SRU-HvJ-2007-41

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-607

[Verzoeker], wonende aan [adres], in het [district], dezer zake domicilie kiezende aan de Johan Adolf Pengelstraat 46 te Paramaribo ten kantore van de advocaat mr. G.R. Sewcharan, voor wie als gemachtigde optrad, mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Henck Arronstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.H. Veldkamp, advocaat,
verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

Bij beschikking d.d. 4 maart 2005 met nummer 435/05, heeft de Minister van Justitie en Politie, nader te noemen verweerder, verzoeker ontslagen uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) ingevolge artikel 40 lid onder j van het Politiehandvest. Van de beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd (Produktie 1).

De beschikking is op vrijdag 6 mei 2005 ter kennis van verzoeker gebracht.

Verzoeker kan zich met de beschikking, althans het besluit, en de gronden waarop die berust niet verenigen en wenst op basis van de navolgende gronden bij het Hof de onderhavige vordering in te stellen.

  1. Blijkens de beschikking wordt als grond voor het besluit vermeld een onderzoek van OPZ van een strafdossier met no.[nummer]. Als tweede grond wordt aangegeven een vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 21 mei 2003. Dit vonnis betreft hetzelfde strafdossier. Van dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is nog niet behandeld. Het vonnis is derhalve nog niet onherroepelijk. Verzoeker heeft de beschuldiging ontkend. Het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, brengt met zich mee dat het alszodanig niet, althans nog niet, als grond mag worden gebruikt voor het in deze gegeven ontslag.
  2. Voorts wordt door verweerder gesteld dat verzoeker een dienstvoertuig voor zes uren zou hebben gebruikt voor privé-doeleinden en dat hij eens zijn vuistvuurwapen zou hebben gehanteerd, terwijl daartoe, aldus verweerder, de noodzaak ontbrak en zou hij een keer geslapen hebben in een dienstvoertuig. Verweerder concludeert dan dat deze zaken ernstig plichtsverzuim opleveren en ontslaat verzoeker vervolgens uit vaste dienst.
  3. Zoals gesteld, is verzoeker het met het besluit en de aangehaalde gronden niet eens. Ten aanzien van de eerste grond is hiervoor al aangegeven dat het verwijt nog niet vaststaat, en derhalve niet aangewend kan worden voor het onderhavige ontslag. Verzoeker is van mening dat bij behandeling van de zaak in hoger beroep aan het licht zal komen dat hij niet betrokken is. Hij constateert daarom dat verweerder in deze ten onrechte hem op grond van dat dossier en vonnis ontslaat.
  4. Voor wat betreft de hiervoor onder 2 aangehaalde gronden, is verzoeker de mening toegedaan dat die door verweerder enkel vermeld zijn om de eerder besproken grond aan te dikken. Echter vormen deze gronden afzonderlijk, noch gezamenlijk voldoende grondslag voor het gegeven ontslag en rechtvaardigen daarom het ontslag ook niet.
  5. Voorts is het verzoeker bekend dat zijn medeverdachten in de betreffende strafzaak niet zijn ontslagen en vermoedt hij dat hem ontslag is aangezegd om andere dan de in de beschikking vermelde redenen. Weshalve er volgens hem hier kennelijk sprake is van misbruik van bevoegdheid.
  6. Tevens is verzoeker van mening dat het besluit in strijd is met de wet en/of met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In ieder geval is het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu zijn medeverdachten niet, maar hem wel ontslag is aangezegd.
  7. Ook is volgens verzoeker het besluit in strijd met het beginsel van belangenafweging. Verzoeker staat aan het hoofd van een gezin. Alszodanig is hij verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. De onder 2 van weergegeven gronden voor het gegeven ontslag, althans het gestelde plichtsverzuim, staan geenszins in verhouding tot de nadelige gevolgen van het ontslag voor verzoeker en zijn gezin.
  8. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. 4 maart 2005 met nummer [nummer 2], waarbij verzoeker uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) is ontslagen, nietig zal worden verklaard;
  2. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnengekomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2006, verzoeker niet is verschenen en de gemachtigde van verzoeker, mr. G.R. Sewcharan, advocaat heeft verklaard, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen bereiken;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 november 2006, de gemachtigde van verzoeker, mr. G.R. Sewcharan, advocaat wederom heeft verklaard dat hij nog geen kontakt heeft gehad met zijn cliënt en dat zijn cliënt niet heeft reageert op de oproep, waarna de gemachtigden van de procespartijen terzelfde terechtzitting hebben gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 5 januari 2007, advocaat mr. S.N.K. Woei A Sioe namens de gemachtigde van verzoeker, advocaat mr. G.R. Sewcharan een onttrekkingsbrief heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat zijdens het Hof een schrijven de dato 8 januari 2007 G.No.14 (u) naar de verzoeker is verzonden op 9 januari 2007, nr.[nummer 3] en het Hof geen bericht van verzoeker heeft ontvangen, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, agent van Politie 1ste klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim;

Overwegende, dat, naar verzoeker in het verzoekschrift heeft gesteld voormelde beschikking op vrijdag, 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffier van het Hof het verzoekschrift op 6 juni 2005 op de Griffie is ingekomen;

Overwegende, dat verzoeker in onderdeel 1 van het petitum van voormeld verzoekschrift vordert de nietigverklaring van voormelde beschikking, althans het besluit, de dato 4 maart 2005 no.[nummer 2], waarbij hij – verzoeker – uit Staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985), vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingediend, meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat onder maand ingevolge artikel 1 van genoemde wet wordt verstaan: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat een besluit genomen op grond van het bij of krachtens

de Personeelswet geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het stuk door het bevoegde gezag aan hem is overhandigd (artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet);

Overwegende, dat nu het besluit, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, op 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht en hij de onderhavige vordering pas op 6 juni 2005 tegen verweerder heeft ingesteld, dus op de 32ste dag sedert 6 mei 2005, terwijl de wet slechts 30 dagen sedert 6 mei 2005 toestaat, rest het Hof niets anders dan hem – verzoeker – niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van verzoeker als niet langer relevant, geheel in het midden latend;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend-President, mr. K. Pultoo en mr. H.E. Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. H.H. Veldkamp, advocaat, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-40

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-608

[Verzoeker], wonende aan [adres] [woonwijk] te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Dr.J.F.Nassylaan no.46, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.N.Woei A Sioe, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, ingevolge artikel 146 lid 2 van de Grondwet in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, ten deze domicilie hebbende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.I.Soechitram, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoire vonnissen respectievelijk van 4 mei 2007 en 6 juli 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat bij de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.N.Woei A Sioe en advokaat Mr.A.I.Soechitram, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 4 mei 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat nu verweerder, ofschoon hij daartoe ruimschoots in de gelegenheid is gesteld, noch door getuigen, noch door enig ander middel van bewijs het probandum heeft kunnen waarmaken en mitsdien niet in rechte is komen vast te staan dat verzoeker, stafambtenaar A 1ste klasse in vaste dienst in de funktie van Onderhoofd van de afdeling Forensich Maatschappelijke Zorg van de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie, belast met de waarneming van de funktie van Hoofd van voormelde afdeling, in de maand September 2004, de Ambtenaar A le klasse, [naam 1] sexueel heeft gemolesteerd, gaat het Hof aan deze handeling als onbewezen voorbij;

Overwegende, dat het Hof beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 mei 2005 No.[nummer];

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.D.D.Sewratan, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 juli 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.E.Veldman namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.N.Woei A Sioe en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.I.Soechitram, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-39

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 13962.

  1. [Appellant sub A], wonende te [plaats 1] aan [adres],
  2. [Appellant sub B], wonende te [plaats 1], aan [adres],
  3. [Appelant sub C], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Suriname,
  4. [Appellant sub D], wonende te [plaats 1] aan [adres], voor wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.F.Kruisland, advokaat,

appellanten,

t e g e n

  1. [Geïntimeerde sub A], (woonplaats onbekend),
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende te [plaats 2], Nederland,
  3. [Geïntimeerde sub C], weduwe van [naam 1],
  4. [Geïntimeerde sub D], wonende te [plaats 1],
  5. [Geïntimeerde sub E], wonende te [plaats 1].
  6. [Geïntimeerde sub F], wonende te [plaats 1],
  7. [Geïntimeerde sub G], wonende te [plaats 1],
  8. [Geïntimeerde sub H], wonende te [plaats 1],
  9. [Geïntimeerde sub I], wonende te [plaats 1],
  10. [Geïntimeerde sub J], wonende te [plaats 1], door wie tot hun aller gemachtigde optreedt, Mr.D.Chocolaad, advokaat,

geintimeerden,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 19 juni 1998, 22 oktober 1999, 21 mei 2004, 6 augustus 2004 en 2 februari 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 20 april 2007 inzake uitlating zijdens partijen;

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerden op de terechtzitting van 18 mei 2007 een schriftelijke conclusie met betrekking tot eiswijziging heeft overgelegd, althans om akte van rectificatie heeft verzocht;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als in gelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat partijen hierna vonnis hebben gevraagd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 20 juli 2007, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat geïntimeerden, toen eisers in onderdeel A van het petitum primair hebben gevorderd:

– Voor recht te verklaren, dat zij gerechtigd zijn in de onverdeelde helft van de voormelde grond “La Paix en wel eiser sub 1 tot het een/vier en tachtigste gedeelte, eiser sub 2 tot het een/vier en tachtigste gedeelte en eisers sub 3 tot en met 10 elk tot het een/zeshonderd tweeënzeventigste gedeelte;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot voormeld gevorderde opmerkt, dat declaratoir toch de beslissing is welke strekt tot het vaststellen wat omtrent een rechtsverhouding rechtens is;

Overwegende, dat het Hof het in prima zijdens geïntimeerden gedaan verzoek om rectificatie in die zin, dat instede van “de Oostelijke helft van voormelde grond” worde gelezen de “Westelijke helft van voormelde grond” in het 13e “dat” van het verzoekschrift, inwilligend, hen, geïntimeerden, alsnog terzake akte zal verlenen;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene opmerkt, dat geïntimeerden in het 14e “dat” van het verzoekschrift hebben gesteld dat de toebedeling van de Oostelijke helft (lees: Westelijke helft) van voormelde grond ten onrechte is geschied aan de in de akte vermelde personen alleen, aangezien op het tijdstip van de scheiding en deling als erfgenamen in voormeld onroerend goed behalve de eisers mede gerechtigd waren, [naam 2], [naam 3], zodat niet alle gerechtigden aan de scheiding en deling hebben medegewerkt, waardoor de akte van scheiding en deling (lees: de boedelscheiding) in rechte geen stand kan houden en alzo nietig of vernietigbaar is;

Overwegende, dat reeds op grond van het zojuist overwogene toewijzing van het primair onderdeel A van het petitum gevorderde niet zou kunnen volgen, kunnen de geïntimeerden immers niet vorderen voor recht te verklaren dat geïntimeerde sub 1 tot het een/vier en tachtigste gedeelte, geïntimeerde sub 2 tot het een/vier en tachtigste gedeelte en geïntimeerden sub 3 tot en met 10 elk tot het een/zeshonderd tweeënzeventigste gedeelte gerechtigd zijn, terwijl niet alle deelgerechtigden bij de boedelscheiding betrokken zijn geweest, in welk geval het gedeelte van elk der geïntimeerden minder zou zijn dan door hen opgegeven;

Overwegende, dat geïntimeerden in onderdeel B van het primair gevorderde hebben gevorderd: Nietig te verklaren: de akte scheiding en deling de dato 4 september 1980 welke is overgeschreven ten hypotheekkantore op 5 september 1980 in register [nummer 1] onder [nummer 2];

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene opmerkt, dat geïntimeerden in gemeld onderdeel met “de akte scheiding en deling de dato 4 september 1980” in wezen bedoelen “de boedelscheiding, gedaan bij akte, op 5 februari 1980 verleden ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris Mr.C.R.Jadnanansingh, en overgeschreven ten hypotheekkantore in register [nummer 1] onder [nummer 2]”;

Overwegende, dat een boedelscheiding krachtens artikel 1139, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek slechts nietig verklaard kan worden: 1° terzake van dwang; 2° terzake van bedrog door één of meer der deelgenoten gepleegd; 3 ° terzake van benadeling meer dan een vierde gedeelte bedragende;

Overwegende, dat nu geïntimeerden, naar het Hof gebleken, is voormelde gevallen niet aan hun vordering hebben ten grondslag gelegd, wat gemoeten had en het primair gevorderde in onderdeel B van het petitum een duidelijke grondslag ontbeert, diende reeds op grond daarvan ook toewijzing van dat gevorderde niet te volgen;

Overwegende, dat het primair gevorderde in onderdeel B van het petitum dient, nu zij in wezen sequeel is van het gevorderde A van het petitum, waarvan toewijzing niet zal volgen, hetzelfde lot te ondergaan;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot het subsidiair gevorderde opmerkt, dat, nu daar geen feiten aan ten grondslag zijn gelegd en

mitsdien niet voldaan is aan het in artikel 111 lid 1 sub 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gesteld vereiste, zal dat gevorderde met een niet – ontvankelijkheid moeten worden begroet;

Overwegende, dat uit het voorgaande volgt, dat het beroepen vonnis niet in stand kan blijven, maar behoort te worden vernietigd;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verlenen geïntimeerden alsnog akte van rectificatie als verzocht;

Vernietigt het vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 10 december 1996 tussen partijen gewezen, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verklaart geïntimeerden alsnog niet ontvankelijk in zowel hun primaire als in hun subsidiaire vordering;

Veroordeelt geïntimeerden in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van appellanten gevallen en begroot:

in eerste aanleg op SRD nihil;

en in hoger beroep op SRD 258,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van appellanten voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 250,–;

Bepalende het hof het salaris van de advokaat van geïntimeerden eveneens op SRD 250,–;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.C.A.Bleau namens hun gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.P.Baal namens hun gemachtigde, advokaat Mr.D.Chocolaad, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2004-4

G.R.No.14210

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Gezien het verzoekschrift van [verzoeker] ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 21 september 2004 wonende te [plaats], domicilie kiezende aldaar aan de Koninginnestraat no.10, ten kantore van Mr.A.R.Baarh, advokaat bij het Hof van Justitie, ten deze gemachtigd met de macht van substitutie door verzoeker;

Gezien de zijdens verzoeker genomen incidentele conclusie van eis de dato 7 oktober 2004;

Gelet op het proces-verbaal van verhoor in Raadkamer de dato 7 oktober 2004;

Overwegende, dat verzoeker op gronden aangegeven in zowel het verzoekschrift als in de incidentele conclusie van eis welke gronden als hier letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, het Hof het verzoek gedaan heeft bij wege van provisionele voorziening te gelasten de staking van de tenuitvoerlegging van het vonnis de dato 11 maart 2004 (A.R.No.03/4760 in de zaak van [naam 1] c/a [verzoeker]) tot dat in de onderhavige zaak een definitieve eindbeslissing zal zijn gegeven;

Overwegende, dat verweerder tijdens het verhoor in Raadkamer het gedaan verzoek op onderscheiden gronden heeft bestreden;

Overwegende, dat het Hof in verband met voormeld verzoek opmerkt dat de artikelen 57 en 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een eigenaardige tegenstelling vertonen. Volgens het eerste kan, ingeval de eerste rechter een vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, de rechter in hoger beroep die uitvoerbaarheid alsnog uitspreken bij incidenteel vonnis, volgens het tweede kan hij op gelijke wijze de staking bevelen van een vonnis, dat door de eerste rechter ten onrechte bij voorraad uitvoerbaar is verklaard. De eigenaardige tegenstelling is, dat, naar artikel 57 de voorlopige tenuitvoerlegging niet alleen kan worden toegestaan, indien de eerste rechter deze had moeten uitspreken , maar ook indien hij het had kunnen doen, terwijl naar artikel 272 de staking alleen bevolen kan worden indien de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging niet had mogen toestaan, en niet indien hij het slechts niet had behoeven te doen. Deze tegenstelling kan alleen daaruit verklaard worden, dat de regeling blijkens de literatuur, afkomstig is uit een tijd waarin voorlopige voorzieningen van overwegend belang waren, omdat de processen zo lang duurden, dat, wanneer eenmaal een gewijsde verkregen zou zijn, veelal de zaak alle belang zou hebben verloren. Zo is het vermoedelijk te verklaren, dat men enerzijds de rechter in hoger beroep wel in de gelegenheid heeft willen stellen de voorlopige uitvoerbaarheid alsnog uit te spreken, waar, naar zijn aanvankelijke indruk, het beroep ongegrond was en anderzijds heeft willen voorkomen, dat, indien de eerste rechter van oordeel was geweest, dat het gelijk blijkbaar aan de zijde van de eisende partij was, en daarom de uitvoerbaarheid bij voorraad had uitgesproken, het geding in hoger beroep zou beginnen met een incidenteel verzoek om de voorlopige uitvoerbaarheid weer buitenwerking te stellen;

Overwegende, dat het Hof wijders opmerkt dat de wet aan de bepaling van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, krachtens welke de voorlopige tenuitvoerlegging van vonnissen voor bepaalde gevallen kan worden bevolen, vooraf laat aan het voorschrift van artikel 55 van gemeld wetboek, dat de voorlopige tenuitvoerlegging in de aldaar genoemde gevallen mag worden bevolen, welk voorschrift door de rechter moet worden toegepast op alle vonnissen, die op een authentieke titel of op een onderhands geschrift berusten onverschilling welk geschil bij het vonnis beslist wordt;

Overwegende, dat het Hof vervolgens opmerkt, dat artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts de strekking heeft om de hogere rechter de beslissing te laten, of, gegeven het in het aangevallen vonnis omtrent de zaak zelve besliste, de bevolen provisionele tenuitvoerlegging volgens de wet toelaatbaar is;

Overwegende, dat nu het Hof in casus van oordeel is , dat, gegeven hetgeen in het vonnis van de Kantonrechter in kort geding de dato 11 maart 2004 (Ar.No.03/4760), waartegen appel, omtrent het geschil zelve is beslist de bevolen provisionele tenuitvoerlegging volgens de wet toegelaten moet worden, dient het gedaan verzoek te worden afgewezen; verzoeker zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten hebben te dragen;

BESLISSENDE IN HET INCIDENT:

Wijst het gedaan verzoek af;

Verwijst verzoeker in de kosten van dit proces, aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD……………..

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend President, Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, lid en Mr.D.D.Sewratan, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van 5 november 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.M.G.A.Vos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-38

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME:

GENERALE ROLNUMMER: 14259

Gezien het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 16 augustus 2005, van incidenteel – [verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de mr. F.H.R. Lim A Postraat no.14, bij het Advokatenkantoor Lim A Po van wie mr. F .Kruisland, Advocaat bij het Hof van Justitie, als zijn gemachtigde optreedt, welk verzoekschrift strekt tot het bevelen van staking van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 22 februari 2005 (A.R.no.02/1880), in elk geval voor wat betreft de veroordeling van incidenteel – verzoeker over te gaan tot scheiding en deling met incidenteel – verweerder van de nalatenschap van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2];

Gezien het bestreden vonnis de dato 22 februari 2005 in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 02/1880 gewezen en uitgesproken tussen incidenteel – [verzoeker] en [naam 1] en zeven anderen, incidenteel – verweerders;

Gezien het schrijven de dato 3 maart 2005 van mr. F .Kruisland, Advocaat, waarbij namens incidenteel – verzoeker hoger beroep is aangetekend tegen voormeld vonnis;

Gezien de zich in het procesdossier bevindende bescheiden te weten een afschrift in fotokopie van een vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 22 februari 2005 (A.R.no.02/1880);

Overwegende, dat partijen, ofschoon de behandeling van deze zaak ettelijk keren daarvoor is aangehouden, geen schikking hebben kunnen bereiken;

Overwegende, dat, naar tussen partijen vaststaat, tussen incidenteel – verweerders als eisers en incidenteel – verzoeker als gedaagde op 22 februari 2005 vonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt:

5.1 Veroordeelt gedaagde om met eisers over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van [naam 2], overleden te Paramaribo op 25 februari 1975 en [verweerder sub 2], overleden te Paramaribo op 18 april 1987;

5.2 Benoemt tot boedelnotaris mr. F. Emanuels;

5.3 Benoemt tot onzijdige persoon van eisers: mr. B.G. Beckles.

– Benoemt tot onzijdige persoon van gedaagde: mr. T. Sewdien

5.4 Verklaart dit vonnis voor wat betreft het onder 5.1 van de beslissing vermelde uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 Compenseert de proceskosten tussen partijen, die bloedverwanten in de rechte linie zijn, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Overwegende, dat incidenteel- verzoeker, tegen voormelde beslissing opkomend, aangevoerd heeft, dat zijn veroordeling tot scheiding en deling ten onrechte uitvoerbaar is verklaard bij voorraad; Immers, aldus incidenteel – verzoeker, de uitsluitend in de artikelen 54 en 55 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (BRv) neergelegde regels, voor wat een vonnis tot scheiding en deling van een nalatenschap betreft, zoals in casu, bieden de mogelijkheid om een dergelijk vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; dat incidenteel – verweerders niettemin tot tenuitvoerlegging van voormeld vonnis zijn overgegaan door onder meer aan de bij dat vonnis aangewezen notaris mr. E. Emanuels te verzoeken te staan over de procedure tot scheiding en deling en deze partijen ook dienvolgens heeft opgeroepen om op 8 augustus 2005 voor haar te verschijnen, zulks uiteraard in strijd met artikel 268 BRv; dat hij, incidenteel – verzoeker, ex artikel 272 BRv dan ook recht en belang bij heeft te vorderen, dat de executie van het vonnis de dato 22 februari 2005 (A.R.no.02/1880) wordt gestaakt;

Overwegende, dat het Hof omtrent het zijdens incidenteel – verzoeker gestelde opmerkt, dat artikel 55 BRv naast artikel 56 BRv zelfstandige toepassing moet vinden; dat een vonnis tot scheiding en deling, ofschoon niet in artikel 56 BRv genoemd, bij voorraad uitvoerbaar kan worden verklaard in de gevallen van artikel 55 BRv (vgl.H.R. 4 januari 1940, N.J.1940 no.351);

Overwegende, dat nu geen van de in artikel 55 BRv genoemde gevallen aanwezig is, had het beroepen vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard mogen worden;

Overwegende, dat het zojuist overwogene tot gevolg heeft dat het gedaan verzoek ingewilligd zal worden; incidenteel – verweerders zullen als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces hebben te dragen;

BESCHIKKENDE:

Beveelt de staking van de bereids ingezette executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 22 februari 2005 (A.R.No.02/1880), voor wat betreft de veroordeling van incidenteel – verzoeker over te gaan tot scheiding en deling met incidenteel – verweerders van de nalatenschap van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2];

Veroordeelt incidenteel – verweerders in de proceskosten, aan de zijde van incidenteel – verzoeker gevallen en tot aan deze beslissing begroot op SRD. Nihil;

Aldus gewezen door mr. J.R. Von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g.R.R.Brijobhokun w.g.J.R.Von Niesewand w.g.D.D.Sewratan w.g.H.E.Struiken

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Waarnemend.

 

 

 

SRU-HvJ-2014-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te [plaats], verzoeker,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie ,
rechtspersoon, zetelende te Paramaribo, verweerder,
gemachtigde: mr. L.G. Riedewald

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 09 juni 2010, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 21 juli 2010;
  • de beschikking van het Hof d.d. 23 juli 2010, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 23 juli 2010 met 6 weken is verlengd;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 31 augustus 2010;
  • de beschikking van het Hof d.d. 03 september 2010, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 03 september 2010 wederom met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 13 oktober 2010;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 juli 2011;
  • de pleitnota d.d. 02 december 2011;
  • het antwoordpleidooi d.d. 20 januari 2012;
  • het repliekpleidooi d.d. 16 maart 2012;
  • het dupliekpleidooi d.d. 20 april 2012;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 06 juli 2012, doch nader bepaald op heden.

De motivering

De feiten

  1. Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]” en ”het ministerie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1.1 [Verzoeker] was militaire ambtenaar in vaste dienst van het ministerie, dienende als Soldaat der eerste klasse.

1.2 [Verzoeker] is op 23 juli 2008 in verzekering gesteld en is op 04 december 2008 door de Krijgsraad wegens ontucht met een vrouw beneden veertien jaar, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden.

1.3 Bij beschikking van het ministerie d.d. 01 september 2008, is [verzoeker] te rekenen van 23 juli 2008 in de uitoefening van zijn functie geschorst, waarbij onder andere is

overwogen:

  1. [Verzoeker] met toepassing van artikel 30 sub b juncto artikel 33 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen (WRM) te rekenen van 23 juli 2008 in afwachting van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek en gedurende de periode van zijn inverzekeringstelling in de uitoefening van zijn functie te schorsen;
  1. de vorengenoemde schorsing o.g.v. artikel 30 sub a en c van de WRM te continueren, indien de inverzekeringstelling gevolgd wordt door de oplegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak, totdat de Minister anders heeft beslist; met bepaling dat aan de geschorste Militaire Landsdienaar geen salaris wordt uitbetaald en dat indien [verzoeker] kostwinner mocht zijn, de helft van het salaris zal worden uitbetaald aan de daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden.

1.4 [Verzoeker] heeft op 09 december 2008 tegen vermeld vonnis van de Krijgsraad, hoger beroep aangetekend.

1.5 [Verzoeker] is bij schrijven van het ministerie van Defensie d.d. 16 december 2008, in de gelegenheid gesteld om zich te verweren terzake zijn veroordeling.

1.6 [Verzoeker] heeft op 02 januari 2009 via zijn gemachtigde, schriftelijk gereageerd op vermeld schrijven.

1.7 Aan [verzoeker] is vanaf 29 februari 2009 tot aan de ingangsdatum van zijn ontslag, geen salaris uitbetaald.

1.8 Bij schrijven van het ministerie d.d. 31 maart 2009, is [verzoeker] wederom in de gelegenheid gesteld om zich te verweren, welk schrijven op 14 april 2009 is doorgeleid naar de gemachtigde van [verzoeker].

1.9 [Verzoeker] heeft op 17 april 2009 via zijn gemachtigde, schriftelijk gereageerd op vermeld schrijven.

1.10 In juli 2009 heeft [verzoeker] kennis genomen van de schorsingsbeschikking d.d. 01 september 2008.

1.11 [Verzoeker] is op 18 september 2009 voorlopig in vrijheid gesteld.

1.12 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 06 mei 2010 no. [nummer], is aan [verzoeker] ingevolge artikel 35 lid 2 WRM ontslag verleend wegens plichtsverzuim, waarbij tevens is bepaald, dat [verzoeker] ingevolge artikel 39 WRM juncto artikel 28 lid 3 van de Personeelswet en artikel 1614b van het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW), te rekenen vanaf 04 december 2008 tot en met de datum van ontslag, geen aanspraak maakt op salaris, waarbij ondermeer is overwogen:

– dat [verzoeker] op 23 juli 2008 in verzekering werd gesteld als verdacht van zich schuldig te hebben gemaakt aan ontucht met (lees: een) vrouw beneden 14 jaren;

– dat [verzoeker] bij schrijven van de Onderdirecteur Personeel en Algemeen van 31 maart 2009 in de gelegenheid werd gesteld zich schriftelijk te verweren, maar hij heeft nimmer gereageerd;

– dat [verzoeker] zich na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009 niet volgens de gebruikelijke procedure heeft aangemeld bij de Rehabilitatie Commissie op het Centraal kantoor van het ministerie;

– dat het voorgaande plichtsverzuim oplevert en gezien de aard van het delict waarvoor hij is veroordeeld, het niet mogelijk is om het dienstverband met hem voort te zetten.

1.13 De beschikking voornoemd is op 27 mei 2010 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

1.14 [Verzoeker] heeft bij de ambtenarenrechter een zaak in behandeling bekend onder A-685 terzake schorsing en uitbetaling van salaris.

De vordering en het verweer daartegen

2.1. [Verzoeker] vordert ondermeer, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

– nietig te verklaren de ten rekeste gemelde beschikking van de Minister van Defensie d.d. 06 mei 2010 (no.[nummer]);

– het ministerie te veroordelen om gerekend vanaf februari 2009 het achterstallig salaris van [verzoeker], vermeerderd met alle emolumenten, aan hem uit te betalen.

2.2. [Verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het besluit tot zijn ontslag vooralsnog een feitelijke grondslag ontbeert, alsmede dat de bevoegdheid van het ministerie om hem te ontslaan wegens plichtsverzuim in deze gebruikt is voor een ander doel dan waarvoor het gegeven is. Dit vanwege het simpele feit dat het vermeende verzuim rechtens nog niet is komen vast te staan als gevolg van het uitblijven van de behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van [verzoeker]. [Verzoeker] heeft gesteld dat hij zich terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009, heeft aangemeld bij zijn directe leidinggevende, majoor [naam].

2.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering erop neerkomende, dat [verzoeker] zich vanaf zijn voorlopige invrijheidstelling op 18 september 2009, niet heeft aangemeld bij de Departementsleiding, waardoor [verzoeker] met toepassing van artikel 35 lid 2 van de Wet Rechtspositie Militairen (WRM) wegens plichtsverzuim bij beschikking d.d. 06 mei 2010, is ontslagen. Voorts wordt aangevoerd, dat [verzoeker] vanaf zijn inverzekeringstelling geen arbeid heeft verricht en dus geen aanspraak maakt op salaris.

De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof overweegt dat, gelet op de vordering van [verzoeker], zij op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet, bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

3.2 Door het ministerie is aangevoerd dat [verzoeker] ingevolge artikel 57 WRM juncto artikel 78 van de Personeelswet, gebruik had moeten maken van de beklag procedure en bij de President van de Republiek Suriname in beroep had moeten gaan. Het Hof begrijpt dat het ministerie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn vordering, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van voornoemde beklagprocedure.

3.3 Het Hof stelt voorop dat artikel 78 lid 1 van de Personeelswet als uitzondering op de beklagprocedure voorschrijft, het geval wanneer ingevolge artikel 79 lid 1 van de Personeelswet een vordering is ingesteld. Voorts wordt overwogen dat de beklagprocedure facultatief is en dus niet verplicht is. Nu, in casu dit het geval is, wordt geconcludeerd tot ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn vorderingen. Het verweer van het ministerie wordt daarom verworpen.

3.4 Voorop wordt gesteld dat er in casu (nog) geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf, zodat de veroordeling van [verzoeker] door de Krijgsraad geen grond kan zijn voor het ontslag. Ook de overweging in de ontslagbeschikking dat [verzoeker] nimmer heeft gereageerd op het schrijven van het ministerie d.d. 31 maart 2009, houdt geen stand, nu uit de overgelegde correspondentie blijkt, dat [verzoeker] wel degelijk heeft gereageerd op vermeld schrijven op 17 april 2009.

3.5 Met betrekking tot het gestelde plichtsverzuim wordt overwogen, dat in de ontslagbeschikking is overwogen dat [verzoeker] zich, na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009, niet volgens de gebruikelijke procedure heeft aangemeld bij de Rehabilitatie Commissie op het Centraal kantoor van het Ministerie. Volgens het ministerie (verweerschrift) heeft [verzoeker] pas op 04 januari 2010 contact gemaakt met zijn vroegere directe commandant. [Verzoeker] daarentegen blijft erbij dat hij zich terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009, heeft aangemeld bij zijn directe commandant en niet ervan op de hoogte was, dat hij zich bij voornoemde Commissie moest aanmelden. Bovendien heeft zijn meerdere hem evenmin doorverwezen naar voornoemde Commissie.Nu het ministerie in haar nadere conclusies niet meer heeft gepersisteerd bij haar stelling dat [verzoeker] pas op 04 januari 2010 contact heeft gemaakt met het ministerie, wordt geconcludeerd dat [verzoeker] zich terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009 heeft aangemeld bij het ministerie.

3.6 Het ministerie persisteert bij haar stelling dat [verzoeker] bekend was met de aanmeldingsprocedure na zijn invrijheidstelling, omdat zulks één van de informaties is die de militairen vanaf de opleiding wordt medegedeeld door de Rehabilitatie Commissie van het ministerie. [verzoeker] heeft dit weersproken. Bovendien, voert [verzoeker] aan dat zijn directe meerdere alstoen, bij wie hij zich had aangemeld, hem dat ook niet heeft medegedeeld noch heeft doorverwezen naar de Rehabilitatie Commissie.Aangezien het ministerie niet heeft weersproken dat [verzoeker] zich terstond na zijn invrijheidstelling heeft aangemeld bij zijn directe meerdere, wordt het ervoor gehouden dat [verzoeker] heeft voldaan aan de vereiste aanmelding voor hervatting van de dienst terstond na zijn invrijheidstelling op 18 september 2009. Het nalaten van zijn meerdere om hem door te geleiden naar de Rehabilitatie Commissie, dan wel aanhem te vragen als hij zich had aangemeld bij de Rehabilitatie Commissie, kan [verzoeker] niet worden tegengeworpen, zodat dit geen plichtsverzuim oplevert en geen grond kan zijn voor ontslag.

3.7 Met betrekking tot het niet mogelijk zijn om het dienstverband met [verzoeker] voort te zetten, gezien de aard van het delict waarvoor hij is veroordeeld, wordt overwogen dat het strafrechtelijk onderzoek tegen [verzoeker] door het instellen van hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg, nog steeds gaande is, waardoor er geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling. Als gevolg hiervan kan de veroordeling noch de aard van het delict als grond voor het ontslag dienen.

3.8 Het Hof concludeert op grond van het vorenoverwogene dat de in de ontslagbeschikking d.d. 06 mei 2010 (no.[nummer]) genoemde gronden niet als grondslag voor het ontslag kunnen dienen. Eveneens wordt geconcludeerd dat de grondslag van artikel 35 lid 2 WRM juncto artikel 69 lid 2 van de Personeelswet vermeld in voornoemde ontslagbeschikking vele ontslaggronden omvat, welke niet nader is gespecificeerd met betrekking tot het onderhavig geval. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de ontslagbeschikking d.d. 06 mei 2010 (no. [nummer]) een deugdelijke grondslag mist, weshalve deze niet in stand kan worden gelaten. Bovendien, wordt overwogen dat ingevolge artikel 63 lid 3 van de Personeelswet, de procureur-generaal in de gelegenheid had moeten worden gesteld om terzake advies uit te brengen, alvorens de tuchtstraf van ontslag op te leggen, nu er in casu sprake is van een samenloop van een strafrechtelijk en een tuchtrechtelijk onderzoek. De ontslagbeschikking voornoemd zal derhalve nietig worden verklaard.

3.9 Ten aanzien van het gevorderde achterstallig salaris vanaf februari 2009, wordt overwogen dat [verzoeker] tot 29 februari 2009 zijn volledige salaris heeft ontvangen, hoewel zijn daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden ingevolge de beschikking d.d. 01 september 2008, welke in juli 2009 is ingegaan, slechts recht hadden op de helft van zijn salaris vanwege het feit dat [verzoeker] kostwinner is. Aangezien de ontslagbeschikking voornoemd, nietig zal worden verklaard, zal de schorsing vanwege het ministerie bij beschikking d.d. 01 september 2008, ingegaan in juli 2009, ingevolge artikel 30 juncto artikel 33 WRM, wederom van kracht zijn. Als gevolg hiervan hebben de daarvoor in aanmerking komende rechthebbenden van [verzoeker] vanaf 29 februari 2009, ingevolge de beschikking d.d. 01 september 2008, recht op de helft van zijn maandelijkse salaris. Nu [verzoeker] zelf, ingevolge de beschikking d.d. 01 september 2008, geen recht heeft op salaris gedurende de schorsing, zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat dat gedeelte van zijn vordering betreft.

De beslissing

Het Hof:

4.1 Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Defensie d.d. 06 mei 2010 no.1884/10.

4.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering betreffende het achterstallig salaris;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 20 juni 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde, advocaat mr. D.S. Kraag en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, L.G. Riedewald, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Eiser],
Wonende in het [district],
eiser, hierna aangeduid als “[eiser]”,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerster, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. P.J. Campagne, advocaat,

spreekt de Fungerend-President , in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest jo artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • verzoekschrift d.d. 12 april 2010, ter griffie ontvangen op 14 april 2010, met producties;
  • verweerschrift d.d. 6 juli 2010;
  • de beschikking van het Hof van 26 oktober 2010 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 7 januari 2011;
  • Het proces-verbaal d.d. 7 januari 2011 betreffende het verhoor van partijen;
  • Het proces-verbaal d.d. 4 maart 2011 en 15 april 2011 betreffende de voortzetting van het verhoor van partijen;
  • De conclusie tot overlegging van stukken zijdens de Staat d.d. 15 april 2011;
  • pleitnota d.d. 20 mei 2011, met productie;
  • antwoordpleidooi d.d. 15 juli 2011;
  • repliekpleidooi d.d. 7 oktober 2011;
  • dupliekpleidooi d.d. 4 november 2011.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten
2.1 [Eiser] is als ambtenaar in dienst van de Staat (geweest) als agent van politie eerste klasse.

2.3 Bij beschikking van de Minister van Justitie d.d. 4 maart 2005, Justitie no. [nummer]; K.A. no. [nummer 2] is [eiser] ontslagen. De overwegingen in deze beschikking luiden als volgt:
dat … [eiser]… in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, tewerkgesteld op het politiestation Calcutta, blijkens strafdossier no. [nummer 3] de dato 14 april 2003, wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 371 jo. 72, jo. 73; 370 jo. p72 jo. 73; 382 jo. 69; 381 jo. 69; 480 jo. 69 van het wetboek van strafrecht op 28 juni 2003 in verzekering werd gesteld…
dat uit een terzake ingesteld onderzoek zoals vastgelegd in voormeld strafdossier is gebleken dat de heer [eiser] in de maand april 2003 in het ressort Calcutta in het gewest Saramacca tijdens het lossen van in beslag genomen whisky en sigaretten uit twee vissersvaartuigen, waarvan vermoed werd dat deze whisky en sigaretten gesmokkeld zouden worden naar het buitenland, een deel van de goederen heeft laten inladen in een politiewagen en die zich wederrechtelijk heeft toegeëigend en/of deze goederen heeft weggenomen met het oogmerk die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
dat terwijl [eiser] bij Josiekreek de volledige verantwoordelijkheid had bij het wegvaren van de boten met de inbeslaggenomen smokkellading hij opzettelijk gelegenheid heeft geboden aan militairen, door zich passief op te stellen, om uit één der boten 12 kartonnen dozen whisky en sigaretten weg te nemen;
dat ondanks [eiser] voornoemd er kennis van droeg dat een zijruit van een der containerwagens openstond, hij geen maatregelen heeft getroffen deze te sluiten of te doen afsluiten.

2.4 [Eiser] heeft de ontslagbeschikking ontvangen op 22 april 2005.

2.5 [Eiser] is bij schrijven van zijn toenmalig gemachtigde d.d. 26 april 2005 in beroep gegaan bij de President van de Republiek Suriname. Van deze functionaris is generlei reactie ontvangen.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiser vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:
a. Nietig te verklaren, althans te vernietigen het besluit van de Staat d.d. 4 maart 2005, no. [nummer] K.A. no. Nummer 2];
b. De Staat te gelasten hem weer toe te laten tot zijn werkkring en hem in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te verrichten, alsmede hem daarvoor zijn salaris te betalen;
c. De Staat te gelasten de veroordeling te gehengen en te gedogen.

3.2 Ter onderbouwing van zijn vordering heeft eiser aangevoerd dat het door hem gelaakt besluit jegens hem onrechtmatig is omdat:
1. Daarin ten onrechte is gesteld dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten vermeld in de eerste overweging van de betreffende beschikking;
2. Hij nimmer in strijd met enige ambtsinstructie heeft gehandeld, zodat geen sprake kan zijn van door hem gepleegd plichtsverzuim;
3. De beschikking in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid, het evenredigheidsbeginsel en de Minister bij het geven van de beschikking geen rekening heeft gehouden met zijn morele, financiële en huiselijke omstandigheden en het tijdsverloop vanaf het tijdstip van het gepleegd feit.

3.3 De Staat heeft de vordering weersproken.
Het Hof komt, voor zover van belang, daarop bij de beoordeling terug.

Bevoegdheid

3 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

In artikel 47 van het Politiehandvest (G.B 1971, no. 70) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken –dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot zaken betreffende ambtenaren van politie.
Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een ambtenaar van politie, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

De beoordeling van het geschil

4.1 Geconstateerd wordt dat in het Politiehandvest geen voorziening is getroffen voor het aanhangig maken van een procedure bij het ambtenarengerecht in gevallen waarbij een besluit op een beklag binnen de administratie is uitgebleven, gelijk in casu het geval is.

In artikel 32 van het Politiehandvest is bepaald dat de algemene regelen omtrent de rechtspositie van landsdienaren mede van toepassing zijn op de ambtenaren van politie, voor zover daarvan niet uitdrukkelijk in het Politiehandvest is afgeweken. De rechtspositie van de landsdienaren is vastgelegd in de Personeelswet.
Artikel 80 lid 3 van de Personeelswet schrijft voor dat vorderingen als bedoeld in artikel 79 , eerste lid (onder meer tot nietigverklaring van een besluit genomen ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar wegens strijd met een wettelijk beginsel of strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur) niet ontvankelijk zijn indien overeenkomstig artikel 78 beklag is gedaan, zolang daarop nog niet is beslist, dan wel vier maanden sedert de indiening van het beklag zijn verlopen zonder dat daarop een beslissing is gevolgd.
Hieruit volgt dat degene die beklag heeft gedaan binnen de administratie, zo hij generlei reactie ontvangt, na ommekomst van vier maanden wel in een door hem gedaan verzoek kan worden ontvangen door het ambtenarengerecht. Geconcludeerd wordt derhalve dat, nu het schrijven zijdens [eiser] aan de President gedateerd is op 26 april 2005, hij reeds op 26 augustus 2005 een verzoek tot vernietiging van het door hem bestreden besluit had kunnen doen. Nu zowel in artikel 47 van het Politiehandvest als in artikel 80 van de Personeelswet de betrokken ambtenaar een maand de tijd wordt gegund om een verzoek tot nietigverklaring van een ten aanzien van hem genomen besluit in te dienen, wordt geconcludeerd dat [eiser] een dergelijk verzoek uiterlijk 26 september 2005 had moeten richten aan het ambtenarengerecht.
Het aan het ambtenarengerecht gericht verzoek van [eiser] dateert echter van 12 april 2010. Tijdens het verhoor van partijen van 7 januari 2011 heeft [eiser] verklaard dat hij eerst na 5 jaren opkomt tegen het ontslag omdat mr. Truideman eerst zijn gemachtigde was en daarna mr. Marica. De door [eiser] gestelde reden voor het verstrijken van vijf jaar voordat hij het ambtenarengerecht adieerde, komt naar het oordeel van het Hof voor zijn rekening en verantwoording en kan niet worden gezien als overmacht aan zijn zijde. Er is derhalve generlei aanleiding om de onderhavige vordering tot vernietiging van een door de Staat ten aanzien van [eiser] genomen besluit ingevolge het vierde lid van artikel 79 van de Personeelswet alsnog ontvankelijk te verklaren.
Gezien al het hiervoor overwogene komt het Hof tot de conclusie dat [eiser] tardief is in zijn vordering, zodat hij daarin niet ontvankelijk zal worden verklaard.

4.2 Het Hof overweegt ten overvloede dat, ook indien het verzoekschrift niet tardief was geweest, de ontslagbeschikking niet voor nietigverklaring in aanmerking zou kunnen komen.
In het ambtenarentuchtrecht gelden immers niet de zeer strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Nu de Staat ten aanzien van “plichtsverzuim” de ruimte is gelaten om deze term verder in te vullen, is naar het oordeel van het Hof in deze sprake van beoordelingsruimte zijdens de Staat, zodat bij de beoordeling in rechte slechts marginaal getoetst mag worden; ter beoordeling van het Hof ligt slechts de vraag open of de Staat in redelijkheid tot de bestreden beslissing had kunnen komen.
In het door de Staat overgelegd strafdossier zijn aangetroffen processen-verbaal van verhoor van de van smokkel verdachte personen te weten [naam], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6], wiens verklaringen een eenduidig beeld scheppen: [eiser] was aanwezig bij het lossen van de boten, waarbij hij erop moest letten dat de lading in de goede richting werd vervoerd; op een gegeven moment hebben op openlijke wijze, zelfs onder luide claims dat bepaalde kartonnen dozen alcohol van hen waren, de aldaar aanwezige militairen, ambtenaren van politie en burgers zich delen van de in beslag genomen goederen toegeëigend. De verklaringen van deze verdachten vinden steun in de zich in het strafdossier bevindende verklaringen van de arrestanten die ook zijn ingezet bij het lossen van de smokkelwaar. In de meeste gevallen hebben degenen die deze verklaringen aflegden tevens zichzelf belast, zodat naar het oordeel van het Hof de afgelegde verklaringen geloofwaardig mogen worden geacht.
Tijdens het gehouden buurtonderzoek is door buurtbewoners verklaard dat alle politie privé auto’s, militaire auto’s en de politie dienstauto (Witte Hi Lux) werden volgeladen met smokkelwaar door enkele sjouwers, militairen, maar ook politiemannen. Daarbij zou de witte Hi Lux van de politie, maar ook enkele andere voertuigen, zodanig zwaar zijn beladen geweest, dat de voorzijde bij het wegrijden de lucht in wees. Een en ander zou door een burger zelfs vanaf zijn woonhuis te zien zijn geweest.
Het in deze verklaringen van verdachten, arrestanten en burgers geschetst beeld doet het Hof concluderen dat een verduistering op dusdanige wijze gepleegd, niet heimelijk kan zijn geschied, doch voor elk van de aldaar aanwezigen kenbaar moet zijn geweest. Vast staat dat [eiser] ter plekke aanwezig was, zodat naar het oordeel van het Hof de verduistering van de in beslag genomen goederen in ieder geval aan hem kenbaar is geweest. Dit oordeel van het Hof vindt steun in de verklaring van [naam 7] van 21 juni 2003 (pagina 400 e.v. van het strafdossier) die verklaard heeft “Ik kreeg gelijk te horen van de agent [eiser] dat [naam 8] en [naam 9] goederen in hun voertuigen hebben geplaatst en ermee zijn weg gereden.”
Het Hof acht op grond van de voorhanden zijnde gegevens de conclusie dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim voldoende onderbouwd. Het gepleegde feit is dermate ernstig dat de door de Staat opgelegde tuchtstraf niet onredelijk wordt geacht. Het komt het Hof namelijk voor dat een functionaris die vanwege zijn functie belast is met het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, en die zich juist tijdens de uitoefening van zijn functie schuldig maakt aan dergelijke handelingen, ongeacht of dat nu actief dan wel passief is geschiedt, volstrekt ongeschikt is voor het uitoefenen van die functie. Niet kan worden staande gehouden dat de Staat in dit geval bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om van zijn ontslagbevoegdheid gebruik te maken.
Het vrij grote tijdsverloop tussen het moment van het plichtsverzuim en de datum van de ontslagbeschikking zou, nu het ernstig plichtsverzuim voldoende is onderbouwd, in casu niet resulteren in nietigverklaring van de ontslagbeschikking, doch zou slechts aanleiding kunnen zijn tot vergoeding van door [eiser] eventueel geleden schade. De Staat heeft aangevoerd dat het salaris van [eiser] is doorbetaald, hetgeen hij niet heeft betwist, zodat van schade zijdens hem geen sprake is.

De beslissing

Het hof:

Verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van justitie van vrijdag 2 mei 2014 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Marica en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. P.J. Campagne, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-18

A-728

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als ”[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. E.M. Fraenk, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest jo. artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– het verzoekschrift ter griffie ontvangen op 16 maart 2011, met producties;

– het verweerschrift ter griffie ontvangen op 26 april 2011, met producties;

– de beschikking van het Hof van 2 mei 2011 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 5 augustus 2011;

– het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de mondelinge behandeling meermalen is uitgesteld;

– het proces-verbaal van de op 18 november 2011 gehouden mondelinge behandeling;

– de pleitnota d.d. 6 januari 2012;

– de antwoord pleitnota, overgelegd op 3 februari 2012;

– de repliek pleitnota d.d. 2 maart 2012;

– de dupliek pleitnota, overgelegd op 20 april 2012, met een productie.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten

2.1 [Verzoekster] is als politieambtenaar 1ste klasse in vaste dienst geweest van de Staat.

2.2 [Verzoekster] heeft op 9 november 2005 een verzoek ingediend om met ingang van februari 2006 in aanmerking te komen voor de zogenoemde 18-maanden regeling. Op dit verzoek is geen formele reactie van de Staat ontvangen.

2.3 Na een gesprek met de Korpschef en een functionaris van de HRM-afdeling heeft [verzoekster] in februari 2006 opnieuw een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor de 18-maanden regeling. Zij heeft daarbij tevens drie maanden verlof buiten bezwaar aangevraagd.

2.4 In juni 2006 heeft een functionaris van de HRM-afdeling [verzoekster], toen zij navraag deed, medegedeeld dat er nog geen resultaat was en dat zij nogmaals 3 maanden verlof buiten bezwaar moest aanvragen.

2.5 [Verzoekster] is door een functionaris van de HRM-afdeling opgebeld met de mededeling dat hij van het Hoofd van de afdeling Personeelszaken een aantekening had gekregen dat zij, [verzoekster], in afwachting van het resultaat van het verzoek geen recht had op verlof buiten bezwaar en dat zij zich diende aan te melden op de werkplek. [Verzoekster] heeft zich niet op de werkplek aangemeld.

2.6 [Verzoekster] is in januari 2010 opgeroepen door het waarnemend Hoofd HRM die tijdens een gesprek aangaf dat hij een rapport betreffende de gang van zaken zou opmaken voor de Korpschef.

2.7 [Verzoekster] heeft bij schrijven van 23 april 2010 aan de Minister van Justitie en Politie het verzoek gedaan haar salaris te doen uitkeren en het daarheen te leiden dat er een besluit wordt genomen op het door haar gedaan verzoek. Op dit schrijven heeft zij geen reactie ontvangen.

2.8 De Korpschef heeft bij schrijven d.d. 8 oktober 2010, K.A. no. [nummer], [verzoekster] het volgende bericht:

”In de periode 1 augustus 2005 tot en met 7 februari 2006 werd aan u verlof toegekend in afwachting op de goedkeuring van uw verzoek om de 18 maanden regeling. Aangezien uw verzoek om de 18 maanden regeling nog in behandeling was hebt u verlof buiten bezwaar aangevraagd gedurende de periode 8 februari 2006 tot en met 31 maart 2007 welke aan u werd verleend. Na uw verlof buiten bezwaar is uw verzoek om de 18 maanden regeling niet in behandeling genomen en diende u uw diensten te rekenen van 1 april 2007 te hervatten. Gelet op het feit dat u uw diensten niet hebt hervat, zal het proces tot uw ontslag op grond van artikel 69 lid 2 sub K van de Personeelswet worden ingezet.”

2.9 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 31 januari 2011, no. [nummer 2], is aan [verzoekster] ontslag uit staatsdienst verleend.

In deze beschikking, hierna aangeduid als ”de ontslagbeschikking”, is daartoe overwogen: ”dat aan (…) [Verzoekster] op eigen verzoek gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 7 februari 2006 verlof is toegekend in afwachting op de goedkeuring van het verzoek om de 18 maanden regeling.

dat het verzoek om de 18 maanden regeling nog in behandeling was en heeft betrokkene verlof buiten bezwaar aangevraagd gedurende de periode 8 februari 2006 tot en met 31 maart 2007 welke aan haar werd verleend.

dat na verlof buiten bezwaar betrokkene haar werkzaamheden diende te hervatten te rekenen van 1 april 2007.

dat betrokkene tot op heden haar werkzaamheden niet heeft hervat en ook geen bericht van verhindering heeft verzonden;

dat dezerzijds dan ook aanleiding bestaat het onwettig verzuim van de mevrouw

[verzoekster] voornoemd als laakbaar aan te merken in die zin dat aan betrokkene met toepassing van artikel 69 lid 2 sub K van de Personeelswet wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst, ontslag uit staatsdienst dient te worden verleend.”

2.10 In de ontslagbeschikking is bepaald dat het ontslag overeenkomstig het bepaalde in artikel 71 lid 6 sub 1 van de Personeelswet te rekenen van 1 april 2007 is ingegaan.

2.11 [Verzoekster] heeft op 17 februari 2011 een afschrift van de ontslagbeschikking ontvangen.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:

  1. het besluit vervat in de ontslagbeschikking te vernietigen, dan wel nietig te verklaren;
  2. de Staat te veroordelen om haar bij wege van schadevergoeding, namelijk inkomstenderving, uit te keren haar salaris vanaf mei 2006, ad SRD 940,-, vermeerderd met alle in de tussentijd toegekende salarisverhogingen en looncorrecties, alsmede conform de salarisaanpassingen ingevolge het Fiso-systeem totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze beëindigd is;
  3. de Staat te veroordelen tot betaling, bij wege van schadevergoeding, van de SZF premie vanaf mei 2006 ad SRD 180,-, totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze beëindigd is;
  4. de Staat te veroordelen om over de onder B en C gevorderde bedragen de wettelijke rente te voldoen;
  5. de Staat te veroordelen tot betaling van de vertragingsrente van 50% van het loon ingevolge artikel 1614 q lid 1 van het Burgerlijk Wetboek;
  6. de Staat te veroordelen binnen een week, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn, een besluit te nemen ten aanzien van het door haar op 9 november 2005, dan wel het in februari 2006 opnieuw ingediende verzoek, om in aanmerking te komen voor de zgn. 18 maanden regeling, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke dag dat de Staat hiermee in gebreke mocht blijven;
  7. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Ter onderbouwing van de vordering heeft [verzoekster] aangevoerd dat:

  1. de Staat in gebreke is gebleven een besluit te nemen op het verzoek om in aanmerking te komen voor de 18 maanden regeling.
  2. de grondslag van het ontslagbesluit onduidelijk is: niet geheel duidelijk is of haar de tuchtstraf van ontslag is opgelegd, gelijk in het onderwerp van de ontslagbeschikking is vermeld, of dat zij met toepassing van artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet is ontslagen, zoals in het lichaam van het ontslagbesluit is vermeld, zodat het ontslagbesluit geen stand kan houden.
  3. het niet mogelijk is een ambtenaar van politie een tuchtstraf op te leggen op basis van de Personeelswet; de ambtenaren van politie hebben een bijzondere c.q. afwijkende positie ten opzichte van de overige landsdienaren. Artikel 2 lid 3 van de Personeelswet bepaalt dat het bepaalde in deze wet betreffende de buitenfunctiestelling, de tuchtstraffen en de rechtsmiddelen hiertegen niet van toepassing is op de ambtenaren van politie.

De bepaling krachtens welke aan ambtenaren van politie de tuchtstraf van ontslag kan worden opgelegd is artikel 40 lid 1 j van het Politiehandvest, dat afwijkt van artikel 61 lid 1 sub j Personeelswet. Elk besluit tot ontslag gebaseerd op artikel 61 lid 1 sub j Personeelswet is derhalve nietig c.q. vernietigbaar.

  1. zij verschillende malen heeft aangegeven dat zij bereid was haar werkzaamheden voor het KPS te hervatten en gedurende de hele tijd is blijven informeren naar de status van het verzoek; desondanks is de uitbetaling van haar salaris in mei 2006 stopgezet en heeft de Staat nagelaten de premie voor haar ziektekostenverzekering aan het Staatsziekenfonds te voldoen. Zij lijdt hierdoor schade bestaande uit het verschuldigd salaris en de door haar aan het SZF voldane premie ad SRD 180,- per maand vanaf mei 2006.
  1. zij zich niet heeft kunnen verweren, terwijl zulks ingevolge artikel 44 van het Politiehandvest geboden is alvorens een tuchtstraf aan een ambtenaar wordt opgelegd, zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
  1. de overwegingen die geleid hebben tot de beslissing in strijd zijn met de waarheid:

– het verlof gedurende de periode 1 augustus 2005 tot en met 7 februari 2006 was geen verlof in afwachting van de goedkeuring van het verzoek om de 18 maanden regeling. Dit verzoek is immers pas in november 2005 ingediend;

– nooit is aan haar te kennen gegeven dat zij per 1 april 2007 haar werkzaamheden diende te hervatten;

– het is niet waar dat zij geen bericht van verhindering heeft verzonden; zij heeft steeds contact gehouden met de Staat, althans de afdeling HRM van het Korps Politie Suriname, de Korpschef of de Minister van Justitie en Politie.

  1. het ontslag in strijd met artikel 71 lid 6 Personeelswet en het beginsel van rechtszekerheid met terugwerkende kracht is verleend.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid

4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, alsmede over vorderingen tot vergoeding van schade.

Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

In artikel 47 van het Politiehandvest (G.B. 1971, no. 70) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot zaken betreffende ambtenaren van politie.

Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een ambtenaar van politie, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

4.2 Ten aanzien van het onder F gevorderde, constateert het Hof dat in artikel 79 van de Personeelswet, waarin de bevoegdheid van het Hof in ambtenarenzaken limitatief is omschreven, een dergelijke vordering niet is vervat.

Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

5.1 Zijdens de Staat is niet betwist dat de ontslagbeschikking op 17 februari 2011 aan [verzoekster] ter kennis is gebracht, zodat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid hiervan zal worden uitgegaan. Nu het verzoekschrift op 16 maart 2011 ter griffie is ontvangen, is verzoekster ontvankelijk in haar vordering tot nietigverklaring van het ontslagbesluit.

5.2 Ten aanzien van de door [verzoekster] gevorderde schadevergoeding overweegt het Hof het volgende:

Ingevolge artikel 80 lid 2 sub b van de Personeelswet zijn dergelijke vorderingen niet ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld – voor zover zij betrekking hebben op een genomen besluit of een verrichte handeling – meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht, dan wel de handeling geacht kan worden te zijner kennis te zijn gekomen.

In casu komt [verzoekster] op tegen het niet uitbetalen van het maandelijks salaris en het niet voldoen van de maandelijkse premie aan het Staatsziekenfonds. Naar het oordeel van het Hof is, vanwege het maandelijks terugkerend karakter van deze handelingen, uiterlijk aan het begin van de daarop volgende maand kenbaar voor [verzoekster] dat het salaris over die maand niet is gestort. Uit de stellingen in het verzoekschrift blijkt daarnaast dat de stopzetting van de uitbetaling van het salaris en het niet voldoen van de premie aan het Staatsziekenfonds reeds in de maand mei 2006 door [verzoekster] is opgemerkt, aangezien zij dit ten aanzien van hetsalaris expliciet stelt en dit ten aanzien van de premie valt af te leiden uit het feit dat zij vanaf mei 20O6 de premie zelf heeft voldaan.

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat [verzoekster] slechts ontvangen kan worden in de vordering tot vergoeding van de schade gelegen in de periode van 1 (één) maand voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift op 16 maart 2011, dit is de door [verzoekster] gestelde schade door het niet uitbetalen van het salaris en het niet voldoen van de premie aan het SZF over de maand februari 2011 en de daarop volgende maanden.

De beoordeling van het geschil

6.1 Het Hof constateert allereerst dat in het lichaam van de ontslagbeschikking slechts het niet hervatten van de dienst na verlof of vrijstelling van dienst als ontslaggrond is vermeld.

Hoezeer ook de vermelding van een andere grond voor ontslag in de duiding van het onderwerp van de ontslagbeschikking blijk geeft dat sprake is geweest van een onzorgvuldige redigering van de ontslagbeschikking, heeft dit echter naar het oordeel van het Hof niet tot gevolg dat het ontslagbesluit nietig is, zodat aan deze stelling van [verzoekster] zal worden voorbijgegaan.

6.2 Het Hof constateert tevens dat in artikel 2 lid 3 van de Personeelswet is bepaald dat de regeling met betrekking tot de buitenfunctiestelling, de tuchtstraffen en de rechtsmiddelen daartegen niet van toepassing is op de ambtenaren van politie.

Het ontslag wegens het niet hervatten van de dienst na verlof of vrijstelling van dienst is echter geen ontslag wegens plichtsverzuim, aangezien in artikel 69 lid 2 van de Personeelswet is bepaald dat deze mogelijkheid bestaat naast de mogelijkheid om ontslag wegens plichtsverzuim te verlenen, zodat een dergelijk ontslag niet kan worden gezien als een tuchtstraf.

Het Hof constateert verder dat in het Politiehandvest geen regeling is getroffen ten aanzien van het niet hervatten van de dienst na verlof of vrijstelling van dienst, zodat de algemene regeling in de Personeelswet eveneens van toepassing is op de ambtenaren van politie.

Aan het in dit kader door [verzoekster] gestelde komt dan ook geen gevolg toe.

6.3 Het Hof constateert eveneens dat tussen partijen in het geding is de vraag of [verzoekster] slechts eenmaal, dan wel tweemaal een verzoek heeft ingediend ter verkrijging van verlof buiten bezwaar.

[Verzoekster] stelt dat zij dit slechts eenmaal heeft gedaan en wel in februari 2006 voor de duur van drie maanden. De Staat heeft aangevoerd dat zij een tweede verzoek daartoe heeft ingediend en dat beide verzoeken zijn ingewilligd.

Indien ervan moet worden uitgegaan dat, gelijk [verzoekster] stelt, slechts eenmaal een verzoek tot verlof buiten bezwaar is ingediend, betekent dit, nu de Staat heeft aangevoerd dat dit verzoek is ingewilligd, dat het aan [verzoekster] toegekend verlof buiten bezwaar is geëindigd drie maanden na februari 2006, derhalve in de maand mei 2006.

Tussen partijen is niet in het geding dat op dat moment nog geen besluit was genomen op het verzoek zijdens [verzoekster] om in aanmerking te komen voor de 18-maanden regeling. Naar dezerzijdse mening heeft dat tot gevolg dat [verzoekster] na ommekomst van haar verlof buiten bezwaar haar werkzaamheden diende te hervatten, gelijk haar in juni 2006 ook is medegedeeld door een functionaris in dienst van de Staat, werkzaam op de HRM-afdeling van het Korps Politie Suriname.

[Verzoekster] heeft daarbij gesteld dat het voor haar niet mogelijk is geweest haar werkzaamheden te hervatten omdat zij al enorm veel tijd en energie in haar bedrijf had gestopt en in verband daarmee verschillende afspraken had lopen, zodat het voor haar jonge onderneming een strop zou kunnen betekenen indien zij haar werkzaamheden bij het Korps Politie Suriname op dat moment zou hervatten. Zij heeft dit ook te kennen gegeven aan de betreffende functionaris van de afdeling HRM.

Naar het oordeel van het Hof blijkt uit deze stelling van [verzoekster] dat zij zichzelf in de onmogelijkheid – zo daarvan sprake zou zijn – heeft gebracht om na ommekomst van haar verlof buiten bezwaar, haar werkzaamheden in dienst van de Staat te hervatten. Dergelijk handelen en de gevolgen die daaruit voortspruiten dienen voor haar rekening te blijven.

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat reeds in de maand juni 2006 er sprake van is geweest dat [verzoekster] haar werkzaamheden niet heeft hervat na afloop van verlof of vrijstelling van dienst, hetgeen ingevolge artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet een ontslaggrond oplevert.

6.4 Het Hof is echter met [verzoekster] van oordeel dat het aan haar verleend ontslag niet met terugwerkende kracht mocht worden verleend.

De Staat heeft aangevoerd dat artikel 71 lid 6 van de Personeelswet daartoe de ruimte biedt, aangezien daarin is bepaald dat het ontslag wordt verleend met onmiddellijke ingang alsook dat de artikelen 5 en 6 van de Personeelswet buiten toepassing blijven.

Allereerst stelt het Hof vast dat in artikel 71 van de Personeelswet sprake is van verlening van het ontslag en niet, gelijk als uitgangspunt is gehanteerd in de ontslagbeschikking, van een ontslag van rechtswege met ingang van de dag waarop de werkzaamheden niet zijn hervat.

De verlening van het ontslag mag ingevolge voornoemd artikel wel met onmiddellijke ingang geschieden.

Dit kan echter naar dezerzijds oordeel, hoezeer ook de artikelen 5 en 6 van de Personeelswet buiten toepassing blijven, niet tot gevolg hebben dat het ontslag kan terugwerken, aangezien het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van rechtszekerheid zich hiertegen verzet.

De bedoeling van artikel 71 Personeelswet kan derhalve slechts zijn dat het ontslag kan worden verleend met als ingangsdatum de dag waarop het besluit daartoe wordt genomen.

6.5 In de onderhavige casus heeft het onder 6.4 van dit vonnis overwogene tot gevolg dat het aan [verzoekster] verleend ontslag, nu het besluit daartoe dateert van 31 januari 2011 en de ingangsdatum is gesteld op 1 april 2007, wegens de daaraan verleende terugwerkende kracht niet in stand kan blijven. De vordering tot nietigverklaring daarvan zal dan ook worden toegewezen.

6.6 Het Hof overweegt ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding dat, nu reeds is geoordeeld dat het niet verrichten van de werkzaamheden en de gevolgen die daaruit voortspruiten voor rekening van [verzoekster] blijven, zijdens [verzoekster] over de periode dat zij de werkzaamheden niet heeft verricht geen aanspraak op salaris is ontstaan. Opgemerkt wordt daarbij dat, indien de betreffende landsdienaar geen arbeid heeft verricht in de periode voorafgaand aan de ontslagverlening, hij over die periode geen aanspraak maakt op salaris. Op de ambtenaar is immers ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 van de Personeelswet, ook het bepaalde in artikel 1614 b van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, in welk artikel is bepaald dat geen loon verschuldigd is voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] inmiddels haar werkzaamheden heeft hervat, zodat de vordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar is.

6.7 De vorderingen met betrekking tot de wettelijke en vertragingsrente zijn, gezien het onder 6.6 overwogene, evenmin toewijsbaar.

6.8 De overige stellingen en weren van partijen zullen, nu zij niet tot een ander oordeel zouden leiden, buiten bespreking worden gelaten.

De beslissing

Het Hof:

7.1 Verklaart zich niet bevoegd kennis te nemen van het onder F gevorderde.

7.2 Verklaart [verzoekster] gedeeltelijk niet ontvankelijk in haar vordering sub B en C tot vergoeding van schade, gelijk is overwogen onder 5.2 van dit vonnis.

7.3 Verklaart nietig het ontslagbesluit vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 31 januari 2011, no. 410/’11.

7.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. E.M. Fraenk, gemachtigde van verzoekster, en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens advocaat mr. A.W. van der San, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2015-32

G.R.No.14997

Het Hof van Justitie van Suriname

Beschikking

Gelezen de door Santokhi Chandrikapersad, hierna aangeduid als Santokhi, niet gedagtekende, akte van wraking gericht tegen de rechter in Suriname, ingediend in de zaak bekend onder A.R.No. 14-5384 met als partijen Bouterse, Desiré Delano (als eiser) en Santokhi Chandrikapersad (als gedaagde), welke zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton mr. [naam], rechtsprekend in kort geding, in behandeling is genomen;

Overwegende, dat bovengenoemde akte van wraking bij brief van de substituut griffier der kantongerechten  mr. L.J. van Bossé d.d. 24 december 2014 is verzonden naar de griffier van het Hof van Justitie mr. M.E. Van Genderen; de akte van wraking bijgevoegd bij laatstvermelde brief is ontvangen ter griffie van het Hof van Justitie op 29 december 2014, welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd;

Gelezen de schriftelijke verklaring van mr.[naam] d.d. 24 december 2014 als reactie op de ingediende wraking, welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat het Hof begrijpt dat Santokhi als grond voor de ingediende wraking heeft aangevoerd, kort en zakelijk weergeven, dat de onafhankelijkheid van de rechter in Suriname niet is gegarandeerd omdat de Surinaamse Rechterlijke Macht in materieel en financieel opzicht afhankelijk is van de uitvoerende macht;

Overwegende, dat mr. [naam] als reactie op de ingediende wraking, verkort en zakelijk weergegeven, heeft gesteld, dat artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering limitatief de gronden heeft opgesomd voor wraking van rechters en dat de door Santokhi aangevoerde gronden geen deel uitmaken van die gronden; voorts heeft zij ten overvloede aangevoerd dat naar haar mening met “onafhankelijkheid” wordt bedoeld rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid; dat de rechtspositionele onafhankelijkheid met zich meebrengt dat rechters niet door de regering kunnen worden ontslagen wegens de regering onwelgevallige uitspraken en dat de functionele onafhankelijkheid met zich brengt dat noch regering, noch parlement, noch enige andere overheidsinstantie aan de rechter (bindende) aanwijzingen kan geven danwel geeft hoe in een concreet geval te beslissen;  

Overwegende, dat  mr. [naam] op grond van het hiervoren door haar gestelde heeft aangevoerd dat zij zich niet berust in de wraking en dat zij concludeert dat de gevorderde wraking ongegrond wordt verklaard; 

Overwegende, dat door het Hof wordt geconstateerd dat de onderhavige akte van wraking gericht is tegen de rechter in Suriname in het algemeen en niet tegen de kantonrechter in het Eerste Kanton mr. [naam] (de behandelende kantonrechter in kort geding in de zaak bekend onder A.R.No. 14-5384) specifiek, terwijl blijkens de wettekst (artikelen 30 tot en met 44 Brv) en de strekking van bedoelde wetsartikelen het wrakingsincident zich dient te richten tegen de rechter die de zaak behandelt;

Overwegende, dat reeds het vorenoverwogene met zich brengt dat Santokhi niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het wrakingsverzoek en alsvolgt zal worden beslist;

Beschikkende

Verklaart Santokhi niet ontvankelijk in het door hem ingediende wrakingsverzoek ingediend in de zaak bekend onder A.R.No. 14-5384 met als partijen Bouterse, Desiré Delano (als eiser) en Santokhi Chandrikapersad (als gedaagde), welke zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton
mr. [naam], rechtsprekend in kort geding, in behandeling is genomen;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 16 januari 2015 door mr. D.D. Sewratan, Fungerend President,
mr. S.M.M. Chu, lid en mr. R.M. Praag lid-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Genderen-Relyveld Griffier.

w.g. M.E. van Genderen-Relyveld           w.g. D.D. Sewratan          w.g. S.M.M. Chu               w.g. R.M. Praag

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigden: mr. P.J. Campagne en mr. L. Riedewald, juristen,

spreekt de Fungerend-President , in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 23 november 2009, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 14 januari 2010;
  • de beschikking van het Hof d.d. 14 januari 2010, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 18 januari 2010 met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 26 februari 2010;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 oktober 2010;
  • de pleitnota d.d. 07 januari 2011;
  • het antwoordpleidooi d.d. 04 februari 2011, met producties;
  • het repliekpleidooi d.d. 01 april 2011;
  • het dupliekpleidooi d.d. 06 mei 2011, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie d.d. 20 mei 2011;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 05 augustus 2011, doch nader bepaald op heden.

De motivering

De feiten

Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]” en ”het ministerie van Defensie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1. [Verzoeker] was bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 30 juni 2005 J.M. [nummer] te rekenen van 28 maart 2004 ontslag verleend wegens het niet hervatten van de dienst na genoten vakantieverlof.

1.2 [Verzoeker] was te rekenen van 01 december 2006 tijdelijk, op proef voor de duur van een jaar, in de functie van Voorman bij de afdeling Wegen, in dienst genomen door het ministerie van Openbare Werken bij beschikking d.d. 10 januari 2007.

1.3 Bij vonnis van het Hof van Justitie d.d. 18 mei 2007 (A-617) is voornoemde ontslag-beschikking nietig verklaard.

1.4 Een afschrift van vermeld vonnis van het Hof is bij exploot no. 527 op 17 december 2007 aan de Staat betekend.

1.5 Bij schrijven d.d. 21 december 2007 heeft verzoeker zich bij het ministerie van Defensie aangemeld voor diensthervatting.

1.6 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 01 september 2008 no. [nummer 2], is ingevolge het vonnis van het Hof d.d. 18 mei 2007 no. A-617, de ontslagbeschikking d.d. 30 juni 2005 ingetrokken en is aan [verzoeker] het achterstallig salaris uitbetaald.

1.7 Het ministerie van Defensie heeft het salaris van [verzoeker] vanaf mei 2009 geblokkeerd.

1.8 [Verzoeker] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 10 juni 2009 het ministerie van Defensie doen aanmanen om zijn salaris aan hem uit te betalen.

1.9 Het ministerie van Defensie heeft in reactie op voornoemd schrijven, bij brief van de minister d.d. 17 juni 2009 aan [verzoeker] onder andere medegedeeld, dat haar gebleken is dat [verzoeker] vanaf 01 december 2006 in dienst is van het ministerie van Openbare Werken alwaar hij tot dan toe salaris ontving en gebruik maakte van de SZF-voorzieningen van het ministerie van Openbare Werken, hoewel hij wederom op de betaalrol van het ministerie van Defensie was geplaatst vanaf september 2008, op grond waarvan het ministerie van Defensie het niet noodzakelijk achtte hem te voorzien van voorzieningen van het ministerie van Defensie.

1.10 Bij schrijven d.d. 13 oktober 2009 heeft [verzoeker] het ministerie van Defensie wederom doen aanmanen voor uitbetaling van zijn salaris.

1.11 Het ministerie van Defensie heeft bij schrijven d.d. 29 oktober 2009 in reactie op voornoemd schrijven gepersisteerd bij zijn eerdere schrijven d.d. 17 juni 2009.

1.12 Bij beschikking van het ministerie van Openbare Werken d.d. 08 februari 2010 is aan verzoeker met ingang van 01 mei 2010 van rechtswege ontslag uit Staatsdienst verleend, aangezien hij door de Geneeskundige Commissie op 27 augustus 2009 arbeidsongeschikt is verklaard voor verdere dienst.

De vordering en het verweer daartegen

2.1. [Verzoeker] vordert om het ministerie van Defensie te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen zijn ten onrechte ingekorte (ingehouden) salaris verhoogd met alle verhogingen die sindsdien aan alle ambtenaren zijn toegekend en vermeerderd met de boete vermeld in artikel 1614q BW en de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening met veroordeling van het ministerie in de proceskosten.

2.2. [Verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het ministerie met zijn handelen onder andere artikel 20 Wet Rechtspositie Militairen en artikel 30 Personeelswet en voorts de wettelijke bepalingen bevattende geneeskundige voorzieningen voor militairen, schendt.

2.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering erop neerkomende dat [verzoeker] wederom van de betaalrol is afgevoerd vanaf 03 april 2009 vanwege ongeoorloofde afwezigheid. [Verzoeker] was namelijk vanaf 01 december 2006 in dienst getreden van het ministerie van Openbare Werken. [Verzoeker] maakt derhalve geen aanspraak op bezoldiging en/of geneeskundige voorzieningen van het ministerie, waardoor de vordering van [verzoeker] een formele grondslag mist en hij derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] dat hij impliciet vordert, dat het besluit van het ministerie van Defensie om hem vanaf 03 april 2009 van de betaalrol van het ministerie van Defensie af te voeren, wordt vernietigd en dat hij alsnog het ingehouden salaris ontvangt.

Het Hof is derhalve op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

3.2 Voorop wordt gesteld dat [verzoeker] bij schrijven van zijn gemachtigde d.d 10 juni 2009, de Minister van Defensie heeft doen aanmanen om de blokkade van zijn salaris per onmiddellijke ingang te doen opheffen. De Minister van Defensie heeft bij schrijven d.d. 17 juni 2009 aan [verzoeker] – in reactie op het schrijven van [verzoeker] d.d. 10 juni 2009 – medegedeeld waarom [verzoeker] wederom van de betaalrol was afgevoerd en geen aanspraak meer maakte op medische voorzieningen van het ministerie van Defensie. Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken, dat dit anders was volgt uit het voorgaande dat [verzoeker] in ieder geval op 17 juni 2009 op de hoogte was van het besluit van het ministerie van Defensie.

Nu [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van beklag bij de President van de Republiek Suriname ingevolge artikel 78 lid 1 van de Personeelswet, doch heeft gekozen voor (buitenwettelijk) bezwaar bij hetzelfde orgaan dat het besluit in casu had genomen, had [verzoeker] ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet, zijn vordering bij het Hof vòòr 17 juli 2009, zijnde binnen een maand nadat [verzoeker] van het besluit van het ministerie van Defensie kennis had genomen, moeten instellen. Aangezien [verzoeker] zijn verzoekschrift op 23 november 2009 heeft ingediend, concludeert het Hof dat [verzoeker] ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet tardief is met zijn vordering en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard daarin.

3.3 Ten overvloede overweegt het Hof dat ook indien [verzoeker] was ontvangen in zijn vordering, de beslissing in het nadeel van [verzoeker] was gevallen.

Vaststaat dat het ministerie van Defensie het salaris aan [verzoeker] heeft uitbetaald tot en met april 2009. Eveneens staat vast dat [verzoeker] vanwege het ministerie van Openbare Werken van 01 december 2006 tot aan zijn ontslag per 01 mei 2010 een salaris heeft ontvangen, als Voorman bij de afdeling Wegen.

Nu [verzoeker] – nadat het ministerie van Defensie uitvoering had gegeven aan het vonnis van het Hof bij beschikking van het ministerie van Defensie d.d. 01 september 2008 – geen ontslag heeft genomen bij het ministerie van Openbare Werken, heeft hij zichzelf in de situatie gebracht dat hij niet beschikbaar was voor de dienst bij het ministerie van Defensie, hoewel [verzoeker] zich per schrijven d.d. 21 december 2007 had aangemeld voor diensthervatting. [Verzoeker] heeft hiermee zichzelf in de situatie gebracht dat hij geen aanspraak meer maakt op voorzieningen en/of bezoldiging zijdens het ministerie van Defensie. Immers, door in tijdelijke dienst te treden bij het ministerie van Openbare Werken, kon [verzoeker] ingevolge artikel 36 lid 1 van de Personeelswet, niet meer aan zijn ambtsplicht jegens het ministerie van Defensie voldoen, als volgt luidende:

Een staatsdienaar is verplicht de aan zijn functie – met inbegrip van nevenfuncties verbonden werkzaamheden naar beste weten en kunnen te verrichten, de bevoegdelijk aan hem gegeven opdrachten, welke op de dienst betrekking hebben, stipt en loyaal uit te voren en zich ook overigens steeds zo te gedragen als een goed en getrouw staatsdienaar betaamt.”

Voorts is niet gebleken dat [verzoeker] ingevolge artikel 16 lid 3 van de Personeelswet, in meer dan één functie is benoemd en dat de gezamenlijke omvang van de aan die functies verbonden werkzaamheden gelijktijdige vervulling door één persoon toelaat.

Twee voltijdse banen bij twee verschillende ministeries in verschillende functies, zijn immers niet met elkaar te verenigen.

Nu aan [verzoeker] met ingang van 01 mei 2010 van rechtswege ontslag uit Staatsdienst is verleend, aangezien hij door de Geneeskundige Commissie op 27 augustus 2009 arbeidsongeschikt is verklaard voor verdere dienst, dient evenwel de formele afwikkeling van de beëindiging van het dienstverband met het ministerie van Defensie nog te geschieden, zoals terecht naar voren gebracht door het Ministerie van Defensie.

De beslissing

Het Hof:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. D.D.Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. A. Charan w.g. S.C. Berenstein

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij vertegenwoordiger noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld