SRU-HvJ-1994-7

HOF VAN JUSTITIE (Ambtenarengerecht), 15 juli 1994
(Mrs. R.E.Th. Oosterling, E.S. Ombre en O.W. Abendanon)

[verzoekster], militair-ambtenaar, [registratienummer], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 18 ten kantore van Mr. UDO JAN VAN DER VELDT, advokaat, verzoekster,

tegen

DE STAAT SURINAME (Ministerie van Defensie; Nationaal Leger), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette, te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, advokaat Mr.Dr. C.D. OOFT, verweerder.

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

1) Verzoekster wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME (Ministerie van Defensie; Nationaal Leger), in rechte vertegenwoordigd door de Edelgrootachtbare Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende ten Parkette te Paramaribo aan de Gravenstraat no. 3, verweerder.

2) Op 15 februari 1989 is verzoekster in dienst van verweerder getreden als kortverbandvrijwilliger, hetgeen moge blijken uit de hierbij in fotocopie overgelegde arbeidsovereenkomst de dato 6 april 1989.

Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 27 maart 1990, [kenmerk] is verzoekster met terugwerkende kracht te rekenen van 15 februari 1989 in vaste dienst aangesteld en per die datum bevorderd tot vaandrig.

Voorts is zij bij deze Resolutie per 1 juni 1980 bevorderd tot Tweede Luitenant (effectief). Verzoekster legt deze resolutie eveneens in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang, als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

3) Bij personeelsorder [nummer 1] de dato 13 februari 1991 van de Bevelhebber van het Nationaal Leger werd verzoekster te rekenen van 1 mei 1989 bevorderd tot Kapitein-titulair en vervolgens bij personeelsorder [nummer 2] de dato 29 april 1991 van voornoemde autoriteit tot Majoor-titulair en wel te rekenen van 1 mei 1991. Zij legt deze personeelsorders eveneens hierbij in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

4) Inmiddels was verzoekster als militair juriste te werk gesteld ten Departemente. Op 17 mei 1991 ontving zij een schrijven van de toenmalige Minister van Defensie, inhoudende, dat zij weder ter beschikking werd gesteld van de Chef Generale Staf. In dit schrijven werd haar rang aangegeven als te zijn die van Kapitein.

Bij schrijven per diezelfde datum van haar procesvertegenwoordiger aan de President van de Republiek Suriname in de hoedanigheid van Opperbevelhebber der Strijdkrachten heeft zij hiertegen geprotesteerd en heeft zij verzocht om ongedaanmaking van deze terugstelling in rang, zo inderdaad daarvan sprake mocht zijn. Vervolgens bleek haar uit de personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 onder 2 sub (b), dat haar bevordering tot Majoor-titulair inderdaad ongedaan was gemaakt. Bij schrijven de dato 25 september 1991 bracht haar procesvertegenwoordiger de onderwerpelijke aangelegenheid wederom onder de aandacht van de Opperbevelhebber der Strijdkrachten; tot heden echter zonder gevolg in die zin, dat zij geen antwoord heeft gekregen omtrent een gunstige of afwijzende beschikking op haar verzoek tot ongedaanmaking van vorenbedoelde terugstelling in rang.

Verzoekster legt het schrijven van de Minister van Defensie de dato 17 mei 1991, het schrijven aan de Opperbevelhebber de dato 17 mei 1991, de personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 en het rappelschrijven aan de Opperbevelhebber de dato 25 september 1991 in fotocopie over met het verzoek om de inhoud ervan voor zoveel zakelijk van belang als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.

5) Gelet op het bepaalde van artikel 78, lid 2, sub (b), volgens welke orgaan (in casu de President van de Republiek Suriname), mede wordt geacht een besluit te hebben genomen, indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek (in casu het verzoek tot ongedaanmaking van de terugstelling in rang van Majoor-titulair tot die van Kapitein-titulair), heeft zij de onderhavige vordering tijdig, want binnen één maand na 17 november 1991, ingesteld.

6) Verzoekster is de overtuiging toegedaan, dat de terugstelling in functionele rang bij personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 ten onrechte is geschied en dat zij terzake van deze onterechte terugstelling ontvankelijk is in haar vordering ex artikel 79 van de Personeelswet en wel om de navolgende redenen:

a). Een personeelsorder houdende een besluit tot functionele bevordering is een beschikking in de zin van een éénzijdige naar buiten gerichte schriftelijke wilsverklaring van een Overheidsorgaan, zijnde zodanige personeelsorder geen besluit van algemene strekking of rechtshandeling naar burgerlijk recht. De functionele bevordering van een militaire ambtenaar in een hogere dan de voordien functioneel of effectief beklede rang geschiedt door het Militair Gezag na goedkeuring door de Minister van Defensie van een door eerstbedoeld orgaan gedane daartoe strekkende voordracht. De omstandigheid, dat een personeelsorder niet is gegoten in de vorm, die in het algemeen in het ambtenarenrecht gebruikelijk is, kan daaraan niet afdoen. Naar algemeen is aanvaard behoeven immers slechts afwijzende beschikkingen een uitdrukkelijke motivering en geldt dit vormvereiste niet voor een begunstigende beschikking.

Krachtens de personeelsorder [nummer 2] de dato 29 april 1991 moet verzoekster mitsdien worden geacht met ingang van 1 mei 1991 rechtsgeldig te zijn bevorderd tot de titulaire rang van majoor.

b) Functionele bevorderingen zijn, evenals effectieve bevorderingen, besluiten van het bevoegde gezag, gericht op enig rechtsgevolg. Alhoewel de functionele bevordering tot enige officiersrang nog niet de effectieve (definitieve) bevordering tot die rang inhoudt, verleent het aan de aldus bevorderde militair bevelsbevoegdheid, gelijk aan die van een effectief in die rang dienende officier. Ook geeft de functionele bevordering aanspraak op een geldelijke voorziening boven de soldij, die de functioneel bevorderde militair krachtens zijn effectieve rang geniet.

c) Op functionele bevorderingen zijn de bepalingen van de Personeelswet bij gebreke aan de afzonderlijke Wettelijke rechtspositieregeling ten aanzien van militaire ambtenaren van toepassing.

Alhoewel de Personeelswet geen explicite onderscheid maakt tussen burgerlijke en militaire ambtenaren en in artikel 1, lid 1, slechts bepaalt, dat voor de toepassing van het bij of krachtens deze Wet bepaalde als ambtenaar zijn aan te merken zij, die krachtens een aanstelling in bezoldigde Staatsdienst zijn, blijkt uit geest van de bepalingen van deze Wet wel, dat deze primair beoogt de rechtspositie van burgerlijke ambtenaren te regelen en dat het bestaan van afzonderlijke rechtspositieregelen van bij de strijdkrachten en de politie dienende ambtenaren verondersteld wordt. Thans doet zich echter de omstandigheid voor, dat de rechtspositie van militaire ambtenaren niet bij een afzonderlijke Wet is geregeld. Het gevolg hiervan is noodzakelijkerwijs, dat de Personeelswet zoveel als mogelijk toepasselijk moet worden geacht op de rechtspositie van deze militaire ambtenaren, wil men zich althans niet geconfronteerd zien met de volstrekt onaanvaardbare situatie, waarin aan de militaire ambtenaar bij gebreke aan een Militair Handvest geen rechtsmiddelen zouden openstaan tegen besluiten van de Militaire Overheid in de personele sfeer. Een dergelijke situatie zou ook onverenigbaar zijn met het bepaalde van artikel 10 van de thans vigerende Grondwet, inhoudende, dat niemand kan worden afgehouden van de rechter, die de Wet hem toekent, alsmede in·strijd met het bepaalde van artikel 14, lid 1, van de Internationale Conventie inzake de Burgerlijke en de Politieke Rechten en artikel 8, lid 1, van het Amerikaans Verdrag inzake de Mensenrechten, volgens welke direct-toepasselijke verdragsbepalingen een ieder ter bescherming van zijn rechtmatige belangen het recht heeft op de behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

d) De Personeelswet kent het onderscheid niet tussen functionele en effectieve bevorderingen. De functionele bevordering in een hogere rang is niet gelijk te stellen aan de waarneming in een functie in de zin van artikel 22, omdat functionele bevorderingen niet plaats vinden op één van de gronden, als genoemd in het eerste lid sub (a) tot en met (c) van dat artikel. Ergo dient te worden aangenomen, dat functionele bevorderingen ook niet ongedaan kunnen worden gemaakt op een wijze overeenkomstig aan de beëindiging van een waarneming in een functie binnen één jaar. Integendeel dient de terugstelling in rang van een voordien functioneel bevorderde officier te worden beschouwd als een verlaging van rang in de zin van artikel 25 van de Personeelswet en kan zulks mitsdien alleen geschieden bij wege van tuchtstraf of in die gevallen, waarin hem met inachtneming van het bepaalde van artikel 69 ontslag kan worden verleend. Het is aan verzoekster niet bekend, dat zij gestraft zou zijn met de tuchtstraf van degradatie en ook doet zich in het onderhavige geval geen der in artikel 69 genoemde omstandigheden voor; verzoekster is althans niet door de bij personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 beschikkende overheid in kennis gesteld van enige overweging zijdens die overheid, waaruit zou kunnen worden opgemaakt, dat de terugstelling in rang zou zijn geschied met het oog op zo’n omstandigheid. Verzoekster wenst in dit verband voorts uitdrukkelijk te wijzen op het bepaalde van artikel 24, lid 3, volgens welke een eenmaal ter kennis van de ambtenaar gebracht besluit tot bevordering niet ongedaan kan worden gemaakt wegens strijd met de leden 1 en 2 van dat artikel.

e) De personeelsorder [nummer 3] bevat geen enkele motivering van de terugstelling in functionele rang van verzoekster. Niettemin was zulks vereist gelet op het feit, dat zulks is te beschouwen als een beschikking ten nadele van verzoekster. Een zodanig ernstig vormgebrek leidt naar algemeen in jurisprudentie en doctrine is aanvaard tot de nietigheid van deze beschikking.

f) Als tweede luitenant effectief wordt zij bezoldigd volgens schaal 16. Volgens deze inschaling bedraagt haar soldij meer dan de helft van het maximum van de bezoldiging van een Departements-direkteur. Zulks houdt in, dat terugstelling in rang, ongeacht of het gaat om een functionele of effectieve rang, slechts kan geschieden bij resolutie van de President van de Republiek Suriname en niet bij personeelsorder van of vanwege de Bevelhebber;

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

dat de personeelsorder [nummer 3] de dato 28 juni 1991 voor zover het haar terugstelling in rang van Majoor-titulair tot Kapitein-titulair betreft nietig zal worden verklaard wegens strijd met de Wet alsmede met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat beschikkingen ten nadele van betrokkenen behoorlijk dienen te zijn gemotiveerd;

Overwegende, dat verweerder binnen de bij de Wet gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie van het Hof heeft ingediend, waarin als verweer wordt aangevoerd:

1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend, met beroep op de onsplitsbaarheid van zijn stellingen en biedt bewijs aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen;

2. Verweerder kan bevestigen, en erkent derhalve dat verzoekster bij resolutie van de President van Suriname, laatstelijk benoemd is tot vaandrig bij het Nationaal Leger, gevolgd door een resolutie inhoudende haar bevordering tot Tweede Luitenant, een en ander zoals door verzoekster zelf, na overlegging van terzake dienende produkties, is aangetoond;

3. Verweerder merkt reeds in dit stadium op, dat nadere besluiten rakende de rechtspositie van verzoekster, als ambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie, niet hebben plaatsgevonden bij resolutie van de President, doch bij Personeelsorder;

4. Een tijdig onderzoek door verzoekster, en wel op het moment dat haar rechtspositie niet geregeld werd bij Resolutie maar bij Personeelsorder bijvoorbeeld op 13 februari 1991, Personeelsorder Bevelhebber van het Nationaal Leger, (zie benoeming tot Kapitein-titulair, te rekenen van 1 mei 1989), zou verzoekster tot de bevinding hebben gebracht, dat ten aanzien van de rechtspositie van het militair personeel (naast de reguliere, voor de gewone ambtenaren geldende regels van de Personeelswet) andere bijzondere, van de Personeelswet afwijkende regels bestaan en worden toegepast, voor het militair personeel in Overheidsdienst;

5. Uitgaande van de hierboven, nu zonder twijfel te stellen, bestaande discrepantie in de positie-regeling van het militair en het burger personeel in Overheidsdienst, moet al het gestelde in het 6e sustenu van het request van verzoekster van de hand worden gewezen, als te zijn niet op de Personeelswet en zeker niet op het Ambtenarenrecht van toepassing. Van ”Personeelsorder” is er geen sprake in de Personeelswet, noch in het Ambtenarenbezoldigingsbesluit. Van ”titulaire rangen” wordt niet gemeld in het commune Ambtenarenrecht, waar ook geen sprake is van al of niet ”effectieve” bevorderingen;

6. Verweerder sluit daarbij niet de ogen voor een omissie door opeenvo1gende regeringen begaan, om niet tijdig een duidelijk in de Wet te stellen complex van regels te maken die de rechtspositie van het personeel bij het Nationaal Leger regelt. Evenals het tuchtrecht anders is geregeld bij het Nationaal Leger, behoren ook zaken als het rangenstelsel bij dit Leger, de Dienst- en Personeelsorders e.d. in, bijvoorbeeld een MILITAIR HANDVEST, geregeld te worden.

Het ontbreken van wettelijke eisen voor benoembaarheid tot een militaire rang, wordt sinds het onafhankelijk worden van Suriname op 25 november 1975, opgevangen door de overeenkomstige toepassing van voormalige regelgeving in de Reglementen voor militaire ambtenaren bij de Nederlandse Land- en Zeemacht. Dikwijls worden ook de regels van de Personeelswet overeenkomstig, en terecht, toegepast;

Het wil verweerder daarom voorkomen, dat er geen bezwaar hoeft te worden aangetekend tegen het adiëren door verzoekster, van het Hof van Justitie, bevoegd in ambtenarenzaken;

7. Verweerder doet verder opmerken:

a. De hier in het geding zijnde Personeelsorder van 29 april 1991 heeft weinig of niets weg van een benoemingsbesluit waaraan de 32 in deze order vermelde personen, het volledige recht kunnen ontlenen, definitief te zijn benoemd in de functie achter hun namen gesteld;

b. Wanneer verzoekster blijft persisteren, dat de terugstelling in rang bij Personeelsorder [nummer 3] d.d. 28 juni 1991 nietig zou zijn, omdat zulks bij resolutie zou moeten plaatsvinden, dan verwijst verweerder in casu naar het bepaalde in artikel 3 van de Personeelswet 1962 lid 2, waarin met uitsluiting van anderen, de volgende mutaties zijn voorbehouden voor de resolutie van de President te weten: aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag.

Het besluit (de Personeelsorder) waaromtrent beroep is ingesteld is noch het één noch het ander. De Personeelsorder houdt een titulaire terugstelling in, welke een voorafgaande Personeelsorder had bevolen. Ten overvloede wordt dan nog verwezen naar het belangrijke 5e lid van artikel 3 Personeelswet onder punt a, dan andere besluiten (geen aanstelling, geen bevordering, geen schorsing en geen ontslag) ten aanzien van een ambtenaar, worden genomen door het gezag ”dat hem laatstelijk heeft bevorderd of indien geen bevordering heeft plaatsgehad, het gezag dat hem heeft aangesteld”.

De redenering van verzoekster zou tot een andere conclusie leiden wanneer ook deze voorzieningen met betrekking tot het bevoegde gezag (art. 3 P.W.) in beschouwing waren genomen. De enige conclusie die dan getrokken mag worden zou dan zijn dat het gezag dat bevoegd is geweest verzoeker aan te stellen in de rang van Majoor-titulair, ook bevoegd was bij Personeelsorder een nader besluit te nemen;

c. Indien verzoekster – ondanks het voorgaande onder b, – toch van oordeel blijft, dat zij – zie het Petitum van haar request – niet bij Personeelsorder van 28 juni 1991 [nummer 3], doch bij resolutie zou moeten worden ”teruggesteld”, dan dient verzoekster ook de ”bevordering” tot Kapitein-titulair, in haar zienswijze te betrekken en tot de enige conclusie te komen, dat ook die ”bevordering” bij Personeelsorder onwettig, nietig, is geweest;

8. Verweerder is dan ook van oordeel dat deze innerlijke tegenstrijdigheid in het petitum van het request van verzoekster, noodzakelijk moet leiden tot de conclusie dat, nu er geen wettige bevordering is geweest, op de grondslag van verzoeksters eigen opvatting, orntrent de rechtskracht van ”Personeelsorders” in het algemeen, er dan ook geen ruimte is binnen welke het Hof van Justitie, oordelend in ambtenarenzaken, het recht, danwel de redelijkheid zou kunnen vinden om alléén de Personeelsorder [nummer 3] d.d. 28 juni 1991, waarin de terugstelling plaatsvindt te vernietigen en de Personeelsorder [nummer 2] van 29 april 1991 ongemoeid in takt te laten;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoekster op grond van al het voorgaande niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering c.q. haar deze zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond, niet op de Personeelswet steunende en niet bewezen, kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge ’s Hofs beschikking van 25 maart 1992 in Raadkamer van het Hof van Justitie zijn verschenen, verzoekster in persoon, advokaat Mr. Dr. OOFT, gemachtigde van verweerder en de heer H.H. HAIME, Direkteur van het Ministerie van Defensie namens verweerder die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 26 februari 1993, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet, zijnde het tegendeel noch gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat ten processe rechtens vaststaat,·dat verzoekster bij resolutie van 27 maart 1990 [kenmerk] te rekenen van 15 februari 1989 werd bevorderd tot vaandrig bij het Nationaal Leger, terwijl zij bij gemelde resolutie, te rekenen van 1 juni 1989 werd bevorderd tot tweede luitenant (effectief) bij gemeld leger;

Overwegende voorts, dat verzoekster bij personeelsorder van de Bevelhebber bij het Nationaal Leger d.d. 13 februari 1991 [nummer 1] werd bevorderd tot kapitein-titulair bij gemeld leger en bij personeelsorder van genoemde Bevelhebber d.d. 29 april 1991 [nummer 2] bevorderd werd tot majoor-titulair;

Overwegende, dat verzoekster door genoemde Bevelhebber bij personeelsorder van 28 juni 1991 [nummer 3] werd teruggesteld van majoor-titulair tot kapitein-titulair, welke terugstelling zij aanvecht en de nietigverklaring daarvan vordert, als te zijn in strijd met de Wet alsmede met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, vermits beschikkingen te haren nadele behoorlijk dienen te worden gemotiveerd;

Overwegende, dat verzoekster in haar vordering niet kan worden ontvangen, nu verzoekster uit een schrijven aan het Hof heeft doen weten dat zij geen belang meer heeft bij de onderhavige vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar vordering.

 

SRU-HvJ-1994-6

Hof van Justitie

15 juli 1994, G.R. 13417

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, W.R. Willemzorg)

[appellant], echtgenoot van [geïntimeerde], wonende aan [adres 1] in [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.E. Struiken, advocaat,

appellant in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], echtgenote van appellant voornoemd, verblijfhoudende aan [adres 2], te [district], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat, geïntimeerde in kort geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 juli 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 juli 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

Eiseres heeft een vordering tot echtscheiding ingediend, A.R. No. 920049, waartoe zij verlof van de Kantonrechter heeft bekomen bij beschikking d.d. 23 januari 1992, waarbij tevens bij wege van voorlopige voorziening is bepaald dat eiseres elders dan in de echtelijke woning haar intrek mag nemen, tezamen met haar 3 (drie) minderjarige kinderen, te weten:

a. [naam 1]

b. [naam 2] en

c. [naam 3]

Vanwege ernstige mishandelingen en bedreigingen met diverse misdrijven moest eiseres gedwongen de echtelijke woning verlaten, vandaar dat zij had gevraagd de samenwoningsplicht op te heffen.

Eiseres verblijft sedertdien met haar 3 (drie) eerder genoemde kinderen bij haar zuster te [adres 2], wier gezin zelf uit 6 (zes) leden bestaat.

Partijen hun minderjarig kind [naam 3] is ernstig ziek geweest en staat nog steeds onder medische behandeling, m.n. van de dermatoloog, de psycholoog, de internist en de psychiater. De ziekte van dit kind staat in relatie met de problemen die thans binnen het gezin bestaan. Volgens de verklaring van de psychiater is het, ter bevordering van de gezondheid van [naam 3] voornoemd, noodzakelijk dat zij spoedig voldoende rust krijgt in een eigen woonruimte, hetwelk inhoudt dat eiseres met de kinderen moet verhuizen.

Eiseres heeft derhalve nu dringend een woning nodig, waarover zij echter niet beschikt, terwijl zij daarover ook niet op korte termijn zal kunnen beschikken, met uitzondering van de echtelijke woning, waarin gedaagde thans verblijft.

Gedaagde beschikt ook wel over een andere woonruimte, en wel de woning gelegen aan [adres 3], waar hij zijn intrek zou kunnen nemen.

Op grond van bovenaangehaalde redenen heeft eiseres bij de ontruiming van de echtelijke woning door gedaagde een dadelijk en dringend belang.

De vordering heeft derhalve een spoedeisend karakter.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij beschikking in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, niettegenstaande Hoger Beroep of verzet, de beschikking gewezen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 23 januari 1992, A.R. No. 920049, zal worden gewijzigd;

in dier voege dat aan eiseres toestemming wordt verleend om tezamen met haar 3 (drie) eerder genoemde minderjarige kinderen haar intrek te mogen nemen in de echtelijke woning aan [adres 1], zonder verplicht te zijn gedaagde aldaar toe te laten, kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie van eis heeft genomen, in dier voege dat hij het petitum wenst aan te willen met het volgende:

Gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 week na het ten deze te wijzen vonnis, de woning staande en·gelegen aan [adres 1] in [district], te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen;

Met machtiging op eiseres om indien gedaagde weigerachtig blijft het voormelde te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van een produktie – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen, althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ten dage voor repliek en uitlating produkties bepaald, de gemachtigde van eiseres een schriftelijke conclusie onder overlegging van een produktie heeft genomen, waarvan de inhoud, evenals van de overgelegde produktie, hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor dupliek en uitlating produktie bepaald, de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij rolbeschikking een comparitie van partijen heeft bevolen, welke gehouden is op 12 juli 1993, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, dat hier als geïnsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1993 op de daarin opgenomen gronden:

I. De werking heeft geschorst van de beschikking d.d. 23 januari 1992 (A.R. 920049) voor wat betreft de machtiging aan de eiseres om elders dan in de echtelijke woning haar intrek te nemen.

II. Heeft bepaald dat de eiseres met haar drie kinderen te weten: 1. [naam 1], 2. [naam 2] en 3. [naam 3], bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres 1].

III. Heeft bevolen dat de gedaagde die echtelijke woning binnen een maand na deze uitspraak verlaat, waarna de eiseres met de kinderen daarin zal intrekken.

Eiseres heeft gemachtigd om indien gedaagde weigerachtig blijft de voormelde woning te ontruimen, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

Overwegende, dat blijkens hoger vermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 19 juli 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 6 augustus 1993 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de Kantonrechter door de werking van de beschikking d.d. 23 januari 1992 (A.R. No. 92/0049) voor wat betreft de machtiging aan de eiseres om elders dan in de echtelijke woning haar intrek te nemen te schorsen, inderdaad een andere voorziening heeft gegeven dan is gevraagd, hebbende de Kantonrechter terecht overwogen dat de voorziening zoals gevraagd, niet kon worden gegeven;

Overwegende, dat de Kantonrechter gegeven de hem voorgelegde feiten en omstandigheden, kennelijk om redenen van proces-economische aard de door appellant aangevallen beslissing heeft gegeven en niet gekozen heeft voor weigering van de gevraagde voorziening om geïntimeerde, na correctie van het gevorderde, daarna weer terug te laten komen;

Overwegende, dat het geven van de gewraakte voorziening geacht moet worden in het licht van het evenoverwogene haar rechtvaardiging te hebben gevonden;

Overwegende, dat de eerste en de vierde grief, die vanwege hun nauwe samenhang geacht worden gelijk te zijn besproken, danook tevergeefs opkomen tegen de gegeven voorziening;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de door geïntimeerde bij conclusie van repliek overgelegde geneeskundige verklaring d.d. 10 februari 1992, bij geïntimeerde door de arts Drs. Madarie zijn waargenomen: hematoom rechter-achterhoofd en scheur aan de linker-onderlip, welke letsels, naar geïntimeerde niet gemotiveerd weersproken heeft gesteld, door haar zijn opgelopen na door appellant te zijn mishandeld;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de Kantonrechter kennelijk uit voormelde vaststaande feiten de conclusie heeft getrokken en heeft mogen trekken, dat tussen partijen ruzie was ontstaan en dat geïntimeerde naar aanleiding daarvan de echtelijke woning heeft verlaten;

Overwegende, dat de tweede grief, die geacht moet worden gelijk te zijn besproken, eveneens als ongegrond moet worden verworpen;

Overwegende, dat volgens de naar vaste rechtspraak aanvaarde leer de rechter in kort geding de belangen van de eisende partij bij de gevorderde of ambtshalve te geven voorziening tegen die van de gedaagde afweegt en niet, zoals appellant het wil doen voorkomen in de derde grief, alszou met zijn belangen (als verwerende partij) alleen rekening moeten worden gehouden, stellende de wet zulks niet als vereiste;

Overwegende, dat, naar het Hof is gebleken, de Kantonrechter, zij het summier, de belangen van geïntimeerde, de oorspronkelijke eisende partij, wel heeft afgewogen tegen die van appellant, de oorspronkelijke verwerende partij, en daarna tot de door appellant aangevochten beslissing is gekomen;

Overwegende, dat nu er geen der grieven tot vernietiging van het beroepen vonnis kan leiden, terwijl het Hof ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet dat vonnis worden bevestigd;

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding op 19 juli 1993 tussen partijen gewezen waarvan beroep.

SRU-HvJ-1994-5

Hof Van Justitie

15 juli 1994, G.R. 13431

(Mrs. J.R. von Niesewand, E.S. Ombre, W.R. Willemzorg)

1. [appellant sub 1], echtgenoot van [appellante sub 2] en

2. [appellante sub 2], echtgenote van [appellant sub 1], beiden gemeenschappelijk wonende aan [adres 1], in [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advocaat, appellanten in Kort Geding,

tegen

[geïntimeerde], wonende te [district 2] aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Lachmon, advocaat, geïntimeerde in kort geding.

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 6 december 1993 tussen partijen gewezen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 december 1993, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advocaten;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat uit stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

1. dat eiser te Paramaribo op 28 januari 1992, althans in de maand januari 1992, blijkens bijgaande in copie overgelegde verkoop en koopovereenkomst, opgemaakt ten overstaan van en door de te Paramaribo residerende notaris Ramdew Ramautar, waarbij de handtekeningen van partijen gelegaliseerd werden door voornoemde notaris, van welke overeenkomst de inhoud wordt verzocht hierbij als letterlijk herhaald en geïnsereerd te doen beschouwen, van de gedaagden had gekocht, gelijk ter plaatse en ten tijde als gesteld aan de eiser hebben verkocht:

Een stuk grondhuur terrein van 1.4875 ha. gelegen in [district 1], aangeduid op de kaart van de landmeter P.W. Kalk d.d. 21 januari 1992 met de letters BCDEFG, deel uitmakende van het perceelland, groot 1.9284 ha. aangeduid met de letters ABCD, gelegen ten noorden van [adres 3] en bekend als Serie A [nummer], voor de koop en verkoopsom van Sf. 180.000,– (eenhonderd en tachtig duizend gulden);

2. dat door de eiser de totale koopsom aan de gedaagden is voldaan;

3. dat vanaf de voldoening van de koopsom het stuk terrein groot 1.4875, aangeduid op de hierbij overgelegde kaart in het rood van de landmeter Lcs. P.W. Kalk, d.d. 21 januari 1992 in beheer en gebruik in het feitelijk bezit van de eiser is gesteld;

4. dat eiser voorschreven perceelland heeft doen ontbossen, egaliseren, trenzen doen uitgraven en het geheel met prikkeldraad heeft doen omrasteren, en door eiser daarna het voormeld perceel voor een groot deel met Banaan, Meloenen, Cocos en andere landbouwgewassen heeft doen beplanten, voor welke werkzaamheden de eiser behalve de koopsom ad Sf. 180.000,– nogmaals een bedrag van ruim Sf. 130.000,– heeft uitgegeven;

5. dat het geheel door de eiser gekochte terrein tot een goed onderhouden en beplant perceelland is gemaakt door de arbeid en vlijt van eiser;

6. dat eiser onlangs het desbetreffend verzoek tot overdracht in grondhuur door de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen van het perceelland in kwestie op naam van eiser heeft doen opmaken en aan de gedaagden ter ondertekening heeft aangeboden, danwel ten Domeinkantore ter ondertekening door de gedaagden heeft neergelegd, doch weigeren de gedaagden thans het verzoek tot overdracht te ondertekenen, onder de mededeling dat zij niet meer voornemens zijn het terrein in kwestie op naam van de eiser over te dragen en dat de eiser de koopsom moest komen afhalen, terwijl de gedaagden niet hebben geaarzeld om ten Domeinkantore te trachten om het perceelland in kwestie tegen een hoger bedrag aan een zekere [persoon] te verkopen, doch zijn zij door de Ambtenaren van Domeinen op hun verkeerde handeling gewezen, zodat zij daarmede zijn opgehouden;

7. dat, gelijk gesteld, de eiser de koopsom ad Sf. 180.000,– heeft voldaan, terwijl hij daarnaast een investering van plus minus Sf. 130.000,– (eenhonderd en dertig duizend gulden) op het terrein heeft gepleegd;

8. dat de eiser onder geen beding de notarieel gesloten overeenkomst wenst te ontbinden, doch van de gedaagden verlangt, dat zij het terrein op naam van de eiser doen overschrijven, althans dat zij het verzoekschrift tot overdracht van de gekochte grondhuur, welk verzoekschrift ten Domeinkantore in Paramaribo is neergelegd ondertekenen, opdat de overdracht van het gekochte op naam van eiser een feit kan zijn;

9. dat ten deze een zeer groot belang danwel het totaal vermogen van de eiser op het spel is, omdat de eiser van het perceelland inkomsten moet vergaren om zijn verplichtingen jegens derden na te komen;

10. dat nu de gedaagden in der minne weigeren om het verzoekschrift tot de overdracht te ondertekenen en waar het vermogen van de eiser op het spel staat, de eiser er recht en belang bij heeft, dat de gedaagde worden gedwongen danwel genoodzaakt om het desbetreffend verzoek tot overdracht te ondertekenen;

11. dat deze zaak van zeer spoedeisende aard is, geen langer uitstel gedoogt en een onverwijlde voorziening in Kort Geding rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgtocht, met uitzondering van de veroordeling omtrent de kosten van het geding de gedaagden zullen worden opgedragen om het desbetreffende verzoekschrift tot overdracht van het perceelland in kwestie ten name van de eiser te ondertekenen, althans alle handelingen te plegen, om de instanties te naderen opdat de overdracht van het gekochte in kwestie in grondhuur ten name van de eiser een feit kan zijn, bij gebreke waarvan de gedaagden aan de eiser bij wege van dwangsom zullen hebben te verbeuren, hoofdelijk des de een betalende de andere daardoor zal zijn bevrijd, een bedrag van Sf. 10.000,– (tienduizend gulden) per dag;

Alles met veroordeling van de gedaagden in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de gedaagde sub 1 bij wege van mondelinge conclusie van antwoord heeft gezegd:

”De eiser is een neef van mij. De gedaagde sub 2 is mijn echtgenote. Wij hebben inderdaad het litigieuze perceel verkocht en de koopsom ontvangen. De eiser heeft het perceel alleen omrasterd, maar hij bewerkt het niet. Ik woon op het erf naast het litigieuze perceel. De eiser zou de desbetreffende stukken zelf in orde laten maken op het notariaat. Wij waren wel bereid om de stukken te tekenen. Daartoe zijn we op 22 oktober 1993 naar het domeinkantoor geweest, maar daar aangekomen bleek er niemand daar te zijn. Een werknemer, [naam] genaamd, en werkzaam op het domeinkantoor had de stukken van het perceel bij zich. De eiser zei ons naderhand dat wij het gehele perceel van ons op zijn naam zouden moeten overdragen en dat wij daarna het perceel van ons (althans het stukje van ons) zouden terugkrijgen. Daar waren wij het niet eens mee. Wij zijn derhalve niet meer bereid om aan de overdracht mede te werken”;

Overwegende, dat partijen hierna bij mondelinge conclusies van re- en dupliek hebben persisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis in Kort Geding van 6 december 1993 op de daarin opgenomen gronden:

De gedaagden heeft gelast om het desbetreffende verzoekschrift tot overdracht in grondhuur van het perceelland groot 1.4875 ha. gelegen in [district 1], aangeduid op de kaart van de landmeter P.W. Kalk d.d. 21 januari 1992 met de letters ABCDEFG, deel uitmakende van het perceelland, groot 1.9284 ha., op voormelde kaart aangeduid met de letters A B C D, gelegen ten noorden van [adres 3] en bekend als Serie A [nummer], ten name van de eiser te ondertekenen, althans alle handelingen daartoe strekkende te verrichten opdat de overdracht van het verkochte aan de eiser een feit kan zijn en wel binnen een week na deze uitspraak.

Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

De gedaagden heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan eiser te betalen de som van Sf. 10.000,– (tienduizend gulden) per dag, voor iedere dag dat zij in gebreke blijven aan voormelde veroordeling te voldoen;

Gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. 546,– (vijfhonderd zes en veertig gulden);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant sub 1] e.a. in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 6 december 1993;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel van 31 januari 1994 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R. Kappel d.d. 7 februari 1994 is betekend een memorie van grieven door appellanten genomen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat bij exploit van bovengenoemde deurwaarder d.d. 22 februari 1994 is betekend een memorie van antwoord door geïntimeerde genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 24 juni 1994, doch nader op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat het appèl tegen het vonnis d.d. 6 december 1993, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken, tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat ofschoon de rechtspleging in hoger beroep niet geregeld is, appellanten geacht moet worden bevoegd te zijn geweest een memorie van grieven in te dienen nu de behandeling van kort geding zaken in appèl zich in geen enkel opzicht onderscheidt van die van een gewone procedure;

Overwegende echter, dat de wet zich aangaande de termijn waarbinnen de memorie van grieven moet worden ingediend, niet uitlaat;

Overwegende, dat het Hof in dit verband van oordeel is, dat er alles te zeggen is voor analogische toepassing van artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op dit geval, wil het proces zijn spoedeisend karakter behouden;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat appellanten, uitgaande van het evenoverwogene, hun memorie van grieven binnen de voor het hoger beroep gestelde termijn van veertien dagen hadden moeten indienen aan de Griffier van het Kantongerecht, die van de ontvangst aantekening blijkt te hebben gehouden;

Overwegende, dat nu appellanten, naar uit de aantekening van de Griffier blijkt, hun memorie van grieven op 22 december 1993, dus twee dagen na het verstrijken van de appèl termijn van veertien dagen, aan de Griffier hebben ingediend, het Hof daar geen acht op zal slaan en daaraan dan ook geheel voorbij gaan;

Overwegende, dat ook in hoger beroep als tussen partijen rechtens vaststaand moet worden aangenomen, dat geïntimeerde van appellanten op 28 januari 1992 heeft gekocht het in het eerste ”dat” van het verzoekschrift omschreven onroerend goed voor de som van Sf. 180.000,–, welke som appellanten van geïntimeerde hebben ontvangen doch dat appellanten, aanvankelijk wel bereid waren de stukken te tekenen, doch naderhand hebben verklaard niet meer bereid te zijn aan de overdracht mede te werken;

Overwegende, dat appellanten bij pleitnota d.d. 18 maart 1994 de beslissing van de Kantonrechter bestreden hebbend, hebben aangevoerd, dat:

– de Kantonrechter geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij deze beslissing kan geven wanneer het betreft private eigendom, maar niet wanneer het betreft Overheidseigendom (erfpacht c.q. grondhuur);

– in het Decreet Uitgifte Domeingrond S.B. 1982 No. 11 uitdrukkelijk is bepaald, dat de erfpachter c. q. grondhuur (lees: grondhuurder) toestemming van de Overheid nodig heeft om het recht te kunnen overdragen aan een derde;

– in het onderhavige geval de toestemming volledig ontbreekt en dat de rechter de appellanten dus niet kan gelasten om stukken terzake op het Domeinkantoor te tekenen;

– het de Overheid is die beslist of het recht al of niet wordt overgedragen;

– dit slechts het geval zou zijn indien de Overheid reeds toestemming tot overdracht had gegeven;

– appellanten, indien zij niet meer wensen over te dragen omdat de Overheid de vereiste toestemming niet zal verlenen, slechts veroordeeld kunnen worden tot het betalen van schadevergoeding;

– het de Overheid is die haar grondhuurtitel moet bepalen en niet de partijen;

– in de gesloten koopovereenkomst d.d. 28 januari 1992 immers is bepaald dat de notariële akte van overdracht zal plaatsvinden na verkregen toestemming van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen inzake de overdracht van rechten;

Overwegende, dat, naar het Hof opmerkt, artikel 278, 2e lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wel toelaat, dat de oorspronkelijke verweerder in hoger beroep nieuwe weren ten principale inbrengt, doch dat deze nieuwe weren bij memorie van grieven, als bedoeld in artikel 271, of bij memorie van antwoord, als bedoeld in artikel 274 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering dienen te worden voorgebracht en niet pas bij pleidooi voor het eerst kunnen worden aangevoerd;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt, dat, al verschilt de procedure hier te lande van die in Nederland, al is het indienen van memories facultatief, het blijft ook voor de surinaamse procedure een juist beginsel een pleidooi niet de plaats te achten voor het lanceren van nieuwe weren omdat de tegenpartij dan niet meer in staat is daarop te antwoorden wat in strijd met een goede procesorde moet worden geacht, daargelaten nog dat het pleidooi in het algemeen het karakter draagt van een toelichting op elders reeds gestelde feiten en de daaraan verbonden rechtsgevolgen (vgl. naschrift van J.D.C. bij vs. HvJ d.d. 2 nov. 1951 inz. Schouten C/A De Jong, S.J. 1952 No. 13);

Overwegende, dat het Hof op grond van het hiervoren overwogene de door appellanten bij pleitnota voorgebrachte nieuwe weren dan ook buiten beschouwing zal laten;

Overwegende, dat het vonnis, waarvan beroep, als zijnde juist en conform de wettelijke regeling gewezen in hoger beroep behoort te worden bevestigd met veroordeling van de appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.

Rechtdoende in hoger beroep in kort geding

Bevestigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 6 december 1993 in kort geding tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen.

SRU-HvJ-1988-2

HvJ 18 MAART 1988

[verzoeker], wonende te [district] aan [adres], advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY, verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat 3, advokaat Mr.A.L.TJON KWAN PAW, verweerder,

De fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hofs interlocutoir vonnis van 16 oktober 1987 tussen partijen gewezen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon en de heer S.Ramsaran, Onder-Direkteur van Financien, gevolmachtigde van de Staat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na comparitie van partijen zijdens partijen bepaald, Mr.U.van der Veld namens Mr.A.L.Tjon Kwan Paw het Hof heeft medegedeeld, dat het salaris van verzoeker vanaf 1 juli tot november 1986 is betaald en dat aan verzoeker salaris wordt uitbetaald tot op heden;

Voorts dat verzoeker zal worden uitbetaald totdat het Hof uitspraak zal hebben gedaan in de zaak, terwijl advokaat A.B.Hirasing namens Mr.G.Gangaram Panday heeft gepersisteerd en vonnis gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans niet gemotiveerd betwist vaststaat, dat verzoeker in juli 1985 in dienst is getreden van verweerder (de Staat Suriname,Ministerie van Financien) als ambtenaar B 2e klasse bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor tegen een salaris van f.546,– bruto per maand, afschrift van zijn aanstelling is hem niet verstrekt;

dat verzoeker van de Direkteur van het Ministerie van Financien namens deze getekend door het hoofd Personele Zaken heeft ontvangen een schrijven de dato 19 september 1986, [kenmerk], inhoudende;

“Hierbij wordt U medegedeeld dat U tijdens het verloop van Uw proeftijd als ambtenaar B 2e klasse bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor onvoldoende blijken van geschiktheid heeft betoond en daardoor niet aan de gestelde eisen heeft voldaan. In verband hiermede is Uw voorlopige tewerkstelling bij genoemde dienst te rekenen van 1 juli 1986 beeindigd”;

Overwegende, dat verzoeker – voorzover ten deze van belang heeft gesteld, aldus zijn stellingen opvattend, dat de Direkteur van Financien ingevolge de Personeelswet onbevoegd is hem – verzoeker – ontslag te verlenen en ondermeer op grond daarvan heeft gevorderd, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– het in het bovenaangehaalde schrijven van de Direkteur van Financien de dato 19 september 1986 vervatte besluit te vernietigen, met herstel van hem – verzoeker – in de functie van ploeglid bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor van het Ministerie van Financien als Ambtenaar B 2e klasse, met veroordeling van verweerder om aan verzoker ingaande 1 juli 1986 maandelijks het salaris van f.546,– uit te betalen en de aan verzoeker toekomende vakantiegelden en verweerder voorts een dwangsom op te leggen van f.100,– per dag voor elke dag dat hij in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen;

Overwegende, dat artikel 2 lid 1 sub a van het Besluit Instelling en Taakomschrijving Departementen van “Algemeen Bestuur 1986 aldus luidt:”Met inachtneming van de terzake geldende wettelijke regelingen zijn de Ministers bevoegd tot: benoeming, schorsing en ontslag van personeel”; artikel 3 lid 2 van genoemde besluit luidt:”De Ministers kunnen, behoudens goedkeuring door de Raad van Ministers, de in artikel 2 lid 1 bedoelde bevoegdheden voor bepaalde door hem aan te wijzen onderwerpen aan tot hun departement behorende ambtenaren met een leidende functie overdragen”;

Overwegende, dat nu verweerder niet heeft gesteld of doen blijken, dat de Minister van Financien conform gemelde wettelijke bepaling aan de Direkteur van het Ministerie van Financien de bevoegdheid tot ontslag van verzoeker heeft overgedragen, verzoeker naar’s Hoven oordeel,terecht het standpunt inneemt dat de Direkteur van Financien onbevoegd was hem te ontslaan;

Overwegende, dat het in de brief de dato 19 september 1986 vervatte besluit van de Direkteur van Financien dan ook nietig is;

Overwegende, dat verzoeker ter bevolen en gehouden inlichtingen-comparitie de dato 13 november 1987 voor zover van belang heeft verklaard:”Op 4 december 1986 kreeg ik een oproep om mij weer aan te melden voor het werk. Door de Direkteur van Financien werd mij medegedeeld dat ik nog aan het werk was. De feitelijke situatie is eigenlijk zo dat ik aan het werk ben, maar thuis moet blijven. Ik ontvang dus weer salaris vanaf eind december 1986”;

Overwegende, dat verweerder deze door verzoeker aan het Hof verstrekte informaties niet heeft betwist, zodat deze tussen partijen in confesso zijn;

Overwegende, dat ter terechtzitting van het Hof van Justite van 8 januari 1988, verweerder bij monde van Mr.U. van der Veld, namens zijn procesgemachtigde Mr.A.L.Tjon Kwan Paw heeft verklaard:” Het salaris van verzoeker vanaf 1 juli tot november 1986 is betaald en dat aan verzoeker salaris wordt uitbetaald tot op heden’;

Overwegende, dat verzoeker deze aan het Hof alstoen verstrekte informaties niet heeft weersproken, zodat het Hof deze als juist zal aannemen;

Overwegende, dat de consequentie van het voorgaande is dat verzoeker’s vordering zal worden toegewezen alsvolgt:

RECHTDOENDE ALS AMBTENARENGERECHT :

Verklaart nietig het in het schrijven van de Direkteur van Financien d.d. 19 september 1986, [kenmerk] vervatte besluit strekkende tot beeindiging van verzoeker’s voorlopige tewerkstelling als ambtenaar B 2e klasse bij de Beveiligingsdienst op het Centraal Belastingkantoor;

Veroordeelt verweerder aan verzoeker maandelijks vanaf 1juli 1986 te betalen zijn salaris van f.546,– (VIJFHONDERD ZESENVEERTIG GULDEN) met dien verstande dat hierop in mindering wordt gebracht het reeds vanaf die datum bereids betaalde salaris en de hem – verzoeker – toekomende vakantiegelden;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President,Mr.J.R.VON NIESEWAND en Mr.E.S.OMBRE, Leden en door Mr.J.R.VON NIESEWAND, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 18 MAART 1988, in tegenwoordigheid van K.PULTOO, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.MUNGRA namens zijn gemachtigde advokaat Mr.G.GANGARAM PANDAY en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.U.van der Veld namens haar gemachtigde advokaat Mr.A.L.TJON KWAN PAW, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-1988-1

HvJ 22 JANUARI 1988

[verzoeker], wonende te [woonplaats] in [district 1], thans [district 2], advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT,

verzoeker,

tegen

DE STAAT SURINAME,rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende aan de Gravenstraat no.3 te paramaribo en ter terechtzitting vertegenwoordigd wordende door advokaat Mr.F.KRUISLAND,

Verweerder,

De waarnemend-president spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgend vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname:

Gezien ‘s Hofs interlocutoire vonnissen respektievelijk van 22 februari 1985 en 9 augustus 1985 tussen partijen gewezen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN;

Verwijzend naar en overnemend hetgeen bereids in ‘s Hofs laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ingevolge laatstvermeld vonnis het verhoor bij rogatoire-commissie van de [getuige] heeft plaatsgevonden, hebbende die getuige verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt, hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker in de contra-enquete twee getuigen heeft doen horen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt, hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna heeft afgezien van verder getuigenverhoor, waarna het Hof de enquête voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partijen hier als geïnsereerd aan te merken conclusies na gehouden enquête hadden genomen, het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 11 december 1987, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij zijn interlocutoir vonnis van 9 augustus 1985 en zich daarnaar zal gedragen;

Overwegende, dat het Hof verweerder op grond van de verklaringen der aan zijn zijde gehoorde getuigen, in onderling verband en samenhang beschouwd, geslaagd acht in het van hem verlangde bewijs, welk bewijs door de verklaringen der aan de zijde van verzoeker gehoorde getuigen niet is weerlegd of ontzenuwd;

Overwegende, dat mitsdien de bedreiging door verzoeker jegens de toenmalige Direkteur van de Regionale Gezondheidszorg,Drs.P.M.GERLACH, is komen vast te staan;

Overwegende, dat het Hof dit feit van zo ernstige aard acht,dat dit voldoende grond oplevert om op verzoeker de tuchtmaatregel van ontslag toe te passen;

Overwegende voorts ten overvloede, dat eveneens is komen vast te staan, dat verzoeker op de data in de ontslagresolutie vermeld van zijn werk afwezig was;

– dat deze dagen niet door een geneeskundige verklaring gedekt zijn;

Overwegende, dat verzoeker stelt, dat hem terzake hooguit administratieve nonchalance kan worden verweten, maar dat niet zo zou zijn, dat hij in die perioden niet wegens ziekte buiten staat zou zijn geweest zijn werkzaamheden te verrichten;

Overwegende, dat dit laatste weerlegd door de bevinding van de Geneeskundige Commissie, welke bevinding in de ontslagresolutie is aangehaald;

Overwegende, dat het naar’s Hoven oordeel waar mag zijn, dat artsen bij de beoordeling of iemand in staat is te werken, tot verschillende conclusies kunnen komen, doch in casu dient het oordeel van de Geneeskundige Commissie de doorslag te geven;

Overwegende, wijders, dat verzoeker nog heeft gesteld, dat hem stilzwijgend ziekteverlof is verleend;

Overwegende, dat het Hof dit standpunt van verzoeker niet deelt;

– dat toch een stilzwijgend verlening van ziekteverlof naar ‘s Hoven oordeel alleen kan geschieden, indien het terzake bevoegde gezag van de afwezigheid op de hoogte is, van de oorzaak daarvan – in casu “ziekte”en duidelijk de houding aanneemt, op grond daarvan, die afwezigheid te aanvaarden;

– dat zulks echter geenszins het geval is geweest, hetgeen blijkt uit het terzake door het bevoegde gezag ingestelde onderzoek en de vervolgens aan verzoeker uitgebrachte ingebrekestelling;

Overwegende, dat naar ‘s Hoven oordeel verzoeker derhalve ongeoorloofd

Afwezig was, terwijl hij – naar erkend is komen vast te staan – in die perioden particulier praktijk deed;

Overwegende tenslotte, dat het Hof voorgaande gedragingen van verzoeker in aanmerking nemende, deze ernstig genoeg acht om de opgelegde tuchtstraf van ontslag te rechtvaardigen, weshalve zowel de primaire als de subsidiaire vordering aan verzoeker dienen te worden ontzegd;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt verzoeker zijn primaire en subsidiaire vordering.

Aldus gewezen door de heren: Mr.R.E.TH.OOSTERLING, waarnemend-President, Mr.S.GANGARAM PANDAY en mr.E.S.OMBRE,Leden en door de waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 22 JANUARI 1988, IN TEGENWOORDIGHEID VAN u. weerwind-lemen, fungerend-Griffier

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.STRUIKEN namens zijn gemachtigde advokaat Mr.E.C.M.HOOPLOT en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.R.LIEUW ON namens zijn gemachtigde advokaat mr.F.KRUISLAND zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2017-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

A. [appellant sub A],

B. [appellant sub B],

beiden wonende te [district],

appellanten, hierna gezamenlijk aangeduid als “[appellanten]”,

gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

Stichting Zambrotta, rechtspersoon,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de Stichting”,

gemachtigde: mr. H.P. Boldewijn, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 12 juni 2014 (A.R.No. 12-4859) tussen de Stichting als eiseres en [appellanten] als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende processtukken en -handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] bij schriftelijke verklaring van hun procesgemachtigde op 2 juli 2014 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 6 februari 2015;

– de antwoord pleitnota d.d. 20 maart 2015, met producties;

– de repliek pleitnota d.d. 5 juni 2015, met producties;

– de dupliek pleitnota en tot uitlating producties d.d. 5 november 2015, welke op
6 november 2015 is overgelegd.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2 [appellanten] zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak.
Het vonnis is bij griffiersbrief van 25 juni 2014 aan partijen toegezonden.
[appellanten] hebben bij schrijven van hun gemachtigde op 2 juli 2014 appèl aangetekend.
Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

De feiten

3.1 [naam 1] c.s. hebben bij akte krediethypotheek op 23 oktober 1990 verleden ten overstaan van notaris mr. L.D. Hira Sing ten behoeve van de Surinaamse Bank N.V. – hierna aangeduid als “DSB”- hypotheek doen vestigen op onder meer het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot 2.26 ha. gelegen te [district], aangeduid op de kaart van de landmeter C.W. Mecidi de dato 31 oktober 1958 met de letters EFGHIBCD en deel uitmakende van het resterende gedeelte van het perceelland, groot 3.18 ha, in stede van 3,26 ha, zoals gemeld op de figuratieve kaart van de landmeter F. Emanuels de dato 13 mei 1947 met de letters AB’C’D, gedeelte van [gebied], gelegen aan de linkeroever van de [rivier], welk onroerend goed hierna wordt aangeduid als “het perceelland”.
De akte krediethypotheek is op 21 november 1990 ingeschreven ten hypotheekkantore in register B [nummer 1].

3.2 [naam 1] c.s. hebben bij akte van 8 januari 1991 verleden ten overstaan van notaris R.S. Hira Sing een deel van het perceelland, en wel een gedeelte groot 1,7185 ha, gelegen aan [adres 1], aangeduid op de kaart van de landmeter G.R. Liesdek de dato 12 december 1990 met de letters BIKC, hierna aangeduid als “perceel 1”, verkocht en geleverd aan [naam 2], [naam 3] en [naam 4], die hierna gezamenlijk worden aangeduid als “[groep]”. Voornoemde akte is op het hypotheekkantoor ingeschreven op 11 januari 1991 in register C [nummer 2].

3.3 DSB heeft in februari 1994 aan [naam 1] c.s. de openbare verkoop van het perceelland aangezegd.
In de aan de openbare verkoop vooraf gegane advertenties is bekend gemaakt dat het perceelland zou worden verkocht, met uitzondering van perceel 1.
Op 8 februari 1994 is ten kantore van notaris W.H. Tjon, notaris in Suriname, het perceelland, inclusief perceel 1, geveild.
Perceel 1 is gegund aan Balona N.V. Het resterend gedeelte van het perceelland groot 5467 m² – hierna aangeduid als “perceel 2”- is gegund aan [appellanten].
De van de openbare verkoop door notaris W.H. Tjon opgemaakte akte gedateerd 8 februari 1994 – hierna aangeduid als de veilingakte – is ten hypotheekkantore overgeschreven in register C [nummer 3].

3.4 [groep] heeft in een procedure in kort geding gevorderd dat Balona N.V. wordt bevolen c.q. zal worden gelast om alle activiteiten en/of handelingen met betrekking tot perceel 1 onmiddellijk te staken, alsook dat Balona N.V zal worden veroordeeld om zich te onthouden van elke handeling die het eigendomsrecht van [groep] kan schaden.
De kantonrechter heeft in die procedure bij vonnis in kort geding van 1 december 1994 de gevraagde voorzieningen geweigerd.

3.5 [groep] is vervolgens in hoger beroep gekomen tegen het onder 3.4 genoemd vonnis.
Het Hof van Justitie heeft hierop in hoger beroep bij vonnis de dato 2 juni 1995, G.R.No. 13492, het vonnis van 1 december 1994 vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering toegewezen.

3.6 Bij akte van 12 april 2001 verleden door mr. Carlo Randjit Jadnanansing, notaris in Suriname, is onder verwijzing naar het vonnis van het Hof d.d. 2 juni 1995, G.R.No. 13492, en het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 november 1995, A.R.No. 95-5828 door voornoemde notaris vastgesteld dat [naam 1] c.s. de eigenaren van perceel 2 zijn gebleven. Deze notariële akte is op 18 mei 2001 ten hypotheekkantore overgeschreven in register C [nummer 4].

3.7 Bij akte van 26 maart 2002 verleden voor mr. Derrick Alexander, notaris in Suriname hebben [naam 1] c.s. perceel 2 verkocht en geleverd aan [naam 5].

3.8 [naam 1] c.s. hebben in een bodemprocedure bekend onder A.R.No. 02-0028 die zij hebben aangelegd tegen onder andere [appellanten] gevorderd dat de veilingakte wordt vernietigd, althans wordt nietig verklaard en dat voor recht wordt verklaard dat zij eigenaren zijn van perceel 2. De Kantonrechter heeft in deze procedure bij vonnis van 1 november 2005 voor recht verklaard dat [naam 1] c.s.eigenaren zijn van perceel 2.
Daartoe is door de kantonrechter overwogen:
De kantonrechter verenigt zich met het voorlopig oordeel van het Hof (Hof: dit is het vonnis van 2 juni 1995, G.R.No. 13492)(…)en de daaraan door het hof ten grondslag gelegde overwegingen. Dat brengt met zich dat ook de kantonrechter tot de conclusie komt dat zowel de verkoop als de levering niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden, waardoor niet alleen de in het Hofvonnis figurerende geïntimeerde partij Balona N.V. geen eigenaar is geworden maar evenmin de overige kopers op de veiling, te weten partij [appellant], naar reeds in het vonnis van de kantonrechter van 17 november 1995 is beslist”.

3.9 [appellanten] hebben bij schrijven van hun procesgemachtigde op 7 november 2005 hoger beroep aangetekend tegen het onder 3.8 vermeld vonnis.

3.10 Bij akte geldlening van 13 oktober 2006 heeft [naam 5] hypotheek doen vestigen op perceel 2.

3.11 Perceel 2 is op 27 juli 2007 in het openbaar verkocht en gegund aan de Stichting.

3.12 In de procedure bekend onder A.R.No. 07-3501 tussen de Stichting enerzijds en [appellanten] anderzijds, is bij vonnis in kort geding van 10 november 2008 de door de Stichting gevorderde ontruiming van perceel 2 geweigerd, waarbij door de kort geding rechter is overwogen dat [appellanten] moeten worden aangemerkt als eigenaren van perceel 2.
De Stichting heeft bij schrijven van haar procesgemachtigde d.d. 18 december 2008 hoger beroep aangetekend tegen voormeld vonnis.

3.13 De Stichting heeft hierna wederom een vordering ingesteld tegen [appellanten].
Deze vordering is bekend onder A.R.No. 12-4859.

De procedure in eerste aanleg bekend onder A.R.No. 12-4859

4.1 De Stichting heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. [appellanten] te gelasten om binnen 1 (een) week na het te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het pand aan de [adres 2] te [district] te ontruimen met medeneming van alles wat en iedereen die zich te hunnentwege aldaar mocht bevinden en ter algehele en vrije beschikking te stellen van de Stichting door afgifte van de sleutels aan de Stichting;
B. de Stichting te machtigen om desnoods met behulp van de Sterke Arm [appellanten] alsook alles wat en iedereen die zich te hunnentwege aldaar bevinden te ontruimen, indien zij geen gevolg geven aan het te wijzen vonnis.

4.2 De Kantonrechter heeft in deze procedure in het vonnis waarvan beroep – hierna aangeduid als “het vonnis”- het gevorderde toegewezen.
Daartoe is onder meer overwogen dat, hoewel [appellanten] geen partij waren bij de procedure die heeft geleid tot het vonnis gewezen door het Hof op 2 juni 1995, de constatering dat de veilingkoop niet rechtsgeldig is wel in een zaak mag worden aangevoerd waarbij [appellanten] wel partij zijn; zij kunnen immers in die zaak wel hun standpunten daarover naar voren brengen, gelijk is geschied in de bodemzaak met A.R.No. 02-0028, waarin vonnis is gewezen op 1 november 2005.
Geconstateerd is dat ook in dat vonnis is geoordeeld dat [appellanten] geen eigenaar zijn geworden van perceel 2 en dat de overschrijving door [appellanten] ten onrechte is geschied.
De kantonrechter heeft op grond van het voorgaande geoordeeld dat de grondslag voldoende aannemelijk is gemaakt, zodat het gevorderde toewijsbaar is.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 [appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

5.2 [appellanten] hebben tegen het bestreden vonnis de volgende grieven ingebracht:
Grief 1: de kantonrechter heeft ten onrechte de akte overlegging hypothecair uittreksel, met producties, niet betrokken bij de beoordeling. [appellanten] hebben gesteld dat het processtuk niet als processtuk is genoemd onder de kop “1. Het verloop van het geding” en dat er in het vonnis ook niets over wordt gezegd.

Grief 2: Ten onrechte is de kantonrechter er bij de feiten van uitgegaan dat bij eerder genoemd vonnis in kort geding van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, het Hof heeft geoordeeld dat het proces-verbaal van de veiling d.d. 8 februari 1994 geen authentieke akte is in de zin van artikel 670 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en derhalve absoluut nietig is en dat er dus geen levering heeft plaats gehad aan Balona N.V. [appellanten] zijn van oordeel dat uit het voornoemd vonnis van het Hof een dergelijk oordeel niet blijkt en evenmin dat de akte d.d. 8 februari 1994 “absoluut nietig is”.

Grief 3: de kantonrechter is onder de feiten ten onrechte uitgegaan van:
2.12 Perceel 2…; waarbij aantekening is gemaakt van de hypothecaire inschrijving van de akte ingeschreven op 21 januari 2009 in register B deel [nummer] ten behoeve van Stg. Cherry Blossom ten laste van onder andere eiseres voor het bedrag van Euro 165.000”.
[appellant] heeft verklaard dat het door [appellanten] op 21 november 2013 op last van de rechter overgelegd hypothecair uittreksel van het perceel geen melding maakt van voormelde hypothecaire inschrijving.

Grief 4: de kantonrechter heeft bij de beoordeling ten onrechte overwogen:
4.2 Gedaagden stellen verder dat er geen spoedeisend belang aanwezig is aangezien eiseres vijf jaren heeft stilgezeten nadat het vonnis vermeld onder 2.13 is gewezen, om dan nu plotseling weer een vordering in te stellen.”
[appellanten] hebben gesteld dat het door de Stichting overgelegd hypothecair uittreksel d.d. 12 september 2012 vals is, zodat van een spoedeisend belang van de Stichting geen sprake is. De Stichting heeft, aldus [appellanten], de hypothecaire inschrijving als reden verzonnen om die als spoedeisend belang aan te voeren.

Grief 5: de kantonrechter heeft ten onrechte onder 4.7 van het vonnis overwogen:
Voorts is er sprake van een novum, namelijk is volgens eiseres achteraf gebleken dat bij vonniswijzing onder 2.13 (Hof: dit is het in kort geding gewezen vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 073501), de kantonrechter geen kennis droeg van het vonnis vermeld onder 2.8 (Hof: dit is het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028): [appellanten] hebben verklaard dat zij bij conclusie van dupliek deze stelling nadrukkelijk hebben betwist, aangezien het bedoelde vonnis is gewezen vóór het vonnis van 10 november 2008. Het is daarom, volgens [appellanten], hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter die het vonnis van 10 november 2008 heeft gewezen van dit vonnis geen kennis heeft genomen, alsook dat de Stichting, nu zij vindt dat dit vonnis in haar voordeel uitgelegd zou moeten worden, de rechter niet zou hebben gewezen op het bestaan van dat vonnis.

Grief 6: de kantonrechter heeft ten onrechte in 4.12 van het vonnis overwogen:
De kantonrechter maakt vorenvermelde overweging tot de hare en is met eiseres van oordeel dat de enkele stelling dat eiseres niet in hoger beroep is gegaan van het vonnis vermeld onder 2.13 en dat er in de onderhavige zaak geen nieuwe feiten zijn aangevoerd, onvoldoende is om misbruik van procesrecht aan te nemen.
[appellanten] hebben zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter eraan voorbij is gegaan dat de kantonrechter in kort geding in zijn vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, expliciet heeft overwogen dat niet is gebleken dat in een bodemprocedure tegen [appellanten] is beslist en aldus erop heeft gewezen dat er in een bodemprocedure over het recht van eigendom moet worden beslist.
Nu de Stichting op basis van dezelfde feiten wederom een kort geding instelt, is sprake van misbruik van procesrecht, aldus [appellanten].

Grief 7: de kantonrechter heeft ten onrechte in 4.12 van het vonnis overwogen:
Hoewel gedaagden geen partij waren bij het Hofvonnis, mag de constatering van het feit dat de veilingkoop niet rechtsgeldig is wel in een zaak worden aangevoerd waarbij gedaagden wel partij waren, immers kunnen zij in die zaak wel hun standpunten daarover naar voren brengen. Dat is dan ook geschiedt (Hof: lees geschied) in de bodemzaak met A.R.No. 020028, waarin vonnis is gewezen op 1 november 2005.
In dat vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de veilingkoop en de levering daarna niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden. Ook in dat vonnis is geoordeeld dat gedaagden geen eigenaar zijn geworden van het perceel. De overschrijving door gedaagden is daardoor ten onrechte geschied.

Door [appellanten] is gesteld dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan het vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, waarin is overwogen dat, nu niet is gebleken dat in een bodemprocedure tegen [appellanten] is beslist dat de verkrijging van het perceel krachtens de veilingakte op 8 februari 1994 opgemaakt door notaris Tjon nietig is, er van uit moet worden gegaan dat [appellanten] het onroerend goed rechtsgeldig hebben verkregen en vooralsnog moet worden aangenomen dat zij eigenaar van het perceel zijn. Voorts is gesteld dat tegen het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, hoger beroep is ingesteld, als gevolg waarvan dit vonnis van rechtswege in zijn werking is geschorst.

Grief 8: (abusievelijk genummerd 7): In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter niet beslist op het verzoek van [appellanten] om de zaak te bepleiten.

Grief 9: de kantonrechter is niet ingegaan op het verweer van [appellanten] dat het door het Hof gewezen kort geding vonnis (G.R.No. 13492) op basis van artikel 8 van het Amerikaans Verdrag inzake de Rechten van de Mens niet jegens hen kan worden ingeroepen aangezien zij geen partij waren bij dat vonnis en heeft het vonnis toch jegens [appellanten] gebezigd. [appellanten] zijn van mening dat dit in strijd is met het recht op een eerlijk proces. [appellanten] hebben tevens gesteld dat de kantonrechter het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, tegen hen heeft gebezigd, terwijl rechtens vast staat dat tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en aan dat vonnis geen rechten kunnen worden ontleend; dit handelen zijdens de kantonrechter is, aldus [appellanten], in strijd met het recht op een eerlijk proces.

5.3 De Stichting heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1 De ontvankelijkheid in eerste aanleg (grieven 3, 4 en 6):
Zijdens [appellanten] is gesteld dat de hypothecaire inschrijving vermeld in het hypothecair uittreksel van 12 september 2012 als reden verzonnen is om dit als spoedeisend belang aan te voeren, aangezien het door [appellanten] overgelegd hypothecair uittreksel van 8 november 2013 geen melding maakt van een hypothecaire inschrijving.

6.2 Het Hof constateert dat uit het hypothecair uittreksel van 12 september 2012 blijkt dat bij akte verleden voor notaris J.G. Kemp op 15 januari 2009, welke akte ten hypotheekkantore is ingeschreven op 21 januari 2009 in register B [nummer 5], ten behoeve van Stichting Cherry Blossom en ten laste van onder andere de Stichting op perceel 2 hypotheek is gevestigd voor de hoofdsom ad € 165.000,00.
Tevens wordt geconstateerd dat aan de voorzijde van betreffend hypothecair uittreksel is aangetekend “kwijting C [nummer 6]”.
De Stichting heeft aangevoerd dat de betreffende hypotheek op perceel 2 inmiddels geroyeerd is. Zulks was volgens de Stichting reeds het geval op 8 november 2013.
Het door [appellanten] overgelegd uittreksel is, nu dit meer dan een jaar na het hypothecair uittreksel van 12 september 2012 is uitgeschreven, onvoldoende om aannemelijk te achten dat het door de Stichting overgelegd uittreksel waaruit blijkt van de hypotheekverlening ten laste van de Stichting, vals is. Geconcludeerd wordt derhalve dat de door de Stichting gestelde hypotheek terecht aannemelijk is geacht door de kantonrechter, zodat eveneens terecht is geoordeeld dat sprake is van een spoedeisend belang zijdens de Stichting. Het spoedeisend belang blijkt daarnaast uit de stelling zijdens de Stichting dat zij ten onrechte wordt beknot in haar eigendomsrecht.
Het Hof is tevens van oordeel dat, nu een nieuw feit mede ten grondslag aan de vordering is gelegd, geen sprake is van misbruik van procesrecht. Geoordeeld wordt derhalve dat de kantonrechter de Stichting terecht ontvankelijk heeft geoordeeld in haar vordering in eerste aanleg.

6.3 Grief 1:
Het Hof constateert dat bij schriftelijke rolbeschikking van 17 oktober 2013 de kantonrechter [appellanten] alsnog in de gelegenheid heeft gesteld om een hypothecair uittreksel van perceel 2 ten processe over te leggen, hetgeen is geschied bij akte overlegging hypothecair uittreksel, zodat dit processtuk ten onrechte in het vonnis niet is vermeld bij de weergave van het procesverloop, hetgeen evenwel geen aanleiding geeft tot vernietiging van het vonnis, nu zulks geen wettelijk vereiste betreft.
Het Hof is evenwel, in tegenstelling tot het door [appellanten] gestelde, van oordeel dat hetgeen in betreffende akte en het daarbij overgelegd hypothecair uittreksel is vermeld, wel is betrokken bij de redigering van het vonnis: bij de feiten is onder 2.12 immers vermeld dat perceel 2 ten hypotheekkantore geregistreerd staat op naam van de Stichting. Dit blijkt tevens uit het door [appellanten] op 21 november 2013 bij akte overgelegd hypothecair uittreksel.
Deze grief treft derhalve geen doel.

6.4 Grief 2:
Geconstateerd wordt dat de Stichting in de procedure in eerste aanleg zowel bij conclusie van eis (pagina’s 2, 11 -15 ontbreken) als bij conclusie van repliek (pagina’s 2, 12 en 14 ontbreken) een onvolledige fotokopie van het vonnis van het Hof van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, heeft overgelegd.
Geconstateerd wordt dat op pagina 13 van het betreffend vonnis het Hof heeft overwogen:
Overwegende, dat bovendien (c) i.c. zoals boven overwogen is (…) de proces-verbaal akte d.d. 8 februari 1994 door notaris W.H. TJON opgemaakt een feiten relaas bevat (vermelding van feiten, die die notaris op die dag niet heeft kunnen waarnemen en vastleggen), omdat die naderhand plaatsgegrepen hebben en die die akte ongeschikt maken om een rechtsgeldige eigendomsoverdracht te bewerkstelligen;
Overwegende, dat de feiten a, b en c elk op zich tot consequentie hebben dat de verkoop en de daarop gevolgde levering aan de geïntimeerde van het perceel groot 17196 m², niet rechtsgeldig geschied is”.
Het Hof constateert dat het middels deze grief bestreden feit vermeld in het vonnis (waarvan beroep) onder 2.6, ten dele – namelijk dat het Hof heeft overwogen dat het proces-verbaal van de veiling d.d. 8 februari 1994 geen authentieke akte is in de zin van artikel 670 BW en derhalve absoluut nietig is – niet is gebaseerd op tussen partijen niet betwiste feiten dan wel een niet betwiste overgelegde productie. Aangezien door
[appellanten] in eerste aanleg is betwist dat het Hof in het betreffend vonnis van 2 juni 1995 heeft geconstateerd dat de akte openbare verkoop verleden door notaris W.H. Tjon nietig is.
Overwogen wordt derhalve dat de kantonrechter in het vonnis ten onrechte onder de feiten heeft vermeld dat het Hof in het betreffend vonnis van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, heeft overwogen dat het proces-verbaal van de veiling d.d. 8 februari 1994 geen authentieke akte is in de zin van artikel 670 BW en derhalve nietig is.
Het Hof constateert voorts dat door [appellanten] in hoger beroep bij repliek pleitnota een volledige fotokopie van betreffend vonnis van het Hof is overgelegd; op pagina 12 daarvan heeft het Hof overwogen:
Overwegende, dat ten overstaan van notaris W.H. TJON de voormelde openbare verkoping gehouden is op 8 februari 1994, op welke dag ten overstaan van hem als openbaar ambtenaar alle veilingshandelingen verricht zijn blijkende van een en ander uit de daarvan door hem opgemaakte procesverbaalakte – zie het slot:”dit proces-verbaal opgemaakt en gesloten ter plaatse, ten dage en jare in hoofde gemeld, in tegenwoordigheid van …. als getuigen, die met de requirante, de kopers en mij notaris, dit proces-verbaal onmiddellijk na voorlezing hebben ondertekend – dat het niet mogelijk is dat die notaris in die procesverbaalakte feiten relateert die nà 8 februari 1994 plaatsgevonden hebben als de splitsing (verdeling) van het sub 1 bovengenoemd perceel in twee delen op 21 februari 1994 door landmeter R.R. LIEUW KIE SONG en is die akte dan ook niet een authentieke akte als vereist in artikel 670 BW voor de rechtsgeldige overdracht van onroerende goederen omdat in zo’n authentieke akte (een notariële procesverbaalakte is zo’n akte) slechts feiten kunnen worden gerelateerd die anterieur zijn aan de dag (en het uur) van het opmaken daarvan”.
Uit dit citaat blijkt dat het Hof in haar vonnis van 2 juni 1995, G.R.No. 13492, heeft geoordeeld dat de veilingakte geen authentieke akte is.
Grief 2 treft derhalve naar het oordeel van het Hof geen doel.

6.5 Grief 5:
Het Hof stelt voorop dat bekend moge worden verondersteld dat gewezen vonnissen vooralsnog niet op eenvoudige wijze toegankelijk zijn. Zulks leidt tot de conclusie dat niet zonder meer aannemelijk mag worden geacht dat de rechter bij het wijzen van het vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, kennis had genomen van het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, dat is gewezen in een procedure waarin [appellanten] als gedaagden betrokken waren.
De Stichting heeft ontkend dat zij bekend waren met voormeld vonnis van 1 november 2005. [appellanten] zouden kunnen worden toegelaten te bewijzen dat voormeld vonnis van 1 november 2005 deel is geweest van de beoordeling in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 10 november 2008, A.R.No. 07-3501, danwel dat de Stichting bekend was met dat vonnis, ware het niet dat de procedure in kort geding daar geen ruimte toe biedt.
Aan het door [appellanten] gestelde wordt dan ook voorbij gegaan.

6.6 Grieven 7 en 8:
Het Hof deelt de mening van de kantonrechter dat, ook indien [appellanten] geen partij waren bij de procedure die heeft geleid tot het vonnis van het Hof van 2 juni 1994, de daarin vervatte informatie wel mag worden aangevoerd in een procedure waarin [appellanten] wel partij is, aangezien zij zich alsdan over betreffende informatie kunnen uitspreken.

6.7 Nu niet in het geding is dat tegen het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, op 7 november 2005 (tijdig) hoger beroep is aangetekend en dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is dit vonnis in zijn werking geschorst, zodat het niet kan bijdragen aan toewijzing van het in deze procedure gevorderde. Het vonnis dat door het Hof op 2 juni 1995, G.R.No. 13492, is gewezen kan evenmin daartoe bijdragen, aangezien het immers een procedure in kort geding betrof en het derhalve een voorlopig oordeel van het Hof bevat.
Het Hof overweegt dat, gelijk bij de feiten onder 3.6 is vermeld, in de notariële akte van 12 april 2001 het vonnis van de kantonrechter in het Eerste kanton van 17 november 1995, A.R.No. 95-5828 mede ten grondslag is gelegd aan de vaststelling dat [naam 1] c.s. de eigenaren van perceel 2 zijn gebleven en dat de kantonrechter in het vonnis van 1 november 2005, A.R.No. 02-0028, weliswaar heeft overwogen dat bij vonnis van 17 november 1995 reeds is beslist dat [appellanten] geen eigenaar is geworden, doch dat bedoeld vonnis van 17 november 1995 niet in deze procedure is overgelegd, zodat het niet bij de beoordeling kan worden betrokken.
Nu partijen twisten over de vraag wie als de rechtmatige eigenaar van perceel 2 moet(en) worden aangemerkt en over deze vraag diverse procedures aanhangig zijn waarin evenwel nog niet een definitief oordeel is gegeven, kan niet aannemelijk worden geacht dat de Stichting rechtmatig de eigendom heeft verkregen van perceel 2.
Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde ontruiming van [appellanten] naar het oordeel van het Hof niet toewijsbaar is.
Gelet op het hiervoor overwogene kan het vonnis, waarvan beroep, niet in stand blijven, zodat het zal worden vernietigd en de in eerste aanleg gevorderde voorzieningen alsnog zullen worden geweigerd.
De overige standpunten van partijen zullen buiten bespreking worden gelaten, aangezien die niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

6.8 De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in eerste aanleg en in hoger beroep in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 1 november 2005 gewezen in de procedure bekend onder A.R.No. 02-0028 en opnieuw recht doende:
Weigert de gevraagde voorzieningen;

7.2 Veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding aan de zijde van [appellanten] in eerste aanleg en in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak in totaal begroot op SRD.328,–;

Aldus gewezen door: mr. I.S. Lachitjaran, Fungerend-President, mr. J.M. Jensen en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Leden-plaatsvervanger, en

w.g. I.S. Lachitjaran

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van justitie van vrijdag 17 november 2017, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C.Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. C.S. Djajadi namens advocaat mr.G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. H.P. Boldewijn , gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

 

 

SRU-HvJ-1998-20

M.H.

GENE­RALE ROL NO: 13927.

[appellant], wonende in [district 1], voor wie als gemach­tigde op­treedt,

Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advo­kaat,

appellant in Kort Geding,

t e g e n

a. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.KRAAG, advokaat

b. [persoon], gewoond hebbende in [district 2]te [plaats], overleden in [district 1] op [datum], zodat het rechtsgeding wordt voortgezet ten name van:

1. [geïntimeerde sub A], geboren [naam 1];

2. geintimeerde sub B], gehuwd met [naam 2], door wie tot hun beider gemachtigden zijn ge­steld, Mr.J.LACHMON en Mr.J.C.P.NAN­NAN PANDAY, advoka­ten,

geinti­meerden in Kort Geding,

De fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 22 mei 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen compari­tie van partijen niet is gehouden;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 6 november 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en vol­hardt hetgeen bij tussenvonnis d.d. 22 mei 1998 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat op de comparitie zitting van 22 juli 1998 de appellant en de [geïntimeerde sub B] zijn ver­schenen en door het Hof op hen een beroep gedaan is dit geding als verwanten van elkaar in der minne op te lossen, waarover zij zich op de zitting van 14 augustus 1998 zouden uitlaten;

Overwegende, dat op de zitting van 14 augustus 1998 voormelde partijen Ons hebben medegedeeld dat een minnelijke regeling niet mogelijk is en dat zij onder handhaving van hun stellingen vonnis vragen;

Overwegende dat, inzoverre hier van belang, het navolgen­de tussen partijen rechtens vaststaat;

1. dat de appellant bij zijn inleidend rekest vor­dert: a” te vernietigen, althans nietig te verklaren de beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbron­nen en Energie d.d. 26 februari 1985 [nummer 1];

2. gedaagden te veroordelen tot betaling van een dwangsom van f.5.000,– voor iedere dag of keer dat zij in strijd handelen met de sub a bedoelde beslissing,” enz…..;

Overwegende, dat de voormelde beschikking, waarvan de appel­lant vernietiging wenst, een beschikking is waarbij ingetrok­ken is de beschikking d.d. 2 oktober 1969 [nummer 2], bij welke aan de appellant tot wederopzeg­gens vergunning was verleend tot het ingebruik nemen, voor het opzetten van een cafetaria en gasoline pomp­station op het stuk grond, groot 700 m², uitma­kende een gedeelte groot 300 m², van het woonerf [nummer 3] en een daaraangrenzend stuk grond groot 400 m² en ter bebou­wing en bewaring op het stuk grond, groot 2150,20 m² gelegen in [district 1], deel uitmakende van het in het Voorland van de ves­tings­plaats [plaats] gelegen woon­erf, bekend als [nummer 3];

Overwegende, dat op het in de vorige rechtsoverwe­ging bedoelde stuk grond thans de geintimeerde het recht van grond­huur heeft, welk recht hij verkregen heeft door de over­schrijving ten hypotheekkantore d.d.31 mei 1995 in register C 1290 onder [nummer 4] van een afschrift ener akte verkoop en koop op 22 mei 1995 ten overstaan van notaris R.Ramautar verleden;

Overwegende, dat ook als het Hof ervan uitgaat dat het een verschrijving van de appellant is dat hij niet in Kort Geding, door ten gronde heeft willen procede­ren, dan nog is het belang dat hij bij de gevraagde voorzieningen heeft, het Hof niet duidelijk, omdat de vernietiging van de gevraagde beschikking niet met zich zal meebrengen dat het persoonlijk recht van gebruik op voormelde stuk grond van de appellant zal herleven, met alle gevolgen van dien, nu [geïntimeerde sub B] inmiddels het zakelijk recht van grondhuur daarop heeft verkregen;

Overwegende, dat het mogelijk is dat de appellant op ande­re grondslag rechten jegens de geintimeerden of een van hen zou kunnen geldend maken, doch gelet op hetgeen de appel­lant thans vordert en de grondslag daarvan heeft hij geen belang daarbij en zal het von­nis, waarvan beroep, onder aan­vulling van de gronden, hetgeen uit het vorenoverwogene blij­kt, worden bevestigd met veroordeling van de appel­lant, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, onder aanvulling van de gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewe­zen tussen partijen en uitgesproken op 11 januari 1994, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f.3000,–;­

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.3000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appel­lant eveneens op f.3000,–.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PANDAY, fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF Leden en door de fungerend-President uitgesproken ter openba­re terecht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG 20 november 1998, in tegenwoordig­heid van

Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.R.BALDEW namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.

TRUIDEMAN, geintimeerde sub A vertegenwoor­digd door advo­kaat, Mr.M.G.A.VOS namens zijn gemachtig­de, advo­kaat Mr.NANNAN PANDAY en geintimeerde sub B vertegen­woordigd door advo­kaat Mr.H.MUNGRA namens zijn gemach­tigde, advo­kaat Mr.J.LACHMON, zijn bij de uitspraak ter terecht­zit­ting ver­schenen.

SRU-HvJ-1998-19

M.H.

A – 390

[verzoeker], verzoeker, wonende te [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27 ten kantore van Mr.R.U.F TRUI­DEMAN, advokaat, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie (rechtspersoon) ten deze vertegen­woordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.BAARH, advokaat,

verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat R.E.LEVENS zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stel­lende:

1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie (rechtspersoon) ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Gene­raal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Gravenstraat nr.3 te Paramaribo, gedaagde;

2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Perso­neelswet. Verzoeker is namelijk op 2 januari 1976 in Overheidsdienst getreden (Pers.No.804812) en hij dient thans in vaste dienst in de rang van Onder/Inspekteur van Politie bij gedaagde onder toekenning van een bezoldiging van Sf.139.425,– per maand;

3. Op of omstreeks 13 december 1996 is verzoeker geslaagd voor het Inspekteursexamen en verzoeker mocht ex aequo et bono verwachten, dat hij op grond van het behaalde examen en op grond van artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie G.B.25 november 1972 no.9438 samen met de overige geslaagden zou worden benoemd tot Inspekteur van Politie der 3e klasse, welke benoeming onlangs (in de maand november 1997) heeft plaatsgevonden;

4. Er is door gedaagde nimmer aan verzoeker medege­deeld, dat hij niet zou worden benoemd tot Inspekteur van Politie der 3e klasse. Pas nadat verzoeker terzake een gerucht had gehoord en zelf op onderzoek uitging heeft verzoeker formeel bericht gehad van de Korpschef. Verzoeker overlegt hierbij in fotokopie zijn brief de dato 16 juli 1997 en het antwoord daarop van de Korps­chef de dato 24 juli 1997 K.A.983/geh. met het verzoek de inhoud van deze twee brieven hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;

5. Verzoeker is van oordeel, dat gedaagde enkele beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden en verzoeker overlegt kortheidshalve een lijst met aan­dachtspunten de dato 29 juli 1997 met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinse­reerd te willen beschouwen;

6. Zoals gesteld zijn de collega’s van verzoeker die samen met hem zijn geslaagd voor het Inspekteursexamen onlangs WEL bevorderd tot Inspekteur van Politie der 3e klasse;

7. Verzoeker is van oordeel, dat hier in ieder geval inbreuk is gemaakt op het gelijkheidsbeginsel (zie lijst met aandachtspunten), maar ook op het rechtsze­kerheidsbeginsel aangezien verzoeker mocht afgaan op de opgewekte schijn c.q. de gerechtvaardigde verwachtin­gen, dat ook hij zou worden benoemd/bevorderd;

8. Op basis van het bepaalde in artikel 79 lid 1 onder c van de Personeelswet wenst verzoeker dan ook de oplegging van een dwangsom aan gedaagde voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft om verzoeker te bevorde­ren/benoemen tot Inspekteur van Politie der 3e klasse;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis verweerder zal worden veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van Sf.250.000,– voor elke dag na de betekening van het vonnis als verzocht, die verweerder in gebreke blijft met de bevordering van verzoeker van Onder-Inspekteur van Politie naar de rang van Inspekteur van Politie der derde klasse en wel met ingang van 13 december 1996;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijk gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen;

1. Verweerder ontkent en betwist alhetgeen niet letterlijk en uitdrukkelijk door hem wordt erkend met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn aveu onder aanbod van bewijs conform recht en wet;

2. Verzoeker grondt zijn verwachting op een benoeming tot inspekteur van politie derde klasse op:

a. het behaalde examen

b. artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Poli­tie

2.1. In artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie komen de ELEMENTAIRE VEREISTEN voor benoem­baarheid van een onderinspekteur van politie tot in­spekteur van politie derde klasse voor. Tot die elemen­taire vereis­ten behoort tevens het bezit van het in­spekteursdiploma A.

Een ander elementair vereiste is dat de onderinspekteur van politie een diensttijd van TENMINSTE DRIE JAREN in die rang van (onderinspekteur van politie) heeft ver­vuld. Op grond van het beginsel van wetmatigheid van bestuur moet de onderinspekteur van politie die in aanmerking komt c.q. wenst te komen voor benoeming tot inspekteur van politie derde klasse aan ALLE elementai­re vereisten als opgesomd in artikel 50 lid 1 VOLLEDIG voldoen. Hierbij wordt in het midden gelaten of de opsomming in artikel 50 lid 1 een limitatieve of enun­tiatieve is.

2.2. Verzoeker voldoet NIET althans niet volledig aan alle vereisten van artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie. In het bijzonder voldoet verzoeker niet aan het vereiste dat hij een DIENSTTIJD VAN TEN­MINSTE DRIE JAREN IN DIE RANG (van onderinspekteur van politie) HEEFT VERVULD.

2.3. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangehaald waaruit blijkt van BUITENGEWONE toegewijde funktievervulling c.q. BUITENGEWONE geschiktheid die hem tot een VOORBEELD doet strekken van de overige ambtenaren van politie in het algemeen en van de onder­inspekteurs van politie in ­het bij­zonder op grond waarvan AFWIJKING van de wette­lijke elementaire vereis­ten in zijn voordeel ten op­zichte van de overige gelij­ke gevallen zou kunnen worden gerecht­vaardigd. Daar­naast is niet gesteld of gebleken van een precedent c.q. dat de korpschef c.q. het bevoegde gezag is afge­stapt van een eerder gevolgde gedragslijn om onderin­spekteurs van politie die niet volledig aan de eisen van benoembaarheid tot inspekteur van politie derde klasse desondanks te benoe­men tot inspekteur van poli­tie derde klasse.

2.4. Verzoeker haalt in zijn overgelegde lijst met aandachtspunten een geval aan van een majoor van poli­tie die benoemd is tot onderinspekteur van politie. Aangezien de feiten die verzoeker aanhaalt bij verweer­der onbekend zijn, ziet verweerder gaarne dat verzoeker gedetailleerder is teneinde verweerder in de gelegen­heid te stellen daarop nader in te gaan. Verweerder wenst gaarne te weten de naam van de betrokkene. Ook de overige door verzoeker aangehaalde gevallen zijn niet helder. Verweerder ziet gaarne dat verzoeker concreet (concreter) is waardoor hierop kan worden ingegaan. Hetzelfde geldt voor de kwestie van de Brandweer. Ook indien hetgeen verzoeker heeft gesteld juist zou mogen zijn, quod non, dan nog is er sprake van schijnbare gelijkheid omdat dan omstandigheden aanwezig zullen zijn (geweest) die de kennelijke ongerechtvaardige ongelijkheid hebben geneutraliseerd.

2.5. De verwachting van verzoeker is ongegrond omdat zij voortspruit uit zijn misvatting van een wettelijke regeling c.q. een artikel van het Reglement Algemene Politie. Funktionarissen bevoegd om verweerder te vertegenwoordigen, hebben jegens verzoeker in woord, geschrift noch hun handelen enige verwachting gewekt.

3. Gelet op verzoekers rang, opleiding en kennis van artikel 50 lid 1 van het Reglement Algemene Politie waren geen termen aanwezig hem mede te delen dat hij niet zou worden benoemd tot inspecteur van politie derde klasse daargelaten dat zodanige gehoudenheid voor verweerder ook niet bestond/bestaat. Op zijn brief d.d. 16 juli 1997 heeft verzoeker op grond van de Grondwet wel antwoord gehad van of vanwege het bevoegde gezag.

4. Het beroep op het beginsel van de motiverings­plicht is vreemd omdat een besluit ontbreekt. Bovendien heeft de korpschef aan verzoeker in het door verzoeker overgelegde schrijven van voornoemde funktionaris aangegeven dat en waarom het verzoek van verzoeker is afgewezen.

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge’s Hofs beschikking van 6 februari 1998 in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN, gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.A.R.BAARH, gemachtigde van verweerder en Mevr.Mathoera Hussain Ali Krisnakoemarie, Hoofdinspekteur van Politie, Hoofd personeelszaken van het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte hier als ingelast te beschou­wen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusies tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat nadat de gemachtigden van partij­en de zaak bij pleidooi nader hadden toegelicht en verdedigd, vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 3 juli 1998, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, ambtenaar van politie in de rang van onderinspecteur op aan zijn vordering ten grondslag gelegde als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen feiten, heeft gevorderd bij vonnis verweerder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van Sf.250.000,– voor elke dag na betekening van dit vonnis dat verweerder in gebreke blijft met de bevordering van hem verzoeker, van onderinspecteur van politie naar de rang van in­spekteur van politie der derde klasse en wel met ingang van 13 december 1996;

Overwegende, dat partijen tijdens het verhoor bedoeld bij artikel 714e van het Wetboek van Burgerlij­ke Rechtsvordering – voorzover ten deze van belang – hebben verklaard;

verzoeker: Ik heb op 13 december 1996 gehoord dat ik met goed gevolg het examen heb afgelegd. Ik beroep mij met name op het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbe­ginsel. Samen met mij zijn geslaagd de heren [naam 1]; [naam 2], [naam 3] en anderen. Ik kan mij hun namen nu niet meer herinneren. Ik ben de enige die niet is bevorderd. In totaal zijn er vijftien onderinspecteu­rs geslaagd. Daarvan zijn veertien bevorderd tot inspecteurs. Ik heb een verzoekschrift bij de Korpschef ingediend. Ik ben thans twee jaar en acht maanden onderinspecteur. Er is een geval geweest waarbij onderinspecteur [naam 4] drie jaren ziek is geweest en toch bevorderd werd. Vereist is dat je drie jaren als onderinspecteur moet functio­neren en dat was in het geval [naam 4] niet zo. Ik ben wel positief beoordeeld en heb met goed gevolg het examen afgelegd. Alleen heb ik niet drie jaren gediend als onderinspecteur;

verweerder bij monde van de hoofd­inspecteur, K.Mathoe­ra-Hussain Ali; ”Hetgeen verzoeker heeft gesteld met betrekking tot het met goed gevolg afleggen van het examen is wel juist. Het verzoek van verzoeker tot de inspecteursopleiding toegelaten te worden was eerst geweigerd, maar na rechterlijke tus­senkomst werd hij tot de opleiding toegelaten. Verzoe­ker is inderdaad geslaagd maar dat is slech­ts een van de criteria om bevorderd te worden tot inspecteur van politie. Die criteria zijn;

– gebleken geschiktheid; – de opleiding met goed gevolg hebben afgerond; de formatie moet het toelaten; minimaal drie jaar als onderinspecteur van politie hebben gediend. Verzoeker voldeed niet aan al deze criteria, mat name had hij niet drie jaar als onderin­-specteur gediend. Op 15 september 1998 zal verzoeker drie jaar in de rang van onderinspecteur hebben gediend en dan zal de bevorderingsprocedure ten aanzien van hem worden ingezet. De bevordering van een politie ambte­naar geschiedt door het desbetreffend afdelingshoofd. Verzoeker zit bij de hoofdstedelijke dienst en de hoofdinspecteur [naam 5] is de directe chef van verzoe­ker. Voorzover ik weet is nooit afgeweken van het vereiste van drie jaar gediend hebben in de rang van onderinspecteur. Aan het eerste examen hebben drie en dertig kandidaten deelgenomen en aan de tweede 14 kandidaten. Daarvan zijn 13 bevorderd, op verzoeker na;

Overwegende, dat nu verzoeker niet weersproken heeft, dat de criteria om in casu tot inspecteur van politie bevorderd te worden te weten: gebleken ge­schiktheid, het met goed gevolg de opleiding hebben afgerond, door de formatie zijn toege­laten, het mini­maal drie jaar als onderinspecteur van politie hebben gediend, staat zulks tussen partijen rechtens vast;

Overwegende, dat tevens als niet weersproken door verzoe­ker wijders vaststaat, dat verzoeker niet aan alle vermelde criteria voldoet, omdat hij nog niet drie jaar als onderinspecteur heeft gediend;

Overwegende, dat verzoeker verweerder voorts verweten heeft te hebben veronachtzaamd het gelijk­heids- en het rechtsze­kerheidsbeginsel;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot ver­zoekers verwijt aan verweerder te hebben veronachtzaamd het gelijkheidsbeginsel en het recht­szekerheidsbeginsel opmerkt, dat dit verwijt als onterecht valt aan te merken; van het gelijkheidsbeginsel kan zulks met name niet gezegd worden omdat verzoeker met betrekking tot dit beginsel niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, gaande dit beginsel er immers van uit, dat onder gelijke omstandigheden verkerende burgers deze gelijke­lijk zullen worden behandeld, waaromtrent ver­zoeker geen feiten heeft gesteld; van het rechtszekerheidsbe­-ginsel kan zulks evenmin gezegd worden, gaande dit beginsel er van uit dat het recht niet de macht van de overheid moet zegevieren in een geschil tussen overheid en burger, waarom­trent verzoeker evenmin feiten heeft gesteld;

Overwegende, dat nu de aan verzoekers vordering ten grondslag gelegde feiten rechtens niet zijn komen vast te staan dient verzoekers vordering als niet bewezen aan hem te worden ontzegd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Ontzegt verzoekers vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.Wolff, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 7 AUGUSTUS 1998, in tegenwoordigheid van Mr.M.TEDJOE, funge­rend-Griffier.

w.g.M.TEDJOE w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.ISHAAK, namens zijn gemachtigde advokaat Mr.R.U.F.TRUIDEMAN en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.MANGROELAL, namens zijn gemachtigde advokaat Mr.A.R.BAARH, zijn bij de uitspraak ter te­rechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-1999-6

M.H.

A – 385.

[verzoekster], wonende aan [adres], ten deze domicilie kie­zende aan de Kromme Elleboog straat no.3 ten kantore van het advoka­ten kantoor ”METRIKO”, voor wie als gemachtigde op­treedt, I.D.Kanhai Bsc, advokaat,

verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse zaken, ten deze verte­gen­woor­digd wordende door de Procu­reur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoor houdende ten Parkette aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemach­tigde optreedt, Mr.Dr.C.D.OOFT, advo­kaat,

verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Repu­bliek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoire vonnissen van res­pectievelijk 20 maart 1998 en 20 november 1998 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs laatstver­meld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan laatstvermeld vonnis de Griffier van het Hof van Justitie de door het Hof verlangde schriftelijke uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – hier als geinsereerd aan te merken schrifte­lijke conclusies tot uitlating hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vervolgens vonnis in de zaak heeft bepaald op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hier overneemt en vol­hardt bij al hetgeen in de tussenvonnissen d.d. 20 maart 1998 en 20 november 1998 is overwogen en beslist;

Overwegende, dat de griffier van het Hof van Justitie naar aanleiding van het tweede tussenvonnis (d.d. 20 november 1998) schriftelijk verklaard heeft dat het verzoekschrift van de verzoekster gedagtekend 14 april 1997 pas op 8 augustus 1997 ter griffie van het Hof ingediend is door haar raadsman I.D.Kanhai, Bsc;

Overwegende, dat uit de gewisselde stukken, uit daarbij overgelegde bescheiden en de partijverklaringen ter gelegenheid van de comparitie van partijen, inzo­verre hier van belang, het navolgende blijkt:

1. verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;

2. verzoekster bij beschikking van de Minister van Binnenlandse zaken d.d. 14 maart 1997 no. 305, uit ’s Lands dienst ontslagen is, welke beschikking haar op dezelfde dag of een dag later, t.w. 15 maart 1997, uitgereikt is;

3. het verzoekschrift van de verzoekster waarin zij tegen het voormeld aan haar verleend ontslag opkomt op 8 augustus 1997 ter griffie van het Hof van Justitie ingediend is, hoewel dat als dagtekening 14 april 1997 draagt;

Overwegende, dat de verzoekster in haar verzoek­schrift de nietigverklaring vordert van het voormeld besluit van haar ontslagverlening, welke vordering zij binnen een maand nadat dat besluit te harer kennis gebracht was, had moeten instellen, dus uiterlijk op 15 april 1997, doch zoals uit het bovenoverwogene blijkt is zij daarmede tardief, hebbende zij die vordering op 8 augustus 1997 ingesteld;

Overwegende, dat de verzoekster danook niet ont­vanke­lijk is in haar vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart de verzoekster niet ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door de heren: Mr.S.GANGARAM PAN­DAY, Fungerend-President, Mr.E.S.OMBRE en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Fungerend-President uitge­sproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 5 februari 1999,in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.G.Gangaram Panday namens haar gemachtigde, advo­kaat I.D.Kanhai, Bsc en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.C.D.­Ooft, zijn bij de uitspraak ter terechtzit­ting verschenen.

SRU-HvJ-1998-18

H.M

GENERALE ROL NO.13990.

LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATAMACCA N.V., rechtsper­soon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.F.F.P.TRUI­DEMAN, advokaat, gevestigd aan de Grote Combéweg no.25-27, voor wie als ge­machtigde optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDE­MAN, advokaat,

appellante,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Arbeid, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wor­dende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justi­tie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Graven­straat no.3, Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.E.STRUIKEN, advokaat,

geintimeerde,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kan­tonrech­ter in het Eerste Kanton van 1 april 1997 tussen partijen gewe­zen;

2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 3 juni 1997, waaruit blijkt van het in­stel­len van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATA­MACCA N.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kanton­rechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daar­bij stellende:

1. dat de eiseres de navolgende rechtsvordering op verkorte termijn wenst in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Arbeid, rechts­persoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de Gravenstraat no.3, gedaagde;

2. dat de eiseres op 30 november 1993 een arbeids­overeenkomst naar Burgerlijkrecht met mevrouw [naam] is aangegaan voor de tijd van 3 jaren, welke arbeidsovereenkomst is ingegaan op 1 maart 1994;

3. dat de eiseres bij schrijven d.d. 12 juli 1995 Pat.Intern 95/018 aan mevrouw [naam] heeft medegedeeld dat zij met ingang van 24 juli 1995 is overgeplaatst naar de Gemeenschappelijke Plantaardi­ge Oliën en Vetten Bedrijven N.V. te Paramaribo, welke overplaatsing in het bedrijfsbelang is geschied met als standplaats Paramaribo, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;

4. dat de eiseres opmerkt dat deze bevoegdheid de eiseres tot overplaatsing van een werknemer steunt op artikel 12 van de gesloten arbeidsovereenkomst, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinse­reerd te willen beschouwen;

5. dat de eiseres opmerkt dat mevrouw [naam] met de overplaatsing onvoorwaardelijk had ingestemd, het­geen moge blijken uit haar brieven d.d.13 juli 1995 en 28 juli 1995, met het verzoek de inhoud van deze brie­ven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschou­wen;

6. dat omdat mevrouw [naam], ondanks haar uitdrukkelijke toezegging van de opdracht tot over­plaatsing gevolg te geven en zulks na herhaalde aanma­ningen niet heeft gedaan, werd zij bij schrijven van de eiseres d.d. 23 oktober 1995 no.95/037 wegens dringende reden ontslagen, welke ontslag ingevolge artikel 3 van het Decreet Ontslagvergunning SB 1983 no.10, zoals laatstelijk gewijzigd bij SB 1984 no.102, werd aange­meld bij het Hoofd van de Arbeidsinspektie i.c. de gedaagde;

7. dat de gedaagde bij beschikking d.d. 6 november 1995 [nummer], na de eiseres en mevrouw [naam] te hebben gehoord, de eiseres heeft bericht dat er bezwaar bestaat tegen het ontslag wegens drin­gende reden van mevrouw [naam], met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier inge­last en geinsereerd te willen beschouwen;

8. dat de eiseres zich met de gegeven beschikking niet kan verenigen, vandaar dat zij in rechte vernieti­ging van deze beschikking zal vragen;

9. dat het een notoir feit is dat overplaatsing van een werknemer behoort tot de uitsluitende competentie van een werkgever, wanneer deze noodzakelijk is in het bedrijfsbelang en de grootste werkgever in Suriname i.c. de gedaagde zelf in de Persoonswet heeft bepaald dat van een overplaatsing beroep bij de ambtenarenrechter niet mogelijk is;

10. dat de eiseres opmerkt dat de overwegingen in de beschikking van de gedaagde getuigt van het feit dat de aan de gedaagde verstrekte gegevens middels schrifte­lijke stukken door de eiseres niet zorgvuldig zijn doorgenomen en bestudeerd door de gedaagde;

11. dat de gedaagde in zijn beschikking het navolgende zegt:

– dat mevrouw [naam] tegenover ons heeft verklaard dat het voor haar niet mogelijk was om aan de bedoelde opdracht gevolg te geven aangezien het een overplaatsing van Patamacca naar Paramaribo betrof en zij niet binnen de opgegeven termijn over huisvesting aldaar kon beschikken;

12. dat deze overweging van de gedaagde zeer vreemd overkomt, omdat mevrouw [naam] de gedaagde vanaf 12 juli tot en met 23 oktober 1995 de gelegenheid heeft gehad haar huisvesting te regelen en mevrouw [naam] zelf in haar schrijven d.d. 28 juli 1995 heeft verklaard dat aan haar de gelegenheid wordt gegeven om te verhuizen en dat zij zich op maandag 14 augustus a.s. om 7.00 uur op het stadskantoor te Para­maribo zal aanmelden, bedoeld wordt het stadskantoor van Gemeenschappelijke Plantaardige Oliën en Vetten Bedrijven N.V. hetgeen [naam] niet heeft gedaan en desondanks is deze termijn van haar overplaat­sing nog verlengd tot oktober 1995, rekeninghoudende met haar brief van 28 juli 1995;

dat de gedaagde verder schrijft:

– dat het niet uitvoeren van een redelijke opdracht van de werkgever een dringende reden voor ontslag zou kunnen opleveren;

13. dat de eiseres opmerkt dat de gedaagde zelf praat van een redelijke opdracht door de eiseres gegeven en een redelijke opdracht volgens artikel 1615p lid 10 BW als een dringende reden tot ontslag wordt aangemerkt en niet zoals de gedaagde ten onrechte schrijft, zou kunnen zijn;

14. dat de gedaagde ten slotte schrijft dat echter naar ons oordeel de werkgever in het onderhavige geval onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid voor de werknemer om de bedoelde opdracht uit te voeren en met het belang van de werknemer, hetgeen impliceert dat in strijd is gehandeld met artikel 1614 Y van het Surinaams Burgerlijk Wetboek;

15. dat de eiseres zich in gemoede afvraagt hoe een dergelijke overweging mogelijk is, daar de gedaagde vanaf 24 juli t/m 23 oktober 1995 de gelegenheid heeft gekregen om naar de stad te verhuizen en mevrouw [naam] zelf met de overplaatsing heeft ingestemd en wel schriftelijk; de gedaagde moet weten dat overplaat­sing tot de discretionaire bevoegdheid van de eiseres behoort;

16. dat de gedaagde in haar beschikking een duidelijke motivering moest geven, waarom de opdracht niet als redelijk kan worden bestempeld en waarom de eiseres onvoldoende rekening etc. etc., maar niet hetgeen de gedaagde heeft gedaan; bovendien merkt de eiseres op dat artikel 1614 Y BW dat de gedaagde aanhaalt zonder meer een vreemde eend is in de bijt en met de onderha­vige zaak niets heeft te maken;

17. dat de eiseres opmerkt dat een dergelijke beschik­king niet in stand kan blijven daar het gevolg van deze beschikking is dat alle gevestigde rechten op het stuk van Direktievoering overboord is gegooid;

– dat de eiseres zijdelings opmerkt dat met boven­staande zij duidelijk heeft aangetoond dat de gedaagde de schriftelijke stukken onvoldoende of helemaal niet heeft doorgenomen;

18. dat de eiseres ten aanzien van de bevoegdheid tot overplaatsing enkele bepalingen uit de CAO’s van enkele grote maatschappijen aanhaalt t.w.: BILLITON, SURALCO, ALICO, etc.etc. dat de eiseres deze bepalingen letterlijk citeert: met uitzondering van de door de wettelijke regelingen en door de bepalingen van deze CAO opgelegde beperkingen, blijven alle zaken die betrekking hebben op de be­drijfsvoering en de te geven leiding, alsmede op het toezicht en op de tewerkstelling van de werknemers, uitsluitend voorbehouden aan de werkgever;

19. dat de eiseres duidelijk heeft aangetoond dat de beschikking d.d. 6 november 1995 [nummer] niet in stand kan blijven, en dient te worden vernietigd omdat het in strijd is met de rechtsontwikkeling m.b.t. het arbeids­recht op het stuk van Direktievoering;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht zal worden verklaard dat het door de eiseres aan mevrouw [naam] gegeven ontslag wegens dringende reden bij schri­jven d.d.23 oktober 1995 Pat.Interim no.95/037 rechts­geldig is geschied;

B. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de gedaagde d.d.6 november 1995 [nummer] als zijnde in strijd met de wet;

C. de gedaagde op verkorte termijn te mogen dagvaar­den, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de Staat Suriname als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord c.v.a. – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

– dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton zich onbevoegd zal verklaren van deze vordering kennis te nemen en dat eisereses vordering haar zal worden ont­zegd, althans zij niet ontvankelijk zal worden ver­klaard als zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 1 april 1997 op de daarin opgenomen gronden:

Aan eiseres haar vordering heeft ontzegd;

Haar in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van de gedaagde gevallen en tot aan deze uit­spraak begroot op f……..

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal DE LANDBOUW MAATSCHAPPIJ PATAMACCA N.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvon­nis van 1 april 1997;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder H.B.VERWEY van 27 juli 1997 aan geintimeerde aanzeg­ging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de recht­sdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvanke­lijk was be­paald op 5 juni 1998, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante bij conclusie van Repliek, genomen ter rolle van 8 juni 1996, heeft doen opmerken, dat zij haar vordering tegen geintimeerde intrekt;

Overwegende, dat het Hof in dat verband opmerkt, dat indien een eiser verklaart zijn vordering in te trekken dit dikwijls aldus wordt verstaan, dat hij de aan die vordering ten grondslag gelegde stellingen niet handhaaft, zodat de vordering aan hem wordt ontzegd;

Overwegende, immers, dat de eiser daarmee zijn recht om terzake opnieuw in rechte op te roepen defini­tief opgeeft;

Overwegende, dat anders dan geintimeerde heeft betoogd, appellante na het antwoord geen toestemming van hem behoefde om na het antwoord, haar vordering in te trekken;

Overwegende, dat de enige door appellante tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grief, die geacht moet worden gelijk te zijn besproken, als onjuist en onge­grond dient te worden verworpen;

Overwegende, dat het beroepen vonnis dan ook behoort te worden bevestigd, nu het Hof zich met de gronden die tot de beslissing van de kantonrechter hebben geleid, volledig kan verenigen;

Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen tussen partijen en uitgesproken op 1 april 1997, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.1.500,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advo­kaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van f.1.500,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op f.1.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-Presi­dent, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.P.G.WOLFF, Leden en door de Vice-President uitge­sproken ter open­bare te­recht­zitting van het Hof van Justitie van VRIJ­DAG, 16 OKTOBER 1998, in tegenwoor­digheid van Mr.M.TEDJOE, Fungerend-Griffier.

w.g.M.TEDJOE w.g.J.R.VON NIESEWAND

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advo­kaat Mr.H.P.BOLDEWIJN namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.TRUIDEMAN en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advokaat Mr.H.E.STRUIKEN, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.