SRU-HvJ-2022-37

GR-14602

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

Fatum Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellante,
verder te noemen: Fatum,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 06-1788) tussen [geïntimeerde] als eiser en Fatum als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het tussenvonnis van het Hof d.d. 18 mei 2018;
  • de conclusie tot overlegging bewijs van Fatum d.d. 6 augustus 2018;
  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor d.d. 6 augustus 2018;
  • de conclusie na niet gehouden enquête van Fatum d.d. 5 oktober 2018;
  • de conclusie na niet gehouden enquête van [geïntimeerde] d.d. 2 november 2018.

De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Bij het tussenvonnis van 18 mei 2018 heeft het Hof Fatum opgedragen (a) te bewijzen dat de auto in kwestie na de aanrijding niet Total Loss was en dat integendeel de door de aanrijding veroorzaakte schade aan de auto blijvend hersteld kon worden, en (b) de hoogte van de herstelkosten aannemelijk te maken.

2.1 Fatum heeft een schriftelijke verklaring van Charhen Cars d.d. 3 augustus 2018, ondertekend door haar directeur [naam 1], in het geding gebracht. In deze verklaring staat, voor zover van belang, het volgende:

Inzake het technisch uitleg refererend [referentienummer 1] gedateerd op 17 augustus 2004 waarbij punt 3 zoals aangehaald, er geen sprake is van ‘technische totall loss’ van het voertuig. Over technische ‘totall loss’ wordt gesproken als de bestaande onderdelen niet vervangbaar zijn. Hier zou het chassis wel vervangen kunnen worden.

Refererend op het technisch rapport met het [referentienummer 2] gedateerd op 08 juli 2004 zien wij bij de opmerking dat het aanbevelenswaard is het voertuig met dit gebrek door een chassis specialist te laten corrigeren en repareren. […] Wij zijn van mening dat wij hier niet praten over een ‘totall loss’ voertuig, maar over een getordeerde chassis die wij meerdere malen hebben mogen repareren voor klanten die heel blij en gelukkig nog rijden zonder enige afwijking op het stuurstelcil.”

Fatum voegt hieraan toe dat de specialistische apparatuur die voor de hier bedoelde reparatie nodig is, ook al ten tijde van de aanrijding beschikbaar was. Voorts voert zij aan dat Charhen Cars haar heeft laten weten dat de reparatiekosten nog geen US$ 5.000,- (tegen een koers van 1 US$ = SRD 2,80) zouden hebben bedragen.

Fatum concludeert naar aanleiding hiervan dat de auto niet total loss was. Zij merkt op dat [geïntimeerde] na de aanrijding nog zes jaar met de auto heeft gereden. De huidige staat van de auto is dan ook niet te vergelijken met die van het moment van de aanrijding, toen de auto nog nieuw was.

2.2 [geïntimeerde] voert aan dat hij tijdens het geding genoeg wapenfeiten heeft geproduceerd, waaruit blijkt dat zijn standpunt juist is. Op grond daarvan kan het vonnis van de kantonrechter volgens hem dan ook worden bevestigd.

3.1 Uit de door Fatum overgelegde verklaring van de directeur van Charhen Cars en de door haar daarbij verstrekte toelichting leidt het Hof af dat de auto van [geïntimeerde] na de aanrijding gerepareerd had kunnen worden voor een bedrag van (destijds) US$ 5.000,-. [geïntimeerde] heeft de verklaring van Charhen Cars en de daarbij gegeven toelichting niet (gemotiveerd) bestreden, maar uitsluitend naar haar eerder ingenomen standpunt verwezen. Dat brengt mee dat Fatum in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Dat geldt zowel voor het bewijs dat de auto kon worden hersteld als voor het aannemelijk maken van de herstelkosten. Temeer nu voor de reparatie een aanzienlijk lager bedrag wordt berekend dan het bedrag dat als waarde voor de auto na de aanrijding werd berekend, kan worden vastgesteld dat de auto na de aanrijding niet total loss was.

3.2 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog dient te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 12 januari 2010 (A.R. No. 06-1788), en, opnieuw rechtdoende,

wijst de vordering van [geïntimeerde] af,

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fatum begroot op SRD 479,20,– (vierhonderd negen en zeventig Surinaamse Dollars en twintig centen).

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 april 2022, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein Bsc., Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2021-114

A-999

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende in het [district 1],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. R. Mahabier-Baldew, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon,
met name het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (MINOWC),
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijnen Parket aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Lala, jurist verbonden aan het Bureau Landsadvocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van het bepaalde in artikel 79 van de Personeelswet (hierna: PW) als gerecht in Ambtenarenzaken gewezen vonnis bij vervroeging uit.

  1. Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof d.d. 02 mei 2019;
  • het door de Staat ingediende verweerschrift d.d. 07 juni 2019;
  • de beschikking gegeven door het Hof op 16 juli 2019, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op vrijdag 02 augustus 2019 des voormiddags te 08.30 uur;
  • het proces-verbaal van het op 02 augustus 2019 gehouden verhoor van partijen;
  • het proces-verbaal van de op 18 oktober 2019 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 05 januari 2020 en vervolgens nader op 04 februari 2022 doch bij vervroeging op heden.
  1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

  1. [Verzoekster] is door ondertekening van een arbeidsovereenkomst d.d. 02 november 2015, met ingang van 01 april 2014 in dienst getreden van de Staat. Derhalve is [verzoekster] arbeidscontractant in de zin van de PW. Voor de regeling van haar rechtspositie zijn de PW en de ter zake uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften van toepassing;
  2. [Verzoekster] werd in dienst genomen ter vervulling van de functie van praktijkleerkracht op de [muloschool 1] te [adres 1];
  3. [Verzoekster] had zich reeds eerder ingeschreven voor de MO-A natuurkunde op het Instituut voor de Opleiding van Leraren (hierna: IOL) en daarna in het collegejaar 2017/2018 voor de opleiding PG-Extern;
  4. Ter verkrijging van haar diploma voor de opleiding PG-Extern diende [verzoekster] stage te lopen, echter wel op een stageplek gerelateerd aan de richting waarin zij afgestudeerd was bij het Natuurtechnisch Instituut, hierna NATIN. [Verzoekster] is medisch analist en kon derhalve stage lopen op het NATIN of op COVAB. [Verzoekster] heeft diverse brieven gericht naar deze opleidingsinstituten voor een stageplek, echter zonder resultaat;
  5. [Verzoekster] was vanaf mei 2018 op zoek naar een stageplek terwijl zij in oktober 2018 de opleiding PG-Extern al afgerond moest hebben;
  6. Dat op een gegeven moment [verzoekster] de opleidingscoördinator [naam 1], bij meerdere e-mailberichten, heeft gevraagd haar te helpen, in dier voege dat zij haar opleiding kon afronden zonder stage te lopen;
  7. [Verzoekster] ontving op 27 september 2018 een mutatiebrief waarin werd aangegeven dat zij per 01 oktober 2018 was overgeplaatst naar [muloschool 2];
  8. [Verzoekster] heeft vanwege ziekte voor 1 en 2 oktober 2018 een attest ingeleverd bij de directrice van [muloschool 2], [naam 2];
  9. [Verzoekster] werd in de loop van de middag d.d. 02 oktober 2018 gebeld door voornoemde [naam 2] met de mededeling dat zij zich op woensdag 03 oktober 2018 diende aan te melden bij [naam 3] van het Bureau Voortgezet Onderwijs Junioren;
  10. Deze mevrouw deelde [verzoekster] mede dat zij donderdag 04 oktober 2018 vrij was en de gelegenheid had om stukken in orde te maken en die wederom voor [naam 3] te brengen;
  11. [Verzoekster] heeft zich op 05 oktober 2018 aangemeld bij de directeur van Onderwijs, [naam 4], die [verzoekster] aangaf dat zij het stuk dat zij diende op te halen bij het IOL moest lezen. Het bleek niet om een bewijs van inschrijving op het IOL te gaan, maar om een afschrijvingsbrief. In deze brief d.d. 04 oktober 2018 werd aan [verzoekster] door de leiding van het IOL te kennen gegeven dat zij wordt afgeschreven van de opleiding;
  12. Bij brief gedateerd 16 oktober 2018 is door de directeur van MINOWC aan [verzoekster] medegedeeld dat zij buiten functie wordt gesteld met ingang van 5 oktober 2018;
  13. Bij beschikking gedateerd 5 april 2019 is aan [verzoekster] ontslag verleend uit Staatsdienst;
  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
    1. [Verzoekster] vordert –zakelijk weergegeven- om bij vonnis:
  1. nietig te verklaren het besluit van de Staat als vervat in de beschikking d.d. 05 april 2019 wegens strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
  2. de Staat Suriname te veroordelen om [verzoekster] binnen 1X24 uur na betekening van het vonnis toe te laten op de werkplek;
  3. de Staat Suriname te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding gelijk aan het salaris van [verzoekster] vanaf 01 oktober 2018 tot aan de dag der uitspraak van het Hof in deze zaak, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf de dag der indiening van dit rekest tot aan de dag der algehele voldoening;
  4. de Staat te veroordelen tot het betalen van een dwangsom ad SRD. 10.000,= (tienduizend Surinaamse Dollars) voor elke dag dat zij in gebreke blijft om het onder a en b gevorderde te voldoen;
  5. de Staat te veroordelen in de proceskosten;
  1. [Verzoekster] heeft – zakelijk weergegeven – naast voormelde vaststaande feiten het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Dat op grond van het voorgaande het evident is dat er reeds een disciplinaire maatregel is getroffen door de leiding van het IOL, echter zonder [verzoekster] in deze te horen. [verzoekster] heeft tijdens het gesprek met de directeur van Onderwijs d.d. 05 oktober 2018 moeten constateren dat het besluit van de Staat reeds vaststond. Volgens de directeur van Onderwijs zou [verzoekster] worden ontslagen en zou [verzoekster] aldaar moeten verschijnen met haar handen geslagen in boeien. Het is evident dat de Staat derhalve heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor. [Verzoekster] betreurt de inhoud van haar e-mail berichten ten zeerste en heeft daarvan ook diverse keren spijt betuigd, zowel bij [naam 1] van het IOL als de directeur van Onderwijs. De spijtbetuiging van [verzoekster] heeft niet mogen baten. Aan [verzoekster] werd door de Staat te kennen gegeven dat er een brief voor haar klaar lag. Dat blijkt uit een e-mailbericht van de Staat d.d. 22 oktober 2018. [Verzoekster] heeft op 01 november 2018 een brief ontvangen van de Staat waarin aan [verzoekster] onder meer werd aangegeven dat zij buiten functie is gesteld per 16 oktober 2018. Zij diende zich te verweren en onmiddellijk de schoolgoederen en dergelijke af te dragen. [Verzoekster] heeft zich op 01 november 2018 verweerd tegen het schrijven van de Staat inzake de buitenfunctiestelling d.d. 16 oktober 2018. De Staat heeft vanaf het schrijven d.d. 16 oktober 2018 niets meer van zich laten horen, hetgeen ten detrimente van de Staat dient te worden uitgelegd, te meer daar ingevolge artikel 23 lid 3 van de PW het besluit tot buitenfunctiestelling niet langer dan 1 maand werkt. De buitenfunctiestelling was derhalve reeds uitgewerkt op 16 november 2018. Dit betekent dat de Staat binnen die periode een besluit diende te nemen, hetgeen niet is geschied, weshalve de Staat aan [verzoekster] diende aan te geven waar zij zich moest aanmelden en aan [verzoekster] het salaris diende uit te betalen vanaf 1 oktober 2018. De Staat is middels deurwaardersexploit d.d. 29 maart 2019 aangeschreven en wenste [verzoekster] uiterlijk 08 april 2019 te vernemen waar zij zich kon aanmelden. Tot verbazing van [verzoekster] is zij op 5 april 2019 ontslagen door de Staat. Op grond van al het voorgaande is het duidelijk dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoekster] door haar geheel onterecht en ongegrond buiten functie te stellen, haar salaris in te houden vanaf 1 oktober 2018, haar maanden te laten wachten zonder onderzoek te verrichten dan wel een besluit te nemen om haar dan na ontvangst van het deurwaardersexploot d.d. 29 maart 2019 te ontslaan, welk ontslag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als hierboven omschreven. Het ontslag dan wel de ontslagbeschikking dient nietig te worden verklaard omdat is gebleken dat het ontslag niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het vermeende plichtsverzuim en de omstandigheden van het geval;
  1. De Staat heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij het verhoor van partijen verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan;
  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 lid 1 van de PW oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet , of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

4.2. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 79 van de PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

4.3. Uitgaande van de gebezigde bewoordingen in de wettelijke bepalingen zoals hierboven geciteerd stelt het Hof vast dat het bepaalde in artikel 79 leden 1 en 2 PW een door de wetgever limitatief gerubriceerde opsomming betreft. Uitgaande van hetgeen is gesteld in artikel 79 leden 1 en 2 PW hetwelk het Hof in onderling verband en samenhang leest stelt het Hof vast dat nu het gevorderde in casu betreft een vernietiging dan wel nietigverklaring van een ontslagbeschikking en het opleggen van een dwangsom, het Hof bevoegd is om kennis te nemen van de onderdelen sub a, c en d van de onderhavige vordering. De onderdelen van het gevorderde onder sub b en e kunnen niet worden gerubriceerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 leden 1 en 2 PW weshalve het Hof zich onbevoegd zal verklaren om daarvan kennis te nemen;

Ontvankelijkheid

4.4. Gesteld en evenmin is gebleken dat [verzoekster] niet binnen de bij de PW gestelde termijn in beroep is gekomen tegen de ontslagbeschikking van de Minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur d.d. 05 april 2019, weshalve zij ontvankelijk is in de ingestelde vordering hetwelk op 02 mei 2019 ter griffie van het Hof is ingediend;

4.4. De Staat heeft –zakelijk weergegeven- in haar verweerschrift en ter gelegenheid van het verhoor van partijen aangegeven dat [verzoekster] zich conform artikel 31 lid 1 en 2 van het studentenstatuut van het IOL schuldig heeft gemaakt aan ongewenst gedrag maar ook in strijd heeft gehandeld met de waarden en normen welke in het maatschappelijk verkeer betaamt. [verzoekster] was zich degelijk van bewust van wat zij vroeg aan de opleidingscoördinator. [verzoekster] wilde het diploma van PG-Extern opkopen en had helemaal niet de intentie om stage te lopen. [verzoekster] stelt dat leerkrachten het druk hebben maar zij vergeet dat een ieder die hard werkt het druk heeft maar dat neemt niet weg dat men geen ambtenaren moet proberen om te kopen om hun doel te bereiken. Het IOL is een onderdeel van de Staat en zijn de Staat en het IOL één en ondeelbaar. Het IOL levert de leerkrachten uit aan de Staat. De Staat is bevoegd om [verzoekster] ontslag aan te zeggen voor frauduleuze handelingen en strafbare feiten die zij pleegt op IOL. [verzoekster] beseft niet dat zij ook ongewenst gedrag heeft vertoond en alle normen en waarden welke gelden in het maatschappelijk verkeer heeft overtreden ook conform artikel 31 lid 1 en 2 van het studentenstatuut 2018 van het IOL. De Staat stelt dat deze handelingen van [verzoekster] als leerkracht ontoelaatbaar en bovenal strafbaar zijn.

4.5. In de visie van het Hof gaat het in casu om het navolgende. [Verzoekster] was als leerkracht (arbeidscontractant) verbonden aan de Staat met ingang van 1 april 2014 en was tevens studente aan het IOL. Op gegeven moment heeft [verzoekster] twee e-mailberichten naar haar opleidingscoördinator van het IOL, [naam 1], gestuurd die helemaal niet in goede aarde zijn gevallen bij de Staat. In haar e-mailbericht de dato 17 september 2018 schreef [verzoekster], onder andere, het volgende (begin citaat) :” Wat mijn punt is dat ik u wilde vragen of u mij kon helpen om mijn diploma te krijgen. Kunnen we dat onderling regelen juf aub. Dit hoef niemand te weten daarom dat ik u per mail vraag. We kunnen het persoonlijk ook bespreken maar u zegt waar en wanneer. Aub juf helpt u mij. Ik hoop op een positief antwoord.” (einde citaat). Vervolgens schreef [verzoekster] in haar e-mailbericht d.d. 20 september 2018, onder andere, het volgende (begin citaat): “ Ik bedoelde als ik u kon betalen om mijn diploma te krijgen zonder dat ik op stage ga en zonder dat een derde het weet. Het is tussen u en mij. Aub als u mij kunt helpen. Ik geef al les en u bent ook een docent dus u begrijpt hoe druk wij het kunnen hebben. Dus ik vraag u of wij het onderling kunnen regelen juf. We kunnen het persoonlijk ook bespreken als u dat wilt hoor.” (einde citaat)

4.6. Het IOL heeft na de informatie van voornoemde opleidingscoördinator te hebben ontvangen [verzoekster] van voornoemde opleiding afgeschreven. In de nasleep daarvan heeft ook de Staat aan [verzoekster] ontslag uit Staatsdienst verleend vanwege plichtsverzuim. [Verzoekster] vecht in deze procedure het aan haar verleend ontslag aan omdat zij, onder andere, stelt dat zij twee keer is gestraft voor hetzelfde vergrijp. De eerste keer is zij afgeschreven door het IOL en daaraanvolgend is zij ook ontslagen door de Staat. Naar het oordeel van het Hof haalt deze grondslag het niet in rechte. Ook al levert het IOL slechts leerkrachten aan voor de Staat dan nog behoudt de Staat de bevoegdheid om een leerkracht, die zich gedurende de opleiding bij het IOL onbetamelijk heeft gedragen, een passende tuchtmaatregel op te leggen. In casu is weliswaar gesteld noch gebleken dat [verzoekster] in de hoedanigheid van arbeidscontractant in de fout is gegaan. In de visie van het Hof is buiten kijf dat hetgeen [verzoekster] aan de opleidingscoördinator van het IOL in de e-mailwisseling heeft voorgesteld verwerpelijk is. Van een leerkracht wordt zo een voorstel niet verwacht en kan het niet door de spreekwoordelijke beugel. De Staat is derhalve in de visie van het Hof bevoegd om [verzoekster] een tuchtstraf op te leggen naast de sanctie van afschrijving die het IOL reeds heeft toegepast. De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde haalt het derhalve niet in rechte en zal worden verworpen. De vraag die zich dan aandient is of de zwaarste tuchtstraf van ontslag in het onderhavige geval passend en geboden is.

4.7. Ingevolge het bepaalde in artikel 63 van de PW wordt bij het opleggen van een tuchtstraf wegens plichtsverzuim rekening gehouden met de ernst van het plichtsverzuim waaraan de landsdienaar zich schuldig heeft gemaakt, de gevolgen van het plichtsverzuim, de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan, het algemeen gedrag, de ijver en de prestaties van de landsdienaar, alsmede met diens persoonlijke en huiselijke omstandigheden. Al het voorgaande in ogenschouw nemende komt het Hof tot de slotsom dat de tuchtstraf van ontslag in casu disproportioneel is gebleken. De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde is derhalve gegrond. [Verzoekster] is reeds afgeschreven van de opleiding van het IOL en heeft haar verontschuldigingen ter zake van de e-mailwisseling reeds aangeboden aan zowel de opleidingscoördinator, [naam 1], als de Directeur van MINOWC, [naam 4]. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat zij zich in het algemeen als leerkracht heeft vergallopeerd casu quo ondermaats heeft gepresteerd.

4.8. De buitenfunctiestelling van [verzoekster] heeft plaatsgevonden bij schrijven gedateerd 16 oktober 2018 en is op diezelfde dag ingegaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 23 lid 3 PW werkt dat besluit niet langer dan een maand weshalve de Staat binnen een maand een besluit diende te nemen. [Verzoekster] heeft zich bij schrijven de dato 01 november 2018 verweerd. De Staat heeft zich vervolgens in stilzwijgen gehuld en pas nadat de Staat in gebreke werd gesteld bij deurwaardersexploot de dato 29 maart 2019 door [verzoekster] is de Staat uit haar winterslaap ontwaakt en heeft actie ondernomen. Die actie hield in dat [verzoekster] bij ontslagbeschikking d.d. 05 april 2019 werd ontslagen. Door gedurende bijkans vijf maanden na expiratie van de buitenfunctiestelling van [verzoekster] stil te zitten terwijl de Staat blijkens het e-mailbericht afkomstig van het secretariaat van de toenmalige directeur van MINOWC d.d. 22 oktober 2018 en derhalve voordat [verzoekster] zich had verweerd, reeds een besluit had genomen ten aanzien van [verzoekster] heeft de Staat zich schuldig gemaakt aan schending van het beginsel van hoor en wederhoor alsmede schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Immers heeft de secretaresse van de Direkteur van MINOWC op 22 oktober 2018 een e-mailbericht met de navolgende inhoud naar [verzoekster] gestuurd (begin citaat): “ Geachte mevrouw [verzoekster], Namens de directeur van Onderwijs, [naam 4], deel ik u mee dat het besluit vanuit het MinOWC reeds genomen is. Uw brief ligt klaar bij de afdeling Agenda aan de dr. S. Kafiluddistraat 117-123” (einde citaat). De daartoe strekkende grondslag van het gevorderde is derhalve in rechte komen vast te staan. Het hiervoor in 4.7. en 4.8. overwogene leidt ertoe dat het ontslagbesluit vervat in de beschikking d.d. 5 april 2019 onder AD [nummer 1] nietig dient te worden verklaard.

4.9. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwend komt het Hof tot de slotsom dat een tuchtstraf van een maand schorsing aan [verzoekster] recht doet aan de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het tuchtrechtelijk te straffen feit is begaan in samenhang bezien met de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] alsmede haar functioneren als leerkracht. Ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 PW ziet het Hof ambtshalve aanleiding om voormelde tuchtstraf vast te stellen en te bepalen dat het bepaalde in dit vonnis in de plaats zal treden van het nietig verklaarde ontslagbesluit. De mede gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu aan de onderdelen van het dictum van dit vonnis geen termijn is gekoppeld.

4.10. Bespreking van al hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd is voor de beslissing niet relevant gebleken weshalve het Hof bespreking daarvan achterwege zal laten.

  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het gevorderde onder sub b en sub e van het petitum van het verzoekschrift;
  1. Verklaart nietig het besluit van de Staat als vervat in de beschikking d.d. 5 april 2019 onder AD [nummer 1] waarin aan [verzoekster] ontslag uit Staatsdienst is verleend;
  1. Legt aan [verzoekster] de tuchtstraf op van schorsing voor een tijdvak van een maand met ingang van 16 oktober 2018 en bepaalt dat het bepaalde in dit vonnis in de plaats zal treden van het nietig verklaarde ontslagbesluit d.d. 5 april 2019;
  1. Veroordeelt de Staat tot het betalen van schadevergoeding gelijk aan het salaris van [verzoekster] vanaf 16 november 2018 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars vanaf 2 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 05 november 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-88

G.R.No. 15025

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante]
wonende te [plaats],
appellante, hierna aangeduid als ”[appellante]”,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name de Minister van Arbeid Technologische Ontwikkeling en Milieu,
rechtspersoon,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur – Generaal bij het Hof van Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gemachtigde: mr. M. Kanhai – Ramai, jurist bij het Ministerie
van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu en verbonden aan het Bureau Landsadvocaat.

inzake het hoger beroep van het door de Kanton rechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 05 juni 2014 (A.R.No. 14-1538) tussen [appellante] als eiseres en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1 Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellante] op 28 augustus 2014 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de door [appellante] niet ingediende pleitnota ondanks het feit dat zij drie keer daartoe in de gelegenheid is gesteld;
  • de mondelinge conclusie aan de zijde van de gemachtigde van [appellante], waarbij er recht op stukken is gevraagd.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2. 1 [appellante] is op de dag van de uitspraak (05 juni 2014) noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschenen, terwijl de Staat, bijgestaan door zijn gemachtigde, wel is verschenen. Het vonnis is op 20 augustus 2014 naar de raadsman van [appellante] verstuurd. [appellante] heeft bij schrijven van haar gemachtigde op 28 augustus 2014 appel aangetekend;

2.2 [appellante] heeft derhalve tijdig het appel aangetekend en is zij daarin ontvankelijk.

3. De Feiten
3.1 [appellante] is in dienst getreden van de Finabank N.V. en bekleedde daarbij de functie van Financieel Directeur.

3.2 Bij besluit van de Staat de dato 12 februari 2014 met kenmerk [nummer] is aan de Finabank N.V. vergunning verleend om de arbeidsovereenkomst met [appellante] te beëindigen (hierna te noemen: het besluit van de Staat).

4. De vordering en de beslissing in eerste aanleg
[appellante] heeft in kort geding, zakelijk weergegeven, gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het besluit van de Staat op te schorten, althans te schorsen, totdat in een bodemprocedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist alsmede om de Staat te veroordelen in de proceskosten. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 5 juni 2014 onder A.R.No. 14-1538 beslist dat de vordering van [appellante] wordt afgewezen en zij wordt in de proceskosten veroordeeld.

5. De grieven en de vordering in hoger beroep
[appellante] heeft geen grieven aangevoerd en zij heeft evenmin gepleit. Zij heeft op 6 november 2015 uitstel gevraagd om een pleitnota over te leggen, welk verzoek op 6 november 2015 door het Hof van Justitie is afgewezen. Daarna heeft de gemachtigde van [appellante] recht op stukken gevraagd.

6 De beoordeling
6.1 Nu gebleken is dat de gemachtigde van [appellante] recht op stukken heeft gevraagd, zal het Hof uit het voorgaande begrijpen dat zowel [appellante] als de Staat bij hun respectieve standpunten blijven, zoals die in het eerste aanleg zijn aangevoerd.

6.2 Ten aanzien van het spoedeisend belang wordt het volgende overwogen.
Nu gebleken is dat [appellante] in kort geding opschorting, althans schorsing van het besluit van de Staat heeft gevorderd totdat in een bodem procedure door de rechter over de rechtsgeldigheid ervan onherroepelijk zal zijn beslist en aan [appellante] op grond van dat besluit door de Staat ontslag is aangezegd, is het Hof van oordeel dat dit besluit van de Staat thans is uitgewerkt en [appellante] derhalve geen spoedeisend belang heeft bij de voorzieningen die zij heeft gevorderd. Bovendien is het Hof van oordeel dat – zoals terecht door de kantonrecht er onder rechtsoverweging 5.4 van het vonnis is overwogen – het aantasten van het besluit van de Staat niet tot gevolg heeft dat de opzegging en de beëindiging van het arbeidsovereenkomst wordt aangetast. Niet is gebleken immers dat de overweging van de kantonrechter berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat de overige stellingen en weren van partijen thans geen verdere bespreking behoeven en dat het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton, gewezen en uitgesproken op donderdag 05 juni 2014, waarvan beroep, zal worden bevestigd.

6.3 [appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen en zoals nader te begroten in het dictum.

7. De beslissing in hoger beroep

Het hof:

7. 1 Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

7.2 Veroordeelt [appellante] in de proceskosten aan de zijde van de Staat in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. M.V. Kuldip Singh, Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. M.V. Kuldip Singh

door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Wegens ontstentenis van de w.g. S.S.S. Wijnhard
Fungerend-Griffier niet in staat het
vonnis te ondertekenen

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. E.D. Esajas namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch bij vertegenwoordiger noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-87

G.R.No. 15028

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In het incident en in de hoofdzaak van

[Appellant], handelende onder de naam R.N. TRADING, wonende aan de [adres],
appellant in de hoofdzaak en in het incident, hierna aangeduid als ”[appellant]”,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman,

tegen

I) DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP BELEGGINGS- EN BEHEERSMAATSCHAPPIJ G. HAMERS B.V,
rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende in [land 1],
II) [Geïntimeerde sub 2],
wonende te [eiland],
III) [Geïntimeerde sub 3],
wonende in [land 1],
geïntimeerden in de hoofdzaak en in het incident, hierna aangeduid als ”[geïntimeerden]”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton gegeven en uitgesproken vonnis van 12 juni 2014 in de zaak bekend onder A.R.No. 13-2793 tussen [geïntimeerden] als eiseres en [appellant] als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

1. Het procesverloop in hoger beroep:

  • de verklaring d.d. 12 augustus 2014 van de griffier der Kantongerechten, waarin is vermeld dat
  • [appellant] tegen voormeld vonnis Hoger Beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota, d.d. 20 november 2015 met producties;
  • de antwoord pleitnota en uitlating producties, d.d. 18 maart 2016;
  • de incidentele conclusie tot schorsing en hervatting van het geding en de repliek pleitnota d.d. 01 april 2016 met producties;
  • de conclusie van antwoord in het incident en de dupliek pleitnota met uitlating producties d.d. 15 juli 2016.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1 [Appellant] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg. Het vonnis is per griffiersbrief van 01 augustus 2014 aan hem toegezonden.
[appellant] heeft op 12 augustus 2014 bij schrijven van zijn gemachtigde appèl aangetekend.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft [appellant] binnen de wettelijke termijn appèl aangetekend, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

3. De feiten in de hoofdzaak
3.1 [Geïntimeerden] heeft in november 2011 , 3000 kg gepekeld rundvlees ter waarde van € 12.000,- verkocht en geleverd aan R.N. Trading.

3.2 Vervolgens heeft [geïntimeerden] in januari 2012 aan R.N. Trading diverse producten geleverd voor een totaal bedrag van € 117,70.

3.3 [geïntimeerden] heeft bij verzoekschrift in Kort Geding op 27 juni 2013 een vordering ingesteld tegen [appellant] ter voldoening van de aan haar verschuldigde geldsbedragen. Bij vonnis van de kantonrechter in Kort Geding d.d. 12 juni 2014, in de zaak bekend onder A.R.No.13-2793, heeft de kortgedingrechter de vordering van [geïntimeerden] toegewezen.

3.4 Tegen het vonnis voornoemd heeft [appellant] hoger beroep aangetekend.

3.5 [geïntimeerden] is sinds 31 oktober 2014 ontbonden en is op 10 december 2014 uitgeschreven uit het handelsregister van de (Nederlandse) Kamer van Koophandel.

4. De vordering en het verweer in het incident
4.1 [appellant] vordert om de zaak te schorsen en deze te hervatten ten name van de bestuurders van de ontbonden Besloten Vennootschap te weten:
[Geïntimeerde sub 1],
[Geïntimeerde sub 2] en
[Geïntimeerde sub 3]

4.2 [geïntimeerden] voert als verweer dat [appellant] de grondslag van de schorsing en hervatting niet heeft aangegeven. Het enkel niet bestaan van de BV geeft nog geen recht om een proces tegen elke willekeurige rechtspersoon te hervatten.

5. De vordering, de grieven en het verweer in de hoofdzaak
5.1 [Appellant] vordert dat hij ontvankelijk zal worden verklaard in zijn beroep, dat het vonnis in eerste aanleg zal worden vernietigd en dat het Hof, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerden] alsnog niet ontvankelijk verklaart in haar vordering, althans haar de vordering ontzegt en [geïntimeerden] veroordeelt in de proceskosten in beide instanties.

5.2 [Appellant] heeft als grieven tegen het vonnis aangevoerd:
1. dat hij, [appellant], nooit en te nimmer zaken heeft gedaan met [geïntimeerden] en dat hij zulks
ondubbelzinnig heeft aangegeven in eerste aanleg;
2. dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerden] heeft toegewezen op de overweging dat
de werkelijke schuldenaar, [naam], bij het doen van zaken met [geïntimeerden], gebruik
heeft gemaakt van de handelsnaam van [appellant], zonder diens medeweten;
3. dat [geïntimeerden], naar zijn oordeel, niet diende te bewijzen dat hij zaken heeft gedaan met
R.N Trading, maar dat zij, [geïntimeerden], zaken heeft gedaan met [appellant]. Hij, [appellant],
kan dus niet opdraaien voor een schuld welke hij niet is aangegaan;
4. dat de kantonrechter hem, [appellant] niet heeft veroordeeld uit hoofde van enige over­ tuiging, doch slechts op grond van de aannemelijkheid van de vordering. Ten aanzien van het toewijzen van geldvorderingen in Kort geding worden er overigens stringentere eisen gesteld, waaronder het ontegenzeggelijk vaststaan van de vordering. In casu is [appellant] niet in de gelegenheid geweest zijn stellingen en standpunten te bewijzen door met name getuigen, terwijl hij de vordering van [geïntimeerden] categorisch heeft ontkend.

5.3 [Geïntimeerden] heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt, voorzover nodig, bij de beoordeling ingegaan.

6 De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak
6.1 Geoordeeld wordt, dat het ontbonden zijn van een vennootschap op zich – naar analogie van artikel 185 sub 1 van het Wetboek van Rechtsvordering – een grond oplevert voor het schorsen van het geding zodat dit hervat kan worden op naam van de door de belanghebbende opgegeven rechtspersoon/natuurlijke personen. Met name kan blijkens de literatuur ontbinding van een rechtspersoon hiermee gelijkgesteld worden.
Nu uit het door [appellant] overgelegd uittreksel is gebleken dat [geïntimeerden] is ontbonden daar er geen bekende baten meer zijn, zal het Hof de gevorderde schorsing en daarop volgende hervatting op naam van de bestuursleden van [geïntimeerden] toewijzen, zoals reeds in de kop van het vonnis is verwerkt.

6.2 [Geïntimeerden] ontkent de stelling van [appellant] dat hij nimmer zaken met hen heeft gedaan. R.N. Trading is op 14 juni 2011 overgenomen. Na de overname heeft [geïntimeerden] 3000 kilogram gepekeld rundvlees verzonden en is dit vlees ook door R.N. Trading overgenomen. Dit geldt eveneens voor de andere producten die op 05 januari 2012 zijn verzonden en wederom door R.N. Trading zijn overgenomen. Als de goederen niet door [appellant] waren ingeklaard, zouden die nog op de haven liggen en zou [geïntimeerden] daarvan op de hoogte zijn gesteld.
Voorts is [geïntimeerden] van oordeel, dat de stelling van [appellant] – met name dat [naam]zijn handelsnaam heeft gebruikt zonder diens medeweten – niets afdoet aan de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tussen [geïntimeerden] en R.N. Trading, nu [appellant] niet heeft gesteld noch heeft bewezen dat hij de goederen niet heeft ontvangen.
Immers, indien [appellant] van mening was dat zijn broer [naam]in rechte betrokken diende te worden, bood het recht hem de gelegenheid daartoe.
Tenslotte voert [geïntimeerden] als verweer dat [appellant] voldoende gelegenheid heeft gehad zijn stel­ lingen te bewijzen. Nu hij daar geen of onvoldoende gebruik van heeft gemaakt, dient dat voor zijn rekening te komen. Het Kort Geding leent zich trouwens niet voor een uitgebreide behandeling van een zaak.

6.3 Het Hof verstaat dat [appellant] stelt, dat zijn broer [naam]het bedrijf R.N. Trading onbevoegd heeft vertegenwoordigd, door de handelsnaam R.N. Trading te gebruiken zonder zijn, [appellant]’s, medeweten.
Geoordeeld wordt dat bij pseudovertegenwoordiging in de regel geen geldige rechtshandeling tot stand komt. Op de hoofdregel van niet gebondenheid geldt een uitzondering, indien de derde zich kan beroepen op het gerechtvaardigd vertrouwen dat de vertegenwoordiger wel bevoegd was. In dat geval kan de vertegenwoordigde toch gebonden zijn aan de door de onbevoegde vertegenwoordiger verrichte rechtshandeling. Echter moet er zijn voldaan aan de vereisten, dat de onbevoegde vertegenwoordiger heeft gehandeld in naam van de ander, de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt door de vertegenwoordigde en dat de wederpartij te goeder trouw is.

6.4 In casu is blijkens het overgelegde uitvoergeleide document en de factuur d.d. 05 januari 2012 gehandeld in naam van R.N. Trading. Uit eerder genoemde documenten is eveneens gebleken dat de goederen en facturen zijn opgestuurd naar het adres van R.N. Trading aan de [adres], hetwelk tevens het huisadres is van [appellant].
Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] op enig moment aan [geïntimeerden] kenbaar heeft gemaakt dat hij de geleverde lading niet heeft besteld en zich daar dan ook niet verantwoordelijk voor stelt. Integendeel heeft [appellant] bij zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg aangegeven dat het geleverde rundvlees bedorven was.
Geoordeeld wordt dan ook, dat door [appellant] – zelfs indien zou komen vast te staan dat [naam] de overeenkomst met [geïntimeerden] heeft gesloten – de schijn van vertegenwoordigingsbe­ voegdheid is gewekt tegenover [geïntimeerden].
Voorts is het Hof met [geïntimeerden] van oordeel, dat indien [appellant] van oordeel was dat hij niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de vordering, de wet hem de mogelijkheid bood [naam]in vrijwaring op te roepen, hetgeen hij heeft nagelaten.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het Hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] door de litigieuze overeenkomst is gebonden en dientengevolge is gehouden het verschuldigd bedrag te betalen.

6.5 [Appellant] voert voorts als verweer dat de kantonrechter hem, [appellant], heeft veroordeeld zonder enige overtuiging, doch slechts op grond van de aannemelijkheid van de vordering.

6.6 Overwogen wordt, dat voor toewijzing van een geldvordering in Kort Geding vereist is, dat het bestaan van de vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is. Daarnaast moet er sprake zijn van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en moet de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede betrekken, het restitutierisico.
Nu de vordering van [geïntimeerden] in eerste aanleg voldoende aannemelijk is gemaakt en naar het oordeel van het Hof ook aan de overige vereisten is voldaan, zal aan deze grief worden voorbij­ gegaan.

6.7 Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen, wordt geoordeeld dat [appellant] niet slaagt in de grieven en zal het bestreden vonnis worden bevestigd.
[appellant] zal in hoger beroep, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de pro­ceskosten.

7. De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
In het incident:
7.1 Gelast de schorsing en gelijktijdige hervatting van het geding ten name van de Besloten
Vennootschap Beleggings- en Beheersmaatschappij G. Hamers B.V., rechtspersoon, Cronie,
Ronald Johan Stanley en Hamers, Gerardus Cornelis Maria.

In de hoofdzaak:
7.2 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen de dato 12 juni 2014, A.R.No. 13-2793, waarvan beroep;

7.3 Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerden] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. A.M. Nooitmeer- Rotsburg, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. S.M.M. Chu

door mr. S.S.S. Wijnhard, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 16 maart 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend- Griffier.

Wegens ontstentenis van de w.g. S.S.S. Wijnhard
Fungerend-Griffier niet in staat het vonnis te ondertekenen

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.M.S.J. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.A. Guman, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerden noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2018-86

G.R.No. 15052

HOF VAN JUSTITIE VAN SURI NAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende te [adres] in het [district],
appellant hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. S.T. Sewdien, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden hierna aangeduid als de Staat,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

1. Het procesverloop i n hoger beroep:

  • de pleitnota, d.d. 15 januari 2016 met producties;
  • de antwoord pleitnota en uitlating producties, d.d. 18 maart 2016;
  • de repliek pleitnota d.d. 20 mei 2016 met producties;
  • de dupliek pleitnota met uitlating producties d.d. 04 november 2016.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1. [appellant] is niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg. Het vonnis is per griffiersbrief van 02 juli 2015 naar hem toegezonden . [appellant] heeft op 13 juli 2015 bij schrijven van zijn gemachtigde appèl aangetekend.

2.2. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten
3.1 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding d.d. 09 januari 2014, A.R.No. 12-4377, is de Staat veroordeeld om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan [appellant] af te geven een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte- en een overlijdensakte van [naam] geboren op 18 december 1944 in het [district] en overleden op 27 februari 2006 te Paramaribo Zuidwest, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 100.000,-. Het vonnis is voorts uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is bij exploot van deurwaarder D. Toekimin d.d. 17 februari 2014 aan de Staat betekend.

3.2 Op 19 maart 2014 heeft [appellant] voormelde bescheiden afgehaald bij de Staat. Bij schrijven van de 16 oktober 2014, betekend per exploot van de deurwaarder D. Hieralal d.d. 17 oktober 2014 no. 157, heeft [appellant]’s gemachtigde de procureur-generaal met vermelding van de gronden in kennis gesteld dat de inlichtingenstaat onvolledig blijkt te zijn. Bij dit schrijven is de Staat tevens gesommeerd om binnen 7 dagen na ontvangst van deze sommatie alsnog te doen toekomen een nieuwe c.q. volledige inlichtingenstaat en een geboorteakte van [naam], waaruit blijkt dat zij voorheen de geslachtsnaam ”[naam]” heeft gedragen. In dit schrijven is aan de Staat medegedeeld, dat indien niet binnen de gestelde termijn aan de sommatie is voldaan, de dwangsom zal warden geëxecuteerd en de kosten ten laste van de Staat zullen worden gebracht. De gecorrigeerde stukken zijn per fax verzonden naar de gemachtigde van [appellant].

3.3 Bij exploot van deurwaarder D. Hieralal d.d. 18 december 2014 no. 230 heeft [appellant] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder Rosebel Gold Mines N.V., teneinde de dwangsom van SRD 100.0000,- te verbeuren.

3.4 Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding d.d. 28 mei 2015 A.R.No. 15-1369 heeft de kantonrechter de opheffing gelast van het bij exploot van de deurwaarder D. Hieralal, d.d. 18 december 2014 no. 230 gelegd executoriaal derdenbeslag onder Rosebel Gold Mines N.V. Dit vonnis is voorts uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is [appellant] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen.

4. De vordering, de grieven en het verweer in de hoofdzaak
4.1 [appellant] vordert dat het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding, d.d. 28 mei 2012, A.R.No. 15-1369 zal worden vernietigd, en opnieuw rechtdoende de vordering van de Staat alsnog zal worden afgewezen, dan wel de gevraagde voorziening zal worden geweigerd.

4.2 [appellant] heeft als grieven tegen het vonnis aangevoerd:
1. Dat uit de door [appellant] aangehaalde verweren in zijn conclusies van antwoord en dupliek blijkt dat hij niet bloot heeft ontkend, maar juist genoegzaam en met data onderbouwd, verweer heeft gevoerd dat de Staat binnen de vastgestelde termijn van een maand de betreffende bescheiden aan [appellant] heeft verstrekt;
2. Dat de Kantonrechter in het vonnis voornoemd heeft vastgesteld dat de Staat op on­ deugdelijke wijze uitvoering heeft gegeven aan het vonnis. Het ondeugdelijk uitvoeren van een vonnis wordt gelijkgesteld aan het niet uitvoeren van een veroordeling, waardoor de dwangsom wordt verbeurd.

4.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt, voorzover nodig, bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling
Grief I
5.1 De Staat voert als verweer dat de eerste grief van [appellant] faalt, daar hij het gestelde inderdaad bloot heeft weersproken. Bij conclusie van antwoord heeft [appellant] gesteld dat de inlichtingenstaat is gedateerd 06 maart 2014 en dat zulks is geadresseerd aan de Procureur-Generaal en niet aan zijn gemachtigde. Dit is juist. Het is eveneens juist dat het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB) bij schrijven van 10 maart 2014 de desbetreffende documenten heeft verzonden naar de Procureur-Generaal, wiens parket het binnen de gestelde termijn heeft doorverzonden naar de advocaat van [appellant]. [appellant] weerspreekt dit, doch heeft hij noch bij antwoord, noch bij dupliek aangegeven, wanneer de bescheiden zijn ontvangen. [appellant] heeft zich namelijk geconcentreerd op de ondeugdelijke wijze waarop uitvoering is gegeven aan het vonnis.
[appellant] heeft nimmer aan de Procureur-Generaal in zijn schrijven d.d. 17 oktober 2014 melding van gemaakt dat de stukken niet binnen een maand zijn verstrekt. Thans wordt door [appellant] een schrijven overgelegd waaruit blijkt dat de gemachtigde van [appellant] de stukken pas op 19 maart 2014 heeft ontvangen. Ten principale heeft [appellant] dit schrijven niet in het geding gebracht.
Dit betekend dus dat de kantonrechter geen kennis van droeg dat de bescheiden op 19 maart 2014 zouden zijn afgegeven.
De kantonrechter is dus terecht tot de bevinding gekomen dat [appellant] volstaan heeft met een bloot verweer en is komen vast te staan dat de documenten binnen de gestelde termijn zijn verstrekt.
Ook indien de verstrekking van de documenten heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014, dan zou de Staat 2 dagen te laat zijn en een boete hebben verbeurd van
SRD 2.000,-.

5.1.1. Het Hof is van oordeel dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken en mede blijkens de door [appellant] overgelegde productie I bij pleitnota, is komen vast te staan, dat aan de gemachtigde van [appellant], mr. Sewdien de originele akten zijn afgestaan op 19 maart 2014 en niet uiterlijk op 17 maart 2014, zoals dit had gemoeten.
Geoordeeld wordt, dat derhalve is komen vast te staan, dat de Staat twee dagen te laat is geweest met het voldoen aan het vonnis van de kantonrechter in Kort Geding d.d. 09 januari 2014.
Echter wordt geoordeeld dat de Staat is veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 1.000,- per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen. Nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij twee dagen te laat heeft voldaan aan het vonnis voornoemd, is ook een bedrag van slechts SRD 2.000,- verbeurd; niet het door [appellant] gevorderd bedrag van SRD 100.000,-.

Grief II
5.2 De Staat is het oneens met [appellant] dat zij op ondeugdelijke wijze uitvoering heeft gegeven aan het vonnis. Door het handelen van [naam] en/of haar ouders zijn de registers van het CBB onvolledig geweest. De betreffende documenten zijn opgemaakt aan de hand van toen aangetroffen persoonsgegevens van [naam]. Pas bij nader onderzoek naar aanleiding van de deurwaardersexploot d.d. 17 oktober 2014, is aan [appellant] de gecorrigeerde inlichtingenstaat verstrekt en wel binnen de aangegeven 7 dagen.

5.2.1. Ter beoordeling van de vraag of de dwangsommen al dan niet zijn verbeurd, dient het Hof de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient voorop te worden gesteld, het doel en de strekking van de veroordeling in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het beoogde doel.
Voorts wenst het Hof te overwegen dat, met in achtneming van de redelijkheid en de billijkheid, niet elke overtreding voldoende ernstig is, om te rechtvaardigen dat daardoor de dwangsommen zijn verbeurd.

5.2.2. In casu is namelijk gebleken dat de Staat is veroordeeld om binnen een maand na
betekening van dit vonnis aan eiser af te geven een stamboom c.q. inlichtingenstaat, een geboorte – en een overlijdensakte van [naam] danwel [naam] geboren op 18 december 1944 in het [district] en overleden op 27 februari 2006 te Paramaribo/Zuidwest.

5.2.3. Uit de stellingen en weren is in voldoende mate komen vast te staan, dat de inlichtingen­ staat onvolkomenheden bevatte en dat in de geboorteakte van [naam]niet is vermeld dat zij eerder de geslachtsnaam Jaman heeft gedragen.
Overwegende dat de veroordeling van de Staat tot doel heeft gehad, de Staat ertoe te bewegen gegevens van personen (in deze [naam] danwel [naam]) te verstrekken aan een derde (in deze [appellant]). De Staat had zich namelijk op het standpunt gesteld dat zij een beleid hanteert, waarbij informatie over personen niet aan derden wordt verstrekt.
Gelet op het doe! en de strekking van de veroordeling, met name het bewegen van de Staat op de benodigde informatie aan [appellant] te verstrekken, kan worden opgemerkt, dat hieraan geheel is voldaan.
De achteraf gebleken onvolkomenheden geven het Hof geen aanleiding aan te nemen dat niet aan het vonnis is voldaan; immers zijn de onvolkomenheden niet van dien aard, dat kan worden gesproken van het weigeren aan het vonnis te voldoen.
Bovendien is voorts gebleken dat de Staat, na op de onvolkomenheden te zijn geattendeerd, deze prompt en wel binnen een week heeft gecorrigeerd.
Ten aanzien van de aanvulling van de geslachtsnaam van [naam], kan worden gesteld dat de Staat in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt, die gevorderde wijzigingen niet zelfstandig te kunnen aanbrengen, daar deze door de kantonrechter dienen te worden aangepast. Ook het feit dat zij het proces daartoe heeft ingezet, geeft naar het oordeel van het Hof blijk dat zijdens de Staat niet de intentie bestond/bestaat, om geen uitvoering aan het vonnis te geven.

5.3 Het Hof is van oordeel dat, hoewel de eerste grief van [appellant] gedeeltelijk is geslaagd, de hoogte van de vordering het door hem gelegd beslag niet rechtvaardigt. Het vonnis waarvan beroep, zal dan ook worden bevestigd.
[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten.

6. De beslissing in hoger beroep Het Hof:
6.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 28 mei 2015 bekend onder A.R.No. 15-1369, waarvan beroep;

6.2 Veroordeelt Badew in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal, Lid en mr. A.M. Nooitmeer-Rotsburg, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 januari 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. S.T. Sewdien, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Wnd. Substituut-Griffier

SRU-HvJ-2018-85

G.R.No. 15055

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

1. DE STICHTING HARRYPERSAD,
gevestigd in het [district],
2. [appellant sub 2],
kantoorhoudende c.q. wonende in [district],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in het [district],
verder te noemen: [geïntimeerde]
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 23 maart 2015 (A.R.No. 15-0709) tussen appellanten als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 10 april 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 mei 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 15 juli 2016;
  • de repliekpleitnota d.d. 2 december 2016;
  • de dupliekpleitnota d.d. 3 maart 2017.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

2. Op vordering van appellanten is [geïntimeerde] bij een eerder vonnis (d.d. 23 mei 2013, A.R.No.
11-0154) op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van dat vonnis bepaalde bedrijfsactiviteiten te staken. Appellanten hebben zich vervolgens op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] niet aan deze veroordeling heeft voldaan en dat hij daarom aan hen dwangsommen heeft verbeurd tot een bedrag van SRD 100.000,-. Zij hebben vervolgens ten laste van [geïntimeerde] executoriaal beslag gelegd op een nader ten processe omschreven onroerend goed van [geïntimeerde] alsmede onder de Staat.

3 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd de opheffing van deze beslagen te gelasten. Voorts heeft hij een bedrag van SRD 4.500,- gevorderd wegens door hem gemaakte advocaatkosten.
De kantonrechter heeft deze vorderingen, in zoverre uitvoerbaar verklaard en bij voorraad het vonnis toegewezen. Bovendien werden appellanten in de proceskosten verwezen.

4. Tegen deze beslissingen komen appellanten in hoger beroep op. Hun grieven dan wel bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter komen op het volgende neer:
(i) ten onrechte heeft de kantonrechter op de enkele grond dat er diepgaand onderzoek zal moeten plaatsvinden alvorens in rechte kan worden geoordeeld of dwangsommen zijn verbeurd, welk onderzoek niet in (dit) kort geding maar in een bodemprocedure dient plaats te vinden, de executoriale beslagen opgeheven;
(ii) ten onrechte heeft de kantonrechter, zonder daarvoor enige motivering te geven, appellanten tot betaling van het bedrag van SRD. 4.500,- veroordeeld.

5. Artikel 492 Rv bepaalt dat de wederpartij van de veroordeelde bevoegd is het vonnis voor de verbeurde dwangsommen ten uitvoer te leggen zonder daarvoor een nieuwe titel te hebben verkregen. Indien de veroordeelde, zoals thans [geïntimeerde], in een executiegeschil daartegen opkomt, rust op hem in beginsel de bewijslast van de feiten die hij aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Onder omstandigheden moet op voormeld beginsel naar redelijkheid en billijkheid een uitzondering worden gemaakt.

6. Het gaat hier om een kort geding. Dan is niet zozeer aan de orde wie van partijen de bewijslast van bepaalde feiten draagt als wel wie zijn of haar stellingen voorshands aannemelijk heeft gemaakt. Indien, zoals de kantonrechter blijkbaar voorlopig heeft geoordeeld, de balans niet duidelijk naar deze of gene zijde doorslaat en voor een behoorlijke beslissing onderzoek door de bodemrechter noodzakelijk is, behoort in afwachting daarvan met terughoudendheid op de door de geëxecuteerde gevorderde voorzieningen te worden beslist. Een belangenafweging behoort daarbij een rol te spelen.

7. De kantonrechter heeft die terughoudendheid niet betracht. Zij heeft, oordelend dat de bodemrechter over de grondslag van [geïntimeerde’s] vordering een beslissing dient te nemen – welk oordeel het Hof onderschrijft -, de beslagen zonder meer opgeheven. Niet blijkt dat zij daarbij de belangen van partijen tegen elkaar heeft afgewogen.
Behalve opheffing van het beslag dan wel afwijzing van de daarop gerichte vorderingen, waren nog andere (orde-)beslissingen denkbaar, zoals opheffing tegen het stellen van zekerheid door [geïntimeerde] of schorsing van de executie met handhaving van het beslag. In een belangenafweging was eveneens denkbaar geweest het ene beslag te handhaven en het andere op te heffen.

8. Dat de uitgesproken opheffing van de beslagen voor appellanten ernstige gevolgen heeft, blijkt uit de door [geïntimeerde] niet betwiste stelling van appellanten dat hij het beslagen onroerend goed vervolgens heeft vervreemd, zodat het verhaal van de vordering van appellanten daarop illusoir is geworden.

9. Het Hof acht om voormelde redenen de hierboven onder 4 (i) genoemde grieven en bezwaren van appellanten gegrond.

10. Dat geldt ook voor de onder 4 (ii) genoemde grieven en bezwaren. De kantonrechter heeft zonder enige motivering de vordering tot betaling van een bedrag van SRD 4.500,- toegewezen. Nog daargelaten dat het hier gaat om een betwiste geldvordering in kort geding, is deze onlosmakelijk verbonden met de vorderingen tot opheffing van de gelegde executoriale beslagen. Waar het Hof tot het oordeel is gekomen dat deze beslagen niet zonder meer hadden mogen worden opgeheven, leidt dit er eveneens toe dat de geldvordering had moeten worden afgewezen.

11. Het Hof zal dan ook het vonnis van de kantonrechter vernietigen en de door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen alsnog afwijzen. Daardoor zouden de beslagen herleven, zij het dat intussen opgetreden wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed moeten worden geëerbiedigd (H.R. 23 -2-1996, NJ 1996/434). Met betrekking tot het onroerend goed betekent dit dat het beslag, vanwege de plaatsgevonden vervreemding, niet herleeft. Met betrekking tot het onder de Staat gelegde derdenbeslag brengt voormelde rechtsregel mee dat het beslag herleeft na het door appellanten opnieuw vervullen van de formaliteiten als vermeld in artikel 344 e.v. Rv.

12. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis d.d. 23 maart 2015 (A.R.No. 15-0709)

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af,

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van appellanten begroot

  • voor de eerste aanleg op nihil
  • voor het hoger beroep op SRD 285,-

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie
namens deze,
mr. S.K. Ghopie, Waarnemend Substituut Griffier

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-84

G.R.No.15105

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

N.V. MAYO,
STICHTING ESPERANZA,
[Appellant sub C],
gevestigd en kantoorhoudende, respectievelijk wonende te [Plaats],
appellanten,
verder ook aan te duiden als Mayo c.s., respectievelijk Mayo, de Stichting of [appellant sub C],
gemachtigde: mr. F.M.S. Ishaak, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [Plaats],
geïntimeerde,
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde],
gemachtigde: I.D. Kanhai, Bsc., advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 21 januari 2014 (A.R.No. 03-3507), tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie tevens gedaagde in reconventie en Mayo c.s. als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken, inhoudende dat op 8 april 2014 door mr. F.M.S. Ishaak, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat Mayo c.s. hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 21 januari 2014 is gewezen en uitgesproken;
  • pleidooi van 5 augustus 2016;
  • antwoordpleidooi van 4 november 2016;
  • repliek pleidooi d.d. 6 januari 2017;
  • dupliek pleidooi d.d. 3 februari 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 16 juni 2017 en vervolgens nader op 2 november 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

De dienstbrief dateert van 19 maart 2014. Mayo c.s. heeft volgens de verklaring van de griffier op 8 april 2014 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is tijdig en Mayo c.s. is ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling

1.1. Tussen partijen staat – kort gezegd – het volgende vast.

  • [geïntimeerde] en haar moeder [naam] waren gerechtigd tot het erfpachtsrecht op het perceelland, gelegen te Paramaribo ten noorden van [straatnaam] bekend als [adres 1] ,bekend als [adres 2], (hierna: het perceelland).
  • De Stichting heeft aan [geïntimeerde] en [naam]een geldlening verstrekt van Nf. 12.000,00. Ter verzekering van deze schuld hebben zij aan de Stichting bij akte van 23 september 1999 een tweede hypotheek op voornoemd perceelland verleend.
  • In een onderhandse akte van 23 september 1999 heeft [geïntimeerde] in privé en als gevolmachtigde van [naam] aan de Stichting last en volmacht verleend tot verkoop aan derden of aan de gemachtigde in privé van voornoemd erfpachtsrecht. In de akte wordt verder vermeld dat de volmacht alleen kan worden gebruikt indien [geïntimeerde] in gebreke is gebleven om aan haar verplichtingen jegens de Stichting te voldoen.
  • Bij exploit van 8 december 1999 heeft de Stichting aan [geïntimeerde] betekend haar brief van dezelfde datum, waarin zij [geïntimeerde] in gebreke heeft gesteld in verband met het niet betalen van de aflossingen van 6 november 1999 en 6 december 1999 van elk Nf. 600,00.
  • Bij onderhandse akte van 9 december 1999 heeft [geïntimeerde] (pro se en als gevolmachtigde van [naam]) meergenoemd erfpachtsrecht voor een bedrag van Nf. 12.000,00 verkocht aan [appellant sub C] in diens hoedanigheid van directeur van N.V. MAYO.
  • [appellant sub C] heeft als bestuurslid van de Stichting c.q. als gevolmachtigde van [geïntimeerde] en voorts in hoedanigheid van directeur van N.V. MAYO krachtens de akte van 23 september 1999, voornoemd erfpachtsrecht bij notariële akte van 10 december 1999 overgeschreven in de openbare registers en het (in hoedanigheid van bestuurslid van de Stichting en als gevolmachtigde van [geïntimeerde]) op diezelfde dag verkocht aan N.V. MAYO.
  • Bij vonnis van de kantonrechter van 15 mei 2003 A.R. no. 01-1747 is Mayo c.s. (onder meer) verboden om beheers- of beschikkingsdaden te verrichten met betrekking tot voornoemd erfpachtsrecht totdat de bodemrechter omtrent de rechtsgeldigheid daarvan en de levering aan N.V. MAYO heeft beslist, een en ander op verbeurte van een dwangsom.

1.2. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd bij vonnis de leveringsakte van 10 december 1999 met betrekking tot het erfpachtsrecht op het perceelland c.a. nietig te verklaren, althans te vernietigen, en de doorhaling te gelasten van de levering daarvan in de registers van het hypotheekkantoor en ingeschreven in dagregister deel 204 no. 2393 van 16 december 1999.

Mayo c.s. heeft een tegenvordering ingesteld en gevorderd dat [geïntimeerde] het perceelland ontruimt en aan haar ter beschikking stelt.

1.3. De kantonrechter heeft – kort gezegd – bij vonnis van 21 januari 2014 de leveringsakte betrekking hebbende op het erfpachtsrecht nietig verklaard en de doorhaling van de levering in de registers van het hypotheekkantoor gelast. De vordering in reconventie is afgwezen.

1.4. De kantonrechter heeft in haar vonnis onder andere overwogen dat de te beantwoorden vraag is of er sprake is van vereenzelviging en dat, indien dat zo is, de bepaling van artikel 1207 BW aan de orde is. Immers, dan heeft de schuldeiser een zodanige constructie met [geïntimeerde] afgesproken waarbij hij de mogelijkheid heeft om zich het verhypothekeerde goed toe te eigenen, wat hij ook daadwerkelijk heeft gedaan. Volgens de kantonrechter is er sprake van een situatie waarbij de schuldeiser, de hypotheekhouder en de koper van het onroerend goed, feitelijk een en dezelfde persoon zijn. [appellant sub C] is de kredietverstrekker, hij is enig bestuurslid van de Stichting als hypotheekhouder en hij is de directeur en enig aandeelhouder van N.V. MAYO. Daarmee is vast komen te staan dat het verbod en de bepaling van artikel 1207 lid 1 BW aan de orde is. De kantonrechter heeft de leveringsakte betreffende het erfpachtsrecht nietig verklaard.

1.5. Mayo c.s. heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen door de kantonrechter, zodat het Hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan.

1.6. Mayo c.s. concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en vordert alsnog de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen en in reconventie [geïntimeerde] tot ontruiming te veroordelen.

1.7. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.8. Op de grieven en verweren zal, voor zover van belang, in het hierna volgende worden ingegaan.

1.9. Artikel 1207 lid 1 BW bepaalt dat alle bedingen, bij welke de schuldeiser gemachtigd zou worden om zich het verhypothekeerde goed toe te eigenen, nietig zijn.

1.10. Mayo c.s. heeft in zijn grief naar voren gebracht dat de kantonrechter ten onrechte een oneigenlijk toepassing aan dit artikel heeft gegeven, omdat het verbod in voornoemd artikel (exclusief) betrekking heeft op bedingen die in de hypotheekakte kunnen worden vermeld of opgenomen, terwijl het in het onderhavige geval gaat om eigendomsoverdracht met als titel koop en verkoop.

1.11. Het standpunt van Mayo c.s. wordt niet door het Hof gevolgd, waartoe het volgende redengevend is.
De achtergrond van artikel 1207 BW is dat het toe-eigeningsverbod in het leven is geroepen om de hypotheeknemer te beschermen voor het geval dat het goed waarvoor de zekerheid is verleend de waarde van de vordering overtreft, zodat een beding tot overdracht aan de hypotheekverstrekker de schuldenaar zou kunnen benadelen.
Het verbod geldt niet wanneer het beding wordt gemaakt wanneer de schuldenaar al in verzuim is.
Het verbod geldt voor “alle bedingen” , niet alleen bedingen die in de hypotheekakte zelf zijn opgenomen maar ook voor bedingen die met de overeenkomst waarvoor hypothecaire zekerheid wordt verleend samenhangen.

1.12. In dit geval dateert de akte van geldlening van 23 september 1999 en is de volmacht tot overdracht aan een derde of aan de gemachtigde in privé (dat wil zeggen: [appellant sub C]) van dezelfde datum. [geïntimeerde] was toen niet in verzuim. Van de volmacht is gebruik gemaakt op 9 december 1999, toen [geïntimeerde] in gebreke was doordat zij twee termijnen niet had betaald. Op die datum is het erfpachtsrecht voor hetzelfde bedrag waarvoor de geldlening was verstrekt – Nf.12.000,00 – verkocht aan [appellant sub C] in hoedanigheid van directeur van N.V. MAYO.
Vast staat dat de Stichting de geldlening heeft verstrekt. De levering heeft vervolgens op 10 december 1999 plaatsgevonden; uit de akte blijkt dat [appellant sub C] als directeur van de Stichting c.q. als gevolmachtigde van [geïntimeerde] het erfpachtsrecht aan N.V. MAYO, van wie hij enig aandeelhouder is, heeft verkocht.

1.13. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat [appellant sub C], de Stichting en N.V. MAYO moeten worden vereenzelvigd. Het is immers een samenhangend geheel, één entiteit, van [appellant sub C] als natuurlijk persoon die de beide rechtspersonen bestuurt. Hij is zowel bestuurslid van de Stichting als directeur van N.V. MAYO, waarvan hij enig aandeelhouder is. In die constructie heeft de Stichting als degene die het geld aan [geïntimeerde] heeft geleend ervoor gezorgd dat N.V. MAYO eigenaar is geworden voor een bedrag van Nf. 12.000,00. Mayo c.s. heeft niet betwist dat het perceelland met opstal volgens een taxatie van 12 december 2002 (productie 4b conclusie van repliek in conventie) toen een waarde had van ongeveer € 67.000,00. Dat leidt tot het vermoeden dat de verkoop van het perceelland in december 1999 aan N.V. MAYO voor Nf. 12.000,00, voor een veel te lage prijs heeft plaatsgevonden.

1.14. Daarmee is de beschermingsbepaling van artikel 1207 BW ontweken. De volmacht tot verkoop aan derden of aan de gemachtigde in privé geldt als beding dat in strijd is met de bepaling van artikel 1207 BW. Dit beding is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nietig. Het beding heeft ten grondslag gelegen aan de overeenkomst tot verkoop van 9 december 1999, zodat de daarop volgende leveringshandeling van 10 december 1999 eveneens nietig is.

1.15. De kantonrechter heeft de akte van levering terecht nietig verklaard en doorhaling in de openbare registers gelast. Omdat N.V. MAYO geen eigenaar van het erfpachtsrecht is geworden, is de vordering in reconventie die strekte tot ontruiming door [geïntimeerde], terecht afgewezen.

1.16. Op grond van het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de opgeworpen grieven geen doel treffen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

1.19. Mayo c.s. krijgt ongelijk en zal worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep zoals in het dictum is opgenomen.

2. De beslissing in hoger beroep:

Het Hof:

2.1. bevestigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 21 januari 2014 A.R.No.03-3507, waarvan beroep;

2.2. veroordeelt Mayo c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 1 juni 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.N. Adhin namens advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat I.D. kanhai, Bsc., gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2018-83

G.R.No. 15109

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

TOR HOLDING N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
appellant,
verder te noemen: TOR,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

A. CONTINENTAL SHIPPING AGENCIES N.V.,
en
B. CARIBBEAN TRANSPORT & FORWARDING N.V.,
beiden gevestigd te Paramaribo,
geïntimeerden,
verder te noemen: CSA respectievelijk CT&F,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 14 januari 2010 (A.R.No. 09-2489) tussen TOR als eiser en CSA en CT&F als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 1 september 2010 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat TOR tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 7 oktober 2016;
  • de antwoordpleitnota d.d. 20 januari 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 3 maart 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 21 april 2017;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 20 oktober 2017 en vervolgens nader op 3 augustus 2018, doch bij vervroeging op heden.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat TOR daarin kan worden ontvangen.

2. De kantonrechter in kort geding heeft de vorderingen van partijen over en weer afgewezen op grond van artikel 228 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het spoedeisend belang ontbrak. Dat oordeel is in hoger beroep in kort geding aan het Hof voorgelegd met de grieven 1 en 2.

3. TOR heeft tot 11 december 2015 gewacht met het aanzeggen van het appél aan de wederpartijen. Dat is nagenoeg zes jaar. De verklaring daarvoor moet gelegen zijn in het voeren van het bodemgeschil over dezelfde kwestie, waarop TOR wijst. TOR stelt dat zij de bodemzaak heeft verloren en dat zij van die uitspraak in appél is gekomen. Dat hoger beroep is nog in behandeling.

4. Of een geschil in kort geding spoedeisend is, hangt samen met de aard van de vordering en de verdere omstandigheden van het geval. De aard van de vordering is in deze zaak een geldvordering, die niet zonder meer naar haar aard spoedeisend is. De verdere omstandigheden zijn dat:
a. TOR ervoor heeft gekozen het hoger beroep in kort geding pas na zes jaar aan te zeggen;
b. TOR’s vordering in de bodemzaak door de kantonrechter is afgewezen;
c. de geldvorderingen van TOR zijn gebaseerd op management fee en tantième, die moeten zien op de periode voorafgaand aan de contractsbeëindiging op 22 juli 2008;
d. de som van die geldvorderingen volgens TOR USD 8.565 is;
e. de directeur en groot aandeelhouder (dga) van TOR aansluitend aan de beëindiging van de managementovereenkomst als manager bij een grotere onderneming is gaan werken.

5. Uit het voorgaande (onder 4 sub b) volgt dat de vordering van TOR op voorhand (in kort geding) niet aannemelijk is, mede doordat TOR niet heeft toegelicht waarom de afwijzing plaatsvond en waarom zij het daarmee (blijkbaar) niet eens is. Ook het vonnis en de memorie van grieven en/of de pleitnota uit de bodemzaak zijn niet overgelegd in kort geding. Dat de vordering niet aannemelijk is, staat in de weg aan toewijzing ervan.
De spoedeisendheid van de vordering ontbreekt overigens ook op het eerste gezicht. De dga van TOR is ongeveer tien jaar geleden ergens anders zijn geld gaan verdienen. Wat TOR nu doet, is niet door haar toegelicht. Waarom TOR het al tien jaar openstaande bedrag van USD 8.565 nu nodig heeft op zodanig dringende manier dat haar vordering spoedeisend is, heeft zij niet toegelicht. Dat was zeker nodig geweest, mede in het licht van de bijna zes jaren die zij heeft gewacht met de aanzegging van het hoger beroep in kort geding.

6. De grieven 1 en 2 slagen niet. Grief 3 over de proceskostenveroordeling deelt dat lot. Nu de grieven niet slagen en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd.
TOR zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 14 januari 2010 (A.R.No. 09-2489), waarvan beroep;

veroordeelt TOR in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van CSA en CT&F begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.M. Praag en mr. S.J.S. Bradley, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Mangroelal, gemachtigde van appellant en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A.F. Meijnaar namens advocaat mr. E.C.M. Hooplot, gemachtigde van geïntimeerden, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E . van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2018-82

G.R.No.15128

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [erflater], TE WETEN:

1. [Appellant sub 1],
2. [Appellant sub 2],
3. [Appellant sub 3],
4. [Appellant sub 4],
5. [Appellant sub 5],
6. [Appellant sub 6],
7. [Appellant sub 7],
8. [Appellant sub 8],
9. [Appellant sub 9],
wonende te [plaats] (no.’s 1 t/m 3 en 7 t/m 9) en te [gemeente],[land] (no.’s 4 t/m 6),
appellanten,
verder te noemen: [appellanten],
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde], ten rechte geheten [geïntimeerde],
wonende in het [district]
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. R.G. Beckles, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 23 juni 2015 (A.R.No.10-5240) tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • de verklaring d.d. 14 juli 2015 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellanten] tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 6 januari 2017;
  • de antwoordpleitnota d.d. 17 februari 2017;
  • de repliekpleitnota d.d. 19 mei 2017;
  • de dupliekpleitnota d.d. 21 juli 2017.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellanten] daarin kunnen worden ontvangen. Ingevolge artikel 269 Rv is het ook gericht tegen het daaraan voorafgegane vonnis d.d. 13 december 2011.

2. In deze procedure vorderen [appellanten] bij vonnis vast te stellen of te bepalen de hoogte van de door hen te verbeuren dwangsommen ten gunste of ten behoeve van [geïntimeerde].
De kantonrechter heeft deze vordering bij het thans bestreden vonnis afgewezen en tegen deze beslissing komen [appellanten] in appel op.

3. Het Hof constateert dat [appellanten] noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep hun vordering op behoorlijke wijze van een grondslag hebben voorzien.

4. Bij het verzoekschrift in eerste aanleg verwijzen zij naar een tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de kantonrechter d.d. 18 november 2010 (A.R.No. 10-1769) en het inleidend rekest dat laatstbedoelde procedure zou hebben ingeleid.
Anders dan aangekondigd, hebben [appellanten] bedoeld vonnis niet overgelegd. Dit bestaat ook niet, gelijk de kantonrechter na raadpleging van het dossier A.R.No. 10-1769 heeft vastgesteld. Het wél door [appellanten] overgelegde inleidend rekest hoort, zo begrijpt het Hof uit de pleitnota van [appellanten] in appel, thuis in de zaak met A.R.No. 10-2187 en heeft tot het (wederom niet overgelegde) vonnis van 18 november 2010 geleid.

5. In bedoeld, door [appellanten] overgelegd, inleidend rekest wordt verwezen naar nog weer een ander vonnis (d.d. 20 januari 2010, A.R.No. 09-1904). Ook dit vonnis is door [appellanten] niet in het geding gebracht.
Voor zover het Hof uit de stellingen van [appellanten] kan opmaken, zijn ten laste van hen c.q. van hun rechtsvoorganger(s) bij dit vonnis (A.R.No. 09-1904) aan een veroordeling dwangsommen verbonden en heeft de kantonrechter in het kort geding-vonnis d.d. 18 november 2010
(A.R.No. 10-2187) geoordeeld dat de bodemrechter de hoogte van de verbeurde dwangsommen (nader) zou moeten vaststellen.
Dit heeft geleid tot het door [appellanten] aanhangig maken van de thans voorliggende zaak.

6. Daarmee moet het Hof het doen. [appellanten] hebben gevorderd gelijk hierboven onder 2 is vermeld, maar hebben nagelaten daarvoor enige grondslag op te geven; een maatstaf ter bepaling van de omvang van de verbeurde dwangsommen hebben zij niet aangereikt. Het Hof heeft kortom niets in handen om te doen wat [appellanten] vorderen. Dat leidt tot niet-ontvankelijkheid van [appellanten] in de ingestelde vorderingen. Het Hof verstaat dat de afwijzing van hun vorderingen door de kantonrechter deze niet-ontvankelijkheid in zich houdt.

7. De voorgedragen grieven slagen niet en, nu het Hof tegen de vonnissen van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zullen deze worden bevestigd.
[appellanten] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt de in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnissen van 13 december 2011 en 23 juni 2015 (A.R.No.10-5240),

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Aldus gewezen door: mr. S.S.S. Wijnhard , Fungerend-President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. I. Sonai, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. S.S.S. Wijnhard

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 6 juli 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van appellanten en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens advocaat mr. B.G. Beckles, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

 

 

SRU-HvJ-2018-81

G.R.No. 15130

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
verder ook aan te duiden als [appellant],
gemachtigde: mr. T. Jhakry, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
verder ook aan te duiden als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. S.R. Ramrattansing, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 2 juli 2015 (A.R.No. 15-0375) tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant]als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging in kort geding uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • een verklaring van de griffier der kantongerechten civiele zaken, inhoudende dat op 13 juli 2015 door mr. T. Jhakry, advocaat, een schriftelijke verklaring is ingediend inhoudende dat [appellant] hoger beroep wil instellen tegen het vonnis van de kantonrechter dat op 2 juli 2015 (A.R.No. 15-0375) in kort geding is gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant]als gedaagde;
  • memorie van grieven d.d. 14 augustus 2016;
  • pleitnota van 2 december 2016;
  • antwoordpleitnota van 17 maart 2017;
  • repliekpleitnota van 19 mei 2017;
  • het mondelinge dupliekpleidooi d.d. 20 oktober 2017, waarbij is geconcludeerd tot persistit;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 16 maart 2018 en vervolgens nader op 6 juli 2018, doch bij vervroeging op heden.

De ontvankelijkheid in hoger beroep

[appellant]is in persoon bij de uitspraak van het vonnis in kort geding van 2 juli 2015 verschenen. Hij heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsman bij schrijven van 13 juli 2015 appèl aangetekend tegen voornoemd vonnis. Het hoger beroep is tijdig en [appellant]is ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

De beoordeling

1.1. Het Hof gaat uit van de volgende feiten die vast staan omdat zij niet, althans onvoldoende zijn weersproken.

1.2. [appellant] is eigenaar van een perceelland in het district Wanica gelegen tussen de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2]. Op een deel van dat perceel zijn zandafgravingen verricht. Bij vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2013 zijn [naam]en [geïntimeerde] – op vordering van [appellant]- ieder afzonderlijk veroordeeld om alle werkzaamheden c.q. activiteiten op het perceelland stop te zetten en is hen verboden om aan derden toestemming te verlenen voor het betreden van het perceelland zonder toestemming van [appellant]; zij zijn verder veroordeeld om binnen een maand na betekening de zwaar materieel machines te verwijderen en om binnen vier maanden na betekening van het vonnis over te gaan tot herstel van het perceelland zoveel mogelijk in de oude toestand. Voormelde veroordelingen zijn verbonden aan verbeurte van een dwangsom ad. SRD. 5.000,– voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het vonnis, tot een maximum van SRD. 500.000,–.

1.3. Bij exploit van 10 mei 2014 is aan [geïntimeerde] een brief van de gemachtigde van [appellant] betekend waarin deze meedeelt dat het herstel niet volledig en niet deugdelijk is geweest en dat er nog een pakket aarde dient te worden aangebracht. In de brief is [geïntimeerde] gesommeerd alsnog de zaken in orde te maken, bij gebreke waarvan de dwangsom zal worden opgeëist of gevorderd.

1.4. [geïntimeerde] heeft niet aan de sommatie voldaan.

1.5. [appellant] heeft op 12 januari 2015 executoriaal beslag op een aantal onroerende zaken van [geïntimeerde] laten leggen.

1.6. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot opheffing van de ten laste van [geïntimeerde] gelegde executoriale beslagen afkomstig van deurwaarder Th. Jhagroe onder exploit no. 13A d.d. 12 januari 2015 op de aan hem toebehorende onroerende goederen.

1.7. [appellant] heeft verweer gevoerd en – kort gezegd – naar voren gebracht dat [geïntimeerde] voldoende gelegenheid tot herstel heeft gekregen, maar dat hij dit niet heeft gedaan; er is slordig en overhaast gewerkt. Er is geen overleg geweest.

1.8. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 2 juli 2015 het verzoek tot opheffing van de beslagen toegewezen en [appellant] in de kosten van het geding veroordeeld.
De kantonrechter heeft daartoe, onder meer, overwogen dat partijen tijdens de gehouden comparitie hebben aangegeven hoe het herstel is gepleegd en wanneer het herstel is aangevangen. Uit de verklaringen blijkt dat het herstel inderdaad binnen vier maanden na betekening van het vonnis is gepleegd. Volgens de kantonrechter zijn er, nu beide partijen stellen dat het herstel heeft plaatsgevonden, geen gronden om er vanuit te gaan dat de dwangsommen zijn verbeurd, immers er is aan het vonnis voldaan.

1.9. Op verzoek van [appellant] heeft [de ingenieur] op 14 juli 2014 een rapport over het herstel van het litigieuze perceel uitgebracht dat zich bij de stukken bevindt. [de ingenieur] concludeert dat het voor een adequate rehabilitatie noodzakelijk is dat het perceel wordt opgevuld met zandige klei, eventueel aangevuld met zand of leem (maximaal 25%), dat er daaraan voorafgaand eerst moet worden geploegd, dat de opvulwerkzaamheden onder droge omstandigheden moeten plaatsvinden en dat opvulling van het meer pas kan worden uitgevoerd nadat dit is drooggelegd.

1.10. [appellant] concludeert in hoger beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis.

1.11. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van [appellant].
Op de grieven en weren zal hierna worden ingegaan.

1.12. Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter onvoldoende aandacht heeft besteed aan de vraag of en in hoeverre, aan het vonnis van 23 mei 2013 is voldaan, waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld om over te gaan tot herstel zoveel mogelijk in de oude toestand. Door slechts te overwegen dat het herstel heeft plaatsgevonden blijkt niet dat zij is nagegaan hoe het herstel in de oude toestand is verlopen. [appellant] had immers met een uitvoerig rapport van [de ingenieur] onderbouwd dat er nogal wat aan het herstel, dat in opdracht van [geïntimeerde] is uitgevoerd, mankeerde. In feite is [geïntimeerde] in het geheel niet ingegaan op dat rapport, maar heeft hij slechts gesteld dat hij het perceelland heeft laten herstellen en dat hij daarvoor kosten heeft gemaakt.

[geïntimeerde] heeft onder 5. van zijn conclusie van repliek te kennen gegeven dat hij niet op voornoemd rapport wil reageren omdat dat “nimmer” relevant is, nu het vonnis niet aangeeft dat de verrichte herstelwerkzaamheden door een bodemdeskundige moeten worden beoordeeld. Het Hof gaat aan dit argument voorbij omdat [appellant] het rapport nu juist door [de ingenieur] heeft laten opstellen om te kunnen onderbouwen dat en waarom het herstelwerk niet deugde. Met name het hoogteverschil tussen het oorspronkelijke oppervlak en de “herstelde” afgraving waardoor verdere opvulling van opritten en bovenlaag nodig was, het feit dat een aanzienlijk deel van de afgraving onder water stond, het voor een groot deel ontbreken van een “humeuze” toplaag, de inklinking van het bovenste profiel door zware machines, de waarneming van de deskundige dat het zuidelijke deel van de afgraving niet is hersteld zodat de met water gevulde zandput nog steeds aanwezig is en tot slot het feit dat de bodem niet langer geschikt is voor landgebruik leiden tot de voorlopige conclusie dat het herstelwerk onvoldoende is geweest en dat [geïntimeerde] de afgraving niet zoveel mogelijk in de oude toestand heeft laten herstellen.

Gelet op het feit dat [geïntimeerde] de bevindingen van [de ingenieur] niet heeft betwist, is het Hof van oordeel dat het voorshands aannemelijk is dat [geïntimeerde] niet (volledig) aan het vonnis van 23 mei 2013 heeft voldaan. De kantonrechter had de vordering tot opheffing van het beslag moeten afwijzen. In zoverre slaagt de eerste grief.

1.13. Ook de tweede grief slaagt omdat de kantonrechter ten onrechte geen aandacht aan de bevindingen van [de ingenieur] heeft geschonken. Overigens is het Hof van oordeel dat op grond van het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2013 niet vereist was dat er een deskundige bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden aanwezig had moeten zijn, zoals [geïntimeerde] in zijn antwoordpleitnota onder 5. heeft gesteld. Vaststelling of aan een veroordeling is voldaan is ter beoordeling van een partij zelf, aan wie het vrijstaat zich daarbij van deskundigenadvies te laten dienen.
Het Hof onderschrijft het verweer dat uit de facturen die [geïntimeerde] heeft getoond onvoldoende blijkt dat hij zoveel mogelijk in de oude toestand heeft hersteld. Ook daar had de kantonrechter aandacht aan kunnen schenken zodat het vonnis ook op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd is.

1.14. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen behoeven de overige grieven geen bespreking meer en komt het Hof tot de slotsom dat de eerste en tweede grief doel treffen. Het eindvonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Door deze vernietiging herleeft het beslag met dien verstande dat wijzigingen in de rechtstoestand van de beslagen goederen in de periode tussen de opheffing en de vernietiging moeten worden geëerbiedigd.

1.18. [geïntimeerde] zal als partij die ongelijk krijgt worden veroordeeld in de gedingkosten in eerste aanleg en in hoger beroep zoals hierna bij de beslissing is opgenomen.

2. De beslissing in hoger beroep in kort geding:

Het Hof:

2.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton van 2 juli 2015,
A.R. no.15-0375, waarvan beroep; en

opnieuw rechtdoende:

2.2. Weigert de gevraagde voorzieningen;

2.3. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot

  • voor de eerste aanleg op nihil;
  • voor het hoger beroep op SRD 310,– (DRIEHONDERD EN TIEN SURINAAMSE DOLLARS).

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. J.M. Jensen, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

door mr. S.M.M. Chu, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 18 mei 2018, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.M.M. Chu

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. H.H. Vreden namens advocaat mr. S.R. Ramrattansingh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld