SRU-HvJ-2017-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

SA RE GA MA PA N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

appellante in kort geding, hierna aangeduid als “SaReGaMaPa”,

gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], [land],

geïntimeerde in kort geding, hierna aangeduid als [geïntimeerde],

gemachtigde: mr. dr. J.V. van Dijk – Silos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 01 april 2009 (AR 081584) tussen “SaReGaMaPa” als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging in kort geding uit.

Dit vonnis bouwt voort op het op 18 maart 2011 tussen partijen gewezen tussenvonnis.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verder procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het proces-verbaal van de op 15 april 2011 gehouden comparitie van partijen;

– het proces-verbaal van de op 18 november 2011 gehouden voortzetting van de comparitie van partijen;

– conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel van de zijde van geïntimeerde d.d. 20 januari 2012;

– conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel van de zijde van appellante d.d. 20 april 2012;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 juli 2012 , doch is vanwege de veelheid aan zaken, nader bepaald op 02 februari 2018 doch bij vervroeging op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het hof volhardt bij zijn tussenvonnis van 18 maart 2011, waarin een comparitie van partijen is gelast. De comparitie van partijen is gehouden op 15 april 2011.

2.2 Van de gehouden comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich onder de processtukken bevindt en waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

2.3 Tijdens de gehouden comparitie van partijen d.d. 15 april 2011 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde], mr. dr. J.V. van Dijk – Silos aangegeven dat zij met geïntimeerde in overleg zal treden om na te gaan in hoeverre het mogelijk is tot een schikking te geraken. Dit, omdat SaReGaMaPa tijdens de comparitie middels geactualiseerde fotomateriaal duidelijk heeft weten te maken dat zij voordelig ligt. Voorts heeft [geïntimeerde] erkend dat er een huurovereenkomst bestond tussen haar en Sangeetmala, maar dat de huur daarvan nooit is ontvangen. Met SaReGaMaPa was er geen huurovereenkomst.

2.4 De comparitie van partijen is voortgezet op 18 november 2011 waarbij wederom de gemachtigde van [geïntimeerde] zich bereid heeft verklaard om met geïntimeerde in conclaaf te treden.

Bij de conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel zijdens [geïntimeerde], heeft zij aangegeven niet akkoord te gaan met het schikkingsvoorstel namelijk het litigieuze perceelland of het gedeelte waarop de tuikabels zich bevinden, te verkopen dan wel te verhuren aan SaReGaMaPa.

SaReGaMaPa heeft bij conclusie tot uitlating schikkingsvoorstel benadrukt dat het verwijderen van een punt van de mast (welke op 3 punten rust) onevenredig veel schade en risico’s met zich meebrengt voor haarzelf en de omgeving.

2.5 Het hof is van oordeel dat door SaReGaMaPa is erkend dat het anker is bevestigd in de grond hetwelk toebehoort aan [geïntimeerde]. Voorts dat [geïntimeerde] geen inbreuk op haar eigendomsrecht hoeft te dulden daar zij er belang bij heeft om vrijelijk over haar grond te beschikken.

2.6 Het hof is tevens van oordeel dat de kantonrechter in kort geding in het beroepen vonnis terecht de overweging heeft gemaakt dat er nergens uit is gebleken dat SaReGaMaPa toestemming heeft verkregen van een daartoe bevoegde persoon voor het plaatsen van kabels op het perceelland van [geïntimeerde]. Ook tijdens de comparities in de appélprocedure is daar geen afdoend antwoord op gegeven, hetwelk een tegengestelde slotsom zou rechtvaardigen.

2.7 De aangevoerde grieven en weren worden met voorgaande vaststelling zoals verwoord onder punt 2.6 van dit vonnis geacht te zijn besproken. De grief betrekking hebbende op een redelijke en billijke belangenafweging is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, hebbende SaReGaMaPa verzuimd om het door haar genoemde taxatierapport in het geding te brengen, weshalve het hof voormelde grief zal verwerpen. De bij het repliekpleidooi in het geding gebrachte producties en berekeningswijze van de te lijden schade door SaReGaMaPa, leiden evenmin tot een andersluidend oordeel. Immers staat daar tegenover het belang van [geïntimeerde] om vrijelijk over haar terrein te kunnen beschikken en SaReGaMaPa heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk kunnen maken dat zij in dit kader afspraken hebben gemaakt met een beschikkingsbevoegde. Aan het door haar gedaan bewijsaanbod zal het hof – gelet op de beperkingen van de kortgedingprocedure – voorbijgaan.

2.8 Nu SaReGaMaPa welbewust een anker op het aan [geïntimeerde] toebehorend terrein heeft geplaatst zonder deugdelijke afspraken met de rechthebbende, dient zij in de visie van het hof, de risico’s van het verwijderen van de mast voor haar rekening te nemen.

2.9 Gelet op het voorgaande zal het hof daarom het beroepen vonnis A.R. 081584 bevestigen en SaReGaMaPa , als de in het ongelijk gesteld partij, veroordelen in de proceskosten van dit geding in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

3. DE BESLISSING IN KORT GEDING IN HOGER BEROEP:

3.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in kort geding gewezen en uitgesproken tussen partijen d.d. 01 april 2009 A.R. 081584, waarvan beroep.

3.2 Veroordeelt SaReGaMaPa in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden en

w.g. A. Charan

Door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 oktober 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C. Rambharos namens advocaat mr. A.E. Debipersad, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-4

H.M.

A – 370.

[verzoeker], agent van politie eerste klasse bij het Korps Politie Suriname, wonende te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat de verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoor­digd wordende door de heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Graven­straat no.3, verweerder;

2. dat de verzoeker ambtenaar van politie eerste klasse is en dus ambtenaar in de zin van de Personeelswet;

3. dat de verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 4 september 1996 [kenmerk] is ontslagen, onder voorwaarde dat deze (lees:’dit ontslag’) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij hij zich binnen een proeftijd van 1 (een) jaar, -welke proeftijd zal ingaan op de dag die, (’die’ niet lezen) waarop dit besluit ter kennis van hem is gebracht, -wederom schuldig maakt aan een soortgelijk plichts­verzuim, waarvoor die be­straffing geldt of enig ander ernstig plichtsverzuim;

b. terugstelling in rang voor de duur van 2 (twee) jaar onder toekenning van een bezoldiging van Sf.56.660,– (ZES EN VIJFTIGDUIZEND ZESHONDERD EN ZESTIG GULDEN) per maand benevens het genot van vrije bovenkleding en schoeisel, alsmede een politietoelage naar de daarvoor vastgestelde regels. Voorts is bepaald dat deze terugstelling in de rang is ingegaan op 19 juli 1996, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

4. dat de verzoeker deze beschikking op 22 oktober 1996 heeft ontvangen, blijkens aantekening op bladzijde 1 van de overgelegde beschikking zodat de verzoeker met inachtneming van de termijnen in het Politiehandvest (artikel 47) c.q. de Personeelswet tijdig bij Uw Hof in beroep is gekomen;

5. dat de litigieuze beschikking in strijd is met het begin­sel van de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid zoals Uw Hof dit in verschillende vonnissen inzake ambtenarenzaken heeft geformuleerd en laat­stelijk nog in het vonnis van [naam 1] contra DE STAAT SURI­NAME, G.R.(’G.R’ niet lezen) No.A – 203 (lees:”A-283”) d.d. 25 juli 1990, met het verzoek de inhoud van dit vonnis als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

6. dat Uw Hof in het vonnis van [naam 1] letterlijk het volgende heeft overwogen:

1. Overwegende dat de Personeelswet (P.W.) weliswaar geen bepaling bevat over de termijn waarbinnen een tuchtstraf moet worden opgelegd (zo daartoe wordt besloten);

2. dat evenwel de ten aanzien van een landsdienaar in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt, dat een derge­-lijk besluit binnen een redelijke termijn wordt geno­men;

3. dat de termijn van blijkens een jaar na het verweer van verzoeker naar ’s Hoven oordeel, als te lang moet worden aangemerkt, nu geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een andere conclusie zouden lui­den (lees:’leiden’);

4. Overwegende, dat ook op deze grond het gewraakte besluit tot oplegging van een tuchtstraf nietig is;

De verzoeker is sedert 17 augustus 1994 veroordeeld en heeft zich op 31 oktober 1994 verweerd en na ruim 2 jaren komt de verweerder met een voorwaardelijk ontslag + degradatie, het­geen veels (lees:’veel’) te laat is, alsmede in strijd met de rechtszeker­heid en de zorgvuldigheid; dat na zo’n lange perio­de de ver­weerder elke bevoegdheid mist om aan de verzoeker een tucht­straf op te leggen;

7. dat de verzoeker opmerkt dat de beschikking nog meer formele gebreken vertoont t.w. dat de terugstelling (degrada­tie) is ingegaan op 19 juli 1996 hetgeen volledig in strijd is met artikel 6 van de P.W., waar staat dat een besluit geen terugwerkende kracht heeft, voor zover zij voor de belangheb­bende nadelig is en is in artikel 71 lid 5 van de P.W. bepaalt (lees:’bepaald’) wanneer aan een besluit terugwerkende kracht kan worden gege­ven;

8. dat de terugstelling (degradatie) niet met terugwerken­de kracht kan worden gegeven, maar slechts met een datum in de toekomst, zodat de terugstelling in strijd is met artikel 6 van de P.W., zijnde het beginsel van de rechtszekerheid;

9. dat de beschikking van de verweerder d.d. 4 september 1996 [kenmerk] in al zijn onderdelen nietig is en dus niet in strijd (lees:’stand’) kan blijven;

10. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak met de verweerder minnelijk op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevor­derd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 4 september 1996 [kenmerk], waarbij aan de verzoeker de tucht­straf van voorwaardelijk ontslag + terugstelling van rang is gegeven;

B. de verweerder zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak aan de verzoeker zijn salaris en alle overige emolumenten uit te keren verbonden aan de rang van agent van politie 1e klasse en de verweerder te veroordelen een nieuwe beschikking te nemen overeenkomstig de uitspraak van Uw Hof, alles onder verbeurte van een dwangsom van Sf.50.000,– (VIJF­TIGDUIZEND GULDEN) voor iedere dag dat de verweerder nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van De Staat Suriname binnen de wette­lijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen verzoeker in zijn inleidend Rekest naar voren heeft gebracht, voor zover (lees:­erbij ’zulks’) niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweerder wordt erkend, onder aanbod van bewijs zijner stel­lingen en weren, door alle middelen rechtens, indien en voor zover de bewijs­last op hem (verweerder) zou mogen rusten;

2. Deze vordering van verzoeker bij het Hof van Justitie heeft verweerder zeer verbaasd, zulks omdat een eerder inge­-stelde vordering (zie H.v.J. dossier A – 356 G.No.244 (a), waarbij verzoeker vroeg om vernietiging van een nog niet een (”een” niet lezen) bestaand ontslagbesluit, eigenlijk direkt tot niet ontvanke­lijkheid van de vordering had moeten leiden, doch zulks niet plaatsvond, door de wijze begeleiding van het Hof van Justitie in dit proces en de terzake kenbaar gemaakte, c.q. geinstigeerde afdoening zijdens de Korpsadmini­stratie, die aan verzoeker haast volledige genoegdoening gaf. Hij zal eind november 1996 of eerder, zijn vol salaris en ander com­plete­rende toelagen en premies ontvangen, nu deze zonder een daar­toe rechtskracht bezittend besluit, waren ingehouden. Verweerder legt terzake aan Uw Hof van Justitie hierbij over het terzake dienende bericht met bijlage afkomstig van het Hoofd van de Salarisadministratie [naam 2] d.d. 14 november 1996, met verzoek dit als hierbij geinsereerd en deeluitmakende van dit verweerschrift, te willen beschouwen;

Nu, na veel wikken en wegen, waarbij mede gelet werd op de nog te verwachten reacties van de vele andere manschappen die bij de vervulling van hun politie dienst, zich hebben laten leiden (lees:’verleiden’) tot handelingen die op zijn minst als PLICHTSVER­ZUIM kunnen worden gekwalificeerd, eenvou­dige tuchtstraf alsnog wordt opgelegd aan verzoeker, wenst deze zich ook daartegen met hand en tand te verweren, alsof hem onrecht wordt aangedaan;

Het recht, werkt naar het oordeel van verweerder evenwel niet zo. Ook kan door verweerder gesteld worden, dat het nu ver­leend ontslag slechts voorwaardelijk is, waarbij het van verzoeker zelf afhangt of hij het ontslag in vervulling laat gaan. Hij kan dit doen door althans in slechts één jaar zich te gedragen zoals het een goede politieman betaamt

5. (Lees:’4’) Verweerder is met verzoeker eens (7de suste­nu) dat de terugstelling in rang zodanig geredigeerd is, dat van terug­werkende kracht sprake is. Het is duidelijk, dat het gebrek aan kader op de administratie van de Korpschef de oorzaak hiervan is, hoewel ook echte juristen het concept moesten zien en paraferen doch dit moment hen niet is opgeval­len. Verweer­der moge Uw Hof verzoeken hier een correctie te mogen aanbren­gen in de beschikking en de datum van ingang van de degradatie doen samenvallen met de dag waarop de beschik­king verzoeker heeft bereikt;

6. (Lees:’5’) Het is evenwel niet juist, zoals verzoeker schrijft in het 9de sustenu, dat de beschikking verder in al zijn onderde­len nietig is en daarom vernietigd dient te wor­den. De door verzoeker zo zwaarwichtig naar voren gebrachte schending van met name de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid (twee begin­selen van behoorlijk bestuur), met adstructie naar het vonnis van Uw Hof van Justitie, in de zaak [naam 1] (5de en 6de sustenu), dient in het geval [verzoeker], anders te worden gezien dan in het geval [naam 1].

Het geval [naam 1] stond geheel op zich zelf en de plicht van het bestuur om ’s mans rechtspositie te regelen, werd gewoon veronachtzaamd.

In het geval van verzoeker, spelen zich (’zich’ niet lezen) nog tientallen andere zaken mee, waarmee de Korpsleiding werd overvallen. Zaken van hoge politiefunctionarissen, die zich op onjuiste wijze ge­droegen en daardoor hetzij op grond van de Personeelswet, hetzij alsgevolg van schending van het Politie­handvest in de situatie kwamen te verkeren dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan PLICHTSVERZUIM en daarom in ieder geval tuchtrech­telijk gestraft moesten worden.

Het proces van verzoeker bij de strafrechter heeft op zijn minst 2 jaren geduurd, een omstandigheid welke de Korpsleiding ook heeft weerhouden betrokkene hangende het strafrechtelijk onderzoek, vooralsnog een tuchtrechtelijke straf op te leggen.

Met onder meer deze feiten in dit 6de sustenu voor ogen kan gesteld worden dat omstandigheden welke de beslissing van het

Hof van Justitie in de zaak [naam 1] ten grondslag hebben gediend in het geval [verzoeker] geheel andere zijn en deswege een analoge toepassing op de zaak van verzoeker helemaal niet voor de hand ligt.

Het komt verzoeker dan ook voor, dat op grond van het voor­gaande, de toewijzing van de vordering van de vordering (”van de vordering” niet lezen) niet door Uw Hof van Justitie zal worden uitge­sproken;

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat de vordering van verzoeker zoals in het Petitum van zijn Inleidend Rekest is neergelegd, niet ontvankelijk zal worden verklaard althans deze aan verzoeker niet zal worden toegewezen wegens gebrek aan, of onvoldoende bewijs;

Overwegende, dat ingevolge s’Hofs beschikking van 3 januari 1997 in Raadkamer zijn verschenen verzoeker in per­soon, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, gemachtigde van verzoeker en advo­kaat M­r.Dr.C.D.OOFT, gemachtigde van verweerder, die hebben ver­klaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschou­wen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, par­tijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvanke­lijk was bepaald op 4 april 1997, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, ambtenaar zijnde, in de zin van de Personeelswet (P.W.), bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 17 augus­tus 1994, terzake ”HET ALS AMBTENAAR AANNEMEN VAN EEN GIFT”, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 427 van het Wetboek van strafrecht, veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden, waarvan 5 (vijf) voorwaardelijk met een proef­tijd van drie jaren;

– dat bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie, d.d. 4 september 1996 No.4551, zijn aan verzoeker vanwege (ernstig) plichtsverzuim- welke het door hem gepleeg­de strafbaar feit oplevert-, de navolgende tuchtstraffen opge­legd, te weten:

a) ONTSLAG, onder voorwaarde, dat deze (lees:dit) niet ten uit­voer zal worden gelegd, tenzij hij zich binnen een proef­tijd van 1 (een) jaar, welke proeftijd zal ingaan op de dag waarop dit besluit ter kennis van hem is gebracht, wederom schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim, waarvoor die be­straffing geldt of enig ander ernstig plichtsverzuim;

b) TERUGSTELLING in de rang voor de duur van 2 (twee) jaar, onder toekenning van een bezoldiging van f.56.660,– per maand benevens het genot van vrije bovenkleding en schoeisel, alsme­de een politietoelage naar de daarvoor vastgestelde regels;

– dat de gewraakte beschikking van de Minister van Justitie en Politie verzoeker ONBETWIST op 22 oktober 1996 ter kennis is gebracht, zodat verzoeker het Hof, als Ambtenarengerecht, tijdig heeft geadieerd met de onderhavige vordering(en);

– dat de proeftijd van de sub a) aan verzoeker opgelegde tuchtstraf mitsdien per 22 oktober 1997 zal zijn geëxpireerd;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de tucht­straf sub a) voormeld, in overeenstemming moet worden geacht met de ernst van het door verzoeker gepleegde plichtsverzuim en derhalve gehandhaafd dient te blijven, zijnde het Hof van oordeel, dat een vergelijking ten deze met de zaak [naam 1] mank gaat, nu [naam 1] toch niet wegens een gepleegd strafbaar feit tot gevangenisstraf was veroordeeld en in diens geval het Hof de termijn van een jaar bij het opleggen van een tucht-­straf aan die [naam 1] na een gepleegd plichtsverzuim, als te lang had geacht;

Overwegende, m.b.t. de sub b) voormeld aan verzoeker opgeleg­de tuchtstraf, van DEGRADATIE en wel met terugwerkende kracht, dat het Hof van oordeel is:

– allereerst, dat het terugwerken van deze straf in strijd is met de wet en mitsdien niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd;

– dat het verzoek van verweerder om correctie van de in­gangsdatum van deze tuchtstraf, niet voor inwilliging vatbaar wordt geacht;

voorts, dat deze straf in combinatie met de tuchtstraf sub a) voormeld onnodig is, wijders te lang (twee jaren) na de ver­oordeling van verzoeker tot een gevangenisstraf, is opgelegd en tenslotte, naar ’s Hoven oordeel, te zeer ingrijpt in de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van verzoeker;

– dat verweerder door aldus te handelen als voormeld, in strijd heeft gehandeld met één der algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het beginsel van rechtszekerheid;

Overwegende, dat het Hof de gewraakte beschikking op dit punt sub b) dan ook zal vernietigen, hetgeen met zich mee­brengt, dat ook het bij II sub a,b en c vermelde in de ge­wraakte beschikking, aan vernietiging is komen bloot te staan, komende aan het Hof de bevoegdheid toe een besluit, i.c. een beschikking, gedeeltelijk te vernietigen (vide artikel 79 lid 1 sub a van de P.W.) hetgeen het Hof in voege als na te melden zal doen (vide vonnis Hof van Justitie (civiele kamer) d.d. 5 februari 1960, S.J.(A) no.47, inzake [naam 3] contra RIJKSDEEL SURINAME- Blauwe Bundel ”Geschillen tussen Burger en Over­heid”);

Overwegende, dat het Hof het verzoek van verzoeker, verweerder een dwangsom op te leggen niet zal honoreren, omdat het Hof er van uitgaat en verwacht, dat verweerder wel er toe zal overgaan, bij vernietiging van de gewraakte beschikking als vorenbe­doeld, tot het (doen) verrichten van die handelin­gen waardoor aan verzoeker de geldsommen zullen worden geres­titueerd, welke inmiddels van zijn salaris zijn ingehouden en zijn plaatsing op de ranglijst zal herstellen en wel, naar het Hof verwacht, binnen DRIE MAANDEN na betekening van dit vonnis aan verweer­der;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen:

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 4 september 1996 [kenmerk], Bureau [nummer],

voor wat betreft het besluit onder I sub b) en onder II sub a,b en c; blijvende die beschikking voor het overige in tact;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, Presi­dent, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 JUNI 1997, in tegen­woordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen verzoeker vertegenwoordigd door Mr.H.BOLDE­WIJN namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en ver­weer­der vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat

Mr.Dr.C.D.OO­FT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1997-3

A – 352

[verzoeker] wonende te [district] aan [adres] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Heerenstraat no.6 B bij het advokatenkantoor Gangaram Panday, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat verzoeker hierbij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname kantoorhoudende aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo;

2. dat verzoeker sinds 3 januari 1978 in dienst is van de gedaagde en thans werkzaam is als loods 1e klasse in de functie van stafambtenaar A 2e klasse;

3. dat gedaagde (lees:’verweerder’) de verzoeker sinds 19 maart 1993 zonder gegronde redenen niet meer wenst in te delen in het werkschema van de loodsen, ondanks het feit dat verzoeker bij herhaling zijn diensten aan de gedaagde (lees:’verweerder’) heeft aangeboden;

dat verzoeker ter staving van zijn stellingen hierbij in fotokopie o.a. overlegt de brieven van Mr.E.C.M.Hooplot d.d. 8 april 1993 (prod.1), 21 maart 1994 (prod.2) en 16 juni 1994 (prod.3), van Mr.R.Carrilho, d.d. 24 oktober 1994 (prod.4) en van Mr.G.Gangaram Panday, d.d. 2 februari 1996 (prod.5), met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

dat gedaagde (lees:’verweerder’) op geen van deze brieven van de verzoeker heeft gereageerd;

4. dat verzoeker thans een salaris ontvangt van Sf.62.765,– per maand (prod.6) terwijl de met hem vergelijkbare collega’s netto gemiddeld Sf.210.000,– per maand ontvangen, dat hieruit duidelijk blijkt dat verzoeker door de gedaagde (lees:’verweerder’) financieel ernstig wordt benadeeld en dat hij thans een schade lijdt van ongeveer Sf.150.000,– per maand, althans dit bedrag aan inkomsten derft;

dat verzoeker niet in staat is de hoegrootheid van de schade die hij lijdt exact aan te geven omdat hij niet over de administratieve gegevens van de gedaagde beschikt;

dat verzoeker de gedaagde (lees:’verweerder’) uitdaagt de betreffende administratieve cq. financiële gegevens ten processe over te leggen;

5. dat het de verzoeker bekend is dat de gedaagde (lees:’verweerder’) de afgelopen jaren drastische loonsverhogingen heeft doorgevoerd onder de benaming van functioneringstoelage enkel en alleen om zodoende verzoeker daarvan uit te sluiten;

6. dat door deze handelwijze van de gedaagde (lees:’verweerder’) zij zich jegens verzoeker heeft schuldig gemaakt aan wanprestatie c.q. aan een onrechtmatige daad met haar schuld daaraan tengevolge waarvan verzoeker grote schade heeft geleden en nog steeds lijdt;

7. dat nu de dienstbetrekking tussen partijen nog steeds voortduurt verzoeker recht en belang heeft dat aan hem alle gelden, voorzieningen en toelagen met terugwerkende kracht wordt (lees:’worden’) uitbetaald en dat hij niet wordt achtergesteld in salariëring en voorzieningen ten opzichte van zijn collega’s aangezien hij steeds bereid is de bedongen arbeid te verrichten doch de gedaagde (lees:’verweerder’) van zijn diensten geen gebruik heeft willen maken c.q. nog steeds geen gebruik maakt;

8. dat verzoeker derhalve gerechtigd is Uw Hof in deze te adiëren.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

a. dat verzoeker binnen 8 dagen na vonniswijzing in de gelegenheid zal worden gesteld zijn werkzaamheden als loods volgens het gangbare werkschema, althans zoals tussen partijen voor maart 1993 gangbaar c.q. gebruikelijk was, bij de gedaagde (lees:’verweerder’) te hervatten;

b. dat verzoeker terzake voorschreven tegen behoorlijk bewijs van kwijting met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 1993 zal worden uitbetaald zijn salaris van Sf.210.000,– per maand, althans het aan verzoeker rechtens toekomend bedrag aan salaris met alle verhogingen, toelagen en andere voorzieningen en zulks te vervolgen zolang de dienstbetrekking tussen partijen nog voortduurt;

c. dat aan verzoeker ten titel van dwangsom zal worden betaald een bedrag van Sf.50.000,– per dag voor elke dag dat gedaagde (lees;’verweerder’) in gebreke blijft aan de (lees:’het’) onder sub a en b van het petitum gevorderde te voldoen;

d. dat gedaagde (lees:’verweerder’) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende,dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen door verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren is gebracht, voor zover niet woordelijk en uitdrukkelijk door verzoeker is erkend, onder aanbod van bewijs zijner stellingen, indien en voor zover de bewijslast op hem zou mogen rusten;

2. Verzoeker is inderdaad sinds 1978 ambtenaar en dient thans in de rang van Staf-ambtenaar 2e klasse in de functie van loods 1e klasse;

3. De mededelingen van verzoeker zoals neergelegd in het 4de tot en met 6de Sustenu zijn pertinent onjuist, geven niet de waarheid omtrent de ambtelijke rechtstoestand van verzoeker weer.

Ten eerste:

Het is niet waar dat verzoeker thans het salaris toucheert van Sf.62.765,– per maand. Het juiste bedrag aan salaris van verzoeker is sinds 29 februari 1996 Sf.79.471,–.

Ten tweede:

Hoewel verzoeker niet functioneert, blijft hij zijn salaris van Sf.79.471,– maandelijks ontvangen. Hij wordt niet benadeeld, zoals hij dat stelt in het 4de Sustenu van het Inleidend Rekest.

Ten derde:

De werkelijke feiten zijn deze.

Verzoeker is een van de Leiders geweest in de moeilijke actiedagen in 1992.

Verzoeker heeft zich toen ontpopt als een heel moeilijke medewerker, ook nadat de boeien waren onklaar gemaakt en niet verzoeker maar anderen door de Rechter zijn veroordeeld.

Verzoeker is in deze actiedagen PLICHTSVERZUIM verweten wegens dienstweigering. Verzoeker voerde geen opdrachten meer uit.

Ten vierde:

Verzoeker kreeg verder geen opdrachten tot beloodsing van boten, omdat het Hoofd van de Loodsdienst geen vertrouwen meer had op (lees:’in’) verzoeker en op hem niet meer kon rekenen.

Omdat hij geen schepen meer behoefde te loodsen, vielen de bijzondere toelagen, bestaande uit loodspremiën, de risicotoelagen en overwerktoelage, af. Verzoeker krijgt dus wel zijn salaris, maar omdat hij niet verder als loods functioneert mist hij de bijzondere toelagen;

4. Het is derhalve pertinent onjuist hetgeen verzoeker stelt in zijn 6de Sustenu, dat verweerder zich tegen verzoeker aan wanprestatie heeft schuldig gemaakt c.q. aan een onrechtmatige daad van verweerder. Van schade, door schuld van verweerder is in casu geen sprake;

5. Onverminderd het voorgaande wenst verweerder alsnog te stellen, dat verzoeker in strijd met artikel 79 van de Personeelswet (G.B.1962 no.195), een vordering instelt (8de (lees:’8 ste”) Sustenu, PETITUM) welke niet voldoet aan de dwingende bepalingen van het ZESDE HOOFDSTUK PERSONEELSWET;

6. Verzoeker houdt geen rekening met de bevoegdheden van de Burgerlijke Rechter in Ambtenaren-Zaken. Verzoeker noemt geen daarvoor vatbaar besluit, noch vraagt hij, een gehele of gedeeltelijke vernietiging daarvan. Verzoeker wijst ook geen wettelijk voorschrift aan, dat verweerder zou hebben geschonden.

Punt a van het Petitum is dan ook niet voor toewijzing vatbaar, aangezien het Hof alsdan in strijd zou zijn met het vierde en vijfde lid van artikel 79 van de Personeelswet.

Ook punt b van het Petitum is niet voor inwilliging vatbaar, omdat dáárvoor door verzoeker geen gronden zijn aangedragen waarop de vordering zou moeten steunen c.q. (lees erbij:”verzoeker”) niet heeft waargemaakt op grond waarvan verweerder een verplichting heeft om het door verzoeker maandelijkse regelmatig toucherend salaris van f.79.471,– te verhogen tot f.210.000,– per maand.

Ook de dwangsom is uiteraard niet rechtens en mist elke grond om als astreinte te dienen voor de Staat.

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker op grond van al het voorgaande Niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering c.q. hem deze INTEGRAAL zal worden ontzegd, als zijnde ongegrond, niet bewezen, en in strijd met de Personeelswet;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 3 mei 1996 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.G.Gangaram Panday, de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft en de heer E.Fitz Jim, hoofd van de Dienst voor Scheepvaart, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 oktober 1996, doch bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft gelast en overlegging van het strafdossier in de ”boeienzaak” door de Griffier van het Hof van Justitie;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormelde rol- beschikking het strafdossier door de Griffier van het Hof is overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating hebben genomen, onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van verzoeker vonnis, heeft gevraagd terwijl de gemachtigde van verweerder heeft verklaard geen schikking te hebben bereikt;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday namens advokaat Mr.G.Gangaram Panday, gemachtigde van verzoeker, vonnis heeft gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 juni 1997, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker ambtenaar is in de zin van de Personeelswet (P.W.);

Overwegende, aangaande verzoekers vorderingen:

– dat nog daargelaten, dat verweerder, de aan verzoekers vorderingen ten grondslag gelegde feiten, – door verzoeker gekwalificeerd als wanprestatie c.q. onrechtmatige daad – gemotiveerd heeft weersproken, en deze dan ook rechtens niet zijn komen vast te staan, merkt het Hof op, dat ook al zouden deze feiten komen vast te staan, noch onderdeel a), noch onderdeel b) van het petitum zouden kunnen worden toegewezen:

onderdeel a) niet:

omdat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenaren zaken kan worden gevorderd, limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet;

– dat nu onderdeel a) niet onder de limitatieve omschrijving van artikel 79 P.W. valt, toewijzing daarvan niet kan volgen;

onderdeel b) ook niet:

omdat ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van de P.W. het Hof slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet, bepaalde;

Overwegende, dat nu verzoeker geen zodanig besluit of dergelijke handeling heeft gesteld en daarvan het Hof ook niet is gebleken, stuit toewijzing van onderdeel b, van het petitum dan ook daarop af;

– dat het terzake door verweerder gevoerde verweer, naar s’Hoven oordeel derhalve gegrond is;

Overwegende, dat verzoeker dan ook niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen:

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.Th.OOSTERLING, President, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 18 JULI 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaten Mr.G.GANGARAM PANDAY en Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

SRU-HvJ-2017-11

A-927

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[verzoeker],

wonende aan [adres]

in [district],

verzoeker,

gemachtigde: mr. H.R. Derby, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie,

rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door

de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,

kantoorhoudende op zijn Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. R. Koendan, Substituut Officier van Justitie,

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 28 juli 2016;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift, d.d. 22 september 2016;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 27 september 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 26 september 2016 is verlengd met zes weken;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening verweerschrift, d.d. 03 november 2016;

– de beschikking gegeven door het Hof van Justitie d.d. 03 november 2016, waarbij de termijn voor indiening verweerschrift met ingang van 07 november 2016 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;

– de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 28 april 2017, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 02 juni 2017;

– het proces-verbaal van het op 02 juni 2017 gehouden verhoor van partijen;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 21 juli 2017 doch nader op heden;

2. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1 [verzoeker] is reeds twintig jaren in dienst van de Staat en wel bij het Korps Politie Suriname en is in 2014voor het laatst bevorderd tot de rang van Brigadier van Politie en reeds zeven jaren dienende als persoonsbeveiliger van rechter, [naam] (hierna VIP te noemen);

2.2 Op 31 mei 2016 omstreeks 11:00 uur heeft [verzoeker] in opdracht van de VIP, ½ kubieke meter (m3) droge scherpzand vervoerd in de laadbak van het dienstvoertuig ter beschikking van de VIP met als kentekennummer [nummer]. Het zand was bestemd als grondstof bij het dichten van een op die dag gesloopte gedeelte van de muur van de benedenwoning van de VIP;

2.3 Bij schrijven van de Korpschef, de hoofdcommissaris van politie, mevrouw H.A.E. Daniel d.d. 31 mei 2016 K.A. [nummer], is [verzoeker] in gebreke gesteld en gelegenheid tot verweer geboden, met bepaling dat hij binnen zeven dagen het verweerschrift dient in te dienen bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS. De verweer periode derhalve verlopend op 07 juni 2016;

2.4 In de ingebrekestelling is gesteld dat [verzoeker], als ambtenaar van politie, door het vervoeren van zand in de laadbak van een dienstvoertuig het imago van het Korps Politie Suriname ernstig geschaad heeft en is hem verweten dat hij:

– zich niet heeft gedragen zoals het een goed politie ambtenaar betaamt, waardoor hij afbreuk heeft gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het aanzien van de politie heeft geschaad;

– onzorgvuldig is omgegaan met het dienstvoertuig door deze voor andere doeleinden dan waarvoor het bestemd is aan te wenden. Alzo ernstig plichtsverzuim plegend en handelend in strijd met art. 10 lid 2 onder a instructie Ambtenaren van Politie en punt 3 sub 1 en punt 5 sub 2 gedragscode voor ambtenaren van politie 2007;

2.5 Op 02 juni 2016 heeft [verzoeker] omstreeks 08:00 uur – voorafgaande aan het gehouden Korpsrapport – zijn verweerschrift d.d. 1 juni 2016 met bijlagen ingediend bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS; derhalve binnen de gestelde termijn van 7 dagen en op de aangegeven wijze;

2.6 De Korpschef, de hoofdcommissaris van politie mevrouw H.A.E. Daniel heeft het disciplinair onderzoek naar het vermeend plichtsverzuim gedaan en op het gehouden Korpsrapport van 2 juni 2016 heeft [verzoeker] zijn verweerschrift mondeling toegelicht en informatieve vragen van de Korpschef voornoemd, beantwoord. Aan het eind van het Korpsrapport heeft de Korpschef geconcludeerd dat het vermoeden van plichtsverzuim juist is, omdat [verzoeker] zich niet professioneel heeft gedragen bij de uitvoering van de gegeven opdracht. [verzoeker] is toen, onder andere, medegedeeld dat hij naar aanleiding daarvan wordt afgelost van de beveiliging van de VIP;

2.7 Op 15 juni 2016 is [verzoeker] afgelost van de afdeling VIP-beveiliging en overgeplaatst naar een andere afdeling;

2.8 Op 18 juli 2016 heeft [verzoeker] van de afdeling Interne Tucht Zaken KPS ontvangen de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer](hierna : de beschikking te noemen). Bij die beschikking is door de Minister van Justitie en Politie aan [verzoeker] opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van drie (3) dagen gepaard gaande met inhouding van salaris met bepaling dat de periode waarvoor de sanctie geldt nader bepaald wordt door de Korpschef;

2.9 In de beschikking is het plichtsverzuim feitelijk omschreven als;

– oneigenlijk gebruik gemaakt hebben van het dienstvoertuig door zand in de laadbak te vervoeren en daardoor;

– als politie ambtenaar het imago van het korps geschaad hebben e.e.a. in strijd met de artikelen 10 lid 2 b van de Ambtsinstructie en de punten 3 onder 1 en onder 2 van de gedragscode voor politieambtenaren;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert – zakelijk weergegeven – dat bij vonnis van het Hof van Justitie:

A. recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig gehandeld heeft tegen [verzoeker];

B.l worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer] waarbij aan [verzoeker] is opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 3 dagen met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode;

C. Staat zal worden veroordeeld aan [verzoeker] te betalen de advocaatkosten van 1.500,- of een redelijk deel daarvan, de griffierechten en deurwaarderskosten;

3.2 [verzoeker] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Het door hem ingediende verweerschrift op 02 juni 2016 bij het Hoofd Interne Tuchtzaken KPS houdt in dat [verzoeker] zich niet heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Voorts is bij de mondelinge toelichting aangevuld dat de VIP zich ten tijde van de uitvoering in het Kantongerechtsgebouw bevond. Een door manschappen van het KPS en BBS beveiligde omgeving. Hiermee was de veiligheid van de VIP zo goed mogelijk gewaarborgd en was de directe aanwezigheid van de persoonsbeveiliger niet vereist. [verzoeker] kon onder deze omstandigheden uitvoering geven aan de beveiligingsopdracht tot aankoop en vervoer van het scherpzand. Met het uitvoeren van die opdracht werd juist voorkomen dat bij terugkeer naar de woning in de late middag er sprake zou zijn van een onveilige woonsituatie omdat, de ontstane opening niet gedicht was door het uitblijven van de benodigde grondstof. Voorts heeft [verzoeker] aangevoerd dat de vracht is vervoerd in een voertuig met privé kentekenplaten. De bestuurder [verzoeker] was niet direct/duidelijk zichtbaar vanwege de getinte ruiten en hij was in burger gekleed. Er hebben zich geen omstandigheden voorgedaan waarbij de vracht vanwege de wijze van vervoer ongewenste aandacht heeft getrokken van mede weggebruikers of dat [verzoeker] zich diende te legitimeren. Onder deze omstandigheden was het voor mede weggebruikers en overig publiek niet in het oog springend dat het vervoer – welke geheel in overeenstemming met de wet was – plaats vond door een politie ambtenaar in een dienstvoertuig. Het waarnemen van het voertuig en [verzoeker]door de fotomaker kon alleen omdat die persoon [verzoeker] persoonlijk kent en bekend meende te zijn met de grondslag van het voertuig. Van imagoschade voor het KPS kan er dus geen sprake zijn geweest en was het vermoeden van plichtsverzuim ongegrond. Bij de totstandkoming van het besluit zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, te weten het beginsel van onderzoek en beslissing van het individuele geval, het motiveringsbeginsel, het beginsel van deugdelijke feitelijke grondslag, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het evenredigheidsbeginsel. Daardoor heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens[verzoeker] en dient de beroepen beschikking vernietigd althans nietig verklaard te worden;

3.3 De Staat heeft geen verweerschrift ingediend maar heeft bij het verhoor van partijen wel verweer gevoerd. Het Hof komt – voor zover nodig – daarop terug in de beoordeling.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Ingevolge artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) acht het hof zich niet bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 1 van het petitum, nu dit deel van de vordering niet betreft een gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit dan wel een vordering tot schadevergoeding of het opleggen van een dwangsom om een besluit uit te voeren. Gelet op het voren overwogene acht het hof zich wel bevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder 2 en 3 van het petitum;

Ontvankelijkheid

4.2 Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoeker] niet binnen de gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de beschikking zodat hij ontvankelijk is in de onderhavige vordering.

4.3 Waar gaat het in dit geding om? [verzoeker] heeft als subjectbeveiliger de opdracht van de VIP gekregen om met het dienstvoertuig, zijnde een dubbel cabine pick up met privé kentekenplaten, ½ kubieke meter scherpzand te gaan kopen ten behoeve van werkzaamheden die thuis bij de VIP verricht dienden te worden in verband met een gesloopte buitenmuur van de woning van de VIP. [verzoeker] was daarbij in burgerkleding en bij het vervoer van het scherpzand in de laadbak van de pick up op weg naar de woning van de VIP wordt hij op de gevoelige plaat vastgelegd door iemand die dat doorgeeft aan de Korpsleiding. En toen was het Leiden (in casu Paramaribo) in last. [verzoeker] moest zich verweren en werd uiteindelijk door de toenmalige Minister van Justitie en Politie geschorst voor drie dagen gepaard gaande met inhouding van het salaris ter zake ernstig plichtsverzuim. [verzoeker] weerspreekt dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt terwijl de Staat voet bij stuk houdt dat er wel sprake is van ernstig plichtsverzuim;

4.4 De Staat heeft – zakelijk weergegeven – bij het gehouden verhoor van partijen het volgende verweer gevoerd. In de dienstvoorschriften is duidelijk aangegeven wat de taken zijn van politieambtenaren die belast zijn met de beveiliging van hoogwaardigheidsbekleders. De gedraging geëtaleerd door [verzoeker] heeft te maken met een opdracht uitgevoerd in privé-sfeer. Ook al zou hij daartoe de opdracht van de VIP hebben gekregen, levert dat geen rechtvaardiging op. In dat geval diende hij de opdracht te weigeren en de VIP erop te wijzen wat zijn taken zijn conform het dienstvoorschrift. [verzoeker] heeft de dienstvoorschriften terzijde gelegd vandaar dat het gedrag ernstig plichtsverzuim oplevert. Als beveiliger van de VIP zou je in de buurt van de VIP moeten zijn en de VIP niet alleen moeten laten;

4.5 In het onderhavig geval dient de vraag te worden beantwoord of [verzoeker] zich al dan niet heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim zoals hem door de Staat wordt verweten en is vervat in de beschikking. Naar het oordeel van het hof levert voormeld handelen van [verzoeker] in de geschetste context geen plichtsverzuim op.

Plichtsverzuim betekent volgens van Dale “Groot woordenboek van de Nederlandse taal” het volgende (citaat): het verzuimen van zijn plicht. Daaronder verstaat het hof – kort gezegd – het overtreden van opgelegde verplichtingen, het overtreden van een voorschrift en het zich niet als een goed politieambtenaar gedragen. In casu heeft [verzoeker] van degene die hij moet beveiligen zelf de opdracht gehad om scherpzand te gaan kopen voor haar, omdat zij daartoe noch de tijd noch de gelegenheid had vanwege zittingswerkzaamheden tot laat in de middag. In de “enge” benadering van de Staat had [verzoeker] moeten weigeren en aangeven dat dat niet binnen zijn taakomschrijving viel. Daarmee kan het hof zich niet verenigen. In de visie van het hof rechtdoende als Ambtenarengerecht dient de taakopvatting van de subjectbeveiliger ruim uitgelegd te worden. Daaronder kunnen ook vallen taken die door de VIP aan de subjectbeveiliger opgedragen worden gedurende de dienstuitoefening en die te maken hebben met privé-aangelegenheden van de VIP, waarbij de VIP vervangbaar kan zijn. Immers zou de VIP in het andere geval dat zelf moeten doen en dan zou de subjectbeveiliger sowieso mee moeten gaan met de VIP. De retorische vraag die zich dan levensgroot aandient, betreft de vraag waarom de subjectbeveiliger in opdracht van de VIP deze werkzaamheden van de VIP niet namens hem/haar zou mogen uitvoeren ? Wetende dat de VIP zich in een goed beveiligd gebouw bevond, heeft[verzoeker] in de visie van het hof de opdracht terecht aanvaard en uitgevoerd. De scherpzand was bestemd voor de beveiliging van het woonhuis van de VIP, weshalve dat in de visie van het hof eveneens valt binnen het kader van het takenpakket van de beveiligingsambtenaar aangezien de VIP niet veilig kan zijn in een woonhuis waaraan een defect kleeft, althans een opening in een muur bestaat. Het hof overweegt eveneens dat de Staat voorbij is gegaan aan het door [verzoeker] in zijn verweerschrift aangevoerde met betrekking tot het ‘oneigenlijk gebruik’ van het dienstvoertuig, met name dat het in casu niet gaat om een kosteloze dienstvoertuig, doch om een tegen vergoeding permanent aan de VIP ter beschikking gestelde voertuig voor persoonlijk en functioneel gebruik bestemd. Met betrekking tot de aan het vermeend plichtsverzuim ten grondslag gelegde imago schade van het KPS, overweegt het hof dat het in casu betrof een voertuig met privé – kentekenplaat en donkergetinte ruiten, welke werd bestuurd door de in burgerkleding geklede [verzoeker]. Naar het oordeel van het hof kon een toevallige voorbijganger nimmer hebben kunnen weten dat het in casu ging om een politieambtenaar die met een dienstvoertuig prive-werk uitvoerde, de waarneming van de ‘gedraging’ van [verzoeker] kan slechts geschieden door iemand die hem persoonlijk kende en/of bekend was met het voertuig van de VIP. Van imagoschade van het KPS kan er derhalve geen sprake zijn.

Voorts is gebleken dat de beschikking niet is gedagtekend en dat er daarbij geen gewag wordt gemaakt van het uitgebreid schriftelijk verweer van [verzoeker], terwijl er wel vaker wordt gerefereerd aan de mondelinge toelichting op het verweer van [verzoeker]. Eveneens blijkt uit het zijdens [verzoeker] als productie in het geding gebrachte dienstvoorschrift 02/2015 van het KPS met als onderwerp: Taakomschrijving Vipbeveiliging, dat de primaire taken van de beveiliging eveneens bestaan in het beveiligen van objecten (woning etc.) en dat de beveiligingsambtenaren de subjecten ook bij hun privé activiteiten zullen beveiligen;

4.6 Al het voorgaande leidt in de visie van het hof tot de slotsom dat er in casu geen sprake is van het overtreden van opgelegde verplichtingen casu quo het overtreden van een voorschrift. Bij de beantwoording van de vraag of dat ernstig plichtsverzuim oplevert dienen alle relevante omstandigheden mede in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde feitelijke handelingen van [verzoeker] geen plichtsverzuim op en kan er derhalve evenmin sprake zijn van ernstig plichtsverzuim. Door desondanks plichtsverzuim vast te stellen heeft de Staat zich in de visie van het hof schuldig gemaakt aan schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten schending van het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk. De grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan en zal het gevorderde derhalve worden toegewezen in voege als na te melden. De mede gevorderde advocaatkosten zijn niet weersproken door de Staat en het hof vat dat op als een vordering strekkende tot vergoeding van schade in de zin van het bepaalde in artikel 79 lid 1 sub B van de Personeelswet en zullen derhalve eveneens worden toegewezen. Immers is komen vast te staan dat verzoeker deze kosten heeft moeten maken vanwege het onrechtmatig handelen van de Staat jegens hem. Hetzelfde geldt mutandis voor de mede gevorderde proceskosten. In het burgerlijk recht is het communis opinio dat de in het ongelijk gestelde partij voor de door de (tegen) partij gemaakte kosten dient op te draaien en het hof vraagt zich in gemoede af waarom dat in het Ambtenarenrecht anders zou moeten zijn. Het voorgaande betreft immers niet de aard van de vordering zoals limitatief opgenoemd in artikel 79 van de PW maar betreft het in Ons rechtssysteem algemeen aanvaarde beginsel dat de in het ongelijk gestelde partij de door de (tegen) partij gemaakte proceskosten dient te vergoeden;

4.7 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal het hof, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege laten.

5.De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart nietig de ongedateerde beschikking van de Minister van Justitie en Politie K.A. [nummer], waarbij aan [verzoeker] is opgelegd de tuchtstraf van schorsing voor de duur van 3 dagen met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode.

5.2 Veroordeelt de Staat om aan [verzoeker] te betalen de advocaatkosten van SRD. 1.500,-(Vijftienhonderd Surinaamse Dollars);

5.3 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding aan de zijde van [verzoeker] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1560,–;

5.4 Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 04 augustus 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier,

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.R. Derby, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Koendan namens mr. R. Rathipal, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

SRU-HvJ-2017-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],

wonende te [district],

verzoeker,

gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat (thans wijlen),

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie (JusPol),

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, zetelende te Paramaribo,

verweerder,

gevolmachtigde: mr. A.R. Rathipal, Substituut Officier van Justitie, spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het verzoekschrift met producties dat op 06 mei 2015 ter Griffie van het Hof van Justitie is ingediend;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift d.d. 16 juni 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 22 juni 2015, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 22 juni 2015 met 6 weken is verlengd;

– het verzoek tot verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift d.d. 29 juli 2015;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 05 augustus 2015, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift m.i.v. 03 augustus 2015 voor de laatste maal met 6 weken is verlengd;

– de beschikking van het Hof van Justitie d.d. 07 december 2015, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 januari 2016;

– het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 januari 2015;

– de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens verweerder op 04 maart 2016, met producties;

– de conclusie tot uitlating producties zijdens verzoeker op 06 mei 2016;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die is gesteld op 21 oktober 2016.

De motivering

De feiten

1.Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 Bij schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 04 november 2013, is verzoeker in gebreke gesteld en op grond van artikel 44 van het Politie Handvest in de gelegenheid gesteld om zich binnen 7 dagen te verweren.

1.2 Verzoeker heeft zich bij schrijven d.d. 06 november 2013 schriftelijk verweerd bij de Korpschef.

1.3 Bij schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], is onder meer aan verzoeker medegedeeld:

“(…) Na nadere informatie te hebben verzameld kom ik toch tot de conclusie dat uw voertuig achter het voertuig van [naam 1] stond geparkeerd waardoor zij met heel veel moeite kon wegrijden. U belemmerde opzettelijk en wederrechtelijk met uw voertuig de inrit. Op grond van het bovenstaande heb ik het besluit genomen om de tuchtstraf van een (1) week schorsing voor te stellen aan de Minister van Justitie en Politie. (…)”

1.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie, Bureau [nummer], d.d. 17 december 2014, is besloten om verzoeker wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een week op te leggen, met stilstand van de aan zijn betrekking verbonden inkomsten gedurende de schorsingsperiode, waarbij onder meer is overwogen dat:

– verzoeker misbruik heeft gemaakt van zijn positie als politieambtenaar en [naam 1] opzettelijk en wederrechtelijk in haar vrijheid heeft belemmerd;

– verzoeker op woensdag 29 mei 2013 door misbruik van gezag dwang heeft uitgeoefend op de directrice van de [naam school] en uiteindelijk de mobiele telefoon heeft teruggekregen;

– de gepleegde handelingen door verzoeker in strijd zijn met de ambtsinstructies;

1.5 Bij schrijven van de Korpschef van het Korps Politie Suriname, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 24 december 2014, is aan verzoeker onder andere mede gedeeld dat het samenvattend resultaat van het beoordelingstraject in verband met zijn bevordering in naast hogere rang, negatief is, omdat hij zich in het beoordelingstraject schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en er disciplinaire maatregelen tegen hem zijn getroffen.

1.6 Bij schrijven d.d. 30 december 2014, heeft verzoeker bezwaar aangetekend tegen het schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 24 december 2014.

1.7 Bij schrijven d.d. 19 januari 2015, heeft verzoeker zijn beklag ingediend bij de President van de Republiek Suriname tegen het besluit om hem niet meer te bevorderen tot onderinspecteur.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daartegen

2.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om:

1. voor recht te verklaren dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzoeker;

2. nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van verweerder d.d. 24 december 2014, kenmerk K.A.[nummer];

3. nietig te verklaren althans te vernietigen het besluit van verweerder d.d. 17 december 2014, kenmerk K.A.[nummer];

4. verweerder te veroordelen om verzoeker te bevorderen in de naast hogere rang tot onderinspecteur per ingaande 24 oktober 2014 en wel binnen een maand na uitspraak;

5. verweerder te veroordelen om aan verzoeker bij wege van dwangsom te betalen het bedrag groot SRD 10.000,- voor elke keer of dag dat verweerder in strijd handeltmet de veroordeling onder 4;

6. verweerder te veroordelen dit vonnis te gehengen en te gedogen.

2.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij op 27 december 2014 een schrijven, kenmerk K.A. [nummer], van de Korpschef heeft ontvangen met de mededeling dat in het kader van zijn beoordeling het samenvattend resultaat negatief is, met als redenen dat hij tijdens het beoordelingstijdvak zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat er disciplinaire maatregelen tegen hem zijn getroffen.

Verzoeker stelt dat hij op 30 december 2014 tegen voormeld besluit in beroep is gegaan bij de politie (het hof begrijpt: Minister van Justitie en Politie) en op 19 januari 2015 zijn beklag heeft ingediend bij de President van de Republiek Suriname, doch heeft hij geen reactie ontvangen van de Korpschef en is ten aanzien van het beklag geen besluit genomen, terwijl hij op 26 maart 2015 een besluit van de Minister van JusPol heeft ontvangen waaruit blijkt dat hij geschorst is. Verzoeker stelt dat verweerder onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door niet te reageren op het beroep en/of het beklag, alsmede dat er sprake is van machtsmisbruik, aangezien hij, verzoeker, nimmer buiten functie is gesteld.

Volgens verzoeker lijdt hij door dit onrechtmatig handelen schade en heeft hij er belang bij dat deze onrechtmatigheid wordt opgeheven en hij per 24 oktober 2014 evenals alle anderen wordt bevorderd.

2.3 Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof stelt voorop dat hij op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 van de Personeelswet oordeelt als ambtenarengerecht in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;

b. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

c. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

2. Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten:

a.betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;

b. tot verlaging van rang;

c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;

d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;

e. tot schorsing of ontslag.

Gelet op lid 5 van hetzelfde artikel is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bedoelde.

3.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen.

Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren. Dit betekent dat het Hof niet de bevoegdheid heeft te oordelen over de door verzoeker ingestelde vorderingen onder 1, 4 en 6 van het petitum. Deze vorderingen strekken immers niet tot nietigverklaring van een besluit of tot vergoeding van schade die het gevolg is van een besluit of de weigering een besluit te nemen, dan wel wegens strijd met voorschriften van de Personeelswet, zoals limitatief opgesomd onder lid 2 van voornoemde artikel.

3.3 Gelet op het voren overwogene acht het Hof zich bevoegd om van het gevorderde onder 2, 3 en 5 van het petitum kennis te nemen.

3.4 Het hof overweegt dat, nu verzoeker de beschikking van de Minister van Justitie en Politie, Bureau [nummer], d.d. 17 december 2015, op voormelde datum heeft ontvangen, hij zijn vordering tot nietigverklaring van voornoemd besluit, bij het hof had dienen in te stellen op uiterlijk 16 januari 2015. Nu, verzoeker de vordering pas op 06 mei 2015 heeft ingediend, is verzoeker naar het oordeel van het hof ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 PW niet-ontvankelijk in zijn vordering onder 3 van het petitum.

3.5 Het hof overweegt voorts dat verzoeker het schrijven van de Korpschef, kenmerk K.A.[nummer], d.d. 24 december 2014, op 27 december 2014 heeft ontvangen. Dit brengt met zich mee dat hij zijn vordering bij het hof had dienen in te stellen uiterlijk op 26 januari 2015. Aangezien verzoeker zijn vordering pas op 06 mei 2015 heeft ingediend, is hij naar het oordeel van het hof ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 PW tardief met zijn vordering onder 2 van het petitum, weshalve hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard daarin.

3.6 Aangezien de vordering onder 5 van het petitum een sequeel is van het gevorderde onder 4 van het petitum, zal verzoeker eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard daarin.

3.7 Verzoeker zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

4. De beslissing

Het Hof:

4.1 Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de onderdelen van de vordering onder 1, 4 en 6 van het petitum.

4.2 Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in de onderdelen van zijn vordering onder 2, 3 en 5 van het petitum.

4.3 Veroordeelt verzoeker in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid, en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. V.V.C. Pique, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

 

 

SRU-HvJ-1997-2

A – 378.

[verzoeker], wonende te [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combeweg no.25-27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, (rechtspersoon), met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname , te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Persoonsnummer [nummer 1]). Verzoeker is namelijk in dienst van gedaagde (lees:’verweerder’) en hij diende laatstelijk in vaste dienst in de rang van agent van politie 2e klasse bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie onder toekenning van een bezoldiging van Sf.2170,– per maand;

3. Verzoeker werd op 30 april 1993 in verzekering gesteld en op 2 december 1993 werd verzoeker veroordeeld door de Kantonrechter in het Tweede Kanton tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk. Proeftijd van 3 jaar. Met als bijzondere voorwaarde, dat indien de verdachte binnen de proeftijd zich schuldig maakt aan een strafbaar feit hij uit de dienst zal worden ontzet;

4. Verzoeker is nimmer buiten functie gesteld en ook is verzoeker nimmer in de gelegenheid gesteld om zichzelf te verweren. Ook ontkent en betwist verzoeker als zou hij (van rechtswege) zijn geschorst. In ieder geval heeft verzoeker nimmer een schorsingbeschikking ontvangen en ook al zou verzoeker zijn geschorst – quod non est – dan moet die schorsing ergens in het jaar 1994 reeds zijn geexpireerd;

5. Op 10 februari 1997 ontvangt verzoeker van gedaagde (lees:’verweerder’) een beschikking de dato 18 november 1996 K.A.[nummer 2], welke beschikking hierbij in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen. Verzoeker heeft zijn vordering aldus tijdig ingesteld en is dus ontvankelijk in zijn rechtsvordering;

6. De bovenaangehaalde beschikking is echter niet correct in de eerste overweging, waar wordt gesteld als zou verzoeker op grond van artikel 66 lid 1 en 2 sub a van de Personeelswet van rechtswege zijn geschorst. Immers kan verzoeker niet op grond van beide artikelen worden geschorst, temeer waar de schorsing o.g.v. lid 1 en lid 2 sub a verschillend eindigen. Dit is ook van belang i.v.m. de aanspraken van verzoeker op zijn salaris gedurende de schorsing. Verzoeker is echter van mening, dat hij nimmer conform de wet is geschorst;

7. Verzoeker is verder van mening, dat artikel 61 van de Personeelswet een LIMITATIEVE opsomming geeft van de tuchtstraffen en dat de tuchtstraf zoals die is opgelegd aan verzoeker in de beschikking van 18 november 1996 K.A.[nummer 2] elke rechtsgrond mist c.q. niet op de wet is gebaseerd;

8. Verzoeker is ook van oordeel, dat het een en ander niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan;

9. Op basis van het bepaalde in artikel 79 en 80 van de Personeelswet wenst verzoeker dan ook nietig verklaring van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 18 november 1996 K.A.[nummer 2] casu quo toepassing van artikel 82 lid 4 van de Personeelswet door het Hof van Justitie; Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd: dat bij vonnis:

PRIMAIR:

NIETIG zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 18 november 1996 K.A.[nummer 2] wegens strijd met artikel 61 van de Personeelswet;

SUBSIDIAIR:

Op basis van het bepaalde in artikel 82 lid 4 van de Personeelswet een naar het oordeel van het Hof passende tuchtstraf zal worden bepaald ten aanzien van verzoeker;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 5 mei 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, Mr.A.R.BAARH, gemachtigde van verweerder en Mevr.K.Hussainali-Mathoera, Hoofd-Inspecteur van Politie namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 juni 1997, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker tijdig het Hof als Ambtenarengerecht heeft geadieerd met zijn verzoek, de beschikking, de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 18 november 1996 K.A.[nummer 2], waarbij verzoeker werd ontheven als agent van politie 2e klasse en hem aan te stellen in de rang van stafambtenaar B 2e klasse, met behoud van zijn bezoldiging, als door hem genoten wordende, NIETIG TE VERKLAREN, en hem, verzoeker, een naar het oordeel van het Hof passende tuchtstraf op te leggen;

Overwegende, dat verzoeker als agent van politie werd veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de periode van 30 april 1993 tot en met 26 augustus 1993 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, wegens OPLICHTING, welk feit, naar ’s Hoven oordeel, dermate laakbaar is, dat dit, gepleegd door een ”wetsdienaar”, zoals een politieman wel eens wordt aangeduid, alleszins rechtvaardigt, dat verzoeker uit de politiedienst wordt verwijderd;

– dat s’ Ministers voormelde beschikking danook TERECHT is gegeven, als zijnde in overeenstemming met de ernst van het door verzoeker gepleegde plichtsverzuim;

– dat desalniettemin verzoeker -overigens terecht- niet voor salarisachteruitgang in aanmerking is gebracht;

– dat verzoekers vordering(en) hem danook als ongegrond zal (zullen) worden afgewezen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENAREN ZAKEN:

Wijst verzoekers vordering(en) af;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.Th.OOSTERLING, President, Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President en Mr.K.PULTOO, Lid en door de President BIJ VERVROEGING uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 juni 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advokaat, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2017-9

G.R.No. 15081

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

1.[naam 1],

hierna aangeduid als “[naam 1]”, en

2.[naam 2],

hierna aangeduid als ”[naam 2]”, echtelieden,

beiden wonende te [woonplaats], [land],

appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als ”[appellanten]”,

gemachtigde voor beide appellanten: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

A.[naam3],

wonende in [district],

hierna aangeduid als ”[naam 3]”,

B.[naam 4] ,

wonende te [woonplaats], [land],

hierna aangeduid als ”[naam 4]”,

C.[naam 5],

wonende in [district],

hierna aangeduid als ”[naam 5]”,

D.[naam 6] ,

wonende in [district],

hierna aangeduid als ”[naam 6]”,

geïntimeerden, hierna gezamenlijk aangeduid als ”[geïntimeerden]”,

gemachtigde voor alle geïntimeerden: mr. K. Bhoendie, advocaat, inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 13 januari 2015 (A.R.No. 11-2024) tussen [appellanten] als eisers en Ramgolam c.s. als gedaagden, hierna aangeduid als ”het vonnis”,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellanten] bij schrijven van hun procesgemachtigde op 22 januari 2015 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 15 juli 2016, met producties;

– de antwoord pleitnota en uitlating producties d.d. 18 november 2016, met producties;

– de repliek pleitnota d.d. 6 januari 2017;

– de dupliek pleitnota d.d. 3 februari 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2 [appellanten] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 23 februari 2015 aan partijen toegezonden.

[appellanten] heeft bij schrijven van hun gemachtigde op 22 januari 2015 appèl aangetekend. Gelet op het voorgaande heeft [appellanten] tijdig appèl aangetekend tegen het vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na dagtekening van de griffiersbrief is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten

3.1 [naam 3] is gehuwd geweest met [naam 7], die op 15 februari 2008 is overleden. [naam 4], [naam 5] en [naam 6] zijn kinderen van [naam 3] en [naam 7] hiema aangeduid als ”de erflater”.

3.2 De erflater is eigenaar geweest van het perceelland groot 406 m², gelegen in [district], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato 05 september 1958 met de letters ABCD en thans genummerd afdeling [gebied 1] [nummer 1], deel uitmakende van het resterend gedeelte van het perceelland groot 2.8050 ha. gelegen aan het [gebied 2], welk perceelland bestaat uit de percelenland bekend als Afdeling [gebied 1] [nummers] met de helft van de langs voormeld perceel lopende wegen, hierna aangeduid als ”het perceelland”.

3.3 Bij akte de dato 24 augustus 2006 verleden ten overstaan mr. drs. P. Bishoen, notaris in Suriname, hebben de erflater en [naam 3] het perceelland geschonken aan [naam 5]. De akte van schenking en aanneming is op 28 augustus 2006 overgeschreven in de registers van het Hypotheekkantoor in register C [nummer 2].

3.4 De erflater is in de procedure bekend onder A.R.No. 06-3772 bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 14 december 2006 in kort geding veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te betalen de som van € 19.352,50, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars, vanaf 27 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.5 [naam 5] heeft bij akte de dato 26 juni 2007 verleden ten overstaan van mr. D.S.P. Chitoe, notaris in Suriname, het perceelland verkocht en overgedragen aan [naam 4]. Voornoemde akte is op 28 juni 2007 overgeschreven ten hypotheekkantore in register C [nummer 3].

De procedure in eerste aanleg

4.1 [appellanten] heeft in eerste aanleg gevorderd:

1. te vernietigen, althans nietig te verklaren de overeenkomst van 24 augustus 2006 bevattende de schenking van het perceelland vervat in de notariële akte d.d. 24 augustus 2006 verleden ten overstaan van notaris mr. P. Bishoen.

2. de doorhaling te gelasten van de overschrijving van de overeenkomst in de registers van het Hypotheekkantoor op 28 augustus 2006 in register C [nummer 2];

3. te vernietigen, althans nietig te verklaren de overeenkomst van 26 juni 2007 bevattende de koop en verkoop van het perceelland als vermeld in de notariële akte d.d. 26 juni 2007 verleden ten overstaan van notaris mr. D. Chitoe;

4. de doorhaling te gelasten van de overschrijving van de overeenkomst in de registers van het Hypotheekkantoor op 28 juni 2007 in register C [nummer 3].

Mede is gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen in de proceskosten.

4.2 [appellanten] heeft aan de vordering in eerste aanleg, naast voormelde vaststaande feiten, ten grondslag gelegd dat de erflater, zonder daartoe verplicht te zijn en zonder dat daartoe enige aanleiding bestond, het perceelland heeft overgedragen aan [naam 5]. Ook is gesteld dat het perceelland is verkocht aan [naam 4] maar dat er nooit een koopsom is betaald. Verder is gesteld dat gelet op de familierelatie tussen de erflater en [naam 4] en [naam 5] het duidelijk is dat de schenking en de verkoop van het perceelland zijn gepleegd om het verhaalsrecht van ”[appellanten] illusoir te maken, daar zij bekend waren met het feit dat de erflater bij vonnis van 14 december 2006 in de procedure bekend onder A.R.No. 06-3772 was veroordeeld om [appellanten] een bedrag van € 19.352,50 met rente te betalen en dat [appellanten] bezig was het perceelland uit te winnen. Zowel de erflater als [geïntimeerden] hebben, aldus [appellanten], bewust de rechtshandelingen verricht om het perceelland aan het verhaalsrecht van [appellanten] te onttrekken.

4.3 De Kantonrechter heeft in het vonnis de vordering afgewezen. Daartoe is overwogen dat is gebleken dat de vordering bekend onder A.R.No.06-3772 ter griffie der kantongerechten is ingediend op 27 september 2006 terwijl de schenkingsakte op 24 augustus 2006 is verleden. Geconcludeerd is dat niet is komen vast te staan dat de erflater volledig op de hoogte was van het lopend proces.

Tevens is voorbijgegaan aan de stelling van [appellanten] dat op de erflater geen rechtsplicht rustte om het perceelland aan [naam 5] te schenken, daar dit indruist tegen het beginsel van de contractsvrijheid van partijen en deze stelling onvoldoende feitelijk is onderbouwd. In het verlengde daarvan is ook voorbij gegaan aan de stelling dat de koopovereenkomst tussen [naam 5] en [naam 4] nietig is.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 [appellanten] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog toewijzen van de vordering

5.2 [naam 1] heeft tegen het vonnis de volgende grieven opgeworpen:

1. De Kantonrechter heeft ten onrechte geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat de erflater niet volledig op de hoogte was van het lopend proces.

[appellanten] heeft gesteld dat zij vóór de indiening van de vordering op 27 september 2006 reeds bezig waren om voorbereidende handelingen te treffen zoals ingebrekestelling d.d. 16 augustus 2006. Op de ingebrekestelling is door de procesgemachtigde van de erflater gereageerd bij schrijven d.d. 23 augustus 2006, zodat de erflater volledig op de hoogte was dat er hoogstwaarschijnlijk een proces zou volgen, hetgeen ook is gebeurd.

2. De kantonrechter heeft ten onrechte beslist dat aan de stelling van [appellanten] dat op de erflater geen rechtsplicht rustte om het perceelland aan [Naam 5] te schenken, (het Hof begrijpt: wordt voorbijgegaan) daar dit indruist tegen het beginsel van de contractsvrijheid van partijen.

Gesteld is dat de Kantonrechter over het hoofd heeft gezien dat er voor de erflater geen enkele verplichting bestond om het perceelland te schenken aan [naam 5].

3. Het vonnis is niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Gesteld is dat de Kantonrechter zonder deugdelijke motivering geen beslissing heeft genomen omtrent het gestelde in de punten 3 en 4 van het petitum;

Gesteld is dat de Kantonrechter niet zonder deugdelijke onderbouw kan beslissen dat voorbij wordt gegaan aan de stelling dat de koopovereenkomst tussen [naam 5] en [naam 4] nietig is.

4. De Kantonrechter heeft ten onrechte beslist dat de vordering niet in rechte is komen vast te staan;

Gesteld is dat [appellanten] volledig heeft aangetoond de familierelatie en het zonder enige grond schenken en verkopen en overdragen van het perceelland aan [naam 5] en [naam 4]. Gesteld is tevens dat, ook als de stelling van de Kantonrechter met betrekking tot de schenkingsakte juist zijn, de akte van 26 juni 2007 over blijft en [appellanten] daarop verhaal kunnen zoeken voor hun vordering, daar het duidelijk is dat [naam 5] geen enkele reden had om het perceelland over te dragen op naam van [naam 4] .

5.3 [geïntimeerden] heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1 Het Hof constateert allereerst dat zijdens [geïntimeerden] in eerste aanleg bij conclusie van antwoord is verklaard ”gedaagde sub A is ten rechte geheten [naam 3] (…) Gedaagde sub D is ten rechte geheten [naam 6].”

[naam 1] heeft vervolgens akte van correctie verzocht, gelijk in hoofde van dit vonnis is weergegeven.

6.2 [geïntimeerden] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat de schenking niet bedoeld was om [appellanten] te benadelen; de redenen daarvoor die in eerste aanleg zijn aangegeven, zijn niet weerlegd door [appellanten], aldus [geïntimeerden]. Aangevoerd is verder dat de eerste grief faalt, omdat een ingebrekestelling alleen – waarop omstandig gereageerd is – niet voldoende is om iemand te weerhouden van zijn contractsvrijheid gebruik te maken, zoals, naar de mening van [geïntimeerden],terecht door de Kantonrechter is overwogen.

6.3 Het Hof stelt voorop dat het beginsel van de contractsvrijheid een der beginselen is die het contractenrecht beheerst en dat dit beginsel inhoudt dat men in het algemeen naar vrije verkiezing overeenkomsten mag aangaan.

Het beginsel van de contractsvrijheid is derhalve niet zonder meer van invloed op de schenking, nu de schenking een eenzijdige rechtshandeling is. Hier doet niet aan af dat de schenking gevolgd dient te worden door een andere eenzijdige rechtshandeling: de aanneming. Op de koop- en verkoopovereenkomst die gevolgd is op de schenking door de erflater en de aanneming van de schenking door [naam 5] is het beginsel van de contractsvrijheid wel van toepassing.

Uit het vonnis blijkt evenwel dat het beginsel van de contractsvrijheid is toegepast ten aanzien van de stelling dat op de erflater geen rechtsplicht rustte het perceel te schenken, zodat deze motivering niet overeind kan blijven.

6.4 Geconstateerd wordt dat [geïntimeerden] in eerste aanleg hebben ontkend en betwist dat de erflater zonder daartoe verplicht te zijn en zonder dat daartoe enige aanleiding bestond het perceelland heeft geschonken aan [naam 5]. Aangevoerd is dat zulks is geschied uit dankbaarheid en morele verplichtingen, omdat [naam 5], gedurende de ziekte van de erflater zich over de erflater heeft ontfermd en hem heeft bijgestaan met alle zorg en medische kosten, alsook dat het in de praktijk gebruikelijk is bij de hindostanen dat overdracht plaatsvindt aan de oudste zoon. Verder is aangevoerd dat de erflater en [naam 3], zoals het goede ouders betaamt, het perceelland hebben overgedragen aan [naam 5], die hun oudste zoon is, zonder dat er nog enig zicht was omtrent de veroordeling van de erflater in de procedure bekend onder A.R.No. 06-3772.

6.5 Het Hof merkt op dat van een onverplicht verrichte rechtshandeling sprake is als de schuldenaar niet op grond van de wet of een overeenkomst gehouden is om de rechtshandeling te verrichten. Aangezien in casu [geïntimeerden] heeft aangevoerd dat zij op grond van een gebruik onder de hindostanen en morele verplichtingen het perceelland aan hun oudste zoon, [naam 5], hebben overgedragen, is naar het oordeel van het Hof in casu sprake van een onverplicht verrichte eenzijdige rechtshandeling van de erflater. Nu [naam 5] geen tegenprestatie diende te verrichten, is eveneens sprake van een handeling om niet.

Ingevolge artikel 1362 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BV) kan, indien de nietigheid van dergelijke handelingen wordt ingeroepen, de schuldeiser volstaan met aan te tonen dat de schuldenaar, in casu de erflater, op het ogenblik der handeling wist dat hij daardoor zijn schuldeisers benadeelde, onverschillig of de begiftigde die wetenschap al dan niet deelde.

6.6 Het Hof overweegt dat enkel uit een ingebrekestelling niet waarschijnlijk valt te achten dat een schuldenaar in een daarop in te stellen procedure zal worden veroordeeld. De ingebrekestelling die is vooraf gegaan aan de schenking is dan ook onvoldoende om te geraken tot de conclusie dat er bij de erflater de wetenschap aanwezig was dat hij zijn schuldeiser middels de schenking van het perceelland benadeelde.

Nu een dergelijke wetenschap vereist is voor het toewijzen van een vordering ex artikel 1362 BW, is de vordering in eerste aanleg tot nietigverklaring van de schenking en de doorhaling van de inschrijving daarvan ten hypotheekkantore terecht afgewezen.

Het perceelland is door de schenking deel geworden van het vermogen van [naam 5], zodat hij rechtmatig dat heeft mogen verkopen aan [naam 4].

Gesteld noch gebleken is dat [naam 5] schuldenaar was van [appellanten], zodat toewijzing van de vordering tot nietigverklaring van de verkoop van het perceel ex artikel 1362 BW niet mogelijk is.

Het vonnis zal derhalve, onder verbetering van gronden, worden bevestigd.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 13 januari 2015, A.R.No. 11 -2024, waarvan beroep, onder verbetering van gronden.

7.2 Veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerden] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Chatterpal, Fungerend-President en mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellanten, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-1986-1

Hof van Justitie

24 januari 1986, G.R. 11913

(Mrs. S. Gangaram Panday, J.R. von Niesewand, O.W. Abendanon)

[appellant], wonende aan. [adres 1], in [district 1], thans [district 2], advokaat Mr. W.P. Siwpersad, appellant in conventie en in reconventie

tegen

[geïntimeerde], wonende aan [adres 2] beneden te [district 2], advokaat Mr. L.Y. Ho Kang You, geïntimeerde in conventie en in reconventie.

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het. Eerste Kanton respectievelijk van l december 1981, 15 maart 1983 en 19 juli 1983 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 augustus 1983, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

0verwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in. eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende aan [adres 2] beneden te [district 2];

2. dat eiser eigenaar is van het woonhuis gelegen aan [adres 2] te [district 2];

3. dat eiser bij overeenkomst van huur en verhuur aan gedaagde heeft verhuurd gelijk gedaagde van eiser heeft gehuurd, het beneden gedeelte van voormelde woning aan [adres 2] te [district 2], zulks voor een maandelijkse huurprijs van Sƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand;

4. dat gedaagde het pand thans verwaarloost en slecht onderhoudt er zelf niet in woont en er zelden naar toegaat en het gehuurde daarvoor aan gevaar blootstelt;

5. dat gedaagde bovendien een gedeelte van het pand aan derden heeft verhuurd zonder medeweten van eiser, wat in strijd is met de wet;

6. dat eiser op grond van het bovenstaande gerechtigd is een vordering tot ontruiming tegen de gedaagde in te stellen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de huurovereenkomst tussen partijen zal worden ontbonden, althans voor ontbonden zal worden verklaard;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 2 maanden na het in deze te wijzen vonnis, althans een zodanige door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het gemelde gehuurde te ontruimen met alle personen en goederen welke zich op/of in het gehuurde van zijnentwege mochten bevinden en ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met machtiging op deze om bij gebreke van dien de ontruiming van het gehuurde zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

c. tenslotte gedaagde zal worden veroordeeld om zolang hij in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen, maandelijks te betalen het bedrag van Sƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN), gelijkstaande aan de huur als voormeld gerekend vanaf 1 december 1980, kosten rechtens;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in reconventie heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist alhetgeen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu;

2. Gedaagde erkent de gestelde huurovereenkomst, doch ontkent dat hij het litigieuze pand verwaarloost en slecht onderhoudt;

3. Voorts ontkent gedaagde een gedeelte van het litigieuze pand aan derden verhuurd te hebben;

4. Gedaagde is van mening dat eiser de onderhavige ontruimingsvordering slechts heeft ingesteld omdat gedaagde geen gevolg heeft gegeven aan eisers schrijven dd. 7 oktober 1980, waarin eiser middels zijn raadsman aan gedaagde mededeelde dat de huurprijs van het litigieuze pand ingaande 1november 1980 wordt verhoogd van Sƒ 500,– naar Sƒ750,– per maand;

5. Met een dergelijke eenzijdige beslissing tot verhoging van de huurprijs kon gedaagde zich uiteraard niet verenigen, wat tot gevolg had dar de verhouding tussen partijen enigszins vertroebeld raakte;

6. Bovendien is door eiser vanaf de aanvang der huurovereenkomst steeds een veel te hoge huurprijs geïnd, aangezien door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo een huurprijs van Sƒ 166,93 voor het litigieuze pand is vastgesteld, terwijl gedaagde steeds Sƒ 500,– per maand heeft betaald;

7. Ten bewijze van het bovenstaande wordt hierbij in fotocopie overgelegd de beschikking d.d. 19 december 1980 van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo, met verzoek de inhoud daarvan als hierbij ingelast en geïnsereerd te beschouwen;

8. Het teveel aan huur betaalde zal gedaagde in reconventie dan ook terugvorderen;

en voor eis in reconventie heeft gesteld:

1. Blijkens de hierbij in fotocopie overgelegde huurovereenkomst bedraagt de huurprijs met ingang van 1 september 1977 voor het litigieuze pand Sƒ 500,– per maand, welk bedrag ook steeds prompt en op tijd door eiser is voldaan;

2. Doch blijkens de eveneens overgelegde beschikking van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo mag de huurprijs voor het litigieuze pand niet meer bedragen dan ƒ166,93 per maand;

3. Nu gedaagde toch een hogere huurprijs dan de door de Distrikts-Commissaris vastgestelde heeft geïnd, handelt hij in strijd met de wet en wel met artikel 3 lid 2 van het “Huurbesluit 1949 (G.B.1949 no. 127), gewijzigd bij besluit van 6 januari 1950 (G.B.1950, no. 2)”;

4. Eiser wenst derhalve het onverschuldigd betaalde bedrag groot ƒ 13.988,94 dat thans opeisbaar is terug te bekomen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conventie:

dat eisers vordering zal worden afgewezen als zijnde ongegrond en onbewezen;

en voor eis in reconventie:

dat gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen:

a. Het bedrag groot 42 x ƒ 333,07 is ƒ 13.988,94 terzake van de ten rekeste omschreven onverschuldigde betaling over de periode 1 september 1977 tot en met 28 februari 1981, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf de dag der rechtsingang – 3 februari 1981 – tot aan die der algehele voldoening;

b. Tenslotte gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser gevallen, hebbende hij daarbij producties overgelegd;

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:

1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen door hem niet woordelijk en uitdrukkelijk wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn bekentenis;

2. Voorzover hier van toepassingt wenst gedaagde hier als ingelast te beschouwen al hetgeen door hem in conventie naar voren is gebracht;

3. Gedaagde wenst te stellen dat artikel 3 lid 2 van het “Huurbesluit 1959” (G.B.1949 no.127) gewijzigd bij besluit van 6 januari 1950 (G.B.1950 no. 2) in casu niet van toepassing is aangezien het hier gaat om huur van bedrijfsruimte en voormelde wet slechts toepasselijk is op de huur van woonruimte;

4. Dat nu blijkt dat de door partijen overeengekomen huurprijs van Sƒ 500,– per maand rechtens relevant, in casu van onverschuldigde betaling zijdens eiser geen sprake is, brengende zulks mede dat aan eisers vordering de rechtsgrond is komen te ontvallen;

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gronden voor antwoord in reconventie heeft geconcludeerd, dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans hem deze zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn eerder genomen conclusiën;

0verwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

0verwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 1 december 1981 een comparitie van partijen heeft gelast, welke niet is gehouden;

0verwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen schriftelijke conclusies na niet gehouden comparitie van partijen hadden genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 15 maart 1983 heeft overwogen:

In conventie:

dat Wij eiser akte zullen verlenen van de vermindering van zijn vordering met de ontruiming;

dat nu eiser slechts vordert de achterstallige huur vanaf december 1980 tot december 1982 en eiser in reconventie vordert de teveel door hem betaalde huur ad ƒ 13.988,94 Wij partijen in de gelegenheid zullen stellen Ons schriftelijk in te lichten op welk tijdstip het laatst huur door de gedaagde is voldaan en op welk tijdstip hij het gehuurde heeft ontruimd, alsook het tijdstip waarop deze is aangevangen;

In reconventie:

dat Wij iedere beslissing zullen aanhouden totdat in conventie is beslist;

0verwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

eiser akte heeft verleend van de vermindering van zijn vordering met de ontruiming;

partijen in de gelegenheid heeft gesteld hem schriftelijk in te lichten op welk tijdstip het laatst huur door de gedaagde is voldaan en op welk tijdstip hij bet gehuurde heeft ontruimd, alsook het tijdstip waarop de huur was aangevangen;

en in reconventie:

iedere beslissing heeft aangehouden totdat in conventie is beslist;

Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1983 heeft overwogen:

In conventie:

dat de gestelde huurovereenkomst als erkend rechtens tussen partijen vaststaat;

dat als erkend eveneens vaststaat, dat de huur ƒ 500,– bedroeg, terwijl bij beschikking van de Distrikts-Commissaris het litigieuze gebouw voor niet meer dan ƒ 166,93 mocht worden verhuurd;

dat gedaagde zich erop beroept te veel huur betaald te hebben, welk bedrag hij in reconventie terugvordert;

dat nu als niet weersproken vaststaat, dat de ontruiming van het litigieuze gebouw per ultimo december 1982 heeft plaats gehad en tot en met november 1980 de gedaagde huur heeft voldaan, hij over deze periode huur verschuldigd is en wel tot het totaal bedrag van 24 x ƒ 166,93 = ƒ 4.006,32;

dat aangezien gedaagde vanaf september 1977 tot en met november 1980 huur ad ƒ 500,– heeft voldaan hij telkens ƒ 333,07 hem te veel heeft betaald of te wel 39 x ƒ 333,07 = ƒ13.332,80;

dat nu de ontruiming reeds heeft plaats gehad en eiser man gedaagde verschuldigd is ƒ13.332,80 – ƒ 4.006,32 = ƒ 9.316,48, eiser’s vordering hem als ongegrond dient te worden ontzegd;

In reconventie:

dat Wij hier overnemen hetgeen daaromtrent in conventie is overwogen;

dat aangezien daar is overwogen, dat gedaagde aan eiser verschuldigd is het bedrag van ƒ 9.316,48, Wij gedaagde tot betaling daartoe zullen veroordelen;

Overwegende, dat de Kantonrechter op deze gronden:

In conventie:

eiser diens vordering heeft ontzegd en hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ Nihil;

In reconventie:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ9.316,48 (NEGEN DUIZEND EN DRIEHONDERD EN ZESTIEN 48/100 GULDEN), vermeerderd met de rente hierover ad 6% per jaar, vanaf 3 februari 1981 tot aan de dag der algehele voldoening;

dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ Nihil;

het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder S. Hoebba van 12 september 1983 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

0verwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 10 januari 1986, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

0verwegende, dat appellant tijdig in appèl is gekomen van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken vonnis van 19 juli 1983;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt:

1. dat appellant aan geïntimeerde heeft verhuurd het benedengedeelte van het gebouw gelegen te [district 2] aan de [adres 2] en wel als woonbuis en bedrijfsruimte, ingaande 1 september 1977 tegen een huurprijs van ƒ 500,– (VIJFHONDERD GULDEN) per maand bij vooruitbetaling te voldoen;

2. dat aan deze huurovereenkomst tussen partijen een einde is gekomen ultimo december 1982 en

3. dat geïntimeerde de huur ad ƒ 500,–(VIJFHONDERD GULDEN) per maand tot en met de maand november 1980 aan appellant heeft voldaan;

4. dat op verzoek van de geïntimeerde door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo bij beschikking dd. 19 december 1980 no. 3592, de huurprijs van het benedengedeelte van het verdiepingsgebouw aan de Kwattaweg no. 95 (het verhuurde) is vastgesteld op ƒ 166,93 (EENHONDERD EN ZES EN ZESTIG 93/100 GULDEN) per maand;

Overwegende, dat de eerste rechter bij de beoordeling van de geldende huurprijs tussen partijen ervan is uitgegaan dat de door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo vastgestelde huurprijs dd. 19 december 1980 van den beginne van de huurovereenkomst van partijen af, te weten 1 september 1977 tussen partijen geldt, en hiertegen de door appellant aangevoerde grief is gericht, namelijk namelijk dat die vaststelling door de Distrikts-Commissaris geen terugwerkende kracht heeft, zoals de Kantonrechter heeft aangenomen;

Overwegende, dat deze grief gegrond is omdat de bepaling van de huur door de bovengenoemde functionaris slechts voor de toekomst werking heeft, hebbende beide partijen immers de bevoegdheid die huurbepaling te doen plaatsvinden, terwijl tussen partijen de tussen hen overeengekomen huur geldt tot de vaststelling daarvan door de Distrikts-Commissaris, waarna deze huurprijs geldt;

Overwegende, dat hoewel het Huurbesluit 1949 (G.B.1949 no. 127, gewijzigd bij besluit 6 januari 1950, G.B. 1950 no.2) spreekt van gebouwen en daarbij geen onderscheid maakt tussen huur daarvan als woonhuis en als bedrijfsruimte, bij het bepalen van de huurprijs toch onderscheid naar de aard en het doel van het gebruik van het gehuurde zal moeten worden gemaakt, wordend, namelijk doorgaans een bedrijfsruimte veel intensiever gebruikt dan een woonbuis, met het doel door het gebruik daarvan winst te behalen, terwijl een woonhuis door de huurder wordt gebruikt als huisvesting van hem en zijn familie, waarbij mede in het oog moet worden gehouden, dat bij de totstandkoming van het huurbesluit het grootste deel van (toen bestaande) [district 2] uit woonhuizen bestond en de laatste 20 jaren vooral de binnenstad van [district 2] meer en meer bedrijfspanden is gaan omvatten, welke panden door het intensief gebruik daarvan onder andere meer reparaties etcetera behoeven, dan woonhuizen;

Overwegende, dat het huurbesluit voorts ervan is uitgegaan de zwakkere partij, de huurder, in bescherming te nemen tegen de sterkere partij, de eigenaar en de verhuurder, welke situatie zich in geval van huur van woonhuis voordoet, terwijl dit in veel mindere mate het geval is bij huur en verhuur van bedrijfsruimte, omdat daarbij veelal van een zwakkere en van een sterkere partij niet kan worden gesproken en niet het bewonen van het gebouw, doch het gebruik voor het behalen van winst of het gebruik daarvan als ruimte voor dienstverlening zich voordoet;

0verwegende, dat met het vorenstaande als overwegingen ten overvloede naar voren gebracht wordt dat met het verstrijken van de jaren de bepalingen van het Huurbesluit zin en inhoud worde gegeven die past in het huidige gebruik door huurders van het gehuurde, waarbij gelet wordt op de aard en doel van dat gebruik en de consequenties daarvan voor de partijen, een evenwichtige aanpak derhalve van deze aangelegenheden, met als doel te voorkomen dat de ene partij de andere benadeelt;

Overwegende, dat in casu het bovenoverwogene tot gevolg heeft dat de huurvaststelling door de Distrikts-Commissaris van Paramaribo vanaf de datum van de beschikking (19 december 1980) de som van ƒ166,93 (EENHONDERD EN ZES EN ZESTIG 93/100 GULDEN) als huur voor het gehuurde tussen partijen zal hebben te gelden, waarmede de appellant zich blijkens de· stellingen van zijn pleitnota in hoger beroep kan verenigen;

0verwegende, dat geïntimeerde aan appellant aan huur derhalve nog verschuldigd is: een halve maand december 1980 naar rato van ƒ 500,– per maand, dat is ƒ 250,–(TWEEHONDERD EN VIJFTIG GULDEN) plus 24½ maand ad ƒ 166,93 per maand dat is ƒ4.089,78 in totaal derhalve een bedrag van ƒ 4.339,78 (VIER DUIZEND DRIEHONDERD EN NEGEN EN DERTIG EN 78/100 GULDEN) zijnde de huur over de periode 1 december 1980 tot eind december 1982,. het tijdstip van het einde van. de huurovereenkomst tussen partijen;

0verwegende, dat appellant echter het bedrag van ƒ 4.006,32 (VIER DUIZEND EN ZES GULDEN EN TWEE EN DERTIG CENT) vordert van geïntimeerde (zie pleitnota, het 3e sustenu) en het Hof danook tot dit bedrag de vordering van appellant zal toewijzen;

0verwegende, dat het vorenstaande tot gevolg heeft dat het vonnis van de Kantonrechter, waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie zal worden vernietigd en de vordering in conventie van appellant ten bedrag van ƒ 4.006,32 zal worden toegewezen, met kosten als gevorderd, terwijl de vordering in reconventie aan geïntimeerde als ongegrond zal .worden ontzegd, met diens veroordeling als de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten aan de zijde van de appellant gevallen;

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen en uitgesproken op 19 juli 1983, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

In conventie:

Veroordeelt geïntimeerde om aan appellant tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van ƒ4.006,32 (VIER DUIZEND EN ZES GULDEN EN TWEE EN DERTIG CENT);

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van appellant gevallen en begroot:

in eerste aanleg op ƒ 56,50

in hoger beroep op ƒ 81,50

In reconventie:

Ontzegt aan geïntimeerde diens oorspronkelijke vordering;

Veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van appellant gevallen en begroot:

in eerste aanleg op ƒ Nihil

in hoger beroep op ƒ 100,–

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van ƒ 100,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op ƒ 100,–.

 

SRU-HvJ-2017-8

G.R.No 15012

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellante],

wonende aan de [adres 1]

in [district],

appellante,

gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende aan de [adres 2]

in [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G.O. Koulen, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 23 april 2012 (A.R.No.11-1587) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk de vrouw en de man.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– Het schrijven van de advocaat van de vrouw gedateerd 02 mei 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton op 03 mei 2012 – waaruit blijkt dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 23 april 2012.

– De schriftelijke pleitnota de dato 04 november 2016.

– De schriftelijke antwoordpleitnota de dato 06 januari 2017.

– De schriftelijke repliekpleitnota de dato 03 februari 2017.

– De schriftelijke dupliekpleitnota de dato 03 maart 2017.

– De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 21 april 2017 en vervolgens op 20 oktober 2017 doch ambtshalve bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd op 30 december 1971 in Nederland, Gemeente Rotterdam, met alle wettelijke gevolgen van dien. Voorts heeft de man gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld om met hem over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap waarin hij met de vrouw is gehuwd, met de gebruikelijke nevenvorderingen;

1.1 De kantonrechter heeft bij vonnis van 23 april 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd gelast, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

2.1 De vrouw heeft blijkens de aantekening van de Griffier der Kantongerechten door tussenkomst van haar advocaat bij schrijven gedateerd 02 mei 2012 – ingekomen ter griffie van het kantongerecht in het eerste kanton op 03 mei 2012 – appèl aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 23 april 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest en is de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier zoals bedoeld in artikel 119 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedateerd 11 juni Gelet op het voorgaande heeft de vrouw ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

2.2 De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:

2.2.1 Partijen zijn op 30 december 1971 te Rotterdam, Nederland in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2.2. De uit het huwelijk van partijen geboren kinderen zijn reeds meerderjarig.

2.3 Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van de vrouw van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht op grond waarvan de man gerechtigd is een verzoek tot echtscheiding tegen de vrouw in te dienen. Ter adstructie van de duurzame ontwrichting heeft de man in het inleidend verzoekschrift een aantal feiten en/of omstandigheden aangegeven;

2.4 De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het juist is dat er gedurende lange tijd spanningen zijn, echter zijn die spanningen te wijten aan het gedrag van de man die niet heeft geschroomd de vrouw nu al langer dan 10 jaren regelmatig te mishandelen. Volgens haar is er geen sprake van verzoening van de zijde van de man en is de ontwrichting in zijn geheel te wijten aan de man;

2.5 In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog niet-ontvankelijkverklaring van de man;

2.6 Daartoe heeft de vrouw als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd –kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de kantonrechter ten onrechte in het beroepen vonnis onder 4.3. heeft opgenomen dat de vrouw de duurzame ontwrichting heeft erkend;

2.7. De man heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop – in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat de grief geen opgeld doet. Immers heeft de vrouw bij haar conclusie van antwoord in eerste aanleg de duurzame ontwrichting van het huwelijk wel degelijk erkend maar verder bloot aangegeven dat de spanningen te wijten zijn aan het gedrag van de man die er niet voor geschroomd zou hebben om haar al langer dan tien jaren regelmatig te mishandelen. Hoewel de man in het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg en wel onder punt 4 daarvan gespecificeerde feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd ter staving van de duurzame ontwrichting van het huwelijk heeft de vrouw gekozen om daar niet op in te gaan bij haar antwoord hoewel dat op haar weg had gelegen. De vaststelling door de kantonrechter dat de vrouw de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen heeft erkend waardoor dit rechtens vaststaat tussen partijen is derhalve naar het oordeel van het hof een terechte vaststelling geweest. Aan het voorgaande doet niet af hetgeen de vrouw heeft aangevoerd in hoger beroep en dat er op neer komt dat de kantonrechter in strijd met het bepaalde in artikel 263 SBW heeft gehandeld nu vast stond dat de ontwrichting in overwegende mate te wijten was aan de man en de kantonrechter het huwelijk niet had mogen ontbinden, althans de man niet had mogen ontvangen. Zoals hiervoor aangegeven is dat verweer in eerste aanleg bloot aangevoerd zonder dat dat op enigerlei wijze is gestaafd geworden. In de visie van het hof heeft de kantonrechter het voorgaande terecht overwogen onder 4.3. van het beroepen vonnis waarbij zij heeft aangegeven dat de vrouw heeft aangevoerd dat de ontwrichting in zijn geheel aan de man te wijten is doch zonder daar een conclusie aan te verbinden casu quo er een beroep op te doen. Daarenboven heeft de kantonrechter het huwelijk niet ontbonden maar de echtscheiding uitgesproken. Ingevolge het rechtssysteem hier te lande wordt het huwelijk ontbonden door de inschrijving van het in kracht van gewijsde gegane echtscheidingsvonnis, binnen de daarvoor gestelde termijn, in de registers van de Burgerlijke Stand en niet door de uitspraak van het echtscheidingsvonnis;

2.9. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

2.10 De vrouw zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van de man in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 23 april 2012, A.R.No. 11-1587, waarvan beroep;

Veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding aan de zijde van de man in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 16 juni 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. drs. M.S.H. Boedhoe namens advocaat I.D. Kanhai, Bsc., gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-1997-1

M.R.S.

A – 343.

[verzoeker], wonende te Paramaribo aan [adres] te [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.E.NAARENDORP, advokaat

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­name, kantoorhoudende te Paramari­bo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van res­pectievelijk 15 maart 1996, 11 november 1996 en 7 februari 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en be­slist; Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusies tot uitlating hadden genomen, zij vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn inter­locutoir vonnis gewezen tussen partijen en uitgesproken op 7 februari 1997;Overwegende, dat ter gelegenheid van de ingevolge voormeld interlocutoir vonnis gehouden comparitie van partijen op 21 februari d.a.v., waarbij aanwezig waren, verzoeker in persoon en zijn gemachtigde advokaat Mr.E.Naarendorp, de heer O.Renfrum, voormalig (Onder) directeur Sportzaken van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling en de gemachtigde van verweerder, advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, uiteindelijk uit de doeken is gedaan en dan ook duidelijk uit de verf is gekomen:

– dat verzoeker, per 1 december 1981 in Overheids­dienst getreden als Stafambtenaar B 2e klasse en te­werkgesteld bij de afdeling Zelfbouw van het toenmalige Ministerie van Openbare Werken, Telecommunicatie en Bouwnijverheid (vide beschikking d.d. 14 oktober 1982 [nummer 1] van de Minister van Arbeid en Sociale Zaken), bij beschikking van augustus 1986 Bureau [nummer 2] van de Ministers van Sport en Jeugdzaken en van Sociale Zaken en Volksontwikkelijk werd overgeplaatst naar het toenmalige Ministerie van Sport en Jeugdzaken;

– dat verzoeker in november 1987 opgedragen werd tot het verrichten van werkzaamheden op de afdeling Sport­ acomodatie en ruimten, alwaar hij zeer verantwoordelijk taken heeft verricht (zelf oppert hij dat hij met de ”waarneming” van de functie van onder-directeur was belast;

– dat verzoeker blijkens de processtukken ook wel werd betiteld als ”coördinator”;

– dat verzoeker zeker tot januari 1994 met meerdere en verantwoordelijker werkzaamheden was belast, zonder evenwel door het bevoegde gezag met de waarneming van die werkzaamheden te zijn aangewezen;

– dat blijkens een zich onder de processtukken bevindende Missive d.d. 24 mei 1991, Raad van Ministers No. 927/R.v.M., had de Raad van Ministers goedgekeurd, dat verzoeker, in die Missive genoemd ”coördinator”, wordt bevorderd tot hoofdambtenaar A 2e klasse (catego­rie GZ, schaal 20 oud (2986 – 3411), welke Missive nimmer in een beschikking van een Minister is geëffec­tueerd en mitsdien geen rechtskracht heeft om daarop rechtens een beroep te doen;

Overwegende, dat hoewel verzoeker niet door het bevoegde gezag met de waarneming van de door hem ver­langde functie was belast, vast is komen te staan, dat hij meerdere en verantwoordelijker werkzaamheden heeft verricht, waarvoor hij vooralsnog geen financiële waardering heeft ontvangen;

– dat nu -derhalve- verzoekers vordering hem niet kan worden toegewezen, het Hof niettemin van oordeel is, dat verzoeker wel aanspraak maakt op een financiële waardering voor meerdere en verantwoordelijker werk­zaamheden verricht in de periode november 1987 tot januari 1994, gevende het Hof verweerder zulks dan ook in gunstige overweging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoeker,s vordering verzoeker. Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 6 JUNI 1997, in tegenwoordigheid van Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigde, advokaten Mr.E.Naarendorp en Mr.Dr.C.D.Oo­ft, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting versche­nen.