SRU-HvJ-2021-117

G.R. no. 15923
Beschikking

Het Hof van Justitie van Suriname

Gelezen de door [verzoeker] (hierna [verzoeker]) op 26 oktober 2020 bij de griffier der Kantongerechten ingediende akte van wraking van

[naam 1] (hierna [naam 1]) als kantonrechter in het eerste kanton in de zaak van [verzoeker], [naam 2] bekend onder A.R. No. 20-1408 (verzoek tot herziening vonnis), welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd;

Gelezen de schriftelijke verklaring van [naam 1] d.d. 28 oktober 2020

– welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd – hierop neerkomende, dat hij zich niet in de wraking wenst te berusten omdat de in het wrakingsverzoek genoemde feiten en omstandigheden ondeugdelijk zijn en geen grond tot wraking opleveren in de zin van artikel 31 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.);

Overwegende, dat het Hof uit de akte van wraking begrijpt dat [verzoeker] als grond voor de wraking aanvoert, dat er tussen hem en [naam 1] een hoge graad van vijandschap bestaat en zou dit blijken uit het volgende:

  1. De eerste behandeling van het herzieningsverzoek heeft op 12 augustus 2020 plaatsgevonden. Zijn procesgemachtigde, mevr. mr. H.H. Vreden, is weliswaar laat op de zitting verschenen, maar de tegenpartij heeft ruimschoots de tijd gehad verweer te voeren, ook na binnentreden van mr. Vreden. De kantonrechter heeft geweigerd om zijn procesgemachtigde mr. Vreden de gelegenheid te bieden om verweer te voeren, stellende dat de zitting reeds gesloten is. Aangezien de tegenpartij nog het woord voerde, waarbij zowel de tegenpartij en haar advocaat de gelegenheid hebben gehad om zich breedvoerig uit te laten en de kantonrechter hen enkele vragen heeft gesteld, kan nimmer er vanuit worden gegaan dat de zitting reeds gesloten was.
  2. [verzoeker] heeft in de zaak A.R.No.17-5198 moeten ervaren dat deze kantonrechter hem meerdere keren het woord heeft ontnomen en heeft afgesnauwd indien hij probeerde zijn standpunt duidelijk te maken. [Verzoeker] is niet rap van tong en dus had hij meer tijd nodig om zijn gedachten in woorden om te zetten, hetgeen hem in deze procedure duur is komen te staan.
  3. De kantonrechter heeft bepaalde zaken in het vonnis opgenomen die geheel in strijd zijn met hetgeen [verzoeker] en zijn toenmalige advocaat tijdens de procedure naar voren hebben gebracht. De in het geding zijnde woning was nog niet afgebouwd op het moment dat het echtscheidingsvonnis niet meer vatbaar was voor hoger beroep. Toch is de waarde van de in het geding zijnde woning daarna vastgesteld.
  4. Bij het bepalen van de waarde zijn goederen die zich in de woning bevonden meegenomen ondanks die niet vielen in de huwelijksgoederengemeenschap.
  5. De kantonrechter heeft een andere boedelnotaris aangewezen zonder [verzoeker] in de gelegenheid te stellen daaromtrent verweer te voeren.

Overwegende, dat [naam 1]hierna een schriftelijke akte heeft genomen waarin hij gemotiveerd te kennen heeft gegeven – zakelijk weergegeven – dat hij weigert om zich van de kennisneming van de zaak te onthouden omdat er geen grove graad van vijandschap tussen hem en [verzoeker] bestaat en dat hij slechts zijn werk aan het doen was met inachtneming van de geldende regels;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat de door [verzoeker] aangevoerde gronden, daargelaten de juistheid hiervan, niet aangemerkt kunnen worden als bewijs dat er een hoge graad van vijandschap bestaat tussen hem en [naam 1] weshalve onderhavig verzoek reeds hierom ongegrond dient te worden verklaard;

Overwegende immers, dat [verzoeker] zelf heeft erkend dat op de dag van de behandeling van de zaak zijn advocaat, mr. Vreden, de zittingszaal laat binnenstapte; dat niet is gesteld noch is gebleken dat [verzoeker] niet de gelegenheid heeft gehad zijn zegje te doen; dat nu het ging om een verhoor van partijen het hoofdzakelijk de partijen zijn die aan het woord komen en wel beurtelings zoals gebruikelijk in het procesrecht; voorts dat vanwege de covid-19 pandemie er voor elke zaak tijdstippen zijn bepaald, met dien verstande dat laat arriverende advocaten het risico lopen geen gelegenheid meer te krijgen om de zaak toe te lichten; dat dit euvel niet aan de kantonrechter kan worden verweten wiens taak het ook is de duur van het proces te bewaken;

Overwegende ten aanzien van het aangevoerde onder punt 2 hiervoor, dat beide partijen zijn gehoord en dat daarna [naam 1], ook de advocaten de gelegenheid heeft geboden om zich schriftelijk uit te laten; dat aan [verzoeker] hierdoor dus voldoende gelegenheid is geboden om zijn standpunt kenbaar te maken;

Overwegende ten aanzien van het overige door [verzoeker] onder de punten 3, 4 en 5 aangevoerde, dat deze gronden inhoudelijke bezwaren zijn over de beslissing van de kantonrechter en dat indien [verzoeker] het niet eens was met die beslissing hij de mogelijkheid had om daartegen hoger beroep aan te tekenen; dat een eventueel nalaten hiervan voor risico komt van [verzoeker] en kan het instituut van wraking niet oneigenlijk worden gebruikt door de schuld van eigen falen op de kantonrechter af te wentelen;

Overwegende, dat een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden; dat het uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid); dat daarnaast er onder omstandigheden reden kan zijn voor wraking indien, geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid); dat het subjectieve oordeel van [verzoeker] dienaangaande niet doorslaggevend is;

Overwegende, dat [verzoeker] in de door hem ingediende akte van wraking geen feiten of omstandigheden heeft gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid; dat in het onderhavige verzoek evenmin is gebleken van (schijn van) objectieve partijdigheid;

Overwegende, dat de wraking dus ongegrond is weshalve het wrakingsverzoek zal worden afgewezen;

Beschikkende

Verklaart het verzoek van wraking tegen de Kantonrechter in het eerste kanton, [naam 1], belast met de behandeling van de zaak bekend onder A.R.No. 20-1408 (verzoek tot herziening vonnis) ongegrond en wijst het wrakingsverzoek af;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 11 februari 2021 door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, in tegenwoordigheid van mevr. mr. S.C. Berenstein, BSc. fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-116

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15185
15 oktober 2021

In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen [appellant],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 11 november 2016 bekend onder AR no. 16-4144 tussen [appellant] als eiser in kort geding en [geïntimeerde] als gedaagde in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Madjoe op 14 november 2016 hoger beroep heeft ingesteld;

– de ter griffie der kantongerechten ingediende memorie van grieven gedateerd 24 november 2016;

– het schrijven van de gemachtigde van Madjoe, gedateerd 19 mei 2017, tot intrekking van het ingestelde hoger beroep;

– de conclusie tot uitlating intrekking d.d. 7 juli 2017, zijdens [geïntimeerde].

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 19 januari 2018 doch nader op heden.

  1. De beoordeling

2.1 De gemachtigde van [appellant] heeft bij schrijven gedateerd 19 mei 2017 – voor zover van belang – aangegeven dat er geen belang meer is bij het door [appellant] ingestelde hoger beroep en dat de zaak wordt ingetrokken.

Het Hof begrijpt hieruit dat bedoeld wordt dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep in de onderhavige zaak wordt ingetrokken.

Het Hof concludeert dat hiermee het vonnis van de kantonrechter d.d. 11 november 2016 bekend onder AR no. 16-4144, in kracht van gewijsde zal gaan.

[Geïntimeerde] heeft zich niet verzet tegen de intrekking van het hoger beroep.

Het Hof zal daarom beslissen als in het dictum te melden.

  1. De beslissing

Het Hof:

Verstaat dat het ingestelde hoger beroep tegen het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 11 november 2016 bekend onder

AR no. 16-4144 is ingetrokken.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 15 oktober 2021 in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, fungerend-griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-115

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15694
I.L.

5 maart 2021

In de zaak van

[Appellante],
wonende in het [district],
appellante,
hierna te noemen de vrouw,
gemachtigde voorheen: mr. J.J. Korendijk, advocaat,
thans procederend in persoon,

tegen

[Geïntimeerde],
tijdelijk verblijfhoudende in het [district],
geïntimeerde,
hierna te noemen de man,
gemachtigde: mr. A.M. Tjong A Sie, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 december 2018 bekend onder AR no. 18-0590 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de vrouw op 12 februari 2019 hoger beroep heeft ingesteld.

1.2 Ten dage voor het nemen van een pleitnota zijdens de vrouw bepaald is er ondanks herhaaldelijk verleend uitstel geen pleitnota genomen.

1.3 De uitspraak van het vonnis, aanvankelijk bepaald op 4 juni 2021, is thans bij vervroeging bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Gesteld en evenmin is gebleken dat de vrouw niet binnen de wettelijk gestelde termijn hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis, zodat zij ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

  1. De beoordeling

3.1 De vrouw heeft geen grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Ambtshalve is evenmin gebleken van de onjuistheid van het vonnis voornoemd zodat het Hof dit vonnis zal bevestigen.

3.2 De proceskosten in hoger beroep gevallen zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

  1. De beslissing

Het Hof:

4.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 december 2018 bekend onder AR no. 18-0590, waarvan beroep.

4.2 Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt en betaalt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 5 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2007-57

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.14172

[Appellant], wonende aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no.8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
appellant in conventie tevens geintimeerde in reconventie in Kort Geding,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende te [plaats 1], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat 43, ten kantore van Mr.C.Ch.Bhagwandin, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.C.Ch.Bhagwandin, advokaat,
geintimeerde in conventie tevens appellant in reconventie in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding van 16 november 2000 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 november 2000, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, gewend daarbij stellende:

  1. dat hij de navolgende vordering in Kort Geding wenst in te stellen tegen: [Appellant], wonende aan [adres 1], gedaagde;
  2. dat eiser door koop op de openbare veiling en toewijzing aan hem op 20 februari 1997 alsmede door inschrijving van die akte in de registers van het hypotheekkantoor op 28 augustus 1997 eigenaar is geworden van: “het erf, met de daarop staande gebouwen, gelegen te [plaats 1] aan de [perceelgegevens 1], groot ongeveer één duizend vierhonderd dertig vierkante meters”, blijkende het een en ander uit de hierbij overgelegde bescheiden;
  3. dat gedaagde als oorspronkelijke eigenaar het op bovenvermeld erf staande hoofdgebouw bewoont en daarop tevens andere economische activiteiten ontplooit;
  4. dat alhoewel gedaagde vanaf 20 februari 1997 zonder enig recht of titel zich in voormeld gebouw bevindt, heeft eiser uit humanitaire overwegingen gedaagde niet direct besprongen met een ontruimingsvordering om hem zodoende in de gelegenheid te stellen een passende ruimte elders te vinden;
  5. dat het de eiser echter is gebleken dat gedaagde geen aanstalten in die richting maakt en onlangs zelfs te kennen heeft gegeven het door hem bewoonde pand niet te zullen ontruimen;
  6. dat eiser door de weigering van gedaagde ernstig wordt benadeeld en gedupeerd, aangezien hij op voormeld perceelland een hypothecaire schuld heeft van ± Nf.150.000,–, welke hij niet of nauwelijks kan aflossen, omdat het litigieuze perceelland hem niets opbrengt en indien de huidige situatie nog enige tijd voortduurt, hij bang is dat het bezwaarde onroerend goed krachtens artikel 1207 Burgerlijk Wetboek in het openbaar zal worden verkocht;
  7. dat eiser voorts zijn plannen om de op het door hem gekochte terrein staande gebouwen te renoveren door de aanwezigheid van gedaagde in het hoofdgebouw niet kan uitvoeren;
  8. dat eiser dan ook gerechtigd is ontruiming van het door gedaagde bewoonde c.q. bezet gehouden woonhuis annex winkel in kort geding te vorderen;
  9. dat eiser gelet op het vorengaande een spoedeisend belang heeft bij een onmiddellijke (lees: onmiddellijk) voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, gedaagde zal worden veroordeeld om onmiddellijk danwel binnen een door de rechter in goede justitie te bepalen termijn het op het litigieuze erf staande woonhuis annex winkel, gelegen aan [adres 1] te [plaats 1] te ontruimen met al wie of wat zich daarin van zijnentwege mocht bevinden, te verlaten en ter vrije beschikking van eiser te stellen, met machtiging op eiser om bij gebreke van dien, de ontruiming zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de Sterke Arm, Kosten rechtens;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 8 mei 2000, de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd, hebbende de gemachtigde van gedaagde voor eis in reconventie gevorderd: dat het proces-verbaal van openbare verkoop zal worden vernietigd c.q. opgeschort;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 8 augustus 2000 is gehoord notaris Mr.R.Ramautar, die heeft verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen met betrekking tot de verklaring van de notaris bepaald, de gemachtigden van partijen hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusies hebben genomen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 16 november 2000 op de daarin opgenomen gronden:

In conventie:

Gedaagde heeft veroordeeld binnen een maand na deze uitspraak het gebouw annex winkel aan [adres 1] te [plaats 1] te ontruimen en te verlaten en met medeneming van alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen; met machtiging op de eiser om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.119,98,– (Elfduizend negenhonderd acht en negentig);

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

In reconventie:

Het meer of anders gevorderde heeft geweigerd;

De eiser heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan gedaagdes zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 16 november 2000;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L.Tran van Can-Doesburg van 20 mei 2003 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 19 maart 2004, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie en in reconventie:

[Appellant] heeft tijdig hoger beroep ingesteld, dit betekent dat hij in hoger beroep ontvankelijk is.

In conventie:

[Appellant] heeft in conventie drie (3) grieven tegen het beroepen vonnis ontwikkeld. Deze grieven zullen hieronder afzonderlijk aan een beoordeling onderworpen worden.

Grief 1:

Grief 1 bevat – kort gezegd – de klacht dat het proces-verbaal van de openbare verkoop van 20 februari 1997 vals is. [Appellant] voert aan dat het litigieus perceelland – na het mijnen en bieden – aan een stichting toegewezen is. [Geïntimeerde] betwist zulks.

Deze grief treft geen doel nu uit geen enkel bescheid blijkt dat het litigieus perceelland aan een stichting is toegewezen. Het had op de weg van [appellant] gelegen aan te geven aan welke stichting zulks geschied was en, zo nodig, deze stelling met een bescheid te staven, hetgeen [appellant] geheel nagelaten heeft. Overigens wordt deze grief voldoende weerlegd door de verklaring van [naam 1], waaruit blijkt dat hij als gevolmachtigde van [geïntimeerde] ter openbare veiling is opgetreden.

Grief 2:

De stelling die aan grief 2 ten grondslag ligt is dat het viseren van het proces-verbaal van de openbare verkoping binnen twee (2) weken na de veiling d.d. 20 februari 1997 had moeten geschieden, hetgeen in casu niet is geschied.

Ook deze grief heeft geen kans van slagen, nu immers deze stelling geen steun vindt in enige wettelijke bepaling, welke – dwingend en deswege op straffe van een sanctie – zou moeten bepalen binnen welke termijn het viseren van voormeld proces-verbaal zou moeten plaatsvinden.

Grief 3:

Grief 3 strekt ten betoge dat [geïntimeerde] geen belang meer heeft bij het handhaven van dit beroepen vonnis nu hij het litigieus perceelland op 03 juli 2003 doorverkocht heeft.

[Geintimeerde] heeft gemotiveerd gesteld – nog steeds – belang te hebben, nu een van de voorwaarden waaronder de koop is gesloten is dat het desbetreffende pand ontruimd dient te zijn.

Deze door [geïntimeerde] geponeerde stelling is door [geïntimeerde] niet gemotiveerd weersproken, zodat het ervoor gehouden moet worden dat hij, [geïntimeerde], wel degelijk belang heeft bij de ontruiming.

Derhalve moet deze grief het lot van de andere grieven delen.

In reconventie:

Grief 1 ( in de pleitnota aangeduid met grief 4)

Grief 1 behelst de klacht dat de Kantonrechter ten onrechte de schorsing van het proces-verbaal van de openbare verkoping heeft geweigerd.

Echter heeft [appellant] in reconventie geen enkel nieuwe schorsingsgrond gesteld. Het betreft slechts een herhaling van hetgeen reeds in conventie in de vorm van grieven is gesteld. Derhalve treft deze grief evenmin doel.

In conventie en in reconventie

Nu de aangevoerde grieven geen doel treffen, terwijl het Hof ambtshalve geen bedenkingen heeft tegen het beroepen vonnis, komt dit vonnis a quo voor bevestiging in aanmerking.

[Appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten gevallen in hoger beroep dragen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

In conventie en in reconventie:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding in het Eerste Kanton d.d. 16 november 2000.

Veroordeelt appellant in de kosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen in hoger beroep begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan de advocaat van geïntimeerde voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door: Mr.K. PULTOO, Fungerend – President,

Mr.D.D. SEWRATAN en Mr.H.E. STRUIKEN, Leden en door de Fungerend – President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 juli 2007 in tegenwoordigheid van Mr.G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.K.Pultoo

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.P.Baal namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.B.Lowe namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.Ch.Bhagwandien, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-56

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14220.

SURINAME LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Domineestraat no. 11, voor wie als gemachtigden optreden, mr. F. Kruisland en mr. E. Naarendorp, advocaten,
appellante in Kort Geding,

t e g e n

STICHTING DIM, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, voor wie als gemachtigden optreden, mr. A.R. Baarh en mr. F.F.P. Truideman, advocaten,
geïntimeerde in Kort Geding,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het volgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in kort geding in het eerste kanton van 11 november 2004 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de griffier van het Eerste Kanton van 11 november 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van hun respectieve advocaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat Stichting Dim als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiseres wenst de volgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen SURINAME LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Domineestraat no. 11, gedaagde.
  1. Eiseres is blijkens het hierbij overgelegde hypothecaire uittreksel, (Prod. 1), eigenaar van:
  1. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 1];
  2. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 2];
  3. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 3], allen tezamen een oppervlakte beslaande van 946,42 m2.
  1. Op voormelde percelenland staat een bedrijfspand dat zeer geschikt is om ingericht te worden voor de exploitatie van een hotel annex casino, hetgeen voor eiseres het leidende bedrijfseconomische motief is geweest om voormeld pand op een krachtens artikel 1207 B.W. gehouden openbare veiling d.d. 29 mei 2003, te kopen, gevolgd door de overschrijving in de openbare registers ten Hypotheekkantore op 04 juni 2003;
  2. In een deel van het aan eiseres in eigendom toebehorende pand te weten de begane grond en de eerste verdieping, ontplooit gedaagde bedrijfsactiviteiten zonder dat zij van eiseres een rechtstitel van huur, gebruik of anderszins heeft.
  3. Gedaagde ontleent evenmin een rechtstitel aan de rechtsvoorganger van eiseres die de aanwezigheid althans het verblijf van gedaagde in en op het aan eiseres in eigendom toebehorend pand zou kunnen rechtvaardigen;
  4. Gedaagde verblijft mitsdien onrechtmatig in vermelde delen in het aan eiseres toebehorend pand;
  5. Eiseres heeft van de President van de Republiek Suriname bij diens resolutie d.d. 04 maart 1997 Bureau no. 1179 no. 5374/00, (Prod. 2), vergunning gekregen om hazardspelen te exploiteren, in daarvoor volgens de bestaande of alsnog nader te stellen voorschriften ingerichte lokaliteiten in het door haar te exploiteren hotel, onder de voorwaarden en bepalingen opgenomen in de Wet Hazardspelen 1962, de op grond van genoemde wet gegeven of nog te geven voorschriften en onder de voorwaarden en waarborgen als omschreven in voormelde resolutie.
  6. De overheid heeft tot 01 juni 2004 een gedoog beleid gevoerd ten aanzien van de naleving van de vergunningsvoorwaarden waaronder door haar vergunning is verleend voor de exploitatie van hazardspelen in een door de vergunninghouder te exploiteren hotel.
  7. De overheid heeft in goed overleg en samenspraak met de vergunninghouders van hazardspelen een nieuw beleid ontwikkeld dat vervat is in een concept resolutie, die binnenkort, en volgens mededeling van Overheidswege niet later dan 15 augustus 2004, van kracht zal zijn.
  8. Volgens voormelde concept resolutie, (Prod. 3), moet het hotel waarin de hazardspelen zullen worden geëxploiteerd aan het volgende voldoen:

– Artikel 2.

Het hotelgebouw, waarin de casinospelen worden geëxploiteerd, dient te voldoen aan de voorwaarden ingevolge de door de Minister van Handel en Industrie afgegeven hotelvergunning en de door of namens het bevoegd gezag terzake gestelde eisen.

– Artikel 3.

  1. Alvorens door de vergunninghouder een aanvang wordt gemaakt met de exploitatie van de casinospelen, dient het hotelgebouw volledig afgebouwd en het hotelbedrijf operationeel te zijn.
  2. De vergunninghouder is verplicht het hotelbedrijf, waarvan het casino deel uitmaakt, regelmatig voort te zetten.
  3. Indien het hotelbedrijf niet meer operationeel is dient de exploitatie van de casinospelen onmiddellijk te worden stopgezet.

Artikel 4.

  1. De ruimte in het hotel bestemd voor de exploitatie van de casinospelen dient afgescheiden te zijn van de andere ruimtes in het hotel met een andere bestemming.
  2. De inrichting van de voor de exploitatie van casinospelen bestemde ruimte dient gericht te zijn op een zo groot mogelijke veiligheid van personeel en bezoekers, waarbij onder andere de ter zake door het Korps Brandweer Suriname gegeven voorschriften met betrekking tot brandveiligheid in acht moeten worden genomen.
  3. Het casino dient geopend te zijn op vastgestelde tijden die bij de ingang daarvan op duidelijk en zichtbare wijze wordt aangegeven, met dien verstande dat gedurende de tijd gelegen tussen 4.00 u en 19.00 u ’s morgens het casino gesloten dient te zijn.
  1. Volgens artikel 15 van voormelde concept resolutie wordt de vergunning geacht haar geldigheid te hebben verloren indien binnen 6 (zes) maanden na de inwerkingtreding van deze resolutie door de vergunninghouder nog geen aanvang is gemaakt met de exploitatie van de casinospelen met inachtneming van de terzake geldende vergunningsvoorwaarden en wettelijke vereisten.
  2. Hoewel eiseres:
  3. De nodige casinospelen en kansspelautomaten reeds heeft besteld en inmiddels geleverd heeft gekregen (art. 3 en 4 concept resolutie) (prod. 4);
  4. Het nodige personeel heeft opgeleid, (prod. 5)
  5. Met een aannemer de nodige aannemingsovereenkomsten voor de verbouwing heeft gesloten, (prod. 6),

weigert gedaagde de door haar geoccupeerde delen van het aan eiseres in eigendom toebehorend pand vrij en onbezet ter beschikking van eiseres te stellen, zodat de eiseres kan voldoen aan de voorwaarden gesteld in de tot stand te komen resolutie.

  1. Eiseres lijdt door het weigerachtig handelen van gedaagde aanzienlijke schade waaronder inkomstenderving en zij loopt het reële risico, na expiratie van de termijn van 6 (zes) maanden genoemd in de concept resolutie, haar vergunning voor de exploitatie van hazardspelen kwijt te raken, met alle nadelige gevolgen van dien zodat zij een spoedeisend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, welk spoedeisend belang des te meer klemt, nu een indertijd door de gedaagde ingestelde vordering om de eiseres te verbieden inbreuk te maken op het recht op volle huurgenot van de gedaagde en nog andere voorzieningen bij vonnis het Hof van Justitie d.d. 16 juli 2004 niet werd ontvangen en de gedaagde heeft verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.
  2. Dat het spoedeisend belang verder zijn bedding vindt in het feit dat een onbevoegdelijk gesloten huurovereenkomst met de gedaagde een diepe uitholling vormt op het eigendomsrecht van de eiseres en door deze niet behoeft te worden gerespecteerd.
  3. Dat de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de eiseres binnen redelijk termijn over haar eigendomsrecht moet kunnen beschikken.
  4. Eiseres heeft in der minne geen vergelijk kunnen bereiken met gedaagde.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, niet tegenstaande verzet of hoger beroep, gedaagde ter zake voorschreven, zal worden veroordeeld om binnen 1 (één) week althans binnen een door de rechter in goede justitie vast te stellen termijn, de ten rekeste omschreven erven (percelenland) met al hetgeen daarop staat, te ontruimen en te verlaten met allen en alles wat van harentwege zich daarin bevindt en ter vrije beschikking van eiseres te stellen met machtiging van eiseres om de ontruiming zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm indien gedaagde geen gevolg mocht geven aan het te dezen te wijzen vonnis, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de eiseres een hier als geïnsereerd aan te merken schriftelijke conclusie van Eis heeft overgelegd, waarbij de eisende partij op de hierna te noemen gronden alsvolgt heeft geconcludeerd:

  1. Bij resolutie van de President van de Republiek Suriname van 20 augustus 2004 no. zijn nadere vergunningsvoorwaarden voor het exploiteren van hazardspelen vastgesteld en in werking getreden op 1 September 2004, zijnde de dag volgende op die van de bekendmaking van voormelde resolutie in het Advertentieblad van de Republiek Suriname van 31 augustus 2004 no.
  2. Het 10e sustenu wordt vervangen als volgt:

“ 10. Volgens voormelde resolutie, prod. 3, moet de exploitatie van de hazardspelen gescheiden in een hotel dat aan de volgende vereisten c.q. voorwaarden voldoen.

Artikel 2.

  1. Het hotel, waarin de hazardspelen worden geëxploiteerd, dient ten minste een 3-sterren hotel te zijn en voorts te voldoen aan de ter zake door of namens het bevoegd gezag gestelde eisen.
  1. De beoordeling of een hotel voldoet aan de qualificatie van een 3-sterren hotel geschiedt door of vanwege de Minister op basis van internationale maatstaven.

Artikel 3.

  1. Alvorens door de vergunninghouder een aanvang wordt gemaakt met de exploitatie van de hazardspelen, dient het hotelgebouw volledig afgebouwd en het hotelbedrijf operationeel te zijn.
  2. De vergunninghouder is verplicht het hotelbedrijf waarvan het casino deel uitmaakt operationeel te houden.
  3. Indien het hotelbedrijf niet meer operationeel is dient de exploitatie van de hazardspelen onmiddellijk te worden stopgezet.

Artikel 4.

  1. De ruimte in het hotel bestemd voor de exploitatie van de hazardspelen dient afgescheiden te zijn van de andere ruimtes in het hotel met een andere bestemming.
  2. De inrichting van de voor de exploitatie van hazardspelen bestemde ruimte dient gericht te zijn op een zo groot mogelijke veiligheid van personeel en bezoekers, waarbij ten minste de ter zake door het Korps Brandweer Suriname gegeven voorschriften met betrekking tot brandveiligheid in acht moeten worden genomen.
  3. Het casino dient geopend te zijn op vastgestelde tijden die bij de ingang daarvan op duidelijk en zichtbare wijze wordt aangegeven, met dien verstande dat op maandag tot en met vrijdag tussen 4.00 u en 10.00 u ’s morgens en op zaterdag en zondag tussen 6.00 u en 10.00 u ’s morgens, het casino gesloten dient te zijn.

1.3. Het elfde sustenu wordt vervangen als volgt.

Volgens artikel 15 van voormelde resolutie wordt de vergunning geacht haar geldigheid te hebben verloren indien binnen 6 (zes) maanden na de inwerkingtreding van deze resolutie door de vergunninghouder nog geen aanvang is gemaakt met de exploitatie van de hazardspelen met inachtneming van de terzake geldende vergunningsvoorwaarden en wettelijke vereisten.

1.4. Artikel 12 wordt vervangen alsvolgt:

Hoewel eiseres:

  1. De nodigde hazardspelen en kansspelautomaten reeds heeft besteld en inmiddels geleverd heeft gekregen (art. 3 en 4 resolutie) prod. 4;
  2. Het nodige personeel heeft opgeleid, prod. 5
  3. Met een aannemer de nodige aannemingsovereenkomsten voor de verbouwing heeft gesloten, prod. 6 weigert gedaagde de door haar geoccupeerde delen van het aan eiseres in eigendom toebehorend pand vrij en onbezet ter beschikking van eiseres te stellen, zodat de eiseres kan voldoen aan de voorwaarden gesteld in de tot stand gekomen resolutie.

1.5. Artikel 13 wordt vervangen alsvolgt:

Eiseres lijdt door het weigerachtig handelen van gedaagde aanzienlijke schade waaronder inkomsten derving en zij loopt het reële risico, na expiratie van de termijn van 6 (zes) maanden genoemd in de resolutie, haar vergunning voor de exploitatie van hazardspelen kwijt te raken, met alle nadelige gevolgen van dien zodat zij een spoedeisend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad, welk spoedeisend belang des te meer klemt, nu een indertijd door de gedaagde ingestelde vordering om de eiseres te verbieden inbreuk te maken op recht van huurgenot van de gedaagde en nog andere voorzieningen bij vonnis van het Hof van Justitie d.d. 16 juli 2004 niet werd ontvangen en het Hof van Justitie de gedaagde heeft verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging.

Overwegende, dat Suriname Leisure Company A.V.V., als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast- de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat de gevraagde voorziening zal worden geweigerd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiseres bij repliek pleitnota producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 11 november 2004 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om per 1 januari 2005:

  1. ”Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 1],
  2. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 2],
  3. Het erf, met al hetgeen daarop staat, gelegen te [perceelgegevens 3], allen tezamen een oppervlakte beslaande van 946,42 m2”, te ontruimen en te verlaten met medeneming van allen en alles wat zich van harentwege daarin, daarop of daaraan bevindt;

Eiseres heeft gemachtigd, om indien gedaagde geen gevolg mocht geven aan voormelde veroordeling, de ontruiming zelf te bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

Gedaagde heeft veroordeeld in de kosten van het proces aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan de uitspraak begroot op Srd 67,50 (zevenenzestig en 50/100 Surinaamse Dollar);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal, Suriname Leisure Company A.V.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 11 november 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J. E. Febis van 1 december 2004 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep door het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 december 2004, de gemachtigde van appellante een incidentele conclusie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 18 december 2004 een akte van wraking is ingediend tegen het lid, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, waarna het geding ambtshalve werd geschorst;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 31 december 2004, het geschorste geding werd hervat, waarna de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 4 januari 2005 inzake antwoord in het incident;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 4 januari 2005, de gemachtigde van appellante, de incidentele vordering heeft ingetrokken en dat de gemachtigden van geïntimeerde hebben verklaard geen bezwaar daartoe te hebben, waarna de verdere behandeling van de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 21 januari 2005 inzake dagbepaling pleidooi in de hoofdzaak;

Overwegende, dat de advocaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 5 augustus 2005, doch na meerdere malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tegen het beroepen vonnis de navolgende grieven heeft ontwikkeld:

– ten onrechte heeft de Kantonrechter overwogen dat tussen partijen vast zou staan dat tussen hen geen huurovereenkomst bestaat betreffende het erf, ingevolge de Erfnummeringswet bekend als Domineestraat no. 11 te Paramaribo;

– ten onrechte heeft de rechter in eerste aanleg overwogen, dat tussen partijen vast zou staan dat geïntimeerde een vergunning heeft om een casino annex hotel te exploiteren;

– ten onrechte heeft de rechter in eerste aanleg overwogen, dat als thans niet weersproken vaststaat, dat appellante noch met geïntimeerde, noch met haar rechtsvoorganger een geldige huurovereenkomst heeft gesloten;

– ten onrechte heeft de rechter in eerste aanleg mede tot grondslag van zijn beslissing gemaakt, dat appellante geen rekening wenst te houden met de belangen van Parbhoe’s N.V. (ten rechte geheten Parbhoe’s Handelmaatschappij N.V.);

– een rechter is gehouden in een rechtsgeding zelfstandig een deugdelijk gemotiveerde beslissing te geven op de stellingen van partijen in dat geding en zich mitsdien niet vermag te beroepen op hetgeen een ambtgenoot in een ander rechtsgeding zou hebben overwogen, tenzij die beslissing gezag van gewijsde heeft ex artikel 1937 sub 3 en artikel 1938 van het Burgerlijk Wetboek. De beslissingen waarop de kantonrechter zich beroept hadden geen gezag van gewijsde omdat zij in kort geding gewezen waren, hetgeen naar de aard van het kort geding en op grond van artikel 229 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nimmer gezag van gewijsde met zich brengt en bovendien de vonnissen, waarin die beslissingen zijn belichaamd bij vonnis van het Hof zijn vernietigd;

Overwegende, dat appellante voormelde grieven heeft toegelicht, wordende één en ander als in dit vonnis letterlijk herhaald en geïnsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat de huurovereenkomst gedateerd 6 juni 1998 tot stand is gekomen tussen Parbhoe’s Handelmaatschappij N.V. en Suriname Leisure Company A.V.V.,

Overwegende, dat ten tijde van de totstandkoming van vermelde overeenkomst de percelenland toebehoorde tot de onverdeelde nalatenschap van [naam 2]. De bevoegdheid om een huurovereenkomst te sluiten betreffende een tot de onverdeelde nalatenschap toebehorend percelenland kwam slechts toe aan de gezamenlijke erfgenamen van de erflater (althans aan een door hen gemachtigde). Deze overeenkomst zou ook nadat de verdeling zou hebben plaatsgevonden, dus nadat het percelenland aan mevrouw [naam 1] was toebedeeld en zij de eigenaar was geworden, in stand blijven (de erfgenamen zouden immers ten tijde van het aangaan van de overeenkomst bevoegd gehandeld hebben);

Overwegende, dat nu Parbhoe’s Handelmaatschappij N.V. ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst noch eigenaar noch gemachtigde van de erfgenamen was, zij niet bevoegd was tot verhuur;

Overwegende, dat er ten opzichte van de erfgenamen en naderhand na de verdeling ten opzichte van de eigenaar mevrouw [naam 1] geen rechtsgeldige huurovereenkomst tot stand is gekomen;

Overwegende, dat het voorgaande betekent dat Suriname Leisure Company A.V.V ten opzichte van de eigenaar [naam 1] zonder recht of titel in het pand vertoefde;

Overwegende, dat geïntimeerde krachtens artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek het percelenland gekocht en overgedragen heeft gekregen en derhalve rechtsopvolger onder bijzondere titel is;

Overwegende, dat nu appellante ten opzichte van de rechtsvoorganger van geïntimeerde zonder recht of titel in het pand vertoefde, zij zich ook zonder recht of titel in het pand ten opzichte van geïntimeerde bevindt;

Overwegende, dat wat de eerste grief betreft de eerste rechter terecht heeft overwogen dat er tussen partijen geen huurovereenkomst bestaat, op grond waarvan de vordering van geïntimeerde in eerste aanleg kan worden toegewezen;

Overwegende, dat bespreking van de overige grieven voor de beoordeling niet van belang zijn;

Overwegende, dat aan de grieven van de appellante dan ook als ongegrond door het Hof voorbijgegaan wordt, hetgeen betekent dat het vonnis, waarvan beroep, zal worden bevestigd, met veroordeling van de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Bevestigt onder aanvulling en verbetering van de gronden het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 11 november 2004 tussen partijen in Kort Geding gewezen, waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op nihil;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advocaten voor het door hen gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD.250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaten van appellante eveneens op SRD.250,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. K. Pultoo, Fungerend-President, mr. H.E. Struiken, lid en mr. A.A. Hermelijn, lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 17 augustus 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh wegens overlijden van de Fungerend-President niet in staat het vonnis te ondertekenen.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat mr. F. Kruisland en geïntimeerde vertegenwoordigd door de advocaat mr. K.J. Hok A Hing, namens advocaat mr. A.R. Baarh en advocaat mr. F.M.S. Ishaak, namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2007-55

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-504

[Verzoeker], wonende te [plaats 1] aan [adres 1] te [stadsressort 1], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no. 10 ten kantore van mr. A.R. Baarh, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.R. Baarh, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J. Kraag, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoire vonnissen respectievelijk van 2 februari 2007 en 3 augustus 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van verweerder en mr. F. Guillard, vertegenwoordiger van het Ministerie van Financien, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 2 november 2007 inzake vonnis;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, commies 2e klasse in vaste dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen, op 15 april 2000 door gebruikmaking van een reserve server op de afdeling Automatisering van het Asycuda gebouw, alwaar hij was ingedeeld Enig Documenten en payment receipts voor diverse voertuigen heeft opgemaakt met het oogmerk hiermee de rechten bij invoer te laten ontduiken. Bedoelde voertuigen zijn zonder betaling van de daarop verschuldigde rechten bij invoer in het vrije verkeer gebracht; op 8 mei 2000 te omstreeks 20.48 uur ’s avonds zich in het Asycuda gebouw heeft begeven en gepoogd heeft de gegevens met betrekking tot vorenbedoelde documenten uit de computer te verwijderen;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, verzoeker op 18 juli 2000 als verdacht van valsheid ingeschrifte; het aannemen van giften en/of beloften bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 10 mei 2001 veroordeeld werd tot :

– een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden waarvan 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren;

– ontzetting uit het ambt voor de tijd van 2 (twee) jaren;

Overwegende, dat verzoeker op voormelde gronden bij besluit, genomen bij beschikking van de Minister van Financien de dato 2 juli 2002 La B.P/O no. 1259 ingevolge artikel 61 lid 1 onder j van de Personeelswet oneervol ontslag uit Staatsdienst is verleend, te rekenen van 10 mei 2001;

Overwegende, dat verzoeker, tegen voormeld ontslag opkomend, onder meer heeft aangevoerd, het volkomen oneens te zijn met hetgeen in punt IV van het besluit van de Minister is bepaald omdat het ontslag alleen voor de toekomst kan gelden tenzij een buiten funktiestelling of schorsing heeft plaatsgevonden; een schorsing komt tot stand door een constitutieve beschikking en niet door een vaststellingsbeschikking;

Overwegende, dat zijdens verweerder ter inlichtingencomparitie van 26 oktober 2007 bij welke comparitie verzoeker ook niet aanwezig was zonder van een verontschuldigende reden te doen blijken, is overgelegd een aantal produkties in fotokopie, waaronder een E-mail, gedateerd 6 december 2001, doch verzonden op 11 december 2001 door verzoeker naar de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, Paramaribo-Suriname, Nieuwe Haven, [naam 1], voorzover ten deze van belang luidende: “Geachte Inspecteur, Per Heden heb ik middels een E-mail aan U, ontslag uit de dienst aangevraagd. Hopelijk wordt die mij verleend”;

Overwegende, dat de E-mail, waar verzoeker naar verwezen heeft en daterend van 11 december 2001, als volgt luidt: Aan: De Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen Paramaribo-Suriname, Nieuwe Haven. [naam 1]: Geachte Inspecteur, Ondergetekende, [verzoeker], Kommies 2e klasse thans buitenfunctie gesteld en momenteel in het buitenland (VSA) verblijft, nadert u hierbij met het verzoek hem ontslag uit de dienst te willen verlenen. Dit om privé (studie) redenen;

Overwegende, dat het door verzoeker gedaan verzoek om, ontslag, dat van lang na zijn veroordeling dateert, niet door hem – verzoeker – is ingetrokken, zijnde immers het tegendeel gesteld noch gebleken;

Overwegende, dat een staat van dienst, waar verzoeker naar vraagt in zijn E-mail de dato 6 december 2001 doch verzonden op 11 december 2001, aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, [naam 1], een opsomming, hoe lang, waar, in welke functie hij – verzoeker – in dienst geweest is, het Hof gerede aanleiding geeft aan te nemen, dat verzoeker er zelf van uit gegaan is dat het dienstverband met hem sindsdien een einde genomen had en dat hij mitsdien geen ambtenaar meer was;

Overwegende, dat het het Hof dan ook geheel ontgaat welk belang verzoeker, nu na langer dan zes jaren, nog heeft bij de onderhavige vordering strekkende tot: vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Financien de dato 2 juli 2002 La BP/O [nummer 1] en bij de veroordeling van verweerder de nodige administratiefrechtelijke rechtshandelingen te verrichten die ertoe leiden moeten dat hij – verzoeker – daadwerkelijk de van hem bedongen arbeid kan verrichten;

Overwegende, dat het Hof verzoeker, bij gebreke van belang bij het zijdens hem gevorderde, dan ook niet ontvangen zal in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 november 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun wegens het bereiken van de pensioen-gerechtigde leeftijd van de President niet in staat het vonnis te ondertekenen.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. K. Brandon namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2022-41

GR-14693

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

de erfgenamen van [Naam 1], te weten:

  1. [Appellant sub 1], wonende in het [district 1],
  2. [Appellant sub 2], wonende in het [district 1],
  3. [Appellant sub 3], wonende te [plaats 1],
  4. [Appellant sub 4], wonende te [plaats 1],
  5. [Appellant sub 5], wonende te [plaats 1],
  6. [Appellant sub 6], wonende te [plaats 1],
    appellanten,
    verder te noemen: [Appellanten],
    gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

de echtelieden [Geïntimeerde sub 1] en [Geïntimeerde sub 2],
beiden wonende in het [district 2],
geïntimeerden,
verder te noemen: [geïntimeerden],
gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen [naam 1] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden gewezen en uitgesproken vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 07-4076) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het tussenvonnis van het Hof d.d. 16 maart 2018,
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 juni 2018,
  • het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 25 juli 2018.

Het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Bij genoemd tussenvonnis is bepaald dat het geding zal worden hervat voor het houden van het bij het tussenvonnis van 5 juni 2015 bevolen getuigenverhoor.

2.1 Ter gelegenheid van het getuigenverhoor heeft de advocaat van de [appellanten], voor zover van belang, op 1 juni 2018 het volgende verklaard: “Ik heb geen getuige. De kroongetuige was de heer [naam 2]. Hij is overleden.” Voorts heeft hij fotokopieën van kwitanties overgelegd en daarbij toegelicht dat [appellanten] van [naam 1] SRD 25.000, – hadden geleend om het beslag op het pompstation te [plaats 2] op te heffen. Van dat bedrag zou SRD 15.000, – voor de opheffing van het beslag bestemd zijn en SRD 10.000, – voor buitengerechtelijke kosten. Volgens de advocaat zouden [geïntimeerden] de vordering hebben erkend.

2.2 Ter comparitie d.d. 25 juli 2018 heeft [geïntimeerde sub 1], voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard: “Ik heb geld geleend bij [naam 1]. Eerste keer heb ik SRD 15.000, – geleend. Dat heb ik afgelost. Daarna heb ik SRD 25.000, – bij hem geleend. Ik weet niet of alles is afgelost, omdat ik was aangehouden en in verzekering gesteld. Ik had de lening genomen en niet mijn vrouw. Toen ik ben aangehouden, is de 2e aflossing niet betaald. Ik heb daarna nooit meer geld geleend bij [naam 1]. U toont mij een schuldbekentenis getekend op 1 maart 2006. Hierop verklaar ik dat mijn vrouw en ik wel erop hebben getekend, maar er staat nog iets geschreven, namelijk goed voor SRD 129.000, -. Ik weet niet wie dat geschreven heeft. Het is niet mijn handschrift. Ik heb wel op een stuk getekend met een plakzegel erop voor SRD 26.000, -. Over het bedrag van SRD 129.000, – weet ik niets. Een schuldbekentenis van 2013 heb ik niet getekend. Ik weet wel dat ik SRD 15.000, – en SRD 25.000, – heb geleend. Ik heb de bedragen terugbetaald.”

  1. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Uit de in het geding gebrachte stukken en de door partijen daarbij verstrekte toelichting kan worden afgeleid dat [geïntimeerden] in de loop van de jaren meermalen geld van [naam 1] hebben geleend en terugbetaald. Gelet op hetgeen bij het getuigenverhoor en de comparitie naar voren is gebracht, behoort tot de geleende bedragen onder meer een bedrag van SRD 25.000,- in verband met de opheffing van een ten laste van [geïntimeerde sub 1] gelegd conservatoir beslag. Het Hof gaat ervan uit dat de door de advocaat van de [appellanten] overgelegde kopieën van kwitanties op de terugbetaling van die lening betrekking hebben.

3.2 Niet gebleken is echter dat [geïntimeerden] het door [naam 1] in zijn inleidend verzoekschrift gestelde bedrag van SRD 129.000, – hebben geleend. Nu de [appellanten] geen getuige hebben doen horen die over deze vermeende lening zou kunnen verklaren en [geïntimeerden] (blijven) bestrijden dat zij de door [naam 1] in het geding gebrachte schuldbekentenis hebben getekend, zijn de erven niet in het opgedragen bewijs geslaagd.

3.3 Dit brengt mee dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. De [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 07-4076),

veroordeelt de [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu en mr. M.C. Mettendaf, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 21 oktober 2022, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is advocaat mr. K. Bhoendie namens de erven [naam 1 verschenen. Namens [Geïntimeerden] is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

SRU-HvJ-2022-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
met name het Ministerie van Financiën,
vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. D. Parohi, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 5 april 2019.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

de mondelinge conclusie tot uitlating zijdens de gemachtigde van [verzoeker], aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 november 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan

Hiervoor verwijst het Hof naar het bovenvermeld tussenvonnis.

  1. De beoordeling

3.1 Het hof heeft in het tussenvonnis aan de gemachtigde van [verzoeker] de gelegenheid geboden om duidelijkheid te verschaffen over de vraag of er nog belang bestaat bij de vordering en aan te geven of hij de zaak wenst voor te zetten.

3.2 De gemachtigde van [verzoeker] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof. Het Hof begrijpt uit de eerdere uitlatingen van de gemachtigde van [verzoeker] dat ervan uitgegaan moet worden dat de zaak aan zijn eind is gekomen. Hieruit begrijpt het Hof dat de zaak als ingetrokken moet worden beschouwd.

3.3 Het Hof zal op grond van het voorgaande verstaan dat de zaak is ingetrokken.

  1. De beslissing

Het hof:

Verstaat dat de zaak is ingetrokken.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 4 maart 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-39

GR-14731

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

VONNIS

In de zaak van

[Appellant],
te dezer zake woonplaats kiezende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

de Staat Suriname,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde gewezen en uitgesproken vonnis van 8 december 2009 (A.R. No. 06-3498) spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 19 maart 2010 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 15 februari 2013;
  • het antwoordpleidooi d.d. 3 mei 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 6 december 2013;
  • de dupliekpleitnota d.d. 17 januari 2014.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.
  1. Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd. Het Hof zal dan ook daarvan uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Na zijn aanhouding op 15 juni 2006 is [appellant] op 16 juni 2006 in verzekering gesteld terzake overtreding van de Wet verdovende middelen en de Vuurwapenwet en terzake deelneming aan een criminele organisatie. Bij brief van 21 juni 2006 heeft [appellant]’s gemachtigde zich als zijn raadsman gesteld.

2.2 Op 19 juni 2006 heeft [appellant]’s eerste gemachtigde, I.D. Kanhai BSc., bij de kortgedingrechter een vordering ingediend strekkende tot een verbod aan de Staat om [appellant] aan de Verenigde Staten van Amerika (USA) uit te leveren. De eerste behandeling van deze vordering stond op 30 juni 2006 om 11.30 uur gepland.

2.3 Op 28 juni 2006 heeft de Stads Politiecommandant [naam 1] de onmiddellijke uitzetting van [appellant] gelast, met als grond onder meer dat het belang van de openbare rust en de nationale veiligheid de onmiddellijke uitzetting vergden.

2.4 Op 28 juni 2006 om 23.30 uur heeft de officier van justitie toestemming voor de invrijheidstelling van [appellant] verleend.

2.5 Op 29 juni 2006 heeft de Staat [appellant] per vliegtuig naar Trinidad en Tobago vervoerd. Daar hebben de autoriteiten hem aan politieagenten van de USA overgedragen.

3.1 Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door zijn vrijheid te benemen, hem niet in de gelegenheid te stellen met zijn familie contact op te nemen en hem, zonder bericht aan zijn advocaat, onrechtmatig uit te zetten. De kantonrechter heeft het handelen van de Staat niet onrechtmatig geoordeeld en [appellant]’s vorderingen afgewezen.

3.2 Met zijn grieven bestrijdt [appellant] de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. [Appellant] is in het bijzonder van mening dat van een verkapte uitlevering aan de USA sprake was, hoewel Suriname met dit land geen uitleveringsverdrag heeft. Het Hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

3.3 De Staat is van mening dat de kantonrechter terecht heeft getoetst of de uitzetting in strijd met de wet was en verzoekt het Hof het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

  1. Het Hof overweegt het volgende.

4.1 Voorop staat dat [appellant] van 15 juni 2006 tot 28 juni 2006 omstreeks 23.30 uur in voorlopige hechtenis heeft gezeten in verband met een verdenking van een aantal strafbare feiten en dat hij niet over de mogelijke onwettigheid van die detentie klaagt. De vraag is dan ook of zijn stellingen geheel of gedeeltelijk opgaan met betrekking tot de periode daarna.

4.2 Voordat [appellant] strafrechtelijk in vrijheid was gesteld, had de Stads Politiecommandant, gelet op het belang van de openbare rust en de nationale veiligheid, [appellant]’s uitzetting uit Suriname gelast. [Appellant] voert aan dat het oordeel van de kantonrechter dat zijn vrijheidsbeneming die direct op zijn strafrechtelijke invrijheidstelling volgde, niet onrechtmatig was, onjuist is, omdat de kantonrechter voor die vrijheidsbeneming geen juridische grondslag heeft genoemd. [Appellant] voegt hieraan toe dat hij feitelijk niet in vrijheid is gesteld, maar steeds geboeid is gebleven.

4.3 Terecht voert de Staat aan dat de grief van [appellant] voorbijgaat aan het feit dat de vrijheidsbeneming op de Vreemdelingenwet was gebaseerd en het gevolg was van [appellant]’s illegale binnenkomst in Suriname. De Staat was dus gerechtigd hem met het oog op de uitzetting (feitelijk) in detentie te houden, onder meer ter voorkoming van vlucht.

4.4 Vervolgens voert [appellant] aan dat de Staat zijn familie van zijn uitzetting op de hoogte had moeten stellen. Hij beroept zich daartoe onder meer op het door art. 17 van The American Convention on Human Rights (ACHR) en art. 17 lid 1 van de Grondwet gewaarborgde recht op familieleven. Het Hof verwerpt ook deze grief. Het recht op familieleven houdt niet zonder meer in dat, voordat een illegale vreemdeling het land wordt uitgezet, zijn familie daarvan moet worden verwittigd. Dit geldt zeker als bij die uitzetting gelet op de rust en veiligheid een spoedeisend belang bestaat.

4.5 Kern van de grieven van [appellant] is dat de Staat hem verkapt aan de USA heeft uitgeleverd, hoewel Suriname met dat land geen uitleveringsverdrag heeft. Dat hij na aankomst in Trinidad en Tobago naar Guyana zou worden vervoerd, is, nog afgezien van de omweg, niet aannemelijk, omdat hij niet over een paspoort van Guyana beschikt. Duidelijk was dus dat de bedoeling was hem aan de USA uit te leveren. Ook de aanwezigheid van Amerikaanse politieagenten in zowel het vliegtuig naar Trinidad en Tobago als op het vliegveld ter plaatse wijst daarop. Bovendien had [appellant]’s raadsman een kort geding aangespannen met het doel uitlevering aan de USA te voorkomen. De Staat wist dus dat hij tegen uitlevering aan dat land bezwaar had. Hem is de toegang tot de rechter ontnomen, doordat hij is uitgezet, voordat het kort geding kon worden behandeld. Daardoor is onder meer in strijd met art. 11 Grondwet en art. 25 ACHR gehandeld. Dit geldt temeer nu niet vaststond dat [appellant] een gevaar voor de openbare rust en de nationale veiligheid vormde of dat sprake zou zijn van plannen hem uit zijn gevangenschap te bevrijden.

4.6 Terecht wijst de Staat erop dat [appellant], door Suriname illegaal binnen te treden, zich in de positie had geplaatst dat hij zou worden uitgezet. Wat er zij van de vraag of de bedoeling was hem via Trinidad en Tobago naar Guyana te vervoeren, de Staat kon, gelet op de aan [appellant]’s aanwezigheid verbonden risico’s ervoor kiezen een alternatieve en op het eerste gezicht niet voor de hand liggende route te nemen.

4.7 Nu niet is gebleken dat de Staat jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, komt het Hof niet toe aan de vraag of hij op vergoeding van (immateriële) schade aanspraak kan maken.

4.8 Aangezien [appellant]’s grieven falen, zal het vonnis van de kantonrechter worden bevestigd en zal [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 8 december 2009 (A.R. No. 06-3498).

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 februari 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2022-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 14717
1 april 2022

In de zaak van

[Appellante],
wonende in het [district 1],
appellante,
hierna te noemen “de moeder”,
gemachtigde: voorheen mr. F.F.P. Truideman, advocaat, thans procederend in persoon,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in het [district 1],
geïntimeerde,
hierna te noemen: “de vader”;
gemachtigde: voorheen mr. H. Matawlie, advocaat, thans procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het derde kanton gegeven beschikking van 20 januari 2009 in de zaak bekend onder AR no. 075417 tussen de moeder als eiseres en de vader als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit.

 

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat de moeder op 2 maart 2009 hoger beroep heeft ingesteld;

– het proces-verbaal van het verhoor van partijen gehouden op 20 juli 2012;

– de conclusie tot uitlating zijdens appellante.

1.2 De uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 De beroepen beschikking is gedateerd 20 januari 2009. Blijkens het doorlopend proces-verbaal op de kaft van het procesdossier van de zaak in eerste aanleg was de moeder bij de uitspraak in persoon aanwezig.

2.2 Blijkens de verklaring van de griffier der kantongerechten heeft de moeder op 2 maart 2009 hoger beroep aangetekend.

2.3 De moeder is derhalve niet tijdig in hoger beroep gekomen en is niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

  1. De beoordeling

Nu de moeder niet ontvankelijk is in het door haar ingesteld hoger beroep zal de zaak niet verder beoordeeld worden.

  1. De beslissing

Het Hof:

Verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 1 april 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld