SRU-HvJ-1988-2

HvJ 18 MAART 1988

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat 3, advokaat Mr.A.L.TJON KWAN PAW, verweerder,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 16 oktober 1987 tussen partijen gewezen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon en de heer S.Ramsaran, Onder-Direkteur van Financien, gevolmachtigde van de Staat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na comparitie van partijen zijdens partijen bepaald, Mr.U.van der Veld namens Mr.A.L.Tjon Kwan Paw het Hof heeft medegedeeld, dat het salaris van verzoeker vanaf 1 juli tot november 1986 is betaald en dat aan verzoeker salaris wordt uitbetaald tot op heden;

Voorts dat verzoeker zal worden uitbetaald totdat het Hof uitspraak zal hebben gedaan in de zaak, terwijl advokaat A.B.Hirasing namens Mr.G.Gangaram Panday heeft gepersisteerd en vonnis gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd betwist vaststaat, dat verzoeker in juli 1985 in dienst is getreden van verweerder (de Staat Suriname,Ministerie van Financien) als ambtenaar B 2e klasse bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor tegen een salaris van f.546,– bruto per maand, afschrift van zijn aanstelling is hem niet verstrekt;

dat verzoeker van de Direkteur van het Ministerie van Financien namens deze getekend door het hoofd Personele Zaken heeft ontvangen een schrijven de dato 19 september 1986, [kenmerk], inhoudende;

“Hierbij wordt U medegedeeld dat U tijdens het verloop van Uw proeftijd als ambtenaar B 2e klasse bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor onvoldoende blijken van geschiktheid heeft betoond en daardoor niet aan de gestelde eisen heeft voldaan. In verband hiermede is Uw voorlopige tewerkstelling bij genoemde dienst te rekenen van 1 juli 1986 beeindigd”;

Overwegende, dat verzoeker – voorzover ten deze van belang heeft gesteld, aldus zijn stellingen opvattend, dat de Direkteur van Financien ingevolge de Personeelswet onbevoegd is hem – verzoeker – ontslag te verlenen en ondermeer op grond daarvan heeft gevorderd, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– het in het bovenaangehaalde schrijven van de Direkteur van Financien de dato 19 september 1986 vervatte besluit te vernietigen, met herstel van hem – verzoeker – in de functie van ploeglid bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor van het Ministerie van Financien als Ambtenaar B 2e klasse, met veroordeling van verweerder om aan verzoker ingaande 1 juli 1986 maandelijks het salaris van f.546,– uit te betalen en de aan verzoeker toekomende vakantiegelden en verweerder voorts een dwangsom op te leggen van f.100,– per dag voor elke dag dat hij in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen;

Overwegende, dat artikel 2 lid 1 sub a van het Besluit Instelling en Taakomschrijving Departementen van “Algemeen Bestuur 1986 aldus luidt:”Met inachtneming van de terzake geldende wettelijke regelingen zijn de Ministers bevoegd tot: benoeming, schorsing en ontslag van personeel”; artikel 3 lid 2 van genoemde besluit luidt:”De Ministers kunnen, behoudens goedkeuring door de Raad van Ministers, de in artikel 2 lid 1 bedoelde bevoegdheden voor bepaalde door hem aan te wijzen onderwerpen aan tot hun departement behorende ambtenaren met een leidende functie overdragen”;

Overwegende, dat nu verweerder niet heeft gesteld of doen blijken, dat de Minister van Financien conform gemelde wettelijke bepaling aan de Direkteur van het Ministerie van Financien de bevoegdheid tot ontslag van verzoeker heeft overgedragen, verzoeker naar’s Hoven oordeel,terecht het standpunt inneemt dat de Direkteur van Financien onbevoegd was hem te ontslaan;

Overwegende, dat het in de brief de dato 19 september 1986 vervatte besluit van de Direkteur van Financien dan ook nietig is;

Overwegende, dat verzoeker ter bevolen en gehouden inlichtingen-comparitie de dato 13 november 1987 voor zover van belang heeft verklaard:”Op 4 december 1986 kreeg ik een oproep om mij weer aan te melden voor het werk. Door de Direkteur van Financien werd mij medegedeeld dat ik nog aan het werk was. De feitelijke situatie is eigenlijk zo dat ik aan het werk ben, maar thuis moet blijven. Ik ontvang dus weer salaris vanaf eind december 1986”;

Overwegende, dat verweerder deze door verzoeker aan het Hof verstrekte informaties niet heeft betwist, zodat deze tussen partijen in confesso zijn;

Overwegende, dat ter terechtzitting van het Hof van Justite van 8 januari 1988, verweerder bij monde van Mr.U. van der Veld, namens zijn procesgemachtigde Mr.A.L.Tjon Kwan Paw heeft verklaard:” Het salaris van verzoeker vanaf 1 juli tot november 1986 is betaald en dat aan verzoeker salaris wordt uitbetaald tot op heden’;

Overwegende, dat verzoeker deze aan het Hof alstoen verstrekte informaties niet heeft weersproken, zodat het Hof deze als juist zal aannemen;

Overwegende, dat de consequentie van het voorgaande is dat verzoeker’s vordering zal worden toegewezen alsvolgt:

RECHTDOENDE ALS AMBTENARENGERECHT :

Verklaart nietig het in het schrijven van de Direkteur van Financien d.d. 19 september 1986, [kenmerk] vervatte besluit strekkende tot beeindiging van verzoeker’s voorlopige tewerkstelling als ambtenaar B 2e klasse bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor;

Veroordeelt verweerder aan verzoeker maandelijks vanaf 1juli 1986 te betalen zijn salaris van f.546,– (VIJFHONDERD ZESENVEERTIG GULDEN) met dien verstande dat hierop in mindering wordt gebracht het reeds vanaf die datum bereids betaalde salaris en de hem – verzoeker – toekomende vakantiegelden;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President,Mr.J.R.VON NIESEWAND en Mr.E.S.OMBRE, Leden en door Mr.J.R.VON NIESEWAND, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 18 MAART 1988, in tegenwoordigheid van K.PULTOO, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.MUNGRA namens zijn gemachtigde advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.U.van der Veld namens haar gemachtigde advokaat Mr.A.L.TJON KWAN PAW, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-1988-1

HvJ 22 JANUARI 1988

[verzoeker], wonende te [woonplaats] in [district 1], thans [district 2], advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT,

verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME,rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3 te paramaribo en ter terechtzitting vertegenwoordigd wordende door advokaat Mr.F.KRUISLAND,

Verweerder,

De waarnemend-president spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien ‘s Hofs interlocutoire vonnissen respektievelijk van 22 februari 1985 en 9 augustus 1985 tussen partijen gewezen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN;

Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ‘s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ingevolge laatstvermeld vonnis het verhoor bij rogatoire-commissie van de [getuige] heeft plaatsgevonden, hebbende die getuige verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt, hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker in de contra-enquete twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt, hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna heeft afgezien van verder getuigenverhoor, waarna het Hof de enquête voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken conclusies na gehouden enquête hadden genomen, het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 11 december 1987, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn interlocutoir vonnis van 9 augustus 1985 en zich daarnaar zal gedragen;

Overwegende, dat het Hof verweerder op grond van de verklaringen der aan zijn zijde gehoorde getuigen, in onderling verband en samenhang beschouwd, geslaagd acht in het van hem verlangde bewijs, welk bewijs door de verklaringen der aan de zijde van verzoeker gehoorde getuigen niet is weerlegd of ontzenuwd;

Overwegende, dat mitsdien de bedreiging door verzoeker jegens de toenmalige Direkteur van de Regionale Gezondheidszorg,Drs.P.M.GERLACH, is komen vast te staan;

Overwegende, dat het Hof dit feit van zo ernstige aard acht,dat dit voldoende grond oplevert om op verzoeker de tuchtmaatregel van ontslag toe te passen;

Overwegende voorts ten overvloede, dat eveneens is komen vast te staan, dat verzoeker op de data in de ontslagresolutie vermeld van zijn werk afwezig was;

– dat deze dagen niet door een geneeskundige verklaring gedekt zijn;

Overwegende, dat verzoeker stelt, dat hem terzake hooguit administratieve nonchalance kan worden verweten, maar dat niet zo zou zijn, dat hij in die perioden niet wegens ziekte buiten staat zou zijn geweest zijn werkzaamheden te verrichten;

Overwegende, dat dit laatste weerlegd door de bevinding van de Geneeskundige Commissie, welke bevinding in de ontslagresolutie is aangehaald;

Overwegende, dat het naar’s Hoven oordeel waar mag zijn, dat artsen bij de beoordeling of iemand in staat is te werken, tot verschillende conclusies kunnen komen, doch in casu dient het oordeel van de Geneeskundige Commissie de doorslag te geven;

Overwegende, wijders, dat verzoeker nog heeft gesteld, dat hem stilzwijgend ziekteverlof is verleend;

Overwegende, dat het Hof dit standpunt van verzoeker niet deelt;

– dat toch een stilzwijgend verlening van ziekteverlof naar ‘s Hoven oordeel alleen kan geschieden, indien het terzake bevoegde gezag van de afwezigheid op de hoogte is, van de oorzaak daarvan – in casu “ziekte”en duidelijk de houding aanneemt, op grond daarvan, die afwezigheid te aanvaarden;

– dat zulks echter geenszins het geval is geweest, hetgeen blijkt uit het terzake door het bevoegde gezag ingestelde onderzoek en de vervolgens aan verzoeker uitgebrachte ingebrekestelling;

Overwegende, dat naar ‘s Hoven oordeel verzoeker derhalve ongeoorloofd

Afwezig was, terwijl hij – naar erkend is komen vast te staan – in die perioden particulier praktijk deed;

Overwegende tenslotte, dat het Hof voorgaande gedragingen van verzoeker in aanmerking nemende, deze ernstig genoeg acht om de opgelegde tuchtstraf van ontslag te rechtvaardigen, weshalve zowel de primaire als de subsidiaire vordering aan verzoeker dienen te worden ontzegd;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt verzoeker zijn primaire en subsidiaire vordering.

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President, Mr.S.GANGARAM PANDAY en mr.E.S.OMBRE,Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 JANUARI 1988, IN TEGENWOORDIGHEID VAN u. weerwind-lemen, fungerend-Griffier

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.R.LIEUW ON namens zijn gemachtigde advokaat mr.F.KRUISLAND zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2017-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellant sub A],

B. [appellant sub B],

beiden wonende te [district],

appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “[appellanten]”,

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

Stichting Zambrotta, rechtspersoon,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Stichting”,

gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 12 juni 2014 (A.R.No. 12-4859) tussen de Stichting als eiseres en [appellanten] als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] bij schriftelijke verklaring van hun procesgemachtigde op 2 juli 2014 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 6 februari 2015;

– de antwoord pleitnota d.d. 20 maart 2015, met producties;

– de repliek pleitnota d.d. 5 juni 2015, met producties;

– de dupliek pleitnota en tot uitlating producties d.d. 5 november 2015, welke op
6 november 2015 is overgelegd.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2 [appellanten] zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak.
Het vonnis is bij griffiersbrief van 25 juni 2014 aan partijen toegezonden.
[appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 2 juli 2014 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten

3.1 [naam 1] c.s. hebben bij akte krediethypotheek op 23 oktober 1990 verleden ten overstaan van notaris mr. L.D. Hira Sing ten behoeve van de Surinaamse Bank N.V. – hierna aangeduid als “DSB”- hypotheek doen vestigen op onder meer het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 2.26 ha. gelegen te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter C.W. Mecidi de dato 31 oktober 1958 met de letters EFGHIBCD en deel uitmakende van het resterende gedeelte van het perceelland, groot 3.18 ha, in stede van 3,26 ha, zoals gemeld op de figuratieve kaart van de landmeter F. Emanuels de dato 13 mei 1947 met de letters AB’C’D, gedeelte van [gebied], gelegen aan de linkeroever van de [rivier], welk onroerend goed hierna wordt aangeduid als “het perceelland”.
De akte krediethypotheek is op 21 november 1990 ingeschreven ten hypotheekkantore in register B [nummer 1].

3.2 [naam 1] c.s. hebben bij akte van 8 januari 1991 verleden ten overstaan van notaris R.S. Hira Sing een deel van het perceelland, en wel een gedeelte groot 1,7185 ha, gelegen aan [adres 1], aangeduid op de kaart van de landmeter G.R. Liesdek de dato 12 december 1990 met de letters BIKC, hierna aangeduid als “perceel 1”, verkocht en geleverd aan [naam 2], [naam 3] en [naam 4], die hierna gezamenlijk worden aangeduid als “[groep]”. Voornoemde akte is op het hypotheekkantoor ingeschreven op 11 januari 1991 in register C [nummer 2].

3.3 DSB heeft in februari 1994 aan [naam 1] c.s. de openbare verkoop van het perceelland aangezegd.
In de aan de openbare verkoop vooraf gegane advertenties is bekend gemaakt dat het perceelland zou worden verkocht, met uitzondering van perceel 1.
Op 8 februari 1994 is ten kantore van notaris W.H. Tjon, notaris in Suriname, het perceelland, inclusief perceel 1, geveild.
Perceel 1 is gegund aan Balona N.V. Het resterend gedeelte van het perceelland groot 5467 m² – hierna aangeduid als “perceel 2”- is gegund aan [appellanten].
De van de openbare verkoop door notaris W.H. Tjon opgemaakte akte gedateerd 8 februari 1994 – hierna aangeduid als de veilingakte – is ten hypotheekkantore overgeschreven in register C [nummer 3].

3.4 [groep] heeft in een procedure in kort geding gevorderd dat Balona N.V. wordt bevolen c.q. zal worden gelast om alle activiteiten en/of handelingen met betrekking tot perceel 1 onmiddellijk te staken, alsook dat Balona N.V zal worden veroordeeld om zich te onthouden van elke handeling die het eigendomsrecht van [groep] kan schaden.
De kantonrechter heeft in die procedure bij vonnis in kort geding van 1 december 1994 de gevraagde voorzieningen geweigerd.

3.5 [groep] is vervolgens in hoger beroep gekomen tegen het onder 3.4 genoemd vonnis.
Het Hof van Justitie heeft hierop in hoger beroep bij vonnis de dato 2 juni 1995, G.R.No. 13492, het vonnis van 1 december 1994 vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering toegewezen.

3.6 Bij akte van 12 april 2001 verleden door mr. Carlo Randjit Jadnanansing, notaris in Suriname, is onder verwijzing naar het vonnis van het Hof d.d. 2 juni 1995, G.R.No. 13492, en het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 november 1995, A.R.No. 95-5828 door voornoemde notaris vastgesteld dat [naam 1] c.s. de eigenaren van perceel 2 zijn gebleven. Deze notariële akte is op 18 mei 2001 ten hypotheekkantore overgeschreven in register C [nummer 4].

3.7 Bij akte van 26 maart 2002 verleden voor mr. Derrick Alexander, notaris in Suriname hebben [naam 1] c.s. perceel 2 verkocht en geleverd aan [naam 5].

3.8 [naam 1] c.s. hebben in een bodemprocedure bekend onder A.R.No. 02-0028 die zij hebben aangelegd tegen onder andere [appellanten] gevorderd dat de veilingakte wordt vernietigd, althans wordt nietig verklaard en dat voor recht wordt verklaard dat zij eigenaren zijn van perceel 2. De Kantonrechter heeft in deze procedure bij vonnis van 1 november 2005 voor recht verklaard dat [naam 1] c.s.eigenaren zijn van perceel 2.
Daartoe is door de kantonrechter overwogen:
De kantonrechter verenigt zich met het voorlopig oordeel van het Hof (Hof: dit is het vonnis van 2 juni 1995, G.R.No. 13492)(…)en de daaraan door het hof ten grondslag gelegde overwegingen. Dat brengt met zich dat ook de kantonrechter tot de conclusie komt dat zowel de verkoop als de levering niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden, waardoor niet alleen de in het Hofvonnis figurerende geïntimeerde partij Balona N.V. geen eigenaar is geworden maar evenmin de overige kopers op de veiling, te weten partij [appellant], naar reeds in het vonnis van de kantonrechter van 17 november 1995 is beslist”.

3.9 [appellanten] hebben bij schrijven van hun procesgemachtigde op 7 november 2005 hoger beroep aangetekend tegen het onder 3.8 vermeld vonnis.

3.10 Bij akte geldlening van 13 oktober 2006 heeft [naam 5] hypotheek doen vestigen op perceel 2.

3.11 Perceel 2 is op 27 juli 2007 in het openbaar verkocht en gegund aan de Stichting.

3.12 In de procedure bekend onder A.R.No. 07-3501 tussen de Stichting enerzijds en [appellanten] anderzijds, is bij vonnis in kort geding van 10 november 2008 de door de Stichting gevorderde ontruiming van perceel 2 geweigerd, waarbij door de kort geding rechter is overwogen dat [appellanten] moeten worden aangemerkt als eigenaren van perceel 2.
De Stichting heeft bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 18 december 2008 hoger beroep aangetekend tegen voormeld vonnis.

3.13 De Stichting heeft hierna wederom een vordering ingesteld tegen [appellanten].
Deze vordering is bekend onder A.R.No. 12-4859.

De procedure in eerste aanleg bekend onder A.R.No. 12-4859

4.1 De Stichting heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. [appellanten] te gelasten om binnen 1 (een) week na het te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het pand aan de [adres 2] te [district] te ontruimen met medeneming van alles wat en iedereen die zich te hunnentwege aldaar mocht bevinden en ter algehele en vrije beschikking te stellen van de Stichting door afgifte van de sleutels aan de Stichting;
B. de Stichting te machtigen om desnoods met behulp van de Sterke Arm [appellanten] alsook alles wat en iedereen die zich te hunnentwege aldaar bevinden te ontruimen, indien zij geen gevolg geven aan het te wijzen vonnis.

4.2 De Kantonrechter heeft in deze procedure in het vonnis waarvan beroep – hierna aangeduid als “het vonnis”- het gevorderde toegewezen.
Daartoe is onder meer overwogen dat, hoewel [appellanten] geen partij waren bij de procedure die heeft geleid tot het vonnis gewezen door het Hof op 2 juni 1995, de constatering dat de veilingkoop niet rechtsgeldig is wel in een zaak mag worden aangevoerd waarbij [appellanten] wel partij zijn; zij kunnen immers in die zaak wel hun standpunten daarover naar voren brengen, gelijk is geschied in de bodemzaak met A.R.No. 02-0028, waarin vonnis is gewezen op 1 november 2005.
Geconstateerd is dat ook in dat vonnis is geoordeeld dat [appellanten] geen eigenaar zijn geworden van perceel 2 en dat de overschrijving door [appellanten] ten onrechte is geschied.
De kantonrechter heeft op grond van het voorgaande geoordeeld dat de grondslag voldoende aannemelijk is gemaakt, zodat het gevorderde toewijsbaar is.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 [appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

5.2 [appellanten] hebben tegen het bestreden vonnis de volgende grieven ingebracht:
Grief 1: de kantonrechter heeft ten onrechte de akte overlegging hypothecair uittreksel, met producties, niet betrokken bij de beoordeling. [appellanten] hebben gesteld dat het processtuk niet als processtuk is genoemd onder de kop “1. Het verloop van het geding” en dat er in het vonnis ook niets over wordt gezegd.

Grief 2: Ten onrechte is de kantonrechter er bij de feiten van uitgegaan dat bij eerder genoemd vonnis in kort geding van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, het Hof heeft geoordeeld dat het proces-verbaal van de veiling d.d. 8 februari 1994 geen authentieke akte is in de zin van artikel 670 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en derhalve absoluut nietig is en dat er dus geen levering heeft plaats gehad aan Balona N.V. [appellanten] zijn van oordeel dat uit het voornoemd vonnis van het Hof een dergelijk oordeel niet blijkt en evenmin dat de akte d.d. 8 februari 1994 “absoluut nietig is”.

Grief 3: de kantonrechter is onder de feiten ten onrechte uitgegaan van:
2.12 Perceel 2…; waarbij aantekening is gemaakt van de hypothecaire inschrijving van de akte ingeschreven op 21 januari 2009 in register B deel [nummer] ten behoeve van Stg. Cherry Blossom ten laste van onder andere eiseres voor het bedrag van Euro 165.000”.
[appellant] heeft verklaard dat het door [appellanten] op 21 november 2013 op last van de rechter overgelegd hypothecair uittreksel van het perceel geen melding maakt van voormelde hypothecaire inschrijving.

Grief 4: de kantonrechter heeft bij de beoordeling ten onrechte overwogen:
4.2 Gedaagden stellen verder dat er geen spoedeisend belang aanwezig is aangezien eiseres vijf jaren heeft stilgezeten nadat het vonnis vermeld onder 2.13 is gewezen, om dan nu plotseling weer een vordering in te stellen.”
[appellanten] hebben gesteld dat het door de Stichting overgelegd hypothecair uittreksel d.d. 12 september 2012 vals is, zodat van een spoedeisend belang van de Stichting geen sprake is. De Stichting heeft, aldus [appellanten], de hypothecaire inschrijving als reden verzonnen om die als spoedeisend belang aan te voeren.

Grief 5: de kantonrechter heeft ten onrechte onder 4.7 van het vonnis overwogen:
Voorts is er sprake van een novum, namelijk is volgens eiseres achteraf gebleken dat bij vonniswijzing onder 2.13 (Hof: dit is het in kort geding gewezen vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 073501), de kantonrechter geen kennis droeg van het vonnis vermeld onder 2.8 (Hof: dit is het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028): [appellanten] hebben verklaard dat zij bij conclusie van dupliek deze stelling nadrukkelijk hebben betwist, aangezien het bedoelde vonnis is gewezen vóór het vonnis van 10 november 2008. Het is daarom, volgens [appellanten], hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die het vonnis van 10 november 2008 heeft gewezen van dit vonnis geen kennis heeft genomen, alsook dat de Stichting, nu zij vindt dat dit vonnis in haar voordeel uitgelegd zou moeten worden, de rechter niet zou hebben gewezen op het bestaan van dat vonnis.

Grief 6: de kantonrechter heeft ten onrechte in 4.12 van het vonnis overwogen:
De kantonrechter maakt vorenvermelde overweging tot de hare en is met eiseres van oordeel dat de enkele stelling dat eiseres niet in hoger beroep is gegaan van het vonnis vermeld onder 2.13 en dat er in de onderhavige zaak geen nieuwe feiten zijn aangevoerd, onvoldoende is om misbruik van procesrecht aan te nemen.
[appellanten] hebben zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter eraan voorbij is gegaan dat de kantonrechter in kort geding in zijn vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, expliciet heeft overwogen dat niet is gebleken dat in een bodemprocedure tegen [appellanten] is beslist en aldus erop heeft gewezen dat er in een bodemprocedure over het recht van eigendom moet worden beslist.
Nu de Stichting op basis van dezelfde feiten wederom een kort geding instelt, is sprake van misbruik van procesrecht, aldus [appellanten].

Grief 7: de kantonrechter heeft ten onrechte in 4.12 van het vonnis overwogen:
Hoewel gedaagden geen partij waren bij het Hofvonnis, mag de constatering van het feit dat de veilingkoop niet rechtsgeldig is wel in een zaak worden aangevoerd waarbij gedaagden wel partij waren, immers kunnen zij in die zaak wel hun standpunten daarover naar voren brengen. Dat is dan ook geschiedt (Hof: lees geschied) in de bodemzaak met A.R.No. 020028, waarin vonnis is gewezen op 1 november 2005.
In dat vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de veilingkoop en de levering daarna niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden. Ook in dat vonnis is geoordeeld dat gedaagden geen eigenaar zijn geworden van het perceel. De overschrijving door gedaagden is daardoor ten onrechte geschied.

Door [appellanten] is gesteld dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, waarin is overwogen dat, nu niet is gebleken dat in een bodemprocedure tegen [appellanten] is beslist dat de verkrijging van het perceel krachtens de veilingakte op 8 februari 1994 opgemaakt door notaris Tjon nietig is, er van uit moet worden gegaan dat [appellanten] het onroerend goed rechtsgeldig hebben verkregen en vooralsnog moet worden aangenomen dat zij eigenaar van het perceel zijn. Voorts is gesteld dat tegen het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, hoger beroep is ingesteld, als gevolg waarvan dit vonnis van rechtswege in zijn werking is geschorst.

Grief 8: (abusievelijk genummerd 7): In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter niet beslist op het verzoek van [appellanten] om de zaak te bepleiten.

Grief 9: de kantonrechter is niet ingegaan op het verweer van [appellanten] dat het door het Hof gewezen kort geding vonnis (G.R.No. 13492) op basis van artikel 8 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens niet jegens hen kan worden ingeroepen aangezien zij geen partij waren bij dat vonnis en heeft het vonnis toch jegens [appellanten] gebezigd. [appellanten] zijn van mening dat dit in strijd is met het recht op een eerlijk proces. [appellanten] hebben tevens gesteld dat de kantonrechter het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, tegen hen heeft gebezigd, terwijl rechtens vast staat dat tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en aan dat vonnis geen rechten kunnen worden ontleend; dit handelen zijdens de kantonrechter is, aldus [appellanten], in strijd met het recht op een eerlijk proces.

5.3 De Stichting heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1 De ontvankelijkheid in eerste aanleg (grieven 3, 4 en 6):
Zijdens [appellanten] is gesteld dat de hypothecaire inschrijving vermeld in het hypothecair uittreksel van 12 september 2012 als reden verzonnen is om dit als spoedeisend belang aan te voeren, aangezien het door [appellanten] overgelegd hypothecair uittreksel van 8 november 2013 geen melding maakt van een hypothecaire inschrijving.

6.2 Het Hof constateert dat uit het hypothecair uittreksel van 12 september 2012 blijkt dat bij akte verleden voor notaris J.G. Kemp op 15 januari 2009, welke akte ten hypotheekkantore is ingeschreven op 21 januari 2009 in register B [nummer 5], ten behoeve van Stichting Cherry Blossom en ten laste van onder andere de Stichting op perceel 2 hypotheek is gevestigd voor de hoofdsom ad € 165.000,00.
Tevens wordt geconstateerd dat aan de voorzijde van betreffend hypothecair uittreksel is aangetekend “kwijting C [nummer 6]”.
De Stichting heeft aangevoerd dat de betreffende hypotheek op perceel 2 inmiddels geroyeerd is. Zulks was volgens de Stichting reeds het geval op 8 november 2013.
Het door [appellanten] overgelegd uittreksel is, nu dit meer dan een jaar na het hypothecair uittreksel van 12 september 2012 is uitgeschreven, onvoldoende om aannemelijk te achten dat het door de Stichting overgelegd uittreksel waaruit blijkt van de hypotheekverlening ten laste van de Stichting, vals is. Geconcludeerd wordt derhalve dat de door de Stichting gestelde hypotheek terecht aannemelijk is geacht door de kantonrechter, zodat eveneens terecht is geoordeeld dat sprake is van een spoedeisend belang zijdens de Stichting. Het spoedeisend belang blijkt daarnaast uit de stelling zijdens de Stichting dat zij ten onrechte wordt beknot in haar eigendomsrecht.
Het Hof is tevens van oordeel dat, nu een nieuw feit mede ten grondslag aan de vordering is gelegd, geen sprake is van misbruik van procesrecht. Geoordeeld wordt derhalve dat de kantonrechter de Stichting terecht ontvankelijk heeft geoordeeld in haar vordering in eerste aanleg.

6.3 Grief 1:
Het Hof constateert dat bij schriftelijke rolbeschikking van 17 oktober 2013 de kantonrechter [appellanten] alsnog in de gelegenheid heeft gesteld om een hypothecair uittreksel van perceel 2 ten processe over te leggen, hetgeen is geschied bij akte overlegging hypothecair uittreksel, zodat dit processtuk ten onrechte in het vonnis niet is vermeld bij de weergave van het procesverloop, hetgeen evenwel geen aanleiding geeft tot vernietiging van het vonnis, nu zulks geen wettelijk vereiste betreft.
Het Hof is evenwel, in tegenstelling tot het door [appellanten] gestelde, van oordeel dat hetgeen in betreffende akte en het daarbij overgelegd hypothecair uittreksel is vermeld, wel is betrokken bij de redigering van het vonnis: bij de feiten is onder 2.12 immers vermeld dat perceel 2 ten hypotheekkantore geregistreerd staat op naam van de Stichting. Dit blijkt tevens uit het door [appellanten] op 21 november 2013 bij akte overgelegd hypothecair uittreksel.
Deze grief treft derhalve geen doel.

6.4 Grief 2:
Geconstateerd wordt dat de Stichting in de procedure in eerste aanleg zowel bij conclusie van eis (pagina’s 2, 11 -15 ontbreken) als bij conclusie van repliek (pagina’s 2, 12 en 14 ontbreken) een onvolledige fotokopie van het vonnis van het Hof van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, heeft overgelegd.
Geconstateerd wordt dat op pagina 13 van het betreffend vonnis het Hof heeft overwogen:
Overwegende, dat bovendien (c) i.c. zoals boven overwogen is (…) de proces-verbaal akte d.d. 8 februari 1994 door notaris W.H. TJON opgemaakt een feiten relaas bevat (vermelding van feiten, die die notaris op die dag niet heeft kunnen waarnemen en vastleggen), omdat die naderhand plaatsgegrepen hebben en die die akte ongeschikt maken om een rechtsgeldige eigendomsoverdracht te bewerkstelligen;
Overwegende, dat de feiten a, b en c elk op zich tot consequentie hebben dat de verkoop en de daarop gevolgde levering aan de geïntimeerde van het perceel groot 17196 m², niet rechtsgeldig geschied is”.
Het Hof constateert dat het middels deze grief bestreden feit vermeld in het vonnis (waarvan beroep) onder 2.6, ten dele – namelijk dat het Hof heeft overwogen dat het proces-verbaal van de veiling d.d. 8 februari 1994 geen authentieke akte is in de zin van artikel 670 BW en derhalve absoluut nietig is – niet is gebaseerd op tussen partijen niet betwiste feiten dan wel een niet betwiste overgelegde productie. Aangezien door
[appellanten] in eerste aanleg is betwist dat het Hof in het betreffend vonnis van 2 juni 1995 heeft geconstateerd dat de akte openbare verkoop verleden door notaris W.H. Tjon nietig is.
Overwogen wordt derhalve dat de kantonrechter in het vonnis ten onrechte onder de feiten heeft vermeld dat het Hof in het betreffend vonnis van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, heeft overwogen dat het proces-verbaal van de veiling d.d. 8 februari 1994 geen authentieke akte is in de zin van artikel 670 BW en derhalve nietig is.
Het Hof constateert voorts dat door [appellanten] in hoger beroep bij repliek pleitnota een volledige fotokopie van betreffend vonnis van het Hof is overgelegd; op pagina 12 daarvan heeft het Hof overwogen:
Overwegende, dat ten overstaan van notaris W.H. TJON de voormelde openbare verkoping gehouden is op 8 februari 1994, op welke dag ten overstaan van hem als openbaar ambtenaar alle veilingshandelingen verricht zijn blijkende van een en ander uit de daarvan door hem opgemaakte procesverbaalakte – zie het slot:”dit proces-verbaal opgemaakt en gesloten ter plaatse, ten dage en jare in hoofde gemeld, in tegenwoordigheid van …. als getuigen, die met de requirante, de kopers en mij notaris, dit proces-verbaal onmiddellijk na voorlezing hebben ondertekend – dat het niet mogelijk is dat die notaris in die procesverbaalakte feiten relateert die nà 8 februari 1994 plaatsgevonden hebben als de splitsing (verdeling) van het sub 1 bovengenoemd perceel in twee delen op 21 februari 1994 door landmeter R.R. LIEUW KIE SONG en is die akte dan ook niet een authentieke akte als vereist in artikel 670 BW voor de rechtsgeldige overdracht van onroerende goederen omdat in zo’n authentieke akte (een notariële procesverbaalakte is zo’n akte) slechts feiten kunnen worden gerelateerd die anterieur zijn aan de dag (en het uur) van het opmaken daarvan”.
Uit dit citaat blijkt dat het Hof in haar vonnis van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, heeft geoordeeld dat de veilingakte geen authentieke akte is.
Grief 2 treft derhalve naar het oordeel van het Hof geen doel.

6.5 Grief 5:
Het Hof stelt voorop dat bekend moge worden verondersteld dat gewezen vonnissen vooralsnog niet op eenvoudige wijze toegankelijk zijn. Zulks leidt tot de conclusie dat niet zonder meer aannemelijk mag worden geacht dat de rechter bij het wijzen van het vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, kennis had genomen van het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, dat is gewezen in een procedure waarin [appellanten] als gedaagden betrokken waren.
De Stichting heeft ontkend dat zij bekend waren met voormeld vonnis van 1 november 2005. [appellanten] zouden kunnen worden toegelaten te bewijzen dat voormeld vonnis van 1 november 2005 deel is geweest van de beoordeling in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, danwel dat de Stichting bekend was met dat vonnis, ware het niet dat de procedure in kort geding daar geen ruimte toe biedt.
Aan het door [appellanten] gestelde wordt dan ook voorbij gegaan.

6.6 Grieven 7 en 8:
Het Hof deelt de mening van de kantonrechter dat, ook indien [appellanten] geen partij waren bij de procedure die heeft geleid tot het vonnis van het Hof van 2 juni 1994, de daarin vervatte informatie wel mag worden aangevoerd in een procedure waarin [appellanten] wel partij is, aangezien zij zich alsdan over betreffende informatie kunnen uitspreken.

6.7 Nu niet in het geding is dat tegen het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, op 7 november 2005 (tijdig) hoger beroep is aangetekend en dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is dit vonnis in zijn werking geschorst, zodat het niet kan bijdragen aan toewijzing van het in deze procedure gevorderde. Het vonnis dat door het Hof op 2 juni 1995, G.R.No. 13492, is gewezen kan evenmin daartoe bijdragen, aangezien het immers een procedure in kort geding betrof en het derhalve een voorlopig oordeel van het Hof bevat.
Het Hof overweegt dat, gelijk bij de feiten onder 3.6 is vermeld, in de notariële akte van 12 april 2001 het vonnis van de kantonrechter in het Eerste kanton van 17 november 1995, A.R.No. 95-5828 mede ten grondslag is gelegd aan de vaststelling dat [naam 1] c.s. de eigenaren van perceel 2 zijn gebleven en dat de kantonrechter in het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, weliswaar heeft overwogen dat bij vonnis van 17 november 1995 reeds is beslist dat [appellanten] geen eigenaar is geworden, doch dat bedoeld vonnis van 17 november 1995 niet in deze procedure is overgelegd, zodat het niet bij de beoordeling kan worden betrokken.
Nu partijen twisten over de vraag wie als de rechtmatige eigenaar van perceel 2 moet(en) worden aangemerkt en over deze vraag diverse procedures aanhangig zijn waarin evenwel nog niet een definitief oordeel is gegeven, kan niet aannemelijk worden geacht dat de Stichting rechtmatig de eigendom heeft verkregen van perceel 2.
Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde ontruiming van [appellanten] naar het oordeel van het Hof niet toewijsbaar is.
Gelet op het hiervoor overwogene kan het vonnis, waarvan beroep, niet in stand blijven, zodat het zal worden vernietigd en de in eerste aanleg gevorderde voorzieningen alsnog zullen worden geweigerd.
De overige standpunten van partijen zullen buiten bespreking worden gelaten, aangezien die niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

6.8 De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in eerste aanleg en in hoger beroep in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 1 november 2005 gewezen in de procedure bekend onder A.R.No. 02-0028 en opnieuw recht doende:
Weigert de gevraagde voorzieningen;

7.2 Veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding aan de zijde van [appellanten] in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak in totaal begroot op SRD.328,–;

Aldus gewezen door: mr. I.S. Lachitjaran, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Leden-plaatsvervanger, en

w.g. I.S. Lachitjaran

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van justitie van vrijdag 17 november 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C.Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr.G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. H.P. Boldewijn , gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

 

 

SRU-HvJ-1998-20

M.H.

GENE­RALE ROL NO: 13927.

[appellant], wonende in [district 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt,

Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

a. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.KRAAG, advokaat

b. [persoon], gewoond hebbende in [district 2]te [plaats], overleden in [district 1] op [datum], zodat het rechtsgeding wordt voortgezet ten name van:

1. [geïntimeerde sub A], geboren [naam 1];

2. geintimeerde sub B], gehuwd met [naam 2], door wie tot hun beider gemachtigden zijn ge­steld, Mr.J.LACHMON en Mr.J.C.P.NAN­NAN PANDAY, advoka­ten,

geinti­meerden in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 22 mei 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen compari­tie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 6 november 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en vol­hardt hetgeen bij tussenvonnis d.d. 22 mei 1998 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat op de comparitie zitting van 22 juli 1998 de appellant en de [geïntimeerde sub B] zijn ver­schenen en door het Hof op hen een beroep gedaan is dit geding als verwanten van elkaar in der minne op te lossen, waarover zij zich op de zitting van 14 augustus 1998 zouden uitlaten;

Overwegende, dat op de zitting van 14 augustus 1998 voormelde partijen Ons hebben medegedeeld dat een minnelijke regeling niet mogelijk is en dat zij onder handhaving van hun stellingen vonnis vragen;

Overwegende dat, inzoverre hier van belang, het navolgen­de tussen partijen rechtens vaststaat;

1. dat de appellant bij zijn inleidend rekest vor­dert: a” te vernietigen, althans nietig te verklaren de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbron­nen en Energie d.d. 26 februari 1985 [nummer 1];

2. gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom van f.5.000,– voor iedere dag of keer dat zij in strijd handelen met de sub a bedoelde beslissing,” enz…..;

Overwegende, dat de voormelde beschikking, waarvan de appel­lant vernietiging wenst, een beschikking is waarbij ingetrok­ken is de beschikking d.d. 2 oktober 1969 [nummer 2], bij welke aan de appellant tot wederopzeg­gens vergunning was verleend tot het ingebruik nemen, voor het opzetten van een cafetaria en gasoline pomp­station op het stuk grond, groot 700 m², uitma­kende een gedeelte groot 300 m², van het woonerf [nummer 3] en een daaraangrenzend stuk grond groot 400 m² en ter bebou­wing en bewaring op het stuk grond, groot 2150,20 m² gelegen in [district 1], deel uitmakende van het in het Voorland van de ves­tings­plaats [plaats] gelegen woon­erf, bekend als [nummer 3];

Overwegende, dat op het in de vorige rechtsoverwe­ging bedoelde stuk grond thans de geintimeerde het recht van grond­huur heeft, welk recht hij verkregen heeft door de over­schrijving ten hypotheekkantore d.d.31 mei 1995 in register C 1290 onder [nummer 4] van een afschrift ener akte verkoop en koop op 22 mei 1995 ten overstaan van notaris R.Ramautar verleden;

Overwegende, dat ook als het Hof ervan uitgaat dat het een verschrijving van de appellant is dat hij niet in Kort Geding, door ten gronde heeft willen procede­ren, dan nog is het belang dat hij bij de gevraagde voorzieningen heeft, het Hof niet duidelijk, omdat de vernietiging van de gevraagde beschikking niet met zich zal meebrengen dat het persoonlijk recht van gebruik op voormelde stuk grond van de appellant zal herleven, met alle gevolgen van dien, nu [geïntimeerde sub B] inmiddels het zakelijk recht van grondhuur daarop heeft verkregen;

Overwegende, dat het mogelijk is dat de appellant op ande­re grondslag rechten jegens de geintimeerden of een van hen zou kunnen geldend maken, doch gelet op hetgeen de appel­lant thans vordert en de grondslag daarvan heeft hij geen belang daarbij en zal het von­nis, waarvan beroep, onder aan­vulling van de gronden, hetgeen uit het vorenoverwogene blij­kt, worden bevestigd met veroordeling van de appel­lant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, onder aanvulling van de gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewe­zen tussen partijen en uitgesproken op 11 januari 1994, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.3000,–;­

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.3000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant eveneens op f.3000,–.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 20 november 1998, in tegenwoordig­heid van

Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.

TRUIDEMAN, geintimeerde sub A vertegenwoor­digd door advo­kaat, Mr.M.G.A.VOS namens zijn gemachtig­de, advo­kaat Mr.NANNAN PANDAY en geintimeerde sub B vertegen­woordigd door advo­kaat Mr.H.MUNGRA namens zijn gemach­tigde, advo­kaat Mr.J.LACHMON, zijn bij de uitspraak ter terecht­zit­ting ver­schenen.

SRU-HvJ-1998-19

M.H.

A – 390

[verzoeker], verzoeker, wonende te [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27 ten kantore van Mr.R.U.F TRUI­DEMAN, advokaat, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie (rechtspersoon) ten deze vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat R.E.LEVENS zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stel­lende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie (rechtspersoon) ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Gene­raal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Perso­neelswet. Verzoeker is namelijk op 2 januari 1976 in Overheidsdienst getreden (Pers.No.804812) en hij dient thans in vaste dienst in de rang van Onder/Inspekteur van Politie bij gedaagde onder toekenning van een bezoldiging van Sf.139.425,– per maand;

3. Op of omstreeks 13 december 1996 is verzoeker geslaagd voor het Inspekteursexamen en verzoeker mocht ex aequo et bono verwachten, dat hij op grond van het behaalde examen en op grond van artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie G.B.25 november 1972 no.9438 samen met de overige geslaagden zou worden benoemd tot Inspekteur van Politie der 3e klasse, welke benoeming onlangs (in de maand november 1997) heeft plaatsgevonden;

4. Er is door gedaagde nimmer aan verzoeker medege­deeld, dat hij niet zou worden benoemd tot Inspekteur van Politie der 3e klasse. Pas nadat verzoeker terzake een gerucht had gehoord en zelf op onderzoek uitging heeft verzoeker formeel bericht gehad van de Korpschef. Verzoeker overlegt hierbij in fotokopie zijn brief de dato 16 juli 1997 en het antwoord daarop van de Korps­chef de dato 24 juli 1997 K.A.983/geh. met het verzoek de inhoud van deze twee brieven hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

5. Verzoeker is van oordeel, dat gedaagde enkele beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden en verzoeker overlegt kortheidshalve een lijst met aan­dachtspunten de dato 29 juli 1997 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinse­reerd te willen beschouwen;

6. Zoals gesteld zijn de collega’s van verzoeker die samen met hem zijn geslaagd voor het Inspekteursexamen onlangs WEL bevorderd tot Inspekteur van Politie der 3e klasse;

7. Verzoeker is van oordeel, dat hier in ieder geval inbreuk is gemaakt op het gelijkheidsbeginsel (zie lijst met aandachtspunten), maar ook op het rechtsze­kerheidsbeginsel aangezien verzoeker mocht afgaan op de opgewekte schijn c.q. de gerechtvaardigde verwachtin­gen, dat ook hij zou worden benoemd/bevorderd;

8. Op basis van het bepaalde in artikel 79 lid 1 onder c van de Personeelswet wenst verzoeker dan ook de oplegging van een dwangsom aan gedaagde voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft om verzoeker te bevorde­ren/benoemen tot Inspekteur van Politie der 3e klasse;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van Sf.250.000,– voor elke dag na de betekening van het vonnis als verzocht, die verweerder in gebreke blijft met de bevordering van verzoeker van Onder-Inspekteur van Politie naar de rang van Inspekteur van Politie der derde klasse en wel met ingang van 13 december 1996;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen;

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen niet letterlijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu onder aanbod van bewijs conform recht en wet;

2. Verzoeker grondt zijn verwachting op een benoeming tot inspekteur van politie derde klasse op:

a. het behaalde examen

b. artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Poli­tie

2.1. In artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie komen de ELEMENTAIRE VEREISTEN voor benoem­baarheid van een onderinspekteur van politie tot in­spekteur van politie derde klasse voor. Tot die elemen­taire vereis­ten behoort tevens het bezit van het in­spekteursdiploma A.

Een ander elementair vereiste is dat de onderinspekteur van politie een diensttijd van TENMINSTE DRIE JAREN in die rang van (onderinspekteur van politie) heeft ver­vuld. Op grond van het beginsel van wetmatigheid van bestuur moet de onderinspekteur van politie die in aanmerking komt c.q. wenst te komen voor benoeming tot inspekteur van politie derde klasse aan ALLE elementai­re vereisten als opgesomd in artikel 50 lid 1 VOLLEDIG voldoen. Hierbij wordt in het midden gelaten of de opsomming in artikel 50 lid 1 een limitatieve of enun­tiatieve is.

2.2. Verzoeker voldoet NIET althans niet volledig aan alle vereisten van artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie. In het bijzonder voldoet verzoeker niet aan het vereiste dat hij een DIENSTTIJD VAN TEN­MINSTE DRIE JAREN IN DIE RANG (van onderinspekteur van politie) HEEFT VERVULD.

2.3. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangehaald waaruit blijkt van BUITENGEWONE toegewijde funktievervulling c.q. BUITENGEWONE geschiktheid die hem tot een VOORBEELD doet strekken van de overige ambtenaren van politie in het algemeen en van de onder­inspekteurs van politie in ­het bij­zonder op grond waarvan AFWIJKING van de wette­lijke elementaire vereis­ten in zijn voordeel ten op­zichte van de overige gelij­ke gevallen zou kunnen worden gerecht­vaardigd. Daar­naast is niet gesteld of gebleken van een precedent c.q. dat de korpschef c.q. het bevoegde gezag is afge­stapt van een eerder gevolgde gedragslijn om onderin­spekteurs van politie die niet volledig aan de eisen van benoembaarheid tot inspekteur van politie derde klasse desondanks te benoe­men tot inspekteur van poli­tie derde klasse.

2.4. Verzoeker haalt in zijn overgelegde lijst met aandachtspunten een geval aan van een majoor van poli­tie die benoemd is tot onderinspekteur van politie. Aangezien de feiten die verzoeker aanhaalt bij verweer­der onbekend zijn, ziet verweerder gaarne dat verzoeker gedetailleerder is teneinde verweerder in de gelegen­heid te stellen daarop nader in te gaan. Verweerder wenst gaarne te weten de naam van de betrokkene. Ook de overige door verzoeker aangehaalde gevallen zijn niet helder. Verweerder ziet gaarne dat verzoeker concreet (concreter) is waardoor hierop kan worden ingegaan. Hetzelfde geldt voor de kwestie van de Brandweer. Ook indien hetgeen verzoeker heeft gesteld juist zou mogen zijn, quod non, dan nog is er sprake van schijnbare gelijkheid omdat dan omstandigheden aanwezig zullen zijn (geweest) die de kennelijke ongerechtvaardige ongelijkheid hebben geneutraliseerd.

2.5. De verwachting van verzoeker is ongegrond omdat zij voortspruit uit zijn misvatting van een wettelijke regeling c.q. een artikel van het Reglement Algemene Politie. Funktionarissen bevoegd om verweerder te vertegenwoordigen, hebben jegens verzoeker in woord, geschrift noch hun handelen enige verwachting gewekt.

3. Gelet op verzoekers rang, opleiding en kennis van artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie waren geen termen aanwezig hem mede te delen dat hij niet zou worden benoemd tot inspecteur van politie derde klasse daargelaten dat zodanige gehoudenheid voor verweerder ook niet bestond/bestaat. Op zijn brief d.d. 16 juli 1997 heeft verzoeker op grond van de Grondwet wel antwoord gehad van of vanwege het bevoegde gezag.

4. Het beroep op het beginsel van de motiverings­plicht is vreemd omdat een besluit ontbreekt. Bovendien heeft de korpschef aan verzoeker in het door verzoeker overgelegde schrijven van voornoemde funktionaris aangegeven dat en waarom het verzoek van verzoeker is afgewezen.

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 6 februari 1998 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.A.R.BAARH, gemachtigde van verweerder en Mevr.Mathoera Hussain Ali Krisnakoemarie, Hoofdinspekteur van Politie, Hoofd personeelszaken van het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschou­wen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusies tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 3 juli 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, ambtenaar van politie in de rang van onderinspecteur op aan zijn vordering ten grondslag gelegde als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen feiten, heeft gevorderd bij vonnis verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van Sf.250.000,– voor elke dag na betekening van dit vonnis dat verweerder in gebreke blijft met de bevordering van hem verzoeker, van onderinspecteur van politie naar de rang van in­spekteur van politie der derde klasse en wel met ingang van 13 december 1996;

Overwegende, dat partijen tijdens het verhoor bedoeld bij artikel 714e van het Wetboek van Burgerlij­ke Rechtsvordering – voorzover ten deze van belang – hebben verklaard;

verzoeker: Ik heb op 13 december 1996 gehoord dat ik met goed gevolg het examen heb afgelegd. Ik beroep mij met name op het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbe­ginsel. Samen met mij zijn geslaagd de heren [naam 1]; [naam 2], [naam 3] en anderen. Ik kan mij hun namen nu niet meer herinneren. Ik ben de enige die niet is bevorderd. In totaal zijn er vijftien onderinspecteu­rs geslaagd. Daarvan zijn veertien bevorderd tot inspecteurs. Ik heb een verzoekschrift bij de Korpschef ingediend. Ik ben thans twee jaar en acht maanden onderinspecteur. Er is een geval geweest waarbij onderinspecteur [naam 4] drie jaren ziek is geweest en toch bevorderd werd. Vereist is dat je drie jaren als onderinspecteur moet functio­neren en dat was in het geval [naam 4] niet zo. Ik ben wel positief beoordeeld en heb met goed gevolg het examen afgelegd. Alleen heb ik niet drie jaren gediend als onderinspecteur;

verweerder bij monde van de hoofd­inspecteur, K.Mathoe­ra-Hussain Ali; ”Hetgeen verzoeker heeft gesteld met betrekking tot het met goed gevolg afleggen van het examen is wel juist. Het verzoek van verzoeker tot de inspecteursopleiding toegelaten te worden was eerst geweigerd, maar na rechterlijke tus­senkomst werd hij tot de opleiding toegelaten. Verzoe­ker is inderdaad geslaagd maar dat is slech­ts een van de criteria om bevorderd te worden tot inspecteur van politie. Die criteria zijn;

– gebleken geschiktheid; – de opleiding met goed gevolg hebben afgerond; de formatie moet het toelaten; minimaal drie jaar als onderinspecteur van politie hebben gediend. Verzoeker voldeed niet aan al deze criteria, mat name had hij niet drie jaar als onderin­-specteur gediend. Op 15 september 1998 zal verzoeker drie jaar in de rang van onderinspecteur hebben gediend en dan zal de bevorderingsprocedure ten aanzien van hem worden ingezet. De bevordering van een politie ambte­naar geschiedt door het desbetreffend afdelingshoofd. Verzoeker zit bij de hoofdstedelijke dienst en de hoofdinspecteur [naam 5] is de directe chef van verzoe­ker. Voorzover ik weet is nooit afgeweken van het vereiste van drie jaar gediend hebben in de rang van onderinspecteur. Aan het eerste examen hebben drie en dertig kandidaten deelgenomen en aan de tweede 14 kandidaten. Daarvan zijn 13 bevorderd, op verzoeker na;

Overwegende, dat nu verzoeker niet weersproken heeft, dat de criteria om in casu tot inspecteur van politie bevorderd te worden te weten: gebleken ge­schiktheid, het met goed gevolg de opleiding hebben afgerond, door de formatie zijn toege­laten, het mini­maal drie jaar als onderinspecteur van politie hebben gediend, staat zulks tussen partijen rechtens vast;

Overwegende, dat tevens als niet weersproken door verzoe­ker wijders vaststaat, dat verzoeker niet aan alle vermelde criteria voldoet, omdat hij nog niet drie jaar als onderinspecteur heeft gediend;

Overwegende, dat verzoeker verweerder voorts verweten heeft te hebben veronachtzaamd het gelijk­heids- en het rechtsze­kerheidsbeginsel;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot ver­zoekers verwijt aan verweerder te hebben veronachtzaamd het gelijkheidsbeginsel en het recht­szekerheidsbeginsel opmerkt, dat dit verwijt als onterecht valt aan te merken; van het gelijkheidsbeginsel kan zulks met name niet gezegd worden omdat verzoeker met betrekking tot dit beginsel niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, gaande dit beginsel er immers van uit, dat onder gelijke omstandigheden verkerende burgers deze gelijke­lijk zullen worden behandeld, waaromtrent ver­zoeker geen feiten heeft gesteld; van het rechtszekerheidsbe­-ginsel kan zulks evenmin gezegd worden, gaande dit beginsel er van uit dat het recht niet de macht van de overheid moet zegevieren in een geschil tussen overheid en burger, waarom­trent verzoeker evenmin feiten heeft gesteld;

Overwegende, dat nu de aan verzoekers vordering ten grondslag gelegde feiten rechtens niet zijn komen vast te staan dient verzoekers vordering als niet bewezen aan hem te worden ontzegd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt verzoekers vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.Wolff, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 7 AUGUSTUS 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

w.g.M.TEDJOE w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.ISHAAK, namens zijn gemachtigde advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.MANGROELAL, namens zijn gemachtigde advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-6

M.H.

A – 385.

[verzoekster], wonende aan [adres], ten deze domicilie kie­zende aan de Kromme Elleboog straat no.3 ten kantore van het advoka­ten kantoor ”METRIKO”, voor wie als gemachtigde op­treedt, I.D.Kanhai Bsc, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse zaken, ten deze verte­gen­woor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advo­kaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van res­pectievelijk 20 maart 1998 en 20 november 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstver­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis de Griffier van het Hof van Justitie de door het Hof verlangde schriftelijke uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusies tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en vol­hardt bij al hetgeen in de tussenvonnissen d.d. 20 maart 1998 en 20 november 1998 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat de griffier van het Hof van Justitie naar aanleiding van het tweede tussenvonnis (d.d. 20 november 1998) schriftelijk verklaard heeft dat het verzoekschrift van de verzoekster gedagtekend 14 april 1997 pas op 8 augustus 1997 ter griffie van het Hof ingediend is door haar raadsman I.D.Kanhai, Bsc;

Overwegende, dat uit de gewisselde stukken, uit daarbij overgelegde bescheiden en de partijverklaringen ter gelegenheid van de comparitie van partijen, inzo­verre hier van belang, het navolgende blijkt:

1. verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

2. verzoekster bij beschikking van de Minister van Binnenlandse zaken d.d. 14 maart 1997 no. 305, uit ’s Lands dienst ontslagen is, welke beschikking haar op dezelfde dag of een dag later, t.w. 15 maart 1997, uitgereikt is;

3. het verzoekschrift van de verzoekster waarin zij tegen het voormeld aan haar verleend ontslag opkomt op 8 augustus 1997 ter griffie van het Hof van Justitie ingediend is, hoewel dat als dagtekening 14 april 1997 draagt;

Overwegende, dat de verzoekster in haar verzoek­schrift de nietigverklaring vordert van het voormeld besluit van haar ontslagverlening, welke vordering zij binnen een maand nadat dat besluit te harer kennis gebracht was, had moeten instellen, dus uiterlijk op 15 april 1997, doch zoals uit het bovenoverwogene blijkt is zij daarmede tardief, hebbende zij die vordering op 8 augustus 1997 ingesteld;

Overwegende, dat de verzoekster danook niet ont­vanke­lijk is in haar vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart de verzoekster niet ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PAN­DAY, Fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 februari 1999,in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.G.Gangaram Panday namens haar gemachtigde, advo­kaat I.D.Kanhai, Bsc en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.C.D.­Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1998-18

H.M

GENERALE ROL NO.13990.

LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATAMACCA N.V., rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat, gevestigd aan de Grote Combéweg no.25-27, voor wie als ge­machtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDE­MAN, advokaat,

appellante,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Arbeid, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wor­dende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justi­tie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Graven­straat no.3, Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kan­tonrech­ter in het Eerste Kanton van 1 april 1997 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 juni 1997, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATA­MACCA N.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat de eiseres de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Arbeid, rechts­persoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.3, gedaagde;

2. dat de eiseres op 30 november 1993 een arbeids­overeenkomst naar Burgerlijkrecht met mevrouw [naam] is aangegaan voor de tijd van 3 jaren, welke arbeidsovereenkomst is ingegaan op 1 maart 1994;

3. dat de eiseres bij schrijven d.d. 12 juli 1995 Pat.Intern 95/018 aan mevrouw [naam] heeft medegedeeld dat zij met ingang van 24 juli 1995 is overgeplaatst naar de Gemeenschappelijke Plantaardi­ge Oliën en Vetten Bedrijven N.V. te Paramaribo, welke overplaatsing in het bedrijfsbelang is geschied met als standplaats Paramaribo, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

4. dat de eiseres opmerkt dat deze bevoegdheid de eiseres tot overplaatsing van een werknemer steunt op artikel 12 van de gesloten arbeidsovereenkomst, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinse­reerd te willen beschouwen;

5. dat de eiseres opmerkt dat mevrouw [naam] met de overplaatsing onvoorwaardelijk had ingestemd, het­geen moge blijken uit haar brieven d.d.13 juli 1995 en 28 juli 1995, met het verzoek de inhoud van deze brie­ven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschou­wen;

6. dat omdat mevrouw [naam], ondanks haar uitdrukkelijke toezegging van de opdracht tot over­plaatsing gevolg te geven en zulks na herhaalde aanma­ningen niet heeft gedaan, werd zij bij schrijven van de eiseres d.d. 23 oktober 1995 no.95/037 wegens dringende reden ontslagen, welke ontslag ingevolge artikel 3 van het Decreet Ontslagvergunning SB 1983 no.10, zoals laatstelijk gewijzigd bij SB 1984 no.102, werd aange­meld bij het Hoofd van de Arbeidsinspektie i.c. de gedaagde;

7. dat de gedaagde bij beschikking d.d. 6 november 1995 [nummer], na de eiseres en mevrouw [naam] te hebben gehoord, de eiseres heeft bericht dat er bezwaar bestaat tegen het ontslag wegens drin­gende reden van mevrouw [naam], met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier inge­last en geinsereerd te willen beschouwen;

8. dat de eiseres zich met de gegeven beschikking niet kan verenigen, vandaar dat zij in rechte vernieti­ging van deze beschikking zal vragen;

9. dat het een notoir feit is dat overplaatsing van een werknemer behoort tot de uitsluitende competentie van een werkgever, wanneer deze noodzakelijk is in het bedrijfsbelang en de grootste werkgever in Suriname i.c. de gedaagde zelf in de Persoonswet heeft bepaald dat van een overplaatsing beroep bij de ambtenarenrechter niet mogelijk is;

10. dat de eiseres opmerkt dat de overwegingen in de beschikking van de gedaagde getuigt van het feit dat de aan de gedaagde verstrekte gegevens middels schrifte­lijke stukken door de eiseres niet zorgvuldig zijn doorgenomen en bestudeerd door de gedaagde;

11. dat de gedaagde in zijn beschikking het navolgende zegt:

– dat mevrouw [naam] tegenover ons heeft verklaard dat het voor haar niet mogelijk was om aan de bedoelde opdracht gevolg te geven aangezien het een overplaatsing van Patamacca naar Paramaribo betrof en zij niet binnen de opgegeven termijn over huisvesting aldaar kon beschikken;

12. dat deze overweging van de gedaagde zeer vreemd overkomt, omdat mevrouw [naam] de gedaagde vanaf 12 juli tot en met 23 oktober 1995 de gelegenheid heeft gehad haar huisvesting te regelen en mevrouw [naam] zelf in haar schrijven d.d. 28 juli 1995 heeft verklaard dat aan haar de gelegenheid wordt gegeven om te verhuizen en dat zij zich op maandag 14 augustus a.s. om 7.00 uur op het stadskantoor te Para­maribo zal aanmelden, bedoeld wordt het stadskantoor van Gemeenschappelijke Plantaardige Oliën en Vetten Bedrijven N.V. hetgeen [naam] niet heeft gedaan en desondanks is deze termijn van haar overplaat­sing nog verlengd tot oktober 1995, rekeninghoudende met haar brief van 28 juli 1995;

dat de gedaagde verder schrijft:

– dat het niet uitvoeren van een redelijke opdracht van de werkgever een dringende reden voor ontslag zou kunnen opleveren;

13. dat de eiseres opmerkt dat de gedaagde zelf praat van een redelijke opdracht door de eiseres gegeven en een redelijke opdracht volgens artikel 1615p lid 10 BW als een dringende reden tot ontslag wordt aangemerkt en niet zoals de gedaagde ten onrechte schrijft, zou kunnen zijn;

14. dat de gedaagde ten slotte schrijft dat echter naar ons oordeel de werkgever in het onderhavige geval onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid voor de werknemer om de bedoelde opdracht uit te voeren en met het belang van de werknemer, hetgeen impliceert dat in strijd is gehandeld met artikel 1614 Y van het Surinaams Burgerlijk Wetboek;

15. dat de eiseres zich in gemoede afvraagt hoe een dergelijke overweging mogelijk is, daar de gedaagde vanaf 24 juli t/m 23 oktober 1995 de gelegenheid heeft gekregen om naar de stad te verhuizen en mevrouw [naam] zelf met de overplaatsing heeft ingestemd en wel schriftelijk; de gedaagde moet weten dat overplaat­sing tot de discretionaire bevoegdheid van de eiseres behoort;

16. dat de gedaagde in haar beschikking een duidelijke motivering moest geven, waarom de opdracht niet als redelijk kan worden bestempeld en waarom de eiseres onvoldoende rekening etc. etc., maar niet hetgeen de gedaagde heeft gedaan; bovendien merkt de eiseres op dat artikel 1614 Y BW dat de gedaagde aanhaalt zonder meer een vreemde eend is in de bijt en met de onderha­vige zaak niets heeft te maken;

17. dat de eiseres opmerkt dat een dergelijke beschik­king niet in stand kan blijven daar het gevolg van deze beschikking is dat alle gevestigde rechten op het stuk van Direktievoering overboord is gegooid;

– dat de eiseres zijdelings opmerkt dat met boven­staande zij duidelijk heeft aangetoond dat de gedaagde de schriftelijke stukken onvoldoende of helemaal niet heeft doorgenomen;

18. dat de eiseres ten aanzien van de bevoegdheid tot overplaatsing enkele bepalingen uit de CAO’s van enkele grote maatschappijen aanhaalt t.w.: BILLITON, SURALCO, ALICO, etc.etc. dat de eiseres deze bepalingen letterlijk citeert: met uitzondering van de door de wettelijke regelingen en door de bepalingen van deze CAO opgelegde beperkingen, blijven alle zaken die betrekking hebben op de be­drijfsvoering en de te geven leiding, alsmede op het toezicht en op de tewerkstelling van de werknemers, uitsluitend voorbehouden aan de werkgever;

19. dat de eiseres duidelijk heeft aangetoond dat de beschikking d.d. 6 november 1995 [nummer] niet in stand kan blijven, en dient te worden vernietigd omdat het in strijd is met de rechtsontwikkeling m.b.t. het arbeids­recht op het stuk van Direktievoering;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht zal worden verklaard dat het door de eiseres aan mevrouw [naam] gegeven ontslag wegens dringende reden bij schri­jven d.d.23 oktober 1995 Pat.Interim no.95/037 rechts­geldig is geschied;

B. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de gedaagde d.d.6 november 1995 [nummer] als zijnde in strijd met de wet;

C. de gedaagde op verkorte termijn te mogen dagvaar­den, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord c.v.a. – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

– dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton zich onbevoegd zal verklaren van deze vordering kennis te nemen en dat eisereses vordering haar zal worden ont­zegd, althans zij niet ontvankelijk zal worden ver­klaard als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 1 april 1997 op de daarin opgenomen gronden:

Aan eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Haar in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f……..

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal DE LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATAMACCA N.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvon­nis van 1 april 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder H.B.VERWEY van 27 juli 1997 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvanke­lijk was be­paald op 5 juni 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante bij conclusie van Repliek, genomen ter rolle van 8 juni 1996, heeft doen opmerken, dat zij haar vordering tegen geintimeerde intrekt;

Overwegende, dat het Hof in dat verband opmerkt, dat indien een eiser verklaart zijn vordering in te trekken dit dikwijls aldus wordt verstaan, dat hij de aan die vordering ten grondslag gelegde stellingen niet handhaaft, zodat de vordering aan hem wordt ontzegd;

Overwegende, immers, dat de eiser daarmee zijn recht om terzake opnieuw in rechte op te roepen defini­tief opgeeft;

Overwegende, dat anders dan geintimeerde heeft betoogd, appellante na het antwoord geen toestemming van hem behoefde om na het antwoord, haar vordering in te trekken;

Overwegende, dat de enige door appellante tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief, die geacht moet worden gelijk te zijn besproken, als onjuist en onge­grond dient te worden verworpen;

Overwegende, dat het beroepen vonnis dan ook behoort te worden bevestigd, nu het Hof zich met de gronden die tot de beslissing van de kantonrechter hebben geleid, volledig kan verenigen;

Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 1 april 1997, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1.500,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f.1.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 16 OKTOBER 1998, in tegenwoor­digheid van Mr.M.TEDJOE, Fungerend-Griffier.

w.g.M.TEDJOE w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

 

SRU-HvJ-1998-17

H.M.

GENERALE ROL NO: 13995.

[appellant], wonende aan [adres] te [woonplaats] Nederland, voor wie als ge­mach­tigde op­treedt, Mr.H.A.M.ESSED, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte verte­genwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende bij het Openbaar Ministerie aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,

B. [geïntimeerde sub B], kantoorhoudende aan de Zwartenhovenbrugstraat 97 te Paramaribo, distrikt Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.W. VAN RITTER, advokaat, gein­ti­meerden,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton van 11 maart 1997 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 april 1997, waaruit blijkt van het instel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat W.H.LIONARONS als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering in te stellen tegen:

A. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte verte­genwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende bij het Openbaar Ministerie aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, hierna verder te noemen gedaagde sub A;

B. [geïntimeerde sub B], kantoorhoudende aan de Zwartenhovenbrugstraat 97 te Paramaribo, distrikt Paramaribo, hierna verder te noemen gedaagde sub B;

2. In de nacht van 7 op 8 december 1982, althans in de vroege ochtend van 8 december 1982, hebben militai­ren van de Surinaamse krijgsmacht, althans de militaire organisatie van de Staat Suriname die sinds augustus 1980 wordt aangeduid als het Nationaal Leger, hierna verder te noemen het ”Nationaal Leger”, een gebouwen­complex gelegen aan de Dr.J.F.Nassylaan no 107-109 te Paramaribo, welk gebouwencomplex eigendom was van eiser, in brand geschoten, althans zodanige handelingen verricht dat daardoor het bedoeld gebouwencomplex in brand raakte en geheel uitbrandde. In het bedoeld gebouwencomplex had eiser een woongedeelte ingericht en daarin verder gevestigd een hem in eigendom toebehoren­de drukkerij en uitgeverij, welke het dagblad ”De Vrije Sten” uitgaf. Door deze brand zijn behalve het gebou­wencomplex, ook de inventaris, machinerieën, voorraden en archieven van de drukkerij en uitgeverij, alsmede persoonlijke goederen en huisraad van eiser geheel vernietigd. Bij het verrichten van de hier bedoelde handelingen waren de bedoelde militairen gekleed in uniformen van het Nationaal Leger, verplaatsten zij zich in militaire voertuigen van het Nationaal Leger en maakten zij gebruik van wapens en of middelen van het Nationaal Leger.

3. De hier bedoelde militairen hebben de in het 2e sustenu vermelde handelingen verricht in opdracht van of vanwege gedaagde sub B, althans met medeweten van gedaagde sub B, in zijn hoedanigheid van Voorzitter van het Militair Gezag” en of in zijn hoedanigheid van ”Bevelhebber van het Nationaal Leger”;

4. Gedaagde sub B en of de hier bedoelde militairen hebben de hier bedoelde handelingen dan ook gepleegd in de hoedanigheid van orgaan van gedaagde sub A, althans moeten deze handelingen beschouwd worden als te zijn verricht door gedaagde sub A, en of hebben gedaagde sub B en of de hier bedoelde militairen de hier bedoelde handelingen gepleegd in de werkzaamheden waartoe ge­daagde sub A hen gebruikte;

5. Gedaagde sub B en of de hier bedoelde militairen wisten, althans behoorden te weten, dat voor hun hier bedoelde handelingen geen gegronde reden of noodzaak bestond en dat die handelingen noodzakelijkerwijs, althans redelijkerwijs te verwachten, de vernietiging van de hier bedoelde eigendommen van eiser tot gevolg zouden hebben;

6. Gedaagde sub B en of de bedoelde militairen, hebben met hun schuld daaraan – in de hoedanigheid van orgaan en of van ondergeschikte van gedaagde sub A – de in het 2e tot en met het 5e sustenu vermelde handelin­gen verricht en hebben derhalve gehandeld in strijd met:

a) hun rechtsplicht, omdat voor hun – zowel in hun hoedanigheid van orgaan, als in die van ondergeschikte – een wettelijke plicht bestond om eisers eigendommen tegen vernietiging of beschadiging te beschermen; en of,

b) het recht van eigendom van eiser, omdat de wet eiser het ongestoorde genot van zijn eigendomsrecht garan­deerde;

c) de goede zeden, omdat het een regel van onge­schreven recht is, stoelende op normen van moraal en fatsoen, dat men eens anders eigendommen niet vernie­tigt en zelfs naar vermogen tegen beschadiging be­schermt; en of,

d) de zorgvuldigheid welke hun in het maatschappelijk verkeer betaamde ten aanzien van eisers eigendommen, omdat het volgens regels van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt zorgvuldigheid te betrachten ten aanzien van eens anders persoon en goed. Gedaagde sub B en of de hier bedoelde militairen hebben derhalve – in de hoedanigheid van orgaan en of onderge­schikte van gedaagde sub A, met hun schuld daaraan een onrechtmatige daad gepleegd jegens eiser, als gevolg waarvan eiser grote schade heeft geleden en nog steeds lijdt;

7. Indien gedaagde sub B en of de hier bedoelde militairen gehandeld hebben als hiervoren vermeld, in de hoedanigheid van orgaan van gedaagde sub A, maar daarbij handelden binnen de formele kring van hun be­voegdheden, dan is gedaagde sub A op grond van artikel 1386 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de schade die eiser geleden heeft en nog steeds lijdt, als gevolg van dat handelen;

8. Indien gedaagde sub B en of de hier bedoelde militairen gehandeld hebben als hiervoren vermeld, in de hoedanigheid van orgaan van gedaagde sub A, maar daarbij handelden buiten de formele kring van hun be­voegdheden, dan is gedaagde sub A de grond van artikel 1388 lid 3 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek aan­sprakelijk voor de schade die eiser geleden heeft en nog steeds lijdt, als gevolg van dat handelen;

9. Indien gedaagde sub B en of de hier bedoelde militairen gehandeld hebben als hiervoren vermeld, in de hoedanigheid van ondergeschikte van gedaagde sub A, dan is gedaagde sub A op grond van artikel 1388 lid 3 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de schade die eiser geleden heeft en nog steeds lijdt, als gevolg van dat handelen;

10. Gedaagde sub B als persoon wist en behoorde te weten dat voor de hem verrichte, voren vermelde hande­lingen – ongeacht uit hoofde van welke hoedanigheid dan ook – geen gegronde reden of noodzaak bestond en dat die handelingen noodzakelijkerwijs, althans redelijker­wijs te verwachten, de vernietiging van eisers eigen­dommen tot gevolg zouden hebben;

11. Gedaagde sub B heeft dan ook met zijn schuld daaraan de in het 2e tot en met het 5e en het 10e sustenu vermelde handelen verricht en heeft derhalve gehandeld in strijd met:

a) het recht van eigendom van eiser omdat, de wet aan eiser het ongestoord genot van zijn eigendom garan­deerde; en of,

b) de goede zeden, omdat het een regel van onge­schreven recht is, stoelende op normen van moraal en fatsoen, dat men eens anders eigendommen niet vernie­tigt en zelfs naar vermogen tegen beschadiging be­schermt; en of,

c) de zorgvuldigheid welke hem in het maatschappelijk verkeer betaamde ten aanzien van eisers eigendommen, omdat het volgens regels van ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt zorgvuldigheid te betrachten ten aanzien van eens anders persoon en goed. Gedaagde sub B heeft derhalve als persoon met zijn schuld daaraan, een onrechtmatige daad gepleegd jegens eiser, als gevolg waarvan eiser grote schade heeft geleden en nog steeds lijdt. Gedaagde sub B is derhalve op grond van artikel 1386 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de schade die eiser geleden heeft en nog steeds lijdt als gevolg van de onrechtma­tige daad van gedaagde sub B;

12. Eiser is dan ook gerechtigd om op grond van arti­kel 1386 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek en op grond van artikel 1388 lid 3 van het Surinaams Burger­lijk Wetboek, een vordering tegen gedaagde sub A in te stellen, strekkend tot vergoeding door gedaagde sub A van de schade die eiser geleden heeft en nog steeds lijdt, als gevolg van de in het 2e tot en met het 9e sustenu omschreven onrechtmatig daad dan wel daden, van gedaagde sub B en of de daar bedoelde militairen, gepleegd met zijn of hun schuld daaraan;

13. Eiser dan ook gerechtigd om op grond van artikel 1386 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek een vordering in te stellen tegen gedaagde sub B, strekkend tot vergoeding door gedaagde sub B van de schade die eiser geleden heeft en nog steeds lijdt als gevolg van de in het 2e tot en met het 11e sustenu omschreven onrechtma­tige daad van gedaagde sub B als persoon, gepleegd met zijn schuld daaraan;

14. De hier bedoelde schade die eiser heeft geleden en nog steeds lijdt bestaat onder andere in:

a) vernietigde gebouwen 42.222.000,–

b) vernietigde inventaris 2.222.000,–

c) vernietigde machinerie 44.444.000,–

d) vernietigde voorraden 6.666.000,–

e) vernietigde persoonlijke goederen en huisraad Sf. 2.222.000,–

f) vernietigd archief en documentatie van het dagblad De Vrije Stem Sf. 16.666.000,–

g) gederfde winst 18.666.000,–

——————-

Totaal Sf.133.108.000,–

De onder sub a tot en met sub e vermelde waarden zijn vastgesteld uitgaande van het hierbij overgelegde taxatierapport d.d. 2 december 1981 en het hierbij overgelegde kopie van de lijst welke hoort bij de polis van de brandverzekering die eiser op 9 januari 1982 aanging, met het verzoek dat rapport en die lijst als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen. De waarde van de schade van eiser zoals hier aangegeven is herleid vanuit de op deze lijst aangeven verzekerde bedragen, uitgaande van de koers van de Centrale bank van Suriname van de Surinaamse gulden ten opzichte van de Amerikaanse dollar van Sf:US$ = 1: 1,80 in december 1982 en uitgaande van die koers zoals die heden is vastgesteld, te weten Sf : US$ = 1 : 400. De onder sub f vermelde waarde is een schatting, omdat de waarde van dit in vele jaren opgebouwd archief met historische documentatie en foto’s, moeilijk exact is vast te stellen. Bij deze schatting is eveneens uitgegaan van de hiervoren gehanteerde herleidingsmethode. De onder sub g vermelde waarde is berekend, er van uitgaande dat het eiser minstens twee jaar zou kosten om zijn gebou­wencomplex te herbouwen en zijn drukkerij en uitgeverij – na bestelling, installatie en proefdraaien van de machines – weer in bedrijf te krijgen. Gedurende die periode zou de winst van eiser – uitgaande van de hiervoren gehanteerde herleidingsmethode – minstens de hier aangegeven waarde bedragen hebben;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde sub A en gedaagde sub B, elk afzonderlijk zullen worden veroordeeld om terzake voorschreven, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van Sf.133.108.000,– (honderd drie en dertig miljoen honderd en acht duizend gulden Surinaams) of een door de Kantonrechter in goede justitie naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke interesses daarover ad 6% per jaar, vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoe­ning, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat De Staat Suriname en [geïntimeerde sub B] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden, hebbende de gemachtigde van gedaagde sub B tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen, onder overlegging van een produktie waarvan de inhoud, alsmede van de overgelegde produktie, eveneens hier als ingelast dient worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van gedaagden hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke con­clusies van dupliek en tot uitlating produktie hebben genomen;

Overwegende, dat de kantonrechter hierna bij vonnis van 11 maart 1997 op de daarin opgenomen gron­den:

Eiser niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering tegen de gedaagden;

Eiser heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld pro­ces-verbaal W.H.LIONARONS in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 11 maart 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 4 september 1997 aan geinti­meerden aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende advokaat Mr.R.W.VAN RITTER ten dage voor antwoord pleidooi peremptoir bepaald verklaard te persisteren bij alhetgeen bereids is aangevoerd en vraagt bevestiging van het vonnis in prima gewezen en uitgesproken;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 5 juni 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tegen het op 11 maart 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitge­sproken vonnis vier grieven heeft ontwikkeld die, voorzover ten deze van belang, alsvolgt luiden:

– Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat appel­lant voor de grondslag van zijn vordering (slecht­s) gesteld zou hebben dat het in brand geschoten ”gebo­uwen complex eigen­dom was van verzoeker”;

– Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat ”gedaa­gden onweersproken gesteld hebben dat eiser geen eigenaar was” van het gebouwen complex;

– Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat ”arti­kel 109 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek” de vermindering van een vordering toelaat, tenzij de grondslag van de vorde­ring onveranderd is gebleven;

– Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen ”dat der­halve, nu door eiser de grondslag zijner vordering mede wordt gewij­zigd door die vermindering, Wij hem in zijn vorde­ring niet ontvankelijk zullen verklaren;

Overwegende, dat het Hof thans er toe zal overgaan voor­melde grieven aan een bespreking te onderwerpen;

Overwegende, dat de eerste grief het Hof feitelijk on­juist en ongegrond voorkomt en derhalve moet worden verworpen, zijnde het Hof immers niet gebleken dat de Kantonrechter in het beroepen vonnis overwogen heeft als in deze grief is verwoord;

Overwegende, dat de tweede grief het Hof gegrond voorkomt, hebbende geïntimeerden immers niet onweer­spro­ken gesteld dat appellant geen eigenaar was van het gebouwen complex doch dat hij blijkens het in het derde sustenu van de conclusie van repliek de dato 8 oktober 1996 gestelde, dat verweer van geïntimeerden juist uitdrukkelijk heeft erkend;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot de derde en vierde grief opmerkt dat, naar luid van arti­kel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorde­ring, de eiser bevoegd is om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigen of te ver­minderen, zonder nochtans het onderwerp van de eis te mogen veranderen of te vermeerderen;

Overwegende, dat de in de derde grief bedoelde overweging van de Kantonrechter twee, als zodanig herkenbare, verschrij­vingen bevat en wel in die zin dat voor ”tenzij” moet worden gelezen ”mits” en dat voor ”Burgerlijk Wetboek” moet worden gelezen ”Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering”;

Overwegende, dat, naar uit de conclusie van re­pliek, gelezen in samenhang met het inleidend verzoek­schrift blijkt, onderdeel a van de eiswijziging neer­komt op vermindering van de vordering met de onder 14.a tot en met 14.d en met de onder 14.g van genoemd ver­zoekschrift genoemde schadeposten (en handhaving van de 14.e en 14.f genoemde schadeposten, belopende teza­men sf.18.888.000,–);
Overwegende, dat, nu geintimeerden (toen-gedaag­den) zich niet tegen deze vermindering hebben verzet, de Kantonrechter onderdeel a van de eiswijziging niet mocht toetsen aan het bepaalde in artikel 109 van het Wetboek van Burgerlijke Recht­svordering en dit onder­deel van de eiswijziging had moeten toestaan;

Overwegende, dat de derde en vierde grief in zoverre dus gegrond zijn en het Hof aan appellant alsnog akte zal verlenen van de vermindering van de vordering tot de som van Sf.18.888.00­0,–;

Overwegende, dat appellant (toen-eiser) oorspron­kelijk, voor zoveel hier van belang, heeft gevorderd veroordeling van geintimeerden (toen-gedaagden) tot betaling van Sf.133.1­08.000,– althans een door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente;

Overwegende, dat hetgeen appellant als subsidiaire vorde­ring aan zijn oorspronkelijk eis toegevoegd wil zien niet reeds als in die eis begrepen kan worden beschouwd, zodat toevoeging van de subsidiaire vorde­ring neerkomt op vermeerde­ring van de eis;

Overwegende, dat de kantonrechter niet heeft beslist over onderdeel b van het verzoek tot eiswijzi­ging en het Hof zal doen hetgeen de kantonrechter heeft nagelaten;

Overwegende, dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat het verbod van verandering of vermeer­dering van de grondslag van de eis slechts geldt indien een en ander leidt tot onredelijke vertraging van het geding of de verweerder in de verdediging van zijn standpunt ernstig bemoeilijkt;

Overwegende, dat geintimeerde sub B weliswaar heeft gesteld, zakelijk weergegeven, bezwaar te hebben tegen onder­deel b van het verzoek tot eiswijziging, maar niet heeft aangevoerd dat toewijzing van dit verzoek zou leiden tot onrede­lijke vertraging van het geding of dat hij in zijn verdediging ernstig zou worden bemoeilijkt;

Overwegende, dat aan appellant akte zal worden verleend van de wijziging van de eis als bedoeld onder b;

Overwegende, dat voorzover ten deze van belang tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans niet gemoti­veerd betwist, rechtens in confesso is;

– dat militairen van de Surinaamse Krijgsmacht, althans de militaire organisa­tie van de Staat Suriname die sinds augustus 1980 wordt aange­duid als het ”Natio­naal Leger”, (verder te noemen het ”Natio­naal Leger”), in de nacht van 7 op 8 december 1982 althans in de vroege ochtend van 8 december 1982 een gebouwen complex gele­gen aan de Dr.J.F.Nassylaan no.107-109 te Paramari­bo, in brand hebben geschoten, althans zodanige hande­lingen verricht dat daardoor het bedoeld gebouwencom­plex in brand raakte en geheel uitbrandde;

– dat in bedoeld gebouwen complex appellant een woongedeel­te had ingericht;

– dat door deze brand persoonlijke goederen en huisraad van eiser geheel zijn vernietigd;

– dat bij het verrichten van bedoelde handelingen bedoelde militairen die in uniform van het Nationaal Leger gekleed waren, zich verplaatsten in militaire voertuigen van het Nationaal Leger en maakten zij gebruik van wapens en midde­len van het Nationaal Leger;

Overwegende, dat appellant onder meer aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd,

– dat bedoelde militairen vermelde handelingen in opdracht van of vanwege geïntimeerde sub B, althans met medeweten van geïntimeerde sub B, in zijn hoeda­nigheid van ”Bevelhebber van het Nationaal Leger” hebben ver­richt;

– dat verder in opdracht van of vanwege geïntimeerde sub B, in zijn hier bedoelde hoedanigheid, althans met zijn medewe­ten, de brandweer die ter plaatse verscheen, door de daar aanwezige militairen verhinderd is de brand als hiervoren bedoeld te blussen, althans heeft geïntimeerde sub B nagelaten de schade van eiser als gevolg van de brand te beperken, terwijl hij daartoe alle gelegenheid had;

Overwegende, dat appellant wijders heeft gesteld, dat geïntimeerde sub B of bedoelde militairen bedoelde handelingen hebben gepleegd in de hoedanigheid van orgaan van geïntimeerde sub A, althans dat deze hande­lingen beschouwd moeten worden als te zijn verricht door geïntimeerde sub A, en of hebben geïntimeerde sub B en of bedoelde militairen bedoelde hande­lingen ge­pleegd in de werkzaamheden waartoe geintimeerde sub A hen gebruikte;

Overwegende, dat het Hof, uitgaande van de juist­heid van de bewering van appellant dat geïntimeerde sub B en bedoelde militairen bedoelde handelingen hebben gepleegd in de hoeda­nigheid van orgaan van geïntimeerde sub A, zodat die bewering rechtens tussen partijen is komen vast te staan, opmerkt, dat de onrechtmatige daad van het orgaan beschouwd wordt als de onrechtmatige daad van de rechtspersoon, wanneer het orgaan gehandeld heeft binnen de formele kring van zijn bevoegdheid, dat wil zeggen wanneer het orgaan als zodanig heeft gehan­deld in de vervulling van de hem opgedragen taak;

Overwegende, dat het Hof evenwel opmerkt, dat uit de door appellant gestelde feiten beslist niet af te leiden valt dat geïntimeerde sub B en bedoelde militai­ren in casu als orgaan als zodanig hebben gehandeld in de vervulling van de hen opgedragen taak;

Overwegende, dat de omstandigheid, dat geïntimeer­de sub B en bedoelde militairen als orgaan gehandeld hebben in strijd met de wet niet in de weg zou behoeven te staan aan de moge­lijkheid, dat het orgaan gehandeld heeft binnen de formele kring van zijn bevoegdheid, doch dat nu appellant geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen, die het Hof tot een dergelijk oor­deel zouden kunnen doen komen, gaat het Hof daar­aan dan ook als niet terzake doende geheel voorbij;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat, ten einde de aansprakelijkheid van de ondergeschikte te doen intreden, ingevolge de literatuur vereist is, dat de ondergeschikte een onrechtmatige daad pleegt in de werkzaamheden welke hij voor zijn opdrachtgever ver­richt, wat zeggen wil, dat de onrechtma­tige gedraging plaats moet vinden gedurende de diensttijd en dat er verband moet bestaan tussen de gedraging en de aan de ondergeschikte opgedragen taak;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, uit de door appellant gestelde feiten niet af te leiden valt, dat geïnti­meerde sub B en bedoelde militairen bedoelde handelingen hebben gepleegd gedurende de diensttijd en dat er verband bestaat tussen de gedragingen van ge­ntimeerde sub B en be­doelde militairen en de hen door geïntimeerde sub A opgedragen taak;

Overwegende, dat geïntimeerde sub A dan ook niet aanspra­kelijk is voor de door geïntimeerde sub B en bedoelde militai­ren in hun hoedanigheid van orgaan en/ of ondergeschikten van geïntimeerde sub A jegens appel­lant gepleegde onrechtmatige handelingen met hun schuld daaraan als gevolg waarvan appellant grote schade gele­den heeft en nog lijdt;

Overwegende, dat het Hof toegeeft dat zich geval­len kunnen voordoen, waarin de rechtspersoon niet krachtens arti­kel 1386 doch wel krachtens artikel 1388 B.W., aansprakelijk wordt gesteld, wanneer de onrecht­matig handelende persoon wel orgaan is, maar niet handelde binnen de formele kring van zijn bevoegdheid;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, appel­lant te dier zake ook geen feiten en omstandigheden heeft aangedragen, die zich in het zo juist aangehaalde in casu voordoen zodat het Hof aan het door appellant in het achtste sustenu van het verzoekschrift gestelde geheel voorbijgaat;

Overwegende, dat het Hof als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt de feiten, gesteld in het tiende en elfde sustenu van het verzoekschrift nu die feiten die als in dat vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd worden aangemerkt noch in prima noch in hoger beroep gemotiveerd zijn weerspro­ken;

Overwegende, dat ofschoon op grond van die feiten de aansprakelijkheid van gedaagde sub B rechtens is komen vast te staan en hij jegens appellant mitsdien schadevergoedingsplich­tig is, appellant zijn, tot het bedrag van Sf.18.888.000,=, hetwelk wordt gespecifi­ceerd alsvolgt: – vernietigde persoon­lijke goederen en huisraad ten bedrage van Sf.2.222.000,= en vernietigd archief en documenta­tie van het dagblad ”De Vrije Stem” ten bedrage van Sf.16.666­.000,=, verminderde vordering, toch niet toegewezen zou kunnen krijgen;

– gemeld bedrag van Sf.2.222.000,= niet, omdat appel­lant na betwisting door geïntimeerden van deze schade­post, nagelaten heeft aan te geven waaruit de persoon­lijke goederen en huis­raad hebben bestaan en hoe hij aan het bedrag van Sf.2.222.00­0,= gekomen is;

– het bedrag van Sf.16.666.000,= ook niet omdat appellant niet althans niet gemotiveerd weersproken heeft de bewering van geintimeerden dat het vermeende vernietigd archief en de vernietigde documentatie van het dagblad ”De Vrije Stem” niet tot de persoonlijke eigendommen van appellant behoorden maar de eigendom waren van Drukkerij Lionarons N.V. zodat die bewering rechtens tussen partijen is komen vast te staan;

Overwegende, dat het Hof dan ook van oordeel is dat appellant zijn, tot het bedrag van Sf.18.888.000,– verminder­de, vordering met een niet-ontvankelijkheid dient te worden be­groet;

Overwegende, dat de Rechter bij onrechtmatige daad welis­waar schadevergoeding in een andere vorm dan geld kan toeken­nen, maar dan, voor zover hier van belang, slechts in die vorm die de eiser heeft gevorderd;

Overwegende, dat nu appellant bij zijn subsidiaire vorde­ring geen bepaalde vorm van de schadevergoeding heeft geko­zen, hij in die vordering evenmin kan worden ontvangen;

Overwegende, dat het beroepen vonnis, zij het onder aan­vulling en verbetering van rechtsgronden, dan ook dient te worden bevestigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verleent appellant alsnog akte van wijziging van zijn vordering;

Bevestigt – onder aanvulling en verbetering van rechts­gronden – het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kan­ton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 11 maart 1997, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op Sf…………….;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun respec­tieve advokaten voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van Sf………………….;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant op Sf……………………..;

Aldus gewezen door de Heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-President, Mr.E.S.Ombre en Mr.A.I.Ramnewash, leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 juli 1998 in tegenwoor­digheid van Mr.M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde, advokaat Mr.H.A.E.ESSED, geintimeerde sub A vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.­R.BAARH en geintimeer­de sub B vertegenwoordigd door advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.R.W.VAN RITTER, zijn bij de uitspraak ter terecht­zitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-16

M.H.

GENERALE ROL:13988

[appellante], wonende aan [adres] te [woonplaats], voor wie als gemachtigde optreedt,Mr.M.R.CARRILHO, advocaat,

appellante

tegen

[geïntimeerde], wonende in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.HALFHIDE,

geïntimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 8 mei 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende en overnemende hetgeen bereid in s’ Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat het door het Hof verlangde procesdossier bekend onder G.R.No.13964 is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating – over het overgelegd dossier hebben genomen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier (G.R. No. 13964) door de Griffier van het Hof van Justitie in het onderhavige gebracht, na daartoe bij tussenvonnis van het Hof van Justitie d.d. 8 november 1998 te zijn gelast, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, d.d. 28 november 1996 (A.R.No.93/6615), waarbij appellante haar vordering met een niet-ontvankelijkheid werd begroet nadat de Kantonrechter alstoen had overwogen, dat uit het overgelegd bescheid blijkt dat het huwelijk van partijen reeds ontbonden is en dat appellante niet kan stellen dat partijen nog gehuwd zijn, is bevestigd bij vonnis van het Hof van Justitie van 20 februari 1998;

Overwegende, dat naar voorts wat het procesdossier (G.R.No.13964) blijkt, tussen partijen bij beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Nederland d.d. 12 oktober 1994 de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken op vordering van geïntimeerde; dat gemelde beschikking in de registers van echtscheidingen van de Burgerlijke Stand van ’s Gravenhage, Nederland, op 9 mei 1995 is ingeschreven; dat bij meer gemelde beschikking partijen zijn bevolen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen en voor het geval van geschil daaromtrent Mr.J.H.M.HAMANS, Notaris te Amsterdam is benoemd, danwel de ambtelijke bewaarder van diens protocol, teneinde de verdeling op een door hem te bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen, en voor het geval van weigerachtigheid of nalatigheid tot medewerking, Mr.G.P.R.Conté, Advokaat te Amsterdam, en Mr.S.Ramcharan, Advokaat te Amsterdam ter vertegenwoordiging van de man, respectievelijk de vrouw;

Overwegende, dat geintimeerde in eerste aanleg als eiser heeft gevorderd op grond van feiten aan zijn vordering ten grondslag gelegd, veroordeling van appellante als gedaagde met hem over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap waarin partijen waren gehuwd, met benoeming van een Notaris te wiens overstaan de werkzaamheden dier scheiding en deling zullen plaatshebben op door deze te bepalen tijd en plaats, zomede van een onzijdige persoon om appellante te vertegenwoordigen indien zij in gebreke mocht blijven om op de door de notaris te bepalen tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde weigeren mocht om tot de werkzaamheden dier scheiding en deling mede te werken;

Overwegende, dat appellante, zich tegen toewijzing van geintimeerde onderhavige vordering verzettend, voorzover ten deze van belang, heeft aangevoerd, aldus verweer thans en uitsluitend opvattend, dat geintimeerde hier te lande zou moeten ten uitvoer tegen de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, Nederland, d.d. 12 oktober 1994, waarbij partijen tevens bevolen is over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap waarin zij waren gehuwd nadat aan geintimeerde zou zij verleend verlof tot ten uitvoerlegging van die beschikking middels een tot de Kantonrechter gericht verzoekschrift; dat geintimeerde zich evenwel verzuimd heeft conform artikel 1 van het Decreet C-42 van 31 december 1980, bekend de Exequaturregeling 1980, houdende nadere wijziging van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te voldoen aan de in dit decreet genoemde artikelen, zijnde geintimeerde mitsdien niet-ontvankelijk in zijn tegen appellante ingestelde vordering;

Overwegende, dat voormelde verweer geintimeerde niet vermag te baten en mitsdien faalt vermits appellante over het hoofd ziet, dat geintimeerde bevoegd, geenszins verplicht, was tot de indiening van het verzoek tot afgifte van een verlof tot ten uitvoerlegging van de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam d.d. 12 oktober 1994 voor wat betreft de daarbij bevolen verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen;

Overwegende, dat het geintimeerde dan ook vrij stond hier te lande in te stellen tegen appellante een vordering tot scheiding en deling van de tot ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen, gaande in het casu, naar uit der partijen stelling blijkt om een hier te lande zich bevindend onroerend goed in verband waarmede zij opgemerkt dat ingevolge artikel 10 van de Wet Algemene Bepalingen de Surinaamse wet geldt, zonder dat de regel ”ne bis inidem” zich daartegen zou verzetten;

Overwegende, dat de Kantonrechter, zij het op andere gronden terecht geintimeerdes vordering tegen appellante tot scheiding en deling heeft toegewezen;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de daartegen ontwikkelde grieven als volkomen irrelevant in het midden latend, het beroepen vonnis, zij het onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, dan ook zal bevestigen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, zij het onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 juli 1996 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op Sf.1.500,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem ingehouden pleidooi toegekende salaris van Sf.1.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op Sf.1.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 20 NOVEMBER 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier. Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.G.A.VOS ­Boldewijn namens haar gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carril­ho, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.Lim A Po namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.A.Halfhide, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-15

M.R.S.

GENERALE ROL No.14066.

[appellante], rechtspersoon gevestigd en kantoorhoudende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.G.GANGARAM-PANDAY, advocaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.G.BECKLES, advocaat,

geïntimeerde in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 26 maart 1998 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 april 1998, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiser wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [appellante], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan [adres 1] te [district], gedaagde.

2. Eiser heeft op 25 maart 1997 gekocht en geleverd gekregen van de heer [naam] ”het erfpachtsrecht vervallende 19 december 2017 op het erf groot ± 3305,61 m² gelegen te [district] aan [adres 1 variant] bekend als [adres 3].

3. Eisers raadsman heeft aan gedaagde, die een huurovereenkomst had met de verkoper [naam] voornoemd voor de periode van 3 jaren vanaf 1 april 1994 tot 1 april 1997 voor de huurprijs van Sf.10.000,– per maand, op 13 mei 1997 een schrijven gericht met het verzoek zijn bedrijfsactiviteiten in het pand te beëindigen en het pand te ontruimen.

4. Eiser heeft tot heden geen enkele reactie van gedaagde ontvangen terwijl hij ook de huur niet heeft betaald aan eiser sedert diens schrijven d.d. 12 mei 1997, dit terwijl gedaagde vanaf toen reeds wist wie nu eigenaar is van het pand waarin hij zijn bedrijf uitoefent.

5. Eiser stelt geen prijs op verlenging van het huurcontract nu deze al is geexpireerd en gedaagde dus zonder recht aldaar zijn bedrijf uitoefent.

6. Eiser die bezig is een keten van Sun Ice bakkerijen op te zetten heeft voormeld pand zelf nodig om bedrijfsactiviteiten te ontplooien en wordt mitsdien door de weigerachtige houding van gedaagde om te ontruimen gehinderd en veel schade berokkend. Schade in de zin van inkomstenderving wegens het niet kunnen ontplooien van bedrijfsactiviteiten aldaar door eiser.

7. Uit het voorgaande blijkt het spoedeisend belang dat eiser heeft bij een voorziening bij voorraad.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis in Kort Geding voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te gelasten binnen één maand na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn, het pand aan [adres 1] te [district] te ontruimen en te verlaten met medeneming van alle zich van zijnentwege aldaar bevindende personen en goederen onder verbeurte van een dwangsom van Sf.1.000.000,– per dag voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen, kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd: dat de eiser in zijn vordering jegens haar niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat de vordering aan de eiser zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter in Kort Geding bij rolbeschikking overlegging door de Griffier van het procesdossier bekend in het Algemeen Register onder nummer 963310 hebben bevolen;

Overwegende, dat ten dage voor overlegging procesdossier door de Griffier bepaald, het verlangde procesdossier is overgelegd, wordende de inhoud van het overgelegde procesdossier hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat ten dage bepaald voor uitlating zijdens partijen de gemachtigden van partijen zich aan Ons oordeel hebben gerefereerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 26 maart 1998 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft gelast binnen Een Maand na deze uitspraak het pand, staande op het erf, dat gelegen is te [district] aan [adres 1], met medeneming van alle van harentwege zich daarin bevindende personen en goederen, te ontruimen en te verlaten en ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van f.1.000.000,– per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van de eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.21.912,50 (EEN EN TWINTIGDUIZEND NEGENHONDERD EN TWAALF 50/100 GULDEN);

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 26 maart 1998;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 23 mei 1998 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram d.d. 9 juni 1998 aan geintimeerde is betekend een memorie van grieven genomen door appellant, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi tevens producties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat niet gesteld of gebleken is dat het appel te laat is ingesteld, zodat appellante daarin kan worden ontvangen;

Overwegende, dat appellante de volgende grieven heeft aangevoerd, te weten:

1. ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat geintimeerde door de juridische levering op 27 maart 1997 eigenaar is geworden van het litigieuze onroerende goed;

2. ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat appellant met betrekking tot de subsidiaire vordering niet heeft voldaan aan haar stelplicht;

3. ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat appellant op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken dat zij eerder dan geintimeerde het litigieuze onroerend goed van de heer [naam] heeft gekocht;

4. ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat appellant haar bedrijf in het op vorenomschreven erf staand pand zonder enig recht of titel uitoefent;

5. ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat geintimeerde een spoedeisend belang heeft;

6. ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat geintimeerde schade lijdt;

Overwegende, dat grief 5 als meest verstrekkende grief kan worden aangemerkt en als eerste zal worden besproken;

Overwegende, dat appellante grief 5 heeft onderbouwd met te stellen dat geintimeerde in het inleidend rekest slechts bloot en vaag heeft gesteld dat hij bezig is een keten van Sun Ice bakkerijen op te zetten en dat hij voormeld pand zelf nodig heeft om bedrijfsaktiviteiten te ontplooien, zonder zulks met feiten te staven;

Overwegende, dat de Kantonrechter zijn door grief 5 gewraakte beslissing niet heeft gebaseerd op de door appellante aangehaalde stelling, maar de spoedeisendheid heeft aangenomen, omdat hij van oordeel was dat appellante, door te weigeren het pand te ontruimen inbreuk maakte op het eigendomsrecht van geintimeerde en de vordering van geintimeerde sterkte tot het doen eindigen van deze onrechtmatige situatie (zie voorlaatste rechtsoverweging van het beroepen vonnis);

Overwegende, dat grief 5 dan ook faalt;

Overwegende, dat, van al hetgeen appellante ter onderbouwing van grief 1 heeft aangevoerd, als relevant slechts kan worden aangemerkt de stelling, zakelijk weergegeven, dat appellante reeds op 4 oktober 1996 (ten laste van na te noemen [naam]) conservatoir beslag had gelegd op het litigieuze onroerend goed (te weten het in het inleidend rekest omschreven erfpachtsrecht, dat appellante beweert eerder dan geintimeerde van [naam] te hebben gekocht);

Overwegende, dat het beslag er niet aan in de weg stond dat geintimeerde door de na de beslaglegging plaatsgevonden levering eigenaar werd van het erfpachtsrecht, zodat grief 1 dient te worden verworpen;

Overwegende, dat mitsdien met de Kantonrechter als vaststaand kan worden aangenomen dat [naam] aan geintimeerde op 25 maart 1997 bovenbedoeld erfpachtsperceel met opstal heeft verkocht en op 27 maart 1997 juridisch heeft geleverd;

Overwegende, dat geintimeerde, als eiser in eerste aanleg, kort weergegeven, heeft gevorderd dat appellante, als gedaagde in eerste aanleg, wordt veroordeeld het erfpachtsperceel met opstal te ontruimen;

Overwegende, dat geintimeerde aan deze vordering, voor zoveel hier van belang en zakelijk weergegeven, ten grondslag heeft gelegd, bovenomschreven eigendomsverkrijging, alsmede: dat appellante perceel en opstal van [naam] had gehuurd voor de periode van 1 april 1994 tot 1 april 1997 voor een huurprijs van f.10.000,– per maand; dat zijn, geintimeerde’s, raadsman bij brief van 12 mei 1997 heeft verzocht zijn bedrijfsaktiviteiten in het pand te beëindigen en het pand te ontruimen; dat, nu de huurovereenkomst is geexpireerd, appellante zonder recht of titel zijn bedrijf in het pand uitoefent;

Overwegende, dat appellante in eerste aanleg als verweer, kort samengevat, heeft aangevoerd dat zij het erfpachtsrecht vòòr geintimeerde van [naam] had gekocht en dat laatstgenoemde weigerde dit recht aan appellante te leveren; dat appellante bij exploit van 4 oktober 1996 conservatoir beslag op dat recht had doen leggen en in de zaak AR 963310 (primair) levering van dat recht door [naam] vorderde (en subsidiair schadevergoeding);

Overwegende, dat de toewijsbaarheid van de door appellante tegen [naam] ingestelde vordering tot schadevergoeding niet in de weg staat aan de toewijzing van geintimeerde’s vordering tot ontruiming en het Hof het belang van het door de Kantonrechter ingestelde onderzoek naar die toewijsbaarheid niet inziet;

Overwegende dan ook, dat appellante geen belang heeft bij grief 2;

Overwegende, dat appellante grief 3 heeft onderbouwd met verwijzing naar stellingen, door haar geponeerd in het geding bekend onder AR 963310 en een in dat geding gedaan, overigens in algemene bewoordingen, gedaan bewijsaanbod;

Overwegende, dat appellante voorts heeft aangevoerd dat de Kantonrechter eraan voorbij is gegaan dat in het bodemgeschil nog ruimte voor enquête en comparitie is;

Overwegende, dat appellante voorbijziet dat het de Kantonrechter en niet om ging welk bewijs zij in de zaak AR 963310 zou kunnen leveren, maar of zij in de voor hem liggende zaak de beweerde koop voldoende had bewezen;

Overwegende, dat grief 3 derhalve faalt;

Overwegende, dat appellante met betrekking tot grief 4 naar voren heeft gebracht dat, doordat partijen vòòr 31 maart 1997 geen nieuwe huurovereenkomst zijn aangegaan, de bestaande overeenkomst is komen te vervallen en in gevolge de wet tussen partijen een overeenkomst voor onbepaalde tijd ontstond;

Overwegende, dat uit appellante’s eigen stellingen volgt dat zij de hierboven genoemde brief van geintimeerde’s raadsman d.d. 13 (lees kennelijk: 12) mei 1997 heeft ontvangen;

Overwegende, dat mitsdien niet kan worden gezegd dat appellante na ommekomst van de huurovereenkomst in het gehuurde is gelaten;

Overwegende, dat appellante zich vanaf 1 april 1997 zonder recht of titel in het betreffende pand bevindt en ook grief 4 faalt;

Overwegende, dat appellante ter onderbouwing van grief 6 heeft aangevoerd dat geintimeerde in het inleidend rekest slechts bloot en vaag heeft gesteld dat hij schade in de zin van inkomstenderving lijdt wegens het niet kunnen ontplooien en bedrijfsaktiviteiten aldaar door hem, zonder zulks enigszins hard te maken c.q. aan te tonen;

Overwegende, dat uit de door appellante aangehaalde stelling duidelijk blijkt waarover geintimeerde zich beklaagde en die stelling ten onrechte als vaag wordt aangemerkte door appellante;

Overwegende, dat geintimeerde, anders dan appellante verlangt, zijn stelling niet reeds in het inleidend rekest diende ”hard te maken c.q. aan de tonen”, aangezien de eisende partij nog in de loop van het geding feiten kan aanvoeren ter ondersteuning van zijn vordering;

Overwegende, dat ook grief 6 faalt;

Overwegende, dat nu alle grieven falen, het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd;

Overwegende, dat appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van geintimeerde gevallen proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het door de Kantonrechter gewezen en uitgesproken vonnis, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten aan de zijde van de geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f……….;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f……;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f……..;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 NOVEMBER 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.F.Echteld namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.Gangaram-Panday en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.G.Beckles, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.