SRU-HvJ-2021-85

G.R. no. 15595

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
15 oktober 2021
in de zaak van

  1. VIR EQUIPMENT N.V., en
  2. [Appellant sub B],

beide domicilie kiezende te Paramaribo,
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D.M. Peterhof, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats 1],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H. Matawlie, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 03 maart 2016 bekend in het Algemeen Register onder no. 13-5589 tussen de geïntimeerde als eiseres en appellanten als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de advocaat van appellanten gedateerd 19 juli 2018

– ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 20 juli 2018 – waaruit blijkt dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 03 maart 2016;

– de pleitnota gedateerd 06 december 2019;

– de antwoordpleitnota gedateerd 06 maart 2020;

– de repliekpleitnota gedateerd 07 augustus 2020;

– de dupliekpleitnota de dato 07 augustus 2020;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 maart 2021 doch nader op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1. Het beroepen vonnis is gedateerd 03 maart 2016. Partijen zijn noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. Nu de aangetekende dienstbrief zijdens de griffier waarbij de beslissing volgens de wet aan appellanten is mede gedeeld dateert van 14 april 2016 terwijl appellanten bij schrijven de dato 19 juli 2018 – ingekomen ter griffie op 20 juli 2018 – hoger beroep hebben ingesteld tegen het beroepen vonnis, is dit ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet tijdig geschied. De consequentie van het voorgaande is dat appellanten niet ontvankelijk zullen worden verklaard in het door hen ingesteld hoger beroep.

2.2. Appellanten gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zullen de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen voor hun rekening dienen te nemen. Nu het Hof verstaat dat geïntimeerde ten deze kosteloos procedeert zullen de gedingkosten op nihil worden begroot.

2.3. Bespreking van al hetgeen partijen over en weer nog hebben aangevoerd zal, als voor de beslissing niet relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in kort geding in hoger beroep

Het Hof:

3.1. Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in het door hen ingesteld hoger beroep;

3.2. Veroordeelt appellanten in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag15 oktober 2021 in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R. Bhoewar namens advocaat mr. H. Matawlie, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellanten noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-84

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15373
3 december 2021
In de zaak van

 

YA-YA INVESTMENTS N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Bonistraat no. 66 te Paramaribo,
appellante,
hierna te noemen “Ya-Ya”,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat,

tegen

  1. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP GLOBAL BEVERAGES N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Zilverstraat no. 43 te Paramaribo,
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende aan [adres 1] te [plaats],
  3. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP CARIBBEAN BEVERAGES N.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Indira Gandhiweg no. 724 in het district Para,
    geïntimeerden,
    hierna te noemen: “Global, [geintimeerde] en Caribbean”,
    gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 oktober 2014 bekend onder AR no. 095329 tussen Ya-Ya als eiseres en Global, [geintimeerde] en Caribbean als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat Ya-Ya op 27 januari 2015 hoger beroep heeft ingesteld;

– de aantekening op het doorlopend proces-verbaal van 1 juni 2018, op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat appellante heeft verzocht recht op stukken te doen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 14 oktober 2014. Bij de uitspraak waren partijen niet aanwezig.

De uitspraak is middels de griffiersbrief van 14 januari 2015 aan partijen medegedeeld.

De datum van de griffiersbrief geldt ingevolge artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als datum waarop de uitspraak aan Ya-Ya is medegedeeld waardoor Ya-Ya gedurende de termijn van 30 dagen vanaf de datum van de griffiersbrief hoger beroep kon aantekenen.

Ya-Ya heeft op 27 januari 2015 hoger beroep aangetekend waardoor zij tijdig is in het door haar ingestelde hoger beroep en derhalve ontvankelijk is daarin.

  1. De vordering in hoger beroep

Ya-Ya heeft gevraagd dat er recht op stukken wordt gedaan.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof overweegt dat uit de stukken van het procesdossier blijkt dat de eerste behandeling van het hoger beroep plaats heeft gevonden op 1 juni 2018.

Met betrekking tot de oproeping van geïntimeerden blijkt uit het oproepingsexploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie Halima Chiragally, van 17 april 2018, dat de geïntimeerden zijn opgeroepen ten kantore van de gemachtigde mr. A.R. Baarh.

Uit de procesgang blijkt niet dat de geïntimeerden zijn verschenen op de dag van de eerste behandeling van het hoger beroep en evenmin dat mr. Baarh zich heeft gesteld als advocaat van geïntimeerden.

4.2 Het Hof overweegt dat het oproepen van een geïntimeerde voor de behandeling in hoger beroep, ingevolge de artikelen 1 en 2 jo. 277a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering jo. artikel 74 van het Burgerlijk Wetboek, plaats kan vinden op een aan het begin of in de loop van het geding gekozen woonplaats. Echter zal wel moeten blijken dat de geïntimeerde die woonplaats heeft gekozen tijdens het geding. In het dossier zijn er geen stukken aangetroffen waaruit expliciet blijkt dat geïntimeerden domicilie hebben gekozen ten kantore van mr. A.R. Baarh, alwaar de oproeping heeft plaatsgevonden.

4.3 Het Hof zal appellante in de gelegenheid stellen om stukken over te leggen waaruit blijkt dat geïntimeerden domicilie hebben gekozen ten kantore van mr. A.R. Baarh. Indien appellante geen stukken kan overleggen zal zij gelijk in de gelegenheid gesteld worden geïntimeerden conform de wet op te roepen voor een nieuwe rechtsdag, als hierna te melden.

4.4 Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

  1. De beslissing

Het Hof

alvorens verder te beslissen:

5.1 Bepaalt dat de zaak zal worden afgeroepen voor de terechtzitting van vrijdag 21 januari 2022 teneinde:

– appellante in de gelegenheid te stellen stukken over te leggen waaruit blijkt dat geïntimeerden tijdens het geding domicilie hebben gekozen ten kantore van mr. A.R. Baarh;

en indien appellante geen stukken kan overleggen zoals hiervoor bedoeld:

– geïnitmeerden opnieuw op te roepen op de hiervoor vermelde datum;

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellante noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-83

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. 15673
15 oktober 2021
In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen [appellant],
wonende te [plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. M.R. Sheombar, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [gemeente] in [land],
geïntimeerde,
gemachtigde voorheen: mr. E. Chotkanoe, advocaat,|
thans procederend in persoon,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 11 december 2018 (A.R. no. 15-1831) tussen enerzijds appellant als opposante en anderzijds geïntimeerde als geopposeerde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 17 januari 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen het hiervoor genoemde vonnis;

– de pleitnota met producties gedateerd 1 november 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het vonnis is bij griffiersbrief d.d. 08 januari 2019 ter kennis gebracht aan [appellanten]. Nu laatstgenoemde op 17 januari 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen het beroepen vonnis concludeert het Hof dat het hoger beroep binnen de bij wet gestelde termijn is ingesteld zodat [appellant] ontvankelijk is daarin.

  1. De feiten

3.1 In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] een vordering ingesteld tegen [appellant] tot betaling van het bedrag van €25.000,= vermeerderd met de wettelijke rente. [Geïntimeerde] heeft als grondslag voor zijn vordering gesteld dat hij verschillende bedragen aan [appellant] heeft overgemaakt tot een totaal van €25.000,= omdat laatstgenoemde in geldnood was. Partijen hadden afgesproken dat [appellant] het voormeld bedrag binnen een jaar terug zou betalen, doch weigert zij hieraan te voldoen.

3.2 [Appellant] is bij verstekvonnis d.d. 21 januari 2015 (hierna het verstekvonnis) veroordeeld om aan [geïntimeerde] te voldoen de som van €25.000,= vermeerderd met 6% rente per jaar vanaf 21 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.3 [Appellant] heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis.

3.4 Bij tussenvonnis van de kantonrechter d.d. 13 februari 2018 bekend onder AR no. 15-1831 is Thakoersing in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren, één en ander zoals beslist in voormeld tussenvonnis.

3.5 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 11 december 2018 bekend onder AR no. 15-1831 is het verstekvonnis bevestigd.

  1. De beoordeling

4.1 Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft [appellant] ontkend dat zij een totaal bedrag van €25.000,= heeft ontvangen van [geïntimeerde].

In hoger beroep voert zij aan dat zij een totaal bedrag van €6.000,= heeft ontvangen van [geïntimeerde] en niet €25.000,=. [Appellant] voert verder aan dat de bedragen door [geïntimeerde] werden overgemaakt via Suri-Change BV in Nederland, waarna zij het geld ophaalde bij Surichange NV in Suriname.

Ter onderbouwing van haar verweer heeft [appellant] overgelegd 23 stuks documenten afkomstig van Suri-Change BV waaruit de verschillende stortingen, ten behoeve van [appellant], tot een totaal van €6.000,= blijkt. [Appellant] voert voorts aan dat [geïntimeerde] de documenten van Suri-Change BV heeft vervalst waardoor daaruit blijkt dat er hogere bedragen waren gestort ten behoeve van [appellant].

[Geïntimeerde] is herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voorgaande doch heeft hij dit nagelaten. Het Hof gaat daarom uit van de juistheid van het verweer van [appellant] dat zij een totaal bedrag van €6.000,= heeft ontvangen van [geïntimeerde] en geen €25.000,= zoals door [geïntimeerde] was gevorderd.

4.2 Thans is aan de orde de vraag of [appellant] het bedrag van €6.000,= heeft terugbetaald aan [geïntimeerde].

[Appellant] heeft bij pleitnota uitdrukkelijk gesteld dit bedrag reeds in contanten te hebben verstrekt aan [geïntimeerde]. Aangezien [geïntimeerde] dit niet heeft betwist is in rechte komen vast te staan dat [appellant] het verschuldigde bedrag van €6.000,= heeft betaald aan [geïntimeerde], zodat zij thans niets meer verschuldigd is aan hem.

De veroordeling van [appellant] bij vonnis van de kantonrechter d.d. 11 december 2018 bekend onder AR no. 15-1831 is daarom onterecht. Om deze reden dient het hiervoor genoemde vonnis van de kantonrechter te worden vernietigd en dient de oorspronkelijke vordering van [geïntimeerde] te worden afgewezen.

Het Hof zal dan ook beslissen als na te melden.

4.3 [Geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

5.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 11 december 2018 bekend onder A.R. no. 15-1831.

En opnieuw rechtdoende:

5.2 Wijst de vordering van [geïntimeerde] af.

5.3 Veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten aan de zijde van [appellant] gevallen – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 700,– (zevenhonderd Surinaamse Dollars)

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M.R. Sheombar, gemachtigde van appellante terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-82

15 oktober 2021
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING SOLUTION REAL ESTATE,
gevestigd in Paramaribo,
appellante in kort geding, hierna: ‘Solution Real Estate’
gemachtigde: [naam 1], voorzitter van appellante,

tegen

  1. DE SURINAAMSCHE BANK N.V., hierna: ‘DSB’,
  2. FORDISTO VASTGOED N.V., hierna: ‘Fordisto’,
  3. [Geïntimeerde sub 3], hierna: ‘[geïntimeerde sub 3]’,

gevestigd respectievelijk wonend in Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde van geïntimeerde sub 1:aanvankelijk mr. H.R. Schurman, thans mr. G.N. Best, advocaat,
gemachtigde van geïntimeerden sub 2 en 3: mr. D.C. Lala, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 2 november 2017bekend onder A.R. 17-4194 tussen Solution Real Estate als eiseres in conventie, tevens gedaagde in reconventie, en DSB, Fordisto en [geïntimeerde sub 3] als gedaagden, DSB tevens als eiseres in reconventie.

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
  • de verklaring van de griffier d.d. 20 november 2017 waaruit blijkt dat Solution Real Estate hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota (aangeduid als ‘memorie van grieven’)van Solution Real Estate van 1 februari 2018;
  • de antwoordpleitnota (aangeduid als ‘memorie van antwoord’) van Fordisto en [geïntimeerde sub 3] van 18 mei 2018;
  • de antwoordpleitnota van DSB van 20 juli 2018;
  • de repliekpleitnota van Solution Real Estate van 4 januari 2019;
  • de dupliekpleitnota (aangeduid als ‘memorie van dupliek’) van Fordisto en [geïntimeerde sub 3] van 1 februari 2019;
  • de dupliekpleitnota van DSB van 5 april 2019.
  1. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
  1. Ontvankelijkheid

Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat Solution Real Estate noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 27 november 2017 aan Solution Real Estate meegedeeld. Solution Real Estate heeft op 20 november 2017 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Solution Real Estate daarin kan worden ontvangen.

  1. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

  1. Op 12 januari 2016 heeft op verzoek van DSB de hypothecaire veiling plaatsgevonden van het aan Solution Real Estate toebehorend recht van erfpacht op het perceelland groot 735m2 gelegen aan de Tuberoosstraat 431 te Paramaribo, hierna: ‘het perceelland’.
  1. Het hoogste bod op de veiling (bij afmijning) is gedaan door [geïntimeerde sub 3]. Het perceelland is vervolgens toegewezen aan Fordisto. Fordisto is op 12 februari 2016 als verkrijger van het perceelland geregistreerd.
  1. Bij deurwaardersexploot van 19 augustus 2017, No. 160, is ten verzoeke van Fordisto aan (onder meer) Solution Real Estate bevel gedaan het perceelland te ontruimen, met de aanzegging dat bij niet-voldoening aan dat bevel de ontruiming door de deurwaarder zelf zal worden bewerkstelligd, desnoods met behulp van de sterke arm.
  1. Bij vonnis in kort geding van 5 oktober 2017 (A.R. 17-3723) is de door Solution Real Estate jegens Fordisto gevorderde stopzetting van de aangekondigde ontruiming afgewezen.
  1. Het geding in eerste aanleg

4.1 De vorderingen van Solution Real Estate in haar op 6 oktober 2017 ingediend verzoekschrift strekken, samengevat, tot stopzetting van de aangekondigde ontruiming van het perceelland, een gebod geen verdere handelingen te verrichten totdat in de bodemprocedure is geoordeeld over de nietigheid van de veiling, en tot betaling van kosten van juridische bijstand.

4.2 Solution Real Estate heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat op en rond de veiling van 12 januari 2016, een onrechtmatige samenspanning jegens Solution Real Estate heeft plaatsgevonden waarbij procedurele regels zijn geschonden, alsmede dat de voorgenomen ontruiming jegens haar onrechtmatig is.

4.3 In reconventie vorderde DSB veroordeling van Solution Real Estate tot vergoeding van haar advocaatkosten ad SRD 8.400,-, zijnde SRD 7.500,- aan honorarium, vermeerderd met 8% aan omzetbelasting en SRD 300,- aan kantoorkosten.

4.4 DSB heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat Solution Real Estate haar op onrechtmatige wijze in de kosten heeft gejaagd door steeds weer vorderingen tegen haar in te dienen met veelal dezelfde inhoud en dat in de onderhavige zaak geen van de vorderingen zich tegen DSB richt.

4.5Bij het bestreden vonnis van 2 november 2017 heeft de kantonrechter Solution Real Estate niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, met in conventie haar veroordeling in de (op nihil begrote) kosten van het geding. In reconventie heeft de kantonrechter Solution Real Estate veroordeeld tot betaling aan DSB van SRD 8.400,-, met veroordeling van Solution Real Estate in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

  1. De beoordeling in hoger beroep

5.1 Het verweer van Solution Real Estate dat op grond van artikel 274 Rv. de memorie van antwoord van de DSB dient te worden gepasseerd, wordt als niet deugdelijk verworpen.

5.2 Solution Real Estate vordert in hoger beroep naar het Hof begrijpt vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde en met afwijzing van het in reconventie door DSB gevorderde. De conclusies van DSB, Fordisto en [geïntimeerde sub 3] strekken tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Het Hof overweegt als volgt.

Ontbreken belang

5.3 Uit de appelstukken blijkt dat de ontruiming die Solution Real Estate met haar vorderingen in dit kort geding beoogde te voorkomen, inmiddels – op 3 november 2017 – heeft plaatsgevonden. Solution Real Estate heeft dan ook niet langer belang bij het in eerste aanleg door haar gevorderde.

Overige afwijzingsgronden

5.4 Afgezien van het voorgaande, valt niet goed in te zien waarom Solution Real Estate DSB en [geïntimeerde sub 3] in dit kort geding heeft betrokken. De ontruiming was immers aangezegd namens Fordisto. DSB was bij de ontruiming niet betrokken, en ten aanzien van [geïntimeerde sub 3] is geen grond gesteld waarom hij naast Solution Real Estate persoonlijk aansprakelijk zou zijn voor het door Solution Real Estate gevorderde. De omstandigheid dat hij bestuurder was van Solution Real Estate is daarvoor onvoldoende.

5.5 Ten aanzien van Fordisto geldt bovendien dat de tegen haar bij dit kort geding ingestelde vorderingen identiek zijn aan haar afgewezen vorderingen in het hiervoor onder 3 d. bedoelde kort geding. Omstandigheden die zouden kunnen legitimeren dat na afwijzing dezelfde vorderingen vervolgens opnieuw in kort geding aan de kantonrechter worden voorgelegd, zijn gesteld noch gebleken.

5.6 Ten slotte wijst het Hof nog op de uitspraak die heden is gedaan in de door Solution Real Estate tegen Fordisto aanhangig gemaakte bodemzaak (A.R. 16-2371 – GR-15658). Bij dat bodemvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is tussen Solution Real Estate en Fordisto geoordeeld dat er geen gronden zijn te oordelen dat de veiling niet rechtsgeldig was en/of dat Fordisto als veilingkoper onrechtmatig jegens Solution Real Estate heeft gehandeld als bedoeld in artikel 1386 Burgerlijk Wetboek. De vorderingen van Solution Real Estate strekkende tot vernietiging van de veiling en tot een gebod om geen verdere handelingen te verrichten krachtens die veiling,werden dan ook afgewezen, evenals de gevorderde veroordeling van Fordisto tot betaling van USD1.652.381,- aan schadevergoeding en SDR 7.275 aan kosten van juridische bijstand.

Nieuwe vorderingen in hoger beroep

5.7 Voor zover Solution Real Estate bij haar repliekpleitnota heeft beoogd nieuwe vorderingen in te stellen (betaling van bedragen van USD 1.652.381,-, SDR 7.275,- en USD 181.675,66), geldt dat zij daarin niet kan worden ontvangen, nu het niet gaat om toegelaten nieuwe eisen als bedoeld in artikel 278 Rv. Ook uit het oogpunt van de goede procesorde moeten deze pas bij repliekpleitnota aan de orde gestelde eisen buiten beschouwing blijven. Ten overvloede overweegt het Hof nog dat uit de hiervoor onder 5.5 genoemde uitspraak in de bodemzaak van heden volgt dat de nieuwe eisen tot betaling van USD 1.652.381,- en SDR 7.275,- ook op inhoudelijke gronden niet zouden hebben kunnen slagen.

Misbruik van procesrecht en advocaatkosten

5.8 De kantonrechter heeft Solution Real Estate in reconventie veroordeeld tot betaling aan DSB van het door DSB gevorderde honorarium van haar advocaat. In de hiervoor aangehaalde overwegingen van de kantonrechter ligt besloten dat naar zijn oordeel er sprake was van misbruik van procesrecht waardoor Solution Real Estate, DSB onnodig op kosten heeft gejaagd. Van misbruik van procesrecht is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat kan het geval zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, of op stellingen en omstandigheden waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. In dergelijke gevallen kan sprake zijn van schadeplichtigheid uit onrechtmatig handelen, wat de rechtsgrond biedt voor vergoeding van de werkelijke advocaatkosten. Daarbij past terughoudendheid, gelet op het fundamentele recht tot toegang tot de rechter. Slechts onder buitengewone omstandigheden kan een veroordeling volgen tot vergoeding van door de wederpartij daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten.

5.9 DSB werd door Solution Real Estate in dit kort geding betrokken tegen de achtergrond van een dreigende ontruiming na een door DSB als hypotheekhouder gehouden openbare verkoop van haar perceelland en nadat een eerdere poging van Solution Real Estate de ontruiming af te wenden met een kort geding tegen veilingkoper Fordisto was gestrand. In de overweging van de kantonrechter in dat eerdere kort geding dat, samengevat, op de door Solution Real Estate betwiste rechtsgeldigheid van de veilingkoop reeds niet kon worden ingegaan, omdat DSB niet in rechte was betrokken, heeft Solution Real Estate kennelijk aanleiding gezien voor het onderhavige kort geding. Hetgeen in dit kort geding door Solution Real Estate is gevorderd, was naar het Hof begrijpt niet eerder onderwerp van een procedure tussen Solution Real Estate en DSB. Naar het oordeel van het Hof was daarmee in het onderhavige geval geen sprake van zodanige buitengewone omstandigheden dat is voldaan aan de hiervoor bedoelde strenge maatstaf voor het aannemen van misbruik van procesrecht.

Slotsom en kosten

5.10 Op grond van het voorgaande kunnen de in dit kort geding door Solution Real Estate gevraagde voorzieningen ook in hoger beroep niet worden toegewezen, evenmin als haar nieuwe vorderingen in hoger beroep. Haar beroep tegen de tegen haar uitgesproken veroordeling tot betaling van SDR 8.400 aan advocaatkosten slaagt wel.

5.11 Het vonnis van de kantonrechter zal gelet op het voorgaande worden bevestigd, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de advocaatkosten van DSB. Op dat punt zal het vonnis worden vernietigd en zal de vordering van DSB alsnog worden afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten in reconventie in eerste aanleg.

5.12 Solution Real Estate zal ten aanzien van Fordisto en [geïntimeerde sub 3] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen. Tussen Solution Real Estate en DSB zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, nu zij in hoger beroep deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld.

  1. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen en, opnieuw rechtdoende, wijst af het door DSB in reconventie gevorderde, met haar veroordeling in de gedingkosten in reconventie in eerste aanleg aan de zijde van Solution Real Estate gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

6.2 bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

6.3 veroordeelt Solution Real Estate in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van Fordisto en [geïntimeerde sub 3] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

6.4 compenseert de kosten van het hoger beroep tussen Solution Real Estate en DSB aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. G.N. Best, gemachtigde van geïntimeerde sub 1, terwijl appellante niet wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde.

 

SRU-HvJ-2021-81

15 oktober 2021
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING SOLUTION REAL ESTATE,
gevestigd in Paramaribo,
appellante in kort geding, hierna: ‘Solution Real Estate’
gemachtigde: [naam 1], voorzitter van appellante,

tegen

FORDISTO VASTGOED N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding, hierna: ‘Fordisto’,
gemachtigde: mr. D.C. Lala, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 5 oktober 2017bekend onder A.R. 17-3723 tussen Solution Real Estate als eiseres en Fordisto als gedaagde, spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Procesverloop in hoger beroep
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:
  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Solution Real Estate op 5 oktober 2017hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven van 4 mei 2018;
  • de memorie van antwoord van 18 mei 2018;
  • de repliekpleitnota van Solution Real Estate 6 juli 2018;
  • de als memorie van dupliek aangeduide dupliekpleitnota van 20 juli 2018.
  1. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.
  1. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Solution Real Estate daarin kan worden ontvangen.

  1. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

  1. Op 12 januari 2016 heeft de hypothecaire veiling plaatsgevonden van het aan Solution Real Estate toebehorend recht van erfpacht op het perceelland groot 735m2 gelegen aan de Tuberoosstraat 431 te Paramaribo, hierna: ‘het perceelland’.
  1. Op 12 februari 2016 is het perceelland blijkens een overgelegd hypothecair uittreksel door Fordisto verkregen door overschrijving ten kantore van de Bewaarder van een afschrift van de akte van openbare verkoping, gunning, command, kwijting.
  1. Bij deurwaardersexploot van deurwaarder bij het Hof van Justitie S.D. Satram van 19 augustus 2017, No. 160, is ten verzoeke van Fordisto aan (onder meer) Solution Real Estate bevel gedaan het perceelland te ontruimen, met de aanzegging dat bij niet-voldoening aan dat bevel de ontruiming door de deurwaarder zelf zou worden bewerkstelligd, desnoods met behulp van de sterke arm. Volgens dat exploot zijn daarbij tevens betekend in executoriale vorm uitgegeven grossen van authentieke notariële aktes houdende een proces-verbaal van openbare verkoping, een akte van gunning, een akte de command en een akte kwijting.
  1. Het geding in eerste aanleg

4.1 In eerste aanleg heeft Solution Real Estate gevorderd, samengevat:

Primair:

  1. nietig althans ongegrond verklaren van het exploot van deurwaarder S. Satram d.d. 19 augustus 2017 no. 160;
  2. stopzetting van de ontruiming;
  3. het opleggen van een verbod aan gedaagde om verdere handelingen te verrichten totdat in de bodemprocedure is beslist met betrekking tot de nietigheid van de veiling;
  4. veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom;

Subsidiair:

  1. nietig althans ongegrond verklaren van het exploot van deurwaarder S. Satram d.d. 19 augustus 2017 no. 160, totdat definitief omtrent de vernietigbaarheid c.q. nietigheid van het exploot zal zijn beslist;
  2. stopzetting van de ontruiming, tot de uitspraak van de bodemrechter inzake de nietigheid van de veiling in de zaak bekend onder AR no. 17-2170 tegen alle bij de veiling betrokken gedaagden en de rechterlijke vonniswijzing in de zaak AR no. 16-2371 van het conservatoir beslag en vanwaardeverklaring;
  3. veroordeling van gedaagde tot betaling van het schadebedrag van USD 1.652.381,- vermeerderd met de wettelijke rente;
  4. veroordeling van gedaagde tot betaling van het bedrag van SRD7.275,- vermeerderd met de wettelijke rente;
  5. veroordeling van gedaagde tot betaling van een dwangsom.

4.2 Solution Real Estate heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat het deurwaardersexploot tal van gebreken vertoonde en dat op en rond de veiling een onrechtmatige samenspanning jegens Solution Real Estate heeft plaatsgevonden, waaraan ook Fordisto heeft deelgenomen.

4.3 Bij het bestreden vonnis van 5 oktober 2017 heeft de kantonrechter de vordering van Solution Real Estate afgewezen, met haar veroordeling in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

4.4 De kantonrechter overwoog daartoe het volgende:

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat het doel van de betekening van een exploot door de deurwaarder, is de waarborging dat degene die het exploot dient te ontvangen, deze ook daadwerkelijk ontvangt.

In casu is niet gesteld noch gebleken dat eiseres het exploot niet heeft ontvangen. Hiermee is dus ook het doel bereikt, zodat van nietigheid van het exploot geen sprake is. Daarnaast is ook niet gebleken van enig belang van eiseres om zich van de nietigheid van het exploot te bedienen. De door eiseres ten aanzien van het exploot gevraagde voorziening zal daarom worden geweigerd.

4.3 De kantonrechter merkt op dat eiseres zich erop beroept dat de door gedaagde aangezegde ontruiming onrechtmatig is nu er gebreken kleven aan de gehouden veiling op grond waarvan gedaagde het perceel heeft verkregen.

Uit de door partijen gewisselde conclusies begrijpt de kantonrechter dat degene in wiens opdracht het perceel is geveild de Surinaamsche Bank (DSB) betreft.

Zolang niet in rechte is komen vast te staan dat de gehouden openbare veiling niet rechtsgeldig is geweest, kan er niet van een onrechtmatige ontruiming worden gesproken. Immers, gedaagde is eigenaar van het perceel geworden op grond van de veiling. Zolang niet anders is beslist blijft gedaagde dus de rechtmatige eigenaar van het perceel. Als rechtmatige eigenaar is gedaagde dus gerechtigd om tot ontruiming van het perceel over te gaan.

Beantwoording van de vraag of de veiling al dan niet rechtsgeldigheid heeft plaatsgehad is in de onderhavige zaak niet aan de orde, nu niets terzake is gevorderd. Bovendien is de DSB in wiens opdracht het perceel geveild is, ook niet in rechte is betrokken in de onderhavige zaak zodat ook om die reden niet verder op de voormelde vraag kan worden ingegaan. Verder ingaan op de vraag zou betekenen dat DSB niet de mogelijkheid heeft om zich te verweren, hetgeen in strijd is met het hoorbeginsel.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, dient de door eiseres gevraagde voorziening te worden geweigerd.

  1. De beoordeling in hoger beroep

5.1 Solution Real Estate vordert in hoger beroep naar het Hof begrijpt vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde. Fordisto heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan het hoger beroep.

5.2 Voor zover Solution Real Estate bij haar repliekpleitnota heeft beoogd nieuwe vorderingen in te stellen, geldt dat zij daarin niet worden ontvangen, nu het niet gaat om toegelaten nieuwe eisen als bedoeld in artikel 278 Rv. Ook uit het oogpunt van de goede procesorde moeten deze pas bij repliekpleitnota aan de orde gestelde eisen buiten beschouwing blijven.

5.3 Het hoger beroep kan niet slagen. Het Hof neemt de hiervoor opgenomen overwegingen van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne.

5.4 In aanvulling op de overwegingen van de kantonrechter overweegt het Hof nog het volgende.

5.5 Uit de appelstukken blijkt dat de ontruiming die Solution Real Estate met haar vorderingen in dit kort geding beoogde te voorkomen inmiddels – op 3 november 2017 – heeft plaatsgevonden. Solution Real Estate heeft dan ook niet langer belang bij het in eerste aanleg primair gevorderde en het subsidiair onder a. en b. gevorderde.

5.6 De vordering tot nietigverklaring van het deurwaardersexploot van 19 augustus 2017 stuit voorts reeds af op het feit dat in kort geding geen constitutieve en declaratoire vonnissen kunnen worden gewezen.

5.7 Ten aanzien van de door Solution Real Estate in haar verzoekschrift in eerste aanleg opgesomde tekortkomingen in het exploot, overweegt het Hof ten overvloede nog dat de in artikel 93Rv voor oproepingsexploten neergelegde regel ook hier als uitgangspunt dient te gelden: een beroep op de nietigheid van een exploot kan door de rechter worden verworpen, indien het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden dat daardoor geen benadeling plaatsvindt en er dus geen belang bestaat bij het beroep op de nietigheid. Bij bedoelde door Solution Real Estate aangedragen (vorm)verzuimen is van benadeling van Solution Real Estate geen sprake.

5.8 Ten aanzien van de stellingen van Solution Real Estate over de onrechtmatigheid van het handelen van Fordisto rond de veiling van 12 januari 2016 en haar schadeplichtigheid terzake, verwijst het Hof in aanvulling op de overwegingen van de kantonrechter nog naar de uitspraak die heden is gedaan in de door Solution Real Estate tegen Fordisto aanhangig gemaakte bodemzaak (A.R. 16-2371 – GR-15658). Bij dat bodemvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is tussen partijen geoordeeld dat er geen gronden zijn te oordelen dat de veiling niet rechtsgeldig was en/of dat Fordisto als veilingkoper onrechtmatig jegens Solution Real Estate heeft gehandeld als bedoeld in artikel 1386 Burgerlijk Wetboek. De vorderingen van Solution Real Estate strekkende tot vernietiging van de veiling en een gebod om geen verdere handelingen te verrichten krachtens die veiling zijn dan ook afgewezen, evenals de gevorderde veroordeling van Fordisto tot betaling van SDR 7.275 aan kosten van juridische bijstand en USD1.652.381,- aan schadevergoeding.

5.9 De vorderingen van Solution Real Estate in het onderhavige kort geding zijn gebaseerd op dezelfde grondslagen als de vorderingen in bedoelde bodemzaak. Op grond van de afstemmingsregel die in de jurisprudentie is ontwikkeld,dient de rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening zijn uitspraak in beginsel af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter (vgl. onder meer Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:806en Kantongerecht Eerste Kanton 19 november 2020, AR-193554, SRU-K1-2020-61).

5.10 Reeds op grond van het voorgaande kunnen de in dit kort geding door Solution Real Estate gevraagde voorzieningen ook in hoger beroep niet worden toegewezen. Het vonnis van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

5.11 Solution Real Estate zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

  1. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 bevestigt het vonnis waarvan beroep;

6.2 veroordeelt Solution Real Estate in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van Fordisto gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-80

15 januari 2021
HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

  1. [Appellant sub A],
  2. [Appellant sub B],

hierna te noemen [appellanten],
beiden wonende in [land 1],
appellanten,
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna te noemen [geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 14 augustus 2017 bekend onder A.R. 16-2225 tussen [appellanten] toen als eisers en [geïntimeerde] toen als gedaagde, spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep
  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:
  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellanten] hoger beroep hebben ingesteld;
  • de pleitnota d.d. 1 juni 2018;
  • de antwoordpleitnota d.d. 2 november 2018;
  • de repliekpleitnota d.d. 15 februari 2018;
  • de dupliekpleitnota d.d. 21 juni 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid

Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 6 september 2017 aan [appellanten] betekend. [Appellanten] hebben op 28 september 2017 hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn zodat [appellanten] ontvankelijk zijn in hun beroep.

  1. De feiten

3.1 [Naam 1] (hierna erflater [naam 1]) is op 20 april 1960 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 2] (hierna [naam 2]). De erflater [naam 1] is overleden op 9 juli 1985.

3.2 Tot de enige en algehele erfgenamen van erflater [naam 1] behoorden [naam 2] en [appellanten]

3.3 [Naam 2] is overleden op 30 augustus 2012 en heeft tot haar enige en algehele erfgenaam benoemd [geïntimeerde].

3.4 Tot de nalatenschap van de erflaters [naam 1] en [naam 2] behoort het recht van erfpacht op een perceel gelegen aan [adres 1] te [plaats 1] (hierna het perceel), bij partijen nader bekend en geen omschrijving behoevend.

3.5 [Appellanten] vorderen bij de kantonrechter – zakelijk weergegeven – veroordeling van [geïntimeerde] om met hen over te gaan tot de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflater [naam 1].

3.6 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 14 augustus 2017 bekend onder A.R. no. 16-2225 [appellanten] niet ontvankelijk verklaard in hun vordering.

3.7 De kantonrechter heeft de beslissing gegrond op de motivering dat [geïntimeerde] het perceel middels verjaring heeft verkregen.

  1. De beoordeling

4.1 [Appellanten] concluderen in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende de vordering tot scheiding en deling van de nalatenschap alsnog toe te wijzen.

[Appellanten] hebben ter onderbouwing van de vordering in hoger beroep als grief tegen het vonnis aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van verjaring.

4.2 Tussen partijen staat rechtens vast dat [appellanten] en [geïntimeerde] deelgerechtigden zijn in een nalatenschap, waartoe behoort een perceel bij partijen nader bekend.

[Geïntimeerde] beroept zich op bevrijdende verjaring en wel op grond van de artikelen 1988 en 864 BW.

Hij stelt dat de erflater [naam 1] is overleden op 9 juli 1985 terwijl de onderhavige vordering is ingesteld na 9 juli 2015. Volgens [geïntimeerde] is het vorderingsrecht van [appellanten] dus reeds verjaard op grond van voormelde artikelen. Zakelijk weergegeven komt het erop neer dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat het vorderingsrecht van [appellanten] is verjaard nu [appellanten] de vordering heeft ingesteld langer dan 30 jaren nadat de erflater [naam 1] is overleden.

4.3 In casu is onder meer van belang de vraag of [geïntimeerde] een beroep kan doen op de hiervoor vermelde artikelen 864 en 1988 BW.

Het Hof zal eerst beoordelen of [geïntimeerde] een beroep toekomt ex artikel 864 BW. Dit artikel bepaalt dat de rechtsvordering verjaart door een tijdsverloop van dertig jaren, te rekenen van de dag waarop de erfenis is open gevallen.

De vraag is vervolgens, op welke rechtsvordering artikel 864 BW het oog heeft. Om deze vraag te beantwoorden dient te worden gelezen artikel 863 leden 1 en 3 BW.

Artikel 863 lid 1 en 3 BW bepalen – zover van belang – het volgende:

“1. De erfgenaam heeft een rechtsvordering tot verkrijging van de erfenis tegen al diegenen, die, hetzij onder die titel, of zonder titel, in het bezit zijn van de gehele gemeenschap, of van een gedeelte daarvan……….

  1. Die rechtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich, onder welke titel ook, in de nalatenschap bevindt, met de vruchten, inkomsten en schadeloosstelling………”.

Naar het oordeel van het Hof heeft artikel 864 BW betrekking op de rechtsvordering zoals omschreven onder artikel 863 lid 3 BW namelijk tot afgifte van al hetgeen zich, onder welke titel ook, in de nalatenschap bevindt enz.

De onderhavige vordering tot scheiding en deling van de gemeenschap heeft echter geen betrekking op artikel 863 lid 3 maar wel op artikel 1093 lid 2 BW welke bepaalt dat de boedelscheiding te allen tijde gevorderd kan worden.

Het beroep van [geïntimeerde] op artikel 864 BW faalt derhalve.

4.4 Aan de orde is nu de vraag of [geïntimeerde] een beroep kan doen op artikel 1988 BW. Dit artikel bepaalt onder meer dat alle rechtsvorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, verjaren door dertig jaren.

Gezien de gevorderde scheiding en deling is het Hof van oordeel dat artikel 1988 BW ook van toepassing is op dit gevorderde, zodat [geïntimeerde] wel een beroep kan doen op dit artikel.

4.5 De vraag is thans of het beroep van [geïntimeerde] op dit artikel slaagt.

Vast staat dat [appellanten] vanaf het overlijden van de erflater [naam 1]op 9 juli 1985 deelgerechtigden zijn van de gemeenschap samen met [naam 2], de toenmalige echtgenote van erflater [naam 1].

Pas nadat [naam 2] is overleden op 30 augustus 2012, is [geïntimeerde] als haar enige erfgenaam, samen met [appellanten] deelgenoot geworden van de gemeenschap.

[geïntimeerde] kan zich derhalve beroepen op de verjaringstermijn op grond van artikel 1988 BW in dier voege dat pas op 30 augustus 2012, toen hij deelgerechtigde werd van de gemeenschap de verjaringstermijn is gaan lopen. Dit beroep kan hij niet met succes doen vanaf de datum van overlijden van de erflater [naam 1]op 9 juli 1985 omdat hij toen nog geen deelgerechtigde was in de gemeenschap.

Uitgaande van het moment waarop [geïntimeerde] samen met [appellanten] deelgerechtigde werd van de gemeenschap, dat is 30 augustus 2012, tot aan de indiening van de vordering door [appellanten] te weten 6 mei 2016, concludeert de kantonrechter dat er nog geen 30 jaren zijn verlopen zoals artikel 1988 BW voorschrijft.

Om deze reden faalt dus ook het beroep van [geïntimeerde] op artikel 1988 BW.

4.6 Uit het beroepen vonnis blijkt dat de kantonrechter het beroep van [geïntimeerde] op verjaring op de artikelen 1988 BW en 864 BW niet heeft beoordeeld.

De kantonrechter is echter wel tot de conclusie gekomen dat er sprake is van verjaring maar op grond van artikel 1976 juncto artikel 1982 BW.

Naar het oordeel van het Hof is de kantonrechter hiermee buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft zij partijen hierdoor verrast met haar beslissing. Immers heeft geen der partijen de gelegenheid gehad om zich uit te laten over de artikelen 1976 juncto 1982 BW, die de kantonrechter buiten partijen om heeft gebruikt voor haar conclusie dat er sprake is van verjaring.

Terecht stellen [appellanten] dan ook dat de kantonrechter op grond van het bepaalde in artikel 1971 BW niet ambtshalve mocht overgaan tot de toetsing van het middel van verjaring nu [naam 2] (lees [geïntimeerde]) nimmer een beroep heeft gedaan op verkrijgende verjaring op grond van artikel 1976 juncto artikel 1982 BW.

4.7 Thans in hoger beroep, voert [geïntimeerde] aan dat [appellanten] krachtens de door de kantonrechter gebruikte artikelen 1976 juncto 1982 BW, meer dan 30 jaren in de gelegenheid waren om een vordering in te stellen.

Artikel 1976 BW bepaalt het volgende:

“Om door middel van verjaring de eigendom van een zaak te verkrijgen, wordt vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit als eigenaar”.

Artikel 1982 BW bepaalt het volgende:

“Zij, aan wie de huurders, bewaarders en andere bezitters het goed hebben overgedragen, bij een titel tot overgang van eigendom geschikt, kunnen dat goed door verjaring verkrijgen”.

Alhoewel [geïntimeerde] zich thans in hoger beroep tevens beroept op de hiervoor genoemde artikelen, heeft hij verzuimd om gemotiveerd aan te geven waarom deze artikelen ook van toepassing zijn op de onderhavige vordering. Reeds om deze reden zal het beroep van [geïntimeerde] op voormelde artikelen worden verworpen.

4.8 Voor zover [geïntimeerde] zich beroept op de motivering van de kantonrechter in het beroepen vonnis, is het Hof van oordeel dat ook dit beroep faalt.

De kantonrechter heeft in het beroepen vonnis onder 2.4 van de beoordeling het volgende overwogen:

“De kantonrechter overweegt dat de erflater als zijn erfgenamen heeft achtergelaten zijn twee erkende kinderen, zijnde eisers, en zijn echtgenote, zijnde [naam 2]. Nu, [naam 2] voornoemd kinderloos is overleden en bij testament tot haar algehele erfgenaam heeft benoemd gedaagde, zijn thans tot de nalatenschap van de erflater gerechtigd eisers en gedaagde.

De kantonrechter overweegt voorts dat gedaagde zich erop beroept dat eisers ingevolge artikel 1988 juncto artikel 864 BW niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, aangezien hun vordering tot scheiding van de nalatenschap van de erflater is verjaard, omdat de erflater is overleden op 9 juli 1985, terwijl de vordering is ingesteld op 6 mei 2016, waardoor er vanaf het openvallen van de nalatenschap van de erflater reeds dertig jaren zijn verlopen.

Naar het oordeel van kantonrechter is niet gesteld of gebleken dat eisers vóór 04 november 2015 enige actie hebben ondernomen met betrekking tot de scheiding en deling van de nalatenschap van de erflater, terwijl als niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwist vaststaat dat [naam 2] voornoemd vanaf 9 juli 1985 tot aan haar dood op 31 augustus 2012, op het litigieus perceelland behorende tot de nalatenschap van erflater, heeft gewoond en ingevolge 1976 BW aldus voortdurend en afgebroken (lees onafgebroken), ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit, als eigenaar daarvan heeft gehad gedurende 27 jaren.

Vaststaat dat de bezitter [naam 2] voornoemd, bij een titel overgang van eigendom geschikt, in casu bij testament, het litigieuze perceelland in kwestie heeft nagelaten aan gedaagde, zijnde haar enige erfgenaam. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft gedaagde ingevolge artikel 1976 juncto artikel 1982 BW, het litigieuze perceelland door verjaring verkregen, aangezien er sinds het overlijden van de erflater tot aan 2015 reeds 30 jaren zijn verlopen. Het beroep van gedaagde op verjaring gaat derhalve op, weshalve eisers niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering”.

Met voormelde motivering is de kantonrechter ervan uitgegaan dat [naam 2] het voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit van het perceel, als eigenaar gedurende 27 jaren heeft gehad en wel vanaf het overlijden van de erflater [naam 1] op 9 juli 1985.

Dit is in het geheel niet juist omdat niet is gesteld of gebleken dat [naam 2] het perceel bezat als eigenaar zoals vereist in artikel 1976 BW. Immers wordt door het Hof aangenomen dat [naam 2], die de echtgenote was van de erflater [naam 1], op de hoogte was dat bij zijn overlijden zij niet de enige eigenaar was van het perceel, maar samen daartoe gerechtigd was met [appellanten], die de zonen en wettige erfgenamen waren van de erflater [naam 1].

Daarnaast moest niet worden uitgegaan vanaf het moment waarop [naam 2] het bezit had van het perceel, maar vanaf het moment waarop [geïntimeerde] het bezit had daarvan en dat is vanaf het moment waarop [naam 2] overleed op 30 augustus 2012 en duidelijk was dat [geïntimeerde] door [naam 2] was benoemd tot haar enige erfgenaam.

Het nadere beroep van [geïntimeerde] op artikel 1976 jo 1982 BW gaat dus evenmin op.

4.9 Ingevolge artikel 1093 BW leden 1 en 2, is niemand genoodzaakt om in een onverdeelde boedel te blijven en kan de boedelscheiding te allen tijde worden gevorderd.

De gevorderde scheiding en deling is derhalve toewijsbaar op grond van de voormelde artikelen.

4.10 Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het hof dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] alsnog zal worden veroordeeld om mee te werken aan de scheiding en deling zoals gevorderd, één en ander zoals omschreven in het dictum van dit vonnis.

4.11 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

4.12 [Geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden verwezen.

De beslissing in hoger beroep

  1. Het Hof:
    5.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter d.d. 14 augustus 2017 bekend onder A.R. no. 16-2225 en opnieuw rechtdoende:

5.2 Veroordeelt [geïntimeerde] om met [appellanten] over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van [naam 1]l.

5.3 Benoemt tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zal plaatsvinden notaris mevr. mr. A.U. Baidjoe, indien partijen niet binnen een maand na de uitspraak overeenstemming bereiken over een boedelnotaris.

5.4 Benoemt tot onzijdig persoon voor de respectievelijke partijen, indien één hunner in gebreke mocht blijven op de voor de scheiding en deling bepaalde tijd en plaats te verschijnen of verschenen zijnde mocht weigeren tot de scheiding en deling mee te werken:

voor [appellanten]: mr. S.N. Essed

voor [geïntimeerde]: mr. S.M.D. Sitaram

5.5 Veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 735,–.

5.6 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 januari 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-79

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
BESCHIKKING IN HOGER BEROEP
G.R. NO. 15316
Datum: 15 januari 2021

[Appellant],
wonende in het [district 1],
appellant,
gemachtigde: mr. C.P. Baal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in het [district 1],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

Het Hof van Justitie van Suriname heeft in deze zaak in hoger beroep, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking gegeven;

Partijen worden in het hiernavolgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk [appellant] en [geïntimeerde];

  1. Het procesverloop
    1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van de Kantonrechter wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met AR nummer 16-3074 gegeven beschikking d.d. 24 mei 2017. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
    2. [Appellant] is bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 06 juni 2017, in hoger beroep gekomen tegen voormelde beschikking.
    3. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende proceshandelingen:
  • Het proces-verbaal van verhoor van partijen in raadkamer d.d. 27 februari 2018;
  • Het proces-verbaal van voortzetting verhoor van partijen in raadkamer d.d. 29 mei 2018;
  • De conclusie tot uitlating zijdens [geïntimeerde] na verhoor van partijen d.d. 06 juli 2018;
  • De conclusie tot uitlating zijdens [appellant] na verhoor van partijen, onder overlegging van een productie d.d. 07 december 2018;
  • De conclusie tot uitlating productie zijdens [geïntimeerde] de dato 07 juni 2019;
  • Hierna was de rechtsdag voor de uitspraak van de beschikking aanvankelijk bepaald op 15 november 2019 doch nader op heden.
  1. De feiten
    1. Tussen partijen is bij beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 24 mei 2017, bekend in het Algemeen Register onder no. 16-3074, de navolgende beslissing uitgesproken:

In conventie:

5.1. Wijzen de vordering af;

In reconventie:

5.2. Gelasten de vader [appellant] om binnen een week na de betekening van deze beschikking, het minderjarige kind terug te geven aan de moeder-voogdes [geïntimeerde], met dien verstande dat de vader het kind, op een werkdag, tijdens kantooruren op het BUFAZ ten overstaan van een ambtenaar zal afstaan aan de moeder;

5.3. Machtigt de moeder, om de sterke arm in te roepen indien [appellant] weigert het kind af te staan binnen de vast gestelde termijn;

5.4. Bepaalt dat het kind [appellant], [naam 1] om het ene weekend vanaf vrijdag 17.00 uur n.m. tot en met zondag 17.00 uur n.m. bij de vader (het Hof begrijpt: [appellant]) zal verblijven en voorts de helft van de schoolvakanties en de feestdagen, zulks met ingang van het vierde weekend na de teruggave aan de moeder (het Hof begrijpt: [geïntimeerde]).

5.5. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie

5.6. Veroordeelt [appellant], (het Hof leest: in) de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagden en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

  1. Bij schrijven de dato 05 juni 2017, ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 06 juni 2017, heeft de gemachtigde van [appellant] appèl aangetekend tegen voormelde beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 24 mei 2017.
  1. Uit de relatie van partijen is het kind [naam 1] op 22 maart 2014 te Paramaribo geboren en door [appellant] erkend op 20 juni 2015;
  1. [geïntimeerde] is van rechtswege voogdes over genoemd minderjarig kind.
  1. De beoordeling
    1. Ingevolge het bepaalde in artikel 265 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedraagt de appèltermijn dertig dagen gerekend van de dagtekening der beschikking. Nu [appellant] op 06 juni 2017 het rechtsmiddel heeft aangewend is hij tijdig in appèl gekomen en derhalve ontvankelijk daarin. Nu [appellant] bij de appélaantekening geen onderscheid heeft gemaakt tussen de beslissing in conventie en de beslissing in reconventie zal het Hof het er in dit geding voor houden dat [appellant] in appél is gekomen tegen zowel de beslissing in conventie als de beslissing in reconventie. Gelet op de samenhang tussen het gevorderde in conventie en in reconventie zal het Hof beide vorderingen simultaan aan een beoordeling onderwerpen;
    2. In eerste aanleg heeft [appellant] als eiser in conventie – kort gezegd – gevorderd dat hij als vader-erkenner van voornoemde minderjarige de moeder-voogdes [geïntimeerde] ingevolge het bepaalde in artikel 405b BW in de voogdij wenst op te volgen zodat hij tot voogd wordt benoemd over genoemde minderjarige en [geïntimeerde] wordt benoemd tot toeziende voogdes over de minderjarige. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd – kort gezegd – veroordeling van [appellant] om het minderjarig kind aan haar terug te geven en met [appellant] een omgangsregeling vast te stellen. Zoals hiervoor onder 2.1. is aangegeven heeft de Kantonrechter in conventie de vordering afgewezen en in reconventie de vordering van [geïntimeerde] toegewezen;
    3. Het Hof heeft ter gelegenheid van het verhoor van partijen in raadkamer in hoger beroep uitvoerig met partijen gesproken en wederom rapportage van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken (hierna: Bufaz) gevraagd. Na rapportage van Bufaz te hebben ontvangen op 05 mei 2018 en partijen nader te hebben gehoord op 29 mei 2018 is het gebleken dat het minderjarig kind waar het in casu allemaal om draait, te weten [naam 1] (thans 06 jaar oud), zich ondertussen heeft aangepast en gehecht aan haar nieuwe omgeving thuis bij [geïntimeerde]. De minderjarige verblijft onder redelijk goede omstandigheden aldaar terwijl zij bij tijd en wijle (indien [geïntimeerde] colleges dient te volgen) ook bij haar grootmoeder van moederszijde verblijft. De omstandigheden bij haar grootmoeder van moederszijde ([naam 2]) thuis blijken ook goed te zijn. Eveneens is gebleken dat de omstandigheden thuis bij [appellant] ook goed te noemen zijn en wordt er in gemeen overleg tussen partijen naar tevredenheid van beide partijen ook uitvoering gegeven aan de door de Kantonrechter vastgestelde omgangsregeling. [Appellant] heeft zelf bij het verhoor de dato 27 februari 2018 aangegeven dat de minderjarige nu in een voor haar vertrouwde omgeving vertoeft en hij verder niet weet als het goed voor haar zou zijn om haar uit deze omgeving te halen. Voorts heeft hij aangegeven dat hij niet heeft kunnen opmerken dat het bij de moeder (het Hof begrijpt: [geïntimeerde]) niet goed gaat;
    4. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat het belang van het minderjarig kind in kwestie met zich brengt dat de beroepen beschikking terecht is gegeven en dat de daartegen aangevoerde grieven/bezwaren ongegrond zijn gebleken. Aangezien ingevolge het bepaalde in de artikelen 5, 9 en 10 van het Verdrag voor de Rechten van het Kind, waar de Republiek Suriname partij bij is, is aangegeven dat het kind voor een evenwichtige opgroei recht heeft op contact met beide ouders, geeft het Hof partijen in overweging om daar met de nodige zorgvuldigheid en flexibiliteit mee om te gaan;
    5. De consequentie van al het voorgaande is dat de beroepen beschikking in stand dient te blijven en derhalve dient te worden bevestigd met betrekking tot het gevorderde in zowel conventie als in reconventie. Met betrekking tot hetgeen partijen hebben aangevoerd betreffende de kinderalimentatie en berichten op “social media” is het Hof van oordeel dat die buiten het kader van dit rechtsgeding vallen aangezien dat in eerste aanleg niet aan de orde is gesteld maar pas in hoger beroep door [geïntimeerde] is aangevoerd. Desalniettemin geeft het Hof aan [appellant] in overweging om met de nodige zorgvuldigheid om te gaan met het “posten” van berichten betreffende de minderjarige op “social media” en een redelijke vergoeding in overeenstemming met zijn draagkracht en de behoefte van de minderjarige als alimentatie aan de minderjarige te verstrekken;
  1. Beschikkende in hoger beroep

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 24 mei 2017, waarvan beroep, zowel voor wat betreft de beslissing in conventie als de beslissing in reconventie;

Aldus gegeven op heden, de 15e januari 2021, door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. I. Sonai, leden,

w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, bij vervroeging in het openbaar uitgesproken te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S.C. Berenstein, BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

 

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2021-78

G.R. no. 15264

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
02 juli 2021
in de zaak van

[Appellant],
wonende in het [district 1],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende in het [district 1],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. H.R. Schurman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 02 januari 2017 bekend in het Algemeen Register onder no. 12-0916 tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het schrijven van de toenmalige advocaat van [appellant] gedateerd 04 januari 2017 – ingekomen ter Griffie der Kantongerechten op 17 januari 2017 – waaruit blijkt dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter de dato 02 januari 2017;

– de pleitnota, onder overlegging van producties, gedateerd 06 april 2018;

– de antwoordpleitnota en uitlating producties gedateerd 03 augustus 2018;

– de repliekpleitnota gedateerd 02 november 2018;

– de dupliekpleitnota gedateerd 15 februari 2019;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 07 juni 2019 doch nader op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 02 januari 2017. [appellant] is vertegenwoordigd door mr. N. Rambhadjan namens zijn gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. [appellant] heeft bij schrijven ingekomen ter Griffie der Kantongerechten de dato 17 januari 2017 hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis en is dit ingevolge het bepaalde in artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: BRv) tijdig geschied en is [appellant] ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg de dato 02 januari 2017, A.R. no. 12-0916, tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] alsnog niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering casu quo deze aan hem te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen.

  1. 4. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer in eerste aanleg

4.1. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg als eiser – kort gezegd – gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

[appellant] zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen het bedrag van US$ 38.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

[appellant] zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen het bedrag van US$ 5.700,-, zijnde de advocaat- en deurwaarderskosten;

het gelegde beslag van waarde te verklaren;

[appellant] te veroordelen in de proceskosten.

5.2. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aan zijn vordering ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang – dat hij op 30 maart 2011 een bedrag van US$ 30.000,- aan [appellant] heeft geleend, welk bedrag [appellant] binnen zes maanden, vermeerderd met een rente van US$ 8.000,- diende terug te betalen. [appellant] heeft zich niet gehouden aan zijn betalingsverplichting, waardoor hij zich schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie casu quo een onrechtmatige daad jegens [geïntimeerde]. Als gevolg hiervan heeft [geïntimeerde] schade geleden welke schade bestaat uit het bedrag van US$ 38.000,- vermeerderd met de advocaat- en deurwaarderskosten van US$ 5.700,-. Het gelegde beslag dient van waarde te worden verklaard

5.3. [appellant] heeft in eerste aanleg bij wege van verweer aangegeven – kort gezegd – dat hij met klem ontkent dat hij op 30 maart 2011 van [geïntimeerde] een geldsbedrag ad US$ 30.000,- ter leen heeft ontvangen. Nimmer is [appellant] een leenovereenkomst met [geïntimeerde] aangegaan waarbij een rente van US$ 8.000,- en (het Hof begrijpt: terugbetaling van) de leensom binnen 6 (zes) maanden was afgesproken. Evenzo ontkent [appellant] dat hij de kwitantie d.d. 30 maart 2011 heeft getekend en beticht hij genoemde kwitantie van valsheid. Noch de inhoud noch de handtekening op de genoemde kwitantie is van [appellant] afkomstig en betwist hij de echtheid ten stelligste. Ten bewijze legt [appellant] over een kopie van zijn rijbewijs en identiteitskaart waarvan zijn handtekening te vergelijken is met de handtekening van de genoemde kwitantie dat in geen geval overeenkomt.

5.4. Bij tussenvonnis van de Kantonrechter de dato 23 juni 2015 heeft de Kantonrechter [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs dat tussen partijen op 30 maart 2011 een geldleenovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij hij aan [appellant] het bedrag van US$ 30.000,- heeft verschaft en dat [appellant] binnen zes maanden met rente een bedrag van US$ 38.000,- aan hem diende terug te betalen. [geïntimeerde] heeft in de enquête twee getuigen doen horen op 12 februari 2016, te weten [naam 1] en [naam 2], die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd. Vervolgens heeft de Kantonrechter bij vonnis de dato 02 januari 2017 [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van het bedrag ad US$ 38.000,- vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 21 juni 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts is het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, [appellant] in de proceskosten veroordeeld en is het meer of anders gevorderde afgewezen.

5.5. [appellant] verzoekt het Hof om het beroepen vonnis te vernietigen. Daartoe heeft [appellant] de navolgende grieven aangevoerd.

5.5.1. Allereerst heeft [appellant] aangevoerd dat de Kantonrechter diens beslissing in het beroepen vonnis heeft doen steunen op een vermeend door [appellant] ondertekende kwitantie d.d. 30 maart 2011 alsmede op een tweetal getuigenverklaringen vervat in een proces-verbaal d.d. 12 februari 2016. Gedurende de gehele bodemprocedure heeft [appellant] consequent diens handtekening onder de kwitantie met zeer veel klem ontkend, terwijl [appellant] het lezen en schrijven niet machtig is. Artikel 1898 BW bepaalt dan nadrukkelijk dat indien iemand zijn schrift of handtekening ontkent, MOET de rechter bevelen dat de echtheid daarvan gerechtelijk wordt onderzocht. Deze bepaling is door de rechter niet in acht genomen en daarmede is een bijzonder wettelijk recht van Balgobind, namelijk dat op een onderzoek naar zijn stelling over de (on)echtheid van zijn handtekening, veronachtzaamd.

5.5.2. In stede daarvan beschouwt de Kantonrechter de overgelegde kwitantie d.d. 30 maart 2011 als “begin van bewijs” ex art. 1899 BW, echter had zulks niet gemogen nu art. 1923 BW uitdrukkelijk aangeeft dat het geschrift waarop men zich beroept moet zijn voortgekomen van degeen tegen wie de vordering gedaan wordt (in casu [appellant] dus). De Kantonrechter had zulks moeten onderzoeken en zekerheid daarover dienen te verkrijgen, alvorens hij dit bescheid als “begin van bewijs” heeft aangemerkt, hetgeen niet is gebleken ten processe. [appellant] heeft gepersisteerd en altijd met klem ontkend dat hij de gewraakte kwitantie zou hebben geschreven en ondertekend.

5.5.3. Nu er op grond van artikel 1923 BW in casu geen sprake is van een “begin van bewijs”, was er op grond van hetzelfde artikel dan ook geen getuigenverhoor toegelaten;

5.5.4. In casu is er mitsdien sprake van getuigenverklaringen welke niet op de wet zijn gestoeld en derhalve niet kunnen bijdragen aan het in casu te leveren bewijs als zijnde in strijd met het bewijsrecht gedaan; eveneens is er geen begin van bewijs waardoor de vordering alsnog diende te worden afgewezen.

5.5.5. [appellant] dient eveneens de gelegenheid te worden geboden om eventueel contra getuigen te doen horen; zulks heeft niet plaatsgehad in de bodemprocedure hetgeen uiteraard strijdig is met het hoor- en wederhoor beginsel. In ieder geval blijkt uit het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 februari 2016 niet dat aan [appellant] de gelegenheid is geboden tot het doen horen van contra getuigen.

5.5.6. Een ander punt op grond waarvan het vonnis niet in stand kan blijven en behoort te worden vernietigd, is gelegen in het feit dat [appellant] bij vermeld vonnis in strijd met artikel 1786 BW, welk artikel nadrukkelijk aangeeft dat interessen of wettelijk of bij overeenkomst bedongen zijn (en/en is dus uitgesloten), is veroordeeld. Het bedrag waartoe de appellant bij gemeld vonnis is veroordeeld t.w. USD.38.000,- bestaat uit een hoofdsom van USD 30.000,- en de vermeende overeengekomen rente tussen partijen groot USD 8.000,-. Dit blijkt uit de gewraakte kwitantie. Desondanks wordt [appellant] veroordeeld om behalve de vermeend overeengekomen rente ook nog wettelijke rente over de hoofdsom plus overeengekomen rente te betalen (en/en dus). Zulks is uiteraard wettelijk niet mogelijk en ook op grond daarvan behoort het vonnis niet in stand te blijven en dient het te worden vernietigd.

5.5.7. [appellant] ontkent nogmaals dat hij ooit gelden ter leen van [geïntimeerde] heeft ontvangen casu quo dat hij ooit een kwitantie heeft ondertekend. Hij beticht deze kwitantie dan ook van materiële alsook intellectuele valsheid.

5.5.8. Behalve hetgeen over de getuigenverklaringen reeds eerder is gezegd, blijkt daarenboven uit geen der verklaringen dat deze getuigen hebben waargenomen dat [geïntimeerde] feitelijk aan [appellant] het geld heeft overgedragen of afgegeven. Indien beide getuigenverklaringen goed worden gelezen zal zulks meteen opvallen. De rechtsgevolgen welke in het vonnis worden verbonden aan deze getuigenverklaringen kunnen dan ook nimmer zijn gebaseerd op hetgeen deze getuigen hebben verklaard aangezien zij beide daar geen weet van hadden, met alle nare gevolgen voor [appellant] van dien.

5.5.9. [appellant] verzoekt het Hof uitdrukkelijk om de in prima overgelegde kwitantie buiten het geding te houden zulks op basis van de hierboven aangehaalde wetsartikelen casu quo indien het Hof een andere mening is toegedaan, een echtheidsonderzoek ingevolge de wet te bevelen. [appellant] is bereid de kosten van een schriftkundige te betalen.

5.5.10. [appellant] doet alsnog nadrukkelijk contra bewijs aanbod in hoger beroep en verzoekt, voor zover het Hof zulks nodig oordeelt, hem daartoe toe te laten.

5.6. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep verweer gevoerd op welk verweer het Hof – voor zover nodig – in het hierna volgende zal ingaan.

5.7. Het Hof zal de door [appellant] aangevoerde grieven simultaan aan een beoordeling onderwerpen aangezien die grieven in wezen dezelfde strekking hebben. In de visie van het Hof is het navolgende in casu aan de orde. [geïntimeerde] stelt op 30 maart 2011 een bedrag van US$ 30.000,- aan [appellant] te hebben geleend en ter hand te hebben gesteld, hetgeen [appellant] ten stelligste ontkent. [geïntimeerde] stelt voorts dat de afspraak was gemaakt dat voormeld bedrag ad US$ 30.000,- binnen zes maanden aan hem zou worden terugbetaald door [appellant] vermeerderd met een rente van US$ 8.000,-, hetgeen [appellant] eveneens ten stelligste weerspreekt. [geïntimeerde] heeft ter staving van zijn vordering een onderhandse akte (zgn. nota) in het geding gebracht gedateerd 30 maart 2011, waarin de afspraak is vastgelegd en hetwelk volgens [geïntimeerde] zou zijn ondertekend door [appellant]. [appellant] betwist zijn handtekening op voormelde akte en beticht de akte van zowel materiële als intellectuele valsheid en vraagt om deze akte buiten het geding te houden.

5.8. De centrale vragen die in hoger beroep dienen te worden beantwoord betreffen in de visie van het Hof ten eerste de vraag of de Kantonrechter al dan niet terecht een getuigenverhoor heeft gelast in prima en vervolgens ten tweede de vraag of de Kantonrechter al dan niet terecht tot de slotsom is gekomen dat [geïntimeerde] is geslaagd. In de bewijslevering (althans zo vat het Hof dat op). Het Hof zal allereerst ingaan op de eerste vraag. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat het beroep van [appellant] op het bepaalde in de artikelen 1898, 1899, 1923 BW in samenhang moet worden gelezen met het bepaalde in de artikelen 128 en 129 BRv. Het woord “moet” in de context van artikel 1898 BW in onderling verband en samenhang bezien met de inhoud van voormelde wetsartikelen in de visie van het Hof dan niet als “imperatief” aan te merken, in die zin dat de rechter verplicht zou zijn geweest om een echtheidsonderzoek te gelasten. Daarnaast blijkt in de visie van het Hof nergens uit het beroepen vonnis d.d. 02 januari 2017 en evenmin uit het daaraan vooraf gegane tussenvonnis d.d. 23 juni 2015 dat de Kantonrechter de akte casu quo nota d.d. 30 maart 2011 als een begin van schriftelijk bewijs heeft aangemerkt. Integendeel heeft de Kantonrechter in het tussenvonnis d.d. 23 juni 2015 aangegeven onder 3.2. dat nu [geïntimeerde] erbij blijft dat partijen een geldleenovereenkomst zijn aangegaan en dat [appellant] zijn handtekening op de nota heeft geplaatst terwijl [appellant] dat gemotiveerd heeft betwist, [geïntimeerde] ambtshalve in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn stellingen te bewijzen. Uit het voorgaande volgt in de visie van het Hof niet dat de Kantonrechter in prima de akte (de Kantonrechter spreekt in het vonnis van een nota) als een begin van schriftelijk bewijs heeft beschouwd en is de conclusie derhalve ongerechtvaardigd dat de Kantonrechter niet bevoegd was om een bewijsopdracht aan [geïntimeerde] te geven. Het Hof zal derhalve voorbij gaan aan al hetgeen [appellant] dienaangaande heeft aangevoerd onder 5.5.1. tot en met 5.5.4. en de daartoe strekkende grieven verwerpen.

5.9. Thans komt het Hof toe aan de beantwoording van de volgende vraag. In dit verband is het Hof van oordeel dat uit de stellingen van [geïntimeerde] – na de gemotiveerde betwisting door [appellant] – volgt dat hij staande houdt dat het stuk echt en onvervalst is en dat hij zich van de onderhandse akte d.d. 30 maart 2011 wenst te blijven bedienen. Gelet op het voorgaande is er ingevolge het bepaalde in artikel 129 BRv geen ruimte om het overgelegd stuk buiten het geding te houden, weshalve het Hof al hetgeen [appellant] daartoe onder 5.5.9. heeft aangevoerd zal verwerpen. Vervolgens komt het Hof toe aan bespreking van de bewijswaardering door de Kantonrechter in prima. Na bestudering van het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 februari 2016 in samenhang bezien met het probandum zoals opgenomen in het tussenvonnis d.d. 23 juni 2015, komt het Hof tot het oordeel dat de Kantonrechter in prima met de vaststelling dat [geïntimeerde] heeft voldaan aan de bewijsopdracht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting casu quo het recht verkeerd heeft toegepast. Al hetgeen [appellant] dienaangaande heeft aangevoerd onder 5.5.7. en 5.5.8. haalt het derhalve niet in rechte en wordt verworpen door het Hof. De getuigenverklaringen sluiten in de visie van het Hof naadloos aan op elkaar en dienen in onderling verband en samenhang te worden bezien.

5.10. Rest nog de bespreking van hetgeen [appellant] onder 5.5.5., 5.5.6. en 5.5.10. heeft aangevoerd. Onder 5.5.5. heeft [appellant] aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld voor contra-enquête en dat daarmede het beginsel van hoor- en wederhoor zou zijn geschonden. In de visie van het Hof haalt voormelde grief het niet in rechte aangezien de Kantonrechter in prima heeft aangegeven in de slotzin van 2.3. van het beroepen vonnis, dat vermeldenswaard is dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld voor contra-enquête doch dat hij van de gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Het Hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van deze vaststelling door de Kantonrechter en heeft [appellant] daartoe ook geen handvatten aangedragen maar heeft volstaan met het poneren van een blote stelling. Indien [appellant] daadwerkelijk behoefte had gehad aan contra-enquete had zijn toenmalige gemachtigde alle gelegenheid om de behoefte daartoe kenbaar te maken in haar conclusie tot uitlating na gehouden enquête d.d. 04 juli 2016, hetgeen zij heeft nagelaten. Onder 5.5.10. heeft [appellant] nadrukkelijk tegenbewijs aangeboden in hoger beroep. Evenwel heeft [appellant] verzuimd om dat te specificeren en heeft volstaan met een algemeen bewijsaanbod terwijl van hem verwacht mocht worden dat hij tenminste een tipje van de sluier zou kunnen lichten voor wat betreft de wijze van het bijbrengen van tegenbewijs. Gelet op het voorgaande zal het Hof voormelde grief verwerpen. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd onder 5.5.6. treft in zoverre doel dat de wettelijke rente inderdaad over de hoofdsom ad US$ 30.000,- dient te worden berekend en niet over het bedrag van US$ 38.000,-, welk bedrag reeds een rente-component bevat. De consequentie daarvan is dat het dictum van het beroepen vonnis zal worden aangevuld in voege als na te melden. Gegrondverklaring van voormelde grief leidt in de visie van het Hof niet tot vernietiging van het beroepen vonnis zoals [appellant] heeft betoogd. Eveneens is gebleken dat onder 3.4. van het dictum van het beroepen vonnis de proceskosten niet zijn begroot. Deze omissie van de Kantonrechter noopt het Hof om ambtshalve de proceskosten alsnog te begroten in voege als na te melden.

5.11. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat de door [appellant] aangevoerde grieven niet gegrond zijn gebleken, met uitzondering van hetgeen onder 5.5.6. is aangevoerd. De consequentie daarvan is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, onder aanvulling van het dictum onder 3.1. en 3.4. daarvan, zoals hiervoor onder 5.10. is aangegeven.

5.12. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal, als voor de beslissing niet langer relevant zijnde, achterwege worden gelaten.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken de dato 02 januari 2017 en bekend in het Algemeen Register onder no.12-0916, waarvan beroep, onder aanvulling van het bepaalde onder 3.1. en 3.4. daarvan waardoor dat als volgt komt te luiden:

3.1 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van US$ 38.000,(achtendertigduizend Amerikaanse Dollar), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar over de hoofdsom van US$ 30.000,- (dertigduizend Amerikaanse Dollar), te rekenen vanaf 21 juni 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 435,- (vierhonderd en vijfendertig Surinaamse Dollar).”

6.2. Veroordeelt [appellant] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] in hoger gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;
Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 02 juli 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-77

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15245
15 oktober 2021
In de zaak van

[Verzoeker],
hierna te noemen [verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. Ch. N. Mijnals, advocaat,

tegen

  1. Landbouwbank N.V.,
  2. RBTT Bank (Suriname) N.V., thans geheten Republic Bank N.V.,
  3. Staatsolie Maatschappij Suriname N.V.,

hierna te noemen Landbouwbank e.a.,
allen kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerders,
gemachtigde van verweerder sub a: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,
gemachtigde van verweerders b en c: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

geeft het Hof, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

Deze beschikking bouwt voort op de tussenbeschikking in deze zaak gedateerd 17 november 2017. Het Hof volhardt bij de inhoud van die beschikking.

Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– het proces-verbaal van gehouden verhoor van partijen d.d. 1 december 2017.

1.2 Het geven van de beschikking is bepaald op heden.

  1. De beoordeling

2.1 Naar het Hof begrijpt vordert [verzoeker] dat het aanhangig gemaakte appel tegen het vonnis d.d. 4 januari 2011 bekend onder AR no. 07-2712 vervallen wordt verklaard van instantie.

[Verzoeker] voert daartoe aan dat er, vanaf het moment van aantekenen van hoger beroep tegen voormelde vonnis tot aan de indiening van het onderhavige verzoek op 14 juni 2017 – nu langer dan drie jaren -, geen verrichtingen meer zijn geweest.

Landbouwbank e.a. verzetten zich tegen het verzoek van [verzoeker]. Zij voeren onder meer aan dat het hoger beroep tegen het hiervoor vermelde vonnis, reeds is aangevangen.

2.2 Ingevolge artikel 208 BRv vervalt alle instantie indien de zaak binnen drie jaren niet is voortgezet.

Het Hof stelt voorop dat het recht om verval van instantie te verzoeken, door de wetgever is bedoeld om onredelijke vertraging van de procesgang te sanctioneren, voor zover die onredelijke vertraging te wijten is aan de wederpartij.

Het Hof heeft meerdere malen terughoudend geoordeeld over dit soort verzoeken, omdat steeds een oorzaak van de vertraging gevonden kon worden in omstandigheden die niet te wijten zijn aan de wederpartij. Verwezen wordt naar de volgende beslissingen van het Hof te weten GR 13939 van 2 december 2011, GR 14679 van 7 maart 2014 en GR 15241 van 17 november 2017.

Ook in dit geval dient het onderhavige verzoek tot verval van instantie te worden afgewezen.

Naar het oordeel van het Hof is niet gebleken dat Landbouwbank e.a. na het aantekenen van hoger beroep hebben nagelaten verdere proceshandelingen te verrichten. Landbouwbank e.a. hebben onder meer aangevoerd dat er reeds vóór de indiening van het onderhavige verzoek, een aanvang is gemaakt met de behandeling van het hoger beroep als voormeld. Dit is niet weersproken door [verzoeker].

Daarnaast is gebleken dat het beroepen vonnis op verzoek van Landbouwbank n.v., bij vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 30 maart 2016 bekend onder AR no. 16-0487 is geschorst totdat in hoger beroep over de zaak zal zijn beslist.

Alhoewel er sprake is van een vertraging in de behandeling van het hoger beroep, kan deze vertraging – naar het oordeel van het Hof – Landbouwbank e.a. niet worden tegengeworpen.

De door [verzoeker] gevorderde verval van instantie zal om redenen als voormeld worden afgewezen.

2.3 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

2.4 [Verzoeker] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

3 Beslissing

Het Hof

3.1 Wijst af het gevorderde.

3.2 Veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van Landbouwbank e.a. gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en bij vervroeging uitgesproken op vrijdag 15 oktober 2021 ter openbare terechtzitting te Paramaribo, door de Fungerend-President mr. D.D. Sewratan in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R. Bhoewar namens advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, gemachtigde van verweerder sub a en advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. H.R. Lim A Po, gemachtigde van verweerders sub b en c, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-76

15 oktober 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende in het [district 1],
appellante,
gemachtigde: mr. I.S. Lalji, advocaat,

tegen

  1. A) [Geïntimeerde sub A],
    wonendein het [district 1],
    geïntimeerde,
    gemachtigde: I.D. Kanhai BSc., advocaat,

en tegen

  1. B) Geïntimeerde sub B],
    wonende te Paramaribo,

en

de rechtspersonen

  1. C) [Stichting 1],
  2. D) [Stichting 2],
  3. E) [Stichting 3],

alle kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
gemachtigde: mr. D.S. Kraag, advocaat,

en tegen

de rechtspersonen

  1. F) Stichting Orange County,
  2. G) Stichting Bettonville,

beide kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden,
gemachtigde: mr. G. Sewcharan, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 17 februari 2015 (A.R. No. 09-1206) tussen [appellante] als eiseres en de andere procespartijen als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden verder afzonderlijk genoemd [appellante], [geïntimeerde sub A], [geïntimeerde sub B], [Stichting 1], [Stichting 2], [Stichting 3], Orange County en Bettonville.

[Stichting 1], [Stichting 2] en [Stichting 3] worden verder samen ook de Stichtingen genoemd.

Orange County en Bettonville worden verder samen ook de Kopende Stichtingen genoemd.

  1. Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het tussenvonnis van het Hof van 18 januari 2019;
  • de bij brief van 25 maart 2019 namens [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen overgelegde producties ten behoeve van de comparitie van partijen;
  • het proces-verbaal van comparitie van partijen van 27 maart 2019;
  • de conclusie na gehouden comparitie van partijen van [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen van 3 mei 2019;
  • de conclusie tot uitlating overgelegde producties van [appellante] van 7 juni 2019;
  • de conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van [geïntimeerde sub A] van 7 juni 2019;
  • de conclusie na gehouden comparitie van partijen en uitlating producties van de Kopende Stichtingen van18 oktober 2019;

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling

In alle zaken

2.1 Het Hof volhardt in hetgeen bij het tussenvonnis is overwogen en beslist. Hetgeen partijen naar aanleiding daarvan hebben aangevoerd kan daar niet aan afdoen.

In de zaak tegen [geïntimeerde sub A]

2.2 Bij het tussenvonnis is geoordeeld dat, nu [appellante] en [geïntimeerde sub A]in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de vorderingen tegen [geïntimeerde sub A] niet voor toewijzing in aanmerking komen, dat het vonnis van de Kantonrechter moet worden bevestigd en dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd. Bij dit vonnis zal dienovereenkomstig worden beslist.

In de zaak tegen [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen

2.3 Bij het tussenvonnis heeft het Hof [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen geïnstrueerd de stukken ter onderbouwing van hun antwoorden op de door het Hof in rechtsoverweging 15 van het tussenvonnis gestelde vragen uiterlijk 14 dagen voor de zittingsdatum aan het Hof en de wederpartij te hebben doen toekomen. Daarbij is overwogen dat indien de door het Hof verlangde inlichtingen niet of niet volledig worden gegeven door [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen, dan wel als deze inlichtingen niet met stukken onderbouwd worden verschaft, zonder toereikende verklaring daarvoor door [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen, het Hof daaruit iedere conclusie kan trekken die het geraden acht.

2.4 [Geïntimeerde sub B] en de Stichtingen hebben onvoldoende gevolg gegeven aan de gegeven instructie. Niet alleen hebben zij pas daags voor de comparitie van partijen stukken ingediend, maar bovendien hebben zij de door het Hof gestelde vragen slechts ten dele beantwoord.

2.5 De door [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen te beantwoorden vragen waren de volgende:

“Per stichting dienen zij op te geven, waar mogelijk met stukken onderbouwd:

  1. Wanneer zijn de respectieve perceellanden in het vermogen van de stichting in kwestie gekomen?
  2. Wat was toen het zakenrechtelijk recht dat de stichting in kwestie had op de respectieve perceellanden?
  3. Is de aard van dat recht ooit veranderd?
  4. Welk bedrag is betaald?
  5. Hoe is de stichting in kwestie aan het benodigde geld gekomen, zulks per aankoop. Kwam het geld van [appellante] en/of [geïntimeerde sub A]? Hoe is dat geld dan precies ter beschikking gesteld? Is daarvoor geld geleend door de stichting in kwestie? Zo ja, hoeveel en bij wie / welke rechtspersoon?
  6. Welke van de in geschil zijnde perceellanden behoren nog tot het vermogen van de stichting in kwestie, in zakenrechtelijke zin en welke niet?
  7. Wanneer zijn de niet meer tot het vermogen van de stichting in kwestie behorende perceellanden uit dat vermogen verdwenen, op grond van welke titel, naar wie en hoe is toen financieel afgewikkeld en met wie? Waren daar ook schuldeisers bij betrokken?
  8. Wat is nu het vermogen van elk van de drie Stichtingen, voor zover dat te maken heeft met de in geschil zijnde perceellanden die niet meer behoren tot het vermogen van de stichting in kwestie? Het Hof wil dus weten wat er met de (verkoop)opbrengsten van elk perceelland is gebeurd en waar die opbrengsten zich nu bevinden.
  9. Ook wil het Hof uitgebreide informatie van [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen ontvangen in verband met hun stelling dat de verkoop van de diverse van de in geschil zijnde perceellanden aan de Kopende Stichtingen nodig was om de schuldeisers te kunnen betalen die een recht van hypotheek hadden op die perceellanden. Daarbij moet ook duidelijk gemaakt worden waarom die schuldeisers niet meer werden betaald en dat de verkoop het enige in redelijkheid denkbare middel was om die schulden te voldoen.”

2.6 In het bijzonder de vragen e, g, h en i hebben [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen ook ter comparitie en in hun vervolgens genomen conclusie grotendeels onbeantwoord gelaten. Zo is onder meer nog altijd niet inzichtelijk voor welke bedragen de perceelgronden zijn verkocht en derhalve evenmin hoe de verkoopopbrengsten zijn aangewend. Gelet op hetgeen reeds bij het tussenvonnis is overwogen over de verplichting van [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen om volledige openheid van zaken te geven (rechtsoverweging 13), leidt dit tot het oordeel dat het huwelijksvermogen en daarvan afgeleid [appellante] door de Stichtingen zijn benadeeld, en wel tot het door [appellante] gevorderde bedrag van SDR 5.000.000,-.

2.7 Bij het tussenvonnis is in rechtsoverweging 11 reeds aangenomen dat de vervanging van [geïntimeerde sub A] als bestuurder van de Stichtingen door (zijn toenmalige vriendin) [geïntimeerde sub B] was om de aanspraken van [appellante] op het huwelijksvermogen van [geïntimeerde sub A] en [appellante] te bemoeilijken. Door dat huwelijksvermogen vervolgens te benadelen als hiervoor bedoeld, hebben de Stichtingen onrechtmatig jegens [appellante] gehandeld en zijn zij jegens haar schadeplichtig.

2.8 Dit laatste geldt ook voor [geïntimeerde sub B], nu haar een ernstig persoonlijk verwijt treft terzake het onrechtmatig handelen van de door haar bestuurde Stichtingen, gelet op het oogmerk van haar aantreden als bestuurder, gelet op het gebrek aan openheid van zaken harerzijds en gelet op de aangenomen benadeling. De door [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen in hun conclusie na comparitie genoemde beschikking van het Hof van 11 november 2009 waarbij beslaglegging ten laste van [geïntimeerde sub B] werd geweigerd, staat niet aan dit oordeel in de weg. Die beschikking werd gegeven ruim voor het in dit hoger beroep gevoerd debat.

In de zaak tegen de Kopende Stichtingen

2.9 Zoals hiervoor overwogen, moet de door [appellante] gestelde benadeling als gevolg van de verkoop van de perceellanden worden aangenomen. Ten aanzien van de Kopende Stichtingen heeft het Hof in rechtsoverweging 17 van het tussenvonnis overwogen dat, indien sprake blijkt te zijn geweest van benadeling van de aanspraken van [appellante] op de Stichtingen en als dat komt door de verkoop van de perceellanden aan de Kopende Stichtingen, er sprake is van een paulianeuze handeling en van een onrechtmatige daad van de Kopende Stichtingen door daaraan mee te werken. Het Hof heeft er daarbij op gewezen dat beide Kopende Stichtingen vooraf op de hoogte zijn gesteld van de mogelijke benadeling van de rechten van [appellante] via de huwelijksgoederengemeenschap en dat de Kopende Stichtingen in geval van benadeling van [appellante] door de verkoop te kwader trouw zijn en dat aan hen dan geen derden bescherming toekomt. Het voorgaande brengt mee dat ook de Kopende Stichtingen jegens [appellante] schadeplichtig zijn.

Voorts in de zaken tegen [geïntimeerde sub B], de Stichtingen en de Kopende Stichtingen

2.10 Uit voorgaande overwegingen en de overwegingen in het tussenvonnis volgt dat het vonnis van de Kantonrechter niet in stand kan blijven. De door [appellante] gevorderde schadevergoeding zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd en met vanwaardeverklaring van het ten laste van de Kopende Stichtingen gelegd beslag.

2.11 Voor toewijzing van de vordering van [appellante] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ziet het Hof onvoldoende grond.

2.12 Uit de beoordeling in conventie volgt dat de reconventionele vorderingen van de Kopende Stichtingen strekkende tot opheffing van de beslagen zullen worden afgewezen.

2.13 De overige stellingen van partijen kunnen niet afdoen aan voorgaande beoordeling en behoeven geen bespreking.

2.14 [Geïntimeerde sub B], de Stichtingen en de Kopende Stichtingen zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

  1. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

In de zaak tegen [Geïntimeerde sub A]

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In de zaken tegen [geïntimeerde sub B] en de Stichtingen en tegen de Kopende Stichtingen

vernietigt het vonnis waarvan beroep, in conventie en in reconventie gewezen, en opnieuw recht doende,

in conventie:

veroordeelt [geïntimeerde sub B], [stichting 1], [Stichting 2], [Stichting 3], Orange County en Bettonville tot betaling aan [appellante] van SRD 5.000.000, = [vijf miljoen Surinaamse Dollars], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf van 6% per jaar vanaf 12 januari 2010 tot de dag der algehele voldoening des de één betalende de ander zal zijn bevrijd;

verklaart van waarde de bij exploit van deurwaarder bij het Hof van Justitie, Louise Tran van Can – Doesburg d.d. 22 december 2009 no. H-1065, door [appellante] bij de Kopende Stichtingen gelegde beslagen;

veroordeelt [geïntimeerde sub B], [stichting 1], [Stichting 2], [Stichting 3], Orange County en Bettonville in de proceskosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] begroot op SRD. 1505,– (één duizend vijfhonderd en vijf Surinaamse Dollar);

in reconventie:

wijst de vordering van de Kopende Stichtingen af;

veroordeelt Orange County en Bettonville in de proceskosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] begroot op SRD. 298,– (tweehonderd acht en negentig Surinaamse Dollar);

in conventie en in reconventie voorts:

veroordeelt [geïntimeerde sub B], [stichting 1], [Stichting 2], [Stichting 3], Orange County en Bettonville in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellante] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 755,– (zevenhonderd vijf en vijftig Surinaamse Dollar);

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R. Bhoewar namens advocaat mr. D.S. Kraag, gemachtigde van geïntimeerden sub B-E.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld