SRU-HvJ-2018-12

G.R.No. 14606

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

1. [appellant],

2. [appellante]

beiden wonende te [district],

appellanten,

verder te noemen: [appellanten],

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP DE SURINAAMSE CREDIETMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Amstelveen, Nederland,

geïntimeerde,

verder te noemen: de B.V.,

gemachtigde: mr. A.E. Veldman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 8 december 2009 (A.R. No. 04-0373) tussen [appellanten] als eisers en de B.V. als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

– het vonnis d.d. 7 maart 2014, waarbij in het incident het verzoek tot wijziging van de eis is afgewezen en in de hoofdzaak aan de B.V. bewijs is opgedragen;

– de processen-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 maart 2014 en 7 april 2014;

– het op 15 april 2014 ontvangen schikkingsvoorstel zijdens de B.V.;

– de uitlating zijdens de B.V. d.d. 1 augustus 2014;

– de akte uitlating schikking d.d. 15 augustus 2014.

De beoordeling

1. Bij bovengenoemd vonnis is de B.V. toegelaten het tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geacht feit dat de B.V. wel op de hoogte was van het feit dat [appellanten] uitgingen van een veilingkoopsom van € 28.000,-, door de persoon van [naam 1] aan hun voorgehouden bij het aangaan van het krediet, terwijl bij de persoon van [naam 1] bekend was dat de veilingkoopsom € 18.619,- was.

2. Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft de B.V. de heer [naam 1] doen horen. Verdere getuigen zijn door de B.V. niet voorgebracht en zij heeft evenmin op andere wijze bewijsmateriaal verschaft. Er is geen contra-enquête gehouden. Door de B.V. gedane schikkingsvoorstellen zijn door [appellanten] afgewezen.

3. [naam 1] was tijdens het getuigenverhoor directeur van de B.V. Het Hof heeft hem als privépersoon gehoord. [naam 1] was, naar uit de processtukken blijkt, ook ten tijde van het aangaan van de litigieuze geldlening en hypotheekverstrekking directeur van de B.V. Ten slotte was hij, naar eveneens uit de processtukken blijkt, degene die op de veiling – namens [naam 2] – het perceel op de veiling kocht voor een bedrag van, omgerekend in Euro’s, € 18.619,-.

4. [naam 1] heeft als getuige verklaard dat niet aan [appellanten] is voorgehouden dat de veilingkoopsom € 28.000,- beliep. Zijn verklaring is, nu deze op zichzelf is blijven staan en [naam 1] bovendien als directeur van de B.V. bij het afleggen daarvan belang had, onvoldoende om het aan de B.V. opgedragen tegenbewijs aan te nemen.

5. Het Hof heeft reeds bij bovengenoemd tussenvonnis beslist dat [appellanten] de leningsovereenkomst en hypotheekverstrekking onder invloed van dwaling hebben aangegaan. Aangezien de B.V. niet geslaagd is in het haar opgedragen (tegen)bewijs, oordeelt het Hof dat deze dwaling aan de B.V. kan worden tegengeworpen op gronden als overigens in het tussenvonnis vermeld.

6. De grieven slagen in zoverre als hiervoor en in het tussenvonnis aangegeven en behoeven voor het overige geen bespreking.

Het Hof zal de vonnissen van de kantonrechter vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen van [appellanten] op de wijze als in het dictum aan te geven alsnog toewijzen. De B.V. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt de in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnissen van 13 juni 2006 en 8 december 2009 (A.R.No. 04-0373)

en opnieuw rechtdoende

vernietigt de tussen partijen op 18 oktober 2002 gesloten geldleenovereenkomst, verklaart de door [appellanten] aan de B.V. verstrekte hypotheekrechten op de onroerende goederen als vermeld in het inleidend verzoekschrift d.d. 26 januari 2004 onder 1 A, B en C vervallen, veroordeelt de B.V. in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot

– voor de eerste aanleg op SRD 63,- en

– voor het hoger beroep op SRD 357,20

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 4 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. R.E.W. Truideman namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. S.M.D. Sitaram namens advocaat mr. A.E. Veldman, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2010-2

G.R. 14389

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE STAAT SURINAME

(meer in het bijzonder het Ministerie van Binnenlandse Zaken)

zetelende te Paramaribo,

appellant,

gemachtigden: mr. A.R. Baarh en mr. K.J. Brandon, advocaten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. F. Ishaak, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 8 november 2007 (A.R. 072423) tussen appellant (hierna “de Staat” te noemen) als gedaagde en geïntimeerde (hierna “[geïntimeerde]” te noemen) als eiser.

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de Staat op 20 november 2007 – tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;

– het proces-verbaal van terechtzitting d.d. 17 oktober 2008, waarin opgenomen het pleidooi, houdende grieven, van de zijde van de Staat;

– antwoord pleitnota d.d. 7 november 2008;

– repliek pleidooi d.d. 21 november 2008;

– dupliek pleidooi d.d. 5 december 2008, met productie;

– uitlating producties van de zijde van de Staat d.d. 16 januari 2009, met productie;

– uitlating producties van de zijde van [geïntimeerde] d.d. 6 februari 2009.

De beoordeling

1. De in rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis vermelde feiten, waartegen geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaar is gemaakt, dienen ook in hoger beroep tot uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

1.1 [geïntimeerde] is bij resolutie van 21 oktober 1993, [nummer 1], benoemd tot [minister 1] en heeft dat ambt van 21 oktober 1993 tot en met 19 september 1996 vervuld.

Bij resolutie van 19 september 1996, [nummer 2], is [geïntimeerde] benoemd tot [minister 2]. Hij heeft dat ambt van 20 september 1996 tot en met 14 januari 1997 vervuld.

Bij presidentieel besluit van 20 januari 1997, [nummer 3], is aan [geïntimeerde] met ingang van 15 januari 1997 eervol ontslag verleend.

1.2 Bij brief van 9 september 1996 schrijft de voorzitter van de Raad van Ministers aan de Minister van Binnenlandse Zaken:

“Hierbij deel ik U mede dat de Raad van Ministers (…) in zijn vergadering van dinsdag 3 september 1996 heeft goedgekeurd dat alle personen die na 1 januari 1996 op eervolle wijze uit een ambt als lid van de Regering zijn ontslagen, voor zover het ambt werd vervuld als resultaat van gehouden algemene, vrije en geheime verkiezingen, en zij dit ambt gedurende tenminste een jaar hebben vervuld, in de hoogste ambtelijke rang, zijnde Hoofdambtenaar A, op het maximum van de geldende schaal (thans 24), kunnen worden ingedeeld, c.q. aangesteld.

Aan belanghebbenden zullen benevens de bezoldiging alle emolumenten verbonden aan de functie van Directeur ener Departement van Algemeen Bestuur, worden toegekend.

Voor de toepassing van deze regeling dienen belanghebbenden aan de President van de Republiek Suriname schriftelijk het verzoek daartoe te doen.

Het betreffende besluit zal ingaan te rekenen vanaf de maand volgende op die waarin het verzoek is gedaan, met inachtneming van de overgangsregeling vervat in de Wet van 23 juni 1993 (S.B. 1993 no. 58), artikel V sub 1, respectievelijk de Wet van 23 juni 1996 ( S.B. 1993 no. 55) artikel V”.

1.3 Bij brief van 9 juni 2000 heeft de eerste vervanger van de voorzitter van de Raad van Ministers aan de Minister van Binnenlandse Zaken medegedeeld dat de Raad van Ministers op 31 mei 2000 heeft goedgekeurd dat de eerste alinea van de zojuist geciteerde missive komt te vervallen en dat met ingang van 1 januari 1998:

“alle personen die op eervolle wijze uit een ambt van de Regering zijn ontslagen voor zover het ambt werd vervuld als resultaat van gehouden algemene, vrije en geheime verkiezingen, en zij dit ambt gedurende tenminste een jaar hebben vervuld, kunnen worden ingedeeld c.q. aangesteld als ambtenaar, onder toekenning van de maximum-bezoldiging verbonden aan de bezoldigingsreeks die geldt voor de hoogste ambtenaar op een Departement van Algemeen Bestuur, zijnde thans de Directeur van een Departement”.

De in deze brieven beschreven regeling van 3 september 1996, zoals gewijzigd op 31 mei 2000, zal in het hiernavolgende worden aangeduid als “de missive”.

1.4 Bij brief van 12 februari 2003 schrijft [geïntimeerde] aan de President van de Republiek: “Bij deze nadert ondergetekende (…) U met het verzoek het daarheen te leiden dat, conform de geldende regeling voor ex-ministers (…) ondergetekende ingedeeld wordt casu quo aangesteld wordt in de hoogst ambtelijke rang zijnde Hoofdambtenaar A op de maximum geldende schaal (toen schaal 24), thans gewijzigd conform Staatsbesluit 1998 no. 66) en wel te rekenen vanaf 1 februari 1997, onder toekenning van salaris en alle emolumenten die verbonden zijn aan de functie van Directeur ener Departement van Algemeen Bestuur(…).

1.5 Op het verzoek van 12 februari 2003 is door [geïntimeerde] geen reactie ontvangen.

2.1 [geïntimeerde] vordert in kort geding de Staat te gelasten om hem binnen 24 uur na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, aan te stellen in de hoogste ambtelijke rang, namelijk Hoofdambtenaar A op de maximum geldende schaal (toen schaal 24, thans gewijzigd conform Staatsbesluit 1998 no. 66), en wel te rekenen vanaf 1 februari 1997 onder toekenning van salaris en alle emolumenten die verbonden zijn aan de functie van Directeur van een Departement van Algemeen Bestuur, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 2.000,= per dag.

2.2 [geïntimeerde] voert ter onderbouwing van zijn vordering aan dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt door zijn verzoek om als ambtenaar in de hoogste rang te worden aangesteld, niet te honoreren. Volgens [geïntimeerde] lijdt hij daardoor schade en had zijn verzoek, gelet op de toepasselijkheid van de missive in zijn situatie en op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, behoren te worden toegewezen. [geïntimeerde] voert daartoe aan, kort weergegeven, dat ten aanzien van andere gewezen ministers in gelijke, althans vergelijkbare situaties de missive zonder meer is toegepast.

2.3 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

2.4 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat er geen uitdrukkelijke termijn is genoemd waarbinnen een ex-minister een beroep moet hebben gedaan op de missive om deze toe te kunnen passen, dat er geen beperkingen zijn vastgesteld ter zake van het vervullen van een beroep of functie elders en dat [geïntimeerde] aan de hand van de missive kon nagaan wat hij van de kant van de Staat kon verwachten. Volgens de kantonrechter kan uit de door [geïntimeerde] ter vergelijking aangehaalde gevallen worden afgeleid dat er een beleidslijn is om ex-ministers conform de missive als ambtenaar aan te stellen en mocht [geïntimeerde], gezien de omstandigheid dat verzoeken van andere ex-ministers om als ambtenaar te worden aangesteld zijn ingewilligd, erop vertrouwen dat ook zijn verzoek zou worden gehonoreerd. [geïntimeerde] mocht ervan uitgaan dat hij op dezelfde wijze als andere ex-ministers zou worden bejegend en dat hij evenals zijn ex-ambtgenoten zou worden ingedeeld dan wel aangesteld als ambtenaar, aldus de kantonrechter. De kantonrechter concludeert dat de Staat door het verzoek van [geïntimeerde] niet in te willigen in strijd heeft gehandeld met het vertrouwens-, rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel en dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op toepassing van de missive.

2.5 De Staat concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering in kort geding. De Staat werpt daartoe de volgende grieven op (verkort weergegeven):

1. onrechte heeft de kantonrechter aangenomen dat de vordering van [geïntimeerde] spoedeisend is, nu aan [geïntimeerde] reeds op 15 januari 1997 eervol ontslag is verleend, hij eerst op 12 februari 2003 het onderhavige verzoek heeft ingediend en eerst in mei 2007 het onderhavige kortgeding heeft geëntameerd. De door [geïntimeerde] gestelde financiële problemen die de vordering volgens [geïntimeerde] spoedeisend doen zijn, zijn niet aangetoond.

2. In de door [geïntimeerde] aangehaalde gevallen van andere ex-ministers is het verzoek om als ambtenaar te worden aangesteld binnen zes maanden na het ontslag ingediend, zulks in lijn met artikel 1 lid 3 van de Wet financiële voorzieningen ministers en onderministers (wet van 23 september 1988, S.B. 1988 no. 58, zoals gewijzigd bij wet van 23 juli 1993, S.B. 1993 no. 55, hierna: “wet financiële voorzieningen”), waarin is bepaald dat een gewezen minister gedurende – thans – zes maanden na zijn ontslag een vergoeding ontvangt ter grootte van zijn als minister genoten honorarium. Volgens de Staat dient de in genoemde Wet financiële voorzieningen vermelde termijn van zes maanden ertoe om de (gewezen) ministers in die termijn de keuze te laten maken om ofwel een eigen bedrijf te beginnen, ofwel een dienstbetrekking in het bedrijfsleven te vinden, ofwel een aanstelling als ambtenaar te verzoeken. [geïntimeerde] heeft het verzoek niet binnen die termijn van zes maanden ingediend, waarmee het recht om als ambtenaar te worden aangesteld is verwerkt. De kantonrechter heeft mede daarom ten onrechte geoordeeld dat het door de Staat in acht te nemen gelijkheidsbeginsel is geschonden, aldus de Staat.

3. Uit de Wet financiële voorzieningen volgt volgens de Staat voorts dat een aanstelling als ambtenaar eerst na afloop van de in die wet bedoelde termijn van zes maanden kan plaatsvinden, dat een aanstelling niet met terugwerkende kracht kan worden gedaan en dat door de gewezen ministers elders gegenereerde inkomsten op het salaris in mindering strekken. De kantonrechter heeft daar volgens de Staat ten onrechte geen rekening mee gehouden.

4. De missive is geen bij of krachtens de wet vastgestelde regeling, zodat [geïntimeerde] daaraan geen afdwingbare aanspraken kan ontlenen. Indien en voor zover [geïntimeerde] van mening was dat hij desondanks aanspraak kon maken op een aanstelling als ambtenaar, had hij zich tot het Hof van Justitie als ambtenarenrechter moeten wenden. De kantonrechter heeft zich daarom ten onrechte bevoegd verklaard aldus de Staat.

5. De vordering zoals die is ingesteld kan niet worden toegewezen, omdat er nog geen besluit was genomen op het verzoek. [geïntimeerde] had in kort geding hooguit kunnen vragen om de Staat te veroordelen een besluit op zijn verzoek te nemen. De veroordeling zoals die thans is gegeven schept een definitieve rechtstoestand die niet meer in een bodemgeschil ter beoordeling kan worden voorgelegd. De kantonrechter heeft dat volgens de Staat miskend.

2.6 Op de grieven en op hetgeen daartegen door [geïntimeerde] is ingebracht zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

2.7 Op 8 november 2007 heeft de kantonrechter in kort geding vonnis in de zaak onder A.R. no. 072423 gewezen, en was de Staat op de dag van de uitspraak wel vertegenwoordigd. Blijkens het bepaalde in artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen partijen binnen 14 dagen na de uitspraak hoger beroep aan te wenden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de Staat uiterlijk 22 november 2007 hoger beroep diende aan te wenden. Gebleken is dat de Staat op 20 november 2007 en dus binnen de wet gestelde termijn het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend, zodat hij in het hoger beroep zal worden ontvangen.

2.8 Gezien artikel 79 van de Personeelswet is het Hof als ambtenarenrechter bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van besluiten met betrekking tot salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld, besluiten met betrekking tot verlaging van rang, vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit, besluiten waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd en besluiten tot schorsing of ontslag. In de Personeelswet is niet bepaald dat (het uitblijven van) een besluit tot aanstelling als ambtenaar als zodanig een besluit is dat ter beoordeling van het Hof van Justitie als ambtenarenrechter kan worden voorgelegd. De stelling van de Staat, dat niet de kantonrechter maar het Hof van Justitie als ambtenarenrechter bevoegd is om van de verordening kennis te nemen, gaat derhalve niet op.

2.9 Naar het oordeel van het Hof is een vordering die ertoe strekt om te worden aangesteld in een dienstbetrekking en dienovereenkomstig te worden uitbetaald naar haar aard spoedeisend. Het standpunt van de Staat, dat [geïntimeerde] wegens het ontbreken van spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vordering daarin niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, wordt verworpen. De omstandigheid dat [geïntimeerde] niet eerder aanspraak heeft gemaakt op een benoeming als ambtenaar en een daartoe strekkende vordering in kort geding heeft ingesteld doet aan het spoedeisende karakter van de vordering niet af.

2.10 Juist is, zoals de Staat heeft aangevoerd, dat de missive niet de status heeft van wet of een bij of krachtens de wet algemeen verbindende regel, maar in beginsel slechts interne werking heeft. [geïntimeerde] kan daarom niet rechtstreeks op grond van de missive aanspraak maken op een aanstelling als ambtenaar als een hem toekomend subjectief recht. Uitgangspunt is dat het aanstellen van ambtenaren door een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 lid 2 van de Personeelswet een discretionaire bevoegdheid is van de President en/of de ministers en dat zij daarin in beginsel beleidsvrijheid hebben. Zulks volgt ook uit de tekst van de missive, waarin is bepaald dat gewezen ministers in de hoogste ambtelijke rang kunnen worden ingedeeld, c.q. aangesteld.

Beoordeeld dient te worden of de Staat, in het licht bezien van de door de Staat bij het nemen van besluiten te hanteren algemene beginselen van behoorlijk bestuur, al dan niet jegens [geïntimeerde] onrechtmatig handelt door hem niet als ambtenaar aan te stellen. Bij de vraag of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn nageleefd speelt de missive wel een rol, met name in het kader van het vertrouwensbeginsel (mocht [geïntimeerde] er op grond van de missive als beleidslijn op vertrouwen dat deze ten aanzien van hem zou worden toegepast) en het rechtszekerheidsbeginsel (is de missive consequent toegepast).

2.11 Volgens de Staat moet de missive in samenhang worden bezien met de Wet financiële voorzieningen en volgt daaruit dat verzoeken van gewezen ministers om als ambtenaar te worden benoemd niet meer worden ingewilligd na afloop van de termijn van zes maanden, tijdens welke gewezen ministers op grond van die wet een vergoeding krijgen betaald ter hoogte van het door hen als minister ontvangen honorarium. De Staat voert aan dat de door hem ingewilligde verzoeken altijd zijn ingediend binnen die termijn.

Deze beleidslijn blijkt als zodanig niet uit de missive zelf, maar komt het Hof voorshands niet onwaarschijnlijk of onredelijk voor. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat in de missive uitdrukkelijk wordt verwezen naar (de overgangsregeling van) de Wet financiële vergoedingen. Voorshands is derhalve aannemelijk, zoals de Staat heeft aangevoerd, dat de missive is bedoeld om te voorzien in de periode volgend op het tijdvak van – thans – zes maanden waarin gewezen ministers uit hoofde van die wet een vergoeding ter hoogte van hun honorarium krijgen doorbetaald.

2.12 De gewezen ministers [naam 1], [naam 2] en [naam 3], die – naar de Staat onbetwist heeft gesteld – allen per augustus 2000 zijn ontslagen, hebben in januari 2001 een verzoek ingediend om als ambtenaar te worden benoemd. Minister [naam 4], die als zodanig per september 2005 eervol is ontslagen, heeft in december 2005 een verzoek ingediend. Indiening van het verzoek heeft derhalve steeds plaatsgevonden binnen de termijn van zes maanden vanaf het eervol ontslag. Door [geïntimeerde] zijn geen gevallen aangedragen waarin het verzoek na afloop van bedoelde termijn van zes maanden is ingediend, laat staan een met zijn situatie vergelijkbaar geval waarin een verzoek om tot ambtenaar te worden benoemd na afloop van zes jaar, of een daarmee vergelijkbare periode, is gedaan. In zoverre wordt de door de Staat gestelde beleidslijn feitelijk bevestigd door de door partijen aangehaalde gevallen.

2.13 Uitgaande van de beleidsvrijheid die de Staat ten aanzien van de toepassing van de missive in beginsel heeft en gelet op het hiervoor overwogene mocht [geïntimeerde] er naar het voorlopig oordeel van het Hof niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat ten aanzien van hem de missive nog na verloop van zes jaren na zijn ontslag zou worden toegepast en dat zijn daartoe strekkende verzoek zou worden ingewilligd. De omstandigheid dat in de missive wordt verwezen naar de Wet financiële voorzieningen en dat er geen met zijn situatie vergelijkbare gevallen zijn gebleken waarin de missive is toegepast staat daaraan in de weg. Dat de Staat door het verzoek van [geïntimeerde] niet in te willigen in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het verbod op willekeur is derhalve niet aannemelijk geworden. De Staat heeft het verzoek in redelijkheid kunnen weigeren. De omstandigheid dat de Staat niet, althans niet binnen een redelijke termijn op het verzoek van [geïntimeerde] heeft beslist en in zoverre jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld kan aan het voorgaande niet afdoen.

2.14 Gezien het voorgaande slagen de grieven en zal het bestreden vonnis worden vernietigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

alsnog rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep, aan de zijde van de Staat gevallen en begroot op SRD 316,–;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.M.M. Chu, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 november 2010, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Giffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

 

SRU-HvJ-2016-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna te noemen ‘de Staat’
gevolmachtigde: mr. M. Winter, substituut-officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgend door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1 Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift d.d. 14 mei 2014, met producties;
– het verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift d.d. 11 juli 2014, ingediend ter griffie d.d. 14 juli 2016;
– het schrijven van het Hof van Justitie d.d. 16 juli 2014 waarbij is aangegeven dat het verzoek voor verlenging van de termijn binnen welke het verweerschrift moest zijn ingediend, reeds verstreken was d.d. 01 juli 2014 en het Hof van Justitie derhalve genoodzaakt is om de zaak op een nader te bepalen datum te behandelen;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 03 oktober 2014, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 oktober 2014;
– het verzoek tot uitstel van het verhoor van partijen d.d. 16 oktober 2014 zijdens [verzoeker], overgelegd ter terechtzitting d.d. 17 oktober 2014;
– het verzoek tot uitstel van het verhoor van partijen d.d. 15 oktober 2014 zijdens de Staat, ingekomen ter griffie d.d. 16 oktober 2014;
– het verzoek tot uitstel van het verhoor van partijen d.d. 15 december 2014 zijdens [verzoeker], ingekomen ter griffie d.d. 17 december 2014;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer van het Hof van Justitie d.d. 05 juni 2015;
– de pleitnota d.d. 03 juli 2015;
– de antwoordpleitnota d.d. 06 november 2015, onder overlegging van producties;
– de repliekpleitnota d.d. 04 december 2015;
– de dupliekpleitnota d.d. 15 januari 2016

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 15 april 2016, doch nader op heden.

2 De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
2.1 [verzoeker] is agent van politie in vaste dienst bij het Ministerie van Justitie en Politie, derhalve ambtenaar in de zin van de Personeelswet.
2.2 [verzoeker] is op 04 juni 2013 in verzekering gesteld op grond van artikel 249a Wet van 06 april 2006, houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (G.B. 1911 no. 1, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2014 no. 15) en op grond van artikel 188 Wetboek van Strafrecht, luidende als volgt:
Artikel 249a Wet van 06 april 2006, houdende nadere wijziging van het Wetboek van Strafrecht (G.B. 1911 no. 1, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2014 no. 15):
“1. Degene die een ander al dan niet uit winstbejag behulpzaam is bij het verschaffen van toegang tot of verblijven in Suriname, of hem daartoe al dan niet uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden, dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en een geldboete van ten hoogste SRD. 300.000,–.
2. Indien het feit omschreven in lid 1 van dit artikel wordt begaan door een persoon, die daarvan een beroep of gewoonte maakt of in vereniging wordt begaan door meerdere personen, wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste acht jaren en een geldboete van ten hoogste SRD. 600.000,–.”
Artikel 188 Wetboek van Strafrecht:
“Degene die deel heeft aan een organisatie waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij tot oogmerk heeft het begaan van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren en met geldboete van ten hoogste zevenhonderdvijftigmiljoen gulden.”
2.3 [verzoeker] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 31 maart 2014 Bureau [nummer] (hierna aangeduid als: ontslagbeschikking), de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest, luidende als volgt:
“Aan een ambtenaar van politie, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan een der tuchtstraffen worden opgelegd:
j. ontslag”
2.4 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking ontvangen op 23 april 2014.

2.5 [verzoeker] is bij verkort vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 26 mei 2014 No. 303 veroordeeld tot:
“ a. Gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF MAANDEN. Beveelt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de Rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een hierbij op DRIE JAREN bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen.

b. Een geldboete van VIJFDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR, met
bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van zes maanden.”

2.6 [verzoeker] heeft tegen het verkort vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 26 mei 2014 N0. 303, hoger beroep ingesteld.

3 De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken, uitvoerbaar bij voorraad:
I. vernietiging c.q. nietig verklaring van de ontslagbeschikking d.d. 31 maart 2014 Bureau [nummer];
II. de Staat te veroordelen hem het gebruikelijk salaris en overige emolumenten toe te kennen, in afwachting van de uiteindelijke uitspraak in de strafzaak.

3.2 [verzoeker] heeft aan zijn vordering – zakelijk weergegeven – onder meer ten grondslag gelegd:
a. dat van mensensmokkel, zoals vermeld in de inverzekeringstelling, geen sprake kan zijn omdat de zes paspoorten die in zijn lade waren gevonden, niet waren voorzien van een stempel, niet getekend waren en ook niet in het vrije verkeer waren gebracht (afgegeven aan belanghebbenden);

b. dat de gestelde feiten in de inverzekeringstelling verschillen met de gestelde feiten in de dagvaarding. In de inverzekeringstelling zijn de feiten: mensensmokkel, criminele organisatie c.q. valsheid in geschrifte genoemd, en in de dagvaarding wordt er gesproken van voorbereiding mensensmokkel op grond van artikel 249a lid 2 Wetboek van Strafrecht en poging tot mensensmokkel;

c. dat de feiten, aangehaald in de ontslagbeschikking, niet zijn bewezen: in het bijzonder de kwestie van het voorzien van de paspoorten van een stempel van verlenging kortverblijf;

d. dat ten tijde van het ontslag, de strafzaak nog gaande was en op 26 mei 2014 zou worden voortgezet waarbij de vervolgingsambtenaar aan zet zou zijn om haar requisitoir te houden waarna er vonnis zou worden gewezen waardoor de ontslagbeschikking derhalve in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat het plichtsverzuim vooralsnog niet is komen vast te staan bij de behandeling der zaak door de onafhankelijke rechter;

e. dat de ontslagbeschikking tegenstrijdig is, omdat onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid geen plichtsverzuim oplevert, maar een afzonderlijk ontslaggrond, zoals vermeld in artikel 69 leden 2 en 4 van de Personeelswet, luidende als volgt:
Artikel 69 lid 2 (lees: lid 3) Personeelswet
“GRONDEN VOOR ONTSLAG
3. Aan een ambtenaar kan, behalve wegens plichtsverzuim, voorts ontslag worden verleend:
a. indien krachtens rechterlijk gewijsde lijfsdwang wegens schulden op hem is toegepast;
b. indien hij bij rechterlijk gewijsde onder curatele is gesteld;
c. wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid;
d. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid;
e. wegens aan hem te wijten onmogelijkheid van samenwerking;
f. indien hij blijkens de resultaten van een geneeskundig onderzoek hetzij uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen;
g. wegens verlies van een wettelijk vereiste voor de vervulling van de functie waarin hij is benoemd, tenzij dit vereiste is vastgesteld bij een na zijn benoeming in werking getreden regeling;
h. wegens het aangaan van een huwelijk, indien daardoor een graad van zwagerschap ontstaat, welke krachtens enige wet een benoeming in zijn functie zou uitsluiten;
i. wegens opheffing van zijn functie;
j. wegens een zodanige wijziging van de formatie van het onderdeel van ’s Lands dienst waartoe hij behoort, dat ontslag van een of meer ambtenaren onvermijdelijk is en hij daarvoor, gelet op de bij staatsbesluit vastgestelde rangorde, in aanmerking komt;
k. wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst;
l. wegens het in het belang van de dienst ondernomen algehele reorganisatie, inkrimping en sanering van de Staatsdienst.”

Artikel 69 lid 4 Personeelswet
4. Ontslag wegens onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid kan aan een ambtenaar worden verleend, indien hij:
a. hetzij lid is van een vereniging, ten aanzien waarvan bij staatsbesluit is verklaard, dat het lidmaatschap, gelet op de doeleinden welke die vereniging nastreeft en de middelen die zij aanwendt, de behoorlijke vervulling van de ambtelijke plichten in gevaar kan brengen of schaden;
b. hetzij op enige wijze medewerking of steun verleent aan een vereniging als onder a bedoeld, of aan een van haar uitgaande aktie;
c. hetzij door andere gedragingen blijk heeft gegeven van een zodanige gezindheid, dat hij redelijkerwijs niet geacht kan worden voldoende waarborgen voor een getrouwe plichtsbetrachting te bieden.”

f. dat hij geen giften of beloften heeft aangenomen van de Brazilianen en ook al zou hij de instructies voor de ambtenaren van politie niet hebben nageleefd, zulks rechtvaardigt een ontslag uit Staatsdienst niet op grond van artikel 79 lid 3 Personeelswet, luidende als volgt:
“Nietigverklaring van een besluit, waarbij een tuchtstraf is opgelegd, kan mede worden gevorderd op de grond, dat die straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan.”

g. dat uit de overwegingen niet is gebleken dat artikel 44 lid 2 jo. artikel 32 lid 1 van het Politiehandvest zijn nageleefd, luidende als volgt:
Artikel 44 lid 2 Politiehandvest:
“OPLEGGING VAN TUCHTSTRAFFEN
2. Indien ter zake van een door een ambtenaar van politie begaan plichtsverzuim tevens een strafrechtelijk onderzoek gaande is, wordt geen tuchtstraf opgelegd, dan nadat de procureur-generaal in de gelegenheid is gesteld zijn gevoelens daaromtrent te doen kennen.”

Artikel 32 lid 1 Politiehandvest:
“COMMISSIE VOOR OVERLEG
1. De algemene regelen omtrent de rechtspositie van landsdienaren zijn mede van toepassing op de ambtenaren van politie, voor zover daarvan niet bij deze wet uitdrukkelijk is afgeweken.”

h. dat hij tegen het verkort vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 26 mei 2014, hoger beroep heeft ingesteld en dat het Hof van Justitie ter zake nog geen uitspraak heeft gedaan, waardoor de gestelde feiten nergens vast staan.

3.3 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering waarop, voor zover nodig, bij de beoordeling zal worden ingegaan.
Als meest verstrekkend verweer heeft de Staat aangevoerd dat in het door het hof uitgesproken vonnis in de zaak [naam] contra de Staat (A-650) is overwogen dat er geen enkele wetsbepaling is die voorschrijft dat, indien tegelijk met een disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar, een strafrechtelijk onderzoek gaande is, moet worden gewacht totdat de rechter in de strafzaak uiteindelijk heeft beslist of dat enkel een in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis door de ambtenarenrechter als bewijs voor beweerd plichtsverzuim mag worden aanvaard, om een tuchtstraf op te leggen. Noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens, de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.

4. De beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
4.1 Het hof constateert dat [verzoeker] in hoofdzaak opkomt tegen het besluit van de Minister van Justitie en Politie d.d. 31 maart 2014 Bureau [nummer] welke hij heeft ontvangen op 23 april 2014. Nu het verzoekschrift van [verzoeker] op 14 mei 2014 ter griffie is ontvangen, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschiedt ingevolge artikel 80 lid 2 sub c van de Personeelwet, zodat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit.

Bevoegdheid
4.2 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Het hof is daarbij tevens bevoegd om te oordelen over vorderingen tot schadevergoeding, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten betreffende ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op het voorgaande is het hof bevoegd om kennis te nemen van het onder sub I en II gevorderde.

4.3 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – verweer gevoerd dat ten aanzien van het verschil in de gestelde feiten in de inverzekeringstelling en de dagvaarding, het een strafrechtelijk verweer betreft welke in het kader van de strafzaak moet worden gevoerd. Voor wat het tuchtrechtelijke betreft is komen vast te staan waarvan [verzoeker] beschuldigd is geworden. Dit is aan hem bekend gemaakt in zijn ingebrekestelling, waarbij hij in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren, hetgeen hij ook gedaan heeft. Naar het oordeel van het Hof is het daartoe strekkend verweer van de Staat derhalve gegrond en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van [verzoeker] niet in rechte komen vast te staan.

4.4. Voorts heeft de Staat – zakelijk weergegeven – verweer gevoerd dat de opgelegde tuchtstraf niet afhankelijk is van de uitkomst van de strafzaak. Naar het oordeel van het hof is het standpunt van de Staat in deze correct. Er is geen enkele wetsbepaling die voorschrijft dat, indien tegelijk met een disciplinair onderzoek tegen een ambtenaar van Politie, een strafrechtelijk onderzoek gaande is, de uiteindelijke afloop van de strafzaak dient te worden afgewacht alvorens een tuchtstraf kan worden opgelegd. Het daarop betrekking hebbende verweer van de Staat is derhalve gegrond en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van [verzoeker] niet in rechte komen vast te staan.

4.5. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de gewraakte beschikking in strijd is met artikel 44 lid
2 jo. artikel 32 lid 1 van het Politiehandvest. Artikel 44 lid 2 van het op [verzoeker] van toepassing zijnde Politiehandvest bepaalt dat, indien ter zake van een door een ambtenaar van Politie gepleegd plichtsverzuim tevens een strafrechtelijk onderzoek gaande is, geen tuchtstraf wordt opgelegd dan nadat de Procureur-Generaal in de gelegenheid is gesteld zijn gevoelens daaromtrent te doen kennen. Het hof is van oordeel dat uit deze bepaling kan worden afgeleid dat het gepleegd zijn van plichtsverzuim kan worden vastgesteld zonder dat de betreffende ambtenaar voor de handelingen die, behalve plichtsverzuim, een strafbaar feit opleveren, bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis door de strafrechter is veroordeeld.

4.6. Het hof tekent bij het voorgaande aan dat voor het vaststellen van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt.

4.7. Nu gesteld en gebleken is dat [verzoeker] bij zijn verweerschrift d.d. 12 november 2013, gericht aan de Korpschef, heeft toegegeven dat hij tegen de regels in de paspoorten heeft afgestempeld en het feit dat er op 05 juni 2013 nog 25 Braziliaanse paspoorten zijn aangetroffen in de directe werkomgeving van [verzoeker] achtte de Minister van Justitie en Politie het vermoeden bevestigd dat [verzoeker] zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan de aan hem verweten gedraging en is derhalve aan hem op grond van plichtsverzuim ontslag uit Staatsdienst verleend.

4.8. De Staat heeft – zakelijk weergegeven – verweer gevoerd dat artikel 32 lid 1 van het Politiehandvest, namelijk het horen van de Commissie van Overleg, verder in artikel 32 lid 3 van het Politiehandvest specifiek aangeeft wanneer de Minister de Commissie van Overleg moet raadplegen. Het gaat met name om beslissingen in aangelegenheden die in algemene zin voor de bijzondere rechtstoestand van de ambtenaren van politie van belang zijn. Het betreft dus absoluut geen aangelegenheden in bijzondere en/of individuele zin. Ingevolge lid 4 van voornoemd artikel is de Minister bevoegd om ook andere zaken dan de in het 3e lid bedoelde aangelegenheden voor te leggen aan de Commissie van Overleg. In een concreet geval heeft de Minister de keus, maar is wettelijk niet verplicht om de Commissie van Overleg te raadplegen. Het hof is van oordeel dat het daartoe strekkend verweer van de Staat derhalve gegrond is en is de daartoe strekkende grondslag van de vordering van [verzoeker] niet in rechte komen vast te staan.

4.9. In de beschikking is als dragende overweging opgenomen:

4.10. “dat agent [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met artikel 4 lid 2 van het Politie Handvest, de artikelen 3 en 10 van de Instructies voor ambtenaren van politie en de punten 1,2 en 3 Gedragscode voor de ambtenaren van politie en de Personeelswet; namelijk taakuitoefening in overeenstemming met de geldende rechtsregelen; het verbod om giften en beloften aan te nemen teneinde in de dienstbetrekking iets te doen of na te laten; toezicht houden op de naleving van wettelijke regelingen; zich te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig gedragen dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad; altijd eerlijk en oprecht zijn, zich houden aan de instructies voor ambtenaren van politie en alle andere ter zake dienende wettelijke regelingen; betrouwbaar zijn, de waarheid spreken en de waarheidsvinding te bevorderen; zich als een voorbeeldfiguur gedragen, alsook zich niet schuldig maken aan strafbare feiten en overtredingen;”. Naar het oordeel van het hof is de inhoud van al het voorgaande komen vast te staan met de beslissing van de strafrechter.

4.11. Het hof merkt op dat [verzoeker] diende in de rang van ambtenaar van Politie 2e klasse en reeds 2,5 jaar werkzaam was op de afdeling Vreemdelingenzaken. [verzoeker] heeft bij zijn verweerschrift d.d. 12 november 2013, gericht aan de Korpschef, toegegeven dat hij tegen de regels in de paspoorten heeft afgestempeld. Hieruit begrijpt het hof dat [verzoeker] op de hoogte was van de geldende regels en procedures. Desondanks heeft [verzoeker] tegen de regels in de paspoorten afgestempeld.

4.12. Alhoewel [verzoeker] tijdens het verhoor van partijen d.d. 05 juni 2015 heeft aangegeven dat hij slechts een opdracht van een meerdere heeft willen uitvoeren, rechtvaardigt dat niet de handelingen, welke tevens in strijd zijn met de geldende regels en procedures, die hij heeft gepleegd. Het hof benadrukt hierbij de punten 1,2 en 3 Gedragscode voor de ambtenaren van politie en de Personeelswet; namelijk taakuitoefening in overeenstemming met de geldende rechtsregelen; het verbod om giften en beloften aan te nemen teneinde in de dienstbetrekking iets te doen of na te laten; toezicht houden op de naleving van wettelijke regelingen; zich te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig gedragen dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad; altijd eerlijk en oprecht zijn, zich houden aan de instructies voor ambtenaren van politie en alle andere ter zake dienende wettelijke regelingen; betrouwbaar zijn, de waarheid spreken en de waarheidsvinding te bevorderen; zich als een voorbeeldfiguur gedragen, alsook zich niet schuldig maken aan strafbare feiten en overtredingen.

4.13. Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de grondslag van het gevorderde niet in rechte is komen vast te staan en zal het hof het onder punt I en II gevorderde afwijzen.

De beslissing

Het Hof:

Wijst de vordering af.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. R.M. Praag, Lid-Plaatsvervanger en

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 juli 2016, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S.J. Lo Tam Loi namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-29

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],
wonende aan [adres],
in [district],
eiser, hierna aangeduid als [eiser],
gemachtigde: voorheen mr. S.G.R. Khoen Khoen, advocaat, die zich echter bij schrijven d.d. 6 december 2012 onttrok, thans procederend in persoon,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet juncto artikel 58 van de Wet Rechtspositie Militairen als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– het verzoekschrift ter griffie ontvangen op 29 februari 2012, met producties;
– de beschikking van het Hof van 18 april 2012 waarbij de termijn binnen welke het verweerschrift moet worden ingediend is verlengd met zes weken;
– het verweerschrift ter griffie ontvangen op 23 mei 2012, met een productie;
– de beschikking van het Hof van 6 augustus 2012 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 5 oktober 2012;
– het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat partijen meermalen uitstel van de mondelinge behandeling hebben verzocht, hetgeen door het Hof is toegestaan;
– het proces-verbaal van de op 3 mei 2013 gehouden mondelinge behandeling; verhoor van partijen;
– de bij schrijven d.d. 7 juni 2013 door de Staat overgelegde producties.
De gemachtigde van [eiser] heeft zich hierna bij schrijven d.d. 6 december 2013 onttrokken aan deze zaak. [eiser] is bij aangetekend schrijven van de fungerend griffier d.d. 13 december 2013 hiervan in kennis gesteld en dat de zaak op de zitting van 17 januari 2014 peremptoir stond voor uitlating en pleitnota zijdens [eiser]. [eiser] heeft op 17 januari 2014 nagelaten te pleiten, waarop de Staat heeft verzocht recht te doen op de in het procesdossier aanwezige stukken.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [eiser] is als soldaat eerste klasse in vaste dienst bij het Ministerie van Defensie.

2.2 [eiser] is op 15 februari 2011 bij terugkeer uit Nederland (als deporté) in verzekering gesteld door de militaire politie op verdenking zich schuldig te hebben gemaakt aan desertie.

2.3 Bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel & Algemeen van het Ministerie van Defensie d.d. 28 maart 2011 is [eiser] aangezegd zich te verweren ter zake desertie.

2.4 [eiser] heeft zich bij ongedateerd schrijven verweerd. In zijn verweerschrift heeft hij verklaard dat hij bij aankomst in Nederland op Schiphol in een gevecht is geraakt met een hem onbekende man. [eiser] indiceerde in zijn verweerschrift dat hij in verband met dit gevecht door de rechtbank in Nederland is veroordeeld voor 8 maanden.

2.5 In een schrijven d.d. 13 juni 2011 heeft de Onderdirecteur Personeel & Algemeen van het Ministerie van Defensie [eiser] in reactie op het verweerschrift te kennen gegeven dat de daarin vermelde informatie niet op waarheid berust, aangezien volgens ingekomen informatie van de Recherche Administratie [eiser] in Nederland was gedetineerd vanwege overtreding van de Opiumwet, zijnde een feit dat zwaar wordt aangerekend in de Defensie organisatie. Tevens is middels hiervoor vermeld schrijven d.d. 13 juni 2011 aan [eiser] medegedeeld dat hem ontslag uit de militaire dienst zal worden verleend.

2.6 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 31 januari 2012, [nummer] is aan [eiser] ontslag wegens plichtsverzuim verleend op basis van artikel 35 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen juncto artikel 69 lid 2 sub c en e van de Personeelswet, hierna aangeduid als “de ontslagbeschikking”.
Daartoe is onder meer overwogen:
“- dat zijn verweerschrift niet steekhoudend is bevonden, daar betrokkene zaken aanhaalt die niet op waarheid berusten, en volgens ingekomen informatie van de Recherche Administratie van het Korps Militaire Politie betrokkene gedetineerd was in Nederland vanwege overtreding van de Opium Wet. Dit wordt zwaar aangerekend in de Defensie organisatie, aangezien dit de organisatie in diskrediet brengt;

– dat het voorgaande, ingevolge artikel 35 lid 2 van de “Wet Rechtspositie Militairen”, juncto artikel 69 lid 2 sub c en e van de “Personeelswet”, grond voor ontslag oplevert en er derhalve aanleiding bestaat om betrokkene uit Staats (militaire) dienst te ontslaan”.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken de ontslagbeschikking te vernietigen althans nietig te verklaren met veroordeling van de Staat tot rehabilitatie van [eiser] in de rang waarin hij diende onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,= per dag althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere dag dat de Staat weigert aan het vonnis uitvoering te geven.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is, omdat de ontslagbeschikking in strijd is met het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid
4 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.
In artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen (S.B. 1996 no.28) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken –dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot militaire ambtenarenzaken.
Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een militair ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

Ontvankelijkheid
5. [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat de ontslagbeschikking op 15 februari 2012 bij deurwaardersexploot aan hem is betekend, hetgeen zijdens de Staat niet is betwist.
Het Hof zal derhalve voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van deze datum uitgaan.
Nu het inleidend verzoekschrift op 29 februari 2012 ter griffie van het hof is ontvangen, is dit binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn geschied, zodat [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil
Strijd met het motiveringsbeginsel
6.1 [eiser] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat de Staat heeft nagelaten te vermelden op basis waarvan zij tot de conclusie komt dat sprake is van onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid, dan wel een aan hem te wijten onmogelijkheid tot samenwerking.

6.2 De Staat heeft in haar verweerschrift gesteld dat op 15 februari 2011 door de afdeling Interpol van het Korps Politie Suriname aan de immigratiedienst te J.A. Pengel Luchthaven is gemeld dat [eiser] in Nederland is veroordeeld ter zake overtreding van de wet verdovende middelen en dat hij na het uitzitten van zijn straf het land zal worden uitgezet. [eiser] kwam op genoemde datum werkelijk als deporté het land binnen. Een veroordeling op grond van de Opiumwet maakt naar het oordeel van de Staat, vanwege de aard en de strekking van de militaire dienst, voortzetting van de dienst onmogelijk. [eiser] is, aldus de Staat, in verschillende sessies inzicht verschaft in het drugsbeleid van de Staat en niet onbekend met het feit dat bij verzaking van een goede plichtsbetrachting op dit stuk ontslag uit de militaire dienst was geïndiceerd.

6.3 [eiser] heeft bij de mondelinge behandeling erkend dat hij wegens overtreding van de opiumwet in Nederland is veroordeeld tot acht maanden hechtenis van 1 augustus 2010 tot
15 februari 2011. Tegen dit veroordelend vonnis heeft hij hoger beroep ingesteld. [eiser] heeft daarbij tevens verklaard dat hij bekend is met het feit dat verdovende middelen op het ministerie niet worden gedoogd.
[eiser] heeft verder verklaard dat hij in zijn verweerschrift de waarheid heeft omzeild en heeft verklaard dat hij vanwege mishandeling opgesloten zat.

6.4 Zijdens de Staat is als productie overgelegd een document verkregen naar aanleiding van een door de Staat gedaan rechtshulpverzoek, te weten het vonnis in hoger beroep ten aanzien van [eiser], waaruit blijkt dat hij ook in hoger beroep is veroordeeld wegens het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
[eiser] heeft deze productie onweersproken gelaten, zodat naar het oordeel van het Hof is komen vast te staan dat [eiser] in Nederland bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld wegens overtreding van de Nederlandse Opiumwet.

6.5 Het Hof constateert dat de artikelen die zijn toegepast bij het verlenen van het ontslag aan [eiser], betrekking hebben op onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid en een aan de ambtenaar te wijten onmogelijkheid tot samenwerking.
Het Hof constateert tevens dat [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld zich ten aanzien van deze twee ontslaggronden te verantwoorden. Dit leidt tot de slotsom dat het ontslag is verleend in strijd met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat duidt dat een ambtenaar gehoord moet worden alvorens een voor hem nadelige beslissing wordt genomen. Dit heeft tot gevolg dat het bij de ontslagbeschikking verleend ontslag nietig verklaard zal worden.
[eiser] heeft tijdens de onderhavige procedure de gelegenheid gehad zich uit te laten over de door de Staat aangevoerde veroordeling, welke door hem is erkend. [eiser] heeft tevens erkend dat hij, wetende wat het beleid van het ministerie is ten aanzien van verdovende middelen, in zijn verweerschrift een relaas heeft opgenomen dat in strijd met de waarheid was. Naar het oordeel van het Hof is dit voldoende om aan te nemen dat er sprake is van plichtsverzuim ex artikel 61 lid 2 sub b, terwijl tevens sprake is voor onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid. Het Hof zal dan ook ambtshalve krachtens artikel 82 lid 4 van de Personeelswet de naar zijn oordeel passende tuchtstraf bepalen.
In overweging nemende de onherroepelijke veroordeling van [eiser] voor een drugsmisdrijf, het feit dat [eiser] heeft erkend te weten dat verdovende middelen op het ministerie niet worden gedoogd en een leugenachtige verklaring te hebben afgelegd, acht het Hof passend dat [eiser] ontslag uit staatsdienst wordt verleend te rekenen van de dag volgend op die waarop dit vonnis aan hem is betekend.

6.6 De overige stellingen van [eiser] behoeven, gezien hetgeen onder 6.5 overwogen, geen verdere bespreking.

De beslissing
Het Hof:
7.1 Verklaart het besluit vervat in de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 31 januari 2012, [nummer] nietig.

7.2 Bepaalt dat [eiser] wegens plichtsverzuim ontslag wordt verleend te rekenen van de dag volgend op die waarop dit vonnis aan hem is betekend.

7.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en
mr. S.M.M. Chu, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van justitie van vrijdag 6 januari 2017, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Rathipal namens mr. M. Winter, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in person noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellanten 1], wonende te [district 1],
B. [appellanten 2], wonende te [woonplaats 1] in [land],
C. [appellanten 3], wonende te [district 1],
D. [appellanten 4], wonende te [district 1],
E. [appellanten 5], wonende te [district 1],
F. [appellanten 6], wonende in het district [district 2],
G. [appellanten 7], wonende te [district 1],
appellanten, hierna aangeduid als “de erfgenamen”,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

DE NATIONALE BELEGGINGS- EN BEHEERS MAATSCHAPPIJ N.V.,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “NBBM”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis d.d. 28 mei 2009 (A.R. No. 08-1440) tussen de erfgenamen als eisers in conventie tevens gedaagden in reconventie in kort geding en NBBM als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie in kort geding.

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de erfgenamen op 10 juni 2009 hoger beroep hebben ingesteld;
– de pleitnota overgelegd op 20 juli 2012;
– het antwoordpleidooi overgelegd op 01 februari 2013;
– het repliekpleidooi overgelegd op 15 maart 2013, met producties;
– het dupliekpleidooi en uitlating producties overgelegd op 19 april 2013;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis welke aanvankelijk was bepaald op 02 augustus 2013, is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
De erfgenamen waren op de dag van de uitspraak (28 mei 2009) ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. K. Brandon namens hun gemachtigde, terwijl NBBM noch in persoon noch bij gemachtigde was verschenen. De erfgenamen hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 10 juni 2009 appèl aangetekend. De erfgenamen hebben derhalve tijdig appèl aangetekend en zijn daarin ontvankelijk.

3. De feiten
3.1 Aan de op 06 mei 1992 ab intestato overleden [naam 1] en zijn op 31 juli 2005 overleden echtgenote [naam 2], met wie hij in gemeenschap van goederen gehuwd is geweest (hierna: de erflaters), behoorde toe het navolgend onroerend goed:
het recht van erfpacht rustende op het perceelland groot 1,8939 ha, gelegen in het [district 3] aan de [straat] [district 1]-[woonplaats 2] deel uitmakende van de houttuinpolder op de kaart van S.O. Esajas van 25 februari 1975 door figuur ABCD (hierna: het litigieuze perceelland), door [naam 1] voornoemd verkregen door overschrijving van een afschrift van de beschikking d.d. 11 september 1975 op 15 september 1975, in register C deel 695 onder [nummer 1].

3.2 Tot de nalatenschap van de erfgenamen behoort het perceelland voornoemd.

3.3 [naam 2] voornoemd heeft bij onderhandse akte van koop/verkoop op 12 juli 1991 aan NBBM verkocht het gedeelte groot 0,9881 ha van het in het register onder [nummer 1] omschreven perceelland voor de koopsom van Sf 300.000,-, naderhand verhoogd met Sf 50.000,-, waarbij was overeengekomen dat het verkochte stuk perceelland zou worden overgedragen aan SURON MIJ N.V.

3.4 Bij verzoekschrift d.d. 17 oktober 1991 heeft [naam 2], als gevolmachtigde van [naam 1] [naam 1] (haar echtgenoot), aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen verzocht om hem toestemming te verlenen om van het perceelland het deel groot 0,9881 ha te mogen overdragen aan SURON MIJ N.V.

3.5 [naam 2] heeft van de totale koopsom van Sf 350.000,- bij de koop op 12 juli 1991 het bedrag van Sf 50.000,- ontvangen en op 14 augustus 1992 heeft zij het saldo ontvangen middels een cheque van Sf 300.000,-.

3.6 Van de onderhandse koopakte is op 12 februari 1993 aantekening gemaakt in dagregister A deel 175 onder [nummer 2].

3.7 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 09 januari 1996 (A.R. No. 94-2450) in de zaak van De Naamloze Vennootschap De Nationale Bemiddelingsmaatschappij N.V. (NBM) tegen [naam 2] voornoemd, is NBM in conventie niet- ontvankelijk verklaard in haar vordering tot veroordeling van [naam 2] voornoemd om mee te werken aan de levering van het verkochte stuk perceelland groot 0,9881 ha en is de gevraagde vanwaardeverklaring op het in conservatoir beslag genomen verkochte stuk perceelland, geweigerd; in reconventie is het conservatoir beslag op het verkochte stuk perceelland groot 0,9881 ha opgeheven, onder de overweging dat [naam 2] alleen, niet bevoegd was het perceelland aan NBM te verkopen. Tegen dit vonnis is geen appèl aangetekend.

3.8 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding d.d. 28 mei 2009 (A.R.No. 08-1440) in de zaak van de erfgenamen tegen NBBM (het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld en hier aan de orde is), is de gevraagde voorziening in conventie geweigerd en zijn de erfgenamen in reconventie veroordeeld om mee te werken aan de juridische levering van het bij beschikking d.d. 11 september 1975 in erfpacht afgestane perceelland groot 1,8939 ha, gelegen in het [district 2] aan de [straat] onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- voor elke keer dat zij in strijd handelen met dit vonnis, tot een maximum van SRD 100.000,-.

4. De vordering in eerste aanleg in conventie en in reconventie 4.1 De vordering in conventie De erfgenamen vorderen, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad, de doorhaling te gelasten van de op 12 februari 1993 gepleegde aantekening van de onderhandse akte van koop/verkoop d.d. 12 juli 1991 in dagregister A deel 175 onder [nummer 2] van het hypotheekkantoor.

4.2 De vordering in reconventie
NBBM vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad de erfgenamen te veroordelen mee te werken aan de juridische levering van het perceelland groot 1,8939 ha onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per keer dat zij in strijd handelen met het te wijzen vonnis.

5. De grieven
De erfgenamen hebben een vijftal grieven aangevoerd op grond waarvan het vonnis waarvan beroep vernietigd dient te worden, zakelijk weergegeven neerkomende op:

Grief I: dat de kantonrechter ten onrechte in 4.2 van het vonnis a quo heeft overwogen dat de rechtsvoorganger van appellanten, [naam 2], bevoegd was om 0,9881 ha van het recht van erfpacht op het perceelland te mogen verkopen, daar echtelieden die in algehele gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd, zonder toestemming van de andere echtgenoot hun aandeel in een onroerend goed mogen verkopen, doch is voor de levering van dat aandeel de toestemming van de andere echtgenoot vereist. Volgens de erfgenamen heeft [naam 2] toch nog onbevoegd gehandeld, omdat zij ten tijde van de koop slechts gerechtigd was tot het deel groot 0,94695 ha, terwijl zij heeft verkocht 0,9881 ha, dus meer dan waar zij recht op had.

Grief II: dat de kantonrechter ten onrechte in het vonnis waarvan beroep heeft overwogen dat de erfgenamen in het midden hebben gelaten dat zij een beroep doen op het gezag van gewijsde van het vonnis d.d. 09 januari 1996 met A.R.No. 94-2450, omdat zij, de erfgenamen, in hun conclusies, met name de punten 4 en 8 van de conclusie van repliek, duidelijk hebben aangegeven dat NBBM geen appèl tegen het litigieus vonnis heeft aangetekend, waardoor zij hebben aangegeven dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en dat derhalve de overweging van de kantonrechter dat [naam 2] niet bevoegd was om de koop/verkoopovereenkomst aan te gaan, weshalve de nietigheid van de koop/verkoopovereenkomst thans rechtens vaststaat tussen partijen, waarmede de erfgenamen wel degelijk expliciet een beroep hebben gedaan op het in gezag van gewijsde gaan van het vonnis.

Grief III: dat de kantonrechter ten onrechte de erfgenamen heeft veroordeeld om mee te werken aan de juridische levering van het recht van erfpacht op het perceelland groot 1,8939 ha, daar zij, de erfgenamen in punt 2 van hun conclusie van dupliek in reconventie hebben gesteld dat NBBM niet wettelijk heeft kunnen bewijzen dat zij een rechtsgeldige titel bezitten om de juridische levering van 1,8939 ha van het perceelland in rechte te vorderen, weshalve de vordering ook niet kon worden toegewezen.

Grief IV: dat de kantonrechter het vonnis waarvan beroep, uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, terwijl de erfgenamen stelselmatig hebben aangevoerd dat het vonnis d.d. 09 januari 1996 met A.R.No. 94-2450 in kracht van gewijsde is gegaan met als gevolg dat tussen partijen rechtens vaststaat dat de destijds gesloten koop/verkoopovereenkomst nietig is, waarmede zij, de erfgenamen duidelijk een beroep hebben gedaan op het gezag van gewijsde, hetgeen tot gevolg heeft dat de erfgenamen het onderhands geschrift hebben ontkend en betwist, weshalve ingevolge artikel 55 juncto 56 Rv de voorlopige ten uitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep niet kon worden bevolen. Bovendien kon de voorlopige ten uitvoerlegging ook niet worden bevolen, omdat het onderhands geschrift blijk geeft dat er aan NBBM is verkocht het perceelland groot 0,9881 ha en niet het recht van erfpacht op het perceelland groot 1,8939 ha.

Grief V: dat de kantonrechter de erfgenamen heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van NBBM gevallen, terwijl NBBM geen kosten proceskosten heeft gemaakt in het onderhavig geding.

6. De vordering in Hoger Beroep
De erfgenamen concluderen op deze gronden het vonnis waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende in kort geding, alsnog bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in conventie: de doorhaling te gelasten van de op 12 februari 1993 door, namens of ten behoeve van NBBM gepleegde aantekening in het dagregister A deel 175 onder [nummer 2] van het hypotheekkantoor met veroordeling van NBBM in de kosten aan beide zijden van het geding;
in reconventie: de gevraagde voorzieningen te weigeren.

7. Het verweer
NBBM heeft gemotiveerd verweer gevoerd – waarop voor zover nodig in de beoordeling zal worden ingegaan – ten slotte concluderende om het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie te bevestigen, met dien verstande dat er een correctie plaatsvindt in de levering van het perceelland van 0,9881 ha instede van 1,8939 ha.

8. Vooraf
8.1 Het Hof stelt voorop dat bij het overlijden van één der partijen tijdens een aanhangig geding, het geding middels een akte of conclusie tot schorsing van het geding ingevolge artikel 185 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt geschorst, waarna middels een akte of conclusie tot hervatting van het geding wordt verzocht tot hervatting van het geding ten name van de rechtsopvolgers van de overledene, onder eventuele overlegging van een verklaring van erfrecht waaruit de namen en de woonplaatsen van de rechtsopvolgers blijken, alsmede te wiens name er zal worden voort geprocedeerd, waarop de wederpartij in de gelegenheid wordt gesteld zich daarover uit te laten. Ten slotte wordt bij vonnis in het incident bepaald wanneer en te wiens name het geding zal worden voortgezet.

8.2 Het Hof constateert dat er in casu appèl is aangetekend door de zeven oorspronkelijke eisers in eerste aanleg in conventie c.q. appellanten, terwijl het pleidooi is overgelegd ten name van zes van de appellanten en vier erfgenamen van appellant sub A, doch zonder gewag te maken van het overlijden van appellant sub A en zonder overlegging van een overlijdensakte en/of verklaring van erfrecht, nog minder een conclusie of akte tot schorsing en hervatting van het geding.

8.3 Nu het geding niet is geschorst, brengt de rechtspraktijk naar het oordeel van het Hof met zich mee dat er is voortgeprocedeerd ten name van de oorspronkelijke zeven eisers in conventie c.q. appellanten, weshalve de vier erfgenamen van de overleden appellant sub A, geen partij zijn in de onderhavige zaak.

9. De beoordeling
Het Hof acht het van belang om de grieven in de navolgende volgorde te beoordelen.

9. Grief I: de bevoegdheid van [naam 2] m.b.t. de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991.
9.1.1 NBBM beroept zich met betrekking tot de bevoegdheid van [naam 2] om de koopovereenkomst met haar aan te gaan, op het feit dat de koopsom is voldaan en het schrijven van de echtgenoot van [naam 2] d.d. 17 oktober 1991, waarin de vereiste toestemming voor overdracht door hem is verleend. Voorts voert NBBM aan dat de koopsom mede door de echtgenoot van [naam 2] is ontvangen.

9.1.2 De erfgenamen voeren hiertegen aan dat het schrijven d.d. 17 oktober 1991, hetwelk overigens niet door de echtgenoot van [naam 2] is ondertekend, geen blijk geeft dat de echtgenoot van [naam 2] de vereiste toestemming heeft verleend voor de overdracht. Voorts voeren de erfgenamen aan dat de kantonrechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat zij niets van voormeld schrijven hebben gesteld, daar zij in punt 3 van hun conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie hebben gesteld dat het bescheid geen bestaan van een koop/verkoopovereenkomst tussen NBBM en de echtgenoot van [naam 2] aangeeft.

9.1.3 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen erkennen dat [naam 2] haar aandeel heeft verkocht en daarvoor de volledige koopsom heeft ontvangen, waarna [naam 2] in persoon en als gemachtigde van haar echtgenoot toestemming heeft gevraagd om het perceelland groot 0.9881 ha te mogen overdragen. Volgens NBBM hebben de erfgenamen niet kunnen weerleggen dat zij het schrijven niet van valsheid hebben beticht. NBBM persisteert bij hetgeen de kantonrechter terzake heeft overwogen in punt 4.2 van het vonnis.

9.1.4 Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 172 juncto artikel 173 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een goed dat tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort, in beginsel onder het bestuur van ieder der echtgenoten staat, hetgeen inhoudt dat ieder der echtgenoten de bevoegdheid heeft om met betrekking tot dat goed daden van beheer en beschikking te verrichten, terwijl er voor vervreemding en bezwaring van registergoederen waarvan de ene echtgenoot niet zijn beroep of bedrijf maakt, steeds de medewerking van beide echtgenoten is vereist en indien deze medewerking c.q. toestemming niet is gegeven, de andere echtgenoot de vernietiging van de gepleegde rechtshandeling kan doen inroepen conform artikel 173 BW.

9.1.5 Gelet op hetgeen is overwogen onder 9.4.4 van dit vonnis, concludeert het Hof dat [naam 2] als de ene echtgenoot bevoegd was om de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 aan te gaan, alsmede dat zij zelfs bevoegd was om het hele perceelland te verkopen. Naar het oordeel van het Hof hebben de erfgenamen niet betwist dat de echtgenoot van [naam 2] bij schrijven d.d. 17 oktober 1991, nog voor zijn overlijden, het verzoek heeft gedaan om het stuk perceelland groot 0,9881 ha aan SURON MIJ N.V. te mogen overdragen, evenmin is voornoemd schrijven van valsheid beticht, waardoor de medewerking c.q. toestemming van de echtgenoot van [naam 2] met betrekking tot de verkoop van het stuk perceelland aan NBBM rechtens tussen partijen vaststaat. Dit brengt met zich mee dat de verkoop voornoemd niet in strijd met artikel 172 BW is geschied, zodat de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 rechtsgeldig is en de erfgenamen gehouden zijn tot levering van het verkochte stuk perceelland groot 0,9881 ha aan NBBM of een door haar aangewezen derde. Ten overvloede overweegt het Hof dat ook indien de toestemming c.q. medewerking van de echtgenoot niet zou hebben vastgestaan, zulks niet met zich mee zou hebben gebracht dat de koopovereenkomst niet rechtsgeldig was, omdat niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoot van [naam 2] ingevolge artikel 173 lid 2 BW op enig moment de nietigheid van de door rechtshandeling tegenover NBBM zou hebben ingeroepen. Tussen partijen staat vast dat [naam 2] de gehele koopsom heeft ontvangen. Naar het oordeel van het Hof heeft de kantonrechter derhalve terecht geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in conventie en tot toewijzing van de vordering in reconventie, met dien verstande dat de veroordeling tot juridische levering aan NBBM betreft het stuk perceelland groot 0,9881 ha deel van de bij beschikking d.d. 11 september 1975 [nummer 3] in erfpacht afgestane perceelland groot 1,8939 ha gelegen in het [district 2] aan de [straat] en deel uitmakende van de Houttuinpolder. De gevorderde dwangsom wordt thans bepaald op een maximum van SRD. 500.000,-.
Op grond van het voorgaande faalt grief I.

9.2 Grief II: het beroep op gezag van gewijsde.
9.2.1 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen hun stellingen niet met enige jurisprudentie hebben onderbouwd, noch naar enige expliciete literatuur hebben verwezen waaruit zulks blijkt. De door de kantonrechter onderbouwde motivering is daarom volgens NBBM niet weerlegd. Voorts verwijst NBBM naar de rechtsoverweging van de Kantonrechter waaruit de rechtsgeldigheid van de overeenkomst d.d. 09 juli 1991 blijkt.

9.2.2 Bij repliekpleidooi beroepen de erfgenamen zich met betrekking tot hun beroep op gezag van gewijsde, op de door hun overgelegde producties en de punten 4, 6 en 8 van de conclusie van repliek in conventie en punt 3 van hun conclusie van antwoord in reconventie d.d. 29 mei 2008, alsmede de punten 2 en 4 van hun conclusie van dupliek in reconventie d.d. 17 juli 2008, op grond waarvan zij, de erfgenamen concluderen dat zij derhalve een impliciet beroep op het gezag van gewijsde hebben gedaan.

9.2.3 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen erkennen dat zij geen uitdrukkelijk beroep hebben gedaan op gezag van gewijsde, doch wel een impliciet beroep, terwijl er ingevolge Surinaamse wetgeving en jurisprudentie een uitdrukkelijk beroep dient te worden gedaan, zodat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat er geen expliciet beroep is gedaan op gezag van gewijsde. NBBM voert tevens aan dat indien de erfgenamen nog in hoger beroep een expliciet beroep op gezag van gewijsde zouden willen doen, zij daarmede tardief zijn, nu zulks bij memorie van grieven had moeten plaatsvinden.

9.2.4 Het Hof overweegt dat het vonnis d.d. 09 januari 1996 met A.R.No. 94-2450 is gewezen tussen DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DE NATIONALE BEMIDDELINGSMAATSCHAPPIJ (NBM) en [naam 2], waarbij geïntimeerde, DE NATIONALE BELEGGINGS- EN BEHEERS MAATSCHAPPIJ N.V. (NBBM) dus geen partij was. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat NBM en de NBBM, een en dezelfde partij zijn. Naar het oordeel van het Hof komt in de onderhavige zaak aan de erfgenamen als rechtsopvolgers van [naam 2], niet het recht toe om zich te beroepen op gezag van gewijsde van voornoemd vonnis, nu bedoeld vonnis tussen andere partijen is gewezen dan die betrokken in het onderhavig geding. Grief II van de erfgenamen faalt derhalve eveneens.

9.3 Grief IV: de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis.
9.3.1 NBBM voert hiertegen aan dat de erfgenamen ten onrechte een beroep doen op artikel 55 juncto artikel 56 Rv aangezien zij hun stellingen (lees: niet) met feiten en omstandigheden hebben onderbouwd.

9.3.2 Aangezien het beroep op gezag van gewijsde niet opgaat, terwijl de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 rechtens tussen partijen vaststaat, staat naar het oordeel van het Hof niets in de weg aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis ingevolge artikel 55 juncto 56 Rv. Grief IV wordt derhalve eveneens ongegrond bevonden.

9.4 Grief III: geen rechtsgeldige titel voor levering 1,8939 ha.
9.4.1 NBBM stelt zich op het standpunt dat het in casu om een schrijffout gaat welke noch de overeenkomst ongeldig noch het vonnis apert onjuist maken, weshalve zij geen bezwaar heeft dat het perceelland groot 0,9881 ha aan haar wordt geleverd.

9.4.2 Het Hof overweegt ten aanzien van deze grief dat het in casu duidelijk om een verschrijving gaat welke haar oorsprong vindt in het petitum van de vordering in reconventie, waardoor het vonnis waarvan beroep naar het oordeel van het Hof op dit stuk onjuist is en vernietigd dient te worden. Immers maakt de koopovereenkomst d.d. 12 juli 1991 duidelijk gewag van de verkoop/koop van het stuk perceelland groot 0,9881 ha, zodat nimmer de levering van 1,8939 ha kon zijn bevolen. Nu grief III gegrond is bevonden, zal het Hof in het dictum in zoverre hiermee rekening houden dat de juiste perceelgrootte wordt gehanteerd.

9.5 Grief V: de veroordeling in de proceskosten.
9.5.1 NBBM heeft zich aan het oordeel van het Hof gerefereerd met betrekking tot deze grief.

9.5.2 Naar het oordeel van het Hof zijn de erfgenamen als de in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg, zowel in conventie als in reconventie, ten onrechte veroordeeld in de proceskosten ad SRD 110,-, omdat de erfgenamen de oorspronkelijke aanleggers van het geding in eerste aanleg waren en deze dus reeds waren voldaan door de erfgenamen, weshalve de proceskosten aan de zijde van NBBM gevallen moesten worden begroot op nihil. Hoewel grief V op grond van het voorgaande gegrond is bevonden en leidt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, acht het Hof geen termen aanwezig om op grond daarvan de zaak opnieuw inhoudelijk te beoordelen.

9.6 Het Hof overweegt dat op grond van de gegrondheid van de grieven III en V, het vonnis waarvan beroep vernietigd zal worden en opnieuw rechtdoende de vordering in conventie zal worden afgewezen en de vordering in reconventie zal worden toegewezen onder aanvulling van de gronden, één en ander als in het dictum te melden.

9.7 De erfgenamen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de erfgenamen gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

10. De beslissing in hoger beroep in kort geding in conventie en in reconventie

Het Hof:

10.1 Vernietigt het vonnis d.d. 28 mei 2009 van de kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen in de zaak met A.R.No. 08-1440, waarvan beroep, en

OPNIEUW RECHTDOENDE:
In conventie
10.2 Weigert de gevraagde voorziening.

In reconventie
10.3 Veroordeelt de erfgenamen om mee te werken aan de juridische levering, althans aan de akte van transport, van het stuk perceelland groot 0,9881 ha deel van de bij beschikking d.d. 11 september 1975 [nummer 3] in erfpacht afgestane perceelland groot 1,8939 ha gelegen in het [district 2] aan de [straat] en deel uitmakende van de Houttuinpolder, onder verbeurte van een dwangsom van SRD.10.000,- (tienduizend Surinaamse Dollar) voor elke keer dat zij in strijd handelen met dit vonnis, tot een maximum van SRD. 500.000,- (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar).

10.4 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie
10.5 Veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten aan de zijde van NBBM gevallen in en tot aan de uitspraak begroot op Nihil;

10.6 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 januari 2017 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.
w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens de gemachtigden van partijen, advocaten mr. J. Kraag en mr. H.R. Schurman.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],
wonende te [district],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. I.A. Nazir, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [district],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 28 april 2014 (A.R.No. 13-2141) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de man op 08 juli 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota overgelegd op 04 december 2015;
– de antwoordpleitnota overgelegd op 05 februari 2016;
– de repliekpleitnota overgelegd op 03 juni 2016;
– de dupliekpleitnota overgelegd op 17 juni 2016;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Partijen waren op de dag van de uitspraak (28 april 2014) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting vertegenwoordigd. Een afschrift van het vonnis is per griffiersbrief d.d. 07 juli 2014 aan de man verzonden. De man heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 08 juli 2014 appèl aangetekend. De man heeft derhalve tijdig appèl aangetekend en is daarin ontvankelijk.

3. De feiten
3.1 Partijen zijn op 28 december 1961 te Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, bij akte [nummer 1], folio [nummer 2].

3.2 Uit voormeld huwelijk is één kind geboren, die thans meerderjarig is.

3.3 Bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 april 2014, is onder meer de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken, waarbij tevens is bevolen de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van notaris mr. J.G. Kemp als notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zal plaatsvinden, en tot onzijdig persoon voor de vrouw, mr. A. Adelaar, advocaat, en voor de man, mr. K.V. Alakhramsing, advocaat.

4. De vordering in eerste aanleg
De vrouw heeft, zakelijk weergegeven, als definitieve voorziening gevorderd dat:
c. tussen partijen de scheiding van tafel en bed zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;
d. de man zal worden veroordeeld om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet.

5. De grieven
De man heeft een viertal grieven aangevoerd neerkomende op:
1. de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen;
2. de schuldvraag met betrekking tot de duurzame ontwrichting;
3. het beroep op artikel 263 BW;
4. het gevolg van scheiding van tafel en bed.

6. De vordering in Hoger Beroep
De man verzoekt in hoger beroep te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren althans de vordering af te wijzen met haar veroordeling in de kosten in beide instanties.

7. Het verweer
De vrouw heeft verweer gevoerd concluderende dat het vonnis waarvan beroep bevestigd dient te worden.

8. De beoordeling
8.1 Grief I: de duurzame ontwrichting van het huwelijk
8.1.1 De man voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
‘….Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend danwel niet of niet voldoende betwist rechtens vast dat zij thans ruim veertien jaar niet meer samen wonen en dat zij al jaren geen contact met elkaar hebben. Op grond van het voorgaande is volgens de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.’ Immers, de man heeft in zijn verweer duidelijk gesteld dat hoewel partijen uit elkaar leven, herstel van de relatie wel mogelijk is. De vrouw is volgens hem zelf uit huis gegaan met een simpele smoes om niet meer terug te keren om te doen voorkomen alsof het huwelijk duurzaam was ontwricht.

8.1.2 De vrouw voert hiertegen aan dat de man met geen woord rept over de bevinding van de rechter dat vaststaat dat partijen al ruim 14 jaren, inmiddels zelfs langer dan dat, niet meer samenwonen, hetgeen wel de grond voor de rechter is geweest om vast te stellen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Volgens de vrouw heeft de man niet ontkend dat zij al langer dan 14 jaren gescheiden leven en hoegenaamd geen gemeenschap en/of contact met elkaar hebben, weshalve dit tussen partijen rechtens vaststaat. De vrouw voert aan dat volgens de man herstel van de relatie wel mogelijk is, doch heeft hij al die jaren niets gedaan om het huwelijk te herstellen. Volgens de vrouw heeft zij de echtelijke woning verlaten vanwege het overmatig drankgebruik van de man en zijn agressiviteit als gevolg daarvan. De vrouw stelt voorts dat zij vaker door de man is mishandeld en daarvan ook aangifte heeft gedaan bij politie Geyersvlijt, alsmede dat zij de laatste keer ook naar de huisarts is geweest, die niet eens over mishandelen wilde praten, maar het toetakelen noemde.

8.1.3 Het Hof overweegt dat rechtens tussen partijen vaststaat dat zij thans reeds langer dan 14 jaren niet meer samenwonen en/of een man/vrouw relatie met elkaar onderhouden, waardoor naar het oordeel van het Hof de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen rechtens vaststaat. Het feit dat de man af en toe contact heeft met de vrouw, doet daaraan niets af. Uit het door partijen gestelde en aangevoerde blijkt geenszins het bestaan van enige band tussen partijen, weshalve de kantonrechter terecht heeft overwogen zoals in het vonnis waarvan beroep is aangegeven. Grief 1 is derhalve ongegrond.

8.2 Grief 2: De schuldvraag met betrekking tot de duurzame ontwrichting
8.2.1 De man voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen:
‘Nu de man het hiervoor bij 4.5 vermelde verweer niet althans onvoldoende met feiten heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter plaatsvervanger verder voorbij aan dit verweer.’
Immers, de man heeft duidelijk gesteld dat voor zover er sprake is van duurzame ontwrichting, dit niet te wijten is aan hem, doch in overwegende mate te wijten is aan de vrouw, die de woning heeft verlaten met medeneming van haar persoonlijke spullen. De man kan erkennen dat partijen al geruime tijd niet meer samenwonen, doch hebben zij wel contact met elkaar. Voorts ontkent de man dat hij destijds extreem drankgedrag zou hebben vertoond en dat hij bovenmatig dronk, waardoor partijen vele ruzies met elkaar hadden. De man ontkent voorts, de vrouw te hebben geslagen en dat zij in angst leefde. Volgens de man hebben deze argumenten betrekking op omstandigheden die zich langer dan 14 jaren terug volgens de vrouw hebben voorgedaan. De vrouw is volgens hem 14 jaren geleden de woning uit vrije wil vertrokken uit de echtelijke woning zonder enige opgaaf van redenen en heeft al die jaren geen bezwaar gehad tegen de huidige situatie. De man voert verder aan dat hij de vrouw meerdere malen heeft gevraagd om terug te komen, terwijl de vrouw niet aangeeft dat de kans op verzoening niet mogelijk is, vermits de man zich juist wenst te verzoenen om hun jarenlange relatie te redden.

8.2.2 De vrouw ontkent dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende aan haar te wijten is en moet de man ingevolge artikel 299 juncto 263 BW het bewijs hiervan leveren. Volgens de vrouw heeft de kantonrechter de man terecht niet tot bewijs toegelaten, omdat zulks naar vaste rechtspraak onnodig is. Volgens HR 24 juni 1977, NJ 1978 no. 339 geldt: wanneer partijen al vele jaren gescheiden leven en er geen uitzicht op of verlangen naar herstel van de echtelijke samenwoning bestaat, kan het schuldverweer niet gevoerd worden. Bovendien heeft zij niet zonder reden de echtelijke woning verlaten. De vrouw voert verder aan dat de man haar nimmer heeft gevraagd om terug te komen en heeft hij zelf geen enkele stap ondernomen om het huwelijk te herstellen.

8.2.3 Het Hof overweegt dat het enkel verlaten van de echtelijke woning door de vrouw, niet met zich meebrengt dat de duurzame ontwrichting aan haar schuld te wijten is geweest, nu de vrouw duidelijk heeft aangegeven waarom zij de echtelijke woning heeft verlaten. Het feit dat de argumenten van de vrouw betrekking hebben op gebeurtenissen die langer dan veertien jaren zouden hebben plaatsgevonden, doet daaraan niets af, omdat de vrouw de echtelijke woning toentertijd heeft verlaten vanwege die aangehaalde argumenten. De vrouw heeft gemotiveerd aangegeven waarom zij de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de man slechts heeft volstaan met een blote ontkenning. Naar het oordeel van het Hof had het op de weg van de man gelegen om gemotiveerd aan te geven waarom de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan de vrouw te wijten dan wel niet aan hem te wijten was, weshalve de kantonrechter de man terecht niet heeft toegelaten tot bewijs van zijn stelling. Voorts overweegt het Hof dat de feiten en omstandigheden in casu inderdaad van dien aard zijn, zoals aangevoerd door de vrouw, dat de schuldvraag niet meer terzake doet, omdat van een verzoeningspoging niet gesteld of gebleken is en na al die jaren niet meer verwachtbaar is, zodat het verzet van de man tegen de vordering van de vrouw niet gerechtvaardigd is. Meer nog, het verzet van de man is naar het oordeel van de man niet gericht op een eventuele verzoening, doch is puur gericht op het materieel belang van de man, met name dat hij niet dakloos wordt. Gerief 2 is derhalve eveneens ongegrond.

8.3 Grief 3: het beroep op artikel 263 BW
8.3.1 De man voert aan dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan dit verweer, terwijl de vordering in ieder geval op grond van artikel 299 juncto artikel 263 BW diende te worden afgewezen. Immers, de man heeft duidelijk gesteld dat voor zover er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk, deze in overwegende mate aan de vrouw te wijten is, daar zij uit vrije wil uit de woning is vertrokken.

8.3.2 De vrouw voert aan dat deze grief een herhaling is van de voorgaande grieven, zodat een aparte bespreking hiervan overbodig is.

8.3.3 Het Hof verwijst ten aanzien van deze grief naar zijn overweging onder 8.2.3, waarin reeds is overwogen dat het verzet van de man ongerechtvaardigd is, zodat het beroep op artikel 263 BW niet opgaat. Op grond hiervan is ook grief 3 ongegrond.

8.4 Grief 4: het gevolg van scheiding van tafel en bed
8.4.1 De man voert aan dat de kantonrechter geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de man, nu de scheiding van tafel en bed slechts als gevolg heeft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, welke thans alleen uit een onroerend goed bestaat waar de man woont, terwijl de vrouw niet heeft aangegeven waarom zij nu plots na 14 jaren verdeling van de goederen wenst, daar zij
niet in financiële nood verkeert, omdat zij wordt verzorgd door hun meerderjarige zoon. Volgens de man heeft de veroordeling grote psychische, sociale en economische gevolgen, daar hij op 77-jarige leeftijd niet in staat is om het aandeel van de vrouw in geld uit te keren en daardoor dakloos zal worden. De man stelt zich op het standpunt dat beide partijen thans een onderdak hebben en de relatie tussen hen zeer goed is, terwijl geen van hen in financiële nood verkeert, de scheiding van tafel en bed, met name het gevolg, thans ongeoorloofd is.

8.4.2 De vrouw voert hiertegen aan dat ingevolge artikel 175 BW een gevolg van de scheiding van tafel en bed is dat de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden en ex artikel 176 BW vatbaar is voor verdeling, terwijl ingevolge artikel 1093 juncto 295 BW, niemand verplicht is om in een onverdeeldheid te blijven. Volgens de vrouw kan de kantonrechter daarom het rechtsgevolg niet laten meewegen bij de beoordeling of er grond voor de scheiding van tafel en bed aanwezig is.

8.4.3 Het Hof overweegt dat voor de beoordeling van een vordering tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed slechts van belang is dat de in de wet daartoe vereiste grond aanwezig is dan wel bewezen wordt geacht. Een eventuele benadeling als gevolg van de rechtsgevolgen van een dergelijke scheiding van tafel en bed of echtscheiding, moeten partijen middels een convenant proberen te minimaliseren. Evenwel kan een dergelijke geschil worden voorgelegd aan de boedelnotaris die het dan kan voorleggen aan de kantonrechter ter beoordeling indien partijen niet tot een overeenstemming kunnen komen. Grief 4 is daarom ook ongegrond.

8.5 Nu, de grieven ongegrond zijn bevonden, ziet het Hof geen aanleiding om het vonnis waarvan beroep opnieuw te beoordelen, zodat dit zal worden bevestigd onder eventuele aanvulling van gronden.

8.6 De man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van vrouw gevallen, zoals nader begroot in de beslissing.

9. De beslissing in Hoger Beroep
Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 28 april 2014 (A.R.No. 13-2141) waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil;

 

Aldus gewezen door: mr. M. Mettendaf, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M. Mettendaf

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 06 januari 2017, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Sohansingh namens advocaat mr. I.A. Nazir, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr, A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M.E. Danning, Officier van Justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (PW) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 13 januari 2015 met producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 19 januari 2015;
– het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 23 februari 2015;
– de beschikking van het Hof d.d. 9 maart 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 03 maart 2015 met 6 weken is verlengd;
– het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 13 april 2015;
– de beschikking van het Hof d.d. 21 april 2015, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 14 april 2015 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;
– het verweerschrift d.d. 25 mei 2015, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 26 mei 2015;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 03 juli 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 augustus 2015;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 03 juni 2016;

De motivering
1. De feiten
Tussen partijen (hierna respectievelijk ”verzoeker” en ”verweerder” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:
1.1 Verzoeker is in de maand mei 1991 in dienst getreden van verweerder en tewerk gesteld bij de districtsafdeling Paramaribo van het Onderdirectoraat Algemeen Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting als ambtenaar B in klasse 1a in de functie van administratief medewerker.
1.2 Te rekenen van 01 juli 2001 is verzoeker bevorderd tot ambtenaar B. Zijn laatstgenoten salaris bedroeg SRD. 1.290,-.
1.3 In de maand september van het jaar 2010 is het salaris van verzoeker stopgezet.
1.4 Verzoeker is vanaf het dienstjaar 2010 veelvuldig onwettig afwezig geweest.
1.5 Verzoeker is nimmer ontslagen.
1.6 Verzoeker heeft bij schrijven d.d. 13 december 2013 en 02 januari 2014 aan verweerder te kennen gegeven het daarheen te leiden dat hij zijn werkzaamheden kan hervatten en hem alsnog het salaris en emolumenten vanaf augustus 2010 tot heden wordt voldaan.

2. De vordering en het verweer daartegen
2.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
a. verweerder te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem uit te keren zijn salaris vanaf september 2010 ad SRD 1.290,-, vermeerderd met alle in de tussentijd toegekende salarisverhogingen en looncorrectie, alsmede conform de salarisaanpassingen ingevolge het Fiso-systeem totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze is beëindigd;
b. verweerder te veroordelen tot betaling van de vertragingsrente van 50% van het loon ingevolge artikel 1614q lid 1 BW;
c. verweerder te veroordelen binnen een week een besluit te nemen teneinde wederom arbeid te mogen verrichten, zulks op straffe van een dwangsom van SRD. 5.000,- per dag, voor elke dag dat verweerder hiermee in gebreke mocht blijven;
d. verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2 Verzoeker heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd:
– dat hij in de maand augustus 2010 door het hoofd van zijn afdeling mondeling is aangezegd dat hij wegens gewijzigde beleidsinzichten thuis kon blijven met behoud van salaris;
– dat in de maand september van het jaar 2010 het salaris van verzoeker zonder enige reden of kennisgeving is stopgezet;
– dat hij, verzoeker, zich vaker tot verweerder heeft gewend en aangegeven dat hij zijn werkzaamheden wenst uit te voeren, doch werd hem medegedeeld dat hij een schrijven zou ontvangen wanneer hij met zijn werkzaamheden kon beginnen.
– dat verzoeker nimmer is ontslagen en dat de dienstbetrekking dus voortduurt totdat deze op richtige wijze is beëindigd.
– dat hij echter vanaf september 2010 zijn salaris en emolumenten niet heeft ontvangen;
– dat verweerder gehouden is het salaris van verzoeker te voldoen, doch weigert hij dit, weshalve hij zich schuldig maakt aan wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad;
– dat hij recht heeft op salaris en emolumenten te weten, het salaris vanaf de periode september 2010, vermeerderd met een boeterente van 50%, vakantiedagen in geld uitgedrukt en vakantie uitkeringen.
– dat voorts verweerder gehouden is, ingevolge artikel 1614q lid 1 Burgerlijk wetboek (BW), een boete van 50% van het loon aan verzoeker te voldoen, wegens vertraagde betaling.

2.3 De verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, erop neerkomende dat het Hof van Justitie onbevoegd is van de vordering kennis te nemen, althans dat verzoeker niet ontvangen kan worden in zijn vordering, aangezien verzoekers vordering tot uitkering van salaris, betaling van vertragingsrente of een besluit tot het mogen verrichten van arbeid niet voorkomt in de limitatieve opsomming van artikel 79 van de Personeelswet (PW). Voorts dat verzoeker tardief met het instellen van zijn vordering.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof overweegt ten aanzien van het verweer van verweerder, dat hij op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet (PW) onbevoegd is van de vordering kennis te nemen, het navolgende.
3.1.1 Op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet (PW), oordeelt het Hof als ambtenarenrechter in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
3.1.2 Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan die in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet (PW) bedoelde.
Het Hof begrijpt dat verzoeker vordert dat het besluit van verweerder tot stopzetting van zijn salaris vernietigd dient te worden. Blijkens artikel 79 lid 2 van de Personeelswet zijn vatbaar voor nietigverklaring, besluiten betreffende het salaris en besluiten waarbij een tuchtstraf is opgelegd. Gelet hierop acht het Hof zich wel bevoegd kennis te nemen van hetgeen is gevorderd onder a van het petitum.
3.1.3 Met betrekking tot het onder b van het petitum gevorderde wordt overwogen dat de in artikel 1614q BW bedoelde wettelijke verhoging die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, niet bedoeld is als een ( gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (verg.HR 5 januari 1979, NJ 1979/207). Tijdige betaling van het salaris is immers van groot belang voor de werknemer, aangezien hij zijn levensbehoefte afstemt op de ontvangst van zijn salaris. In zoverre is de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW niet op te vatten als onderdeel van hetgeen gevorderd kan worden binnen het kader van artikel 79 van de Personeelswet (PW) en zal het Hof zich derhalve onbevoegd verklaren kennis te nemen van dit onder b van het petitum gevorderde.
3.1.4 Ten aanzien van het gevorderde onder c van het petitum overweegt het Hof dat blijkens artikel 79 van de Personeelswet het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot wedertewerkstelling. Het Hof zal zich dan ook ten aanzien van dit gevorderde onbevoegd verklaren.
3.1.5 De onder d van het petitum gevorderde proceskostenveroordeling zal worden afgewezen nu dit gevorderde eveneens niet op de wet is gestoeld.

3.2 Ten aanzien van het verweer dat verzoeker niet ontvangen moet worden in zijn vordering, daar hij tardief is met het instellen daarvan, overweegt het Hof ten aanzien van het onder a van het petitum gevorderde het navolgende.
Het besluit tot stopzetting van het salaris is in de maand september van het jaar 2010 ter kennis gekomen van verzoeker. Niet is gesteld noch is gebleken dat verzoeker binnen de administratie tegen dit besluit beklag heeft gedaan of in beroep is gegaan. Het besluit kan geacht worden ter kennis van verzoeker te zijn gekomen in de maand oktober van het jaar 2010. Verweerder heeft de vordering ingesteld op 19 januari 2015. Geoordeeld wordt dan ook, dat verzoeker tardief is met het instellen van zijn vordering tot betaling van het salaris voor de periode september 2010 tot en met 19 december 2014 aangezien verzoeker deze vordering uiterlijk 01 november 2010 had moeten hebben ingesteld. Het Hof zal op grond van artikel 80 lid 1 van de Personeelswet verzoeker slechts ontvangen ten aanzien van dat deel van de vordering, daterende vanaf 19 december 2014.

3.3 Verzoeker heeft bij zijn verhoor d.d. 03 juni 2016 onder meer het navolgende verklaard:
“Ik was werkzaam op het Ministerie van Sociale Zaken en zou overgeplaatst worden naar het Kabinet van de President. Op gegeven moment heeft de heer [naam], Beleidsmedewerker op het Kabinet van de President, mij in de maand augustus 2010 mondeling gezegd dat ik wegens gewijzigde beleidsinzichten in afwachting van mijn overplaatsing thuis kon blijven met behoud van mijn salaris. De [naam] was niet mijn directe chef op het Ministerie van Sociale Zaken. …Ik ben thuis gebleven en het ministerie heeft mijn salaris toen stopgezet….In antwoord op uw vraag kan ik u aangeven dat ik niet door het Ministerie van Sociale Zaken ben aangezegd om thuis te blijven, maar door iemand van het Kabinet van de President.”

3.4 Het Hof overweegt, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken is komen vast te staan dat verweerder in de periode januari 2010 tot en met december 2010 vaak onwettig afwezig is geweest. Vanaf de maand januari 2011 is verzoeker niet meer aan het werk verschenen. Blijkens het schrijven d.d. 30 juli 2010 – zijnde een verweerschrift zijdens verzoeker – is zijn veelvuldig verzuim te wijten geweest aan zijn participatie aan de verkiezingen en dat hij in staat voor de gevolgen van zijn handelen.
Voorts is gebleken dat verzoeker op aanzeggen van dhr. [naam], die toentertijd beleidsmedewerker op het Kabinet van de President was, de werkplek niet langer heeft bezocht. Tenslotte heeft verzoeker pas bij schrijven d.d. 13 december 2013 en 02 januari 2014 betaling gevorderd van zijn vanaf 2010 uitgebleven salaris.

3.5 Het hof is van oordeel, dat niet is komen vast te staan, dat dhr. [naam] bevoegd was verzoeker toestemming te geven om thuis te blijven in afwachting op zijn overplaatsing. Evenmin is komen vast te staan dat van een overplaatsing van verzoeker volgens de aangewezen procedure melding is gemaakt en is afgehandeld, waardoor verzoeker niet langer gehouden was zich op de werkplek aan te melden. Ook is niet gebleken dat verzoeker van een bevoegde instantie vrijstelling van dienst heeft gekregen in verband met zijn participatie aan de te houden verkiezing. Het Hof overweegt derhalve, dat nu is gebleken dat verzoeker zonder enige valide reden onwettig aanwezig is geweest voor langer dan 3 jaren opeenvolgend en dientengevolge de aan hem opgedragen werkzaamheden niet heeft uitgevoerd, hij dan ook geen aanspraak maakt op het daarbij behorend salaris vanaf 19 december 2014, met de bijbehorende verhogingen c.q. looncorrectie.

3.6 Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen, zal als na te melden worden beslist.

De beslissing

Het Hof:

Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde onder b en c van het petitum kennis te nemen;

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vordering vermeld onder a van het petitum voor wat betreft het gevorderde salaris over de periode van september 2010 tot en met 19 december 2014;

Wijst het overig gevorderde onder onder a en d van het petitum af;

 

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S. Nanhoe-Gangadin en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 januari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. H.R. Schurman, gemachtigde van verzoeker en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. M. Winter namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING

In de zaak van:

[appellant],
wonende te [district 1],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. G.D. Faerber, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres] in [district 2],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gegeven beschikking van 14 februari 2011 (A.R.No. 110524) tussen [appellant] als verzoeker en [geïntimeerde] als gedaagde,

geeft de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 4 maart 2011 hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter-plaatsvervanger d.d. 14 februari 2011 (A.R.No. 110524) tussen [appellant] als verzoeker en [geïntimeerde] als gedaagde;

De beoordeling
1. Het gaat in deze zaak om het volgende.
1.1. Bij verzoekschrift d.d.7 februari 2011 heeft [appellant] toen als verzoeker het verzoek gedaan bij de kantonrechter in het eerste kanton hem toestemming te verlenen ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag te doen leggen op diens roerende goederen alsook op diens onroerend goed zoals weergegeven in het inleidend verzoekschrift en wel ter verzekering van zijn vordering inclusief rente en kosten begroot op USD.60.000,- (zestigduizend Amerikaanse dollars) .
1.2. Door de kantonrechter is de gevraagde toestemming bij beschikking d.d. 14 februari 2011 afgewezen op de grond dat niet summierlijk is gebleken van een vordering van [appellant] op [geïntimeerde] en voorts daar door [appellant], naar het oordeel van de Kantonrechter, geen beroep kan worden gedaan op een ongetekende overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst.
1.3. Partijen hebben in dit hoger beroep geen grieven genomen.
1.4. Nu [appellant] het hoger beroep heeft ingesteld binnen de door de wet vereiste termijn is hij daarin ontvankelijk.
1.5. [appellant] heeft ter staving van zijn vermeende vordering gesteld dat hij op 9 maart 2009 een mondelinge arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] is aangegaan; dat daarbij het salaris USD.14.084,27 bedroeg op basis van veertig uren per werkweek; dat bij de aanvang van de dienstbetrekking [appellant] USD.8.000,- maandelijks zou ontvangen en het verschil per maand na het tweede jaar in zijn geheel aan [appellant] zou worden voldaan; dat op 31 mei 2010 de dienstbetrekking tussen partijen op verzoek van [appellant] is beëindigd; dat [geïntimeerde] in strijd met de afspraken niet het volledig salaris heeft betaald aan [appellant] over de periode dat de dienstbetrekking heeft geduurd; dat [geïntimeerde] over genoemde periode van 14 maanden slechts heeft betaald USD.65.500,- terwijl [geïntimeerde] over genoemde periode moest betalen 14 maanden á USD.8000,- is USD.118.000,-; dat [geïntimeerde] als gevolg hiervan nog aan [appellant] verschuldigd is het geldbedrag van USD.52.500,–.
1.6. [appellant] heeft ter staving van de vordering overgelegd, een ongetekende schriftelijke arbeidsovereenkomst in het Engels, een negental kopieën van overmakingsformulieren, een kopie van een deurwaardersexploit inhoudende betekening van een ingebrekestelling en een kopie van een hypothecair uittreksel ten name van [geïntimeerde].
2.1 Teneinde te beoordelen of het gevraagde verlof tot het leggen van het beslag kan worden toegestaan dient eerstens te worden nagegaan of [appellant] aannemelijk heeft kunnen maken dat hij een summierlijk deugdelijke vordering op [geïntimeerde] heeft. Uit de overgelegde ongetekende schriftelijke overeenkomst kan dit niet worden afgeleid, immers is de overeenkomst niet getekend en kunnen partijen dus niet daaraan worden gehouden.
2.2 Uit de overmakingsformulieren kan worden afgeleid dat er gelden zijn overgemaakt naar [appellant] door hoofdzakelijk andere opdrachtgevers [namen] dan [geïntimeerde]. Slechts op één van de overmakingsformulieren is de naam van [geïntimeerde] ook genoemd. Echter, ook al zou blijken dat [geïntimeerde] altijd de opdrachtgever voor de overmaking is geweest, dan nog blijkt uit deze overmakingen niet wat de onderlinge afspraken waren tussen partijen. [appellant] heeft bijvoorbeeld geen enkel stuk overgelegd waaruit deugdelijk blijkt wat partijen daadwerkelijk waren overeengekomen, voorts wat [geïntimeerde] reeds heeft betaald aan [appellant] en wat door [geïntimeerde] uit dien hoofde nog verschuldigd zou zijn aan [appellant] danwel een stuk waaruit de erkentenis van [geïntimeerde] blijkt dat hij genoemd bedrag aan [appellant] verschuldigd is. Een betekende ingebrekestelling draagt niet bij om de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] aannemelijk te maken nu dat een eenzijdige handeling betreft.
2.3 Gelet op het hiervorenoverwogene komt het hof, gelijk de kantonrechter heeft geconcludeerd in de bestreden beschikking, tot de slotsom dat [appellant] zijn vordering op [geïntimeerde] niet summierlijk deugdelijk aannemelijk heeft gemaakt, weshalve de aangevallen beschikking zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

Beschikkende in beroep:
Bevestigt onder aanvulling van gronden de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 14 februari 2011 (A.R.No.110524), waarvan beroep;

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 januari 2017, in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.
Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo, rechtspersoon,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, jurist op het Parket van de Procureur-Generaal,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justi-tie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 16 april 2012 met producties, ter Griffie ontvangen op 17 april 2012;
– het verweerschrift d.d. 28 mei 2012 met producties, ter Griffie ontvangen op 29 mei 2012;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 25 september 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 19 oktober 2012;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 19 oktober 2012;
– de pleitnota d.d. 03 mei 2013, met producties;
– het antwoordpleidooi en uitlating producties d.d. 05 juli 2013, met producties;
– het repliekpleidooi en uitlating producties d.d. 02 augustus 2013;
– het dupliekpleidooi d.d. 04 oktober 2013, met een productie;
– de conclusie tot uitlating productie d.d. 06 december 2013;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 04 april 2014,doch nader bepaald op heden.

De motivering
De feiten
1. Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 Bij schrijven d.d. 30 juli 2008 gericht aan de Onderdirekteur van de Afdeling Vervoer van het ministerie, heeft mevrouw R.S. Nanan haar beklag gedaan over het hoofd van de Afdeling Vervoer, [verzoeker].
1.2 [verzoeker] is bijkans 27 jaar ambtenaar en is bij beschikking d.d. 16 november 2007 AD [nummer] benoemd in de functie van Hoofd Vervoer van de Hoofdafdeling Technische Diensten van het ministerie.

1.3 Bij schrijven van de waarnemend Onderdirekteur Technische Diensten van het ministerie d.d. 19 januari 2012, [kenmerk 1], is ondermeer het navolgende aan [verzoeker] medegedeeld:
“Met verwijzing naar de recente aantijgingen aan uw adres door uw ondergeschikten en uw onbetamelijk handelen en gedrag tijdens onze bespreking op 18 januari 2012, wordt u op grond van artikel 23 van de vigerende Personeelswet met ingang van donderdag 19 januari 2012, in afwachting van nog te nemen maatregelen, buiten functie gesteld.”

1.4 Bij schrijven d.d. 19 januari 2012 gericht aan de direkteur van het ministerie, heeft de Organisatie van Bushouders in Suriname haar beklag gedaan over het slecht functioneren van het Hoofd van de Afdeling Vervoer.

1.5 Bij schrijven d.d. 30 januari 2012 gericht aan de waarnemend Onderdirekteur Technische Dienst van het ministerie, heeft [verzoeker] verweer gevoerd tegen zijn buitenfunctiestelling.

1.6 Bij schrijven van de waarnemend Onderdirekteur Technische Diensten van het ministerie d.d. 17 februari 2012, [kenmerk 2], is ondermeer aan [verzoeker] medegedeeld dat zijn buitenfunctiestelling per heden wordt beëindigd met zijn onmiddellijke ter beschikkingstelling van de waarnemend direkteur van het ministerie en dat hij zich op 20 februari 2012 om 07.00 uur dient aan te melden bij de direkteur voor het verkrijgen van
verdere directieven.

1.7 Bij schrijven d.d. 23 februari 2012 gericht aan de waarnemend Onderdirekteur Technische Dienst van het ministerie, heeft [verzoeker] verweer gevoerd tegen de brieven d.d. 19 januari 2012 en d.d. 17 februari 2012.

1.8 Bij exploot no.136 d.d. 06 maart 2012 heeft [verzoeker] bezwaar doen aantekenen bij de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling tegen de tegen hem genomen maatregelen en is tevens herstel in oude toestand gevraagd.

1.9 Bij schrijven van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling d.d. 27 maart 2012, [kenmerk 3], heeft de Minister het door [verzoeker] gevraagde bij exploot no.136 d.d. 06 maart 2012, afgewezen.

De vordering en het verweer daartegen
2.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis:
Primair:
I. voor recht te verklaren dat de besluiten vervat in de brieven d.d. 19 januari 2012 en 17 februari 2012, nietig zijn;
II. herstel in oude toestand te gelasten onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat geweigerd wordt het aan het vonnis te voldoen;

Subsidiair:
I. de besluiten vervat in de brieven d.d. 19 januari 2012 en 17 februari 2012, te vernietigen;
II. herstel in oude toestand te gelasten onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van SRD 10.000,- per dag voor elke dag dat geweigerd wordt het aan het vonnis te voldoen;

2.2 [verzoeker] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de maatregel van buitenfunctiestelling van zijn persoon door de waarnemend Onderdirecteur Technische Diensten van het ministerie, van elke grond ontbloot is en de Staat kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt van artikel 23 van de Personeelswet dan het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, weshalve het besluit van rechtswege nietig is. Vanaf 19 januari 2012
weet [verzoeker] niet waar hij aan toe is. Hij moet zich dagelijks aanmelden op het hoofdkantoor van het ministerie, zonder dat het duidelijk is waar zijn werkplek is en welke werkzaamheden hij moet verrichten. Het handelen van de Staat doorstaat de toets aan de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid en van zorgvuldigheid, niet. De Staat heeft alzo schade aan [verzoeker] berokkenend.

2.3 Het ministerie heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het besluit betreffende de ter beschikkingstelling ingevolge artikel 79 van de Personeelswet niet vatbaar is voor nietigverklaring, hetgeen betekent dat het Hof zich als ambtenarengerecht onbevoegd moet verklaren ten aanzien van het onder I van het primair gevorderde. Evenmin biedt artikel 79 van de Personeelswet het Hof de bevoegdheid om zich te buigen over het onder II van het primair en onder I en II van het subsidiair gevorderde, weshalve het Hof zich onbevoegd zal dienen te verklaren.

De beoordeling van het geschil
3.1 Voorop wordt gesteld dat het Hof ingevolge artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bevoegd is tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur; en dat ingevolge lid 2 van hetzelfde artikel, de navolgende besluiten vatbaar zijn voor nietigverklaring:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-aktiviteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.

3.2 Het Hof begrijpt dat [verzoeker] onder I van het primair gevorderde vraagt om de besluiten vervat in de brieven d.d. 19 januari 2012 en d.d. 17 februari 2012 nietig te verklaren.
Nu het besluit vervat in de brief d.d. 19 januari 2012 betrekking heeft op de buitenfunctiestelling van [verzoeker], hetgeen naar het oordeel van het Hof ingevolge artikel 61 lid 1 van de Personeelswet geen tuchtstraf is, acht het Hof zich op grond van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet onbevoegd om van deze vordering kennis te nemen aangezien dit be-sluit niet vatbaar is voor nietigverklaring.
Aangezien de brief d.d. 17 februari 2012 betrekking heeft op de ter beschikkingstelling van [verzoeker] van de direkteur van het ministerie, acht het Hof zich eveneens op grond van artikel 79 lid 2 van de Personeelswet onbevoegd om van de vordering kennis te nemen, nu dit besluit evenmin vatbaar is voor nietigverklaring.

3.3 Op grond van het vorenoverwogene acht het Hof zich onbevoegd om van het primair gevorderde onder I kennis te nemen.
Evenmin acht het Hof zich bevoegd om op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet kennis te nemen van het primair gevorderde onder II en het subsidiair gevorderde onder I en II van het petitum.
Het verweer van het ministerie c.q. de Staat treft derhalve doel en zal het Hof zich onbevoegd verklaren om van de vorderingen van [verzoeker] kennis te nemen.

De beslissing
Het Hof:

– verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en
w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van verzoeker en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. R. Rathipal namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2017-23

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoekster],
wonende te [district],
verzoekster,
gemachtigde: mr. H.H. Veldkamp, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie, vertegenwoordigd wordende
door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. A.R. Rathipal, jurist op het Parket van de Procureur-Generaal,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken
gewezen vonnis uit.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:
– het verzoekschrift d.d. 15 mei 2012, met producties;
– het verweerschrift d.d. 20 juni 2012, ter Griffie van het Hof van Justitie ontvangen op 27 juni 2012;
– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 25 september 2012, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 19 oktober 2012;
– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 19 oktober 2012;
– de conclusie tot overlegging producties zijdens de Staat, d.d. 07 december 2012, met producties;
– de pleitnota d.d. 15 februari 2013, met producties;
– het antwoordpleidooi en uitlating producties d.d. 15 maart 2013, met producties;
– het repliekpleidooi en uitlating producties d.d. 05 april 2013;
– het dupliekpleidooi d.d. 03 mei 2013;
– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 04oktober 2013, doch nader bepaald op heden.

De motivering
De feiten
1. Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoekster]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 [verzoekster] is vanaf het jaar 2005 in vaste dienst van het ministerie en als schoonmaakster te werk gesteld bij de Landmacht.

1.2 [verzoekster] is op 10 maart 2011 door de douane bij het postbedrijf Suriname Service Line aangehouden en daarna in verzekering gesteld terzake Overtreding van de Wet op Verdovende Middelen, waarbij zij gebruik heeft gemaakt van een vervalste identiteitskaart.

1.3 Vanaf 01 mei 2011 heeft [verzoekster] geen salaris ontvangen.

1.4 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 03 juni 2011, Bureau [nummer 1], is besloten om [verzoekster] met toepassing van artikel 66 lid 1 juncto artikel 66 lid 3 van de Personeelswet alsnog van rechtswege te schorsen, met bepaling dat indien zij kostwinner mocht zijn, de helft van het salaris zal worden uitbetaald aan de daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden.

1.5 Bij vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 07 juni 2011 is [verzoekster] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, een bevel tot gevangenhouding, een proeftijd van 3 jaar en een geldboete van SRD 1.500,-, subsidiair 1 maand hechtenis.

1.6 De schorsingsbeschikking van het ministerie is op 09 september 2011 aan [verzoekster] in persoon uitgereikt.

1.7 Bij schrijven d.d. 14 september 2011, is [verzoekster] aangezegd zich binnen 5 dagen na ontvangst van het schrijven, schriftelijk te verweren.

1.8 Bij schrijven d.d. 19 september 2011, heeft [verzoekster] zich schriftelijk verweerd, waarbij [verzoekster] voor zover van belang heeft betoogd:
“… De rede waarom ik mijzelf heb schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet Verdovende middelen is dat ik in geldnood zat en had de bank mijn aanvraag tot een lening afgewezen. Bovengenoemde veroordeling betreur ik ten zeerste en deel ik u bij deze mede dat ik mijn les heb geleerd en dat zulks nimmer meer zal gebeuren. Verder verzoeke ik bij deze dat ik mijn functie als schoonmaakster bij het Ministerie van Defensie wenst te behouden, zulks daar ik als alleenstaande moeder 2 minderjarige kinderen heb die ik dien te verzorgen en heb ik ook nog schulden c.q. aflossingen die ik dien te plegen bij bedrijven waar ik goederen op afbetaling heb gekocht….Bij deze geef ik verder nog aan dat ik sedert 3 juni 2011 ben geschorst en verzoek ik dat de termijn van schorsing als mijn straf zal dienen en dat ik wederom met mijn werkzaamheden een aanvang kan/mag maken.”

1.9 Bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van het ministerie d.d. 23 februari 2012, kenmerk 518/12, is aan [verzoekster] medegedeeld dat aan haar ontslag uit Staatsdienst conform artikel 61 lid 1 sub j en lid 2 sub b van de Personeelswet, zal worden verleend.

1.10 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 04 april 2012, Bureau [nummer 2], is besloten om [verzoekster] ingevolge artikel 61 lid 1 sub j en lid 2 sub b van de Personeelswet wegens plichtsverzuim, uit Staatsdienst te ontslaan, met bepaling dat zij te rekenen van 01 mei 2011 haar ambtsverplichtingen niet heeft vervuld, weshalve zij geen aanspraak maakt op salaris, onder de navolgende overwegingen:
“- dat de schoonmaakster ………door de Politie in verzekering werd gesteld als verdacht van zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding Wet op verdovende middelen;
– dat betrokkene bij vonnis van de Kantonrechter van 07 juni 2011 is veroordeeld…;- dat mevrouw [verzoekster] voornoemd bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 14 september 2011 in de gelegenheid werd gesteld zich terzake schriftelijk te verweren, doch is haar verweerschrift van 19 september 2011, gezien de aard van het delict niet steekhoudend bevonden, met dien verstande, dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding Wet op Verdovende middelen;
– dat mevrouw [verzoekster], voornoemd, het imago van de Defensie- organisatie heeft geschaad, zelf heeft toegegeven dat zij het strafbaar feit heeft begaan en dat in haar verweerschrift geen enkele redenen zijn aangegeven die haar handeling kunnen rechtvaardigen;
– dat het voorgaande en gezien de aard van het delict, ingevolge artikel 61 lid 1 sub j en lid 2 sub b van de “Personeelswet” grond voor ontslag oplevert en er derhalve alle aanleiding bestaat om mevrouw [verzoekster] meergenoemd uit Staatsdienst te ontslaan.”

1.11 Voornoemde ontslagbeschikking is op 18 april 2012 bij exploot van de gerechtsdeurwaarder Louise Tran van Can-Doesburg, aan [verzoekster] betekend.

1.12 [verzoekster] is kostwinner.

De vordering en het verweer daartegen
2.1 [verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de beschikking van de Minister Defensie d.d. 04 april 2012 te willen vernietigen, althans nietig te verklaren.

2.2 [verzoekster] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de ontslagbeschikking voornoemd in strijd is met artikel 28 lid 3 juncto artikel 30 lid 3 juncto artikel 68 lid 3 van de Personeelswet, nu haar salaris met terugwerkende kracht wordt ingehouden terwijl van een schorsing middels een schriftelijk stuk ingevolge artikel 71 lid 5 van de Personeelswet niet is gebleken.
Voorts is het vonnis waarbij [verzoekster] is veroordeeld op 21 juni 2011 in kracht van gewijsde gegaan, terwijl zij op 23 februari 2012 pas wordt medegedeeld dat aan haar ontslag uit Staatsdienst zal worden verleend, hetgeen onbehoorlijk bestuur en in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur is, met name het rechtszekerheidsbeginsel, nu het ministerie heeft nagelaten binnen een maand nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, een tuchtstraf op te leggen, weshalve zij erop mocht vertrouwen dat zij, na haar werk te hebben hervat in september 2011 en geen enkel signaal van de leiding van het ministerie te hebben ontvangen,
gehandhaafd zou worden in de dienst. Bovendien ontbeert de ontslagbeschikking een motivering. Tenslotte wijkt artikel 30 van de Personeelswet duidelijk af van het principe ‘no work no pay’ en heeft het ministerie nagelaten ingevolge artikel 29 lid 3 van de Personeelswet rekening te houden met het feit dat [verzoekster] kostwinner, alleenstaande moeder met 2 minderjarige kinderen is en moeilijk een vaste baan kan vinden.

2.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd erop neerkomende dat [verzoekster] ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet van rechtswege was geschorst en ingevolge artikel 30 lid 2 en lid 3 van de Personeelswet het salaris wordt ingehouden gedurende de schorsing, alsmede dat [verzoekster], gelet op het beleid en de voorlichting van het ministerie, had kunnen weten dat zij na een strafvonnis niet meer gehandhaafd zou worden in de dienst. Bovendien is op geen enkele wijze het vertrouwen gewekt dat [verzoekster] in de dienst gehandhaafd zou worden. [verzoekster] haar vordering is daarom gebaseerd op onjuiste gronden en omstandigheden waardoor haar vordering ongegrond en onbewezen blijft en derhalve geweigerd dient te worden.

De beoordeling van het geschil
3.1 Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

3.2 Op grond van artikel 80 lid 1 van de Personeelswet is het Hof van oordeel dat [verzoekster] kan worden ontvangen in haar vordering, nu [verzoekster] de gewraakte ontslagbeschikking op 18 april 2012 heeft ontvangen en het verzoekschrift in casu op 15 mei 2012 is ingediend.

3.3 Het Hof stelt voorop dat [verzoekster] ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet vanaf haar inverzekeringstelling op 10 maart 2011 van rechtswege was geschorst, welke schorsing ingevolge artikel 68 lid 1 van de Personeelswet is geëindigd op de dag waarop [verzoekster] in vrijheid is gesteld, zijnde 06 maanden na 10 maart 2011, omstreeks 09 september 2011.
De schorsingsbeschikking ingevolge artikel 66 lid 1 en lid 3 van de Personeelswet d.d. 03 juni 2011, die [verzoekster] zijdens het ministerie heeft ontvangen op 09 september 2011, is naar het oordeel van het Hof slechts een bevestiging van de schorsing van rechtswege en dus geen tuchtmaatregel, met dien verstande dat op grond van de schorsingsbeschikking van het ministerie, gedurende de schorsingsperiode de daarvoor in aanmerking komende belanghebbenden van [verzoekster] recht hebben op uitbetaling van de helft van haar salaris.

Naar het oordeel van het Hof is de schorsing van [verzoekster] ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet derhalve ingevolge artikel 68 lid 1 van de Personeelswet, geëindigd op de dag waarop [verzoekster] in vrijheid is gesteld, zijnde omstreeks 09 september 2011, nu [verzoekster] door het ministerie niet is geschorst op grond van artikel 66 lid 2 sub b van de Personeelswet.

3.4 Gelet op het overwogene onder 3.3 hebben de rechthebbenden van [verzoekster] recht op uitbetaling van de helft van het salaris van [verzoekster] vanaf 01 mei 2011 tot en met medio september 2011.

3.5 Het Hof overweegt dat [verzoekster] na haar invrijheidstelling niet buiten functie was gesteld noch was geschorst op grond van artikel 66 lid 2 van de Personeelswet door het ministerie zoals bepaald in artikel 71 lid 5 van de Personeelswet, en heeft het ministerie in haar schorsingsbeschikking d.d. 03 juni 2011 uitdrukkelijk bepaald dat aan de rechthebbenden van [verzoekster] gedurende de schorsingsperiode de helft van haar
salaris zal worden uitbetaald indien [verzoekster] kostwinner is. Gelet op het vorenoverwogene, is naar het oordeel van het Hof het ontslag, met name het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van de ontslagbeschikking d.d. 04 april 2012, in strijd met artikel 30 lid 2 en artikel 71 lid 5 van de Personeelswet, weshalve het ontslag dus niet kan terugwerken.

3.6 Het Hof is voorts van oordeel dat de tuchtmaatregel gepast is, mede gelet op het feit dat [verzoekster] niet weersproken heeft op de hoogte te zijn van het beleid van het ministerie ten aanzien van vonnissen uitgesproken tegen het personeel en zij willens en wetens dit risico heeft willen nemen, wetende dat zij kostwinner is met 2 minderjarige kinderen. Op grond hiervan en ook op grond van het feit dat [verzoekster] niet wederom te werk was gesteld, had [verzoekster] er niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zij in de dienst gehandhaafd zou worden. Meer nog, in de vele gesprekken die zij na haar invrijheidstelling volgens haar met het ministerie heeft gevoerd, is haar niet medegedeeld dat zij haar werkzaamheden zou mogen hervatten. Bovendien had zij reeds op 23 februari 2012 de mededeling ontvangen dat zij ontslagen zou worden.
Naar het oordeel van het Hof is het ministerie slordig geweest door bij het opleggen van de schorsing, deze niet tevens te baseren op artikel 66 lid sub b van de Personeelswet, doch leidt deze slordigheid naar het oordeel van het Hof, niet tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het gevolg hiervan is dat [verzoekster] naar het oordeel van het Hof recht heeft op doorbetaling van haar volledig salaris vanaf medio september 2011 tot aan de ingangsdatum van haar ontslag, zijnde 19 april 2012. De bepaling in artikel 1614b van het Burgerlijk Wetboek is derhalve niet van toepassing.

3.7 Nu op grond van het vorenoverwogene kan worden geconcludeerd dat het ontslag als tuchtmaatregel aan [verzoekster] rechtmatig is gegeven en de gewraakte beschikking naar het oordeel van het Hof deugdelijk is gemotiveerd, zal de beschikking d.d. 04 april 2012 slechts gedeeltelijk nietig worden verklaard en met name het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van voormelde beschikking. Gebruikmakend van de bevoegdheid gegeven in artikel 82 lid 3 juncto lid 4 van de Personeelwet, zal het Hof het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van de beschikking d.d. 04 april 2012, nietig verklaren, met bepaling
dat het ministerie aan de rechthebbenden van [verzoekster] de helft van haar salaris zal uitbetalen vanaf 01 mei 2011 tot medio september 2011 en aan [verzoekster] zelf het volledige salaris uitbetalen vanaf medio september 2011 tot en met 18 april 2012.

De beslissing
Het Hof:

4.1 verklaart nietig de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 04 april 2012, Bureau no. PW/Ag.no. 1000/12 voor wat betreft het bepaalde onder II onder het kopje ‘HEEFT BESLOTEN’ van voornoemde beschikking, als volgt luidende:

“II. Te bepalen, dat betrokkene ingevolge artikel 30 lid 2, juncto artikel 28 lid 3 van de “Personeelswet”, en artikel 1614b van het “Surinaams Burgerlijk Wetboek”, geen aanspraak maakt op salaris of enig andere vergoeding over de dagen waarop zij haar ambtsverplichtingen niet heeft vervuld en wel te rekenen van 01 mei 2011 tot en met de datum van ingang van het ontslag.”

4.2 draagt het ministerie op om binnen 3 maanden na betekening van dit vonnis:
1. aan de rechthebbenden van [eiser] uit te betalen de helft van het laatst genoten salaris van [verzoekster], vanaf 01 mei 2011 tot medio september 2011; en
2. aan [eiser] zelf het volledige, laatst genoten salaris uit te betalen vanaf medio september 2011 tot de ingangsdatum van het ontslag, zijnde 19 april 2012.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 februari 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. F.M.S. Ishaak namens advocaat mr. H.H. Veldkamp, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door
mr. A.R. Rathipal, gevolmachtigde namens verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.