SRU-HvJ-2018-5

G.R.No. 15038

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STICHTING RADIO OMROEP SURINAME (SRS),

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellante in kort geding, oorspronkelijk eiseres in kort geding,

gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME,

rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

geïntimeerde in kort geding, oorspronkelijk gedaagde in kort geding,

gemachtigden: mr. E. Naarendorp, advocaat en [naam], algemeen directeur,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter van het eerste kanton gewezen en op 19 januari 2015 uitgesproken kort geding vonnis (A.R.No. 14-4867) tussen appellante als oorspronkelijk eiseres en geïntimeerde als oorspronkelijk gedaagde,

spreekt de Fungerend president, in Naam van de Republiek het volgende vonnis uit. Daarin zal appellante ook wel als SRS worden aangeduid en geïntimeerde als Sasur.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken inhoudende dat appellante op 29 januari 2015 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van het eerste kanton, op 19 januari 2015 in kort geding tegen haar uitgesproken;

– een pleitnota van SRS van 15 januari 2016;

– een antwoordpleidooi van 4 maart 2016;

– een repliekpleidooi van 6 mei 2016 en

– een dupliek pleidooi tevens uitlating productie van 5 augustus 2016.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

1. Nu het hoger beroep binnen de voor korte gedingen geldende beroepstermijn van twee weken is ingesteld, kan appellante daarin worden ontvangen.

De omvang van het hoger beroep

2. Blijkens de aanhef ervan bouwt het bestreden vonnis van 19 januari 2015 voort op een in deze zaak eerder gewezen vonnis van 30 december 2014, waarbij een comparitie van partijen was gelast. Dit laatste vonnis zal mede in die beoordeling worden betrokken, ook gelet op artikel 269 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Omdat er geen grieven tegen zijn ingediend en de rechter daarin slechts een ook daadwerkelijk gehouden comparitie heeft gelast, kan het in stand blijven.

De beoordeling

3. De feiten

3.1 Bij op verzoek van Sasur gewezen en onherroepelijk geworden kort geding vonnis van 3 december 2009 (AR 07-3984) was het SRS verboden, zonder toestemming van Sasur (delen van) muziekwerken al dan niet in de oorspronkelijke versie via het door haar geexploiteerde radiostation openbaar te maken en te verveelvoudigen, die behoorden tot het door Sasur beheerde repertoire; wel geteld drie werken daaruit waren met de titel ervan aangeduid. De dwangsom was bepaald op SRD 1.000,- per overtreding met een maximum van 1 miljoen SRD.

3.2 Het vonnis is betekend op 10 november 2011 (exploit 861 van deurwaarder Hieralal) en opnieuw op 16 oktober 2013 (exploit 719 van deurwaarder Santono); de inhoud van het door Sasur beheerde repertoire van miljoenen werken is toen niet betekend. Intussen was op 16 mei 2012 onder betekening van een lijst met beweerdelijk door SRS op de frequentie 96.3 FM gedurende een viertal dagen in 2011 ten gehore gebrachte muziekwerken aanspraak gemaakt op dwangsommen; het vervolgens op 8 juni 2012 uit hoofde daarvan gelegde executoriaal beslag is weer opgeheven bij kort geding vonnis (A.R.No. 12-3358) van 7 februari 2013 op grond dat er geen dwangsommen verbeurd zouden zijn.

3.3 Bij exploit van 26 juli 2014 heeft Sasur opnieuw SRS gesommeerd om verbeurde dwangsommen te voldoen, nu tot het maximale bedrag van 1 miljoen SRD onder betekening van een nieuwe lijst met 1017 muziekwerken die op bepaalde dagen tussen 11 juni en 24 juli 2014 ten gehore zouden zijn gebracht. Vervolgens zijn op 7 en 21 augustus 2014 executoriale beslagen door Sasur gelegd ten laste van SRS op een aan de laatste toebehorend erfpachtsrecht aan de Verlengde Hoogestraat te Paramaribo (zijnde het onroerend goed waarop het radiostation gevestigd is) respectievelijk op banktegoeden onder de Surinaamsche Bank N.V. en Hakrinbank N.V.

3.4 Intussen was bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 17 mei 2013 (Jno. 13/02718) de wettelijk vereiste toestemming voor de bemiddelingswerkzaamheden van Sasur met onmiddellijke ingang ingetrokken.

3.5 In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter geweigerd, de executoriale beslagen op te heffen.

4. De grieven

4.1 In eerste aanleg heeft SRS zich erop gebaseerd dat Sasur uit eigen naam geen beslag mocht leggen na de intrekking van de toestemming tot bemiddeling. De eerste grief verwijt de kantonrechter ten onrechte dit over het hoofd te hebben gezien, nu de rechtsoverwegingen 3.2 in het vonnis van 30 december 2014 en 3.1 in het vonnis van 19 januari 2015 deze grondslag wel degelijk onderkennen. Deze eerste grief faalt dus.

4.2 De tweede grief maakt duidelijk dat SRS van oordeel is dat Sasur in deze zaak krachtens de in het geding gebrachte wederkerige mandaatovereenkomsten met buitenlandse zusterorganisaties niet op eigen naam handhavend mag optreden en niet alleen omdat dat verboden bemiddeling zou zijn. Volgens SRS behelst de overeenkomst met de Nederlandse zusterorganisatie BUMA een door deze aan Sasur verstrekt recht om toestemming te geven voor openbare uitvoering van het BUMA-repertoire of deze te weigeren. Bovendien voldoet Sasur als stichting niet aan het met ingang van 18 april 2015 ingevoerde artikel 30c van de Wet Auteursrecht 1913, dat bemiddeling alleen aan verenigingen toestaat. Exploitatie overeenkomsten zouden in dit kort geding helemaal niet aan de orde zijn.

4.3 Sasur heeft daar in eerste aanleg echter tegen ingebracht dat zij haar handhavend optreden niet baseert op het feit dat SRS niet beschikt over tegen betaling van royalties van haar te verkrijgen licenties (wat ook volgens Sasur verboden bemiddeling zou opleveren), maar slechts op exploitatie-overeenkomsten met muziekauteurs en al dan niet wederkerige mandaat-overeenkomsten met buitenlandse zusterorganisaties. De kantonrechter was het met Sasur eens dat Sasur muziekgebruikers wel namens de gerechtigden mocht attenderen op hun auteursrechten en op het daaruit voortvloeiende recht om openbaarmaking zonder enigerlei vorm van toestemming tegen te gaan, en ook een rechterlijk verbod mocht uitlokken en naleving daarvan afdwingen. De kantonrechter zag daarentegen wel verboden bemiddeling in het sluiten van overeenkomsten met gebruikers van muziek over een voorgenomen uitvoering, zodat in haar ogen – zo concludeert het Hof – Sasur slechts twee uiterste alternatieven openstonden na de attendering: hetzij gedogen hetzij verbieden. De kantonrechter heeft naar het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 3.7 treffend beschreven tot welke voor zowel auteurs als gebruikers ongewenste situatie haar wetsuitleg leidt: gebruikers zijn verstoken van een wereldrepertoire en auteurs ontvangen geen royalties.

4.4 In de derde grief betwist SRS dat Sasur het vonnis van 3 december 2009 kan executeren op grond dat het toen op eigen naam verzochte en toegewezen rechterlijk verbod verkregen werd met een beroep op haar toen nog bestaande maar nadien verloren bemiddelingsbevoegdheid. Ten gevolge van dat verlies zou zij geen dwangsommen meer kunnen innen.

4.5 Aan de vierde en de vijfde grief zal het Hof niet meer toekomen. Het zal namelijk hierna uiteenzetten waarom de tweede en de derde grief opgaan.

Omvat bemiddeling in de Wet Auteursrecht 1913 handhaving ?

5. Sasur stelt dat zij geen ministeriele toestemming nodig heeft voor handhaving van de aan haar toevertrouwde en conform artikel 2, tweede lid van de Wet Auteursrecht 1913 (hierna de wet) overgedragen auteursrechten. Handhaving valt volgens Sasur niet onder bemiddeling in de zin der wet. Het Hof deelt de door geïntimeerden verdedigde visie dat deze toestemming van de minister vereist is voor bemiddeling vanwege de machts- of zelfs monopolie positie die een instantie als Sasur inneemt in het afwegen van de deels tegenstrijdige belangen van componisten, arrangeurs, tekstdichters en liedschrijvers, kortom auteurs en muziekuitgevers enerzijds en uitvoerenden van nog tot 50 jaar na de dood van de auteur beschermde muziek en organisatoren van evenementen anderzijds. Uiteraard lopen deze belangen deels ook parallel: zonder auteurs geen uitvoering en zonder uitvoeringen geen royalties.

6. De wet gaat bemiddeling niet tegen, reguleert deze alleen. Wil men immers ook maar bij benadering bevorderen dat de componisten – zeker wereldwijd – beloond worden naar rato van de afname van hun muziek, dan dienen zij hun werken in te brengen in een instelling die bedrijfsmatig

a) vaststelt welke werken zijn uitgevoerd en door wie (controle)

b) zorgt dat de daarvoor verschuldigde auteursrechten binnen komen (incasso) en

c) zorgt dat deze gelden volgens de juiste maatstaven verdeeld worden onder de rechthebbenden repartitie).

7. Daartoe is dan allereerst nodig dat al degenen die muziek in het openbaar ten gehore willen brengen alsmede degenen die daartoe gelegenheid geven zich kunnen wenden tot een bedrijfsmatig werkend bureau ter verkrijging van de vereiste toestemming. Zo ontstaat de bemiddelingsfunctie van dergelijke bureaus. Weliswaar vallen niet alle rechten van de makers van muzikale werken eronder doch alleen de bevoegdheid te beslissen over uitvoering in het openbaar. Maar ook dat betekent een grote inperking van de vrijheid om muziekwerken uit te voeren. Doordat dergelijke bemiddelingsbureaus dan ook nog eens op internationale schaal afspreken, elkanders repertoire wederkerig te handhaven en te beschermen en daarvoor royalties te incasseren, ontstaat een wereldrepertoire dat zij beheren. Organisatoren van concerten en uitvoerders van door anderen geschreven muziek kunnen niet om hen heen, tenzij ze veiligheidshalve uitsluitend zelf gecomponeerde muziek spelen. Wensen zij zich daartoe niet te beperken, dan komen zij in een positie waarin zij welhaast gedwongen zijn, zich in een gebruikersraad te organiseren, willen zij nog enig tegenwicht kunnen bieden aan de tarieven die de bemiddelingsbureaus eenzijdig vermogen vast te stellen. In die situatie heeft de wetgever willen ingrijpen.

8. Sinds 18 april 2015 is in elk geval voor incasseren volgens zelf vastgestelde tarieven en verdelen van geïncasseerde royalties onder auteurs na aftrek van eigen kosten volgens het toen krachtens de Wet van 17 april 2015, Staatsblad 2015, no. 83 in werking getreden artikel 30i van de Wet Auteursrecht 1913 toezicht ingevoerd en als sluitstuk ministeriele toestemming nodig op grond van artikel 30a: daarover verschillen partijen niet van mening. Dat geldt ook voor het feit dat Sasur deze toestemming mist, wat alle door haar gesloten bemiddelingsovereenkomsten voortaan nietig maakt.

9. De hamvraag is echter of ook het handhavings- en verbodsrecht onder “bemiddeling” vallen. Weliswaar bevatte de Memorie van Toelichting op de Wet van 17 april 2015, Staatsblad 2015, no 83 waarbij dat artikel werd ingevoerd, geen toelichting op het begrip “bemiddeling” maar de maatschappelijke onrust waarop in de considerans gedoeld werd, betrof – naar van algemene bekendheid is – niet alleen de wijze waarop de tarifering eenzijdig werd vastgesteld maar ook de onzekerheid over de claims van bemiddelingsbureaus bij de behartiging van belangen van auteurs en de absolute verboden van uitvoering waarmee zij dreigden. Zonder die dreiging achter de hand viel er voor hen natuurlijk ook niets te bemiddelen.

10. Door bij (dreigende) uitvoering zonder betaling van royalties handhavend op te treden, maken instanties als Sasur hun bemiddelingspositie waar. Daarzonder komt van bemiddeling ook niets terecht. Omgekeerd: die dreiging met verboden van muziekuitvoeringen heeft voor auteurs en de buitenlandse zusterorganisaties alleen zin als Sasur royalties voor hen kan incasseren door tegen betaling conform een vast tarief licenties te verlenen. Maar daarvoor ontbreekt haar nu juist de wettelijk vereiste toestemming van de minister. Zo gezien maakt volgens het Hof dat handhavingsrecht meteen ook een onlosmakelijk onderdeel uit van de bemiddelingsactiviteit die de wetgever heeft willen onderwerpen aan toezicht (artikel 30i) en ministeriele toestemming (artikel 30a). Deze lezing vindt ook steun in de bewoordingen van de wet: “het al dan niet op eigen naam ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden (…) ten uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar (…)”. Een en ander brengt mee dat het Hof de poging om handhaving los te weken van bemiddeling, niet vermag te honoreren. In dit verband citeert het Hof de toenmalige Regeringscommissaris van Sasurs Nederlandse zuster-organisatie, de BUMA, die in 1973 schreef: “het laat zich denken dat het bureau voor of namens de componist zou optreden; ook dan is er bemiddeling.” (Mr. S. Gerbrandy in zijn bewerking van Pfeffer’ s Kort Commentaar op de Auteurswet, Haarlem 1973, p. 244, aantekening 5 bij artikel 30-a van de Nederlandse Auteurswet 1912).

11. Het Hof voegt daar nog aan toe dat het ook niet in het belang van de muziekauteurs en de buitenlandse zusterorganisaties is, dat Sasur alleen maar handhavend kan optreden en moet volstaan met muziekuitvoeringen te laten verbieden. Licenties verlenen tegen vast tarief is immers het doel dat zij beoogden met overdracht van auteursrechten respectievelijk wederzijdse mandaat-overeenkomsten, maar dat is Sasur nu juist – naar tussen partijen onomstreden is – verboden. Alleen door handhaving te begrijpen onder de nu verboden bemiddeling kan een eind worden gemaakt aan de huidige patstelling waarin Sasur wel wil handhaven maar niet kan bemiddelen, andere rechtspersonen (de wet eist verenigingen) niet kunnen gaan bemiddelen zonder de nu aan Sasur toevertrouwde handhaving.

12. Het Hof concludeert dat op 17 mei 2013 een eind is gekomen aan het recht van Sasur om het beweerdelijk overtreden rechterlijk verbod te handhaven en dat vanaf die datum geen dwangsommen zijn verbeurd. Het Hof gaat er daarbij van uit dat Sasur zich heeft gehouden aan artikel 3, tweede lid van de Bijlage behorende bij de Resolutie van 15 januari 2005, no 276/05 dat Sasur voorschreef, in door haar te sluiten overeenkomsten betreffende de uitvoering van muziekwerken in het openbaar te bedingen dat deze van rechtswege zouden eindigen bij intrekking van de ministeriële toestemming.

De toepasselijkheid van internationale verdragen

13. Auteurs van muziekwerken mogen – hoe omslachtig voor hen ook – zelf handhavend optreden, alleen Sasur mag dat niet meer voor hen doen, anders dan op ieders individuele naam uit hoofde van een daartoe strekkende exploitatie-overeenkomst. Die beperking geldt ook als zij optreedt op basis van door haar gesloten al dan niet wederkerige mandaat-overeenkomsten met zusterorganisaties. De regeling van artikel 30-a en volgende van de Wet Auteursrecht 2013 schendt volgens het Hof de Berner Conventie ook niet.

Devolutieve werking van het appel

14. Nu de tweede en derde grief van SRS opgaan, zal het Hof nog een onderzoek wijden aan de andere grondslagen die Sasur voor het executoriaal beslag heeft aangevoerd en met name tegen het opheffingsverzoek van SRS.

14.1 Het verweer van Sasur in eerste aanleg dat zij eigenlijk niet tegen openbaarmakingen door SRS optreedt maar tegen verveelvoudigingen, waarbij geen sprake zou zijn van bemiddeling in de zin van voormeld wetsartikel 30-a gaat niet op. Het ontgaat het Hof hoe het via de radio afspelen van geluidsopnamen opeens geen openbaarmaking als bedoeld in dat artikel meer zou kunnen zijn.

14.2 De conclusie van het Hof dat op 17 mei 2013 ook een einde kwam aan het recht van Sasur om het beweerdelijk overtreden rechterlijk verbod op eigen naam te handhaven en dat vanaf die datum geen dwangsommen meer konden worden verbeurd, impliceert – anders dan Sasur meent – geen aantasting van het vonnis van 3 december 2009, maar simpelweg een rekening houden met na dat vonnis opgekomen omstandigheden, die meebrengen dat een ooit gegeven verbod niet meer door degene die het verkreeg kan worden gehandhaafd maar voortaan alleen nog door individuele auteurs en nieuwe bemiddelende verenigingen die daarvoor toestemming van de minister van Justitie en Politie verkrijgen. De rechter die het verbod oplegde, hoefde deze nieuwe ontwikkeling die culmineerde in de intrekking van ministeriele toestemming, niet te voorzien.

14.3 In zoverre in rechtsoverweging 4.4 van dat vonnis uit 2009 is overwogen dat BUMA en STEMRA aan Sasur het recht verleend hebben om in eigen naam op te treden, berust dat op een misverstand blijkens de door Sasur zelf bij dupliek in eerste aanleg op 15 december 2014 in dit geding alsnog ingebrachte mandaat-overeenkomsten met BUMA, STEMRA en de Indiase zusterorganisatie IPRS, die alle dateren van vóór dat vonnis van 2009. Artikel 2.1 van de met BUMA en STEMRA gesloten overeenkomsten – waarop overigens Nederlands recht van toepassing is verklaard – rept weliswaar van de overdracht aan Sasur van het recht om “in rechte op te treden tegen inbreuken op het BUMA-repertoire en al datgene te (doen) verrichten, zowel in als buiten rechte, waartoe BUMA zonder deze mandaatovereenkomst zelf gerechtigd zou zijn”, maar het voert het Hof te ver hier ook het ver gaande recht tot optreden in rechte uit eigen naam in de mandaatovereenkomst in te lezen, terwijl het er niet staat. Juist dit laatste laat ook de mogelijkheid open dat Sasur slechts bevoegd is om te handelen in naam van de lastgever.

14.4 Artikel 2 van het met de IPRS gesloten contract staat slechts toe, op eigen naam op te treden mits dit binnen het kader van de nationale wetgeving gebeurt en dat is hier niet het geval. De door Sasur met instemming aangehaalde rechtsoverweging in het vonnis van dit Hof in de onder nummer G.R.No. 14351 geregistreerde zaak berust op het ontbreken van een voldoende gespecificeerde grief. SRS stelt onbestreden dat handhaving op eigen naam van door Surinaamse auteurs aan Sasur overgedragen auteursrechten in deze zaak niet aan de orde is.

De resterende grieven van SRS behoeven geen bespreking meer.

15. De vierde grief die zich keert tegen de opvatting van de kantonrechter dat SRS via de website van Sasur bekend kon zijn met het door haar beheerde repertoire en zich ook bewust moest zijn van het risico van zonder toestemming afspelen van een modern buitenlands muziekwerk, behoeft tegen deze achtergrond geen bespreking meer. Dit geldt ook voor de vijfde grief die Sasur misbruik van executierecht verwijt op grond dat zij dwangsommen zou baseren op het gedrag van SRS gedurende vijf jaar in plaats van dertien dagen in juni en juli 2014 en verder stelt dat het beslag op haar erfpachtsrecht het radiostation betreft dat zij aanmerkt als voor de openbare dienst bestemd in de zin van artikel 312-a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Conclusie

16. Het Hof zal dus het vonnis van de kantonrechter vernietigen en de gelegde executoriale beslagen opheffen. Anders dan Sasur in eerste aanleg meende, staat daaraan niet in de weg dat inmiddels voor de openbare veiling al voorbereidingen waren getroffen noch ook dat de verklaringsprocedure ten opzichte van beide banken al was gestart.

17. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Sasur veroordeeld worden in de kosten van beide instanties.

De beslissing

Het Hof van Justitie van Suriname:

1. Vernietigt het vonnis waarvan hoger beroep en

opnieuw rechtdoende in kort geding:

2. Heft op de bij exploiten van deurwaarder Hieralal op 7 augustus 2014 op een erfpachtsrecht en op 21 augustus 2014 onder De Surinaamsche Bank N.V. en Hakrinbank N.V. ten laste van appellante gelegde executoriale beslagen;

3. Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten, tot op deze uitspraak:

– in eerste aanleg begroot op SRD.430,–.

– en in hoger beroep op SRD 220,–.

4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A.C. Johanns, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van vrijdag 16 maart 2018 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A.C. Johanns

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. E. Naarendorp, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-4

G.R.No.15013

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE ECHTELIEDEN [appellanten],

wonende te [woonplaats], Nederland,

appellanten,

verder te noemen: [appellanten],

gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

DE ECHTELIEDEN [geïntimeerden],

wonende te [district],

geïntimeerden,

verder te noemen: [geïntimeerden],

gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 7 oktober 2013 (A.R.No. 11-4959) tussen [appellanten] als eisers in conventie, gedaagden in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– de verklaring d.d. 15 november 2013 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellanten] tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;

– de pleitnota d.d. 2 oktober 2015;

– de antwoordpleitnota d.d. 5 februari 2016;

– de repliekpleitnota d.d. 1 april 2016;

– de dupliekpleitnota d.d. 15 juli 2016;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 3 februari 2017 en vervolgens nader op 18 mei 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellanten] daarin kunnen worden ontvangen. Ingevolge artikel 269 Rv is het ook gericht tegen het daaraan voorafgegane vonnis d.d. 18 juni 2012.

2. Bij antwoordpleitnota hebben [geïntimeerden] aangevoerd dat, nu [appellanten] geen memorie van grieven hebben genomen, “ingevolge wet en vaste rechtspraak” geen acht mag worden geslagen op de nieuwe stellingen van [appellanten] in hoger beroep alsmede op de ter staving daarvan overgelegde bescheiden. Deze opvatting is onjuist. Het gaat bij bedoelde nieuwe stellingen van [appellanten] niet om een wijziging van eis, maar om een nadere toelichting op en onderbouwing van het reeds in eerste aanleg gevorderde. Hierbij hebben [appellanten] geen grenzen overschreden die de wet aan de procesvoering in hoger beroep stelt. Het appel dient mede om, binnen die grenzen, eventuele tekortkomingen van de procesvoering in eerste aanleg te herstellen.

3. [appellanten] hebben uitgelegd dat de gestelde geldleningen bestemd waren voor [naam 1], zoon van [geïntimeerden], maar dat eerstgenoemden deze wilden aangaan met diens ouders omdat zij meer zekerheid zouden kunnen bieden voor een behoorlijke nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Vanwege de onderscheiden woonplaatsen van partijen is het begrijpelijk, aldus [appellanten], dat de overeenkomsten van geldlening in Nederland door [appellanten] werden ondertekend en in Suriname door [geïntimeerden].

[geïntimeerden] betwisten deze stellingen.

4. Ter ondersteuning van hun stellingen hebben [appellanten] tal van bescheiden overgelegd, waaronder de drie aan [appellanten] terug gefaxte geldleningsovereenkomsten en twee enveloppes (voor- en achterzijde). Na kennisneming van deze stukken hebben [geïntimeerden] wederom betwist dat deze van hen of een hunner afkomstig zijn, maar zij hebben niet weersproken dat de gefaxte stukken via een kantoor in hun woonstraat naar [appellanten] zijn verzonden.

5. Voorts beroepen [appellanten] zich op een gelegaliseerde verklaring d.d. 14 mei 2014 van [naam 2], waarin deze relateert dat hij namens [appellanten] € 25.200.- en € 20.000.- heeft bezorgd ten woonhuize van een der geïntimeerden en dat hij deze bedragen, op diens verzoek niet aan hem maar aan zijn voornoemde zoon heeft afgegeven.

[geïntimeerden] betwisten de verklaring van [naam 2] en betichten deze van valsheid.

6. Verder zijn er kwitanties overgelegd voor de ontvangst van de hiervoor genoemde bedragen. De ene is gedateerd (2 juli 2007) en van een handtekening voorzien, de andere is niet gedateerd en niet ondertekend. Beide papiertjes zijn voorzien van een bedrijfsstempel “[naam 3]”. Op het ongedateerde en niet ondertekende papiertje staat bovendien een bedrijfslogo en de bedrijfsnaam van [naam 4]. [naam 2] heeft in zijn verklaring vermeld dat hij deze papiertjes als betalingsbewijs in ontvangst heeft genomen. Wederom voeren [geïntimeerden] aan dat deze stukken vals zijn.

7. Daarnaast zijn er faxstukken geproduceerd met een renteverklaring ter zake van de gestelde geldleningen. Deze faxstukken zijn verstuurd via een nabij het woonhuis van [geïntimeerden] gelegen verzendkantoor en zijn voorzien van het bedrijfslogo, de bedrijfsnaam en/of het bedrijfsstempel van [naam 4]. [geïntimeerden] betwisten ook hier dat deze stukken van hen afkomstig zijn.

8. Voorts hebben [appellanten] aangevoerd dat hierboven onder 3 genoemde zoon van [geïntimeerden] in Nederland een bankrekening heeft geopend op naam van een onder zijn beheer staande stichting en dat daarop door hen in het kader van de geldleningen bedragen van € 9.000.- en € 8.500.- zijn gestort. Zij hebben vervolgens een rekeningafschrift van die stichting overgelegd, waaruit deze stortingen blijken alsmede een bewijs dat bedoelde zoon (via de stichting) rechthebbende op die rekening is.

[geïntimeerden] hebben deze stukken niet betwist, maar aangevoerd dat genoemde bedragen niet aan hen zijn uitgekeerd.

9. Verder hebben [appellanten] een door hen als “saldoverklaring” betiteld stuk overgelegd, afkomstig van de oudste zoon van [geïntimeerden]. Dit stuk is eveneens verzonden vanuit een vlakbij het woonhuis van [geïntimeerden] gelegen pand. Zij hebben tevens de enveloppe geproduceerd, waarin dezelfde saldoverklaring – met daarin geruststellende woorden aan het adres van [appellanten] – ook nog per post is verzonden.

Op deze productie hebben [geïntimeerden] niet uitdrukkelijk gereageerd.

10. Ten slotte hebben [appellanten] kopieën van een aannemingsovereenkomst, inschrijvings- en identificatiebewijzen in het geding gebracht, ten einde de daarop voorkomende handtekeningen te kunnen vergelijken met die welke op de reeds in eerste aanleg geproduceerde schuldbekentenissen voorkomen alsmede op een aantal van de hierboven genoemde producties. Ook dit stuk betichten [geïntimeerden] van valsheid.

11. Het Hof oordeelt naar aanleiding van de door [appellanten] overgelegde stukken als volgt.

De stukken ondersteunen in veel opzichten de door [appellanten] gegeven lezing, namelijk dat de geldleningsovereenkomsten door hen in Nederland zijn opgesteld en ondertekend, vervolgens naar Suriname zijn gestuurd en door of namens [geïntimeerden] in een vlakbij hun woonhuis gelegen kantoor naar [appellanten] zijn terug gefaxt. Voor verzending daarvan door dat faxkantoor geven [geïntimeerden] geen enkele verklaring. Dit laatste geldt evenzeer voor het bezit door appellanten van de bescheiden waarop de bedrijfsnaam en/of het bedrijfsstempel en logo van [naam 4] voorkomt. Voorts bevestigen de stukken dat het door [geïntimeerden] geleende geld feitelijk bestemd was voor hun zoon. Dit volgt onder meer uit de twee – niet tegengesproken – stortingen op een door die zoon beheerde rekening van een stichting in Nederland. Een en ander blijkt tevens uit de verklaring van [naam 2]. Ook deze verklaring noemen [geïntimeerden] vals, maar enig motief, waarom [naam 2] een onware verklaring zou hebben willen afleggen, noemen zij niet. Dat de betreffende bedragen niet aan [geïntimeerden] zijn uitgekeerd levert geen betwisting van de stellingen van [appellanten] op, maar bevestigt veeleer hun stelling dat het geleende geld voor zoon [naam 1] was bestemd. Het Hof constateert verder dat [geïntimeerden] niet betwisten dat hun oudste zoon de hierboven onder 9 genoemde saldoverklaring met geruststellende woorden aan [appellanten] heeft verzonden. Zij geven geen reden op voor de daarin impliciet voorkomende erkenning van een schuld, terwijl zij volhouden dat er niets geleend is.

12. Gelet op al het vorenstaande zijn de door [geïntimeerden] gedane ontkenningen en betichtingen van valsheid onvoldoende onderbouwd. Het door [appellanten] geproduceerde materiaal levert het bewijsvermoeden op dat hun stellingen met betrekking tot de geldlening juist zijn. Tegen dit bewijsvermoeden zou tegenbewijs openstaan, maar [geïntimeerden] hebben zodanig tegenbewijs niet aangeboden. Het Hof ziet geen aanleiding om hen daarmee ambtshalve te belasten.

13. Het hoger beroep slaagt. Het eindvonnis van de kantonrechter moet worden vernietigd. Tegen het daaraan voorafgegane vonnis van 18 juni 2012 zijn geen grieven of bezwaren ingebracht en, nu het Hof daartegen ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal het worden bevestigd. Het Hof zal de vorderingen in conventie van [appellanten], als hieronder aan te geven, alsnog toewijzen en de vorderingen in reconventie afwijzen. Het gelegde conservatoir beslag zal worden van waarde verklaard, nu de daarbij in acht te nemen termijnen en formaliteiten zijn vervuld. De in conventie gevorderde buitengerechtelijke kosten komen echter niet voor toewijzing in aanmerking; [appellanten] hebben niet onderbouwd dat zij die kosten hebben gemaakt en dat deze door [geïntimeerden] verschuldigd zijn. De gevorderde rente ad 30% is buitensporig en zal het Hof terugbrengen tot en op de wijze als in het dictum aan te geven. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal niet worden toegewezen, nu dit vonnis in hoogste instantie wordt gewezen.

[geïntimeerden] zullen, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen, met inbegrip van die van de gelegde beslagen.

14. Ter voorlichting van partijen merkt het Hof nog het navolgende op.

Het gelegde conservatoire beslag op de in het proces-verbaal van de deurwaarder vermelde onroerende goederen is bij het in reconventie gewezen vonnis van de kantonrechter opgeheven; deze beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het is het Hof niet bekend of het beslag na de opheffing daarvan in de openbare registers is doorgehaald. Indien dit laatste het geval is, geldt het volgende. Het beslag herleeft door de hieronder uit te spreken van waarde verklaring daarvan en de vernietiging van de beslissing waarbij het werd opgeheven, met dien verstande dat wijzigingen in de rechtstoestand van de beslagen goederen in de periode tussen de opheffing en de uitspraak van dit vonnis moeten worden geëerbiedigd. Nu het beslag gelegd is op onroerend goed moeten [appellanten], om het vervallen daarvan te voorkomen, dit vonnis binnen 14 dagen nadat de grosse daarvan aan hen is uitgereikt aan [geïntimeerden] doen betekenen en binnen dezelfde termijn doen inschrijven in de daartoe bestemde openbare registers (zie H.R. 23 februari 1996, NJ 1996/434).

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

in conventie en in reconventie:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 18 juni 2012 (A.R.No. 11-4959),

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen eindvonnis van 7 oktober 2013 (A.R. no. 11-4959) en

opnieuw rechtdoende:

in conventie:

veroordeelt [geïntimeerden] aan [appellanten] te betalen een bedrag van € 80.000,-, vermeerderd met een rente daarover van 18% per jaar vanaf 15 augustus 2010 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart alsnog van waarde het bij beslag exploit van deurwaarder Tj. Jhagroe d.d. 29 december 2011 no. 731 gelegd conservatoir beslag op de in het exploit genoemde onroerende goederen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af.

in conventie en in reconventie:

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten], inclusief de beslagkosten, begroot op:

– voor de eerste aanleg op SRD 652,-,

– voor het hoger beroep op SRD 774,-

Aldus gewezen door: mr. R.G. Chatterpal, Fungerend-President, mr. M.V. KuldipSingh en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden en

w.g. R.G. Chatterpal

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-1994-10

Hof van Justitie

10 juni 1994, G.R. 13271

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, A.I. Ramnewash)

[appellante], wonende aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E. Naarendorp, advocaat, appellante in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.R. Schurman, advocaat, geïntimeerde in Kort Geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 16 november 1992 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 18 november 1992, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende aan [adres 2], gedaagde;

2. eiseres en gedaagde zijn eigenaars van naburige percelen in [district] en wel respectievelijk op [nummer 1] en [nummer 2];

3. meer precies is eiseres eigenares van het perceelland, op de landmetingskaart van landmeter G.R. Liesdek van 4 november 1983, aangeduid met de letters ABCD, uitgezonderd het afgerooide gedeelte aangeduid met de letters GHIK. De kaart wordt hierbij overgelegd;

4. gedaagde is eigenaar van het perceelland, op de uitmetingskaart van landmeter Ingenieur Ch. Kanhai van 17 december 1981 aangeduid met [kenmerk], benevens een deel van de langs voormeld perceel lopende weg. De kaart wordt hierbij overgelegd;

5. de rechtsvoorganger van gedaagde was de thans overleden [naam], vader van gedaagde die eigenaar was van het hele perceel [nummer 2].

Met eiseres is wijlen de heer [naam] overeengekomen dat de eigenaars van de belendende percelen [nummer 2] en [nummer 1] over en weer een strook grond zouden afstaan voor de aanleg van een gemeenschappelijke weg en wel een strook van 5 meter door de eigenaars van het perceel [nummer 1] en een strook van 10 meter door de eigenaars van het perceel [nummer 2];

6. deze afspraak is ook uitgevoerd door de reële aanleg van de weg waarvoor de benodigde toestemming van het Ministerie van Openbare Werken en Verkeer is verkregen;

7. zijdens wijlen de heer [naam] is bovendien de overeenkomst nageleefd door tegenover zijn rechtsopvolgers als voorwaarde te bedingen dat bedoelde strook grond van 10 meter breed bestemd dient te worden voor de weg ten nutte van de daaraan gelegen percelen, welke erfdienstbaarheid bij de overdracht is gevestigd. De daartoe strekkende akte wordt hierbij overgelegd met verwijzing naar het bepaalde in artikel zes;

8. ook zijdens eiseres zijn maatregelen genomen ter naleving van de afspraak, waarvan moge getuigen de tekst behorende bij de uitmetingskaart van de landmeter Liesdek van 4 november 1983, waarin in de derde alinea is gestipuleerd, dat de rechtsopvolger van eiseres met betrekking tot het afgerooide stuk SKIH, de voorlangs lopende strook dient te bestemmen voor de gemeenschappelijke weg ten behoeve van de percelen [nummer 2] en [nummer 1] (in de tekst bij de kaart staat abusievelijk [nummer 3] in plaats van [nummer 2]) en wel over de hele lengte;

9. gedaagde nu, heeft ter hoogte van punt a op de kaart van 17 december 1981 van landmeter Kanhai de toegang tot de gemeenschappelijke weg een poort belemmerd. Voorts heeft hij op de grens tussen de percelen [nummer 2] en [nummer 1] een afscheiding aangebracht middels draadpalen met daartussen gespannen prikkeldraad. Aldus verhindert gedaagde dat eiseres gebruik kan maken van de gemeenschappelijke weg;

10. vorenomschreven handelingen van gedaagde vormen een inbreuk op het recht van eiseres, zijn althans een schending van de rechtsplicht van gedaagde en in ieder geval in strijd met de zorgvuldigheid welke jegens een ander betamelijk is in het maatschappelijk verkeer. Alzo maakt gedaagde zich schuldig aan een onrechtmatige daad jegens eiseres met zijn schuld daaraan, waardoor eiseres schade lijdt en nog zal lijden;

11. gedaagde heeft veranderingen gebracht in de bestaande toestand en is doende veranderingen te brengen die een definitief karakter dreigen te krijgen, zodat eiseres belang heeft bij voorzieningen van onverwijlde spoed;

12. eiseres verzoekt de overgelegde stukken als letterlijk aangehaald en geïnsereerd te beschouwen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagde bij vonnis in Kort Geding:

1. zal worden veroordeeld tot herstel van de oude toestand, zodanig dat de gemeenschappelijke weg weer toegankelijk en bruikbaar wordt voor eiseres;

2. gedaagde zal worden verboden iets te doen of te laten doen dat ertoe leidt dat eiseres geen gebruik kan maken van de weg;

3. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van Sf. 1.000,– per dag voor iedere dag dat hij nalatig blijft uitvoering te geven aan het onder 1 gevorderde;

4. gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van Sf. 10.000,– voor iedere keer dat hij zich schuldig maakt aan enig handelen zoals onder 2 bedoeld;

5. het uit te spreken vonnis bij voorraad uitvoerbaar zal worden verklaard;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans haar deze zal worden geweigerd alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie tot uitlating produkties heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij rolbeschikking een descente heeft gelast, welke op 4 augustus 1992 is gehouden, zijnde hiervan – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal opgemaakt;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna wederom bij rolbeschikking aan partijen om overlegging van bescheiden heeft gevraagd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, hebbende de gemachtigde van eiseres tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde zich hierna over de door de gemachtigde van eiseres ten processe overgelegde produkties heeft uitgelaten;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 16 november 1992 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;

Eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 16 november 1992;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Tj. Jhagroe van 18 februari 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 december 1993, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader is bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat appellante in haar enige tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief de Kantonrechter verwijt ten onrechte zijn vonnis te hebben gegrond op het naar zijn oordeel ontbreken van een zakelijk recht van appellante, dat kennelijk de door haar gevraagde voorziening zou moeten rechtvaardigen, hebbende zij immers aan haar vordering ten grondslag gelegd het onrechtmatig handelen van geïntimeerde, dat hierin bestond dat hij overlangs de tussen de percelen van partijen lopende weg een erfscheiding had aangebracht, aldus de weg onbruikbaar makend voor appellante, terwijl er tussen beide percelen vijftien meters brede weg loopt waaraan de percelen van appellante en geïntimeerde een strook van 5 en 10 meters bijdragen;

Aangaande voormelde grief:

Overwegende, dat het Hof vooral opmerkt, zulks ter verduidelijking, dat uit het beroepen vonnis, waarbij de door appellante gevraagde voorzieningen zijn geweigerd, niet blijkt dat die voorzieningen uitsluitend zijn geweigerd vanwege het ontbreken van een zakelijk recht van appellante, zoals appellante het kennelijk wil doen voorkomen;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is, dat de rechter letten moet op alle feiten, waarop de eisende partij zich in de loop van het proces heeft beroepen – ook indien deze zich na het verzoekschrift, bedoeld in de zin van artikel III van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hebben voorgedaan – behalve als dit beroep ingevolge artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is uitgesloten;

Overwegende, dat appellante, naar het Hof is gebleken, zich zowel in het 7e ”sustenu” van het verzoekschrift als in het 3e ”sustenu” van de conclusie tot uitlating over overgelegde produktie d.d. 21 mei 1992, heeft beroepen op vestiging van het recht van erfdienstbaarheid bij de overdracht respectievelijk door de inschrijving van de akte op 3 februari 1986;

Overwegende, dat het Hof dan ook niet vermag in te zien waarom de Kantonrechter niet (mede) mocht oordelen over het ontbreken van een zakelijk recht van appellante;

Overwegende wijders, dat nu geïntimeerde de ten rekeste gestelde overeenkomst (vijfde ”sustenu”) gemotiveerd heeft weersproken, zou gerede aanleiding bestaan appellante met het bewijs daarvan te belasten ware het niet, dat in een procedure als de onderhavige, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen, de gewone wettelijke regelen omtrent de te bezigen bewijsmiddelen en de daaraan toe te kennen bewijskracht toepassing missen (vgl. Doek c.s. aant. 10 op art. 290 Rv.);

Overwegende, dat nu de besproken grief faalt, terwijl het Hof ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet dat vonnis worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 16 november 1992 tussen partijen in Kort Geding gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op Sf. …..

SRU-HvJ-1994-9

Hof van Justitie

10 juni 1994, G.R. 13400

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, P.G. Wolff)

[appellant], wonende te [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.E. Struiken, advocaat, appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], thans wonende aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. Kensmil, advocaat, geïntimeerde in kort geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 18 oktober 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffer van het Eerste Kanton van 21 oktober 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres de navolgende vordering in kort geding wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te [adres 1], gedaagde;

2. dat eiseres blijkens hierbij overgelegde copie huwelijksakte op 10 december 1977 te [district] buiten gemeenschap van goederen is gehuwd met gedaagde;

3. dat gedaagde blijkens de hierbij overgelegde fotokopie van het exploit van de deurwaarder R. Kappel d.d. 17 augustus 1993 [nummer 1], conservatoir derden beslag heeft doen leggen onder de N.V. Surinaamsche Bank, gevestigd aan de Gravenstraat No. 26 te Paramaribo, op de rekening van eiseres bij vorengenoemde bank en alle daarop staande tegoeden, welke beslaglegging op 20 augustus 1993 bij exploit van de deurwaarder R. Kappel [nummer 2] aan eiseres werd betekend;

4. dat gedaagde blijkens de hierbij overgelegde fotokopie van het verzoekschrift aan de Kantonrechter d.d. 17 augustus 1993 heeft gesteld dat de op de rekening van eiseres staande tegoeden aan hem toebehoren;

5. dat de voorgaande bewering van gedaagde in strijd is met de waarheid en wordt zij door eiseres en stelligste ontkend. Bedoelde gelden zijn in de loop der jaren op aandrang van eiseres door gedaagde op haar rekening gestort als enige zekerheid ten behoeve van eiseres, vermits partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd;

6. dat eiseres daarop steeds heeft aangedrongen, aangezien gedaagde, kort na het huwelijk van partijen, had geëist dat eiseres haar betrekking als gediplomeerd ziekenverzorgster in het Academisch Ziekenhuis moest opgeven, daar gedaagde bezwaren had dat eiseres o.m. nachtdiensten moest verrichten, terwijl hij altijd eiseres heeft verboden een andere betrekking te aanvaarden;

7. dat gedaagde in of omstreeks de maand april 1993 aan eiseres het verzoek heeft gedaan om hem een bedrag van Sf. 100.000,– (eenhonderdduizend gulden) ter leen te geven, daar hij doende was een visverwerkingsbedrijf op te zetten;

8. dat eiseres geheel te goedertrouw en als begripsvolle en ondersteunende echtgenote aan het verzoek van gedaagde heeft voldaan en aan deze een betalingsopdracht verstrekte om ten laste van haar rekening bij de Surinaamsche Bank een bedrag van Sf. 100.000,– ten gunste van gedaagde te doen overschrijven;

9. dat de houding van gedaagde als echtgenoot jegens eiseres hierna evenwel merkbaar veranderde en deze aan eiseres te kennen gaf van haar te willen scheiden;

10. dat eiseres zulks evenwel aanvankelijk niet ernstig opvatte, totdat zij op of omstreeks 18 mei 1993 werd geconfronteerd met een oproep van de raadsman van gedaagde, waarvan hierbij fotokopie wordt overgelegd met verzoek de inhoud hiervan als ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

11. dat de bedoelingen van gedaagde hierna aan eiseres duidelijk waren geworden, te meer daar gedaagde zich hierna zeer agressief tegenover haar begon te gedragen, waardoor zij genoodzaakt was de echtelijke woning te verlaten;

12. dat eiseres, nadat het haar uit dagafschriften was gebleken dat de door haar ten gunste van gedaagde gegeven betalingsopdracht op 21 mei 1993 nog niet door de Surinaamsche Bank was uitgevoerd, zij de betreffende betalingsopdracht onmiddellijk schriftelijk heeft ingetrokken;

13. dat gedaagde hierna, op voor eiseres onverklaarbare wijze, er toch in slaagde hogervermeld bedrag, ondanks de intrekking van de betreffende opdracht door eiseres, alsnog op zijn rekening te doen overschrijven;

14. dat voornoemd bedrag door de Surinaamsche Bank evenwel op de rekening van eiseres werd teruggeboekt, nadat deze had gedreigd gerechtelijke stappen tegen de Bank te zullen ondernemen;

15. dat gedaagde hierna ertoe over is gegaan om op de rekening van eiseres bij de Surinaamsche Bank N.V. zoals voorschreven, conservatoir derden beslag te doen leggen, nadat hij onder aanvoering van samenweefsel van onwaarheden, daartoe verlof had bekomen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

16. dat het door gedaagde gelegd conservatoir derden beslag evenwel onrechtmatig is, vermits de beslagen rekening bij de Surinaamsche Bank en alle daarop staande tegoeden de eigendom zijn van eiseres en gedaagde daarop geen enkele aanspraak kan doen gelden;

17. dat de handeling van gedaagde, die de wettige echtgenoot van eiseres is, bovendien in strijd is met het beginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 384 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht;

18. dat eiseres belang heeft bij een spoedeisende voorziening bij voorraad in Kort Geding, vermits zij geen inkomsten uit arbeid geniet, terwijl zij niet langer door gedaagde wordt onderhouden, weshalve zij thans moet leven van de weldadigheid van familieleden, die zulks echter niet langer kunnen volhouden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat bij vonnis in kort geding niettegenstaande hoger beroep of verzet, gedaagde zal worden veroordeeld om het door hem bij exploit van de deurwaarder R. Kappel [nummer 1] d.d. 17 augustus 1993 gelegd conservatoir derden beslag ten laste van de rekening van eiseres bij de Surinaamsche Bank binnen 24 uur na de door de Kantonrechter uit te spreken veroordeling of binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn op te heffen c.q. te doen opheffen;

b. dat gedaagde zal worden veroordeeld tot een dwangsom van Sf. 5.000,– (vijfduizend gulden) aan eiseres te betalen voor iedere dag dat hij weigert om aan de door de rechter uit te spreken veroordeling gevolg te geven;

c. gedaagde zal worden veroordeeld tot de kosten van het geding;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

– dat de eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd, kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 18 oktober 1993 op de daarin opgenomen gronden:

De onmiddellijke opheffing heeft gelast van het door de gedaagde ten laste van de eiseres bij exploit van de deurwaarder R. Kappel d.d. 17 augustus 1993 [nummer 1] gelegd conservatoir derden beslag onder de Surinaamsche Bank N.V.;

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 182,25 (eenhonderd twee en tachtig 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in kort geding van 18 oktober 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 9 november 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 15 april 1994, doch nader op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat appellant tijdig in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken op 18 oktober 1993;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis een vijftal grieven heeft ontwikkeld, luidende:

I. Ten onrechte heeft de Kantonrechter als tussen partijen rechtens vaststaand aangenomen dat appellant tegen geïntimeerde een vordering tot echtscheiding heeft ingesteld.

II. Ten onrechte heeft de Kantonrechter ondanks de uitvoerig gemotiveerde weren van appellant in prima ”geloofwaardigheid” toegekend aan de lezing van geïntimeerde dat de stortingen door appellant op haar rekening gedaan als voldoening aan verplichtingen van moraal en fatsoen ten behoeve van geïntimeerde zijn gedaan om haar na het einde van het huwelijk niet onverzorgd achter te laten, althans als giften daartoe strekkende.

III. Ten onrechte is de Kantonrechter voorbijgegaan aan het feit dat appellant meer dan de helft van zijn spaartegoeden (Sf. 85.000,–) aan geïntimeerde ter beschikking wilde stellen teneinde geïntimeerde in verband met de nog in te stellen vordering van geldmiddelen te voorzien.

IV. Ten onrechte heeft de Kantonrechter als kortgedingrechter, de zaak in feite ten gronde beslist terwijl hij slechts moest oordelen of het gelegde beslag onrechtmatig was of niet.

V. Ten onrechte is de Kantonrechter zonder volledige juridische gronden aan het verlangen van geïntimeerde tot opheffing van het gelegde derden beslag tegemoet gekomen in weerwil van het feit dat de geïntimeerde erkend heeft dat alle gelden op haar rekening door de appellant zijn gestort;

Overwegende, dat het Hof, overgaande tot bespreking van voormelde grieven, aanstonds opmerkt, dat de eerste grief gegrond te achten is nu, naar appellant terecht heeft gesteld, nergens uit de tussen partijen gewisselde processtukken blijkt, dat appellant tegen geïntimeerde heeft ingesteld een vordering ter verkrijging van echtscheiding;

Overwegende, dat appellant aan zijn vordering tot verlening aan hem van verlof tot het doen leggen van conservatoir derden beslag onder de Surinaamsche Bank N.V. onder meer ten grondslag heeft gelegd, dat hij op 10 december 1979 te [district] buiten elke gemeenschap van goederen is gehuwd met geïntimeerde;

dat hij sinds 1985 met toestemming en medeweten van geïntimeerde op haar rekening bij de Surinaamsche Bank N.V. stortingen deed ten behoeve van zichzelf, welke stortingen tot en met heden een saldo bedrag van Sf. 140.000,– bedragen;

dat hij voormelde handelingen verrichtte omdat de belastingdienst beslag op zijn gelden en tegoeden bij de Surinaamsche Bank had gelegd bij exploit d.d. 14 mei 1985;

dat hij onlangs aan geïntimeerde heeft doen weten over zijn spaartegoeden op haar rekening te willen beschikken waarmede geïntimeerde aanvankelijk instemde en hiertoe een giro-opdracht ten behoeve van Sf. 100.000,– tekende;

dat hem onlangs is gebleken dat geïntimeerde de betalingsopdracht heeft ingetrokken en weigert aan het tussen partijen afgesprokene uitvoering te geven;

dat hij vernomen heeft dat geïntimeerde thans doende is alle aan hem toebehorende gelden van de rekening te lichten waardoor verhaal straks onmogelijk zal worden op geïntimeerde, te meer daar zij geen eigen inkomsten heeft en andere bezittingen;

dat er derhalve gegronde vrees voor verduistering bestaat van het bedrag van Sf. 140.000,–, welk bedrag hij – appellant – per saldo in bewaring aan geïntimeerde heeft gegeven;

Overwegende, dat geïntimeerde, de grondslag van voormelde vordering betwistend, heeft aangevoerd, dat de door appellant bedoelde gelden in de loop der jaren op aandrang van haar – geïntimeerde – door appellant op haar rekening zijn gestort als enige zekerheid ten behoeve van haar, vermits partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd;

dat zij – geïntimeerde – daarop steeds heeft aangedrongen aangezien appellant, kort na het huwelijk van partijen had geëist dat zij – geïntimeerde – haar betrekking als gediplomeerd ziekenverzorgster in het Academisch Ziekenhuis moest opgeven, daar appellant bezwaren had dat geïntimeerde onder meer nachtdiensten moest verrichten, terwijl hij altijd geïntimeerde heeft verboden een andere betrekking te aanvaarden;

Overwegende, dat, naar uit de stellingen van geïntimeerde als hiervoren aangehaald blijkt, geïntimeerde zich op beroept, dat appellant haar, door de stortingen te haren behoeve op haar privérekening bij de Surinaamsche Bank N.V. op diverse tijdstippen in de periode 1985 tot en met augustus 1993, tot een totaal bedrag van Sf. 140.000,– te plegen, telkens schenkingen heeft gedaan tot gemeld totaal bedrag;

Overwegende, dat voormelde stellingen het Hof geloofwaardig voorkomen, mede in verband met de door geïntimeerde aangevoerde doch niet door appellant gemotiveerd betwiste omstandigheden als hiervoren vermeld; de man pleegt de vrouw immers onder voormelde omstandigheden eerder gelden te schenken dan in bewaring te geven, komende de titel van schenking het Hof dan ook veel normaler voor, leverende deze titel een vermoeden van juistheid op;

Overwegende, dat de door appellant gestelde titel te weten bewaargeving, het Hof hoogst abnormaal voorkomt, welke titel bewezen zou moeten worden door hem die zich daarop beroept, te weten appellant;

Overwegende, dat het Hof appellant tot bewijs van zijn terzake geponeerde stellingen zou toelaten, ware het niet dat het in casu betreft een procedure in kort geding, waarbij het gaat om het treffen van voorlopige voorzieningen en de gewone wettelijke regelen omtrent de te bezigen bewijsmiddelen en de daaraan toe te kennen bewijskracht toepassing dientengevolge missen (vgl. Doek c.s. aant. 10 op art. 290 Rv.);

Overwegende, dat het Hof onder verwerping van de daartegen ontwikkelde (overige) grieven als ongegrond onder verbetering van rechtsgronden het beroepen vonnis dan ook zal bevestigen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt onder verbetering van rechtsgronden het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding op 18 oktober 1993 tussen partijen gewezen waarvan beroep.

SRU-HvJ-2018-3

G.R.No.15183

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1], Nederland,

appellante, hierna aangeduid als ‘de vrouw’

gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [district],

geïntimeerde, hierna aangeduid als ‘de man’

gemachtigde: mr. B.G. Beckles, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 8 juni 2016 (A.R.No. 15-1837) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam de van Republiek, het navolgend vonnis uit:

1. Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de Griffier der Kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 5 juli 2016 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota, overgelegd op 4 augustus 2017;

– de antwoordpleitnota, overgelegd op 20 oktober 2017;

– de repliekpleitnota met productie, overgelegd op 1 december 2017;

– de dupliekpleitnota, overgelegd op 19 januari 2018.

2. De feiten

2.1 Partijen zijn op 10 november 2004 in Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2 Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van het vonnis van de kantonrechter van 15 december 2010 A.R. no. 10-1194, in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand.

2.3 Op 25 maart 2015 heeft mr. D.S.P. Chitoe, notaris in Paramaribo, een proces-verbaal van zwarigheden opgemaakt.

2.4 Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren twee onroerende zaken in [woonplaats 2] aan de [adres 1] (waar de man woont) en aan de [adres 2], en de onroerende zaak aan de [adres 3] in [woonplaats 1] (waar de vrouw woont). Op laatstgenoemde onroerende zaak rust een hypotheek waarvoor de vrouw de rente en aflossing betaalt.

2.5 Tussen partijen bestaat overeenstemming dat de woning in [woonplaats 1] en de daarop rustende hypotheekschuld aan de vrouw worden toegescheiden.

2.6 Voorts behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap roerende zaken en pensioenaanspraken ten name van de vrouw, die niet in geschil zijn.

3. De ontvankelijkheid van het beroep

Het vonnis van 8 juni 2016 is niet per dienstbrief verzonden. De gemachtigde van de vrouw heeft in een brief van 4 juli 2016 de griffier om afgifte van een afschrift van het vonnis gevraagd. De grosse van het vonnis is op 4 juli 2016 afgegeven. De verklaring van de griffier vermeldt dat mr. A.M. Tjong A Sie op 5 juli 2016 hoger beroep heeft ingesteld. Het beroep is dan ook tijdig ingesteld en de vrouw kan daarin worden ontvangen.

4. Het vonnis in eerste aanleg

4.1. Bij vonnis van de kantonrechter van 8 juni 2016 heeft deze bevolen dat de boedelnotaris een akte van scheiding en deling tussen partijen opmaakt met dien verstande dat het perceelland en al wat daarop staat aan de [adres 1] in [woonplaats 2], waarvan de kadastrale omschrijving is weergegeven in het proces-verbaal, zal worden toebedeeld aan de eerste zoon van partijen en dat hij ook alle lasten zal dragen die op dit onroerend goed rusten, onder de voorwaarde dat de eerste zoon ten behoeve van de man het recht van vruchtgebruik op dit perceelland vestigt, en voorts met dien verstande dat het perceelland en al wat daarop staat aan de [adres 2] in [woonplaats 2], waarvan de kadastrale omschrijving is weergegeven in het proces-verbaal, zal worden toebedeeld aan de tweede zoon van partijen en dat hij ook alle lasten zal dragen die op dit onroerend goed rusten, onder de voorwaarde dat de tweede zoon na het overlijden van de moeder van de man ten behoeve van hem het recht van vruchtgebruik op dit perceelland vestigt, en voorts geoordeeld dat door ondertekening van de akte van scheiding en deling partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben en elkaar niets meer verschuldigd zijn op grond van enige gemeenschap. Ten slotte heeft de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bepaald dat de proceskosten ten laste van partijen komen, ieder voor een gelijk deel.

4.2. De kantonrechter heeft onder andere aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek van de man om het vruchtgebruik op beide percelen te verkrijgen moet worden gehonoreerd omdat hij belast is met het onderhoud en omdat zijn belang zwaarder weegt dan dat van de vrouw omdat hij een polikliniek wil vestigen aan de [adres 2] en de vrouw in Nederland woont en werkt. Ten aanzien van de woning in [woonplaats 1] heeft de kantonrechter overwogen dat partijen deze aan de rechtbank in Nederland dienen voor te leggen omdat de woning in Nederland ligt.

5. De grieven

De door de vrouw aangevoerde grieven kunnen als volgt worden samengevat:

I. Ten onrechte heeft de kantonrechter door slechts één taxateur laten taxeren in plaats van door drie zoals de wet voorschrijft;

II.Ten onrechte heeft de kantonrechter geen inzage gegeven in de taxatierapporten en hebben partijen niet de gelegenheid gehad zich daarover uit te laten;

III. Ten onrechte heeft de kantonrechter niet in het vonnis de waarde van het blote eigendom opgenomen teneinde een eerlijk en duidelijk beeld aan partijen te geven wat betreft de waarde van het blooteigendom en de waarde van het daaraan gekoppelde recht van vruchtgebruik;

IV. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de man belast is met het onderhoud van beide percelen;

V. Ten onrechte heeft de kantonrechter het recht van vruchtgebruik op beide percelen aan de man toegewezen en geen rekening gehouden met het feit dat het recht van vruchtgebruik naast het bloot eigendom een financiële waarde heeft;

VI. Ten onrechte heeft de kantonrechter in het vonnis bepaald dat de proceskosten ten laste van beide partijen komen.

6. De vordering in hoger beroep

De vrouw verzoekt in hoger beroep het vonnis, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de wijze van afwikkeling van de scheiding en deling tussen partijen te herzien.

7. Het verweer

De man heeft verweer gevoerd en geconcludeerd dat het vonnis in eerste aanleg moet worden bevestigd omdat de grieven geen standhouden.

Op de verweren van de man wordt hieronder voor zover van belang nader ingegaan.

8. De beoordeling

8.1. De man heeft ten aanzien van de eerste grief betoogd dat partijen op 22 juli 2015 akkoord zijn gegaan met het voorstel van de kantonrechter om in verband met de kosten één taxateur te benoemen. De vrouw heeft dat niet weersproken. Het Hof verwerpt de grief omdat het partijen vrijstaat om niettegenstaande de wettelijke bepaling van artikel 1104 BW uit een oogpunt van proceseconomie en kosten te kiezen voor een waardebe-paling door één taxateur. De grief faalt.

8.2. De tweede grief ziet op de inzage in de taxatierapporten. Het Hof heeft kennis genomen van de conclusie van de vrouw van 13 oktober 2015 waarin zij zich heeft uitgelaten over de taxatierapporten. Het Hof merkt overigens op dat zich in het dossier alléén het taxatierapport van het perceel plus woning aan de [adres 1] bevindt. Wat daar van zij, de vrouw heeft te kennen gegeven dat zij zich kan vinden in de waarde die is toegekend aan de perceellanden, met dien verstande dat zij over het perceel aan de [adres 2] heeft opgemerkt dat de man heeft nagelaten om dit te onderhouden en dat hij het in verval heeft doen geraken waardoor het in waarde is gedaald. De vrouw heeft de kantonrechter verzocht dit mee te nemen bij de bepaling van de hoogte van het bedrag waarvoor de man haar wenste uit te kopen. Het Hof komt hierna bij de bespreking van de derde grief op de waarde van het vruchtgebruik terug.

De grief faalt hoe dan ook omdat de vrouw kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de taxatierapporten.

8.3. Met betrekking tot de derde grief oordeelt het Hof dat de kantonrechter in zijn vonnis niet in is gegaan op het verzoek van de vrouw om de gestelde verwaarlozing van het perceel [adres 2] bij de bepaling van de hoogte van het bedrag waarvoor de man de vrouw wilde uitkopen in aanmerking te nemen. De kantonrechter behoefde dit ook niet te doen omdat de vrouw op dit punt in eerste aanleg niet voldoende heeft gesteld. Zij heeft nagelaten aan te geven welke waarde zij aan het vruchtgebruik op beide percelen in Suriname toekende en op welke wijze een eventuele verrekening of uitkoop door de man zou moeten plaatsvinden. Zij heeft bij de notaris, zo volgt uit het proces-verbaal van zwarigheden, te kennen gegeven dat de beide woningen in Suriname aan de zonen zouden worden overgedragen, dat de man het vruchtgebruik van de woning aan de [adres 1] zou krijgen en dat zij (na het overlijden van de moeder van de man) het vruchtgebruik op de woning aan de [adres 2] wilde verkrijgen en dat de woning in Nederland en de daarop rustende hypotheekschuld zouden moeten worden verdeeld. De vrouw heeft bij de notaris ook te kennen gegeven dat het pand aan de [adres 1], waarvan de man het vruchtgebruik zou krijgen, een veel hogere waarde had dan het pand aan de [adres 2]. Zij heeft verder te kennen gegeven dat de man inboedelgoederen en twee voertuigen in bezit had en dat zij daarom graag zou zien dat hij het pand aan de [adres 2] binnen korte tijd leefbaar zou maken en de bewoner zou ontruimen. Ook wilde zij dat de man geen aanspraak zou maken op haar pensioen en dat hij geen lening op de woningen zou nemen of tot verkoop zou overgaan.

De vrouw heeft echter ook in hoger beroep nagelaten om haar wens tot verrekening of uitkoop cijfermatig handen en voeten te geven, zodat het Hof daar geen rekening mee kan houden. De vrouw heeft dus niet aan haar stelplicht voldaan. De grief slaagt niet.

8.4. De vierde grief betreft de beslissing van de kantonrechter dat de man van beide percelen in Suriname het vruchtgebruik krijgt. Terecht klaagt de vrouw over de overweging van de kantonrechter dat tussen partijen niet ter sprake is gekomen wie van partijen het onderhoud van die percelen heeft. De man heeft, zo blijkt uit het proces-verbaal van zwarigheden, bij de notaris verklaard dat hij beide percelen zal onderhouden en dat hij het vruchtgebruik daarover wenst. Dat de man ten tijde van de procedure in eerste aanleg reeds belast was met het onderhoud van de beide percelen is niet gesteld of gebleken. Het is aannemelijk dat de man in elk geval de woning aan de [adres 1] waar hij woonde onderhield, maar dat blijkt verder nergens uit. Evenmin komt uit de stukken naar voren door wie de woning aan de [adres 2], waarvan de moeder van de man tot haar dood in maart 2017 het vruchtgebruik had werd onderhouden. De grief is dan ook terecht opgeworpen.

8.5.In de vijfde grief heeft de vrouw geklaagd over de beslissing van de kantonrechter dat de man het vruchtgebruik over beide percelen, welke op naam van de beide zonen van partijen zullen worden gesteld, aan de man toekomt. De overweging die de kantonrechter daaraan ten grondslag heeft gelegd is dat het belang van de man zwaarder weegt dan dat van de vrouw omdat hij beide percelen in onderhoud heeft, omdat de vrouw in Nederland woont en omdat de man een polikliniek in de woning aan de [adres 2] wil vestigen.

De grief slaagt. Ten onrechte is de kantonrechter voorbijgegaan aan de stelling van de vrouw dat zij naar Suriname wil terugkeren en dat zij in de [adres 2] wil gaan wonen. De vrouw woont inderdaad in Nederland, maar dat zal veranderen wanneer zij naar Suriname remigreert. Zij heeft overigens bij de notaris kenbaar gemaakt dat zij het vruchtgebruik over die woning wilde hebben zodat zij, wanneer zij met vakantie in Suriname is, over een woonruimte kan beschikken; dit is in het proces-verbaal dat de notaris heeft opgemaakt vermeld. Ook dit aspect heeft de kantonrechter niet meegewogen. Het vonnis is dan ook onvoldoende gemotiveerd.

Het Hof is van oordeel dat er geen reden is om het belang van de man zwaarder te laten wegen dan dat van de vrouw. Hij heeft een praktijk elders en woont in de [adres 1]. Zijn wens om een polikiniek in de [adres 2] te vestigen is, evenals het plan van de vrouw om te zijner tijd te remigreren naar Suriname, enkel en alleen een voornemen.

Omdat de belangen van beide partijen bij een vruchtgebruik even zwaar wegen en er twee woningen zijn, terwijl de man in de [adres 1] woont, ligt het in de rede dat de vrouw het vruchtgebruik over de woning aan de [adres 2] krijgt.

Het Hof ziet geen aanleiding om nog een verrekening van de waarde van de beide rechten van vruchtgebruik te bepalen omdat daarvoor geen financiële gegevens voorhanden zijn. De vrouw heeft daarover, zoals al is opgemerkt, niets over gesteld.

De grief slaagt en het Hof zal ten aanzien van de rechten van vruchtgebruik bepalen dat ieder van partijen een recht van vruchtgebruik op een van de beide percelen in Suriname verkrijgt.

8.6. De zesde grief faalt. Terecht heeft de kantonrechter bepaald dat de proceskosten en de notariële kosten voor beide partijen zijn. De scheiding en deling is in het belang van beide vroegere echtgenoten en beiden moeten daarom bijdragen in de gemaakte kosten.

8.7. Het Hof overweegt voorts het volgende.

Het Hof acht het niet juist dat de kantonrechter in zijn vonnis heeft nagelaten een beslissing te geven over de toescheiding aan de vrouw van de woning in [woonplaats 1] en van de daarop rustende hypotheekschuld. De man heeft te kennen gegeven dat hij het ermee eens is dat deze woning op naam van de vrouw wordt gesteld en dat hij met de lening die daarop rust niets van doen heeft. De woning en de lening waarvoor een hypotheek is gevestigd staan op naam van de vrouw en zij heeft altijd de lasten daarvan betaald. Zowel de woning als de hypothecaire geldlening vallen in de huwelijksgemeenschap. Over de waarde van de woning in [woonplaats 1] – en een eventuele over- of onderwaarde – bestaat weliswaar geen duidelijkheid – de man heeft daarover in zijn conclusie uitlating producties van 27 april 2016 zijn ongenoegen geuit – maar hij verbindt daar geen consequenties aan. Duidelijk is dat de vrouw belang heeft bij toescheiding van de woning aan haar. Ook de hypotheekschuld zal aan de vrouw worden toegescheiden nu zij de debiteur van de geldlening is en deze schuld kennelijk buiten de man om en voorafgaand aan het huwelijk heeft afgesloten.

De akte tot scheiding en deling kan in Nederland worden ingeschreven omdat een (Surinaamse) authentieke akte in Nederland wordt erkend op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname van 27 augustus 1976 betreffende de wederzijdse erkenning en de ten uitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken.

8.8. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal het Hof beslissen zoals in het dictum is verwoord.

9. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1. vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

9.2. beveelt de boedelscheidende notaris om een akte van scheiding en deling op te maken tussen partijen met inachtneming van het volgende:

– het perceelland met al hetgeen daarop staat, gelegen te [woonplaats 2] aan de [adres 1], waarvan de kadastrale omschrijving is weergegeven in het proces-verbaal van zwarigheden van 25 maart 2015, zal worden toebedeeld aan de eerste zoon van partijen die ook alle lasten zal dragen die op deze onroerende zaak rust, onder de voorwaarde dat hij ten behoeve van [geïntimeerde] het recht van vruchtgebruik op dit perceelland vestigt;

– het perceelland met al hetgeen daarop staat, gelegen te [woonplaats 2] aan de [adres 2], waarvan de kadastrale omschrijving is weergegeven in het proces-verbaal van zwarigheden van 25 maart 2015, zal worden toebedeeld aan de tweede zoon van partijen die ook alle lasten zal dragen die op deze onroerende zaak rust, onder de voorwaarde dat hij ten behoeve van [appellante] het recht van vruchtgebruik op dit perceelland vestigt;

– de woning aan de [adres 3] te [woonplaats 1], kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1], sectie K, [nummer], groot één are en twee en tachtig centiare (1.82 are), alsmede de daarop rustende hypothecaire geldlening zoals neergelegd in de notariële akte van schuldbekentenis met hypotheekstelling en kredietfaciliteit van 9 juli 2004, worden toebedeeld aan [appellante];

– door ondertekening van de akte van scheiding en deling zullen partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en aan elkaar verschuldigd zijn op grond van enige gemeenschap;

– bepaalt dat de proceskosten in eerste instantie en in hoger beroep, de notariële kosten en het honorarium van de deskundige ten laste komen van beide partijen, een ieder voor een gelijk deel.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Lachitjaran-Chhangur en mr. R.G. Chatterpal, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President , bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. J.S. Tamsiran namens advocaat mr. A.M. Tjong A Sie, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. B.G. Beckles, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-1994-8

Hof van Justitie
24 juni 1994, G.R. 13386

(Mrs. J.R. von Niesewand, P.G. Wolff, W.R. Willemzorg)

[appellant], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt mr. W.C. Pengel, advocaat, appellant in conventie in kort geding,

tegen

A. De Stichting Volkshuisvesting Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Madeliefjestraat 87, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. M.I. Vos, advocaat,

B. [geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Suriname, voor wie als gemachtigde optreedt., mr. A.R. Baarh, advocaat,

C. [geïntimeerde sub C], wonende te [district] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. M.I. Vos, advocaat, geïntimeerde in conventie in kort geding.

De vice-president spreekt in deze zaak in naam van de republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding in het Eerste kanton van 30 augustus 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton respectievelijk van 31 augustus 1993 en 6 september 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser ondervolgende vordering in kort geding instelt tegen:

A. De Stichting Volkshuisvesting Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Madeliefjestraat 87;

B. [geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Suriname;

C. [geïntimeerde sub C], wonende te [district] aan [adres 2], gedaagden;

2. Op of augustus omstreek 1982 heeft eisers vader, genaamd [huurder], van gedaagde sub A gehuurd, gelijk deze aan hem heeft verhuurd, het pand gelegen te [district] aan [adres 1] voor de huursom van Sf.30,– per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

3. Van de [huurder], die ondertussen gepensioneerd was, was eiser één van zijn wettig erkende kinderen. Beide verbleven in de betreffende huurwoning, aangezien die [huurder] psychisch zeer onevenwichting was en hulp behoevend;

4. Op zekere dag in de maand maart 1992 werd hij door gedaagde op aanbeveling van de heer [persoon], die staflid is bij gedaagde sub A opgehaald en naar het Kantoor van de stichting meegenomen;

5. Achteraf en wel enkele maanden daarna is eiser te weten gekomen dat gedaagde sub A ([persoon]) in tegenwoordigheid van [geïntimeerde sub B], die [huurder] een stuk heeft laten ondertekenen, waarvan hij de inhoud niet kende en gedaagden sub a en B wisten althans hebben moeten opmerken dat die [huurder] niet op normale wijze over zijn verstandelijke vermogens beschikte;

6. Niettemin heeft de Stichting die [huurder], zoals uit de akte blijkt op 30 maart 1992 een huurkoopovereenkomst doen ondertekenen, waarin vermeld staat, dat hij van de Stichting, het door hem bewoond pand aan [adres 1] in huurkoop heeft verkregen voor de koopprijs van Sf. 24.500,-

7. Onder punt 2 van artikel 2 van bedoelde overeenkomst is opgenomen dat van deze koopprijs door de koper met een bedrag van Sf. 24.351, 85 is verrekend wegens huurvoorsprong per ultimo februari 1992, welke bedrag de verkoper verklaart te hebben ontvangen, en waarvan aan de koper bij deze kwijting wordt gegeven;

8. Belangrijk is te stellen dat [huurder], die slecht en pensioen van Sf. 450,– per maand had destijds, niets aan de stichting heeft betaald of verrekend;

9. De stichting en [geïntimeerde sub B] hebben deze overeenkomst in elkaar gezet om zogenaamd te bewerkstelligen dat die [huurder] zou hebben gekocht;

10. De samenspanning tussen gedaagde sub a en B is duidelijk te merken in het zogenaamde, “aanhangsel”, d.d. 17 maart 1992, (dus lang voor de huurkoopovereenkomst, van 30 maart 1992) waarin staat opgenomen, dat dit aanhangsel behoort bij een ongedagtekende huurkoopoverkomst en verder dat [huurder] verklaart alle rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de huurkoopovereenkomst met betrekking tot het pand aan [adres 1], met ingang van 1 april 1992 aan [geïntimeerde sub B] over te dragen en waarbij die [geïntimeerde sub B] verklaart die rechten en verplichtingen uit bedoelde overeenkomst met ingang van 1 mei 1992 van [huurder] te nemen.

Gedaagde sub A heeft [huurder], het aanhangsel van zijn handtekening laten voorzien;

11. Mede gelet op de data van beide overeenkomst alsmede de inhoud daarvan, valt direkt op dat gedaagde sub A en b eisers vader hebben bedrogen en opzettelijk hebben misleid, op een moment waarbij het niet in staat was zijn wil te verklaren; in ieder geval hebben gedaagde sub A en B misbruik gemaakt van de omstandigheden waarin [huurder] verkeerde, waardoor deze vereenkomst nietig is, vermits bij het gebruik maken door de Stichting van de omstandigheden waarin [huurder] verkeert, deze hem gebracht heeft tot het aangaan van een overeenkomst die hij als hij niet in die omstandigheden verkeerde die niet zou hebben gesloten, wegens daaraan voor hem verbonden nadelen. In zoverre is de behandeling van [huurder] een wezenlijk onderdeel van de undue influence;

12. Het voorgaande geeft aan dat de wijze waarop deze overeenkomst is gemaakt, de verhouding tussen partijen bepalend zijn dat de overeenkomst wegens onzedelijke oorzaak nietig is;

13. Op basis van deze als bovenaangehaalde nietige huurkoopovereenkomst tussen gedaagden sub A en B heeft gedaagde sub A het pand op zijn beurt bij akte verleden ten overstaan van mr. Blom kandidaat notaris, waarnemend als notaris voor mr R. Rodrigues notaris, het pand overgedragen en geleverd aan gedaagde sub b die gelijk of kort hierna hetzelfde pand heeft geleverd aan gedaagde sub C;

14. Toen de familie achter deze handeling van gedaagden kwam, vonden zij het noodzakelijk de psychiater te consulteren vermist die [huurder] reeds langer dan een jaar onder diens behandeling was. Hem werd een verklaring gevraagd, en verkregen;

15. Blijkens de hierbij overgelegde verklaring d.d. 24 april 1992 van Dr. Rambharos, psychiater verklaart deze: “Na onderzoek blijkt het navolgende:

Patiënt is gedesoriënteerd in tijd en plaats, er zijn inprentingsstoornissen. Het korte termijn geheugen is gestoord. Het benoemen van voorwerpen loopt moeizaam. Deze verschijnselen bestaan al 1 á 2 jaar. Gezien het bovenstaande wordt patiënt niet in staat geacht adequate beslissingen zelfstandig te nemen en wordt mijnerzijds geadviseerd hem onder curatele te stellen”;

16. bij verzoekschrift van 8 september is de Kantonrechter gevraagd dat voor [huurder] een curator wordt benoemd. Bij beschikking van 23 november 1992 is beslist hem onder curatele te stellen, wegens het niet in staat zijn om zijn eigen belangen behoorlijk waar te nemen op grond van zwakheid van vermogens;

17. helaas is [huurder] op december 1992 te Paramaribo overleden;

18. een andere grond welke tot nietigheid van deze koopovereenkomst moet leiden is, dat volgens de statuten van de Stichting de Raad van Toezicht goedkeuring verleent aan de Stichting tot verkoop en overdrachtvan onroerende goederen aan derden en niet, zoals in de machtiging van 4 mei 1992 is vermeld, de minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting bij afwezigheid van de Raad van Toezicht. Nergens valt te lezen dat aan de minster die bevoegdheid bij afwezigheid toekomt. Hij heeft derhalve onbevoegd deze rechtshandeling verricht tot verkoop van het pand;

19. Op grond hiervan is de koopovereenkomst tussen gedaagde sub A en B nietig, althans vernietigbaar;

20. Eiser werd overvallen door de deurwaarder R Kappel die hem bij exploit van 26 mei 1993 namens gedaagde sub C heeft aangezegd om, op grond van de daarin vermelde overwegingen uiterlijk 30 mei het pand aan [adres 1], waarin hij altijd heeft gewoond en als erfgenaam van [huurder] is blijven wonen, te ontruimen;

21. Voornamelijk de overwegingen in het 2e tot en met 4e “dat” doen geloven dat gedaagden sub b en c hebben gehendeld om die [huurder] bij de schijnkoping opzettelijk te benadelen;

22. Nu de levering van het betreffende onroerend goed heeft plaats gehad op grond van een nietige overeenkomst tussen de Stichting en [huurder], gevolgd door die tussen de Stichting en [geïntimeerde sub B], vanwege het hier geldende causaal stelsel, is de levering de Stichting van [geïntimeerde sub B] aan [geïntimeerde sub C] nietig, althans vernietigbaar;

23. Eiser heeft geen ander onderkomen en vreest dat gedaagde sub C uitvoering zal geven aan haar aanzegging;

24. In bodemvordering zal eiser de nietigheid c.q vernietigbaarheid van bedoelde koopovereenkomst bij de Kantonrechter vorderen, doch er dient nu reeds een voorziening ter veiligstelling van zijn belang worden getroffen;

25. Het betreft in casu een zaak die spoedeisend is en een onverwijlde voorziening bij voorraad rechtvaarigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis in Kort Geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

De huurkoopovereenkomst d.d. 30 maart 1992. De huurkoop overeenkomst d.d. 17 maart 1992 gevolgd door de overeenkomst van koop en verkoop van: het perceelland met daarop staande gebouw, groot 34050 m² ten oosten van de [straat], aangeduid op de kaart van de landmeter Ch. Kanhai d.d. 25-1-1982 met de letters A B C D en het [nummer 1] nietig zal worden verklaard c.q zal worden vernietigd danwel zal worden vernietigd danwel zal worden opgeschort.

Subsidiair:

Gedaagde sub C zal worden verboden uitvoering te geven aan haar voornemen tot ontruimen van eiser uit het pand aan [adres 1] totdat Kantonrechter in bodemvordering uiteindelijk zal hebben beslist; Gedaagde zal worden veroordeeld om ten titel van dwangsom voor iedere dag dat zij het gebod overtreedt aan eiser te betalen de som van Sf. 10.000,–, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde sub B] als gedaagde partij sub B in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd; dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat De Stichting Volkshuisvesting Suriname als gedaagde partij sub A in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke eveneens geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans de gevraagde voorziening zal worden geweigerd;

Overwegende, dat [geïntimeerde sub C] als gedaagde partij sub B in eerste aanleg voor antwoord in conventie onder overlegging van produkties heeft geconcludeerd:

1. gedaagde onkent en betwist al hetgeen niet uitdrukkelijk door haar is erkend.

2. Gedaagde wenst als meeste verstrekkend verweer te stellen dat eiser niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, in dier voege dat het in het geheel niet duidelijk is welk belang eiser bij onderhavige vordering heeft, althans uit hoofde hiervan dient eiser niet in zijn vordering te worden ontvangen. Gedaagde ontkent en betwist bij gebrek aan wetenschap ten overvloede dat eiser enig belang bij onderhavige vordering zou hebben, danwel enig recht op het litigieuze pand kan doen gelden.

3. Gedaagde heeft uit eigen wetenschap niets te verklaren over de feiten en omstandigheden waaronder [geïntimeerde sub B] de eigendom van het litigieuze pand heeft verkregen. Gedaagde ontkent en betwist bij gebrek van wetenschap derhalve al hetgeen eiser ten aanzien daarvan in zijn conclusie van eis (sustenu 2 tot en met 19)naar voren heeft gebracht. Gedaagde stelt met klem dat eiser het bewijs zal moeten bijbrengen dat [huurder] bij het aangaan van de huurkoopovereenkomst met de SVS, en bij de overdracht van zijn rechten en plichten uit deze overeenkomst aan [geïntimeerde sub B], niet in staat was zijn wil te bepalen danwel dat zijn innerlijke wil niet met zijn verklaringen overeenstemde terwijl de contractspartijen (SVS en [geïntimeerde sub B]) uit het handelen van [huurder] zulks hadden kunnen weten, althans niet er op mochten vertrouwen dat zijn verklaringen met zijn wil overeenstemden. Eiser heeft vooralsnog zulks niet aannemelijk kunnen maken. Van “undue influence” of een overeenkomst in strijd met de goede zeden is in geen geval sprake.

4. Gedaagde stelt uitdrukkelijk dat zij via een rechtsgeldige titel de eigendom van het litigieuze pand van [geïntimeerde sub B] heeft verkregen. Gedaagde heeft het pand gekocht, voor een koopprijs van maar liefst

Sf. 50.000,–. Gedaagde legt hierbij in fotokopie de akte van koop en verkoop/transportakte d.d. 26 augustus 1992 in fotokopie over. Gedaagde had beslist geen weet van vermeende belangen van eiser of [huurder] bij het aangaan van de transactie, zodat van een samenspanning tussen haar en [geïntimeerde sub B] geen sprake kan zijn.

5. De rechtvoorganger van gedaagde, [geïntimeerde sub B], had het litigieuze pand in bruikleen afgestaan aan [huurder], aan welk gebruikrecht bij diens overlijden in december 1992 (in ieder geval) een einde is gekomen. Gedaagde heeft echter moeten ervaren dat na het overlijden van [huurder], eiser in het litigieuze pand is getrokken, zonder dat gedaagde als eigenares hem daartoe enig recht of titel heeft verschaft. Het verblijf van eiser in het pand is mitsdien onrechtmatig jegens gedaagde, zijnde zulks een inbreuk op gedaagde haar eigendomsrecht, althans een ernstige belemmering op gedaagde haar recht op genot van het pand. Gedaagde is dan ook gerechtigd de ontruiming van het litigieuze pand door eiser en degenen die zich van zijnentwege daarin bevinden te vorderen. (Gedaagde vermoedt overigens dat onderhavige vordering slechts dient om een dergelijke ontruiming te voorkomen). En voor eiser in reconventie heeft gesteld:

1. Eiseres verzoekt de rechter om al hetgeen in conventie is aangevoerd, als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen aanmerken;

2. Gedaagde verblijft zonder recht of titel in het eiseres in eigendom toebehorende pand aan [adres 1]. Gedaagde weigert ondanks herhaalde en dringende aanmanningen in der minne om het litigieuze pand te ontruimen. Eiseres legt hierbij een aanzegging tot ontruiming per exploit van deurwaarder René Kappel van 26 mei 1993 [nummer 2] in fotokopie over.

3. Eiseres ondervindt door het onrechtmatig handelen van gedaagde voortgaande schade. Eiseres heeft het litigieuze pand namelijk speciaal gekocht voor eigen gebruik, en is thans genoodzaakt op logeeradressen bij familieleden een onderkomen te zoeken. Daarenboven echter gaat het litigieuze pand door de wijze van bewoning door gedaagde in waarde achteruit, terwijl eiseres, voor het behoud van het op het pand staande woning, de woning zo spoedig mogelijk een behandeling tegen houtluizen wenst te geven.

4. Van eiseres kan niet worden gevergd dat zij vorenomschreven inbreuk op haar eigendomsrecht door gedaagde – die in feite een ordinaire kraker is – nog langer duldt.

5. Uit het voorgaande blijkt dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij een vordering tot ontruiming van gedaagde.

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conventie:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur, althans binnen een door de rechter, in goede justitie te bepalen termijn, het pand staande en gelegen te [district] aan [adres 1] te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking van eiseres te stellen, onder afgifte van de sleutels aan eiseres, met medeneming van al de daarin van zijntwege zich bevindende personen en goederen, met bepaling dat indien hij daarmede in gebreke mocht blijven, eiseres zelfstandig tot die ontruiming zal mogen overgaan op kosten van gedaagde, desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Overwegende, dat de gemachtigde van [appellant] schriftelijke conclusies van repliek en dupliek produktie ten aanzien van gedaagden sub A en B en van repliek en uitlating produktie in conventie en antwoord in reconventie ten aanzien van [geïntimeerde sub C] heeft genomen, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat de gemachtigden van gedaagden sub A en B schriftelijke conclusies van dupliek hebben genomen, hebbende de gemachtigde van gedaagde sub B tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud, alsmede die van de overgelegde produktie, hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van [geïntimeerde sub C] een – hier als geïnsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van [appellant] een schriftelijke conclusie van dupliek in reconventie en uitlatingproduktie ten aanzien van [geïntimeerde sub C] heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 30 augustus 1993 op de daarin opgenomen gronden:

In conventie en in reconventie:

De gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;

De eisende partij (in conventie als in reconventie) heeft veroordeeld in de gedingkosten aan gedaagdes (in conventie en in reconventie) zijnde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermelde processen-verbaal [appellant] en [geïntimeerde sub C] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 30 augustus 1993;

Overwegende, dat bij exploiten van deurwaarder R. Kappel d.d. 29 oktober 1993 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geïntimeerde sub C ten dage voor antwoord pleidooi in conventie en in reconventie bepaald het appèl in reconventie ingetrokken terwijl advocaat mr. Baarh ten dage voor dupliek pleidooi bepaald heeft gepersisteerd bij zijn stellingen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 13 mei 1994, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

In conventie en in reconventie:

In reconventie:

Overwegende, dat het Hof zal verstaan dat appellant het op 6 september 1993 tegen de in reconventie gegeven beslissing de dato 30 augustus 1993 aangetekend appèl heeft ingetrokken;

In conventie:

Overwegende, dat appellant blijkens het petitum ondermeer primair heeft gevorderd: nietigverklaring c.q. vernietiging van:

– de huurkoopovereenkomst d.d. 30 maart 1992;

– de huurkoopoverdracht overeenkomst d.d. 17 maart 1992, gevolgd door de overeenkomst van koop en verkoop van: het perceelland met daaropstaand gebouw groot 34050 m² ten oosten van de [straat], aangeduid op de kaart van de landmeter Ch. Kanhai d.d. 25 januari 1982 met de letters A B C D en [nummer 1];

Overwegende, dat appellant in zoverre een constitutieve beslissing verlangt, zijnde een beslissing, welke in casu een bestaande rechtsbetrekking te niet zou doen gaan;

Overwegende, dat nu een zodanige beslissing in zichzelve een definitief karakter heeft en reeds uit dien hoofde aan het kort geding is ontzegd, dient de in zoverre gevraagde voorziening wat van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten ook moge zijn te worden geweigerd;

Overwegende, dat appellant primair wijders heeft gevorderd opschorting van voormelde overeenkomsten;

Overwegende, dat het Hof aanstonds opmerkt, dat; zo het gevorderde gebaseerd zou zijn op de stellingen van appellant hierop neerkomend dat de overeenkomsten van 17 maart 1992 en 30 maart 1992 nietig d.i. van rechtswege althans absoluut nietig zijn, de in verband daarmede gevraagde voorziening te weten opschorting dier overeenkomsten, de daaraan ten grondslag gelegde feiten daarlatend, eveneens dient te worden geweigerd omdat aan overeenkomsten, die van rechtwege c.q. absoluut nietig zijn, de wet zonder meer het beoogde rechtgevolg ontzegt en dat opschorting van die overeenkomsten rechtens mitsdien niet mogelijk is;

Overwegende, dat het Hof voorts opmerkt, dat een overeenkomst tussen partijen gesloten rechtens niet tegelijk van rechtswege nietig en vernietigbaar kan zijn;

Overwegende, dat naar uit het proces-dossier blijkt, de persoon van [huurder] bij vonnis van de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton d.d. 23 november 1992 onder curatele werd gesteld op grond van zwakheid van vermogens;

Overwegende, dat handelingen, verricht voordat een onder curatelestelling op grond van onnozelheid, krankzinnigheid of razernij is uitgesproken, onder bepaalde omstandigheden kunnen worden nietig verklaard, maar deze onmogelijkheid staat niet open in geval van onder curatele stelling op grond van zwakheid van vermogens (vide vs HvJ d.d. 2 februari 1973 inz. S.Paltie c/a Tj. Moekoet, S.J. 1973 no. 1);

Overwegende, dat nu de overeenkomst van huurkoopoverdracht en de huurkoopovereenkomst van respectievelijk 17 maart 1992 en 30 maart 1992 dateren en [huurder], nu wijlen, lang daarna en wel op 23 november 1992 onder curatele werd gesteld wegens zwakheid van vermogen en appellant op grond hiervan in de bodem procedure, naar het voorlopig oordeel van het Hof, niet met succes nietigverklaring van gemelde overeenkomsten zal kunnen vorderen, ontgaat het Hof welk belang appellant heeft bij zijn vordering tot opschorting van de overeenkomsten van 17 maart 1992 en 30 maart 1992;

Overwegende, dat appellant zich blijkens zijn stellingen op beroepen heeft dat de koopovereenkomst ook hierom nog tot nietigheid leiden moet omdat volgens de statuten van de Stichting Volkshuisvesting Suriname de Raad van Toezicht goedkeurig verleent aan de Stichting tot verkoop en overdracht van onroerende goederen aan derden en niet, zoals in de machtiging van 4 mei 1992 is vermeld, de Minister van Sociale Zaken en Volkshuisvesting bij afwezigheid van de Raad van Toezicht, vallende immers nergens te lezen dat aan de Minister die bevoegdheid bij afwezigheid toekomt, hebbende de Minister derhalve onbevoegdelijk, de rechtshandeling verricht, d.i. de goedkeuring verleend tot verkoop van het pand;

Overwegende, dat uit de stellingen van appellant blijkt, dat de Stichting Volkshuisvesting Suriname, na de haar verleende goedkeuring ook daadwerkelijk is overgegaan tot verkoop en levering aan [geïntimeerde sub B] van het in de verklaring van Minister d.d. 4 mei 1992 omschreven onroerend goed;

Overwegende, dat het Hof het voor waar wil houden dat slechts de Raad van Toezicht het Orgaan is dat bevoegd was aan de Stichting goedkeuring te verlenen tot verkoop en levering van het litigieuze onroerend goed aan [geïntimeerde sub B];

Overwegende, dat het Hof evenwel opmerkt, dat de tussen de Stichting en [geïntimeerde sub B] gesloten overeenkomst van koop en verkoop niet van rechtswege nietig is, zoals appellant het blijkens zijn stellingen wil doen voorkomen, doch vernietigbaar en dat slechts partijen bij een dergelijke overeenkomst de nietigheid daarvan zouden kunnen inroepen, zijnde appellant daarbij geen partij;

Overwegende, dat het Hof eveneens opmerkt dat, naar uit de stellingen van appellant blijkt, de Stichting door niettemin daaraan uitvoering te geven zoals uit de stellingen van appellant blijkt, die overeenkomst, heeft bekrachtigd;

Overwegende, dat het het Hof dan ook geheel ontgaat hoe appellant opschorting van ondermeer de overeenkomst gesloten tussen de Stichting Volkshuisvesting Suriname en [geïntimeerde sub B], kan vorderen, hebben hij immers daarbij hoegenaamd geen belang;

Overwegende, dat de primair gevraagde voorzieningen op voormelde gronden dan ook geweigerd dienen te worden;

Overwegende, dat nu geïntimeerde sub C, blijkens haar onweersproken stellingen bij antwoord pleidooi d.d. 18 februari 1994, het onroerend goed ten aanzien waarvan appellant blijkens de subsidiaire vordering heeft verzocht geïntimeerde sub C te verbieden appellant daaruit te ontruimen totdat in de bodem procedure uiteindelijk zal zijn beslist, heeft verkocht en overgedragen aan een derde, de grondslag van appellant zijn vordering, naar geïntimeerde sub C terecht stelt, is komen weg te vallen;

Overwegende, dat het Hof dan ook van oordeel is dat de Kantonrechter, zij het op andere gronden, de gevraagde voorziening terecht heeft geweigerd;

Overwegende, dat het Hof dan ook zal beslissen als in het dictum van dit vonnis te melden; Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

In conventie en in reconventie:

Vernietigt het vonnis d.d. 30 augustus 1993, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende
In reconventie:

Verstaat dat appellant het op 6 september 1993 tegen de op 30 augustus 1993 gegeven beslissing aangetekend appèl heeft ingetrokken;

In conventie:

Bevestigt onder verbetering van rechtsgronden het vonnis d.d. 30 augustus 1993, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding tussen partijen gewezen, waarvan beroep; Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen.

SRU-HvJ-2018-2

G.R.No. 15263

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],

wonende te [adres], USA,

appellante,

verder te noemen: de vrouw,

gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Paramaribo,

geïntimeerde,

verder te noemen: de man,

gemachtigde: I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 13 augustus 2012 (A.R.No. 10-4479) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– de verklaring d.d. 31 augustus 2012 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de vrouw tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 5 januari 2018;

– de antwoordpleitnota d.d. 2 februari 2018;

– de repliekpleitnota d.d. 16 maart 2108;

– het, bij wijze van dupliek, persisteren bij de antwoordpleitnota d.d. 6 april 2018;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 3 augustus 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om een echtscheiding. De kantonrechter heeft de echtscheiding uitgesproken. De vrouw heeft twee grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter.

3. De tweede grief stelt aan de orde dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet door de kantonrechter had mogen worden afgeleid uit het feit dat partijen al jaren gescheiden (en in twee verschillende landen) wonen en leven. Volgens de vrouw staat dit niet in de wet. Dat laatste is juist. Maar de duurzame ontwrichting van een huwelijk kan uit de omstandigheden van het geval worden afgeleid, zonder dat die omstandigheden in de wet omschreven hoeven te staan. De kantonrechter heeft terecht de omstandigheid dat partijen al jaren gescheiden wonen en leven ten grondslag gelegd aan de conclusie dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De grief faalt.

4. De eerste grief stelt aan de orde dat de duurzame ontwrichting van een huwelijk alleen tot echtscheiding kan leiden als vaststaat dat deze duurzame ontwrichting te wijten is aan een van partijen. Die opvatting vindt geen grondslag in het recht, zoals op goede gronden – die het Hof overneemt – door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep is uiteengezet. Uit de stellingen van de vrouw valt af te leiden dat zij de schuld geeft aan de man als het gaat om de duurzame ontwrichting van het huwelijk. Maar zolang dat niet in overwegende mate het geval is, kunnen daaraan geen juridische gevolgen worden verbonden. De vrouw heeft niet gesteld dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man is te wijten. Dan staat niets meer aan het uitspreken van de echtscheiding, zoals de kantonrechter heeft gedaan, in de weg. Ook de eerste grief faalt.

5. Nu de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd. Het Hof compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, gelet op de aard van de zaak.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 augustus 2012 (A.R.No. 10-4479), waarvan beroep.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.J.S Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1994-7

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 juli 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, E.S. Ombre en O.W. Abendanon)

[verzoekster], militair-ambtenaar, [registratienummer], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 18 ten kantore van Mr. UDO JAN VAN DER VELDT, advokaat, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Defensie; Nationaal Leger), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette, te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1) Verzoekster wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Defensie; Nationaal Leger), in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2) Op 15 februari 1989 is verzoekster in dienst van verweerder getreden als kortverbandvrijwilliger, hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotocopie overgelegde arbeidsovereenkomst de dato 6 april 1989.

Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 27 maart 1990, [kenmerk] is verzoekster met terugwerkende kracht te rekenen van 15 februari 1989 in vaste dienst aangesteld en per die datum bevorderd tot vaandrig.

Voorts is zij bij deze Resolutie per 1 juni 1980 bevorderd tot Tweede Luitenant (effectief). Verzoekster legt deze resolutie eveneens in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang, als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

3) Bij personeelsorder [nummer 1] de dato 13 februari 1991 van de Bevelhebber van het Nationaal Leger werd verzoekster te rekenen van 1 mei 1989 bevorderd tot Kapitein-titulair en vervolgens bij personeelsorder [nummer 2] de dato 29 april 1991 van voornoemde autoriteit tot Majoor-titulair en wel te rekenen van 1 mei 1991. Zij legt deze personeelsorders eveneens hierbij in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

4) Inmiddels was verzoekster als militair juriste te werk gesteld ten Departemente. Op 17 mei 1991 ontving zij een schrijven van de toenmalige Minister van Defensie, inhoudende, dat zij weder ter beschikking werd gesteld van de Chef Generale Staf. In dit schrijven werd haar rang aangegeven als te zijn die van Kapitein.

Bij schrijven per diezelfde datum van haar procesvertegenwoordiger aan de President van de Republiek Suriname in de hoedanigheid van Opperbevelhebber der Strijdkrachten heeft zij hiertegen geprotesteerd en heeft zij verzocht om ongedaanmaking van deze terugstelling in rang, zo inderdaad daarvan sprake mocht zijn. Vervolgens bleek haar uit de personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 onder 2 sub (b), dat haar bevordering tot Majoor-titulair inderdaad ongedaan was gemaakt. Bij schrijven de dato 25 september 1991 bracht haar procesvertegenwoordiger de onderwerpelijke aangelegenheid wederom onder de aandacht van de Opperbevelhebber der Strijdkrachten; tot heden echter zonder gevolg in die zin, dat zij geen antwoord heeft gekregen omtrent een gunstige of afwijzende beschikking op haar verzoek tot ongedaanmaking van vorenbedoelde terugstelling in rang.

Verzoekster legt het schrijven van de Minister van Defensie de dato 17 mei 1991, het schrijven aan de Opperbevelhebber de dato 17 mei 1991, de personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 en het rappelschrijven aan de Opperbevelhebber de dato 25 september 1991 in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

5) Gelet op het bepaalde van artikel 78, lid 2, sub (b), volgens welke orgaan (in casu de President van de Republiek Suriname), mede wordt geacht een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek (in casu het verzoek tot ongedaanmaking van de terugstelling in rang van Majoor-titulair tot die van Kapitein-titulair), heeft zij de onderhavige vordering tijdig, want binnen één maand na 17 november 1991, ingesteld.

6) Verzoekster is de overtuiging toegedaan, dat de terugstelling in functionele rang bij personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 ten onrechte is geschied en dat zij terzake van deze onterechte terugstelling ontvankelijk is in haar vordering ex artikel 79 van de Personeelswet en wel om de navolgende redenen:

a). Een personeelsorder houdende een besluit tot functionele bevordering is een beschikking in de zin van een éénzijdige naar buiten gerichte schriftelijke wilsverklaring van een Overheidsorgaan, zijnde zodanige personeelsorder geen besluit van algemene strekking of rechtshandeling naar burgerlijk recht. De functionele bevordering van een militaire ambtenaar in een hogere dan de voordien functioneel of effectief beklede rang geschiedt door het Militair Gezag na goedkeuring door de Minister van Defensie van een door eerstbedoeld orgaan gedane daartoe strekkende voordracht. De omstandigheid, dat een personeelsorder niet is gegoten in de vorm, die in het algemeen in het ambtenarenrecht gebruikelijk is, kan daaraan niet afdoen. Naar algemeen is aanvaard behoeven immers slechts afwijzende beschikkingen een uitdrukkelijke motivering en geldt dit vormvereiste niet voor een begunstigende beschikking.

Krachtens de personeelsorder [nummer 2] de dato 29 april 1991 moet verzoekster mitsdien worden geacht met ingang van 1 mei 1991 rechtsgeldig te zijn bevorderd tot de titulaire rang van majoor.

b) Functionele bevorderingen zijn, evenals effectieve bevorderingen, besluiten van het bevoegde gezag, gericht op enig rechtsgevolg. Alhoewel de functionele bevordering tot enige officiersrang nog niet de effectieve (definitieve) bevordering tot die rang inhoudt, verleent het aan de aldus bevorderde militair bevelsbevoegdheid, gelijk aan die van een effectief in die rang dienende officier. Ook geeft de functionele bevordering aanspraak op een geldelijke voorziening boven de soldij, die de functioneel bevorderde militair krachtens zijn effectieve rang geniet.

c) Op functionele bevorderingen zijn de bepalingen van de Personeelswet bij gebreke aan de afzonderlijke Wettelijke rechtspositieregeling ten aanzien van militaire ambtenaren van toepassing.

Alhoewel de Personeelswet geen explicite onderscheid maakt tussen burgerlijke en militaire ambtenaren en in artikel 1, lid 1, slechts bepaalt, dat voor de toepassing van het bij of krachtens deze Wet bepaalde als ambtenaar zijn aan te merken zij, die krachtens een aanstelling in bezoldigde Staatsdienst zijn, blijkt uit geest van de bepalingen van deze Wet wel, dat deze primair beoogt de rechtspositie van burgerlijke ambtenaren te regelen en dat het bestaan van afzonderlijke rechtspositieregelen van bij de strijdkrachten en de politie dienende ambtenaren verondersteld wordt. Thans doet zich echter de omstandigheid voor, dat de rechtspositie van militaire ambtenaren niet bij een afzonderlijke Wet is geregeld. Het gevolg hiervan is noodzakelijkerwijs, dat de Personeelswet zoveel als mogelijk toepasselijk moet worden geacht op de rechtspositie van deze militaire ambtenaren, wil men zich althans niet geconfronteerd zien met de volstrekt onaanvaardbare situatie, waarin aan de militaire ambtenaar bij gebreke aan een Militair Handvest geen rechtsmiddelen zouden openstaan tegen besluiten van de Militaire Overheid in de personele sfeer. Een dergelijke situatie zou ook onverenigbaar zijn met het bepaalde van artikel 10 van de thans vigerende Grondwet, inhoudende, dat niemand kan worden afgehouden van de rechter, die de Wet hem toekent, alsmede in·strijd met het bepaalde van artikel 14, lid 1, van de Internationale Conventie inzake de Burgerlijke en de Politieke Rechten en artikel 8, lid 1, van het Amerikaans Verdrag inzake de Mensenrechten, volgens welke direct-toepasselijke verdragsbepalingen een ieder ter bescherming van zijn rechtmatige belangen het recht heeft op de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

d) De Personeelswet kent het onderscheid niet tussen functionele en effectieve bevorderingen. De functionele bevordering in een hogere rang is niet gelijk te stellen aan de waarneming in een functie in de zin van artikel 22, omdat functionele bevorderingen niet plaats vinden op één van de gronden, als genoemd in het eerste lid sub (a) tot en met (c) van dat artikel. Ergo dient te worden aangenomen, dat functionele bevorderingen ook niet ongedaan kunnen worden gemaakt op een wijze overeenkomstig aan de beëindiging van een waarneming in een functie binnen één jaar. Integendeel dient de terugstelling in rang van een voordien functioneel bevorderde officier te worden beschouwd als een verlaging van rang in de zin van artikel 25 van de Personeelswet en kan zulks mitsdien alleen geschieden bij wege van tuchtstraf of in die gevallen, waarin hem met inachtneming van het bepaalde van artikel 69 ontslag kan worden verleend. Het is aan verzoekster niet bekend, dat zij gestraft zou zijn met de tuchtstraf van degradatie en ook doet zich in het onderhavige geval geen der in artikel 69 genoemde omstandigheden voor; verzoekster is althans niet door de bij personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 beschikkende overheid in kennis gesteld van enige overweging zijdens die overheid, waaruit zou kunnen worden opgemaakt, dat de terugstelling in rang zou zijn geschied met het oog op zo’n omstandigheid. Verzoekster wenst in dit verband voorts uitdrukkelijk te wijzen op het bepaalde van artikel 24, lid 3, volgens welke een eenmaal ter kennis van de ambtenaar gebracht besluit tot bevordering niet ongedaan kan worden gemaakt wegens strijd met de leden 1 en 2 van dat artikel.

e) De personeelsorder [nummer 3] bevat geen enkele motivering van de terugstelling in functionele rang van verzoekster. Niettemin was zulks vereist gelet op het feit, dat zulks is te beschouwen als een beschikking ten nadele van verzoekster. Een zodanig ernstig vormgebrek leidt naar algemeen in jurisprudentie en doctrine is aanvaard tot de nietigheid van deze beschikking.

f) Als tweede luitenant effectief wordt zij bezoldigd volgens schaal 16. Volgens deze inschaling bedraagt haar soldij meer dan de helft van het maximum van de bezoldiging van een Departements-direkteur. Zulks houdt in, dat terugstelling in rang, ongeacht of het gaat om een functionele of effectieve rang, slechts kan geschieden bij resolutie van de President van de Republiek Suriname en niet bij personeelsorder van of vanwege de Bevelhebber;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat de personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 voor zover het haar terugstelling in rang van Majoor-titulair tot Kapitein-titulair betreft nietig zal worden verklaard wegens strijd met de Wet alsmede met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat beschikkingen ten nadele van betrokkenen behoorlijk dienen te zijn gemotiveerd;

Overwegende, dat verweerder binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie van het Hof heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan bevestigen, en erkent derhalve dat verzoekster bij resolutie van de President van Suriname, laatstelijk benoemd is tot vaandrig bij het Nationaal Leger, gevolgd door een resolutie inhoudende haar bevordering tot Tweede Luitenant, een en ander zoals door verzoekster zelf, na overlegging van terzake dienende produkties, is aangetoond;

3. Verweerder merkt reeds in dit stadium op, dat nadere besluiten rakende de rechtspositie van verzoekster, als ambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie, niet hebben plaatsgevonden bij resolutie van de President, doch bij Personeelsorder;

4. Een tijdig onderzoek door verzoekster, en wel op het moment dat haar rechtspositie niet geregeld werd bij Resolutie maar bij Personeelsorder bijvoorbeeld op 13 februari 1991, Personeelsorder Bevelhebber van het Nationaal Leger, (zie benoeming tot Kapitein-titulair, te rekenen van 1 mei 1989), zou verzoekster tot de bevinding hebben gebracht, dat ten aanzien van de rechtspositie van het militair personeel (naast de reguliere, voor de gewone ambtenaren geldende regels van de Personeelswet) andere bijzondere, van de Personeelswet afwijkende regels bestaan en worden toegepast, voor het militair personeel in Overheidsdienst;

5. Uitgaande van de hierboven, nu zonder twijfel te stellen, bestaande discrepantie in de positie-regeling van het militair en het burger personeel in Overheidsdienst, moet al het gestelde in het 6e sustenu van het request van verzoekster van de hand worden gewezen, als te zijn niet op de Personeelswet en zeker niet op het Ambtenarenrecht van toepassing. Van ”Personeelsorder” is er geen sprake in de Personeelswet, noch in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit. Van ”titulaire rangen” wordt niet gemeld in het commune Ambtenarenrecht, waar ook geen sprake is van al of niet ”effectieve” bevorderingen;

6. Verweerder sluit daarbij niet de ogen voor een omissie door opeenvo1gende regeringen begaan, om niet tijdig een duidelijk in de Wet te stellen complex van regels te maken die de rechtspositie van het personeel bij het Nationaal Leger regelt. Evenals het tuchtrecht anders is geregeld bij het Nationaal Leger, behoren ook zaken als het rangenstelsel bij dit Leger, de Dienst- en Personeelsorders e.d. in, bijvoorbeeld een MILITAIR HANDVEST, geregeld te worden.

Het ontbreken van wettelijke eisen voor benoembaarheid tot een militaire rang, wordt sinds het onafhankelijk worden van Suriname op 25 november 1975, opgevangen door de overeenkomstige toepassing van voormalige regelgeving in de Reglementen voor militaire ambtenaren bij de Nederlandse Land- en Zeemacht. Dikwijls worden ook de regels van de Personeelswet overeenkomstig, en terecht, toegepast;

Het wil verweerder daarom voorkomen, dat er geen bezwaar hoeft te worden aangetekend tegen het adiëren door verzoekster, van het Hof van Justitie, bevoegd in ambtenarenzaken;

7. Verweerder doet verder opmerken:

a. De hier in het geding zijnde Personeelsorder van 29 april 1991 heeft weinig of niets weg van een benoemingsbesluit waaraan de 32 in deze order vermelde personen, het volledige recht kunnen ontlenen, definitief te zijn benoemd in de functie achter hun namen gesteld;

b. Wanneer verzoekster blijft persisteren, dat de terugstelling in rang bij Personeelsorder [nummer 3] d.d. 28 juni 1991 nietig zou zijn, omdat zulks bij resolutie zou moeten plaatsvinden, dan verwijst verweerder in casu naar het bepaalde in artikel 3 van de Personeelswet 1962 lid 2, waarin met uitsluiting van anderen, de volgende mutaties zijn voorbehouden voor de resolutie van de President te weten: aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag.

Het besluit (de Personeelsorder) waaromtrent beroep is ingesteld is noch het één noch het ander. De Personeelsorder houdt een titulaire terugstelling in, welke een voorafgaande Personeelsorder had bevolen. Ten overvloede wordt dan nog verwezen naar het belangrijke 5e lid van artikel 3 Personeelswet onder punt a, dan andere besluiten (geen aanstelling, geen bevordering, geen schorsing en geen ontslag) ten aanzien van een ambtenaar, worden genomen door het gezag ”dat hem laatstelijk heeft bevorderd of indien geen bevordering heeft plaatsgehad, het gezag dat hem heeft aangesteld”.

De redenering van verzoekster zou tot een andere conclusie leiden wanneer ook deze voorzieningen met betrekking tot het bevoegde gezag (art. 3 P.W.) in beschouwing waren genomen. De enige conclusie die dan getrokken mag worden zou dan zijn dat het gezag dat bevoegd is geweest verzoeker aan te stellen in de rang van Majoor-titulair, ook bevoegd was bij Personeelsorder een nader besluit te nemen;

c. Indien verzoekster – ondanks het voorgaande onder b, – toch van oordeel blijft, dat zij – zie het Petitum van haar request – niet bij Personeelsorder van 28 juni 1991 [nummer 3], doch bij resolutie zou moeten worden ”teruggesteld”, dan dient verzoekster ook de ”bevordering” tot Kapitein-titulair, in haar zienswijze te betrekken en tot de enige conclusie te komen, dat ook die ”bevordering” bij Personeelsorder onwettig, nietig, is geweest;

8. Verweerder is dan ook van oordeel dat deze innerlijke tegenstrijdigheid in het petitum van het request van verzoekster, noodzakelijk moet leiden tot de conclusie dat, nu er geen wettige bevordering is geweest, op de grondslag van verzoeksters eigen opvatting, orntrent de rechtskracht van ”Personeelsorders” in het algemeen, er dan ook geen ruimte is binnen welke het Hof van Justitie, oordelend in ambtenarenzaken, het recht, danwel de redelijkheid zou kunnen vinden om alléén de Personeelsorder [nummer 3] d.d. 28 juni 1991, waarin de terugstelling plaatsvindt te vernietigen en de Personeelsorder [nummer 2] van 29 april 1991 ongemoeid in takt te laten;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoekster op grond van al het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering c.q. haar deze zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 25 maart 1992 in Raadkamer van het Hof van Justitie zijn verschenen, verzoekster in persoon, advokaat Mr. Dr. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer H.H. HAIME, Direkteur van het Ministerie van Defensie namens verweerder die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 26 februari 1993, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, zijnde het tegendeel noch gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat ten processe rechtens vaststaat,·dat verzoekster bij resolutie van 27 maart 1990 [kenmerk] te rekenen van 15 februari 1989 werd bevorderd tot vaandrig bij het Nationaal Leger, terwijl zij bij gemelde resolutie, te rekenen van 1 juni 1989 werd bevorderd tot tweede luitenant (effectief) bij gemeld leger;

Overwegende voorts, dat verzoekster bij personeelsorder van de Bevelhebber bij het Nationaal Leger d.d. 13 februari 1991 [nummer 1] werd bevorderd tot kapitein-titulair bij gemeld leger en bij personeelsorder van genoemde Bevelhebber d.d. 29 april 1991 [nummer 2] bevorderd werd tot majoor-titulair;

Overwegende, dat verzoekster door genoemde Bevelhebber bij personeelsorder van 28 juni 1991 [nummer 3] werd teruggesteld van majoor-titulair tot kapitein-titulair, welke terugstelling zij aanvecht en de nietigverklaring daarvan vordert, als te zijn in strijd met de Wet alsmede met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, vermits beschikkingen te haren nadele behoorlijk dienen te worden gemotiveerd;

Overwegende, dat verzoekster in haar vordering niet kan worden ontvangen, nu verzoekster uit een schrijven aan het Hof heeft doen weten dat zij geen belang meer heeft bij de onderhavige vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar vordering.

 

SRU-HvJ-1994-6

Hof van Justitie

15 juli 1994, G.R. 13417

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, W.R. Willemzorg)

[appellant], echtgenoot van [geïntimeerde], wonende aan [adres 1] in [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.E. Struiken, advocaat,

appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], echtgenote van appellant voornoemd, verblijfhoudende aan [adres 2], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat, geïntimeerde in kort geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 juli 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 juli 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

Eiseres heeft een vordering tot echtscheiding ingediend, A.R. No. 920049, waartoe zij verlof van de Kantonrechter heeft bekomen bij beschikking d.d. 23 januari 1992, waarbij tevens bij wege van voorlopige voorziening is bepaald dat eiseres elders dan in de echtelijke woning haar intrek mag nemen, tezamen met haar 3 (drie) minderjarige kinderen, te weten:

a. [naam 1]

b. [naam 2] en

c. [naam 3]

Vanwege ernstige mishandelingen en bedreigingen met diverse misdrijven moest eiseres gedwongen de echtelijke woning verlaten, vandaar dat zij had gevraagd de samenwoningsplicht op te heffen.

Eiseres verblijft sedertdien met haar 3 (drie) eerder genoemde kinderen bij haar zuster te [adres 2], wier gezin zelf uit 6 (zes) leden bestaat.

Partijen hun minderjarig kind [naam 3] is ernstig ziek geweest en staat nog steeds onder medische behandeling, m.n. van de dermatoloog, de psycholoog, de internist en de psychiater. De ziekte van dit kind staat in relatie met de problemen die thans binnen het gezin bestaan. Volgens de verklaring van de psychiater is het, ter bevordering van de gezondheid van [naam 3] voornoemd, noodzakelijk dat zij spoedig voldoende rust krijgt in een eigen woonruimte, hetwelk inhoudt dat eiseres met de kinderen moet verhuizen.

Eiseres heeft derhalve nu dringend een woning nodig, waarover zij echter niet beschikt, terwijl zij daarover ook niet op korte termijn zal kunnen beschikken, met uitzondering van de echtelijke woning, waarin gedaagde thans verblijft.

Gedaagde beschikt ook wel over een andere woonruimte, en wel de woning gelegen aan [adres 3], waar hij zijn intrek zou kunnen nemen.

Op grond van bovenaangehaalde redenen heeft eiseres bij de ontruiming van de echtelijke woning door gedaagde een dadelijk en dringend belang.

De vordering heeft derhalve een spoedeisend karakter.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij beschikking in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, niettegenstaande Hoger Beroep of verzet, de beschikking gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 januari 1992, A.R. No. 920049, zal worden gewijzigd;

in dier voege dat aan eiseres toestemming wordt verleend om tezamen met haar 3 (drie) eerder genoemde minderjarige kinderen haar intrek te mogen nemen in de echtelijke woning aan [adres 1], zonder verplicht te zijn gedaagde aldaar toe te laten, kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie van eis heeft genomen, in dier voege dat hij het petitum wenst aan te willen met het volgende:

Gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 week na het ten deze te wijzen vonnis, de woning staande en·gelegen aan [adres 1] in [district], te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen;

Met machtiging op eiseres om indien gedaagde weigerachtig blijft het voormelde te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ten dage voor repliek en uitlating produkties bepaald, de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie onder overlegging van een produktie heeft genomen, waarvan de inhoud, evenals van de overgelegde produktie, hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor dupliek en uitlating produktie bepaald, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft bevolen, welke gehouden is op 12 juli 1993, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, dat hier als geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1993 op de daarin opgenomen gronden:

I. De werking heeft geschorst van de beschikking d.d. 23 januari 1992 (A.R. 920049) voor wat betreft de machtiging aan de eiseres om elders dan in de echtelijke woning haar intrek te nemen.

II. Heeft bepaald dat de eiseres met haar drie kinderen te weten: 1. [naam 1], 2. [naam 2] en 3. [naam 3], bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres 1].

III. Heeft bevolen dat de gedaagde die echtelijke woning binnen een maand na deze uitspraak verlaat, waarna de eiseres met de kinderen daarin zal intrekken.

Eiseres heeft gemachtigd om indien gedaagde weigerachtig blijft de voormelde woning te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hoger vermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 19 juli 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 6 augustus 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de Kantonrechter door de werking van de beschikking d.d. 23 januari 1992 (A.R. No. 92/0049) voor wat betreft de machtiging aan de eiseres om elders dan in de echtelijke woning haar intrek te nemen te schorsen, inderdaad een andere voorziening heeft gegeven dan is gevraagd, hebbende de Kantonrechter terecht overwogen dat de voorziening zoals gevraagd, niet kon worden gegeven;

Overwegende, dat de Kantonrechter gegeven de hem voorgelegde feiten en omstandigheden, kennelijk om redenen van proces-economische aard de door appellant aangevallen beslissing heeft gegeven en niet gekozen heeft voor weigering van de gevraagde voorziening om geïntimeerde, na correctie van het gevorderde, daarna weer terug te laten komen;

Overwegende, dat het geven van de gewraakte voorziening geacht moet worden in het licht van het evenoverwogene haar rechtvaardiging te hebben gevonden;

Overwegende, dat de eerste en de vierde grief, die vanwege hun nauwe samenhang geacht worden gelijk te zijn besproken, danook tevergeefs opkomen tegen de gegeven voorziening;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de door geïntimeerde bij conclusie van repliek overgelegde geneeskundige verklaring d.d. 10 februari 1992, bij geïntimeerde door de arts Drs. Madarie zijn waargenomen: hematoom rechter-achterhoofd en scheur aan de linker-onderlip, welke letsels, naar geïntimeerde niet gemotiveerd weersproken heeft gesteld, door haar zijn opgelopen na door appellant te zijn mishandeld;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de Kantonrechter kennelijk uit voormelde vaststaande feiten de conclusie heeft getrokken en heeft mogen trekken, dat tussen partijen ruzie was ontstaan en dat geïntimeerde naar aanleiding daarvan de echtelijke woning heeft verlaten;

Overwegende, dat de tweede grief, die geacht moet worden gelijk te zijn besproken, eveneens als ongegrond moet worden verworpen;

Overwegende, dat volgens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer de rechter in kort geding de belangen van de eisende partij bij de gevorderde of ambtshalve te geven voorziening tegen die van de gedaagde afweegt en niet, zoals appellant het wil doen voorkomen in de derde grief, alszou met zijn belangen (als verwerende partij) alleen rekening moeten worden gehouden, stellende de wet zulks niet als vereiste;

Overwegende, dat, naar het Hof is gebleken, de Kantonrechter, zij het summier, de belangen van geïntimeerde, de oorspronkelijke eisende partij, wel heeft afgewogen tegen die van appellant, de oorspronkelijke verwerende partij, en daarna tot de door appellant aangevochten beslissing is gekomen;

Overwegende, dat nu er geen der grieven tot vernietiging van het beroepen vonnis kan leiden, terwijl het Hof ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet dat vonnis worden bevestigd;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding op 19 juli 1993 tussen partijen gewezen waarvan beroep.

SRU-HvJ-1994-5

Hof Van Justitie

15 juli 1994, G.R. 13431

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, W.R. Willemzorg)

1. [appellant sub 1], echtgenoot van [appellante sub 2] en

2. [appellante sub 2], echtgenote van [appellant sub 1], beiden gemeenschappelijk wonende aan [adres 1], in [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat, appellanten in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district 2] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Lachmon, advocaat, geïntimeerde in kort geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 december 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 december 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser te Paramaribo op 28 januari 1992, althans in de maand januari 1992, blijkens bijgaande in copie overgelegde verkoop en koopovereenkomst, opgemaakt ten overstaan van en door de te Paramaribo residerende notaris Ramdew Ramautar, waarbij de handtekeningen van partijen gelegaliseerd werden door voornoemde notaris, van welke overeenkomst de inhoud wordt verzocht hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te doen beschouwen, van de gedaagden had gekocht, gelijk ter plaatse en ten tijde als gesteld aan de eiser hebben verkocht:

Een stuk grondhuur terrein van 1.4875 ha. gelegen in [district 1], aangeduid op de kaart van de landmeter P.W. Kalk d.d. 21 januari 1992 met de letters BCDEFG, deel uitmakende van het perceelland, groot 1.9284 ha. aangeduid met de letters ABCD, gelegen ten noorden van [adres 3] en bekend als Serie A [nummer], voor de koop en verkoopsom van Sf. 180.000,– (eenhonderd en tachtig duizend gulden);

2. dat door de eiser de totale koopsom aan de gedaagden is voldaan;

3. dat vanaf de voldoening van de koopsom het stuk terrein groot 1.4875, aangeduid op de hierbij overgelegde kaart in het rood van de landmeter Lcs. P.W. Kalk, d.d. 21 januari 1992 in beheer en gebruik in het feitelijk bezit van de eiser is gesteld;

4. dat eiser voorschreven perceelland heeft doen ontbossen, egaliseren, trenzen doen uitgraven en het geheel met prikkeldraad heeft doen omrasteren, en door eiser daarna het voormeld perceel voor een groot deel met Banaan, Meloenen, Cocos en andere landbouwgewassen heeft doen beplanten, voor welke werkzaamheden de eiser behalve de koopsom ad Sf. 180.000,– nogmaals een bedrag van ruim Sf. 130.000,– heeft uitgegeven;

5. dat het geheel door de eiser gekochte terrein tot een goed onderhouden en beplant perceelland is gemaakt door de arbeid en vlijt van eiser;

6. dat eiser onlangs het desbetreffend verzoek tot overdracht in grondhuur door de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van het perceelland in kwestie op naam van eiser heeft doen opmaken en aan de gedaagden ter ondertekening heeft aangeboden, danwel ten Domeinkantore ter ondertekening door de gedaagden heeft neergelegd, doch weigeren de gedaagden thans het verzoek tot overdracht te ondertekenen, onder de mededeling dat zij niet meer voornemens zijn het terrein in kwestie op naam van de eiser over te dragen en dat de eiser de koopsom moest komen afhalen, terwijl de gedaagden niet hebben geaarzeld om ten Domeinkantore te trachten om het perceelland in kwestie tegen een hoger bedrag aan een zekere [persoon] te verkopen, doch zijn zij door de Ambtenaren van Domeinen op hun verkeerde handeling gewezen, zodat zij daarmede zijn opgehouden;

7. dat, gelijk gesteld, de eiser de koopsom ad Sf. 180.000,– heeft voldaan, terwijl hij daarnaast een investering van plus minus Sf. 130.000,– (eenhonderd en dertig duizend gulden) op het terrein heeft gepleegd;

8. dat de eiser onder geen beding de notarieel gesloten overeenkomst wenst te ontbinden, doch van de gedaagden verlangt, dat zij het terrein op naam van de eiser doen overschrijven, althans dat zij het verzoekschrift tot overdracht van de gekochte grondhuur, welk verzoekschrift ten Domeinkantore in Paramaribo is neergelegd ondertekenen, opdat de overdracht van het gekochte op naam van eiser een feit kan zijn;

9. dat ten deze een zeer groot belang danwel het totaal vermogen van de eiser op het spel is, omdat de eiser van het perceelland inkomsten moet vergaren om zijn verplichtingen jegens derden na te komen;

10. dat nu de gedaagden in der minne weigeren om het verzoekschrift tot de overdracht te ondertekenen en waar het vermogen van de eiser op het spel staat, de eiser er recht en belang bij heeft, dat de gedaagde worden gedwongen danwel genoodzaakt om het desbetreffend verzoek tot overdracht te ondertekenen;

11. dat deze zaak van zeer spoedeisende aard is, geen langer uitstel gedoogt en een onverwijlde voorziening in Kort Geding rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten van het geding de gedaagden zullen worden opgedragen om het desbetreffende verzoekschrift tot overdracht van het perceelland in kwestie ten name van de eiser te ondertekenen, althans alle handelingen te plegen, om de instanties te naderen opdat de overdracht van het gekochte in kwestie in grondhuur ten name van de eiser een feit kan zijn, bij gebreke waarvan de gedaagden aan de eiser bij wege van dwangsom zullen hebben te verbeuren, hoofdelijk des de een betalende de andere daardoor zal zijn bevrijd, een bedrag van Sf. 10.000,– (tienduizend gulden) per dag;

Alles met veroordeling van de gedaagden in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de gedaagde sub 1 bij wege van mondelinge conclusie van antwoord heeft gezegd:

”De eiser is een neef van mij. De gedaagde sub 2 is mijn echtgenote. Wij hebben inderdaad het litigieuze perceel verkocht en de koopsom ontvangen. De eiser heeft het perceel alleen omrasterd, maar hij bewerkt het niet. Ik woon op het erf naast het litigieuze perceel. De eiser zou de desbetreffende stukken zelf in orde laten maken op het notariaat. Wij waren wel bereid om de stukken te tekenen. Daartoe zijn we op 22 oktober 1993 naar het domeinkantoor geweest, maar daar aangekomen bleek er niemand daar te zijn. Een werknemer, [naam] genaamd, en werkzaam op het domeinkantoor had de stukken van het perceel bij zich. De eiser zei ons naderhand dat wij het gehele perceel van ons op zijn naam zouden moeten overdragen en dat wij daarna het perceel van ons (althans het stukje van ons) zouden terugkrijgen. Daar waren wij het niet eens mee. Wij zijn derhalve niet meer bereid om aan de overdracht mede te werken”;

Overwegende, dat partijen hierna bij mondelinge conclusies van re- en dupliek hebben persisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis in Kort Geding van 6 december 1993 op de daarin opgenomen gronden:

De gedaagden heeft gelast om het desbetreffende verzoekschrift tot overdracht in grondhuur van het perceelland groot 1.4875 ha. gelegen in [district 1], aangeduid op de kaart van de landmeter P.W. Kalk d.d. 21 januari 1992 met de letters ABCDEFG, deel uitmakende van het perceelland, groot 1.9284 ha., op voormelde kaart aangeduid met de letters A B C D, gelegen ten noorden van [adres 3] en bekend als Serie A [nummer], ten name van de eiser te ondertekenen, althans alle handelingen daartoe strekkende te verrichten opdat de overdracht van het verkochte aan de eiser een feit kan zijn en wel binnen een week na deze uitspraak.

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De gedaagden heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan eiser te betalen de som van Sf. 10.000,– (tienduizend gulden) per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

Gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 546,– (vijfhonderd zes en veertig gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant sub 1] e.a. in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 6 december 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 31 januari 1994 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel d.d. 7 februari 1994 is betekend een memorie van grieven door appellanten genomen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat bij exploit van bovengenoemde deurwaarder d.d. 22 februari 1994 is betekend een memorie van antwoord door geïntimeerde genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 24 juni 1994, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 6 december 1993, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat ofschoon de rechtspleging in hoger beroep niet geregeld is, appellanten geacht moet worden bevoegd te zijn geweest een memorie van grieven in te dienen nu de behandeling van kort geding zaken in appèl zich in geen enkel opzicht onderscheidt van die van een gewone procedure;

Overwegende echter, dat de wet zich aangaande de termijn waarbinnen de memorie van grieven moet worden ingediend, niet uitlaat;

Overwegende, dat het Hof in dit verband van oordeel is, dat er alles te zeggen is voor analogische toepassing van artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op dit geval, wil het proces zijn spoedeisend karakter behouden;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat appellanten, uitgaande van het evenoverwogene, hun memorie van grieven binnen de voor het hoger beroep gestelde termijn van veertien dagen hadden moeten indienen aan de Griffier van het Kantongerecht, die van de ontvangst aantekening blijkt te hebben gehouden;

Overwegende, dat nu appellanten, naar uit de aantekening van de Griffier blijkt, hun memorie van grieven op 22 december 1993, dus twee dagen na het verstrijken van de appèl termijn van veertien dagen, aan de Griffier hebben ingediend, het Hof daar geen acht op zal slaan en daaraan dan ook geheel voorbij gaan;

Overwegende, dat ook in hoger beroep als tussen partijen rechtens vaststaand moet worden aangenomen, dat geïntimeerde van appellanten op 28 januari 1992 heeft gekocht het in het eerste ”dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed voor de som van Sf. 180.000,–, welke som appellanten van geïntimeerde hebben ontvangen doch dat appellanten, aanvankelijk wel bereid waren de stukken te tekenen, doch naderhand hebben verklaard niet meer bereid te zijn aan de overdracht mede te werken;

Overwegende, dat appellanten bij pleitnota d.d. 18 maart 1994 de beslissing van de Kantonrechter bestreden hebbend, hebben aangevoerd, dat:

– de Kantonrechter geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij deze beslissing kan geven wanneer het betreft private eigendom, maar niet wanneer het betreft Overheidseigendom (erfpacht c.q. grondhuur);

– in het Decreet Uitgifte Domeingrond S.B. 1982 No. 11 uitdrukkelijk is bepaald, dat de erfpachter c. q. grondhuur (lees: grondhuurder) toestemming van de Overheid nodig heeft om het recht te kunnen overdragen aan een derde;

– in het onderhavige geval de toestemming volledig ontbreekt en dat de rechter de appellanten dus niet kan gelasten om stukken terzake op het Domeinkantoor te tekenen;

– het de Overheid is die beslist of het recht al of niet wordt overgedragen;

– dit slechts het geval zou zijn indien de Overheid reeds toestemming tot overdracht had gegeven;

– appellanten, indien zij niet meer wensen over te dragen omdat de Overheid de vereiste toestemming niet zal verlenen, slechts veroordeeld kunnen worden tot het betalen van schadevergoeding;

– het de Overheid is die haar grondhuurtitel moet bepalen en niet de partijen;

– in de gesloten koopovereenkomst d.d. 28 januari 1992 immers is bepaald dat de notariële akte van overdracht zal plaatsvinden na verkregen toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen inzake de overdracht van rechten;

Overwegende, dat, naar het Hof opmerkt, artikel 278, 2e lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wel toelaat, dat de oorspronkelijke verweerder in hoger beroep nieuwe weren ten principale inbrengt, doch dat deze nieuwe weren bij memorie van grieven, als bedoeld in artikel 271, of bij memorie van antwoord, als bedoeld in artikel 274 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering dienen te worden voorgebracht en niet pas bij pleidooi voor het eerst kunnen worden aangevoerd;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat, al verschilt de procedure hier te lande van die in Nederland, al is het indienen van memories facultatief, het blijft ook voor de surinaamse procedure een juist beginsel een pleidooi niet de plaats te achten voor het lanceren van nieuwe weren omdat de tegenpartij dan niet meer in staat is daarop te antwoorden wat in strijd met een goede procesorde moet worden geacht, daargelaten nog dat het pleidooi in het algemeen het karakter draagt van een toelichting op elders reeds gestelde feiten en de daaraan verbonden rechtsgevolgen (vgl. naschrift van J.D.C. bij vs. HvJ d.d. 2 nov. 1951 inz. Schouten C/A De Jong, S.J. 1952 No. 13);

Overwegende, dat het Hof op grond van het hiervoren overwogene de door appellanten bij pleitnota voorgebrachte nieuwe weren dan ook buiten beschouwing zal laten;

Overwegende, dat het vonnis, waarvan beroep, als zijnde juist en conform de wettelijke regeling gewezen in hoger beroep behoort te worden bevestigd met veroordeling van de appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 6 december 1993 in kort geding tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen.