefte aan dat dergelijke vorderingen, mits er voldoende spoedeisend belang is, bij voorrang aan de rechter kunnen worden voorgelegd.
10. In de 6e grief voert Bovam aan dat zij de huurkoopovereenkomst door het regelmatig niet-tijdig betalen door [geïntimeerde] ingevolge artikel 11 van de overeenkomst als ontbonden mag beschouwen. Op zich staat dat inderdaad in artikel 11 van de overeenkomst vermeld, maar Bovam heeft [geïntimeerde] nimmer op de hoogte gesteld van het feit dat zij de overeenkomst als ontbonden beschouwde. Om die reden heeft [geïntimeerde] nog in 1995 Sf 15.000,– betaald. Daar komt nog het volgende bij. Artikel 11 is weliswaar wat cryptisch geformuleerd, maar het is wel duidelijk dat dit artikel de verkoper de keuze geeft uit twee mogelijkheden, namelijk allereerst de ontbinding van de overeenkomst, waarna de koper het gekochte moet ontruimen. In een dergelijk geval heeft de verkoper recht op 10% van de koopprijs en de verschenen rente. De verkoper kan ook kiezen voor het direct opeisbaar beschouwen van de restant koopsom en deze, samen met alles wat de koper nog krachtens de overeenkomst verschuldigd is, direct opvorderen, vermeerderd met de kosten, schaden en interesten. Bovam heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] zowel de koopprijs als de geleden schade dient te voldoen. Onder die omstandigheden kan zij niet ook nog de overeenkomst als ontbonden beschouwen. Dat zou dubbelop zijn en dat is in strijd met de overeenkomst. Het beroep op artikel 11 kan Bovam om die reden niet baten. Ook deze grief is daarom ongegrond.
11. In grief 7 wordt betoogd dat [geïntimeerde] geen recht heeft op levering van de twee percelen, nu zij de koopsom inclusief de overeengekomen rente niet volledig heeft voldaan. Op zich is het juist dat [geïntimeerde] niet de volledige koopsom inclusief de overeengekomen rente heeft betaald. In zoverre slaagt de grief. Maar nu Bovam anderzijds de restant koopsom en een volledige schadevergoeding vordert, waarop in de reconventie wordt ingegaan, heeft zij geen recht om daarnaast ook nog aanspraak te maken op de twee percelen. In zoverre faalt de grief.
12. Tenslotte betwist Bovam in grief 8 het spoedeisend belang. Ook die grief faalt. [geïntimeerde] wil meer dan 20 jaar nadat de huurkoopovereenkomst is gesloten ook de eigendom van de twee percelen geleverd krijgen. Dat is een voldoende spoedeisend belang, al is het maar omdat de twee percelen daarna niet meer vervreemd kunnen worden.

Voorts in reconventie:
13. Bovam vordert allereerst buitengerechtelijke kosten, terzake van onnodig door [geïntimeerde] aangespannen procedures. Zoals hiervoor overwogen heeft [geïntimeerde] wel degelijk belang bij toewijzing van haar vordering tot levering van de twee percelen, mede in het licht van de door Bovam zelf gekozen procesopstelling. Onder die omstandigheden heeft Bovam geen recht op de gevorderde buitengerechtelijke kosten, omdat het maken daarvan niet aan [geïntimeerde] valt te verwijten, nog los van het feit dat zij op geen enkel wijze het door haar terzake gevorderde en door [geïntimeerde] betwiste bedrag, door haar begroot op
SRD 12.550,–, aannemelijk heeft gemaakt.

14. Daarnaast vordert Bovam de door haar geleden schade, bestaande uit het feit dat [geïntimeerde] niet de volledige koopsom heeft betaald. Zij kan in haar berekening van rente en valutaschade echter niet worden gevolgd omdat zij ten onrechte het door [geïntimeerde] betaalde bedrag van Sf 15.000,– niet meerekent. Bovam voert aan dat dat bedrag betaald is nadat de overeenkomst reeds was ontbonden, en derhalve onverschuldigd is betaald, maar uit het voorgaande blijkt dat dat niet juist is. De overeenkomst is niet ontbonden en deze betaling geldt dus als voldoening aan de huurkoopovereenkomst. Dat betekent dat het Hof zelf de schade in redelijkheid en billijkheid zal moeten vaststellen. Daarbij houdt het Hof rekening met de volgende omstandigheden: van het totaal per 31 augustus 1996 verschuldigde bedrag van Sf 38.760,– (de koopsom plus de rente), dat zij diende te betalen heeft [geïntimeerde] volgens de eigen stellingen van Bovam Sf 33.221,35 voldaan, zodat op dat moment een restschuld bestond van afgerond Sf 5.539,- -. Omdat [geïntimeerde] haar termijnen regelmatig te laat heeft betaald is zij over dit bedrag nog gedurende een aantal jaren de rente verschuldigd, terwijl zij tevens rente verschuldigd is vanaf 31 augustus 1996 tot de dag van het wijzen van dit vonnis. Voorts houdt het Hof rekening met de waardedaling van de gulden, de verandering in munteenheid en met de inflatie. Dit alles in ogenschouw nemend stelt het Hof de schade van Bovam aan hoofdsom plus rente vast op SRD 5.539,–. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de overeengekomen rente van 9 ½% vanaf de datum van dit vonnis.
15. Tenslotte vordert Bovam kort gezegd de ontruiming van de tweepercelen, en na de niet bestreden eiswijziging, voorts dat de Glisbewaarder wordt gelast de overschrijving van de beide percelen in het openbaar register door te halen. Gelet op het voorgaande zijn deze vorderingen niet toewijsbaar en zullen deze daarom worden afgewezen.
Voorts in conventie en reconventie:
16. Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen partijen als na te melden worden gecompenseerd.

De beslissing
Het hof:
In conventie:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor wat betreft de proceskosten en in zoverre opnieuw rechtdoende:
Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

In reconventie:
Veroordeelt [geïntimeerde] om aan Bovam te betalen SRD 5.539,–, vermeerderd met 9 ½ % rente per jaar vanaf de datum van dit vonnis.
Verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President en mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018 , in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-41

G.R.No. 14801

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen:
a) [geïntimeerde 1], wonende te [district], en
b) BALLROOM ENERGY N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton gewezen en op 15 april 2011 uitgesproken vonnis (in de zaak bekend onder A.R.No. 11-1561) tussen appellante als oorspronkelijk eiseres en geïntimeerden als oorspronkelijk gedaagden,
spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het volgende vonnis bij vervroeging uit. Daarin zal appellante ook wel als Sasur worden aangeduid.

Het procesverloop in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken inhoudende dat appellante op 28 april 2011 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton, op 15 april 2011 in kort geding tegen haar uitgesproken;
– een memorie van grieven zijdens appellante van 4 mei 2011;
– een pleitnota van appellante van 17 mei 2013;
– een antwoordpleidooi van geïntimeerden van 19 juli 2013;
– een repliekpleidooi van appellante van 1 november 2013;
– een dupliekpleidooi van 21 maart 2014.
– de rechtsdag voor de uitspraak was hierna aanvankelijk bepaald op 15 augustus 2014 en vervolgens op 2 maart 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep
Nu partijen bij de uitspraak van de kantonrechter op 15 april 2011 bijgestaan door hun gemachtigden in persoon verschenen waren, is het hoger beroep op 28 april 2015 tijdig ingesteld en kan appellante daarin worden ontvangen.

De beoordeling
De feiten
1 Het Hof gaat uit van de door de kantonrechter in haar vonnis van 15 april 2011 vastgestelde feiten, met dien verstande dat de laatste drie woorden onder 2.6 gelezen moeten worden als “dient te verkrijgen”. Het Hof voegt daar nog de volgende feiten aan toe:
a) de werkwijze van Sasur kwam er blijkens haar eigen brief aan geïntimeerden van 10 december 2010 destijds op neer dat organisatoren van muzikale evenementen vooraf inzage konden verkrijgen in het aan Sasur in beheer toevertrouwde repertoire, voor uitvoering waarvan dan meteen tegen betaling van royalties een licentie verkregen kon worden;
b) anders zou Sasur ertoe moeten overgaan bezoekers te tellen/turven en geluidsopnamen te maken van de gespeelde muziek, gevolgd door de aanmaning om alsnog tegen hogere kosten een licentie te verwerven.

Dreigen inbreuken op de door Sasur beschermde rechten van de zijde van geïntimeerden?
2 Het Hof leidt uit deze uitnodiging van Sasur aan muziekgebruikers af dat partijen het erover eens zijn dat het een organisator van een muziekevenement vrij staat, door Sasur of haar zusterorganisaties niet beschermd eigen of klassiek (bij voorbeeld als de componist al meer dan 50 jaar dood is) repertoire te laten uitvoeren. Die gedachte steunt ook op de wet, bij voorbeeld artikel 38 van de Wet Auteursrecht 1913. Een verbod van muziekevenementen is niet op zijn plaats als er geen dreiging is van onbetaalde en ongeautoriseerde uitvoering van aan Sasur toevertrouwd muziekrepertoire.

3 In eerste aanleg hebben geïntimeerden het verweer gevoerd dat zij bereid waren om met Sasur te onderhandelen over de voor gebruik van werken uit het Sasur toevertrouwde repertoire verschuldigde royalties, maar dat dit natuurlijk niet gold voor uitvoerende musici die hun eigen repertoire vertolkten en geen machtiging aan Sasur of haar contractanten en zusterorganisaties hadden verstrekt , zoals bij voorbeeld een drietal door de kantonrechter met naam en toenaam genoemde bands (Aptijt, Kojeba en Love Messengers).

4 In hoger beroep hebben geïntimeerden volgehouden dat er bij het dansfestijn van 15 april 2011 ook geen door zusterorganisaties van Sasur aan haar toevertrouwd wereldrepertoire ten gehore is gebracht noch dat van individuele auteurs wier rechten zij behartigt. Appellante heeft daartegen niet meer ingebracht dan dat zoiets toch altijd wel gebeurt, maar heeft verzuimd geluidsopnamen daarvan in te brengen of (getuigen)bewijs daarvoor aan te bieden. Nadat geïntimeerden bij antwoordpleidooi nogmaals met klem ontkend hadden dat bij het door geïntimeerden althans één hunner georganiseerde danskampioenschap van 15 april 2011 muziek was uitgevoerd die behoorde tot het door Sasur beschermde repertoire, is appellante er ook niet meer op teruggekomen. Daarmee is ook de dreiging van herhaling weggenomen, terwijl niet betwist is dat geïntimeerden bereid zijn zo nodig te betalen voor het door Sasur beheerde repertoire.

Geen verbod van inbreuk op muziekauteursrechten voor de toekomst
5 Geïntimeerden hebben niet bestreden dat appellante in hoger beroep nog steeds belang heeft bij toewijzing van het oorspronkelijk onder II gevorderde verbod om in de toekomst voorstellingen te houden althans muziek ten gehore te laten brengen die behoort tot het door appellante beheerde repertoire zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste licentie. Zij zullen daarin dus wel ontvankelijk worden verklaard.

6 Geïntimeerden hebben echter wel betwist dat zij het ernaar gemaakt hebben dat een dergelijk algemeen verbod hun voor de onbeperkte toekomst wordt opgelegd. Het Hof is het daarmee eens nu tussen partijen is komen vast te staan dat tijdens het dansfestijn geen enkele inbreuk is gemaakt op de auteursrechten op het door Sasur beheerd muziekrepertoire, dat geïntimeerden willen respecteren.

De overige te nemen beslissingen
7 Appellante heeft echter niet uiteengezet welk (spoedeisend) belang zij nog heeft bij het gevorderde verbod van het dansfestijn van 15 april 2011, hoewel zij wel in toekenning ervan volhardt. Zij zal daarom in de daarop betrekking hebbende vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard bij gebreke van voldoende belang.

8 Iets soortgelijks geldt voor de niet-ontvankelijkverklaring van Sasur in haar vorderingen tegen geïntimeerde sub b), nu ook zij geen aanleiding gegeven heeft tot een verbod.

9 De beslissing van de kantonrechter zal vernietigd worden in zoverre als de afwijzing van het jegens geïntimeerde sub a) gevorderde dient te worden vervangen door een niet – ontvankelijk-verklaring.

10 Voor het overige zal het vonnis worden bevestigd. Appellante zal, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof van Justitie:
1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 15 april 2011 (A.R.No. 11-1561) waarvan beroep voor wat betreft de veroordeling onder 5.2.

en opnieuw rechtdoende in kort geding:
2 Verklaart appellante niet – ontvankelijk in haar oorspronkelijke vorderingen jegens geïntimeerde sub a).

3 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter voor het overige.

4 Veroordeelt appellanten in de kosten van dit kort geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T.S. Sewdien namens mr. H.R. Schurman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van
1. [appellant 1], en
2. [appellant 2], samen handelende onder de naam Oriental Timber NV. i.o.,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
appellanten,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

Inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het eerste kanton op 08 november 2012 in Kort Geding uitgesproken vonnis (A.R.No. 113874) tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiseres,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken:
– een Pleitnota van 6 december 2013 van de tijdig in hoger beroep gekomen appellanten;
– een Antwoord pleidooi van 17 januari 2014;
– een Repliek pleitnota met 1 productie van 21 februari 204;
– een Dupliek pleidooi van 21 maart 2014;

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staat het volgende vast:
a) Thans geïntimeerde is eigenaresse van een drietal percelen grond, gelegen langs de [adres 1] aangeduid op de kaart van de landmeter G.R. Liesdek van 17 augustus 1987 met respectievelijk de letters Uaef, ahde en bgcd. Daarnaast staat er nog een perceel op haar naam, gelegen aan dezelfde weg aangeduid op de (door thans appellanten overgelegde) kaart van Ir. E.S. Devid van 21 december 1978 met AEFD.
b) Thans appellanten huren sinds 01 augustus 2002 een perceel, gelegen aan de [adres 2] van de eigenaar [naam] en hebben daar een bedrijf. Aan de achterkant van het gehuurde ligt een zandpad, die uiteindelijk uitweegt op de [adres 1]. Op dat pad is door appellanten een ijzeren poort opgericht. Appellanten gebruiken dit zandpad om met vrachtauto’s vanaf het gehuurde de [adres 1] te bereiken en andersom. Zij hebben zelf de inrit aangebracht door duikers te plaatsen in de naast de [adres 1] gelegen trens en door ophoging van het pad met scherp zand.

Het geschil in eerste aanleg en de beslissing van de kantonrechter

2. Dit geding spitst zich toe op de vraag of het hiervoor genoemde zandpad, voor het gedeelte dat aan de [adres 1] grenst, over het perceel van geïntimeerde loopt, in welk geval de vrachtauto’s zonder toestemming over haar perceel rijden. Geïntimeerde stelt van wel en vordert om die reden een verbod van appellanten om zich op haar percelen te begeven, zulks op straffe van een dwangsom. Appellanten betwisten dat het zandpad behoort tot het perceel van geïntimeerde. Zij voeren aan dat het hele zandpad tot aan de [adres 1] tot het gehuurde behoort. Dus rijden zij met hun vrachtauto’s niet over het perceel van geïntimeerde. Zij concluderen daarom tot afwijzing van het gevorderde.

3. De kantonrechter is ter plaatse gaan kijken en heeft geconstateerd dat de feitelijke situatie in elk geval op dit moment zo is, dat het genoemde zandpad loopt over zowel het gehuurde als over het perceel van geïntimeerde, dat de metalen poort op de grens van beide percelen staat, terwijl de overgelegde kaarten niet aantonen dat het gehuurde, zoals door appellanten aangevoerd, loopt tot de [adres 1]. Op grond hiervan komt de kantonrechter tot de conclusie dat appellanten -nu geïntimeerde hen dat uitdrukkelijk heeft verboden- het perceel van geïntimeerde onrechtmatig betreden. Hij heeft vervolgens -zakelijk weergegeven- appellanten verboden de percelen van geïntimeerde te betreden op verbeurte van een dwangsom van 10.000 SRD per dag of per keer dat appellanten zich niet aan dit verbod houden, met een maximum van SRD 500.000,–, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

De beoordeling

4. Appellanten hebben geen grieven aangevoerd. Zij voeren allereerst aan dat op grond van de hiervoor bedoelde kaart van ir. E.S. Devid vaststaat dat het gehuurde tot aan de [adres 1] loopt. Zij beroepen zich in hoger beroep ook nog op een door de landmeter R.I. Amelo op 2 december 2012 opgemaakte kaart van hetzelfde perceelsgedeelte, dat door ir. E.S. Devid is beschreven, namelijk genummerd EBCF, dat volgens Amelo zou lopen tot aan genoemde weg. Echter, het Hof zal hieraan voorbijgaan, nu niet is gebleken, dat dit perceelsgedeelte het door appellanten gehuurde perceel is, noch dat het genoemde zandpad over dit perceel loopt. Er zijn op dat punt geen stukken overgelegd. De kantonrechter is hier dan ook op goede gronden aan voorbij gegaan.

5. Om die reden faalt ook het verweer dat zou vaststaan dat appellanten slechts van het gehuurde perceel gebruik maken.

6. Al evenmin kunnen appellanten worden gevolgd in hun verweer dat de zaak zich niet leent voor een Kort Geding. Immers, geïntimeerde stelt dat appellanten haar eigendomsrecht niet eerbiedigen en met vrachtauto’s over haar perceel rijden, daarbij afrasteringen kapotrijdend. Daarmee heeft zij een voldoende spoedeisend belang bij een verbod, zoals gevorderd. Dat appellanten als huurders onvoldoende tijd hebben gehad om zich te verweren is feitelijk onjuist. Allereerst is tussen het aanhangig maken van het geding en de uitspraak van de kantonrechter meer dan een jaar verlopen. Daarnaast is gebleken dat appellanten hun verweer mede baseren op informatie van de verhuurder. Ook deze verweren worden daarom verworpen.

7. Appellanten beroepen zich ook nog op 50 jaar ondubbel bezit van het betreffende perceel en bieden daar bewijs voor aan, maar een onderzoek daarnaar gaat het karakter van het Kort Geding te buiten. Appellanten zullen dit aan de bodemrechter dienen voor te leggen.

8. Alle overigen verweren richten zich tegen niet dragende onderdelen van het bestreden vonnis en zullen daarom buiten beschouwing worden gelaten.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle verweren tegen het bestreden vonnis worden verworpen en dat het vonnis daarom onder aanvulling van gronden dient te worden bevestigd, zulks met veroordeling van appellanten in de kosten van de procedure.

De beslissing

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van gronden.
Verwijst appellanten in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. R.G Chatterpal, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 2 februari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T.S. Sewdien namens advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-39

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[verzoeker],
wonende in [district],
verzoeker,
gemachtigde: I.D. Kanhai Bsc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 22 december 2015 met producties;
– het verweerschrift d.d. 26 januari 2016 met producties;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 29 februari 2016, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 april 2016;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 04 november 2016;
– de conclusie tot wijziging c.q. aanvulling van het rekest;
– de conclusie tot uitlating omtrent aanvulling eis met een productie;
– de conclusie tot uitlating omtrent productie en wijziging c.q. aanvulling van eis.

2. De feiten in de hoofdzaak en in het incident
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 Verzoeker is bij resolutie van 22 juni 2006, Bureau [nummer 1], te rekenen van 01 februari 2006 benoemd in de functie van Juridisch Assistent op de afdeling Juridische Zaken bij de Nationale Assemblee.

2.2 Verzoeker is eveneens bij resolutie van 21 juni 2007, Bureau [nummer 2], te rekenen van 16 juni 2006 overgeplaatst naar het Parket van de Procureur Generaal van het Ministerie van Justitie en Politie en is vanaf die datum aldaar tewerkgesteld.

2.3 Verzoeker is tevens bij resolutie, te rekenen van 07 januari 2008 toegelaten tot de opleiding voor een functie bij de Rechterlijke Macht en ingevolge de missive van de Raad van Ministers van 23 juni 2004 [nummer 3], ingedeeld in de rang van Hoofdambtenaar A 3ᵉ klasse.

2.4 Verzoeker is bij beschikking van de Minister van Binnenlandse zaken d.d. 15 mei 2015 [nummer 4], geschorst ingevolge artikel 66 lid 1 en lid 2b PW. Bij schrijven van de Directeur van het Ministerie van Justitie en Politie d.d. 23 juni 2015 [nummer 5], is verzoeker in de gelegenheid gesteld om zich te verweren, hetgeen verzoeker heeft gedaan bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 13 juli 2015.

2.5 Bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 09 oktober 2015 Bureau [nummer 6], is aan verzoeker ingevolge artikel 61 lid 1 sub j van de Personeelswet, wegens plichtsverzuim ontslag verleend.

2.6 Krachtens Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49) maakt verzoeker aanspraak op een looncorrectie, en wel met terugwerking tot 01 januari 2014.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen
3.1. In de hoofdzaak
Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
a. De beschikking van verweerder, uitgevaardigd door de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 15 mei 2015 [nummer 4], nietig te verklaren, althans te vernietigen, omdat deze in strijd is met de Personeelswet;
b. De beschikking van verweerder, uitgevaardigd door de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 09 oktober 2015 Bureau [nummer 6] nietig te verklaren, althans te vernietigen, omdat deze in strijd is met de Personeelswet en de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur;
c. Verweerder te gelasten om binnen een week na de uitspraak, zowel de beschikking van 15 mei 2015 onder [nummer 4] als die van 09 oktober 2015 onder Bureau [nummer 6], ongedaan te maken;
d. Verweerder te gelasten om binnen een week na de uitspraak, aan verzoeker te voldoen, het salaris en alle daarbij gepaard gaande emolumenten en daarmede voort te gaan.
Dat naast het salaris tevens het achterstallig salaris waarop verzoeker vanwege de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49) aanspraak maakt, met terugwerking tot 01 januari 2014 dient te worden uitbetaald;
e. Verweerder te veroordelen tot het voldoen van een dwangsom ad SRD. 1000,- voor elke dag of iedere keer dat zij in strijd met het onder punt d gevorderde zal handelen;
f. Verweerder te veroordelen in de betaling van de kosten van het geding, alsook de kosten voor het vastrecht ad SRD. 30,-, de deurwaarderskosten ad SRD. 275,- en de buitengerechtelijke kosten ad SRD. 4.500,-.

3.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van de tuchtstraf van schorsing en het verlenen van ontslag, daar in artikel 3 lid 2 PW is aangegeven dat de ambtenaren die zijn ingedeeld in een rang waaraan een vaste of minimum bezoldiging is verbonden, welke meer bedraagt dan de helft van die van de directeur van een departement, uitsluitend bij resolutie van de President worden aangesteld, bevorderd, geschorst en ontslagen. De door verzoeker aangehaalde benoeming, bevordering en overplaatsing hebben bij resolutie van de President plaatsgevonden.
Voorts heeft verweerder bij het opleggen van de tuchtstraf van schorsing in strijd gehandeld met artikel 63 lid 2 PW, waarin uitdrukkelijk is gesteld, dat een tuchtstraf niet wordt opgelegd, alvorens de betrokken landsdienaar in de gelegenheid is gesteld om zich terzake mondeling of schriftelijk te verantwoorden.
Verweerder heeft in de ontslagbeschikking nagelaten om gemotiveerd aan te geven waarom zij van mening is dat het verweer van verzoeker niet steekhoudend is.
Tenslotte heeft verweerder in de ontslagbeschikking nagelaten te vermelden dat het ontslag op grond van artikel 69 PW is geschied, weshalve de ontslagbeschikking nietig is, althans vernietigd dient te worden.

3.3 De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het Hof zal, voorzover nodig, bij de beoordeling hierop terugkomen.

In het incident
4.1 Verzoeker vordert hem toe te staan, het fundamentum petendi, alsook het petitum van het inleidend rekest d.d. 22 december 2015, aan te vullen met de volgende zinsnede:
“dat naast het salaris tevens het achterstallig salaris waarop verzoeker vanwege de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49), aanspraak maakt, met terugwerking tot 01 januari 2014 dient te worden uitbetaald”.

4.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, dat het niet uitbetalen van desbetreffende salarisaanpassing geen enkel belang dient, weshalve verweerder een grondslag mist om deze aanpassing niet uit te keren.

4.3 Verweerder heeft geen verweer gevoerd tegen dit onderdeel van het door verzoeker gevorderde.

De beoordeling van het geschil in het incident en in de hoofdzaak
In het incident
5.1 Het Hof overweegt, dat, nu verweerder geen verweer heeft gevoerd tegen de door verzoeker gevorderde aanvulling van eis, het gevorderde zal worden toegestaan.

In de hoofdzaak
5.2 Het Hof is slechts bevoegd om in de in artikel 79 PW genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.
Nu het onder c en f van het petitum gevorderde niet valt binnen de reikwijdte van toegestane vorderingen ingevolge artikel 79 PW zal het Hof zich ten aanzien van deze vorderingen onbevoegd verklaren. Met betrekking tot de overige vorderingen van verzoeker betreffend een besluit tot schorsing en een besluit tot ontslag, is het Hof bevoegd daarvan kennis te nemen.

5.3 Het Hof overweegt dat niet is gesteld, noch is gebleken wanneer het besluit, vervat in de beschikking d.d. 15 mei 2015 [nummer 4] inzake de schorsing van verzoeker, ter zijner kennis is gebracht. Evenwel blijkt uit de stukken dat verzoeker op 23 juni 2015 door verweerder in de gelegenheid is gesteld zich te verweren, hetgeen hij heeft gedaan bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 13 juli 2015. Hieruit is naar het oordeel van het Hof in voldoende mate gebleken, dat het besluit vervat in eerdergenoemde beschikking ter kennis van verzoeker is gebracht, in elk geval uiterlijk 13 juli 2015.
Ingevolge artikel 80 lid 1b PW is de vordering zoals bedoeld in artikel 79 van de eerdergenoemde wet niet ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. Nu de vordering van verzoeker ten aanzien van het besluit vervat in de beschikking van 15 mei 2015 [nummer 4] is ingediend op 22 december 2015, brengt dat met zich dat deze vordering van verzoeker tardief is ingesteld, zodat hij daarin niet – ontvankelijk zal worden verklaard. Verzoeker is wel ontvankelijk in zijn vordering betreffende de beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken d.d. 09 oktober 2015 Bureau [nummer 6] nu verzoeker deze beschikking op 23 november 2015 heeft ontvangen.

5.4 Verweerder voert als verweer, dat de Minister van Binnenlandse Zaken ingevolge de resolutie van 23 september 2014 no. 8752/14, houdende wijziging van de resolutie van 12 januari 2010 no. 8806/09 (S.B. 2010 no. 10) houdende vaststelling van richtlijnen ter uitvoering van artikel 3 lid 2 PW (S.B. 2014 no. 124) het bevoegd gezag was, ten aanzien van de gewraakte beschikkingen, nu verzoeker ten tijde van het ontslag nog niet benoemd was tot Substituut Officier van Justitie, maar belast was met de waarneming van deze functie. Verzoeker was dan ook ingedeeld in schaal 11A en kreeg een waarnemingstoelage.

5.5 Blijkens de resolutie van de President van de Republiek Suriname, Bureau [nummer 7] is besloten om verzoeker, ingedeeld in functiegroep 11A, te rekenen van 01 januari 2012 te belasten met de waarneming van de functie van Substituut Officier van Justitie en hem ingevolge het Ambtenaren bezoldigingsbesluit een waarnemingstoelage toe te kennen.
Naar het oordeel van het Hof valt verzoeker binnen de categorie die is opgenomen in de resolutie van 23 september 2014 no. 8752/14, houdende wijziging van de resolutie van 12 januari 2010 no. 8806/09 (S.B. 2010 no. 10), houdende vaststelling van richtlijnen ter uitvoering van artikel 3 lid 2 PW onder I sub B. Voornoemd artikel stelt dat van functies, of waar van toepassing rangen, die als uitkomst van de functiewaardering gepositioneerd worden in de functiegroepen 7 tot en met 11C, de aantrekking, benoeming, bevordering, schorsing en het ontslag, bij beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken zal worden vastgesteld.
Geoordeeld wordt dan ook, dat aan de stelling van verzoeker ten aanzien van de onbevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken terzake het verlenen van het ontslag, als zijnde ongegrond, zal worden voorbijgegaan.

5.6 Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur heeft gehandeld, met name het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft namelijk nagelaten gemotiveerd aan te geven waarom zij van mening is dat het verweer van verzoeker niet steekhoudend is. De beschikking is op grond hiervan nietig, althans de beschikking dient vernietigd te worden, aldus verzoeker. Dienaangaande overweegt het Hof dat verzoeker bij schrijven d.d. 24 juni 2015 (wederom) in de gelegenheid is gesteld zich te verweren.
Bij schrijven van zijn gemachtigde mr. R. Denz, d.d. 13 juli 2015, heeft verzoeker zich verweerd. In voormeld schrijven heeft verzoeker slechts volstaan met de stelling dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit en dat hij ervan uitgaat dat hij onschuldig zal worden bevonden door de kantonrechter.
Naar het oordeel van het Hof mocht van verzoeker een nadere toelichting c.q. verklaring worden verwacht, gezien de aard van de aan hem gerichte beschuldigingen, die hebben geleid tot zijn buiten functiestelling en zijn schorsing. Nu verzoeker slechts heeft volstaan met een blote ontkenning, is naar het oordeel van het Hof aan verweerder niet veel ruimte gelaten voor een motivering waarom zij hieraan voorbij is gegaan. In dit kader gaat de stellingname dat het besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd en derhalve nietig is dan ook niet op.

5.7 Verzoeker is tenslotte van oordeel dat het ontslag nietig is, althans vernietigd dient te worden, vanwege het feit dat in de ontslagbeschikking een verkeerd artikel is gehanteerd met name is instede van artikel 69 PW artikel 61 lid 1 sub j PW opgenomen als grondslag voor de schorsing. Hieromtrent is het Hof van oordeel dat een vermeende onjuiste vermelding van het artikel waarop de schorsing van verzoeker zou zijn gebaseerd, geen grond oplevert voor nietigheid danwel vernietiging van de gewraakte ontslagbeschikking. Immers is een besluit vatbaar voor gehele of gedeeltelijke nietigverklaring op grond van de in artikel 79 lid 1a PW opgesomde gronden. Dat is hier niet aan de orde. Ook gaat het hier niet om substantiële fouten.
Het Hof gaat derhalve ook aan deze stellingen van verzoeker als te zijn ongegrond voorbij.

5.8 Verzoeker heeft gevorderd dat verweerder wordt gelast om het achterstallig salaris (voortvloeiende uit de salarisaanpassing) alsnog uit te betalen.
Verweerder heeft ten aanzien van de vordering aangegeven dat het gewijzigd Besluit Bezoldiging van Advocaat-Generaal, Hoofdofficieren van Justitie, Officieren van Justitie en Substituut Officieren van Justitie van toepassing is op verzoeker. Dit brengt met zich mee dat het gevorderde onder d en wel voor wat betreft het achterstallig salaris waarop verzoeker vanwege de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49), aanspraak maakt, terugwerkend tot 01 januari 2014 en eindigende op de ingangsdatum van het aan verzoeker verleende ontslag, als na te melden zal worden toegewezen.

5.9 Op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen is niet gebleken dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken bij het nemen van het besluit vervat in de beschikking d.d. 09 oktober 2015 met [nummer 6] in strijd heeft gehandeld met de Personeelswet of met enig Beginsel van Behoorlijk Bestuur, weshalve het Hof het meer of anders gevorderde onder d alsmede het gevorderde onder b en e als zijnde ongegrond, zal afwijzen.

De beslissing
Het Hof:
In het incident
6.1 Staat de gevraagde eiswijziging toe;

In de Hoofdzaak
6.2 Verklaart zich onbevoegd van het gevorderde vermeld onder c en f van het petitum kennis te nemen;

6.3 Verklaart verzoeker niet ontvankelijk ten aanzien van het onder a van het petitum gevorderde;

6.4 Veroordeelt verweerder om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, het achterstallig salaris waarop verzoeker krachtens de loonaanpassing krachtens het Staatsbesluit van 10 april 2015 (S.B. 2015 no. 49) aanspraak maakt, met terugwerking tot 01 januari 2014 en eindigende op de ingangsdatum van het aan verzoeker verleende ontslag;

6.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-38

G.R.No.13771
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, (hierna ook wel aan te duiden als [appellant])
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po Jr., advocaat,

tegen

A. [appellant sub A], weduwe van [naam],
B. [appellant sub B],
C. [appellant sub C],
D. [appellant sub D],
E. [appellant sub E],
F. [appellant sub F],
G. [appellant sub G],
allen wonende in [district 2],
geïntimeerden, (hierna ook wel gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] in enkelvoud)
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton uitgesproken vonnis van 6 februari 1996 (A.R.NO. 941335) tussen appellant als gedaagde en [geïntimeerden] als eiser,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 21 februari 1996 – en wel tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota van [appellant] van 19 december 2014. Daarbij is als productie gevoegd de beslissing van het hof van 7 maart 2014 waarin het verzoek van [geïntimeerden] tot verval van instantie is afgewezen;
– de antwoordpleitnota van [geïntimeerden] van 6 februari 2015;
– de repliekpleitnota van 3 juli 2015;
– de dupliekpleitnota van 7 augustus 2015;
– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 6 november 2015 en nader bepaald bij vervroeging op heden.

De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1.In de periode van 11 februari 1987 tot september 1993 heeft [appellant] ingevolge een in 1986 althans voor februari 1987 met [geïntimeerden] gesloten overeenkomst maandelijks van zijn bankrekening bedragen in Nederlandse valuta op de bankrekening van [geïntimeerden] overgemaakt. Ter uitvoering van de overeenkomst heeft [geïntimeerden] in Suriname de overgemaakte bedragen in Surinaamse courant aan [appellant] uitbetaald. [appellant] was in februari 1987 een zogenoemde deviezeningezetene van Suriname. Ingevolge de Wet van 8 september 1947 tot vaststelling van een hernieuwde regeling van het deviezenverkeer in Suriname (hierna de Deviezenregeling 1947) had [appellant] geen vergunning om over bedoelde buitenlandse betaalmiddelen te beschikken (artikel 11, lid 1, en onder c.). De Deviezenregeling 1947 verbood het omzetten van in een bepaalde geldsoort luidende betalingsverplichtingen tussen ingezetenen in een andere geldsoort (artikel 15 lid 3) en verklaarde de daarmee gepaard gaande rechtshandelingen van rechtswege nietig (artikel 33). De vergunningsplicht voor de hiervoor bedoelde omzettingshandelingen is vanaf 10 juni 1992 opgeheven.

1.2. De kantonrechter heeft in het aangevallen vonnis, onder meer, de rechtsverhouding tussen partijen gekwalificeerd als een duurovereenkomst, betrekking hebbende op één enkele overeenkomst van 1986/1987 die heeft voortgeduurd tot september 1993. Voorts heeft hij onder verwijzing naar de hierboven aangehaalde drie wetsbepalingen geoordeeld dat de gesloten overeenkomst en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen van rechtswege nietig zijn, welke nietigheid absoluut is. Vervolgens heeft de kantonrechter ongedaan gemaakt wat partijen over en weer hebben gepresteerd, en heeft hij [appellant] , – met afwijzing van de deelvordering tot vergoeding van kosten – veroordeeld om Nf. 118.500, — aan [geïntimeerden] terug te betalen, onder verrekening van het bedrag van Sf 127.000 dat [geïntimeerden] had ontvangen. Tegen deze beslissing en de grondslagen daarvan heeft [appellant] 10 grieven ontwikkeld die hierna aan de orde zullen komen.

2. [geïntimeerden] heeft het verweer ingetrokken, dat [appellant] tegen het vonnis geen grieven tegen het vonnis bij memorie had ontwikkeld. Het hof zal dat verweer verder onbesproken laten.

3. [appellant] heeft onder andere bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter, onder verwijzing naar de Deviezenregeling, dat de tussen partijen in 1986/1987 gesloten overeenkomst nietig is. [appellant] heeft onder verwijzing naar de rechtsliteratuur en jurisprudentie uit 1990 opgemerkt dat binnen de rechtswetenschap erkend is dat overeenkomsten die formeel in strijd zijn met een wetsbepaling, toch geldig zijn omdat – het hof begrijpt dit als: indien – die wetsbepaling als gevolg van gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen en inzichten haar strekking heeft verloren om daarmee strijdige overeenkomsten nietig te doen zijn.

4. Het hof acht dit standpunt van [appellant] en de daarvoor gegeven motivering (met name HR 7 september 1990, NL 1991-266) voor de onderhavige zaak juist. Niet kan worden gezegd dat het enkele feit dat de onderhavige deviezentransacties bij wet waren verboden leidt tot nietigheid van de overeenkomst(en) daartoe. Het wettelijk verbod van het beschikken over en het handelen in buitenlandse valuta is op 10 jun 1992 opgeheven. Het besluit daartoe volgde op een aantal jaren waarin maatschappelijk het inzicht was ontstaan dat de eerder (de Wet is van 1947) noodzakelijk geachte bescherming van de deviezen in Suriname niet langer meer nodig was. De Surinaamse overheid had zelf dat inzicht vanaf de midden jaren tachtig ook verkregen en voerde daarna al jaren een beleid om wisseltransacties zonder vergunning te gedogen. De daaraan te verbinden conclusie moet zijn dat naar maatschappelijke rechtsovertuiging het omwisselen van Surinaamse en buitenlandse valuta vanaf omstreeks 1986 niet langer behoort te worden
getroffen door het wettelijke verbod. Weliswaar betreft het hier een wettelijk verbod dat niet (uitsluitend) strekt tot bescherming van een der contractspartijen maar dat staat er niet aan in de weg om de hiervoor uiteengezette nuancering aan te brengen dat het verbod niet meer geldt. Het hof hecht integendeel ook waarde aan het feit dat in de onderhavige procedure de Staat niet is betrokken, maar het uitsluitend om een geschil tussen particuliere partijen gaat.

5. Het voorgaande brengt mee dat grief B. gegrond is en dat de door de kantonrechter uitgesproken verklaring van nietigheid niet in stand kan blijven. Grief A betreft de discussie over de vraag, of hier sprake is geweest van één overeenkomst dan wel van een aantal op elke individuele wisseltransactie gerichte overeenkomsten. Wat ook precies de achtergrond van deze discussie moge zijn, de betekenis van de vraag is na het onder 4. gegeven oordeel niet meer van belang. Grief A. zal daarom verder onbesproken blijven.
De grieven C. D., E. en G. zijn na het voorgaande evenmin van invloed op de beslissing in hoger beroep en behoeven geen behandeling meer.
Omdat de uitkomst moet zijn dat in hetgeen partijen over en weer hebben betaald geen wijziging meer behoeft te worden aangebracht, deelt grief F., gericht tegen de vaststelling van de wederzijds terug te betalen respectievelijk te verrekenen bedragen, het lot van de grieven A., C., D., E. en G.

6. Uit het voorgaande volgt dat ook de beslissing tot vanwaardeverklaring van de gelegde beslagen
zal worden vernietigd. De gelegde beslagen komen met de beslissing van het hof van rechtswege te vervallen.

7. Het vonnis zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerden] zal worden afgewezen. Hij zal als de in het ongelijk gestelde partij in beide instanties worden veroordeeld in de aan de zijde van [appellant] gevallen kosten van het geding.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 februari 1996, A.R.No. 941335, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:
– wijst de vordering van [geïntimeerden] af;
– veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding aan de zijde van [appellant] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot:
– in eerste aanleg begroot op SRD. 1,60,–.
– in hoger beroep op SRD. 128,–.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. R.M. Praag, Leden-Plaatsvervanger en door
mr. S.M.M. Chu

mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat
mr. H.R. Lim A Po Jr, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Y.S. Engkar, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld