SRU-HvJ-2009-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE BEROEP EX ARTIKEL 54 C LID 1

VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het beroepsschrift ex artikel 54 C lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna afgekort als Sv) ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, op 01 december 2009 door mrs. F.F.P. Truideman en H.P. Boldewijn, advocaten bij het Hof van Justitie, namens hun cliënte [naam], waarin het verzoek wordt gedaan dat het Hof in beroep de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 27 november 2009 vernietigt en verzoeker onmiddellijk in vrijheid stelt.

Gelet op ’s Hoven beschikking d.d. 01 december 2009, waarbij de behandeling van het beroep is bepaald op woensdag 02 december 2009 des namiddags te 14.00 uur.

Gehoord de appellante in Raadkamer, bijgestaan door haar raadslieden.

Gehoord mr. M. Dayala, waarnemend procureur-generaal namens het Openbaar Ministerie.

Gezien de overige zich in het Raadkamerdossier bevindende bescheiden waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het beroep in Raadkamer op woensdag 02 december 2009;

Overwegende, dat het Hof op 02 december 2009 een tussenbeslissing heeft gegeven, waarbij het Hof het wenselijk heeft geacht om inzage te hebben in het onderhavig strafdossier;

Overwegende, dat het Hof van de aangevoerde grieven kennis heeft genomen welke grieven hierop neerkomen:

1. Dat de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 27 november 2009 onvoldoende of gebrekkig is gemotiveerd, daar de rechter-commissaris alleen de verklaringen uit het politiedossier heeft gebezigd en de verklaring van verzoekster in casu appellante afgelegd bij de rechter-commissaris niet heeft opgenomen in de beschikking. Naar de mening van de verdediging is er in strijd gehandeld met de beginselen van een goede procesorde;

2. Voorts, dat de rechter-commissaris alleen op basis van eerder gemelde verklaringen het onderzoeksbelang aanwezig heeft geacht;

Overwegende, dat de waarnemend procureur-generaal in haar antwoord allereerst formeel verweer heeft aangevoerd dat appellante niet-ontvankelijk verklaard moet worden, nu in de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling door een verdachte geen beroep kan worden gedaan op artikel 54 a Sv;

Overwegende, dat de waarnemend procureur-generaal tevens in haar antwoord naar voren heeft gebracht dat er wel feiten en omstandigheden uit het dossier blijken die een redelijk vermoeden van schuld opleveren dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten ten grondslag gelegd aan haar inverzekeringstelling;

Overwegende, dat het Hof het formeel verweer van de waarnemend procureur-generaal heeft getoetst aan de wet en tot oordeel is gekomen dat het verweer gegrond moet worden geacht en wel om de volgende redenen:

De wetstekst van artikel 54 a lid 1 Sv luidt: “Uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord, voor de rechter-commissaris geleid. Onverminderd het bepaalde in die eerste volzin van dit lid, kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstellling de rechter-commissaris om zijn invrijheidstelling verzoeken”. Het Hof overweegt dat de wetstekst de mogelijkheid beschrijft voor de verdachte om onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling een verzoek te doen tot invrijheidstelling, zonder de zgn. “rechtmatigheidstoets” af te wachten;

Ingevolge artikel 54 a lid 2 Sv kan de verdachte of diens raadsman de rechter-commissaris het verzoek doen om een datum te bepalen voor zijn voorgeleiding teneinde te worden gehoord, in verband met de “rechtmatigheidstoets.”

De memorie van toelichting op de Wet van 20 februari 2008 houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafvordering (SB 2008 no. 21) geeft op bovenvermelde wetsteksten de volgende toelichting: “Met de wijziging van artikel 54 a Sv zal de rechtmatigheidstoets van de inverzekeringstelling in het vervolg ambtshalve door de rechter-commissaris geschieden, in alle gevallen waarin de verdachte in verzekering is gesteld en wel binnen zeven dagen te rekenen vanaf het tijdstip van aanhouding….Toekenning aan de verdachte van de mogelijkheid bij de rechter-commissaris het verzoek te doen tot vaststelling van de datum van voorgeleiding is gerechtvaardigd, omdat een verdachte die meent dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is de mogelijkheid moet hebben om onmiddellijk na de inverzekeringstelling de rechter-commissaris te verzoeken voor hem te worden geleid. “De mogelijkheid van oud artikel 54a, waarbij de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling om zijn invrijheidstelling bij de rechter-commissaris kan verzoeken, blijft op deze wijze behouden.”

Het Hof overweegt dat ook uit de memorie van toelichting op het betreffende wetsartikel de bedoeling van de wetgever blijkt, namelijk het invoeren van een ambtshalve rechtmatigheidstoets door de rechter-commissaris van alle personen die in verzekering worden gesteld, welke toets binnen zeven dagen dient te worden uitgevoerd, met een mogelijkheid voor een verdachte om, indien hij de inverzekeringstelling onrechtmatig vindt, eerder om zijn invrijheidstelling te vragen, hetgeen begrepen kan worden uit de woorden (citaat) “kan de verdachte onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling”;

Artikel 54 a lid 4 Sv luidt: “Na de verdachte te hebben gehoord, beslist de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling. In de beschikking worden door de rechter-commissaris bepaaldelijk de redenen opgegeven die tot zijn oordeel hebben geleid tot de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling…..”.

Het Hof overweegt dat in dit lid de instructie wordt gegeven hoe de rechter-commissaris zijn beslissing moet inrichten, namelijk de rechter-commissaris dient de beslissing te motiveren. Voorts overweegt het Hof dat de beschikking waar het in dit lid over gaat, de beschikking is die volgt op de ambtshalve toets van de rechter-commissaris binnen de 7 dagen genoemd in de wet of de door de verdachte geïnitieerde toets onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling zoals in artikel 54 a lid 1 is bepaald en voor wat betreft artikel 54 a lid 2 Sv, in de memorie van toelichting is uitgelegd.

Artikel 54 c lid 1 Sv luidt: “Tegen een beschikking van de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 54 a lid 4 kunnen de vervolgingsambtenaar en de verdachte binnen drie dagen daarna in beroep gaan bij het Hof van Justitie”; Het Hof overweegt dat dit artikel verwijst naar de beschikking van artikel 54 a lid 4, namelijk de beschikking gegeven na de ambtshalve toets of nadat de toets heeft plaatsgevonden op grond van een verzoek daartoe door de verdachte onmiddellijk na de inverzekeringstelling;

Het Hof is van oordeel dat in artikel 54 a Wetboek van Strafvordering door de wetgever de waarborg is neergelegd voor de verdachte dat de rechtmatigheid van zijn inverzekeringstelling binnen korte tijd, namelijk binnen hoogstens 7 dagen wordt getoetst door de rechter-commissaris, doch dat de verdachte tevens het recht heeft zelf de toets eerder te initiëren door een verzoekschrift tot invrijheidstelling in te dienen, of, zoals de memorie van toelichting vermeld, om zijn voorgeleiding te vragen, al onmiddellijk na zijn inverzekeringstelling;

Het Hof is van oordeel dat noch uit de wetstekst noch uit de memorie van toelichting is gebleken dat de waarborg voor de verdachte alleen voor de periode van zijn inverzekeringstelling geldt. Indien in een latere fase gedurende de periode van de verlenging van de inverzekeringstelling mocht blijken dat het onderzoeksbelang niet meer aanwezig is c.q. er geen gronden voor de dringende noodzakelijkheid voor de verlenging van de inverzekeringstelling meer aanwezig zijn, de mogelijkheid ook moet openstaan om in deze periode gebruik te maken van dit artikel.

Het kan naar dezerzijds oordeel nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de rechten of de waarborgen van de verdachte te beperken tot slechts de eerste fase van de inverzekeringstelling.

Het voorgaande destilleert het Hof uit de redactie van voormeld wetsartikel, met name uit het bezigen door de wetgever van het woord “kan” hetgeen facultatief wordt geïnterpreteerd. Voorts blijkt nergens uit dat de wetgever die toets door de rechter-commissaris heeft willen limiteren tot de periode van de inverzekeringstelling;

Het Hof is op grond van het hiervoren overwogene van oordeel dat appellante wel ontvankelijk is in het beroep op grond van artikel 54 a Sv;

Overwegende, dat het Hof het materieel verweer van de raadslieden heeft getoetst aan de wet en tot het oordeel is gekomen dat het materieel verweer ongegrond moet worden geacht en wel om de volgende redenen:

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechter-commissaris voldoende feiten en omstandigheden uit de verklaringen zoals vermeld in zijn beschikking d.d. 27 november 2009 naar voren gebracht, die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit opleveren. Het niet bezigen van de verklaring van appellante in de beschikking levert formeel noch materieel een grond op ter vernietiging van de beschikking.

Voorts wordt het onderzoeksbelang nog aanwezig geacht daar de appellante vooralsnog een onaannemelijke verklaring geeft met betrekking tot de herkomst van de koffer. Daarnevens zou een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas) zoals door de raadslieden aangevoerd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting opgeworpen dienen te worden weshalve het Hof daaraan zal voorbijgaan.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP

Verklaart appelante ontvankelijk in het beroep.

Wijst het verzoek van appelante af;

Bevestigt de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 27 november 2009 onder aanvulling van gronden als voormeld;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 04 december 2009 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, leden-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Sing, fungerend-griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoer Sing w.g. A. Charan

w.g. S.M.M. Chu

w.g. S.S.S. Wijnhard

 

 

 

 

SRU-HvJ-2011-4

 

HET HOF VAN JUSTITIE IN SURINAME

In de zaak van

[bedrijf]

gevestigd te [district],

appellante, hierna aangeduid als “[bedrijf]”

gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 25 juli 2006 (A.R. 041089) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [bedrijf] op 3 augustus 2006 hoger beroep heeft ingesteld;

– pleidooi d.d. 4 december 2009

– antwoordpleidooi d.d. 21 mei 2010;

– repliekpleidooi d.d. 18 juni 2010;

– dupliekpleidooi d.d. 19 november 2010.

De beoordeling

1. Het gaat in deze om het volgende:

1.1 [geïntimeerde] is vanaf 16 maart 1997 in dienst geweest van [bedrijf] als president-directeur. [geïntimeerde] beroept zich op de inhoud van een schriftelijke arbeidsovereenkomst, waarin onder meer, is bepaald (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift):

“Artikel 1.

1. “A” (bedoeld is [geïntimeerde], toevoeging hof) treedt bij [bedrijf] in dienst als President-Directeur met ingang van 16 maart 1997, tegen een salaris bestaande uit een deel in Surinaamse guldens en een deel in Amerikaanse dollars alsvolgt opgebouwd:

a. het Surinaamse gulden deel zal bij de aanvang bruto per maand bedragen Sf 2.000.000,00

b. het Amerikaanse dollar deel zal bij aanvang per maand nettto bedragen US$ 500,00;

c. boven het hierboven vastgesteld inkomen per maand zal gelden een algemene onkosten vergoeding van Sf 500.000,00 netto per maand.

(….)

3. Het salaris, de algemene onkostenvergoeding en overige emolumenten worden aangepast onder meer indien de algemene loon- en prijsontwikkeling daartoe aanleiding geeft.

(….)

Deze arbeidsovereenkomst ia aangegaan voor onbepaalde tijd en zal door ieder der partijen tegen het eind van ieder kalenderjaar schriftelijk kunnen worden opgezegd met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn van tenminste 3 (drie) maanden voor zowel [bedrijf] als voor “A”, alles onverminderd het bepaalde in de statuten omtrent schorsing en ontslag van de Directeur.

Artikel 2

“A” ontvangt jaarlijks een vakantietoelage ten bedrage van het salaris van een maand, uit te betalen tezamen met het salaris over de maand juli.

(…..)

Artikel 8

“A” maakt jaarlijks aanspraak op een gratificatie gelijk aan 1 (een) maal het laatstgenoten salaris per maand, gedurende dat jaar uit te betalen met het salaris over de maand december.”

1.2 [bedrijf] heeft in een brief van 15 februari 2002, onder meer, het volgende aan [geïntimeerde] meegedeeld (productie 2 bij de conclusie van antwoord):

“Reeds meerdere malen heeft de Raad van Commissarissen U om informatie verzocht, welke informatie door U niet tijdig, te vaag of soms in het geheel niet aan de Raad van Commissarissen is verstrekt, waardoor communicatie van U met de Raad van Commissarissen in ernstige mate stagneert of zeer gebrekkig verloopt. Ook mogen wij vaststellen, dat U niet dan wel onvoldoende op vragen van de Raad van Commissarissen ingaat, waarop wij U meermalen hebben gewezen zonder dat in deze communicatie verbetering is te konstateren.

Van de bedrijfsaccountant Ritfeld & Co is vernomen, dat de financiële administratie door U slecht verzorgd is en gebleken is dat U nagelaten heeft de nodige maatregelen te treffen om daarin verbetering te brengen. Zo heeft de registratie van de basisgegevens vanaf 1997 tot nu toe zeer grote vertraging ondervonden, interne controle op de financiële middelen is, zoals uit het accountantsverslag blijkt, niet mogelijk daar er geen funktiescheiding bestaat tussen beheer en registratie van de financiële middelen, hetgeen als een minimum vereiste kan worden gesteld voor een richtige werking van interne controle.

Als verantwoordelijke persoon had U reeds lang verbetering daarin moeten brengen, hetgeen U heeft verzaakt. U heeft voorts niet de nodige zorgvuldigheid betracht bij de besteding van de financiële middelen, beschikbaar gesteld door de Centrale Bank van Suriname en de Volkscredietbank.

(….)

U heeft onvoldoende aandacht geschonken aan financiële administratie, hetgeen als een ernstige tekortkoming moet worden aangemerkt. Hierdoor ontbrak het middel tot het afleggen van verantwoording over het gevoerde beheer, de kontrole op het bedrijfsgebeuren en het verschaffen van informatie ten behoeve van te nemen bedrijfsbeslissingen.

Om die reden kwam pas in het jaar 2001 de jaarrekening over 1996 en 1997 gereed, terwijl de jaarrekeningen 1998 tot en met 2000 nog niet gereed zijn.

Uit al het voorgaande blijkt dat U niet de zorgvuldigheid in acht genomen heeft de financiële middelen van het bedrijf op de juiste wijze te beheren en U geen of nagenoeg geen initiatieven ondernomen heeft om de produktiemiddelen op de juiste wijze ten behoeve van het bedrijf in te zetten ten einde bedrijfsinkomsten te genereren.

Uw functioneren kan daarom als onbehoorlijk worden gekwalificeerd en U wordt wanbeheer en wanbeleid verweten, reden waarom U per heden door de Raad van Commissarissen wordt geschorst. U wordt aangezegd zich niet meer te begeven naar en zich niet meer op te houden op en in bedrijfsterreinen en bedrijfsgebouwen van [bedrijf] en voorts wordt U aangezegd alle eigendommen van [bedrijf], welke U onder Uw beheer en bezit heeft, over te dragen op maandag 18 februari 2002 om 9.30 uur v.m. ten kantore van [bedrijf] in aanwezigheid van de President-Commissaris”.

1.3 [bedrijf], althans haar gemachtigde, heeft in een brief van 23 september 2002, onder meer, het volgende aan [geïntimeerde] meegedeeld (productie bij de conclusie van repliek):

“Bij deze bericht ik U dat vanwege de aan U te wijten verstoorde relatie tussen U en mijn cliente [bedrijf], de Algemene Vergadering besloten heeft U te ontslaan als President-Directeur van deze vennnootschap, zulks o.m op grond van hetgeen vermeld staat in de per deurwaardersexploit van 15 februari 2002 no. 133 aan U betekende brief van dezelfde datum.

Dit ontslag is mede gebaseerd op de door het Ministerie van Arbeid, Technoligsche Ontwikkeling en Milieu verleende ontslagvergunning van 11 september 2002.

In aanmerking nemende het bepaalde in artikel 1 lid 5 van de tussen U en mijn cliente gesloten arbeidsovereenkomst bericht ik U namens mijn cliente, dat U per 31 december 2002 ontslagen bent als werknemer (President-Directeur) van [bedrijf].

Tenslotte wordt U meegedeeld dat mijn cliente zich terzake de validiteit van voormelde arbeidsovereenkomst alle rechten voorbehoudt”.

2.1 [geïntimeerde] heeft in erste aanleg voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd dat [bedrijf] werd veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van Srg 169.469.940,00 terzake achterstallig salaris c.a., vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar, met veroordeling van [bedrijf] in de kosten van het geding.

2.2 De kantonrechter heeft voormeld bedrag toegewezen en het gevorderde voor het overige afgewezen.

2.3 [bedrijf] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde].

3.1 Uit het vonnis van 5 juli 2006 valt niet af te leiden of [geïntimeerde] bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Voor zover [bedrijf] bij die uitspraak aanwezig is geweest heeft zij tijdig, namelijk op 3 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Voor zover zij niet bij de uitspraak aanwezig is geweest, overweegt het hof als volgt. Het vonnis is bij dienstbrief van 17 oktober 2007 aan [bedrijf] meegedeeld. Zij heeft aldus voor ontvangst van de dienstbrief hoger beroep ingesteld. Uit artikel 119 lid 3 jo 264 lid 3 Rv volgt dat, indien een partij niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest, het vonnis bij dienstbrief aan hem wordt meegedeeld en de termijn van hoger beroep alsdan ingaat na de verzending daarvan. Hiermee is naar het oordeel van het hof beoogd de partij die niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest te beschermen, in die zin dat hij op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van het vonnis. Deze partij mag dan ook de verzending van de dienstbrief afwachten voordat hij hoger beroep instelt. Dit betekent naar het oordeel van het hof echter niet dat deze partij de brief moet afwachten. Het is immers niet billijk dat deze partij, indien hij eerder van het vonnis op de hoogte is, de verzending van de dienstbrief zou moeten afwachten, nu dit geruime tijd in beslag kan nemen. Deze gedachte ligt ook ten grondslag aan artikel 264 van het Ontwerp Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Aangezien [bedrijf] binnen dertig dagen na de uitspraak hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.

3.2 [bedrijf] erkent dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten, maar betwist dat de inhoud van de schriftelijke arbeidsovereenkomst, waar [geïntimeerde] zich op beroept, rechtsgeldig tussen partijen is vereengekomen. Zij stelt dat de algemene vergadering van aandeelhouders (de ava) nimmer heeft ingestemd met de inhoud van de arbeidsovereenkomst. In de door [geïntimeerde] overgelegde arbeidsovereenkomst is echter op de eerste pagina vermeld dat de ava [geïntimeerde] in haar vergadering van 15 maart 1997 heeft benoemd tot president-directeur. Gelet hierop had het op de weg van [bedrijf] gelegen om haar standpunt dat de ava niet heeft ingestemd met de benoeming nader toe te lichten. Zij had bijvoorbeeld de notulen van de betreffende vergadering in het geding kunnen brengen, teneinde haar standpunt te onderbouwen. Als werkgever behoort zij over dergelijke stukken te beschikken. Nu zij heeft nagelaten haar verweer te onderbouwen, dient er in rechte van uit te worden gegaan dat de ava heeft ingestemd met de benoeming van [geïntimeerde]. Daarnaast volgt uit de arbeidsovereenkomst dat de Raad van Ministers heeft ingestemd met de benoeming en dat de arbeidsovereenkomst is getekend door de toenmalig president-commissaris, de heer [naam] (hierna aangeduid als “[naam]”). [bedrijf] heeft bij repliekpleidooi aangevoerd dat [naam] ten tijde van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst geen president-commissaris meer was. [bedrijf] heeft dit verweer evenwel op geen enkele wijze onderbouwd. Nu voor het overige niet is gesteld, noch gebleken dat de president-commissaris niet bevoegd was [bedrijf] te vertegenwoordigen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde], staat in rechte voldoende vast dat partijen de arbeidsovereenkomst hebben gesloten met de inhoud als door [geïntimeerde] gesteld. Dat volgens [bedrijf] de arbeidsvoorwaarden nimmer zouden zijn afgesproken, indien [naam] en [geïntimeerde] niet bevriend waren geweest, kan hier niet aan afdoen, aangezien, zoals hiervoor is overwogen, [naam] bevoegd was de arbeidsovereenkomst namens [bedrijf] aan te gaan. Nu [bedrijf] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en zij bovendien in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan, wordt zij niet toegelaten tot bewijslevering.

3.3.1 Naar het hof begrijpt, voert [bedrijf] aan dat [geïntimeerde] geen recht heeft op salaris, omdat hij niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Zij heeft hem, gelet op door hem gevoerd wanbeleid, per 15 februari 2002 geschorst, aldus [bedrijf]. Nu is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] in de periode voor zijn schorsing de bedongen arbeid niet heeft verricht, dient het salaris over die periode te worden uitbetaald, ongeacht de vraag of [geïntimeerde] al dan niet voldoende heeft gefunctioneerd. Naar het oordeel van het hof kan slechts in uitzonderingsgevallen worden aangenomen dat de werknemer geen recht heeft op loon indien hij onvoldoende presteert, bijvoorbeeld wanneer de werknemer opzettelijk ernstig tekortschiet. Van dit laatste is in het onderhavige geval onvoldoende gebleken. Voor de periode vanaf de schorsing tot aan het einde van het dienstverband, staat vast dat [geïntimeerde] geen werkzaamheden heeft verricht. Dat hij in die periode geen werkzaamheden heeft verricht, is een gevolg van de schorsing en in die zin aan [bedrijf] te wijten. Gelet hierop heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof ook recht op salaris na schorsing.

3.3.2 [bedrijf] voert aan dat onduidelijk is over welke perioden [geïntimeerde] stelt nog recht te hebben op salaris c.a. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. [geïntimeerde] stelt dat eerst vanaf augustus 2000 het salaris conform de arbeidsovereenkomst is betaald, maar hij vordert wel salaris over de periode na augustus 2000. Uit door hem overgelegde loonstroken volgt echter dat hij in de periode na augustus 2000 in ieder geval over een aantal maanden salaris heeft ontvangen,. Uit de door [geïntimeerde] in eerste aanleg overgelegde berekeningen volgt onvoldoende wat [geïntimeerde] vordert over welke periode. Gelet op deze onduidelijkheden wordt [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte nader uit te laten. Met name wenst het hof nader te worden voorgelicht over de vraag welke salarisonderdelen de door [geïntimeerde] gevorderde bedragen betreffen (vast maandsalaris dan wel toelage). [geïntimeerde] dient daarnaast per maand aan te geven hoeveel salaris is betaald en op welke salarisonderdelen hij meent nog recht te hebben. Van hem wordt verwacht dat hij het door hem gevorderde bedrag van Srg 169.469.940,00 (Srd 169.469,94) duidelijk specificeert. [bedrijf] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen. Voor zover zij zich op het standpunt zal stellen dat het salaris (deels) is betaald, dient zij daarvan bewijzen te overleggen. De bewijslast van de betaling rust volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling immers op [bedrijf].

3.3.3 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 1 april 2011 voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde] teneinde zich uit te laten omtrent hetgeen hiervoor onder 3.3.2 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 februari 2011, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. R.G. Rodrigues

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. S.A. van Lobbrecht namens haar gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. Esajas namens zijn gemachtigde, advocaat mr. R.G. Sewcharan, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2012-4

IN NAAM DER REPUBLIEK

Vonnisnummer: 23/2012

Uitspraak: 08 mei 2012

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in geschrift overgelegde vonnis, van de kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 28 april 2005 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedag] te [district], [land1], wonende ten tijde van de aanhouding aan de [adres1] te [ditrict] en in [land 2]: [adres 2] te [woonplaats], van beroep: boekhoudkundig medewerker, sedert 21 oktober 2010 in vrijheid gesteld;

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman mr. G. Sewcharan, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 28 april 2005 op de voorgeschreven wijze appel heeft getekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton. Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 29 april 2005 eveneens appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis.

Gelet op het vorenstaande hebben de beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, de verdachte ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding onder A ten laste gelegde zal vrijspreken en hem onder aanvulling van de aangehaalde bewijsmiddelen te veroordelen terzake hem onder B van de dagvaarding van 7 juni 2004 is ten laste gelegd tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen (messen, koevoet, grijze pet en verstelbare sleutel) en met bevel tot gevangenneming van de verdachte.

De verdediging heeft:

– primair bepleit dat de vervolgingsambtenaar niet-ontvankelijk diet te worden verklaard;

– subsidiair bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton ten laste gelegde;

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 28 april 2005 is de verdachte – verkort weergegeven ter zake van het onder A ten laste gelegde (moord) vrijgesproken en ten aanzien van het onder B ten laste gelegde, zoals voorzien en strafbaar gesteld in artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen en handhaving van het bevel tot gevangenhouding.

Het hof verenigt zich niet met het beroepen vonnis, reden waarom het hof het vonnis a quo van de kantonrechter zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

De ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar

De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingsambtenaar bepleit en daartoe de navolgende verweren gevoerd –verkort en zakelijk weergegeven-:

(a) In het kader van het politie-onderzoek is verdachte meer dan 18 keren door de politie bij proces-verbaal verhoord, waarvan vijf keren als getuige/slachtoffer/aangever. Een dergelijke wijze van politieoptreden levert een ernstige schending op van het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat gewaarbogd is in artikel 8 lid 1 van het Amerikaans Verdrag inzake de rechten van de mens (AVRM).

(b) De vordering mist het vervolgingsrecht nu uit het politieonderzoek geen bezwarende feiten en/of omstandigheden contra de verdachte waren gerezen. Verwezen wordt naar processen-verbaal waarin diefstal middels braak in beeld wordt gebracht, zodat verdachte niet voor het tenlastegelegde vrijheidsberoving vervolgd zou mogen worden. Door dit desalniettemin te doen, handelt de vervolging in strijd met het fair-trial en het beginsel van redelijke belangenafweging als een der beginselen van behoorlijke strafprocesorde.

(c) De officier van justitie was ten tijde van het rekwireren emotioneel betrokken bij de zaak en was derhalve niet objectief. Hierin had de kantonrechter aanleiding moeten vinden om de officier van justitie in kwestie van de zaak te halen, althans haar dat voor te stellen.

Het hof oordeelt omtrent deze gevoerde verweren als volgt:

(ad a) Gelet op de tenlastegelegde feiten acht het hof de frekwentie en de intensiteit van die verhoren niet van dien aard, dat deze de kwalificatie schending van het fair trial beginsel rechtvaardigen. Gesteld noch anderszins gebleken is dat door deze wijze en indringendheid van verhoren in strijd gehandeld is met het pressieverbod. Dit verweer wordt dan ook als zijnde ongegrond verworpen.

(ad b) Het hof stelt voorop dat inzake de vervolging het Openbaar Ministerie een dominus litis positie inneemt. Deze vrijheid van het Openbaar Ministerie vindt echter zijn begrenzing in de beginselen van behoorlijke procesorde. De enkele omstandigheid dat –in de visie van de verdediging- geen voldoende bewijs voorhanden is, betekent niet dat het Openbaar Ministerie het vervolgingsrecht zou missen. Het Openbaar Ministerie is niet gebonden aan de bewijsappreciatie van de politie, nog afgezien of zulks tot het domein van de politie behoort, nu de politie belast is –grosso modo- met de bewijsgaring en niet met bewijsappreciatie.

Overigens kon de verdediging het middel van buitenvervolgingstelling aanwenden, voor zover de verdediging van oordeel was dat het Openbaar Ministerie het vervolgingsrecht miste. Al met al treft dit verweer geen doel.

(ad c) Dit verweer mist belang, nog daargelaten de juistheid van het verweer van de verdachte, nu het hof in deze zaak tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter in eerste aanleg.

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak

De bewijsvraag die hier beantwoording behoeft betreft de vraag of verdachte op die pleegdatum het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Uit de inhoud van het onderliggend strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verdachte iedere betrokkenheid ontkend. Nu er geen direkte getuigen zijn die de “daad” hebben zien gebeuren, moet gekeken worden of, en zo ja in welke mate, indirekt bewijs, de zgn. “circumstantial evidence” valt te destilleren uit de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting.

Vast staat dat de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst (TOHD) van de politie op de plaats delict (p.d.) een technisch- en tactisch onderzoek heeft ingesteld. Echter is uit het onderzoek ter terechtzitting met name de ter zitting afgelegde verklaringen van de respectieve technische/tactische rechercheurs naar voren gekomen dat niet uitgesloten moet worden dat het verkregen resultaat gecontamineerd kan zijn. om deze reden zal het hof het resultaat dat uit dit onderzoek van de TOHD is voortgevloeid niet tot bewijs bezigen.

Vast staat dat verdachte steeds wisselende, innerlijk inconsistente verklaringen heeft afgelegd, waarbij hij steeds in essentie is blijven ontkennen. Deze ontkentenis geeft reden de verklaring van de verdachte als niet betrouwbaar aan te merken.

Echter kan naar het oordeel van het hof deze enkele omstandigheid niet als kennelijk leugenachtige verklaring aangemerkt worden, nu voor aanname van kennelijk leugenachtige verklaring vereist is dat, de kennelijke leugenachtigheid zijn grondslag moet vinden in ander bewijsmateriaal dan de verklaring van de verdachte zelf. Nu er geen danwel onvoldoende toereikend ander bewijsmateriaal voorhanden is, waaruit de kennelijke leugenachtigheid van de verdachte zou moeten blijken, heeft dit tot gevolg dat de verklaring van de verdachte niet als kennelijk leugenachtige verklaring kan worden gebezigd.

Weliswaar hebben enkele naaste buren gegil, komende uit de woning van het slachtoffer, op die bewuste avond gehoord, doch dit gegil kan niet herleid worden tot een bepaalde persoon. Mitsdien draagt deze omstandigheid in bewijsrechtelijk opzicht, naar het oordeel van het hof, niet bij tot aanname van het daderschap van de verdachte.

Het bovenstaande in zijn totaliteit in ogenschouw genomen, is het hof, anders dan de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar, van oordeel dat in de onderhavige zaak ontoereikend bewijs aanwezig is om de bewijsvraag in positieve zin te beantwoorden. Bijgevolg moet verdachte bij gebrek aan toereikend bewijs in de zin van wettig overtuigend bewijs van de gehele tenlastelegging worden vrijgesproken.

Beslissing:

Het hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Verenigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 28 april 2005 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding in het Tweede kanton tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan integraal vrij:

Aldus gewezen door:

mr.I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend President,

mr. R.G. Rodriques, Lid, en mr. A.C. Johanns, lid-plaatsvervanger,

bijgestaan door mw. I. Madarsa, als fungerend-griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 08 mei 2012.

w.g. I. Madarsa wg. I.H.M.H. Rasoelbaks

w.g. R.G. Rodriques

w.g. A.C. Johanns

Voor afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr.M.E. van Genderen-Relyveld)

I.D.

N.O. Verdachte,

[naam]

(i.v. 27.03.04)

EXTRACT VOOR DE RECHTER

a. Het aanbrengen der zaak,

Datum van inkomen bericht, klacht aangifte op proces-verbaal.

16 maart 2004

Korte omschrijving van het ten laste gelegde feit, terzake dat hij:

op of omstreeks dinsdag 16 maart 2004, althans in het jaar 2004, te [district], in ieder geval in [land 1];

A tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar,-na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en/of het plan te hebben beraamd om die [slachtoffer] van het leven te beroven- ter uitvoering van dat voornemen en/of dat plan, opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linker-oksel en/of het (boven-)buikgebied en/of derechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsels als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

Althans, indien en voor zover het onder A gestelde niet tot een veroordeling mocht komen of zou kunnen leiden;

B tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met een ander(en), althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linkeroksel en/of het boven-buikgebied en/of de rechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsel als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

althans indien en voor zover het onder A en B gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

C tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking met een ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar – na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het plan te hebben beraamd om die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen – ter uitvoering van dat voornemen en/of dat plan, opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linkeroksel en/of het boven-buikgebied en/of de rechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsel als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

Althans indien en voorzover het onder A,B en C gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

D tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe bewuste samenwerking) met een ander(en), althans alleen, opzettelijk [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad,

hebbende hij, verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, in ieder geval alleen, toen aldaar opzettelijk gewelddadig voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of snijdend en/of puntig voorwerp een of meer steken toegebracht aan het hoofd en/of de linkeroksel en/of het boven-buikgebied en/of de rechterhand, althans het lichaam, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] heeft bekomen zodanige letsel als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door de patholoog-anatoom, Drs. F. Henar, van welk visum et repertum een fotokopie aan deze dagvaarding wordt gehecht en welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening wordt gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinseteerd moet worden beschouwd, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel,

zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, althans mede tengevolge van schock door bloedverlies ten gevolge van perforatie van de grote holle lichaamsader tengevolge van een steekverwonding in de rechterbovenbuik, overleden.

Tijd en plaats der overtreding; zie de stukken.

Afgelegde verklaring; zie de stukken.

SRU-HvJ-2012-3

VONNIS

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Vonnisnummer: 30/2012

Parketnummer: 01-07-6863

Uitspraak: 04 juni 2012

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 03 juli 2006 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats], industrieel van beroep, wonende aan de [adres] in het [district], thans in vrijheid gesteld;

verschenen in persoon en bijgestaan door zijn raadsman, mr. 1.D. Kanhai en mr. G.R. Sewcharan, allen advocaten bij het Hof van Justitie.

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 14 juli 2006 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Tevens is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 07 juli 2006 eveneens appel heeft aange-tekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande hebben de beide partijen tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk zijn.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 334 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ter zake van het onder B ten laste gelegde, namelijk het vervoer van cocaïne, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, met een geldboete van SRD 20.000,–(twintig duizend Surinaamse Dollar), met de bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal, deze boete vervangen zal worden door hechtenis voor de tijd van 12 (twaalf) maanden, voorts verbeurdverklaring van de in beslag genomen bestelbus van het merk Nissan Serena ([kenteken 1]) ) en de personen auto van het merk Toyota Premio ([kenteken 2]) met bevel tot gevangenneming, alsook verbeurdverklaring van de in beslag genomen cocaïne.

De verdediging heeft:

– primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging

– subsidiair bepleit dat de ten laste legging voor wat het onder A ten laste gelegde betreft zal worden vernietigd en voorts dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder B en C ten laste gelegde;

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 03 juli 2006 is de ten laste legging partieel nietig verklaard voor wat het onder A ten laste gelegde betreft en is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder B ten laste gelegde, namelijk de verkoop, het verstrekken, het afleveren of vervoeren, of het doen verkopen, verstrekken, afleveren of vervoeren, vrijgesproken; ter zake het onder C ten laste gelegde, met name het aanwenden van 215,83 kilo cocaïne, is verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht, een geldboete van SRD.10.000,= subsidiair 1 jaar hechtenis, met bevel tot gevangenhouding van de verdachte, alsmede met verbeurdverklaring van de in beslag genomen hoeveelheid cocaïne en het busje van het merk Nissan Serena, met [kenteken 1], grijs gelakt.

Het hof verenigt zich niet met het beroepen vonnis, reden waarom het hof het vonnis a quo van de kantonrechter zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

De geldigheid van een deel van de ten laste legging

Het Hof overweegt dat de verdediging naar voren heeft gebracht dat de ten laste legging voorzover het onder A ten laste gelegde betreft nietig moet worden verklaard omdat het een obscuur libel betreft, immers, zo stelt de verdediging, staat in het kwalificatief gedeelte een ander feit dan in de verfeitelijking en is er sprake van een zodanige tegenstrijdigheid dat de verdachte niet weet waartegen hij zich moet verdedigen. De vervolging heeft daarop gereageerd door aan te geven dat het standpunt van de verdediging te begrijpen is en dat er voor A dan ook vrijspraak gevorderd is.

Het Hof overweegt dat, gelijk de verdediging aanvoert, in het onder A ten laste gelegde een verschil bestaat tussen de kwalificatie en de verfeitelijking, immers staat in het kwalificatief gedeelte van A genoemd het feit ”samenspanning tot invoer, doorvoer of uitvoer van cocaïne” en staat in de verfeitelijking onder A een feitenrelaas welke neerkomt op het ”samenspannen om cocaïne te vervoeren met het bestelbusje”. Er is derhalve sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid zodat dat gedeelte van de ten laste legging zal worden nietig verklaard.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder B en C ten laste gelegde overweegt het Hof dat zij, anders dan de vervolgingsambtenaar, met de raadsman van oordeel is dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het onder B en C ten laste gelegde heeft begaan.

Alhoewel de vervolging zich in haar opsomming van de bewijsmiddelen beroept op een bekennende verklaring van de verdachte, welke volgens de vervolging in samenhang met enkele andere bewijsmiddelen zou kunnen leiden tot het bewijs van het doen vervoeren van cocaïne, is het Hof van oordeel dat die genoemde verklaring in samenhang met de genoemde bewijsmiddelen niet kunnen leiden tot de feiten zoals opgenomen in de dagvaarding onder B en C, immers blijkt uit die genoemde verklaring dat het niet tot de uitvoering van vervoer van cocaïne is gekomen.

Het Hof zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde onder B en C.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 03 juli 2006 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep.

en opnieuw rechtdoende:

Verklaart de dagvaarding nietig voorzover betrekking hebbende op het onder A ten laste gelegde feit;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder B en C ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;.

Gelast de teruggave van de in beslag genomen bestelbus van het merk Nissan Serena ([kenteken 1]) en de personenauto van het merk Toyota Premio ([kenteken 2]);

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen cocaïne.

Aldus gewezen door:

mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President,

mr. I. S. Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid- Plaatsvervanger,

bijgestaan door mw I. Madarsa als fungerend-griffier,

en uitgesproken te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 04 juni 2012.

w.g.I. Madarsa w.g.R.G. Rodrigues

w.g. I. S. Lachitjaran

w.g. A. C. Johanns

Voor eensluidend afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr.M.E. van Genderen-Relyveld)

 

 

 

SRU-HvJ-2001-3

PRO JUSTITIA IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

VONNIS 2001 No.3

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 12 april 1999 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte],

oud 25 jaar,

geen beroep,

geboren in Suriname,

wonende aan [adres] te [district], verdachte, bijgestaan door haar raadsman, Mr.R.U.F.Truideman,advokaat bij het Hof van Justitie in Suriname.

Gelet op het tijdig door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep;

Gehoord de verdachte in haar verdediging, daarin bijgestaan door haar raadsman, Mr.R.U.F.Truideman, advokaat bij het Hof van Justitie;

Gehoord de getuigen in hun beedigde, dan wel op belofte, afgelegde verklaringen;

Gehoord het Openbaar Ministerie;

Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan de verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaarding, welke akte van dagvaarding als hier geinsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat de verdachte het bij inleidende akte van dagvaarding onder sub C ten laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;

met vrijspraak van het meer of anders telaste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als :

Overtreding van een voorschrift van de Rijwet 1971, vallende onder artikel 2 van deze Rijwet en strafbaar gesteld bij artikel 19 lid 2 daarvan en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot :

een geldboete van EENDUIZEND EN VIJFHONDERD GULDEN, met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis voor de tijd van DRIE WEKEN;

Overwegende, dat het Hof zich niet kan verenigen met het vonnis a quo, weshalve dit moet worden vernietigd en opnieuw recht gedaan moet worden;

Overwegende, dat ter terechtzitting in hoger beroep onder meer hebben verklaard, zakelijk weergegeven:

1. De getuige Dr.ANIJS, JOHN ERIC:

dat de doodsoorzaak van het slachtoffer [naam 1] te wijten is aan een longontsteking;

dat hij bedlegerig was geworden,diabeet was, niet at en zeer passief geworden was;

dat nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen, hij bij hem,Anijs voor behandeling kwam voor de letsels, welke hij door de aanrijding had opgelopen;

dat hij depressief was geworden, doordat zijn been was geamputeerd alsgevolg van de aanrijding, was zijn indruk;

dat de behandelende artsen van het Academisch Ziekenhuis het goed vonden, dat het slachtoffer naar huis mocht, doch na ongeveer 10 dagen hij weer werd opgenomen, vanwege een verhoogde bloedsuikergehalte en dat de oorzaak hiervan was, dat hij weigerde voedsel tot zich te nemen;

dat genezing van een geamputeerd been langzaam plaatsvindt;

dat het slachtoffer bedrust nodig had en hierdoor een longembolie opliep;

dat iemand geen diabeet hoeft te zijn om een longembolie op te lopen;

dat bij een diabeet er een verzwakking optreedt in het immuunsysteem;

dat er een verlaging in de weerstand optreedt;

dat het mogelijk is,dat door de psychische zwakte, welke bij het slachtoffer is ontstaan als gevolg van de aanrijding, zijn weerstand is gaan verlagen;

2. de getuige [naam 2]:

dat binnen de kortste uren, nadat er melding was gemaakt van de aanrijding aan de Johannes Mungrastraat,hij, [naam 2], zich ter plekke begaf;

dat het slachtoffer over de Johannes Mungrastraat reed;

dat hij vanuit de Tweede Rijweg, richting Kernkampweg opkwam, terwijl de verdachte vanuit de Virolastraat (een zijstraat van de Johannes Mungrastraat)naar de richting van de Johannes Mungrastraat reed;

dat op de kruising van de Virola- en de Johannes Mungrastraat zich een stopbord bevindt;

dat er verkeersborden langs de Johannes Mungrastraat zijn aangebracht, waarop is aangegeven dat het verkeer over de Johannes Mungrastraat voorrang heeft;

dat hij geen remsporen terplekke heeft waargenomen;

dat er wel particles zijn aangetroffen;

dat het weer zonnig was;

dat het ongeval voor 12.00 des middags heeft plaatsgevonden.

dat de bromfiets van het slachtoffer zich onder de auto van de verdachte bevond, ter hoogte van de radiator;

dat het slachtoffer een korte verklaring heeft afgelegd, welke inhield, dat hij over de Johannes Mungrastraat reed via de Tweede Rijweg en op de kruising van de Johannes Mungrastraat en de Virolastraat door een roodgelakte auto werd aangereden, welke door de verdachte bestuurd werd;

dat de verdachte voorrang moest verlenen aan het slachtoffer;

dat hij zich thans niet kan herinneren of hij dit in zijn proces-verbaal heeft verwoord;

dat de auto van de verdachte aan de voorzijde beschadigd was, doch het slachtoffer niet wist of deze beschadiging zich aan de linker-of rechterzijde bevond;

dat het slachtoffer pijn had aan zijn been en per ambulance naar de EHBO werd gebracht;

dat de verdachte terplaatse heeft verklaard, dat zij geen voorrang had verleend aan het slachtoffer;

dat zowel de verdachte als het slachtoffer zich konden verenigen met de situatietekening;

dat de aanrijding plaatsvond op de rijhelft van het slachtoffer;

dat hij noch rem- noch sleepsporen terplekke heeft aangetroffen;

dat aangezien de aanrijding op de rijhelft van het slachtoffer heeft plaatsgehad,hij hierdoor een linkerbeenfractuur heeft opgelopen;

Overwegende, dat voornoemde getuige ter terechtzitting van 14 november 2001 nader is gehoord en alstoen heeft verklaard:

dat de situatieschets door hem is opgemaakt en dat beide partijen deze hebben ondertekend;

dat er slechts 1 situatieschets door hem is gemaakt;

dat hij in opdracht van zijn meerdere, de heer [naam 3] geen verkeersborden daarop heeft aangebracht;

dat het strafdossier in deze staat naar het Parket is verzonden;

dat hij ongeveer twee weken hierna door de Hoofdofficier van Justitie,Mr.Mohammedamin,is opgeroepen om de bestaande situatieschets aan te passen;

dat hij de verkeersborden alsnog moest aanbrengen op de situatieschets;

dat hij voornoemde handeling heeft gepleegd in het bijzijn van laatstgenoemde bij wege van correctie;

dat hij het strafdossier niet heeft meegenomen;

dat hij van het voorgaande geen proces-verbaal heeft opgemaakt;

dat het sporadisch voorkomt, dat zulks geschiedt;

dat het in deze gaat om dezelfde situatieschets,welke hij eerder had opgemaakt;

dat hij tijdens de opmeting wel verkeersborden terplekke heb waargenomen ;

dat het gaat om drie verkeersborden, twee die een voorrangsweg aanduiden en een bord, dat een stopbord voorstelt;

dat aan de zijde van de Virolastraat zich geen stopbord bevindt;

3. de [verdachte]:

dat de aanrijding heeft plaatsgevonden op de hoek van de Virola- en de Johannes Mungrastraat;

dat zij vanuit de Gemenelandsweg kwam aanrijden en naar rechts zou afslaan de Virolastraat in;

dat zij een rechtse bocht heeft beschreven;

dat er zich wel een stopbord op het kruispunt bevindt;

dat zij is gestopt op de kruising, alvorens de bocht te beschrijven en zag dat er geen verkeer aankwam;

dat zij een goed uitzicht had;

dat zij naar alle kanten goed gekeken had;

dat zij plotseling een bromfiets voor haar auto zag;

dat haar voertuig frontaal tegen voornoemde bromfiets opbotste;

dat het niet druk was op de weg en dat zij de bromfietser niet heeft zien aankomen;

dat zij heeft afgeremd, doch dit hielp niet, waardoor er een frontale aanrijding heeft plaatsgevonden;

dat de bromfiets iets onder de auto is komen te liggen;

dat het slachtoffer vanuit de Tweede Rijweg kwam aanrijden;

dat zij de bromfietser pas heeft gezien, toen deze zich voor haar auto bevond;

dat haar voertuig een linkse stuur heeft;

dat zij na de aanrijding haar voertuig tot stilstaan heeft gebracht;

dat het slachtoffer op de grond lag;

dat zij de politie is gaan opbellen en dat deze samen met een ambulance terplekke arriveerde;

dat zij al twee jaar een motorvoertuig bestuurt;

dat zij bekend is met de situatie op voormelde kruising, daar zij vrijwel dagelijks daarover rijdt;

dat zij de waarheid bij de politie heeft verklaard;

dat zij de situatieschets mede heeft ondertekend;

dat zij zich niet kan herinneren of er op de door haar ondertekende situatieschets, wel of geen verkeersborden waren geplaatst;

5. de geneeskundige verklaring van Dr.R.H.A. Tjong Ayong, orthopedisch-chirurg,inhoudende de letsels welke hij bij het slachtoffer had waargenomen, n.l.: fractuur linker bovenarm en verbrijzelingsfractuur linker onderbeen;

Overwegende, dat de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van woensdag 10 oktober 2001 als verweer heeft aangevoerd, dat de fotocopie van de situatieschets inzake de aanrijding, welke aan hem was overhandigd, niet overeenstemt met de situatieschets, welke zich in het strafdossier bevindt; dat op de laatstbedoelde situatieschets verkeersborden zijn aangebracht, welke op de litigieuze situatieschets in fotocopy ontbreken;

Overwegende, dat de raadsman van de verdachte heeft gesteld, dat het aanbrengen van de aanvulling op de situatieschets, nadat hem een fotocopie hiervan was overhandigd, als strijdig met een goede procesorde moet worden geacht;dat hij pas bij bestudering van het strafdossier, in verband met de behandeling van deze strafzaak in hoger beroep, deze aanvulling op de situatieschets heeft geconstateerd;

Overwegende, dat de raadsman van de verdachte naar aanleiding hiervan het Hof het verzoek heeft gedaan, het vonnis van de Kantonrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende in hoger beroep de Vervolgingsambtenaar niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van voormeld verweer gebleken is, dat bij de behandeling van deze strafzaak door de Kantonrechter geen beroep is gedaan op de aanvulling van de situatieschets;

Overwegende, dat deze aanvulling voor de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg reeds was aangebracht;

Overwegende, dat het het Hof niet gebleken is, dat de verdachte zowel bij de behandeling in eerste aanleg als bij die in hoger beroep in haar verdediging is geschaad;

Overwegende, dat op grond hiervan het Hof dit aangedragen verweer als ongegrond verwerpt;

Overwegende, dat het Hof bij tussenvonnis van 28 november 2001 heeft bevolen het onderzoek te hervatten na te hebben overwogen,dat haar gebleken is, bij de beraadslaging, dat het onderzoek niet volledig is geweest;

Overwegende, dat het Hof ter terechtzitting van gemelde datum nader heeft gehoord de verdachte, die verklaard heeft zoals in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van de voorschreven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen acht, met de schuld van verdachte daaraan, hetgeen haar bij dagvaarding sub B is te laste gelegd, te weten dat op 23 juli 1998 te Paramaribo, het aan haar schuld te wijten is geweest dat bij gelegenheid van een aanrijding met een door haar, verdachte, bestuurd motorrijtuig, een ander, te weten [naam 1], zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen,terwijl dat door voornoemde [naam 1]bekomen letsel door die aanrijding is veroorzaakt, hebbende zij, verdachte, op vermelde tijd en plaats als bestuurster van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede hoogst onachtzaam gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Virolastraat, komende vanuit de richting van de Margarethalaan en gaande naar de richting van de Gemenelandsweg en gekomen nabij de kruising gevormd door die Virolastraat en de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Johannes Mungrastraat, alwaar kort voor genoemde kruising op die Virolastraat een bord overeenkomstig model 12 van de Bijlage van het Rijbesluit was aangebracht, aangevende dat het verkeer rijdende over die Virolastraat diende te stoppen en voorrang moest verlenen aan het verkeer rijdende over die Johannes Mungrastraat, vermelde kruising opgereden zonder daarbij te stoppen en voorrang te verlenen aan een over die Johannes Mungrastraat, komende vanuit de richting van de Tweede Rijweg en gaande naar de richting van de Kernkampweg, rijdend tweewielig motorrijtuig, bromfiets, hetwelk alstoen bestuurd werd door [naam 1]en hetwelk vermelde kruising en dat door haar, verdachte bestuurd motorrijtuig, alstoen dicht genaderd was, tengevolge van welke wijze van rijden van haar, verdachte, er een aanrijding is ontstaan tussen vermelde motorrijtuigen, tengevolge waarvan [naam 1] voornoemd in gewelddadige aanraking is gekomen met meer harde vlakken van vermelde motorrijtuigen en gedeelten van het verhard wegdek, tengevolge waarvan voornoemde [naam 1] heeft bekomen fractuur linker-bovenarm en verbrijzelingsfractuur linker-onderbeen;

Overwegende, dat het te laste van de verdachte bewezen geachte feit moet worden gekwalificeerd als: misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 2 juncto artikel 21 lid 1 van de Rijwet 1971;

Overwegende, dat de verdachte deswege strafbaar is zijnde van geen grond tot uitsluiting of opheffing der strafbaarheid gebleken;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in overeenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit werd gepleegd en de persoon van de verdachte;

Gezien voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9,34, 40 en 127 van het Wetboek van Strafrecht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht, hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A is telaste gelegd en hetgeen haar bij dagvaarding sub B meer of anders is te laste- gelegd dan bewezen is verklaard, weshalve zij daarvan behoort te worden vrijgesproken;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verwerpt het door de raadsman van de verdachte aangedragen verweer als ongegrond;

Vernietigt het vonnis van 12 april 1999 door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte] waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde feit als voormeld;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt haar te dier zake tot een geldboete van f.1500,– (VIJFTIEN HONDERD GULDEN), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis voor de tijd van twee weken;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen de verdachte bij dagvaarding sub A is telaste gelegd en hetgeen haar bij dagvaarding sub B meer of anders is telastegelegd dan bewezen is verklaard;

SPREEKT HAAR DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door: Mr.J.R. VON NIESEWAND, Vice-president, Mevr.Drs.C.C.L.A. VALSTEIN-MONTNOR, Lid en Mr.M.G.de MIRANDA, Lid-Plaatsvervanger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 28 NOVEMBER 2001, door de Vice-President voornoemd in tegenwoordigheid van Mevr.V.SPLINTER-BANDHOE, fungerend-griffier.

 

 

 

 

SRU-HvJ-2002-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Gezien het door FRIESLAND BRANDS B.V., rechtspersoon, gevestigd te Leeuwarden, Nederland, kantoorhoudende aan de Pieter Stuyvesantweg 1, 8937 AC Leeuwarden, Nederland, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Mr.F.H.R.Lim A Postraat no.1, bij het Advocatenkantoor Lim A Po, verzoekster, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.B.A.Halfhide, Advokaat, op 14 januari 2000 ingediend verzoekschrift, gedagtekend 13 januari 2000, strekkende tot nietigverklaring op de daarin gevorderde gronden van de inschrijving onder de nummers 13.169, 13.170, 13.171 en 13.172 in de openbare registers van het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname, gedaan ten verzoeke van ARISCO PRODUTOS ALIMENTICIOS LTDA, gevestigd en kantoorhoudende aan de Rua Arisco no.1, 74000 Goias-Goiania in Brazilië, verweerster, blijkens de publikatie in de aflevering van het Bijblad behorende bij het Advertentieblad van de Republiek Suriname van vrijdag 16 april 1999 onder de nummers 13,169, 13,170, 13.171 en 13,172 van het woordmerk Frisco; verweerster heeft taal noch teken van zich laten horen;

Gezien de overige stukken van het geding; de inhoud dier stukken wordt als in deze beschikking letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;

Gehoord verzoekster bij monde van haar gemachtigde Mr.B.A. Halfhide, die daarbij heeft overgelegd een comparitievolmacht de dato; 18 juni 2002 met bijlage; wordende de inhoud dezer produkties eveneens hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat ten processe is komen vast te staan, dat de Coöperatieve Melkproductenbedrijven ”Noord-Nederland ” B.A, voorheen geheten Friesche Coöperatieve Zuivel Export Vereeniging FRICO, op 16 januari 1969 als eerste het merk, Frico, overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de Wet op de Industriële Eigendom, in de daartoe bestemde openbare registers van het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname heeft ingeschreven onder no.6220 zulks ter onderscheiding van haar handelswaren; dat bij akte verleden ten overstaan van Mr.Dirk Caminada, notaris te Rijswijk, Nederland, de dato 23 november 1990 de Coöperatieve Melkproducten bedrijven ”Noord-Nederland” B.A. een fusie is aangegaan, waarbij Friesiand (Frico Domo) Coöperatie B.A, de verkrijgende rechtspersoon is geworden van het Industriële Eigendomsrecht van het merk FRICO, hetgeen op 3 juni 1991 gemeld is bij het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname;

dat bij akte van 25 januari 1996 Friesland (Frico Domo) Coöperatie B.A. haar handelsmerk no.6220 woordmerk Frico heeft overgedragen aan Friesland Brands B.V.;

dat deze overdracht meegedeeld is aan het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname;

dat voormelde inschrijving no.6220 telkenmale is vernieuwd, laatstelijk op 30 maart 1999; dat, naar uit het zijdens verzoekster overgelegd bijblad van het Advententieblad van de Republiek Suriname blijkt, ten verzoeke van verweerster door het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname op 16 april 1999 onder merknummers 13.169, 13.170, 13.171 en 13.172 is ingeschreven het woordmerk ”Frisco” kennelijk ter onderscheiding van haar handelswaren, vermeld in het desbetreffend bijblad;

Overwegende, dat verzoekster nietigverklaring van voormelde inschrijving vordert op grond dat zij in 1969 het merk Frico ais eerste in Suriname gebruikt heeft en steeds onafgebroken alhier verder gebruikt ter onderscheiding van haar waren, vermeld op de lijst waarvan de inhoud als hier ingelast wordt aangemerkt;

dat het woordmerk Frisco in hoofdzaak overeenstemt met het aan haar -verzoekster- toekomend merk Frico en waarop zij op grond van het in het 3e en 6e ”sustenu” van het Verzoekschrift gestelde, welk gestelde als hier letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, het uitsluitend recht heeft, terwijl beide merken voor nagenoeg dezelfde handelswaren gebruikt worden;

dat het gebruik van het handelsmerk Frisco verwarring kan verwekken ten opzichte van het handelsmerk Frico nu beide merken voor dezelfde soort van waren worden gebruikt;

dat zeker is, dat het merk Frico in Suriname bekend staat als het merk van verzoekster;

dat zij, verzoekster houder is van het merk Frico in verschillende landen;

Overwegende, dat verzoekster ter adstructie van haar voormelde stellingen heeft aangevoerd;

dat zij als rechtspersoon burger is van het Koninkrijk der Nederlanden en aangezien die Staat en Suriname partij zijn bij het Herzien Internationaal Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de Industriële Eigendom (Stockholm, 14 juli 1967) is zij -verzoekster- gerechtigd tot het genot van de voordelen van dat Verdrag;

Overwegende, dat nu het voorgaande op generlei wijze weersproken is en mitsdien als rechtens vaststaand dient te worden aangenomen, kan het verzoek van verzoekster als op de wet gegrond worden toegewezen, zijnde het Hof immers van oordeel dat in casu tussen de merken ”Frisco” en ”Frico” voor dezelfde soort van waren zodanige overeenstemmen bestaat dat bij het publiek verwarring omtrent de herkomst van de waren zou kunnen ontstaan;

BESCHIKKENDE:

Verklaart nietig de ten verzoeke van verweerster gedane inschrijving van het woord merk ”Frisco” in de openbare registers van het Bureau voor de Industriële Eigendom in Suriname, gepubliceerd in het bijblad behorende bij het Advertentieblad van de Republiek Suriname van 16 april 1999; onder de nummers 13.169, 13.170, 13.171 en 13.172;

Aldus gegeven door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Leden en door de Waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van justitie van VRIJDAG, 18 OKTOBER 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier,

w.g. M.E.Van Genderen- Relyveld w.g. J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de gemachtigde van verzoekster, advokaat Mr.B.A.Halfhide, terwijl de gerekesteerde noch bij vertegenwoordiger, noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2018-22

G.R.No.14863

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaken van

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP STAATSOLIE MAATSCHAPPIJ SURINAME N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

verder te noemen: Staatsolie,

appellante,

gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

[naam],

wonende te [district],

geïntimeerde,

verder te noemen: [naam],

gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat

en

[naam],

wonende te [district],

appellante,

verder te noemen: [naam],

gemachtigde: mr. A. Adelaar, advocaat,

tegen

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP STAATSOLIE MAATSCHAPPIJ SURINAME N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

verder te noemen: Staatsolie,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

inzake het door partijen wederzijds ingestelde hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 8 november 2012 (A.R.No. 12-2265) tussen [naam] als eiseres en Staatsolie als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– de uittreksels uit het algemeen register van de griffier der kantongerechten, waaruit blijkt dat beide partijen tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;

– de pleitnota van Staatsolie d.d. 7 februari 2014;

– de antwoordpleitnota van [naam] d.d. 4 april 2014;

– de repliekpleitnota van Staatsolie d.d. 6juni 2014;

– de dupliekpleitnota van [naam] d.d. 18 juli 2014;

– en

– de pleitnota d.d. 7 maart 2014 van [naam];

– de antwoordpleitnota d.d. 2 mei 2014 van Staatsolie;

– de repliekpleitnota d.d. 4 juli 2014 van [naam];

– de dupliekpleitnota d.d. 15 augustus 2014 van Staatsolie.

De beoordeling

1. De door de kantonrechter onder 2.1. tot en met 2.5 van haar vonnis vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het Hof daarvan uitgaat.

2. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2012 rechtsgeldig en regelmatig is geëindigd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat een schrijven van Staatsolie aan [naam] d.d. 19 december 2011 beschouwd moet worden als opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen eerstgenoemde datum. De bij deze opzegging in acht genomen termijn was te kort, aldus de kantonrechter. Op grond daarvan is in het vonnis aan [naam] bij wege van schadevergoeding een bedrag van US$ 2,331.18 toegewezen, vermeerderd met rente en proceskosten. De kantonrechter heeft het door [naam] meer of anders gevorderde afgewezen.

3. Tegen deze beslissing hebben partijen wederzijds appel aangetekend. Dat is tijdig en op de juiste wijze geschied, zodat zij in het hoger beroep kunnen worden ontvangen.

4. Staatsolie bestrijdt het vonnis van de kantonrechter met drie grieven. [naam] licht haar bezwaren tegen het vonnis in een doorlopend betoog toe.

Het Hof zal eerst grief 1 van Staatsolie bespreken, omdat deze het verst strekt.

5. Artikel 1615e BW lid 1 bepaalt dat een voor een bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking van rechtswege eindigt, wanneer de tijd is verstreken. Volgens het derde lid van dit artikel is niettemin in enkele gevallen voorafgaande opzegging vereist. Een van die gevallen is de in artikel 1615f BW beschreven voortzetting zonder tegenspraak van een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst. Ingevolge laatstgenoemd wetsartikel vindt die voortzetting plaats voor dezelfde duur en onder dezelfde voorwaarden.

6. [naam] meent dat in deze zaak zich voordoet het hiervoor onder 5 beschreven geval, terwijl Staatsolie – ook in haar genoemde grief – betoogt, zakelijk weergegeven, dat de toen bestaande arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege eindigde per 1 februari 2012, omdat deze niet kan worden beschouwd als stilzwijgende voortzetting van een of meer daaraan voorafgegane arbeidsovereenkomsten.

7. Het Hof oordeelt als volgt.

In de eerste van de drie door partijen getekende contracten is bepaald dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en zou eindigen per 1 februari 2010. Ook in het tweede en het derde contract is vermeld dat de (voortgezette) arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar, onder vermelding van een einddatum van 1 februari 2011, onderscheidenlijk 1 februari 2012. Evenals het eerste contract bevatten de beide laatste contracten de clausule dat geen voorafgaande opzegging is vereist. Uit de beide laatste contracten is aldus kenbaar dat partijen óók bij het aangaan van de daarin neergelegde overeenkomsten uitdrukkelijk de voorwaarden en duur van de (voortgezette) dienstbetrekking opnieuw onder ogen hebben gezien en afgesproken. Daarom is hier niet een “voortzetting zonder tegenspraak” aan de orde; partijen hebben daarentegen de gevolgen van die voortzetting “opzettelijk geregeld”. Het tweede en het derde contract dateren van respectievelijk 28 juni 2010 en 24 februari 2011, derhalve van een tijdstip dat is gelegen na de einddatum van het eerdere contract. Dit doet aan het voorgaande niet af. Ook indien de daarin neergelegde overeenkomsten eerst op deze data zijn aangegaan – en de contracten dus niet een weergave zijn van hetgeen al eerder werd overeengekomen – brengt dit niet mee dat hier van “voortzetting zonder tegenspraak” kan worden gesproken. In dat geval zijn de afspraken ten dele met terugwerkende kracht gemaakt.

8. Het vorenstaande brengt mee dat het standpunt van Staatsolie juist is en dat de arbeidsovereenkomst met [naam] van rechtswege eindigde per 1 februari 2012. Het hierboven genoemde schrijven van 19 december 2011 hield dan ook geen opzegging in, maar een aanzegging dat deze keer niet een nieuwe arbeidsovereenkomst zou worden gesloten.

9. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het vonnis van de kantonrechter moet worden vernietigd en dat de vorderingen van [naam] alsnog zullen worden afgewezen. De overige grieven van Staatsolie en de bezwaren van [naam] tegen het vonnis van de kantonrechter behoeven, gelet op deze beslissing, geen bespreking. [naam] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 8 november 2012 (A.R.No. 12-2265)

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [naam] af.

veroordeelt [naam] in de kosten van het geding in hoger beroep alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Staatsolie begroot op:

– voor de eerste aanleg op Nihil;

– voor het hoger beroep op SRD 188,–;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Sohansingh namens advocaat mr. R. Sohansingh, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. A. Adelaar, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-21

G.R.No.14662

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP INTERVAST SURINAME N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

appellante in kort geding,

gemachtigde: mr. A.D. Soedamah, advocaat,

tegen

A. [geïntimeerde A], wonende in Nederland,

B. [geïntimeerde B], wonende in Nederland,

C. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP PROJECTGROEP SURINAME 2003 N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

geïntimeerden in kort geding,

gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 28 april 2011 (A.R.No.10-0200) tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het proces-verbaal d.d. 12 juli 2011 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellante tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 3 augustus 2012;

– de antwoordpleitnota d.d. 7 december 2012;

– de repliekpleitnota d.d. 18 januari 2013;

– de dupliekpleitnota d.d. 19 april 2013;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 2 augustus 2013 en vervolgens nader op 3 augustus 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellante daarin kan worden ontvangen. Ingevolge artikel 269 Rv is het tevens gericht tegen het aan het eindvonnis voorafgegane tussenvonnis van 5 augustus 2010.

2. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

a. Appellante staat onder haar naam sedert 20 juli 1999 ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Suriname en houdt zich bezig met, kort gezegd, projectontwikkeling en aanverwante activiteiten.

b. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Den Haag, Nederland, is ingeschreven Intervast v.o.f. (verder: Intervast NL). Blijkens het geproduceerde uittreksel zijn geïntimeerden A en B daarvan de beherende vennoten. Ook deze vennootschap houdt zich bezig met projectontwikkeling en aanverwante activiteiten.

c. Intervast NL is zich vanaf zekere datum ook in Suriname gaan bezighouden met projectontwikkeling en dergelijke. Voor geïntimeerden C is dat pas het geval na haar oprichting in 2003.

3. Appellante stelt dat zij in Suriname de rechthebbende is op de handelsnaam “Intervast” en heeft op die grond gevorderd dat het geïntimeerden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt verboden (in Suriname) die handelsnaam te gebruiken. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen.

4. Tegen deze beslissing komt appellante in hoger beroep op.

5. Geïntimeerden hebben tegen de vordering van appellante onder meer aangevoerd dat zij – dat wil zeggen: geïntimeerden A en B – de handelsnaam “Intervast” al sedert 1995 in Nederland gebruiken, dus in elk geval eerder dan appellante dat in Suriname is gaan doen, zodat ingevolge het zogenaamde Unieverdrag van Parijs (hierna: het verdrag) zij ook in laatstgenoemd land bescherming van hun handelsnaam genieten.

6. Appellante heeft het gebruik in Nederland sedert 1995 door geïntimeerden A en B niet betwist. Zij voert evenwel aan dat dit gebruik haar in Suriname niet verder helpt omdat daarvan pas sprake is lang nadat appellante in dit land actief is geworden. Dat dit laatste niet juist is, volgt genoegzaam uit het door geïntimeerden in kopie overgelegde contract met de aannemer [naam] d.d. 1 maart 1998; Intervast NL gaf op die datum aan de aannemer opdracht voor de bouw van een woning in Suriname. Curieus is dat in dit contract “Intervast-Suriname” voor een beperkte rol als dochter van Intervast NL wordt geïntroduceerd; het komt het Hof dan ook voor dat appellante ervan goed op de hoogte was dat Intervast NL zelfs vóór haar onder 2a bedoelde inschrijving op de Surinaamse markt actief was. Voorts blijkt uit de door appellante in eerste aanleg overgelegde prospectussen dat Intervast NL na de oprichting van appellante – en wel in samenwerking met haar – in Suriname actief is geweest op het gebied van de projectontwikkeling c.a..

7. Suriname heeft zich gebonden aan het hiervoor onder 5 genoemde verdrag. Het in een verdrag geregeld recht is van een hogere orde dan dat van een nationale wet. Dit blijkt uit artikel 106 van de Grondwet: “Binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten, die hetzij voor hetzij na de totstandkoming van de voorschriften zijn aangegaan”. Ook Nederland is partij bij het verdrag.

8. Artikel 1 lid 1 van het verdrag luidt:
“De landen voor welke dit verdrag geldt, vormen een Unie tot bescherming van de industriële eigendom”. Blijkens het tweede lid van dit artikel valt ook de handelsnaam hieronder.

Artikel 2 van het verdrag luidt, voor zover van belang als volgt: “De onderdanen van elk van de landen der Unie zullen in alle andere landen der Unie, voor wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, de voordelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit ogenblik aan de nationalen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit Verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als deze en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hun rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd.
Echter kan voor het genot van geen der rechten van industriële eigendom van hen die tot de Unie behoren, geëist worden, dat zij een woonplaats of inrichting hebben in het land, waar op de bescherming aanspraak wordt gemaakt.”

Artikel 8 van het verdrag luidt: “De handelsnaam zal in alle landen der Unie zonder verplichting van depot of inschrijving, beschermd worden onverschillig of hij al dan niet deel uitmaakt van een fabrieks- of handelsmerk.” Uit de artikelen 1, 2 en 8 van het verdrag alsmede uit de hiervoor geciteerde bepaling van de Grondwet volgt dat, zelfs indien enige wettelijke bepaling zou voorschrijven dat voor bescherming van een handelsnaam hier te lande registratie vereist is, zodanig voorschrift onverbindend is jegens onderdanen van een land, zoals Nederland, dat eveneens tot het Unieverdrag is toegetreden.

9. Vanwege de hiervoor onder 6 vastgestelde feiten kunnen geïntimeerden A en B zich ook in Suriname op bescherming ingevolge het Unieverdrag beroepen. Blijkbaar hebben zij de bevoegdheid om de handelsnaam “Intervast” in Suriname te gebruiken ook aan geïntimeerden C toegekend.

10. De kantonrechter heeft dan ook terecht de vordering van appellante afgewezen. Hetgeen partijen over en weer nog meer hebben aangevoerd, kan vanwege dit oordeel onbesproken blijven.

De vonnissen waarvan beroep zullen worden bevestigd en appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Bevestigt de in deze zaak door de kantonrechter in kort geding tussen partijen gewezen vonnissen d.d. 5 augustus 2010 en 28 april 2011 (A.R.No. 10-0200 ).

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. V.M.S. Nooitmeer namens advocaat mr. A.D. Soedamah, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. H.A. Wekker namens advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van geintimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

 

 

SRU-HvJ-2018-20

G.R.N0. 14755

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

STICHTING VOLKSHUISVESTING SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellante,

verder aan te duiden als SVS,

gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

verder aan te duiden als [geintimeerde],

gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat (overleden).

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 16 januari 2007 in de zaak bekend onder A.R.No. 03-1073 tussen [geintimeerde] als eiser en SVS als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 8 februari 2007, inhoudende dat SVS op diezelfde dag hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 16 januari 2007 gewezen tussen [geintimeerde] als eiser en SVS als gedaagde;

– een pleitnota van 19 april 2013;

– een antwoord pleitnota van 5 juli 2013;

– een repliek pleitnota van 17 januari 2014;

– een dupliek pleitnota van 4 april 2014;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 7 november 2014 en vervolgens nader op 20 april 2018, doch bij vervroeging op heden.

2. De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SVS daarin kan worden ontvangen.

3. Vaststaande feiten

3.1 In paragraaf 2 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter tussen partijen vaststaande feiten weergegeven. Tegen die weergave zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof die feiten ook als vaststaand aanmerkt. In dit vonnis zal het hof er daarom van uitgaan dat tussen [geintimeerde] en SVS een per 1 februari 1994 ingaande arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft bestaan. Ingevolge die arbeidsovereenkomst was [geintimeerde] belast met de directievoering van SVS. Hij heeft tot en met 31 januari 2004 loon van SVS ontvangen en heeft aan SVS steeds kenbaar gemaakt dat hij zijn functie als waarnemend directeur wenste uit te oefenen.

3.2 Het hof voegt hier de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, aan toe:

– dat [geintimeerde] in kort geding tegen SVS een vordering heeft ingesteld waarop de kantonrechter bij vonnis van 23 oktober 1997 heeft beslist;

– dat dat vonnis op 7 april 2000 in hoger beroep door het hof is bevestigd;

– dat artikel 7 van de statuten van SVS (hierna: de statuten) luidt:

De Stichting wordt beheerd door een Direkteur bijgestaan door een Onder-Direkteur of een door de Minister aan te wijzen functionaris.

De Direkteur en de Onder-Direkteur, casu quo de in de vorige alinea bedoelde functionaris, worden door de Minister benoemd, geschorst en ontslagen.

De benoeming van de Direkteur geschiedt telkenmake voor een periode van ten hoogste vijf jaren.

De salarissen en andere arbeidsvoorwaarden van de Direkteur en de Onder-Direkteur, casu quo de in de eerste alinea bedoelde functionaris,worden door de Minister vastgesteld, na goedkeuring van de Raad van Ministers.

4. Bespreking van grief 1

4.1 [geintimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de door SVS betaalde bedragen achter bleven bij waar hij op grond van de arbeidsovereenkomst aanspraak op had. SVS heeft zich daartegen beroepen op de verjaring volgens artikel 1989 BW. De kantonrechter heeft dat beroep verworpen omdat hij van oordeel was dat de verjaring gestuit was door de door [geintimeerde] ingestelde vordering die geleid heeft tot het vonnis van 23 oktober 1997. De eerste grief bestrijdt die verwerping.

4.2 Daartoe voert SVS in de eerste plaats aan dat in het kort geding een loonvordering, dus een vordering tot nakoming van een arbeidsovereenkomst, aan de orde was, terwijl het thans gaat om een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad en dat beide vorderingen dus hemelsbreed in onderwerp verschillen.

4.3 Dat betoog acht het hof niet deugdelijk. Het moge waar zijn dat [geintimeerde] in de onderhavige zaak zijn vordering aanduidt als een vordering tot vergoeding van door een onrechtmatige gedraging veroorzaakte schade, maar in werkelijkheid is het dat niet. De onrechtmatige gedraging is immers niets anders dan de (gedeeltelijke) niet-nakoming van de arbeidsovereenkomst. Nu is het niet-betalen van verschuldigd loon op zichzelf natuurlijk wel in strijd met het recht en taalkundig is het wellicht verdedigbaar de onderhavige vordering te benoemen als een schadevergoedingsvordering op grond van onrechtmatig handelen, maar daardoor worden niet opeens totaal andere rechtsregels toepasselijk.

4.4 In de tweede plaats voert SVS ter ondersteuning van deze grief aan dat, als al sprake zou zijn van stuiting, de verjaring toch opnieuw zou zijn gaan lopen van 23 oktober 1997 af. Dat is in zoverre onjuist dat de stuitingsgrond niet op 23 oktober 1997 zou zijn opgehouden te bestaan, maar eerst op 7 april 2000. Wel is echter juist dat na beëindiging van de stuiting opnieuw een verjaringstermijn voltooid zou kunnen zijn.

4.5 Niettemin kan de grief niet slagen omdat hij miskent dat de verjaring die SVS inroept, te weten die welke in artikel 1989 BW geregeld is, geen eigenlijke verjaring is, maar een vermoeden van betaling. Uit artikel 1994, maar ook uit de geschiedenis der wet blijkt dat de korte termijnen van de artikelen 1989 tot en met 1992 BW berusten op een vermoeden dat de schuld vóór het omkomen van de daarvoor geldende termijn zal zijn betaald welk vermoeden tot zekerheid wordt wanneer des gevorderd de verwerende partij de eed aflegt dat die betaling ook inderdaad heeft plaats gegrepen. In overeenstemming hiermee worden van oudsher de bepalingen betreffende deze korte termijnen uitsluitend toegepast als de schuldenaar zich op betaling beroept. Beweert hij bijvoorbeeld dat de schuld door verrekening teniet is gegaan, dan werkt het vermoeden van betaling niet.

4.6 In het onderhavige geval is er echter in het geheel geen onzekerheid over de omvang van de door SVS gedane betalingen. [geintimeerde] heeft in de specificatie van zijn vordering een volledige opgave gedaan van de door hem ontvangen betalingen en SVS heeft (die specificatie wel, maar) die opgave in geen enkel opzicht bestreden. Haar verweer berust er niet op dat zij meer betaald zou hebben dan [geintimeerde] stelt, maar uitsluitend dat zij niet meer verschuldigd is. Het beroep op artikel 1989 BW is door de kantonrechter dus terecht verworpen en grief 1 faalt.

5. Bespreking van grief 2

5.1 Hoewel partijen het erover eens zijn dat tussen hen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en dat deze op 1 februari 1994 is ingegaan, twisten zij over de vraag hoe die overeenkomst schriftelijk is vastgelegd en wanneer zij is geëindigd.

5.2 [geintimeerde] beroept zich op een door hem overgelegde arbeidsovereenkomst, hem als werknemer en SVS als werkgever vermeldende, gedateerd 13 september 1996 en ondertekend door [geintimeerde] en de Minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (de minister). De overeenkomst vermeldt dat de minister overeenkomstig artikel 7 van de statuten door de Raad van Ministers (de Raad) gemachtigd was het salaris en andere arbeidsvoorwaarden vast te stellen. Zij bepaalt dat het dienstverband werd aangegaan voor vijf jaar met de mogelijkheid tot verlenging voor dezelfde periode en dat van stilzwijgende verlenging sprake zou zijn indien de overeenkomst zes maanden voor de expiratiedatum niet zou zijn opgezegd. Voorts bevat de overeenkomst een regeling van het [geintimeerde] toekomende loon en verdere arbeidsvoorwaarden. Volgens [geintimeerde] is de overeenkomst stilzwijgend verlengd en door de minister bij brief van 4 juli 2003 opgezegd tegen de expiratiedatum zodat ze eindigde per 1 februari 2004.

5.3 SVS beroept zich op een door haar overgelegde resolutie van de president van de republiek van 14 juli 1995 waarin de Directeur van Sociale Zaken en Volkshuisvesting gemachtigd wordt met [geintimeerde] ingevolge de beslissing van de Raad van 4 november 1993 een arbeidsovereenkomst aan te gaan onder de “in bijgaande overeenkomst aangegeven voorwaarden en overeenkomstig de bepalingen van de Personeelswet”. Aan de resolutie is een concept-arbeidsovereenkomst gehecht, niet gedateerd, ondertekend door de voormelde directeur, maar nog niet door [geintimeerde]. Volgens de tekst is het een overeenkomst tussen de republiek Suriname als werkgever en [geintimeerde] als werknemer, waarbij [geintimeerde] in dienst van de werkgever treedt voor het vervullen van de functie van beleidsmedewerker in de rang van Hoofdambtenaar “B” 2e klasse bij de departementsleiding met ingang van 1 februari 1994 voor een periode van drie jaar behoudens tussentijdse opzegging waartoe ieder der partijen bevoegd is. De overeenkomst geeft voorts een regeling van arbeidsvoorwaarden. Volgens SVS is de overeenkomst op 26 juni 2002 van rechtswege geëindigd wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van [geintimeerde].

5.4 De kantonrechter heeft het ervoor gehouden dat het gelijk aan de zijde van [geintimeerde] ligt in dier voege dat partijen de overeenkomst met elkaar zijn aangegaan bij de overeenkomst van 13 september 1996 en dat deze is beëindigd op 31 januari 2004, de expiratiedatum. Dat heeft de kantonrechter afgeleid uit een bij repliek overgelegde brief van 4 juli 2003 waarin de minister aan [geintimeerde] meedeelde dat de staat Suriname de overeenkomst van 13 september 1996 zou beëindigen op de expiratiedatum, dat deze brief de opzegging van de overeenkomst was en dat de reden tot deze beëindiging in hoofdzaak was gelegen in het feit dat [geintimeerde] de leeftijd van 60 jaar had bereikt. Daarbij merkt de kantonrechter op dat die brief niet weersproken is.

5.5 Daartegen komt SVS op met de tweede grief. Daarin betoogt zij in de eerste plaats dat zij door deze brief niet te weerspreken nog niet heeft erkend dat sprake is van een arbeidsovereenkomst van 13 september 1996. Dat betoog faalt omdat de kantonrechter zich op een dergelijke ontkenning niet heeft gebaseerd. Hij heeft zich gebaseerd op de inhoud van de brief zelf (wat hij mocht doen omdat de brief niet weersproken was en hij dus van de echtheid van het stuk mocht uitgaan) en op het feit dat de minister bij het opzeggen van de overeenkomst en aldus optredende als orgaan van SVS, ervan uitging dat die overeenkomst op 13 september 1997 op schrift gesteld was.

5.6 In de tweede plaats voert SVS in de toelichting op deze grief aan dat de bij repliek in het geding gebrachte brief rechtens irrelevant was omdat zij reeds bij antwoord had aangetoond dat de overeenkomst reeds op 26 juni 2002 van rechtswege geëindigd was. Ook dat betoog faalt. SVS had dat niet aangetoond, zij had het slechts gesteld met beroep op een brief van [geintimeerde] van 29 juli 2009 en [geintimeerde] had bij repliek bestreden dat uit die brief kon worden afgeleid wat SVS eruit had willen afleiden. En inderdaad deelde [geintimeerde] in die brief slechts mee dat hij op 26 juni 2002 de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Geen rechtsregel verbindt daaraan echter van rechtswege het gevolg dat de arbeidsovereenkomst eindigt. De grief moet daarom worden verworpen.

5.7 Ten overvloede merkt het hof overigens op dat de als bijlage bij de resolutie van 14 juli 1995 gevoegde overeenkomst, die SVS als regeling van der partijen rechtsverhouding voordraagt, daartoe bezwaarlijk kan dienen, zowel omdat ze nimmer het akkoord van [geintimeerde] heeft verworven als omdat ze helemaal geen arbeidsovereenkomst tussen [geintimeerde] en SVS inhoudt maar een geheel andere overeenkomst, namelijk tussen [geintimeerde] en de staat Suriname waarbij van SVS in het geheel geen sprake is.

6. Bespreking van grief 3

6.1 SVS heeft het standpunt ingenomen dat de overeenkomst van 13 september 1996 rechtsgevolg mist omdat het loon en de arbeidsvoorwaarden, zoals daarin voorzien, niet zijn goedgekeurd door de Raad zoals artikel 7 van de statuten voorschrijft. De kantonrechter heeft dat standpunt verworpen en daartegen richt zich grief 3.

6.2 Uit artikel 7 van de statuten volgt dat de salarissen en andere arbeidsvoorwaarden van [geintimeerde] dienden te worden vastgesteld door de minister na goedkeuring van de Raad. In het onderhavige geval heeft de Raad niet rechtstreeks uitgewerkte arbeidsvoorwaarden goedgekeurd die vervolgens door de minister zijn vastgesteld, maar heeft zij de minister gemachtigd de arbeidsvoorwaarden vast te stellen, wat deze vervolgens heeft gedaan. De vraag die zich vervolgens aandient, is of deze gang van zaken aan de eisen van artikel 7 voldoet. Volgens SVS is dat niet het geval, volgens [geintimeerde] wel. Dat is een vraag van uitleg van artikel 7.

6.3 Het hof is van oordeel dat de strekking van artikel 7 is dat de minister belast is met benoeming (en schorsing en ontslag) van de leidinggevende functionarissen van SVS en de vaststelling van hun arbeidsvoorwaarden, maar dat de Raad daarin voorafgaande inspraak toekomt. Die voorafgaande inspraak heeft de Raad gehad. Door zonder voorafgaande goedkeuring de minister te machtigen de arbeidsvoorwaarden vast te stellen, heeft de Raad er blijk van gegeven de door de minister vast te stellen arbeidsvoorwaarden op voorhand goed te keuren. [geintimeerde] mocht er in redelijkheid op vertrouwen dat de minister zich van voldoende autorisatie had voorzien. De grief faalt daarom.

7. Bespreking van de grieven 4 en 5

[geintimeerde] heeft een overzicht gegeven van zijn vordering, daarbij uitgaande van de naar zijn mening geldende arbeidsvoorwaarden zoals neergelegd in de overeenkomst van 13 september 1996. De kantonrechter heeft overwogen dat dit overzicht door SVS niet betwist is en heeft de gevorderde bedragen onder toepassing van een thans niet meer aan de orde zijnde matiging toegewezen. SVS komt hiertegen op met de grieven 4 en 5 waarin zij betoogt dat zij het overzicht wel degelijk heeft betwist:

– volgens grief 4 met het betoog dat de Raad aan de arbeidsvoorwaarden geen goedkeuring had gegeven;

– volgens grief 5 met het betoog dat de arbeidsovereenkomst op 26 juni 2002 van rechtswege tot een eind was gekomen.

Nu deze betogen reeds naar aanleiding van grief 3, respectievelijk grief 2 verworpen zijn, kunnen ook de grieven 4 en 5 geen effect sorteren.

8. Slotsom

Nu alle grieven falen, dient het bestreden vonnis te worden bevestigd met verwijzing van SVS in de kosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 16 januari 2007, A.R.No. 03-1073, tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt SVS in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze, voorzover tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geintimeerde] gevallen, op Nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en

w.g. A. Charan

Door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-19

G.R.No.14732

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende te [district 1],

verder te noemen: [appellant],

appellant in kort geding,

gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], [land],

verder te noemen: [geïntimeerde],

geïntimeerde in kort geding,

gemachtigde: mr. Ch. N. Mijnals, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 3 november 2011 (A.R.No.10-3846) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– de verklaring d.d. 10 november 2011van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 4 januari 2013;

– de antwoordpleitnota d.d. 19 april 2013;

– de repliekpleitnota d.d. 17 mei 2013;

– de dupliekpleitnota d.d. 2 augustus 2013.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen. Ingevolge artikel 269 Rv is het tevens gericht tegen het aan het eindvonnis voorafgegane incidenteel vonnis van 7 april 2011.

2. In deze zaak vordert [appellant] opheffing van een door [geïntimeerde] gelegd conservatoir beslag op een in de processtukken nader omschreven perceelland alsmede doorhaling daarvan ten hypotheekkantore.

3. De kantonrechter heeft bij haar bovengenoemd eindvonnis deze vordering van [appellant] afgewezen met de motivering dat de zaak zich niet voor behandeling in kort geding leent.

4. Tegen deze beslissing komt [appellant] in hoger beroep onder aanvoering van grieven op. Hij betoogt onder meer dat [geïntimeerde] het beslag op het hem in eigendom toebehorende perceel heeft gelegd ter zake van een vordering op een derde, namelijk een zuster van [geïntimeerde].

5. Blijkens de gedingstukken ligt aan het gelegde conservatoir beslag inderdaad een vordering van [geïntimeerde] op haar bedoelde zuster ten grondslag. Die zuster zou huuropbrengsten hebben genoten die eigenlijk aan [geïntimeerde] toekwamen, aldus laatstgenoemde.

6. Het Hof ziet niet in dat een eventuele vordering van [geïntimeerde] op haar zuster grond zou kunnen opleveren voor een beslag tot verhaal op een aan [appellant] in eigendom toebehorend perceel, ook niet indien [appellant] dit perceel van een beschikkingsonbevoegde zou hebben verkregen en zou blijken dat – uiteindelijk – [geïntimeerde] eigenaar van dat perceel is gebleven. In dit laatste geval zou zij het beslag hebben gelegd op een aan haarzelf in eigendom toebehorend goed en het spreekt voor zich dat dit geen enkel verhaal voor haar onderhavige vordering biedt.

7. Het komt het Hof voor dat [geïntimeerde] het beslag dan ook heeft aangewend voor een ander doel dan om haar geldvordering tegen haar zuster te verzekeren: blijkbaar moet het ook de teruglevering van het perceel aan [geïntimeerde] veilig stellen. Het Surinaams procesrecht kent thans echter geen “beslag op onroerend goed tot levering”, zodat [geïntimeerde] misbruik van recht verweten kan worden door dit te leggen en te handhaven.

8. De grieven van [appellant] zijn gegrond in zoverre als hiervoor aangegeven en behoeven voor het overige geen bespreking.

9. Het tussenvonnis, waartegen het Hof ambtshalve geen bedenkingen koestert, zal worden bevestigd, maar het eindvonnis wordt om bovengenoemde redenen vernietigd. De vorderingen van [appellant] zullen alsnog worden toegewezen op de wijze zoals hieronder aan te geven.

Nu de beslissing in hoogste instantie wordt gegeven, zal het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Evenmin bestaat voldoende grond voor een uitvoerbaarverklaring op de minuut en op alle dagen en uren.

[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in dit kort geding door de kantonrechter tussen partijen gewezen incidenteel vonnis d.d. 7 april 2011 (A.R.No. 10-3846 ),

vernietigt het in dit kort geding door de kantonrechter tussen partijen gewezen eindvonnis d.d. 3 november 2011 (A.R.No. 10-3846),

en opnieuw rechtdoende:

heft op het namens [geïntimeerde] op 12 juli 2010 in register D deel 74 onder [nummer] gelegd conservatoir beslag op het perceelland groot 333 m2, gelegen in het [district 2], thans [district 1], aan [adres], aangeduid op de kaart van de landmeter R. Lieuw Kie Song d.d. 18 november 1978 met de letters ABCD en het [nummer] deel uitmakende van de (voormalige) plantage Ma-Retraite;

gelast de doorhaling van de overschrijving van dit beslag in de betreffende registers van het hypotheekkantoor;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot:

– voor de eerste aanleg op SRD 355,–;

– voor het hoger beroep op SRD.100,–;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. S.M.M. Chu

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 20 april 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advocaat mr. C.A.F. Meijnaar en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. Ch. N. Mijnals, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld