SRU-HvJ-2002-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-468
M.H. M.HA – 470

[Verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name Het Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende in haar Parket aan de Gravenstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 2 november 2001 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat verweerder in de enquête drie getuigen heeft doen horen, terwijl verzoeker in de contra enquête twee getuigen heeft doen horen, hebbende die getuigen verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder hierna een – hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie na gehouden enquête heeft genomen;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak aanvankelijk was bepaald op 4 oktober 2002, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 2 november 2001 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder teneinde het van hem verlangde bewijs te leveren een aantal getuigen heeft doen horen te weten [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] en tevens tijdens het verhoor van [getuige 4] heeft doen overleggen een drietal processen-verbaal daterend van 7 februari 2000, 7 februari 2000 en 15 februari 2000;

Overwegende, dat in één der processen-verbaal, daterend van 7 februari 2000 is gerelateerd de verklaring van [gedetineerde] geheten terwijl elk van de twee andere processen-verbaal verklaringen bevatten van [gedetineerde 2];

Overwegende, dat het Hof bespreking van de verklaringen van de getuigen van [getuige 1] en [getuige 2] zo ook van [getuige 5] in het midden zal laten omdat die verklaringen omtrent het bewijsthema niets terzake dienende inhouden;

Overwegende, dat het Hof op grond van de verklaringen van de [getuige 3] en [getuige 4], in onderling verband en samenhang beschouwd, gevoegd bij de processen-verbaal, daterend van 7 en 15 februari 2000 en houdende verklaringen van de [gedetineerde 2], bewezen acht en tussen partijen als rechtens vaststaand aanneemt, dat verzoeker van de [gedetineerde 2] op 6 februari 2000 ter leen heeft ontvangen een bedrag van Sf.70.000,–; dat, omdat terugbetaling van dit bedrag door verzoeker aan [gedetineerde 2] uitbleef, verzoeker op voorstel van [gedetineerde 2] aan [gedetineerde 2] zijn, – verzoekers,-vingerring van geel metaal gaf als zekerheid voor de terugbetaling door verzoeker aan [gedetineerde 2] van het bedrag van Sf.70.000,–;

Overwegende, dat de toedracht van hetgeen zich op 6 februari 2000 voltrokken heeft rond de door de [gedetineerde 2] aan verzoeker verstrekte lening van het bedrag van Sf.70.000,– niet op waarachtige wijze weergegeven is in de beschikking van 19 juni 2000 No.1087 van de Minister van Justitie en Politie, waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van ontslag is opgelegd;

Overwegende toch, dat niet waar is dat verzoeker een vingerring van geel metaal heeft achtergelaten voor de [gedetineerde 2]. welke als borgsom moest dienen voor een geleend geldsbedrag van Sf.70.000,–;

Overwegende, dat het Hof dan ook van oordeel is, dat aan de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 juni 2000 No.1087, voor wat betreft de reden van ontslag van verzoeker een ondeugdelijke motivering ten grondslag ligt en dat op grond hiervan al voormelde beschikking niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden;

Overwegende, dat nu vernietiging van de ontslagbeschikking herleving van de rechtsrelatie tussen partijen tot gevolg heeft, ontgaat het het Hof geheel welk belang verzoeker heeft bij de mede gevorderde veroordeling van verweerder tot betaling aan verzoeker van zijn salaris vanaf 19 juni 2000;

Overwegende, dat het Hof dan ook beslissen zal als in het dictum te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 juni 2000 No.1087;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR, Lid en Mr.I.H.M.H.RASOELBAKS, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 15 november 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

w.g.M.E.Van Genderen-Relyveld w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat, Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.D.Kraag namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2002-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H. M.HA – 442

A-442

[Verzoekster], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Handel en Industrie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende te Paramaribo ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoekster wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Handel en Industrie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende te Paramaribo te harer Parkette aan de Gravenstraat no.3, verweerder;
  2. Verzoekster is ambtenaar in de zin van de Personeelswet en werkzaam bij de Dienst Prijsstabilisatie in de functie van Ambtenaar A 1e klasse in vaste dienst tegen een salaris in November 1998 ten bedrage van bruto Sf.111.090,– minus inhoudingen van sf.30.958,– zodat verzoekster netto ontving een bedrag van sf.80.132,–.
  3. Verzoeker (lees: Verzoekster) is bij beschikking van de Minister van Handel en Industrie d.d. 04 juni 1999 no.282 P2 217 te rekenen van 06 april 1999 oneervol ontslag uit staatsdienst verleend.
  4. Deze beschikking is nietig c.q. vernietigbaar omdat de verweerder heeft verzuimd verzoekster in de gelegenheid te stellen zich te verweren ex artikel 63 lid 2 P.W., waardoor een belangrijk beginsel van behoorlijk bestuur n.l. anditur et alterem partem is geschonden.
  5. De onderhavige beschikking heeft verzoekster onlangs en wel op 29 December 1999 ontvangen waardoor zij nu pas daartegen in rechte kan komen.
  6. Bovendien is het ontslag van verzoekster met terugwerkende kracht aan haar verleend hetgeen in strijd is met het beginsel van de rechtszekerheid.
  1. Verzoekster heeft vanaf December 1998 geen salaris ontvangen, hoewel zij zich na haar detentie herhaaldelijk voor het verrichten van werkzaamheden heeft aangemeld bij haar dienstonderdeel. Verzoekster is kostwinner, n.l. alleenstaande moeder van 3(drie) kinderen, die allen schoolgaand zijn.
  1. Verzoekster vindt de aan haar opgelegde straf onevenredig zwaar in vergelijking met het door haar gepleegde strafbare feit. Bovendien heeft de verweerder het evenredigheids en gelijkheidsbeginsel overtreden, omdat andere ambtenaren die een strafbaar feit hebben gepleegd, het strafbare feit hebben erkend, maar door allerlei omstandigheden hun zaak niet voor de rechter is gekomen, niet zijn ontslagen maar in rang c.q. funktie zijn terug gesteld.
  2. Verzoekster maakt aanspraak op salaris over de periode 19 december 1998 tot en met 06 april 1999 zijnde de periode van voorlopig arrest op grond van de resolutie van 27 november 1965 no.12192 G.B.1965 no.129, paragraaf 1 sub f en wel voor de helft. Aangezien het ontslag niet conform de P.W. is gevolgd maakt verzoekster aanspraak op haar vol salaris vanaf 06 april 1999 tot de dag waarop het dienstverband op regelmatige wijze zal worden c.q.zijn beëindigd.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

met het eerbiedig verzoek:

Primair:

  1. dat zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Handel en Industrie d.d. 04 juni 1999 no.282 P.Z. 217;
  2. dat verweerder zal worden veroordeeld om aan verzoekster te betalen;
  3. de helft van haar salaris over de periode 19 december 1998 tot en met 06 april 1999.
  4. het volle salaris vanaf 06 april 1999 tot het dienstverband op regelmatige wijze zal zijn geëindigd.

Subsidiair:

  1. dat de beschikking van de Minister van Handel en Industrie d.d. 04 juni 1999 no.282 P.Z. 217 zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard in dier voege dat het aan verzoekster verleende oneervol ontslag wordt omgezet in een schorsing voor een door Uw Hof in goede justitie te bepalen termijn al dan niet met inhouding van het salaris gedurende de periode van schorsing.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnen gekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd; dat hij als verweer zoals de Wet dat verplicht U bij deze doet toekomen een fotokopie van een schrijven, afkomstig van de Direkteur van het Ministerie van Handel en Industrie, gedateerd 18 april 2000 naar de inhoud waarvan ter bekorting wordt verwezen met het verzoek die inhoud hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen en tevens met het verzoek de onderhavige zaak dienovereenkomstig te willen doen afhandelen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hofs beschikking van 2 januari 2002 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde advokaat Mr.A.R.Baarh, advokaat Mr.J.Kraag, gemachtigde van de Staat Suriname en Mevrouw R.Burleson namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 1 maart 2002 – ten dage voor uitlating zijdens partijen bepaald – advokaat Mr.M.Tjon Jaw Chong namens advokaat Mr.J.Kraag een produktie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster hierna een schriftelijke conclusie tot uitlating en incidentele conclusie tot wijziging van eis heeft genomen, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder vervolgens een antwoord pleidooi in de hoofdzaak en in het incident heeft genomen, hebbende hij tevens een produktie overgelegd, waarvan de inhoud alsmede van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoekster tenslotte een repliek pleidooi in de hoofdzaak en in het incident heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in het incident heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In het incident:

Overwegende, dat het Hof vooraf opmerkt dat onder “eis” in de ‘zin’ der wet moet worden begrepen: datgene wat gevorderd wordt, het petitum, en de feitelijke gronden waarop de vordering berust (zie Doek c.s. aant.2 op artikel 134 Rv);

Overwegende, dat verzoekster blijkens de daartoe strekkende conclusie de dato 15 maart 2002, waarvan de inhoud als hier letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, in casu verzocht heeft het petitum te mogen wijzigen, en niet tevens de feitelijke gronden, waarop de vordering berust, hetgeen ingevolge de Wet, had gemoeten, (artikel 109 Rv);

Overwegende, dat het Hof op grond van het zojuist overwogene het zijdens verzoekster gedaan verzoek dan ook zal afwijzen; als de in het ongelijk gestelde partij zal verzoekster de kosten van dit proces moeten dragen;

in de hoofdzaak:

Overwegende, dat het Hof zal gelasten dat deze zaak afgeroepen wordt op een in het dictum van dit vonnis te bepalen rechtsdag voor

dupliek-pleidooi;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

in het incident:

Wijst het gedaan verzoek af;

Verwijst verzoekster in de kosten van dit proces aan verweerders zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.nihil;

in de hoofdzaak:

Alvorens definitief te beslissen;

Gelast het afroepen van deze zaak ter terechtzitting van vrijdag, 21 juni 2002 te Half Negen Uur voor dupliek-pleidooi;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

in het incident en in de hoofdzaak:

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 17 mei 2002, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.Derby namens haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.D.Kraag namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2002-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H. M.HA – 442

A-442

[Verzoekster], wonende te Paramaribo aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Handel en Industrie, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, kantoorhoudende te Paramaribo ten Parkette aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 17 mei 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in s’ Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter voldoening aan voormeld vonnis de zaak werd afgeroepen voor dupliek pleidooi ter terechtzitting van 21 juni 2002;

Overwegende, dat ten dage voor dupliek pleidooi peremptoir bepaald, deze niet is overgelegd, waarna het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat tussen partijen als niet weersproken door verweerder vaststaat, dat verzoekster ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en werkzaam bij het Ministerie van Handel en Industrie op de afdeling Economische Centrale Dienst (Dienst Prijsstabilisatie) als Stafambtenaar ”A” 1e klasse in vaste dienst bij beschikking van de Minister van Handel en Industrie de dato 4 juni 1999 [nummer 1] te rekenen van 6 april 1999 oneervol ontslag uit Staatsdienst is verleend wegens ernstig plichtsverzuim hierin bestaande dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal en het aannemen van giften in haar hoedanigheid van prijscontroleur, voor welke feiten verzoekster bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 6 april 1999 veroordeeld is tot gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een proeftijd van 3 jaren;

Overwegende, dat als niet weersproken door verweerder vaststaat dat verzoekster op 29 december 1999 voormelde ontslagbeschikking heeft ontvangen;

Overwegende, dat nu verzoekster blijkens aantekening van de Griffier van het Hof de onderhavige vordering op 26 januari 2000 tegen verweerder heeft aangelegd, is zij daarin ontvankelijk;

Overwegende, dat verzoekster, in het onderhavige proces tegen voormelde ontslagbeschikking opkomend en ten aanzien daarvan primair in onderdeel a van het petitum vorderend, dat voormelde beschikking wordt vernietigd althans nietig verklaard, aan haar primaire vordering onder meer ten grondslag heeft gelegd, dat zij, verzoekster, niet in de gelegenheid is gesteld zich te verweren ex artikel 63 lid 2 van de Personeelswet alsgevolg waarvan een belangrijk beginsel van behoorlijk bestuur nl.” audiatur et altera pars ” is geschonden;

Overwegende, dat verweerder voormeld feit niet weersproken heeft weshalve het tussen partijen in rechte is komen vast te staan;

Overwegende, dat het Hof opmerkt, dat het, wat het recht betreft om gehoord te worden alvorens de overheid een in de rechten van de burger ingrijpende maatregel neemt, van oordeel is dat het dit zo essentieel acht, dat de overheid daarvan niet mag afwijken, wellicht tenzij de wet daartoe uitdrukkelijk het recht geeft, welk geval zich in casu niet voordoet;

Overwegende, dat van schending van de ”audiatur et altera pars” regel mitsdien sprake is;

Overwegende, dat nu verweerder de overige feiten, aan het gevorderde in onderdeel b van het petitum ten grondslag gelegd, evenmin heeft weersproken, zijn die feiten eveneens tussen partijen komen vast te staan en ook leiden zullen tot toewijzing van het gevorderde in onderdeel b van het petitum;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

  1. Vernietigt de beschikking van de Minister van Handel en Industrie van 4 juni 1999 [nummer 1]
  2. Veroordeelt verweerder aan verzoekster te betalen:
  1. de helft van haar salaris over de periode 19 december 1998 tot en met 6 april 1999;
  2. het volle salaris vanaf 6 april 1999;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend President, Mr.A.I.Ramnewash en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door Waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 AUGUSTUS 2002, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2002-3

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H. M.HA – 442

A-431

[Verzoeker], wonende te [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Grote Combéweg no.25-27, voor wie als gemachtigde optreedt Mr.R.U.F.Truideman, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name HET MINISTERIE VAN JUSTITIE EN POLITIE, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo aan de Gravenstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verweerder,

De Vice-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs interlocutoir vonnis van 3 mei 2002 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hofs voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot overlegging produktie heeft genomen, wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker hierna een eveneens hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating produktie heeft genomen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat als niet weersproken tussen partijen rechtens vaststaat, dat verzoeker als inspekteur van Politie der 1e klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, bij resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 7 juli 1999 [nummer 1] te rekenen van de dag volgende op die waarop dit besluit te zijner kennis wordt gebracht met toepassing van artikel 66 lid 2 van de Personeelswet (Geldende tekst S.B. 1985 No.41) zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1987 no.13 in zijn ambt is geschorst met behoud van zijn bezoldiging en emolumenten wegens verdenking van het plegen van een misdrijf;

Overwegende, dat verzoeker op grond van feiten, gesteld in het 4e ”sustenu” van het verzoekschrift, welke feiten als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt gevorderd heeft dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

  1. nietig te willen verklaren de resolutie van 7 juli 1999 [nummer 2] wegens strijd met een wettelijk voorschrift (Artikel 63 lid 2 van de Personeelswet) alsook op grond van het feit, dat er geen strafrechtelijk onderzoek tegen verzoeker is ingesteld;
  2. gerequireerde een dwangsom te willen opleggen van Sf.500.000,= voor elke dag dat gerequireerde in gebreke blijft om verzoeker op te roepen voor de hervatting van zijn normale dienst werkzaamheden;

Overwegende, dat ofschoon verweerder de feiten, aan verzoekers vordering ten grondslag gelegd, niet heeft weersproken zodat zij tussen partijen in rechte zijn komen vast te staan, verweerder zich niettemin tegen toewijzing van verzoekers vordering heeft verzet, onder aanvoering dat verzoeker geen belang heeft bij de onderhavige vordering omdat de resolutie in kwestie is uitgewerkt en van rechtswege is vervallen door het verstrijken van de drie maanden sedert het ingaan van de schorsing;

Overwegende, dat verweerder in verband met voormeld verweer blijkbaar doelt op artikel 66, tweede lid, aanhef en onder a van de Personeelswet, luidende: Het bevoegde gezag kan – onverminderd de mogelijkheid van schorsing als tuchtstraf- een landsdienaar schorsen, indien en zodra:

  1. een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van een opzettelijk begaan misdrijf tegen hem is ingediend;

Overwegende, dat gemelde wettelijke bepaling, naar het het Hof voorkomt, in casu niet van toepassing is omdat in de considerans c.q. overweging de resolutie van 7 juli 1999 [nummer 1] geen melding wordt gemaakt van : een opzettelijk begaan misdrijf tegen hem………………..;

Overwegende, dat het ter zake door verweerder gevoerd verweer dan ook als onjuist en ongegrond wordt verworpen;

Overwegende, dat het in onderdeel A van het petitum gevorderde dan ook toewijsbaar is;

Overwegende, dat het Hof het in onderdeel B van het petitum gevorderde niet zal toewijzen omdat verzoeker daar geen belang meer bij heeft nu verzoeker, naar zijdens hem is gesteld in het 1e ”sustenu” van de pleitnota de dato 19 oktober 2001, op 20 maart 2000 zijn diensten bij het Korps Politie Suriname heeft hervat;

Overwegende, dat het Hof dan ook zal beslissen als in het dictum te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de resolutie van de President van de Republiek Suriname van 7 juli 1999 [nummer 1], waarbij verzoeker werd geschorst met behoud van zijn bezoldiging en emolumenten;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.von Niesewand, Waarnemend President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door Waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 AUGUSTUS 2002, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g.R.R.Brijobhokun w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.RU.F.Truideman en Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2021-113

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15587
05 november 2021

In de zaak van

NAAMLOZE VENNOOTSCHAP ENERGIE BEDRIJVEN SURINAME,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante in kort geding,
hierna te noemen “de EBS”,
gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, advocaat,

tegen

  1. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CITY ENTERTAINMENT, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende te [plaats],

geïntimeerden in kort geding,
hierna te noemen: “City en [geïntimeerde sub B]”,
gemachtigde: mr. M.D. Lau-Kerssenberg, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 19 mei 2016 in de zaak bekend onder
AR no. 162265 tussen City en Chiragally als eisers in conventie en gedaagden in reconventie en de EBS als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de EBS op 19 mei 2016 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota gedateerd 2 augustus 2019;

– de antwoordpleitnota gedateerd 15 mei 2020;

– het schrijven van de raadsvrouwe van de EBS waarin de raadsvrouwe aan het Hof van Justitie bericht dat zij het hoger beroep intrekt;

– het doorlopend proces-verbaal van de zitting van 20 november 2020, 18 december 2020, 15 januari 2021, 19 februari 2021 en 16 juli 2021, aangetekend op de kaft van het procesdossier waaruit blijkt dat de NV en [geïntimeerde sub B] zich niet hebben uitgelaten over de intrekking.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Het beroepen vonnis is gedateerd 19 mei 2016. De EBS heeft op 19 mei 2016 hoger beroep aangetekend. Door de EBS is derhalve tijdig hoger beroep aangetekend. De EBS is ontvankelijk in haar hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

3.1 De EBS heeft in haar pleitnota gevorderd dat het beroepen vonnis wordt vernietigd en dat het Hof, opnieuw rechtdoende, de vordering van City en [geïntimeerde sub B] in conventie integraal afwijst.

  1. De beoordeling

4.1 City en [geïntimeerde sub B] hebben in hun antwoordpleidooi, onder andere, aangevoerd dat de EBS geen belang meer heeft bij het gevorderde omdat het pand waar de vordering betrekking op had niet meer aan City en [geïntimeerde sub B] toebehoort.

4.2 De EBS heeft bij schrijven van haar gemachtigde aangegeven dat zij geen belang meer heeft bij het hoger beroep. Zij heeft het Hof bericht dat zij het hoger beroep intrekt.

4.3 Het Hof overweegt dat, nu de EBS het hoger beroep heeft ingetrokken en City en [geïntimeerde sub B] zich daartegen niet hebben verzet, verstaan zal worden dat het hoger beroep is ingetrokken.

  1. De beslissing

Het Hof

4.1 Verstaat dat het hoger beroep door de EBS is ingetrokken;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein Bsc., Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

SRU-HvJ-2021-112

16 juli 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende in [plaats],
appellant,
procederend in persoon,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in [stad], [land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 11 december 2018 bekend onder A.R. 10-1924 tussen appellant toen als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en geïntimeerde toen als eiser in conventie en gedaagde in reconventie,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:
  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellant hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven van 1 maart 2019;
  • de memorie van antwoord van 25 april 2019;
  • pleitnota van 7 februari 2020;
  • de antwoordpleitnota van 17 juli 2020;
  • de repliekpleitnota 16 oktober 2020;
  • de dupliekpleitnota van 18 december 2020.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Beoordeling

2.1 Bij het vonnis waarvan beroep is appellant op vordering van geïntimeerde veroordeeld tot, samengevat, het afleggen van rekening en verantwoording aan geïntimeerde.

2.2 De termijn voor hoger beroep is ingevolge artikel 264 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) dertig dagen, gerekend vanaf de dag der uitspraak of, indien de appellant bij die uitspraak niet aanwezig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens de wet is meegedeeld. Artikel 119 lid 3 Rv schrijft voor dat, indien een partij niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is, de inhoud van de uitspraak bij aangetekende dienstbrief door de griffier aan die partij wordt meegedeeld. Artikel 119 lid 4 Rv bepaalt dat de dagtekening van de dienstbrief wordt geacht de dag te zijn, waarop de mededeling heeft plaats gehad.

2.3 Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 8 januari 2018 aan appellant meegedeeld. Appellant heeft op 21 februari 2019 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen.

2.4 Het beroep van appellant is gelet op het voorgaande niet ingesteld binnen de bij wet gestelde termijn van 30 dagen na dagtekening van de dienstbrief van de griffier. Appellant zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.

2.5 Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

2.6 Aan bespreking van de grieven en overige weren komt het hof derhalve niet toe.

  1. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1 verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 11 december 2018 bekend onder A.R. 10-1924;

3.2 veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend president bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juli 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E. Naarendorp, gemachtigde van geïntimeerde terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-111

G.R. no. 15741

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
15 januari 2021

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de vrouw“,
gemachtigde: mr. J.S. Hussain, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,
gemachtigde: mr. G.M. Leter, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 24 oktober 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de advocaat van de vrouw gedateerd 16 december 2016

– ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 16 december 2016 – waaruit blijkt dat de vrouw hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016;

– de pleitnota gedateerd 07 februari 2020;

– de antwoordpleitnota gedateerd 6 maart 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;

– bij wege van mondelinge dupliekpleidooi de dato16 oktober 2020 heeft de gemachtigde van de man geconcludeerd tot persistit bij het antwoordpleidooi;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 24 oktober 2016. Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) waarbij de beslissing volgens de wet aan de vrouw is medegedeeld dateert van 30 november 2016. De vrouw heeft bij schrijven de dato 16 december 2016 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv is dit tijdig geschied en is de vrouw ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

De vrouw vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter waarvan beroep en alsnog ontzegging van de oorspronkelijke vordering aan de man, toen zijnde eiser, althans niet-ontvankelijkverklaring van hem.

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 juli 1994, te Paramaribo, bij akte [nummer 1], folio [nummer 2]

4.2. Uit het huwelijk tussen partijen is een kind geboren die inmiddels meerderjarig is geworden.

  1. 5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg

5.1. De man heeft in eerste aanleg als eiser –kort gezegd- het navolgende gevorderd:

– dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien;

– met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden;

– de vrouw zal worden veroordeeld om met de man over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake meer is van een man-vrouw relatie. Volgens de man probeert de vrouw hem op verschillende manieren het leven zuur te maken door met name valse beschuldigingen en bedreigingen.

5.3. De vrouw heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen te wijten is geweest aan de man, die in verband met zijn werkzaamheden merendeels niet thuis was. Volgens de vrouw onderhoudt de man vermoedelijk buitenechtelijke relaties met een andere vrouw, waardoor er ruzies ontstaan. De vrouw heeft de door de man gestelde gronden ontkend en zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 24 oktober 2016 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ De kantonrechter overweegt dat, nu tussen partijen rechtens vaststaat dat het huwelijk tussen hen duurzaam is ontwricht, terwijl gedaagde (het Hof leest: de vrouw) zich niet verzet tegen de vordering van eiser (het Hof leest: de man), deze als op de wet gegrond zal worden toegewezen in voege als na te melden ” (einde citaat)

5.5. De vrouw verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de vrouw vier grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de vrouw aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk aangezien een enkele meningsverschil hetwelk is uitgemond in een toen verslechterde verstandhouding nog niet maakt dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Als tweede grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de man en vrouw niet samenwonen. De vrouw geeft aan dat zij nog steeds op hetzelfde adres woonachtig is samen met de man. De feitelijke situatie is dat beide partijen zich in dezelfde woning bevinden en aldaar ook woonachtig zijn. Ook op grond hiervan kan er geen sprake zijn van een verslechterde verstandhouding tussen beide echtgenoten. Als derde grief heeft de vrouw aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat de vrouw de man valselijk heeft beschuldigd en bedreigd. Wat de beschuldigingen allemaal zijn is voor de vrouw niet bekend. Er is ook nooit aangifte gedaan bij de politie door de man ter zake bedreiging. Bovendien is de man een politieman en enkel op grond daarvan is het aannemelijk dat van bedreiging zijdens de vrouw geen sprake kan zijn. Als vierde grief heeft de vrouw aangevoerd dat ten onrechte in het beroepen vonnis is vermeld dat er een minderjarig kind is. Het kind genaamd [naam 1], is geboren op 30 september 1996 te Paramaribo en is inmiddels al meerderjarig. Het verhoor van de ouders, bloed- en/of aanverwanten ter voorziening in de voogdij en toeziende voogdij kan derhalve ook niet plaatsvinden.

5.6. De man heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de vrouw aangevoerde grieven achtereenvolgens aan een beoordeling onderwerpen. Anders dan de vrouw in haar tweede grief heeft aangevoerd heeft de Kantonrechter niet als vaststaand feit aangenomen dat partijen niet samenwonen. De Kantonrechter heeft slechts als vaststaande feiten in het beroepen vonnis aangenomen dat partijen gehuwd zijn met elkaar en dat er een (ten tijde van vonniswijzing) minderjarig kind uit het huwelijk is geboren. Onder 3.2. van het beroepen vonnis heeft de Kantonrechter de grondslag van de vordering van de man aangegeven en daarbij de man geciteerd die heeft aangegeven dat partijen al 3 jaren gescheiden wonen en leven binnen de echtelijke woning als gevolg van een spanningsveld dat tussen hun is ontstaan, waardoor er geen sprake is van een man-vrouw relatie. De tweede grief is gelet op het voorgaande totaal ongegrond. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de derde grief die de vrouw heeft aangevoerd. De Kantonrechter heeft dat geenszins als vaststaand feit aangenomen en derhalve is ook die grief gedoemd te stranden. Thans zal het Hof overgaan tot bespreking van de eerste grief die de vrouw heeft aangevoerd. Naar het oordeel van het Hof betreft het in casu ingevolge het bepaalde in artikel 278 lid 2 WvBRv een gedekt verweer. Door in eerste aanleg de grondslag van het gevorderde bloot te weerspreken zonder daar consequenties aan te verbinden en zich vervolgens te refereren aan het oordeel van de Kantonrechter heeft de vrouw – die toen reeds rechtsbijstand genoot – in de visie van het Hof het recht om naderhand in een hogere instantie verweer te voeren uitdrukkelijk prijs gegeven. Immers heeft de vrouw in eerste aanleg bij wege van conclusie van antwoord het navolgende aangevoerd (begin citaat): “ Als verzoeker (het Hof begrijpt: de man) wil scheiden met de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) moet hij duidelijk zeggen dat hij haar niet meer wil hebben als echtgenote. Op zijn Surinaams zegt men ‘ a mang bere foeroe’. Hij lust gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) niet meer en is kennelijk op zoek naar een ander partner……………Voor het overige refereert gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) naar het oordeel van de kantonrechter en persisteert de gedaagde (het Hof begrijpt: de vrouw) voor Dupliek indien de verzoeker (het Hof begrijpt: de man) voor Repliek zal persisteren.” (einde citaat). Uit het voorgaande concludeert het Hof dat de vrouw zich in eerste aanleg ten aanzien van het gevorderde ondubbelzinnig heeft gerefereerd aan het oordeel van de Kantonrechter en kan zij derhalve in hoger beroep niet met nieuwe weren op de proppen komen. Aangezien het Hof blijkens de rechtsliteratuur ambtshalve dient na te gaan of een in hoger beroep aangevoerd verweer al dan niet gedekt is heeft het Hof zich dienaangaande van haar taak gekweten. De eerste grief haalt het derhalve niet in rechte. De vierde grief die de vrouw heeft aangevoerd is in zoverre gegrond dat ten tijde van vonniswijzing door de Kantonrechter het uit het huwelijk van partijen geboren kind nog minderjarig was (20 jaar oud), zodat de Kantonrechter terecht het familieverhoor heeft bepaald. Thans is dat kind inderdaad reeds meerderjarig weshalve er thans geen plaats meer is voor een familieverhoor.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de vrouw aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van het familieverhoor aangezien het kind inmiddels meerderjarig is geworden. Het beroepen vonnis zal ten aanzien van dat onderdeel worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal dat onderdeel van het gevorderde alsnog worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 24 oktober 2016 en bekend in het Algemeen Register onder no. 15-4591, waarvan beroep met uitzondering van hetgeen daaromtrent onder 5.2. daarvan is bepaald met betrekking tot het familieverhoor;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.3. Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van hetgeen onder 5.2. daarvan is overwogen;

En opnieuw rechtdoende ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. van het beroepen vonnis:

6.4. Wijst af hetgeen dienaangaande is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-110

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15493

15 oktober 2021

In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in het [district 1],
appellante,
gemachtigde: mr. I.B. Zarks, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen de man,
wonende in het [district 2],
geïntimeerde,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 22 januari 2018 bekend onder AR no. 16-3905 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het Hof verwijst naar het in deze zaak gewezen en uitgesproken tussenvonnis gedateerd 6 november 2020 en volhardt bij de inhoud daarvan.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de conclusie tot uitlating, ter griffie van het Hof ingekomen op 15 januari 2021 van de zijde van de vrouw.

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 16 juli 2021 doch nader op heden.

  1. De beoordeling

2.1 De gemachtigde van de vrouw heeft bij conclusie tot uitlating als voornoemd – voor zover van belang – aangevoerd dat de man is overleden en dat zij mede daarom de zaak intrekt.

Het Hof begrijpt hieruit dat bedoeld wordt dat het door de vrouw ingestelde hoger beroep in de onderhavige zaak wordt ingetrokken en concludeert dat hiermee het vonnis van de kantonrechter d.d. 22 januari 2018 bekend onder AR no. 16-3905, in kracht van gewijsde zal gaan.

De gemachtigde van de man is in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de intrekking van het hoger beroep maar heeft die gelegenheid onbenut gelaten.

Het Hof ziet geen reden om het verzoek van de gemachtigde van de vrouw niet in te willigen en zal beslissen als in het dictum te melden.

  1. De beslissing

Het Hof:

Verstaat dat het hoger beroep tegen het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 22 januari 2018 bekend onder AR no. 16-3905 is ingetrokken.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 15 oktober 2021 in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen nog in persoon, noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-109

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: voorheen mr. H.S. Djasmadi, advocaat, thans mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 02 juni 2017;

het verweerschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 23 augustus 2017;

de beschikking van het Hof van 26 juni 2018 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 20 juli 2018, welk verhoor is verplaatst naar 02 november 2018;

de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 20 juli 2018, waaruit blijkt dat mr. Wittenberg als rolwaarnemer van mr. H.S. Djasmadi en mr. G.R. Sewcharan het Hof heeft meegedeeld dat mr. Djasmadi zich als procesgemachtigde van [verzoeker] onttrekt aan de zaak en dat mr. Sewcharan zich stelt voor [verzoeker];

het proces-verbaal van het op 02 november 2018 gehouden verhoor van partijen;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 17 mei 2019;

de akte uitlating producties, zijdens [verzoeker] overgelegd op 12 juni 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 06 december 2019, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is penitentiaire ambtenaar 4e klasse en sedert 2011 in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk tewerkgesteld in het Nieuw Huis van Bewaring Santo Boma (hierna: Santo Boma).

2.2 Uit het proces-verbaal van verhoor van de te Santo Boma gedetineerde [naam 1] d.d. 02 december 2014 blijkt dat:

bij de op 11 november 2014 door penitentiaire ambtenaren verrichte visitatie 60 gram marihuana is aangetroffen in de toiletruimte van de kamer van [naam 1] in blok F van Santo Boma;

[Naam 1] hieromtrent heeft verklaard dat de onderschepte marihuana van hem was en dat [verzoeker] deze voor hem had gebracht tegen een beloning van SRD 120,-.

2.3 [Verzoeker] is op 08 december 2014 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie S. Jhinkoe en vervolgens in verzekering gesteld wegens verdenking van het plegen van het misdrijf strafbaar gesteld in artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en van overtreding van artikel 4 van de Wet Verdovende Middelen. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft [verzoeker] bekend dat hij tijdens diensttijd een hoeveelheid marihuana heeft gebracht voor [naam 1], die was ingesloten te Santo Boma. [Verzoeker] verklaarde voorts dat hij de marihuana heeft gekregen van een, hem onbekende, man van creoolse afkomst en dat hij van deze man ook SRD 120,- heeft ontvangen.

2.4 Blijkens het proces-verbaal van verhoor d.d. 08 december 2014 heeft [verzoeker] volhard in zijn bekentenis dat hij op 11 november 2014 een hoeveelheid marihuana Santo Boma heeft binnengesmokkeld voor Wilnis. [verzoeker] verklaarde wederom dat hij de marihuana van een man van creoolse komaf had gekregen om te brengen voor Wilnis en dat deze man hem daarvoor SRD 120,- had gegeven.

[verzoeker] bekende voorts in de maand mei of juni 2014 ook al een hoeveelheid marihuana Santo Boma te hebben binnengesmokkeld tegen een beloning van SRD 100,-.

2.5 [Verzoeker] is op 11 december 2014 voorgeleid aan de waarnemend substituut officier van justitie mr. R. Koendan. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft [verzoeker] verklaard dat hij de hierboven onder 2.3 en 2.4 bedoelde verklaringen onder druk heeft afgelegd. Hem werd voorgehouden dat hij binnen drie dagen in vrijheid zou worden gesteld indien hij een bekentenis zou afleggen, aldus [verzoeker].

2.6 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 16 januari 2015, gericht aan de directeur van Santo Boma, verweer gevoerd. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Verweer

(…)

Betreft: Verweeraanzegging betreffende Hand en Spandiensten

(…)

Geachte directeur,

(…)

Mijn aanhouding is gebaseerd op slechts een melding door een gedetineerde namelijk, WILNIS S die ik (alle Pa’s) liever ziet [sic] gaan dan komen. Mijn verklaring is in alle haastigheid getekend aangezien ik mijn hoofd bij de afspraak was voor de EEG op 8 december 2014 om 09.30u a.m. van mijn vrouw. Gelet op mijn gezinssamenstelling is het onmogelijk dat ik dit alles zou doen voor een luttel bedrag. Geconcludeerd kan worden dat het politie rapport tal van valse aantijgingen vertoond [sic], spreekt over onwaarheden en aantijgingen slechts zijn gebaseerd op verklaring van een gedetineerden [sic].

Naar onderzoekingen is geen harde [sic] bewijs gevonden, waarbij ik op vrije voeten gesteld bent [sic] geworden.

(…)”

2.7 De strafzaak tegen [verzoeker] is door het openbaar ministerie voorwaardelijk geseponeerd.

2.8 De minister van Justitie en Politie (hierna: de minister) heeft bij beschikking d.d. 05 september 2015, J.[nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] ingevolge artikel 32 lid 1 onder j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 sub j Pw wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat blijkens de overgelegde stukken de Penitentiaire Ambtenaar der 4e klasse in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie, de heer [VERZOEKER] P., tewerkgesteld in het Nieuw Huis van Bewaring Santo Boma op 8 december 2014, is aangehouden en in verzekering gesteld, ter zake verdacht van het tegen vergoeding binnensmokkelen van marihuana voor een gedetineerde en derhalve bij beschikking d.d. 29 juni 2015, kenmerk [nummer 2], [nummer 1], ingevolge artikel 66 lid 1 van de Personeelswet van rechtswege is geschorst;

dat betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet bij schrijven van de Directeur van het Nieuw Huis van Bewaring Santo Boma d.d. 14 januari 2015 kenmerk HvB/[nummer 3] in de gelegenheid is gesteld zich ter zake binnen 24 uren te verweren; echter heeft hij in zijn schrijven van 16 januari 2015 geen steekhoudende argumenten kunnen aanvoeren welke ertoe zouden kunnen leiden om van bestraffing af te zien;

dat gelet op de ernst van de zaak er termen aanwezig zijn voor het in overweging nemen van ontslag wegens plichtsverzuim;

dat deze handelingen niet in een gedisciplineerd korps kunnen worden getolereerd en als plichtsverzuim worden aangemerkt;

dat naar aanleiding van het voorgaande betrokkene niet langer in Staatsdienst kan worden gehandhaafd en derhalve met toepassing van artikel 32 lid 1 onder j van het Penitentiair Besluit wegens plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag aan hem wordt opgelegd.”

2.9 [verzoeker] heeft bij schrijven van zijn voormalige procesgemachtigde, mr. H.S. Djasmadi, d.d. 05 december 2016 de minister verzocht het ontslagbesluit met onmiddellijke ingang in zijn geheel buiten werking te stellen en hem, [verzoeker], te herstellen in zijn functie.

De minister heeft bij brief d.d. 12 februari 2017, kenmerk SM [nummer 4], het verzoek van [verzoeker] afgewezen.

2.10 [verzoeker] heeft bij schrijven van voornoemde procesgemachtigde d.d. 23 februari 2017 beklag ex artikel 78 lid 1 Pw ingesteld tegen het ontslagbesluit bij de President van de Republiek Suriname (hierna: de President) en daarbij de President verzocht om het ontslagbesluit met onmiddellijke ingang in zijn geheel buiten werking te stellen en hem, [verzoeker], te herstellen in zijn functie.

Op dit beklag is geen beslissing van de President gevolgd.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de ontslagbeschikking nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld hem weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- voor iedere dag dat de Staat weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Hij kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking en de gronden waarop deze berust. In het verweerschrift d.d. 16 januari 2015 (zie 2.6) is het gestelde plichtsverzuim voldoende weerlegd en is reeds aangevoerd dat de strafzaak tegen [verzoeker] was geseponeerd, althans dat er sprake was van niet verdere vervolging. Het is derhalve onbegrijpelijk dat het verweer niet steekhoudend wordt geacht. De overweging in het ontslagbesluit dat er, gelet op de ernst van de zaak, termen aanwezig zijn voor het in overweging nemen van ontslag wegens plichtsverzuim, mist hierdoor iedere grondslag.

Voorts is bij het opleggen van de tuchtstraf van ontslag geen dan wel onvoldoende rekening gehouden met hetgeen in artikel 63 lid 4 onder d Pw staat, met name ter zake van het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van [verzoeker]. Ook is de Staat voorbijgegaan aan zijn persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Op basis hiervan heeft de Staat met de oplegging van voormelde tuchtstraf aan [verzoeker] in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel, zijnde één der algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Op grond van het voorgaande kan het ontslagbesluit niet worden gehandhaafd.

3.3 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De Staat voert daartoe het volgende aan. Bij de ontslagschikking d.d. 05 september 2015 is aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag opgelegd. Op 23 februari 2017 heeft [verzoeker] ingevolge artikel 78 lid 1 Pw beklag ingesteld bij de President. Het bepaalde in dit artikel brengt mee dat [verzoeker] te laat is met het beklag, waardoor in casu de artikelen 78 lid 4 en 80 lid 3 sub a Pw niet van toepassing zijn, met als gevolg dat de onderhavige vordering rijkelijk laat is ingesteld.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof constateert dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift niet expliciet heeft aangegeven tegen wie hij de onderhavige vordering heeft ingesteld. Het Hof begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] evenwel dat hij de vordering heeft ingesteld tegen de Staat Suriname, met name het Ministerie van Justitie en Politie. De Staat heeft, blijkens de door hem ingediende dan wel overgelegde processtukken, het verzoekschrift in dezelfde zin begrepen, zodat hij niet in zijn verdediging is geschaad. Het Hof zal het verzoekschrift dan ook verbeterd lezen zoals reeds tot uitdrukking is gebracht in de kop van het vonnis.

Bevoegdheid

4.2.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit is geweest, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.2.2 Het gevorderde onder 3.1 onder I strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit, waarbij aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag is opgelegd. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

De onder 3.1 onder II gevorderde wedertewerkstelling van [verzoeker] onder verbeurte van een dwangsom kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is te oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren van dit gevorderde kennis te nemen.

Ten aanzien van de mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.4 is overwogen.

Ontvankelijkheid

4.3.1 [verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat ingevolge artikel 78 lid 4 Pw binnen drie maanden dient te worden beslist op het door hem bij de President ingestelde beklag ex artikel 78 lid 1 Pw. Nu er tot op heden geen beslissing op het beklag is gevolgd, is hij ingevolge artikel 80 lid 3 onder a Pw gerechtigd de onderhavige vordering in te stellen, aldus [verzoeker].

4.3.2 Artikel 78 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Een besluit, rakende de toepassing van deze wet, is binnen een maand vatbaar voor schriftelijk beklag bij hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, behoudens ingeval overeenkomstig artikel 79, eerste lid, een vordering is ingesteld. Dit beklag heeft geen schorsende kracht.

(…)

  1. De klager heeft recht op een beslissing binnen drie maanden, tenzij het klaagschrift in ongepaste termen is vervat of, zonder aanvoering van nieuwe feiten, strekt tot herhaling van een reeds eerder gedaan beklag.
  2. Het hogere gezag kan, indien het na onderzoek termen daarvoor aanwezig acht, het besluit waarover beklag is gedaan, ten gunste van de betrokkene wijzigen, vervangen of – al dan niet met terugwerkende kracht – buiten werking stellen.”

4.3.3 Artikel 80 Pw luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, zijn niet ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld:

(…)

  1. meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.

(…)

  1. Vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, zijn voorts niet ontvankelijk:
  2. indien overeenkomstig artikel 78 beklag is gedaan, zolang daarop nog niet is beslist, danwel vier maanden sedert de indiening van het beklag zijn verlopen zonder dat daarop een beslissing is gevolgd;

(…)”

4.3.4 [Verzoeker] heeft tijdens het verhoor van partijen verklaard dat hij de ontslagbeschikking tussen januari en februari 2016 heeft ontvangen. Het Hof constateert evenwel dat de voormalige procesgemachtigde van [verzoeker] in zijn hierboven onder 2.9 vermelde brief aan de minister d.d. 05 december 2016 gewag maakt van de ontslagbeschikking, het daarin vervatte ontslagbesluit en de gronden waarop dit besluit rust. Het ontslagbesluit wordt derhalve geacht in ieder geval op 05 december 2016 ter kennis van [verzoeker] te zijn gebracht. Ingevolge het bepaalde in artikel 78 lid 1 Pw had [verzoeker] zijn beklag dienen in te stellen binnen een maand daarna, derhalve uiterlijk op 04 januari 2017. Nu [verzoeker] pas bij schrijven d.d. 23 februari 2017 in beklag is gegaan, is hij daarmee tardief, zodat artikel 80 lid 3 sub a Pw in casu niet van toepassing is, gelijk de Staat heeft betoogd.

[Verzoeker] diende de vordering onder 3.1 onder I, strekkende tot nietigverklaring van het ontslagbesluit, ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b Pw in te stellen binnen een maand na 05 december 2016, derhalve uiterlijk op 04 januari 2017. Nu [verzoeker] deze vordering pas op 02 juni 2017 heeft ingesteld, zal hij daarin als tardief niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het verweer van de Staat slaagt.

4.4 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, omdat dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.5 Het Hof komt niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder II.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 3.1 onder I.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 05 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., Fungerend-Griffier.

w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. Jules namens het Ministerie van Justitie en Politie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-108

G.R. no. 15697

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

15 januari 2021

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als “de man“,
gemachtigde: mr. S. Khoen Khoen, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde] ,
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de vrouw”,
gemachtigde: mr. E.K. Chotkanoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 25 juni 2018 bekend in het Algemeen Register onder no. 17-1215 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de advocaat van de man gedateerd 09 oktober 2018 – ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 09 oktober 2018 – waaruit blijkt dat de man hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 25 juni 2018;

– de pleitnota gedateerd 17 januari 2020;

– de antwoordpleitnota gedateerd 07 februari 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 21 augustus 2020;

– de dupliekpleitnota gedateerd 16 oktober 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

 

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 25 juni 2018. De man is bij de uitspraak niet ter terechtzitting verschenen terwijl de vrouw wel bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. De aangetekende dienstbrief van de griffier waarbij de beslissing ingevolge het bepaalde in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: WvBRv) aan de man is medegedeeld, dateert van 27 september 2018. De man heeft bij schrijven de dato 09 oktober 2018 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis. Ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 WvBRv is dit tijdig geschied en is de man ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

De man vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg de dato 25 juni 2018, A.R. nr. 17-1215, tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres.

  1. Waarvan kan worden uitgegaan

De man heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten door de Kantonrechter in eerste aanleg, weshalve van de juistheid daarvan zal worden uitgegaan. Derhalve staat – ook in hoger beroep – het navolgende vast tussen partijen:

4.1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 29 juli 1995 in het [ressort]—-1995, ingeschreven onder [nummer 1]— in het huwelijksregister van voormeld ressort.

  1. 2. Uit het huwelijk tussen partijen zijn twee kinderen geboren die inmiddels allebei meerderjarig zijn geworden.
  1. 5. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg

5.1. De vrouw heeft in eerste aanleg als eiseres –kort gezegd- het navolgende gevorderd:

– dat de echtscheiding wordt uitgesproken tussen partijen;

– de scheiding en deling van het huwelijksvermogen zal moeten plaatsvinden.

5.2. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de vrouw in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht waardoor er hoegenaamd geen sprake meer is van een man-vrouw-relatie tussen partijen. Herstel van de relatie is niet mogelijk.

5.3. De man heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven –kort gezegd- dat de vrouw in strijd met artikel 262 en 263 van het BW de duurzame ontwrichting niet aangetoond heeft en heeft op grond daarvan geconcludeerd tot afwijzing althans niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw.

5.4. Bij vonnis van de Kantonrechter de dato 25 juni 2018 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een datum voor het familieverhoor bepaald, de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap uitgesproken met benoeming van een boedelnotaris en onzijdige personen volgens de wet en onder afwijzing van hetgeen meer of anders is gevorderd de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De dragende overweging van de Kantonrechter is daarbij geweest (begin citaat) “ dat gedaagde (het Hof leest: de man) de stellingen van eiseres (het Hof leest: de vrouw) niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken, doch zich in zijn verdediging beroept op een voorval dat zich in 2016 heeft voorgedaan, hetgeen overigens gemotiveerd door eiseres (het Hof leest: de vrouw) is weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter staat derhalve vast als niet, althans niet voldoende betwist, dat het huwelijk reeds voor 2016 duurzaam was ontwricht en dat deze daarna alleen nog erger is geworden. Op grond van het voorgaande is het verzet van gedaagde (het Hof leest: de man) naar het oordeel van de kantonrechter ongegrond. Nu de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist vaststaat, terwijl het verzet van gedaagde (het Hof leest: de man) tegen het door eiseres (het Hof leest: de vrouw) gevorderde ongegrond is gebleken, zal de vordering van eiseres (het Hof leest: de vrouw) als op de wet gegrond worden toegewezen.” (einde citaat)

5.5. De man verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft de man aangegeven dat het beroepen vonnis apert onjuist is en heeft de man grieven aangevoerd die in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. Allereerst heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte het verweer van de man heeft afgewezen en daarbij geen rekening heeft gehouden met het aspect dat het huwelijk tussen partijen niet door de man op losse schroeven is geraakt maar dat het gedrag van de vrouw de oorzaak daartoe is. Voorts is de man de mening toegedaan dat de vrouw in eerste aanleg heel wat zaken heeft aangehaald maar geen bewijzen daartoe heeft overgelegd althans deze zaken niet hard heeft kunnen maken. In het proces-verbaal (het Hof verstaat: van de gehouden comparitie van partijen in eerste aanleg de dato 26 maart 2018) komen heel wat verwijten naar de man voor welke de man gemotiveerd heeft ontkend en waartegen de vrouw geen tegenbewijs heeft kunnen inbrengen. Ten derde heeft de man aangevoerd dat de Kantonrechter in eerste aanleg geen rekening heeft gehouden met hetgeen de wetgever heeft opgenomen in artikel 263 BW waarbij uitdrukkelijk is opgenomen dat indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de echtgenoot die de vordering heeft ingesteld, in casu de vrouw, en de andere echtgenoot, in casu de man, daartegen verweer voert, de vordering tot echtscheiding wordt afgewezen. De man heeft in eerste aanleg reeds uitgebreid verweer gevoerd en heeft zelfs voorgesteld om deskundige hulp elders te zoeken om zijn huwelijk te redden, echter heeft de vrouw dit verzoek casu quo aanbod van de man van de hand gewezen. De vrouw is zelfs zo ver gegaan om tegen de man een beschermingsbevel te krijgen; echter is bij de behandeling van dit verzoek gebleken dat de noodzaak tot een beschermingsbevel niet aanwezig was. De man stelt aangetoond te hebben dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet aan hem te wijten is maar aan het gedrag van de vrouw waardoor conform de wettelijke bepalingen het verzoek tot echtscheiding dient te worden afgewezen.

5.6. De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door de man aangevoerde grieven simultaan aan een beoordeling onderwerpen aangezien die grieven in wezen dezelfde strekking hebben. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. De man erkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht maar stelt dat die ontwrichting in overwegende mate aan de vrouw te wijten is waardoor zij ingevolge de wet niet gerechtigd is om de onderhavige echtscheidingsvordering in te stellen. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat de daartoe strekkende grieven van de man niet gegrond zijn gebleken. Het uitgangspunt is volgens het Hof dat waar twee partners twisten beide partners in beginsel daar schuld aan hebben. Indien de ene partner in overwegende mate schuld heeft bij de onenigheden dient de andere partij dat niet alleen te stellen maar ook te bewijzen casu quo aannemelijk te maken. In casu is de Kantonrechter in de visie van het Hof niet “over èèn nacht ijs gegaan” maar heeft partijen ter gelegenheid van de gehouden comparitie van partijen in eerste aanleg uitgebreid gehoord alvorens tot de vaststelling te komen zoals hiervoor onder 5.4. van dit vonnis is weergegeven. Het Hof kan zich volledig verenigen met de overwegingen van de Kantonrechter dienaangaande. Het enkele feit dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten betekent niet ipso jure dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan haar te wijten is geweest. Daarvoor dient er nagegaan te worden wat de oorzaak daarvan is geweest en daar heeft de Kantonrechter zich in de visie van het Hof voldoende rekenschap van gegeven. Hoewel de man aanvoert dat hij zijn huwelijk met de vrouw nog een kans wenst te geven blijkt de vrouw daar niet langer voor open te staan. En aangezien de liefde niet van èèn kant kan komen maar wederzijds dient te zijn, kan voormeld voornemen van de man niet in vervulling gaan. Het voorgaande betekent evenwel in de visie van het Hof geenszins dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de vrouw toegerekend kan worden.

5.8. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door de man aangevoerde grieven zoals hiervoor weergegeven onder 5.5. niet gegrond zijn gebleken. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald ten aanzien van het familieverhoor aangezien het toendertijd minderjarig kind inmiddels meerderjarig is geworden. Het beroepen vonnis zal ten aanzien van dat onderdeel worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal dat onderdeel van het gevorderde alsnog worden afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zullen tussen partijen, die echtelieden zijn, worden gecompenseerd in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt.

5.9. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 25 juni 2018 en bekend in het Algemeen Register onder no. 17-1215, waarvan beroep met uitzondering van hetgeen daaromtrent onder 5.2. daarvan is bepaald met betrekking tot het familieverhoor;

6.2. Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

6.3. Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. daarvan;

En opnieuw rechtdoende ten aanzien van het bepaalde onder 5.2. van het beroepen vonnis:

6.4. Wijst af hetgeen dienaangaande is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan


Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld