SRU-HvJ-1998-6

H.M.

GENERALE ROL NO.13662.

[appellante], wonende te [district], voor wie als gemachtigde op­treedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advokaat,

appellante,

t e g e n

[geintimeerde], wonende aan het [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.LIM A PO, advo­kaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien s’Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden compari­tie van partijen zijn verschenen, appellante in persoon bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr.E.C.M.

Hoo­plot en geintimeerde in persoon bijgestaan door advokaat Mr.M.I.VOS namens advokaat Mr.H.R.LIM A PO, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehou­den comparitie van partijen zijdens partijen bepaald de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 oktober 1997, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussen­vonnis van 16 mei 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat partijen ter inlichtingencompari­tie in per­soon verschenen hebben verklaard gelijk in het daarvan opge­maakte als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen proces-verbaal de dato 13 juni 1997 is gerelateerd;

Overwegende, dat, naar blijkt appellante aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, dat:

– zij reeds geruime tijd heeft moeten constateren dat geinti­meerde het gehuurde ernstig verwaarloost, de schutting heeft gebroken en het erf onder wied laat;

– geintimeerde voorts vanaf september 1992 de ver­schuldigde huursom niet betaalt en dus aan appellante ver­schuldigd is een bedrag van f.900,–;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds erkend rechtens tussen partijen vaststaat, dat appel­lante aan geinti­meerde heeft verhuurd gelijk geintimeerde van appellante heeft gehuurd het woonhuis gelegen aan het Paardenplein no.7 te Paramaribo voor de huurprijs van f.100,– per maand;

Overwegende, dat het Hof, voormelde aan appellante haar vordering ten grondslag gelegde feiten die geinti­meerde bovendien gemotiveerd heeft weersproken, bespre­kend, opmerkt dat appellante noch in prima noch in hoger beroep feiten waaruit ernstige verwaarlozing van het aan geintimeerde verhuurde voortvloeit heeft ge­noemd, wat zij had gemoeten weshalve haar terzake geponeerde stellin­gen als te vaag dienen te worden gepasseerd;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 9 lid 2 van de Huurbe­schermingswet 1949 onder woning onder meer wordt verstaan ieder perceel met een of meer woonver­trekken;

Overwegende, dat het breken van de schutting en het onder wied laten van het erf op zich dan ook niet als onbehoorlijk ge­bruik van het verhuurde goed in de zin van artikel 4 sub a van de Huurbeschermingswet 1949 kunnen worden aangemerkt, nu zij niet vallen onder het begrip woning in de zin van artikel 9 lid 2 van de Huurbeschermingswet 1949;

Overwegende, dat het door appellante aan de Kan­tonrechter gemaakte verwijt in haar eerste grief dat hij ten onrechte voorbijgegaan is aan het gestelde in het 3e ”dat” van eis als grondslag van appellante haar vordering wat daarvan ook moge zijn haar dan ook niet vermag te baten en mitsdien faalt;

Overwegende, dat appellante ter op 13 juni 1997 gehouden comparitie van partijen onder meer verklaard heeft, dat zij geintimeerde nu ongeveer 7 tot 8 jaar geleden gezegd heeft dat zij aan haar appellante de huur niet hoefde te betalen; dat geintimeerde, nadat zij, appel­lante, haar geintimeerde, had medegedeeld dat zij niet meer hoefde te betalen, ook niet meer geweest is om de huur te brengen;

Overwegende, dat, naar uit voormelde verklaring blijkt, appellante geintimeerde in of omstreeks 1990 het betalen van de huur van het woonhuis aan het [adres] te [district], heeft kwijt gescholden;

Overwegende, dat appellante geintimeerde dan ook ten onrechte verweten heeft vanaf september 1992 de ver­schuldigde huursom ten bedra­ge van f.100,– niet te hebben betaald en jegens haar, appellante, gewanpresteerd heeft;

Overwegende, dat de tweede grief tegen het beroe­pen vonnis dat de Kantonrechter ten onrechte beslist heeft dat geintimeerde slechts een huurachterstand heeft van f.100,– nu niet is bewezen dat appellante van geintimeerde over de gevorderde periode huurbeta­ling heeft ontvangen omdat nergens uit de overgelegde post­wissel blijkt dat appellante voor ontvangst heeft gete­kend wat daarvan ook moge zijn, appellante eveneens niet vermag te baten en derhalve eveneens faalt;

Overwegende, dat ofschoon geen van de grieven gegrond is, het beroepen vonnis, niettemin niet in stand kan blijven en ver­nietigd dient te worden nu, naar in appel gebleken is, geintimeerde geheel ten onrechte veroordeeld is aan appellante te betalen de som van f.100,– vanaf mei 1994 tot dat de beschikking van de Distrikts-Commissaris van Paramaribo de dato 6 juli 1992 aan appellante bekend zal zijn gemaakt;

Overwegende, dat het Hof het beroepen vonnis dan ook zal ver­nietigen en aan appellante haar vordering geheel zal ontzeggen en haar de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal laten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het door de Kantonrechter in het Kan­tongerecht in het Eerste Kanton op 21 februari 1995 gewezen vonnis, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt appellante alsnog haar vordering;

Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op f.350,–;

Met inbegrip van het door haar gehouden pleidooi toege­kende salaris van f.350,–;

Bepalende het hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f.350,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitgespro­ken ter open­bare te­rechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 23 januari 1998, in tegenwoordigheid van

Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat, Mr.H.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde advokaat, Mr.E.C.M.HOOPLOT en geintimeerde vertegenwoor­digd door haar gemachtigde advokaat, Mr.H.R.LIM A PO, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1998-5

M.H.

A – 354.

[verzoeker], wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27 ten kantore van Mr.R.U.F.TRUIDE­MAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTE­RIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, ten deze verte­gen­woor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suri­na­me, te diens Parkette aan de Graven­straat no.3 te Paramari­bo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.C.D.OOFT, advo­kaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van respec­tieve­lijk 4 april 1997 en 7 november 1997 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verweerder in de enquête 6 getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvan­kelijk had bepaald op 22 mei 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 7 november 1997 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder, ten einde het van hem ver­langde bewijs bij te brengen als getuigen heeft doen horen [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6], wier verklaringen als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aange­merkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van die verklaringen, in onderling verband en samenhang be­schouwd, welke verklarin­gen bij gebreke van contra enquête niet zijn ontzenuwd en weerlegd, van oordeel is, dat verweerder geslaagd te achten is in de van hem verlangde bewijslevering, zijnde immers uit die verklaringen van genoemde getui­gen ondubbelzinnig gebleken van feiten en omstandighe­den waaruit kan worden afgeleid, dat verzoeker onvoldoende waar­borgen voor betrouw­baarheid heeft laten blijken;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat hem niet gebleken is, dat het aan verzoeker verleend ontslag in wanver­hou­ding staat tot de als bewezen aangenomen gedragingen van verzoeker;

Overwegende, dat aan verzoeker dan ook terecht door verweerder ontslag is verleend uit staatsdienst;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verzoekers vordering hem dan ook als ongegrond en onbewezen dient te worden ontzegd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENA­REN­ZAKEN:

Ontzegt aan verzoeker zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PU­LTOO, Leden en door de Vice-Presi­dent uitge­spro­ken ter openba­re terechtzit­ting van het Hof van Justi­tie van VRIJDAG, 7 augustus 1998, in tegen­woordig­heid van Mr. M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.M.ISHAAK namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uit­spraak ter te­rechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-5

M.H GENERALE ROL No.13996

[appellant], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te diens Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advokaat, geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 20 maart 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de Griffier van het Hof het door het Hof verlangde procesdossier heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast en geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 17 april 1998, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt hetgeen bij zijn tussenvonnis van 20 maart 1998 is overwogen en beslist en volhardt daarbij;

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis vier grieven heeft opgeworpen;

Overwegende, dat volgens grief 2 de Kantonrechter ten onrechte als volgt heeft overwogen en beslist, te weten: ”.. dat in casu ook niet van een onrechtmatige daad zijdens de gedaagde jegens de eiser sprake is dat bij stopzetting daarvan de eiser een dadelijk en onmiddellijk belang heeft, blijkende uit eiser’s stellingen dat hij een geldvordering op de gedaagde heeft dat een doorlopend karakter heeft, en nu hij niet gesteld heeft noch gebleken is dat hij in financiële nood verkeert, zal hij de ambtenarenrechter (Het Hof van Justitie) moeten adiëren om over zijn vordering een oordeel te geven en is hij in zijn vordering niet ontvankelijk”;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op de grief heeft aangegeven waarom hij genoodzaakt was de Kortgedingrechter te benaderen, maar door die verklaring niet weerlegd wordt ’s Kantonrechters beslissing dat uit de gestelde feiten niet was gebleken dat appellant, toen-eiser, een dadelijk en onmiddellijk belang had bij stopzetting van de beweerde onrechtmatige daad;

Overwegende, dat nu appellant niet had voldaan aan zijn stelpicht met betrekking tot de spoedeisendheid van de zaak, hij door de Kantonrechter terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering;

Overwegende, dat de overige grieven geen bespreking behoeven, omdat, gelet op het voorgaande, die grieven, ook bij gegrondbevinding, niet tot vernietiging van het vonnis kunnen leiden;

Overwegende, dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd en appellant als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, op 27 maart 1997 tussen partijen uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten aan de zijde van de geintimeerde gevallen en begroot op f.750,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden toegekende salaris van f.750,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.750,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, Fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 maart 1999, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.E.S.OMBRE

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.ESSED namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-4

V.S.

GENERALE ROL NO.13968

[appellant], wonende aan [adres] in het [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN,advocaat,

appellant,

tegen

N.V.BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Smalkalden, Onverdacht, in het distrikt Para, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.KRUISLAND, advocaat,

geïntimeerde.

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, van 6 mei 1997 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 mei 1997, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat de eiser de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen de N.V.BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Smalkalden, Onverdacht in het distrikt Para, gedaagde;

2. dat de eiser op 1 mei 1974 in dienst is getreden van de gedaagde, alwaar hij de functie vervulde van bulldozerdrijver 1e klasse met een basisloon van Sf 1524,–(VIJFTIENHONDERD VIER EN TWINTIG GULDEN);

3. dat de eiser bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton dd. 8 februari 1994 A.R. No. 906891 in zijn vordering niet ontvankelijk werd verklaard, met het verzoek de inhoud van dit vonnis als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;

4. dat de Kantonrechter wel in het vonnis dd. 8 februari 1994 heeft overwogen en beslist, dat als door de gedaagde gesteld en door de eiser (bedoeld wordt de verzoeker) gemotiveerd weersproken rechtens vaststaat dat op 31 maart 1989 tussen eiser en gedaagde een overeenkomst is gesloten tot beëindiging van de dienstbetrekking bij vrijwillige ontslagaanvrage van eiser hij, gedaagde, eiser in aanmerking zou laten komen voor een uitkering gelijk aan driemaal zijn jaarsalaris, ten bewijze waarvan de gedaagde heeft overgelegd een ontslagaanvrage van eiser dd. 31 maart 1989;

5. dat de gedaagde tegen dit vonnis niet in beroep is gegaan, zodat deze rechtsoverweging van de Kantonrechter voor de gedaagde onherroepelijk vaststaat;

6. dat de eiser met inachtneming van het vonnis voornoemd van de gedaagde te vorderen heeft 3 x zijn jaar salaris, te rekenen van 1 april 1989, geënt op een salaris van Sf 1524,—(VIJFTIENHONDERD VIER EN TWINTIG GULDEN) per maand en alle andere toelagen en vergoedingen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eiser te betalen, te rekenen van 1 april 1989 3 (drie) maal het jaarsalaris van de eiser, berekend op een maand salaris van Sf 1524,–,

Sf 54.764,– (VIER EN VIJFTIGDUIZEND ZEVEN HONDERD VIER EN ZESTIG GULDEN) eveneens alle aan de eiser op het tijdstip van 1 april 1989 toekomende toelagen en andere vergoedingen, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan de dag der algehele voldoening; kosten rechtens;

Overwegende, dat N.V.BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd;

Overwegende, dat hierna de volgende conclusies zijn genomen:

1. een schriftelijke conclusie van repliek en uitlating produkties;

2. een schriftelijke conclusie van dupliek onder overlegging van produkties;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produkties zijdens eiser bepaald,diens gemachtigde zich aan het oordeel van de Rechter heeft gerefereerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 6 mei 1997 op de daarin opgenomen gronden:

Eiser niet ontvankelijk in zijn vordering heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant]in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 6 mei 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 3 juli 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald advocaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN namens advocaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN recht op stukken heeft gevraagd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating had genomen, het Hof vonnis in deze zaak heeft bepaald, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 20 februari 1998, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellant tijdig in hoger beroep gekomen is van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis op 6 mei 1997;

Overwegende, dat de appellant geen grieven tegen die beslissing van de eerste Rechter aangevoerd heeft en recht op stukken gevraagd heeft, waartegen de geïntimeerde geen bezwaren geopperd heeft;

Overwegende, dat het Hof zich met de overwegingen en de beslissing van de Kantonrechter kan verenigen en zal het vonnis, waarvan beroep, dan ook worden bevestigd, met de veroordeling van de appellant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis op 6 mei 1997 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op f……

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem houden pleidooi toegekende salaris van f.1.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op f.1.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 17 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr.H.R.LIM A PO namens haar gemachtigde, advocaat Mr.F.KRUISLAND zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1998-3

V.S.

GENERALE ROL No. 13702

[appellant], wonende aan [adres], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.HOOPLOT, advocaat,

appellant,

tegen

[bedrijf], rechtspersoon, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advocaat,

geïntimeerde.

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 16 mei 1997, tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en [naam 1],Directrice van geïntimeerde, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen – hier als geïnsereerd aan te merken – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hadden genomen, partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 17 oktober 1997, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader werd bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en volhardt bij hetgeen bij tussenvonnis d.d. 16 mei 1997 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat de bevolen comparitie van partijen voor het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling op 13 juni 1997 gehouden is, waarbij partijen het Hof de nodige inlichtingen verstrekt hebben, doch niet bereid waren tot een schikking te geraken;

Overwegende, dat het Hof zich met de vaststelling van de feiten van de eerste rechter in zijn vonnis van 18 januari 1994 kan verenigen en hier overneemt;

Overwegende, dat die rechter zijn beslissing tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehele gehuurde door de appellant gebaseerd heeft op het feit dat in de overeenkomst van onderhuur tussen de appellant en [naam 2] opgenomen is de bepaling dat het onderverhuurde gedeelte door de onderhuurder als winkel en werkplaats mag worden gebruikt en dat uit het onderzoek door die rechter gepleegd, gebleken is dat de onderhuurder een deel van die ruimte aldaar daadwerkelijk mede als werkplaats gebruikt heeft voor de reparatie van videocassetterecorders, t.v.toestellen, radio’s en soortgelijke apparaten;

Overwegende, dat die overeenkomst van onderhuur is gesloten op 30 juli 1987,kort waarna de onderhuurder met diens activiteiten aldaar een aanvang gemaakt heeft;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het bestreden vonnis d.d 18 januari 1994 vastgesteld heeft dat de geïntimeerde het aan de appellant gehuurde regelmatig bezocht heeft (zie rechtsoverweging no.9.) en had zij dus de gelegenheid te constateren met welke activiteiten de onderhuurder zich daar bezighield en zij heeft het onderhavige geding pas op 18 mei 1990 aanhangig gemaakt;

Overwegende, dat bij de door het Hof gehouden comparitie van partijen gebleken is dat de door de appellant aan de onderhuurder [naam 2]ter beschikking gestelde ruimte ± 125 m² bedroeg, terwijl de grootte van het totaal door appellant van de geïntimeerde gehuurde winkelruimte een oppervlakte had van ± 1500 m²;

Overwegende, dat bovendien het begrip ”werkplaats” i.c. gelet op de aard waarvoor de onderhuurder zijn deelruimte gebruikte niet een werkplaats in eigenlijke zin was alwaar hinderlijke activiteiten voor de omgeving hebben plaatsgegrepen- zijnde dit overigens gesteld noch gebleken – mede gelet op het feit dat de onderhuurder dat soort apparaten daar ook ter verkoop aanbood;

Overwegende, dat de grief van de appellant dat de Kantonrechter ten onrechte een dermate ernstige wanprestatie zijdens de appellant tegen de geïntimeerde vanwege het onderverhuur van een deel van de gehuurde ruimte mede als werkplaats aangenomen heeft met ontbinding als rechtsgevolg, gelet op het bovenoverwogene, gegrond is, te meer als de achtergrond van het geding in acht genomen wordt, n.l. dat het bij de geintimeerde eerder om huurverhoging dan om ontruiming te doen was (zie het inleidend rekest en het petitum sub c en sub d);

Overwegende, dat het aangevochten vonnis danook als na te melden zal worden vernietigd, en de vordering van de geïntimeerde alsnog aan haar zal worden ontzegd, met haar veroordeling, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het eindvonnis d.d. 18 januari 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Ontzegt aan de geïntimeerde haar vordering in zoverre die toegewezen is bij eindvonnis d.d 18 januari 1994;

Veroordeelt geïntimeerde in de gedingkosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen en begroot op:

– in eerste aanleg op f……

– in hoger beroep op f…..

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op f.5.000,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 17 APRIL 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

w.g.A.CHARAN w.g.S.GANGARAM PANDAY

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat Mr.S.MANGROELALL namens zijn gemachtigde, advocaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr.R.BALDEW namens haar gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-4

M.H.

GENERALE ROL NO: 14039.

[appellant], wonende aan [adres 1] te [district], voor wie als gemach­tigde op­treedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,

appellant,

t e g e n

[geintimeerde] , wonende aan [adres 2], te [district], voor wie als ge­mach­tigde op­treedt, Mr.G.GANGARAM PANDAY, advo­kaat,

geinti­meerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 6 november 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter gehouden en bevolen compari­tie van partijen zijn verschenen, Mevrouw Sheoratan, Radjwatie Lucia, notariële gevolmachtigde van appel­lant, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, gemachtigde van appellant en geintimeerde in persoon, bijgestaan door zijn ge­machtigde advokaat Mr.G.Gangaram Panday, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 9 april 1999, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat geintimeerde, ter op 26 maart 1999, gehou­den comparitie van partijen, gelast bij tussenvon­nis van 6 november 1998, in persoon, versche­nen – voorzo­ver ten deze van belang – verklaard heeft, dat hij de woning aan de Schietbaanweg no.68 te Parama­ribo uiter­lijk december 1999 zal ontruimen en verlaten en ter vrije en algehele beschikking van appellant stel­len; dat indien het hem gelukt eerder te vertrek­ken, hij dat gelijk zal doen – dat hij tevens aan de hand van zijn verklaring begrijpt dat de huurovereenkomst tussen partijen dan zal zijn beëindigd;

Overwegende, dat nu appellant niet heeft doen blijken niet accoord te gaan met het door geintimeerde verklaarde als hierboven vermeld, het Hof zal aannemen dat hij daarmede instemt;

Overwegende, dat het Hof met in achtneming van het vorenoverwogene zal beslissen en het beroepen vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoende geintimeerde tot ontruiming veroordelen; de door appellant tegen dit vonnis ontwikkelde grieven behoeven dan geen bespreking meer;

Overwegende, dat het Hof de proceskosten in hoger beroep zal compenseren in dier voege dat iedere partij de hare draagt achtende het Hof daartoe termen aanwezig; Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 16 juli 1996, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt geintimeerde om op uiterlijk 31 decem­ber 1999 de woning no.68, staande op het erf, dat gelegen is te [district] aan [adres 2], te ontruimen en te verlaten en, met medeneming van alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goede­ren, ter vrije en algehele beschikking van appel­lant te stellen; met machtiging op appellant om indien geintimeerde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan, desnoods met behulp

Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten aan de zijde van appellant in prima gevallen en begroot op Sf…..

Compenseert de proceskosten in hoger beroep in dier voege dat iedere partij de hare draagt;

Met inbegrip van het door het Hof aan elk der advokaten voor de door hen gehouden pleidooien toege­kende salaris van Sf………

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 23 april 1999, in tegenwoor­digheid van Mr.M.E.VAN GENDE­REN-RELYVELD, Substituut-Grif­fier.

w.g.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens zijn gemachtigde, advo­kaat Mr.F.F.P.Truideman en geintimeer­de vertegenwoor­digd door zijn ge­machtig­de, advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY, zijn bij de uit­spraak ter terecht­zit­ting ver­sche­nen.

 

SRU-HvJ-1998-2

H.M.

GENERALE ROL NO: 13844

[appellante], wonende in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,

appellante in Kort Ge­ding,

t e g e n

[geïntimeerde], wonende aan [adres] te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.SCHURMAN, advokaat,

geintimeer­de in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het Geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 30 november 1995 en 21 december 1995 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 januari 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellante] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. Eiseres wenst de navolgende rechtsvordering in KORT GEDING in te stellen tegen: [geïntimeerde], wonen­de aan [adres]te [district], gedaag­de;

2. In of omstreeks het jaar 1981 heeft eiseres het huis staande en gelegen aan [adres]te [district]verhuurd aan gedaagde aanvankelijk tegen een huurvergoeding van sf.75,– per maand en laatstelijk voor sf.400,– per maand;

3.Gedaagde onderhoudt noch het huis, noch het erf, waardoor het een en ander thans een zeer dringende grote reparatie behoeft;

4. Verder behoorde bij de woning een aparte op het erf gebouwde keuken, waarvan gedaagde zonder toestem­ming een woonhuis heeft gemaakt, welke hij eveneens zonder toestemming aan derden heeft (onder) verhuurd;

5. Ook heeft gedaagde zonder toestemming een grote kippenhok gemaakt op het erf, hetgeen erg onhygiënisch is en een enorme stank oplevert voor de buurt;

6. Gedaagde heeft verder zelf elektrische draden gespannen van de ene ruimte naar de andere ruimte en ook tapt hij stroom af van het hoofdgebouw naar de door hem van keuken tot woonhuis gemaakte ruimte. Dit levert natuurlijk een verhoogd brandgevaar op, met alle gevol­gen van dien;

7. Eiseres wenst ook nog op te merken, dat gedaagde vanaf mei 1994 geen huurpenningen meer voldoet, hetgeen dus ook wanprestatie oplevert;

8. Het gehuurde wordt aldus niet onderhouden en ook onbehoorlijk gebruikt. Eiseres dreigt haar vermogen op deze manier te verliezen, hetgeen zij niet langer wenst te tolereren. Verder worden de huurpenningen reeds langer dan één jaar niet voldaan;

9. Uit de stellingen van eiseres blijkt wel, dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorziening in Kort Geding;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

a. de ten rekeste gestelde huurovereenkomst van het jaar 1981 tussen partijen zal worden geschorst c.q. op zal worden geschort;

b. gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een week na de uitspraak ten deze het pand gelegen aan [adres]te [district]te ontruimen met mede­neming van alle zich van zijnentwege daarin/daarop bevindende personen en/of goederen en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen, met mach­tiging van eiseres om deze ontruiming zelf te bewerk­stelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm, indien en voor zover gedaagde in gebreke mocht blijven met de ontruiming als verzocht binnen de vastgestelde termijn;

c. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaag­de partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord, onder over­leg­ging van produkties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, althans haar deze zal worden geweigerd, alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclu­sies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 30 november 1995 op de daarin opgenomen gronden een descente heeft bepaald:

Overwegende, dat ter gehouden descente en compari­tie van partijen d.d. 5 december 1995 zijn verschenen namens eiseres de heer [naam], bijgestaan door de gemachtigde en de gedaagde in persoon die hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opge­maakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-ver­baal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 21 december 1995 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde voorzieningen heeft geweigerd;

Eiseres heeft verwezen in de kosten van het pro­ces, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voor­meld eindvonnis in Kort Geding van 21 december 1995;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 17 juni 1996 aan geintimeerde aan­zegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de

recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aange­zegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toege­licht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 7 december 1997, doch na enige malen te zijn aange­houden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

1.1. Overwegende, dat het hoger beroep tijdig is inge­steld;

1.2. Overwegende, dat als enerzijds gesteld en ander­zijds niet, althans niet gemotiveerd, betwist vaststaat dat appellante in of omstreeks het jaar 1981 aan gein­ti­meerde heeft verhuurd het huis, staande en gelegen aan [adres] te [district], aanvankelijk tegen een vergoeding van f.75,– per maand en laatste­lijk voor f.400,– per maand;

2.1. Overwegende, dat appellante als eiseres in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep van belang, heeft gevorderd om de tussen partijen gesloten huurovereen­komst te schorsen c.q. op te schorten, de geintimeerde te veroordelen de woning aan [adres] te [district]te ontruimen en om de proceskosten te beta­len;

2.2. Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 30 november 1995, onder meer overwegende dat het spoed­eisend karakter uit de aard der stellingen van eiseres haar vordering blijkt en dat hij in de stellingen van partijen aanleiding vond een gerechtelijke plaatsopne­ming en bezichtiging te gelasten teneinde de situatie waarin de onder 2 bedoelde woning zich bevindt op te nemen, een descente heeft bevolen;

2.2. Overwegende, dat de Kantonrechter vervolgens bij vonnis van 21 december 1995 de gevraagde voorzieningen heeft geweigerd en appellante heeft veroordeeld in de proceskosten, daartoe, voor zoveel hier van belang het volgende overwegende:

dat Ons ter descente, gehouden op 5 december 1995, niet gebleken is dat gedaagde het huis en het erf niet onderhoudt, waardoor een en ander thans dringende grote reparatie behoeft, de bij de woning aparte op het erf gebouwde keuken tot een woonhuis heeft gemaakt en aan derden heeft (onder) verhuurd, een groot kippenhok op het erf heeft gemaakt dat erg onhygienisch is en voor de buurt een enorme stank oplevert, zelf electrische draden van de ene ruimte naar de andere gespannen heeft en stroom aftapt van het hoofdgebouw naar de door hem van keuken tot woonhuis gemaakte ruimte;

dat Ons op grond van al het hier vorenoverwogene dan ook niets anders rest dan de van Ons gevraagde voorzieningen te weigeren, onder verwijzing van eiseres als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

3.1. Overwegende, dat geintimeerde heeft aangevoerd dat hij uitdrukkelijk erop wenst te wijzen dat de onderha­vige zaak spoedeisendheid mist;

3.2. Overwegende, dat geintimeerde dit verweer reeds in eerste aanleg heeft gevoerd, maar nu de Kantonrechter heeft beslist dat de zaak een spoedeisend karakter draagt en geintimeerde tegen deze beslissing geen (incidenteel) beroep heeft ingesteld, zijn verweer hem niet meer kan baten;

4. Overwegende, dat appellante vier grieven tegen het beroepen vonnis heeft opgeworpen;

5.1. Overwegende, dat grief I erop neerkomt dat de omstandigheden, die appellante aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en waarvan de Kantonrechter tijdens de descente heeft vastgesteld dat zij niet aanwezig waren, wel bestonden;

5.2. Overwegende, dat appellante geen concreet aanbod van bewijs van de onjuistheid van ’s Kantonrechters constateringen heeft gedaan, zodat de grief als niet serieus bedoeld verder wordt gepasseerd;

6.1. Overwegende, dat appellante als grief II heeft aangevoerd dat geintimeerde nimmer een beroep op de Huurbeschermingswet heeft gedaan, zodat de kortgeding­rechter de vordering van appellante had kunnen toewij­zen en geintimeerde een ontruimingstermijn van desnoods een jaar had kunnen geven;

6.2. Overwegende, dat de bepalingen van de Huurbescher­mingswet waarop appellante het oog heeft dwingend recht zijn en de appellante er daarom ten onrechte van uit­gaat dat de Rechter slechts verplicht is deze bepalin­gen toe te passen indien een partij zich daarop be­roept; dat grief II dan ook faalt;

7.1. Overwegende, dat appellante als grief III heeft aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen als zou juist appellante hebben gewanpres­teerd door de verschuldigde huur op een gegeven moment niet meer op te halen;

7.2. Overwegende, dat de gewraakte overweging, anders dan appellante doet voorkomen in de toelichting op grief III, niet berust op enige beslissing op het door gein­timeerde in eerste aanleg gevoerde verweer dat hij de huur in consignatiekas had gestort; dat de stellin­gen van appellante dat geintimeerde bij die storting niet de juiste weg heeft gevolgd dan ook niet relevant zijn en de grief faalt;

8.1. Overwegende, dat, nu de Kantonrechter tot het oordeel was gekomen dat appellante’s vordering onge­grond was, in het onderhavig geval geen plaats was voor toewijzing van appellante’s vordering op grond van afweging van, overigens niet nader aangegeven, belan­gen; dat, immers, die belangenafweging reeds door de wetgever heeft plaatsgevonden en wel in dier voege dat volgens de Huurbeschermingswet 1947 de ontruiming van een woning slechts kan worden bevolen indien de in die wet genoemde gronden aanwezig zijn, op welk beginsel wellicht slechts een uitzondering is te maken voor het geval dat partijen overeenkomen hun lopende huurover­eenkomst te beëindigen;

8.2. Overwegende, dat ook grief IV niet opgaat en het vonnis waarvan beroep dus moet worden bevestigd;

8.3. Overwegende, dat appellante als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden verwezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding tussen partijen gewezen en op 21 december 1995 uitgesproken;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de geinti­meer­de gevallen en begroot op f……………..

Met inbegrip van het door het Hof aan geintimeer­de’s advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f…..

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op f…….

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.OMBRE, funge­rend-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 april 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is versche­nen advokaat Mr.H.BOLDEWIJN, namens de gemachtigden van partijen.

SRU-HvJ-1986-3

Hof van Justitie

28 november 1986, G.R. 12237

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, S. Gangaram Panday, J.R. von Niesewand)

C. Kersten en Co. N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Steenbakkerijstraat no. 27, advokaat Mr. W. Lim A Po, appellant ten principale tevens incidenteel geïntimeerde,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], advokaat Mr. R.J. Blufpand, geïntimeerde ten principale tevens incidenteel appellant,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 2 maart 1982, 6 december 1983 en 3 juli 1984 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de griffier van het Eerste Kanton van 13 juli 1984, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat hij de navolgende vordering wenst in te stellen tegen C. Kersten en Co. N.V., rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo, alwaar zij kantoor houdt aan de Steenbakkerijstraat no. 27, en wel op de navolgende gronden:

2. Tussen eiser en gedaagde heeft een arbeidsrelatie bestaan, welke aanving met de indiensttreding van eiser bij gedaagde op 1 november 1958 en welke de afgelopen 22 jaar ononderbroken heeft voortgeduurd, totdat deze relatie op onregelmatige wijze door gedaagde werd beëindigd op 11 december 1980.

Tot deze datum was eiser tewerk gesteld als Chef Onderdelenvoorziening van City Garage N.V., een bedrijf dat tot het C.K.C.-concern behoort. Eiser ’s laatst verdiende salaris aldaar bedroeg f.1400,– per maand.

3. De onregelmatige beëindiging die onderwerp vormt van de onderhavige vordering, heeft plaatsgevonden op de navolgende wijze en onder de navolgende omstandigheden:

a. Op 9 december 1980 werd eiser tezamen met de heer [naam 1], Bedrijfsleider van City Garage N.V. bij de President-Direkteur van gedaagde ontboden voor een werkbespreking.

Tijdens dit onderhoud deelde de President-Direkteur aan eiser en diens Chef mede, dat in verband met de onbevredigende gang van zaken bij de Onderdelenvoorziening, hij besloten had de staffunktionaris [naam 2], tewerk gesteld bij het nevenbedrijf Surmac, te belasten met de algehele supervisie over de aktiviteiten van City Garage N.V. Daarbij zou voortaan eiser rechtstreeks aan de heer [naam 2] en deze rechtstreeks aan de President-Direkteur rapporteren.

In de gelegenheid gesteld op deze reorganisatiemaatregelen te reageren, heeft de heer [naam 1] na een uiteenzetting omtrent de gang van zaken bij de door hem geleide bedrijven, geconcludeerd dat bij doorvoering van dergelijke reorganisatiemaatregelen de materiële inhoud van zijn funktie niet langer in overeenstemming zou zijn met zijn formele verantwoordelijkheden.

Eiser heeft in aansluiting op hetgeen door zijn Chef werd gesteld volstaan met de mededeling, dat hij zich aansloot bij diens zienswijze.

De President-Direkteur heeft daarop aan beide werknemers gevraagd hun standpunt op schrift te stellen, waarna de werkbespreking, die circa 10 tot 15 minuten duurde, werd beëindigd.

b. In de daaropvolgende dagen werd namens de leiding bij herhaling en met zekere druk gevraagd naar de schriftelijke standpuntbepaling. Eiser en zijn Chef, argwanend geworden door de op hen uitgeoefende druk, hebben medegedeeld dat zij niet zonder meer bereid waren schriftelijk te reageren, doch er behoefte aan hadden zich door een terzake deskundige te doen adviseren.

c. Op 11 december 1980 werden eiser en de heer [naam 1], die zich toen nog steeds beraadden over de gevorderde schriftelijke standpuntbepaling, wederom bij de President-Direkteur ontboden, die hun onder referte aan het onderhoud van 9 december mededeelde, dat zij bij die gelegenheid hun ontslag hadden aangevraagd, welke ontslagaanvrage door hem namens gedaagde hierbij werd aanvaard en deswege de relatie als beëindigd werd beschouwd.

Eiser alsook de heer [naam 1] hebben dadelijk betwist en ontkend dat zij ontslag zouden hebben aangevraagd, onder herhaling van hetgeen zij bij die gelegenheid hebben gesteld.

d. De betwisting werd door de President-Direkteur terzijde geschoven en eiser en de heer [naam 1] werd opgedragen hun verantwoordelijkheden over te dragen onder afgifte van alle onder hun berusting zijnde financiële en overige bescheiden, sleutels, en dergelijke, welke overdracht plaatsvond ten overstaan van het Hoofd der Financiële Administratie. Tevens werd hun procuratie ingetrokken en werd de betrokkenen na vervulling van de formaliteiten, strekkende tot overdracht, aangezegd de bedrijfsfaciliteiten te verlaten.

Op diezelfde dag werd namens gedaagde aan de medewerkers medegedeeld, dat de relatie met eiser alsook met de heer [naam 1], beëindigd was.

4. Eiser is van mening dat gedaagde, door te handelen als vorenomschreven, ondubbelzinnig de wens te kennen heeft gegeven de arbeidsrelatie op 11 december 1980 met onmiddellijke ingang te beëindigen en aan dit voornemen ook daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven, weswege de relatie dan ook is geëindigd. Nu zulks is geschied in afwezigheid van dringende aan eiser onverwijld medegedeelde redenen, zonder dat de bij wet voorgeschreven opzeggingstermijn van in casu 6 maanden te rekenen vanaf 1 januari 1981 in acht werd genomen, is de beëindiging onrechtmatig.

5. In aanmerking genomen de duur van het dienstverband – 22 jaren –, de beperkte mogelijkheden voor verwerving van een adekwate funktie elders, de afwezigheid van deugdelijke motieven voor de beëindiging, is dit ontslag niet alleen onrechtmatig, maar ook zeer kennelijk onredelijk.

De belangen van gedaagde bij een beëindiging zijn onevenredig aan de belangen van eiser, mede in aanmerking genomen het feit, dat gedaagde in het geheel geen afvloeiingsregeling heeft aangeboden.

6. De schadevordering van eiser valt in 2 componenten uiteen, te weten:

– Schadevergoeding terzake van beëindiging onder het niet in acht nemen van de door de wet voorgeschreven bepalingen inzake opzegging en beëindiging, anders dan wegens dringende redenen;

– Schadevergoeding terzake kennelijk onredelijk ontslag.

7. De hiervoor bedoelde schadevergoedingen kunnen op basis van de voor eiser ten tijde van het ontslag geldende arbeidsvoorwaarden als volgt worden begroot:

A. Terzake de niet inachtneming van de wettelijke termijnen:

Salaris: vanaf 1-12-1980 t/m 30-6-1981

7 x f.1400,– Sf.9.800,–

Autotoelage: Sf. 50,– per maand Sf 350,–

Saldo vakantie over 1980: 10 dagen

(binnenlands verlof) Sf. 560,–

Vakantie over 1980: 40 dagen

(buitenlands verlof) Sf.2.240,–

Vakantietoelage over 1980 naar rato van 90% van 1 maand salaris Sf.1.260,–

Reiskostenvergoeding buitenlands verlof 50% van 4 tickets

PMB/ASD á Sf.1838,– Sf.3.676,–

Gratificatie: 1 maand salaris Sf.1.400,–

Kerstgratificatie: 1 maand salaris Sf.1.400,–

Compensatie medische voorziening gekapitaliseerd op basis van

10% over een periode van 6 maanden …………………………………….. Sf. 840,– +

Sf.21.526,–

B. Terzake van het kennelijk onredelijk ontslag:

Gelet op leeftijd, staat van dienst, herplaatsingsmogelijkheden en de wijze waarop eiser ontslagen werd, is een vergoeding gelijk aan 30 maanden basissalaris ad f.1400,– redelijk en billijk te achten f. 42.000,–;

8. In mindering op het verschuldigde werd door gedaagde bereids en onder voorbehoud van rechten voldaan het bedrag groot Sf. 4.000,–.

9. Ondanks herhaalde en dringende aanmaningen weigert gedaagde het saldo der door hem gevorderde bedragen in der minne te voldoen, zodat eiser zich thans genoodzaakt ziet zulks in rechte te vorderen;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagde zal worden veroordeeld om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad aan eiser te betalen:

A. de som van f.17.526,– (zeventien duizend vijfhonderd zesentwintig gulden) terzake van de opzegging zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars ingevolge artikel 1615r Burgerlijk Wetboek vanaf 11 december 1980, zijnde de dag van het ontslag, tot aan die der algehele voldoening;

B. de som van f.42.000,– (twee en veertig duizend gulden) terzake van het kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag der rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

C. Eiser zal worden vergund gedaagde op verkorte termijn te doen dagvaarden;

D. Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat C. Kersten en Co. N.V. als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, hebbende de gemachtigden van partijen tevens producties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies tot uitlating producties hebben genomen, waarbij de gemachtigde van eiser tevens een productie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd, waarover de gemachtigde van gedaagde zich bij schriftelijke conclusie heeft uitgelaten;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 30 maart 1982 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen de heer [naam 3], direkteur van gedaagde en de heer [naam 1], die hebben verklaard gelijk in vorenaangehaald – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen bepaald geen conclusie is genomen, omdat partijen in termen van schikking verkeerden;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schikking zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van eiser de Kantonrechter heeft medegedeeld, dat geen schikking is bereikt en vonnis heeft gevraagd, waarmee de gemachtigde van gedaagde accoord is gegaan;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 6 december 1983 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft toegelaten, haar voor zover nodig ambtshalve heeft bevolen om door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, te bewijzen:

”hetgeen door haar gesteld is in de derde alinea onder A en de vierde alinea van haar conclusie van antwoord”;

Overwegende, dat gedaagde in de enquête geen getuigen heeft doen horen, waarna de Kantonrechter de enquête aan haar zijde ambtshalve gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusies na niet gehouden enquête hebben genomen;

hebbende de gemachtigde van gedaagde tevens een productie overgelegd, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiser bij mondelinge conclusie tot uitlating over de door de gedaagde overgelegde productie heeft gepersisteerd bij zijn stellingen en vonnis heeft gevraagd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 3 juli 1984 op de daarin opgenomen gronden:

gedaagde heeft veroordeeld om aan eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van f.30.000,– (dertig duizend gulden), vermeerderd met de wettelijke interessen hierover ad 6% per jaar vanaf 5 maart 1981 tot aan de dag der algehele voldoening;

dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 93,25 (drie en negentig 25/100 gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal van 13 juli 1984 C. Kersten en Co. N.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 3 juli 1984;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Derryl Errol Hew A Kee van 26 juli 1984 aan partij [geïntimeerde] aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, waarbij tevens is betekend een memorie van grieven;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Soekdew Hoebba van 23 januari 1985 aan partij C. Kersten en Co. N.V. is betekend een memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens van incidenteel appèl genomen door partij [geïntimeerde];

Overwegende, dat bij exploit van laatstgenoemde deurwaarder van 23 januari 1985 aan partij [geïntimeerde] is betekend een memorie van antwoord in het incidenteel appèl genomen door partij C. Kersten en Co. N.V.;

Overwegende, dat uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op 20 juni 1986, daarna op 18 juli 1986, vervolgens op respectievelijk 1 augustus 1986 en 17 oktober 1986 en tenslotte op heden;

Ten aanzien van het recht

In het principaal appèl:

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 3 juli 1984 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellante tegen het vonnis d.d. 6 december 1983 de navolgende grieven heeft ontwikkeld, luidende:

1. Ten onrechte heeft de Kantonrechter appellante belast met het bewijs, dat geïntimeerde de dienstbetrekking met appellante had opgezegd. Geïntimeerde heeft immers aan zijn vordering ten grondslag gelegd, dat appellante de dienstbetrekking met hem zou hebben opgezegd, althans beëindigd. Ingevolge het bepaalde in artikel 1886 Burgerlijk Wetboek had dan ook de Kantonrechter geïntimeerde met het bewijs daarvan moeten belasten, nu appellante de opzegging harerzijds gemotiveerd had betwist. Artikel 1886 Burgerlijk Wetboek geeft immers een uitdrukkelijk en expliciete bewijslastverdeling op grond dat deze in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheld als beginselen van een goede procesorde (zie Asser-Anema-Verdam pgs. 88 e.v.; vergelijk ook Pitlo; Bewijs en Verjaring, pg. 36, alsmede H.R. 29 januari 1960, N.J. 1960 no. 133 en voorts de conclusie van de G. Hoef bij en de noot van Rutten onder dat arrest). De Kantonrechter had dan ook niet op grond van redelijkheid en billijkheid, doch in strijd met voormeld wetsartikel mogen besluiten tot het belasten van appellante met vorenbedoeld bewijs (Verg. de A.G. Hoef t.a.p.;“de rechter mag nimmer de wettelijke bewijslastverdeling rechtstreeks negeren”);

2. Ten onrechte heeft de Kantonrechter niet aangenomen op welke omstandigheden met betrekking tot de beëindiging van het tussen partijen aangegane dienstverband het redelijk en billijk zou zijn, dat appellante met het bewijs der beëindiging zijdens geïntimeerde werd belast, zodat terzake die beslissing niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en mitsdien ook daarom niet in stand kan blijven;

3. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante een aanbod van bewijs der beëindiging door geïntimeerde zou hebben gedaan. Appellante heeft in het 4e sustenu van haar conclusie van antwoord slechts gesteld dat zij “van mening is en dat ook kan bewijzen, dat geïntimeerde zelf zijn ontslag had gevraagd”, hetgeen een zuiver feitelijke stelling inhield, ter staving van haar betwisting van geïntimeerdes stellingen. De Kantonrechter had daaruit dan ook nimmer mogen afleiden, dat appellante daarmede een formeel bewijsaanbod had gedaan en zich procesrechtelijk die positie bewust had toebedeeld;

Overwegende, dat appellante tegen het vonnis d.d. 3 juli 1984 de navolgende grieven heeft aangevoerd:

A. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat geïntimeerde ter comparitie van partijen niet erkend zou hebben, dat hij bij een onderhoud met gedaagde ’s directeur duidelijk gezegd heeft dat zijn functie werd uitgehold en dat dan maar een ander zijn plaats moest innemen. Geïntimeerde heeft die erkenning wel gedaan. In het feit, dat hij die erkenning alstoen rectificeerde had de Kantonrechter geen betekenis mogen toekennen, aangezien voormelde erkenning vooreerst overeenstemde met hetgeen door appellante ’s directeur terzelfde comparitie was verklaard en voorts omdat het duidelijk was dat geïntimeerde er onder uit probeerde te komen, dat hij zelf zijn ontslag had aangeboden, zoals hij dat reeds eerder op 11 december 1980 had gedaan;

B. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante uit de door geïntimeerde geuite stelling bij het onderhoud met haar directeur niet de conclusie had mogen trekken, gelet op het dienstverband van 25 jaren en geïntimeerdes leeftijd, dat zulks een beëindiging van zijn dienstverband inhield. Geïntimeerde was zich vooreerst bewust van het feit, dat het vertrouwen van appellante in de uitoefening van zijn functie ernstig geschokt was. Voorts was geïntimeerde zich ervan bewust dat zoals hij dat stelde, zijn functie ”uitgehold” werd en dat mitsdien zijn status als bedrijfsleider in het gedrang kwam. Die omstandigheden zouden redelijkerwijs kunnen leiden tot het aanvragen van ontslag;

C. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante niet mocht vasthouden aan het feit, dat volgens haar, geïntimeerde de dienstbetrekking met haar had opgezegd. Vooreerst was het vertrouwen van appellante in geïntimeerde geschokt door de wijze waarop hij zijn functie had uitgeoefend. Voorts had geïntimeerde bij het onderhoud met appellante ’s directeur een dergelijke obstinate houding aan de dag gelegd, dat er voor appellante geen enkele reden was om bij een dergelijke gezagsondermijnend optreden geïntimeerde nog langer te handhaven;

D. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat uit het gebeurde moet worden afgeleid, dat geïntimeerde door appellante was ontslagen zonder inachtneming van een opzeggingstermijn. Een dergelijke conclusie is toch geenszins gerechtvaardigd, aangezien appellante indien zij geïntimeerde werkelijk had willen ontslaan, niets haar dat belet kon hebben en appellante zich zeker niet in allerlei bochten zou hebben te wringen om dat te realiseren;

E. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat indien en voor zover geïntimeerde werkelijk door appellante is ontslagen – quod non – dit ontslag kennelijk onredelijk zou zijn geweest. Vooreerst merkt appellante daarbij op dat de Kantonrechter in het geheel niet heeft aangegeven waarom de gevolgen van het ontslag voor geïntimeerde onevenredig zouden zijn tot het belang van appellante bij beëindiging van het dienstverband. In de eerste plaats moet daaromtrent worden opgemerkt, dat de houding van geïntimeerde tegenover zijn superieuren een wel zeer obstinate houding is geweest. Immers appellante ’s directie had de bevoegdheid de aan geïntimeerde in het vooruitzicht gestelde maatregelen tot reorganisatie te nemen en geïntimeerde ’s reactie daarop was dan ook in strijd met de gezagsverhouding waarin hij tot appellante ’s directeuren stond.

In de tweede plaats moet worden gesteld, dat de doorlichting van de onderdelenvoorziening bij geïntimeerde ’s afdeling, waarover hij en de partsmanager, [geïntimeerde], de verantwoordelijkheid droegen, een ernstig wanbeleid aan het licht heeft gebracht, onder meer met betrekking tot locale aankopen bij derden;

F. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat aan geïntimeerde schadevergoeding toekwam en dat een bedrag van f.75.000,– redelijk en billijk was. Immers, vooreerst had de Kantonrechter in zijn oordeel behoren te betrekken de wijze van functie – uitoefening door geïntimeerde, alsmede de gronden welke uiteindelijk tot beëindiging der dienstbetrekking hebben geleid.

Voorts had de Kantonrechter in zijn oordeel moeten betrekken, dat geïntimeerde kort na zijn ontslag reeds mede-exploitant van een autoverhuurbedrijf was, met name ”Intercar” en contant drie nieuwe auto’s heeft gekocht, welke feiten door geïntimeerde zijn erkend althans niet weersproken.

Uit die feiten volgt nu, dat geïntimeerde er financieel niet op achteruit is gegaan, de Kantonrechter had dan ook nimmer tot een bedrag van f.75.000,– mogen komen en ook op die grond is voormeld vonnis mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed;

In het incidenteel appèl:

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 3 juli 1984, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellant tegen voormeld vonnis twee grieven heeft ontwikkeld, luidende:

A. Ten onrechte heeft de Kantonrechter een bedrag van f.30.000,– als totale schadevergoeding toegewezen en dit bedrag billijk en redelijk geacht;

B. Ten onrechte heeft de Kantonrechter niet doen blijken of Hij het door appellant gevorderde bedrag van f.17.526,– minus betaald f.4.000,– toewijsbaar achtte en heeft toegewezen en derhalve ook niet heeft doen blijken of overwogen of dit gevorderde en/of toegewezen bedrag een rol heeft gespeeld en welke bij het bepalen van het globale eindbedrag;

Overwegende met betrekking tot de ten principale door partij Kersten aangevoerde grieven:

– dat de allesbeheersende vraag in het geding tussen partijen is de vraag of partij Kersten partij [geïntimeerde] heeft ontslagen of dat partij [geïntimeerde] zelf haar ontslag heeft aangeboden c.q. genomen;

Overwegende, dat de door partij Kersten aangevoerde grieven hierop betrekking hebben en op de bewijslastverdeling door de Kantonrechter in zijn vonnis van 6 december 1983 gemaakt;

Overwegende, dat de navolgende feiten op grond van de niet betwiste dingtalen en bescheiden, rechtens tussen partijen zijn komen vast te staan, de tussen partij [geïntimeerde] en partij C. Kersten en Co. N.V. bestaan hebbende arbeidsrelatie, aangevangen op 1 november 1958 en geëindigd op of omstreeks 11 december 1980, welke relatie mitsdien ononderbroken ruim 22 jaren heeft geduurd,

Overwegende, voorts, dat naar ’s Hoven oordeel uit de stellingen van partij Kersten in prima, is komen vast te staan, dat partij Kersten aan partij [geïntimeerde] ontslag heeft verleend c.q. gegeven;

– ter adstructie daarvan moge het navolgende dienen:

1) (vide 3e sustenu conclusie van antwoord in prima): Op 9 december 1980 heeft partij [geïntimeerde] ontslag genomen, dan wel de dienstbetrekking opgezegd. Dit door partij [geïntimeerde] aangeboden ontslag is door partij Kersten geaccepteerd. Over een afvloeiingsregeling moest nog gesproken worden.

Op 11 december 1980 stelt partij Kersten, dat partij [geïntimeerde] terug wenst te komen op haar ontslagaanvraag, doch dat partij Kersten dit van de hand wijst. Partij Kersten verleent aan partij [geïntimeerde] een week vrijstelling van dienst en stelt partij [geïntimeerde] in de gelegenheid om met het oog daarop haar – partij [geïntimeerde] – verantwoordelijkheden voorlopig over te dragen (zie pag. 3 conclusie van antwoord in prima).

2) Uit de brief van 19 december 1980 van partij Kersten aan partij [geïntimeerde] blijkt, dat het ontslag geen definitief karakter droeg (vide 3e sustenu onder C pag. 3 v.d. conclusie van antwoord in prima).

3) In het 4e sustenu van de conclusie van antwoord stelt partij Kersten, dat zij van mening is en dit ook kan bewijzen, dat partij [geïntimeerde] haar ontslag zelf heeft aangevraagd waaruit het Hof afleidt, dat partij Kersten er dus niet zeker van is, dat partij [geïntimeerde] haar ontslag heeft aangeboden.

4) Ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen (26 april 1983) verklaart partij Kersten bij monde van Directeur [naam 3], dat partij [geïntimeerde] haar functie ter beschikking stelt van de firma, waaruit het Hof wederom afleidt, dat naar ’s Hoven oordeel, het ter beschikking stellen van een functie niet gelijk staat met ontslag aanvraging. Bij die comparitie van partijen heeft partij [geïntimeerde] overigens zijn ontslag aanvraging betwist. Voornoemde comparant [naam 3] was aanwezig bij de bespreking tussen de heren [naam 4], [naam 1] en [geïntimeerde] (vide brief van 19 december 1980 aan partij [geïntimeerde]).

5) In het 2e sustenu van de conclusie na niet gehouden enquête d.d. 8 mei 1984 stelt partij Kersten:

”gedaagde heeft terzake geen getuigen doen horen, doch wenst het volgende met klem te stellen. Eiser heeft ter comparitie van partijen uitdrukkelijk erkend, dat hij aan gedaagde ’s direkteur heeft gezegd, dat zijn functie werd uitgehold en dat dan maar een ander zijn plaats moest innemen.

Eiser heeft mitsdien duidelijk te kennen gegeven de uitholling van zijn functie te koppelen aan het feit, dat dan volgens hem een ander zijn plaats moest innemen.

Aangezien een uitholling van een bedrijfsleidersfunctie begrijpelijkerwijs aanleiding kan geven tot het nemen van ontslag, zelfs voor betrokkene een gewichtige reden tot beëindiging kan zijn, mocht gedaagde die uitlating als een opzegging der dienstbetrekking opvatten”;

Overwegende, dat partij Kersten blijkens al het voorgaande, haar stellingen dat partij [geïntimeerde] zelf haar ontslag heeft aangeboden, steeds heeft afgezwakt, terwijl deze naar ’s Hoven oordeel ook innerlijk tegenstrijdig zijn;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel een ontslagverzoek duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn (zie v.d. Grinten par. 24 13e druk 1983 Arbeidsovereenkomstenrecht):

“Een ontslagaanvrage van de arbeider moet m.i. worden beschouwd als een aanbod aan de werkgever een overeenkomst tot beëindiging aan te gaan. Indien de werkgever het aanbod aanvaardt, is de overeenkomst totstandgekomen. De H.R. neemt aan dat de arbeider op zijn ontslagaanvrage kan terugkomen, zolang deze niet door de werkgever is aanvaard” (eind citaat);

Overwegende, dat toen partij [geïntimeerde] op 11 december 1980 in de visie van partij Kersten op haar ontslagaanvrage terugwenste te komen, was die aanvrage blijkens de brief van partij Kersten van 19 december 1980, door haar nog niet geaccepteerd (vide brief van 19 december 1980);

Overwegende, dat het Hof tot de conclusie is gekomen, dat partij [geïntimeerde] geen ontslag heeft aangevraagd, omdat zij geen wilsverklaring gericht op de beëindiging van de dienstbetrekking heeft afgelegd;

Overwegende, dat ook de kwestie van de eventuele afvloeiingsregeling hierop wijst; partijen zouden de dienstbetrekking beëindigen als zij daarover overeenstemming zouden bereiken, hetgeen niet is geschied;

Overwegende, dat naar ’s Hoven oordeel partij Kersten partij [geïntimeerde] heeft ontslagen en daarbij de opzegtermijn niet in acht heeft genomen;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bij interlocutoir vonnis van 6 december 1983 verstrekte bewijsopdracht, na de gehouden comparitie van partijen, dan ook overbodig was en de grief hiertegen terecht is aangevoerd;

Overwegende, dat het Hof, in aanmerking genomen de duur van het dienstverband – ruim 22 jaren –, dit ontslag tevens kennelijk onredelijk acht, zijnde toch geen redenen opgegeven, die dit ontslag zouden rechtvaardigen;

Overwegende, dat de door appellante aangevoerde grieven met uitzondering van de grief met betrekking tot de verstrekte bewijsopdracht dan ook falen;

Overwegende, met betrekking tot de bij het incidenteel appèl aangevoerde grieven:

– dat het aan partij [geïntimeerde] gegeven ontslag naar ’s Hoven oordeel, onregelmatig is en tevens kennelijk onredelijk;

– dat de Kantonrechter de toe te wijzen schadebedragen gesplitst diende te houden, nu de grondslagen daartoe verschillend zijn;

Overwegende, dat het Hof de gevorderde som wegens onregelmatig ontslag ad f.21.526,– toewijsbaar acht, m.d.v, dat het Hof de post, compensatie medische voorzieningen zal stellen op 5% zodat het bedrag van f.21.526,– dient te worden verminderd met f.420,– en het bereids ontvangen bedrag van f.4.000,–;

– dat wegens onregelmatig verleende ontslag derhalve voor toewijzing in aanmerking komt de som van f.17.106,– (f.21.526,– minus f.420,– en f.4.000,–);

Overwegende, dat het Hof het bedrag wegens kennelijk onredelijk verleend ontslag naar redelijkheid en billijkheid gelet op de omstandigheden als voormeld van het onderhavige geval, zal bepalen op het salaris voor de tijd van 22 maanden voor elk dienstjaar 1 maand, opleverende een bedrag van 22 x f.1400,– f.30.800,–;

Overwegende, dat de rente over voormeld bedrag van f.30.800,– evenwel verschuldigd is sedert de dag van de uitspraak, nu het betreft schadevergoeding die door de rechter volgens artikel 1615r Surinaams Burgerlijk Wetboek kan worden toegewezen (vgl. De Praktijkgids, 1981, p. 181);

Rechtdoende in hoger beroep

In het principaal appèl:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingesteld appèl;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op ¦. nihil

In het incidenteel appèl:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 3 juli 1984, waarvan beroep en het interlocutoir vonnis van 6 december 1983;

En opnieuw rechtdoende

Veroordeelt partij Kersten om aan partij [geïntimeerde] tegen behoorlijke kwijting te betalen de sommen van:

a. f.17.106,– (zeventien duizend eenhonderd en zes gulden) wegens onregelmatig aan partij [geïntimeerde] verleend ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% per jaar vanaf 5 maart 1981 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. f.30.800,– (dertig duizend en achthonderd gulden) vergoeding wegens aan partij [geïntimeerde] kennelijk onredelijk verleend ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% ’s jaars vanaf 28 november 1986 tot aan de dag der algehele voldoening;

Veroordeelt partij Kersten in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van partij [geïntimeerde] gevallen:

– in eerste aanleg begroot op f.93,25

– in hoger beroep begroot op f.100,–

met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van f.100,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van partij Kersten eveneens op f.100,–;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

SRU-HvJ-1998-1

H.M.

A – 381.

[verzoeker], wonende te [district], aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, aan de Gravenstraat no.122a, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.MARICA, advo­kaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procureur-Gene­raal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhou­dende te zijne Parkette te Paramaribo aan de Graven­straat nr.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.­C.D.OOFT, advokaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij ver­zoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellen­de:

1. Verzoeker wenst de hiernavolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, ten deze vertegenwoordigd wordende door de heer Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijne Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat nr.3, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in vaste dienst in de zin van de Personeelswet en was laatstelijk te werk gesteld als direkteur van de eenvoudige Technische School;

3. Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 7 mei 1996, Bureau [nummer 1] is verzoeker ontslagen als ambtenaar in dienst van de Staat welk ontslag is ingegaan op 11 april 1997, zijnde deze dag de dag volgende op die, waarop het besluit hem ter kennis is gebracht. Verzoe­ker heeft vermeld besluit per aangetekend schrijven ontvangen op 10 april 1997 en overlegt deze ten proces­se met het verzoek de inhoud ervan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen. Verzoeker acht het bedoeld besluit te zijnen opzichte vatbaar te zijn voor nietig verklaring en wel op de navolgende gronden.

a. Het bij voormelde resolutie genomen besluit grijpt in, in de rechten van verzoeker en derhalve niet had mogen worden genomen zonder hem in de gelegenheid te stellen zijn belangen te bepleiten bij de gedaagde.

In de overwegingen 5 tot en met 7 stelt de gedaagde dat de verzoeker in de gelegenheid werd gesteld om naar een andere betrekking om te zien, dat de verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dat ver­zoeker tot 2 maal werd uitgenodigd voor een gesprek. Verzoeker ontkent met klem al het gestelde in de over­wegingen 5 tot en met 7 van voormelde resolutie. Ver­zoeker heeft in de Kort Geding zaak bekend onder A.R.N­o.960005 zelf gevraagd tot hervatting van zijn diensten in een funktie in overeenstemming met zijn opleiding en ervaring. Dit laatste werd hem echter door de Kanton­rechter geweigerd wegens geen recht hebben op arbeid, doch wel op zijn salaris en overige emolumenten. De gedaagde heeft geen gebruik willen maken van verzoekers diensten alstoen en thans ook niet ondanks het feit dat de verzoeker alstoen reeds zijn diensten aan de gedaag­de aanbood en thans nog steeds bereid is de bedongen arbeid voor de gedaagde te verrichten. Verzoeker is van oordeel dat de gedaagde hem niet kan verplichten om te zien naar een andere betrekking buiten het staatsappa­raat. Verzoeker die van huisuit leerkracht is, moet worden aangemerkt als te zijn een gespecialiseerde aangezien hij te werk was gesteld op een Technische School vanwege zijn genoten technische opleiding als leerkracht en aangezien alle technische scholen onder het regiem van de Staat vallen, is zulk een verplich­ting onredelijk bezwaarlijk. Dit klemt des te meer aangezien de schorsing van rechtswege per 9 februari 1990 is beëindigd en het dienstverband tussen verzoeker en de gedaagde per die zelfde datum is hervat en ver­zoeker niet de gelegenheid heeft gehad zijn werkzaamhe­den van weleer te hervatten;

b. Aan verzoeker is nooit de uitnodiging gedaan betrekkelijk een gesprek. De gedaagde heeft in de Kort Geding zaak zoals reeds aangehaald deze stelling niet eens summierlijk kunnen bewijzen. In de periode februa­ri 1990 tot en met juli 1994 heeft de gedaagde Stil gezeten en na de periode is de gedaagde overgegaan tot blokkering van verzoekers salaris. Dit onbehoorlijk bestuur als te zijn de gedragingen van de gedaagde kan in een rechtstaat als ten onzent niet worden getole­reerd aangezien deze gedraging rechtsonzekerheid schept voor verzoeker als ambtenaar en alle andere ambtenaren;

c. Nadat de Rechter in Kort Geding op 9 februari 1996 de gedaagde heeft veroordeeld om de verzoeker zijn salaris uit te betalen blijkt pas dat de verzoeker wegens het onvoldoende waarborgen voor betrouwbaarheid dient te worden ontslagen ingevolge artikel 69 lid 2 sub c van de personeelswet. Het heeft dus 7 jaren geduurd eer de gedaagde tot zulk een stelling is geko­men. Gelet op de lengte van de periode n.l.7 jaren is ook deze overweging onredelijk bezwaarlijk;

4. Verzoeker concludeert uit het vorenstaande dat de gronden van het besluit van de gedaagde om hem te ontslaan ondeugdelijk zijn en dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur. De litigieuze beschikking geen stand kan houden en derhalve dient te worden vernie­tigd. Dit laatste klemt des te meer nu de gedaagde in de Kort Geding zaak bekend onder A.R.No.97-1259 te kennen heeft gegeven verzoeker uit te betalen tot 14 april 1997 en hem voorheen geen verwijten zijn gemaakt, althans hem niet bekend waren;

5. Zoals de kaarten nu liggen zal verzoeker ingevolge de mededeling van de gedaagde in de zaak bekend onder A.R.No.97-1259 tot en met 14 april 1997 zijn salaris ontvangen en daarna niet meer. Dit laatste betekent dat de verzoeker schade zal lijden doordat de gedaagde zal nalaten die handelingen te verrichten waardoor aan hem zijn salaris niet zal worden uitbetaald totdat oprecht­matige wijze de dienst betrekking tussen partijen bestaande zal worden beëindigd. Ook deze gedraging van de gedaagde is onbehoorlijk bestuur, aangezien geen gronden aanwezig zijn;

6. Verzoeker is van oordeel dat hij op grond van al het vorenstaande meer speciaal vanwege het onbehoorlijk bestuur van de gedaagde en wel zodanig dat de gedaagde het heeft gepresteerd om aan de verzoeker uit te reiken een ongetekende en ongestempelde resolutie, recht en belang heeft bij een vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Resolutie van de President van de Repu­bliek Suriname d.d. 7 mei 1996, [nummer 1];

b. de gedaagde zal worden veroordeeld om die hande­lingen te verrichten waardoor aan de verzoeker alsnog zijn salaris met bijkomende emolumenten wordt uitbe­taald over de periode 15 april 1997 totdat op regelma­tige wijze de dienst betrekking tussen partijen be­staande zal zijn beëindigd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van DE STAAT SURINAME binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarbij hij als verweer heeft aangevoerd:

1. Gedaagde ontkent en betwist alhetgeen verzoeker in zijn Inleidend Rekest naar voren heeft gebracht, voor zover niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem (gedaa­gde) is erkend, onder aanbod van bewijs zijner stellin­gen door alle middelen rechtens, indien en voor zover de bewijslast op hem zou mogen rusten;

2. Gedaagde kan erkennen, dat verzoeker gewezen ambtenaar is, die bij Resolutie d.d. 7 mei 1996 [nummer 2] – door verzoeker eerder overgelegd ter kennisneming van Uw Hof van Justitie -, werd ontslagen. Dit ontslag is ook ingegaan op de dag dat het terzake diend afschrift van de Resolutie verzoeker bereikte via een aangetekend stuk, t.w. op 8 (acht) april 1997. Het ontslag is dus niet ingegaan op 11 april 1997, zoals verzoeker stelt in zijn 3de sustenu (1e alinea), maar op 8 april 1997.

Het bewijs van dit aangetekend stuk wordt hierbij ter kennisneming van Uw Hof gevoegd, met verzoek het­zelve als hier geinsereerd en van dit verweer deel uitmakende, te willen beschouwen;

Gedaagde wil echter opmerken, dat 3 maal toe door boden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Onderwijs, het afschrift van deze Resolutie ten huize van verzoeker aan [adres] is gebracht, maar dat de bewoners steevast mededeelde, dat verzoeker daar niet langer woont. Het aangetekend stuk werd echter ook geadresseerd op [adres], en kwam goed terecht, omdat verzoeker wel aldaar zijn woon­plaats heeft;

3. Ten aanzien van de opmerking van verzoeker in zijn 6e sustenu, dat de Resolutie niet zou zijn getekend (ongetekend en ongestempeld), merkt gedaagde op, dat aan verzoeker een afschrift van de Resolutie is toege­zonden met vermelding dat de resolutie ”WAS GETEKEND”, door de PRESIDENT en mede-ondertekend, door de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling S.O.HIWAT;

4. Verzoeker stelt in zijn 2de sustenu Inleidend Rekest, dat hij ”laatstelijk” was aangesteld in dienst als Direkteur van de Eenvoudige Technische School. Dit is juist, met dien verstande dat onder ”laatstelijk” moet worden verstaan ”Voor het laatst”, en wel in het jaar 1989, toen hij op 12 december 1989, blijkens zijn personeelsdossier, door de Procureur-Generaal in verze­kering werd gesteld wegens o.a. verdenking van strafba­re handelingen ingevolge de artikelen Wetboek van Strafrecht 278 jo 72 en/of 386 jo. artikel 73, alsmede verdacht van valsheid in geschrifte, zoals blijkt uit de terzake gedane mededelingen van de Wnd.,Procureur-Generaal, Mevr.Mr.H.ROZENBLAD.

Na 12 december 1989 is verzoeker niet meer in dienst van de STAAT geweest. Hem werd de gelegenheid gegeven, i.p.v. te verschijnen voor de Strafrechter, wegens ”overtreding van een Economisch Delict”, te transigeren, nadat verzoeker schuld heeft bekend op het alsdan gemaakte terzake dienende formulier;

Het bevoegd gezag op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling is vanaf 1989 met verzoeker in onderhandeling geweest om hem elders te werk te stel­len, dan binnen het onderwijs, waar vooral de handelin­gen die tot vervolging van verzoeker hebben geleid, verwijderen uit het onderwijs noodzakelijk maakten. Er is niet besloten terstond tot ontslag over te gaan wegens o.a.PLICHTSVERZUIM.

Verzoeker is daarenboven – op eigen verzoek – de vrijheid gelaten te werken naar plaatsing op het Minis­terie van Openbare Werken, waar hij, gelet op zijn ervaringen, goed te werk zou kunnen worden gezet. Daarom bleef het ontslag zo lang uit.

Het mocht niet baten. Verzoeker kwam niet terug, maar bleef enkele jaren zonder arbeid te verrichten zijn salaris met emolumenten toucheren, totdat zijdens het Ministerie zijn salaris werd geblokkeerd, echter zonder een daarvoor noodzakelijke beschikking (of besluit) te slaan en verzoeker daarvan in kennis te stellen.

In het Kort Geding Ar.97-1259, zelf door verzoeker aangehaald in zijn Inleidend Rekest, werd dit verzuim gecorrigeerd en kreeg verzoeker zijn salaris plus emolumenten met terugwerkende kracht tot 10 april 1997.

Partijen bereikten hierover ten overstaan van de Kortgedingrechter overeenstemming. De ingangsdatum van het inmiddels gegeven ontslag, stond op 8 april 1997;

Ook nu weer deed zich het probleem voor dat ver­zoeker op het [adres] nooit te vinden was, hoewel hij daar woonde en nog woont.

Het gevolg van deze onzekere toestand was onder meer, dat verzoeker tot tweemaal toe werd opgeroepen om over het ontslag en/of plaatsing in een andere dienst, te komen overleggen met het Ministerie van Onderwijs. Tot tweemaal toe werd een brief aan hem verzonden. Verzoeker verscheen geen van beide keren, met als resultaat o.a.:

a. dat verzoeker niet de gelegenheid kreeg een ver­weerschrift op te stellen;

b. dat over herplaatsing niet kon worden overlegd met verzoeker, die inmiddels naar algemeen bekend is, op de haven optreedt als INKLAARDER en dit werk regelmatig verricht voor importeurs.

Fotokopie van de 2 brieven, d.d. 13 oktober en 22 oktober 1993 worden hier ter kennisneming van Uw Hof van Justitie ingesloten, met verzoek, deze als in dit rekest geinsereerd te willen beschouwen. Op grond van dit bovenstaande, wordt dan ook door gedaagde tegenge­sproken, dat het aan de schuld van gedaagde zou liggen, of aan onbehoorlijk bestuur, dat het ontslag uiteinde­lijk toch moest worden, zoals het nu luidt. De motive­ring daarin is dan ook niet onjuist en geeft geen goede grond om dientengevolge, en zoals gevorderd door ver­zoeker, tot geheel of gedeeltelijke vernietiging door het Hof van Justitie over te gaan;

6. Anders dan verzoeker doet voorkomen werkt het ontslag niet terug en is de stopzetting van de uitbeta­ling van zijn salaris niet onrechtmatig, mede op grond waarvan de Kortgeding Rechter dan ook de vordering van verzoeker om aan werk geholpen te worden, heeft moeten afwijzen wegens – zoals verzoeker zelf meedeelt in zijn 3de sustenu, 3e alinea ”geen recht op arbeid”. Zijn salaris en emolumenten heeft verzoeker inmiddels ont­vangen, over de gehele periode waarin die waren geblok­keerd, tot de ingangsdatum van het ontslag;

7. Gedaagde kan erkennen, dat dát deel van de motive­ring van het ontslagbesluit, n.l.”onvoldoende waarbor­gen voor betrouwbaarheid” (zie 9de alinea van de ”OVER­WEGINGEN” en 3e sustenu Inleidend Rekest van verzoeker) niet zo daadkrachtig is om het ontslag te ondersteunen. Maar de niet altijd juridisch of administratiefrechte­lijk onderbouwde ambtenaren die voor de redaktie moeten zorgen, kwamen wel onder die indruk, gelet op het vergrijp van verzoeker op de Eenvoudige Technische School en daarna op de onbetrouwbaarheid van verzoeker, om de administratie in staat te stellen haar werk goed te doen.

Met het bekende plichtsverzuim kon worden vol­staan, een begrip dat, gelet op de in de Personeelswet bekende opvatting van plichtsverzuim, zonder meer in de plaats van het moeilijker te bewijzen ”onbetrouwbaar­heid” volledig – naar de mening van gedaagde – een eventuele onvoldragen – zijn van de motivering, kan vervangen. De overwegingen dragen overigens, ieder afzonderlijk en tesamen, wel het ontslag dat als tucht­straf aan verzoeker is opgelegd. Een tuchtstraf, waar verzoeker zich reeds bij had neergelegd, ten dage dat het Kort Geding werd beslecht ten overstaan van de Kortgedingrechter op 9 februari 1996;

8. Verzoeker is te laat met de indiening van zijn rekest op 9 april 1997. Verzoeker ontving zijn ontslag­besluit op 8 mei en heeft op 9 mei 1997 ter Griffie van het Hof van Justitie zijn rekest ingediend. Deze om­standigheid is grondslag voor het niet ontvankelijk verklaren door Uw Hof van Justitie van verzoeker, wegens strijd met de vorm- vereisten van de Personeels­wet;

9. Gedaagde spreekt ook ten stelligste tegen dat hij zich in de zaak van verzoeker schuldig zou hebben gemaakt aan schending van enig Beginsel van Behoorlijk Bestuur, c.q. aan enig onrechtmatige handeling. Nergens is door verzoeker geconcretiseerd, welk beginsel ge­schonden zou zijn, op grond waarvan onrechtmatig zou zijn gehandeld;

Overwegende, dat hij op deze gronden heeft gecon­cludeerd:

dat verzoeker op de grondslagen van dit verweer als hierboven weergegeven, hetzij niet ontvankelijk zal worden verklaard, hetzij de vordering niet zal worden toegewezen, wegens gebrek aan bewijs, wegens ongegrond­heid, althans wegens te vage aanduiding daarvan en in strijd met wet en recht;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 4 juli 1997 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde advokaat Mr.S.Marica en advokaat Mr.Dr.C.D.Ooft, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen- proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehou­den verhoor van partijen zijdens verzoeker bepaald, de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie – onder overlegging van een produktie – heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna – onder overlegging van een produktie – een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker vervolgens een eveneens – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating produk­tie heeft genomen;

Overwegende, dat partijen tenslotte vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 23 januari 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker op gronden in het inleidende verzoekschrift vermeld onder meer vordert:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Resolutie van de President van de Repu­bliek Suriname d.d. 7 mei 1996, bureau [nummer 1];

b. de gedaagde zal worden veroordeeld om die hande­lingen te verrichten waardoor aan de eiser alsnog zijn salaris met bijkomende emolumenten wordt uitbetaald over de periode 15 april 1997 tot dat op regelmatige wijze de dienst betrekking tussen partijen bestaande zal zijn beëindigd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat De Staat Suriname bij verweer­schrift onder meer heeft aangevoerd dat de grondslag van het gegeven ontslag namelijk ”onvoldoende waarbor­gen voor betrouwbaarheid”, dit motiverende gesteld heeft dat verzoeker een strafbaar feit had begaan en was gearresteerd waardoor hij geschorst was, voorts door het Ministerie van Onderwijs hem voorstellen zijn gedaan om elders te werk gesteld te worden vanwege het specifiek beroep dat verzoeker uitoefende, hij was n.l. leerkracht, zijn verdere handhaving door dit gebeuren in de weg stond.

Voorts verzoeker, hoewel hij nog steeds woonachtig is aan [adres], zich onvindbaar heeft gemaakt voor zijn werkgever;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat nu het strafbaar feit door verzoeker is erkend en hij niet gemotiveerd ontkent slecht contact met zijn werkgever te hebben gehad en aangezien niet gezegd kan worden dat bij de besluitvorming elk redelijk belang van verzoeker is veronachtzaamd, het door De Staat Suriname gevoerde verweer als juist gedaan dient te worden aangemerkt, zodat het Hof het gedane verzoek dient te weigeren;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Wijst verzoeker’s vorderingen af;

Aldus gewezen door de heren: Mr.A.C.VELDEMA, Fungerend-President, Mr.P.G.WOLFF en Mr.K.PULTOO, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openba­re terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 20 maart 1998, in tegenwoordigheid van Mr.A.CHARAN, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.BRANDON namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.MA­RICA en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemach­tigde advokaat Mr.Dr.C.D.OOFT, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1986-2

Hof van Justitie

12 december 1986, G.R. 12425

(Mrs. R.E.Th. Oosterling, J.R. von Niesewand, E.S. Ombre)

N.V. Energie Bedrijven Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Noorderkerkstraat 2-6, advocaat Mr. W. Lim A Po, appellant,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district], advocaat Mr. C.A. Calor, geïntimeerde,

De waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 16 september 1985 en 11 november 1985 tussen partijen gewezen;

2. het proces verbaal van de griffier van het Eerste Kanton van 21 november 1985, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen de N.V. Energie Bedrijven Suriname, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Noorderkerkstraat 2-6, gedaagde;

2. dat eiser in juni 1969 in dienst trad van de N.V. Ogem; die in december 1971 belast werd met de statutaire Directievoering over de N.V. E.B.S;

3. dat eiser in december 1971 benoemd werd als vertegenwoordiger van de statutaire direktie van de N.V. Energie Bedrijven Suriname, en belast werd met de functie van Direkteur van de N.V. Energie Bedrijven Suriname;

4. dat gedaagde bij schrijven van de Raad van Commissarissen de dato 17 januari 1985 [referentienummer 1], welk schrijven hierbij in fotokopie als produktie I wordt overgelegd, de dienstbetrekking met eiser met ingang van 17 juli 1985 heeft opgezegd. Bovendien werd eiser met ingang van 17 januari 1985 op non-actief gesteld;

De reden die gedaagde opgaf voor het ontslag is dat er een duidelijke onverenigbaarheid van visie zou bestaan tussen eiser als direkteur en de Raad van Commissarissen en de Aandeelhouders omtrent de Maatschappelijke Rolvervulling van de N.V. E.B.S. en het in dat kader te voeren beleid en dat als gevolg daarvan geen doeltreffende samenwerking mogelijk zou zijn tussen eiser als Direkteur enerzijds en de Raad van Commissarissen alsmede de aandeelhouders anderzijds;

5. dat gedaagde geen ontslagvergunning van de Minister van Arbeid terzake heeft gekregen (S.B. 1983 no. 10 prod.II) en ingevolge Decreet E 39A Artikel 1 – welk Decreet hierbij in fotokopie als produktie III wordt overgelegd – de ontslagaanzegging aan eiser per 17 juli 1985 derhalve van rechtswege als opgeschort moet worden beschouwd;

6. dat eiser hierbij als produktie no. IV overlegt het schrijven van het Ministerie van Arbeid Sociale Zaken en Volkshuisvestiging, de dato 20 augustus 1985 [referentienummer 2] waaruit blijkt dat tot die datum aan gedaagde geen ontslagvergunning is verleend;

7. dat gedaagde conform het in het 4e “dat” gestelde heeft gehandeld en eiser tot 17 juli 1985 zijn salaris + emolumenten tezamen het equivalent bedragende van f.14.222,– per maand heeft betaald;

8. dat eiser bij schrijven van gedaagde de dato 1 augustus 1985 [referentienummer 3] – welk schrijven hierbij in fotokopie als produktie V wordt overgelegd – werd bericht dat per 17 juli 1985 de uitbetaling van zijn salaris werd stopgezet;

9. dat voormelde handelswijze van gedaagde niet alleen in strijd is met de wet (Decreet E 39 A), immers zoals reeds gesteld het ontslag aan eiser van rechtswege als opgeschort dient te worden beschouwd, doch ook met de zorgvuldigheid welke gedaagde in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van eiser betaamt, met gedaagde ’s schuld daaraan;

10. dat eiser in ernstige financiële problemen dreigt te geraken nu gedaagde in gebreke is gebleven hem zijn salaris vanaf 17 juli 1985 uit te betalen;

11. dat eisers vordering derhalve een spoedeisend karakter heeft welke een behandeling in Kort Geding rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroordeeld:

a. om bij wege van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen diens salaris + emolumenten vanaf 17 juli 1985 tot heden naar rato van f.14.222,– (veertienduizend tweehonderd twee en twintig gulden) per maand althans een zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

b. om maandelijks tegen behoorlijk bewijs van kwijting te rekenen vanaf heden bij wege van voorschot aan eiser te betalen diens salaris ad f.14.222,– (veertienduizend tweehonderd twee en twintig gulden) althans en zodanig bedrag als de Kantonrechter in goede Justitie zal vaststellen;

Overwegende, dat de N.V. Energie Bedrijven Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond en onbewezen zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 16 september 1985 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat ter bevolen comparitie van partijen, partijen in persoon tevens bijgestaan door hun respectieve gemachtigden zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de Kantonrechter de verdere behandeling der zaak heeft aangehouden voor overlegging produkties zijdens gedaagde;

Overwegende, dat nadat de gemachtigde van gedaagde een conclusie tot overlegging produkties had genomen, de Kantonrechter bij vonnis van 11 november 1985 op de daarin opgenomen gronden gedaagde heeft bevolen om aan eiser bij wege van voorschot vanaf 17 juli 1985 tot aan de richtige beëindiging van de dienstbetrekking met eiser tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van f.14.222,– (veertien duizend tweehonderd twee en twintig gulden) per maand;

dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.65,– (vijf en zestig gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal van 21 november1985 de N.V. Energie Bedrijven Suriname in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 11 november 1985;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Mohamed Raoef Gaffar van 3 december 1985 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het appél tegen het vonnis de dato 11 november 1985 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat appellante tegen het beroepen vonnis drie grieven heeft ontwikkeld, luidende:

A. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat de dienstbetrekking tussen geïntimeerde en appellante een arbeidsverhouding is in de zin van artikel 1613 a Burgerlijk Wetboek en dat op grond daarvan ten aanzien van geïntimeerde de normale ontslagregels, zoals weergegeven in het Burgerlijk Wetboek en in het Decreet Ontslagvergunning in acht behoorden worden genomen;

B. Ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen, dat appellante geen ontslagvergunning had zulks in strijd met appellante ’s stellingen, zoals uiteengezet bij conclusie van dupliek in prima sub 4 en bij conclusie van antwoord in het incident in prima d.d. 14 oktober 1985.

C. Kennelijk is de Kantonrechter tot voormelde beslissing gekomen, aangezien hij in zijn vonnis overweegt, dat appellante de ontslagvergunning niet op de juiste wijze en bij het daartoe bevoegde orgaan van de Staat zou hebben aangevraagd, zulks evenwel ten onrechte.

Ten onrechte heeft de Kantonrechter beslist, dat appellante aan geïntimeerde maandelijks een bedrag van f.14.222,– behoorde te voldoen;

hebbende appellante, naar uit haar pleitnota blijkt, voormelde grieven duidelijk toegelicht, wordende die toelichting als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht de grieven A en B thans tegelijk aan een bespreking te onderwerpen;

Overwegende, dat in rechtspraak en literatuur algemeen wordt aangenomen, dat de rechtsverhouding tussen de naamloze vennootschap en haar bestuurder (directeur) beheerst wordt door de bepalingen van de arbeidsovereenkomst (zie Van der Heyden – Van der Grinten, Handboek; negende druk no. 245, blz. 430; Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht blz. 15);

dat ook in de wetgeving een aanknopingspunt is te vinden voor deze zienswijze (zie art.108 K)

dat deze regeling zinloos zou zijn, wanneer een bestuurder geen arbeider was;

Overwegende, dat nu, naar tussen partijen rechtens vaststaat, geïntimeerde tegen loon werkzaam was, hij arbeider in dienst van appellante was;

dat deze rechtsbetrekking tot appellante onder meer betekende, dat de artikelen 1613a e.v., Burgerlijk Wetboek van toepassing waren, nu daarvan in het Wetboek van Koophandel niet blijkt te zijn afgeweken;

Overwegende, dat naar luid van artikel 2 van het “Decreet Ontslagvergunning’’, het een werkgever verboden is de dienstbetrekking van de werknemer te beëindigen zonder ontslagvergunning, verleend door of namens de Minister. Ingevolge artikel 6 van voormeld decreet, is het de werkgever toegestaan om, indien een ontslagvergunning aan de werkgever is verleend, de betreffende dienstbetrekking op te zeggen met inachtneming van de wettelijke opzeggingstermijn;

dat naar uit de toelichting van artikel 6 blijkt, de werkgever de dienstbetrekking pas rechtmatig kan opzeggen, na verkrijging van de ontslagvergunning. Na dit tijdstip kan de van toepassing zijnde opzeggingstermijn ingaan;

Overwegende, dat nu niet is gebleken van enig besluit, ingevolge hetwelk artikel 6 van het “Decreet Ontslagvergunning” niet van toepassing is op de verhouding tussen de directeur en de vennootschap, het Hof het er voor houdt, dat gemelde wettelijke bepaling van toepassing was op de dienstbetrekking tussen partijen;

Overwegende dat, naar uit een door de Raad van Commissarissen van appellante aan geïntimeerde verzonden brief de dato l7 januari 1985 blijkt, de dienstbetrekking tussen partijen met ingang van 17 juli 1985 is opgezegd;

Overwegende, dat naar uit de zich in het procesdossier bevindende gedingstukken blijkt, heeft de Raad van Commissarissen van appellante bij schrijven de dato 17 januari 1985, aan de Minister van Sociale Zaken Arbeid en Volkshuisvesting gericht, de Minister verzocht aan appellante vergunning te verlenen de dienstbetrekking met geïntimeerde te beëindigen;

Overwegende, dat uit vorenaangehaalde overwegingen blijkt, dat toen appellante de dienstbetrekking aan geïntimeerde opzegde, de appellante niet in het bezit was van de vereiste ontslagvergunning, als bedoeld in artikel 6 van het “Decreet Ontslagvergunning’’

Overwegende, dat de consequentie van een en ander was, dat de gedane opzegging als in strijd met gemelde wettelijke bepaling van rechtswege nietig was;

Overwegende, dat de dienstbetrekking en de loonaanspraken dan ook bleven voortduren;

Overwegende, dat zowel grief A als grief B op grond van al het hiervoren overwogene als ongegrond te worden verworpen;

Overwegende, dat nu appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft ontkend, dat geïntimeerdes salaris f.14.222,– per maand bedroeg en geïntimeerde zijn betwiste stelling niet nader heeft uiteengezet en toegelicht, acht het Hof het thans noodzakelijk een comparitie van partijen te gelasten teneinde daaromtrent te worden geïnformeerd;

Overwegende, dat het Hof grief C na de gehouden inlichtingencomparitie zal bespreken;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

Rechtdoende in hoger beroep in Kort Geding

Gelast partijen ambtshalve in persoon, desgewenst vergezeld van haar advokaten om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 13 februari 1987 des voormiddags te half negen uur te verschijnen tot het verstrekken van inlichtingen;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris als hoedanig hierbij wordt benoemd Mr. R.E.Th. Oosterling, waarnemend-President van dit Hof;

Houdt elke verdere uitspraak aan.