SRU-HvJ-2017-22

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende in [district],
eiser, hierna aangeduid als [eiser],
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. M. Winter,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift d.d. 8 juni 2012, ter griffie ontvangen op 8 juni 2012, met producties;
– het verweerschrift d.d. 20 juli 2012, ter griffie ontvangen op 23 juli 2012, met producties;
– de beschikking van het Hof van 22 oktober 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 2 november 2012;
– het proces-verbaal van de op 2 november 2012 gehouden mondelinge behandeling;
– de pleitnota d.d. 15 februari 2013, met een productie;
– de antwoord pleitnota d.d. 18 april 2013, overgelegd ter griffie op 19 april 2013;
– de repliek pleitnota d.d. 17 mei 2013;
– de dupliek pleitnota d.d. 31 juli 2013, overgelegd ter griffie op 2 augustus 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [eiser] is als Penitentiair Ambtenaar 2e klasse in vaste dienst bij de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie en werkzaam in de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan.

2.2 [eiser] was op 24 juli 2011 ingedeeld in de ochtenddienst van 07.00 uur tot 14.00 uur tezamen met onder andere penitentiair ambtenaar [naam 1].

2.3 Op 24 juli 2011 is kort na de dienstoverdracht (omstreeks 17.00 uur) de gedetineerde [naam 2] in beschonken toestand aangetroffen.

2.4 In de nachtdienst van 28 op 29 juli 2011 is op de kamer van de gedetineerde [naam 3] een petfles met bruingekleurde vloeistof, vermoedelijk whisky, aangetroffen.

2.5 In een aan [eiser] gericht schrijven van de Directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan van 2 augustus 2011, P.I.D.[nummer 1] is vermeld:
“Naar aanleiding van aanhoudende informatie dat u zich bezig houdt met het verlenen van hand en spandiensten voor gedetineerde en dat u in de morgendienst van zondag 24 juli dezer alchohol (bier) in de inrichting hebt binnengebracht, werd u in bijzijn van de onderdirecteur mr. RAMADHIN, A. geconfronteerd met de informatie als voornoemd.

U gaf toe op die bewuste zondag 24 juli dezer een blik bier te hebben gekocht bij de Chinees tegenover de Inrichting alhier, welke u samen met uw collega [naam 1] hebt gedronken in het cellenblok. Na confrontatie met de informatie van de penitentiaire ambtenaar [naam 1] bekende u dat u nog eens twee (2) blikken bier de inrichting hebt binnengebracht en deze te hebben gedronken samen met penitentiaire ambtenaar [naam 1] voornoemd, daar het warm weer was en u een bier lustte.

Voorts hebt u bekend slechts een (1) keer alcohol in een mini plastic softfles te hebben gebracht voor de gedetineerde [naam 3], waarvoor u vijftig Surinaamse dollars (SRD 50) hebt ontvangen. Zulks gebeurde een maand terug. Verder geeft u door dat u nu wel gestopt bent met dergelijke praktijken.

Vermits het vorenstaande plichtsverzuim voor u kan opleveren, wordt u middels deze aangezegd zich ter zake, binnen 1 x 24 uur na ontvangst van dit schrijven schriftelijk te verweren.”

2.6 In zijn schriftelijk verweer van 2 augustus 2011 heeft [eiser] onder meer verklaard:
“Ik heb mij nimmer bezig gehouden met het verlenen van hand- en spandiensten aan gedetineerden. Evenmin heb ik nimmer in de morgendienst van zondag 24 juli 2011 alcohol (bier) de inrichting binnen gebracht en gedronken.

De beschuldiging dat ik samen met collega [naam 1] enkele blikken bier zou hebben gedronken in het cellenblok zijn ongegrond.

Het voorgaande heb ik tijdens het gesprek waar u, de onderdirecteur, collega [naam 1] en mij persoon aanwezig waren steeds aangegeven dat ik mij nimmer aan de feiten genoemd in uw verweeraanzegging heb schuldig gemaakt. De beschuldiging dat ik een keer, voor de gedetineerde [naam 3], alcohol in een petfles zou hebben gebracht tegen betaling van SRD 50,= is eveneens onwaar. Volgens de regels van de Penitentiaire Inrichting mogen gedetineerden niet over geldmiddelen beschikken, waardoor zij ook geen betalingen kunnen verrichten.

Onder bedreiging met degradatie en schorsing en uw mededeling dat de zaak als afgehandeld zou worden beschouwd indien ik zou bekennen, heb ik aangegeven dat ik de feiten waar ik van wordt beschuldigd wel zou hebben gepleegd, hetgeen niet op de waarheid berust.”

2.7 [eiser] is in verband met een tegen hem ingesteld onderzoek met ingang van 2 augustus 2011 buiten functie gesteld. De buitenfunctiestelling is ingaande 26 augustus opgeheven.

2.8 In een door de penitentiaire onderdirecteur, mr. A. Ramadhin, aan de directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan gericht schrijven van 2 augustus 2011 staat onder meer het volgende:
“Op zondag 24 juli 2011 is de gedetineerde [naam 2] omstreeks 15.50 uur vervoerd naar de SEH van het Academisch Ziekenhuis voor medische bijstand, daar hij kort te voren vanwege een val in de badruimte een gapende wond had overgehouden aan zijn hoofd. De dienstdoende arts … constateerde dat bedoelde gedetineerde onder invloed van alcohol bevond…

Naar aanleiding van het incident verrichtte ik een onderzoek, waarbij het volgende moge worden vermeld:

Volgens informaties bleek dat in de ochtenduren van zondag 24 juli dezer de penitentiaire ambtenaren [naam 1] en [eiser] enkele malen buiten de inrichting zijn geweest en vermoedelijk met alcohol de inrichting weer terug zijn gekomen. De ploegcommandant [naam 4] bevestigde de informatie en verklaarde dat hij [eiser] die tot drie malen toe naar buiten was geweest nog had gewaarschuwd. Telkens kwam hij met een plastiek zak met inhoud naar binnen. Na de waarschuwing kwam penitentiair ambtenaar [naam 1] bij hem om te vragen of hij naar de winkel mocht gaan, waarmee hij toestemde. Ook hij kwam met een plastiek zak met inhoud naar binnen. Voorts verklaarde de ploegcommandant voornoemd dat hij begrepen heeft dat er een plastiek zak met lege bierblikken is aangetroffen in de wachtruimte in het cellencomplex. Het vermoeden bestaat dat de ambtenaren zowel de gedetineerden, althans de gedetineerde [naam 2] op die dag alcohol heeft gebruikt in de inrichting…

Naar aanleiding van die informatie (incident op zondag 24 juli 2011) werden beide ambtenaren afzonderlijk opgeroepen door de directie, op de werkkamer van de directeur op dinsdag 02 augustus dezer.

De Penitentiaire ambtenaar [naam 1] geconfronteerd met eerder vermelde informaties en feiten, verklaarde het volgende:

Dat hij op die bewuste zondag 24 juli dezer in de morgendienst bevond samen met zijn collega [eiser]. Het was warm die dag en [eiser] bracht een blik bier vanuit buiten de inrichting, waarvan zij samen dronken. Daarna is [eiser] weer naar buiten geweest om bier te halen/kopen. In totaal haalde hij in twee keer telkens twee blikken bier waarvan zij samen dronken. Vervolgens ging hij naar buiten en kocht bij de chinees twee blikken bier welke hij verder met [naam 3] in het cellenblok nuttigde…

De penitentiaire ambtenaar [eiser] werd eveneens afzonderlijk ontvangen in de werkkamer van de directeur. Nadat hij ook geconfronteerd werd met de informatie, gaf hij toe 3 (drie) blikken bier in de ochtend van 24 juli dezer te hebben gekocht bij de chinees tegenover de inrichting en te hebben genuttigd samen met zijn collega [naam 1]. Daarna is [naam 1] geweest om bier te kopen en heeft hij in een keer twee blikken gekocht, welke hij samen met hem heeft genuttigd.
Op de vraag wat hij te verklaren had op de vondst van een petfles met alcohol op 29 juli bij de gedetineerde [naam 3], verklaarde hij daarvan niets af te weten. Hij gaf wel toe ongeveer een maand terug een petfles met alcohol te hebben gebracht voor diezelfde gedetineerde tegen betaling. Hij zou naar eigen zeggen van een relatie van de gedetineerde voornoemd als tegenprestatie SRD 50,– hebben ontvangen.”

2.9 [eiser] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 12 april 2012,
J.[nummer 2] wegens plichtsverzuim de navolgende tuchtstraffen opgelegd:
a) ontslag ingevolge artikel 32 lid 1 sub j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub j van de Personeelswet, onder voorwaarde dat deze niet ten uitvoer zal worden gebracht, indien betrokkene gedurende twee jaren zich niet aan een plichtsverzuim van soortgelijke of ernstige aard schuldig maakt;
b) degradatie ingevolge artikel 32 lid 1 sub i van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub i van de Personeelswet, bestaande uit terugstelling tot de rang Penitentiair Ambtenaar der 3e klasse (functiegroep 6, schaal 06A), voor de duur van 1 jaar, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 1.629,= per maand.
In deze beschikking is daartoe overwogen:
“ dat betrokkene tijdens zijn mondeling verweer bij de Directeur van de Penitentiaire Inrichting Duisburglaan, heeft toegegeven bij verschillende gelegenheden alcohol en andere etenswaren voor gedetineerden de inrichting binnen te hebben gebracht, met andere woorden, betrokkene geeft toe hand- en spandiensten te hebben verricht;

dat deze handelingen, die plichtsverzuim voor hem opleveren, niet getolereerd kunnen worden in een gedisciplineerd korps;

dat betrokkene … in de gelegenheid is gesteld zich binnen 1×24 uur ter zake schriftelijk te verweren, waaraan hij gevolg heeft gegeven, echter heeft hij het hem ten laste gelegde niet kunnen weerleggen;

dat betrokkene zich eerder aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt waarvoor hij ook disciplinair is gestraft;

dat het derhalve nodig is wederom een tuchtstraf op te leggen aan betrokkene.”.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a. de beschikking onder 2.9 vermeld, althans het besluit daarin vervat nietig te verklaren;
b. de Staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom ad SRD 1.000,= voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;
c. veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat de Staat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, met name de beginselen van juiste informatie, van deugdelijke feitelijke grondslag, van draagkrachtige juiste formulering en het zorgvuldigheidsbeginsel en wel omdat:
1. in zijn verweerschrift hij het gestelde plichtsverzuim heeft weerlegd, althans hij heeft ontkend zich aan het hem verweten plichtsverzuim te hebben schuldig gemaakt.
2. er zou sprake zijn van aanhoudende informatie dat hij zich aan plichtsverzuim schuldig maakte, maar hij niet eerder hiermee geconfronteerd is. Er is ook nimmer bewijs hiervan overgelegd.
3. hij tijdens het mondeling verweer werd bedreigd met degradatie en schorsing indien hij niet zou bekennen. Onder invloed van deze druk heeft hij bekend alcohol de inrichting te hebben binnen gebracht en de alcohol tezamen met zijn collega [naam 1] te hebben gebruikt.
4. bij het nemen van het gelaakt besluit is geen, althans onvoldoende rekening gehouden met het aantal dienstjaren van hem en het feit dat dit naast de eerdere tuchtmaatregel van extra diensten de tweede keer is dat hij een tuchtstraf ondergaat.

3.3 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Bevoegdheid
4. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot verlaging van rang of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering, kort gezegd, tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot verlaging van rang dan wel voorwaardelijk ontslag van een penitentiair ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5. [eiser] heeft verklaard dat de bestreden beschikking op 10 mei 2012 te zijner kennis gebracht. De Staat heeft dit erkend, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
Dit heeft tot gevolg dat [eiser], nu zijn verzoekschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
6.1 Het Hof merkt allereerst op dat de Staat ten aanzien van het in de Personeelswet gebezigde begrip “plichtsverzuim” de ruimte is gelaten om deze term verder in te vullen, zodat naar het oordeel van het Hof in deze sprake is van beoordelingsruimte zijdens de Staat. Dit brengt met zich mee dat bij de beoordeling in rechte slechts marginaal getoetst mag worden; ter beoordeling van het Hof ligt slechts de vraag open of de Staat in redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen.
Daarvoor is allereerst vereist dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

6.2 Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij tijdens een vier uur durend verhoor onder druk is gezet. De onderdirecteur heeft hem voorgehouden te bekennen, waarna alles binnenshuis zou worden opgelost. Onder deze druk heeft hij bekend. [eiser] heeft verder verklaard dat hij niet drie keer naar de winkel is geweest maar slechts één keer, tegen negen uur.

6.3 De Staat heeft aangevoerd dat er geen sprake was van bedreiging tijdens het verhoor van [eiser]. Het mondelinge verweer van [eiser], heeft volgens de Staat niet lang geduurd. [eiser] is wel ongeveer vier uren ter beschikking geweest, maar het verhoor zelf heeft volgens de Staat niet meer dan een uur geduurd.

6.4 Het Hof overweegt dat ook indien tijdens het mondeling verweer sprake is geweest van degradatie en schorsing, dit niet als een bedreiging hoeft te gelden; het zijn immers tuchtstraffen die ingevolge de personeelswet kunnen worden toegepast indien een ambtenaar zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Daarnaast overweegt het Hof dat de verklaring van [eiser] tijdens het mondelinge verweer overeenkomt met de verklaring van [naam 1] voornoemd, die immers een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van het gebeuren op 24 juli 2011: [eiser] heeft als eerst meermalen alcohol gehaald bij de winkel, waarna [naam 1] dit heeft gedaan; de alcohol hebben zij ([eiser] en [naam 1]) tezamen genuttigd tijdens werkuren. De verklaring van [naam 1] wordt ook ondersteund door de verklaring van de ploegcommandant. Daarnaast wordt de bekennende verklaring van [eiser] ook ondersteund door de bierblikken die in de wachtruimte zijn aangetroffen. De bekennende verklaring van [eiser] wordt dan ook geloofwaardig geacht.
Ten aanzien van het verstrekken van alcohol aan gedetineerden wordt overwogen dat op 24 juli 2011 gesteld noch gebleken is dat bij de dienstoverdracht door [eiser] hij er melding van heeft gemaakt dat een gedetineerde gebruik heeft gemaakt van alcohol. Nu vrij korte tijd daarna een gedetineerde uit dit cellenblok in beschonken toestand is aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat de penitentiaire ambtenaren die aldaar de wacht hielden, waaronder [eiser], het alcoholgebruik tenminste hadden behoren op te merken. Nu hier geen melding van is gemaakt, kan worden geconcludeerd dat [eiser] zijn plicht als penitentiair ambtenaar heeft verzaakt.

6.5 Naar het oordeel van het Hof is het handelen van [eiser] dat heeft geleid tot het opleggen van de tuchtstraffen vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 12 april 2012, J.[nummer 2] dermate ernstig dat ontslag, bij herhaling van dit handelen, passend wordt geacht. Nu het ontslag voorwaardelijk is, is het daarnaast verlagen van de rang geoorloofd en passend.
Uit het voorwaardelijk ontslag blijkt dat ruimschoots rekening is gehouden met het langdurig dienstverband van [eiser], zodat aan het door hem in dat kader gestelde, zal worden voorbij gegaan.
De overige standpunten van partijen behoeven geen bespreking, nu reeds is geoordeeld dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat [eiser] zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en tot het genomen besluit heeft kunnen komen.

6.6 Gelet op hetgeen onder 6.4 en 6.5 is overwogen zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

De beslissing

Het hof:
Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en

mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Rathipal namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van de verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2017-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster, hierna aangeduid als [verzoekster],
gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME
meer in het bijzonder het Ministerie van Volksgezondheid,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift ter griffie ingekomen op 19 december 2013 (met twee producties);
– de beschikking van het Hof van 07 april 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 02 mei 2014;
– het proces-verbaal van het nader op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen;
– een aantal producties in totaal 23 pagina’s belopende overgelegd zijdens de Staat op 01 augustus 2014;
– een conclusie tot uitlating zijdens verzoekster over de door de Staat overgelegde producties d.d. 17 oktober 2014;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoekster] is op 06 november 1998 op basis van een arbeidsovereenkomst [nummer 1] in dienst getreden van verweerder, met name het ’s Lands Hopitaal te Paramaribo en belast met de funcie van Interieur Verzorgster ingedeeld in functiegroep 3, functieschaal 3C.

2.2. Blijkens een verklaring van de Geneeskundige Commissie van 11 april 2013 is Vanier arbeidsongeschikt bevonden.

2.3. [verzoekster] is bij beschikking d.d. 04 oktober 2013 [nummer 2], ingevolge artikel 69 lid 2 sub f juncto 71 lid 4 van de Personeelswet ingaande 01 januari 2014 ontslag uit Staatsdienst verleend. Voor zover van belang is [verzoekster] het volgende medegedeeld:
“ dat de op arbeidsovereenkomst diendende landsdienaar belast met de functie van Interieur Verzorgster ingedeeld in functiegroep 3/schaal 3C, in———————-’s Lands Hospitaal te Paramaribo van het Ministerie van Volksgezondheid, mw. Conchita Hillery Vanier, blijkens de verklaring van de Geneeskundige Commissie van 11 april 2013, arbeidsongeschikt is bevonden;
dat [verzoekster] voornoemd, derhalve uit Staatsdienst dient te worden ontslagen, ingevolge artikel 69 lid 2 sub f van de “Personeelswet”.”

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoekster] vordert -zakelijk weergegeven- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a) de beschikking van 04 oktober 2013 [nummer 2] op elk der voorgeschreven gronden alsmede deze in ondeling verband en samenhang beschouwd te vernietigen althans nietig te verklaren;
b) veroordeling van verweerder tot rehabilitatie van verzoekster onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,= per dag, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat verweerder weigert uitvoering te geven aan het vonnis.

3.2. [verzoekster] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij is ontslagen wegens de vaststelling van de Geneeskundige Commissie. Echter raakt de rapportage van de Geneeskundige Commissie kant nog wal, vanwege de hoge mate van obscuriteit. [verzoekster] geeft ook aan dat zij niet in staat was terzake verweer te voeren.

3.3. [verzoekster] stelt tenslotte dat het besluit van de Minister van Volksgezondheid in strijd is met het motiverings- en het gelijkheidsbeginsel als zijnde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.4. Van verweerder is er, na het verstrijken van de termijn van zes weken conform artikel 714d van de Personeelswet, geen verweerschrift ter Griffie ontvangen.

Bevoegdheid
4. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens artikel 79 lid 2 sub e van de Personeelswet zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat het Hof bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [verzoekster].

Ontvankelijkheid
5. Geconstateerd wordt dat [verzoekster] opkomt tegen het besluit van de Minister van Volksgezondheid waarin haar ontslag uit Staatsdienst wordt aangezegd. Nu het besluit van de Minister [verzoekster] heeft bereikt op 21 november 2013 en het verzoekschrift ten Griffie is ontvangen op 19 december 2013 concludeert het Hof dat [verzoekster] ontvankelijk is in haar vordering daar deze op grond van artikel 80 lid 1 van de Personeelswet binnen een maand na het besluit van de Minister aan haar kenbaar is gemaakt, is ingediend.

Beoordeling van het geschil
6.1. Het Hof constateert dat artikel 69 lid 2 sub f van de Personeelswet aangeeft dat aan een ambtenaar, behalve wegens plichtsverzuim, ook ontslag kan worden verleend indien hij blijkens de resultaten van een geneeskundig onderzoek hetzij uit hoofde van ziekten en gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen. Uit de door verweerder overgelegde stukken, welke door [verzoekster] niet genoegzaam gemotiveerd zijn weersproken, blijkt dat [verzoekster] vaker voor langere perioden wegens ziekte niet in staat was haar werkzaamheden te verrichten. Zo staat alszijnde niet weersproken onder meer vast, dat [verzoekster] 138 ziekte dagen had in 2011 en 199 ziekte dagen in 2012.

6.2. Op 28 januari 2013 heeft het Hoofd Personeelsbeheer en Loonadministratie een schrijven gericht aan de Geneeskundige Commissie waarin gevraagd wordt dat er door voornoemde commissie een onderzoek wordt ingesteld naar de arbeidsgeschiktheid van [verzoekster].
De Geneeskundige Commissie heeft een verklaring betreffende ziekteverlof d.d. 11 april 2013 uitgegeven, waaruit blijkt dat [verzoekster] door haar is onderzocht en dat vrijstelling van dienst wegens ziekte voor herstel van gezondheid voor de tijd 26 t/m 31 jan; 21 t/m 24 febr; 21, 22, 13 mrt; 05, 13, 16, 17, 18 apr; 02, 23 t/m 29 mei; 21, 22, juni; 20 t/m 30 juli; 13 t/m 31 aug; 01 sept t/m 31 dec 2012 en 01 jan t/m 31 mei 2013 noodzakelijk is. Tevens heeft de Geneeskundige Commissie een verklaring betreffende afkeuring voor ’s Landsdienst d.d. 11 april 2013 uitgegeven waarbij zij heeft verklaard [verzoekster] te hebben onderzocht en bevonden te hebben dat onderzochte bijvend ongeschikt is zijn (lees: haar) betrekking te vervullen door één der oorzaken genoemd in artikel 69 tweede lid onder f van de Personeelswet.

6.3 Gelet op de langdurige ziekte van [verzoekster], één en ander zoals dat hierboven is beschreven, is het voor het Hof niet onbegrijpelijk dat verweerder [verzoekster] op enig moment naar de Geneeskundige Commissie heeft gestuurd ter keuring. Dat de Geneeskundige Commissie gelet op het voorgaande tot de bevinding is gekomen dat [verzoekster] blijvend arbeidsongeschikt is, is naar ’s Hovens oordeel eveneens niet onbegrijpelijk. De motivering in het genomen ontslagbesluit, met name dat [verzoekster] blijkens de verklaring van de Geneeskundige Commissie d.d. 11 april 2013 arbeidsongeschikt is bevonden, is naar oordeel van het Hof genoegzaam, hetgeen tot gevolg heeft dat de stelling van [verzoekster] dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden, geen doel treft en dat hieraan wordt voorbijgegaan.

6.4 Voor wat betreft de grondslag van de vordering dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel oordeelt het Hof dat [verzoekster] onvoldoende heeft gesteld om eventuele niet in achtneming van het gelijkheidsbeginsel te kunnen toetsen. Gelet hierop wordt aan deze grond danook voorbijgegaan. Eén en ander heeft tot gevolg dat de vordering van [verzoekster] zal worden afgewezen.

6.5 Gelet op het overgelegde certificaat van onvermogen wordt [verzoekster] toegestaan ten deze kosteloos te procederen.

De beslissing
Verstaat dat [verzoekster] ten deze kosteloos procedeert;

Wijst het gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en
mr. G.L. de Miranda, Leden-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door mr. P. Chen namens mr. G.A.T.T. Sitaram, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Rathipal namens mr. R. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-20

Het Hof van Justitie van Suriname

In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna aangeduid als [verzoeker],
gemachtigde: mr. E.D. Esajas, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. R. Rathipal, Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop:
1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift met producties, ter Griffie ontvangen op 14 december 2015, van de kant van [verzoeker];
– het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 juni 2016 aangetekend op het kaft van het procesdossier;
– het proces-verbaal van het gehouden verhoor van partijen d.d. 2 december 2016.
1.2. De uitspraak van het vonnis is bepaald op 19 mei 2017.

2. De feiten
2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
Bij beschikking van 4 maart 2005 is [verzoeker] wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag uit staatsdienst opgelegd. Dit besluit is ingetrokken bij beschikking van 5 augustus 2005, bekend onder [nummer] en [verzoeker] is daarbij tevens ontslagen uit actieve politiedienst en gelijktijdig aangesteld in de burgerrang van stafambtenaar A 3e klasse.
2.1 Bij schrijven van 18 mei 2015 heeft [verzoeker] aan de Minister van Justitie en Politie het verzoek gedaan om hem wederom in actieve politie dienst te plaatsen, althans hem in aanmerking te doen komen voor bevordering in zijn huidige functie.
2.2 Bij schrijven van 13 juli 2015 heeft de korpschef het verzoek afgewezen.

3. De vordering en de grondslag
3.1 [verzoeker] vordert:
Primair:
– dat het besluit van 5 augustus 2005 nietig wordt verklaard en de Staat wordt veroordeeld om hem wederom in actieve politiedienst te doen plaatsen onder verbeurte van een dwangsom;

Subsidiair:
– dat de Staat wordt veroordeeld om hem per 10 mei 2001 in aanmerking te doen komen voor een bevordering in zijn huidige functie in de burgerrang, inclusief de daarop gebaseerde verhoging in salaris en voorts;

Primair en Subsidiair:
– dat de Staat wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag:
[verzoeker] voert – kort en zakelijk weergegeven – als grondslag voor het gevorderde aan dat het besluit:
– in strijd is met de wet en
– in strijd is met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en motiveert die grondslag alsvolgt.
Bij het nemen van het besluit is er geen rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, namelijk dat hij sinds 1990 trouw en eerlijk gediend heeft en dat hij zich nimmer schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

4. Bevoegdheid
4.1 Gelet op hetgeen hiervoor bij 2.1 is overwogen dient [verzoeker] als een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Personeelswet te worden beschouwd.
4.2 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot ontslag van een ambtenaar uit de actieve politiedienst, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

5. Ontvankelijkheid
5.1 Het door [verzoeker] bestreden besluit tot ontslag uit de actieve politiedienst is vervat in de beschikking van 5 augustus 2005. Dit besluit is in 2005 aan hem ter kennis gebracht waarna hij in de burgerrang is gaan dienen.
5.2 De vordering van [verzoeker] is ingediend op 14 december 2015.
5.3 [verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat hij wegens overmacht pas na circa 10 jaren de vordering instelt daarbij stellende dat de overmacht hierin bestond dat hij na het ontslag uit actieve politiedienst, in een gemoedstoestand was die hem niet toeliet een vordering in te stellen.
5.4 Het Hof zal aan dit beroep op overmacht voorbij moeten gaan nu [verzoeker] ten aanzien van die overmachtssituatie geen documenten heeft overgelegd waaruit de overmacht zou kunnen blijken en [verzoeker] in zijn verzoekschrift zelf aangeeft dat hij in 2006 wel bij de Minister van Justitie middels een schrijven heeft aangegeven dat hij het met het ontslag niet eens is.
5.5 De vordering is niet ingediend binnen een maand nadat het besluit ter kennis van [verzoeker] is gebracht en is [verzoeker] derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet niet-ontvankelijk.

5. De beslissing
Het hof:
– Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn vordering;
Aldus gewezen en uitgesproken door: mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. I. Sonai, Leden-Plaatsvervanger en
w.g. S.S.S. Wijnhard

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advocaat mr. E.D. Esajas en mr. R. Rathipal, gemachtigden van partijen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
In de zaak van
A. [appellant 1],
B. [appellant 2],
beiden wonende in [land] te [woonplaats], aan de [adres 1],
C. [appellant 3],
wonende te [district]
aan de [adres],
D. [stichting 1],
vroeger geheten de [stichting 2],
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te [district]
aan de [adres 2],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[geïntimeerde], ten rechte geheten [geïntimeerde],
wonende te [district]
aan de [adres 3],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 07 juni 2012 (A.R.No.11-0321) tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellanten];

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– Het schrijven van de advocaat van appellanten gedateerd 26 juli 2012 – ingekomen ter griffie der kantongerechten op 26 juli 2012 – waaruit blijkt dat appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 07 juni 2012;
– De pleitnota de dato 03 mei 2013;
– De antwoordpleitnota de dato 18 oktober 2013;
– De repliekpleitnota de dato 15 november 2013;
– De dupliekpleitnota de dato 21 maart 2014;
– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 17 oktober 2014 doch nader op heden;

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Appellanten hebben in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede Justitie te bepalen termijn, ten behoeve van hen af te geven aan de heer [naam 1] of diens vervanger op het kantoor van de T & H Groep Parmesar en Tjon A Ten, gevestigd te [district] aan de [adres 2] de door hem gehouden volledige administratie van De Stichting ([stichting 1]) gedaagde, behelzende de kas- en bankboeken, bankafschriften en soortgelijke bewijsstukken, de conform artikel 14 der statuten van appellanten door of namens hem opgemaakte balansen, en staten van baten en lasten, alsmede de jaarverslagen over de jaren 2002 tot en met 2010. Voorts hebben zij gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 10.000.00,– voor iedere dag waarop hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen. Eveneens hebben zij gevorderd dat Brahim zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

1.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 07 juni 2012 (A.R.No. 11-0321) het gevorderde afgewezen en zijn appellanten in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen veroordeeld.

2.1. Appellanten hebben blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van hun raadsman bij schrijven gedateerd 26 juli 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht op 26 juli 2012 – appel aangetekend tegen het vonnis van 07 juni 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest terwijl [geïntimeerde] vertegenwoordigd door zijn gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg tegenwoordig is geweest. Nu de appelaantekening op 26 juli 2012 heeft plaatsgevonden terwijl de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier dateert van 01 augustus 2012 hebben appellanten ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

2.2. Appellanten hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
2.2.1. [stichting 1] is opgericht op 8 december 1994 door de heer [naam 2]. De Stichting had eerst de naam [stichting 2]. De oprichter was een familielid van [appellant 1] en [appellant 2];
2.2.2. Bij de oprichting heeft de oprichter drie personen als bestuursleden benoemd namelijk de heer [naam 3], [naam 4], de echtgenote van de oprichter, en de heer [geïntimeerde];
2.2.3. [naam 4] is overleden en de heer [naam 3] is op een gegeven moment afgetreden;
2.2.4. De oprichter [naam2] heeft in 2002 een testament gemaakt in welk testament hij de Stichting als zijn enige erfgenaam heeft aangewezen en waarin tevens enkele legaten zijn genoemd;
2.2.5. In het testament heeft [naam 2] tevens een bestuur benoemd welk bestuur na zijn dood binnen 14 dagen ene dagelijks bestuur moet aanwijzen. De bestuursleden die zijn genoemd zijn: [geïntimeerde], als voorzitter, notaris Blom, zijn neven [appellant 1] en [appellant 2], de heer [appellant 3] en de heer [naam 5];
2.2.6. [naam 2] is op 12 mei 2003 overleden;
2.2.7. Bij beschikking van 3 augustus 2004 is op verzoek van onder andere de weduwe van [naam 2], [naam 6], die tevens de moeder is van de kinderen van [naam 2], door de kantonrechter een bestuur van de Stichting benoemd bestaande uit [naam 6], de weduwe, de heren [naam 7], [naam 8], [appellant 3] en de heer [geïntimeerde], die als voorzitter aanbleef;
2.2.8. [appellant 1] en [appellant 2] hebben bij verzoekschrift van 7 oktober 2005 een vordering ingediend tegen de weduwe, de Stichting en de heer [geïntimeerde], waarin zij vorderden dat voor recht wordt verklaard dat hun benoeming in het bestuur bij testament rechtsgeldig was en dat zij bestuursleden zijn van de Stichting;
2.2.9. In die zaak is op 18 december 2007 vonnis gewezen waarbij [appellant 1] en [appellant 2] in het gelijk werden gesteld en de aanwijzing van het bestuur in het testament als rechtsgeldig werd aangemerkt;
2.2.10. Op 20 oktober 2010 hebben [appellant 2] en [appellant 1] een bestuursvergadering gehouden waarin zij hebben aangewezen als bestuursleden, hunzelf en de heer [appellant 3]. Zij hebben [geïntimeerde] van deze bestuurssamenstelling op de hoogte gebracht middels een schrijven;
2.2.11. Zij hebben [geïntimeerde] het verzoek gedaan om de administratie van de Stichting aan hen over te dragen;
2.2.12. Aan dit verzoek heeft [geïntimeerde] geen gevolg gegeven;

2.3. Naast voormelde vaststaande feiten hebben appellanten – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- aan hun vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat blijkens de akte d.d. 8 december 1994 [naam 2] heeft opgericht de [stichting 2] met als enig doel het verlenen van steun aan sociale instellingen en daarvoor in aanmerking komende hulpbehoevenden. Voor de eerste maal zijn door de oprichter tot bestuurder van de stichting benoemd de heer
[naam 3] als voorzitter, [geïntimeerde] en de echtgenote van de oprichter t.w. [naam 4], als leden. De heer [naam 3] is zelf afgetreden terwijl de echtgenote van de oprichter is overleden, waardoor [geïntimeerde] het enig overgebleven bestuurslid werd. De oprichting van deze stichting is ingegeven door de passie van de oprichter om aan sociale instellingen en daarvoor in aanmerking komende hulpbehoevenden steun te verlenen. Het is voorts een notoir feit dat deze oprichter al zijn vorenbedoelde sociale activiteiten ontplooide vanuit deze Stichting, waar zijn echtgenote [naam 4] ten nauwste betrokken is geweest. Na het overlijden van zijn echtgenote had de oprichter het voornemen de naam van “zijn” voornoemde Stichting te wijzigen in [stichting 1], met de duidelijke bedoeling dat ook na de dood van zijn echtgenote en daarna van hemzelf de sociale activiteiten zouden worden voortgezet uit het vermogen dat zij, [naam 2] en [naam 4], zo rijkelijk hadden vergaard. De oprichter van de Stichting heeft, vόόrdat hij toe kwam aan de voorgenomen naamswijziging van de Stichting bij testament d.d. 17 september 2002 verleden ten overstaan van notaris mr. D. Alexander, de [stichting 1] benoemd tot zijn enige en algehele erfgenamen, onder de last van het uitkeren van enige legaten, blijkende zulks uit de ten processe overgelegde verklaring van erfrecht, opgemaakt door notaris mr. C.A. Calor d.d. 24 september 2003. Uit de tekst van het testament in zijn geheel, in onderling verband en samenhang met de verhouding welke dit testament wil regelen alsmede de omstandigheden waaronder het is gemaakt blijkt onmiskenbaar dat de erflater bij het kenbaar maken van zijn volledige uiterste wil met de aanduiding daarin van de [stichting 1] de bestaande gedaagde sub B op het oog heeft gehad. Blijkens artikel 7 van de statuten van de Stichting wordt in ontstane bestuursvacatures voorzien door de oprichter en na diens overlijden door diens echtgenote. De oprichter heeft echter bewust van het feit dat zijn echtgenote reeds voor overleden was in zijn voormeld testament als bestuursleden van de Stichting aangewezen de personen van [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en de Stichting alsmede notaris mr. G.H.B. Blom en [naam 5]. Laatstgenoemde is op dezelfde dag als de erflater overleden, terwijl notaris Blom en [geïntimeerde] kenbaar hebben gemaakt deze benoeming niet te aanvaarden. Bij de aanwijzing van dit bestuur in zijn testament is door de oprichter bepaald dat het door hem aangewezen bestuur binnen 14 (veertien) dagen na zijn overlijden behoort te voorzien in een dagelijks bestuur. [geïntimeerde] heeft steeds geweigerd, ondanks herhaalde en dringende aanmaningen in der minne, om een bestuursvergadering bijeen te roepen om onder meer een dagelijks bestuur van de Stichting aan te wijzen dat conform artikel 8 van de statuten de Stichting in en buiten rechte vertegenwoordigd. Hij stelde zich daarbij op het onterechte standpunt dat de benoeming door de erflater in het testament gedaan onwettig en van onwaarde is. Aangezien geen penningmeester is aangewezen kan niet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 5 sub 3 der statuten, weshalve van het gevoerd financieel beheer van de Stichting helemaal geen verantwoording wordt afgelegd. [geïntimeerde] die als enig overgebleven lid uit het vorig bestuur de volledige administratie van de Stichting onder zich heeft weigert aldus aan eisers inzicht te verschaffen in de huidige stand van zaken voor wat betreft het vermogen, de administratie en de sociale activiteiten van de Stichting casu quo om deze administratie aan eisers over te dragen. Door dit nalaten althans weigeren van [geïntimeerde] kan het doel waartoe de Stichting is opgericht helemaal niet worden gerealiseerd, zulks in flagrante strijd met de bedoeling van de oprichter van de Stichting casu quo van de erflater die een aanmerkelijk deel van zijn vermogen heeft bestemd voor de Stichting. [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben op 20 oktober 2010 een bestuursvergadering van de Stichting belegd en uit hun midden een dagelijks bestuur aangewezen bestaande uit [appellant 1] als plaatsvervangend-voorzitter, [appellant 2] als penningmeester en [appellant 3] als secretaris. Voorts hebben zij de naam van de Stichting, overeenkomstig de wens casu quo bedoeling van de oprichter en erflater gewijzigd in :
[stichting 1]. Eisers hebben bij schrijven van hun raadsman d.d. 11 november 2009, hetwelk bij exploit van deurwaarder H.B. Verwey d.d. 8 december 2010 aan [geïntimeerde] werd betekend op de hoogte gesteld van de bestuurssamenstelling van de Stichting. Voorts is [geïntimeerde] daarbij aangemaand om ten behoeve van eisers af te geven op het kantoor van de T & H Groep Parmesar en Tjon A Ten, gevestigd te Paramaribo aan de [adres 2] t.a.v. de heer [naam 1], de behoorlijk gedocumenteerde administratie van de Stichting. [geïntimeerde] heeft geweigerd aan deze sommatie te voldoen;

2.4. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd da de benoeming bij uiterste wilsbeschikking d.d. 17 september 2001 door [naam 2] van [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en de heren G.H.B. Blom en [naam 5] tot bestuurslid van de Stichting nietig en dus rechtens van onwaarde is. [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] zijn dan ook op grond van voormelde benoeming geen bestuursleden van de Stichting en hebben dan ook geen enkel belang bij de onderhavige vordering en weigert [geïntimeerde] terecht om hen te erkennen als rechtmatig aangewezen bestuursleden van de Stichting;

2.5. In hoger beroep concluderen appellanten tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende tot toewijzing van hun vordering;

2.6. Daartoe hebben appellanten een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. Ten eerste hebben zij aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen onder sub 5.2 dat uit het dossier een aantal bestuurssamenstellingen zijn te halen en daarmede de indruk wekkende als zouden partijen in het geding zich hebben beroepen op het in functie zijn van de diverse door de kantonrechter gereleveerde bestuurssamenstellingen. Ten tweede hebben zij aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de mening is toegedaan dat het onderzoek in de bodemprocedure moet worden afgewacht om te kunnen vaststellen wie bevoegd is de afgifte van de bescheiden te vorderen;
2.7. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terug komen;
2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grieven. Gelet op de samenhang tussen beide grieven zal het hof beide grieven gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen. Dienaangaande overweegt het hof dat de eerste grief geen opgeld doet. Grondige doorlezing van het bepaalde onder 5.2 van het beroepen vonnis leidt tot de slotsom dat de kantonrechter de diverse bestuurssamenstellingen heeft gememoreerd ter adstructie van het feit dat er meerdere bestuurssamenstellingen zijn die “claimen” het rechtsgeldig bestuur uit te maken. Nergens valt uit af te leiden dat de kantonrechter de indruk heeft willen wekken dat appellanten zich daarop zouden hebben beroepen. Ten aanzien van de tweede grief overweegt het hof dat de kantonrechter zich in punt 5.3 van het beroepen vonnis op het terechte standpunt heeft gesteld dat er diepgaand onderzoek noodzakelijk is in bodemprocedure teneinde vast te kunnen stellen wie bevoegd is de afgifte van de bescheiden te vorderen. Gelet op het voorgaande zal het hof derhalve eveneens voormelde grief van appellanten verwerpen;
2.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd aangezien de grieven niet op gaan en het het hof voorts ambtshalve evenmin is gebleken dat er gronden zijn die tot vernietiging van het beroepen vonnis aanleiding zouden geven;
2.10. De consequentie van het voorgaande is dat appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, zullen worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.
2.11. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof – als voor de beslissing niet langer relevant zijnde – achterwege laten.

3. De beslissing in kort geding in hoger beroep
Het hof:
3.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 07 juni 2012, A.R.No. 11-0321, waarvan beroep.

3.2. Veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus in kort geding gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en
mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat
mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P.S.E. Sewdien namens advocaat mr. M.I. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-11

G.R.No. 14815

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] in [district 1],

appellant in kort geding,

verder te noemen [appellant],

gemachtigde: mr. K. Baldew, advocaat,

tegen

[De Stichting],

gevestigd en kantoorhoudende te [district 2],

geïntimeerde in kort geding,

verder ook aan te duiden als [de Stichting],

gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 13 april 2006 (A.R.No. 05-4865A) tussen de Stichting als eiseres en [appellant] als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 23 mei 2006, inhoudende dat op 23 mei 2006 door mr. K. Baldew, advocaat, namens [appellant] hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in kort geding van 13 april 2006 tussen partijen gewezen;

– pleitnota van 2 augustus 2013;

– antwoordpleitnota van 3 januari 2014;

– repliekpleitnota van 7 februari 2014;

– dupliekpleitnota van 2 mei 2014;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 7 november 2014 en vervolgens nader op 19 januari 2018, doch nader op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De dienstbrief van de griffier is gedateerd 12  mei 2006. Het hoger beroep is ingesteld op 23 mei  2006 zodat het tijdig en op de juiste wijze is ingesteld en [appellant] daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

1. Tussen partijen staat het volgende vast.

1.1. De Stichting heeft bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van 24 mei 2000 het recht van grondhuur verkregen op het perceelland van 0.7259 ha. gelegen te [woonplaats] in [district 1] Serie B, nader aangeduid op de uitmetingskaart van landmeter Somopawiro d.d. 18 april met de letters ABCDEFGH, door landmeter Kalloe d.d. 18 paril 2000 vernummerd als het gedeelte groot 0.3878 ha. aangeduid met de letters CDIB thans bekend als [adres 1] en het gedeelte groot 0.3381 ha. aangeduid met de letters EFGHAI, thans bekend als [adres 2].

1.2. [appellant] is in dienst van [bedrijf] (hierna te noemen: [bedrijf]) en bewoont met haar toestemming een dienstwoning op voormeld perceelland.

1.3. De Stichting heeft de “ bewoners van de barakken [adres 3], waaronder [appellant], op 15 november 2005 gesommeerd het perceelland te ontruimen, aan welke sommatie hij geen gevolg heeft gegeven.

1.4. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 13 april 2006 [appellant] veroordeeld om binnen zes maanden na uitspraak van het vonnis het perceelland zoals in het dictum verder is omschreven te ontruimen en te verlaten en hem in de proceskosten veroordeeld.

1.5. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen dat de Stichting eigenaresse is van het recht van grondhuur van het litigieuze perceelland. Uit het verweer van [appellant] blijkt niet dat [bedrijf], van wie hij meent enig recht te ontlenen om op dit perceelland te verblijven, de eigendom of enig ander zakelijk- of persoonlijk recht daarop  had. [bedrijf] kon daarom geen toestemming verlenen om op het perceelland te verblijven omdat zij niet meer rechten kan overdragen dan zij zelf bezit. Daarmee is vast komen te staan dat [appellant] zich zonder recht of titel op het perceelland waarvan de Stichting de grondhuur bezit bevindt.

Vervolgens heeft de kantonrechter de vordering tot ontruiming toegewezen.

1.6. [appellant] vordert in hoger beroep dat het Hof het vonnis van de kantonrechter van 13 april 2006 vernietigt of nietig verklaart en opnieuw rechtdoende de Stichting alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze te weigeren en om zonodig herstel in de oude toestand te bevelen

1.7. De Stichting heeft in hoger beroep verweer gevoerd en verzocht het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

1.8. [appellant] heeft vier grieven tegen voornoemde uitspraak van de kantonrechter opgeworpen.

De eerste grief komt er – kort samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – op neer dat de kantonrechter heeft nagelaten de juistheid van de stellingen en grondslag van de vordering te onderzoeken. De Stichting wist dat [appellant] slechts een dienstwoning van [bedrijf], die eigenaar van de woning was, bewoonde. [appellant] heeft de woning niet gebouwd. [bedrijf] had wel degelijk rechten op het litigieuze perceel op grond van artikel 3 lid 1 Wet Beginselen Grondbeleid en ingevolge de verjaring van artikel 1967 SBW en artikel 26 Wet Uitgifte Domeingrond. [bedrijf] had volgens [appellant] het recht van grondhuur al lang gekregen, terwijl de Stichting daarentegen de grondhuur op corrupte en onrechtmatige wijze heeft gekregen. Het enige doel van de ingestelde vordering is om [bedrijf] te ontruimen.

1.9. De Stichting heeft tegen de eerste grief verweer gevoerd en gesteld dat de vordering tegen [appellant] is ingesteld omdat hij het perceel van de Stichting onbevoegdelijk bezet hield. [bedrijf] was niet bevoegd om aan [appellant] toestemming te verlenen om op het perceelland te verblijven. De overweging van de kantonrechter was dan ook correct.

De Stichting heeft in dit verband een vonnis van de kantonrechter van 19 april 2011 A.R.No. 06-1020 overgelegd waaruit blijkt dat het beroep van [bedrijf] op verkrijgende verjaring is afgewezen. Terecht heeft [appellant] gesteld dat het [bedrijf] nog niet is gelukt om een titel op de grond te verkrijgen.

1.10. Het Hof is van oordeel dat vast staat dat de Stichting rechthebbende is van het recht van grondhuur van het perceelland waar het in deze procedure om gaat die haar bij beschikking van de Minister voornoemd op 24 mei 2000 is verleend. Dit recht is op 7 juni 2000 ingeschreven in de registers van het hypotheekkantoor.

Eveneens staat vast dat [bedrijf] de woning heeft gebouwd en dat [appellant] – als werknemer van [bedrijf] – de dienstwoning die op de grond was gebouwd in gebruik heeft (gehad).

Kern van de zaak is de vraag of [bedrijf] gerechtigd was tot de grond. Zou dit het geval zijn, dan zou ook [appellant] het recht hebben om de grond te gebruiken en zou de vordering van de Stichting niet kunnen slagen. Indien dat niet het geval zou zijn, dan zou [appellant] t.a.v. de Stichting zonder recht of titel op de grond verblijven.

1.11. Het Hof stelt vast dat [appellant] geen feiten heeft aangedragen op grond waarvan als vaststaand kan worden aangenomen dat [bedrijf] enig recht of titel op de grond heeft. De Stichting heeft gewezen op een uitspraak van de kantonrechter van 19 april 2011 A.R.No. 06-1020 in de procedure tussen [bedrijf] als eiseres en de Staat als gedaagde, waarin hij niet alleen het beroep van [bedrijf] op verjaring heeft afgewezen, maar ook het beroep op artikel 3 lid 1 van het Decreet Beginselen Grondbeleid.

1.12. Ook in het onderhavige hoger beroep is niet vast komen te staan dat [bedrijf] het perceel al 40 jaar onafgebroken, ondubbelzinnig en ongestoord in bezit heeft gehad. [appellant] heeft evenmin betwist dat [bedrijf] op 31 mei 2000 schriftelijk in kennis is gesteld (welke brief op 19 juni 2000 bij deurwaardersexploit is betekend) dat zij het perceelland onwettig occupeerde en dat hij het diende te ontruimen. Daarmee staat vast dat [bedrijf] het perceel vanaf deze sommatie onwettig occupeerde. Het beroep op het Decreet Beginselen Grondbeleid stuit dan ook af op deze onwettige occupatie. Terzijde merkt het Hof nog op dat de kantonrechter in een vonnis van 20 oktober 2009 A.R.No. 06-4102 in de zaak tussen [bedrijf] als eiseres en de Stichting en de Staat als gedaagden geoordeeld heeft dat [bedrijf] onwettig occupant is van het perceel aangegeven onder 2.5. van het vonnis, dat de Stichting als productie 8 bij de repliekpleitnota heeft overgelegd.

1.13. Voor zover [appellant] in de eerste grief heeft betoogd dat de kantonrechter zijn oordeel niet heeft gebaseerd op stellingen in het verzoekschrift en ten onrechte heeft aangenomen dat [bedrijf] geen toestemming kon verlenen om op de grond te verblijven, overweegt het Hof dat het oordeel van de kantonrechter, gelet op het feit dat niet vast is komen te staan dat [bedrijf] een titel voor het perceelland had en zij ook niet meer rechten kan overdragen dan zij zelf bezit, juist is.

De eerste grief faalt derhalve

1.14. In zijn tweede grief heeft [appellant] aangevoerd – kort samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [appellant] zonder toestemming of medeweten barakken of bouwsels heeft opgezet, of dat ten onrechte heeft aangenomen.

Het verweer van de Stichting luidt – kort samengevat – dat de kantonrechter terecht heeft overwogen, dat vanwege de onbevoegdelijk gegeven of verkregen toestemming en de weigering om ondanks aanmaning het perceel te ontruimen, [appellant] zonder recht of titel op het perceelland vertoefde.

1.15. De grief faalt omdat uit het bestreden vonnis niet blijkt dat de kantonrechter heeft aangenomen dat [appellant] barakken of bouwsels heeft opgezet. De grondslag van de oorspronkelijk vordering is onrechtmatig handelen van [appellant] geweest omdat hij zich zonder recht of titel op het perceelland bevond. Inderdaad is het niet juist, zoals in het inleidende verzoekschrift is gesteld, dat [appellant] de barakken of bouwsels op het onroerend goed had opgezet, maar de Stichting heeft later in de procedure verduidelijkt dat het haar ging om het feit dat [appellant] de grond onwettig in gebruik had. De kantonrechter heeft ook niet aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat [appellant] onwettig had gebouwd, maar dat hij zich zonder recht of titel op het perceelland bevond. Omdat hij ondanks sommatie weigerde het perceelland te ontruimen bleef hij volgens de kantonrechter inbreuk maken op het recht van grondhuur van de Stichting. Het oordeel van de kantonrechter is derhalve juist.

1.16. In zijn derde grief heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter door de vordering toe te wijzen geen rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij heeft daar schade door geleden en verzoekt het Hof om inzage te nemen in het dossier A.R.No. 08-0266. De inleidende vordering was slechts bedoeld om door de onrechtmatige ontruiming aan [appellant] en [bedrijf] schade toe te brengen.

De Stichting heeft als verweer aangevoerd dat de kantonrechter heeft overwogen dat zij rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant] door een ruime ontruimingstermijn aan te houden.

1.17. Het Hof overweegt dat uit het bestreden vonnis volgt dat de kantonrechter rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant] door in aanmerking te nemen dat [appellant] gedurende enige jaren op het perceelland verbleef en daarom een ruime ontruimingstermijn heeft bepaald. Reeds daarom faalt de grief.

1.18. Ten aanzien van de schade die [appellant] stelt te hebben geleden overweegt het Hof dat deze schade – indien al aanwezig – geen onderwerp van het onderhavige geschil is en daarom verder buiten beschouwing zal blijven.

De derde grief faalt.

1.19. [appellant] voert vervolgens in zijn vierde grief aan dat de kantonrechter ten onrechte de ontruiming heeft gelast omdat deze niet gestoeld was op de grondslag van de vordering, althans omdat de gevorderde ontruiming kennelijk ontruiming door [bedrijf] betrof. In haar toelichting op deze grief heeft [appellant] gewezen op het feit dat hij heeft weersproken dat de Stichting het eigendomsrecht van het recht van grondhuur op het perceel had. Hij heeft in dit verband gewezen op het vonnis in de zaak met A.R.No. 01-1776 , een vonnis van de kantonrechter van 4 maart 2004. Daarin heeft de kantonrechter overwogen dat [bedrijf] in die zaak onweersproken heeft gesteld dat zij sedert 40 jaren activiteiten op het litigieuze onroerend goed uitoefent en dat zich daar houtblokken en tien dienstwoningen bevinden. Vervolgens heeft de kantonrechter de vordering van de Stichting tot het verwijderen van de houtblokken en de barakken afgewezen.

De Stichting heeft dienaangaande – kort gezegd – naar voren gebracht dat de ontruiming [appellant] en niet [bedrijf] betrof  en dat de grondslag van de vordering gelegen was in het zonder recht of titel gebruiken van de grond, zodat het Hof aan de grief voorbij dient te gaan.

1.20. Het Hof overweegt dat niet in geschil is dat [appellant] – en dus niet [bedrijf] – het perceelland in gebruik had. [bedrijf] is geen partij in het onderhavige hoger beroep, zodat de veroordeling tot ontruiming haar niet aangaat. Zoals onder 1.12. van dit vonnis al is overwogen heeft de kantonrechter terecht vastgesteld dat [bedrijf] geen recht of titel had en dus ook geen gebruiksrecht aan [appellant] kon geven.

1.21. Het Hof is van oordeel dat aan het vonnis van 4 maart 2004 in dit hoger beroep geen betekenis meer toe komt, nu in de zaak tussen [bedrijf] en de Staat (A.R.No. 06-1020) de kantonrechter op 19 april 2011 het beroep op verjaring van [bedrijf] heeft afgewezen en heeft  geoordeeld dat het ongestoorde bezit van 40 jaar c.a. nu juist niet vast is komen te staan en dat [bedrijf] nooit enige titel op het perceelland heeft verkregen. Verder heeft de kantonrechter in dit laatste vonnis geoordeeld:“ Zij (lees: de Staat, Hof) heeft het ouder verzoek van [de Stichting] om het perceel in grondhuur te verkrijgen toegewezen en hoefde bij het nemen van haar beslissing geen rekening te houden met de activiteiten die eiseres op dat perceel ontplooide. Voorzover gedaagde eiseres een ettelijk aantal jaren heeft gedoogd om activiteiten op het perceel te ontplooien, kan eiseres geen rechten daaraan ontlenen. Een gedoogbeleid op zich schept geen verplichting voor gedaagde om het perceel in grondhuur aan eiseres te geven. Gedaagde heeft eiseres bij schrijven van 31 mei 2000, nog vóórdat zij het perceel in grondhuur had aangevraagd, schriftelijk in kennis gesteld dat zij het litigieus perceel onwettig occupeert en dat (lees:) zij dat perceel moest ontruimen; een duidelijke boodschap aan eiseres dat zij geen enkele titel op de grond kan doen gelden.”

Het Hof onderschrijft voorgaande overweging van de kantonrechter en herhaalt dat [appellant] in dit hoger beroep geen (andere) feiten naar voren heeft gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [bedrijf] wél een recht of titel op het perceelland had, zodat ook [appellant] gerechtigd was daarop te verblijven.

De vierde grief faalt eveneens.

1.22. Omdat alle grieven falen zal het Hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. [appellant] krijgt ongelijk en zal in de proceskosten aan de zijde van de Stichting in eerste instantie en in hoger beroep gevallen worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

1. bekrachtigt  het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 13 april 2006, A.R.No. 05-4865A,  tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

2. veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep alsmede die van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op

– voor de eerste aanleg op SRD 153,50

– voor het hoger beroep op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. R.G. Chatterpal, Leden en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein                 w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. H.P. Boldewijn, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-10

G.R.No. 14825

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

N.V. HAVENBEHEER SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellante,

verder ook te noemen: Havenbeheer,

gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

verder ook te noemen: [geïntimeerde],

procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 6 december 2012 (A.R.No. 123353), tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde, spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier van de kantongerechten civiele zaken van 14 december 2012, inhoudende dat Havenbeheer op 14 december 2012 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, op 6 december 2012 in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Havenbeheer als gedaagde;

– een pleitnota van Havenbeheer van 15 november 2013;

– een pleitnota van antwoord van [geïntimeerde], met produkties, van 16 mei 2014;

– een pleitnota van repliek van Havenbeheer , met 1 produktie, van 1 augustus 2014;

– een pleitnota van dupliek van [geïntimeerde] van 7 november 2014.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Havenbeheer daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

1. Bij vonnis van de kantonrechter van 1 oktober 2007, A.R.No. 063732 is, voor zover hier van belang, Havenbeheer wegens het verlenen van kennelijk onredelijk ontslag aan [geïntimeerde] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen de volledige schadevergoeding, voor materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en aangevuld met de wettelijke rente van 6% per jaar.

Bij vonnis van de kantonrechter, op 19 juni 2012 onder no. A.R.No. 081239 tussen partijen gewezen, heeft de kantonrechter het bedrag van voormelde volledige schadevergoeding vastgesteld op US$ 46.025,55. Deze uitspraak is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In het vonnis waarvan beroep van 6 december 2012 heeft de kantonrechter in kort geding Havenbeheer veroordeeld om het bedrag van US$ 46.025,55 aan [geïntimeerde] te betalen. Hij verklaarde dit vonnis wel uitvoerbaar bij voorraad en hij veroordeelde Havenbeheer in de proceskosten.

2. Tegen laatstgenoemd vonnis heeft Havenbeheer drie grieven ontwikkeld. Zakelijk weergegeven komen de grieven op het volgende neer:

Grief I: De kantonrechter is er ten onrechte van uitgegaan, dat [geïntimeerde] een voldoende spoedeisend belang heeft uitbetaling van een voorschot op de aan [geïntimeerde] toegekende schadevergoeding van US$ 46.025,55. Hij heeft ten onrechte het volledige bedrag dat in de bodemprocedure aan [geïntimeerde] is toegekend toegewezen, zodat er geen sprake meer was van een voorschot. Hij heeft ten onrechte geen rekening gehouden met gelden die Havenbeheer in mindering op dat bedrag aan [geïntimeerde] heeft betaald.

Grief II: De kantonrechter is ten onrechte voorbij gegaan aan het verweer van Havenbeheer dat er bij betaling van een voorschot aan [geïntimeerde] sprake zou zijn van een restitutierisico.

Grief III: De kantonrechter mocht geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad uitspreken, omdat de uitspraken van 1 oktober 2007 en 19 juni 2012 bewust niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard en daartegen hoger beroep is aangetekend.

3. [geïntimeerde] heeft met de producties die hij bij conclusie van repliek in eerste aanleg in het geding heeft gebracht, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een hypothecaire schuld heeft en een negatief banksaldo. Daarmee is zijn spoedeisend belang bij betaling door Havenbeheer voldoende aannemelijk gemaakt. Niets staat er aan in de weg dat een rechter in kort geding bij wijze van voorlopige voorziening het volledige bedrag toewijst dat in de bodemprocedure is toegekend. Als Havenbeheer reeds bedragen in mindering op haar schuld aan [geïntimeerde] zou hebben betaald, dan had het op haar weg gelegen om dat aan te tonen. Dat is niet gebeurd. De kantonrechter mocht er dus van uitgaan dat op meergenoemd bedrag nog niets was afgelost. Grief I faalt.

4. In kort geding moet het restitutierisico afgewogen worden tegen het belang dat de eisende partij bij betaling heeft en de waarschijnlijkheid dat in de bodemprocedure het gevorderde zal worden toegewezen. Met de kantonrechter meent het hof dat in dit geval die afweging tot toewijzing van de vordering in kort geding moet leiden. Grief II faalt.

5. Grief III moet het lot van de overige grieven delen. De rechter in kort geding beoordeelt zelfstandig of bij wijze van voorlopige voorziening een voorschot (dat gelijk kan zijn aan het volledige bedrag dat in de bodemprocedure is toegewezen) uitvoerbaar bij voorraad kan worden toegekend.

6. Aangezien de grieven niet opgaan en het hof ook ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het vonnis waarvan beroep, dient dat vonnis te worden bevestigd, met veroordeling van Havenbeheer in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 december 2012, A.R.No. 123353, tussen partijen gewezen, waarvan beroep.

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerde in persoon ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-9

G.R.N0. 14832

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

N.V. HAVENBEHEER SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellante,

verder ook te noemen: Havenbeheer,

gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

verder ook te noemen: [geintimeerde],

procederend in persoon,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 1 oktober 2007 (A.R.No. 06-3732), tussen geïntimeerde als eiser en appellante als gedaagde, spreekt de Fungerend-President in Naam van de Republiek het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

– een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken van 10 oktober 2007, inhoudende dat Havenbeheer op 10 oktober 2007 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter, A.R.No. 06-3732, op 1 oktober 2007 gewezen tussen [geintimeerde] als eiser en Havenbeheer als gedaagde;

– een pleitnota van Havenbeheer van 15 november 2013, waarin Havenbeheer vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep formuleert;

– een pleitnota van antwoord van [geintimeerde] van 4 april 2014;

– een pleitnota van repliek van Havenbeheer van 1 augustus 2014;

– een pleitnota van dupliek van [geintimeerde] van 16 januari 2015.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Havenbeheer daarin kan worden ontvangen.

Beoordeling

1. In deze zaak kan, voor zover hier van belang, van de volgende feiten worden uitgegaan:

[geintimeerde] is op 1 februari 1996 bij Havenbeheer in dienst getreden als chef personeelszaken. Bij brief van 12 juli 2005 berichtte Havenbeheer aan [geintimeerde] dat laatstgenoemde buiten functie werd gesteld wegens dienstweigering. [geintimeerde] kreeg de kans zich tegen het verwijt te verweren, maar bij brief van 18 juli 2005 deelde Havenbeheer aan [geintimeerde] mee dat zijn verweer niet steekhoudend was en dat Havenbeheer een procedure zou opstarten om de dienstbetrekking te beëindigen.

Op 22 juli 2005 verzocht Havenbeheer aan de Ontslagcommissie om haar vergunning te verlenen om de dienstbetrekking met [geintimeerde] te beëindigen, met als reden daarvoor ‘totale absentie van het noodzakelijk vertrouwen in de persoon van betrokkene en zijn kundigheid en bekwaamheid op het gebied van Human Resource Management’.

Bij besluit van 19 augustus 2006 verleende de Ontslagcommissie aan Havenbeheer vergunning tot beëindiging van de dienstbetrekking met eiser met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn.

Bij brief van 27 september 2005 deelde Havenbeheer aan [geintimeerde] mee, dat zij de dienstbetrekking met hem beëindigde per 1 april 2006.

Na dit ontslag bood Havenbeheer aan [geintimeerde] de mogelijkheid om bij haar te solliciteren naar een andere functie. [geintimeerde] deed dat en de sollicitatie werd op 16 mei 2006 door Havenbeheer in behandeling genomen, maar daarna werd [geintimeerde] afgewezen.

Op 28 oktober 2005 maakte [geintimeerde] een vordering in kort geding tegen Havenbeheer aanhangig. Daarbij vorderde hij onder meer:

– dat het besluit van 12 juli 2005 om hem buiten functie te stellen zou worden geschorst,

-dat hij de gelegenheid zou krijgen om zijn oude functie van Human Resource Manager weer te gaan uitoefenen en

-dat Havenbeheer zou worden gelast om door te gaan met de betaling van zijn salaris.

Bij uitspraak van 24 augustus 2006, A.R. no. 054309, weigerde de kantonrechter de gevraagde voorzieningen.

Op 25 september 2006 diende [geintimeerde] bij de griffie der kantongerechten een verzoekschrift in, waarin hij, voor zover thans nog van belang, vorderde (zakelijk weergegeven):

Primair:

a) vernietiging althans nietigverklaring van de besluiten van Havenbeheer van 12 juli 2005 en 27 september 2005 en van gedaagde sub b het besluit van 19 augustus 2006;

b) een bevel aan Havenbeheer om [geintimeerde] te rehabiliteren en in de gelegenheid te stellen zijn functie als Human Resource Manager uit te oefenen;

c) uitbetaling van het salaris aan [geintimeerde];

d) uitbetaling van restant daggelden en andere verschuldigde emolumenten en toelagen.

Subsidiair:

e) op grond van kennelijk onredelijk ontslag: schadevergoeding voor materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat, met de wettelijke rente.

De kantonrechter deed uitspraak op 1 oktober 2007. Hij wees het primair gevorderde af en veroordeelde Havenbeheer conform het subsidiair gevorderde tot betaling, wegens kennelijk onredelijke beëindiging van de dienstbetrekking, van een volledige schadevergoeding aan eiser, voor materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en aangevuld met de wettelijke rente van 6% per jaar.

2. In haar pleitnota van 15 november 2013 voert Havenbeheer vier grieven aan tegen het vonnis van de kantonrechter van 1 oktober 2007.

3.1 In grief I voert Havenbeheer kort samengevat aan, dat [geintimeerde] ingevolge het bepaalde in artikel 1615v van het Burgerlijk Wetboek binnen zes maanden nadat het kennelijk onredelijk ontslag aan hem bekend was een vordering tot schadevergoeding had moeten indienen; Havenbeheer heeft bij brief van 27 september 2005 aan [geintimeerde] meegedeeld dat hij zou worden ontslagen en [geintimeerde] heeft pas op 25 september 2006 bij de kantonrechter de vordering ingediend waarbij hij tegen dat ontslag opkwam. [geintimeerde] was dus te laat en en de kantonrechter had hem in zijn vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat [geintimeerde] op 28 oktober 2005 een vordering tegen Havenbeheer aanhangig had gemaakt maakt daarbij volgens Havenbeheer niets uit, want die vordering strekte niet tot het verkrijgen van enig vorm van schadevergoeding.

3.2 Artikel 1615v BW, zoals dat bij wet van 14 februari 1975 opnieuw is vastgesteld, luidt: ‘Ieder vorderingsrecht krachtens de artikelen 1615o, 1615t en 1615u verjaart na verloop van zes maanden’. De vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging van een dienstbetrekking is echter gebaseerd op het bepaalde in 1615s lid 1 BW. Voor die vordering geldt dus niet de korte verjaringstermijn van artikel 1615v BW, maar de verjaringstermijn van twee jaar van artikel 1990 BW. De vordering van [geintimeerde] tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging van de dienstbetrekking is dus tijdig ingesteld. Grief I wordt verworpen.

4.1 In grief II stelt appellante, kort samengevat, dat de reden voor het ontslag duidelijk is, te weten: totale absentie van het noodzakelijk vertrouwen in de persoon van [geintimeerde] en zijn kundigheid en bekwaamheid op het gebied van Human Resource Management. Dat is de reden die Havenbeheer aan de Ontslagcommissie heeft opgegeven en die de Ontslagcommissie als grond voor het verlenen van de ontslagvergunning heeft aanvaard. De kantonrechter overweegt volgens Havenbeheer ten onrechte dat Havenbeheer verschillende redenen voor het beëindigen van de dienstbetrekking heeft opgegeven, wat volgens de kantonrechter uitermate verwarrend en in strijd met goed werkgeverschap zou zijn. De opgegeven reden voor ontslag kan volgens Havenbeheer het ontslag dragen en de kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat dit ontslag kennelijk onredelijk zou zijn.

4.2 Appellante meent terecht, dat ook voor [geintimeerde] duidelijk moest zijn dat de aan de Ontslagcommissie opgegeven reden voor ontslag de basis vormde voor de beëindiging van de dienstbetrekking. Dus moet de vraag beantwoord worden of dit verdwijnen van vertrouwen terecht was en of dit de uiterst ingrijpende maatregel van ontslag rechtvaardigde.

4.3 [geintimeerde] was toen hem ontslag werd aangezegd ruim negen jaar als chef personeelszaken c.q. human resource manager in dienst. Uit de in eerste aanleg overgelegde producties blijkt dat [geintimeerde] jarenlang goed heeft gefunctioneerd. Dit in aanmerking genomen is schorsing en aansluitend ontslagaanzegging na de weigering van [geintimeerde] om een zijns inziens onjuiste opdracht uit te voeren veel te drastisch. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Havenbeheer zich niet voldoende heeft ingespannen om het geschil adequaat op te lossen en het functioneren van eiser te verbeteren en niet heeft onderzocht of eiser wellicht in een andere functie binnen het bedrijf beter tot zijn recht zou komen. De kantonrechter heeft daarom de beëindiging van de dienstbetrekking terecht als kennelijk onredelijk gekwalificeerd. De grief is ongegrond.

5.1 Grief III richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het feit dat [geintimeerde] op 16 mei 2006 bij Havenbeheer heeft gesolliciteerd niet betekende dat [geintimeerde] in zijn ontslag heeft berust en zijn recht om een vordering in te stellen vanwege kennelijk onredelijke beëindiging van de dienstbetrekking heeft verwerkt.

5.2 Het enkele feit dat [geintimeerde] de kans aangreep om weer aan het werk te kunnen gaan bij Havenbeheer bracht niet mee dat Havenbeheer er op mocht vertrouwen dat [geintimeerde] het ontslag niet langer kennelijk onredelijk vond. Evenmin mocht Havenbeheer er redelijkerwijs van uitgaan dat [geintimeerde] ook in het geval dat hij niet zou worden aangenomen, van zijn aanspraken zou afzien. Het oordeel van de kantonrechter in deze is dus juist. De grief faalt.

6.1 Grief IV betreft de aard van de bij kennelijk onredelijk ontslag toe te kennen schadevergoeding. Volgens appellante betreft deze vergoeding slechts compensatie van geleden immateriële schade. De kantonrechter heeft echter ook vergoeding van materiële schade toegekend. Appellante meent dat dit ten onrechte is geschied.

6.2 De schadevergoeding bij kennelijk onredelijke beëindiging van een dienstbetrekking is een bijzondere vorm van schadevergoeding wegens wanprestatie. De werkgever wordt die verschuldigd omdat hij niet als een goed werkgever heeft gehandeld. De rechter heeft een grote mate van vrijheid om de hoogte van de schadevergoeding te bepalen, maar hij moet daarbij zowel de materiële als de immateriële nadelen voor de werknemer in aanmerking nemen. Dat heeft de kantonrechter in dit geval gedaan. De grief wordt verworpen.

7 Nu de grieven ongegrond zijn en het hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het vonnis waarvan beroep, dient dit vonnis bevestigd te worden. Appellante wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van, 1 oktober 2007, A.R.No 06-3732, tussen partijen gewezen, waarvan beroep,

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerde in persoon ter terechtzitting is verschenen.

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-1999-13

H.M.

GENERALE ROL NO: 14076.

CHRISTOBAL COLON C.POR.A., gevestigd en kantoorhoudende te Isabel La Catolica 158 Santo Domin­go, Dominicaanse Republiek, voor wie als ge­machtig­de op­treedt, Mr.J.Kraag,

advokaat,

appel­lant,

t e g e n

A. [geintimeerde], wonende te [woonplaats], doch voorlopig verblijfhoudende te [district] aan boord van het m.v. [schip] gemeerd aan de Nieuwe Haven aan de van ’t Hogerhuysstraat te Paramaribo,

B. SURINAM COAST TRADERS N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Flocislaan no.4 te Paramaribo, door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat,

gein­ti­meerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 23 november 1993 en 27 juni 1995 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 juni 1996, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat CHRISTOBAL COLON C.POR A. en TROPEX INTERNATIONAL B.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoek­schrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stel­len tegen:

A. [geintimeerde], wonende te [woonplaats], doch voorlopig verblijfhoudende te [district] aan boord van het m.v. [schip] gemeerd aan de Nieuwe Haven aan de van ’t Hogerhuystraat te Paramari­bo,

B. SURINAM COAST TRADERS N.V., rechtspersoon, geves­tigd en kantoorhoudende aan de Flocislaan no.4 te Paramaribo, gedaagden;

2. Eiser sub B heeft aan eiser sub A de opdracht gegeven om voor haar rekening een charterovereenkomst reisbevrachting dat de m.s. (lees kennelijk: m.v.) [schip] gereed gemaakte motorschip te sluiten voor het vervoeren van een lading ruwe suiker in totaal 15.000 zakken vanuit Santo Domin­go naar Paramaribo, op of omstreeks 13 augustus 1990 ten behoeve van N.V.TAD’S TRADING CO. Gedaagde sub A heeft deze vervoersovereen­komst aanvaard en de opdracht uitgevoerd;

3. De verscheping zou plaatsvinden voor de prijs van U.S.$.350.250,–;

4. Bij aankomst in Paramaribo op of omstreeks 21 augustus 1990 c.q. bij de aflevering van voormelde ruwe suiker in de Haven van Paramaribo is gebleken, dat een deel van de vracht in een der laadruimten van de m.s. (lees kennelijk: m.v.) [schip] waterschade heeft opge­lo­pen, met gevolg dat de suiker onbruikbaar is gewor­den, c.q. bevonden;

5. Vermits voor de verscheping van voormelde vracht, de kapitein van het betreffend schip aansprakelijk is, is hij gehouden de schade hiervan te vergoeden;

6. Op kosten van eiser heeft de INDEPENDENT MARITIME BUREAU (SURINAME) N.V. een cargo damage survey report opgemaakt, waarbij is geconstateerd dat de hatch draine hose gelocaliseerd aan de onderzijde achterin van ruim 1 (één) is losgeraakt, met gevolg een lekkage waardoor zoutwater de laadruimte binnendrong, zodat 1624 van de zakken suiker zodanig nat werden, dat zij voor comsup­tie onbruikbaar werden verklaard;

7. Gedaagde sub A is kaptitein van het m.v. [schip] en derhalve volgens de Wet aansprakelijk terzake hande­lingen door het [schip] verricht en in rechte de vertegenwoordiger van de reeder;

8. De schade welke geconstateerd was bedraagt $.42.8­32,25, terwijl de expertisekosten f.1.275,– bedragen;

9. Terzake de vergoeding van voornoemde schade heeft eiser sub B als belanghebbende de SURINAM COAST TRADERS N.V. als eigenaar c.q. vertegenwoordiger bij schrijven van 5 februari 1991 aansprakelijk gesteld voor de schade welke zij geleden heeft, evenwel heeft zij bij terug­schrijven 10 oktober 1990 alsook 18 juni 1991, zich van iedere aansprakelijkheid onthouden, stellende daarbij dat de schade aan het schip het gevolg is van overmacht, hetgeen door eisers worden ontkent, en in een bodemvordering zal worden uitgemaakt;

10. Eisers zijn van oordeel, dat de schade welke zij hebben geleden te wijten is aan grove schuld c.q. nalatigheid van de reeder en of de kapitein van de m.s. [schip] in ieder geval zijn zij van oordeel dat de eigenaar van het schip niet die zorgvuldigheid in acht heeft genomen, waarvan verwacht kon dat de kapitein bij het inspecteren van het schip vóór de inlading deze zeewaardig, kon worden verklaard of had hij in ieder geval een survey daartoe hebben moeten doen plegen, waardoor de zeewaar­digheid van het schip in mate reder­lijkerwijs zou moeten zijn gegarandeerd;

11. Eisers meenden verder dat de reeder c.q. de kapi­tein moet worden verweten een persoonlijk tekort schie­ten in de redelijke zorg om het schip zeewaardig te houden, aangezien in casu geen sprake is van voorval welke in rederlijkerwijs zou kunnen worden afgewend indien de eigenaar c.q. de kapitein de nodige zorgvul­digheid aan de dag had gelegd, dan zou zulks voor hem, naar hij stelt, (het voorval) niet onvoorzien zijn geweest;

12. Gedaagden zijn derhalve aansprakelijk voor de schade welke eisers geleden hebben, welke thans opeis­baar is, alsgevolg van de door hun – gedaagden – ge­pleegde wanprestatie, met hun schuld daaraan;

13. Kortelings hebben eisers vernomen dat het schip de m.s. (lees kennelijk: m.v.) [schip] thans in de haven van Suriname gemeerd ligt, en doende is uit de varen;

14. Eisers hebben na daartoe verlof te hebben bekomen van de Kantonrechter bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie G.O.Niekoop d.d. 30 juli 1991 conser­vatoir beslag doen leggen op voormeld schip, welk beslag inmiddels is opgeheven, op 1 augustus j.l. middels overlegging van een bankgarantie zijdens ge­daagde sub B;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden hebben gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld des de één betalende de andere zal zijn bevrijd om aan eisers tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van U.S.$.42.832,25 (TWEE EN VEERTIG DUIZEND ACHTHONDERD TWEE EN DERTIG EN 25/100 U.S.DOLLARS), althans tegen de geldende dag­koers in Surinaams courant tegen de dag van voldoe­ning bene­vens het bedrag van f.1.275,– (EENDUIZEND TWEEHONDERD VIJF EN ZEVENTIG GULDEN), Kosten rechtens;

Overwegende, dat SURINAM COAST TRADERS N.V. als ge­daagde partij in eerste aanleg bij conclu­sie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – onder overleg­ging van produkties de vordering heeft bestre­den en daarbij heeft gecon­clu­deerd:

dat eisers in hun vordering niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, althans deze hen zal worden ontzegd als onge­grond en onbewezen, wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast be­schouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen bij mondelinge conclusies van re- en dupliek over en weer hebben gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partij­en heeft gelast en iedere verdere uitspraak heeft aangehouden;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden waana hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende dat ten dage voor conclusie na niet gehouden comparitie van partijen zijdens partijen de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 27 juni 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eisers vordering heeft ontzegd;

Eisers heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak be­groot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal CHRISTOBAL COLON C.POR A. in hoger beroep is gekomen van voor­meld eind­vonnis van 27 juni 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 10 juli 1998 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rech­tsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, terwijl advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens advokaat Mr.J.Kraag voor repliekpleidooi en advokaat Mr.H.E.Str­uiken namens advokaat Mr.B.A.

Halfhi­de voor dupliekpleidooi hebben gepersisteerd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 5 maart 1999, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat A.Christobal Colon C.Por A., één van de eisers in eerste aanleg, tijdig in hoger beroep gekomen is van het tussen partijen in eerste aanleg door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 27 juni 1995 (in de zaak bekend onder A.R.N­o.914613) gewezen en uitgesproken vonnis;

Overwegende, dat uit de stellingen van partijen en uit de inhoud van door hen overgelegde produkties het navol­gende gebleken is:

1. dat als eisers in eerste aanleg opgetreden zijn:

a. A. Chri­stobal Colon C. Por A. en B. Tropex Interna­ti­onal B.V., terwijl als gedaagden de geintimeerden in hoger beroep aan het geding deel­nemen.

2. dat alleen de eiser sub A, Christobal Colon C. Por A., in hoger beroep gekomen is van de eindbeslissing van de eerste rechter d.d. 27 juni 1995, terwijl uit de pleit­nota van 6 november 1998 blijkt dat Tropex Inter­natio­nal B.V., in eerste aanleg de eiser sub B, grieven tegen de beslissing van de eerste rechter aangedragen heeft zonder dat zij geappelleerd heeft;

3. dat de geintimeerden (in eerste aanleg de gedaagden) zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gemotiveerd (als meest verstrekkende verweer) aangegeven hebben waarom de eisers in eerste aanleg het geding ten on­rechte tegen hen aanhangig gemaakt hebben, namelijk omdat de ladingbelanghebbende Tad’s Trading Co was, daar de suiker (de lading van het schip) door Tropex International B.V. aan deze geleverd was door middel van het desbetreffende cognossement, welke ten processe over­gelegd is;

Overwegende, dat het thans dan ook niet terzake doende is om alle feiten van deze zaak hier aan de orde te stellen en daarover een oor­deel te geven, nu voors­hands al blijkt dat de eisers in eerste aanleg op het sub 3 bovengenoemde verweer van de geintimeerden in eerste aanleg noch in hoger beroep inge­gaan zijn en dus onbesproken hebben gelaten, waardoor dat verweer rech­tens tussen partijen is komen vast te staan;

Overwegende, dat de eerste rechter aan de eisers in eerste aanleg de vordering danook niet had moeten ontzeggen, doch hen daarin niet ontvankelijk had moeten verklaren, als zijnde zij geen belanghebbenden daarbij vanwege de overgang van het belang als eerder vermeld;

Overwegende, dat een ander gebrek van het aange­vochten vonnis is de summiere en onvoldoende motive­ring, waardoor het niet duidelijk is geworden, waarom de eerste rechter de vorde­ring als ”gemotiveerd be­twist” aan eisers heeft ontzegd;

Overwegende, dat de partij die het hoger beroep ingesteld heeft (Christobal Colon C.Por A.) geen grie­ven tegen het aangevoch­ten vonnis aangedragen heeft, doch ook al had zij dat gedaan, dan zou zij toch op boven aangege­ven gronden niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering;

Overwegende, dat op de grieven die door Tropex Internati­onal B.V. aangevoerd zijn helaas niet ingegaan kan worden, omdat zij als bovenvermeld niet in hoger beroep van de be­slissing van de Kantonrechter gekomen is; Overwegende, dat het Hof dan ook als na te melden recht zal doen, met veroordeling van de appellante, als de in het onge­lijk gestelde partij, in de gedingkosten in beide instan­ties;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken op 27 juni 1995, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart de appellant niet ontvankelijk in zijn vorde­ring;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in beide instan­ties aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot:

– in eerste aanleg op f.600,–;

– in hoger beroep op f.2.500,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.2.500­,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lante eveneens op f.2.500,–

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.

P.­G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 9 april 1999, in tegen­woor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat, Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde advo­kaat, Mr.J.KRAAG en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.ESSED namems hun gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uit­spraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1999-12

M.R.S.

GENERALE ROL NO.14013.

[appellant], wonende aan [adres 1] te

[district], voor wie als ge­machtigde optreedt advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,

appellant

t e g e n

[geintimeerde], wonende aan [adres 2], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.F.M.S.ISHAAK, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 20 november 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden descente zijn verschenen partij [appellant], vergezeld van zijn gemachtigde advokaat Mr.F.F.P.Truideman en partij [geintimeerde] vergezeld van haar gemachtigde advokaat Mr.F.M.S.Ishaak, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens geintimeerde bepaald, advokaat Mr.Ishaak heeft verklaard:

”Geintimeerde is in staat en bereid het litigieuze pand uiterlijk 15 januari 2000 te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van appellant te stellen”;

Overwegende, dat terzelfde terechtzitting advokaat Mr.L.H.R.Rogers namens Mr.F.F.P.Truideman heeft verklaard:

”Appellant gaat akkoord met deze termijn door geintimeerde gesteld maar vraagt dat een en ander in een vonnis wordt vastgelegd”;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat geintimeerde bij monde van haar advo­kaat, Mr.F.M.S.Ishaak, ter terechtzitting van 5 maart 1999 heeft doen zeggen dat zij in staat en bereid is het bovenge­deelte van de woning [nummer 1], [nummer 2], staande op het per­ceel, dat gelegen is aan [adres 2] te [district], op uiterlijk 15 januari 2000, te ontruimen en te verla­ten en ter vrije en algehele beschikking van appellant te stellen;

Overwegende, dat appellant ter gemelde terechtzitting bij monde van Mr.L.H.R.Rogers, advokaat, alstoen optredend namens Mr.F.F.P.Truideman, advokaat, heeft doen zeggen accoord te gaan met de door geintimeerde voorgestelde termijn;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zo juist overwogene er dan ook van uitgaat dat de overeenkomst van huur en verhuur betreffende voormeld bovengedeelte dan op 15 janua­ri 2000 met wederzijdse toestemming van partijen zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat het Hof dan ook van oordeel is, dat na al het voorgaande bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven niet meer behoeft;

Overwegende, dat het beroepen vonnis op grond van het boven­staande dient te worden vernietigd en dat opnieuw zal worden recht gedaan, als in het dictum te melden, onder alge­hele compensatie der proceskosten in hoger beroep en in dier voege dat iedere partij de hare draagt, achtende het Hof daartoe termen aanwezig;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP :

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 2 juli 1996;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE :

Veroordeelt geintimeerde het bovengedeelte van de woning [nummer 1], [nummer 2], staande op het perceel, dat gelegen is aan [adres 2] te [district], op uiterlijk 15 januari 2000, te ontruimen en te verlaten en, met medeneming van alle aan harentwege zich daarin bevindende personen en goederen, ter vrije en algehele beschikking van appellant te stellen; met machtiging op appellant om, indien geintimeerde weigeren mocht te ontruimen daartoe zelf over te gaan, des­noods met behulp van de Sterke Arm;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten aan de zijde van appellant in prima gevallen en begroot op Sf…….

Compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

bepalende het Hof het salaris van de advokaten van partijen op Sf……..elk;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 9 APRIL 1999, in tegenwoor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.F.M.S.ISHAAK, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-11

H.M.

GENERALE ROL NO: 13895.

[appellant], wonende aan [adres 1], [woonplaats],

[land 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

[geintimeerde], wonende aan [adres 2] te [district], voor wie als ge­mach­tigde optreedt, Mr.R.M.F.OEMAR, advo­kaat,

geinti­meerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 oktober 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [eiser] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter heeft gewend daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: [appellant], zonder bekende woon- of verblijfplaats in- of buiten Suriname, gedaagde;

2. Eiser legt hierbij over in fotokopie het af­schrift van de akte van verkoop en koop de d.d. 14 januari 1984 welk afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore alhier op 19 januari 1984 in register C 921 onder [nummer 1], met verzoek de inhoud hiervan hier als ingelast en letterlijk herhaald te willen beschouwen, waaruit blijkt dat eiser het half aandeel onverdeeld heeft gekocht in het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de La Parra de dato zeven januari negentienhonderd drieënveertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd eenendertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3];

3. Dat uit het relaas in de overgelegde akte ten aanzien van de eigendomsverkrijging van de verkoopster blijkt, dat tot de andere onverdeelde helft gerechtigd is de [appellant], de gedaagde;

4. Dat eiser niet langer in deze onverdeeldheid wenst te blijven en derhalve verschillende pogingen heeft ondernomen om gedaagde dan wel diens adres te achterha­len, echter zonder resultaat;

5. Dat vonnis van de Kantonrechter, de enige moge­lijkheid biedt om tot scheiding en deling van het onroerend goed in kwestie te kunnen geraken;

6. Eiser heeft recht en belang bij om scheiding en deling van het onroerend goed in kwestie in rechte te vorderen;

7. Aangezien eiser thans als notaris heeft de heer R.RAMAUTAR verzoekt hij de Kantonrechter hem R.RAMAU­TAR, als boedel notaris aan te wijzen, die de akte van boedel­scheiding na uitwerking door hem zal opmaken en verlij­den;

Overwegende dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad:

Gedaagde behalve ten aanzien van de kosten zal worden veroordeeld om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van het erf, met al hetgeen daarop staat, gele­gen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de La Parra de dato zeven januari negentienhonderd drieënveertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd eenendertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming van notaris R.RAMAUTAR, zo partijen niet anders overeenkomen ten overstaan van wie de werkzaamheden der scheiding en deling zullen plaatsvinden op de door deze of gekozen notaris te bepalen tijd en plaats en met benoeming van een onzij­dig persoon, om gedaagde te vertegenwoordigen bij niet verschijning voor de benoemde of gekozen notaris dan wel verschenen zijnde bij weigering om aan de werkzaam­heden van de scheiding en deling mede te werken en althans met bepaling, dat de kosten van dit geding en van de te benoemen notaris en onzijdig persoon ten laste zullen komen van de te verdelen boedel;

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegen­woordigd door zijn gemachtigde, deurwaarder B.Ghiraw ter terechtzitting is verschenen, terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hem verstek is verleend;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 maart 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om met eiser over te gaan tot scheiding en deling der boedelscheiding t.w. van het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district] aan [adres 3] op de kaart van de landme­ter J.C.de La Parra de dato zeven januari negen­tienhon­derd drie en veertig aangeduid met de letters A B C D en op de verzamelkaart van genoemde landmeter de dato zestien november negentienhonderd een en dertig bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming, zo partijen niet binnen een maand na betekening van het vonnis, anders daaromtrent zullen zijn overeengekomen, van R.RAMAUTAR, notaris te Paramaribo, tot notaris ten overstaan van wie de werk­zaamheden van die scheiding en deling zullen plaatsheb­ben op de door de notaris te bepalen plaats en tijd en van Mr.H.Matawlie, advokaat te Paramaribo tot onzijdig persoon om gedaagde bij die scheiding en deling te vertegenwoordigen, zo hij ingebreke blijft op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde weigeren mocht aan de scheiding en deling mede te werken;

Dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f……..;

Overwegende, dat vervolgens [appellant] zich bij verzoekschrift in verzet tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat opposant in verzet komt tegen het verstek vonnis bekend onder A.R.No. 92/3644, gewezen en uitge­sproken op 15 maart 1993, in het Eerste Kanton met als gedaagde [appellant], thans opposant; en als eiser [geintimeerde], thans geopposeerde, wonende aan [adres 2] te [district], domicilie kiezende aldaar aan de Kromme Elleboog­straat no.7, ten kantore van B.Ghiraw, deurwaarder bij het Hof van Justitie in Suriname;

2. dat opposant, als blijkt uit het vonnis van 15 maart 1993, werd veroordeeld, met uitvoerbaar verkla­ring om met de geopposeerde over te gaan tot scheiding en deling der boedelscheiding t.w.:

”Van het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [district], aan [adres 3] op de kaart van de landmeter J.C.de la Parra d.d. 7 januari 1943 aangeduid met de letters ABCD en op de verzamelkaart van genoemde landmeter d.d.16 november 1931 bekend als Serie A [nummer 2], thans bekend als Wijk B [nummer 3], met benoeming van notaris R.RAMAUTAR, tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van die scheiding en deling zullen plaatsvinden, zo door partijen niet binnen één maand daaromtrent zal zijn beslist, en Mr.H.Matawlie als onzijdig persoon”.

Het vonnis d.d. 15 maart 1993, A.R.no.92/3644 wordt hierbij in fotokopie overgelegd met verzoek aan de Kantonrechter de inhoud daarvan, alsook de nader over te leggen produkties als letter­lijk herhaald en geinse­reerd te beschouwen (zie prod. no.1);

3. dat uit de hierbij in fotokopie overgelegde akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van Mr.R­ad­jen Anand Soerdjbalie, waarnemende het notariaat van notaris Ramdew Ramautar, het onverdeeld aandeel van opposant van het bij het 2e ”dat” omschreven onroerend goed aan geopposeerde werd verkocht en ingeschreven ten hypotheekkantore op 16 december 1993 in [register deel en nummer 1].

De akte maakt er voorts melding van, dat het litigieuze perceel door drie beëdigde makelaars werd getaxeerd voor een bedrag, groot Sf.479.728,– (VIER­HONDERD NEGEN EN ZEVENTIGDUIZEND ZEVENHONDERD ACHT EN TWINTIG GULDEN) en zou de overbedeling bedragen Sf.139.864,– (HONDERD NEGEN EN DERTIGDUIZEND ACHTHON­DERD VIER EN ZESTIG GULDEN) (zie prod. no.2);

4. dat opposant omtrent voormelde verkoop van zijn eigendom onlangs op informele wijze op de hoogte kwam en het een en ander zich volledig buiten zijn medeweten om heeft voltrokken en is hij ook in hoge mate bena­deeld.

Noch omtrent de verkoop aan geopposeerde door mevrouw [naam 1] gerechtigde tot de helft van het aandeel onverdeeld in het litigieuze onroerend goed, noch omtrent het proces, terzake de scheiding en deling (A.R.92/3644) en de daarop gevolgde verkoop van het aan opposant in eigendom toebehorend aandeel onverdeeld, is hij in kennis gesteld.

Een dagvaarding terzake om ten processe of bij de notaris te verschijnen, heeft hem ook nimmer bereikt.

Opposant legt hierbij over de onderhandse akte d.d. 12 feb­ruari 1980, waaruit blijkt, dat bij mevrouw [naam 1] de wetenschap aanwe­zig was omtrent de kontakt persoon – de Hr.Makdoebaks S., met wie zij tijdens haar vakantie verblijf in Suriname altijd kontakt heeft gehad op zijn huisadres op het litigieuze perceel, terwijl het adres van eiser in Nederland haar ook bekend was (zie prod. no.3);

5. dat geopposeerde wel bewust ten processe heeft doen voorkomen alsof hem omtrent het adres van eiser, dan wel het bestaan van de kontakt persoon – de [naam 2], die woonachtig was op het litigieuze perceel niets bekend is, om zodoende bij verstek het een en ander gerealiseerd te krijgen.

Immers, tijdens de vakantie van opposant in [land 2] in de jaren 1987/198­8, werd hij door geopposeerde benaderd inzake de verkoop van zijn onverdeeld aandeel in het litigieu­ze onroerend goed. Dat was ten huize van de familie [naam 3] aan [adres 4], [district], alwaar geopposeerde toen logeerde en werd in aanwezig­heid van de gemachtigde de [naam 2] uitdrukke­lijk aan geopposeerde voorgehouden, dat opposant niet voornemens is zijn deel in het litigieuze onroerend goed te verko­pen;

6. dat op het litigieuze perceel bekend als Serie A [nummer 2], Wijk B [nummer 3], een oppervlakte beslaat groot (17,5 x 200) is gelijk aan 3500 m², vier (4) gebouwen staan, genummerd 266, 268a, b en c.

De verdeling van het onroerend goed in twee gelijke delen van 1750 m², is namelijk een reële mogelijkheid (zie prod.no.4);

De onzijdige persoon wordt dan ook verweten, de belan­gen van opposant bij de scheiding en deling en de daarop gevolgde verkoop van zijn eigendom niet, althans in onvoldoende mate te hebben behartigd. Temeer waar het hem bekend was, getuige de verstek-veroordeling, dat gekozen is voor het model van de onbekende woon­plaats, wetende dat langs die weg een verstek-vonnis kan worden bekomen. Van enige beïnvloeding bij de scheiding en deling als vertegenwoordiger, ten gunste van opposant, is – gezien het verloop van het e.e.a. niet gebleken.

Evenmin is officieël iets bekend omtrent het geldbe­drag, groot Sf.139.864,– (HONDERD NEGEN EN DERTIGDUI­ZEND ACHTHONDERD VIER EN ZESTIG GULDEN), waarvan mel­ding wordt gemaakt bij de akte d.d. 2 decem­ber 1993. Ten blijke van de benadeling tengevolge van de verkoop van het eigendom van opposant, wordt hierbij overgelegd een fotokopie uit de klapper van de door de notarissen in [land 2] gehanteerde minimum prijzen per m² in Paramaribo. Vanaf [adres 5] tot [adres 6], bedraagt de prijs per m² minimaal Sf.1500,– (DUIZEND VIJFHONDERD GULDEN). De helft van het perceel, groot 1750 m² had minstens moeten opbrengen Sf. (1750 x 1500) = Sf.2.625.000,– (TWEE MILJOEN ZES HONDERD VIJF EN TWINTIG DUIZEND GULDEN) (zie prod.no.­5);

7. dat opposant zich formeel beroept op de nietig­heid, c.q. vernietigbaarheid van de akten d.d. 14 januari 1984 – verleden ten overstaan van notaris Rudolf Srimansing Hira Sing, waarbij mevrouw [naam 1] het onverdeeld aandeel in het litigieuze onroerend goed verkoopt aan de geopposeerde -, alsook de akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van Mr.Radjen Anand Soerdjbalie, kandidaat notaris, waarnemende het kantoor van notaris Ramdew Ramautar, waarbij de andere helft van het onverdeeld aandeel toekomende aan opposant, middels rechterlijke tussen­komst werd verkocht aan de geopposeerde. Immers, de koop/verkoop op 14 januari 1984 en daarop gevolgde levering, c.q. de inschrijving ten hypotheek­kantore op 19 januari 1984, in [register deel en nummer 2] van voormelde akte, is totstand gebracht, terwijl de schei­ding en deling van het litigieuze onroerend goed nog geen feit was. Bij de daarop vol­gende koop/verkoop op 2 december 1993 van de andere helft van het litigieuze onroerend goed, is volstrekt ten onrechte door de geopposeerde ervan uitgegaan, dat hij rechtens reeds de eigenaar is van de ene helft onverdeeld en ook bevoegd zou zijn de scheiding en deling te vorderen;

8. dat opposant zeer uitdrukkelijk stelt, dat naar algemeen aanvaarde rechtsleer het niet mogelijk is een onverdeeld aandeel van een gerechtigde in één of meer onroerende goederen te vervreemden, hetgeen blijkens de akte in casu d.d. 14 januari 1984 wel heeft plaatsgehad en volgt daaruit de nietigheid, c.q. vernietigbaarheid daarvan, alsmede de daarna totstand gekomen akte, ongeacht de wijze waarop de andere helft de rechtmatige eigenaar is ontnomen, buiten zijn medeweten om;

9. dat opposant aanbiedt de kosten van deze procedure te dragen en verzoekt hij de Kantonrechter hem goed opposant te verklaren;

Overwegende, dat opposant op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. nietig zal worden verklaard, c.q. zal worden vernietigd de akte d.d. 14 januari 1984, verleden ten overstaan van notaris Rudolf Srimansing Hira Sing, ingeschreven ten hypotheekkantore op 19 januari 1984 in [register deel en nummer 2];

b. nietig zal worden verklaard, c.q. zal worden vernietigd de akte d.d. 2 december 1993, verleden ten overstaan van de kandidaat notaris Mr.Radjen Anand Soerdjbalie, waarnemende het notariaat van notaris Ramdew Ramautar, ingeschreven op 16 december 1993 in [register deel en nummer 1];

c. zal worden vernietigd het vonnis bij verstek gewezen en uitgesproken op 15 maart 1993 in het Eerste Kanton bekend onder A.R.92/3644, met opposant als gedaagde en geopposeerde als eiser, en opnieuw recht­doende geopposeerde in zijn oorspronkelijke vordering niet te ontvangen, c.q. hem de vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en of onbewezen;

d. opposant alsdan zal worden verklaard, goed oppo­sant. Het een en ander onder aanbieding door opposant van de kosten ten deze;

Overwegende, dat de geopposeerde bij mondelinge conclusie van antwoord heeft verklaard: ”Ik wens een raadsman in de hand te nemen om verder te procederen”;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 13 decem­ber 1994, advokaat Mr.R.M.F.Oemar de Kantonrechter heeft medege­deeld dat hij zich als gemachtigde van geopposeerde in de zaak stelt, waarna hij een schrifte­lijke conclusie van antwoord in oppositie heeft geno­men, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van opposant een schriftelijke conclusie van repliek in oppositie heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 11 april 1995 op de daarin opgenomen gronden;

Opposant kwaad opposant heeft verklaard;

Het verstek vonnis d.d. 15 maart 1992 tussen partijen heeft bekrachtigd;

Opposant heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van geopposeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 april 1995 blijkt dat [appellant] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eindvonnis van 11 april 1995.

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 9 januari 1997 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak was bepaald op 3 oktober 1997;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de Griffier van het Hof de door het Hof verlang­de stukken ten processe heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies tot uitlating omtrent voormelde stukken hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 februari 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en vol­hardt bij hetgeen in zijn tussenvonnis van 3 oktober 1997 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de processtukken, één en ander voor zover niet betwist, het volgende vaststaat:

  1. bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 12 oktober 1992, heeft geintimeerde, toen-eiser, kort samengevat, gevorderd dat appellant, toen-gedaagde, zou worden veroordeeld om met hem, geintimeerde, over te gaan tot scheiding en deling van het in bedoeld verzoekschrift nader omschreven erf, met benoeming van R.Ramautar tot notaris en een onzijdig persoon;
  2. het gevorderde is bij verstekvonnis van 15 maart 1993 toegewezen, met benoeming van Mr.H.Matawlie tot onzijdig persoon;
  3. bij akte, verleden ten overstaan van Mr.R.A. Soerd­jbalie, kandidaat-notaris, als plaatsvervanger van notaris R.Ramautar, waarbij hebben gecompareerd geinti­meerde in persoon en Mr.H.Matawlie in zijn hoedanigheid van onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van de appellant, is aan geintimeerde het erf en aan appellant Sf.139.864 (lees: Sf.239.864; zie verklaring van nota­ris Ramautar d.d. 28 november 1994) toebedeeld;
  4. appellant heeft bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Kantongerecht op 22 april 1995, verzet tegen het hierboven onder 2 genoemd verstekvonnis aangetekend;
  5. bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 11 april 1995 is het verstekvonnis ”d.d. 15 maart 1992” bevestigd;

Overwegende, dat appellant heeft aangevoerd dat in het vonnis van 11 april 1995 ten onrechte staat dat [appellant] is overleden en in dat vonnis ten onrechte in het dictum staat vermeld ”vonnis d.d. 15 maart 1992”;

Overwegende, dat beide verwijten terecht zijn en wel omdat, naar tussen partijen vaststaat, niet [appellant] maar [naam 4] is overleden en omdat het verstekvonnis dateert van 15 maart 1993 en niet van 15 maart 1992;

Overwegende, dat, nadat de griffier der Kantonge­rechten, ter uitvoering van ’s Hofs tussenvonnis, het verzoekschrift d.d. 12 oktober 1992 met bijlagen, het in eerste aanleg uitgebrachte exploit van oproeping van appellant met bijlagen en een afschrift van het vonnis d.d. 15 maart 1993 had overgelegd, appellant, naar het Hof begrijpt, zijn grief tegen het beroepen vonnis hiertoe heeft beperkt dat door het ontbreken van het exploit, waarbij het verstekvonnis aan appellant is betekend en het Advertentieblad van de Republiek Suri­name, waarin de betekening van het exploit is opgeno­men, hij, appellant op geen enkele wijze van de schei­ding en deling op de hoogte is gebracht, zodat het vonnis van 11 april 1995 niet in stand kan blijven;

Overwegende, dat in het verzetrekest, kort gezegd, wordt verzocht om (a) nietigverklaring c.q. vernieti­ging van de akte d.d. 14 januari 1994, (b) n­ietigverklaring c.q. vernietiging van de akte d.d.2 december 1993 en (c) vernietiging van het verstekvonnis d.d. 15 maart 1993 en niet-ontvankelijkverklaring van appellant, althans ontzegging van zijn vordering;

Overwegende, dat het verzet ertoe strekt om de oorspronkelijke gedaagde in de gelegenheid te stellen om alsnog verweer te voeren tegen de oorspronkelijke eis;

Overwegende, dat de oorspronkelijke gedaagde van die gelegenheid gebruik kan maken om een tegenvordering in te stellen;

Overwegende echter, dat uit niets blijkt dat appellant als oorspronkelijke gedaagde een dergelijke vordering heeft willen instellen, zodat aan de hierbo­ven onder (a) en (b) weergegeven verzoeken verder wordt voorbijgegaan;

Overwegende, dat, ook indien appellant niet op de hoogte is gebracht van de scheiding en deling, dit de gronden waarop het vonnis van 15 maart 1993 is gewezen niet aantast en de grief faalt;

Overwegende, dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, tussen partijen gewezen en op 11 april 1995 uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f….

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f………

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f……..

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 5 maart 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advok­aat Mr.R.Baldew namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.­P.­TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.M.F.OEMAR, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.