SRU-HvJ-1998-14

H.M.

GENERALE ROL NO: 13901.

DE N.V. MUSA INDO SURINAME, rechtspersoon, geves­tigd en kantoorhoudende aan de Kristalstraat no.1 te Paramaribo, voor wie als gemachtig­de op­treedt, Mr.F.F.­P.TRUIDEMAN, advokaat,

appellante in Kort Ge­ding,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [district 1], voor wie als gemachtigde optrad, advokaat Mr.E.van VARSEVELD, die inmiddels is komen te overlijden,

geintimeer­de in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegde vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 11 juli 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 oktober 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat De N.V.MUSA INDO SURINAME als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat de eiseres de navolgende rechtsvordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen de [geïntimeerde] , wonende aan [adres]te [district 1], gedaagde;

2. dat de gedaagde bij exploit van deurwaarder Tj.Jh­agroe d.d.10 november 1995 onder no.874 conserva­toir beslag heeft doen leggen op de roerende goederen van de eiseres zich bevindende te [plaats 1] in het [district 2] en te [plaats 2] in het [district 2], met het verzoek de inhoud van dit exploit als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

3. dat onder het gelegde beslag mede is begrepen ± 10.000,– stuks ronde houtblokken genummerd met de rode letters IUL, MS en CH diverse afmetingen;

4. dat de gedaagde deze beslaglegging heeft gedaan ter zake een vermeende vordering ad Sf.930.000.000,– (NEGENHONDERD EN DERTIG MILJOEN GULDEN) waarvoor de gedaagde de heer [naam] ook aansprakelijk heeft gesteld en ook op de roerende en onroerende goederen van de heer [naam]beslag heeft gelegd;

5. dat de gedaagde behalve het beslag op de roerende goederen van de eiseres ook beslag heeft gelegd onder de bankinstellingen van de eiseres en wel bij exploit van meergenoemde deurwaarder d.d. 9 november 1995 onder no.861, met het verzoek de inhoud van dit exploit als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

6. dat de eiseres geen enkel bezwaar heeft dat het beslag onder de bankinstellingen en het beslag op de roerende goederen, met uitzondering van de houtblokken wordt gehandhaafd totdat in bodemgeschil over de zaak bekend onder A.R.No.956271 door de Kantonrechter zal zijn beslist;

7. dat door het beslag op de houtblokken de handels­activiteiten van de eiseres ernstig worden belemmerd daar zij dit hout niet kan verwerken en exploiteren naar het buitenland om zodoende inkomsten te genereren ter betaling van haar normaal lopende verplichtingen;

8. dat de eiseres dan ook een dringend spoedeisend belang heeft om in Kortgeding de opheffing van het beslag te krijgen op de ± 10.000 stuks houtblokken, met behoud van het beslag op de overige goederen;

9. dat het de eiseres niet is gelukt de zaak minne­lijk met de gedaagde op te lossen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut de opheffing zal worden gelast van het bij exploit van deurwaarder Tj.Jhagroe d.d.10 november 1995 onder no.874 gelegde beslag op de ± 10.000 stuks ronde houtblokken genummerd met de rode letters IUL, MS en CH diverse afmetingen, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen ter terechtzitting van 31 mei 1996 de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard als in het daarvan opge­maakt proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging produk­tie bepaald de gemachtigde van gedaagde een schrifte­lijke conclusie heeft genomen waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusie tot uitlating produktie heeft genomen;

Overwegende, dat de kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 11 juli 1996 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde voorziening heeft geweigerd;

Eiseres heeft verwezen in de kosten van dit pro­ces, aan gedaagdes zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal De N.V.MUSA INDO SURINAME in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis in Kort Geding van 11 juli 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 8 januari 1997 aan geintimeerde aan­zeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi bepaald de gemachtigde van appellante een pleitnota heeft overge­legd, terwijl ten dage voor antwoordpleidooi bepaald geen pleitnota is overgelegd;

Overwegende, dat advokaat Mr.M.G.A.VOS hierna namens advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN vonnis heeft ge­vraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 november 1997, doch na enige malen te zijn aange­houden nader werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is inge­steld;

Overwegende, dat geen grief is opgeworpen tegen de feiten zoals door de Kantonrechter vastgesteld, zodat ook het Hof daarvan uitgaat;

Overwegende, dat derhalve, voor zoveel hier van belang, rechtens vaststaat dat geintimeerde ter verze­kering van een vordering, met inbegrip van renten en kosten begroot op Sf.930.000.000,– bij exploiten van deurwaarder Tj.Jhagroe d.d. 9 november 1995 ten laste van appellante respectievelijk conservatoir derdenbe­slag en conservatoir beslag op roerende goederen, waaronder ± 10.000 stuks ronde houtblokken, heeft doen leggen;

Overwegende, dat als door appellante gesteld en door geintimeerde niet, althans niet gemotiveerd, betwist rechtens vaststaat dat geintimeerde voor voor­melde vordering ook [naam] aansprakelijk houdt en ter verzekering van die vordering ook op de roerende en onroerende goederen van genoemde [naam] beslag heeft gelegd;

Overwegende, dat appellante als eiseres in eerste aanleg heeft gevorderd om de opheffing van het beslag op vorenbedoelde houtblokken te gelasten, welke voor­ziening door de Kantonrechter is geweigerd;

Overwegende, dat appellante één grief heeft opge­worpen, welke hierop neerkomt dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen, zakelijk weergegeven, dat zij niet heeft gesteld of doen blijken dat door de ophef­fing van het conservatoir beslag, voor zover gelegd op de houtblokken, de zekerheid, gelegen in het door geintimeerde gelegde conservatoir derdenbeslag en conservatoir beslag op de overige goederen, niet zal verminderen;

Overwegende, dat de grief terecht is aangevoerd, omdat appellante bij conclusie tot uitlating in eerste aanleg heeft gesteld dat zij niet komt aan de zekerheid met betrekking tot de gelegde beslagen; voorts, dat (het beslag op) de onroerende goederen alleen het dubbele van het bedrag van Sf.930.000.000,– (vertegen­woor­digt) vertegenwoordigen;

Overwegende, dat, waar laatstvermelde stelling door geintimeerde niet is betwist, vaststaat dat ook na opheffing van het beslag op de houtblokken voldoende verhaalsobjecten aanwezig zijn voor het verhaal van de gepretendeerde vordering en dit beslag dan als onnodig moet worden aangemerkt;

Overwegende, dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en de vordering van appellante kan worden toegewezen;

Overwegende, dat geintimeerde, als de in het onge­lijk gestelde partij, in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 11 juli 1996 tussen partijen uitgesproken vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Gelast de opheffing van het bij exploit van deur­waarder Tj.Jhagroe d.d. 10 november 1995 gelegd conser­vatoir beslag op ± 10.000 stuks ronde houtblokken gewaarmerkt met de code letters IUL, MS en CH en van diverse afmetingen;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten aan de zijde van de appellante gevallen en begroot op f.250,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geinti­meerde op f.250,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 22 mei 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.E.S.O­MBRE

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.R.BALDEW namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN is bij de uitspraak verschenen, terwijl geintimeerde noch in per­soon noch bij gemach­tigde is verschenen.

SRU-HvJ-1998-13

M.H.

A – 375

[verzoekster], wonende te [district], [adres], ten deze domicilie keizende ten kantore van Mr.R.W.BRAAM, advokaat bij het Hof van Justitie, gevestigd aan de Kromme Elleboog­straat nr.5 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.J.BRUMA, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministe­rie van Buitenlandse Zaken, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette van de Procu­reur-Generaal aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,

verweerster,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoekster, ingevolge de artikelen 78 lid 2b, jct 79 (i.h.b. lid 1b) en 80 de leden 1b, 2c en 4 van de Personeelswet (G.B.1962 nr.195, geldende tekst S.B. 1985 no.41) de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verte­gen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette van de Procu­reur-Generaal aan de Gravenstraat nr.3 te Parama­ribo;

2. dat verzoekster sinds 28 februari 1958 als ambte­naar onafgebroken in Landsdienst is geweest en alszoda­nig valt onder de bepalingen van de Personeelswet;

3. dat bij de afwikkeling van zaken, verband houdende met haar 38 – jarig dienstverband met de Surinaamse Overheid in het geheel niet de vereiste zorgvuldigheid wordt betracht, welke in het maatschappelijk verkeer betamelijk is t.a.v. een werknemer aan het einde van een langdurig dienstverband met een werkgever, als gevolg waarvan zij ernstige schade ondervindt;

4. dat zij verschillende schriftelijke en mondelinge pogingen heeft ondernomen om een richtige afwikkeling van haar zaken te bevorderen, zoals moge blijken uit de hierbij overgelegde, in de loop der tijden geschreven brieven, memo’s, verslagen e.d. met het verzoek deze als hierbij ingelast en geinsereerd te willen beschou­wen t.w.:

a. brief d.d. 18 mei 1989 over gelijkwaardigheid bij aanstelling en beloning (bijlage 1)

b. memo d.d 29 mei 1989 inzake opdracht tot korting op salaris (bijlage 2)

c. brief d.d. 14 maart 1994 inzake gesprekken met de directeur van Buitenlandse Zaken (bijlage 3)

d. brief d.d. 19 juli 1995 inzake waarnemingstoelage, inclusief overzicht rangenstelsel (bijlagen 4a en 4b)

e. brief d.d. 17 november 1995 aan de President van de Republiek Suriname, d.t.k.v. de Minister van Buiten­landse Zaken (bijlage 5)

f. brief d.d. 12 april 1996 aan de Regering van de Republiek Suriname, met bijlage samenvatting i.v.m. afwikkeling dienstverband (bijlagen 6a en 6b)

g. brief d.d. 6 mei 1996 aan de President van de Republiek Suriname c.c. de Minister van Buitenlandse Zaken (bijlage 7)

h. verslagen d.d. 12 en 15 februari 1996 over contact met het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijlagen 8 en 9);

5. dat de zaken, die thans afhandeling behoeven, betreffen:

a. transport resterende verhuisboedel uit Nederland

b. afhandeling kwestie delegatievergoeding m.b.t. Ambassade Den Haag (van September 1988 tot Maart 1995), door voormelde Ambassade begroot op ca.Nf.280.000,–

c. afhandeling zaken m.b.t. functionering bij Perma­nente Missie van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties (t.w.waarnemingstoelage (ca.US$ 13.500,–),

delegatievergoeding, door de Missie begroot op ca. US$.­35.000,–, transport verhuisboedel uit New York)

d. implementatie ontslagresolutie d.d. 1 oktober 1996 [nummer] (uitkering van het op basis daarvan ver­schuldigde salaris van 1 januari tot 2 oktober 1996).

e. formalisering stilzwijgende benoeming tot ambassa­deur ingevolge art.22 lid 5 Personeelswet, i.v.m. waarneming in de definitief opengevallen post van buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur (Permanent Vertegenwoordiger van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties), gedurende langer dan een jaar, 10 augustus 1994 tot ontslag uit ’s Lands dienst;

6. dat over de onder 5 vermelde zaken, brieven en een resolutie worden overgelegd, met het verzoek deze als hierbij ingelast en geinsereerd te willen beschouwen t.w.:

a. brief d.d. 27 juli 1996 aan de Ambassade Den Haag (bijlage 10)

b. brief van oktober 1996 van [naam], voormalig direkteur van Buitenlandse Zaken over ”kwes­tie delegatievergoeding…..” alsmede circulaire nr.5 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken van 6 Augustus 1977 (bijlagen 11a en 11b)

c. brief waarnemingstoelage (bijlagen 4a/4b)

d. memo Buza d.d. 28/12/1995 nr.3953 (bijlage 12)

e. resolutie d.d. 1 oktober 1996 [nummer](bijlage 13)

f. brief d.d. 17 november 1995 (bijlage 5);

7. dat verzoekster herhaaldelijk te kennen heeft gegeven voorstander te zijn van afwikkeling van haar zaken in gemeen overleg tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en haar, waartoe ook het zijdens haar bevoegde hoogste gezag zich tegenover haar bereid toonde;

8. dat verzoekster echter genoodzaakt was de Kortge­dingrechter op 20 juni 1996 te adieren (AR.nr.961992), omdat het belangrijkste deel van een tussen het Minis­terie en haar d.d. 23 april 1996 bereikte accoord – zoals vastgelegd in de hierbij overgelegde brieven d.d. 25, 26 april en 16 mei – niet werd uitgevoerd;

9. dat de onder 8 vermelde brieven hierbij worden overgelegd als bijlagen 14 t/m 16 met verzoek deze als ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

10. dat bij herhaling (op 1 en 15 augustus 1996) door de verweerder uitstel van de behandeling in kortgeding werd gevraagd, de indruk wekkende, dat een regeling tussen partijen zou worden getroffen;

11. dat verzoekster ook hangende het Kortgeding bereid bleef langs de weg van overleg tot een minnelijke regeling te geraken, hetgeen blijkt uit haar brief d.d. 7 november 1996 aan de Minister van Buitenlandse Zaken en de brief van laatstgenoemde aan haar van 6 januari 1997, welke als bijlagen 17 en 18 hierbij worden toege­voegd met het verzoek deze als ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

12. dat het met de huidige bewindsman van het Ministe­rie van Buitenlandse Zaken in november 1996 gestarte constructief overleg over een algehele minnelijke regeling helaas, althans tot nu toe nog geen concreet resultaat heeft opgeleverd;

13. dat eiser (lees: verzoekster) recht en belang heeft op een spoedige afwikkeling van alle zaken ver­bandhoudende met haar dienstverband met de Surinaamse Overheid;

14. dat een nadrukkelijk besluit ontbreekt van het daartoe bevoegde orgaan op haar herhaaldelijk tot het desbetreffende orgaan gerichte verzoeken (laatstelijk op 6 mei 1996 in bijlage 7 aan de President van de Republiek Suriname, evenals op 16 mei 1996 aan de Wnd.direkteur van Buitenlandse Zaken – bijlage 16 – ) daarmee ingevolge art.78 lid 2b, jct.art.80 lid 2c de gronden opleverende om de onderhavige vordering in te stellen bij het Hof van Justitie, rechtsprekende in ambtenarenzaken;

15. dat de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 januari 1996, indien als besluit beschouwd zoals bedoeld in art.78 van de Personeelswet, eveneens grond oplevert om ingevolge art.80 lid 1b de onderhavi­ge vordering in te stellen;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevor­derd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. de verweerder zal worden gelast om binnen drie dagen, althans binnen een door het Hof in goede justi­tie te bepalen termijn over te gaan tot:

– betaling van alle aan haar verschuldigde delega­tievergoedingen voortvloeiende uit de circulaire 5 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken van 6 augustus 1977, verband houdende met haar functionering als ambassaderaad bij de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (september 1988 tot maart 1994), zijnde Nf.280.000,– en als fgd.Ambassadeur bij de Permanente Missie van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties (augustus 1994 tot het ontslag uit ’s Lands Dienst), zijnde US$.35.000,–

– betaling van de haar verschuldigde waarnemingstoe­lage voor waarneming op de post van Ambassadeur (Perma­nent Vertegenwoordiger van de Republiek Suriname bij de V.N.) van januari 1994 – januari 1996), zijnde US$.13.­500,–

b. de gedaagde (lees:verweerster) zal worden gelast alle nodige voorzie­ningen te treffen tot spoedig trans­port van haar goede­ren uit Nederland en New York en al het overige te doen, dat verband houdt met terugkeer naar het hoofd­kwartier na detachering naar het buiten­land.

c. de gedaagde (lees:verweerster) zal worden gelast voor recht te ver­klaren verzoeksters stilzwijgende benoeming tot buiten­gewoon en gevolmachtigd Ambassadeur (Perm.verte­genwoor­diger van de Republiek Suriname bij de V.N.) ingevolge art.22 lid 5 van de Personeelswet ingaande augustus 1994 tot haar ontslag uit ’s Lands dienst, zijnde 2 oktober 1996,

d. de gedaagde (lees:verweerster) zal worden gelast een billijke rege­ling te treffen m.b.t. implementatie van de ontslagre­solutie d.d.1 oktober 1996 [nummer]in dier voege, dat tenminste het salaris over de maan­den januari t/m maart 1996 wordt uitbetaald, op basis van het laatst genoten salaris op de Permanente Missie van de Repu­bliek Suriname bij de Verenigde Naties, vanwege langer verblijf in New York i.v.m. afwachting op de afwikke­ling van haar zaken op advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

e. gedaagde (lees:verweerster) zal worden veroor­deeld in de kosten van het geding

Alles onder verbeurte van een dwangsom van

Sf.100­.000,– voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen;

Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist met klem alhetgeen niet uitdrukkelijk door hem is erkend. Verweerder biedt van zijn stellingen bewijs aan, indien en voor zover de bewijslast daarvan ingevolge de wet op haar mocht rusten;

2. Verweerster (lees:verzoekster) is inderdaad ambte­naar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet. De periode waarin de rechtsfeiten waarop verzoekster zich beroept, zich hebben voorgedaan, betreft de periode 1988-1996. Het bevoegde gezag te haren aanzien, het verlenen van ontslag daaronder begrepen, was alstoen ingevolge artikel 3 lid 2 en lid 5 van de Personeelswet de Presi­dent van de Republiek Suriname, nu zij door hem in die perioden werd bevorderd onder meer bij resolutie d.d 23 mei 1991 en zij in die periode de rangen heeft bekleed van Hoofdambtenaar B 1e klasse, Hoofdambtenaar A 3e klasse, Hoofdambtenaar A 2e klasse en Hoofdambte­naar A 1e klasse, aan al welke rangen een bezoldiging was verbonden, die meer bedroeg dan de helft van die van de direkteur van een departement.

3. Verzoekster vordert in haar petitum sub a betaling van alle aan haar verschuldigde delegatievergoedingen voortvloeiende uit de circulaire 5 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken van 6 augustus 1977 terzake van haar detachering als Ambassaderaad bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Suriname te Den Haag, Nederland, en haar detachering als Gevolmachtigd Minister van Suriname bij de Verenigde Naties te New York, U.S.A. Kennelijk bedoelt verzoekster, dat zij aanspraak maakt op het z.g. ”volledige valuta inkomen”, dat wil zeggen haar salaris als Ambassaderaad en Gevol­machtigd Minister, inclusief de percentages vastgesteld voor echtgenote (echtgenoot) en kinderen, welke sala­rispercentage dan door verzoekster worden aangeduid als ”delegatievergoedingen” (vide punt 6 van voormelde circulaire). De aldus toe te kennen vergoedingen voor het verblijf van de gezinsleden van een ambtenaar, zoals verzoekster, op zijn standplaats hebben tot strekking de betreffende ambtenaar in staat te stellen om zijn funktie adequaat te kunnen vervullen door zijn arbeid in het kader van zijn gezinsleven te verrich­ten en hebben, anders dan verzoekster stelt, niets te maken met de representativiteit van de diplomaat of de aan zijn funktie verbonden status. Dat zou ook niet de ratio kunnen zijn, aangezien dan alleen gehuwde perso­nen als diplomatiek vertegenwoordiger zouden kunnen optreden, hetgeen noch rechtens noch feitelijk het geval is en ook niet kan zijn. Voormelde vergoedingen zijn dan ook geen vergoeding van kosten die recht­streeks voortvloeien uit de vervulling van de betref­fende funktie en gelet op hun strekking – instandhou­ding van het gezinsleven van de ambtenaar- hebben die vergoedin­gen mitsdien het karakter van een emolument als bedoeld in artikel 32 van de Personeelswet. Toeken­ning van een dergelijk emolument mag dan ook alleen geschieden overeenkomstig bij staatsbesluit vastgestel­de voor­schriften, als bedoeld in artikel 32 lid 1 van de Personeelswet. Een dergelijk staatsbesluit ontbreekt echter ten enen male. Voorts, voor zover voormelde vergoedingen als toelagen gekarakteriseerd moeten worden, hetgeen ook het geval is, dan zou ingevolge artikel 17 lid 2 van de Personeelswet bij staatsbesluit moeten zijn bepaald dat in geval van detachering van een ambtenaar een toelage als vorenbedoeld wordt geno­ten. Ook een dergelijke voorziening in enig staatsbe­sluit ontbreekt en in elk geval bevat het Ambtenarenbe­zoldigingsbesluit (S.B.1980 no.153), dat beschouwd moet worden als het staatsbesluit bedoeld in artikel 17 lid 2 van de Personeelswet, ten aanzien van voormelde vergoedingen geen enkele voorziening. Bovenvermelde circulaire ontbeert dan ook elke rechtskracht. Verzoek­ster kan daaraan dan ook geen enkele rechtskracht ontlenen.

Veronderstellenderwijs echter ervan uitgaande, dat bovenvermelde circulaire wel rechtskracht zou hebben, dan moet dan het navolgende te dien aanzien worden opgemerkt. De circulaire is een algemene regeling en dus behoort nog ten aanzien van elke ambtenaar speci­fiek te worden vastgesteld of en in hoeverre aanspraak op vergoedingen als voormeld bestaat en welke de omvang van die vergoedingen is, hetgeen overigens ook uit punt 6 van die circulaire blijkt. Een dergelijk besluit moet dan ten aanzien van verzoekster door de President van de Republiek Suriname worden genomen op grond van het sub 2 gestelde. Een dergelijk presidentieel besluit is echter niet genomen. Evenmin is vaststelling van de vergoedingen als voormeld geschied door of vanwege de Minister van Buitenlandse Zaken. Het is dan ook geheel onduidelijk op grond waarvan verzoekster meent aanspra­ken te hebben en bovendien van een omvang als gevor­derd. De stelling van verzoekster, dat de gevorderde bedragen respectie­velijk door de Ambassade te Den Haag, Nederland, en de Permanente Missie te New York, U.S.A., zouden zijn vastgesteld, wordt door verweerder met klem ontkend. Ook al zou zulks echter het geval zijn, dan nog missen voormelde instanties elke bevoegdheid zulks te doen, terwijl ook de gestelde bedragen worden ont­kend. Ver­weerder merkt terzake verder op, dat indien en voor zover voormelde circulaire rechtskracht zou heb­ben, zij in elk geval op de detachering van verzoekster te Den Haag, Nederland, niet van toepassing zou zijn.

De strekking van de toelagen voor echtgenote (echtge­noot) en kinderen is toch de gedetacheerde ambtenaar in staat te stellen zijn gezin mee te nemen naar zijn standplaats en aldaar bij zich te hebben gedurende zijn detachering, waaraan uiteraard hogere kosten verbonden zijn dan in Suriname zelf het geval zou zijn, indien de ambtenaar daar zijn standplaats had. Punt 3 van boven­ver­melde circulaire geeft daarom uitdrukkelijk aan, dat het gezin van de landsdienaar hem binnen drie maanden na zijn detachering naar de standplaats dient te vol­gen, terwijl punt 7 van die circulaire duidelijk spree­kt van vervoer van het gezin naar de standplaats in verband met gezinshereniging. De echtgenoot van verzoekster woont echter al voor 1975 in Nederland met de uit zijn huwelijk met haar geboren kinderen en is daar sedertdien ook in dienstbetrekking, terwijl de kinderen daar op school gaan, verzoekster in Suriname verbleef en van daaruit gedetacheerd werd naar Neder­land. Van een medenemen van haar gezin naar Nederland en verblijf met dat gezin aldaar op grond en als gevolg van de detachering was dan ook geen sprake. Ook om die reden maakt verzoekster geen aanspraak op de gezinstoe­lage voor wat de duur van haar detachering in Nederland betreft. Zulks is haar ook duidelijk voorgehouden bij de voorbereiding van haar detachering door de toenmali­ge direkteur van het Departement van Buitenlandse Zaken en de toenmalige Inspekteur van de Buitenlandse Dienst, hetgeen door verzoekster werd aanvaard. In de bijlage behorende bij het schrijven van de Direkteur van Bui­tenlandse Zaken aan de Tijdelijk Zaakgelastigde van Suriname in Nederland d.d. 9 september 1988, no.10038, inhoudende mededeling van verzoeksters detachering in de funktie van Ambassaderaad, is dan ook geen toelage aangegeven voor echtgenoot en kinderen. Verweerder legt voormeld schrijven met bijlage hierbij over ter staving van haar stellingen. Tenslotte merkt verweerder terzake op, dat ingevolge voormelde circulaire het vereist is, dat de betreffende ambtenaar in gezinsverband samen­leeft, wil hij aanspraak maken op voormelde vergoedin­gen. Verzoekster heeft echter, naar verweerder met klem stelt, in de perioden van haar tewerkstelling op de Ambassade van Suriname te Den Haag, Nederland, en op de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties te New York, U.S.A., niet in gezinsverband samengeleefd en ook om die reden maakt zij geen aanspraak op voren­bedoelde vergoedingen of toelagen. Verweerder legt bovenvermelde circulaire no.5 van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 augustus 1977 hierbij over, zulks ter staving van haar stellingen;

4. Verzoekster vordert in haar petitum sub a voorts, dat aan haar een waarnemingstoelage zal worden toege­kend en betaald van US$ 13.500,– over de periode augustus 1994 – januari 1996 als waarnemend Hoofd van de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties, kennelijk op de voet van artikel 22 lid 4 van de Personeelswet. Zulks is echter in strijd met het in het petitum sub c gestelde, aangezien verzoekster er in dat onderdeel vanuit gaat, dat zij sinds augustus 1994 stilzwijgend zou zijn benoemd als Hoofd van de Perma­nente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties en dan is er uiteraard geen plaats voor een waarnemings­toelage. Reeds om die reden moet verzoekster terzake niet worden ontvangen. Met betrekking tot laatstgemelde vordering evenwel nog het volgende. Ingevolge artikel 105 lid 2 van het Handvest van de Verenigde Naties is er van elke lidstaat van die organisatie bij die orga­nisatie een permanente missie geaccrediteerd, welke de betrekkingen tussen die organisatie en de lidstaat onderhoudt en zorgt voor de belangenbehartiging van de lidstaat bij die organisatie. De betrekkingen tussen de lidstaat en de Verenigde Naties worden op dat stuk beheerst door analogische toepassing van het Verdrag van Wenen inzake de diplomatieke relaties, bij welk verdrag Suriname partij is (zie Verdrag­enblad van de Republiek Suriname, jaargang 1982 no.28; Ian Brownlee:

Principles of Public International Law, pag.684 e.v.; The Charter of the United Nations, A Commentary edited bij Bruno Simma, 1994, pag.1138 e.v.). Ingevolge arti­kel 14 van voormeld verdrag moet er dan een Hoofd van de Missie worden aangewezen. Een dergelijke funktie is dan ook op grond van de ex artikel 3 van dat verdag daaraan verbonden taak geen funktie binnen de interne ambtelijke dienst van Suriname en ambtelijke regels binnen de bestuurlijke rechtsorde van Suriname zijn dan ook daarop niet van toepassing, derhalve ook niet de Personeelswet. Bij missive van de Minister van Buiten­landse Zaken aan de Secretaris-Generaal van de Verenig­de Naties d.d. 2 augustus 1994 is verzoekster aangewe­zen als ”Charge d’ Affaires ad interim” van de Repu­bliek Suriname bij de Verenigde Naties, met ingang van 10 augustus 1994, welke missive hierbij wordt overge­legd. Zulks hield in, dat verzoekster vanaf 10 augustus 1994 voorlopig zou fungeren als Hoofd van de Missie. Kennelijk op basis daarvan meent verzoekster, dat zij de funktie van Hoofd van de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties heeft waargenomen, zoals bedoeld in artikel 22 lid 1 van de Personeelswet, en op grond van het vierde lid van die bepaling dan in aanmerking komt voor een waarnemingstoelage. Echter is de aanwijzing van verzoekster als ”Charge d’ Affaires ad interim” niet geschied op grond van artikel 22 lid 1 van de Personeelswet, doch op grond van artikel 19 van voormeld Verdrag van Wenen en, zoals gesteld, betreft het dan ook niet een waarneming van een funktie binnen de interne ambtelijke dienst, maar een voorziening strekkende tot bewaring van de relatie met de Verenigde Naties. De positie van Charge d’ Affaires ad interim is dan ook een zelfstandige positie en geen afgeleide positie waarop artikel 22 van de Personeelswet toepas­selijk is. Indien zulks wel het geval was, dan zou toch in casu ook de aanwijzing moeten zijn geschied door de President van de Republiek Suriname als het bevoegd gezag, zoals sub 2 aangegeven. Voorts moet worden gesteld, dat verzoekster alstoen een rang bekleedde, namelijk Hoofdambtenaar A 1e klasse, waaraan dezelfde minimumbezoldiging is verbonden als aan de rang, die het Hoofd van de Missie heeft.

Deze heeft namelijk ook de rang van Hoofdambtenaar A 1e klasse. Op grond van artikel 22 lid 4 van de Perso­neelswet maakt verzoekster dan ook geen aanspraak op een waarnemingstoelage, indien die bepaling terzake van toepassing zou zijn, hetgeen niet het geval is.

Tenslotte ontkent en betwist verweerder dat de gepre­tendeerde aanspraak op waarnemingstoelage een bedrag van US$ 13.500,– zou betreffen. Op geen enkele wijze heeft verzoekster zulks aangetoond.

5. Verzoekster vordert in haar petitum sub b, dat verweerder zal worden gelast alle nodige voorzieningen te treffen tot spoedig transport van haar goederen uit Nederland en New York en al het overige te doen dat verband houdt met terugkeer naar het hoofdkwartier na detachering naar het buitenland. Verzoekster heeft echter niet gesteld op grond van welke wettelijke regeling verweerder daartoe verplicht zou zijn en zij daarop aanspraak zou maken en geen deugdelijk verweer is dan ook terzake mogelijk. Noch ook heeft verzoekster gesteld welke voorzieningen verweerder zou moeten treffen en verweerder kan dan ook niet weten waaraan hij terzake zou moeten voldoen, indien Uw Hof genegen zou zijn het verzoek toe te wijzen. Om voormelde rede­nen is verzoekster dan ook in dat onderdeel van haar petitum niet – ontvankelijk. Overigens heeft verweer­der, indien en voor zover verzoekster daarop mocht doelen zowel aan de Kanselier op de Ambassade te Den Haag, Nederland, als die op de Permanente Missie bij de Verenigde Naties te New York, U.S.A., bereids de op­dracht verstrekt om na opgave van verzoekster betref­fende de wijze van transport van haar verhuisboedel en de data daarvan, de daaraan verbonden kosten aan de vervoerder te voldoen, althans indien en voor zover zij zelf die kosten had voldaan, deze aan haar te vergoe­den, mits gestaafd met de volgens de Comptabiliteitswet en het Comptabiliteitsbesluit vereiste bescheiden.

Zulks is ook aan verzoekster medegedeeld. Een opgave met bescheiden als vorenbedoeld is echter door ver­zoekster nimmer gedaan en in zoverre is verzoeksters vordering dan ook geheel ongegrond;

6. Wat betreft het petitum sub c, moet vooreerst worden opgemerkt, dat verweerder, althans haar orga­nen welke met wetgevende en bestuurlijke macht zijn belast, de bevoegdheid mist (missen) om te verklaren wat rech­tens is, aangezien zulks ingevolge artikel 134 van de Grondwet en artikel 1 van de Wet op de Samen­stelling en Inrichting van de Rechterlijke Macht uit­sluitend aan de staatsorganen met rechtspraak belast is voorbehouden, tot welke organen Uw Hof behoort. Volgens het petitum zou Uw Hof dan zichzelf moeten gelasten om de betref­fende verklaring voor recht te geven, hetgeen evident rechtens onmogelijk is. Ook in dat onderdeel van het petitum kan verzoekster dan niet worden ontvan­gen. Voorts stelt verweerder met klem, dat artikel 22 lid 5 van de Personeelswet terzake niet van toepassing is, nu ”Hoofd van de Permanente Missie van Suriname bij de Verenigde Naties” geen ambtelijke funktie is in de zin van de Personeelswet en ter staving daarvan ver­wijst verweerder naar hetgeen terzake sub 4 is betoogd;

7. Ten aanzien van het petitum sub d.

Verzoekster heeft geen enkel feit of omstandigheden gesteld, laat staan aangetoond, op grond waarvan zij langer in New York moest blijven in afwachting van de afwikkeling van haar zaken, noch ook welke zaken dat waren, noch ook waarom zij dan persé drie maanden aan inkomen, dat zij in New York zou krijgen, indien zij nog in dienst was, zou moeten krijgen. Verzoekster had op uiterlijk 1 januari 1996 naar Suriname terug moeten keren in verband met haar pensionering per die datum, hetgeen haar ook is medegedeeld en waarmede zij in elk geval ook uit eigen wetenschap bekend was. Dat zij langer in New York, U.S.A., is gebleven, zoals zij stelt, komt dan ook geheel voor haar rekening en risi­co. Overigens heeft Uw Hof, naar het verweerder voor­komt, niet de wettelijke mogelijkheid hem te gelasten ”een billijke regeling te treffen”. Indien verzoekster pretendeert dat zij kennelijk schade heeft geleden, dan moet zij concreet de oorzaak van de schade stellen, de schadefaktoren stellen en de omvang van de schade stellen en vorderen. Voormeld petitum onderdeel, alsme­de de grondslag daarvan, is dan ook veel te vaag om voor toewijzing in aanmerking te komen;

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft gecon­clu­deerd:

dat verzoekster in haar vorderingen niet zal worden ontvangen, althans deze haar als ongegrond zullen worden ontzegd;

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 17 maart 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoek­ster in per­soon bijgestaan door advokaat Mr.R.W.BRAAM namens haar gemachtigde advokaat Mr.E.BRUMA, advokaat Mr.F.KR­UISLAND, gemachtigde van verweerder en de heer R.C.S­ANICHAR, onder-Direkteur van Buitenlandse Zaken namens verweerder, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschou­wen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, par­tijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvanke­lijk was bepaald op 21 november 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds erkend, althans als niet danwel onvoldoende gemotiveerd be­twist, het navolgende tussen partijen rechtens vast­staat:

1. dat de verzoekster ambtenaar is geweest in de zin van de Personeelswet (P.W) en dat zij per 2 oktober 1996 met ontslag uit ’s Landsdienst gegaan is (pensio­nering);

2. dat zij van september 1988 tot maart 1994 ambassa­deraad geweest is bij de Ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag, Nederland en fungerend-Ambassa­deur bij de Permanente Missie van de Republiek Suriname bij de Verenigde Naties te New York in de periode augustus 1994 tot januari 1996;

3. dat verzoekster in beide sub 2 genoemde perioden voor de delegatievergoedingen (deze zijn vergoedingen voor verblijf van gezinsleden op de standplaats van een diplomaat i.c. echtgenoot en kinderen van de verzoek­ster als vervat in de circulaire d.d. 6 augustus 1977 van de Minister van Algemene en Buitenlandse Zaken) niet in aanmerking gekomen is en dat zij vanaf 1989 regelma­tig daartegen – zowel schriftelijk als mondeling – heeft geprotesteerd;

4. dat verzoekster voorts in de periode waarin zij als fungerend-Ambassadeur bij de Verenigde Naties werkzaam was, terwijl er geen Ambassadeur van Suriname daar geposteerd was, niet in aanmerking gekomen is voor het salaris verbonden aan de funktie van Ambassadeur;

5. dat de verweerster niet tijdig als gebruikelijk ervoor zorg gedragen heeft dat goederen (verhuisboedel) van de verzoekster na beëindiging van haar detacherin­gen te Den Haag en New York als bovengenoemd, naar Paramaribo getransporteerd zijn;

Overwegende, dat verzoekster op grond van de bovenvermelde feiten en op andere gronden als vermeld in haar verzoekschrift d.d. 6 januari 1997, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 31 januari 1997, tegen de Staat de vorderingen heeft ingesteld als in het petitum is vermeld met verbetering wat punt c van het petitum betreft in haar pleitnota alsvolgt: ”de gedaagde te gelasten verzoeksters stilzwijgende benoe­ming tot Ambassadeur ingevolge art.22 lid 5 van de Perso­neelswet te formaliseren, ingaande augustus 1995 tot 2 oktober 1996”;

Overwegende dat wat de delegatievergoedingen betreft de aard daarvan is dat die telkens maandelijks, doorgaans tegelijk het het salaris, aan de diplomaat wordt betaald om de meerdere kosten van het gezin in het buitenland te dekken, hetgeen i.c. niet geschied is en dat de verzoekster pas na haar pensionering (ontslag uit ’s Landsdienst) in verband met afwikkeling van zaken verband houdende met haar 38 – jarige dienstver­band met de verweerster deze vergoedingen alsnog vol­daan wenst te hebben;

Overwegende, dat verzoekster met dit deel van de vordering tardief is, omdat zij tijdens haar detache­ringsperioden zowel te Den Haag als te New York niet alleen intern had moeten beklagen (binnen de admini­stratie) doch de Ambtenarenrechter had moeten adiëren, en door dit na te laten en deze vordering pas op 31 januari 1997 aanhangig te maken, zij rijkelijk te laat is (zie art.79 lid 1 sub b en 80 lid 2c P.W.);

Overwegende, dat het thans danook niet relevant is te onderzoeken of de verzoekster voor die vergoedingen in aanmerking had moeten komen;

Overwegende, dat wat de waarnemingstoelage betreft de verzoekster enerzijds deze toelage vordert (als onderdeel van het petitum sub a) en anderzijds in het verbeterde petitum sub c verlangt dat de verweerster een resolutie slaat om haar benoeming tot Ambassadeur te formaliseren, hetgeen naar het oordeel van het Hof tot hetzelfde financiële gevolg zou moeten leiden, namelijk dat de verzoekster vanaf het tweede jaar van haar functionering bij de Verenigde Naties het salaris van de Ambassadeur zou moeten genieten;

Overwegende, dat los van het feit dat de verzoek­ster niet aangegeven heeft welk belang zij bij de gevraagde formalisering na haar ontslag uit ’s Lands­dienst (pensionering per 2 oktober 1996) heeft, is zij met beide vorderingen te laat, omdat zij de waarne­mingstoelage niet tijdig (als vergoeding van schade) gevorderd heeft en de gevraagde formalisering niet binnen 6 tot 9 maanden na 1 augustus 1995 gevorderd heeft (zie art.80 lid 2c jo.art.78 lid 2 P.W.), hetgeen het Hof niet de mogelijkheid biedt te onderzoeken of zij al dan niet terecht op die toelage aanspraak maakt;

Overwegende, dat het petitum sub b te ruim gefor­muleerd is en daarin dus niet exact aangegeven is de hoeveelheid goederen van verzoekster die van Nederland en van New York naar Paramaribo vervoerd zouden moeten worden en welke handelingen de verweerster precies daartoe zou moeten verrichten, en dat bovendien deze vordering ook te laat ingesteld is vanwege het feit dat verzoekster ultimo maart 1994 haar werkzaamheden te Den Haag beëindigd heeft en eind januari 1996 hetzelfde gebeurd is te New York (art.80 lid 2 sub c jo 78 lid 2 P.W.);

Overwegende, dat wat het petitum sub d betreft, n.l.”de verweerster te gelasten een minnelijke regeling te treffen enz…..”, als vordering geen steun vindt in de P.W. en is het Hof dus niet bevoegd daarover een beslissing te geven (zie art.79 P.W.);

Overwegende, dat hier uitdrukkelijk overwogen wordt, dat de termijnen voor het instellen van vorde­ringen op grond van de P.W. van openbare orde zijn en dus door het Hof ambtshalve moeten worden toegepast, ook al wordt daarop geen beroep gedaan;

Overwegende, dat uit het bovenoverwogene volgt, dat het Hof met betrekking tot het gevorderde sub d van het petitum zich onbevoegd zal verklaren en dat de verzoek­ster in haar overige vorderingen niet ontvanke­lijk zal worden verklaard wegens het niet tijdig in­stellen daarvan binnen de door de P.W. gestelde termijn en wegens te ruime formulering (dit laatste m.b.t. het petitum sub b);

Overwegende, dat de verzoekster, als de in het ongelijk gestelde partij, de gedingkosten aan de zijde van de verweerster gevallen, voor haar rekening zal moeten nemen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering als vervat in het petitum sub d van het verzoekschrift van de verzoekster;

Verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar overige vorderingen;

Veroordeelt verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerster gevallen en begroot op

f………;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van verzoekster eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-Presi­dent, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 mei 1998, in tegen­woordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.R.B­ALDEW namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.J.B­RUMA en ver­weerster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.LIM A PO namens haar gemach­tigde, advokaat Mr.F.KRUISLAND, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1998-12

M.H.

A– 355

[verzoeker], wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27 ten kantore van Mr.R.U.F.TRUI­DEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTE­RIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze verte­gen­woor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­na­me, te diens Parkette aan de Graven­straat no.3 te Paramari­bo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.C.D.OOFT, advo­kaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van respectieve­lijk 4 april 1997 en 7 november 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verweerder in de enquête 6 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 november 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem ver­langde bewijs bij te brengen als getuigen heeft doen horen [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6], wier verklaringen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aange­merkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van die verklaringen, in onderling verband en samenhang be­schouwd, welke verklarin­gen bij gebreke van contra enquête niet zijn ontzenuwd en weerlegd, van oordeel is, dat verweerder geslaagd te achten is in de van hem verlangde bewijslevering, zijnde immers uit die verklaringen van genoemde getui­gen ondubbelzinnig gebleken van feiten en omstandighe­den waaruit kan worden afgeleid, dat verzoeker onvoldoende waar­borgen voor betrouw­baarheid heeft laten blijken;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat hem niet gebleken is, dat het aan verzoeker verleend ontslag in wanver­hou­ding staat tot de als bewezen aangenomen gedragingen van verzoeker;

Overwegende, dat aan verzoeker dan ook terecht door verweerder ontslag is verleend uit staatsdienst;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoekers vordering hem dan ook als ongegrond en onbewezen dient te worden ontzegd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN­ZAKEN:

Ontzegt aan verzoeker zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PU­LTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justi­tie van VRIJDAG, 7 augustus 1998, in tegen­woordig­heid van Mr. M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.ISHAAK namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uit­spraak ter te­rechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-1998-11

H.M.

GENERALE ROL NO. 13905.

[appellante], wonende aan [adres 1] in het [district], voor wie als gemachtig­de optrad Mr.E.J.BRUMA, thans Mr.B.G.BECKLES, advokaat,

appellante,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in het [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.F.J.LEEFLANG, advokaat,

geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 26 september 1995 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 12 oktober 1995, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advoka­ten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellante], wonende aan [adres 1] in het [district], gedaagde;

2. dat de gedaagde bij koop en verkoop overeenkomst d.d. 26 oktober 1992 het erfpacht recht heeft verkregen op het perceel gelegen aan [adres 1] in het [district];

3. dat zich op het moment van de koop en verkoop op het vorenvermeld perceel een woonhuis bevond, welke met medeweten en toestemming van de oorspronkelijke huur­pachter [naam] door eiser is gebouwd, die het huis al 26 jaren met zijn concubine en kinderen be­woont;

4. dat eiser gedurende deze periode als contra pres­tatie het perceel heeft onderhouden en beplant t.b.v. de oorspronkelijke erfpachter;

5. dat de oorspronkelijke erfpachter het perceelland evenwel heimelijk verkocht aan de gedaagde en naar Nederland vertrok dientengevolge de gedaagde het erf­pachtrecht op het voormeld perceel verkreeg;

6. dat de gedaagde eiser terstond heeft aangezegd het woonhuis te doen afbreken en te ontruimen;

7. dat eiser niet instaat was binnen een zo korte tijdbestek hieraan te voldoen en gedaagde danook ver­zocht om hem enige tijd te gunnen;

8. dat de gedaagde echter zonder verdere aanzegging terwijl eiser met zijn gezin nog in het woonhuis ver­toefde deze met een bulldozer met de grond gelijk heeft gemaakt of in ieder geval heeft doen maken met vernie­tiging van alle de in het huis bevindende inventaris, goederen en meubilair;

9. dat eiser van oordeel is dat de gedaagde door zo te doen hoogst onbehoorlijk en onzorgvuldig of in ieder geval in strijd heeft gehandeld met de wet, de goede zeden en de zorgvuldigheid welke haar in het maatschap­pelijk verkeer t.a.v. een ander betaamt;

10. dat de gedaagde gehouden is de schade welke door haar schuld is ontstaan aan eiser te vergoeden;

11. dat de voormelde schade kan worden gekwantificeerd op Sf.360.000,– (DRIEHONDERD ZESTIGDUIZEND GULDEN) zijnde de herbouwwaarde van het woonhuis; het een en ander conform een hierbij overgelegde offerte d.d 3 februari 1993; en voor vernietigde kledingstukken en huishoudelijke artikelen sf.15.000,– (VIJFTIENDUIZEND GULDEN);

12. dat eiser van de gedaagde aldus te vorderen heeft het bedrag van Sf.375.000,– (DRIEHONDERD VIJF EN ZEVENTIG DUIZEND GULDEN) doch de gedaagde is niet bereid in der minne tot een afdoening te komen;

13. dat eiser derhalve recht en belang heeft het voormeld bedrag in rechte op te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegen­staande verzet of hoger beroep, gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf.375.000,– (DRIEHON­DERD VIJF EN ZEVENTIG DUIZEND GULDEN) terzake als hoger omschreven met de wettelijke rente ad.6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der voldoening, Kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellante] als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd:

dat eiser niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans deze aan hem zal worden ontzegd, Kosten rech­tens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 26 september 1995 op de daarin opge­nomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van Sf.375.000,– (DRIEHONDERD VIJF EN ZEVENTIGDUIZEND GULDEN), met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 6 juli 1993 tot aan die der algehele voldoe­ning;

Het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de eiser gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.590,25,–;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 26 september 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 4 september 1996 aan geinti­meerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 21 maart 1997 advokaat Mr.E.J.BRUMA via advokaat Mr.R.W.BRAAM zich als gemachtigde van appellante aan de zaak heeft onttrokken, terwijl terzelfde terechtzitting advokaat Mr.B.G.BECKLES zich als gemachtigde van appellante heeft gesteld;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, zijnde bij pleitnota, bij antwoord­pleidooi en bij dupliekpleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier ingelast dient te worden be­schouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante hierna een hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 23 januari 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante tijdig in hoger beroep is gekomen van het vonnis d.d.26 september 1995, zodat zij in het door haar ingestelde hoger beroep ontvanke­lijk is;

Overwegende, dat appellante de navolgende grieven tegen het vonnis heeft aangevoerd:

Grief I:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter voor vaststaand aangenomen dat geintimeerde met medeweten en toestem­ming van de verkoper, [naam], op het perceel een woning heeft gebouwd en deze woning bewoont. Appellante heeft dit in prima zowel bij conclusie van antwoord en dupliek ontkend, terwijl de Kantonrechter zoekende naar de waarheid, appellante, toen gedaagde, naar het adres in Nederland van de heer [naam] voornoemd kon hebben gevraagd en alzo een verzoek tot rogatoire commissie kon hebben gedaan aan een collega aldaar. De Kanton­rechter heeft het niet eens nodig geacht appellante, toen gedaagde, zelf te horen. Appellante overlegt nu ten deze een verklaring van de heer [naam] voornoemd met het verzoek de inhoud van deze verklaring hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschou­wen.

Grief II:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat geintimeerde op het bewuste perceel mocht bouwen en wonen als contraprestatie voor de onderhoudswerkzaamhe­den die hij moest verrichten. Ook dit is namelijk niet waar aangezien hij, geintimeerde, werd vergoed voor zijn werkzaamheden. In prima is het verhaal van geinti­meerde ook pertinent ontkend.

Grief III:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in zijn beoordeling van zijn geschil, punt 4.2, aangenomen dat [appellante] meergenoemde woning heeft verwijderd. Ook hier heeft de Kantonrechter een steek laten vallen. Het is geinti­meerde zelf die zijn woning heeft verwijderd. Appellan­te biedt zulks te bewijzen aan.

Grief IV:

Ten onrechte overweegt de Kantonrechter verder in punt 4.3 dat appellante heeft nagelaten bij de verkoper inlichtingen in te winnen omtrent het recht van [geïntimeerde] op de woning. Volgens de verklaring van de verko­per heeft hij zich persoonlijk begeven naar het per­ceelland in 1986 en geintimeerde aangezegd te ont­rui­men. Sinds toen bestond er geen enkele relatie meer tussen de verkoper, de heer [naam] en geintimeerde voorwat betreft onderhoudswerkzaamheden. Omdat de verkoper in Nederland zat had geintimeerde altijd gehoopt dat het perceelland eens van hem zou worden. Nu hij ziet dat zulks niet gelukt is probeert hij van appellante te plukken, want ze zijn uit Nederland en moeten dus veel geld hebben zoals men algemeen denkt. De schade is volkomen gefingeerd en appellante wil door alle middelen rechtens aantonen dat zij geintimeerde op geen enkele wijze schade, in welke vorm dan ook, heeft berokkend.

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat noch uit de gewisselde stukken en ook niet uit het verweer van geintimeerde blijkt dat van een overeenkomst van woon-erfhuur sprake is geweest doch dat geintimeerde een overeenkomst met de toenmalige eigenaar m.n. het toezicht houden op het perceel waarvoor hij werd be­taald, blijkende dit immers uit de niet van valsheid betichte verklaring van [naam];

Overwegende, dat het Hof derhalve de opgeworpen grieven gegrond acht en het vonnis waarvan beroep dat op onjuiste gronden is gewezen, dient te vernietigen en opnieuw rechtdoende geintimeerde zijn oorspronkelijke vorde­ringen als ongegrond dient te ontzeggen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 26 september 1995, waarvan beroep;

Ontzegt aan de geintimeerde zijn vordering;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en begroot op:

– in eerste aanleg op f.nihil;

– in hoger beroep op f.2.880,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op f.1.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.C.VELDEMA, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 maart 1998, in tegenwoordigheid van

Mr.A.C­HARAN, Fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.A.C.VELDEMA

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.B.G.BECKLES en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.F.J.LEEFLANG, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzitting versche­nen.

SRU-HvJ-1998-10

V.S.

GENERALE ROL:13967

[appellant], in algehele gemeenschap van goede­ren gehuwd met [naam 1], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.E.C.M.HOOP­LOT, advokaat,

appellant,

tegen

a. [geintimeerde sub a],

b. [geintimeerde sub b],

c. [geintimeerde sub c],

d. [geintimeerde sub d],

e. [geintimeerde sub e],

f. [geintimeerde sub f],

g. [geintimeerde sub g],

h. [geintimeerde sub h] en

I. [geintimeerde sub i],

allen wonende te [district] en allen erfgenamen van [naam 2], te dezen domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat 18, ten kantore van Mr.J.J.EMANUELSON, Advo­kaat,

geïntimeerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, de navolgende beschikking uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder ;

1. de in afschrift overgelegde beschikking van de Kanton­rechter-Plaats­vervanger in het Eerste Kanton van 19 juni 1996 tussen partijen gegeven;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 juli 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde sub a] e.a. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoekers de navolgende vordering wensen in te stellen tegen [appellant], in algehele gemeenschap van goe­deren gehuwd met [naam 1], wonende te [district] aan [adres], gerekestreerde;

2. dat bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, A.R.no.92/­0194, d.d. 5 april 1994 gewezen tussen verzoekers als eisers en gerekestreerde en diens echtgenote als gedaagde, is voornoemde [appellant]veroordeeld om aan verzoekers te betalen de som van Sur.F.54.750.– alsmede de tegenwaarde in Surinaams Courant tegen de koers van de dag van betaling van Ned.F.71.975.–, beide bedragen vermeerderd met de wette­lijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 17 februari 1992 tot aan de dag der algehele voldoening, vermeerderd met de proces­kosten;

3. dat bij voormeld vonnis vanwaarde is verklaard het door Rene Kappel, Deurwaarder, op 05 februari 1992 bij proces-ver­baal, no.0099, gelegde conservatoir beslag op het aan gerekestreerde toekomend erfpachts­recht, t.w.:

”Het erfpachtsrecht – vervallende zeven mei tweeduizend acht en dertig – op het perceelland, met alhetgeen daar­op­staat, groot tweeduizend vijfhonderd zes en tachtig vierkan­te meters, gelegen in het [district] ten Westen van [adres], deel uitmakende van de [grond], nader aangeduid op de uitmetings-­ kaart van de landme­ter F.Emanuels d.d. 13 maart 1963 met de letters ABCD en bekend als no.39, evenwel met uitzondering van een verkocht gedeel­te, groot zeshonderd vierkante meters”;

4. dat voormeld beslag op 05 februari 1992 is over­geschreven ten Hypotheekkantore in Suriname in Register D [nummer];

5. dat voormeld vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij ex­ploit, no.0136, van voornoemde Deurwaarder R.Kappel op 07 april 1995 aan de gerekestreerde is betekend, met bevel om binnen twee dagen nadien de daarbij vermelde bedragen aan verzoekers te voldoen;

6. dat verweerder tot heden niet aan voormeld bevel heeft voldaan;

7. dat thans meer dan twintig dagen na de betekening van voormeld vonnis zijn verlopen;

8. dat verzoekers derhalve bevoegd zijn om met de executie voort te gaan;

9. dat verzoekers het wenselijk achten dat de verkoop van het onderhavige onroerend goed ten overstaan van een door de rechter aan te wijzen notaris geschiedt;

10. dat immers de kosten bij verkoop ten overstaan van een notaris minder en de opbrengst meer zal zijn dan bij verkoop ter terechtzit­ting.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd dat zal worden bevolen dat de openbare verkoop van voor­meld onroerend goed niet ter terechtzitting zal geschieden, maar ten overstaan van een door de rechter aan te wijzen notaris;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen, respectievelijk advokaat Mr.J.J.Emanuelson en de advokaten Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.H.M.SOEMODIHARDJO schriftelijke conclusies hebben genomen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende ten aanzien van het verweer van gereques­treerde dat het desbetreffende vonnis melding maakt van ex­ploit no.94, terwijl eisers ten rekeste hebben overgelegd en in hun inleidend rekest ook melding maken van exploit no.0099, hetgeen betekent dat het bij laatstvermeld exploit gelegde beslag niet van waarde is verklaard en op grond daarvan ook geen openbare verkoop kan worden gevorderd, het navolgende:

dat waar het exploit no.94 vermeld in het vonnis van de Kantonrechter d.d. 5 april 1994 A.R.No.920194 en het exploit no.0099 hier eerder vermeld, dezelfde datum dragen te weten 5 februari 1992 en ook het beslag van hetzelfde onroerend goed betreffen, de Kantonrechter ervan uitgaat dat hier sprake is van een kennelijke typefout zodat hij deze grief zal passeren;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij beschikking van 19 juni 1996 op de daarin opgenomen gronden;

Heeft bevolen dat ”het erfpachtsrecht vervallende zeven mei tweeduizend acht en dertig – op het perceelland, met alhetgeen daarop staat, groot tweeduizend vijfhonderd

zes en tachtig vierkante meters, gelegen in het [district] ten westen van [adres], deel uitmakende van de [grond] nader aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter F.EMANUELS d.d.13 maart 1963 met de letters ABCD en bekend als no.39, evenwel met uitzondering van een verkocht gedeelte, groot zeshonderd vierkante meters”, in het openbaar zal worden verkocht ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris G.H.B.BLOM op een door deze vast te stellen dag en uur en volgens de plaatselijke gebruiken;

Voorts heeft bepaald dat van deze beschikking binnen vier weken na heden aan gerequestreerde zal worden kennis gegeven;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant]in hoger beroep is gekomen van voormelde eindbeschikking van 19 juni 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 27 juni 1997 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor verhoor in Raadkamer bepaald zijn verschenen, appellant in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en advokaat Mr.J.J.EMANUELSON, gemachtigde van geintimeerden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant hierna een – hier als geïnsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie na gehouden verhoor van partijen heeft genomen;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehouden verhoor van partijen zijdens geïntimeerden bepaald, diens gemachtigde geen conclusie heeft overgelegd, waarna het Hof beschikking in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 19 juni 1996, waarbij de openbare verkoping van een tot de huwelijksge­meenschap van de appellant met zijn echtgenote, [naam 1], behorende erfpachtsrecht bevolen is;

Overwegende, dat de grief die door appellant tegen die beschik­king aangevoerd is, betreft het feit dat de schulden, die krachtens een vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 5 april 1994, A.R. 920194, op het vermeld erfpachtsrecht verhaald worden, door de appellant aangegaan zijn met de erflaatster van de geïnti­meerden zonder toestemming of medewerking van de echtgenote van de appellant en die zouden om die reden daarop niet verhaal­baar zijn;

Overwegende, dat die grief ongegrond is, omdat alle schulden van in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten gemeen­schapsschulden zijn en zijn daarop verhaalbaar (zie de artt.169 lid 1 en lid 2 en artt.170 lid 1 B.W.), en dat in casu geen sprake is van privéschulden van de appellant;

Overwegende, dat het feit dat de appellant van het bovengenoemde vonnis d.d. 5 april 1994, welke uitvoerbaar verklaard is bij voorraad, in hoger beroep zou zijn gekomen, welk hoger beroep nog niet in behandeling zou zijn genomen, rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof niet dat de uitvoering van die beslissing tegengehouden wordt;

Overwegende, dat de beschikking, waarvan beroep,

danook zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter d.d. 19 juni 1996, waarvan beroep ;

Veroordeelt de appellant in de kosten van het geding, in hoger beroep aan de zijde van de geïntimeerden gevallen en begroot op f………

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerden op nihil;

Aldus gegeven door de heren Mr.S.GANGARAM-PANDAY, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 17 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.MANGROE­LALL namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geïntimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.D.OOFT namens hun gemachtigde, advokaat Mr.J.J.EMANUELSON, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

SRU-HvJ-1998-9

M.H.

GENERALE ROL: 13997.

[appellant],wonende aan [adres] in het [dis­trict], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat,

appellant,

t e g e n

[geïntimeerde] wonende te [district] aan [adres] voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.G­.A.VOS, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de in afschrift overgelegde beschikking van 7 juli 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gegeven;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, het navolgende blijkt:

[geïntimeerde] heeft zich bij verzoek­schrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewend, waarbij zij op te dezer plaatse als ingevoegd te beschouwen gronden heeft verzocht:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gerekes­treerde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar ter voorziening in haar levensonder­houd een bedrag van Nlg 800,– (achthonderd nederlandse gulden) althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant per maand te voldoen, Kosten rech­tens;

[appellant]voerde hierna bij verweerschrift tegenspraak en concludeerde daarbij, dat de vordering van eiseres zal worden afgewezen dan wel dat door de rechter in goede justitie een bedrag zal worden vastge­steld voor het levensonderhoud van eiseres, met inacht­neming van de inkomsten en uitgaven van verweerder en de financiële toestand van verzoekster zoals hiervoren aangegeven;

Overwegende, dat ten dage voor het verhoor in Raadkamer bepaald, zijn verschenen partijen in persoon tevens bijgestaan door hun respectieve gemachtigden die hebben verklaard gelijk in het daarvan opge­maakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerela­teerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een overzicht van hun uitgavenstaat ten processe hebben overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als inge­last moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij rolbeschikking een enquête zijdens verzoekster heeft bevolen, welke niet is gehouden, waarna de gemachtigde van verzoekster een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast moet worden be­schouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating over de overgelegde produktie zijdens verzoekster bepaald diens gemachtigde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat [appellant] bij verzoekschrift ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op 20 oktober 1997 in hoger beroep is gekomen van de beschik­king van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 7 juli 1997, waarbij hij op te dezer plaatse als inge­voegd te beschouwen gronden heeft verzocht dat de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 7 juli 1997 (A.R.No.96-2433), gegeven in prima tussen partij­en, zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoen­de het aan de vrouw maandelijks te betalen bedrag ter voorziening in de kosten van haar levenson­derhoud zal worden vastgesteld op Sf.80.­000,– per maand, Kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] op 14 november 1997 ter Griffie van het Hof van Justitie een verweerschrift heeft ingediend, waarbij zij heeft geconcludeerd dat de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 7 juli 1997, A.R.96/2433 zal worden bevestigd;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 29 december 1997, op 9 januari 1998 ter terechtzitting in raadkamer van het Hof van Justitie zijn verschenen, verzoeker in persoon, Mr.H.R.LIM A PO namens advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, gemachtigde van verzoeker en Mr.M.G.A­.V­OS, gemachtigde van gerekestreerde, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke con­clusie tot uitlating over aantekenen appel heeft genomen;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie tot uitlating zijdens verweerder bepaald, advo­kaat Mr.H.P.­BOLDE­WIJN namens advokaat Mr.M.G.A.VOS heeft ver­klaard zich te refereren aan het oordeel van het Hof;

Overwegende, dat partijen hierna beschikking hebben gevraagd, waarna de uitspraak aanvankelijk werd bepaald op 3 april 1998 doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdos­sier, appellant bij op 7 juli 1997 door de Plaatsver­vangend-Kanton­rechter in het Eerste Kanton gegeven en uitgesproken en bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikking veroordeeld is aan geintimeerde maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting uit te keren de som van f.137.025,– ter voorziening in de kosten van haar levensonderhoud, zulks met ingang van 1 juli 1997; dat partijen niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uit­spraak ter terechtzitting tegenwoordig waren; dat appellant bij schrijven de dato 16 juli 1997, aan de Griffier van het Kantongerecht in het Eerste Kanton gericht, door tussenkomst van zijn procesgemachtigde, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat, hoger beroep heeft aangete­kend tegen voormelde beschikking; dat de Kantonrechter de inhoud van voormelde beschikking bij aange­tekende dienstbrief, de dato 3 oktober 1997 door de Griffier aan appellant heeft doen mededelen; dat appellant bij verzoek­schrift gericht aan het Hof van Justitie en ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 24 oktober 1997, opnieuw in hoger beroep is gekomen van voormelde beschikking;

Overwegende, dat het Hof zich thans ambtshalve geroepen gevoelt om aan de hand van voormelde tussen partijen vast­staande feiten, na te gaan of appellant al dan niet tijdig van het rechtsmiddel van hoger beroep gebruik heeft gemaakt;

Overwegende, dat het Hof, daartoe overgaande, opmerkt, dat, naar luid van artikel 713a van het Wet­boek van Burgerlij­ke Rechtsvordering de Kantonrechter aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, de inhoud daarvan doet mededelen op de wijze, als bij artikel 119, derde lid bepaald;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorge­schreven heeft, dat de Griffier aan een partij, die bij de uitspraak van een beschikking niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van die beschik­king bij aangetekende dienstbrief moet mededelen;

Overwegende, dat de bedoeling van deze wetsbepa­ling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uit­spraak afwezige partijen van de inhoud van de beschik­king op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, evenwel, dat nu appellant, naar ondubbelzin­nig valt af te leiden uit het schrijven de dato 16 juli 1997, gericht aan de Griffier van het Kantongerecht in het Eerste Kanton, toen al van de inhoud van de beschikking van de Plaat­svervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 7 juli 1997 op de hoogte was en alstoen gelijk van het hem toeko­mend rechtsmiddel gebruikmakend, hoger beroep heeft aangetekend, is appellant in zijn op 24 oktober 1997 ten tweede male aangetekend hoger beroep bij verzoek­schrift niet ontvankelijk;

Overwegende immers, dat de wet in casu een be­roepster­mijn van dertig dagen, in het onderhavige geval gerekend vanaf 16 juli 1997 toestaat, zijnde de dag waarop appellant al op de hoogte was van de inhoud van de beschikking van 7 juli 1997, terwijl hij – appellant – pas op 24 oktober 1997, bij het Hof van Justitie hoger beroep heeft aangetekend, dus 100 dagen na 16 juli 1997;

Overwegende, dat een en ander niet afdoet aan het feit dat appellant op 16 juli 1997 op niet wettelijk voorgeschre­ven wijze hoger beroep tegen de beschikking de dato 7 juli 1997 heeft aangetekend maar op 24 okto­ber daaraanvolgend wel, omdat het in casu niet daarom gaat, doch om de vraag of appel­lant tijdig tegen die beschikking hoger beroep heeft aangete­kend, welke vraag het Hof ontkennend beantwoordt op grond van voor­melde overwegingen;

Overwegende, dat het Hof appellant derhalve niet ontvankelijk zal verklaren in het op 24 oktober 1997 inge­steld hoger beroep, bespreking van de overige stellin­gen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht om de kosten van dit geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gevallen, nu partijen echtelieden zijn, geheel te compenseren;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen de beschikking van de Plaatsvervan­gend-Kantonrechter in het Eerste Kanton op 7 juli 1997 gege­ven;

Compenseert de in beide instanties gevallen pro­ceskosten in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

Aldus gegeven door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.P.G.WOLFF, Lid en Mr.L.J.BUDHU LALL, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-Presi­dent uitge­sproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 april 1998, in tegenwoordigheid van Mr. A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.R.LIM A PO namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.BRANDON namens haar gemachtigde, advo­kaat Mr.M.G.A.VOS, zijn bij de uitspraak ter terecht­zitting verschenen.

SRU-HvJ-1997-8

GENERALE ROL NO.13807.

[appellant], wonende te [district 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt Mr.E.­C.M.HOO­PLOT, advo­kaat,

appellant in conven­tie

t e g e n

GOLDEN STAR RESOURCES Ltd., rechtspersoon, geves­tigd en kantoorhoudende aan de Heerenstraat no.10, te Paramaribo, voor wie als ge­machtig­de op­treedt,

Mr.F.KRUISLAND, advokaat,

geïntimeerde in con­ven­tie,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton 16 januari 1996 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 30 januari 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [naam] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stel­len tegen GOLDEN STAR RESOURCES Ltd., rechtsper­soon, geves­tigd en kantoorhoudende aan de Heerenstraat no.10;

2. dat eiser op 10 januari 1994 in dienst is getreden van gedaagde als magazijnmeester te Gross Rosebel in [district 1] met een salaris van f.2.033,– per maand;

3. dat eiser zijn salaris prompt uitbetaald heeft gekregen over de maanden januari, februari en maart;

4. dat gedaagde op 24 maart 1994 aan eiser ontslag heeft aangezegd zonder in het bezit te zijn van een daartoe vereiste vergunning en zonder dat sprake is geweest van dringende aan eiser onverwijld medegedeelde redenen, weshalve dit ontslag nietig is;

5. dat eiser zich over dit ontslag heeft beklaagd bij de dienst Arbeidsinspectie, alwaar eiser enige maanden aan het lijntje is gehouden om uiteindelijk te vernemen dat hij zich tot de Rechter moet wenden;

6. dat eiser geen salaris heeft ontvangen over de maanden april t/m juli 1994 en mitsdien met zijn gezin in een precaire behoeftige situatie is komen te verke­ren;

7. dat gedaagde per heden aan eiser aan salaris verschuldigd is 4 x f.2.033,– of wel f.8.132,–, van welk bedrag van gedaagde geen betaling is te bekomen ondanks aanmaningen in der minne. Aan eiser is evenmin vakantiegeld uitbetaald;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht zal worden verklaard dat het aan eiser door gedaagde verleend ontslag nietig is, althans dit ontslag zal worden vernietigd;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om tegen kwijting aan eiser te betalen bedrag van f.8.132,– vermeerderd met de rente hierover ad 6% s’jaars vanaf de dag van indiening van dit verzoekschrift tot aan de algehele voldoening en voorts het bedrag van f.2.033,– per maand van (lees:’vanaf de maand april tot en met de maand augustus 1994) totdat de dienstbetrekking op regelmatige wijze zal zijn beëin­digd;

c. gedaagde zal worden veroordeeld om eiser in het genot te stellen van alle bij de dienstbetrekking behorende emolumenten en voordelen w.o. vakantiegeld, loonsverhoging, vrije geneeskundige behandeling, vakan­tieverlof etc., zulks onder verbeurte van een dwangsom van f.10.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde in strijd met dit vonnis handelt, Kosten rechtens;
Overwegende, dat GOLDEN STAR RESOURCES Ltd als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen eiser bij inleidend rekest naar voren heeft gebracht en hieronder niet woordelijk en uitdrukkelijk door haar wordt er­kend, onder aanbod van bewijs harer stellingen en/of weren, indien en voor zover de bewijslast op haar zou mogen komen te rusten;

2. Het gestelde onder het 2e ”dat” bij inleidend rekest is een pertinente onwaarheid. Blijkens de hier­ bij fotokopie overgelegde arbeidsovereenkomst de dato 24 januari 1994 met het verzoek de inhoud daarvan hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschou­wen, is eiser gelet op het bepaalde onder A van die overeenkomst alsook gelet op de dagtekening van de overeenkomst, op 24 januari 1994 in dienst getreden van gedaagde en dus niet op 10 januari 1994 zoals eiser stelt. Verder bedroeg het salaris van eiser geen Sf.2.­033,–per maand, maar Sf.2.330,– per maand;

3. Op 22 maart 1994 werd eiser binnen zijn proeftijd van twee maanden door gedaagde ontslagen, omdat eiser niet voldeed binnen het bedrijf. Eiser werd dus niet ontslagen op 24 maart 1994 zoals eiser dat vermeldt in zijn rekest;

4. Eiser is aldus op 24 januari 1994 conform het bepaalde onder A 1 a van de arbeidsovereenkomst van 24 januari 1994 voor een proeftijd van twee maanden in dienst getreden bij gedaagde. Op 22 maart 1994 werd eiser ontslagen door gedaagde, omdat tijdens de proef­tijd is gebleken dat eiser niet voldeed aan de gestelde verwachtingen. Eiser werd dus binnen de proefperiode van twee maanden ontslagen en alsdan is niet alleen de arbeidsovereenkomst van 24 januari 1994 van toepassing, maar ook artikel 1615 1 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek. Gedaagde overlegt de ontslagbrief van 22 maart 1994, alsook een viertal andere relevante stukken in fotokopie met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschou­wen;

5. In het onderhavige geval is er dus geen ontslag­vergunning vereist, omdat het ontslag is geschied binnen de proefperiode van twee maanden. Vandaar dan ook dat de dienst arbeidsinspectie niet heeft bemoeid in de onderhavige kwestie;

6. Eiser heeft dan ook niets te vorderen van gedaag­de, omdat het ontslag op een rechtmatige wijze is geschied. Eiser is thans frauduleus bezig, door de Kantonrechter opzettelijk verkeerde data door te geven om zodoende te doen voorkomen alsof hij zijn proefperi­ode van twee maanden reeds was gepasseerd;

en voor eis in reconventie heeft gesteld:

1. Eiseres in reconventie (DE GOLDEN STAR RESOURCES LIMITED) wenst de navolgende rechtsvordering in recon­ventie in te stellen tegen de heer [naam] (eiser in conventie/gedaagde in reconventie) en eiseres in reconventie verzoekt de Kan­tonrechter om alhetgeen zij als gedaagde in conventie reeds naar voren heeft gebracht, hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

2. Gedaagde in reconventie is op 24 januari 1994 in dienst getreden van eiseres en op 22 maart 1994 binnen zijn proeftijd van twee maanden ontslagen;

3. Ten onrechte heeft de Kort Geding Rechter bij zijn vonnis van 3 november 1994 A.R.No.943050, welke hierbij in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek om inse­ratie, eiseres in reconventie veroordeeld tot het betalen aan gedaagde van: a. de som van Sf.9.500,– (zijnde gedeeltelijke salaris over de periode april 1994 tot en met oktober 1994) en b. het bedrag van Sf.1.500,– per maand, (zijnde gedeeltelijke salaris vanaf ultimo november 1994 totdat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de bij Wet voorge­schreven wijze zal zijn beëindigd;

4. Nu uit de in conventie overgelegde stukken onom­stotelijk is komen vast te staan, dat gedaagde in reconventie binnen zijn proeftijd van twee maanden is ontslagen, is het eveneens zonneklaar, dat gedaagde in reconventie ten onrechte de som van Sf.9.500,– heeft ontvangen, evenals de maandelijkse uitbetalingen ad Sf.1.500,– vanaf november 1994 tot op heden;

5. Gedaagde is dan ook verplicht en gehouden om de ten onrechte aan hem uitbetaalde bedragen terug te betalen aan eiseres. Hetgeen neerkomt op Sf.9.500,– plus Sf.1.500,– per maand vanaf november 1994 tot op de dag van de uitspraak in reconventie, althans in ieder geval een bedrag vast te stellen bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conven­tie:

dat eiser niet ontvankelijk moet worden verklaard, althans moet de toewijzing van zijn vordering hem worden onthouden als zijnde onge­grond en/of onbe­wezen;

en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres te voldoen c.q. terug te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de wel en deugdelijk verschuldigde som van Sf.9.500,– alsmede de maandelijkse betalingen ad Sf.1.500,– vanaf november 1994 tot aan de dag van de uitspraak in reconventie, althans in ieder geval een bedrag nader vast te stellen bij staat en te vereffenen volgende de Wet, alsook de wettelijke rente over het een ander ad zes ten honderd in het jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

b. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de eisende partij in conven­tie een als ingelast te beschouwen conclusie van re­pliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in recon­ventie voor ant­woord heeft gezegd:

1. Gedaagde neemt hierover al hetgeen door hem in conventie is aangevoerd en ontkent en betwist al het­geen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend;

2. Gedaagde ontkent hetgeen gesteld is in het 2e dat van Eis, aangezien hij reeds op 10 januari 1994 in dienst is getreden van gedaagde.

De kort Gedingrechter heeft dan ook terecht eiseres veroordeeld tot betaling van een voorschot op het salaris;

3. Eiseres heeft haar vordering gebaseerd op onver­schuldigde betaling hetgeen onjuist is. Immers kan hetgeen krachtens een rechterlijk vonnis is betaald niet geacht worden zonder enige rechtsgrond te zijn geschied. Het tegendeel is juist !;

4. Zonder enige onverplichte bewijslast op zich te nemen biedt gedaagde zijn posita te bewijzen aan;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gron­den voor antwoord in reconventie heeft geconclu­deerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans dat deze aan haar zal worden ont­zegd, Kosten rechtens;

en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 16 januari 1996 heeft overwogen:

1. [naam] heeft in het 5e sustenu van de conclusie van repliek in conventie, dat als hier ingelast wordt beschouwd, akte van rectificatie van het inleidend rekest verzocht. Dit verzoek zal worden ingewilligd, nu Golden Star zich daartegen niet heeft verzet.

2. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde produkties, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende rechtens vast:

  1. Kanton is in dienst van Golden Star getreden als magazijnmeester te Grosse Rosebel in [district 2] tegen een (basis) salaris van f.2.330 per maand.
  2. Op 22 maart 1994 heeft Golden Star [naam] met onmiddellijke ingang ontslagen.
  3. Het ontslag is aan [naam] verleend zonder dat Golden Star in het bezit was van een ontslagvergunning en zonder dat er sprake was een dringende aan [naam] onverwijlde medegedeelde redenen.
  4. In Kort Geding is Golden Star bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 3 november 1994 veroordeeld om aan [naam] te betalen de som van f.9.500,– zijnde gedeeltelijk salaris over april 1994 tot en met oktober daaraan volgend en het bedrag van f.1.500,– per maand, zijnde gedeeltelijke salaris vanaf ultimo november 1994 totdat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de bij de Wet voorge­schreven wijze zal zijn beëindigd.

3.1. [naam] is van oordeel dat het ontslag nietig is omdat het is verleend zonder dat Golden Star in het bezit was van een ontslagvergunning. Golden Star voert hiertegen aan dat geen ontslagvergunning vereist was, omdat het ontslag is verleend gedurende [naam] proef­tijd.

3.2.1. Golden Star beroept zich ter staving van haar verweer op het door haar overgelegde arbeidscontract. Dit contract bepaalt, voor zoveel hier van belang, dat de geldigheidsduur daarvan is 1 (een) jaar, gerekend vanaf de dag van ondertekening; verder, dat de dienst­betrekking zal aanvangen met een proeftijd van twee maanden.

2. Aan de voet van het contract is vermeld dat het is getekend te Grosse Rosebel ”op 24.1.’94”.

3.3. [naam] geeft in het 2e sustenu van zijn conclusie van repliek in conventie een exposé van hetgeen zich heeft afgespeeld rond zijn diensttreding bij Golden Star en het ondertekenen van het arbeidscontract. Dit exposé komt erop neer dat [naam] op 10 januari 1994 te [district 1] in dienst is genomen en op diezelfde dag met de kampbaas naar Grosse Rosebel is gedetacheerd. De overeenkomst zou hem worden nagezonden. Op Grosse Rose­bel aangekomen heeft [naam] de sleutels van de kampbaas uitgereikt gekregen en was van toen af belast met het beheer van het magazijn. Na twee weken kreeg [naam] van de kampbaas een concept-overeenkomst, waarin hij zijn naam moest invullen en hetwelk hij moest ondertekenen, hetgeen geschiedde.

3.4. Uit [naam] exposé volgt dat het arbeidscontract te grosse Rosebel door hem is ondertekend. Dit feit wordt bevestigd (zie hierboven onder 3.2.2.) door het door Golden Star zelf overgelegde arbeidscontract. Golden Star, die stelt al hetgeen [naam] in zijn tweede sustenu van de conclusie van repliek te ontkennen en te betwisten, ontkent dus tegen beter worden dat het contract te Grosse Rosebel door [naam] is ondertekend.

Dit feit levert het vermoeden op dat het gehele verweer van Golden Star tegen beter weten wordt gevoerd en het door [naam] gegeven exposé op waarheid berust.

3.5. Op grond van het voorgaande staat rechtens vast dat [naam] op 10 januari 1994 in dienst van Golden Star is getreden op de in het overgelegde arbeidscontract genoemde voorwaarden, met dien verstande dat in het contract, in overeenstemming met de bedoeling van partijen moet worden gelezen dat de geldigheidsduur van dat contract is 1 (een) jaar, gerekend van 10 janua­ri 1994.

3.6.1. De bedongen proeftijd van twee maanden was op 24 maart 1994, de dag van het ontslag, reeds verstre­ken. Nu Golden Star niet in het bezit was van een ontslagvergunning, is het aan [naam] verleende ontslag nietig. Het sub a gevorderde declaratoir kan dan ook worden uitgesproken.

2. [naam] heeft niet gesteld dat hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten. Hij heeft derhalve onvoldoende feiten gesteld om toewijzing van zijn loonvordering te rechtvaardigen. Deze kan derhalve niet worden toegewezen.

3. De vordering om Golden Star te veroordelen [naam] in het genot te stellen van alle bij de dienst­betrekking behorende emolumenten dient als nevenvorde­ring het lot van de hoofdvordering, in casu de loonvor­dering, te delen en zal ook worden afgewezen.

3.7. Aangezien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten als volgt worden gecompenseerd.

3.8. Het vonnis leent zich, voor zover houdende de verklaring voor recht, niet voor tenuitvoerlegging. De vordering tot uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij voorraad zal daarom worden afgewezen.

Overwegende, dat de kantonrechter op deze gronden:

Voor recht heeft verklaard dat het door gedaagde op 24 maart 1994 an eiser verleende ontslag nietig is.

De proceskosten tussen partijen heeft gecompen­seerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Hetgeen meer of anders is gevorderde heeft afgewe­zen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-ver­baal [naam], eiser in hoger beroep is gekomen van voormeld eind­vonnis van 16 januari 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM d.d. 10 juni 1996 aan geïntimeerde aan­zeg­ging van het inge­stelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 4 oktober 1996 advokaat Mr.Truideman zich als gemachtigde van geintimeerde aan de zaak heeft onttrokken, terwijl terzelfde terechtzitting advokaat Mr.F.KRUISLAND zich als gemachtigde heeft gesteld;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 april 1997, doch na enige malen te zijn aangehou­den op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kan­tonrech­ter in het Eerste kanton d.d. 16 januari 1995;

Overwegende, dat het hoger beroep evenwel slechts betrekking heeft op de door die Rechter in conventie gegeven beslissing en heeft die Rechter dus verzuimd om over de reconventionele vordering te beslissen, welke beslissing ook niet in het vooruitzicht gesteld is en waarover de geintimeerde zich ook niet geklaagd heeft als zijnde de belanghebbende partij, blijkbaar ervan uitgaande dat die beslissing alsnog zal volgen;

Overwegende, dat naar s’ Hofs oordeel de redene­ring van de kantonrechter in rechtsoverweging 3.4 niet klopt omdat hij op grond van het vermoeden dat het gehele verweer van de geintimeerde tegen beter weten in gevoerd wordt aangenomen heeft dat de appellant op 10 januari 1994 in dienst van de geintimeerde getreden is, terwijl uit de schriftelijke overeenkomst tussen par­tijen blijkt dat dat op 24 januari 1994 geschied zou zijn;

Overwegende, dat nu de geintimeerde evenwel blij­kens haar pleitnoties in hoger beroep, tegen die vast­stelling van de eerste Rechter geen bezwaren aangevoerd heeft, zal het Hof van die vaststelling uitgaan;

Overwegende, dat voorts de constatering van de kantonrechter juist is dat de appellant geen uitdrukke­lijk of stilzwijgende aanbod aan de wederpartij gedaan heeft bereid te zijn de bedongen arbeid te verrichten, blijkende daarvan namelijk niet uit de gedingstukken in eerste aanleg;

Overwegende, dat die Rechter dan ook terecht de nevenvorderingen van de appellant afgewezen heeft, en dat het bovenoverwogene met zich meebrengt dat het aangevochten vonnis zal worden bevestigd, met veroorde­ling van de appellant als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten.

RECHT­DOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 16 januari 1995, waarvan beroep:

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger geroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f……..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f……………..

Aldus gewezen door de heren Mr.S.G­ANGARAM PANDAY, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF ,Leden en door de fungerend-Presi­dent uitge­sproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JUNI 1997, in tegenwoor­dig­heid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.S.MANGROELLAL namens haar gemach­tigde, advo­kaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde verte­gen­woor­digd door advokaat Mr.H.LIM A PO namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.F.KRUISLAND, zijn bij de uit­spraak ter terecht­zitting ver­sche­nen.

SRU-HvJ-1998-8

H.M.

GENERALE ROL NO: 13575.

[appellant], wonende aan [adres], [district], voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.B.A.­HALFHI­DE, advokaat,

appellant,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende te [woonplaats] in het [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoire vonnissen respectie­velijk van 3 mei 1996 en 7 februari 1997 tussen partij­en gewezen en uitge­sproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen compari­tie van partijen niet is gehouden, doch dat ter te­rechtzitting van 20 maart 1997 tot deskundige werd benoemd de heer Ir.R.H.Goossen; hebbende hij een des­kundigenrapport overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geinsereerd aan te merken – schrifte­lijke conclusies tot uitlating over het deskundigenrap­port hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof bij rolbeschikking weder­om een comparitie van partijen heeft gelast, welke werd gehouden en voortgezet en waarbij zijn verschenen, Ir.R.H.Goossen en partijen in persoon bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.B.A.Halfhide en Mr.E.C.M.Hooplot, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hadden genomen, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 maart 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het daarvan opgemaakt proces-verbaal partijen hiermede accoord zijn gegaan, dat:

– alle tussen hen gesloten overeenkomsten van koop en verkoop betreffende de percelen, bekend onder num­mers 30, 31, 32, 33 en 34, allen gelegen in het [dis­trict] Commewijne en aan hen – partijen – genoegzaam bekend, en alle tussen hen lopende processen aangaande die overeenkomsten, worden beëindigd;

– [appellant] op zich neemt en zich mitsdien jegens [geïntimeerde] verbindt aan [geïntimeerde] te vergoeden het bedrag, gelijk aan de totale uitgaven berekend naar de huidige waarde van de uitgaven in het kader van de overeenkomsten tussen partijen;

– meergemelde uitgaven gewaardeerd worden door een deskundige, in overleg met partijen te benoemen;

– deze waardering overgelaten wordt aan de deskundi­ge, Ir.R.H.Goossen;

Overwegende, dat Ir.R.H.Goossen, na ter terecht­zitting van 20 maart 1997 te zijn benoemd en beëdigd, zijn bericht in juli 1997 heeft uitgebracht, op welk bericht hij ter terechtzit­ting van 23 januari 1998 terug gekomen is en verklaarde in verband hiermede:”In het rapport is aangegeven dat er een visloods zou worden gebouwd.

Op dit laatste kom ik dan terug en verklaar het volgen­de:” ter plaatse destijds aangekomen heb ik aangetrof­fen:

1. een woning van 12 x 18 m en is uitgebreid 6 x 9 m;

2. een houten loods voor de visvangst ten behoeve van het personeel. Deze loods is helemaal omheind met gaas”;

Overwegende, dat [appellant] zich bij conclusie de dato 9 januari 1998 over het door genoemde deskundi­ge uitge­bracht rapport uitlatend, voor zover ten deze van belang, heeft aange­voerd, dat met koersverschillen geen rekening gehouden mocht worden en dat indien gevolg zou worden gegeven aan het voorstel vervat in het rapport, [appellant]aan [geïntimeerde] ±Nf.1.000.0­00,– (Nederlands Courant) zou moeten beta­len, hetgeen [geïntimeerde]nimmer heeft uitgegeven en aangeboden heeft aan [geïntimeerde]te betalen het bedrag van Sf.3.298.870,65,–, hetwelk [geïntimeerde] heeft afgewezen;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat [appellant]zich niet te goeder trouw op vermag te beroepen, op het door haar gestelde als hiervoren aangehaald nu, naar uit het proces-verbaal van 4 maart 1997 blijkt, [appellant]zich jegens [geïntimeerde] verbonden had aan [geïntimeerde]te vergoeden het bedrag, gelijk aan de totale uitgaven berekend naar de huidige waarde van de uitgaven in het kader van de overeenkom­sten tussen partijen, wat met zich brengt dat met koersverschillen wel degelijk rekening moest worden gehouden;

Overwegende, dat [appellant], door zonder voorbe­houd van enig recht met [geïntimeerde] overeen te komen als in het proces-verbaal, eerder vermeld, gerelateerd, in ieder geval geacht moet worden niet langer belang te hebben bij het tegen het vonnis de dato 10 november 1992 ingesteld hoger beroep en daarin alsnog niet ontvankelijk verklaard dient te worden;

Overwegende, dat [appellant] de kosten van dit geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, zal moeten dragen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart [appellant],alsnog niet ontvankelijk in zijn tegen het vonnis de dato 10 november 1992 ingesteld hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger geroep geval­len, tot dusverre begroot op f……

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…….

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op f………

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.­WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgespro­ken ter open­bare te­rechtzitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 3 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, funge­rend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemach­tigde, advo­kaat Mr.B.A.HALFHIDE en geintimeerde verte­gen­woor­digd door advo­kaat Mr.H.BOLDEWIJN namens zijn gemach­tigde, advo­kaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting ver­sche­nen.

SRU-HvJ-1998-7

M.R.S.

GENERALE ROL NO. 13644.

[appellant], wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

appellant in conventie,

t e g e n

SURINAAMSE BETONMORTEL MIJ, (N.V.SUBEMA), rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Saramac­cas­traat no. 49-69, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.H.MUN­GRA, advokaat,

geintimeerde in conven­tie,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 21 november 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voor­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen enquete niet is gehouden, waarna deze ambtshalve is gesloten;

Overwegende dat ten dage voor conclusie na niet gehou­den enqeute zijdens appellant bepaald, advokaat Mr.S.Mangroe­lal namens advokaat Mr.E.C.M.Hooplot verklaard heeft te persisteren en vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

in conventie:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 21 november 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat nu appellant ofschoon hij daartoe ruim­schoots in de gelegenheid is gesteld, noch door getuigen noch op andere wijze het bewijs van het probandum heeft kunnen bijbrengen gaat het Hof aan de stellingen van appel­lant, dat er geen wachturen waren en dat, zo er wachturen waren, hij daaraan geen schuld heeft, als onbewezen voorbij;

Overwegende, dat de vordering van appellant terzake van onverschuldigde betaling van wachturen ten bedrage van Sf.397­,50 mitsdien niet voor toewijzing in aanmerking komt;

Overwegende, dat appellant terzake van onverschuldigd betaald overwerk slechts toekomt het bedrag van Sf.1102,50 tot de voldoening waarvan het Hof geïntimeerde zal veroorde­len;

Overwegende, dat op grond van het hiervorenoverwogene het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd in voege als hierna te vermel­den;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

In conventie:

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 augustus 1993 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant te betalen de som van Sf.1102,50 met de interessen daarover ad 6% ’s jaars vanaf de dag der indiening van het verzoekschrift tot aan die der voldoening;

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten aan de zijde van appellant op de procedure in hoger beroep gevallen en tot dusver begroot op Sf……….

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf….

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïnti­meerde eveneens op Sf……….

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.A.I.RAMNEWASH, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzit­ting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 19 JUNI 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT, terwijl geintimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uispraak ter terecht­zitting is verschenen.

 

SRU-HvJ-2001-2

H.M.

GENERALE ROL NO.14026.

[appellant], gevolmachtigde van het Bestuur over de plantage [naam 1] ([dis­trikt]), wonende in [land] aan [adres] te [plaats], voor wie als gemach­tig­de op­treedt, Mr.A.JOHN, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, (met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen), in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt,

Mr.E.NAARENDORP, advokaat,

geintimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rech­ter in het Eerste Kanton van 27 juli 1993 en 28 februari 1995 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 30 maart 1995 waaruit blijkt van het in­stellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisen­de partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kan­ton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te

stellen tegen de STAAT SURINAME, (met name het Minis­terie van Natuurlijke Hulpbronnen), in rechte verte­genwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende aan de Graven­straat no.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. dat, blijkens hiernevens overgelegde fc. kaart van de plantage [naam 1], door landmeter Esser te Paramaribo d.d. 19 april 1827, de plantage bestaat uit 4 percelen no.’s 317, 319, 321 en 325, benevens het achterland groot 1000 akkers en wel in eigendom, erfelijk allodiaal bezit, verkregen door de opwonenden, thans vertegenwoordigd door een Bestuur als zaakgelastigde;

3. dat door de Staat Suriname meerdere onrechtmatige daden tegen de eigenaren zijn gepleegd, althans een onrechtmatige daad te weten schending van de rechten op de grond, resulterende in schade, door onbehoor­lijk bestuur, waarbij de zorgvuldigheid in het maat­schappe­lijk ver­keer t.a.v. een anders persoon of goed niet in acht genomen is;

4. dat de Staat Suriname, zonder voorkennis van de eigenaren van meergenoemde plantage en ondanks her­haalde protesten, op het achterland aan de houthande­laar [naam 2] tot twee maal toe en wel op 30 september 1954 en 31 december 1964, steeds voor de tijd van 10 jaren een houtkoncessie heeft verleend – welke koncessies ten onrechte werden verleend;

5. dat in opgemelde perioden alle bruikbaar hout werd weggehaald waardoor de eigenaren, die zelve van de houtkap moesten leven, aanmerkelijke schade hebben geleden, voorlopig begroot op 100,– gld en naderhand vast te stellen bij staat – aangezien het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bij herhaling weigert aan de eigenaren zowel eiser de nodige gegevens te ver­strekken inzake het afgevoerde hout, onder de mede­deling ”dat zulks van hoger hand (lees de Minister), verboden is”;

6. dat de Staat Suriname hierna is overgegaan tot verkaveling van het achterland, waardoor de totale fauna en flora vernietigd is, zonder dat enig aanwijs­baar staatsbelang kon worden aangetoond – vis en wild waarop de opwonenden aangewezen zijn, moeten zij nu ont­beren e.e.a. ook ten onrechte;

7. dat de toegangsweg van de plantage naar de markt te Paramaribo geblokkeerd werd over de kortste afstand en de Staat willekeurig over de grond heeft beschikt, zonder een poging tot minnelijke schikking en zonder de voorgeschreven onteigeningsprocedure in het alge­meen belang te hebben gevolgd – hetgeen ook een on­rechtmatige daad oplevert;

8. dat inzake het onder punt 6 en 7 gereleveerde, bij herhaling werd geprotesteerd en de eigenaren

stee­ds te horen kregen van de ambtenaren die met de behandeling waren belast, dat de nodige opmetingen noch (lees:nog) moesten worden verricht en alzo de zaak zou wor­den opgelost – doch tot heden is er niets gebeurd en zijn de eigenaren 1/3 deel van hun plantage kwijt;

9. dat de schade door grondverlies, evenzo voorlopig begroot op 100,– gld, naderhand vast te stellen bij staat enorm is – e.e.a. daar het Ministerie van Na­tuurlijke Hulpbronnen ook weigert het verkavelingsplan te overleggen en de gronden waarop dit berust toe te lichten, de eigenaren de toegang tot hun achterland hebben ontzegd en voorts niet bereid is tot enige medewerking tot oplossing van de gerezen geschillen;

10. dat aangezien de Staat niet bereid is tot enige medewerking of enige schikking, verzoeker zich thans genoodzaakt ziet zich tot de rechter te wenden – me­nende dat de geleden schade begroot en vergoed dient te worden;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gron­den heeft gevorderd dat:

a. -bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut, gedaagde zal worden veroordeeld tegen behoor­lijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen de te­genwaarde van de geleden en nog te lijden schade, voorlo­pig begroot op 200,– gld. en nader vast te stellen bij de schadestaatprocedure;

b. -de Staat (Ministerie van Natuurlijke Hulpbron­nen) zal worden bevolen de akten betrekkelijk het afgevoerde hout te overleggen onder vermelding van soort, hoeveelheid en marktwaarde;

c. -de Staat (Ministerie van Natuurlijke Hulpbron­nen) zal worden bevolen inlichtingen te verschaffen over de toestand van het achterland en het verlies geleden inzake resterend, hout, vis, gevogelte e.a. bosprodukten ten bedrage van de marktwaarde;

d. -de schadestaat procedure zal worden bevolen ter vaststelling van het definitieve bedrag der totale schade op te maken bij staat;

e. -t.a.v. de nog te lijden schade een afkoopsom vast te stellen;

Voorts gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten dezer procedure;

Overwegende, dat De Staat Suriname als ge­daag­de partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – onder overlegging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vorde­ring heeft bestreden en daar­bij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk verklaard zal worden, althans dat deze als zijnde niet bewezen aan hem zal worden ontzegd, Kosten rechtens – wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende, de gemach­tigde van eiser tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrech­ter hierna bij vonnis van 27 juli 1993 op de daarin opge­nomen gron­den: alvorens verder te beslissen, een compa­ritie van par­tijen heeft gelast en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor het ver­strekken van inlichtingen, de gemachtigden van partij­en vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 28 februari 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering;

Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van ge­daagde gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 28 februari 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder D.TOEKIMIN van 26 januari 1998 aan geintimeerde aan­zeg­ging van het inge­stel­de hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aan­ge­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld, zodat appel­lant daarin kan worden ontvangen.

2. Bij inleidend verzoekschrift heeft zich als eiser (thans appellant) aangediend [appellant], ”gevolmachtigde van het Bestuur over de plantage

[naam 1] ([distrikt])”.

3. Eiser’s vordering strekt, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, ertoe om de Staat Suriname (gedaagde – thans geintimeerde) te veroorde­len tot vergoeding van schade op te maken bij staat en om genoemde gedaagde te bevelen nader in het verzoek­schrift genoemde akten en inlichtingen over te leggen respectievelijk te verstrekken. De vordering berust, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, hierop dat geintimeerde zich tegenover de eigenaren van de plantage onrechtmatig heeft gedragen (a) door zonder hun voorkennis aan een derde houtconcessies te verlenen waarbij alle bruikbare hout is weggehaald. (b) door het achterland te verkavelen waardoor de totale fauna en flora is vernietigd en (c) door de toegangsweg van de plantage naar de markt te Paramari­bo te blokkeren en alzo willekeurig over de grond te beschikken.

4. De Kantonrechter heeft eiser niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering uit overweging dat zijn, eiser’s positie als slechts gemachtigde van het be­stuur over de plantage [naam 1] hem vreemd voorkwam en door eiser niet nader was aangegeven.

5. Uit de stellingen van appellant is op te maken dat de erfgenamen van de rechthebbenden op hogergenoemde plantage uit hun midden enkele personen als ”bestuur” hebben aangewezen teneinde hun belangen ”centraal” te doen behartigen; voorts, dat het ”bestuur” de hierbo­ven onder 2 genoemde [appellant] heeft gemachtigd om namens hem in dit rechtsgeding op te treden. Niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van een rechtspersoon­lijkheid bezittende dan wel een niet-rechtspersoon­lijkheid bezittende vereniging van erfgenamen.

6. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [appellant] in de door hem opgegeven hoedanigheid als procespartij kan optreden.

7. Uit het bepaalde in de artikelen 110 en 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijkt dat een vordering door een gemachtigde aanhangig kan worden gemaakt. Die gemachtigde kan echter niet, zoals hier het geval is, in rechte optreden voor een groep niet met name genoemde personen (in casu ”het bestuur”). Bovendien zal de gemachtigde moeten optreden namens de rechthebbende(n) op de vermeende vordering. In casu zijn dat volgens appellant’s stellingen de hierboven onder 5 genoemde erfgenamen en niet ”het bestuur”. Appellant is derhalve niet ontvan­kelijk in zijn vordering. Het beroepen vonnis zal, onder verbetering van gronden, worden bevestigd en appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder verbetering van gronden het door de Kantonrechter tussen partijen gewezen en op 28 februari 1995 uitgesproken vonnis.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en be­groot op f.1.000,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.1.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Funge­rend-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter open­bare te­recht­zit­ting van het Hof van Justitie van

VRIJ­DAG, 16 februari 2001, in tegenwoordigheid van

Mr.M.E.­VAN GENDE­REN-RELY­VELD, Substituut-Grif­fier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.J.M.NIBTE namens de gemachtigde van gein­timeerde advokaat Mr.E.NAARENDORP, terwijl ap­pel­lant noch in persoon noch bij gemachtigde is versche­nen.