SRU-HvJ-1999-10

H.M.

GENERALE ROL NO: 13902.

[appellant], wonende aan [adres] te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.L.KENSMIL, advokaat,

appellant,

t e g e n

1. [geintimeerde 1]

2. [geintimeerde 2]

3. [geintimeerde 3]

4. [geintimeerde 4]

5. [geintimeerde 5]

6. [geintimeerde 6]

7. [geintimeerde 7]

8. [geintimeerde 8], allen wonen­de te [district 1], door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.F.KRUISLAND, advokaat,

geintimeerden,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kanton­rechter in het Eerste Kanton van 23 novem­ber 1993 tus­sen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 2 december 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geintimeerde 1] e.a. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daar­bij stellende:

1. Eisers wensen de navolgende vordering in te stel­len tegen [appellant], wonende aan [adres] te [district 1], gedaagde;

2. Eisers zijn mede-eigenaren van de plantage [naam 1] in [district 2]. Als zodanig zijn eisers tezamen met de overige mede-eigenaren ten volle gerech­tigd tot het genot en de beschikking van voormel­de plantage. Eisers behoeven dan ook niet te dulden dat derden zonder enig recht of titel zich het genot van voormelde plantage, althans gedeelten daarvan toeëige­nen en gebruik maken van die plantage, althans, gedeel­ten daarvan, zonder enig recht of titel. Eisers behoe­ven evenmin te dulden dat derden zonder enige bevoegd­heid daartoe gedeelten van voormelde plantage occupe­ren, althans doen occuperen en met betrekking tot de grond allerhande activiteiten ontwikkelen of doen ontwikkelen, zoals landbouw en recreatieactiviteiten;

3. Gedaagde heeft, naar eisers onlangs gebleken is, een stuk terrein van de plantage [naam 1] in [district 2] groot ± 400 m², gelegen langs de [plaats], die door de plantage [naam 1] stroomt, onrechtmatig, d.w.z. zonder toestemming van de mede-eigenaren geoccupeerd en daarop een huis, althans opstallen heeft gesticht, althans heeft doen plaatsen;

4. Gedaagde heeft van geen der beschikkingsbevoegde mede-erfgenamen enig recht of titel bekomen om zich te vestigen op de plantage [naam 1], gelegen in [district 2] en hij handelt derhalve dan ook vooreerst in strijd met het (mede)eigendomsrecht van eisers, doch ook op ernstige wijze in strijd met de zorgvuldig­heid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van de eisers en de hen in eigendom toebehoren­de goede­ren;

5. Gedaagde ontzegt eisers, althans de mede-eigenaren van de plantage [naam 1], gelegen in [district 2], het recht zich te begeven op het door hem geoccu­peerde terrein en het gedeelte waarop hij zijn huis heeft gesticht;

6. Eisers zijn doende om en nabij het door gedaagde onrechtmatig geoccupeerde terrein recreatieactiviteiten te ontplooien, in welke activiteiten zij door gedaagde worden belemmerd zolang hij ter plaatse activiteiten ontplooit en hun de toegang tot het terrein ontzegt;

7. Eisers hebben derhalve op grond van het voren­staande recht en belang bij een spoedige ontruiming van gedaagde en verzoeken de Kantonrechter deze zaak op verkorte termijn te doen dagvaarden en te bepalen dat er op verkorte termijn zal worden voortgeprocedeerd;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat eisers zich tot de Kantonrechter wenden met verzoek dat:

a. aan eisers toestemming zal worden verleend gedaag­de op verkorte termijn op te roepen,

b. Gedaagde bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis of de betekening daarvan, althans binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn, het door hem opgezette huis en/of (andere) opstallen op de plantage [naam 1] in [district 2], althans op een gedeelte van de plantage [naam 1] in [dis­trict 2], t.w. een stuk grond groot ± 400 m², gelegen aan de [plaats], af te breken en weg te voeren, althans te verwijderen en voorts gedaagde zal worden veroordeeld om voormelde plantage, althans voormelde grond, te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschik­king van eisers te stellen, zulks binnen voor­melde termijn, althans binnen een door de Kantonrechter te bepalen termijn, met machtiging op eisers om indien gedaagde met voormelde afbraak, wegvoering en ontrui­ming in gebreke mocht blijven, deze zelf te verrichten of te doen verrichten, desnoods met behulp van de Sterke Arm,

Kostens rechtens; Overwegende, dat [appellant] als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – onder overlegging van een produktie de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconclu­deerd: dat eisers in hun vordering niet-ontvankelijk zullen worden verklaard althans hen deze zal worden ontzegd als te zijn onge­grond en niet bewezen, wordende de inhoud van de over­gelegde produktie hier als inge­last beschouwd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, onder overlegging van produkties waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produk­ties hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eisers hierna een nadere conclusie tot uitlating produkties heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 23 november 1993 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om binnen (1) één maand na betekening van dit vonnis, het door hem opgezette huis en/of (andere) opstallen op de plantage [naam 1] in [district 2], althans op een gedeelte van de plantage [naam 1] in [district 2], te weten een stuk grond groot ± 400 m², gelegen aan de [plaats], af te breken en weg te voeren, althans te verwijderen en voorts gedaagde zal worden veroor­deeld om voormelde plantage, althans voormelde grond, te ontruimen, te verlaten en ter vrije beschik­king van eisers te stellen;

Eisers hebben gemachtigd om indien gedaagde in gebreke mocht blijven de voor­melde afbraak, weg­voering en ontruiming te verrichten, deze zelf te verrichten of te doen ver­richten, desnoods met behulp van de Sterke Arm,

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.109,50 (EEN HONDERD EN NEGEN 50/100 GUL­DEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 23 november 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 24 december 1996 aan geintimeerden aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appel­lant bij pleidooi en repliek pleidooi produkties over­gelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak was bepaald op 5 december 1997;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant op verzoek van het Hof een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie onder overlegging van produkties heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerden hierna een hier als geinsereerd aan te merken schrif­telijke conclusie tot uitlating produkties heeft geno­men; Overwegende dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 22 januari 1999, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van de beslissing van de Kantonrech­ter in het Eerste Kanton d.d. 23 november 1993;

Overwegende, dat uit de gedingstukken in eerste aanleg en uit de stellingen van partijen in hoger beroep en de inhoud van door hen overgelegde produk­ties, het navolgende, in zover­re hier van belang, is gebleken;

1. dat de appellant van een deelgerechtigde (erfge­naam) van een deel in de plantage bekend als [naam 1], gelegen in [district 2], [naam 2] heeft gehuurd, gelijk laatstge­noemde aan hem, appellant, heeft ver­huurd, een deel van die plantage, groot 1 ha, ingaande 17 decem­ber 1977, welke overeenkomst [naam 2] ”als beheerder van de boedel behorende aan de familie [naam]” is aangegaan;

2. dat er veel deelgerechtigden tot die plantage zijn, waaronder de geintimeerden en dat de oorspronke­lijke eige­naar van een deel daarvan groot 214,5 ha, waarover dit geding gaat, [naam 2] was;

3. dat de geintimeerden als enkele van de deelgenoten in de boedel [naam 2], de onderhavige ontruimingsvorde­ring tegen de appellant ingesteld hebben;

Overwegende, dat de centrale rechtsvraag, die in het geding aan de orde is, betreft de vraag of één deelgerech­tigde ([naam 2]) bevoegd was de bovenvermel­de huurovereenkomst met de appellant aan te gaan, waarbij die [naam 2] als beheerder opgetreden is;

Overwegende, dat (beheers-) handelingen dienende tot gewoon onder­houd of tot behoud van een gemeen­schappelijke zaak en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten worden verricht en dat overige beheershan­delingen door de deelgenoten tezamen moeten geschieden, waaronder begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van de zaak dienstig kunnen zijn;

Overwegende, dat de verhuurovereenkomst die [naam 2] met de appellant aangegaan is derhalve door alle deelgenoten tezamen aangegaan had moeten zijn, of door hen allen achteraf bekrachtigd had moeten zijn, waarvan gesteld noch gebleken is;

Overwegende, dat een andere rechtsvraag, die partijen verdeeld houdt, is of enkele deelgenoten als de geintimeerden – en dus niet alle deelgenoten tezamen – bevoegd zijn de onder­havige ontruimingsvordering tegen de appellant in te stellen;

Overwegende, dat een deelgenoot niet van de overi­ge deelgenoten afhankelijk is wanneer hij de gemeen­schappelijke zaak uit handen van een derde, die geen recht op die zaak heeft, wenst op te vorderen en is hij dus tot zelfstandig procederen bevoegd ten behoeve van de gemeenschap (boedel) en zijn de geintimeerden dus bevoegd de onderhavige vordering tegen de appellant in te stellen;

Overwegende, dat het vaak voorkomt dat één of enkele van de deelgenoten van o.a. de recreatiegebieden in [district 2] een stuk grond, behorende tot een van de onopgelos­te, veelal samengestelde boedels (mees­tal niet te verdelen vanwege de onbekendheid of onvind­baarheid van vele deelgeno­ten) ver­huurt aan een derde, en dat zolang geen der deelge­noten daar­tegen opkomt, de ”huurder” zijn activiteiten aldaar kan ont­plooien doch – zoals i.c. – als een of meer der deelge­noten tegen die verhuur als beheershandeling (zie boven) bezwaren maakt, en gaat proceduren, dan is het de huurder die de ver­liezende partij is;

Overwegende, dat de grieven die de appel­lant tegen het aangevochten vonnis aangedragen heeft dan ook falen en zal dat vonnis met verbetering van de rechts­gronden – waarvan uit het bovenoverwogene in vergelijking met de rechtsoverwegingen van het eerste vonnis blijkt – worden bevestigd, met veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de geding­kosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder verbetering van de gronden het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewe­zen tussen partijen en uitgesproken op 23 november 1993;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op f.5.000,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.5.00­0,-­

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 23 april 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde advo­kaat Mr.R.L.K­ensmil en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.LIM A PO namens hun gemachtigde advo­kaat Mr.F.Kruis­land zijn bij de uitspraak ter terechtzitting versche­nen.

SRU-HvJ-1999-9

M.R.S.

GENERALE ROL NO: 14030.

[appellante 1], wonende te [district] te [adres 1] te [plaats 1],

[appellante 2], wonende te, [district] te [plaats 2],

[appellante 3], wonende te [district] te aan de [adres 2], te [plaats 3],

[appellante 4], wonende te [district], te [plaats 4],

[appellante 5], wonende te [district], te [plaats 2],

[appellante 6], wonende te [district], te [plaats 4]

[appelante 7] , wonende te [district], te [plaats 3],

[appellante 8], wonende te [district], te [plaats 3],

[appellante 9], wonende te [district], te [plaats 3],

door wie tot hun gemachtigde is gesteld Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

appellanten in Kort Geding,

t e g e n

[geïntimeerde], rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres], [plaats] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat, geïntimeerde in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder,

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 21 december 1995 en 28 maart 1996 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 9 april 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat N.V.VOORUITSTREVEND als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de volgende vordering in kort geding in te stellen tegen:

A. DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3

B. [appellante 1], wonende te [district] te, [plaats 1],

C. [appellante 2], wonende te [district],te [plaats 2],

D. [appellante 3], wonende te [district] aan de [adres 2], [plaats 3],

E. [appellante 4], wonende te [district] te [plaats 4],

F. [appellante 5], wonende te [district] te [plaats 4],

G. [appellante 6], wonende te [district] te [plaats 4],

H. [appellante 7], wonende te [district], te [plaats 4]

I. [appellante 8], wonende te [district] te [plaats 4]

J. [appellante 9], wonende te [district] te [plaats 4] gedaagden;

2. Eiseres is allodiaal eigenaar en erfelijke bezitter van de plantage WELGELEGEN in het distrikt Coronie, vermoedelijk groot driehonderd hektaren, met uitzondering van de daarvan verkochte en geschonken gedeelten en waarvoor bereids rechtsgeldige overdracht is verleend, blijkende het e.e.a. uit de hierbij in fotocopie overgelegde akte van verkoop en koop verleden t.o.v. Mr.R.G.Rodrigues en ingeschreven ten hypotheekkantore in register C deel 1004 onder no.5033. Van het vermelde perceelland heeft de landmeter in Suriname Lcs, J.O.A. Mans op 17 augustus 1994 een kaart vervaardigd.

3. Eiseres is naar aanleiding van de door de landmeter Lcs.J.O.A.Mans vervaardigde kaart, waarvan in het tweede sustenu van dit rekest sprake is tot de ontdekking gekomen, dat gedaagde sub A, hierna met het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen aangeduid, met negering van het allodiale eigendom en het erfelijk bezit van eiseres en in strijd met de wet en de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid jegens eiseres in acht te nemen, aan gedaagden B tot en met J, samen handeldrijvende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen”, een bereidverklaring heeft gegeven bij beschikking d.d. 23 april 1991 no. D.1715, inhoudende dat het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen bereid is aan gedaagden sub B tot en met J, samen handeldrijvende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen”, het recht van grondhuur te verlenen op een gedeelte, groot + 77 ha, aangeduid met de letters g h n C m, van het perceel ten Domeinkantore bekend als Afdeling I Sectie Coronie no. 52, hiernevens aangegeven door de figuur g h i k l vallende binnen de plantage WELGELEGEN.

4. Gedaagden sub B tot en met J voornoemd hebben op grond van de voorschreven bereidverklarende beschikking agrarische aktiviteiten ontplooid en ontplooien zij nog steeds vermelde aktiviteiten op het aan eiseres in allodiale eigendom en erfelijk bezit toebehorende perceelland als in het tweede sustenu van dit rekest vermeld.

5. Eiseres heeft gedaagden sub B tot en met J bij aangetekende brief van het vorenstaande in kennis gesteld en hen gesommeerd hun aktiviteiten ter plaatse te beeindigen en de plaats te verlaten.

6. Eiseres hoeft niet te dulden dat de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 23 april 1991 no. D 1715 die jegens eiseres non existent althans nietig danwel vernietigbaar is, een onrechtmatige daad constitueert en continueert en in strijd is met alle beginselen van behoorlijk bestuur en de regelgeving op het gebied van de eigendom en m.b.t. domaniale gronden, in stand blijft althans de onrechtmatige daad laat voortduren.

7. Eiseres heeft er belang bij dat de schade die zij lijdt, als gevolg van de door gedaagden sub B tot en met J voortgezette activiteiten op voorschreven perceelland, wordt beperkt en mitsdien een spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, hetgeen een beslissing in kort geding rechtvaardigt.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

a. zal worden geschorst althans zal worden opgeschort de werking van de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen dd. 23 april 1991 no.D.1715.

b. gedaagden sub B tot en met J zullen worden gelast zich te onthouden van alle handelingen op het ten rekeste vermelde perceelland en de arbeiders en/of personen van hunnentwege te verbieden zich op voormeld perceelland te begeven althans dit te betreden, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van Sf.500.000,– voor elke keer dat zij, gezamenlijk of afzonderlijk, dit verbod overtreden, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding;

Overwegende, dat De STAAT SURINAME, als gedaagde partij sub A in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zoals neergelegd in het Petitum van het Inleidend Rekest, althans aan eiseres de door haar gevorderde voorzieningen zullen worden ontzegd als onbewezen, en voor een behandeling in Kort Geding als veel te uitgebreid en omvangrijk om tot een voorlopige voorziening te geraken. Ook de afwezigheid van het spoedeisend karakter zal moeten leiden tot het niet toewijzen van het door eiseres gevorderde;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen daarbij tevens produkties overgelegd waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 21 december 1995 op de daarin opgenomen gronden alvorens verder te beslissen een comparitie van partijen heeft gelast en iedere verdere beslissing heeft aangehouden;

Overwegende, dat ter comparitie zijn verschenen: de directeur van eiseres, dhr. H.H.A.Vriesde, gedaagden sub G en H, dhr. Robby Roy Lagenhorst namens gedaagde sub D ten deze bijgestaan door de gemachtigden, die hebben verklaard, gelijk in het door de rechter opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van de gedaagden sub B t/m F een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 28 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden heeft beslist:

dat tegen gedaagde sub A geen voorziening is gevorderd;

gedaagden sub B tot en met sub J heeft gelast zich te onthouden van alle handelingen op het gedeelte groot + 77 ha, aangeduid op de kaart van de landmeter, Lcs.J.O.A.MANS, de dato 17 augustus 1994 met de letters g h n C M, van het perceel bekend als Afdeling I Sectie Coronie no. 52, vallende binnen de plantage Welgelegen, en de arbeiders en/of personen van hunnentwege te verbieden zich op voormeld gedeelte te begeven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van Sf.500.000,– per keer voor elke keer dat zij, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, in strijd handelen met dit vonnis;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut heeft verklaard;

gedaagden sub B tot en met sub J heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.4276,– (VIERDUIZEND TWEEHONDERD ZES EN ZEVENTIG GULDEN);

het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal P.MONKAU en anderen in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 28 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.SITARAM van 23 augustus 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota een produktie overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 16 oktober 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT :

Overwegende, dat de appellanten tijdig in hoger beroep gekomen zijn van de beslissing van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, rechtdoende in kortgeding, d.d. 28 maart 1996;

Overwegende, dat de geintimeerde als eiseres in eerste aanleg het onderhavige geding tegen de Staat Suriname en de appellanten aangespannen heeft op grond dat de Staat Suriname een deel van het aan de geintimeerde in allodiale eigendom en erfelijk bezit toebehorende perceel, gelegen in het distrikt Coronie en bekend als plantage Welgelegen- zoals in de gedingstukken nader aangegeven is- aan de appellanten handelende onder de naam ”Belangengroep Welgelegen” of N.V. Welgelegen i.o., in grondhuur wenst af te staan – waartoe zij een berechtverklaring ontvangen hebben – en oefenen de appellanten daarop landbouwactiviteiten uit;

Overwegende, dat de geintimeerde in het inleidend rekest onder andere vordert dat de appellanten, die allen in het distrikt Nickerie wonen, zich onthouden van alle handelingen op het ten rekeste vermelde perceelland en de arbeiders en/of personen van hunnentwege verbieden zich op het vermeld perceel te begeven, enz., (zie het petitum);

Overwegende, dat de essentiele rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is is of de appellanten inderdaad hun landbouwactiviteiten en daarmee samenhangende handelingen plegen op een deel van het perceel van de geintimeerde, waarbij het er niet toe doet of zij dat doen in prive, als deelgenoot in de ”Belangengroep Welgelegen” of in de naamloze vennootschap Welgelegen in oprichting (i.o.);

Overwegende, dat de N.V. Welgelegen i.o. bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.d. 23 april 1991 no.D 1715 een bereidverklaring tot uitgifte in grondhuur voor de uitoefening van de rijstbouw ontvangen heeft: het perceelland, vermoedelijk groot 120 ha, aangeduid met het nummer 21, onder voorwaarde dat binnen zes maanden te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking onder andere een door een landmeter in Suriname vervaardigde en door de Staat goedgekeurde uitmetingskaart in viervoud aan het Hoofd van de Dienst der Domeinen toegezonden wordt;

Overwegende, dat over de ligging van dat perceel in de bereidverklaring niets gezegd wordt en dus ook niet tot welke plantage dat behoort en hebben de appellanten geen uitmetingskaart ten processe overgelegd die ingevolge de bereidverklaring vereist was;

Overwegende, dat daarentegenover de geintimeerde eigendomsbescheiden en een uitmetingskaart (en dus geen figuratieve kaart zoals de appellanten beweren) van de landmeter J.O.A.Mans d.d. 17 augustus 1994 ten processe overgelegd heeft waaruit blijkt dat de bovengenoemde bereidverklaring aan de appellanten een deel van haar perceel bestrijkt en wel groot plusminus 77 ha, op de kaart aangeduid met de letters ghnCm;

Overwegende, dat ook al zouden er gebreken kleven aan de bovengenoemde kaart van de landmeter J.O.A.Mans in verband met eventuele kustafslag of kustaanwas van land in het distrikt Coronie dit een voorlopige beslissing niet in de weg staat als door de eerste rechter gegeven is, omdat in kort geding het om het aannemelijk maken van de eigen stellingen gaat en daarin is de geintimeerde, zoals uit het bovenoverwogenene blijkt, geslaagd;

Overwegende, dat de aangevoerde grieven tegen de beslissing van de eerste rechter dan ook falen en zal dat vonnis worden bevestigd, met veroordeling van de appellanten, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 28 maart 1996, waarvan beroep;

Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot op f………….;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellanten eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM-PANDAY,

fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 21 MEI 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.Matawlie namens hun gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.Lowe namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting

SRU-HvJ-1999-8

H.M.

GENERALE ROL NO.13893

[appellante], rechtspersoon, gevestigd te [district], voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.M.I.VOS, advokaat,

appellante in Kort Geding

in conventie,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt,

Mr.H.R.SCHU­RMAN, advo­kaat,

geïntimeerde in Kort Geding

in conventie,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 19 juni 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voor­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de gemachtigde van appellant een hier als gein­sereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen;

Overwegende, dat zijdens partij [geïntimeerde] hierna een – eveneens hier als geinsereerd aan te merken – schrif­telijke conclusie tot uitlating produktie is genomen;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen [naam 1], gehuwd [naam 2], directrice van de N.V. [appellante] en de heer [naam 3], President-Commissaris van de N.V. [appellante], die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal – staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen vervolgens – hier als geinsereerd aan te merken – schrif­telijke conclu­sies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 22 januari 1999, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie:

Overwegende, dat het Hof overneemt en volhardt bij zijn tussenvonnis van 19 juni 1998;

Overwegende, dat het Hof bij dit tussenvonnis onder meer aan zijn griffier heeft opgedragen te be­werkstelligen dat het procesverbaal van de in eerste aanleg op 13 oktober 1994 gehouden comparitie van partijen bij de voorliggende stukken wordt gevoegd;

Overwegende, dat blijkens mededeling van de grif­fier de griffie der Kantongerechten buiten staat is het betreffende proces-verbaal te produceren;

Overwegende, dat op de door het Hof bevolen compa­ritie van partijen namens de appellante zijn verschenen haar direc­trice, te weten [naam 1], gehuwd [naam 2] en haar President-Commissaris, te weten [naam 3];

Overwegende, dat geintimeerde, onder aanvoering dat zij vanwege een administratieve fout zijdens haar procesgemachtig­de niet op de comparitie is verschenen, heeft verzocht dat het Hof wederom een comparitie van partijen zal gelasten;

Overwegende, dat niets is gesteld omtrent de aard en de oorzaak van de beweerde fout en het Hof, gelet op het spoedei­send karakter van de onderhavige procedure, de opgegeven reden onvoldoende acht om het verzoek toe te wijzen;

Overwegende, dat het verzoek zal worden geweigerd;Overwegende, dat als door appellante gesteld en door geintimeerde niet gemotiveerd betwist en deels gestaafd door de overgelegde, niet betwiste, transport­akte d.d. 28 mei 1993 vaststaat dat appellante op 28 mei 1993 van [naam 4], handelende als gevolmachtigde van [naam 5] en [naam 6], heeft gekocht en door over­schrijving van voormelde akte in de daarvoor bestemde regis­ters op 1 juni 1993 in eigendom heeft verkregen het erf met daarop staande gebouwen aan [adres 1] te [district];

Overwegende, dat op grond van de stellingen van partijen, een en ander voor zover niet betwist en gestaafd door de inhoud van door appellante overgelegde brief d.d. 27 mei 1993, voldoende is bewezen dat gein­timeerde de woning aan [adres 2] (in het inleidend verzoekschrift staat kennelijk abusievelijk [adres 1]) voor de duur van drie maanden en eindi­gende op 31 juli 1993 heeft gehuurd van de rechtsvoorgangers van appellante;

Overwegende, dat geintimeerde haar, door appellan­te betwiste, stelling dat zij de woning voor onbepaalde tijd heeft gehuurd niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat aan deze stelling verder voorbij wordt gegaan;

Overwegende, dat appellante vanaf de dag van de eigen­domsverkrijging, te weten 1 juni 1993, als eige­naar van het door geintimeerde gehuurde pand heeft te gelden;

Overwegende, dat geintimeerde blijkens eerderge­noemde brief van 23 mei 1993 zich op die datum tegen­over de rechts­voorgangers van appellante heeft verbon­den de woning uiterlijk op 1 augustus 1993 te ontrui­men;

Overwegende, dat geintimeerde heeft aangevoerd, naar het Hof begrijpt, dat zij zich tot de ontruiming uiterlijk op 1 augustus 1993 heeft verbonden onder voorwaarde dat zij over een andere woning beschikte;

Overwegende, dat geintimeerde deze, door appellan­te betwiste stelling evenmin aannemelijk heeft gemaakt en daaraan eveneens verder wordt voorbijgegaan;

Overwegende, dat geintimeerde zich heeft beroepen op een vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 maart 1963, volgens welke aan de huurder het recht toekomt zich op huurbescherming te beroepen ook al zou bij het sluiten van de huurovereenkomst zijn over­eengekomen dat de huurder de woning op een bepaalde datum zou ontruimen;

Overwegende, dat voormeld beroep niet opgaat, omdat geintimeerde zich niet bij het aangaan van de huurovereenkomst maar tijdens de loop daarvan tot de ontruiming uiterlijk op 1 augustus 1993 heeft ver­plicht;

Overwegende, dat appellante terecht heeft aange­voerd dat het beroep van geintimeerde op huurbescher­ming, gelet op de hierboven vermelde afspraak, in strijd is met de goede trouw;

Overwegende, dat de huurovereenkomst derhalve is geëin­digd op 31 juli 1993 en geintimeerde sindsdien zonder recht of titel in de woning verblijft;

Overwegende, dat appellante zich gegriefd gevoeld door de overweging van de Kantonrechter dat zij, appel­lante, haar vordering de grond had ingeboord doordat bij de in eerste aanleg gehouden comparitie namens haar was verklaard dat geintimeerde de huurpenningen ad f.300 per maand nog steeds betaalt en door haar, appel­lante, ook werd ontvangen;

Overwegende, dat bij de in hoger beroep gehouden inlich­tingencomparitie namens appellante is toegelicht op welke huurbetaling de mededeling in eerste aanleg betrekking had;

Overwegende, dat het Hof op het zonder gebleken veront­schuldigende reden wegblijven van geintimeerde van de inlich­tingencomparitie het vermoeden grond dat die toelichting waar is;

Overwegende, dat mitsdien vaststaat dat geinti­meerde in de periode tussen 28 mei- en 31 juli 1993 de huurpenningen over de maand juni 1993 aan appellant heeft betaald;

Overwegende, dat nu appellante sinds 1 juni 1993 als eigenaar geldt van de woning, het aannemen van de huurpennin­gen over de maand juni 1993 niet in strijd is met haar stel­ling dat geintimeerde sinds 31 juli 1993 zich zonder recht of titel in de woning bevindt;

Overwegende, dat appellante zich derhalve terecht ge­griefd voelt door de hierover weergegeven overweging van de Kantonrechter;

Overwegende, dat waar, zoals hierboven is aangeno­men, geintimeerde sinds 31 juli 1993 zonder recht of titel in de woning ver­blijft, de primaire vordering toewijsbaar is;

Overwegende, dat het beroepen vonnis, voor zover in conventie gewezen, behoort te worden vernietigd;

Overwegende, dat geintimeerde als de in het onge­lijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

In conventie:

Weigert het verzoek van geintimeerde tot het opnieuw bevelen van een inlichtingencomparitie;

Vernietigt het vonnis, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en op 20 oktober 1994 uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

In conventie:

Veroordeelt geintimeerde om binnen 1 (EEN) MAAND na de betekening van dit vonnis de woning aan [adres 1] ([adres 2]) te ontruimen en te verla­ten en ter vrije en algehele beschikking van appel­lante te stellen, met medeneming van al de daarin van harentwege zich bevindende personen en goederen;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Machtigt appellante om, indien geintimeerde in gebreke mocht blijven aan voormelde veroordeling te voldoen, de ont­ruiming zelf te bewerkstelligen, des­noods met behulp van de Sterke Arm;

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten aan de zijde van de appellante gevallen en begroot op f……

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advo­kaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geinti­meerde op f.750,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Funge­rend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgespro­ken ter open­bare te­rechtzitting van het Hof van Justi­tie van VRIJ­DAG, 21 mei 1999, in tegen­woordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.R.LIM A PO namens haar gemachtigde, advokaat Mr.M.I.VOS is bij de uit­spraak ter terechtzitting verschenen, terwijl geinti­meerde noch in persoon noch bij gemach­tigde is ver­sche­nen.

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2005-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14211

[appellant], wonende te [district], aan [adres 1] voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. C. Ch. Bhagwandien, advokaat,

appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr. E.C.M. Hooplot, advokaat

geintimeerde,

De Waarnemend – President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 2 april 2002, 21 november 2002 en 6 januari 2004 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 januari 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiseres op 25 januari 1979 in het ressort B/P te Paramaribo volgens het huwelijksbesluit der Mohamedanen in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met [appellant] , wonende te [district] aan [adres].

2. dat uit het huwelijk de navolgende nog in leven zijnde minderjarige kinderen zijn geboren t.w.

a. [naam 1], geboren te [district] op [datum 1]

b. [naam 2], geboren te [district] op [datum 2]

3. dat verzoeksters echtgenoot staande der partijen huwelijk vleselijke gemeenschap heeft gehad met een andere vrouw dan verzoekster en mitsdien zich aan overspel heeft schuldig gemaakt.

4. dat verzoeksters echtgenoot geheel tegen de zin van verzoekster en uiteraard zonder haar goedvinden met een andere vrouw in gezinsverband samenwoont, zodat hij niet in staat is verzoekster in die woning te ontvangen, weshalve partijen gescheiden leven en zulks reeds ongeveer 15 jaren.

5. dat gedaagde zelfs weigert zijn kinderen uit het huwelijk met verzoekster te ontvangen en deze steeds wegjaagt wanneer deze hem opzoeken. Tijdens de samenleving heeft gedaagde deze kinderen mishandeld wanneer hij onder invloed van alcohol verkeerde, hetgeen een vrijwel dagelijks verschijnsel was. Hij is daarom ook niet bereid een bijdrage in hun levensonderhoud te doen, hoewel hij het gehele gemeenschappelijke vermogen tot zich heeft genomen en onder zijn beheer heeft met uitsluiting van verzoekster.

6. dat gedaagde waar hij verzoekster ook tegenkomt, haar mondeling bedreigt met een misdrijf tegen het leven, haar voorts beledigt en liederlijke taal toevoegt, terwijl hij ook aan der partijen minderjarige kinderen voor verzoekster ernstige beledigende mededelingen in strijd met de waarheid doet, als bijvoorbeeld dat verzoekster een hoer is.

7. dat verzoekster en de minderjarigen in behoeftige omstandigheden verkeren en de gedaagde niet in hun levensonderhoud voorziet, hoewel hij daartoe best in staat is om voor de kinderen Sf. 50.000,= per kind per maand bij te dragen, zulks gelet op zijn inkomen van minimaal Nf 2.500,= per maand.

8. dat verzoekster gehuwd is krachtens het huwelijksbesluit der Mohammedanen en zij krachtens dit besluit vooraf geen verlof behoeft te krijgen de onderhavige vordering tegen haar echtgenoot in te stellen.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat tussen partijen gehuwd als voormeld de ontbinding van het huwelijk zal worden uitgesproken met alle wettelijke gevolgen van dien;

gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de Rechter te bepalen termijn met verzoekster over te gaan tot scheiding en deling van de goederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de Wet; Kosten rechtens.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiseres in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen. Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 2 april 2002 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

iedere verdere uitspraak is aangehouden;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 6 januari 2004 op de daarin opgenomen gronden;

De echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 25 januari 1979 in het ressort P/B heeft uitgesproken;

Heeft bepaald dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij over het nog minderjarig kind van partijen zal worden gehouden in een van de zalen van dit gerecht aan de Frederik Derbystraat no. 79-81 te Paramaribo op dinsdag 18 mei 2004 ‘s morgens om half negen;

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen;

Heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de boedelscheiding zullen worden verricht, Mr. R.G. Rodrigues, notaris te Paramaribo danwel diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 6 januari 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L. Tran van Can-Doesburg van 4 augustus 2004 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende ten dage van pleitnota peremptoir bepaald advokaat Mr. S. Mangroelal namens advokaat Mr. Ch. Bhagwandin recht op stukken heeft gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier gebleken is appellant als gedaagde, in eerste aanleg bij de uitspraak de dato 6 januari 2004 van het vonnis waarvan beroep noch in persoon noch bij gemachtigde tegenwoordig was geweest;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een partij, die bij de uitspraak van een eindvonnis niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van het vonnis bij aangetekende dienstbrief moet mededelen;

Overwegende, dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van dat vonnis op de hoogte zullen zijn opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd Wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt te rekenen vanaf de dag waarop het eindvonnis is medegedeeld;

Overwegende, dat naar het Hof gebleken is, de dienstbrief niet aan appellant verzonden is;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier eveneens blijkt appellant op 27 januari 2004 in beroep is gekomen van het vonnis van 6 januari 2004;

Overwegende, dat nu het niet verzenden van de dienstbrief niet kan hebben bewerkt, dat op 25 januari 2004 de appeltermijn een aanvang nam, het Hof appellant in zijn tegen het vonnis de dato 6 januari 2004 aangetekend appel niet ontvankelijk zal verklaren;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

Verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn tegen het vonnis de dato 6 januari 2004 aangetekend appel;

Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen en begroot op SRD 75,=;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 75,=;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellant eveneens op SRD 75,=;

Aldus gewezen door: Mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend – President, Mr. K. Pultoo en Mr. Drs. C.C.L.A. Valstein – Montnor, leden en door de Waarnemend – President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 juni 2005, in tegenwoordigheid van Mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend – Griffier.

 

 

 

 

SRU-HvJ-2009-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL No. 14338

[appellant], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 14, bij het Advocatenkantoor Lim A Po, voor wie als gemachtigde optrad mr. F. Kruisland, die thans vervangen wordt door mr. B.A. Halfhide, advocaat,

appellant,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, zetelende te Paramaribo, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramarbo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

geïntimeerde,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie in Suriname,

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 6 december 2007 en 18 juli 2008 tussen partijen gewezen en uitgesproken,

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist voorts;

Overwegende, dat tijdens de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 10 oktober 2008 zijn verschenen, partijen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. B.A. Halfhide en mr. E.C.M. Hooplot en mr. Jairam vertegenwoordiger van de Staat Suriname, waarbij het volgende naar voren is gekomen: appellant heeft verklaard bereid te zijn om een schikking te treffen, daar de procedure nog te lang duurt. de Rechter-Commissaris heeft het voorstel gedaan dat procespartijen met een schikking c.q. oplossingsmodellen komen en die uiterlijk 24 oktober 2008 aan de Rechter-Commissaris schriftelijk kenbaar maken;

Overwegende, dat er een schikkingsvoorstel is ontvangen namens de gemachtigde van appellant;

Overwegende, dat tijdens de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen d.d. 24 oktober 2008 zijn verschenen, partijen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. B.A. Halfhide en mr. E.C.M. Hooplot, waarbij het volgende naar voren is gebracht: mr. B.A. Halfhide heeft een schikkingsvoorstel gestuurd voor mr. E.C.M. Hooplot die het vervolgens gestuurd heeft naar de Procureur-Generaal. Afgesproken is dat ingeval de Procureur-Generaal met een tegenvoorstel komt mr. E.C.M. Hooplot het zal opsturen naar het Hof van Justitie voor 5 december 2008, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van vrijdag, 5 december 2008 inzake uitlating zijdens geïntimeerde over schikkingsvoorstel;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde, advocaat mr. E.C.M. Hooplot een schriftelijke conclusie tot uitlating schikking heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak had bepaald op 20 februari 2009, doch na meerdere malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende, dat appellant het volgende aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd:

– geappelleerde heeft zijn perceel genaderd bij besluit van de President van de Republiek Suriname [nummer], dd. 2 april 1997.

– als gevolg van deze nadering is geappelleerde een schadeloosstelling aan hem verschuldigd.

– de door geappelleerde verschuldigde schadeloosstelling bedraagt de waarde van het perceel ten tijde van de nadering.

– volgens appellant bedroeg de waarde van het perceel ten tijde van de nadering € 404.981,19.

– volgens appellant is er een taxatierapport uitgebracht door de taxateur Ing. R.U. Kruisland gedateerd 3 juli 1997 met betrekking tot de totale waarde van een aantal percelen in totaal groot 884.001,33 m², waarin begrepen het perceel van appellant (groot 66.245,61). De taxatiewaarde van het totaal perceel is begroot op Nf. 5.173,267,29. Volgens appellant is de waarde van zijn perceel dus: 66.245,61 m²/884.001,33 m² x Nf 5.173.267,29 = Nf 892.461,09 of € 404.981,19.

– geappelleerde heeft reeds aan hem (op grond van een kort geding vonnis) betaald het bedrag van Sf. 376.771,906,87, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de nadering.

Overwegende dat geappelleerde de volgende weren heeft aangevoerd:

– appellant had een vordering tegen geappelleerde in kort geding ingediend terzake betaling van de schadeloosstelling. Deze zaak is bekend onder AR no. 984968. De oorspronkelijke vordering van appellant bedroeg:

– Primair: Sf 215.298.232,50 en subsidiair een voorschot te weten: Sf. 205.000.000. Het primair bedrag werd door appellant onderbouwd middels een op verzoek van hem door de taxateurs Kruisland e.a. opgemaakte taxatierapport dd. 4 september 1998, met betrekking tot de waarde van het slechts aan hem toebehorend perceelland.

– gedurende de behandeling heeft appellant een incidentele conclusie genomen tot vermeerdering van eis als gevolg van de devaluatie op dat moment. Het bedrag van Sf 215.298.232,50 is toen vermeerderd tot Sf. 376.771.906,87 (het bedrag is met ongeveer 75% vermeerderd).

Dit komt omdat bij de indiening van de vordering op 19 november 1998 de waarde van de Surinaamse gulden ten opzichte van de Amerikaanse Dollar bedroeg Sf. 406 voor US$ 1. Echter is op 1 januari 1999 de Surinaamse gulden gedevalueerd en was de verhouding Sf 700,– voor US$ 1.

– Bij kortgeding vonnis dd. 2 juni 2000 is geappelleerde veroordeeld om het bedrag van Sf 376.771.906,87 aan appellant te betalen. Middels een betalingsregeling heeft geappelleerde ondertussen voldaan aan dat vonnis.

– Pas 4 jaar na de uitspraak heeft appellant een bodemvordering aanhangig gemaakt waarin hij een totaal ander bedrag vordert te weten € 404.981,19.

– Geappelleerde stelt zich op het standpunt dat in kort geding de totale schade al is vergoed. Tijdens het kort geding proces is ook rekening gehouden met de waarde van het betreffende perceel ten tijde van nadering, met name bij de eisvermeerdering.

– Indien het in kort geding gevorderd bedrag betrof een voorschot, dan had dat uit het rekest moeten blijken;

Overwegende, dat de kantonrechter in eerste aanleg de vordering van appellant (toen eiser) heeft afgewezen ervan uitgaande dat deze zijn vordering onvoldoende had gemotiveerd en met stukken onderbouwd dat het perceel de waarde had van € 404.981,19.

Overwegende dat het Hof van oordeel is dat het vonnis van de kantonrechter in eerste aanleg dient te worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden te weten:

1. Bij de vordering in kort geding heeft appellant een taxatierapport (dd. 4 september 1998 van Ing. Kruisland) overgelegd om zijn vordering te onderbouwen. Hij heeft vervolgens als gevolg van de devaluatie een eisvermeerdering gevraagd hetgeen hem ook is toegestaan. Uit het verzoekschrift in kort geding blijkt dat appellant nimmer te kennen heeft gegeven dat het gevorderde een voorlopige voorziening betreft en dat hij zich het recht voorbehoud om indien nader zou blijken dat het perceel een andere waarde had, dit alsnog gevorderd zou worden bij de bodemrechter. In tegendeel wordt in het verzoekschrift de indruk gewekt als zou de totale schadeloosstelling bedragen Sf. 376.771.906,87. Door achteraf, en wel 4 jaren nadat het kort geding vonnis is gewezen, te constateren dat het perceel een hogere waarde had bij de nadering daarvan, is het Hof van oordeel dat appellant niet te goeder trouw is. Bovendien is gesteld noch gebleken dat appellant ten tijde van de vordering in kort geding had gedwaald met betrekking tot de waarde van het perceel. Hij heeft namelijk zelf het perceel doen taxeren. Geappelleerde had er gerechtvaardigd van uit kunnen en moeten gaan dat met de betaling van het bedrag welk in kort geding is toegewezen aan appellant, de zaak afgehandeld was. Verder dient nog te worden opgemerkt dat het door appellant in het kortgeding overgelegd taxatie rapport, betreft een taxatie van zijn perceel alleen, terwijl het rapport waarop hij zich thans beroept een rapport betreft van een groot gebied waaronder zijn perceel. Het is nog maar de vraag of het perceel van appellant dezelfde waarde heeft ten opzichte van de andere percelen, immers dient bij de taxatie van percelen rekening te worden gehouden met onder meer de ligging, de cultuur van het perceel etc.

2. De stelling van appellant dat in kort geding slechts een voorlopige voorziening wordt gegeven gaat niet op omdat, terecht zoals geappelleerde aanvoert, naar moderne rechtsopvattingen en de thans gevolgde gedragslijn bij de rechtspleging in kort geding zaken de volledige schadevergoeding c.q. schadeloosstelling mag worden gevorderd en toegewezen mits de schuldplichtigheid en de schadeomvang ten processe vaststaat.

3. Ook heeft appellant aangevoerd dat geappelleerde niet direct na de uitspraak het bedrag heeft betaald doch na een bepaalde periode. Ook deze stelling gaat niet op omdat appellant zelf ertoe is overgegaan om een betalingsregeling met geappelleerde te treffen. Bovendien had hij de mogelijkheid om het vonnis te executeren als het hem te lang duurde.

4. Voor wat betreft de gevorderde wettelijke rente met ingang van de datum van de nadering van het perceel is het Hof van oordeel dat deze dient te worden afgewezen, omdat ingevolge artikel 1271 BW de wettelijke rente wordt toegewezen met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift. Dit laatste heeft de kantonrechter in kort geding ook toegewezen.

Overwegende, dat appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten dient te worden veroordeeld.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP

Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton dd. 4 juli 2006 bekend onder no. 042505 onder verbetering van de gronden.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door zijn gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. A.A. Hermelijn en mr. I.S. Chhangur-Lachtitjaran, Leden-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 juli 2009, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. R.G. Rodrigues

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2010-1

G.R. 14462

HET HOF VAN JUSTITIE IN SURINAME

In de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

gemachtigde: mr. R.G. Beckles, advocaat;

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat,

inzake hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 15 mei 2006 (A.R. 013387) tussen appellant (hierna “[appellant]” te noemen) als gedaagde en geïntimeerde (hierna “[geïntimeerde]” te noemen) als eiseres.

Spreekt de Fungerend President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 29 november 2006 – tijdig – hoger beroep heeft ingesteld;

– pleitnota d.d. 16 oktober 2009, met producties;

– antwoordpleitnota d.d. 15 januari 2010, met producties;

– repliek pleitnota d.d. 19 maart 2010, met producties;

– dupliek pleitnota d.d. 21 mei 2010, met producties;

– conclusie uitlating producties d.d. 18 juni 2010.

De beoordeling

1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

1.1 Partijen zijn met algehele uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd geweest van 29 januari 1972 tot 3 juni 1992. Op laatstgenoemde datum is het vonnis d.d. 28 januari 1992 waarbij tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

1.2 Het perceelland waarop de voormalige echtelijke woning is gelegen, op het [adres], behoort blijkens het in geding gebrachte hypothecaire uittreksel d.d. 7 augustus 2001 in eigendom toe aan [appellant] en is thans vrij van hypotheek. Na de echtscheiding van partijen is [geïntimeerde] met de vier kinderen van partijen in de woning blijven wonen.

1.3 De verkoopwaarde van het perceel is door een makelaar op 17 september 2001 getaxeerd op een bedrag van f 125.700,-.

1.4 [geïntimeerde] heeft op 19 oktober 2001 conservatoir beslag doen leggen op de woning.

2.1 [geïntimeerde] heeft primair gevorderd, kort weergegeven, [appellant] te veroordelen om met [geïntimeerde] over te gaan tot scheiding en deling van het litigieuze perceel. Subsidiair heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van Nf 64.235,-, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot de dag der algehele voldoening. Voorts heeft [geïntimeerde] gevorderd het gelegde conservatoir beslag van waarde te verklaren.

[geïntimeerde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat partijen vanaf het begin van het huwelijk de afspraak hebben gemaakt dat, niettegenstaande de omstandigheid dat het perceel (formeel) op naam van [appellant] is gesteld, de aanschaf van het perceel en de bouw van de echtelijke woning op dat perceel, door partijen gezamenlijk zouden worden gefinancierd en wel zodanig dat ieder van partijen voor de helft zou bijdragen in de kosten. Daaruit volgt dat [geïntimeerde], zo voert zij aan, gerechtigd is tot de helft van de waarde van de woning.

2.2 [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

2.3 Nadat de kantonrechter bij vonnis van 6 april 2004 een comparitie van partijen had gelast, heeft hij bij het vonnis waarvan beroep van 15 mei 2006 de primaire vordering afgewezen en het subsidiair gevorderde toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat van een afspraak tussen partijen zoals door [geïntimeerde] gesteld niet is gebleken maar dat uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat gedurende het huwelijk rente- en aflossingsverplichtingen werden voldaan uit de door partijen gezamenlijk gehouden bankrekening (en/of rekening) waarop ook het salaris van [geïntimeerde] werd gestort, en dat het redelijk is dat de door [geïntimeerde] in het onroerend goed gedane investeringen aan haar worden vergoed.

2.4 Het hoger beroep heeft de strekking het gehele geschil opnieuw te doen beoordelen door het hof. [appellant] concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot niet-ontvankelijkheidsverklaring van [geïntimeerde] in haar vordering, althans tot afwijzing van die vordering. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat hij in 1972 twee kavels heeft aangekocht en geheel alleen heeft afgelost, dat hij vervolgens één kavel heeft verkocht en met de opbrengst en eigen geld de bouw van de woning op de andere kavel heeft bekostigd. Volgens [appellant] waren partijen al een groot aantal jaren gehuwd alvorens de gezamenlijke rekening werd geopend en zijn de rentebetalingen en aflossingen ter zake van de hypothecaire geldlening ook vanaf dat moment grotendeels voor rekening van [appellant] gekomen, die immers een veel hoger salaris had. [appellant] voert voorts aan dat [geïntimeerde] sinds 1992 in de woning woont zonder daarvoor enige vergoeding te betalen en dat de reparaties aan het huis grotendeels voor rekening van [appellant] zijn gekomen.

2.5 Op de door [geïntimeerde] in hoger beroep ingenomen standpunten zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

2.6 Tegen het oordeel van de kantonrechter dat tussen partijen geen (eenvoudige) gemeenschap met betrekking tot het litigieuze perceel is ontstaan is – terecht – niet gegriefd en is in hoger beroep ook niet anderszins bezwaar gemaakt. Ook in hoger beroep dient er derhalve van te worden uitgegaan dat het perceel niet aan partijen gezamenlijk maar alleen aan [appellant] in eigendom toegehoorde.

2.7 In geval van uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, zoals in het onderhavige geval, kunnen vergoedingsrechten ontstaan indien de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot middelen ter beschikking heeft gesteld ter financiering van een goed dat de andere echtgenoot in eigendom verkrijgt. Met betrekking tot deze vergoedingsrechten geldt dat die in beginsel slechts strekken tot vergoeding van een gelijk bedrag als destijds door de andere echtgenoot is verschaft, zonder verrekening van de waardevermeerdering of waardevermindering die de gefinancierde goederen bij het einde van het huwelijk blijken te hebben ondergaan. Uitzonderingen op dit beginsel, in die zin dat de echtgenoot die middelen heeft verstrekt tevens aanspraak kan maken op de waardevermeerdering van de goederen die zijn gerealiseerd, zijn mogelijk indien de goede trouw zich tegen de toepasselijkheid van hetgeen bij huwelijkse voorwaarden is overeengekomen verzet. Bij het aannemen van een dergelijke uitzondering past evenwel terughoudendheid, omdat voorop dient te staan dat partijen zijn gebonden aan hetgeen zij zijn overeengekomen.

2.8 Op grond van de in het geding gebrachte stukken kan worden opgemaakt dat het perceel in 1972 door [appellant] is aangekocht voor een bedrag van Sfl. 5.675,- en dat het perceel in 1988 met (een tweede) hypotheek is bezwaard voor een bedrag van Sfl. 63.000,-.

2.9 [appellant] heeft bij conclusie na verhoor in eerste aanleg erkend dat [geïntimeerde] een bedrag van SRD. 1.035,64 heeft betaald ter zake van premies voor de brandverzekering. Voorts heeft [appellant] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] in 1993 en in l998 reparaties aan de woning heeft laten verrichten voor respectievelijk Nf. 235,- en Nf. 2.220,-. De vordering is in ieder geval toewijsbaar tot deze bedragen.

2.10 [geïntimeerde] heeft gesteld dat de aankoop van de woning, hoewel die, alleen op naam van [appellant] stond geregistreerd, door beide partijen is gefinancierd en dat de hypothecaire verplichtingen steeds uit de gezamenlijke bankrekening van partijen zijn voldaan. [geïntimeerde] heeft een aantal bankafschriften in het geding gebracht waaruit blijkt dat maandelijks een bedrag van Sf. 650,- werd betaald ter zake van de hypothecaire schuld.

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat, voor zover de hypotheekaflossingen zijn voldaan uit de bankrekening waarop het salaris van beide partijen werd gestort, kan worden aangenomen dat die betalingen ten laste van beide partijen zijn gekomen en dat [geïntimeerde] kan worden geacht daarin voor de helft te hebben bijgedragen. Nu daaromtrent niets anders is gesteld of gebleken gaat het hof ervan uit dat de maandelijkse betalingen van Sf. 650,- alleen aflossingen op de hypotheek en geen rentebetalingen betroffen.

2.11 [appellant] heeft in hoger beroep echter uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat het perceel (grotendeels) door partijen is gefinancierd. Volgens [appellant] is het perceel destijds aangekocht met zijn eigen geld en hebben partijen alleen in een relatief korte periode, namelijk van 15 november 1988 tot en met augustus 1991, een gezamenlijke bankrekening aangehouden waaruit toen de hypotheeklasten zijn voldaan.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] tegenover deze uitdrukkelijke betwisting niet aangetoond dat zij gedurende een langere periode dan zojuist genoemd heeft bijgedragen aan de betaling van de hypotheekschuld. Weliswaar kan uit de in het geding gebrachte rekeningafschriften worden opgemaakt dat op de desbetreffende rekening waarmee de hypotheeklasten werden betaald, het salaris van ieder van partijen werd gestort, maar die rekeningafschriften betreffen geen langere periode dan die zojuist genoemd. [geïntimeerde] heeft van haar desbetreffende stelling ook geen specifiek bewijs aangeboden.

Voorts staat vast dat [geïntimeerde] in ieder geval na de echtscheiding van partijen in 1992 niet meer heeft bijgedragen aan de betaling van de hypotheeklasten.

2.12 Het hof overweegt in dit verband voorts dat [appellant] in hoger beroep een bankafschrift van de hypotheekrekening in het geding heeft gebracht (productie H5 bij pleitnota) waaruit volgens hem blijkt dat de hypotheekschuld in het eerste kwartaal van 1994 nog een bedrag van Sf. 50.901, 75 beliep. [geïntimeerde] heeft de juistheid van dit afschrift weliswaar betwist, maar laat na aan te tonen – dan wel specifiek bewijs aan te bieden – dat de (gezamenlijke) betalingen hebben geleid tot een algehele althans grotere aflossing van de hypotheekschuld.

2.13 Voorts kan naar het oordeel van het hof de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte taxatie d.d. 17 september 2001 niet dienen als grondslag voor haar vordering. Slechts de investeringen die [geïntimeerde] gedurende het huwelijk van partijen in het perceel heeft gedaan kunnen in aanmerking worden genomen en alleen de waardevermeerdering die het perceel tot aan het einde van het huwelijk in 1992 heeft ondergaan zou dan ook in aanmerking hebben kunnen zijn genomen. In dit geval is evenwel in het geheel niet komen vast te staan wat de waarde van het perceel per het einde van het huwelijk is geweest. Dat van een aanmerkelijke waardevermeerdering sprake is geweest die mede het gevolg is geweest van de door [geïntimeerde] gedane investeringen, is dan ook niet komen vast te staan.

2.14 Gelet op het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van het hof geen uitzondering worden aangenomen op het beginsel dat in geval van “koude uitsluiting” vergoedingsrechten slechts strekken tot vergoeding van het nominale bedrag dat de ene echtgenoot heeft geïnvesteerd in de aan de andere echtgenoot toebehorende goederen, zonder verrekening van de waardevermeerdering die de gefinancierde goederen bij het einde van het huwelijk heeft ondergaan. Dat betekent voor het onderhavige geval dat slechts de helft van de hypotheekbetalingen die in de periode van 15 november 1988 tot en met augustus 1991 zijn gedaan voor toewijzing vatbaar is (34 maanden x Sf. 325,-), evenals de rechtsoverweging 2.9 genoemde bedragen,. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat het inleidende verzoekschrift is ingediend.

2.15 Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en de vordering zal tot de hiervoor genoemde bedragen worden toegewezen. In deze beslissing ziet het hof aanleiding de proceskosten betreffende beide instanties te compenseren.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep;

alsnog rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] tegen kwijting te betalen (het equivalent van) de volgende bedragen: SRD 1.035,64 (EENDUIZEND VIJF EN DERTIG SURINAAMSE DOLLAR EN VIER EN ZESTIG CENTEN), Nf 2.455,- (TWEE DUIZEND VIERHONDERD VIJF EN VIJFTIG NEDERLANDSE GULDEN), en Sf . 11.050,- (ELF DUIZEND VIJFTIG SURINAAMSE GULDEN), steeds vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 29 oktober 2001 tot de dag der algehele voldoening;

Verklaart hetgeen hiervoor is beslist uitvoerbaar bij voorraad;

Verklaart van waarde het bij exploit van deurwaarder D. Hieralal d.d. 19 oktober 2001 no. 55 gelegde conservatoir beslag;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Compenseert de proceskosten van beide instanties in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Rodrigues, Lid en mr. S.M.M. Chu, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 december 2010, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Wnd.Subt.-Griffier.

w.g. R.R.Brijobhokun w.g. D.D. Sewratan

SRU-HvJ-2011-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[eiser],

wonende te [district],

eiser, hierna aangeduid als “[eiser]”,

gemachtigde: mr. S.R. Heijmans, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën,

zetelende te Paramaribo,

verweerster, hierna aangeduid als “de staat”,

gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– verzoekschrift d.d. 14 mei 2009, ter griffie ontvangen op die datum, met productie;

– verweerschrift d.d. 6 augustus 2009;

– de beschikking van het hof van 10 augustus 2009 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 6 november 2009;

– pleitnota d.d. 19 februari 2010, met productie;

– antwoordpleidooi d.d. 16 april 2010;

– akte uitlating aan de zijde van [eiser] d.d. 3 december 2010;

– akte uitlating aan de zijde van de staat d.d. 4 februari 2011.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. Bij besluit van de Minister van Financiën d.d. 30 januari 2009 met La.F. Pz.[nummer 1] is onder meer het volgende aan [eiser] meegedeeld (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift):

“OVERWEGENDE

(…)

dat blijkens het schrijven van de Griffier der Kantongerechten van 15 december 2008, de heer [eiser] voornoemd, bij vonnis van de Kantonrechter in het tweede Kanton van 13 mei 2008 is veroordeeld tot:

a. een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE JAAR EN ZES MAANDEN, (…)

b. bevel tot gevangenhouding en een geldboete van EENHONDERDDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR (…)

c. bevel tot terugbetaling van het bedrag groot SRD 300.000,– (…).

(…)

HEEFT BESLOTEN:

I. Vast te stellen, dat de ambtenaar B in vaste dienst op de afdeling Comptabiliteit van het Ministerie van Financiën, de heer [eiser], ingevolge artikel 66 lid 2 onder a van de aangehaalde “Personeelswet”, gedurende de periode van inverzekeringstelling, te rekenen van 19 augustus 2007, in de uitoefening van zijn functie is geschorst, (…), de inkomsten voor de helft worden ingehouden.

II. Op grond van het vorenoverwogene, de heer [EISER] voornoemd, ingevolge artikel 61 lid 1 onder j van de “Personeelswet” ontslag uit Staatsdienst wordt verleend, te rekenen vanaf de dag volgende op die waarop de inhoud van dit besluit tot ontslag overeenkomstig artikel 71 lid 5 van de aangehaalde “Personeelswet” te zijner kennis is gebracht.”

1.2. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis in de strafzaak.

2.1. [eiser] vordert nietigverklaring van het besluit d.d. 30 januari 2009 La. F. Pz. [nummer 1], waarbij hem ontslag is verleend. Daarnaast vordert hij dat de staat wordt veroordeeld hem weder te werk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van

Srd 10.000,00 voor iedere dag dat de staat in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, alsmede tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van het achterstallige loon, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, één en ander met veroordeling van de staat in de kosten van het geding.

2.2. De staat voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer en op de overige standpunten van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.3.1. De staat heeft bij beschikking d.d. 17 mei 2010 met LaF.PZ. [nummer 2] het ontslagbesluit ingetrokken. Deze beschikking is op 13 oktober 2010 aan [eiser] bekend gemaakt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [eiser] geen belang meer heeft bij zijn vordering tot nietigverklaring van het aan hem gegeven ontslag.

3.3.2. [eiser] heeft de vordering tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van het onbetaald gebleven salaris, de wettelijke rente en de wettelijke verhoging expliciet gehandhaafd. De staat heeft hieromtrent bij akte uitlating aangevoerd dat zij inmiddels het volledige salaris heeft betaald. Aangezien [eiser] nog niet heeft kunnen reageren op deze stelling, wordt hij hiertoe alsnog in de gelegenheid gesteld. Voorts dient hij zich bij die gelegenheid uit te laten omtrent de vraag of hij zijn vordering tot wedertewerkstelling wenst te handhaven.

3.3.3. Het hof overweegt voor het overige thans reeds als volgt. In artikel 79 van de Personeelswet is de bevoegdheid van het hof in ambtenarenzaken vastgelegd. In dit artikel zijn de vorderingen waarover het hof bevoegd is te oordelen limitatief opgesomd. [eiser] vordert betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW. Naar het oordeel van het hof kan dit deel van de vordering niet worden begrepen als een vordering bedoeld in artikel 79 lid 1 sub a PW (kort gezegd een vordering tot nietigverklaring van een besluit) of sub c (kort gezegd een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het achterwege laten van een besluit of handeling dan wel het voorzetten of herhalen van een handeling). In artikel 79 lid 1 sub b PW is bepaald dat het hof bevoegd is te oordelen over, kort gezegd, een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit, onder meer, het nalaten van een handeling. In het onderhavige geval staat vast dat de staat heeft nagelaten het salaris (tijdig) te betalen. In zoverre zou de vordering van [eiser] kunnen worden begrepen als een vordering bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b PW. De wettelijke verhoging, die de werkgever verschuldigd is bij niet-tijdige betaling van het salaris, is echter niet bedoeld als een (gefixeerde) schadevergoeding, maar als een prikkel om de werkgever te bewegen tot tijdige betaling (verg. HR 5 januari 1979, NJ 1979/207). Tijdige betaling van het salaris is immers van groot belang voor de werknemer, aangezien hij zijn levensbehoefte afstemt op de periodieke ontvangst van zijn salaris. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de vordering van [eiser] evenmin is te begrijpen als een vordering in de zin van artikel 79 lid 1 sub b PW. Het hof is dan ook niet bevoegd om van dit deel van de vordering kennis te nemen, nog daargelaten de vraag of artikel 1614q BW van toepassing is op de rechtsrelatie tussen een ambtenaar en de staat.

3.3.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 1614q BW;

verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 1 april 2011 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] omtrent hetgeen hiervoor onder 3.3.2 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 maart 2011, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens zijn gemachtigde advocaat, mr. S.R. Heijmans en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

m.r. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

 

SRU-HvJ-2011-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[appellant],

wonende in [district],

appellant,

gemachtigde: mr. E.Ch. de Noten, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende in [district],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 5 juli 2001 (AR 202287) tussen appellant (hierna “[appellant]” te noemen) als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en geïntimeerde (hierna “[geïntimeerde]” te noemen) als eiseres in conventie en verweerster in reconventie.

Spreekt de vice-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 11 juli 2001 hoger beroep heeft ingesteld;

– pleidooi d.d. 7 augustus 2009;

– antwoord pleidooi d.d. 2 oktober 2009;

– repliek pleidooi d.d. 6 november 2009;

– dupliek pleidooi d.d. 20 november 2009;

– conclusie uitlating producties d.d. 4 december 2009.

De beoordeling

1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende:

1.1. In een handgeschreven schuldbekentenis van 23 november 1998 is onder meer vermeld (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift):

“De ondergetekende [appellant] Beroep: winkelier geboren 7 juli 1951 (…)

Verklaart:

Hierbij wel en deugdelijk schuldig te zijn aan mw. [geïntimeerde] (…) een bedrag van drieduizend Ned. Courant wegens op heden aan hem verstrekte contanten aannemende en belovende dit bedrag te zullen terug te betalen 2 januari 1999.

Indien vermeld bedrag niet binnen de gestelde termijn is afbetaald, zal er voor elke dag van de late betaling een boete van vijfentwintig gulden Ned. Cour. in rekening gebracht.

Alle kosten verband houdende met de gerechtelijke en buiten gerechtelijke incassering van het verschuldigde bedrag als ook van de raadsman en de deurwaarder komt ten laste van de schuldenaar ook die van aanzeggingen en ingebreke stelling”.

In bovenvermelde tekst zijn na het woord “drieduizend” de woorden “tweehonderd vijftig” ingevoegd, zodat het totaalbedrag Nf 3.250,00 is.

2.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van Nf 44.270,00, vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening, een bedrag van Nf 2.550,00 ter zake buitengerechtelijke kosten, een bedrag van Nf 21.200,00 ter zake sommatiekosten en een boete van Nf 25,00 per dag vanaf 4 juli 2000 tot aan de dag der algehele betaling van het bedrag van Nf 3.250,00. [geïntimeerde] heeft hieraan, voor zover in dit hoger beroep van belang, ten grondslag gelegd dat [appellant] heeft nagelaten het door haar aan hem geleende bedrag ad Nf 3.250,00 terug te betalen. Naast dit bedrag is hij volgens [geïntimeerde] de overeengekomen boete verschuldigd die tot 4 juli 2000 Nf 13.750,00 bedraagt, alsmede de overeengekomen buitengerechtelijke kosten ad Nf 2.550,00 (in totaal een bedrag van Nf 19.550.00) en de sommatiekosten ad Nf 21.000,00. Voorts heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellant] aan haar een bedrag van Nf 27.450,00 is verschuldigd ter zake een partij triplexplaten.

[appellant] heeft een vordering in reconventie ingesteld.

2.2. [appellant] is bij het vonnis waarvan beroep veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van Nf 19.550,00, vermeerderd met de boete van Nf 25,00 per dag over het bedrag van Nf 3.250,00 vanaf 4 juli 2000, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. De vordering met betrekking tot de triplexplaten is afgewezen, evenals de reconventionele vordering.

2.3. [appellant] concludeert in dit hoger beroep tot nietigverklaring althans vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in zijn vordering, althans ontzegging van zijn vordering.

3.1.1. [geïntimeerde] voert aan dat [appellant] niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, aangezien [appellant] noch zijn advocaat aanwezig is geweest bij de uitspraak in eerste aanleg en hij nog voordat de griffier de dienstbrief had verzonden het hoger beroep heeft ingesteld.

3.1.2. Indien appellant niet aanwezig is geweest bij de uitspraak in eerste aanleg begint de appèltermijn ingevolge artikel 264 lid 3 jo 119 lid 3 Rv te lopen vanaf de datum van de dienstbrief van de griffier, waarbij het vonnis wordt toegezonden. In het verleden is aangenomen dat zolang de dienstbrief niet is verzonden de appèltermijn niet aanvangt en proceshandelingen niet rechtsgeldig kunnen plaatsvinden. Het instellen van hoger beroep voordat de appèltermijn was gaan lopen werd als nietig beschouwd. Het Hof overweegt dat de betreffende bepalingen zijn geschreven ter bescherming van de in het ongelijk gestelde partij vanuit de gedachte dat de dienstbrief van de griffier in het verleden vaak de eerste en enige mogelijkheid voor die partij was om kennis te nemen van het vonnis, nu partijen vrijwel nooit werden bijgestaan door een advocaat. In de huidige tijd gaat dit echter niet meer op. Partijen laten zich dikwijls bijstaan door een advocaat die, om kennis te nemen van het vonnis, niet afhankelijk is van de toezending van de dienstbrief. Het Hof acht het voor het instellen van het hoger beroep niet langer wenselijk dat partijen afhankelijk zijn van verzending van de dienstbrief door de griffier. Dit kan immers enige maanden in beslag nemen, terwijl de advocaat vaak reeds kort na het uitspreken van het vonnis op de hoogte is van de inhoud daarvan. Voorts anticiperend op de invoering van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het Hof van oordeel dat [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep. Overigens betekent het voorgaande niet dat de partij, die niet aanwezig is geweest bij de uitspraak in eerste aanleg in het vervolg de dienstbrief niet meer zou mogen afwachten alvorens appèl in te stellen dan wel het eerdere appèl niet meer zou mogen intrekken en alsnog, na ontvangst van de dienstbrief, appèl zou mogen instellen. In de wet is immers nog steeds de mogelijkheid opgenomen dat het appèl na ontvangst van de dienstbrief wordt ingesteld, indien de betreffende appellant niet bij de uitspraak aanwezig is geweest, zodat partijen desgewenst van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken.

3.2 Het onderhavige hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de toewijzing door de kantonrechter van het bedrag van Nf 19.550,00, vermeerderd met de boete van Nf 25,00 per dag vanaf 4 juli 2000, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in eerste aanleg. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.3.1. [appellant] voert ten eerste aan dat [geïntimeerde] in het petitum van het inleidend verzoekschrift betaling van een bedrag van Nf 44.270,00 ter zake hoofdsom, een bedrag van Nf 2.250,00 ter zake buitengerechtelijke kosten, een bedrag van Nf 21.100,00 ter zake sommatiekosten en de boete vanaf 4 juli 2000 heeft gevorderd, maar dat hierin niet is begrepen het bedrag van Nf 19.550,00 ter zake het geleende bedrag inclusief de boete tot 4 juli 2000. Gelet hierop heeft de kantonrechter meer toegewezen dan door [geïntimeerde] was gevorderd, aldus [appellant].

3.3.2. Het hof kan [appellant] niet volgen in dit standpunt. Uit het lichaam van het inleidend verzoekschrift volgt immers dat [geïntimeerde] enerzijds betaling heeft gevorderd van een bedrag van Nf 17.000,00 ter zake de schuldbekentenis (het geleende bedrag ad Nf 3.250,00 vermeerderd met de boete tot 4 juli 2000, zijnde Nf 13.750,00, aldus in totaal Nf 17.000,00) en anderzijds betaling van een bedrag van Nf 18.700,00 plus een bedrag van Nf 8.570,00 terzake de triplexplaten. Deze bedragen bij elkaar opgeteld vormen de gevorderde hoofdsom van in totaal Nf 44.270,00. Hiernaast heeft [geïntimeerde] betaling van de buitengerechtelijke kosten en de sommatiekosten gevorderd (respectievelijk Nf 2.550,00 en Nf 21.100,00), alsmede de boete vanaf 4 juli 2000. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het toegewezen bedrag van Nf 19.550,00 wel degelijk is begrepen in de vordering zoals in het petitum van het inleidend verzoekschrift opgenomen. De grief van [appellant] wordt dan ook verworpen.

3.4. [appellant] betwist in dit hoger beroep niet langer dat hij de schuldbekentenis heeft ondertekend en een bedrag van Nf 3.250,00 van [geïntimeerde] heeft ontvangen, welk bedrag hij op 2 januari 1999 aan haar moest terugbetalen. Voor zover hij aanvoert dat tussen partijen niet is overeengekomen dat hij een boete en buitengerechtelijke kosten zou zijn verschuldigd, indien hij niet dan wel te laat zou betalen, is het hof van oordeel dat dit verweer niet opgaat. [appellant] voert ter onderbouwing slechts aan dat de boete en buitengerechtelijke kosten niet in de schuldbekentenis zijn opgenomen. Zoals uit de tekst van de schuldbekentenis volgt (zie hiervoor onder 1.1.), is hierin wel degelijk opgenomen dat [appellant] de boete en buitengerechtelijke kosten is verschuldigd bij niet (tijdige) betaling. Nu hij de inhoud van de schuldbekentenis overigens niet betwist, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, voorshands niet in te zien dat een en ander niet zou zijn overeengekomen.

3.5.1 [appellant] voert aan dat hij het bedrag van NF 3.250,00 reeds in januari 1999 aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald. [geïntimeerde] voert aan dat nu [appellant] in eerste aanleg heeft ontkend dat hij de schuldbekentenis heeft opgesteld en ondertekend, het thans in hoger beroep door hem gevoerde verweer dat hij het bedrag weliswaar is verschuldigd, maar reeds heeft terugbetaald, een gedekte weer is, zodat dit verweer buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.5.2. Naar het oordeel van het Hof is het hoger beroep mede bedoeld voor herstel van een eventueel verzuim in eerste aanleg. Dit betekent onder andere dat in hoger beroep mag worden teruggekomen op een in eerste aanleg aangevoerd verweer, waarvan is gebleken dat het geen stand kan houden. Eerst wanneer ondubbelzinnig en onmiskenbaar afstand is gedaan van een verweer, kan worden aangenomen dat afstand van recht is gedaan, zodat het betreffende verweer is gedekt in de zin van artikel 278 lid 2 van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering. Het enkele feit dat het in hoger beroep gevoerde verweer onverenigbaar is met een in eerste aanleg gevoerd verweer maakt dit verweer dan ook nog niet gedekt in de zin van dit artikel. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat [appellant] mocht terugkomen op zijn eerder gevoerde verweer dat hij de schuldbekentenis niet heeft ondertekend.

3.6.1 [appellant] voert aan dat hij niet in gebreke is gesteld. Nu partijen zijn overeengekomen dat [appellant] het bedrag op 2 januari 1999 zou terugbetalen, moet echter gelet op het bepaalde in artikel 1259 van het Burgerlijk Wetboek voorshands worden aangenomen dat het verzuim na het verstrijken van deze termijn van rechtswege is ingetreden, voor zover [appellant] het bedrag niet op de overeengekomen datum heeft terugbetaald.

3.6.2. [appellant] voert aan dat hij het bedrag van NF 3.250,00 in januari 1999 aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald. Dit zou zijn gebeurd voor de ingang van hotel Torarica. Hij biedt bewijs aan van deze stelling door middel van het horen van twee nader genoemde getuigen. [geïntimeerde] voert aan dat [appellant] dit bewijsaanbod te laat, namelijk eerst bij repliekpleidooi, heeft gedaan. Naar het oordeel van het Hof vindt deze stelling geen steun in het recht. [appellant] heeft in zijn pleitnota reeds een bewijsaanbod gedaan en dit bij repliekpleidooi nader gespecificeerd door de getuigen met naam en toenaam te noemen. [geïntimeerde] trekt voorts de betrouwbaarheid van de aangedragen getuigen in twijfel. Het Hof is echter niet toegestaan zich reeds vóór het getuigenverhoor uit te laten over de betrouwbaarheid van de getuigen, nu dit een verboden prognose van de uitkomst van het getuigenverhoor zou inhouden. Hoewel een kort gedingprocedure zich doorgaans niet leent voor een uitgebreid feitenonderzoek en voor bewijslevering, is het Hof in het onderhavige geval van oordeel dat [appellant] dient te worden toegelaten tot bewijs van zijn stelling dat hij het geleende bedrag heeft terugbetaald, van welke stelling de bewijslast op hem rust.

3.7.1 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt aan [appellant] bewijs opgedragen van zijn stelling dat hij het geleende bedrag ad Nf 3.250,00 in januari 1999 aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald.

3.7.2 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing in hoger beroep in het kort geding.

Het Hof:

draagt [appellant] op om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, bewijs te leveren van zijn stelling dat hij het geleende bedrag ad Nf 3.250,00 in januari 1999 aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald;

bepaalt dat het getuigenverhoor wordt gehouden op maandag 18 april 2011 om 10.00 uur in raadkamer van het hof zitting houdende aan de Grote Combeweg no. 2 te Paramaribo;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door: mr.drs. C.C.L.A. Valstein, Vice-President, mr. A. Charan, Lid, en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 18 maart 2011, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. C.C.L.A. Valstein-Montnor

 

SRU-HvJ-2011-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

SA RE GA MA PA N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

appellante, hierna aangeduid als “SaReGaMaPa”,

gemachtigde: mr. A.E. Debipersad, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [plaats], [land],

geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,

gemachtigde: mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 1 april 2009 (A.R. 081584) tussen SaReGaMaPa als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat SaReGaMaPa op 24 juni 2009 hoger beroep heeft ingesteld;

– pleidooi d.d. 16 april 2010;

– antwoordpleidooi d.d. 18 juni 2010;

– repliekpleidooi d.d. 15 oktober 2010, met producties;

– dupliekpleidooi d.d. 3 december 2010.;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. [geïntimeerde] is eigenaar van het perceelland groot 569,22 vierkante meter, aangeduid met de letters ABCD, deel uitmakend van het resterend gedeelte, groot 27.030 vierkante meter, bekend als [adres].

1.2.SaReGaMaPa heeft in 2007 op het perceel van [geïntimeerde], vlakbij de muur die de afscheiding vormt tussen haar perceel en het perceel van [geïntimeerde], een anker geplaatst. Dit betreft een betonnen paal die schuin boven de grond staat en waaraan vijf kabels zijn bevestigd ten behoeve van een zendmast. De zendmast is bedoeld voor radio- en televisieuitzendingen en is geplaatst op het perceel van SaReGaMaPa.

2.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat SaReGaMaPa werd veroordeeld om binnen twee weken na het vonnis het onrechtmatig geoccupeerde perceelland te ontruimen en te verlaten met medeneming van al wie of wat zich van de zijde van SaReGaMaPa aldaar bevond en het perceel ter algehele en vrije beschikking van [geïntimeerde] te laten. Daarnaast heeft zij gevorderd dat zij werd gemachtigd om, indien SaReGaMaPa geen gevolg mocht geven aan de veroordeling, de ontruiming op kosten van SaReGaMaPa zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm, één en ander met veroordeling van SaReGaMaPa in de kosten van het geding.

2.2. De kantonrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en de ontruimingstermijn gesteld op drie maanden.

2.3. SaReGaMaPa concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde].

3.1. Uit de aantekening van de giffier op het vonnis van 1 april 2009 volgt dat SaReGaMaPa noch in persoon, noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Het vonnis is bij dienstbrief van 18 juni 2009 aan SaReGaMaPa meegedeeld. Aangezien SaReGaMaPa blijkens de verklaring van de griffier op 24 juni 2009 hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.

3.2. SaReGaMaPa voert aan dat [geïntimeerde] geen spoedeisend belang heeft bij de vordering tot verwijdering van het anker, aangezien het anker in 2007 is geplaatst en [geïntimeerde] eerst in april 2008 ontruiming heeft gevorderd. Het hof overweegt dat een vordering tot ontruiming naar zijn aard spoedeisend is. Nu SaReGaMa Pa niet heeft gesteld wanneer in 2007 (aan het begin of aan het einde van dat jaar) het anker is geplaatst en het inleidend verzoekschrift op 15 april 2008 is ingediend, acht het hof voorts voldoende aannemelijk dat de vordering met de nodige voortvarendheid is ingesteld.

3.3.1. Tussen partijen staat vast dat het anker is bevestigd in de grond van [geïntimeerde]. Gelet hierop staat naar het voorlopig oordeel van het hof vast dat SaReGaMaPa inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [geïntimeerde]. Deze inbreuk is in die zin beperkt dat het anker zich aan de rand van het perceel bevindt, vlakbij de scheidingsmuur. SaReGaMaPa heeft gemotiveerd aangevoerd dat het verwijderen en verplaatsen van het anker niet eenvoudig is, omdat de zendmast daardoor uit balans kan raken, terwijl zich in de omgeving woonhuizen, een school en een kerk bevinden. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat dit de nodige kosten met zich mee zal brengen. Anderzijds heeft [geïntimeerde] er naar het oordeel van het hof belang bij dat zij vrijelijk over haar perceel kan beschikken en behoeft zij in beginsel geen inbreuk op haar eigendomsrecht te dulden. Gelet op de wederzijdse belangen van partijen acht het hof het geraden een comparitie van partijen te gelasten, teneinde een schikking tussen partijen te beproeven. Het hof is zich ervan bewust dat [geïntimeerde] in Nederland woonachtig is, zodat het voor haar wellicht problematisch is ter zitting te verschijnen. Indien zij zich wenst te laten vertegenwoordigen door haar advocaat of een andere persoon, dient zij deze persoon uitdrukkelijk te machtigen om namens haar een schikking met de wederpartij aan te gaan.

3.3.2. Bij gelegenheid van de comparitie kan voorts de stelling van SaReGaMaPa dat zij, althans de door haar ingeschakelde aannemer, van wijlen de heer [naam] toestemming heeft gekregen het anker in de grond van [geïntimeerde] te plaatsen, nader aan de orde komen.

3.3.3. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

alvorens verder te beslissen;

bepaalt dat partijen, geïntimeerde in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is en appellante deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van hun raadslieden, zullen verschijnen ter terechtzitting van het Hof van Justitie van Suriname, die daartoe zitting zal houden aan de Grote Combéweg no. 2 te Paramaribo op vrijdag 15 april 2011 te 11.00 uur.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 maart 2011, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. Jaghri namens haar gemachtigde advocaat, mr. A.E. Debipersad en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R. Mahabier-Baldew namens haar gemachtigde, advocaat mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2012-1

G.R. 14351

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

N.V. RADIO OMROEP PARAMARIBO en

RAPAR BROADCASTING NETWORK N.V. (RBN N.V)

beide gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

appellanten,

gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

tegen

DE STICHTING AUTEURSRECHTEN SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

inzake hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 1 december 2006 (A.R. 063547) tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde (hierna ook “Sasur” te noemen) als eiseres,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

– van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 4 december 2006 en op 11 december 2006 hoger beroep hebben ingesteld;

– memorie van grieven d.d. 14 december 2006;

– pleitnota d.d. 2 november 2007;

– antwoordpleitnota d.d. 16 november 2007;

– repliekpleitnota d.d. 7 december 2007;

– dupliekpleitnota d.d. 7 maart 2008;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 18 april 2008 doch nader op heden.

De beoordeling

1. In rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geding wordt uitgegaan. Deze door de kantonrechter vastgestelde feiten, die in hoger beroep niet zijn betwist, vormen ook in hoger geroep het uitgangspunt. Het gaat in dit kort geding om het volgende.

1.1 Sasur stelt zich ten doel bedrijfsmatig bemiddeling te verlenen inzake muziekauteurs-rechten in Suriname en heeft daartoe bij beschikking van de minister van Justitie en Politie van 21 april 2005 en 17 mei 2006 de op grond van artikel 30bis van de Wet auteursrecht 1913 vereiste toestemming verkregen.

1.2 SaSur heeft onder andere met de Vereniging Buma te Nederland (hierna: Buma) een mandaatovereenkomst gesloten, waarin in artikel 2 lid 1 is bepaald: “BUMA verleent hierbij aan SAS het niet overdraagbare non-exclusieve recht om in het territorium van SAS (Suriname) toestemming te geven of te weigeren om het BUMA-repertoire of verveelvoudigingen daarvan in het openbaar uit te voeren, de voorwaarden vast te stellen voor het geven van die toestemming, in rechte op te treden tegen inbreuken op het BUMA-repertoire en al dat gene te (doen) verrichten, zowel in als buiten rechte, waartoe BUMA zonder deze mandaatovereenkomst zelf gerechtigd zou zijn (…)”.

Het BUMA repertoire is in de overeenkomst als volgt gedefinieerd: “het totaal van de muziekwerken ten aanzien waarvan BUMA uit hoofde van haar wederkerig-heidscontracten met andere collectieve beheersorganisaties en uit hoofde van haar exploitatiecontracten met individuele rechthebbenden, op het moment van het sluiten van deze mandaatovereenkomst over hetzij het muziekauteursrecht, hetzij een recht op betaling uit hoofde van het muziekauteursrecht beschikt, en alle muziekwerken ten aanzien waarvan BUMA tijdens de duur van deze overeenkomst hetzij het muziekauteursrecht, hetzij een recht op betaling uit hoofde van het muziekauteursrecht zal verwerven”.

1.3 BUMA heeft contracten betreffende de “Assignment of Rights” met andere internationale instellingen die het beheer voeren over auteursrecht van artiesten. Ingevolge die contracten beheert BUMA ondermeer de auteursrechten van de in India gevestigde [persoon 1], erfgename van [persoon 2], [persoon 3], erfgenaam van [persoon 4], en The Grammophone Company of India Ltd. De rechten van deze drie auteursrechtgerechtigden ontleent BUMA aan de volgende contractenketen:

  1. De drie auteursrechtgerechtigden hebben elk een contract met The Indian Performing Right Society Ltd. te India;
  2. The Indian Performing Right Society Ltd. heeft een contract met The Performing Right Society Ltd te Londen, Verenigd Koninkrijk;
  3. The Performing Right Society Ltd heeft een contract met BUMA.

Aan [persoon 2], [persoon 4], en The Grammophone Company of India Ltd. als maker, respectievelijk uitgever, komt het auteursrecht toe van de compositie “[naam]”.

1.4 Appellanten, die een radio- en televisiebedrijf exploiteren, maken als mediabedrijven regelmatig verscheidene muziekwerken openbaar.

1.5 SaSur heeft appellanten meerdere malen schriftelijk medegedeeld dat zij zonder toestemming van SaSur muziekwerken openbaar maken die tot het repertoire van SaSur behoren en dat appellanten aldus auteursrechten schenden. Laatstelijk heeft SaSur appellanten bij brief van 26 juli 2006 gesommeerd die schendingen van het auteursrecht te staken.

2.1 SaSur heeft gevorderd:

a. appellanten te verbieden het nummer [naam] geheel of gedeeltelijk middels de door hen geëxploiteerde omroepstations of op welke andere wijze dan ook zonder toestemming van SaSur openbaar te maken;

b. appellanten te verbieden enig nummer of delen daarvan behorende tot het door SaSur beheerde repertoire middels de door hen geëxploiteerde omroepstations of op welke andere wijze dan ook zonder toestemming van SaSur openbaar te maken dan wel te verveelvoudigen;

elk onderdeel van deze vordering op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per overtreding.

SaSur heeft aan haar overtreding ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat appellanten inbreuk maken op het auteursrecht van de maker van genoemd werk door dat werk middels hun omroepstations ten gehore te brengen en aldus jegens de maker onrechtmatig handelen. SaSur, aan welke instelling op de voet van artikel 30bis van de Wet auteursrecht de exploitatie van het desbetreffende auteursrecht is opgedragen, is gerechtigd daartegen op te treden, aldus SaSur.

2.2 Appellanten hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

2.3 Bij het bestreden vonnis in kort geding, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft de kantonrechter de vordering toegewezen, met veroordeling van appellanten in de kosten van de procedure. Kort weergegeven heeft de kantonrechter daartoe het volgende overwogen:

– Op grond van de Wet auteursrecht en ingevolge de toestemming van de minister van Justitie en Politie is Sasur gerechtigd al dan niet in eigen naam ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden overeenkomsten betreffende auteursrechten te sluiten of ten uitvoer te leggen.

– Uit de overgelegde overeenkomsten blijkt dat BUMA last en volmacht heeft verstrekt om overeenkomsten met gebruikers van muziekstukken te sluiten en in rechte op te treden tegen inbreuken op het repertoire dat aan BUMA toebehoort, waaronder het onderhavige muziekwerk. SaSur heeft uit dien hoofde recht en belang om in rechte tegen appellanten op te treden.

– Zowel in India als in Suriname is partij de Berner Conventie, zodat de Indiase auteursrechthebbenden gelijke bescherming verdienen als Surinaamse ingezetenen.

– Op grond van de omschrijving van het repertoire in de hiervoor bedoelde overeenkomsten is het voorwerp van die overeenkomsten voldoende bepaalbaar en hebben appellanten, aan wie daarvan ook diverse malen schriftelijke mededeling is gedaan, ervan op de hoogte kunnen zijn dat het onderhavige muziekstuk tot het repertoire van SaSur behoorde.

– Voldoende aannemelijk is dat het muziekstuk dat appellanten ten gehore hebben gebracht, al dan niet als bewerking van het oorspronkelijke werk, inbreuk maakt op het auteursrecht dat SaSur ten doel heeft te beschermen.

2.4 Appellanten hebben vier grieven (A tot en met D) aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot alsnog niet-ontvankelijkverklaring van SaSur in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan. Op die grieven zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

2.5.1 SaSur heeft zich in hoger beroep in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het appèl, gelet op artikel 264 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), te vroeg is ingesteld. SaSur stelt daartoe dat partijen niet bij de uitspraak van het vonnis aanwezig waren, dat de appèltermijn daarom is gaan lopen vanaf de datum van de brief van de griffier waarbij het vonnis is toegezonden (de dienstbrief), 6 december 2006 en dat het hoger beroep daarom niet eerder dan op laatstgenoemde datum kon worden ingesteld. Het appèl is echter, aldus SaSur, reeds ingesteld op 4 december 2006. Volgens SaSur geldt de bepaling van artikel 264 lid 1 Rv, inhoudende dat het instellen van hoger beroep mag worden herhaald totdat de appèltermijn is verstreken, slechts indien het vonnis waarvan beroep niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

2.5.2 Dit standpunt wordt verworpen. Uit artikel 119 lid 3 jo 264 lid 3Rv volgt dat, indien een partij niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest, het vonnis bij dienstbrief aan hem wordt meegedeeld en de termijn van hoger beroep alsdan ingaat na de verzending van deze brief. Hiermee is naar het oordeel van het hof beoogd de partij die niet bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest te beschermen, in die zin dat hij op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van het vonnis. Deze partij mag dan ook de verzending van de dienstbrief afwachten voordat hij hoger beroep instelt. Dit betekent naar het oordeel van het hof echter niet dat deze partij de dienstbrief moet afwachten. Het is immers niet billijk dat deze partij, indien hij eerder van het vonnis op de hoogte is, de verzending van de dienstbrief zou moeten afwachten, nu dit geruime tijd in beslag kan nemen. Deze gedachte ligt dan ook ten grondslag aan artikel 264 van het Ontwerp Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Nu vaststaat dat appellanten reeds op 4 december 2006 en daarna nogmaals op 11 december 2006 hoger beroep hebben ingesteld hebben zij dat niet voortijdig – en tevens binnen de appèltermijn – gedaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 Rechtsvordering mag de appèl aantekening immers worden herhaald zolang de daartoe gestelde termijn niet is verstreken, hetwelk in casu zou verstrijken binnen veertien dagen na 6 december 2006 (dagtekening van de dienstbrief).

Appellanten zijn derhalve ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep.

2.6.1 Met hun eerste grief (A) betogen appellanten dat zij niet weten en niet kunnen weten wat hun bij het bestreden vonnis is verboden, omdat zij niet bekend zijn en niet bekend kunnen zijn met het – niet publiekelijk bekend gemaakte – repertoire van SaSur. Appellanten voeren voorts aan dat de door BUMA aan SaSur verleende volmacht niet exclusief is en dat ook de maker van een muziekstuk of diens rechtverkrijgende toestemming kan geven om dat werk openbaar te maken.

2.6.2 Appellanten verliezen uit het oog dat zij in beginsel voor elke openbaarmaking of verveelvoudiging van elk door het auteursrecht in Suriname beschermd werk toestemming dienen te hebben van de auteursrechthebbende. Indien zij een dergelijk werk in Suriname wensen openbaar te maken of te verveelvoudigen zullen zij zich daarom moeten wenden ofwel tot de auteursrechthebbende zelf ofwel tot SaSur, die immers – als enige instelling in Suriname – van de minister van Justitie en Politie toestemming heeft verkregen om te bemiddelen inzake muziekauteursrechten. Nu bij eerder bedoelde mandaatovereenkomst door BUMA aan SaSur het recht is verleend om in Suriname toestemming te geven of te weigeren het BUMA-repertoire of verveelvoudigingen daarvan in het openbaar uit te voeren en verder alles in en buiten rechte te doen waartoe BUMA zelf gerechtigd zou zijn, is SaSur de enige instelling in Suriname waartoe appellanten zich ter zake van muziekauteursrechten met betrekking tot het BUMA-repertoire kunnen en moeten wenden.

De omstandigheid dat het aan SaSur verleende recht blijkens de mandaatovereenkomst niet exclusief is doet aan het voorgaande niet af, indien en voor zover appellanten niet van de maker van het muziekstuk “[naam]” zelf toestemming hebben gekregen om het in Suriname openbaar te maken dan wel te verveelvoudigen – en daaromtrent is niets gesteld of gebleken – zullen appellanten zich derhalve tot SaSur moeten wenden. Aan de oproep van SaSur om met haar een overeenkomst te sluiten teneinde alle licenties te verkrijgen die nodig zijn om gebruik te kunnen maken van het door SaSur beheerde repertoire hebben appellanten evenwel geen gehoor gegeven.

De omstandigheid dat appellanten niet weten welke muziekstukken tot het repertoire van SaSur behoren, doet er niet aan af dat SaSur civielrechtelijk auteursrechtelijke bescherming kan afdwingen ten aanzien van alle muziekwerken die tot haar repertoire behoren, onverminderd het overwogene in rechtsoverweging 2.10.

Gezien het voorgaande faalt de grief.

2.7.1 Met hun tweede grief (B) betogen appellanten dat SaSur alleen in eigen naam in rechte zou kunnen optreden indien het auteursrecht aan haar was overgedragen. Nu dat (kennelijk) niet het geval is geweest, is de auteursrechthebbende zelf de enige die ten aanzien van dat recht bescherming kan inroepen, aldus appellanten. Op grond van artikel 30bis van de Wet auteursrecht heeft SaSur als bemiddelaar slechts de bevoegdheid om de auteursgerechtigde bij te staan in de exploitatie van zijn recht. SaSur heeft daarom geen bevoegdheid, althans geen belang, om in rechte handhaving van het auteursrecht van de maker van het muziekstuk te vorderen, zo voeren appellanten aan.

2.7.2 Op grond van artikel 2 van de Wet auteursrecht is het auteursrecht vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht en omvat een gehele of gedeeltelijke overdracht van de in de akte van overdracht vermelde bevoegdheden alsmede de bevoegdheden die uit de aard en strekking van de overdracht noodzakelijk voortvloeien. Nu geen (specifieke) grief is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter dat BUMA als gevolg van de in rechtsoverweging 1.3 bedoelde contractenketen het recht heeft verworven om (onder meer) toestemming te geven of te weigeren het desbetreffende muziekwerk of verveelvoudiging daarvan in het openbaar uit te voeren – in zoverre is het auteursrecht van de maker gedeeltelijk aan BUMA overgedragen geworden – is ingevolge de daartoe strekkende overeenkomsten tussen SaSur en BUMA ook de bevoegdheid overgedragen in rechte handhaving van dat recht te vorderen. Voorts heeft SaSur, zoals de kantonrechter terecht heeft geoordeeld, op grond van artikel 30bis van de Wet auteursrecht daarbij het recht in eigen naam op te treden. SaSur heeft daarom recht en belang bij de onderhavige vordering. De grief faalt.

2.8 Ook de derde grief (C), waarmee appellanten betogen dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat India partij is bij de Berner Conventie, kan niet slagen. De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, zoals herzien te Parijs op 24 juli 1971, is door India ondertekend op laatstgenoemde datum, door India geratificeerd op 7 oktober 1974 en ten aanzien van India in werking getreden op 10 januari 1975.

2.9.1 De vierde grief (D) richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis dat het door appellanten openbaar gemaakte muziekwerk een bewerking is van het werk ten aanzien waarvan de onderhavige vordering is ingesteld en dat aldus inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht ten aanzien van laatstbedoeld werk. Volgens appellanten is slechts gedurende een halve minuut een instrumentaal stuk ten gehore gebracht waarvan de toonreeks gelijkt op de eerste toonreeks van de compositie die bijna vier minuten duurt en waarbij gezongen wordt. Uit de resterende drieënhalve minuut blijkt overduidelijk, aldus appellanten, dat er sprake is van een geheel ander muziekstuk.

2.9.2 Ook indien juist is, zoals appellanten stellen, dat alleen de eerste halve minuut van het door appellanten ten gehore gebrachte muziekstuk gelijkt op het werk ten aanzien waarvan in dit geding auteursrechtelijke bescherming wordt gevraagd, dan nog is naar het voorlopige oordeel van het hof de conclusie gerechtvaardigd dat daarmee inbreuk is gemaakt op laatstbedoeld werk. Anders dan appellanten menen laat een bewerking van een werk immers, ook indien die bewerking als een zelfstandig werk moet worden beschouwd en in zoverre zelf auteursrechtelijke bescherming geniet, de auteursrechtelijke bescherming die het oorspronkelijk werk geniet onverlet. Nu uit de stellingen van appellanten kan worden opgemaakt dat – in ieder geval – de eerste halve minuut van het door hen ten gehore gebrachte muziekstuk is te herleiden tot het onderhavige, auteursrechtelijk beschermde muziekstuk, is de inbreuk daarmee voor de beoordeling van dit kort geding, waarin geen ruimte is voor uitgebreide bewijslevering, voldoende aannemelijk. Ook deze grief faalt derhalve.

2.10 Het komt het hof voor dat de “eis” zoals gevorderd onder sub b van het petitum, bij wege van voorlopige voorziening te ruim is gesteld en dus niet voor toewijzing in aanmerking kan komen, als niet tevens op enigerlei wijze voor appellanten duidelijk is ter zake welk specifiek beschermde muziekwerken het verbod is gevorderd. Het lag op de weg van geïntimeerde om het beschermde repertoire op enigerlei wijze te presenteren, niet alleen aan de gebruikers, doch ook in rechte, waardoor niet alleen voldaan zou worden aan de stelplicht ter zake doch ook aan een duidelijke eis (petitum) voor wat betreft het sub b gevorderde.

2.11 Gelet op het voorgaande falen de grieven voor wat betreft het gevorderde onder a van het petitum en zal het vonnis derhalve voor dit onderdeel worden bevestigd, terwijl het vonnis voor wat betreft het onder b van het gevorderde partieel zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende die voorziening zal worden geweigerd. Voorts is gebleken dat de kantonrechter – anders dan gebruikelijk – geen maximum heeft gekoppeld aan de opgelegde dwangsom. Derhalve zal het Hof alsnog ambtshalve doen wat de kantonrechter had behoren te doen onder aanvulling van het dictum van het beroepen vonnis bepalen dat de opgelegde dwangsom het bedrag van Srd. 100.000,– niet te boven mag gaan.

De beslissing

Het Hof, rechtsprekende in kort geding:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor wat betreft het gevorderde onder a van het petitum, onder aanvulling van het dictum daarvan met betrekking tot de opgelegde dwangsom met dien verstande dat deze het bedrag van Srd. 100.000,– (Eenhonderd Duizend Surinaamse Dollars) niet te boven mag gaan;

vernietigt het vonnis waarvan beroep partieel voor wat betreft het gevorderde onder b van het petitum en, opnieuw rechtdoende, weigert alsnog die gevraagde voorziening;

compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Aldus gewezen door: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-President, mr. D.D. Sewratan en mr. A. Charan, leden en

w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

door mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 mei 2012, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Waarnemend Substituut-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. R.G. Rodrigues