SRU-HvJ-2018-67

G.R.No. 15114

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [gemeente], [land],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

INTERVAST SURINAME N.V., rechtspersoon,
gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: Intervast,
gemachtigde: mr. P. Sohansingh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 13 juni 2013 (A.R.No. 12-1990) tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en Intervast als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 4 juli 2013 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 7 april 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 5 mei 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 16 juni 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om een opdracht door [appellant] aan Intervast om voor hem een huis te bouwen. Dat was in 2001. [appellant] vindt dat Intervast bij de uitvoering van de opdracht fouten heeft gemaakt. [appellant] stelt dat hij daardoor schade heeft geleden en dat die fouten moeten worden hersteld.
Daarover heeft [appellant] een bodemgeschil aanhangig gemaakt. Zijn eisen zijn afgewezen bij een vonnis van de kantonrechter uit 2006, vooral omdat [appellant] niet repliceerde na het verweer van Intervast. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Er is geen hoger beroep ingesteld.
Opnieuw heeft [appellant] een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen Intervast, waarin hij dezelfde verwijten voorlegde ter beoordeling. Die procedure is geëindigd met een vonnis van de kantonrechter uit 2008. Daarin is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat het eerste vonnis gezag van gewijsde had.
Vervolgens heeft [appellant] een kort geding aangespannen. Dat was in 2012. Ook hier gaat het weer over dezelfde problematiek. Door Intervast is een tegenvordering ingesteld. De kantonrechter heeft in haar vonnis geoordeeld dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van beide partijen ontbreekt. De kantonrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd.

3. In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen spoedeisend belang is (grief 1) en dat zij dus ook ten onrechte de vordering niet inhoudelijk heeft beoordeeld (grief 2).

4. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft [appellant] in hoger beroep gesteld dat ‘de feiten (…) zeer duidelijk zijn’ (pleitnota, bladzijde 1, tweede alinea) en dat Intervast ‘duidelijk (heeft) gewanpresteerd’ en dat [appellant] ‘schade geleden’ heeft door die wanprestatie.
Dergelijke stellingen zijn geen gronden om een spoedeisend belang aan te kunnen nemen. De zaak krijgt geen spoed, zoals de wet bij korte gedingen vereist, doordat de vordering duidelijk is.
Ook bij de kantonrechter heeft [appellant] geen stellingen naar voren gebracht die tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van een spoedeisend belang.

5. Grief 1 slaagt niet. Daaruit volgt dat de kantonrechter – oordelende dat de vordering van [appellant] niet-ontvankelijk is – terecht geen oordeel meer heeft gegeven over de inhoud van het geschil. Ook grief 2 slaagt daarom niet.
Nu de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.

6. Ten overvloede overweegt het Hof dat [appellant] misbruik van procesrecht maakt door over deze kwestie een kort geding aanhangig te maken, terwijl hij al in een bodemprocedure over hetzelfde in het ongelijk is gesteld en dat vonnis in kracht van gewijsde is. Het past de advocaat van een partij niet het weer opnieuw te proberen, omdat diens cliënt ‘niet tevreden is met het resultaat van zijn ingediende vordering’ (conclusie van repliek in conventie, onder randnummer 4). Het recht heeft zijn loop gehad en dat behoort te worden aanvaard.

7. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

  • bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 juni 2013 (A.R.No. 12-1990), waarvan beroep,
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Intervast begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T.A.M. Kensmil namens advocaat mr. P. Sohansingh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-66

G.R.No. 15117

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

SURINAME COAST TRADERS N.V., rechtspersoon
gevestigd te Paramaribo,
appellant,
verder te noemen: SCT,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

P&D IMPEX N.V., rechtspersoon
gevestigd in het district Wanica,
geïntimeerde,
verder te noemen: P&D
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 26 november 2015 (A.R.No. 15-2909) tussen P&D als eiseres en SCT als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 1 december 21015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat SCT tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 maart 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 17 maart 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 7 juli 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat SCT daarin kan worden ontvangen.

2. De enige, ampel toegelichte grief van SCT houdt in dat de kantonrechter haar ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden zich te verweren tegen de eisen van P&D.
Deze eisen heeft de kantonrechter toegewezen, nadat zij had overwogen dat geen conclusie van antwoord was genomen terwijl SCT peremptoir stond.

3. De grief van SCT is niet van belang, want leidt in alle gevallen tot dezelfde uitkomst. Dat komt door de devolutieve werking van het hoger beroep. Als de grief zou falen, moet het Hof de zaak inhoudelijk beoordelen op grond van het debat van partijen. Het Hof kan immers de zaak niet terugverwijzen naar de kantonrechter na een eindvonnis. Als de grief zou slagen, gebeurt precies hetzelfde.

4. Het Hof beoordeelt de grief dus niet, maar gaat over tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het Hof constateert dat SCT in hoger beroep geen inhoudelijk verweer voert. Dat had zij moeten doen, gegeven het procesrecht zoals beschreven in nummer 3. Bij gebrek aan inhoudelijk verweer, komt de eis van P&D voor toewijzing in aanmerking.

5. Nu de grief geen effect kan hebben en geen beoordeling behoeft, terwijl het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.
SCT zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 26 november 2015 (A.R.No. 15-2909),
veroordeelt SCT in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van P&D begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. M.C. Mettendaf

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-65

G.R.No. 15119

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van
[Verzoekster sub 1], zowel voor zich als in haar hoedanigheid van voogdes over [de minderjarige],
[Verzoeker sub 2],
[Verzoeker sub 3],
verzoekers in request-civiel,
verder ook aan te duiden, gezamenlijk als de erven, de eerste hunner ook afzonderlijk als [verzoekster sub 1],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[Verweerster],
verweerster in request-civiel,
verder ook aan te duiden als [verweerster],
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat,

inzake het request-civiel tot herroeping van het vonnis van dit hof van 15 april 2016, G.R.No. 14815, op het hoger beroep tegen het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 13 juli 2011 tussen [verweerster] als eiseres en de erven als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • een inleidend verzoekschrift van 31 mei 2016;
  • een antwoordpleitnota van 6 januari 2017;
  • een repliekpleitnota in request-civiel van 3 februari 2017;
  • een dupliekpleitnota in request-civiel van 16 juni 2017
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 5 januari 2018 en volgens nader op heden.

De ontvankelijkheid van het request-civiel

Het request-civiel is tijdig en op de juiste wijze ingediend, zodat de erven daarin kunnen worden ontvangen.

Vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, dan wel blijkende uit de inhoud, voor zover niet weersproken, van overgelegde stukken, staan de volgende feiten tussen partijen vast.

[verweerster] is gehuwd geweest met [erflater] (hierna: de erflater). Staande huwelijk heeft de erflater in 1969 door koop de eigendom verworven van onroerend goed aan de [straatnaam] in Paramaribo (hierna: de woning). Het eigendomsrecht viel in de tussen de erflater en [verweerster] bestaande huwelijksgemeenschap.

Op enig moment is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De erflater en [verweerster] zijn niet tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap overgegaan. [verweerster] is met de kinderen in de woning gebleven totdat zij op enig moment naar Nederland is verhuisd. De erflater is op enig moment gehuwd met [verzoekster sub 1] en zij hebben met hun kinderen geruime tijd in de door [verweerster] inmiddels verlaten woning gewoond. Op 13 mei 1996 heeft de erflater bij testament de erven tot enige en algehele erfgenamen benoemd. Op 27 september 1997 is de erflater overleden.

Tussen partijen zijn tijdens de scheiding en deling (kennelijk: van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen de erflater en [verweerster] en mogelijk ook van de nalatenschap van de erflater) zwarigheden gerezen. Dat heeft geleid tot een zwarighedenprocedure onder A.R. No. 095410 tussen [verweerster] als eiseres en de erven als gedaagden. In die procedure hebben mondelinge verhoren plaatsgevonden op 21 juni 2010 en 29 juli 2010 en is een taxatierapport uitgebracht door de door de kantonrechter benoemde deskundige Welles, waarover partijen zich nog hebben uitgelaten. Daarna is op 13 juli 2011 het eindvonnis in die zaak uitgesproken waarbij de boedelscheidende notaris is bevolen een akte van scheiding en deling op te maken met als inhoud dat de tot de nalatenschap behorende woning aan [verweerster] zal worden toegewezen en dat deze wegens overbedeling aan de erven hun aandeel zal uitkeren, berekend aan de hand van het taxatierapportWelles. Tegen dit vonnis hebben de erven hoger beroep ingesteld, waarin zij echter bij vonnis van dit hof van 15 april 2016 niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Beoordeling van het request-civiel

De erven leggen aan het request-civiel ten grondslag dat [verweerster] in het geding gebruik heeft gemaakt van bedrog of arglist. Immers heeft de kantonrechter bij de comparitie van partijen uitdrukkelijk beslist dat de woning aan de erven wordt toegewezen tegen uitkering van de helft van de getaxeerde waarde aan [verweerster].

Niet duidelijk is wat nu precies de door de erven als bedrieglijk of arglistig beschouwde gedragingen van [verweerster] zijn. Met de comparitie waar de kantonrechter beslist zou hebben dat de woning aan de erven zou worden toegewezen, doelen de erven blijkbaar op het verhoor van 21 juni 2010, want alleen van die zitting en niet van die van 29 juli 2010 hebben zij het proces-verbaal in het geding gebracht. Dat proces-verbaal vermeldt echter niets over enige beslissing van de kantonrechter. Over de vraag aan wie de woning ware toe te delen houdt het proces-verbaal alleen de verklaring van [verweerster] in (de erven waren helemaal niet ter terechtzitting aanwezig):
In eerste instantie wilde ik dat het perceel en de woning aan de [straatnaam]aan mij zou worden toebedeeld, vanwege de emotionele waarde die ik eraan hecht. Ik was heel jong toen ik in het huwelijk trad en heb het perceel van mijn ouders cadeau gekregen. De zaak duurt echter al heel lang en ik heb na een gesprek met mijn kinderen besloten dat voormeld perceel aan de gedaagden kan worden toegewezen. Mijn kinderen en ik wensen wel uitbetaald te worden voor ons aandeel waar wij recht op hebben.
Deze verklaring, ook al is ze ten overstaan van de kantonrechter afgelegd, levert nog geen beslissing van de kantonrechter op. Ze levert ook geen overeenkomst tussen partijen op, alleen al omdat [verweerster] wel, maar de erven niet tegenwoordig waren. Bovendien heeft ze volgens het proces-verbaal slechts gezegd dat de woning aan de erven “kon” worden toegewezen, niet dat ze dat wenste. Dat kan niet anders worden begrepen dan dat ze (op dat moment) geen bezwaar maakte tegen de mogelijkheid dat de kantonrechter de woning aan de erven zou toedelen. Het kan teleurstellend voor de erven zijn geweest dat de kantonrechter bij het eindvonnis de belangen toch anders afwoog en toedeling aan [verweerster] beval, maar het hof ziet niet in hoe daaruit bedrog of arglist van [verweerster] kan worden afgeleid.

De erven beroepen zich ook op het testament van de erflater en stellen dat de kantonrechter daarmee niet in strijd mocht handelen. Echter, nog ervan afgezien dat daarmee nog geen bedrog of arglist van [verweerster] zou zijn gegeven, heeft de kantonrechter in het geheel niet in strijd met het testament gehandeld en beslist. Het testament houdt slechts in dat de erven als enige en algehele erfgenamen worden benoemd, maar bepaalt niets over de scheiding en deling van de nalatenschap en al helemaal niets over de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap die tussen de erflater en [verweerster] had bestaan en die wel was ontbonden, maar nog niet gescheiden en gedeeld.

Zoals hiervoor vermeld heeft [verweerster] ter comparitie gezegd dat de woning verkregen is doordat deze haar staande het huwelijk door haar ouders geschonken is. Dat gegeven heeft in de afweging door de kantonrechter in het eindvonnis ook een rol gespeeld. In werkelijkheid echter is de woning gekocht door [erflater], naar [verweerster] heeft gesteld met door haar ouders voor dat doel geschonken geld. Voor zover de erven hier bedrog en arglist van [verweerster] zien, moet het hof dat standpunt verwerpen. In de eerste plaats is het begrijpelijk en aanvaardbaar dat het voor [verweerster] en voor haar woordkeus geen verschil maakt of de woning ten geschenke is gekregen of gekocht is met ten geschenke gekregen geld en het valt niet te verwachten dat het voor de afweging in het eindvonnis wel verschil gemaakt zou hebben. In de tweede plaats zouden de erven daarmee hun request-civiel op een ander middel gronden dan hun verzoekschrift behelsde, wat artikel 300 Rv verbiedt.

Op grond van het hiervoor overwogene moet het request-civiel worden afgewezen.

De beslissing in request-civiel:

Het Hof:

wijst het request-civiel af;

veroordeelt de erven in de kosten van het geding en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van [verweerster] gevallen, op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S.J.S. Bradley, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-64

G.R.No. 15121

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[De vrouw],
wonende in het [district],
appellante,
verder te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. I. Lalji, advocaat,

tegen

[De man],
wonende in het [district],
geïntimeerde,
verder te noemen: de man,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 25 maart 2013 (A.R.No. 11-4341) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 3 april 2013 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de vrouw tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 2 juni 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 7 juli 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 6 oktober 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 3 november 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin kan worden ontvangen.

2. Het gaat in deze zaak om de vraag of het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en of dat in overwegende mate aan de man is te wijten.

3. De man stelt onweersproken dat partijen al jaren niet meer samenwonen en ieder een eigen leven hebben opgebouwd. Partijen stellen over en weer dat dit nieuwe leven door de ander wordt gedeeld met een nieuwe vaste partner (van de man) of meer opvolgende partners (van de vrouw). De man stelt voorts in zeer duidelijke bewoordingen dat hij nooit meer iets van de vrouw wil weten.
Tegen deze achtergrond is niets te verwachten van de vergiffenis die de vrouw stelt aan de man gegeven te hebben – de man betwist overigens dat hem iets vergeven hoeft te worden – en van de huwelijkstherapie die de vrouw voorstelt. Het Hof oordeelt vast dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht.

4. De vrouw stelt, subsidiair, dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan de man te wijten is. Zij beroept zich in het verlengde daarvan op artikel 226 BW. Dat bepaalt dat een vordering tot echtscheiding niet kan worden ingesteld door de huwelijkspartner aan wie de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate is te verwijten, als de andere partner daartegen verweer voert.

5. Het Hof stelt vast dat in deze rechtszaak – buiten de vordering tot het treffen van één voorlopige voorziening betreffende het gebruik van de echtelijke woning – niet méér vorderingen zijn ingediend dat die tot de echtscheiding als zodanig en die tot scheiding en deling. Gegeven de door het Hof al vastgestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk, heeft de vrouw bij haar verweer dat dit in overwegende mate aan de man is te verwijten geen belang. Het huwelijk zal immers duurzaam ontwricht blijven, wat de echtscheiding rechtvaardigt. Mogelijk dat het verweer van de vrouw van belang is voor het bepalen van partneralimentatie, maar dan moeten haar argumenten in een eventuele procedure daarover worden gewogen.
Het Hof passeert daarom het verweer van de vrouw, waaruit volgt dat de echtscheiding terecht is uitgesproken door de kantonrechter.

7. Nu de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.
De aard van de zaak brengt mee dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 25 maart 2013 (A.R. No. 11-4341);

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. M.S.H. Boedhoe namens advocaat mr. I.S. Lalji, gemachtigde van appellante en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2007-54

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-595

[Verzoeker], wonende aan [adres 1] in het [district 1], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijnen Parkette aan de H.A.E. Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.M.S.Ishaak, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hoven interlocutoire vonnissen respectievelijk van 19 januari 2007 en 6 juli 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 augustus 2007, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 19 januari 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder bij monde van zijn gemachtigde, Mr.R.Lala, Coördinator Juridische Zaken op het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, tijdens de comparitie van partijen van 23 februari 2007 – voorzover ten deze van belang – onder meer heeft verklaard, dat het verweerder bekend is dat verzoeker bij besluit, vervat in het schrijven van de Directeur van het Ministerie van Onderwijs de dato 11 augustus 2004, Ag 2930, was ontslagen; dat dit ontslag naderhand ongedaan gemaakt is en wel op 19 mei 2006; dat dat gebeurd is bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 19 mei 2006 AD.[nummer 1]; dat de reden waarom het ontslag ongedaan gemaakt is, is omdat naderhand de leiding van het Ministerie gebleken was, en wel bij schrijven van de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, dat verzoeker aangehouden was en in verzekering gesteld, en niet dat hij onwettig afwezig was, welke grond aanleiding was voor verweerder verzoeker te ontslaan althans het dienstverband met verzoeker te beëindigen; dat verzoeker, nadat hij gerehabiliteerd was zijn salaris over de periode augustus 2004 tot en met mei 2006 uitgekeerd gekregen heeft; dat tot slot moge worden verklaard dat verzoeker in 1996 in dienst trad van verweerder als bewaker;

Overwegende, dat verzoeker, daartoe in de gelegenheid gesteld bij tussenvonnis van 6 juli 2007, ter terechtzitting van 20 juli 2007 een conclusie nà comparitie heeft genomen, waarvan de inhoud in dit vonnis als letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt;

Overwegende, dat, wat van het zijdens verzoeker gestelde in voormelde conclusie ook moge zijn, het Hof aan bespreking daarvan voorbijgaat nu verzoeker blijkens het petitum slechts volstaan heeft met te vorderen de vernietiging althans nietigverklaring van de beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 12 oktober 2004 AD [nummer 2];

Overwegende, dat nu verweerder, naar tussen partijen in rechte thans vaststaat als niet weersproken zijdens verzoeker, het besluit van de directeur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 11 augustus 2004 Ag.[nummer 3] bij beschikking van de Minister van Onderwijs en Volksontwikkeling de dato 19 mei 2006 AD [nummer 1], ongedaan gemaakt heeft en verzoeker mitsdien geen belang meer heeft bij het zijdens hem gevorderde, zal het Hof hem alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering tegen verweerder;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.K.Pultoo en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 24 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advokaat Mr.R.M.C.Denz namens de gemachtigden van partijen.

M.H

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2014-32

G.R. No. 14682

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Staat Suriname, met name het Ministerie van Openbare Werken,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gemachtigde: mr. I. Gangabisoensingh, jurist op het Ministerie van Openbare Werken en verbonden aan het Bureau Landsadvocaten,

tegen

[Geïntimeerde], architect,
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”[geïntimeerde] ”,
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 7 juli 2011 (A.R. No. 100975) tussen [geïntimeerde] als eiser en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat de Staat bij schrijven van zijn

procesgemachtigde op 14 juli 2011 hoger beroep heeft ingesteld;

– de memorie van grieven d.d. 4 augustus 2011, met een productie;

– de pleitnota d.d. 1 juni 2012, met producties;

– de antwoord pleitnota d.d. 3 augustus 2012;

– de repliek pleitnota d.d. 5 oktober 2012, met een productie;

– de dupliek pleitnota d.d. 18 januari 2013.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2.1 Uit de verklaring van de griffier der kantongerechten blijkt dat op 14 juli 2011 de Staat bij schrijven van zijn procesgemachtigde van 13 juli 2011 appèl heeft aangetekend tegen het bestreden vonnis.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft de Staat tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat de Staat ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De vordering, de grieven en het verweer

3.1 De Staat concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde].

3.2 [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

4 Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1 [geïntimeerde] heeft het project inhoudende de renovatie van de penitentiaire inrichting Hazard besteksklaar gemaakt. De opdracht daartoe is hem verleend bij schrijven van de Directeur van Openbare Werken d.d. 11 mei 2001.

4.2 [geïntimeerde] heeft de Directeur van Openbare Werken bij brief van 4 februari 2005 doen toekomen een offerte voor de directievoering en het houden van toezicht bij de renovatie van de Strafinrichting Hazard. De geoffreerde declarabele kosten bedroegen USD 13.500,= per maand. De in dit schrijven vermelde projectduur is 12 maanden.

4.3 De Directeur van het Ministerie van Openbare Werken heeft een schrijven d.d. 24 november 2006 gericht aan [geïntimeerde] waarin staat: “Middels deze doe ik u toekomen een exemplaar van het contract inzake ”het geheel renoveren van het cellenhuis, diverse opstallen en bijbehoren gelegen op het terrein van de strafinrichting Hazard in het distrikt Nickerie”. Ik moge U vragen conform het contract de uitvoering van dit projekt ter hand te nemen.”

4.4 [Geïntimeerde], de aannemer O. Bien en de vertegenwoordiger van de Strafinrichting Hazard hebben een proces-verbaal van 1ste oplevering van het project ondertekend. In dit document is vermeld dat de oplevering plaatsvindt op donderdag 10 april 2008.

4.5 De Directeur van Openbare Werken heeft een schrijven d.d. 31 december 2008 gericht aan de Directeur van Justitie en Politie waarin staat:

”In antwoord op uw schrijven dd. 27 november 2008 moge ik onder uw aandacht brengen dat alvorens er een begin gemaakt werd met de uitvoering van het project, aan de architect is gevraagd naar een offerte voor directievoering gebasseerd op alle gemaakte kosten (…).

De offerte van dhr. [geïntimeerde] hebben wij op 04 februari 2005 ontvangen. De bouwtijd van het project was gepland voor 12 maanden, maar is door extra werkzaamheden uitgelopen tot 17 maanden. Voorts moge ik u mededelen dat het aanbestedingsklaar maken en alles wat daarmee gepaard gaat, van voornoemd projekt dateert vanaf de periode 2001 en de daadwerkelijke uitvoering heeft pas in 2006 plaatsgevonden.

Dat het projekt is uitgelopen van 12 naar 17 maanden is het gevolg van de enorme achteruitgang van het complex gedurende de periode tussen 2001 en 2006.

Gedurende deze periode was de toestand van bepaalde opstallen in zodanige staat dat de voorheen geplande werkzaamheden uitgebreid moesten worden. Enkele gebouwen moesten gesloopt en opnieuw worden opgezet.

De werkzaamheden van het architectenbureau [geïntimeerde] zijn conform het bestek en aanwijzingen van de directie van Hazard uitgevoerd.”

4.6 [Geïntimeerde] heeft de Directeur van Openbare Werken bij schrijven d.d. 6 juni 2008 doen toekomen de declarabele kosten over de periode november 2006 tot en met maart 2008, totaal bedragend USD 229.500,= (17 maanden à USD 13.500,=).

4.7 [Geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd de Staat te veroordelen om hem bij wijze van voorschot te betalen het bedrag van USD 250.000,= . [Geïntimeerde] heeft daarbij gesteld dat hij door het niet nakomen van de Staat in liquiditeitsproblemen is komen te verkeren, waardoor hij genoodzaakt was een lening aan te gaan om zijn bedrijf draaiende te houden. Hij heeft derhalve schade geleden bestaande uit de rente die hij voor de lening heeft moeten betalen.

Hij heeft in zijn verzoekschrift in eerste aanleg gesteld dat de Staat hem verschuldigd is:

Declarabele kosten 17 maanden à USD 13.500,= USD 229.500,00
Betaalde rente ten aanzien van een lening USD 54.057,15
Gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten USD 16.065,00
Totaal USD 299.622,15

4.8 De Kantonrechter heeft in het vonnis van 7 juli 2011 de Staat veroordeeld om bij wijze van voorschot USD 250.000,= te betalen aan [geïntimeerde]. Daartoe is door de Kantonrechter overwogen dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde documenten en de verklaringen zijdens de Staat afgelegd tijdens de comparitie van partijen voldoende aannemelijk is geworden dat er een overeenkomst bestond voor de directievoering van de renovatie van Hazard. Uit de stukken blijkt volgens de Kantonrechter dat sprake is van een offerte van [geïntimeerde], dat daarna een opdracht is verstrekt waarna de Staat gedurende 17 maanden de directie heeft laten voeren door [geïntimeerde]. Uit deze omstandigheden in onderlinge samenhang bekeken, heeft de Kantonrechter geconcludeerd dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Uit de overgelegde documenten bleek naar het oordeel van de Kantonrechter eveneens dat de uitloopperiode niet het gevolg is geweest van zaken die in de risicosfeer van [geïntimeerde] lagen. Ten aanzien van de schade is door de Kantonrechter overwogen dat de Staat die niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, waardoor die ook aannemelijk is geacht.

4.9.1 De Staat heeft tegen het bestreden vonnis allereerst als grief aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte op basis van de aanbieding van een offerte door [geïntimeerde] en op basis van de door [geïntimeerde] tijdens het geding overgelegde documenten heeft aangenomen dat tussen partijen sprake is van een overeenkomst.

4.9.2 Ingaand op vorenstaande grief constateert het Hof allereerst dat de Staat heeft nagelaten te motiveren waarom de Kantonrechter ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep zal nochtans het Hof het rechtsgeding tussen partijen in zijn geheel in overweging nemen, waarbij tevens aandacht zal worden geschonken aan de zijdens de Staat opgeworpen bezwaren.

Allereerst wordt daarbij gelet op het feit dat [geïntimeerde] met betrekking tot de directievoering op het project een offerte heeft doen toekomen aan de Staat. Daarnaast wordt door het Hof geconstateerd dat uit het onder 4.3 van dit vonnis vermeld schrijven blijkt dat door de Directeur van Openbare Werken aan [geïntimeerde] is gevraagd om de uitvoering van het betreffend project conform het contract ter hand te nemen. De Staat heeft weliswaar aangevoerd dat het in voornoemd schrijven bedoeld contract niet is een dienstverleningscontract met [geïntimeerde], maar dat met het contract werd bedoeld het met de aannemer gesloten contract. Echter is het Hof van oordeel dat, nu [geïntimeerde] als architect gevraagd wordt de uitvoering ter hand te nemen, dit slechts op de directievoering betrekking kan hebben gehad.

Uit het proces-verbaal van de eerste oplevering van het project d.d. 10 april 2008 blijkt naar het voorlopig oordeel van het Hof dat [geïntimeerde] anno april 2008 betrokkenheid had bij het project. Dit document, dat het brievenhoofd van het architectenbureau van [Geïntimeerde] draagt, is naast door [geïntimeerde] zelve medeondertekend door de vertegenwoordiger van de penitentiaire inrichting Hazard en de aannemer.

In het schrijven onder 4.5 van dit vonnis genoemd, is door de Directeur van Openbare Werken er melding van gemaakt dat [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht in het kader van de uitvoering van het betreffend project.

Het Hof constateert verder dat de Staat in zijn conclusie van antwoord sub 7 heeft aangevoerd dat op [geïntimeerde] de verplichting rustte om ervoor te waken dat de aannemer binnen de contractueel vastgestelde uitvoeringsduur het project realiseerde; dit is een taak die naar dezerzijds voorlopig oordeel rust op degene die verantwoordelijk is voor het houden van toezicht op de uitvoering van het project. Daarnaast is tijdens de op 15 maart 2011 gehouden comparitie van partijen door de Staat erkend dat [geïntimeerde] een overeenkomst heeft met de Staat, inhoudend dat Mac Nack de projecten moest begeleiden.

Al het hiervoor weergegevene leidt tot de gevolgtrekking dat de Kantonrechter terecht aannemelijk heeft geacht dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen betreffende het houden van toezicht op de uitvoering van het betreffend project. De ter zake opgeworpen grief wordt dan ook verworpen.

4.10.1 De Staat heeft tegen het bestreden vonnis aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er tussen partijen een dienstverleningsovereenkomst voor de duur van 17 maanden is.

De Staat heeft voorts in zijn pleitnota aangevoerd dat de werkzaamheden in het tijdsverloop van 17 maanden lange tijd waren gestaakt en [geïntimeerde] toen geen toezicht heeft gehouden op werkzaamheden, zodat geen sprake is van directievoering gedurende 17 maanden. De Kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat uit de door [geïntimeerde] overgelegde documenten voldoende aannemelijk is geworden dat er tussen partijen een overeenkomst bestond voor de duur van 17 maanden.

De Staat heeft daarbij tevens verwezen naar zijn conclusie van dupliek.

4.10.2 Het Hof constateert dat in het schrijven vermeld onder 4.5 van dit vonnis, de Directeur van Openbare Werken heeft verklaard dat het project gepland was voor 12 maanden, maar door extra werkzaamheden is uitgelopen tot 17 maanden. Dit schrijven is door de Staat niet betwist.

Daarnaast blijkt uit de door de Staat overgelegde aannemingsovereenkomst dat de aannemer uiterlijk 14 dagen na 3 november 2006, dus uiterlijk 17 november 2006, een aanvang diende te hebben gemaakt met de uitvoering van het project.

Uit het proces-verbaal van eerste oplevering blijkt dat de oplevering plaats heeft gevonden op 10 april 2008. De Staat heeft weliswaar aangevoerd dat dit document niet gezien kan worden als een proces-verbaal van eerste oplevering, maar heeft de daarin vervatte informatie niet betwist, noch het document van valsheid beticht. De Staat heeft slechts aangevoerd dat uit dit document niet blijkt welke duur de werkzaamheden hebben gehad.

Het Hof acht dan ook vooralsnog aannemelijk dat de eerste oplevering van het project op 10 april 2008 heeft plaatsgehad, zodat tussen de start en de eerste oplevering van het project een periode van 17 maanden heeft gelegen.

4.10.3 Het Hof constateert dat in de conclusie van dupliek de Staat zich op het standpunt heeft gesteld dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen, doch dat de Staat bereid is de toezichtskosten gedurende 5 maanden te betalen zoals aanvankelijk voor het project is uitgezet. Tevens wordt geconstateerd dat de Staat in de conclusie van dupliek onder punt 5 er zelf melding van maakt dat de termijn van uitvoering van de werkzaamheden is uitgelopen met 300%, alsook dat tijdens de comparitie van partijen van 15 maart 2011 de gemachtigde van de Staat heeft verklaard moeite te hebben met de uitlooptijd van 17 maanden.

Uit het onder 4.5 van dit vonnis vermeld schrijven van de Directeur van Openbare Werken blijkt daarnaast dat de uitloop van het project naar 17 maanden is veroorzaakt doordat het project in het jaar 2001 is gereedgemaakt voor de aanbesteding, terwijl de uitvoering in het jaar 2006 is gestart, zodat als gevolg van de enorme achteruitgang van het complex in de periode tussen 2001 en 2006, diverse meerwerken zijn uitgevoerd.

Op basis van de hierboven weergegeven documenten is naar het voorlopig oordeel van het Hof aannemelijk dat de uitvoering van het project 17 maanden in beslag heeft genomen.

Het Hof concludeert derhalve dat de Kantonrechter terecht aannemelijk heeft geacht dat [geïntimeerde] gedurende een periode van 17 maanden toezicht heeft gehouden op de uitvoering. Ook deze grief faalt.

4.11.1 De Staat heeft verder, weliswaar onvoldoende gemotiveerd, aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er voor het toezicht een prijs van USD 13.500,= is afgesproken.

4.11.2 Het Hof constateert dat tijdens de comparitie van partijen van 15 maart 2011 de gemachtigde van de Staat tot uitgangspunt heeft gehad dat voor het toezicht een maandelijks bedrag van USD 13.500,= betaald diende te worden, hetgeen het door [geïntimeerde] geoffreerd bedrag is. Verder constateert het Hof dat tijdens de procedure in eerste aanleg de hoogte van de voor het toezicht aan [geïntimeerde] te betalen vergoeding, nimmer door de Staat is betwist.

De Kantonrechter heeft derhalve naar dezerzijds voorlopig oordeel terecht aannemelijk geacht dat de maandelijkse vergoeding voor het houden van toezicht op de uitvoering van het project USD 13.500,= bedroeg. Nu in de procedure in hoger beroep de Staat niet gemotiveerd heeft waarom de aanname van de Kantonrechter dat voor het toezicht op het project het bedrag van USD 13.500,= per maand verschuldigd was, onjuist was en zulks naar ’s Hof voorlopig oordeel niet blijkt uit de processtukken, zal het Hof bij de verdere beoordeling ervan uitgaan dat dit bedrag tussen partijen is afgesproken als maandelijkse vergoeding voor het houden van het toezicht op het project. De ter zake opgeworpen grief faalt dus.

4.12 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Hof tot het oordeel dat de Kantonrechter in de procedure in eerste aanleg terecht aannemelijk heeft geacht dat er tussen partijen een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten bestond en dat de Staat gehouden is ook voor de verlengde termijn van de werkzaamheden te betalen.

4.13 Het Hof constateert dat de door [geïntimeerde] gestelde schade niet is betwist door de Staat, zodat die, gelijk door de Kantonrechter is overwogen, aannemelijk wordt geacht.

4.14 Het Hof constateert ten slotte dat geen der grieven die de Staat tegen het bestreden vonnis heeft opgeworpen slaagt, en dat heroverweging van rechtsstrijd tussen partijen geen aanleiding geeft tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, zodat dit vonnis door het Hof zal worden bevestigd.

4.15 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

5.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 7 juli 2011, A.R. No. 100975, waarvan beroep.

5.2 Veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in beide instanties aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 363,=.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 oktober 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens mr. I. Gangabisoensingh, gemachtigde van appellant, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.N. Adhin namens advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende in het [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

N.V. GRASSHOPPER ALUMINUM COMPANY (N.V. GRASSALCO),
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Grassalco”,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

gelet op de door het Hof gewezen tussenvonnissen van 03 juni 2011 en 01 november 2011 inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis in Kort Geding van 20 december 2005 (A.R.no. 02-1269) tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens gedaagde in reconventie en Grassalco als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,

spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het verdere procesverloop

  1. Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– het tussenvonnis d.d. 03 juni 2011;

– de akte uitlating zijdens [appellant] genomen d.d. 04 november 2011;

– het tussenvonnis d.d. 01 november 2013;

– de akte uitlating zijdens Grassalco genomen d.d. 17 januari 2014;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

  1. Het Hof volhardt geheel bij hetgeen in meergenoemde tussenvonnissen is overwogen en beslist.

2.1 [Appellant] heeft zich ingevolge het tussenvonnis d.d. 03 juni 2011 bij akte uitgelaten, erop neerkomende dat hij recht heeft op een eindbeslissing van het Hof over de gegrondheid c.q. rechtmatigheid van de gegeven schorsing, die van belang is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de ontslagvergunning.

2.2 Grassalco heeft zich in reactie op vermelde uitlating van [appellant] ingevolge het tussenvonnis d.d. 01 november 2013 eveneens uitgelaten, erop neerkomende dat [appellant] geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij het door hem gevorderde, omdat de dienstbetrekking met [appellant] inmiddels per 31 december 2002 – na een verkregen ontslagvergunning – regelmatig is beëindigd. De opschorting van het schorsingsbesluit zal immers de dienstbetrekking niet doen herleven, evenmin de functie van [appellant].

2.3 Op grond van vermelde uitlatingen overweegt het Hof om tot de verdere beoordeling van het geschil tussen partijen over te gaan.

2.4 In conventie heeft [appellant] aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat de benoeming van de nieuwe raad van commissarissen (RVC) van Grassalco op de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van 23 januari 2001 niet statutair is geschied, waardoor de door die (nieuwe) RVC genomen besluiten nietig althans vernietigbaar zijn, waaronder het op 15 februari 2002 genomen besluit om [appellant] per dezelfde datum te schorsen.

2.5 Grassalco heeft tegen het door [appellant] gestelde aangevoerd dat op voornoemde AVA het hele geplaatste kapitaal aanwezig was, aangezien de Staat Suriname enige aandeelhouder van Grassalco is. Hierdoor konden de op voornoemde AVA genomen besluiten ingevolge artikel 86 van het Wetboek van Koophandel (WvK), rechtsgeldig worden genomen zonder dat de formele eisen voor het houden van een AVA in acht hoefden te worden genomen. Met name was de termijn van 3 jaren waarvoor de (oude) RVC was benoemd, reeds verstreken en is op basis van artikel 86 WvK de AVA bijeengeroepen. De schorsing van [appellant] als president-direkteur is derhalve rechtsgeldig geschied conform artikel 6 leden 5, 6 en 7 van de Statuten van Grassalco.

2.6 Het Hof stelt voorop dat artikel 86 WvK niet op zichzelf staand is, maar in samenhang met artikel 85 WvK dient te worden bezien:

Artikel 85 WvK

Tenzij bij de akte van oprichting anders is bepaald, geschiedt de oproeping tot een algemene vergadering door een aankondiging in een in Suriname verschijnend nieuwsblad, behoudens het bepaalde bij de tweede zin van het eerste lid van artikel 83.

Artikel 86 WvK

Bij de oproeping worden de te behandelen onderwerpen vermeld of wordt medegedeeld, dat de aandeelhouders er ten kantore van de vennootschap kennis van kunnen nemen.

Omtrent onderwerpen, ten aanzien waarvan zulks niet is geschied en welker behandeling niet alsnog op overeenkomstige wijze is aangekondigd met inachtneming van de voor de oproeping gestelde termijn, mag slechts wettelijk worden besloten indien het besluit met algemene stemmen wordt genomen in een vergadering, waarin het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is.

Op grond van de artikelen 85 en 86 WvK concludeert het Hof dat artikel 86 WvK slechts dan van toepassing is, als de akte oprichting c.q. de statuten niet voorzien in de wijze van oproeping van een AVA.

Artikel 11 statuten

  1. De leden van de raad van commissarissen worden benoemd en ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders. De benoemingen gelden voor de tijd van drie jaar, in dier voege, dat de betrokken commissaris aftreedt in de derde jaarvergadering na de vergadering, waarin hij is benoemd. Het lid, dat tussentijds is benoemd treedt af op het tijdstip, waarop degene, die hij vervangt, zou zijn afgetreden.

Artikel 16 statuten

  1. De oproeping voor de algemene vergaderingen van aandeelhouders geschieden door of namens de voorzitter van de raad van commissarissen.
  2. Tussen de oproeping en de dag der vergadering moet tenminste een tijdvak van veertien dagen verlopen.
  3. De raad van commissarissen stelt de in de vergadering te behandelen onderwerpen vast. Geen voorstellen komen in behandeling, die niet tenminste vijftien dagen voor de vergadering schriftelijk ter kennis van de raad van commissarissen zijn gebracht.
  4. De punten van behandeling worden vanaf de dag van oproeping der vergadering ten kantore der vennootschap voor de aandeelhouders ter inzage gelegd.

Artikel 17 statuten

  1. De algemene vergaderingen van aandeelhouders worden geleid door de voorzitter van de raad van commissarissen of bij diens afwezigheid door een ander door de raad van commissarissen aan te wijzen lid van deze raad.
  2. Van het ter vergadering verhandelde worden notulen gehouden door de secretaris van de raad van commissarissen. De notulen worden ondertekend door de voorzitter van de vergadering en een door de vergadering aan te wijzen persoon.

Nu de statuten van Grassalco, met name de artikelen 11, 16 en 17 de wijze van opvolging van een RVC, van oproeping ten behoeve van AVA en van het houden van een AVA van Grassalco duidelijk voorschrijven, overweegt het Hof dat er geen reden aanwezig was om af te wijken van de statuten. Immers, was de (oude) RVC voor 23 januari 2001 nog in functie. Het Hof houdt het daarom ervoor dat de AVA van 23 januari 2001 niet conform de statuten is geschied. Het beroep van Grassalco op artikel 86 WvK met betrekking tot de op 23 januari 2001 in afwijking het de statuten gehouden AVA gaat derhalve niet op.

Dat [appellant] op voornoemde AVA gezegd zou hebben ‘blij te zijn met de benoeming van de (nieuwe RVC)’ doet daaraan niet af, evenmin dat het gehele geplaatste kapitaal op de AVA aanwezig was. Grassalco dient te handelen conform haar statuten. Als gevolg hiervan is de op 23 januari 2001 gedane benoeming van de (nieuwe) RVC niet rechtsgeldig, als gevolg waarvan die (nieuwe) RVC dus geen rechtsgeldige besluiten kon nemen en evenmin bevoegd was om [appellant] als president-direkteur te schorsen. Het Hof concludeert derhalve dat het schorsingsbesluit d.d. 15 februari 2002, waarbij [appellant] in zijn functie van president-direkteur van Grassalco is geschorst, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in een bodemprocedure vernietigd zal worden. Het onder A gevorderde in prima kan daarom worden toegewezen. De aard van de vordering brengt met zich mee dat deze niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.

2.7 Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton in het vonnis waarvan beroep, ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn overwegingen met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het schorsingsbesluit in de tussenvonnissen d.d. 17 april 2003 en 29 september 2005. De Kantonrechter had in de eindbeslissing tenminste dienen te motiveren waarom hij niet heeft volhardt bij de eerdere overwegingen, indien hij een andere mening was toegedaan. Nu de comparitie van partijen niet bij tussenvonnis doch bij rolbeschikking was gelast, had de Kantonrechter zich ervan moeten vergewissen dat partijen ter terechtzitting aanwezig waren om kennis te nemen van de rolbeschikking, alvorens de consequentie aan de niet-verschijning van [appellant] ter comparitie te verbinden.

De grieven van [appellant] zijn derhalve gegrond en dient het vonnis waarvan beroep vernietigd te worden.

2.8 Met betrekking tot het onder B, C en D gevorderde in prima overweegt het Hof dat [appellant] ingaande 31 december 2002 ontslag is aangezegd op grond van de door de Minister van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu verleende ontslagvergunning op 11 september 2002, op aanvraag van de aandeelhouder –dus niet door de RVC – zoals overwogen in voornoemde vergunning. Nu de ontslagvergunning zelf niet ongedaan gemaakt kan worden – hetgeen wordt bevestigd door [appellant] in zijn uitlating d.d. 04 november 2011, wordt het ervoor gehouden dat [appellant] niet meer zal dienen in de functie van president-direkteur, waardoor hij geen belang meer heeft bij het gevorderde. Nu het gevorderde in prima onder B, C en D inherent is aan de functie van president-direkteur, zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering in prima onder B, C, en D tegen Grassalco.

Ten overvloede overweegt het Hof dat [appellant] bij vermelde uitlating aangegeven heeft belang te hebben bij een rechterlijke beslissing over de gegrondheid c.q. rechtmatigheid van de schorsing. Het Hof begrijpt hieruit dat [appellant] geen belang meer heeft bij de overige vorderingen in prima.

2.9 Grassalco heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat [appellant] het dienstvoertuig van het merk Mitsubishi L 200 pick-up, gekentekend [nummer 1], die hij op 15 april 2002 zonder toestemming van Grassalco heeft weggenomen, aan Grassalco afstaat, daar [appellant] als president-direkteur is geschorst en voormelde voertuig, zijnde een dienstvoertuig, voor de dienst behoort te worden ingezet.

2.10 Hoewel het Hof heeft geconcludeerd tot opschorting van het schorsingsbesluit in conventie, brengt het ontslag van [appellant] ingaande 31 december 2002 met zich mee – mede in acht nemende de overweging onder 2.8 in dit vonnis – dat [appellant] niet gerechtigd is tot een dienstvoertuig, waardoor [appellant] het voertuig van het merk Mitsubishi L200 pick-up gekentekend [nummer 1], toebehorende aan Grassalco, onrechtmatig onder zich heeft en dient hij voormelde voertuig wederom af te geven aan Grassalco. Het gevorderde in reconventie zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom per dag zal worden gesteld op SRD 1000,- en gemaximeerd op SRD 100.000,-.

2.11 [Appellant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

In conventie

3.1 Vernietigt het vonnis in kort geding van 20 december 2005 (A.R.no. 02-1269), waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

3.2 Schort op het besluit tot schorsing van [appellant] als president-directeur van Grassalco, vervat in het deurwaardersexploot d.d. 15 februari 2002 van de gerechtsdeurwaarder Debipersad Hieralal, totdat hierover in bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist.

3.3 Verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het onder B, C en D van het petitum in eerste aanleg gevorderde.

In reconventie

3.4 Veroordeelt [appellant] om binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis, het dienstvoertuig van het merk Mitsubishi L200 pick-up, gekentekend 13-83 DV aan Grassalco af te staan ten kantore van Grassalco, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1000,- (eenduizend Surinaamse Dollar) per dag, voor elke dag dat [appellant] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de totaal te verbeuren dwangsommen het bedrag van SRD 30.000,- (Dertigduizend Surinaamse Dollar) niet zal overschrijden.

3.5 Verklaart hetgeen onder 3.4 is beslist, uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie

3.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

3.7 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van Grassalco gevallen en tot aan de uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en bij vervroeging door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2014-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende in het [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

N.V. Grasshopper Aluminium Company (N.V. Grassalco),
rechtspersoon, gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Grassalco”,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 27 mei 2010 (A.R.NO. 10-1834) tussen Grassalco als eiseres in kortgeding en [appellant] als gedaagde in kortgeding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handeling:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant]op 09 juni 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 04 februari 2011;
  • het antwoordpleidooi d.d. 01 april 2011;
  • het repliekpleidooi met producties d.d. 20 mei 2011;
  • het dupliekpleidooi met uitlating producties d.d. 21 oktober 2011;
  • het tussenvonnis d.d. 01 november 2013;
  • het proces-verbaal van de niet gehouden comparitie van partijen d.d. 10 december 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 februari 2014, doch nader bepaald op heden.
  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Partijen waren op de dag van de uitspraak (27 mei 2010) respectievelijk door mr. Telting en mr. Mungra namens hun respectieve gemachtigden ter terechtzitting vertegenwoordigd. [appellant] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 09 juni 2010 appèl aangetekend.

2.2 [appellant] heeft derhalve tijdig het appèl aangetekend en is daarin ontvankelijk.

  1. De feiten

3.1 Grassalco is bij vonnis gewezen en uitgesproken op 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) ondermeer veroordeeld om binnen een week na betekening van dat vonnis, op te heffen, het door deurwaarder Bhoelan op 22 augustus 2008 gelegd executoriaal beslag op het recht van grondhuur op het perceel bekend als [adres 1] zoals nader omschreven in vermeld vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5000,- voor elke dag dat Grassalco niet aan het vonnis voldoet. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2 Vermeld vonnis van 01 april 2009 is door [appellant]bij exploot no. 730 van deurwaarder Dasimin Toekimin op 25 augustus 2009 aan Grassalco betekend.

3.3 [appellant] heeft op 25 maart 2010 bij exploot no. 285 van deurwaarder Dasimin Toekimin, Grassalco aangemaand tot betaling van de opgelopen dwangsommen vanaf 02 september 2009 tot en met 25 maart 2010 ten bedrage van SRD 1.025.000,- met de aanzegging dat bij niet betaling zal worden overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag.

3.4 Grassalco heeft het vermeld executoriaal beslag op 29 maart 2010 opgeheven.

3.5 [appellant] heeft op 29 april 2010 bij exploot no. 355 van deurwaarder Dasimin Toekimin in executoriaal beslag genomen het recht van grondhuur toebehorende aan Grassalco op het perceelland gelegen te Paramaribo aan de [plaats 2].

3.6 [appellant]heeft op 29 april 2010 bij exploten no.’s 360, 361 en 362 executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van Grassalco onder de in die exploten vermelde bankinstellingen.

3.7 [appellant] heeft vermelde executoriaal gelegde beslagen op 03 mei 2010 bij exploten no.’s 380 en 384 van deurwaarder Dasimin Toekimin, aan Grassalco betekend.

3.8 Bij vonnis van 27 mei 2010 (A.R.No. 10-1834) heeft de kantonrechter de vermelde executoriale beslagen opgeheven en is [appellant]bevolen om de ten uitvoerlegging van het vonnis van 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) te staken en voorts zich daarvan te onthouden, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat [appellant]het vonnis overtreedt tot een maximum van SRD 50.000,-. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.9 Tegen vermeld vonnis van 27 mei 2010 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld op 09 juni 2010.

  1. De vordering in eerste aanleg

Grassalco heeft in kort geding, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: 1. de door [appellant] gelegde executoriale beslagen op te heffen;

  1. [appellant] te veroordelen om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) te staken onder verbeurte van een dwangsom.

Subsidiair: 1. te schorsen c.q. op te schorten de executie van het vonnis van 01 april 2009 (A.R.No. 08-3823) totdat over de al dan niet verschuldigd zijn van dwangsommen is beslist;

  1. [appellant] te veroordelen om de gelegde executoriale beslagen op te heffen totdat over het al dan niet verschuldigd zijn van dwangsommen is beslist, onder verbeurte van een dwangsom.
  1. De grieven

[appellant]heeft de navolgende als grief aangevoerd.

Ten onrechte heeft de kantonrechter in het vonnis van 01 april 2009 overwogen dat:

“4.7 In dat verband acht de kantonrechter het doel en de strekking van het vonnis van 1 april 2009 van groot belang. Duidelijk is dat met dat (kort geding) vonnis werd beoogd dat het onroerend goed van [appellant]niet werd geëxecuteerd als gevolg van het door Grassalco ten laste van [appellant]gelegd executoriaal beslag. Vaststaat dat Grassalco niet over is gegaan tot de executie van het bedoeld onroerend goed en dat het beslag ondertussen ook al is opgeheven. Daarnaast heeft [appellant]geen verklaring kunnen geven voor het feit dat hij na de betekening van het vonnis vele dagen (augustus 2009 tot maart 2010) niets meer van zich heeft laten horen met betrekking tot de veroordeling van Grassalco. Door aldus te handelen laat [appellant]de verdenking op zich dat hij uitsluitend uit is op het incasseren van een zo groot mogelijk bedrag aan dwangsommen – daarbij profiterend van de omstandigheid dat er geen maxima is verbonden aan de dwangsommen – in plaats van op nakoming door Grassalco van de onderliggende veroordeling.

De combinatie van al deze omstandigheden leiden voorshands tot het oordeel dat [appellant] misbruik maakt van zijn aan het vonnis van 1 april 2009 te ontlenen bevoegdheid tot het incasseren van verbeurde dwangsommen. Het primair gevorderde kan daarom worden toegewezen.”

Ondanks Grassalco bij de uitspraak op 01 april 2009 aanwezig was en het vonnis op 25 augustus 2009 aan Grassalco was betekend bij exploot van deurwaarder Dasimin Toekimin, had Grassalco niet voldaan aan het vonnis en heeft [appellant]op 25 maart 2010 de op dat moment verbeurde dwangsommen aan Grassalco aangezegd ingevolge artikel 492 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [appellant] was op grond van vermeld artikel bevoegd het verbeurde bedrag ten uitvoer te leggen. Van misbruik van executiebevoegdheid kan daarom op grond van de wet geen sprake zijn. [appellant]had de op hem rustende verplichtingen in acht genomen en mocht na de uitspraak, nu Grassalco bij de uitspraak vertegenwoordigd werd, ervan uitgaan dat Grassalco aan de veroordeling zou voldoen. Het ligt op de weg van de geëxecuteerde om te voldoen aan het behoorlijk aan hem betekende vonnis. Ten onrechte heeft de kantonrechter daarom overwogen dat [appellant] na de betekening van het vonnis niets van zich heeft laten horen met betrekking tot de veroordeling van Grassalco, alsook de conclusie dat [appellant]op zich de verdenking laat uit te zijn op uitsluitend een zo hoog mogelijk bedrag aan dwangsommen.

Bovendien heeft Grassalco geen gebruik gemaakt van haar in artikel 491 jo 492 Rv gegeven bevoegdheid om in kort geding te vorderen dat de dwangsom niet of niet verder zal worden ten uitvoer gelegd. Evenmin is gebleken noch gesteld dat Grassalco niet in staat is aan haar veroordeling te voldoen. De dwangsommen zijn derhalve volledig verschuldigd. Van misbruik van executiebevoegdheid is daarom geen sprake.

Bovendien is blijkens rechtspraak van de Hoge Raad 22 april 1983, NJ 1984, 145, van misbruik van executiebevoegdheid pas sprake als de executant:”geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan.”

  1. De vordering in Hoger Beroep

[appellant] concludeert in dit hoger beroep op deze gronden om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

  1. te vernietigen het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:
  2. de gevorderde voorzieningen alsnog te weigeren;

III. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

  1. Grassalco te veroordelen in de kosten in beide instanties.

    Het verweer

Grassalco heeft op de aangevoerde grief verweer gevoerd welk verweer als volgt kan worden omschreven:

Misbruik van recht of misbruik van bevoegdheid is een vorm van een onrechtmatige daad en moet dan ook worden onderzocht of van een dergelijke onrechtmatige gedraging van [appellant] jegens Grassalco sprake is. Met het vonnis van 1 april 2009 (A.R.No. 08-3823) werd namelijk beoogd de executoriale verkoop van een aan [appellant]toebehorend onroerend goed te voorkomen. Niet is gebleken dat het gelegde executoriale beslag op zich, aan [appellant]schade toebracht of dreigde toe te brengen. Daarbij moet tevens in aanmerking worden genomen dat [appellant] verder ook niet heeft aangedrongen op de spoedige opheffing van het gelegde executoriale beslag. In tegendeel heeft [appellant]7 maanden niets van zich laten horen. Onder dergelijke omstandigheden is het van Grassalco opeisen van verbeurde dwangsommen dan ook zonder redelijk doel en derhalve onrechtmatig. [appellant]wendt zijn bevoegdheid terzake slechts aan met het doel geïntimeerde financieel te schaden, althans en in ieder geval is die bevoegdheid aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. De bevoegdheid is immers niet gebruikt als prikkel om uitvoering te geven aan de hoofdveroordeling, maar als middel om een zo hoog mogelijk geldbedrag te incasseren. [appellant] handelt aldus in strijd met hetgeen hem in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens Grassalco.

Voorts is het oordeel van de kantonrechter in lijn met artikel 611g lid 1 van het (spoedig) in te voeren nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in het bijzonder de toelichting op vermeld artikel:

“Het zou met de strekking van de dwangsom en met de billijkheid in strijd zijn, indien de schuldeiser deze nog lange tijd na de overtreding zou kunnen vorderen en, indien zij per tijdseenheid of overtreding is vastgesteld, haar bovendien door stil te zitten tot onevenredige hoogte zou kunnen doen oplopen.”

Grassalco heeft voorts haar vordering in prima niet gebaseerd op artikel 492 lid 3 jo 491 lid 1 Rv en dient daaraan voorbij te worden gegaan.

Het door [appellant] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983 is evenmin van toepassing, nu dat arrest betrekking heeft op een geschil over de executie van een voorlopig uitvoerbaar ontruimingsvonnis.

Grassalco blijft er onverkort bij dat het deurwaardersexploot van 25 augustus 2009, waarbij het vonnis van 1 april 2009 zou zijn betekend nietig, althans van onwaarde is, nu daaraan een rechtsgeldige ondertekening door de deurwaarder ontbrak. Grassalco kan dan ook niet meegaan met de redenering van de kantonrechter dat de deurwaarder met de onder het exploot geplaatste krabbel dit exploot voldoende zou hebben geïndividualiseerd. Voor het verbinden van individualiseringskracht (en dus onderscheidingskracht) aan een handtekening is toch nodig dat de handtekening door derden wordt herkend als behorend tot een bepaald persoon. Ter adstructie heeft Grassalco drie recentelijk door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen vonnissen in het geding gebracht waaruit een zekere vaste gedragslijn van de rechterlijke macht bij de beantwoording van de rechtsvraag of van een rechtsgeldige ondertekening door de deurwaarder sprake is.

Grassalco concludeert tot slot dat de grief ondeugdelijk is en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en [appellant]niet zal worden ontvangen in het appèl, althans het gevorderde hem zal worden ontzegd.

  1. De beoordeling

8.1 Met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het betekeningsexploot d.d. 25 augustus 2009. Het Hof stelt voorop dat van vaste jurisprudentie slechts sprake kan zijn indien een rechtsvraag door het Hof in hoogste aanleg is bevestigd en wordt gevolgd. Het Hof overweegt dat in beginsel geldt dat een handtekening leesbaar moet zijn. Dat dit vereiste als grondslag heeft dat men behoort te weten wie de handtekening heeft gesteld. Dat echter in het recht algemeen is aanvaard, dat ook indien uit de handtekening niet kan worden afgeleid wie de ondertekenaar is, deze desondanks rechtsgeldig is, indien de steller die handtekening bestendig gebruikt om zich te identificeren en bovendien op het geschrift is vermeld wie de ondertekenaar is of indien dit laatste niet het geval is, uit het geschrift kan worden afgeleid wie de ondertekenaar is. Naar het oordeel van het Hof voldoet het gewraakte betekeningexploot aan deze criteria. Het verweer gaat derhalve niet op.

8.2 Met betrekking tot de grief neerkomend op misbruik van executie bevoegdheid.

Het Hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De betreffende partij mag die bevoegdheid om tot executie over te gaan echter niet misbruiken. Van een dergelijk misbruik kan sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.

Dienovereenkomstig is in de vaste rechtspraak aanvaard dat de rechter slechts dan de tenuitvoerlegging van een vonnis kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan, dan wel indien hij misbruik maakt van de bevoegdheid tot executie. Hiervan kan met name sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, NJ 1984, 145; HR 24 februari 1989, NJ 1989, 551; HR 30 oktober 1992, NJ 1993, 4).

Indien dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, is de rechter in een executiegeschil als het onderhavige gebonden aan de beslissingen die door de rechter in het te executeren vonnis zijn gewezen. Dit uitgangspunt brengt bovendien mee dat de enkele mogelijkheid dat een hoger beroep kans van slagen heeft of het enkele feit dat aan de zijde van de geëxecuteerde een noodsituatie zal ontstaan bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van een vonnis, geen omstandigheden zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van een vonnis.

De overweging van de kantonrechter dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van misbruik van executiebevoegdheid van belang is het doel en de strekking van het vermelde vonnis van 01 april 2009 (A.R.no.08-3823), geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Immers, was de dwangsom in casu bedoeld als prikkel om de executoriale verkoop van het aan [appellant] behorend onroerend goed door Grassalco te stuiten en het executoriaal beslag daarop te doen opheffen. Hoewel [appellant] vanaf 02 september 2009 bevoegd was om tot executie van het vonnis van 01 april 2009 (A.R. no.08-3823) over te gaan, heeft hij er voor gekozen om te wachten tot 25 maart 2010, bijkans 7 maanden later om wederom actie te ondernemen, namelijk een aanmaning te sturen inhoudende een bevel tot betaling van de inmiddels tot SRD 1.025.000,- opgelopen dwangsommen en de opheffing van het opgelegde beslag. Een dergelijke houding van [appellant] teneinde de dwangsom te doen oplopen is onverenigbaar met het spoedeisend belang dat hij had om een vonnis bij de Kort Geding rechter uit te lokken om tot opheffing van het gelegde beslag te geraken. Had [appellant] werkelijk spoedeisend belang bij de opheffing van het gelegde beslag, dan had het in de lijn der verwachtingen gelegen om korte tijd nadat het vonnis was gewezen Grassalco aan te manen. Door dat na te laten is de dwangsom tot een hoog bedrag opgelopen en wel dermate hoog dat gelet op de gegeven omstandigheden onverkorte executie van de verbeurde dwangsommen misbruik van bevoegdheid oplevert. Immers, had [appellant]- in aanmerking nemende de evenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad – niet tot die uitoefening kunnen komen. Daarnevens brengt de redelijkheid en billijkheid ook mee dat [appellant] de schade die Grassalco zou oplopen door het oplopen van de dwangsom diende te beperken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het belang van [appellant] bij de opheffing van het beslag afgewogen tegenover de schade die Grassalco lijdt, is disproportioneel. Een en ander brengt met zich mee dat de grief van [appellant] faalt en het beroepen vonnis onder aanvulling van gronden dient te worden bevestigd.

8.3 [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten zoals nader begroot in de beslissing.

  1. De beslissing in Hoger Beroep

Het Hof:

9.1 Bevestigt het vonnis d.d. 27 mei 2010 (A.R.No. 10-1834) waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

9.2 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Grassalco gevallen en tot aan de uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. A. Charan w.g. S.C. Berenstein

Partijen , appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. G.R. Sewcharan en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-29

GR- 14767

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
ten deze domicilie kiezende aan [adres 1] [Wijk] te [plaats],
appellante in kort geding,
procederende in persoon,

tegen

RAVIN CONSTRUCTION N.V.,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudend aan de Wagenwegstraat nr. 81 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 17 mei 2012 (A.R.NO. 121210) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van appellante gedateerd 22 mei 2012 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 mei 2012- waaruit blijkt dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 17 mei 2012;
  • De pleitnota, onder overlegging van een productie, de dato 03 mei 2013;
  • De antwoordpleitnota en uitlating productie de dato 16 augustus 2013;
  • De repliekpleitnota, onder overlegging van producties, de dato 04 oktober 2013;
  • De dupliekpleitnota en uitlating producties de dato 06 december 2013;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 04 april 2014 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Appellante heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat gedaagde –thans geïntimeerde- zal worden gelast om met onmiddellijke ingang of binnen een door de kantonrechter vastgestelde tijd alle activiteiten op het terrein van [adres 2] stop te zetten en dat het haar zal worden verboden activiteiten van welke aard dan ook te ontplooien op het terrein gelegen aan [adres 2] te [plaats], in het bijzonder alle bouw en sloopactiviteiten. Voorts vordert zij dat gedaagde –thans geïntimeerde- zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van SRD. 1.000.000,= voor elke dag of keer dat zij in gebreke blijft te voldoen aan het vonnis althans zodanig bedrag door de kantonrechter te bepalen. Eveneens vordert zij veroordeling van gedaagde –thans geïntimeerde- tot betaling van alle kosten welke door haar toedoen zijn ontstaan, met het verzoek aan de kantonrechter om aan eiseres –thans appellante- toe te staan deze kosten nader te mogen doen opmaken bij staat. Daarnaast wordt gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en gedaagde –thans geïntimeerde- zal worden veroordeeld in de kosten van het geding;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 mei 2012 –zakelijk weergegeven- de gevraagde voorziening geweigerd en eiseres –thans appellante- in de gedingkosten veroordeeld;
  2. Appellante heeft blijkens de aantekening van de griffier bij schrijven gedateerd 22 mei 2012 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 mei 2012- appèl aangetekend tegen het vonnis van 17 mei 2012. Uit voormeld vonnis blijkt dat appelante in persoon bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Gelet op het voorgaande heeft appellante ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;
  1. Appellante heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
    1. Appellante is mede-erfgenaam van het onroerend goed gelegen aan [adres 2] te [plaats] (het onroerend goed);
    2. De overige gerechtigden van het onroerend goed hebben hun 4/5 deel onverdeeld aandeel in het onroerend goed aan gedaagde verkocht;
  1. Naast voormelde vaststaande feiten heeft appellante – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van geïntimeerde van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat zij voor 1/5 deel mede-erfgenaam is in de nalatenschap van [Naam 1] en [naam 2]. Tot de gehele nalatenschap behoren, onder andere, het pand “[adres 2]” bekend als [adres 2] te [plaats] inclusief de vruchten daaruit en de onverdeelde oostelijke helft van de [plaats 2]. Helaas heeft zij moeten ervaren dat de overige mede-erfgenamen heimelijk hun 4/5 onverdeelde aandeel in het onroerend goed, gelegen aan [adres 2] hebben verkocht aan gedaagde –thans geïntimeerde- echter zonder dat iemand – ook niet appellante of geїntimeerde- weet, welk deel aan wie behoort, aangezien met het proces van scheiding en deling van de gehele nalatenschap bij de notaris, maar net een aanvang was gemaakt en er geen scheiding en deling had plaatsgehad in het bijzonder niet van het bewuste onroerend goed. Dat alleen al op grond van het bovenstaande de levering rechtsgeldigheid mist en dus geїntimeerde geen rechten op het onroerend goed kan doen gelden. Dat bovendien een erfgenaam niet tot partiele scheiding en deling mag worden gedwongen en erfgenamen elkaars positie niet mogen verzwaren doch in tegendeel in hoge mate rekening met elkaar moeten houden. Weshalve in casu de overige mede-erfgenamen zich schuldig maken aan schending van rechtsnormen en regels. Dat geїntimeerde misbruik maakt van de onrechtmatige gedragingen van deze mede-erfgenamen om appellante te dwingen haar aandeel aan geїntimeerde te verkopen tegen een door de mede-erfgenamen samen met geїntimeerde vooraf afgesproken prijs en voorwaarden, zodoende proberend de rechten van appellante te elimineren notabene terwijl andere kopers een gunstiger aanbod deden ;
  1. Geïntimeerde heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aangevoerd bij wege van formeel verweer dat eiseres –thans appellante- niet ontvankelijk moet worden verklaard voor het gevorderde onder a, b en c. Het gevorderde onder a is zoals het geformuleerd is te kwalificeren als een vordering voor een definitieve voorziening. Eiseres –thans appellante- vordert de onmiddellijke stopzetting van alle activiteiten op het perceel aan [adres 2]. Echter zal het, zoals dit is geformuleerd, een voorziening betreffen welke tot het oneindige zal voortduren. Bij wege van materieel verweer heeft geїntimeerde aangevoerd dat het een pertinente onwaarheid is dat de oostelijke helft van de [plaats 2] nog deel uitmaakt van de nalatenschap. De [plaats 2] is namelijk reeds jaren geleden partieel gescheiden en gedeeld en maakt dus geen deel meer uit van de nalatenschap. Nu vaststaat dat het perceelland aan de [adres 2] de totale nalatenschap omvat breng dit met zich mede dat de mede-erfgenamen wel degelijk beschikkingsbevoegd waren en is er in casu dus absoluut geen sprake (geweest) van dwang tot partiële scheiding en deling of enige ander onrechtmatig handelen terzake. Uit de door appellante ten processe overgelegde productie “Kraan/Jadnanansingh pag. 143” blijkt dat voor zover de mede-erfgenamen geen bezwaar hebben tegen de overdracht van aandelen aan een derde dan is de overdracht van de aandelen zeker mogelijk. Voorts zegt Kraan eveneens dat het in Suriname vrijwel bestendig gebruik is dat erfgenamen hun onverdeelde aandelen verkopen en overdragen aan derden. In casu hebben 4 van de 5 erfgenamen uitdrukkelijk hun toestemming gegeven voor de overdracht van hun aandelen aan geїntimeerde. De mede-erfgenamen waren dus bevoegd om ondanks appellante bezwaar zou kunnen hebben, hetgeen zij niet kenbaar heeft gemaakt overigens, hun onverdeeld aandeel aan geїntimeerde te verkopen en over te dragen;
  1. In hoger beroep concludeert appellante – kort samengevat- tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellante in eerste aanleg toe te wijzen en voorts geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties;
  1. Daartoe heeft appellante –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de kantonrechter met voorbijgaan aan de essentiële stellingen van appellante in eerste aanleg, ten onrechte en op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat appellante niet te goeder trouw een beroep kan doen op de hoofdregel terzake de beschikkingsonbevoegdheid van de overige mede-erfgenamen m.b.t. de verkoop van hun aandeel in het onroerend goed aan gedaagde (nu geїntimeerde). Ten tweede heeft appellante –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de kantonrechter onterecht heeft geconcludeerd dat geїntimeerde (destijds gedaagde) mede-gerechtigde is in het onroerend goed en dienovereenkomstig wel bevoegd is om rechtshandelingen te plegen op het bewuste goed. Ten derde heeft appellante –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de kantonrechter totaal is voorbij gegaan aan de belangen van appellante, onder andere, door geen aandacht te besteden aan de door appellante verstrekte achtergrondinformatie en door na te laten het verband te leggen tussen de ratio van het verbod tot partiële scheiding en deling en het gedrag van de 4 overige erfgenamen (en geїntimeerde) ten opzichte van appellant; in het byzonder ten aanzien van de vereffening van de schuld en het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot de exploitatie van het litigieuze pand. Ook heeft de kantonrechter verzuimd dit mee te nemen in de beoordeling;

     

    Geïntimeerde heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

  1. Geїntimeerde heeft als formeel verweer in hoger beroep bij dupliekpleidooi aangevoerd dat appellante in onderhavige zaak geen memorie van grieven heeft ingediend en alzo haar recht heeft verspeeld om nieuwe weren en feiten aan te dragen in appel. Geïntimeerde heeft moeten constateren dat appellante bij haar repliekpleidooi met nieuwe weren is gekomen en ook nieuwe producties, welke zij niet in eerste aanleg heeft aangedragen. Dit is in strijd met de processuele regels in appèlzaken. Geïntimeerde heeft het hof derhalve uitdrukkelijk verzocht voorbij te gaan aan alle door appellante bij repliek aan het hof overgelegde producties en de weren die zij daaraan heeft gekoppeld. Naar het oordeel van het hof is het in strijd met de processuele regels om pas bij dupliekpleidooi formeel verweer te voeren. Immers komt de zaak daarna in staat van wijzen te verkeren als er geen producties worden overgelegd bij het dupliekpleidooi. Er bestaat derhalve geen gelegenheid voor appellante om op dat formeel verweer een reactie te geven. Daarenboven bestaat er ingevolge de wet geen verplichting voor de appellante om een memorie van grieven in te dienen en brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich mede dat de zaak in tweede instantie integraal opnieuw wordt bekeken. Gelet op al het voorgaande zal het hof voorbijgaan aan het formeel verweer van geïntimeerde;
  1. Het hof zal thans overgaan tot bespreking van de grieven van appellante. Gelet op de samenhang tussen de grieven zal het hof deze niet afzonderlijk bespreken maar gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen. Appellante schijnt moeite te hebben met hetgeen de kantonrechter in het beroepen vonnis onder de rechtsoverwegingen 4.3.en 4.4. heeft overwogen. In het hierna volgende volgt een citaat daarvan, te weten (begin citaat) “ 4.3.Ervan uitgaande dat het betwiste onroerend goed niet het enige goed is in de nalatenschap overweegt de kantonrechter het volgende. Alhoewel eiseres stelt dat zij geen toestemming heeft verleend tot de door de overige erfgenamen en gedaagde verrichte rechtshandeling met betrekking tot de verkoop van het onroerend goed heeft zij niet ontkend dat ook zij bezig was te onderhandelen met gedaagde over de verkoop van haar aandeel in het genoemd onroerend goed, ook al is het pas na 1 jaar na de onderhandeling van gedaagde met de overige mede-erfgenamen. De verkoop tussen haar en gedaagde is echter gestrand omdat partijen geen overeenstemming konden bereiken over de koopsom. Nu de onderhandeling is misgelopen kan eiseres, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, niet te goeder trouw een beroep doen op de hoofdregel terzake de beschikkingsonbevoegdheid van de overige mede-erfgenamen met betrekking tot de verkoop van hun aandeel in het onroerend goed aan gedaagde. Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat gedaagde medegerechtigde is in het onroerend goed en dienovereenkomstig wel bevoegd is om rechtshandelingen te plegen op het onroerend goed. Indien eiseres meent schade te lijden door de handelingen van gedaagde op het onroerend goed, zal zij gedaagde moeten aanspreken tot vergoeding van de door haar geleden schade. De kantonrechter zal hierover niet uitweiden, nu de onderhavige vordering niet gericht is daarop” (einde citaat). De redenering van appellante is –kort gezegd- dat geїntimeerde het 4/5 aandeel overdeeld in het litigieus onroerend goed heeft gekocht van haar overige 4 mede-erfgenamen doch dat die mede-erfgenamen beschikkingsonbevoegd waren om hun onverdeeld aandeel zonder toestemming van appelante te verkopen en over te dragen. Immers hebben zij daardoor –aldus appellante- een partiële scheiding en deling bewerkstelligt hetgeen rechtens ongeoorloofd is. Daardoor heeft geïntimeerde van beschikkingsonbevoegden gekocht en geleverd gekregen en is zij geen eigenaar noch mede-eigenaar geworden van het 4/5 deel van het litigieuze onroerend goed en kan zij derhalve ook geen rechten uitoefenen;
  1. Naar het oordeel van het hof gaan de door appellante aangevoerde grieven niet op. Ingevolge de rechtsliteratuur (vide mr. C.R. Jadnanansing/mr. C.A. Kraan, Hoofdlijnen van het Surinaamse erfrecht, 1998 blz. 142 e.v.) moet in beginsel worden aangenomen dat de erfgenaam niet over zijn aandeel in een bepaalde tot de nalatenschap behorende zaak kan beschikken. Dit vloeit voort uit artikel 365 WvBRv en is ook bevestigd door het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1969, NJ 1970, 283 (Turfschuur). Dit verbod is gegeven ter bescherming van de mede-erfgenamen en is daarom geen absoluut verbod. Indien de mede-erfgenamen geen bezwaar tegen de overdracht hebben dan is overdracht mogelijk. Bestaat de nalatenschap nog slechts uit èèn zaak, dan is aan het verbod de grond ontvallen. Naar het oordeel van het hof wordt voornoemd verbod als uitgangspunt gehanteerd; echter kunnen de concrete omstandigheden van een geval maken dat afgeweken wordt van voormeld uitgangspunt. Immers heeft de kantonrechter in eerste aanleg terecht overwogen dat de rechtsverhouding tussen de erfgenamen mede beheerst wordt door de goede trouw. In dit kader kan er – naar het oordeel van het hof – vanuit worden gegaan dat de toestemming tot de overdracht stilzwijgend is verleend indien de erfgenamen wel uit de onverdeeldheid willen geraken, maar afzien van het onderling ondernemen van acties daartoe, omdat zij geen van allen het initiatief tot de scheiding en deling wensen te nemen. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat er in casu sprake is van een uitzondering op de hoofdregel zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen en kan uit het handelen van appellante worden afgeleid dat zij stilzwijgend toestemming heeft verleend voor de litigieuze verkoop en overdracht door de mede-erfgenamen;
  1. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd, onder aanvulling van de motivering zoals hiervoor aangegeven;
  1. Appellante zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 17 mei 2012, A.R.No. 121210, waarvan beroep, onder aanvulling van de motivering zoals hiervoor onder rechtsoverweging 1.11 aangegeven;

Veroordeelt appellante in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, gemachtigde van geïntimeerde advocaat mr. R. Mahabir-Baldew namens advocaat mr. dr. J. van Dijk-Silos, terwijl appellante in persoon ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-28

G.R. No. 14683
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

  1. [Appellant sub A],
  2. [Appellant sub B],
  3. [Appellant sub C],
  4. [Appellant sub D],
  5. [Appellant sub E],
  6. [Appellant sub F],
  7. [Appellant sub G],
  8. [Appellant sub H],
  9. [Appellant sub I],

allen wonende te [plaats],
appellanten, hierna aangeduid als “[appellanten]”,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [plaats],
geїntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde] ”,
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 25 augustus 2011 (A.R. No. 11-2068) tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] op 06 september 2011 hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota de dato 01 juni 2012;
  • het antwoordpleidooi de dato 05 oktober 2012;
  • het repliekpleidooi, onder overlegging van producties, de dato 02 november 2012;
  • het dupliekpleidooi en uitlating producties de dato 15 maart 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 juli 2013, doch nader op heden.

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellanten] hebben in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd om hen, althans [appellant sub A] en [appellant sub B] te machtigen een vergadering van het Hoofdbestuur van de Politieke Vereniging Nieuw Suriname bijeen te roepen en te houden ter behandeling van de in het inleidend verzoekschrift onder punt 3 weergegeven agenda en daartoe een convocatie te doen uitgaan welke slechts is getekend door de voorzitter danwel door alle eisers – thans appellanten ([appellanten]) – e.e.a. onder de door de Kantonrechter te stellen voorwaarden. Verder hebben [appellanten] gevorderd om [geïntimeerde] – thans geїntimeerde – te bevelen om voormelde beslissing te gehengen en te gedogen onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,- per dag, indien hij in strijd met deze beslissing handelt. Daarnaast wordt gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard en [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

  1. De Kantonrechter heeft bij vonnis van 25 augustus 2011 – zakelijk weergegeven – de gevraagde voorziening geweigerd en [appellanten] in de gedingkosten veroordeeld.
  2. [appellanten] hebben blijkens de aantekening van de griffier bij schrijven van hun gemachtigde gedateerd 06 september 2011 appèl aangetekend tegen het vonnis van 25 augustus 2011. Uit voormeld vonnis blijkt dat partijen noch in persoon, noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig waren. Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.
  1. [appellanten] hebben geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende – ook in hoger beroep – vast tussen partijen:
    1. “Nieuw Suriname” is een in Paramaribo zetelende politieke vereniging;
    2. [Appellant sub A] en [appellant sub B] zijn respectievelijk voorzitter en penningmeester van het Hoofdbestuur van deze vereniging en [geïntimeerde] is de eerste secretaris;
    3. Behalve [appellanten] maken ook andere, in dit proces niet bij name genoemde, personen deel uit van het Hoofdbestuur van “Nieuw Suriname”;
    4. Het Dagelijks Bestuur wordt gevormd door de voorzitter, ondervoorzitter(s), secretaris en penningmeester; het Dagelijks Bestuur vertegenwoordigt de Partij in en buiten rechte, waarbij alle uitgaande correspondentie ondertekend dient te worden door de voorzitter en de secretaris.
  1. Naast voormelde vaststaande feiten hebben [appellanten] – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aan hun vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] misbruik maakt van zijn positie van secretaris door te weigeren mee te werken aan het oproepen van een vergadering van het Hoofdbestuur van “Nieuw Suriname”, terwijl artikel 10 lid 4 van de Statuten van “Nieuw Suriname” voorschrijft dat alle uitgaande correspondentie door de voorzitter en de secretaris dient te worden ondertekend.
  1. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aangevoerd bij wege van formeel verweer dat [appellanten] niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering.

Daartoe heeft hij aangevoerd – kort gezegd – dat [appellanten] de vordering in persoon hebben ingesteld en dat zij geen persoonlijk recht hebben om vergaderingen van het Hoofdbestuur bijeen te roepen en te beleggen.

  1. In hoger beroep concluderen [appellanten] – kort samengevat – tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en opnieuw rechtdoende de vorderingen van hen in eerste aanleg toe te wijzen en voorts [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
  1. Daartoe hebben [appellanten] – zakelijk weergegeven – de volgende grieven aangevoerd.

1e grief:

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in het vonnis van 25 augustus 2011 overwogen dat:

“4.5 Het komt de kantonrechter voor dat alvorens een vergadering kan worden opgeroepen (geconvoceerd) er eerst een besluit moet zijn voor het bijeenroepen van die vergadering, welk besluit ingevolge artikel 10 lid 7 van de Statuten slechts door het Hoofdbestuur kan worden genomen met inachtneming van het 6e lid van voormeld artikel. Artikel 10 lid 10 van de Statuten is ten deze niet relevant aangezien dit artikel betrekking heeft op het oproepen van vergaderingen van het hoofdbestuur. Aangezien door het hoofdbestuur geen besluit is genomen tot het bijeenroepen van een vergadering van het hoofdbestuur en voorts niet is gebleken dat het dagelijks bestuur van de vereniging – bestaande uit de eisers sub a en b, de gedaagde en de twee, niet in dit proces betrokken, ondervoorzitters – aan het hoofdbestuur kenbaar heeft gemaakt een vergadering van het hoofdbestuur noodzakelijk te achten, is er geen grondslag voor het oproepen (convoceren) van zulk een vergadering, op grond waarvan aan gedaagde, in zijn hoedanigheid van secretaris van de vereniging, geen verwijt treft dat hij weigert zijn medewerking te verlenen aan de oproep van de door eisers gewenste vergadering. (…).”

Hetgeen de Kantonrechter ter zake heeft overwogen staat niet in de Statuten of de wet en wordt evenmin gedragen door het algemeen verenigingsrecht. De redenering van de Kantonrechter komt er op neer dat het Hoofdbestuur nimmer zou kunnen vergaderen, zolang ditzelfde Hoofdbestuur niet een besluit heeft genomen om te vergaderen. Immers zou in die redenering ook voor het houden van een vergadering om het besluit tot vergaderen te nemen eerst een besluit van het Hoofdbestuur vereist zijn.

2e grief:

Ten onrechte overweegt de Kantonrechter dat artikel 10 lid 10 der Statuten niet relevant zou zijn. De vordering heeft immers betrekking op het bijeenroepen van een Hoofdbestuursvergadering. Artikel 10 lid 10 van de Statuten handelt juist en zelfs uitsluitend daarover.

3e grief:

Ten onrechte overweegt de Kantonrechter voorts dat het Hoofdbestuur uitsluitend tot het houden van een bestuursvergadering kan besluiten als het Dagelijks Bestuur zulks noodzakelijk acht.

Volgens artikel 10 lid 7 kan het Hoofdbestuur in het daarin genoemd geval vergaderen, doch sluit niet uit dat ook in andere gevallen vergaderd kan worden.

  1. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep verweer gevoerd en het Hof zal daarop in het hierna volgende – voor zover voor de beslissing van belang – terugkomen.
  1. Het Hof zal thans overgaan tot bespreking van de grieven van [appellanten] Gelet op de samenhang tussen de grieven zal het Hof deze niet afzonderlijk bespreken maar gezamenlijk aan een bespreking onderwerpen.

Het Hof overweegt als volgt: Ingevolge het bepaalde in artikel 10 lid 7 van de Statuten van de Politieke Vereniging “Nieuw Suriname” kan het Hoofdbestuur vergaderingen bijeenroepen zodra het Dagelijks Bestuur dit noodzakelijk acht. Verder is in artikel 10 lid 10 van de Statuten bepaald dat de oproeping der leden tot de vergadering van het Hoofdbestuur schriftelijk geschiedt en wel uiterlijk 10 (tien) dagen voorafgaande aan de Hoofdbestuursvergaderingen. De wet bevat omtrent de wijze van bijeenroeping van een vergadering geen voorschriften. De statuten zijn derhalve vrij in hun regeling. De oproep zal in ieder geval de plaats, de datum en het aanvangstijdstip van de vergadering moeten inhouden (zie van Hengstum en van Steenderen, Het Nieuwe Verenigingsrecht, tweede herziene druk, 1979, pagina 141 e.v.). Hieruit volgt dat ook in de literatuur een onderscheid wordt gemaakt tussen het bijeenroepen van een vergadering en het oproepen tot een vergadering. Het onderscheid dat door de Kantonrechter in eerste aanleg is gemaakt, getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het oordeel van het Hof gaat het in deze om twee begrippen met elk een eigen betekenis. Onder bijeenroepen wordt verstaan het door het Hoofdbestuur te nemen besluit om op een bepaalde plaats en tijdstip over bepaalde onderwerpen met de leden te vergaderen (de Hoofdbestuursvergadering). Het Hoofdbestuur heeft krachtens artikel 10 lid 7 van de Statuten de bevoegdheid tot het bijeenroepen van een vergadering. Het Hoofdbestuur doet – indien het het besluit daartoe heeft genomen – de leden oproepen teneinde deel te nemen aan deze vergadering. Dit betekent dat indien het Hoofdbestuur geen besluit heeft genomen teneinde een vergadering te beleggen, er daartoe niet kan worden overgegaan. Om de verenigingsdemocratie binnen de vereniging te versterken is aan het Dagelijks Bestuur in artikel 10 lid 7 van de Statuten de mogelijkheid geboden om aan het Hoofdbestuur het verzoek te doen om een Hoofdbestuursvergadering te beleggen. Niet is gebleken dat het Dagelijks Bestuur van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Nu gebleken is dat het Hoofdbestuur geen besluit heeft genomen om een vergadering te beleggen en het Dagelijks Bestuur daartoe aan het Hoofdbestuur ook geen verzoek heeft gedaan, is het duidelijk dat er dan ook geen reden is geweest om de leden ingevolge artikel 10 lid 10 van de Statuten op te roepen.

  1. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door [appellanten] ingediende grieven falen en het beroepen vonnis dient te worden bevestigd.
  1. [appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding de dato 25 augustus 2011, A.R. No. 11-2068, waarvan beroep.

Veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger, en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 04 juli 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van appellanten, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld