SRU-HvJ-2014-16

G.R. No. 14649

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
appellante, hierna aangeduid als ’de vrouw’,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ’de man’,
gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

gelet op het door het Hof gewezen tussenvonnis van 03 januari 2014 inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 01 november 2006 (A.R. No. 05-4688) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het proces-verbaal van de niet-gehouden enquête d.d. 04 april 2014;

– de conclusie tot uitlating na niet-gehouden enquête zijdens de vrouw d.d. 02 mei 2014, met producties;

– de conclusie tot uitlating na niet-gehouden enquête en uitlating producties zijdens de man d.d. 06 juni 2014, met een productie;

– de conclusie tot uitlating productie zijdens de vrouw d.d. 01 augustus 2014;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was bepaald voor 20 februari 2015, doch bij vervroeging bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling

2.1 Het Hof volhardt geheel bij hetgeen in meergenoemd tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.2 Het Hof heeft in vermeld tussenvonnis van 03 januari 2014 de vrouw in de gelegenheid gesteld door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, het bewijs bij te brengen van haar stelling dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de man is te wijten.

2.3 Het Hof constateert dat de vrouw op de dagbepalingen voor het te houden getuigenverhoor respectievelijk 21 maart 2014 en 04 april 2014 niet ter terechtzitting is verschenen, noch zijn de te horen getuigen voor verhoor verschenen, waarna het getuigenverhoor is gesloten en partijen op de rolzitting hebben geconcludeerd na niet-gehouden enquête.

2.4 Bij haar conclusie na niet-gehouden enquête heeft de vrouw een vijftal foto’s en een drietal verklaringen ondertekend door respectievelijk [naam 1] d.d. 29 april 2014, [naam 2] d.d. 30 april 2014, en [naam 3] d.d. 29 april 2014, dienende als getuigenverklaringen, overgelegd ter voldoening aan haar bewijsopdracht.

2.5 Bij zijn conclusie na niet-gehouden enquête en uitlating producties heeft de man met betrekking tot de door de vrouw als getuigenverklaringen overgelegde producties

betoogd dat voornoemde ’getuigen’ niet aanwezig waren toen de mogelijkheid door het Hof geschapen was om de ’getuigen’ te horen en vragen te kunnen stellen aan hen, waardoor het beeld dat het getuigenverhoor moest opleveren nu is verwerkt in een eenzijdig opdissen van verhaaltjes ten faveure van de vrouw, zonder de mogelijkheid van vraag en antwoord. Voorts ontkent de man de aantijgingen van de vrouw die ertoe zouden moeten leiden dat door zijn handelen hij in overwegende mate schuldig is aan de duurzame ontwrichting van hun huwelijksleven. Tevens heeft de man een door hem afgelegde verklaring van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk tussen partijen als productie overgelegd, erop neerkomende dat de problemen tussen partijen begonnen toen de man weigerde naar Nederland terug te keren vanwege een goed werkaanbod dat hij had gekregen in Suriname.

2.6 De vrouw heeft de door de man overgelegde verklaring betwist en verwezen naar de door haar overgelegde getuigenverklaringen ten bewijze van het door de man gepleegde overspel als oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk tussen partijen.

2.7 Het Hof stelt voorop dat het bewijs door getuigen onder andere met inachtneming van de artikelen 1925 juncto 1932 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden geleverd ten overstaan van het Hof, in casu de door het Hof benoemde Rechter- Commissaris, in het kader van de bewijswaardering, waarbij tevens de tegenpartij de gelegenheid heeft om de getuigen te bevragen.

Op grond hiervan overweegt het Hof dat zowel de getuigenverklaringen alsmede de foto’s, welke door de vrouw ter voldoening aan haar bewijsopdracht zijn overgelegd, niet als getuigenbewijs kunnen dienen, doch slechts als een onderhands geschrift ingevolge artikel 1895 BW, waaraan vrije bewijskracht toekomt. Dit brengt met zich mee dat het aan het oordeel van het Hof wordt overgelaten welke overtuigingskracht het aan het bewijsmiddel hecht.

2.8 Naar het oordeel van het Hof dragen de verklaringen van [naam] d.d. 29 april 2014 en van [naam 3] d.d. 29 april 2014, geenszins bij tot het bewijs van het door de man gepleegde overspel, in tegendeel wordt in voornoemde verklaringen bevestigd dat partijen een goed huwelijk hadden en dat de breuk tussen partijen als een schok voor hun kwam. Uit de overgelegde foto’s, waarover de vrouw verzuimd heeft aan te geven wie of wat er allemaal op die foto’s te zien is, blijkt evenmin een bevestiging van het overspel door de man gepleegd.

Slechts de verklaring van [naam 2] d.d. 30 april 2014, geeft aan dat de man een relatie had met een dame die hij haast elke dag van het werk afhaalde, doch is deze ene verklaring, welke overigens niet aangeeft dat de man overspel heeft gepleegd, naar het oordeel van het Hof onvoldoende om aan te nemen dat de man overspel heeft gepleegd.

2.9 Al met al komt het Hof tot de conclusie dat de vrouw het haar opgedragen bewijs niet heeft kunnen volbrengen, zodat niet bewezen is dat de ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in overwegende mate te wijten is geweest aan de man.

Nu de grief van de vrouw ongegrond is en er geen andere feiten en/of omstandigheden door de vrouw zijn aangedragen welke het Hof zouden nopen om opnieuw recht te doen, zal de vordering van de vrouw in hoger beroep worden afgewezen met bevestiging van het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

2.10 De proceskosten zullen worden gecompenseerd tussen partijen, zijnde echtelieden, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1 Bevestigt het vonnis d.d. 01 november 2006 (A.R. No. 05-4688), waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

3.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en

S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. V.V.C. Pique namens advocaat mr. L.H.R. Rogers, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2014-15

GR- 14772

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende aan [adres] te [plaats],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

KERSTEN & CO N.V.,
rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de Domineestraat te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 3 mei 2012 (A.R.NO. 103196) tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellant] en Kersten;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 23 mei 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 03 mei 2013;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 05 juli 2013;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi de dato 2 augustus 2013;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi de dato 04 oktober 2013;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 21 februari 2014 doch nader op heden;

De beoordeling

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Appellant] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, Kersten zal worden veroordeeld er voor zorg te dragen dat hij, [appellant], en zijn gezinsleden binnen 1 week na het ten deze te wijzen vonnis aanspraak kunnen maken op de geneeskundige verzorging zoals vervat in de regeling geneeskundige verzorging gepensioneerden, althans deze kunnen genieten .

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 mei 2012 het gevorderde afgewezen en [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van Kersten gevallen veroordeeld.
  2. [Appellant] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsvrouwe bij schrijven gedateerd 17 mei 2012, welk schrijven op 23 mei 2012 ter griffie is ingediend, appèl aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter van 03 mei 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat [appellant] vertegenwoordigd door mr. C. Meijnaar namens zijn gemachtigde en Kersten vertegenwoordigd door mr. Van Lobbrecht namens haar gemachtigde, bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet binnen de termijn van veertien dagen na dagtekening van voormeld vonnis en derhalve niet tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep. Immers zijn de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde termijnen van openbare orde en dient het hof dat ambtshalve na te gaan;
  3. Het hof zal, gelet op het voorgaande, [appellant] niet ontvankelijk verklaren in het ingesteld hoger beroep en hem – als de niet ontvangen partij- veroordelen in de gedingkosten aan de zijde van Kersten in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;
  4. Aan bespreking van de grieven en weren van partijen in hoger beroep komt het hof derhalve niet toe;

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het hof:

Verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep;

Veroordeelt [appellant] in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van Kersten gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.K. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 21 maart 2014, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. J. Kraag namens advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.R. Lim A Po, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-14

GR-14680

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant], h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende in het [district],
appellant, hierna aangeduid als ”[appellant]”,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

De Handels-, Krediet- en Industriebank N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Hakrinbank”.

De procesgemachtigde van Hakrinbank was mr. B.A. Halfhide, die tijdens de procedure in hoger beroep is opgevolgd door mr. H.R. Lim A Po jr, die zich voor de Hakrinbank heeft gesteld.

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 23 maart 2010 (A.R.No. 081070) tussen Hakrinbank als eiseres in conventie en

gedaagde in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [Appellant] bij schrijven van zijn

procesgemachtigde op 22 juli 2010 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 4 mei 2012, met producties;

– de antwoord pleitnota d.d. 3 augustus 2012, met producties;

– de repliek pleitnota d.d. 5 oktober 2012;

– de dupliek pleitnota d.d. 15 februari 2013, met producties;

– de uitlating producties zijdens [appellant] d.d. 15 maart 2013.

1.2 De rechtsdag voor het uitspreken van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2.1 Partijen zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 5 juli 2010 aan partijen toegezonden. [Appellant] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 22 juli 2010 appèl aangetekend.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na dagtekening van de griffiersbrief is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten in conventie en reconventie

3.1 [Appellant] is rekeninghouder bij de Hakrinbank en wel van de rekeningen met de nummers [nummer 1] Euro ingezetene, [nummer 2] USD Giro privé ingezetene en [nummer 3] USD commerc. Ingezetene. De artikelen 17, 18, 22 en23 van de Algemene Voorwaarden van de Hakrinbank luiden als volgt:

  1. De bank is steeds bevoegd alle gelden die zij uit welken hoofde ook aan de cliënt al dan niet opeisbaar is verschuldigd, te verrekenen met alle gelden, die de cliënt haar al dan niet opeisbaar uitwelken hoofde ook verschuldigd is, ongeacht de valuta. De verrekening vindt plaats tegen de waarde per de dag van verrekening. De bank zal nadat zij van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, de cliënt op de hoogte stellen.
  1. De cliënt kan rekeninghouder zijn bij meer dan een kantoor van de Bank, alsook verschillende rekeningen onderhouden bij een of meer afdelingen van eenzelfde kantoor. Alle rekeningen worden dan afzonderlijk behandeld als waren het rekeningen van verschillende personen, behoudens de bevoegdheid van de Bank om deze rekeningen in daarvoor naar haar oordeel in aanmerking komende gevallen als vormende een rekening te beschouwen, respectievelijk de rekeningen samen te voegen….
  1. Elke creditering geschiedt onder het voorbehoud dat, indiende Bank daartegen van of voor cliënt enigerlei tegenwaarde moet ontvangen deze tijdig en behoorlijk in haar bezit komt, bij gebreke waarvan de Bank bevoegd is tot terugboeking dezer creditering over te gaan….
  1. Het is de cliënt niet toegestaan om cheques te trekken of andere betalingsopdrachten aan de Bank te verstrekken, indien hij niet voldaan heeft aan zijn verplichting ervoor zorg te dragen dat de Bank op de dag van aanbieding van de opdracht voldoende fonds(en) ter betaling van de cliënt onder zich heeft, en de Bank is onder deze omstandigheden geenszins verplicht tot uitvoerig van de betalingsopdracht. Gaat de Bank desondanks over tot uitvoering van de betalingsopdracht, waartoe zij zich de bevoegdheid voorbehoud, dan is zij gerechtigd de cliënt te debiteren voor het betaalde bedrag, de lopende rente en de kosten als bedoeld in artikel 29 van deze Algemene Voorwaarden. De cliënt is verplicht het daardoor ontstane debetsaldo op eerste aanvraag van de Bank aan te zuiveren.

3.3. [Appellant] heeft op 18 september 2007 een cheque van de Bank of Montreal ten bedrage van USD 47.715,59 (hierna aangeduid als ”de cheque”) ter creditering op zijn rekening aangeboden aan de Hakrinbank.

3.4 De Hakrinbank heeft de rekening met het nummer [nummer 3] gecrediteerd voor het op de cheque staand bedrag, waarna [appellant] gelden van de betreffende rekening heeft gelicht.

3.5 De cheque kon niet bij de Bank of Montreal worden verzilverd.

3.6 Hakrinbank heeft de rekening van [appellant] met het [nummer 1] gedebiteerd voor USD 47.715,59 en heeft tevens de tegoeden die op de andere rekeningen van [appellant] stonden, daarnaar overgemaakt. Na dit handelen van de Hakrinbank en door [appellant] gepleegde stortingen stond op de rekening van [appellant] met het [nummer 1] een debet saldo van USD 14.000,04.

3.7 Hakrinbank heeft [appellant] bij schrijven d.d. 28 december 2007 gesommeerd de debetstand op de rekening uiterlijk op maandag 31 december 2007 aan te zuiveren, bij gebreke waarvan Hakrinbank geëigende maatregelen zou treffen om haar belangen veilig te stellen. Zijdens [appellant] is in reactie hierop bij schrijven d.d. 2 januari 2008 van zijn procesgemachtigde Hakrinbank erop gewezen dat diens handelen ernstige wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad oplevert jegens [appellant]. Hakrinbank is daarbij gesommeerd per onmiddellijke ingang, na ontvangst van het schrijven, de vanuit de rekeningen met [nummer 2] (€ 22.800,–) en [nummer 3] (USD 1.080,–) gepleegde overboekingen ongedaan te maken.

3.8 Hakrinbank heeft bij exploot van deurwaarder R. Bhoelan d.d. 23 januari 2008 no. 28, ter verzekering van zijn vordering begroot op USD 18.670, ten laste van [appellant] conservatoir beslag gelegd op het in voornoemd exploot omschreven onroerend goed.

De procedure in eerste aanleg

4.1 Hakrinbank heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bijvoorraad:

  1. [Appellant] wordt veroordeeld tot betaling van USD 14.000,04, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 24% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  2. het gelegd conservatoir beslag van waarde wordt verklaard;

4.2 [Appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de opheffing van het gelegd conservatoir beslag te gelasten;
  2. Hakrinbank te gelasten om de overboekingen vanuit de rekeningen met de nummers [nummer 3] en [nummer 2] ongedaan te maken;
  3. Hakrinbank te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000– voor iedere dag dat de Hakrinbank nalaat of weigert aan het vonnis te voldoen;
  4. Hakrinbank te veroordelen in de proceskosten.

4.3 De Kantonrechter heeft bij het tussen partijen gewezen vonnis van 23 maart 2010

in conventie:

  1. [Appellant] veroordeeld tot betaling van USD 14.000,04, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 24% met ingang van 25 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;
  2. het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard;

De reconventionele vordering is afgewezen.

[Appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

De Kantonrechter heeft daartoe overwogen:

4.1 De Hakrinbank heeft zowel in haar grondslag voor het door haar gevorderde als in haar verweer op de reconventionele vordering, verwezen naar haar algemene voorwaarden, met name de artikelen 18, 22 en 23 van deze voorwaarden. Verwijzend naar de voorwaarden stelt de Hakrinbank dat zij gerechtigd is de handelingen te plegen die zij heeft gepleegd door de betreffende rekening te debiteren en overboekingen te plegen vanuit de andere rekeningen van [appellant] omdat was gebleken dat de cheque die [appellant] had aangeboden ongedekt was…

4.2 De Kantonrechter overweegt dat [appellant] zijn reactie op het beroep van de Hakrinbank op artikel 22 van de voorwaarden, niet voldoende gemotiveerd is, immers heeft hij niet onderbouwd waarom het artikel 22 niet van toepassing is. Hij verwijst naar zijn conclusie van antwoord.

4.3 De Kantonrechter overweegt dat [appellant] in zijn conclusie van antwoord het standpunt belicht dat, indien een klant een buitenlandse cheque aanbiedt aan de bank en de bank vooruitlopend op het innen van die cheque bij de buitenlandse bank, alvast het bedrag aan de klant ter beschikking stelt middels creditering van de rekening van de klant, de bank, indien later mocht blijken dat die cheque niet gedekt is, zelf voor dat risico moet instaan.

4.4 De Kantonrechter overweegt dat de Hakrinbank dat standpunt heeft weerlegd door te wijzen op de artikelen 18, 22 en 23 van de algemene voorwaarden.

4.5 Zoals hierboven reeds gesteld is [appellant] op de algemene voorwaarden niet echt ingegaan, doch heeft hij slechts gesteld dat artikel 22 en 23 niet van toepassing zijn, welke stelling hij verder niet heeft onderbouwd.

4.6 Een dergelijke niet onderbouwde betwisting op een vrij uitgebreid en gedetailleerd relaas van de tegenpartij waarin wordt uiteengezet waarom de tegenpartij het recht had om de boekingen te plegen in het onderhavig geval, houdt dan ook geen stand.

4.7 De Kantonrechter is van oordeel dat de grondslag van het conventioneel gevorderde is komen vast te staan, namelijk dat [appellant] op grond van artikel 22 van de algemene voorwaarden het gevorderd bedrag nog verschuldigd is. Het gevorderde zal derhalve worden toegewezen.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 [Appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing, althans ontzegging van de vordering van Hakrinbank met veroordeling van Hakrinbank in de kosten van het geding in beide instanties.

5.2 Hakrinbank heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1.1 [Appellant] heeft bij pleitnota tegen het bestreden vonnis allereerst aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de artikelen 18, 22 en 23 van de Algemene Voorwaarden van de Hakrinbank van toepassing zijn in casu, alsook dat de Kantonrechter ten onrechte onder overweging 4.2 en 4.3 heeft overwogen dat hij niet gemotiveerd verweer heeft gevoerd op het beroep van de Hakrinbank op artikel 22 jo. 23 van de Algemene Voorwaarden, omdat hij duidelijk bij conclusie van antwoord heeft aangegeven dat genoemde artikelen in casu toepassing missen, althans dat een beroep op voornoemde artikelen ongegrond is, omdat hij niet de trekker is van de cheque, noch enige betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank, zoals aangegeven in artikel 23 van de Algemene Voorwaarden.

6.1.2 Het Hof constateert dat [appellant] in de procedure in eerste aanleg in zijn conclusie van antwoord in conventie sub 4 slechts de toepasselijkheid van artikel 23 van de Algemene Voorwaarden heeft betwist door aan te voeren dat hij niet de trekker is geweest van de cheque en geen betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank. In dupliek in conventie heeft [appellant] ten aanzien van dit punt gepersisteerd.

Het Hof concludeert dat de toepasselijkheid van de overige artikelen derhalve niet gemotiveerd is bestreden door [appellant].

Het Hof constateert verder dat artikel 23 van de Algemene Voorwaarden een regeling geeft indien de cliënt cheques trekt of betalingsopdrachten verstrekt aan de Hakrinbank, zonder dat er voldoende fondsen beschikbaar zijn om de cheque uit te betalen of aan de betalingsopdracht te voldoen. Als trekker van een cheque wordt aangemerkt degene die een cheque uitschrijft en daarmee een onvoorwaardelijk schriftelijke opdracht geeft aan zijn bank om een bepaald bedrag uit te betalen aan de begunstigde.

In casu is de cheque in kwestie echter niet uitgeschreven door [appellant], zadat hij niet kan worden aangemerkt als te zijn de trekker van de cheque. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] in het onderhavig geval een betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank, zodat [appellant] naar het oordeel van het Hof terecht heeft gesteld dat artikel 23 van de Algemene Voorwaarden toepassing missen. Dit vermag [appellant] echter niet te baten, aangezien de Kantonrechter de veroordeling niet heeft gesteld op artikel 23, maar op artikel 22 van de Algemene Voorwaarden.

6.2.1 [Appellant] heeft verder tegen het bestreden vonnis aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat van de zijde van [appellant] enige verschuldigdheid is ontstaan door het aanbieden van de cheque De Kantonrechter is daarbij ten onrechte voorbij gegaan aan het bepaalde in artikel 256 van het Wetboek van Koophandel. [Appellant] heeft tevens opgemerkt dat naar zijn oordeel de Hakrinbank eventuele schade niet op hem kan verhalen, alsook dat hij geen genot heeft gehad van de verzilverde gelden, omdat hij deze conform een aan hem gegeven opdracht heeft overgemaakt en verzonden.

6.2.2 Hakrinbank heeft zowel in eerste aanleg en hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de rekening van [appellant] ten onrechte is gecrediteerd voor USD 47.715.59, zodat sprake is van onverschuldigde betaling. Daarbij is gesteld dat de artikelen 17 en 22 van de Algemene Voorwaarden de mogelijkheid bieden het gecrediteerd bedrag terug te boeken.

6.2.3 Het Hof zal thans nagaan of in casu sprake is van enige verschuldigdheid zijdens [appellant] jegens de Hakrinbank, alsook of de artikelen 17 en 22 van de Algemene Voorwaarden toepassing vinden.

Naar het oordeel van het Hof dient in gevallen als de onderhavige, waarbij een cheque van een buitenlandse bankinstelling aan een Surinaamse bankinstelling wordt aangeboden ter inning, tegenover de uitbetaling van het op de cheque staand bedrag aan de begunstigde te staan dat de Surinaamse bankinstelling ten behoeve van de begunstigde een gelijke som ontvangt van de buitenlandse bankinstelling.

Het Hof constateert dat [appellant] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet heeft ontkend dat de cheque niet gedekt was, zodat vast staat dat de rekening van [appellant] door de Hakrinbank is gecrediteerd voor USD 47.71 5,59, maar dat tegenover deze creditering niet een gelijke som is ontvangen van de Bank of Montreal.

Artikel 22 van de Algemene Voorwaarden treft voor een dergelijk geval een regeling. Hierin in is namelijk bepaald dat in een dergelijk geval de Hakrinbank bevoegd is tot terugboeking van de creditering over te gaan, gelijk in casu is geschied. Daarnaast biedt artikel 17 van de Algemene Voorwaarden de mogelijkheid om elke al dan niet opeisbare vordering van de bank jegens de cliënt te verrekenen met hetgeen de Hakrinbank aan de cliënt verschuldigd is, zodat de gepleegde overboekingen vanuit de rekeningen met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] naar het oordeel van het Hof rechtsgeldig zijn geschied.

Het Hof concludeert derhalve dat de reconventionele vordering van [appellant] terecht is afgewezen. Echter diende in het bestreden vonnis in de onderbouwing van het door de Kantonrechter genomen besluit artikel 17 van de Algemene Voorwaarden naast artikel 22 te worden meegenomen, aangezien dit artikel de grondslag vormt voor de door de Hakrinbank gepleegde overboeking vanuit de rekeningen met de nummers [nummer 1] en [nummer 2]

6.2.4 Het Hof concludeert tevens dat, nu de cheque niet gedekt blijkt te zijn, de creditering van de rekening van [appellant] voor het op de cheque vermeld bedrag onverschuldigd is geschied. Hierdoor is [appellant] gehouden het bedrag van USD 47.715,59 dat verschuldigd aan hem is betaald aan de Hakrinbank terug te betalen. Binnen het leerstuk van de onverschuldigde betaling is niet van belang of degene aan wie onverschuldigd is betaald het genot heeft gehad van de gepleegde betaling, zodat aan dit verweer van [appellant] geen betekenis toekomt.

Het Hof is dan ook van oordeel dat de Kantonrechter geheel terecht [appellant] heeft veroordeeld tot betaling van het nog openstaand saldo ad USD 14.000,04 en het door de Hakrinbank gelegd conservatoir beslag van waarde heeft verklaard.

6.2.5 Het Hof overweegt tenslotte dat de Kantonrechter terecht artikel 256 van het Wetboek van Koophandel buiten toepassing heeft gelaten, aangezien dit artikel betrekking heeft op de relatie tussen de trekker en de bankinstelling die de fondsen van de trekker onder zich heeft, welke situatie zich in het rechtsgeding tussen Hakrinbank en [appellant] niet voordoet.

6.3 Gelet op het onder 6.2.3 en 6.2.4 van dit vonnis overwogene zal het bestreden vonnis in hoger beroep worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

6.4 [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in beide instanties.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 23 maart 2010 (A.R.No. 081070), waarvan beroep, onder aanvulling van gronden;

7 .2 Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van de Hakrinbank gevallen in beide instanties en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken

ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 oktober 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. M.A. Guman en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.R. Lim A Po, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2014-13

GR- 14681

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
wonende aan [adres] te [plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende aan [adres] te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 19 mei 2010 (A.R.NO. 094356) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk de vrouw en de man;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 01 juni 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 20 april 2012;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 6 juli 2012;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi de dato 03 augustus 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi de dato 07 december 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 15 februari 2013 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat tussen partijen, gehuwd op 16 december 1995, de echtscheiding zal worden uitgesproken met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 mei 2010 de echtscheiding uitgesproken als verzocht en een datum voor het familieverhoor bepaald.
  1. De vrouw heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 01 juni 2010 appèl aangetekend tegen het vonnis van 19 mei 2010. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat de man in persoon terwijl de vrouw noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest en dat de Griffier bij aangetekend schrijven gedateerd 15 juni 2010 voormeld vonnis aan partijen heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande heeft de vrouw ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.
  1. De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:

Partijen zijn op 16 december 1995 in het Ressort Geh. Sar’ca, in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn er twee kinderen geboren;

  1. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd:
    1. dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht aangezien de man reeds jaren geen relatie meer heeft met de vrouw, nu gebleken is dat de vrouw, zonder hem op de hoogte te stellen, tij en ontij de echtelijke woning verlaat met onbekende bestemming;
    2. dat partijen in de ouderlijke woning van de man wonen, doch langs mekaar leven, reeds geruime tijd geen affectieve relatie meer hebben en dat deze situatie tot uitbarsting kan leiden met alle nare gevolgen van dien;
    3. dat er voorts grote karakterverschillen tussen partijen zijn ontstaan voor wat de huwelijksband betreft, waardoor partijen uit elkaar zijn gegroeid en het huwelijk mede hierdoor is ontwricht;
  1. De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat zij met klem ontkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, omdat zij wel een relatie heeft met de man; zij woont samen met de man in dezelfde woning met haar kinderen. De man gaat wel regelmatig bij een andere buurvrouw en creëert deze situatie zelf, om op deze manier de echtscheiding te kunnen bewerkstelligen;
  1. In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog ontzegging van de oorspronkelijk vordering aan de man;
  1. Daartoe heeft de vrouw een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. De eerste grief komt er op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en de tweede grief betreft het feit dat de kantonrechter in eerste aanleg de vrouw niet in de gelegenheid heeft gesteld om haar zegje te doen, terwijl bij die gelegenheid slechts naar de man is geluisterd en vonnis is uitgesproken. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat indien het hof van oordeel mocht zijn dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en de echtscheiding terecht is uitgesproken verzoekt zij het hof dan om de man te veroordelen om aan haar maandelijks te betalen een bedrag van SRD. 500,- voor levensonderhoud en de alimentatie voor de minderjarige kinderen vast te stellen op SRD. 500,- per maand per kind;
  1. Het hof zal allereerst de erste grief bespreken. Naar het oordeel van het hof haalt deze grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Gelet op het aangevoerde feitenmateriaal, te weten het langs mekaar heen leven in de ouderlijke woning van de man gekoppeld aan het uit elkaar groeien van partijen, heeft de kantonrechter terecht aangenomen dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. Immers kan de liefde niet van èèn kant komen;
  1. De tweede grief behelst het niet in acht nemen van het beginsel van hoor en wederhoor door de kantonrechter. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gedingstukken dat de vrouw –die rechtskundige bijstand heeft genoten in eerste aanleg- in de gelegenheid is gesteld om schriftelijke conclusies van antwoord en dupliek te nemen. Derhalve heeft de vrouw voldoende gelegenheid gehad om haar zegje te doen en is er van schending van het beginsel van hoor en wederhoor geen sprake. Gelet op het voorgaande zal ook de tweede grief worden verworpen;
  1. Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de partner- en kinderalimentatie is dit naar het oordeel van het hof op een verkeerd forum geschied. Immers diende de vrouw dat bij wege van reconventie in eerste aanleg ten behoeve van zichzelf te vorderen casu quo een aparte vordering daartoe in te stellen. Voor wat betreft de kinderalimentatie dient de vrouw dat aan de orde te stellen bij het te houden familieverhoor in het kader van de voogdijvoorziening in eerste aanleg, waarna het hof als beroepsinstantie eventueel in beeld kan komen. Gelet op al het voorgaande zal het hof voorbij gaan aan al hetgeen de vrouw dienaangaande heeft aangevoerd. Het hof zal evenmin een datum voor het te houden familieverhoor vaststellen maar het aan partijen overlaten om dat –indien zij menen daar belang bij te hebben- aan de kantonrechter te vragen;
  1. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale;
  1. Ten overvloede overweegt het hof alsvolgt. Bij schrijven de dato 02 augustus 2013 heeft de raadsman van de vrouw aangegeven de zaak te willen intrekken aangezien de vrouw geen belang meer heeft bij de ingestelde vordering en het verzoek gedaan om de zaak te willen afvoeren van de rol. De zaak verkeerde toen reeds in staat van wijzen. Naar het oordeel van het hof is intrekking van de zaak door de vrouw processueel niet mogelijk aangezien zij niet de aanleggende partij in eerste aanleg is geweest. Hooguit zou zij naar het oordeel van het hof kunnen aangeven dat zij het door haar aangewende rechtsmiddel van hoger beroep wenst in te trekken hetgeen naar dezerzijds oordeel inmiddels een gepasseerd station is aangezien de behandeling in hoger beroep reeds is aangevangen en de zaak reeds in staat van wijzen verkeert;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep;

Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale;

Verwijst de zaak terug naar de kantonrechter voor het houden van het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over de minderjarigen op een nader te bepalen datum;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 januari 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g.D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen in persoon verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2014-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Stichting Auteursrechten Suriname,
appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident,
hierna (ook wel) aangeduid als “Sasur”,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

De Staat Suriname m.n. het ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in de hoofdzaak, verzoeker in het incident, hierna (ook wel) aangeduid als “de Staat”,
gemachtigden: mr. D.S. Kraag en mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaten,

inzake het incident in het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 11 juli 2013 (A.R.No.13-2218) tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde,

spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier d.d. 24 september 2013 waaruit blijkt dat Sasur op 30 juli 2013 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven ingediend door Sasur op 30 juli 2013;
  • een brief d.d. 28 november 2013 afkomstig van D.S. Kraag en J. van Dijk-Silos advocaten van Sasur inzake G.R.14867;
  • een brief d.d. 9 december 2013 afkomstig van mr. E. Naarendorp inzake Sasur ca de Staat Suriname G.R.14867 en met als onderwerp “De brief van 28 november 2013 afkomstig van de procesgemachtigden van de Staat”;

De beoordeling in het incident

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. Bij brief gericht aan de griffier van het kantongerecht in het Eerste kanton heeft de advocaat mr. E. Naarendorp namens zijn cliënte Sasur op 30 juli 2013 hoger beroep aangetekend tegen het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 11 juli 2013 (A.R.No.13-2218) tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde. Voornoemde advocaat heeft bij deze brief gelijk zijn memorie van grieven ex artikel 271 Rv. ingediend.
  2. Uit de inhoud van de verklaring van de griffier d.d. 24 september 2013 inhoudende dat Sasur op 30 juli 2013 hoger beroep heeft ingesteld, blijkt tevens dat mr.E.Naarendorp namens zijn cliente de zaak bij het Hof van Justitie wenst te bepleiten.
  3. Bij exploit van deurwaarder Debipersad Hieralal d.d. 6 augustus 2013 no.848 is de bovenvermelde memorie van grieven aan de Staat Suriname betekend met aanzegging van het ingestelde hoger beroep in bovenaangehaalde zaak en met vermelding dat mr.E.Naarendorp namens Sasur deze zaak bij het Hof van Justitie wenst te bepleiten.
  4. Uit het procesdossier blijkt dat de Staat heeft nagelaten een memorie van antwoord te nemen.
  5. Ten dage bepaald voor pleidooi op het Hof van Justitie (15 november 2013) is door mr. E. Naarendorp aangegeven dat hij geen memorie van antwoord heeft ontvangen. Door mr. E. Naarendorp is vervolgens recht op stukken gevraagd. Door de fungerend president is hierna vonnis bepaald op 21 maart 2014.
  6. Door de advocaten mr. D .Kraag en mr. dr. J. Van Dijk-Silos is een brief d.d. 28 november 2013 geschreven naar het Hof van Justitie, voor zover hier van belang, luidende alsvolgt:

“Daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof van Justitie is op hierboven vermelde brief van de advocaten van de Staat door mr. E. Naarendorp namens Sasur bij brief d.d. 9 december 2013, voor zover hier van belang, alsvolgt gereageerd: ”…”

2.1. Het hof, de brief genoemd in 1.6 als een conclusie van eis in het incident en de brief genoemd onder 1.7 als een conclusie van antwoord in het incident beschouwende, oordeelt ter zake alsvolgt.

Het verzoek van de raadslieden van de Staat om in deze zaak een antwoordpleidooi te nemen vat het Hof op als een verzoek om te pleiten.

Gelet op het bepaalde in artikel 281a wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) is artikel 51 Rv ook van toepassing op de rechtspleging in hoger beroep.

Het eerste lid van artikel 51 Rv luidt:

“Indien de beslissing in een zaak niet heeft plaats gehad uiterlijk drie maanden nadat de behandeling ter terechtzitting geëindigd is en na het horen van het openbaar ministerie (wanneer zulks wordt vereist), hebben partijen of heeft een van hen het recht om te vorderen dat de zaak wordt bepleit.”

In voornoemde wettelijke bepaling heeft de wetgever het recht om te pleiten neergelegd, weliswaar in een situatie dat de beslissing niet binnen drie maanden is gevallen nadat de zaak in staat van wijzen was. Het recht om te pleiten dient naar het oordeel van het Hof breder bezien te worden.

Zo valt het recht om te pleiten ook terug te voeren tot het bepaalde in artikel 8 lid 1 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM) en artikel 14 lid 1 eerste en tweede volzin van het internationaal verdrag inzake de burger en politieke rechten van de mens (BUPO) respectievelijk luidende alsvolgt:

“Article 8.( AVRM) Right to a Fair Trial

  1. Every person has the right to a hearing, with due guarantees and within a reasonable time, by a competent, independent, and impartial tribunal, previously established by law, in the substantiation of any accusation of a criminal nature made against him or for the determination of his rights and obligations of a civil, labor, fiscal, or any other nature.

Article 14 (BUPO)

  1. All persons shall be equal before the courts and tribunals. In the determination of any criminal charge against him, or of his rights and obligations in a suit at law, everyone shall be entitled to a fair and public hearing by a competent, independent and impartial tribunal established by law.”

Ook uit deze in ons nationaal recht rechtstreeks werkende bepalingen valt het recht op pleidooi ook in hoger beroep af te leiden.

2.2 Derhalve geldt dat ook in hoger beroep partijen in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten. Een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde.

Bij de beoordeling van een door de wederpartij gemaakt bezwaar, of van hetgeen de eisen van een goede procesorde verlangen, kan van belang zijn of de procedure bij toewijzing van dat verzoek onredelijk wordt vertraagd. Daartoe dient de procedure in haar geheel te worden bezien. In dat verband is onder meer van belang of partijen, in eerste instantie dan wel in hoger beroep, hun standpunten al mondeling hebben uiteengezet, hetzij bij pleidooi, hetzij tijdens een comparitie. Indien de partij die verzoekt de zaak in hoger beroep te mogen bepleiten noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep haar standpunten mondeling ten overstaan van de rechter heeft uiteengezet, moet het verzoek in beginsel zonder meer worden toegewezen.

Vide ook HR 27 januari 2012, LJN BU8513 (Weef c.s./Banque Artesia) alsook HR 27 januari 2012 BU7254 (V./Verster q.q.).

Nu in casu verzoeker in het incident zijn standpunt nimmer mondeling heeft kunnen uiteenzetten zal het daartoe strekkend verzoek als na te melden worden toegewezen. Gelet op het hiervorenoverwogene zal het verweer verwoord in 1.7 van verweerder in het incident worden verworpen.

Evenwel dient het hof erop toezien dat deze zaak binnen redelijke termijn wordt afgewikkeld. Daartoe zal een datum om mondeling te pleiten worden bepaald als na te melden evenwel zonder nader uitstel.

2.3 De uitspraak van het vonnis in de hoofdzaak zal worden aangehouden tot nadat partijen mondeling hebben gepleit.

De beslissing in het incident in hoger beroep

Het hof:

Stelt verzoeker in het incident, geïntimeerde in de hoofdzaak, in de gelegenheid de hoofdzaak ter terechtzitting mondeling te bepleiten en wel op Vrijdag 14 maart 2014 om 10.30 uur des voormiddags zonder nader uitstel;

Houdt de beslissing in de hoofdzaak aan;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. S.M.M. Chu, lid en R.G. Chatterpal, lid-plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, fungerend-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 maart 2014, in tegenwoordigheid van griffier

M.E. van Genderen-Relyveld.

w.g. M.E. van Genderen-Relyveld w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. E. Naarendorp en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde, advocaten mr. D.S. Kraag en mr. dr. J. van Dijk-Silos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2007-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROLNUMMER: 14285

[Verzoeker], wonende aan [adres 1] te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Weidestraat no.63 te Paramaribo bij het Advokatenkantoor Kraag, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

[Verweerster], wonende aan [adres 2] te [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J.Brandon, advokaat,
verweerster,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoire beschikking van 19 januari 2007 tussen partijen gegeven;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld beschikking is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een akte tot uitlating inzake intrekking van formeel verweer zijdens verweerster en voortzetting van de behandeling hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vervolgens beschikking in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hierbij verwijst naar en volhardt in zijn tussenbeschikking d.d. 19 januari 2007.

Overwegende, dat het Hof het materiele geschilpunt tussen partijen aan een beoordeling zal onderwerpen, nu partijen unaniem, onder intrekking van het formele verweerpunt zijdens verweerster, daarmee schriftelijk hebben ingestemd en aldus in principe kenbaar hebben gemaakt te verlangen naar een definitieve beslissing omtrent die geschilpunten door het Hof;

Overwegende, dat verzoeker/ appellant kennelijk ongegrond gegriefd is door de hoogte van het bedrag, aangezien blijkens zijn stellingen en in het bijzonder zijn petitum, hij ervan uitgaat dat de Kantonrechter heeft beslist dat SRD 200 per kind per maand (dus totaal SRD 400) zal dienen te worden betaald; dat evenwel bij zorgvuldige lezing van het dictum van die beschikking blijkt dat SRD 200 per maand voor beide kinderen dient te worden betaald;

Overwegende, dat voorgaande en alle andere omstandigheden bij elkaar genomen zoals ter raadkamerzitting naar voren is gekomen, het door de Kantonrechter bepaalde bedrag van SRD 200 per maand voor beide kinderen, het Hof niet bovenmatig voorkomt, weshalve de beroepen beschikking bevestigd zal worden;

Overwegende, dat onverminderd het voorgaande, het verzoeker/appellant vrij staat de tijdens het verhoor in Raadkamer d.d. 31 oktober 2006, gedane toezegging, dat indien hij in staat is meer te betalen dan wat is bevolen, hij zulks ook zal doen, gestand te doen jegens zijn kinderen;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton, gegeven op 7 juni 2005 onder ARNO.011448, waarvan beroep;

Aldus gegeven door de heren: Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Fungerend-President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

door Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.J.Kraag en Mr.K.J.Brandon.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME:

GENERALE ROLNUMMER: 14337

Gezien het verzoekschrift van appellante, de Naamloze Vennootschap Hotelmaatschappij Ambassador Inns N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Dr.Sophie Redmonstraat no.66-68, domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van Mr.E.C.M.Hooplot, Advokaat bij het Hof van Justitie, tot gemachtigde van appellante gesteld met de macht van substitutie; strekkende gemeld verzoekschrift tot staking van de executie van respectievelijk het vonnis van 14 februari 2006 (Algemeen Register nummer 02/5011) en het vonnis van 25 januari 2007 (Algemeen Register nummer 06/3998);

Gehoord appellante, bij monde van haar raadsman, Mr.E.C.M.Hooplot voornoemd in Raadkamer van 6 juli 2007;

Gehoord partijen bijgestaan door hun respectieve advokaten, te weten Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.J.Echteld in Raadkamer van 13 juli 2007;

Overwegende, dat appellante bij monde van haar raadsman zowel in Raadkamer van 6 juli 2007 als in Raadkamer van 13 juli 2007 heeft verklaard, dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij vonnis de dato 14 februari 2006 in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 02/5011, een deel van de vordering heeft toegewezen, doch dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard; dat appellante tegen gemeld vonnis hoger beroep heeft aangetekend; om toch meergemeld te kunnen executeren heeft de wederpartij zich tot de Kantonrechter in Kort Geding gewend met het verzoek het vonnis de dato 14 februari 2006 alsnog uitvoerbaar te doen verklaren bij voorraad, welk verzoek bij vonnis van 25 januari 2007 in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 06/3998 werd toegewezen; dat gemelde beslissing van de Kantonrechter in Kort Geding in strijd is met het bepaalde in artikel 57 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en dat zij, appellante, op grond van artikel 272 van gemeld wetboek het verzoek om staking van de executie doet;

Overwegende, dat de wederpartij bij monde van de raadsman, Mr.J.E.Echteld verklaard heeft, aldus die verklaring opvattend, zich geheel in de vonnissen van respectievelijk 14 februari 2006 als van 25 januari 2007 te kunnen terug vinden en dat de verklaringsprocedure bereids is ingezet;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij vonnis de dato 14 februari 2006 in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 02/5011, tussen de wederpartij, [geïntimeerde], toen eiser, en appellante als gedaagde, vonnis gewezen en uitgesproken heeft waarvan het dictum luidt:

5.1.Veroordeelt gedaagde om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan eiser te betalen het bedrag van US$ 190,– per maand, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% vanaf december 2000 tot aan de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie.

5.2.Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 62,– (twee en zestig Surinaamse dollar).

5.3.Wijst af het meer of anders gevorderde;

Overwegende, dat, naar blijkt, appellante, toen gedaagde, vertegenwoordigd door Mr.A.Kanhai namens zijn (lees:haar) gemachtigde is verschenen;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, Mr.I.D.Kanhai, Advokaat, namens zijn cliënte, Hotelmaatschappij Ambassador Inns N.V., bij schrijven, op 6 september 2006 gericht aan de Griffier der Kantongerechten, op 8 september 2006, appel heeft aangetekend tegen het vonnis gewezen en uitgesproken in het rechtsgeschil van [geïntimeerde], eiser, gemachtigde Mr.J.E.Echteld, advokaat contra Hotelmaatschappij Ambassador Inns N.V., gedaagde, gemachtigde, I.D.Kanhai, advokaat en bekend onder A.R.No.02/5011;

Overwegende, dat nu appellante, gerekend vanaf de dag der uitspraak 204 dagen nadien in beroep is gekomen, terwijl de wet slechts een termijn van dertig dagen, toestaat, zal het Hof, anticiperend op de in hoger beroep te geven beslissing, appellante daarin ambtshalve niet ontvankelijk verklaren;

Overwegende, dat anders dan appellante heeft gesteld, zij tegen het vonnis de dato 25 januari 2007 geen appel heeft aangetekend, zijnde zulks immers op generlei wijze gebleken;

Overwegende, zij het ten overvloede, dat, ook al zou tegen het vonnis de dato 25 januari 2007 zijn geappelleerd, dan nog zou haar verzoek om staking van de executie daarvan, haar niet vermogen te baten nu appellante gesteld noch doen blijken heeft dat met de executie daarvan door de wederpartij een aanvang is gemaakt, althans dat de executie van gemeld vonnis gaande is;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het zijdens haar gedaan verzoek;

Aldus gegeven op 25 juli 2007 door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand w.g.H.E.Struiken w.g.A.A.Hermelijn

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Waarnemend.

 

SRU-HvJ-2014-11

GR- 14609

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende aan [adres] in het [distrikt],
appellant,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende aan [adres 2], [postcode], [stad], [land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E. Ch. de Noten, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 06 november 2007 (A.R.NO. 043545) tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van appellante gedateerd 12 november 2007 –ingekomen ter griffie van het hof op 14 november 2007- waaruit blijkt dat appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 6 november 2007;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 15 juli 2011;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 04 november 2011;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi de dato 02 december 2011;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi de dato 20 januari 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 april 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1. Geïntimeerde heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, primair gevorderd dat gedaagde zal worden bevolen de overeenkomst van 17 maart 2004 na te komen en de woning staande op het erf gelegen aan de [adres 3] in het distrikt Wanica deugdelijk, geheel volgens de in de overeenkomst vastgestelde voorwaarden af te bouwen en na goedkeuring door de eiser op te leveren, met opschorting van de betalingsverplichting van de eiser tot gedaagde aan het vonnis zal hebben voldaan. Secundair is gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD. 45.450,- vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars en de overeenkomst d.d. 17 maart 2004 tussen partijen te ontbinden;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 06 november 2007 de tussen partijen bestaande overeenkomst d.d. 17 maart 2004 ontbonden en gedaagde, thans appellant, veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser, thans geïntimeerde, te betalen het bedrag van SRD. 45.450,– vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 6 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor wat betreft het onder 5.2. daarvan bepaalde en is gedaagde, thans appellant, in de kosten van het geding aan de zijde van eiser , thans geïntimeerde, gevallen veroordeeld. Het meer of anders gevorderde is afgewezen;
  2. Appellant heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsman bij schrijven gedateerd 12 november 2007 –ingekomen ter griffie van het hof op 14 november 2007- appèl aangetekend tegen het vonnis van 06 november 2007. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Gelet op het voorgaande heeft appellant ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

2.2. Appellant heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:

  • In het jaar 2003 is appellant met geïntimeerde overeengekomen om de woning staande en gelegen aan [adres 3] in het [district] sleutel klaar voor eiser af te bouwen.
  • De aanneemsom was begroot op Sf 90.000.000,=. Hierbij heeft geïntimeerde aan appellant verstrekt een totaal bedrag van Sf 81.000.000,=;
  • Naderhand hebben geïntimeerde en appellant op 17 maart 2004 een nadere overeenkomst gesloten waarbij appellant zich jegens geïntimeerde heeft verplicht om de aan geïntimeerde toebehorende woning af te bouwen en sleutel klaar op te leveren. Geïntimeerde heeft hierbij een bedrag van Sf 4.000.000,= aan appellant ter hand gesteld;

2.3. Naast voormelde vaststaande feiten heeft geïntimeerde – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van appellant van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat appellant zich niet heeft gehouden aan de tussen hen bestaande overeenkomst en dat hij hierdoor schade lijdt welke appellant gehouden is te betalen;

2.4. Appellant heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het door hem aangenomen werk naderhand duurder bleek te zijn dan de overeengekomen som van Sf 90.000.000,=, vanwege door hem verrichte meer werkzaamheden;

2.5. In hoger beroep concludeert appellant tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog ontzegging van de vordering aan de geïntimeerde als zijnde ongegrond en onbewezen;

2.6. Daartoe heeft appellant als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd –kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de kantonrechter ten onrechte heeft besloten dat de overzichtstaat niet voldoet aan het aan de appellant bevolene zoals omschreven onder 4.1 van het vonnis. In tegenstelling tot hetgeen de kantonrechter beweert voldoet de overzichtstaat wel aan het bevolene onder 4.1. Immers heeft de appellant precies aangegeven wat de kantonrechter heeft gevraagd, te weten: een totaal beeld te geven van de werkzaamheden die de appellant heeft verricht; een totaal beeld te geven van de materialen die hij heeft gekocht en voor welk bedrag hij die heeft gekocht en ten slotte te omschrijven wat voor soort meerwerk hij heeft gedaan;

2.7. Geïntimeerde heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat de kantonrechter ter gelegenheid van de gehouden descente de dato 15 december 2005 als opdracht aan appellant heeft gegeven dat deze een totaal beeld moet geven voor welk bedrag hij uit de aanneemsom van Sf. 90.000.000,= werkzaamheden heeft verricht. Voorts heeft de kantonrechter aangegeven dat appellant een totaal beeld moet geven van de materialen die hij heeft gekocht en voor welk bedrag hij deze heeft gekocht alsmede dat hij moet omschrijven wat voor soort meerwerk hij heeft gedaan apart van de oorspronkelijke overeenkomst en wat de kosten van deze meer werkzaamheden zijn geweest. Bij wege van conclusie de dato 1 augustus 2006 heeft de gemachtigde van appellant een overzichtstaat bevattende meerwerk tot een bedrag van SRD. 21.580,= ten processe overgelegd. Na doorname van de overzichtstaat komt het hof tot de slotsom dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat die niet voldoet aan de opdracht die was gegeven aan appellant. Immers betreft de overzichtstaat een met de hand geschreven staat waarin bloot een aantal werkzaamheden en bedragen zijn opgesomd zonder enige onderbouwing of onderliggende documenten. Daarenboven bestrijkt de inhoud daarvan slechts een klein deel van de aan appellant gegeven opdracht door de kantonrechter;

2.9. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 6 november 2007, A.R.No. 043545, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 07 februari 2014, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.C. Berenstein

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2014-10

G.R.No.14430

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING JETJONA,
gevestigd te Paramaribo,
gemachtigde: mr. J. Kraag advocaat,
appellant, hierna aangeduid als “de Stichting”,

[Appellant sub B],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als ”[appellant sub B]”,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de Kantonrechter in het Eerst€Kanton uitgesproken vonnis van 2 april 2007 (A.R.No. 963169) tussen appellanten als gedaagden en

geïntimeerde als eiser, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis.

Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de conclusie tot uitlating en overlegging productie aan de zijde van [appellant sub B] d.d. 18 februari 2011;

– de conclusie tot uitlating omtrent door [appellant sub B] overgelegde productie tevens conclusie tot overlegging van productie d.d. 01 april 2011;

– de conclusie tot uitlating productie aan de zijde van [appellant sub B] d.d. 03 juni 2011.

Het vonnis in onderhavige zaak is nader bepaald op heden.

De verdere beoordeling

1.1 Ter uitvoering van het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis, heeft mr. S. Mangroelal een conclusie genomen voor het verschaffen van duidelijkheid terzake hetgeen onder 2.7 in dat vonnis is overwogen, namelijk dat hij namens zowel de Stichting als [appellant sub B] hoger beroep heeft ingesteld, doch dat de door hem genomen conclusies slechts op naam van [appellant sub B] zijn gesteld en hij aldus alleen als gemachtigde van [appellant sub B] heeft opgetreden.

In zijn conclusie terzake heeft mr. Mangroelal kenbaar gemaakt dat hij zich reeds op de eerste dag van behandeling, dan wel bij de dagbepaling van het pleidooi heeft onttrokken als procesgemachtigde van de Stichting en mr. J. Kraag zich op die datum als advocaat van de Stichting heeft gesteld. Voorts dat mr. J. Kraag op 04 december 2009 ”recht op stukken” heeft gevraagd.

Voor het Hof is nu duidelijk dat mr. S. Mangroelal slechts de procesgemachtigde van [appellant sub B] is, mr. J. Kraag de procesgemachtigde van de Stichting, en laatstgenoemde recht op stukken had gevraagd, zodat thans kan worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van de onderhavige zaak.

1.2 Mr. Mangroelal heeft in zijn conclusie het Hof verzocht om in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis instede van “30 september 2003” te lezen, “30 september 1993”. Dit omdat ”30 september 2003” niet de correcte datum van de veilingvoorwaarden is, doch 30 september 1993. Daar dit een schrijffout van het Hof ís, zal het Hof de datum zoals vermeld onder de overwegingen 2.11 en 2.12 in het tussenvonnis verbeterd inlezen. Met name wordt onder de overwegingen 2.11 en 2.12 instede van ”30 september 2003” gelezen: ”30 september 1993”.

  1. Het Hof constateert dat onder de overweging 1.7 in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis er nog een andere schrijffout is gemaakt, welke schrijffout thans gecorrigeerd zal worden. Het betreft namelijk de datum van de akte van oprichting van de Stichting Kenmar waar abusievelijk 11 oktober 2003 staat vermeld, instede van 11 oktober 1993. Derhalve zal het Hof in overweging 1.7 de datum van de oprichting van de Stichting Kenmar verbeterd inlezen. Dus instede van ”11 oktober 2003” zal worden gelezen ”11 oktober 1993”.
  2. Zoals reeds onder 2.8 in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis is overwogen, heeft [appellant sub B] zes grieven aangevoerd tegen het gewraakte tussenvonnis van 06 juli 1999. De zes grieven zijn weergeven onder 2.9.1 tot en met 2.9.6 in het tussenvonnis en hebben de strekking om het geschilpunt, zijnde de beantwoording van de vraag of het perceel op de dag van de veiling al dan niet aan [geïntimeerde] zou zijn toegewezen, aan een nieuwe beoordeling van het Hof te onderwerpen. Daar [appellant sub B] met de zes grieven alle overwegingen in de tussenvonnissen en het eindvonnis – waarvan hoger beroep – beoogt te bestrijden, zal het Hof deze zes grieven, voor zover relevant, hieronder gezamenlijk bespreken.

3.1 Volgens het betoog van [appellant sub B] in zijn eerste grief heeft de Kantonrechter ten onrechte in het tussenvonnis en eindvonnis overwogen dat de toepasselijke veilingcondities bepalen dat over de toewijzing van het perceelland op de dag van de openbare verkoop zelf dient te worden beslist. Terzake beroept [appellant sub B] zich op de artikelen 4 en 6 van de veilingcondities, uit welke artikelen volgens zijn betoog geenszins blijkt dat van een dergelijke verplichting sprake is.

3.2 [Geïntimeerde] blijft in reactie op deze grief ín zijn stellingen volharden dat hij op de dag van de veiling de hoogste bieder was en de toewijzing onmiddellijk na de executie aan de hoogste bieder zou dienen te geschieden. Dat de toewijzing onmiddellijk na de veiling zou dienen plaats te vinden en is geschied blijkt, aldus het standpunt van [geïntimeerde], uit de inhoud van de veilingvoorwaarden zelf en de handelingen van [appellant sub B] kort na de veiling. Met name zou de Stichting volgens vast gebruik [geïntimeerde] als hoogste bieder op de veiling hebben meegenomen naar de werkkamer van de notaris, zijnde [appellant sub B], alwaar [geïntimeerde] zijn identiteitsgegevens werden opgenomen en tevens een berekening werd verstrekt tot het te betalen bedrag.

3.3 Naar het oordeel van het Hof is niet in het geding of de toewijzing van het perceel onmiddellijk na de veiling zou dienen te geschieden, doch zoals reeds onder 3 in dit vonnis is overwogen de beantwoording van de vraag of de Stichting het perceel aan [geïntimeerde] heeft toegewezen en wanneer het zou zijn toegewezen.

In artikel 4 van de veilingsvoorwaarden , zijnde het artikel waarop [appellant sub B] zich beroept, is onder meer het volgende neergelegd: ”Voormeld onroerend goed wordt verkocht zodanig en in de staat, waarin het zich op het ogenblik der toewijzing bevindt met alle rechten van lasten, heersende en lijdende erfdienstbaarheden, die daaraan verbonden zijn, zonder dat de verkopers tot enige vrijwaring gehouden zijn, wordende de koper geacht ten eigen bate en schade te hebben gekocht.”, en artikel 6: ”De koper aanvaardt het gekochte dadelijk bij de toewijzing en moet op eigen kosten zich feitelijk in het bezit stellen van het gekochte. Het gekochte is vanaf het ogenblik der toewijzing voor rekening en risico van de koper, zonder enige aansprakelijkheid hoe ook genaamd, aan de zijde van de requirantenverkopers.”

Uit de inhoud van de hiervoor vermelde artikelen valt niet af te leiden wanneer de toewijzing dient plaats te vinden en zijn deze artikelen voor verschillende interpretaties vatbaar. Om die reden kan naar het oordeel van het Hof de vraag wanneer het perceel aan [geïntimeerde] is toegewezen niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de artikelen in de veilingvoorwaarden, doch op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.4 Zoals het Hof uit deze stelling van [geïntimeerde] begrijpt, heeft [appellant sub B] bij hem het vertrouwen gewekt dat het perceelland gelijk na afloop van de veiling aan hem zou

zijn toegewezen en staat naar het oordeel van het Hof het volgende vast:

– de Stichting heeft [geïntimeerde] als hoogste bieder op de veiling meegenomen naar de werkkamer van de notaris, zijnde [appellant sub B], alwaar [geïntimeerde] zijn identiteitsgegevens werden opgenomen;

– [Appellant sub B] heeft na afloop van de veiling op 30 september 1993 aan [geïntimeerde] een rekeningafschrift verstrekt met aan het hoofd vermeld ”AFREKENING VEILING

[NAAM]” en met een optelling van de bedragen van de koopsom, notariskosten, plokpenning overdrachtskosten en kale grondwaarde, in totaal belopende een bedrag van f 1.723.751,–;

– op 01 oktober 1993 heeft Calor uit handen van de procesgemachtigde van [geïntimeerde] f 100.000,- ontvangen, en heeft [appellant sub B] terzake een kwitantie aan [geïntimeerde] verstrekt met de vermelding ”voorschot veiling [naam] d.d. 30/9/93”;

– [Geïntimeerde] heeft het bedrag ad f 1.623.751,- op de bankrekening van [appellant sub B] gestort;

– [Geïntimeerde] heeft vervolgens per brief d.d. 12 oktober 1993 [appellant sub B] en [naam 2] (wijlen) verzocht om over te gaan tot het opmaken van het proces-verbaal van

openbare veiling en toewijzing en om het proces-verbaal te doen viseren ten hypotheekkantore.

Geenszins is gebleken dat [appellant sub B] of de Stichting aan [geïntimeerde] de uitdrukkelijke mededeling hebben gedaan dat het perceel niet aan hem zou zijn toegewezen, en heeft de Stichting die mededeling pas bij schrijven van 13 oktober 1993 aan [geïntimeerde] gedaan, dan wel nadat [geïntimeerde] de hiervoor vermelde brief d.d. 12 oktober 1993 aan [appellant sub B] en [naam 2](wijlen) heeft gericht.

3.5 De hiervoor onder 3.4 omschreven feiten en omstandigheden in onderling samenhang beschouwd en bekeken, brengen het Hof tot het oordeel dat [appellant sub B] en de Stichting bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat het perceel gelijk na de veiling aan hem zou zijn toegewezen en dat [geïntimeerde] erop mocht vertrouwen dat zulks het geval is geweest. Daarom volgt het Hof de Kantonrechter, met aanvulling van hetgeen hiervoor is overwogen, in zijn oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden toegewezen. Hieruit vloeit voort dat de grieven van [appellant sub B] worden verworpen en zullen de bestreden tussenvonnissen en het eindvonnis worden bekrachtigd, met aanvulling van de gronden, en onder verwijzing van de Stichting en [appellant sub B] van de in hoger beroep gevallen proceskosten.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in deze zaak gewezen en uitgesproken d.d. 2 april 2007 (A.R.No. 963160) waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

Veroordeelt de Stichting en [appellant sub B] in de proceskosten van het geding aan de zijde van

[geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 21 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g . D.D. Sewratan

Partijen, appellant sub A vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J. Kraag en appellant sub B vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Mangroelal en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-9

GR- 14674

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante]
weduwe van [naam],
wonende aan [adres]te [plaats],
appellante in conventie en in reconventie,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

  1. DE ONTBONDEN VERENIGING: MAATSCHAPPIJ TOT ONDERLINGE HULP,
    kantoorhoudende te Paramaribo aan de Joliceurstraat no. 19,
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende te [plaats] aan [adres 2],
  3. [Geïntimeerde sub C], wonende te [plaats] aan [adres 3],
  4. [Geïntimeerde sub D], wonende te [plaats] aan [adres 4],
  5. [Geïntimeerde sub E], wonende te [plaats] aan [adres 5],

allen in hun hoedanigheid van vereffenaars van de ontbonden Vereniging Maatschappij Tot Onderlinge Hulp,
geïntimeerden in conventie en in reconventie,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 22 juni 2010 (A.R.NO. 080093) tussen appellante als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en geïntimeerden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden hierna gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellante] enerzijds en anderzijds de ontbonden vereniging e.a. danwel respectievelijk de ontbonden vereniging, [geïntimeerde sub B], [geïntimeerde sub C], [geïntimeerde sub D] en [geïntimeerde sub E];

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van appellante gedateerd 22 september 2010 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 september 2010- waaruit blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 22 juni 2010;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 01 juni 2012;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 06 juli 2012;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi en incidentele conclusie tot wijziging eis de dato 03 augustus 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi en antwoord in het incident de dato 16 november 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 01 maart 2013 doch nader op heden;

De beoordeling

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Appellante] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, in conventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de ontbonden vereniging e.a. zullen worden veroordeeld om aan haar te betalen het bedrag van USD 15.250,= vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6 % per jaar vanaf 30 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening. Mede is gevorderd vanwaardeverklaring van de gelegde conservatoire beslagen;

2.1.In reconventie hebben de ontbonden vereniging e.a. , voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat [appellante] zal worden veroordeeld tot het opheffen van het gelegd conservatoir derdenbeslag en het terugbetalen aan hen van US$ 7.972,= uit hoofde van teveel gedane uitkeringen;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 juni 2010 in conventie [appellante] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en in reconventie het gelegd conservatoir derdenbeslag ten laste van de ontbonden vereniging e.a. opgeheven en het meer of anders gevorderde afgewezen, onder compensatie van de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt;
  2. [Appellante] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 22 september 2010 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 september 2010 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 22 juni 2010. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Aangezien de aangetekende dienstbrief van de griffier dateert van 9 september 2010 heeft [appellante] ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis weshalve zij ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep;
  3. [Appellante] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen in conventie, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
    1. De thans overleden echtgenoot van [appellante], te weten [naam] (hierna te noemen [naam]), [geïntimeerde sub B], [geïntimeerde sub C], [geïntimeerde sub D] en [geïntimeerde sub E] waren leden van de vereniging “Maatschappij Tot Onderlinge Hulp” (hierna de vereniging);
    2. Aan de vereniging behoorde in eigendom toe het onroerend goed gelegen te [perceelomschrijving], bekend onder nieuwe wijk letter D [nummer], oude wijk letter D [nummer 2];
    3. De vereniging is ontbonden op een algemene vergadering gedateerd 19 oktober 2004. Het perceel is verkocht voor een bedrag van US$ 160.000,= aan de Stichting Bribi;

2.2.Stichting Bribi heeft een aankoopsom van US$ 40.000,= latende een saldo van US$ 120.000,=. Dit bedrag dient Stichting Bribi in maandelijkse termijnen van US$ 3.000,= af te lossen. Tot en met december 2006 heeft Stichting Bribi een bedrag van US$ 76.000,= afgelost terwijl het saldo alstoen bedroeg US$ 54.000,=;

2.3.Naast voormelde vaststaande feiten heeft [appellante] in conventie – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat op een algemene ledenvergadering van de vereniging, rechtspersoon, d.d. 19 oktober 2004 ingevolge artikel 15 van haar statuten een besluit is genomen tot ontbinding van de vereniging. Het bestuur dat belast was/is met de likwidatie van de vereniging is ertoe overgegaan om het enig vermogensbestanddeel van de vereniging bestaande uit: het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te [perceelomschrijving], bekend onder Nieuwe Wijk Letter D [nummer], Oude Wijk letter D [nummer 2] met inbegrip der beide ijzeren regenbakken, zich op het erf bevindende, te verkopen aan de Stichting Bribi. De levering bij notariële akte zal plaatsvinden bij de finale betaling van de koopprijs. De verdeling van de bezittingen van de vereniging vindt volgens artikel 16 van de statuten, pondspondsgewijze onder de leden plaats. Aan [naam] komt op grond van het vorenstaande toe een bedrag van USD. 40.000,= waarvan inmiddels aan [naam] en na zijn overlijden aan [appellante] is betaald een bedrag van in totaal USD. 24.750,=, latende een saldobedrag van USD. 15.250,=. [Appellante] heeft als erfgenaam van wijlen haar echtgenoot bij schrijven van haar raadsman d.d. 2 november 2006 de ontbonden vereniging e.a. gesommeerd om het bedrag ad USD. 15.250,= binnen twee dagen aan haar te betalen. De ontbonden vereniging e.a. hebben bij schrijven d.d. 8 november 2006 aan [appellante] bericht dat haar recht op uitkering een vermeend recht is en dat het recht ingevolge artikel 16 statuten jo artikel 1680 B.W. een persoonlijk recht is dat bij overlijden van de rechthebbende niet overgaat op de nabestaanden. Het standpunt van de ontbonden vereniging e.a. is reeds op grond van de duidelijke bewoordingen van artikel 1680 BW jo de artikelen 880 en 880a BW niet houdbaar en juridisch irrelevant;

2.4. De ontbonden vereniging e.a. hebben verweer gevoerd in eerste aanleg en in conventie – kort samengevat- aangevoerd dat de ontbonden vereniging e.a. ten tijde van dit proces niet uit vier maar uit negen leden bestaat, waaronder het inmiddels overleden lid [naam]. De koopsom ad USD 160.000,- dient dus te worden verdeeld onder de negen overgebleven leden, waaronder [naam] voornoemd. Derhalve komt aan laatstgenoemde toe het geldsbedrag groot USD 17.778,= en heeft [appellante] inmiddels in totaal ontvangen USD. 24.750,= . Eveneens is op haar verzoek aan haar dochter mevrouw [naam 2] USD. 1.000,= uitgekeerd waardoor het totaal komt op USD. 25.750,=. Tevens is als verweer aangevoerd dat [appellante] doet voorkomen alsof zij enkel en alleen enige erfgenaam is van [naam], wat misleidend is daar zij op zijn minst een dochter heeft, mevrouw [naam 2] voornoemd. Eveneens hebben de ontbonden vereniging e.a. aangevoerd dat aan [appellante] teveel werd uitgekeerd, USD. 7.972,=;

2.5.In hoger beroep concludeert [appellante] tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog toewijzing van het gevorderde in conventie;

2.6.Daartoe heeft [appellante] als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd dat haar overleden echtgenoot [naam] blijkens de overgelegde verklaring van erfrecht het levenslange recht van vruchtgebruik zijner gehele nalatenschap heeft gelegateerd aan haar en dat zij hierdoor de bevoegdheid heeft verkregen tot het verrichten van alle rechtshandelingen die tot een goed beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen dienstig kunnen zijn. Een gevolg van het hiervoren omschreven goed beheer houdt tevens in dat zij bevoegd is als vruchtgebruiker in en buiten rechte nakoming te eisen van aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen en tot het in ontvangst nemen van betalingen. De kantonrechter heeft kennis genomen van de verklaring van erfrecht doch de kantonrechter heeft zich uitsluitend gefocust op het zijn van erfgenaam en de bevoegdheid van [appellante] als vruchtgebruiker volledig uit het oog verloren;

2.7. De ontbonden vereniging e.a.hebben in hoger beroep verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

2.8. In reconventie heeft [appellant] geen grieven tegen het beroepen vonnis aangevoerd en nu het het hof ambtshalve niet is gebleken van enige grond die tot vernietiging van het vonnis in reconventie aanleiding zou moeten geven, zal dat onderdeel van het beroepen vonnis worden bevestigd;

2.9. Het hof zal ingaan op de door [appellante] tegen het beroepen vonnis aangevoerde grief. Anders dan [appellante] is het hof van oordeel dat zij in haar hoedanigheid van vruchtgebruikster slechts tezamen met de erfgenamen van [naam] gerechtigd is om ter zake van onderhavige vordering in rechte op te komen. De kantonrechter heeft derhalve terecht overwogen dat zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het zijn van vruchtgebruikster van de gehele nalatenschap van [naam] doet aan het voorgaande niet af aangezien de persoon van de overledene vermogensrechtelijk wordt voortgezet door diens erfgenamen en diende [appellante] derhalve de onderhavige vordering niet alleen in eigen naam doch mede als gevolmachtigde van de erfgenamen in te stellen. Het hof kan zich helemaal verenigen met hetgeen de kantonrechter dienaangaande heeft overwogen en neemt dat over en maakt dat tot de zijne;

2.10. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis zowel in conventie als in reconventie dient te worden bevestigd;

  1. [Appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van de ontbonden vereniging e.a. in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;
  2. [Appellante] heeft bij wege van repliekpleidooi een incidentele conclusie tot wijziging van eis genomen waarbij zij verzocht heeft, voorwaardelijk, dus voor het geval het hof een andere mening zou zijn toegedaan, het inleidend verzoekschrift te wijzigen zoals daarin aangegeven. De ontbonden vereniging e.a. hebben zich hiertegen verzet onder aanvoering dat de verzochte wijziging betreft de hoedanigheid van [appellante] en dat zij daardoor –anders dan [appellante] stelt- wel worden bemoeilijkt in hun verweer. Naar het oordeel van het hof betreft de verzochte wijziging –zoals de ontbonden vereniging e.a. terecht hebben aangevoerd- een wijziging van de hoedanigheid van [appellante] voornoemd en worden de ontbonden vereniging e.a. door toewijzing daarvan wel bemoeilijkt in hun verweer. Daarenboven is het in strijd met de beginselen van een goede procesorde door pas in hoger beroep en wel bij repliekpleidooi met een dergelijk verzoek te komen. Derhalve zal het gedaan verzoek dienen te worden afgewezen;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

In het incident:

Wijst af de verzochte wijziging van eis betreffende de hoedanigheid van Ong A Swie voornoemd;

In de hoofdzaak:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 22 juni 2010, A.R.No. 080093, waarvan beroep;

Veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van de ontbonden vereniging e.a. in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. R.G. Chatterpal, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 21 februari 2014, in tegenwoordigheid van de

Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens haar gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. V.V.C. Pique namens hun gemachtigde, advocaat mr. S. Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.