SRU-HvJ-2021-75

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 14979
16 april 2021
IL

In de zaak van

[Appellant]
hierna te noemen [appellant],
wonende in het [district],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. S.T. Sewdien, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [land],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 23 april 2009 bekend onder AR no. 08-2007 tussen enerzijds [appellant] als eiser in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding en anderzijds Sahit als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 9 juni 2009 hoger beroep heeft ingesteld;

– de brief gedateerd 15 januari 2016 (abusievelijk vermeld 15 januari 2015) afkomstig van mr. S.T. Sewdien;

– de brief gedateerd 5 februari 2016 afkomstig van mr. H.R. Schurman;

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De beoordeling

Bij bief gedateerd 15 januari 2016 heeft de gemachtigde van [appellant] namens laatstgenoemde het Hof medegedeeld dat hij het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 23 april 2009 bekend onder AR no. 08-2007 intrekt.

De gemachtigde van [geïntimeerde], heeft bij brief gedateerd 5 februari 2016 aan het Hof medegedeeld akkoord te gaan met de intrekking van het hoger beroep door [appellant].

Gezien het voorgaande zal het Hof verstaan dat het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 23 april 2009 bekend onder AR no. 08-2007 is ingetrokken.

  1. De beslissing

Het Hof

Verstaat dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 23 april 2009 bekend onder AR no. 08-2007 is ingetrokken.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 16 april 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 



 

SRU-HvJ-2021-74

GRNo. 14761

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

De Bond van Ambtenaren bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
appellant in Kort Geding,
verder te noemen: de Bond,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

De Staat Suriname,
rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in Kort Geding,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. H.A.M. Essed, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 6 oktober 2011 (A.R. No. 10-2177) tussen de Bond als eiser en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 27 maart 2012 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat de Bond tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 15 maart 2013;
  • de antwoordpleitnota d.d. 3 mei 2013;
  • de repliekpleitnota d.d. 6 december 2013;
  • de dupliekpleitnota d.d. 2 mei 2014.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de Bond daarin kan worden ontvangen.

2.1 De zaak komt, kort weergegeven, op het volgende neer. Op 2 december 1997 hebben de Staat en de Bond een akkoord (hierna: het Douaneakkoord) gesloten waarin regels zijn opgenomen met betrekking tot de aanstelling en bevordering van ambtenaren werkzaam bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Op 8 december 2009 heeft de leiding van de Douanedienst in een regulier overleg de Bond ingelicht over voorgenomen bevorderingen in de rangen van Hoofdverificateur en Adjunct-inspecteur. Bij brief van 10 december 2009 heeft de Bond de dienstleiding verzocht deze bevorderingen in heroverweging te nemen en alsnog met de Bond in overleg te treden. Bij brief van 28 december 2009 heeft de Bond zich tot de Minister gewend en gevraagd zich hierover uit te laten. Op deze brief heeft de Minister niet gereageerd.

2.2 Bij haar inleidend verzoekschrift heeft de Bond gevorderd de Staat te verbieden douaneambtenaren te bevorderen, zolang geen overleg overeenkomstig het Douaneakkoord heeft plaatsgevonden, en de Staat te gebieden alsnog met de Bond te overleggen. De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard. Kern van haar overwegingen is dat artikel 3F van het Douaneakkoord in een geschillenprocedure voorziet. Nu de voorlopige voorziening niet hangende een procedure conform deze bepaling is gevraagd, acht de kantonrechter zich niet bevoegd daarvan kennis te nemen.

2.3 De grief van de Bond is tegen de onder 2.2 weergegeven beslissing en daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de kantonrechter gericht. Kern van de grief is dat een gang naar de kortgedingrechter altijd open dient te staan. In dit geval is niet gebleken dat van een geschil als bedoeld in art. 3F van het Douaneakkoord sprake is. De geschillenregeling is dus niet in werking gezet.

  1. Het hof overweegt het volgende.

3.1 Het Douaneakkoord regelt de relatie tussen de Bond en de Staat (in het bijzonder het Ministerie van Financiën) met betrekking tot de arbeidsverhoudingen in de breedste zin van het woord. Art. 3F van het Douaneakkoord bevat een geschillenregeling. De procedure komt erop neer dat, indien een van partijen meent dat van een geschil sprake is, zij dit ter kennis van de wederpartij brengt. Vervolgens treden partijen binnen drie dagen met elkaar in overleg om te trachten tot een minnelijke oplossing te komen. Leidt dit niet binnen drie weken tot een oplossing, dan wordt het aan een Arbitragecommissie onderworpen, wier uitspraak bindend is.

3.2 Het geschil tussen de Bond en de Staat betreft de bevordering van douaneambtenaren en valt dus onder het Douaneakkoord. Partijen hadden dan ook, gelet op het bindende karakter van de geschillenregeling, in de eerste plaats langs de weg van art. 3F van het Douaneakkoord dienen te trachten tot een oplossing daarvan te komen.

3.3 De Bond voert aan (in sustenu 3 van zijn pleitnota) dat uit geen van de brieven die in het kader van het onderliggende geschil zijn gewisseld, blijkt dat van een geschil als bedoeld in de geschillenregeling sprake was en dat de Bond dit traject daarom niet kon betreden of afwachten. Terecht voert de Staat daartegen aan dat het op de weg van de Bond zelf had gelegen het geschil aan te kaarten en op die wijze de geschillenregeling van art. 3F van het Douaneakkoord in werking te zetten. Dat de Bond dat niet heeft gedaan, is dus aan de Bond zelf te wijten.

3.4 Dat betekent dat de kantonrechter, nu (en zolang) de overeengekomen geschillenregeling niet in werking is gezet, terecht heeft bepaald dat zij onbevoegd is van de vordering van de Bond kennis te nemen. Ten overvloede voegt het Hof hieraan toe dat art. 3F in een procedure voorziet die binnen relatief korte tijd tot een oplossing kan komen.

3.5 Hetgeen hiervoor is overwogen, betekent niet dat de weg van het kort geding geheel is afgesloten. Zo hadden partijen zich, als hangende de geschillenregeling hun belang enige onverwijlde voorziening bij voorraad had gevorderd, overeenkomstig het in art. 226 Rv bepaalde tot de kantonrechter kunnen wenden voor het treffen van een dergelijke voorziening. Van een dergelijke situatie was in dit geval echter geen sprake.

  1. Nu de grief niet slaagt en het Hof tegen het vonnis van de kantonrechter ook ambtshalve geen bedenkingen heeft, zal dit worden bevestigd. De Bond zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 6 oktober 2011 (A.R. No. 10-2177)

veroordeelt de Bond in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-73

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 14660
16 april 2021
IL

In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen [appellant],
wonende in het [district],
appellant,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

  1. [Geïntimeerde sub A], weduwe van [naam 1],
  2. [Geïntimeerde sub B],
  3. [Geïntimeerde sub C],
  4. [Geïntimeerde sub D],
  5. [Geïntimeerde sub E],
  6. [Geïntimeerde sub F],

hierna te noemen de erven [geïntimeerden],
allen domicilie kiezende te Paramaribo,
geïntimeerden,

gemachtigde: mr. R.M.F. Oemar, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 13 oktober 2009 bekend onder AR no. 96-1805 tussen [appellant] enerzijds als eiser en de erven [geïntimeerden] anderzijds als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het in deze zaak gewezen tussenvonnis d.d. 17 juli 2020. Het Hof volhardt bij de inhoud daarvan.

  1. Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de conclusie tot overlegging productie zijdens de erven [geïntimeerden] d.d. 18 december 2020;

– de conclusie tot uitlating productie zijdens [appellant].

1.2 De uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 5 juli 2021 doch bij vervroeging op heden.

  1. De verdere beoordeling

2.1 Zoals in het tussenvonnis d.d. 17 juli 2020 is overwogen heeft [appellant] aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat de zeven (7) voertuigen aan hem in eigendom toebehoorden, hetgeen in het vonnis van de kantonrechter d.d. 2 april 1996 bekend onder AR no. 89-2743 ook met zoveel woorden is bevestigd en de kantonrechter voor recht heeft verklaard dat [appellant] eigenaar is van de voertuigen. De teruggave van de voertuigen kon niet worden gelast omdat de voertuigen reeds waren doorverkocht. [Appellant] heeft de door hem geleden schade uiteengezet in zijn verzoekschrift.

2.2 Uit de motivering van het vonnis d.d. 13 oktober 2009 bekend onder AR 96-1805, die thans door het Hof wordt beoordeeld, begrijpt het Hof dat de kantonrechter de vordering van [appellant] in eerste aanleg heeft afgewezen omdat [appellant] zijn vordering heeft gegrond op een uitspraak die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan aangezien er hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis. Met dit laatste vonnis wordt bedoeld het vonnis d.d. 2 april 1996 bekend onder AR no. 89-2743.

Aangezien partijen verdeeld waren over de vraag of er appel was aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 2 april 1996 bekend onder AR no. 89-2743, heeft het Hof de erven [geïntimeerden] die zich op het hiervoor genoemde appel beroepen in de gelegenheid gesteld om bij nadere conclusie een verklaring van de griffier der kantongerechten over te leggen waaruit blijkt dat er hoger beroep is aangetekend tegen het voormeld vonnis.

Ter voldoening hieraan hebben de erven [geïntimeerden] een verklaring van de griffier overgelegd waaruit blijkt dat er op 31 mei 1996 hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis bekend onder AR no. 89-2743.

2.3 [Appellant] heeft tevens gesteld dat de erven [geïntimeerden] zich niet te goede trouw mogen beroepen op het appel dat zij zouden hebben aangetekend tegen het vonnis van 2 april 1996 in de zaak bekend onder AR no. 89-2743. Dit, omdat het appel na bijkans 24 jaren nog niet aan [appellant] is aangezegd krachtens het bepaalde in artikel 273 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Tevens beroept [appellant] zich erop dat het genoemde appel waarop de erven [geïntimeerden] zich beroepen tardief is, nu de uitspraak van het genoemd vonnis dateert van 2 april 1996 terwijl uit de verklaring van de griffier blijkt dat het appel pas op 31 mei 1996 – dus 2 maanden na de uitspraak – is aangetekend.

2.4 Uit een aantekening aan de voet van het vonnis van 2 april 1996, bekend onder AR no. 89-2743, blijkt onder andere dat gedaagden sub A + C (de gezamenlijke erfgenamen van [naam 2] en [naam 1]) vertegenwoordigd waren door dw. Kappel.

Gelet hierop hadden de erven [geïntimeerden] tot 1 mei 1996 de gelegenheid om hoger beroep aan te tekenen tegen het hiervoor genoemd vonnis.

Uit de verklaring van de griffier zoals genoemd onder 2.2 hiervoor blijkt dat de erven [geïntimeerden] pas op 31 mei 1996 hoger beroep hebben aangetekend tegen het vonnis van 2 april 1996, bekend onder AR no. 89-2743.

Dit in acht nemende is het Hof van oordeel dat bij de behandeling van het hoger beroep in die zaak, het Hof niet tot een andere beslissing zal kunnen komen dan de niet ontvankelijkheid van de erven [geïntimeerden] in het door hen ingestelde hoger beroep vanwege het te laat indienen daarvan.

Gelet hierop wordt het beroep van de erven [geïntimeerden] op het door hen ingestelde hoger beroep ten aanzien van het vonnis d.d. 2 april 1996, bekend onder AR no. 89-2743, verworpen.

In het verlengde hiervan is het Hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van [appellant] in eerste aanleg heeft afgewezen omdat [appellant] zijn vordering heeft gegrond op een uitspraak die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan aangezien er hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis d.d. 2 april 1996 bekend onder AR no. 89-2743.

Naar het oordeel van het Hof had de kantonrechter niet zo lichtvaardig mogen omgaan met dit beroep van de erven [geïntimeerden], zeker nu [appellant] zich ook gemotiveerd daartegen had verzet.

Reeds om deze reden dient het vonnis van de kantonrechter in de onderhavige zaak te worden vernietigd.

2.5 In het vonnis d.d. 2 april 1996 bekend onder AR no. 89-2743 was voor recht verklaard dat [appellant] eigenaar is van de (7) voertuigen.

In overweging 2.4 hiervoor is reeds overwogen dat het Hof bij de behandeling van het hoger beroep in de hiervoor vermelde zaak niet tot een andere beslissing zal kunnen komen dan de niet ontvankelijkheid van de erven [geïntimeerden] in het door hen ingestelde hoger beroep vanwege het te laat indienen daarvan.

Het Hof stelt derhalve vast dat [appellant] de eigenaar is geweest van de zeven voertuigen. Hiermee verwerpt het Hof het verweer van de erven [geïntimeerden] dat [appellant] niet de eigenaar is van de voertuigen.

Nu de voertuigen reeds zijn doorverkocht en niet meer aan [appellant] kunnen worden afgegeven, heeft [appellant] in de visie van het Hof recht op schadevergoeding. Het Hof zal daarom over gaan tot de beoordeling van de door [appellant] gevorderde schadevergoeding.

2.6 [Appellant] heeft de door hem geleden schade als hiervoor vermeld begroot op U$23.656,54.

Deze schade is door [appellant] als volgt opgebouwd:

 

No

Soort schade

NLG

US$

       

1.

Aanschafwaarde voertuigen

10.900,=

 

2.

Vervoerskosten in Nederland naar de haven

800,=

 

3.

Zeevrachtkosten

 

10.560,96

4.

Winstderving 40% over de totale kosten

4.360,=

4.224,38

5.

Rentederving gemiddeld 10% per jaar met ingang van 15 juli 1989

9.636,=

8.871,20

 

Totaal

25.696,=

23.656,54

 

2.7 De erven [geïntimeerden] hebben niet betwist de door [appellant] berekende schade terzake de aanschafwaarde van de voertuigen ter waarde van NLG10.900,=, de vervoerskosten in Nederland naar de haven ter waarde van NLG 800,= en de Zeevrachtkosten tot het bedrag van US$10.560,96.

Deze schade, neerkomende op een totaal bedrag van NLG11.700,= en US$10.560,=, zullen de erven dus moeten betalen aan [appellant]. Zij zullen daarom dienovereenkomstig worden veroordeeld.

2.8 De erven [geïntimeerden] hebben de door [appellant] gepresenteerde schade betwist. Zo betwisten zij dat de winstderving van [appellant] 40% bedraagt. Daarnaast achten zij het onbegrijpelijk dat [appellant] bij de berekening van de winstderving ook de vrachtkosten heeft meegenomen. Voorts betwisten zij ook de door [appellant] gevorderde rentederving.

Na deze expliciete betwisting door de erven [geïntimeerden] had het aan [appellant] gelegen om deze schadeposten nader te onderbouwen. Nu [appellant] dit heeft nagelaten zal de mede gevorderde schade betrekking hebbende op de winstderving en de rentederving worden afgewezen.

Evenwel acht het Hof redelijk en billijk dat instede van de mede gevorderde rentederving de wettelijke rente van 6% per jaar wordt toegewezen analoog aan het bepaalde in artikel 1271 lid 3 SBW met ingang van de datum waarop de onderhavige vordering is ingesteld. Blijkens de zich in het procesdossier bevindende documenten betreft voormelde datum de datum van 25 juni 1996, zodat het Hof uitgaat van deze datum.

2.9 Om redenen als voormeld zullen ook de door [appellant] gelegde conservatoire beslagen als vermeld in het dictum van waarde worden verklaard, nu aan de wettelijke formaliteiten en termijnen dienaangaande blijkt te zijn voldaan.

2.10 De erven [geïntimeerden] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.11 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

  1. De beslissing

Het Hof

3.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton d.d. 13 oktober 2009 bekend onder AR no. 96-1805.

En opnieuw rechtdoende:

3.2 Veroordeelt de erven [geïntimeerden] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen de tegenwaarde in Euro van het bedrag van NLG11.700,= (ELFDUIZEND EN ZEVENHONDERD NEDERLANDSE GULDEN) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 25 juni 1996, danwel de tegenwaarde van voormeld bedrag met rente in Surinaams Courant tegen de koers van de Centrale Bank van Suriname op de dag van betaling.

3.3 Veroordeelt de erven [geïntimeerden] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen het bedrag van US$10.560,= (TIENDUIZEND VIJFHONDERD EN ZESTIG AMERIKAANSE DOLLAR) vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar met ingang van 25 juni 1996, danwel de tegenwaarde van voormeld bedrag met rente in Surinaams Courant tegen de koers van de Centrale Bank van Suriname op de dag van betaling.

3.4 Verklaart van waarde de bij exploten van deurwaarder R. Sontono d.d. 20 juni 1996 gelegde conservatoire beslagen op de in die exploten genoemde roerende en onroerende goederen.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 april 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-72

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB),
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R.Y. Gravenbeek, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 13 mei 2016;

het verweerschrift met een productie, ingediend ter griffie van het Hof op 20 september 2016;

de beschikking van het Hof van 24 april 2017, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 02 juni 2017;

het proces-verbaal van het op 02 juni 2017 gehouden verhoor van partijen en het op voormelde datum door [verzoekster] overgelegde bescheid;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en tot overlegging van stukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 21 juli 2017;

de conclusie tot uitlating na verhoor van partijen en tot uitlating producties, met producties, zijdens [verzoekster] overgelegd op 06 oktober 2017;

de conclusie tot uitlating producties, met een productie, zijdens de Staat overgelegd op 01 december 2017;

de conclusie tot uitlating productie, met producties, zijdens [verzoekster] overgelegd op 02 februari 2018;

de conclusie tot uitlating producties, zijdens de Staat overgelegd op 20 april 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 05 oktober 2018, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoekster] is op 16 oktober 2002 in dienst getreden bij het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB). Zij is thans in vaste dienst bij dit ministerie als secretaresse van de onderdirecteur Administratieve Diensten en ter beschikking gesteld van de Dienst der Domeinen.

2.2 [Verzoekster] heeft – een niet gedateerde – brief gericht aan het waarnemend hoofd van de Dienst der Domeinen van ROGB. Deze brief luidt als volgt:

“Geachte Hoofd,

Middels dit schrijven vraag ik uw aandacht voor het volgende; het is namelijk zo dat ik uw toestemming wilt vragen of u mij in de gelegenheid kunt stellen om zo tussen half 8 en kwart voor 8 op het werk mag [sic] verschijnen.

Ik ben aangewezen op het openbaar vervoer en daar ik van mijn huis uit een heel eind moet lopen naar [locatie] om de bus te pakken, vind ik het een grote [sic] risico om tussen 6 uur en half 7 s’morgens [sic] uit huis te gaan; tegen die tijd is het nog vrij donker.

Ik woon op [woonwijk], [plaats] waar er heel wat ongure figuren rondhangen. Bij voorbaat dank ik u voor uw begrip.”

2.3 [Verzoekster] heeft zich op 04 maart 2016 om 10.30 uur op de werkplek aangemeld, waarna zij te horen kreeg dat zij een halve dag verlof moest opnemen. [Verzoekster] was het niet eens daarmee en heeft zich op dezelfde dag daarover beklaagd bij de waarnemend directeur van ROGB (hierna: de waarnemend directeur).

2.4 De chef Personeelszorg van ROGB heeft bij brief d.d. 07 maart 2016, het volgende aan de onderdirecteur Administratieve Diensten van ROGB bericht:

“Naar aanleiding van ons gesprek hedenmorgen omtrent collega. [verzoekster] het volgende.

Ik heb vorig jaar een gesprek met mevr. [verzoekster] gevoerd waarbij zij me haar huiselijke omstandigheden en het feit waarom ze soms laat op het werk aankomt heeft uitgelegd. Omstandigheden die ik kan begrijpen, maar ze moet zich houden aan de regels die er zijn gesteld.

Ik heb haar voorgehouden dat zij de kwestie van laat aankomen op het werk, aan het hoofd van Dienst moet voorhouden middels b.v. een brief en dat hij het zal beoordelen.

Ik heb haar nimmer toestemming gegeven om laat op het werk te verschijnen.

Zulks valt buiten mijn functie beschrijving.”

2.5 Het hoofd Personeelszaken van ROGB heeft bij memo d.d. 07 maart 2016, PZ/CP/[nummer 1], het volgende aan de onderdirecteur Administratieve Diensten van ROGB meegedeeld:

“Ten vervolge van op [sic] ons gesprek van hedenmorgen m.b.t. het laatkomen van mw. [verzoekster] het volgende.

(…)

Van mij, Hoofd Personeelszaken, heeft zij nooit goedkeuring gekregen om laat op het werk te komen.

Bovendien ben ik daartoe ook niet bevoegd.”

2.6 Het waarnemend hoofd van de Dienst der Domeinen van ROGB heeft bij brief d.d. 07 maart 2016, het volgende aan de onderdirecteur Administratieve Diensten van ROGB bericht:

“Geachte heer [naam 1],

Met dit schrijven doe ik u toekomen het schrijven van mevrouw [verzoekster] met het verzoek haar toestemming te verlenen om laat te verschijnen op kantoor.

Als leidinggevende van de Dienst Der Domeinen kan ik geen toestemming verlenen aan personeelsleden om de werkplek laat te betreden. Er zijn huisregels waaraan ieder personeelslid zich moet houden.

Gaarne uw directieven ten aanzien van het bovenstaande.”

2.7 De waarnemend directeur heeft bij brief d.d. 14 maart 2016, kenmerk [nummer 2], met als onderwerp “ingebrekestelling”, onder meer het volgende aan [verzoekster] bericht:

“Geachte mevrouw,

Op 4 maart hebt u een gesprek met ondergetekende gehad, waarbij u hebt aangegeven het niet eens te zijn met de halve dag verlof die voor u is ingeboekt door het hoofd Personeelszaken van de Dienst der Domeinen, alhoewel u zelf hebt aangegeven om half elf te zijn aangekomen op de werkplek. Uw halve dag verlof blijft van kracht.

U hebt verder aangegeven dat enkele maanden terug in 2015, er toestemming aan u is verleend door het wnd. hoofd van de dienst der Domeinen, het hoofd Personeelszaken en de chef personeelszorg van ROGB om dagelijks tussen 07.30 en 08.00 v.m. op de werkplek te mogen komen.

Uit onderzoek blijkt uw verhaal bezijden de waarheid te zijn. Uw schrijven d.d. 27 februari bevestigt dit.

Het bovenstaande kan worden aangemerkt als plichtsverzuim.

Derhalve wordt u ingevolge artikel 63 lid 2 van de “Personeelswet” in de gelegenheid gesteld binnen drie (3) werkdagen na ontvangst van dit schrijven, schriftelijk verweer in te brengen, bij gebreke waarvan onmiddellijk disciplinaire maatregelen tegen u zullen worden getroffen.”

2.8 [Verzoekster] heeft bij brief d.d. 16 maart 2016 verweer gevoerd. Dit verweer komt, zakelijk weergegeven, erop neer dat [verzoekster] in het gesprek van 04 maart 2016 tussen haar en de waarnemend directeur:

nimmer heeft gezegd dat het hoofd Personeelszaken en de chef Personeelszorg van ROGB haar toestemming hebben verleend om laat aan het werk te komen;

heeft aangegeven dat zij op 27 januari 2016 – en niet op 27 februari 2016 – een brief heeft gericht aan het waarnemend hoofd van de Dienst der Domeinen, zulks op advies van het hoofd Personeelszorg van ROGB, in welke brief zij toestemming vroeg om laat aan het werk te mogen komen;

heeft gezegd dat het waarnemend hoofd van de Dienst der Domeinen haar te kennen gaf “dat het in orde komt”.

Volgens [verzoekster] is hetgeen zij de waarnemend directeur in voormeld gesprek heeft voorgehouden niet in strijd met de waarheid.

2.9 Bij beschikking van de minister van ROGB d.d. 14 april 2016, PZ/rvh [nummer 3] (hierna: de beschikking), is aan [verzoekster] ingevolge artikel 61 lid 1 sub d Pw opgelegd de tuchtstraf van vermindering van vakantie, bestaande uit verlies van 15 dagen vakantieverlof over het kalenderjaar 2016. Daartoe is als volgt overwogen:

“dat de Secretaresse van de Onderdirecteur, functiegroep 08, schaal 08A, in vaste dienst bij de Departementsleiding van het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer en terbeschikkinggesteld [sic] van de Dienst der Domeinen, mw. [verzoekster] (…) op 4 maart 2016 persoonlijk aan de wnd. Directeur van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer heeft aangegeven dat het wnd. Hoofd van de Dienst der Domeinen, het Hoofd Personeelszaken en de Sectiechef Personeelszorg van voormeld ministerie, haar toestemming hebben verleend om zich dagelijks tussen 07.30 uur en 08.00 uur op de werkplek aan te melden;

dat bovengenoemde functionarissen in hun schrijven van respectievelijk 7 maart 2016 Kenmerk [nummer 4] en [nummer 5], PZ/CP/[nummer 1] en PZ [nummer 6] hebben aangegeven nimmer toestemming hiertoe te hebben verleend en dat zij daartoe ook niet bevoegd zijn;

dat betrokkene bij schrijven van de wnd. Directeur van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer van 14 maart 2016 kenmerk [nummer 2] [sic], is aangezegd zich hieromtrent te verweren;

dat betrokkene in haar verweerbrief van 16 maart 2016, weerspreekt dat ze gezegd heeft toestemming te hebben verkregen om laat op het werk te verschijnen;

dat ze hierdoor aangeeft dat hetgeen door de wnd. Directeur van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer gesteld in haar brief van 14 maart 2016 [nummer 2], bezijdens [sic] de waarheid is;

dat een dergelijk gedrag niet kan worden getolereerd en als ernstig plichtsverzuim wordt aangemerkt;

dat tegen dit gedrag van de ambtenaar voornoemd corrigerend dient te worden opgetreden en derhalve termen aanwezig zijn disciplinaire maatregelen tegen haar toe te passen;

dat als gevolg van voormeld gedrag aanleiding bestaat mw. [verzoekster] voornoemd ingevolge artikel 61 lid 1 sub d de tuchtstraf van vermindering van vakantie, bestaande uit verlies van ten hoogste de helft van de aanspraak op vakantieverlof over een kalenderjaar op te leggen.”

2.10 De waarnemend directeur heeft bij brief d.d. 11 mei 2016, PZ/rvh Bureau [nummer 7], met als onderwerp “verzoek om toestemming om tussen 07.30 uur en 07.45 uur aan het werk te verschijnen”, het volgende aan [verzoekster] bericht:

“Verwijzend naar uw schrijven van 27 januari 2016 inzake het onderwerpelijke, deel ik u mede dat er geen toestemming aan u wordt verleend om laat te komen op uw werkplek.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de beschikking zal worden vernietigd. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [Verzoekster], een alleenstaande vrouw met drie kinderen, woont in verband met haar persoonlijke en huiselijke omstandigheden bij haar hulpbehoevende bejaarde moeder te [woonwijk], zijnde een omgeving waar veel criminaliteit plaatsvindt. [Verzoekster] heeft over haar problemen gesprekken gevoerd met de volgende functionarissen van het Ministerie van ROGB: het waarnemend hoofd van de Dienst der Domeinen, de chef Personeelszaken Domeinen en het hoofd Personeelszaken van voormeld ministerie.

[Verzoekster] wordt plichtsverzuim verweten, daarin bestaande dat zij zich op 04 maart 2016 zonder toestemming om 10.30 uur op het werk heeft aangemeld.

Het in de beschikking vervatte besluit, waarbij haar een tuchtstraf is opgelegd, is niet draagkrachtig gemotiveerd. Voorts is de opgelegde tuchtstraf disproportioneel en is de Staat bij de oplegging daarvan aan [verzoekster], die niet eerder tuchtrechtelijk is gestraft, voorbijgegaan aan het bepaalde in artikel 63 lid 4 Pw. Het voorgaande is in strijd met hetgeen van een goed werkgever verwacht mag worden.

Vorenbedoeld besluit is tevens genomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel en de beginselen van onderzoek en beslissing in een individueel geval, van verbod van misbruik van macht en van verbod van willekeur.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Vaststaat dat [verzoekster] ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 Pw, zodat deze wet op haar van toepassing is. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg onder meer over vorderingen tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw zijn besluiten waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.

De vordering van [verzoekster] strekt tot nietigverklaring van het in de beschikking vervatte besluit tot oplegging aan haar van de tuchtstraf van vermindering van vakantie, bestaande uit verlies van 15 dagen vakantieverlof over het kalenderjaar 2016. Op grond van artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is het Hof bevoegd daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] de onderhavige vordering niet binnen de wettelijke termijn bij het Hof heeft ingesteld, zodat zij daarin ontvankelijk is.

4.3 [Verzoekster] heeft zich onder meer erop beroepen dat het in de beschikking vervatte besluit een draagkrachtige motivering ontbeert. Dit beroept slaagt. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de motivering die ten grondslag ligt aan een ter zake van een landsdienaar genomen besluit – in casu een besluit tot oplegging van een tuchtstraf wegens plichtsverzuim –, dit besluit moet kunnen dragen. In het onderhavige geval betekent dit onder meer dat het aan [verzoekster] verweten gedrag, zoals verwoord in de beschikking, plichtsverzuim moet opleveren.

Blijkens de beschikking wordt [verzoekster] in essentie verweten dat zij in haar verweerbrief d.d. 16 maart 2016 weerspreekt dat zij op 04 maart 2016 aan de waarnemend directeur zou hebben verteld dat het waarnemend hoofd van de Dienst der Domeinen, het hoofd Personeelszaken en de sectiechef Personeelszorg van ROGB haar toestemming hebben verleend om zich dagelijks tussen 07.30 uur en 08.00 uur op de werkplek aan te melden.

Geconstateerd wordt dat in de beschikking in het geheel niet is overwogen – laat staan onderbouwd – waarom vorenbedoelde weerspreking van [verzoekster] in strijd is met de waarheid. Deze omissie levert in de visie van het Hof een motiveringsgebrek op. Het besluit tot oplegging aan [verzoekster] van de tuchtstraf van vermindering van vakantie, bestaande uit verlies van 15 dagen vakantieverlof over het kalenderjaar 2016, kan wegens voormeld daaraan klevend motiveringsgebrek niet in stand blijven en zal nietig worden verklaard.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering strekkende tot nietigverklaring van vorenbedoeld besluit, zal worden toegewezen.

4.4 Het Hof overweegt ten overvloede als volgt. Ingeval was komen vast te staan dat [verzoekster] in strijd met de waarheid de lezing van de waarnemend directeur omtrent het tussen hen op 04 maart 2016 gevoerde gesprek, had weersproken, zou [verzoekster] zich hiermee schuldig hebben gemaakt aan gedrag dat een goed ambtenaar niet betaamt. In de visie van het Hof rechtvaardigt dit gedrag echter niet de oplegging van enige tuchtstraf aan [verzoekster] en zeker niet de tuchtstraf als waarvan in deze procedure sprake is.

4.5 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het Hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.6 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, omdat dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.7 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart nietig het in de beschikking van de minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer d.d. 14 april 2016, PZ/rvh [nummer 3], vervatte besluit tot oplegging aan [verzoekster] van de tuchtstraf van vermindering van vakantie, bestaande uit verlies van 15 dagen vakantieverlof over het kalenderjaar 2016.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 05 maart 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-71

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
gemachtigde: R.B. Cotino, advocaat,

 

tegen

  1. DE STAAT SURINAME, met name de President van de Republiek Suriname,
  2. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer,

beiden ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te diens Parket te Paramaribo,
gemachtige: mr. D.S. Kraag, advocaat,

  1. HET MANAGEMENT INSTITUUT GLIS, rechtspersoon,
    gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
    gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

verweerders,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Partijen worden hierna als volgt aangeduid: verzoeker als “[verzoeker]” enerzijds en verweerders sub A en sub B afzonderlijk als “de President” en “het ministerie” en gezamenlijk als “de Staat” en verweerder sub C als “het MI GLIS” anderzijds.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 26 juni 2019;

het verweerschrift, met producties, zijdens de Staat en het MI GLIS ingediend ter griffie van het Hof op 02 september 2019;

de beschikking van het Hof van 26 november 2019, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 januari 2020;

de processen-verbaal van het op 17 januari 2020 gehouden verhoor van partijen en de op 06 maart 2020 gehouden voortzetting daarvan, alsmede de op genoemde data door partijen overgelegde bescheiden;

de conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van partijen en tot uitlating over de overgelegde stukken (aangeduid als: pleitnota), met producties, zijdens de Staat en het MI GLIS overgelegd op 17 juli 2020;

de conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van partijen en tot uitlating producties, zijdens [verzoeker] overgelegd op 21 augustus 2020.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 19 maart 2021, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is in 2003 door de President benoemd tot hypotheekbewaarder in dienst van het ministerie.

2.2 Het MI GLIS is ingesteld bij de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem (S.B. 2009, no. 149), hierna aangeduid als de Wet GLIS, welke wet op 28 mei 2010 in werking is getreden.

2.3 De President heeft [verzoeker] bij resolutie [nummer 1] met ingang van 02 augustus 2010 benoemd tot bewaarder van het MI GLIS. [verzoeker] is op enig moment ter beschikking gesteld van het MI GLIS.

2.4 [verzoeker] heeft bij brief d.d. 04 mei 2017, gericht aan de minister van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (hierna: de minister), verzocht dat hem (met toepassing van artikel 130 van de Wet GLIS) ontslag uit overheidsdienst wordt verleend. [verzoeker] heeft daarbij tevens het verzoek gedaan tot kapitalisatie van zijn verloftegoeden.

2.5 De minister heeft in reactie hierop bij brief d.d. 07 juni 2017, PZ/MH, Bureau [nummer 2], onder meer aan [verzoeker] meegedeeld dat, aangezien hij, [verzoeker], niet te kennen heeft gegeven per wanneer hij uit de dienst wil treden, zijn ontslag, met inachtneming van artikel 71 lid 1 Pw, te rekenen van 01 juli 2017 zal ingaan.

2.6 De President heeft bij resolutie d.d. 25 augustus 2017, Bureau [nummer 2] , [nummer 3], aan [verzoeker] – als hypotheekbewaarder in vaste dienst bij het Hypotheekkantoor van het ministerie en ter beschikking gesteld van het MI GLIS – op diens eigen verzoek, eervol ontslag uit Staatsdienst verleend te rekenen van 01 juli 2017.

2.7 De minister heeft bij brief d.d. 09 april 2019, MinRGB, Bureau [nummer 4], het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Geachte heer [verzoeker],

U bent door de Raad van Toezicht op twee momenten, t.w. 26 juni 2018 en 17 augustus 2018, aangeschreven inzake ernstig plichtverzuim.

Hierop heeft u zich verweerd op respectievelijk 3 juli 2018 en 23 augustus 2018.

De Raad van Toezicht is het erover eens dat uw verweer als ondeugdelijk kan worden aangemerkt en heeft mij hiervan formeel in kennis gesteld.

De documentatie die opgestuurd is door de Raad heb ik tezamen met mijn adviseurs doorgenomen en op grond daarvan ben ook ik ervan overtuigd dat uw verweer niet steekhoudend is op grond waarvan er disciplinaire maatregelen jegens u getroffen zullen worden.

Aan de President is nu gevraagd deze zaak over te nemen en verder af te handelen. Op grond van het voorgaande is besloten dat u met ingang van heden uw werkzaamheden per direct stopt met behoud van salaris. In afwachting op [sic] het besluit van de President, wordt u de toegang tot de werkplek ontzegd.”

2.8 Aan [verzoeker] is bij resolutie d.d. 29 mei 2019, [nummer 5]/RP, te rekenen van voormelde dagtekening ontslag verleend als bewaarder van het MI GLIS. Daartoe is als volgt overwogen:

“- Dat overeenkomstig de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem van 25 september 2009 (S.B. 2009 no. 149) de Raad van Toezicht toe ziet [sic] op de werkzaamheden en op de algemene gang van zaken in de organisatie van het Instituut;

Dat conform artikel 23 van de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem de Raad van toezicht schriftelijk de Minister van Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer behoort te rapporteren ten aanzien van de behoorlijke vervulling van de aan het Instituut opgedragen taken;

Dat de Raad van Toezicht ernstige handelingen heeft geconstateerd, welke in strijd zijn met de wet alsmede de rechtszekerheid, met betrekking tot de openbare registers;

Dat de Raad van Toezicht haar bevindingen en bezwaren schriftelijk heeft medegedeeld aan de Bewaarder van het Management Instituut GLIS en dat dientengevolge de Bewaarder in de gelegenheid is gesteld zich terzake te verweren;

Dat de redenen althans het verweer van de Bewaarder niet steekhoudend zijn bevonden, aangezien deze voornamelijk gebaseerd zijn op artikel 4 van de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem, terwijl de taken en verplichtingen van de Bewaarder veel verder reiken dan hetgeen in dit artikel is opgenomen;

Dat kan worden geconcludeerd dat er sprake is van ernstig plichtsverzuim zijdens de Bewaarder van het Management Instituut GLIS met het gevolg dat de waarborgen voor betrouwbaarheid zijn komen te vervallen;

Dat derhalve de heer [verzoeker] in zijn hoedanigheid als Bewaarder van het Management Instituut GLIS dient te worden vervangen;

Dat gehoord de Raad van Toezicht en de Minister [sic] Ruimtelijke Ordening, Grond en Bosbeheer, de Bewaarder van het Management Instituut GLIS ingevolge artikel 15 van de Wet Grondregistratie en Land Informatie Systeem zal worden ontslagen.”

2.9 Voormelde resolutie d.d. 29 mei 2019 is bij exploit d.d. 31 mei 2019, [nummer 6], van de deurwaarder bij het Hof van Justitie, S.W. Niekoop, in persoon aan [verzoeker] betekend.

2.10 De President heeft bij resolutie d.d. 28 augustus 2019, [nummer 7], met ingang van 01 september 2019 mevr. [naam 1] benoemd tot bewaarder van het MI GLIS.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:

  1. de resolutie d.d. 29 mei 2019, [nummer 5]/RP, nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld c.q. gelast het vonnis tot nietigverklaring van voormelde resolutie te gedogen en gelast tot tewerkstelling van [verzoeker];
  3. het MI GLIS zal worden veroordeeld c.q. gelast het vonnis tot nietigverklaring van voormelde resolutie te gedogen en gelast tot doorbetaling, voor zover dat mocht zijn stopgezet, van het salaris met alle toelagen, bijslagen en voorzieningen toekomende aan [verzoeker];
  4. de Staat en het MI GLIS zullen worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 25.000,- per dag voor iedere dag dat zij weigeren uitvoering te geven aan het onder B en C van het petitum gevorderde.

[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat en het MI GLIS in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet. Voor de regeling van zijn rechtspositie zijn voormelde wet en de ter zake uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften van toepassing. In de resolutie d.d. 29 mei 2019 is de naam van [verzoeker] niet volledig vermeld. Deze resolutie is ook niet ondertekend door de President, zulks in strijd met het bepaalde in artikel 7 lid 2 van het Besluit Vormgeving Wettelijke Regelingen, Staats- en Bestuursbesluiten (S.B. 1996, no. 54). Om bovengenoemde redenen mist voormelde resolutie rechtskracht. Voorts is het in de resolutie d.d. 29 mei 2019 vervatte besluit tot het ontslag van [verzoeker] als bewaarder van het MI GLIS genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van onderzoek en beslissing in een individueel geval, het motiverings-, rechtszekerheids-, vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel en het beginsel van een zorgvuldige redactie.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 De Staat en het MI GLIS hebben als formeel verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, althans dat het Hof onbevoegd is van de vordering kennis te nemen. Hetgeen de Staat en het MI GLIS daartoe hebben aangevoerd, komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer. [verzoeker] bleef na zijn benoeming bij resolutie d.d. 02 augustus 2010 tot bewaarder van het MI GLIS tot en met 30 juni 2017 in dienst van de overheid, met name het ministerie, alwaar hij nog geregistreerd stond als hypotheekbewaarder. Dientengevolge was hij nog ambtenaar in de zin van de Personeelswet en werd hij ook betaald door de overheid. Bij resolutie d.d. 25 augustus 2017 werd hem op zijn eigen verzoek te rekenen van 01 juli 2017 eervol ontslag uit Staatsdienst verleend. Gelijktijdig met dit ontslag trad hij in dienst van het MI GLIS krachtens een mondelinge arbeidsovereenkomst. [verzoeker] ontvangt sedert 01 juli 2017 geen salaris en emolumenten meer van de overheid. Zijn salaris wordt door het MI GLIS betaald. Volgens artikel 29 van de Wet GLIS zijn alle werknemers van het MI GLIS, inclusief de bestuursleden, werknemers in de zin van het Burgerlijk Wetboek. De bewaarder van het MI GLIS, in casu [verzoeker], maakt op grond van artikel 8 van de Wet GLIS deel uit van het bestuur. Dit betekent dat [verzoeker] werknemer is van het MI GLIS en dus valt onder de regelgeving betrekking hebbende op de arbeidsovereenkomst, waaronder de Ontslagwet. Volgens artikel 1 Pw is een ambtenaar een persoon die krachtens een aanstelling in bezoldigde dienst van het Land is. [verzoeker] is niet in bezoldigde dienst van het Land en is derhalve geen ambtenaar. Hij kan daarom geen inhoudelijke beslissing van de ambtenarenrechter afdwingen met betrekking tot zijn ontslag als bewaarder in dienst van het MI GLIS.

4.1.2 [Verzoeker] heeft ter gelegenheid van het op 17 januari 2020 gehouden verhoor van partijen uitgelegd waarom hij in 2017 een verzoek tot ontslag heeft gericht aan de minister. Zijn relaas komt op het volgende neer. Zijn salaris werd deels betaald door het ministerie en deels door het MI GLIS. Aan [verzoeker] is voorgehouden dat dit een probleem is. [verzoeker] begreep dat zijn ontslag uit overheidsdienst de enige manier was om de salarisuitbetaling door de overheid stop te zetten. Daarom stuurde hij een ontslagbrief naar de minister. Het MI GLIS betaalde aan [verzoeker] het verschil tussen het (hogere) salaris dat hij verdiende als bewaarder van het MI GLIS en het salaris dat hij (naar het Hof begrijpt: als voormalige hypotheekbewaarder) van de overheid ontving. Het aangevraagde ontslag werd verleend met de bedoeling dat zijn volledige salaris door het MI GLIS zou worden betaald.

[Verzoeker] verklaarde tevens dat hij altijd ervan is uitgegaan dat hij ambtenaar is. Hij heeft geen arbeidsovereenkomst of enig ander stuk ondertekend waaruit blijkt dat hij in dienst is van het MI GLIS. Hij verrichtte werkzaamheden voor het MI GLIS en hij ontving daarvoor salaris.

4.1.3 Het Hof stelt het volgende voorop. [Verzoeker] is in 2003 door de President benoemd tot hypotheekbewaarder in dienst van het ministerie. Hierdoor was [verzoeker] ambtenaar. Met ingang van 02 augustus 2010 is [verzoeker] door de President benoemd tot bewaarder van het MI GLIS. Deze twee functies van [verzoeker] moeten goed uit elkaar worden gehouden. In dit geding komt [verzoeker] op tegen het in de resolutie d.d. 29 mei 2019 vervatte besluit tot zijn ontslag als bewaarder van het MI GLIS.

4.1.4 [Verzoeker]’s eervol ontslag uit Staatsdienst op eigen verzoek bij resolutie d.d. 25 augustus 2017 betrof het ontslag in de functie van hypotheekbewaarder.

[Verzoeker] betoogt, in reactie op het formele verweer van de Staat en het MI GLIS, bij conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van partijen en tot uitlating producties, dat deze resolutie niet voldoet aan de in de wet gestelde formele vereisten en derhalve ongeldig is en rechtskracht mist.

Het Hof overweegt dat [verzoeker] in dit geding niet opkomt tegen zijn ontslag als hypotheekbewaarder, zodat aan voormeld betoog zal worden voorbijgegaan.

4.1.5 [Verzoeker] beroept zich voorts erop dat het in de resolutie d.d. 25 augustus 2017 vervatte besluit tot zijn ontslag op eigen verzoek niet op de in artikel 5 Pw voorgeschreven wijze te zijner kennis is gebracht, zodat dit besluit op grond van artikel 6 Pw niet in werking is getreden. [Verzoeker] betwist dan ook dat hij vanaf 01 juli 2017 is ontslagen uit overheidsdienst en in dienst is van het MI GLIS.

De Staat voert aan dat [verzoeker] voormelde resolutie wel heeft ontvangen, doch dat dit vanwege administratieve slordigheid zijdens het ministerie niet kan worden bewezen.

4.1.6 Artikel 6 lid 1 Pw bepaalt dat een besluit, genomen op grond van het bepaalde bij of krachtens de Personeelswet, niet eerder ten nadele van de belanghebbende werkt dan met ingang van de dag volgende op die waarop het overeenkomstig artikel 5 Pw te zijner kennis is gebracht.

4.1.7 Zoals eerder is overwogen komt [verzoeker] in dit geding op tegen het in de resolutie d.d. 29 mei 2019 vervatte besluit tot zijn ontslag als bewaarder van het MI GLIS. De vraag die in de eerste plaats aan het Hof ter beantwoording voorligt, is of [verzoeker] ten tijde van dit ontslag, ambtenaar in de zin van de Personeelswet was (en deze wet uit dien hoofde op hem van toepassing is). Partijen zijn hierover verdeeld. Het antwoord op deze vraag is van belang voor de bevoegdheid van het Hof als ambtenarenrechter, welke bevoegdheid is neergelegd in artikel 79 Pw. Immers, het Hof is, kort gezegd, slechts bevoegd kennis te nemen van de in lid 1 van voormeld artikel limitatief opgesomde vorderingen, ingesteld door ambtenaren of gewezen ambtenaren. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

4.1.8 [verzoeker] heeft bij brief d.d. 04 mei 2017 zelf om ontslag uit overheidsdienst gevraagd, zulks met het verzoek tot kapitalisatie van zijn verloftegoeden. [verzoeker] heeft daarbij toepassing van artikel 130 van de Wet Glis verzocht. Dit artikel betreft, kort gezegd, de overgang van het personeel van diverse overheidsdiensten, waaronder het Hypotheekkantoor alwaar [verzoeker] vanaf 2003 als hypotheekbewaarder werkzaam was, naar het MI GLIS, zijnde een van landswege opgerichte rechtspersoon sui generis. [Verzoeker] heeft het ontslagverzoek gedaan teneinde zijn salaris als bewaarder van het MI GLIS volledig door het MI GLIS betaald te krijgen. Nadat [verzoeker] bij brief van de minister d.d. 07 juni 2017 was bericht dat zijn ontslag op eigen verzoek, met inachtneming van artikel 71 lid 1 Pw, zou ingaan te rekenen van 01 juli 2017, is hem bij resolutie d.d. 25 augustus 2017 eervol ontslag uit Staatsdienst verleend te rekenen van 01 juli 2017. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] op enig moment terug is gekomen van voormeld ontslagverzoek, zodat het ervoor wordt gehouden dat hij bij zijn ontslagverzoek bleef.

4.1.9 Artikel 71 lid 1 Pw bepaalt dat ontslag op eigen verzoek wordt verleend met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na die waarin het verzoek is ingekomen, tenzij het bevoegde gezag met een vroegere datum instemt of de landsdienaar een latere datum verlangt. Hieruit volgt dat de ingangsdatum van [verzoeker]’s ontslag op eigen verzoek, zijnde 01 juli 2017, is gekoppeld aan zijn verzoek van 04 mei 2017.

Dit in tegenstelling tot de ingangsdatum van, bijvoorbeeld, ontslag op één der gronden vermeld in artikel 69 lid 2 sub a tot en met sub j Pw of ontslag wegens plichtsverzuim, welke ingangsdatum, kort gezegd, is gekoppeld aan de dag waarop dan wel de maand waarin het ontslagbesluit ter kennis van de landsdienaar is gebracht (zie artikel 71 leden 3 tot en met 5 Pw).

4.1.10 [Verzoeker] heeft tijdens het verhoor van partijen erkend dat hij, vanaf het moment dat hem ontslag uit overheidsdienst werd verleend, in dienst was van het MI GLIS, dat het MI GLIS zijn volledige salaris betaalt en dat er sprake was van een gezagsverhouding. [verzoeker] heeft bij conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van partijen en tot uitlating producties, tevens erkend geen bezwaar gemaakt te hebben tegen de van het ministerie ontvangen eindafrekening. Voorts staat als onweersproken rechtens vast dat het aanvragen dan wel opnemen door [verzoeker] van verlofdagen wegens ziekte of vakantie vanaf 01 juli 2017 niet meer geschiedde bij het ministerie, maar bij het MI GLIS.

4.1.11 Uit het feit dat [verzoeker] het ontslagverzoek deed teneinde zijn volledige salaris als bewaarder van het MI GLIS door het MI GLIS uitbetaald te krijgen en dat hij daarvan niet terug is gekomen, ook niet na ontvangst van de eindafrekening van het ministerie, blijkt in de visie van het Hof dat [verzoeker] geen andere bedoeling kon hebben gehad dan het vragen van ontslag uit Staatsdienst. Het Hof gaat dan ook voorbij aan zijn stelling dat dit niet zijn bedoeling was.

4.1.12 Het Hof overweegt dat het in casu er niet toedoet of het in de resolutie d.d. 25 augustus 2017 vervatte besluit tot het ontslag van [verzoeker] uit Staatsdienst op eigen verzoek te rekenen van 01 juli 2017, niet op de in artikel 5 Pw voorgeschreven wijze te zijner kennis is gebracht. Immers, zoals reeds is overwogen onder 4.1.9, wordt het ontslag op eigen verzoek ingevolge artikel 71 lid 1 Pw verleend met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na die waarin het verzoek is ingekomen. Het ontslag op eigen verzoek is dus niet gekoppeld aan de dag waarop het ontslagbesluit ter kennis van de landsdienaar is gebracht.

4.1.13 Gelet op het onder 4.1.8 tot en met 4.1.12 overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, kan [verzoeker] zich, in de visie van het Hof, in alle redelijkheid niet erop beroepen dat het besluit tot zijn ontslag uit Staatsdienst op eigen verzoek te rekenen van 01 juli 2017, op grond van artikel 6 Pw niet in werking is getreden. Voormeld besluit wordt derhalve geacht wel in werking te zijn getreden.

Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] ten tijde van zijn ontslag als bewaarder van het MI GLIS in 2019 geen ambtenaar in de zin van de Personeelswet was en deze wet dientengevolge niet op hem van toepassing is. Het Hof als ambtenarenrechter is reeds op deze grond niet bevoegd kennis te nemen van de onderhavige vordering en zal zich daarom ter zake onbevoegd verklaren.

Het door de Staat en het MI GLIS gevoerde formele verweer slaagt.

4.2.1 Het Hof overweegt ten overvloede als volgt. Artikel 29 lid 1 van de Wet GLIS bepaalt uitdrukkelijk dat het personeel van het MI GLIS, de leden van het bestuur daaronder begrepen, werknemers zijn in de zin van het burgerlijk recht. Volgens artikel 8 lid 1 van voormelde wet bestaat het bestuur van het MI GLIS uit de directeur, de bewaarder en de GLIS-landmeter. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de bewaarder van het MI GLIS, zijnde lid van het bestuur, geen ambtenaar is in de zin van de Personeelswet.

4.2.2 Dat het personeel van het MI GLIS, waaronder de bestuursleden, geen ambtenaar is, wordt ondersteund door artikel 130 lid 4 van de Wet GLIS, dat bepaalt dat de Ambtenarenpensioenwet (S.B. 1972 no. 150) van overeenkomstige toepassing is op het bestuur en het personeel van het MI GLIS.

De Ambtenarenpensioenwet verstaat onder ambtenaren, personen die door of vanwege het bevoegde gezag in vaste bezoldigde dienst van de Staat zijn aangesteld, alsmede, kort gezegd, personen in vaste dienst bij het openbaar onderwijs en onderwijzers en leraren in vaste dienst bij het bijzonder onderwijs (artikelen 4 en 5 van de Ambtenarenpensioenwet).

Waren de bestuursleden en het overige personeel van het MI GLIS ambtenaar, dan was de Ambtenarenpensioenwet reeds uit dien hoofde op hen van toepassing en zou artikel 130 lid 4 van de Wet GLIS overbodig zijn.

4.2.3 [Verzoeker] stelt in de op 21 augustus 2020 overgelegde conclusie tot uitlating na gehouden verhoor van partijen en tot uitlating producties, dat uit de toelichting op artikel 29 lid 1 van de Wet GLIS blijkt dat de personeelsleden van het MI GLIS, voor zover zij niet reeds op arbeidsovereenkomst zijn aangesteld, ambtenaar zijn in de zin van de Personeelswet. Hieruit vloeit volgens [verzoeker] voort dat, zolang hij niet op grond van een arbeidsovereenkomst is aangesteld, hij ambtenaar is.

Dit betoog van [verzoeker] gaat niet op. De zin uit de toelichting op artikel 29 van de Wet GLIS waarop hij zich beroept, luidt als volgt: “Krachtens het eerste lid van dit artikel zijn de personeelsleden van het Instituut, voor zover zij niet op arbeidsovereenkomst zijn aangesteld, ambtenaar in de zin van de Personeelswet.” Deze zin is volkomen in tegenspraak met hetgeen artikel 29 lid 1 van de Wet GLIS bepaalt, namelijk dat het personeel van het MI GLIS, de leden van het bestuur daaronder begrepen, werknemers zijn in de zin van het burgerlijk recht. In een dergelijk geval van tegenspraak (van de toelichting op een wettelijke bepaling met die wettelijke bepaling) moet van de wettelijke bepaling zelf worden uitgegaan en is de toelichting daarop niet doorslaggevend ten aanzien van de bedoeling van de wetgever.

Voorts is in artikel 130 van de Wet GLIS – en niet in artikel 128, zoals de toelichting op artikel 29 van deze wet abusievelijk aangeeft – de overgang van het personeel dat als ambtenaar dan wel krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst was van het Hypotheekkantoor, de afdeling Dienst van het Kadaster, de Dienst voor Geodesie en het Centraal Bureau Luchtkartering, naar het MI GLIS, geregeld. Daaruit blijkt dat het personeel van voornoemde overheidsdiensten bij de overgang naar het MI GLIS zijn status van ambtenaar of arbeidscontractant (naar burgerlijk recht) verloor en de status verkreeg van werknemer in dienst van het MI GLIS. De uitleg die [verzoeker] geeft aan de toelichting op artikel 29 van de Wet GLIS is dus niet juist.

4.2.4 Uit het voorgaande volgt dat het in de resolutie d.d. 29 mei 2019 vervatte besluit tot het ontslag van [verzoeker] als bewaarder van het MI GLIS geen besluit is, genomen ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar. Immers, de functie van bewaarder van het MI GLIS is niet verbonden aan het zijn van ambtenaar. Voormeld besluit geldt derhalve niet als een besluit tot ontslag ingevolge artikel 79 lid 2 Pw, zodat het Hof zich – zoals hiervoor onder 4.1.13 reeds is overwogen – onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de onderhavige vordering.

4.3 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het Hof niet toe.

  1. De beslissing

Het Hof:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de onderhavige vordering.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 07 mei 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-70

A.C.
A-830

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als “ [verzoekster] ”,
gemachtigde: mr. R.E.W. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: [naam 1], vervolgingsambtenaar,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (hierna: Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Vooraf:

In deze zaak is er op 19 maart 2021 een tussenvonnis gewezen en uitgesproken.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de gehouden comparitie van partijen de dato 24 juni 2021;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 06 augustus 2021 doch bij vervroeging op heden.
  1. De verdere beoordeling
    1. Het Hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis d.d. 19 maart 2021 is overwogen en beslist;
    2. Bij voormeld tussenvonnis werd een comparitie van partijen gelast tot het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een vereniging. Ter uitvoering van het bepaalde in voormeld tussenvonnis is er op 24 juni 2021 een comparitie van partijen gehouden waarbij [verzoekster] in persoon is verschenen vergezeld van haar gemachtigde terwijl de Staat vertegenwoordigd door [naam 1] is verschenen. De verlangde inlichtingen zijn verschaft maar een minnelijke regeling is uitgebleven aangezien de contouren van kennelijk onoverbrugbare bureaucratische hobbels binnen het ambtelijke zichtbaar waren geworden (althans zo vat het Hof het betoog van de gevolmachtigde van de Staat op). Ter comparitie is voorts gebleken dat [verzoekster] inmiddels is voorzien van een vaste aanstelling waardoor zij geen belang meer heeft bij toewijzing van het daartoe strekkend onderdeel van het gevorderde weshalve dat onderdeel van het gevorderde zal worden afgewezen.
    3. Nu de gevolmachtigde van de Staat voor het overige de grondslag van het gevorderde niet heeft weersproken maar heeft aangegeven dat de Staat niet afwijzend staat tegenover toewijzing van het gevorderde en dat een eventueel veroordelend vonnis zaken in een stroomversnelling zou kunnen doen geraken voor [verzoekster], zal het Hof het gevorderde toewijzen in voege als na te melden. Immers is de grondslag van het gevorderde als niet weersproken tussen partijen in rechte komen vast te staan.
  1. De beslissing

Het Hof rechtdoende als Ambtenarengerecht:

  1. Veroordeelt de Staat die handelingen te verrichten waardoor [verzoekster] overeenkomstig het Fisorapport wordt aangepast en bevorderd in de rang van Hoofd Stafmedewerker casu quo Hoofdbeleidsmedewerker schaal 9c volgens het Fisorapport onder toekenning van het aan die rang verbonden salaris bij de Afdeling Delinquentenzorg met ingang van 15 februari 2010, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD. 2.000,- (Tweeduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het bepaalde in dit vonnis gevolg te geven, tot een maximum van SRD. 100.000,- (Eenhonderdduizend Surinaamse Dollar).
  2. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-president voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 16 juli 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2021-69

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking inzake het verzoekschrift van

[Appellant],
wonende in het [district 1],
appellant,
gemachtigde: mr. M.T.M. Watchman, advocaat,

ter zake het hoger beroep van de door de kantonrechter in het derde kanton in kort geding gegeven beschikking van 5 mei 2021 in de procedure bekend onder KR 21-37 tussen:

[Appellant] als eiseres
en
[de Stichting] als gedaagde

Het Hof van Justitie heeft de navolgende beschikking gegeven.

  1. De ontvankelijkheid

[Appellant] is bij geschrifte van haar gemachtigde gedateerd 3 juni 2021 en memorie van grieven in beroep gekomen tegen de beschikking voornoemd. Het Hof is van oordeel dat door [appellant] tijdig appèl is aangetekend tegen voormelde beschikking, nu dit is geschied binnen de wettelijke termijn van dertig dagen nadat zij kennis daarvan heeft verkregen. [appellant] is daarom ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep.

  1. De beoordeling

2.1 [Appellant] heeft in kort geding in eerste aanleg in de procedure bekend onder KR 21-37 – zakelijk weergegeven – gevorderd veroordeling van [de Stichting]:
Primair

  1. tot betaling van het bedrag van SRD39.000,= dan wel een voorschot van SRD38.000,= vermeerderd met de wettelijke rente.
  1. om tot het eind van de overeenkomst op 10 december 2023 maandelijks te voldoende aan haar maandelijkse verplichtingen.
  1. om toe te staan dat [appellant] haar haar dienstverlening voortzet tot het einde van de overeenkomst op 10 december 2023.

Subsidiair

  1. tot afkoping van het contract voor het bedrag van SRD138.000,= danwel een voorschot van SRD137.000,= vermeerderd met de wettelijke rente.
  1. in de proceskosten.

2.2 Ten aanzien van het spoedeisend belang heeft [appellant] – onder meer – aangevoerd dat door het achterwege blijven in de nakoming van haar betalingsverplichtingen door [de Stichting] jegens [appellant], laatstgenoemde in financiële nood is komen te verkeren.

2.3 Bij beschikking van 5 mei 2021 bekend onder KR 21-37 heeft de kantonrechter geen rechtsingang in kort geding verleend aan [appellant]. De kantonrechter heeft daartoe – voor zover van belang – overwogen dat de door [appellant] gestelde financiële nood niet is onderbouwd met documenten waaruit de onverwijlde spoed en de noodzaak voor een onmiddellijke voorziening in de zin van artikel 226 Rv blijkt.

2.4 Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 226 Rv voor een vordering in kort geding – zakelijk weergegeven – is vereist dat er sprake is van omstandigheden die noodzaken dat uit hoofde van onverwijlde spoed er een onmiddellijke voorziening wordt getroffen danwel dat er sprake is van een geval waarin het belang van partijen noodzaakt tot een onverwijlde voorziening bij voorraad.

[appellant] heeft onder meer het volgende gesteld:

  • zij heeft op 10 december 2018 voor de duur van vijf jaren een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten gesloten met [de Stichting], tegen een maandelijkse vergoeding van SRD3.000,=;
  • bij brief d.d. 25 maart 2020 heeft [de Stichting] i.v.m. de Covid-19 situatie de dienstverlening tijdelijk onderbroken;
  • bij brief d.d. 10 december 2020 heeft [de Stichting] getracht om de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen vanwege “veranderde beleidsinzichten”;
  • de hiervoor genoemde opzegging is onrechtmatig;
  • zij is door het achterwege blijven van de betalingsverplichtingen door [de Stichting] jegens haar, in financiële nood komen te verkeren.

Gezien het door haar gevorderde heeft [appellant] – naar het oordeel van het Hof – voldoende feiten gesteld, die zouden kunnen noodzaken dat er een onmiddellijke voorziening wordt getroffen.

De door [appellant] gestelde financiële nood acht het Hof vooralsnog aannemelijk nu uit haar stellingen blijkt dat zij vanaf maart 2020 geen betalingen meer krijgt van [de Stichting]. Bij het wegvallen van inkomsten uit arbeid is het niet ondenkbaar dat iemand op enig moment in financiële nood komt te verkeren.

Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte geen rechtsingang in kort geding heeft verleend aan [appellant] en is het daartegen ingestelde hoger beroep gegrond. De door [appellant] aangevoerde grieven tegen de beroepen beschikking worden met het voorgaande geacht te zijn besproken en gegrond bevonden.

De beschikking van de kantonrechter dient daarom te worden vernietigd.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:
3.1 Vernietigt de beroepen beschikking van de kantonrechter d.d. 5 mei 2021 bekend onder KR 21-37.

3.2 Verwijst de zaak terug naar de kantonrechter in kort geding voor het alsnog verlenen van rechtsingang.

Aldus gegeven te Paramaribo op woensdag 23 juni 2021 door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden.

w.g. D.D. Sewratan

w.g. A. Charan

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-68

GRNo. 15616

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende in het [district 1],
appellante,
verder te noemen: appellante,
gemachtigde: mr. M. Ansaar Guman, advocaat,

tegen

  1. de Bewaarder (voorheen Hypotheekbewaarder) in Suriname,
    kantoorhoudende te Paramaribo,
  1. de Staat Suriname, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening Grond- en Bosbeheer,
    rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
    gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
  1. [Geïntimeerde sub C],
    kantoorhoudende te [plaats],
  1. [Geïntimeerde sub D],
    wonende in het [district 1],
  1. [Geïntimeerde sub F],
    wonende in het [district 1],
  1. [de Stichting],
    gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],

geïntimeerden,
gemachtigde van geïntimeerde A: aanvankelijk mr. Ch. Mijnals, thans mr. M.G.A. Vos, advocaat
gemachtigde van geïntimeerde B: mr. J. Kraag, advocaat,
gemachtigde van geïntimeerden C, D, E en F: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 6 maart 2017 (A.R. No. 12-2381) tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 16 mei 2017 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat appellante tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven d.d. 31 juli 2018;
  • de memorie van antwoord van geïntimeerden C, D, E en F d.d. 21 december 2018;
  • de uitlating pleidooi van geïntimeerde B d.d. 18 oktober 2019;
  • de conclusie tot uitlating van geïntimeerden C, D, E en F d.d. 18 oktober 2019;
  • het antwoordpleidooi van geïntimeerde A d.d. 16 oktober 2020;
  • de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellante daarin kan worden ontvangen.
  1. Tegen de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep zijn geen grieven aangevoerd, met uitzondering van grief I, waarop het Hof hieronder nader zal ingaan. In het kort komt de zaak op het volgende neer.

2.1 Appellante heeft op 30 juni 1993 de eigendom van een perceelland in het [district 1] (hierna: het perceelland) verkregen. Het perceelland was ontstaan uit de samenvoeging van twee delen, onderdeel van het perceelland bekend als [perceelgegevens 1]. In 1994 en 1995 zijn drie delen van het perceelland door schenking aan anderen overgedragen.

2.2 Bij beschikking van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 maart 2009 (AR No. 08-3859) is bevolen dat het perceelland “met uitzondering van de reeds verkochte en overgedragen delen” in het openbaar zal worden verkocht ten overstaan van [geïntimeerde sub C]. Deze heeft de openbare verkoop aldus in twee dagbladen aangekondigd en daarin als uitzondering “de reeds verkochte delen” opgenomen.

2.3 Bij haar inleidend verzoekschrift heeft appellante, kort samengevat, de nietigverklaring van het proces-verbaal van openbare verkoop van 22 maart 2012 ten overstaan van notaris M.A.P. Kanhai als vervanger van [geïntimeerde sub C] gevorderd, alsmede van alle daaruit voortvloeiende akten. Tevens heeft zij gevorderd de aantekening daarvan in de hypotheekregisters, de afgifte aan haar van een deugdelijk gewaarmerkt hypothecair uittreksel en de opheffing van op verzoek van geïntimeerden D en E ten laste van appellante gelegde executoriale beslagen.

2.4 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen geïntimeerden A, B en C en de vorderingen tegen geïntimeerden D, E en F afgewezen, met veroordeling van appellante in de proceskosten.

  1. Appellante voert de volgende grieven tegen het vonnis waarvan beroep aan:

Grief I: Ten onrechte heeft de kantonrechter vastgesteld dat verzoekster op 30 juni 1993 de eigendom van een perceelland verkreeg “met uitzondering van drie geschonken delen”.

Toelichting: Deze delen zijn pas in 1994 en 1995 door schenking uitgezonderd.

Grief II: Ten onrechte is de kantonrechter voorbijgegaan aan de inhoud van de rolbeschikking van 7 april 2014 en hetgeen appellante naar aanleiding daarvan in haar conclusie naar voren heeft gebracht.

Toelichting: De kantonrechter heeft de conclusie van appellante wel gezien, maar is daarop – gelet op het belang: ten onrechte – inhoudelijk niet ingegaan. Van belang is dat een deel van het litigieuze perceelland al in 2009 tot openbare weg is verklaard. Appellante had daarover sindsdien dus geen zeggenschap meer. Geïntimeerden D en E hebben dan ook in 2012 ten onrechte op grond van een civielrechtelijke erfdienstbaarheid op dat stuk inmiddels publiek geworden perceel dwangsommen geëxecuteerd en appellantes woning en perceel op naam van geïntimeerde F doen overschrijven. Appellante merkt ook op dat het onroerend goed in diverse hypothecaire uittreksels steeds verschillend is omschreven (“geschonken delen”, “verkochte en (reeds) overgedragen” en dergelijke), met opzettelijke benadeling van appellante door geïntimeerden D en E als gevolg.

Grief III: Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat de overige stellingen en weren van partijen niet meer aan een bespreking zullen worden onderworpen, nu ze niet langer relevant zijn.

Toelichting: Zie onder grief II.

Grief IV: Ten onrechte is aan appellante geen exemplaar van het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 14 oktober 2016 verstrekt.

Toelichting: Appellante kon wegens familieredenen niet bij de comparitie aanwezig zijn, maar heeft zich niet kunnen uitlaten over hetgeen in haar afwezigheid is besproken.

Grief V: Ten onrechte is aan appellante geen gelegenheid geboden zich uit te laten over dit proces-verbaal en hetgeen ter comparitie is voorgevallen en besproken.

Toelichting: Zie onder grief IV.

Grief VI: Ten onrechte heeft de kantonrechter appellante in haar vorderingen tegen geïntimeerden A en C niet-ontvankelijk verklaard.

Toelichting: Het door appellante gevorderde betreft grote onjuistheden die zich onder verantwoordelijkheid van geïntimeerden A en C hebben voorgedaan. Volgens appellante wordt willens en wetens met uittreksels geknoeid.

Grief VII: Ten onrechte heeft de kantonrechter appellante in haar vordering tegen geïntimeerde B niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat het MI-GLIS als rechtspersoon met het verstrekken van hypothecaire uittreksels is belast.

Toelichting: Het MI-GLIS is bij wet van 25 september 2009 ingesteld, maar de Minister heeft zijn verantwoordelijkheid behouden en heeft de zorg voor de grondregistratie en landinformatie.

  1. Geïntimeerden bestrijden de grieven en zijn van mening dat het vonnis waarvan beroep, desnoods onder aanvulling of verbetering van de rechtsgronden, dient te worden bevestigd, met veroordeling van appellante in de proceskosten. Op hun reactie op de grieven zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
  1. Het Hof overweegt het volgende.

5.1 In hun reactie op de grieven voeren geïntimeerden C, D, E en F allereerst aan dat appellante haar memorie van grieven pas ruim 14 maanden na het instellen van het hoger beroep heeft ingediend, ook al schrijft art. 271 Rv voor dat dit binnen dertig dagen dient te geschieden.

Hoewel de handelwijze van appellante met deze bepaling in strijd is, worden daaraan geen sancties verbonden. Bovendien hebben geïntimeerden op de memorie van grieven kunnen reageren en zijn zij, mede daardoor, niet in hun belangen geschaad.

5.2 Met appellante en geïntimeerden is het Hof van oordeel dat de omschrijving van het door appellante in 1993 verkregen perceelland in onderdeel 2.1 van het vonnis waarvan beroep ten dele onjuist is, gelet op de woorden “met uitzondering van drie geschonken delen”. Terecht merken zij op dat die delen door schenking pas in 1994 en 1995 zijn uitgezonderd. Het Hof heeft dit hiervoor onder 2.1 reeds hersteld. Grief I is derhalve terecht aangevoerd, maar de vastgestelde onjuistheid heeft geen gevolgen voor de inhoud en de strekking van het vonnis.

5.3 De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen dat de kern van de vordering van appellante is dat de perceelomschrijving van de kantonrechter in de beschikking van 23 maart 2009 een verkeerde is en dat daarom het proces-verbaal van de openbare verkoop van 22 maart 2012 nietig moet worden verklaard. De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat vaststaat dat appellante van het aan haar in 1993 overgedragen perceelland nadien drie onderdelen heeft weggeschonken, zodat zij daarvan niet langer de eigenaar was. Vervolgens is de kantonrechter tot de conclusie gekomen dat de aanduiding in de beschikking van de kantonrechter van 23 maart 2009 en in de hypothecaire uittreksels en advertenties van de openbare verkoop een zodanige is dat daarmee kon worden vastgesteld welk perceelland van appellante in het openbaar diende te worden verkocht, ongeacht of de uitgezonderde delen geschonken of verkocht waren. Er is volgens de kantonrechter dan ook geen aanleiding de verrichte handelingen en akten te vernietigen.

De kantonrechter is terecht tot deze conclusie gekomen en heeft dan ook in zoverre de vorderingen van appellante tegen geïntimeerden D, E en F terecht afgewezen.

5.4 Appellante stelt dat de kantonrechter ten onrechte niet op door haar aangevoerde stellingen is ingegaan, met name ten aanzien van de executie van het deel van het perceelland dat volgens haar al in 2009 openbaar was geworden en in 2012 niet meer op civielrechtelijke gronden kon worden geëxecuteerd.

De kantonrechter was, gelet op het oordeel over de kern en de grondslag van de vordering van appellante, niet gehouden op deze nadere opmerkingen van haar in te gaan. De grieven II en III falen dan ook.

5.5 Uit het dossier blijkt dat op de comparitie van partijen van 14 oktober 2016, waar appellante afwezig was, geen inhoudelijke aspecten van het geschil zijn besproken. Er was dus geen noodzaak haar in de gelegenheid te stellen op het proces-verbaal van comparitie te reageren. Voor zover zij dit niet heeft ontvangen, is zij niet in haar belangen geschaad.

De grieven IV en V falen dan ook.

5.6 Gelet op het feit dat de kantonrechter appellantes vorderingen tegen geïntimeerden D, E en F (terecht) heeft ontzegd, heeft zij geen belang bij de behandeling van haar grieven VI en VII.

6.1 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het vonnis van de kantonrechter worden bevestigd. Appellante zal, als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van geïntimeerden in hoger beroep worden veroordeeld.

6.2 Geïntimeerden C, D, E en F verzoeken het Hof appellante behalve in de proceskosten ook te veroordelen in de kosten van eerder tussen partijen gevoerde procedures, nu appellante volgens hen misbruik van procesrecht maakt door grotendeels over dezelfde kwestie steeds maar procedures aanhangig te maken, die zij vervolgens verliest. Deze geïntimeerden vragen veroordeling van appellante tot betaling van US$ 14.340,69. Zij vinden dat zij het bedrag in US dollars moet voldoen, omdat de Surinaamse munteenheid enorm is gedevalueerd en zij de uitgaven niet hadden hoeven te doen, als appellante hen niet telkenmale onnodig had gedagvaard.

6.3 Het Hof wijst dit verzoek af, nu het recht niet in een dergelijke kostenveroordeling voorziet en de desbetreffende geïntimeerden geen vordering in reconventie hebben ingesteld. Zij zullen dan ook een afzonderlijke vordering tot schadevergoeding aanhangig moeten maken.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen vonnis van 6 maart 2017 (A.R. No. 12-2381)

veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.S.D. Joella namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde sub B, terwijl namens de geïntimeerden sub A, C, D, E en F niemand is verschenen. De appellante is noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-67

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district 1],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie c.q. de Minister van Defensie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, vervolgingsambtenaar,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 58 van de Wet rechtspositie militairen (WRM) juncto artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met een productie, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 25 mei 2016;

het verweerschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 30 september 2016;

de beschikking van het Hof van 23 februari 2017, waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 april 2017;

het proces-verbaal van het op 07 april 2017 gehouden verhoor van partijen;

de conclusie tot uitlating, met een productie, zijdens de Staat overgelegd op 05 mei 2017;

de conclusie tot uitlating productie zijdens [verzoeker] overgelegd op 02 juni 2017.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 05 januari 2018, doch nader op heden.

 

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] is op 19 mei 2004 in dienst getreden van het Ministerie van Defensie en is na succesvolle afronding van de Elementaire Militaire Politie opleiding tewerkgesteld op de afdeling van de Militaire Politie. [verzoeker], thans in vaste dienst, is te rekenen van 01 juni 2010 bevorderd tot korporaal 1ste klasse.

2.2 [Verzoeker] is in oktober 2014 toegelaten tot de Basis Officiersopleiding (hierna kortweg aangeduid als: de officiersopleiding). Deze opleiding duurt twee en een half jaar. De militairen die tot de officiersopleiding worden toegelaten krijgen de status van cadet. De officiersopleiding heeft een aparte carrièregang, waarbij de cadet na afronding van het eerste jaar wordt bevorderd tot de tussenrang (opleidingsrang) van cadet sergeant, na afronding van het tweede jaar wordt bevorderd tot de tussenrang van vaandrig en na algehele afronding van de opleiding in aanmerking komt voor bevordering tot de rang van tweede luitenant.

[Verzoeker] is in het kader van de officiersopleiding bevorderd tot de tussenrang van cadet sergeant.

2.3 Op 12 april 2016 heeft korporaal [naam 1] aangifte van belaging gedaan tegen [verzoeker] bij de militaire politie. [Naam 1] beschuldigde [verzoeker] ervan haar seksueel getinte berichten gestuurd te hebben via Facebook Messenger. Naar aanleiding van de resultaten van het ter zake ingestelde onderzoek, is het besluit genomen om [verzoeker] te verwijderen van de officiersopleiding. Majoor [naam 2], de commandant van [naam 3], heeft dit besluit mondeling aan [verzoeker] meegedeeld.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden vernietigd het besluit tot het halen van hem uit de officiersopleiding;
  2. zal worden vernietigd het besluit om zijn bevoegdheden als militaire politie te ontnemen;
  3. zal worden vernietigd het besluit om hem te verlagen in rang, van sergeant tot korporaal (het Hof begrijpt: korporaal 1ste klasse);
  4. de Staat zal worden veroordeeld om hem binnen 2 x 24 uur vrijelijk en ongestoord weder toe te laten tot de officiersopleiding, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,-, voor iedere dag dat de Staat in gebreke blijft uitvoering aan het vonnis te geven;
  5. de Staat zal worden verboden om maatregelen tegen hem te treffen uit hoofde van de verdenking van belediging zoals in dit geval omschreven, voor zover er niet definitief is beslist.

[Verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [Verzoeker] is ingedeeld bij de militaire politie en dient vanaf december 2015 in de rang van sergeant. Hij is onlangs ervan beschuldigd dat hij op een sociaal medium, te weten Facebook, een aantal beledigende uitspraken heeft gedaan richting een collega. [Verzoeker] is naar aanleiding van een door de gedupeerde tegen hem gedane aangifte, aangehouden. Gebleken is dat [verzoeker] niets te maken had met het via Facebook verzenden van beledigende teksten en dat het profiel (het Hof begrijpt: het profiel van het desbetreffende Facebook account) klaarblijkelijk door anderen is gemaakt zonder zijn medeweten, om hem in een kwaad daglicht te stellen. [Verzoeker] werd vervolgens in vrijheid gesteld wegens gebrek aan bewijs.

Aan [verzoeker] werd mondeling, onder meer, mededeling gedaan:

rond 25 april 2016, van het besluit tot zijn verwijdering van de officiersopleiding;

van het besluit dat hij is weggehaald bij de militaire politie en dat zijn opsporings-bevoegdheden hem zijn ontnomen;

op 25 april (het Hof begrijpt: op 25 april 2016) door majoor [naam 2], van het besluit tot zijn degradatie in rang van sergeant naar korporaal 1ste klasse.

Voormelde besluiten zijn op geen enkele wijze gemotiveerd, waardoor de Staat in strijd heeft gehandeld met het beginsel van een draagkrachtige motivering. Deze besluiten moesten schriftelijk aan [verzoeker] worden meegedeeld, zodat hij daartegen kon ageren. [verzoeker] ondervindt als gevolg van deze besluiten, die elke grondslag ontberen, feitelijk last en nadeel, doordat hij is verwijderd van de officiersopleiding die hij tot nog toe succesvol doorlopen heeft, hij geen opsporingsbevoegdheden heeft en zijn epauletten behorende bij de rang van sergeant niet mag opspelden. Voorts is het praesumptio innocentiae beginsel geschonden. Immers, [verzoeker]s schuld staat niet vast en is niet aan het oordeel van de kantonrechter overgelaten.

Op grond van het voorgaande zijn vorenbedoelde besluiten genomen in strijd met wettelijke voorschriften en met in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] militaire ambtenaar is in de zin van artikel 1 lid 1 WRM, zodat deze wet op hem van toepassing is. Blijkens artikel 58 WRM strekt de bevoegdheid van het Hof als burgerlijke rechter in ambtenarenzaken, zoals vastgelegd in de artikelen 79 tot en met 83 Pw, zich mede uit tot militaire ambtenarenzaken. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring, besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen nietig te verklaren, schadevergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.

Het in 3.1 onder A gevorderde strekt tot nietigverklaring van het besluit tot [verzoeker]s verwijdering van de officiersopleiding. [Verzoeker] betoogt bij conclusie tot uitlating productie dat zijn verwijdering van de officiersopleiding een hem als tuchtstraf opgelegde maatregel betreft.

Blijkens artikel 79 lid 2 sub d Pw zijn besluiten, waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring. In artikel 56 lid 1 WRM zijn opgesomd de sancties die bij plichtsverzuim – en derhalve als tuchtstraf – aan een militaire ambtenaar kunnen worden opgelegd. De verwijdering van een opleiding valt niet onder deze opsomming. Het besluit tot [verzoeker]s verwijdering van de officiersopleiding betreft derhalve geen besluit tot oplegging aan hem van een tuchtstraf, noch kan het worden gerangschikt onder de overige, voor nietigverklaring vatbare, besluiten genoemd in artikel 79 lid 2 Pw. Dit leidt tot de slotsom dat het Hof onbevoegd is om kennis te nemen van de in 3.1 onder A gevorderde nietigverklaring van dit besluit en zich daarom ter zake onbevoegd zal verklaren.

4.1.3 Het in 3.1 onder D gevorderde ondergaat hetzelfde lot, nu dit gevorderde een sequeel is van het in 3.1 onder A gevorderde.

4.1.4 Het in 3.1 onder B gevorderde strekt tot nietigverklaring van het door [verzoeker] gestelde besluit tot het ontnemen van zijn bevoegdheden als militaire politieambtenaar. Het Hof zal zich eveneens onbevoegd verklaren van deze vordering kennis te nemen, nu bedoeld beweerde besluit niet een voor nietigverklaring vatbaar besluit is zoals bedoeld in artikel 79 lid 2 Pw.

4.1.5 Het in 3.1 onder C gevorderde strekt tot nietigverklaring van het door [verzoeker] gestelde besluit tot zijn verlaging in rang, van sergeant naar korporaal 1ste klasse. Volgens artikel 79 lid 2 sub b Pw zijn besluiten tot verlaging van rang vatbaar voor nietigverklaring. Het Hof acht zich derhalve op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub b Pw bevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder C gevorderde.

4.1.6 Het in 3.1 onder E gevorderde valt niet onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof zich ook onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

4.2 Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] het in 3.1 onder C gevorderde niet binnen de wettelijke termijn heeft ingesteld bij het Hof, zodat hij daarin ontvankelijk is.

4.3 Het Hof stelt ten aanzien van het in 3.1 onder C gevorderde voorop dat het de stellingen van [verzoeker] aldus begrijpt dat hij ervan uitgaat dat hij met zijn bevordering in het kader van de officiersopleiding tot de tussenrang van cadet sergeant, is bevorderd tot de ambtenarenrang van sergeant.

De Staat betwist dat [verzoeker] diende in de rang van sergeant en dat er sprake is van de door [verzoeker] beweerde degradatie in rang. De Staat voert daartoe aan dat [verzoeker] in het kader van de officiersopleiding diende in de tussenrang (opleidingsrang) van cadet sergeant, welke rang niet dezelfde is als en ook niet te vergelijken is met de ambtenarenrang van sergeant. Volgens de Staat zou [verzoeker] slechts na afronding van de officiersopleiding in aanmerking komen voor bevordering tot een hogere rang. [verzoeker] is nimmer bevorderd tot een hogere rang. Met de verwijdering van [verzoeker] van de officiersopleiding zijn alle tussenrangen (opleidingsrangen) automatisch komen te vervallen, nu deze rangen verbonden zijn aan voormelde opleiding en het zijn van cadet. De rang van cadet sergeant behoort niet tot de normale carrièregang binnen het Nationaal Leger en is daarom ook niet beschreven in het kader van FISO, aldus de Staat.

In het licht van deze gemotiveerde betwisting door de Staat en gelet op het in 2.2 overwogene, lag het op de weg van [verzoeker] om zijn stellingen dat hij diende in de rang van sergeant en dat hij is gedegradeerd in rang van sergeant naar korporaal 1ste klasse, nader te onderbouwen. [verzoeker] heeft zulks nagelaten en derhalve niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat het Hof aan zijn stellingen als onvoldoende onderbouwd voorbij gaat. Dit leidt tot de slotsom dat het in 3.1 onder C gevorderde als ongegrond zal worden afgewezen.

4.4 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal worden afgewezen, nu het Hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.5 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, omdat dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.6 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder A, B, D en E gevorderde.

5.2 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 16 april 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-66

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. I. Asarfi-Lalji, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Financiën,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. M. Winter, vervolgingsambtenaar,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 07 oktober 2015;

het verweerschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof op 23 februari 2016;

de beschikking van het Hof van 16 maart 2016 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 april 2016, welk verhoor is verplaatst naar 04 november 2016;

de processen-verbaal van het op 04 november 2016 gehouden verhoor van partijen en de op 18 november 2016 en 20 januari 2017 gehouden voortzetting daarvan.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 juni 2017, doch nader op heden.

  1. De feiten

2.1 [Verzoeker] was als ambtenaar in vaste dienst van de Staat werkzaam bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen als assistent commies 3e klasse.
2.2 [Verzoeker] is geruime tijd niet aan het werk verschenen. Hij heeft bij brief d.d. 18 september 2014 de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen bericht dat hij weer in dienst wil treden van de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen. Volgens [verzoeker] is uit onderzoek gebleken dat hij nimmer ontslag heeft aangevraagd maar uit onvrede onwettig afwezig was van het werk en dat nimmer van de Staat een ontslagbeschikking is verkregen.

2.3 [Verzoeker] heeft bij brief d.d. 13 januari 2015, zakelijk weergegeven, de minister van Financiën (hierna: de minister) meegedeeld dat hij vanaf 1988 tot en met 1994 in dienst is geweest bij de Dienst der Invoerrechten en Accijnzen, dat hij uit onvrede en demotivatie is weggebleven van het werk, dat hij nimmer een ontslagbeschikking heeft ontvangen en dat hij zijn werkzaamheden wenst te hervatten en daartoe de medewerking van de minister verzoekt.

[Verzoeker] heeft bij brief met gelijke inhoud en tevens gedateerd 13 januari 2015, hetzelfde verzoek gedaan aan de directeur van de Dienst der Directe Belastingen.

2.4 Bij beschikking van de minister d.d. 08 januari 2015, La B P/O [nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking), is besloten aan [verzoeker] te rekenen van 01 april 1992 ontslag uit Staatsdienst te verlenen wegens plichtsverzuim (hierna: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:

“dat de heer [verzoeker], gewezen assistent commies 3e klasse in vaste dienst bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen, na maart 1992 zonder opgaaf van reden zich niet meer heeft aangemeld op het werk;

dat de heer [verzoeker] voornoemd sedertdien nimmer van zich heeft laten horen;

dat de heer [verzoeker] voornoemd in zijn schrijven van 18 september 2014 heeft bevestigd dat hij uit onvrede onwettig afwezig was;

dat vanwege een omissie de ontslagbeschikking toen niet is opgemaakt;

dat aan de heer [verzoeker] voornoemd, opgrond [sic] van artikel 69 lid 2 van de Personeelswet alsnog ontslag uit Staatsdienst moet worden verleend op grond van plichtsverzuim in het bijzonder onwettige afwezigheid sedert april 1992.”

2.5 De directeur der Belastingen heeft bij brief d.d. 02 maart 2015, La.B p/o [nummer 2], het volgende aan de minister bericht:

“Geachte Minister,

Reagerend op het schrijven van de heer [verzoeker] d.d. 13 januari jl., waarbij u om een reactie c.q. advies vraagt, wil ik het volgende onder uw aandacht brengen:

  1. De heer [verzoeker] heeft zich sedert maart 1992 zonder opgaaf van reden niet aangemeld op het werk.
  2. De heer [verzoeker] voornoemd, haalt in zijn schrijven aan dat hij gewerkt heeft in de periode 1988 t/m 1994 bij de Inspectie der Invoerrechten en Accijnzen. Dit is bezijden de waarheid. Hij heeft tot en met maart 1992 al zijn tegoeden uitbetaald gekregen.
  3. De desbetreffende heer geeft ook te kennen dat hij uit onvrede onwettig afwezig is geweest.
  4. De heer [verzoeker] voornoemd zal over 3 jaren de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

Ik moet echter wel aangeven dat zijn toenmalige chef van de dienst c.q. hoofd van de dienst in gebreke is gebleven dit aan de directeur te rapporteren, waardoor er geen ontslagbeschikking werd opgemaakt. Het betreft hier een omissie welke wij inmiddels hebben hersteld.

De heer [verzoeker] voornoemd heeft geweigerd zijn ontslagbeschikking in ontvangst te nemen met de mededeling naar zijn raadsman toe te stappen. Op 3 februari jl. is hij op zijn besluit teruggekomen en heeft toen zijn ontslagbeschikking in ontvangst genomen.

(…)”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de algehele ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
  2. de Staat zal worden veroordeeld om [verzoeker] te handhaven in zijn functie;
  3. de Staat zal worden veroordeeld tot betaling c.q. doorbetaling van het salaris van [verzoeker] totdat de dienstbetrekking op rechtens juiste wijze beëindigd is, met emolumenten, toelagen en verhogingen;
  4. de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het proces, waaronder de proceskosten (het Hof begrijpt: de advocaatkosten) ad SRD 2.500,-.

3.2 [Verzoeker] heeft, naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het ontslagbesluit is genomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en derhalve nietig is en dat het ontslagbesluit tevens is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. Volgens [verzoeker] heeft de Staat ook gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

  1. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] ambtenaar is geweest in de zin van artikel 1 lid 1 Pw, zodat deze wet op hem van toepassing is. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
  3. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

Blijkens artikel 79 lid 2 Pw zijn besluiten waarbij aan een ambtenaar ontslag is verleend, vatbaar voor nietigverklaring.

Op grond van het voorgaande is het Hof bevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder A, strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

4.1.2 De onder 3.1 onder B gevorderde veroordeling van de Staat tot handhaving van [verzoeker] in zijn functie kan niet worden gecategoriseerd onder de in artikel 79 lid 1 Pw limitatief opgesomde vorderingen waarover het Hof bevoegd is te oordelen, zodat het Hof zich onbevoegd zal verklaren daarvan kennis te nemen.

4.1.3 Het Hof vat de vordering onder 3.1 onder C, kort gezegd, tot veroordeling van de Staat tot betaling van het achterstallige salaris aan [verzoeker], op als een vordering zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw tot vergoeding van schade voortvloeiende uit het nalaten van een handeling – te weten het nalaten van het tijdig betalen van het maandelijkse salaris – in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof is op grond van voormelde bepaling bevoegd om kennis te nemen van dit gevorderde.

4.1.4 [Verzoeker] vordert onder 3.1 onder D, naar het Hof begrijpt, veroordeling van de Staat in de proceskosten, alsmede in de – daarvan te onderscheiden – advocaatkosten ad SRD 2.500,-. Het Hof beschouwt de advocaatkosten als schade in de zin van artikel 79 lid 1 sub b Pw en is derhalve bevoegd van dit onderdeel van het gevorderde kennis te nemen.

Ten aanzien van de mede gevorderde proceskosten, verwijst het Hof naar hetgeen onder 4.3 is overwogen.

Ontvankelijkheid

4.2.1 [Verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat de ontslagbeschikking op 11 september 2015 aan hem in persoon is afgegeven en dat hij op deze datum voor ontvangst daarvan heeft getekend.

De Staat heeft daartegen, onder overlegging van een fotokopie van een bladzijde uit een cahier waarin voor ontvangst van stukken wordt getekend, aangevoerd dat [verzoeker] de ontslagbeschikking op 03 februari 2015 in ontvangst heeft genomen. De Staat weerspreekt dan ook dat [verzoeker] pas op 15 september 2015 (het Hof begrijpt: 11 september 2015) op hoogte was van zijn ontslag.

De Staat voert als meest verstrekkend verweer aan dat [verzoeker] op grond van artikel 80 lid 1 onder b Pw niet-ontvankelijk is zijn vordering, omdat er meer dan een maand is verstreken nadat het ontslagbesluit ter kennis van hem is gebracht. Immers dateert het verzoekschrift van 09 oktober 2015, dus ongeveer 7 maanden na kennisname van de ontslagbeschikking, aldus de Staat.

4.2.2 Uit het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79, leden 1 sub a en 2, Pw volgt dat een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een ambtenaar ontslag uit Staatsdienst is verleend, niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [Verzoeker] heeft bij de op 18 november 2016 gehouden voortzetting van het verhoor van partijen erkend dat hij de ontslagbeschikking op 03 februari 2015 heeft ontvangen, zodat hij geacht wordt op laatstgenoemde datum van het ontslagbesluit kennis te hebben genomen. Het verzoekschrift, weliswaar gedateerd 09 oktober 2015, is blijkens de daarop gemaakte aantekening van de griffier op 07 oktober 2015 ingekomen ter griffie van het Hof, derhalve meer dan een maand na 03 februari 2015. Dit leidt tot de slotsom dat [verzoeker] tardief is met het instellen van de vordering onder 3.1 onder A, zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.2.3 Op grond van artikel 28 lid 1, tweede volzin, Pw is de Staat gehouden het salaris uiterlijk op de laatste dag van de kalendermaand te betalen. Gelet op artikel 80 lid 2 sub c juncto artikel 79 lid 1 sub b Pw is een vordering tot schadevergoeding naar het oordeel van het Hof niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan drie maanden na de dag waarop de Staat geacht wordt het besluit te hebben genomen om het salaris van een ambtenaar niet meer te betalen.

Uit het gevorderde onder 3.1 onder C noch uit de stellingen van [verzoeker] blijkt duidelijk vanaf welke datum hij achterstallig salaris vordert.

De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat tot en met maart 1992 alle tegoeden aan [verzoeker] zijn uitbetaald, zodat het Hof van de juistheid daarvan zal uitgaan. Het Hof houdt het derhalve ervoor dat [verzoeker] achterstallig salaris vordert vanaf april 1992.

[Verzoeker] heeft de vordering onder 3.1 onder C ingesteld op 07 oktober 2015, derhalve meer dan drie maanden nadat de Staat geacht wordt op de laatste dag van april 1992 het besluit te hebben genomen om zijn salaris niet meer te betalen, zodat hij tevens tardief is met het instellen van deze vordering en derhalve ook daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.2.4 Uit het onder 4.2.2 en 4.2.3 overwogene volgt dat [verzoeker] eveneens tardief is met de onder 3.1 onder D gevorderde veroordeling van de Staat in de advocaatkosten, zodat hij ook daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De slotsom is dat het formele verweer van de Staat slaagt ten aanzien van het gevorderde onder 3.1 onder A en C en de onder 3.1 onder D gevorderde advocaatkosten.

4.3 De onder 3.1 onder D mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.4 Het Hof komt aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen niet toe.

  1. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde onder 3.1 onder B.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde onder 3.1 onder A en C, alsmede in het gevorderde onder 3.1 onder D voor zover betreffende de advocaatkosten ad SRD 2.500,-.

5.3 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

 

  1. M.E. van Genderen-Relyveld