SRU-HvJ-2007-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14307.

[Appellant], wonende aan [adres 1] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no.27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.J.Blufpand, advokaat, appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no 8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis in Kort Geding uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 2 februari 2007, 16 maart 2007, 4 mei 2007 en 1 juni 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating onder overlegging van produkties hebben genomen, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast beschouwd.

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof refereert aan en persisteert bij het tussenvonnis van 1 juni 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat geïntimeerde, daartoe bij voormeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld, bij daartoe strekkende conclusie de dato 15 juni 2007 in het onderhavige geding heeft doen brengen – voorzover ten deze van belang -: een verklaring in fotokopie de dato 26 januari 2006 van Rosan’s Car Center, een kwitantie in fotokopie de dato 26 januari 2006 van Rosan’s Car Center en een nieuw verzekeringsbewijs van Self Reliance [nummer 1];

Overwegende, dat het Hof de inhoud van voormelde producties als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aanmerkt;

Overwegende, dat appellant daartoe tevens in de gelegenheid gesteld bij conclusie de dato 29 juni 2007 heeft doen zeggen zoals in voormelde conclusie weergegeven, wordende de inhoud daarvan als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van èn de verklaring èn de kwitantie in fotokopie gedateerd 26 januari 2006, gevoegd bij het nieuwe verzekeringsbewijs in fotokopie [nummer 1] als eerder vermeld, van welke produkties de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, bewezen acht en als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt dat: – Rosan’s Car Center van geïntimeerde heeft gekocht en geleverd gekregen: een Toyota Vista kleur grijs met kenteken [nummer 2] MP in de staat waarin het verkeerde voor een bedrag van USD 1000,– welk bedrag gediend heeft als betaling voor de koop van een Toyota Hiace Regius bouwjaar 1997 eveneens in de staat waarin die zich bevond voor een bedrag van USD 13.000,–, welk voertuig op genoemde datum is verzekerd bij N.V.Surinaamse Assurantie Maatschappij Self Reliance;

Overwegende, dat nu appellant voormelde producties niet heeft betwist of van valsheid beticht thans vaststaat, dat geïntimeerde het voertuig van het merk Toyota Vista, kleur grijs met kenteken [nummer 2] MP sedert 26 januari 2006 niet meer in haar bezit heeft en zij mitsdien ook niet meer zou kunnen worden veroordeeld dat voertuig aan appellant af te geven zoals gevorderd, waaraan niet afdoet dat geïntimeerde zich daartoe zelf in de onmogelijkheid heeft gesteld;

Overwegende, dat als niet door appellant betwist tevens vaststaat tussen partijen, dat geïntimeerde de matras Auping van het merk Adagio aan appellant heeft afgestaan; bij zijn vordering tot afgifte daarvan heeft appellant dan ook geen belang meer;

Overwegende, dat thans nog slechts aan de orde is de vraag of appellant aanspraak maakt op de P.C. van het merk HDF Aopen; appellant stelt van wel omdat die hem toebehoort terwijl geïntimeerde van oordeel is dat het van haar is;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend vaststaat tussen partijen dat zij geruime tijd buiten echt c.q. in concubinaat hebben samengeleefd;

Overwegende, dat, naar het Hof er van uitgaat nu het tegendeel zijdens geïntimeerde gesteld noch gebleken is, de P.C. met bijbehoren (geen printer) merk HDF Aopen, tijdens de buitenechtelijke samenleving c.q. de concubinaatverhouding is gekocht c.a.aangeschaft;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene opmerkt, dat met betrekking tot de inboedelgoederen(roerende goederen) een vorm van vrije gemeenschap wordt aangenomen, voorzover één van de partners zijn beter recht op die goederen niet kan bewijzen, doch het principe blijkt dat bij het concubinaat gescheidenheid van vermogen regel is;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het daartoe strekkend bewijs van HDF Consulting N.V. de dato 29 januari 2003 aan de appellant alstoen verkocht en geleverd is 1 stuk HDF Aopen personal computer met bijbehoren; appellant verkreeg op gemelde datum het eigendom van gemelde personal computer;

Overwegende, dat geïntimeerde heeft aangevoerd, dat appellant aan haar gemelde personal computer heeft geschonken en dat die computer aan haar toebehoort;

Overwegende, dat appellant voormelde bewering van geïntimeerde heeft betwist;

Overwegende, dat geïntimeerde na wederspraak terzake zijdens appellant op geen enkele wijze haar bewering heeft kunnen aannemelijk maken; de omstandigheid dat de personal computer zich in de woning van geïntimeerde bevond levert het bewijs van haar bewering terzake niet op; immers, appellant heeft samen met geïntimeerde in het kader van de buitenechtelijke relatie c.q. concubinaatsverhouding in haar, geïntimeerdes, woning gewoond en de roerende goederen waaronder de personal computer aan beiden zouden toebehoren indien appellant niet zou kunnen bewijzen dat hij de personal computer door middel van koop door en levering aan hem, had aangeschaft;

Overwegende, dat het overigens voor de hand ligt dat zowel appellant als geïntimeerde tij en ontij van de computer gebruik maakten toen zij samenwoonden, doch dat zulks geenszins aanleiding geeft aan te nemen dat geïntimeerde daar de rechthebbende op is omdat die haar was geschonken;

Overwegende, dat appellant dan ook terecht tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen, dat geïntimeerde het bezit heeft van de personal computer welk bezit als volkomen titel geldt;

Overwegende, dat het beroepen vonnis dan ook dient te worden vernietigd en dat alsnog aan appellant zal worden toegewezen de vordering strekkende tot het gelasten van geïntimeerde tot afgifte aan appellant van de P.C. van het merk HDF Aopen, onder veroordeling van geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan zijde van appellant gevallen, komende de door appellant aangevoerde grief het Hof in zoverre dan ook gegrond voor;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in kort geding gewezen en uitgesproken de dato 20 mei 2004, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Gelast geïntimeerde aan appellant af te geven de P.C. van het merk HDF Aopen, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 50,– per dag voor iedere dag dat geïntimeerde ingebreke blijft aan dit vonnis gevolg te geven;

Veroordeelt haar in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen en in prima begroot op SRD 78,–;

en in hoger beroep begroot op SRD 419,03,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van appellant voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op SRD 250,–;

Weigeren het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.K.Pultoo, en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 juli 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.J.Blufpand en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2014-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

  1. [Appellant sub 1],
  2. [Appellant sub 2],

beide wonende te [plaats],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 26 januari 2009 (AR no. 08-1806) tussen enerzijds appellanten als eisers in conventie en gedaagden in reconventie en anderzijds geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende (ook) aangeduid als respectievelijk [Appellant sub 1], [Appellant sub 2] en [Geïntimeerde];

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 02 juni 2009 hoger beroep hebben ingesteld;
  • pleitnota van de zijde van appellanten d.d. 17 augustus 2012 met producties;
  • antwoordpleitnota van de zijde van geïntimeerde d.d. 18 januari 2013, met producties;
  • repliekpleitnota van de zijde van appellanten d.d. 05 april 2013, met producties;
  • dupliekpleitnota van de zijde van geïntimeerde d.d. 07 juni 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 01 november 2013 doch nader op heden.

De beoordeling

  1. In rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Nu tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht en door partijen ook niet anderszins bezwaar is gemaakt, vormen die feiten ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

1.2. Op 28 juni 1990 is te Paramaribo [naam 1] overleden (hierna ”erflaatster” te noemen). Appellanten en geïntimeerde behoren tot haar erfgenamen.

1.3. Erflaatster was eigenaresse van het bebouwde perceel aan de Bolletriestraat, bekend als [adres], te [plaats]. Op of omstreeks 19 oktober 1988 heeft erflaatster het perceel bij notarieel verleden akte verkocht en geleverd aan geïntimeerde, onder voorbehoud van het levenslange recht van gebruik en bewoning, zulks voor een bedrag van Sf. 75.000,-.

1.4. Bij vonnis van de kantonrechter van 4 mei 1998 (AR no. 932542) is eerder bedoelde notariële akte van verkoop en levering op vordering van appellanten nietig verklaard, is doorhaling van de inschrijving daarvan in de registers van het hypotheekkantoor gelast en is geïntimeerde veroordeeld om mee te werken aan de scheiding en deling van de nalatenschap van erflaatster. Tegen voornoemd vonnis is door geïntimeerde hoger beroep aangetekend doch de zaak is nog niet behandeld althans er is nog geen uitspraak in de zaak gedaan.

1.5. Bij vonnis van de kantonrechter van 17 november 2003 (AR no. 203988) zijn [appellant sub 1] en andere erfgenamen op vordering van [appellant sub 2] veroordeelt om met [appellant sub 2] over te gaan tot de scheiding en deling van de nalatenschap van erflaatster. Tegen voormeld vonnis is door enkele erfgenamen hoger beroep aangetekend en wel de erfgenamen [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Het Hof van Justitie heeft op 21 januari 2011 vonnis gewezen waarbij het vonnis (in de hoofdzaak) is bekrachtigd.

1.6. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter van 26 april 2007 (AR no. 064641) is de Hypotheekbewaarder op vordering van geïntimeerde gelast om de aantekening in het hypotheekregister, betreffende de doorhaling van de verkoop en levering aan geïntimeerde, teniet te doen en om het perceel opnieuw ten name van geïntimeerde te stellen.

1.7. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter van 26 januari 2009 (AR no. 081806) is de vordering in conventie van appellanten, strekkende tot schorsing van de werking van zojuist bedoeld vonnis van 26 april 2007, afgewezen. De vordering in reconventie van geïntimeerde tot ontruiming van het perceel heeft de kantonrechter toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de Hypotheekbewaarder reeds aan het vonnis van 26 april 2007 had voldaan, zodat schorsing van de werking van het vonnis van 26 april 2007 niet meer aan de orde was, en dat geïntimeerde als geregistreerd eigenaar van het perceel recht en belang had bij ontruiming daarvan. Tegen voormeld vonnis althans tegen het reconventioneel deel hebben appellanten hoger beroep aangetekend. Ze hebben verzocht om het ingesteld beroep tegen het vonnis in conventie in te trekken.

2.1. Appellanten hebben appèl aangetekend en hebben vernietiging van het vonnis in reconventie d.d. 26 januari 2009 bekend onder AR no. 081806 gevorderd. Geïntimeerde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

Het hof overweegt als volgt.

2.2. Appellanten hebben blijkens de aantekening van de Griffier door tussenkomst

van hun raadsman op 02 juni 2009 appèl aangetekend tegen het vonnis van 26 januari 2009. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest en dat de Griffier bij schrijven gedateerd 22 mei 2009 voormeld vonnis aan partijen heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande hebben appellanten ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering binnen de termijn van veertien dagen na dagtekening van voormeld schrijven en derhalve tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

2.3. De appellanten hebben verzocht om het ingesteld beroep tegen het vonnis in conventie in te trekken. De geïntimeerde heeft zich hiertegen niet verzet weshalve het hof zal verstaan dat het ingesteld hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg gewezen en uitgesproken uitsluitend betreft de beslissing in reconventie.

2.4. Het hof komt tot de slotsom dat de appellanten zich er op beroepen dat geïntimeerde bij diverse vonnissen is veroordeeld om met hen (en andere erfgenamen) over te gaan tot de scheiding en deling van de nalatenschap van erflaatster. Zo zou hij bij het vonnis van de kantonrechter van 4 mei 1998 (AR no. 932542) daartoe zijn veroordeeld. Dat zou ook zijn geschied bij het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2003 (AR no. 203988) welk vonnis (in de hoofdzaak) door het Hof van Justitie in hoger beroep is bekrachtigd.

2.5. Het hof overweegt echter dat – tot anders is beslist – het litigieus perceelland juridisch – en met name vanwege het ten hypotheekkantore wederom ten name van geïntimeerde plaatsen van het perceelland – niet tot de nalatenschap van [naam 1] behoort. Nu het niet behoort tot de nalatenschap van hun moeder kan in rechte daarvan geen scheiding en deling plaatsvinden.

2.6. De omstandigheid dat bij vonnis van de kantonrechter van 4 mei 1998 (AR no. 932542), de notariële akte van verkoop tussen hun moeder en geïntimeerde en de daarop gevolgde levering op vordering van appellanten nietig is verklaard en de doorhaling van de inschrijving daarvan in de registers van het hypotheekkantoor is gelast doet hieraan niet af omdat tegen voornoemd vonnis door geïntimeerde hoger beroep is aangetekend terwijl het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. Het ingesteld hoger beroept heeft derhalve een schorsend effect op de werking van het bepaalde in het vonnis.

2.7. Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat geïntimeerde – tot anders is beslist – als zakelijk gerechtigde van het perceelland moet worden aangemerkt en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt waaraan zij het recht ontlenen tot verblijf in de woning staande op het voormeld perceelland. Zij verblijven aldaar derhalve jegens geïntimeerde zonder recht of titel hetgeen ontruiming van hen rechtvaardigt.

2.8. Gezien het hiervoor overwogene zal het vonnis in reconventie, inhoudende de veroordeling van appellanten tot ontruiming, worden bekrachtigd als in het dictum te melden.

2.9. Aangezien partijen bloedverwanten (broers) van elkaar zijn zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen hen compenseren in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

  • Verstaat dat het aangewende rechtsmiddel van hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter in conventie is ingetrokken;
  • Bekrachtigt het vonnis in kort geding in reconventie de dato 26 januari 2009 bekend onder A.R.no. 081806, waarvan beroep;
  • Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, lid en mr. R. M. Praag, lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President mr. D.D. Sewratan uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 17 Januari 2014, in tegenwoordigheid van S.C. Berenstein, Fungerend- Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen namens hun gemachtigde, advocaat mr. D. Moerahoe en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. Y.S. Engkar, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2007-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H.

A – 432

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hovens interlocutoire vonnis van 21 februari 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.A.R.Baarh, advocaat Mr.J.Kraag, gemachtigde van verweerder en de heer Raymond Willem Christiaan Ford, vertegenwoordiger van het Ministerie van Financien, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd, waarna de zaak is verwezen naar de rolzitting inzake conclusie na gehouden comparitie van partijen en het overleggen van documenten zijdens verweerder;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen onder overlegging van producties, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van produkties heeft genomen onder overlegging van producties, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 3 oktober 2003, de gemachtigde van verweerder, advocaat Mr.J.Kraag een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van produkties heeft genomen onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 20 februari 2004, de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van productie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 2 april 2004, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat bij tussenvonnis van het Hof van Justitie van 21 februari 2003, het Hof de Griffier heeft gevraagd ten processe te doen overleggen het strafdossier als in de rechtsoverwegingen genoemd en partijen gelast ter terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 28 maart 2003 te verschijnen voor het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

Overwegende, dat, naar aanleiding van het verzoek het strafdossier ten processe te overleggen, de Griffier der Kantongerechten aan het Hof heeft bericht dat door brand het gevraagde dossier helaas verloren is gegaan waardoor het niet kan worden overgelegd;

Overwegende, dat de in het tussenvonnis gelaste comparitie van partijen is gehouden, en wel op vrijdag, 28 maart 2003 waarbij aanwezig was voor de Staat en is gehoord de heer Raymond Willem Christiaan Ford en op vrijdag, 11 april 2003, toen aanwezig was en is gehoord de verzoeker, die hebben verklaard als opgenomen in de processen-verbaal van die comparitie, welke hier als ingelast en geinsereerd moeten worden beschouwd;

Overwegende, dat verzoeker aan zijn vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking de volgende gronden ten grondslag heeft gelegd:

– dat van de Procureur-Generaal geen advies is ingewonnen ex artikel 63 lid 3 van de Personeelswet;

– dat de beschikking gebaseerd is op een nog niet in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis, en

– dat de opgelegde tuchtstraf niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan;

Overwegende, dat verweerder, op de stellingen van verzoeker ingaand, als verweer heeft aangevoerd dat het niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis wel als grondslag heeft mogen dienen voor de beschikking, nu de verklaringen van de getuigen overtuigend zijn – van de getuigenverklaringen heeft verweerder enkele in dit geding gebracht – en het gepleegde feit dermate ernstig was dat de tuchtstraf gerechtvaardigd is, voorts dat het niet nodig was advies van de Procureur-Generaal te vragen nu er geen sprake was van samenloop van het tuchtrechtelijk onderzoek en het strafrechtelijk onderzoek;

Overwegende, dat, ten aanzien van de stelling en het verweer artikel 63 lid 3 Personeelswet betreffende, naar het oordeel van het Hof uit het procesdossier blijkt dat er wel degelijk sprake was van samenloop van een tuchtrechtelijk en strafrechtelijk onderzoek, immers, verzoeker is naar aanleiding van een vermeende huisvisitatie in verzekering gesteld op 8 april 1997, waarna het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen, waarna eveneens naar aanleiding van die vermeende huisvisitatie tevens een tuchtrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, waarin verzoeker zich heeft moeten verweren. Het bepaalde in artikel 63 lid 3 Personeelswet diende derhalve in acht genomen te worden en het verwijt aan verweerder is gegrond;

Overwegende, dat nu het besluit in strijd is genomen met artikel 63 lid 3 van de Personeelswet dit besluit ingevolge artikel 79 lid 1 A in aanmerking komt voor nietigverklaring;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van de stelling van verzoeker dat de tuchtstraf niet in verhouding staat tot het gepleegde feit, opmerkt, dat het Hof het niet eens is met verzoekers standpunt dat de tuchtstraf van ontslag niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim. Het plichtsverzuim zou volgens verweerder bestaan uit het medeplichtig zijn aan het overtreden van de Smokkelwet, waarbij aan verzoeker verweten wordt dat hij tijdens een huisvisitatie personen de gelegenheid heeft gegeven een voertuig van het merk Mercedes Benz, zonder inachtneming van de regels der Smokkelwet in het vrije verkeer in Suriname te brengen, met andere woorden, zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan smokkelen. Het komt het Hof voor dat een functionaris, die vanwege zijn functie is belast met de taak het smokkelen van goederen tegen te gaan, en die zich juist tijdens de uitoefening van zijn functie schuldig maakt aan dergelijke handelingen, volstrekt ongeschikt is voor het uitoefenen van die functie. Het ontgaat het Hof dan ook hoe verzoeker het standpunt kan huldigen dat de tuchtstraf niet in verhouding staat tot de handeling en op grond van artikel 79 lid 3 nietig verklaring van het besluit gevraagd zou kunnen worden;

Overwegende, dat het Hof, gebruik makend van de bevoegdheid aan hem toegekend in artikel 82 lid 3, verweerder zal opdragen alsnog de voorgeschreven procedure van artikel 63 lid 3 Personeelswet te volgen en de Procureur-Generaal de gelegenheid zal bieden advies uit te brengen, waarna verweerder opnieuw, zij het binnen drie maanden na ontvangst van het advies, een besluit zal nemen;

Overwegende, dat het Hof, gezien het bovenstaande de overige stellingen en weren van partijen niet zal bespreken nu deze niet langer relevant zijn;

Overwegende, dat het Hof beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Financien de dato 19 juli 1999 no.[nummer 1]/no.[nummer 2], waarbij verzoeker uit Staatsdienst is ontslagen;

Draagt verweerder op in verband met een op te leggen tuchtstraf alsnog de Procureur-Generaal in de gelegenheid te stellen het advies, zoals voorgeschreven in artikel 63 lid 3 Personeelswet, uit te brengen;

Bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na ontvangst van het hierboven bedoelde advies van de Procureur-Generaal opnieuw zal besluiten omtrent het opleggen van een tuchtstraf aan verzoeker.

Aldus gewezen door de heren: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 maart 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.K.Pultoo

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.K.J.Brandon namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.J.Kraag.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-583

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no. 77 ten kantore van Mr.R.U.F.Truideman (voorheen), voor wie als gemachtigde thans optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.Y.BRAAM-JORDAN, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, rechtspersoon met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, te diens Parkette aan de H.A.E.Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;
  2. Verzoeker is vanaf 1 augustus 1971 ambtenaar in de zin van de Personeelswet, personeelsnummer [nummer 2]. Verzoeker is in vaste dienst werkzaam bij verweerder thans in de rang van ONDER INSPEKTEUR VAN POLITIE en als zodanig tewerkgesteld bij het Korps Politie Suriname als Hoofd Magazijnen, gebouwen, terreinen en logistiek;
  3. Op 24 juni 2004 ontving verzoeker een beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 3 maart 2004 K.A. no. [nummer], welke beschikking hierbij in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;
  4. In gemelde beschikking besluit de Minister voornoemd om aan verzoeker op te leggen de navolgende tuchtstraffen, te weten:
  5. DEGRADATIE in de rang van onder inspecteur van politie tot majoor van politie voor de duur van een jaar onder toekenning van een bezoldiging van SRD 978,– per maand, enz. en
  6. ONTSLAG onder de bepaling dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij verzoeker zich binnen een proeftijd van een jaar wederom schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim, enz.;
  7. In de meergenoemde beschikking worden als overwegingen voor het opleggen van die tuchtstraffen aan verzoeker opgegeven, dat verzoeker ervan verdacht wordt zich schuldig te hebben gemaakt aan het strafbaar feit van verduistering, zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 381, 381 jo, 382 van het Wetboek van Strafrecht. Verder wordt er overwogen, dat verzoeker, die als coördinator belast was bij een gehouden veiling van diverse inbeslag genomen goederen, een aantal in beslag genomen zinkplaten, dat achter de garage van het Bureau Nieuwe Haven was gedeponeerd, welke niet voor de openbare veiling was geregistreerd, in vereniging met corveeër [naam], die partij zinkplaten zich wederrechtelijk heeft toeeigend door deze aan derden te verkopen, als zouden die zinkplaten op die veiling zijn verkocht;
  8. Verzoeker wenst nu reeds te stellen, dat hij zich aan geen enkel strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Indien dat wel zo zijn geweest, dan was verzoeker zeer zeker in verzekering gesteld door de Hulp- Officier bij de afdeling O.P.Z. aangezien er binnen het Korps daarmede geen grappen wordt gemaakt;
  9. Als er verder wordt gesproken over in beslag genomen zinkplaten, die zijn verduisterd, dan moet door verweerder eerst worden overgelegd de proccesen-verbaal van inbeslagname, waaruit blijkt om hoeveel zinkplaten het gaat en als om nieuwe of gebruikte zinkplaten gaat. Verder moet door verweerder worden overgelegd het bewijs, dat die zinkplaten aan verzoeker zijn afgegeven en door verzoeker zijn ontvangen (getekend voor ontvangst) om te worden opgeslagen c.q. te worden bewaard in het magazijn, welke valt onder het beheer van verzoeker als Hoofd van die afdeling. Ook zou verweerder op de proppen moeten komen met die “DERDEN” aan wie die zinkplaten zouden zijn verkocht door verzoeker tezamen met die [naam]. Pas dan kan een beschuldigende vinger naar verzoeker worden gewezen;
  10. Verzoeker kan niet aansprakelijk worden gehouden voor zinkplaten, “ die achter de garage van het Bureau Nieuwe Haven zijn gedeponeerd”. De vragen die rijzen zijn direct:
  11. is daar de plaats van opslag ?
  12. onder wiens beheer zijn ze daar geplaatst ?
  13. wie was verantwoordelijk voor de zinkplaten ?
  14. om hoeveel zinkplaten gaat het ? enzovoorts. In ieder geval zijn deze zinkplaten nimmer aan verzoeker afgegeven ter bewaring c.q. opslag als zijnde in beslag genomen goederen. Verzoeker heeft deze zinkplaten trouwens ook nooit gezien, dus waarover heeft verweerder het ??
  15. Op de bewuste veiling was er wel een partij van ongeveer 40 gebruikte zinkplaten, die zich in het magazijn bevonden en hoewel deze zinkplaten niet op de veilinglijst voorkwamen, heeft verzoeker deze zinkplaten via de Notaris toch laten verkopen en wel aan de persoon van [naam]. Verzoeker heeft de Procureur-Generaal bij zijn brief van 17 januari 2003 hiervan in kennis gesteld, terwijl de notaris in kwestie die brief voor akkoord heeft mede ondertekend. Verzoeker heeft verder ook een fotokopie van de kwitantie van betaling door die [naam] overgelegd. Uit dit alles blijkt, dat het met betrekking tot die 40 zinkplaten richtig is geschied. Over andere zinkplaten weet verzoeker niets en trouwens vielen die zinkplaten (voor zover zij werkelijk achter de garage waren geplaatst ) ook niet onder zijn verantwoordelijkheid;
  16. Verzoeker heeft zich dan ook niet schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en ook niet aan plichtsverzuim. Ook heeft verzoeker niet in strijd gehandeld met de Instructie Ambtenaren van Politie. Trouwens in de derde overweging van de aangevochten beschikking wordt gesteld, dat de Instructie Ambtenaren van Politie te vinden is in G.B.1971 no. 70 en verzoeker betwist dat. Verweerder vermeld dus ook nog verkeerde zaken in de beschikking:
  17. Verzoeker is dan ook van oordeel, dat de opgelegde tuchtstraffen elke grondslag missen en in strijd met de personeelswet zijn opgelegd. Verzoeker is gestraft voor iets waaraan hij geen schuld heeft c.q. waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Verzoeker wordt nu tot zondebok gemaakt, terwijl iemand anders waarschijnlijk een vuil spelletje heeft gespeeld en nu in zijn vuistje lacht;
  18. Verzoeker is tenslotte van mening, dat verweerder nimmer tot het opleggen van die twee tuchtstraffen aan verzoeker had kunnen komen, indien verweerder het een en ander goed had onderzocht en had overwogen. De opgelegde straffen missen dus elke wettelijke grondslag en zijn derhalve ONWETMATIG c.q. ONRECHTMATIG en verzoeker lijdt grote schade daardoor. De beschikking van verweerder maakt derhalve een grote inbreuk op het in het rechtsbewustzijn levend beginsel van rechtszekerheid, waarbij elk rechtssubject moet weten waar hij aan toe is en welk rechtsbeginsel ook ervoor waakt, dat er besluiten worden genomen door de Staat zonder dat deze besluiten voldoende wettelijke grondslag hebben en niet slechts zijn gebaseerd op vermoedens en geruchten;
  19. Verzoeker kan zich derhalve op geen enkele wijze verenigen met de opgelegde straffen en verzoeker wenst op grond van het bepaalde in artikel 79 van de Personeelswet de NIETIGVERKLARING van de beschikking in kwestie. Verder is het ook nog zo, dat verzoeker daarna op de ranglijst der onder inspekteurs van politie weer terug geplaatst moet worden op zijn oude plaats;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoer bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

  1. NIETIG TE WILLEN VERKLAREN de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 3 maart 2004 K.A.no.477, wegens strijd met de Personeelswet en strijd met het beginsel van rechtszekerheid;
  2. Tot het opleggen van een dwangsom van SRD 1000,– aan verweerder voor elke dag na de uitspraak ten deze, die verweerder in gebreke blijft om verzoeker terug te plaatsen op zijn oude plaats op de ranglijst van de onder inspekteurs van politie;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 28 oktober 2005 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.A.Kanhai namens de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.R.U.F.Truideman, advokaat Mr.E.Y.Jordan, gemachtigde van verweerder en Mr.R.Levens, Inspecteur van Politie 1e klasse namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 3 maart 2006, advokaat Mr.R.H.L.Rogers, namens de gemachtigde van verweerder, Mr.E.Y.Braam-Jordan het strafdossier ten name van verzoeker heeft overgelegd, waarna de verdere behandeling van de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 7 april 2006 inzake uitlating zijdens partijen;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 7 april 2006, advokaat Mr.F.F.P.Truideman zich heeft gesteld als gemachtigde van verzoeker;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen eveneens op voormelde terechtzitting hun conclusie tot uitlating hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen om vonnis hebben gevraagd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 2 juni 2006, doch na enkele malen te zijn aangehouden, nader heeft op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat na het verhoor van partijen dat plaatsvond op 20 januari 2006, het Hof deze zaak heeft verwezen naar de terechtzitting van vrijdag, 3 februari 2006 des voormiddags te 08.30 uur voor overlegging van het strafdossier dat is opgemaakt naar aanleiding van de vermeende onregelmatigheden waarmee verzoeker in verband werd gebracht;

Overwegende, dat te dienende dage het strafdossier is overgelegd;

Overwegende, dat partijen zich over het overgelegde strafdossier hebben uitgelaten, waarbij verzoeker heeft gesteld dat uit het strafdossier niet blijkt dat er 300 zinkplaten aanwezig waren op het terrein en dat hij slechts weet heeft van 40 zinkplaten die op de veiling zijn verkocht aan de ambtenaar A 2e klasse de heer [naam], hetgeen overigens door de veiling-notaris mr. R. Soerdjbali is bevestigd;

Overwegende, dat verzoeker in voornoemde conclusie tevens heeft gesteld dat het niet kan worden getolereerd dat een ambtenaar op basis van loze en ongefundeerde beschuldigingen wordt gedegradeerd en voorwaardelijk wordt ontslagen;

Overwegende, dat verweerster heeft geconcludeerd dat uit de in het strafdossier genoemde zaken blijkt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, maar ook aan ernstig plichtsverzuim, waardoor verweerster door het opleggen van de tuchtstraf geenszins onwetmatig of onrechtmatig heeft gehandeld;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof niet uit de overgelegde stukken en het overgelegde strafdossier aannemelijk is geworden dat verzoeker 300 zinkplaten zou hebben verkocht;

Overwegende, dat wel aannemelijk is geworden dat verzoeker 40 zinkplaten heeft verkocht, en dat bij deze verkoop de terzake geldende regels door hem niet in acht zijn genomen;

Overwegende immers, dat is komen vast te staan dat deze zinkplaten onderhands zijn verkocht instede van op de veiling;

Overwegende voorts, dat, tevens is komen vast te staan dat ter zake de (onderhandse) verkoop van de 40 zinkplaten er betaling is geweest en dat achteraf er toestemming is gevraagd aan de Procureur-Generaal;

Overwegende, dat het Hof een dergelijke handeling door een ambtenaar van politie weliswaar als strijdig met de ambtsinstructies kwalificeert, evenwel acht het Hof de opgelegde tuchtstraf, neergelegd in de gewraakte beschikking, niet in redelijke verhouding staand tot de ernst en gevolgen van het plichtsverzuim, weshalve het besluit in strijd moet worden geacht met het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel;

Overwegende, dat om die reden de beschikking niet in stand kan blijven, weshalve deze conform het bepaalde in artikel 79 lid 3 van de Personeelswet nietig zal worden verklaard;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het gevorderde in onderdeel B van het petitum opmerkt dat een dwangsom slechts kan worden verbonden aan toegewezen vorderingen als genoemd in artikel 79 lid 1 onder c, zijnde condemnatoire uitspraken, en niet aan een declaratoire uitspraak als de onderhavige, weshalve dat gevorderde zal worden afgewezen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 3 maart 2004 K.A. no, [nummer], waarbij verzoeker de tuchtstraf van tijdelijke degradatie en voorwaardelijk ontslag uit Staatsdienst is opgelegd;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 juni 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.K.Pultoo

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.A.R.Baarh namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.R.S.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld.

 

 

 

SRU-HvJ-2007-32

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-614

[Verzoekster], wonende aan [adres] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme elleboogstraat 1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.D.Kanhai, advocaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) No.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.S.Asarfi-Lalji, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoekster de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat No.1 hierna te noemen verweerder;
  2. dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet uit hoofde waarvan zij verzoekster in dienst is van de verweerder in de functie van Hoofd afdeling voorli8chtingen en onderwijs. De verzoekster is in dienst getreden op of omstreeks 20 mei 1995. Een kopie aanstellingsbeschikking en een overplaatsingsbeschikking worden hierbij overlegd met het verzoek de inhoud daarvan als hier herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;
  3. dat verzoekster zich gedurende zijn dienstperiode heeft doen kennen als een plichtgetrouwe ambtenaar;
  4. dat verzoekster is op of omstreeks 22 september 2005 betrokken geraakt bij een incident waarbij zij is ontboden door de Waarnemend Onder Directeur teneinde een password ingevoerd in de computer te verwijderen hetgeen door de verzoekster ook is geschied. De code was op het moment dat de verzoekster werd ontboden reeds gedecodeerd en was de computer toegankelijk voor een ieder;
  5. dat door de Waarnemend Onder Directeur de verzoekster is aangeschreven teneinde zich te verantwoorden. Een kopie van dat schrijven genummerd productie 3 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier geinsereerd te willen aanmerken. De verzoekster heeft zich ook verweerd (productie 4) en aangegeven, dat de computer is gedecodeerd, zulks is mondeling geschied;
  6. dat aan de verzoekster op of omstreeks 28 september 2005 is uitgereikt een beschikking gedateerd 26 september 2005 met als besluit dat de verzoekster is geschorst over het tijdvlak van 1 maand en zulks te rekenen vanaf 1 oktober 2005. Een kopie van de beschikking genummerd productie 5 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;
  7. 7. dat de beschikking d.d. 26 september 2005 tot stand is gekomen geheel in strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levendbeginsel van behoorlijk bestuur en wel het motiveringsbeginsel;

Ter adstructie van het hier gestelde het volgende:

  1. dat gedurende de werkzaamheden van de verzoekster niet aan haar de mededeling is gedaan dat hij zal worden geschorst.
  2. dat verzoekster erop mocht vertrouwen dat nu voldaan was aan het verzoek namelijk het decoderen van de computer er geen straf maatregel zou volgen;
  3. dat het schrijven van het Waarnemend Hoofd van de Visserij dienst (productie 3) onbevoegdelijk is geschied. Deze functionaris is niet het bevoegde gezag.
  4. dat de beschikking slechts is gemotiveerd. Niet is aangegeven waarom het verweerschrift niet steekhoudend is;
  5. dat de Resolutie hier eerder genoemd tevens in strijd is met het beginsel van een deugdelijke motivering ter adstructie waarvan het volgende:
  6. op geen enkele wijze is gemotiveerd aangegeven welke rechtvaardigingsgrond aanwezig is geweest om de verzoekster te schorsen. Zulks is in elk geval niet belichaamd in de beschikking;
  7. dat de gewraakte beschikking voorts onwaarheden heeft overwogen en daarom al het besluit is gestoeld op feiten die zich niet hebben voo0rgedaan ter adstructie waarvan het volgende in het tweede “dat” van de beschikking wordt vermeld, dat de opdracht is genegeerd zulks is in strijd met de waarheid;
  8. dat de schorsing in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van de verzoekster;
  9. dat de gewraakte beschikking voor vernietiging in aanmerking komt nu op ergerlijke wijze sprake is van schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, hebbende de genoemde beschikking geen enkele feitelijke grondslag.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

  1. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Beschikking d.d. 26 september 2005 [nummer].
  2. verweerder zal worden gelast verzoekster het salaris over de maand oktober 2005 uit te betalen en voorts verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,– voor iedere keer of dag dat zij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen
  3. verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Dat verweerder ontkent al hetgeen verzoekster bij inleidend verzoekschrift heeft gesteld, tenzij dit hierna alsnog uitdrukkelijk wordt erkend door verweerder. Zonder onverplichte bewijslast op zich te nemen, biedt verweerder bewijs van al haar stellingen aan, door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van getuigen.
  2. Met betrekking tot het gestelde in punt 2 wordt gerefereerd aan het oordeel van het Hof.
  3. Het gestelde in punt 3 wordt betwist

Ter adstructie hiervan wordt het navolgende aangehaald. Verzoekster heeft reeds naar de aanleiding toe obstructief gedrag getoond, door opdrachten naast zich neer te leggen en een houding te etaleren van niet erkenning van het gezag van de leiding en heeft aldus het samenwerken onmogelijk gemaakt.

Deze instelling van verzoekster blijkt ook uit haar verweerschrift. Bijgaand wordt overgelegd een schrijven van het Hoofd van de Stafafdeling Juridische en Buitenlandse zaken Mr.D.JAIRAM aan de Minister van landbouw, Veeteelt en Visserij Drs.RAGHOEBARSINGH van d.d. 07 september 2005, met als kopstuk “Ontslag”. Het handelen van mevrouw [verzoekster] c.q. haar gedragingen was aanleiding c.q. ernstig genoeg voor een ontslag, doch is er mild tegen verzoekster opgetreden door haar slechts voor een maand te schorsen. Aldus wordt gelijk de stelling van verzoekster in punt 9a weersproken.

  1. Met betrekking tot het gestelde in punt 4 van het verzoekschrift wordt gesteld, dat verzoekster in haar handelen zelfs zover is gegaan, een voor de dienst c.q. voor staatsgebruik behorende computer voor privé doeleinden te gebruiken en zelfs met een passwoord te beveiligen en heeft die te decoderen, weshalve die door de heer [naam] (werkzaam bij I.C.T.), in opdracht van de heer [naam 2], zijnde de waarnemend Onderdirecteur gedecodeerd is. Deze heer kan gehoord worden door het Hof. De computer is dus niet door verzoekster gedecodeerd.
  2. Verzoekster stelt in punt 5 dat zij zich verweerd en heeft haar verweer overlegd. In haar verzoekschrift stelt zij, dat zij mondeling heeft aangegeven dat de decodering door haar is geschied. Dit is onjuist, en komt in haar verweerschrift niet tot uitdrukking, geheel onlogisch.
  3. Verweerder betwist het gestelde in punt 7. Aan haar is medegedeeld, herhaaldelijk, dat haar gedragingen aanleiding geven tot schorsing en na het incident met de computer en haar verweer, is haar medegedeeld, dat zij geschorst zal worden. Juist omdat verzoekster wist, dat zij niet degene is, die de computer gedecodeerd heeft, had zij aldus kunnen weten dat er een strafmaatregel zou volgen. Het Waarnemend-Hoofd Visserij Dienst is wel het bevoegde gezag zou zijn. Zulks is een blote stelling van verzoekster en leeft slechts in haar denken en visie. Zulks blijkt ook uit het verweerschrift van verzoekster. Immers haar verweerschrift is doorspekt met, op zijn zacht gezegd beledigende uitlatingen naar de aanleiding en wordt er met geen woord gerept over juist datgene waarover zij zich zou moeten verweren. Het is een onbeheerst en a-sociaal verweer, en is in het geheel duidelijk, waarom het niet steekhoudend is.
  4. Aldus is zulks in de schikking aangegeven, en wel ondermeer in overweging 4 van de beschikking van 26 september 2005, bijgaand overgelegd namelijk: In plaats zich te verweren, heeft verzoekster de samenwerking met haar chef onmogelijk gemaakt en heeft niet terzake doende aangelegenheden opgeschreven en zich provocerend opgesteld.
  5. Aldus is het gestelde in punt 8 en 9 van het verzoekschrift gemotiveerd betwist.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat afwijzing van de vordering danwel tot niet ontvankelijk verklaring heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 30 oktober 2006 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door advocaat Mr.I.D.Kanhai namens haar gemachtigde, advocaat Mr.I.S.Asarfi-Lalji, gemachtigde van de Staat Suriname en mevr.Shariska Algoe, Juridische medewerkster van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoekster, stafambtenaar A 3e klasse in vaste dienst van het Onderdirectoraat Visserij van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij bij beschikking van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij de dato 26 september 2005, [nummer] wegens ernstig plichtsverzuim, hierin bestaande, voorzover ten deze van belang, dat zij:

  1. zowel mondeling als schriftelijk is aangezegd om het “password” van de dienstcomputer te verwijderen welke opdracht zij heeft genegeerd;
  2. in plaats van zich te verweren op het schrijven van de Wnd.Onderdirecteur Visserij van 30 augustus 2005, de samenwerking met haar directe Chef onmogelijk heeft gemaakt door niet terzake doende aangelegenheden te schrijven en zich provocerend op te stellen, met toepassing van artikel 61 lid 1 sub h van de Personeelswet, de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand is opgelegd, met stilstaand van de aan haar functie verbonden inkomsten en wel te rekenen van 1 oktober 2005;

Overwegende, dat verzoekster, tegen gemelde beschikking opkomend, op gronden, aangegeven in het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 25 oktober 2005, welke gronden in dit vonnis als letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, gevorderd heeft bij vonnis:

  1. te vernietigen althans nietig te verklaren de beschikking de dato 26 september 2005 [nummer];
  2. gedaagde te gelasten haar – verzoekster – het salaris over de maand oktober 2005 uit te betalen; en voorts gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,– voor iedere keer of dag dat gedaagde in strijd met het hierboven gevorderde (lees: met de te geven beslissing) mocht handelen;

Overwegende, dat verzoekster in Raadkamer van het Hof van vrijdag, 1 december 2006 in persoon verschenen onder meer heeft verklaard – zakelijk weergegeven – “ het is namelijk zo dat alle computers op mijn werkplaats voorzien zijn van een bepaald “passwoord”- zo was mijn computer ook voorzien van een passwoord die bij mij en bij bepaalde collega’s bekend is. Daar de waarnemend onderdirecteur vaker in dronkenschap achter de computer spelletjes zat te spelen, heb ik een passwoord ingevoerd om zulke praktijken op mijn computer te vermijden. Kort hierna heb ik een brief ontvangen, waarin mij werd opgedragen om mijn “password” onmiddellijk te decoderen. Ik heb uiteindelijk mijn computer gedecodeerd. Hierna is er een “passwoord” door de leiding op mijn computer geplaatst;

Overwegende, dat nu voormelde verklaring van verzoekster niet door verweerder is weersproken, zal het Hof van de juistheid daarvan uitgaan en haar als tussen partijen rechtens vaststaand aannemen;

Overwegende, dat het Hof, ten aanzien van het verwijt aan verzoeker onder II als hiervoren vermeld gemaakt, opmerkt, dat, nu aan dat verwijt geen deugdelijke motivering ten grondslag ligt, bespreking daarvan als irrelevant, geheel in het midden kan worden gelaten;

Overwegende, dat nu uit verzoekster haar verklaring als eerder -aangehaald niet blijkt, dat op haar computer door de waarnemend onderdirecteur, in dronkenschap verkerend, vaker achter haar computer spelletjes werden gespeeld, oordeelt het Hof dat die omstandigheid voor haar geen aanleiding mocht zijn een “passwoord” in te voeren, waaraan niet afdoet dat zij haar computer uiteindelijk heeft gedecodeerd;

Overwegende, dat, anders dan in voormelde beschikking is vermeld, van chantage van de dienst zijdens verzoekster niet kan worden gesproken; evenmin dat voormeld handelen van verzoekster ernstig plichtsverzuim oplevert;

Overwegende immers, dat voormelde gevolgtrekkingen geenszins uit de gedragingen van verzoekster kunnen worden afgeleid nu daaromtrent geen feiten zijn gesteld die zulks zouden rechtvaardigen;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat verzoekster, ofschoon zij naar uit haar verklaring blijkt, uit voorzorg gehandeld heeft, haar niettemin enig verwijt kan worden gemaakt dat als ondisciplinair kan worden gekwalificeerd, zeker nu zij zelf verklaard heeft dat zij uiteindelijk, wat er op wijst dat zij na herhaaldelijk aandringen van de leiding daarop, haar computer heeft gedecodeerd;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de aan verzoekster opgelegde straf in een zeer grote wanverhouding staat tot de door verzoekster gepleegde handeling zulks in verband met de spanningen tussen verzoekster en de leiding zoals uit haar verklaring valt af te leiden waarvan een der gevolgen was dat zij – verzoekster – ertoe overging één “passwoord in te voeren;

Overwegende, dat het Hof mitsdien van oordeel is op grond van het hiervorenoverwogene, dat de opgelegde straf dient te worden herzien en gewijzigd in een berisping, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde als niet ter zake doende ;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van landbouw, Veeteelt en Visserij van 26 september 2005 [nummer], waarbij verzoekster werd geschorst voor de duur van één maand met stilstand van de aan haar functie verbonden inkomsten te rekenen van 1 oktober 2005;

Legt aan verzoekster de disciplinaire straf op van berisping;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 mei 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.C.P.Baal namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.I.D.Kanhai en Mr.I.S.Asrafi-Lalji.

M.H.

 

SRU-HvJ-2023-5

Vonnisnummer: 31/2023
Uitspraak: 08 mei 2023

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van het Hof van Justitie inzake politieke ambtsdragers en gewezen politieke ambtsdragers in eerste aanleg gewezen op 11 februari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

HOEFDRAAD, Gillmore Andre, geboren op [datum] in het district [district], van beroep gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Minister van Financiën, wonende aan de [adres] te [plaats], niet in detentie verkerend;

De verdachte is behoorlijk en tijdig gedagvaard doch is hij – zonder enige reden van verhindering – niet ter terechtzitting verschenen. De verdachte wordt bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Dubois, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke aan het Hof in hoger beroep zijn overgelegd door de Griffie van het Hof van Justitie is gebleken dat de verdachte op 14 februari 2022 door tussenkomst van zijn raadsman, mr. M. Dubois, hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis in de verzetprocedure d.d. 11 februari 2022.

De vervolging heeft formeel verweer gevoerd dat – zakelijk weergegeven – het volgende inhoudt:
Op 17 december 2021 heeft het Hof van Justitie rechtdoende in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers en gewezen politieke ambtsdragers een verstek vonnis gewezen. Op 23 december 2021 heeft de raadsman namens de verdachte verzet aangetekend tegen het verstekvonnis d.d. 17 december 2021.
Gelet op het bepaalde in artikel 366 WvSv is het verzet vervallen verklaard, daar de verdachte niet was verschenen en voorts geen opgave van geldige reden van verhindering had opgegeven althans geen valide reden van zijn niet verschijning was opgegeven.
Ingevolge het bepaalde in artikel 369 WvSv kan alleen het Openbaar Ministerie van een bij verstek gewezen vonnis in hoger beroep komen. De Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers ( WIPA) heeft de artikelen 366 en 369 WvSv niet buiten werking gesteld.
Ook is in artikel 8 lid 1 sub 2 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens onder meer aangegeven: “ het recht van de beschuldigde om zich persoonlijk te verdedigen”.
In casu is er sprake van een moedwillige verdachte die telkenmale – bij verstek en in de verzetprocedure – beslist om niet te verschijnen voor het gerecht.

Gelet op het voorgaande vordert de vervolging dat op grond van het bepaalde in de eerder aangehaalde artikelen van het Wetboek van Strafvordering, de WIPA en het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens, de verdachte/ appellant niet ontvankelijk zal worden verklaard in het namens hem ingesteld hoger beroep.

De verdediging heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd:
De verdediging verzoekt het appѐlverbod van artikel 369 WvSv buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met de ieder verbindende bepaling van de artikelen 14 lid 1, 3 (d), 5 en 16 van het Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten (Bupo-verdrag), de ieder verbindende bepalingen van de artikelen 1, 8 leden 1 en 2 (d) (h) en 24 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM) en de artikelen 8, 10, 11 en 12 lid 1 van de Grondwet van de Republiek Suriname, waarbij onder meer is gesteld dat een verdachte die bij verzet niet is verschenen en wiens verzet vervallen is verklaard, niet discriminatoir behandeld dient te worden en komt ook die verdachte het recht toe voor het instellen van hoger beroep. De verdediging verzoekt om verdachte alsnog ontvankelijk te verklaren in het door hem ingesteld hoger beroep.

Beoordeling door het Hof

Het Hof stelt vast dat ingevolge het bepaalde in artikel 369 lid 1 WvSv de veroordeelde verdachte niet in hoger beroep kan gaan tegen een verstekvonnis. Dit verbod staat naar het oordeel van het Hof op gespannen voet met het bepaalde in artikel 14 lid 5 van het BUPO-verdrag en artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights.
Bij Wet van 27 augustus 2007, (SB. 2007 no. 101) is de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers gewijzigd in die zin, dat het mogelijk is voor politieke ambtsdragers om in hoger beroep te gaan tegen een veroordelend vonnis, hetgeen voorheen niet mogelijk was. De Memorie van Toelichting (MvT) op deze wet stelt onder meer: “Internationaal is namelijk vereist dat de mogelijkheid van hoger beroep tegen een veroordelend strafvonnis steeds aanwezig moet zijn. Dit internationaal vereiste is onder meer te vinden in artikel 14 lid 5 van het op 19 december 1966 te New York tot stand gekomen Internationaal verdrag inzake burger en politieke rechten (V.B. 1981 no. 17) en de “American Convention on Human Rights”. Volgens deze bepaling heeft een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.

Deze overwegingen van de wetgever in de Memorie van Toelichting geven het Hof, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 105 en 106 van de Grondwet van de Republiek Suriname, aanleiding om in de onderhavige strafzaak het voor de verdachte HOEFDRAAD, Gillmore Andre, uit artikel 369 WvSv voortvloeiend verbod om in hoger beroep te gaan van het veroordelend verstekvonnis d.d. 17 december 2021 waartegen de veroordeelde verzet had aangetekend, (welk verzet bij vonnis van 11 februari 2022 vervallen werd verklaard en het verstekvonnis werd bekrachtigd), in dit concreet geval buiten toepassing te laten.
Het voorgaande is ingegeven vanwege het feit dat in het algemeen een ieder verbindende en rechtstreeks werkende verdragsbepaling ingevolge Ons rechtssysteem dient te prevaleren boven de nationale wetgeving. In casu is er sprake van een situatie dat toepassing van de nationale wet niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen die Suriname heeft geratificeerd en welke op de door de Grondwet bepaalde wijze zijn bekrachtigd, goedgekeurd en bekend gemaakt.
Daarenboven is naar het oordeel van het Hof op generlei wijze aannemelijk geworden dat er in artikel 14 van het Bupo-verdrag danwel in artikel 8 van de American Convention on Human Rights een onderscheid wordt gemaakt tussen een wel ter terechtzitting verschenen verdachte en een niet ter terechtzitting verschenen verdachte. Integendeel wordt in voormelde verdragsbepalingen steeds gewag gemaakt van (citaat) “een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.
Het Hof zal gelet op het voorgaande het formeel verweer van de vervolgingsambtenaar verwerpen en de verdachte ontvankelijk verklaren in het door hem tijdig ingesteld appél en zal in het dictum een datum voor de verdere behandeling van de zaak bepalen.

Beslissing:

Het Hof van Justitie,

Rechtdoende in hoger beroep:

Verwerpt het door de vervolging opgeworpen formeel verweer;

Verklaart appellant ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;

Bepaalt dat het onderzoek in deze zaak in hoger beroep tegen verdachte zal worden voortgezet op maandag 17 juli 2023 om 09.30 uur des voormiddags in de stand van voordracht;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. I. Sonai, Lid, mr. S. Punwasi, mr. D. Nanhoe en mr. J. Kasdipowidjojo, leden – plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh, fungerend – griffier, en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 08 mei 2023.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh   w.g. A. Charan
                                                                          w.g. I. Sonai
                                                                          w.g. S. Punwasi
                                                                          w.g. D. Nanhoe
                                                                          w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

( mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut – Griffier)

 

SRU-HvJ-2013-7

G.R.No. 14664

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant , hierna aangeduid als [appellant]
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. HET MINISTERIE VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN,
In rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geintimeerde, hierna ( ook wel) aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. S. Dulam, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 05 oktober 2010 (A.R.No. 071429) tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 14 februari 2011 hoger beroep heeft

ingesteld;

– de pleitnota d.d. 4 mei 2012;

– de antwoordpleitnota d.d. 1 juni 2012;

– het repliekpleitnota d.d. 20 juli 2012;

– de dupliekpleitnota d.d. 5 oktober 2012;

– bij rolbeschikking d.d. 5 oktober 2012 is een comparitie van partijen gelast;

– het proces-verbaal van gehouden comparitie van partijen d.d. 7 december 2012;

– het proces-verbaal van voortgezette comparitie van partijen d.d. 15 maart 2013

– de conclusie tot uitlating schikking genomen door de Staat op 5 april 2013;

– de conclusie tot uitlating genomen namens [appellant] op 19 april 2013.

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Appellant] was 39 jaar ambtenaar tot aan zijn pensionering op 1 september 2003.

Voor zijn pensionering functioneerde [appellant] als hoofd van de afdeling Begrotings- en Financiële Zaken bij het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen.

  1. [Appellant] had tot zijn pensionering 581 niet-genoten verlofdagen tegoed.
  2. In een schrijven d.d. 18 februari 2003 heeft [appellant] aan geïntimeerde het verzoek gedaan de niet-genoten verlofdagen te kapitaliseren. Voornoemd schrijven luidt voor zover hier van belang alsvolgt:

“Aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.t.k.v.

de onderdirecteur Administratie

Paramaribo 18 februari 2003

Hierbij vraag ik uw aandacht voor het volgende.

Zoals het bij u bekend zal zijn, zal ik per 1 september 2003 de dienst moeten verlaten, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Echter is gebleken dat ik in de loop der jaren al mijn verlofdagen heb kunnen opnemen…………………

Aangezien ik op 12 januari 1965 in overheidsdienst ben getreden, ben ik van mening dat mijn verlofdagen geaccumuleerd mogen worden. Op grond van het bovenstaande verzoek ik u te bewerkstelligen dat de door mij niet genoten verlofdagen tot een totaal van 581 dagen worden gekapitaliseerd……….”

  1. Daar [appellant] geen reactie kreeg op voormeld verzoek heeft hij bij brief d.d. 13 augustus 2004 een rappelschrijven aan geïntimeerde gericht hetgeen voor zover hier van belang alsvolgt luidt:

“Op 18 februari 2003 heb ik via de Onderdirecteur Administratie een schrijven aan U gericht, waarin ik het verzoek deed, de door mij niet gebruikte aanspraken op vrijstelling van dienst wegens andere redenen dan ziekte, te doen kapitaliseren. Naar ik heb begrepen heeft dit schrijven u niet bereikt. Ik doe U dan ook een fotokopie van betreffend schrijven toekomen.

Vermeld dient nog te worden, dat ik door mijn werkzaamheden als begrotingscoördinator mijn verlof niet heb kunnen/c.q. mogen opnemen in de perioden waar ik dat graag zou willen. Op grond van het bovenstaande verzoek ik U alsnog om uw invloed aan te wenden, dat mijn wegens dienstbelang niet gebruikte aanspraken op vrijstelling van dienst wegens andere redenen dan ziekte, alsnog worden gekapitaliseerd”.

  1. Bij brief d.d. 20 juni 2005 heeft de onderdirecteur Administratie Ch. Stijnberg terzake het verzoek van [appellant] een brief aan laatstgenoemde gericht waarin o.m. is vermeld:

“Hierbij deel ik u mede dat de Raad van Ministers in zijn vergadering van 27 april 2005 heeft goedgekeurd, dat u (opm. hof: bedoeld is kennelijk “uw” i.p.v. “u”) aanspraak op vrijstelling van dienst wegens andere redenen van (opm. hof: bedoeld is kennelijk “dan” i.p.v. “van”) ziekte, ingevolge op uw geldende Vrijstellingsbesluit, in totaal 150 dagen, wordt gekapitaliseerd”.

2.1. [Appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd gedaagde in eerste aanleg bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen over te gaan tot uitkering aam [appellant] van het bedrag groot Srd. 16. 666,–, zijnde zijn niet – gekapitaliseerde 431 verlofdagen op straffe van een dwangsom van Srd. 1.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde nalatig blijft aan het door de Kantonrechter gewezen vonnis gevolg te geven.

2.2. De Kantonrechter heeft zich in eerste aanleg onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering daar naar haar oordeel de vordering van [appellant] gebaseerd is op een ambtenaarsverhouding als vermeld in artikel 79 van de Personeelswet, uit welk artikel voortvloeit dat het Hof van Justitie de bevoegde rechtsinstantie is om kennis te nemen van onderhavige vordering en niet de Kantonrechter.

3.1. [Appellant] concludeert in dit hoger beroep het in de pleitnota gedane verzoek om een verenigingscomparitie te gelasten enkel tot het beproeven van een schikking in te willigen, en refereert zich voor het overige aan het oordeel van het Hof.

3.2. De Staat voert verweer tegen de vordering van [appellant]. Op dat verweer en standpunten van partijen zal in het hiernavolgende nader worden ingegaan.

3.3. Uit de aantekening van de griffier op het vonnis van 5 oktober 2010 volgt dat geen der partijen, noch hun gemachtigde, aanwezig zijn geweest bij de uitspraak in eerste aanleg. Het vonnis is bij dienstbrief van 25 januari 2011 aan partijen meegedeeld. Uit de verklaring van de griffier volgt dat [appellant] op 14 februari 2011, hoger beroep heeft ingesteld. Aangezien [appellant] binnen dertig dagen na 25 januari 2011, zijnde de datum van de dienstbrief, hoger beroep heeft ingesteld, is dit naar het oordeel van het Hof tijdig geschied, zodat hij ontvankelijk is in het hoger beroep.

3.4. Op grond van artikel 79 lid 1 PW oordeelt het Hof als ambtenarenrechter in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Ingevolge artikel 79 lid 2 PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

3.5. Naar het oordeel van het hof kan de onderhavige vordering, om geïntimeerde te veroordelen over te gaan tot uitkering aan [appellant] van het bedrag groot Srd. 16.666,–, zijnde zijn niet – gekapitaliseerde 431 verlofdagen op straffe van een dwangsom, worden begrepen als een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet met betrekking tot ambtenaren is bepaald, zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub c PW. Immers kan uit de inhoud van de brief genoemd in rechtsoverweging 1.5 worden afgeleid dat geïntimeerde een besluit heeft genomen tot kapitalisatie over 150 niet genoten verlofdagen en verder achterwege heeft gelaten een besluit te nemen over de restant niet genoten verlofdagen in totaal 431 dagen, waarvan ook kapitalisatie was gevraagd op het uitdrukkelijk verzoek van [appellant] gedaan bij brieven genoemd in 1.3 en 1.4.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene had [appellant] onderhavige vordering aanhangig dienen te maken bij het Hof van Justitie als rechter in ambtenaren zaken die in eerste en hoogste aanleg over onderhavige vordering zou oordelen. Nu de zaak bij de gewone burgerlijke rechter is aanhangig gemaakt heeft de Kantonrechter terecht zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van onderhavige vordering. Een en ander heeft tot gevolg dat het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden zal worden bevestigend.

[Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.

Rechtdoende in hoger beroep:

Het Hof:

Bevestigt onder aanvulling van de gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 5 oktober 2010, bekend onder A.R.No. 071429, waarvan beroep;

Veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen tot dusver begroot op Nihil;

Met inbegrip van de door het Hof aan diens advocaat voor de door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD. 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD. 150,–;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. M.K. Kuldip Singh, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 december 2013, in tegenwoordigheid van S.C. Berenstein, Fungerend -Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen namens advocaat S. Dulam, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2007-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14284.

[Appellant], wonende aan [adres 1] in het [district 1], ten deze domicilie kiezende aan de Henck Arronstraat no. 50 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. M.R. Carrilho, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde] , wonende te [adres 2] in het [district 2], ten deze domicilie kiezende aan de Kwattaweg no. 145 te Paramaribo ten kantore van mr. A.E. Debipersad, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.E. Debipersad, advocaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 17 november 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 2 februari 2007 voor uitlating zijdens partijen;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde op 12 januari 2006 vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken is in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 05/4071, waarvan het dictum luidt:

– Schort op de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan [adres 1], te [plaats];

– Veroordeelt de gedaagde om binnen drie maanden na dagtekening van het vonnis tot ontruiming van het pand staande en gelegen aan [adres 1], te [plaats] over te gaan, met medenemen van al het zijne en al de van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen en het pand ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen;

– Machtigt de eiser om, indien de gedaagde weigeren mocht aan voormelde veroordeling gevolg te geven deze zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm;

– Veroordeelt de gedaagde om direct na de ontruiming al de bij het litigieuze pand behorende sleutels aan de gemachtigde van de eiser af te geven en wel op straffe van een dwangsom van Srd. 5000,– (vijfduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat de gedaagde daartoe in gebreke mocht blijven;

– Verbiedt de gedaagde om na de ontruiming het pand te betreden c.q. te doen betreden en wel op straffe van een dwangsom van Srd. 5000,– (vijf duizend Surinaamse Dollar), indien de gedaagde weigeren mocht aan voormelde veroordeling gevolg te geven;

– Verklaart dit vonnis tot zover vermeld onder sub 3, 4, 5 en 6 uitvoerbaar bij voorraad;

– Veroordeelt de gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Srd. 121,– (eenhonderd een en twintig Surinaamse Dollar);

Overwegende, dat appellant van het vonnis van de Kantonrechter in kort geding op 24 januari 2006 in hoger beroep is gekomen;

Overwegende, dat appellant, naar uit de pleitnota, genomen ter terechtzitting van 5 mei 2006, blijkt, grieven tegen het beroepen vonnis heeft ontwikkeld, luidende:

  1. De Kantonrechter heeft geheel ten onrechte en in strijd met de feiten overwogen, ”onder punt 3 van de motivering”, dat appellant, alstoen gedaagde, op 01 november 2005 de achterstallige huurgelden heeft betaald, nadat de onderhavige vordering was ingesteld en desondanks geïntimeerde, alstoen eiser, de huurovereenkomst met appellant, alstoen gedaagde niet wenst voort te zetten.

– Het rapport van N.V. Bovam van 30 april 1999 was aan appellant, alstoen gedaagde, geheel onbekend en is noch aan hem ter hand gesteld, noch aan hem op enigerlei wijze ter kennis gebracht, dat de huur van de litigieuze woning is verhoogd naar SRD 208,33. Trouwens geïntimeerde, alstoen eiser, heeft dit in prima op geen enkele wijze aangegeven of op enigerlei wijze gestaafd.

– Appellant, alstoen gedaagde, heeft altijd prompt de huurpenningen gestort op door geïntimeerde opgegeven rekening [nummer] bij de Hakrinbank N.V. ten name van geïntimeerde.

– Op 01 november 2005 heeft appellant, alstoen gedaagde, geen achterstallige huurpenningen betaald, maar op grond van het door geïntimeerde, alstoen eiser, in fotokopie overgelegd rapport van N.V. Bovam, welk rapport appellant nimmer eerder onder ogen heeft gehad, de bereidheid getoond en de huurverhoging op voormelde rekening gestort. Ter staving hiervan legt appellant in fotokopie aan Uw Hof een zestal stortingsbewijzen over, met het verzoek deze als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

– Appellant, alstoen gedaagde, heeft geen wanprestatie gepleegd en was ook niet in verzuim.

  1. Ten onrechte is de Kantonrechter ”onder punt 4 van Motivering” van oordeel, dat de huurpenningen onregelmatig werden betaald, de huurachterstand na het indienen van de rechtszaak is betaald en dat de wanprestatie reeds bestond bij het indienen van de vordering; hebbende appellant geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende geïntimeerde in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren althans hem die als ongegrond en onbewezen te ontzeggen;

Overwegende, dat geïntimeerde blijkens zijn verweer – voorzover ten deze van belang – bij antwoord pleidooi de dato 7 juli 2006 onder meer onweersproken heeft aangevoerd, dat hij de ontruiming reeds heeft bewerkstelligd; dat door woningnood en schromelijke verwaarlozing van het pand gedreven hij, geïntimeerde, terstond na de ontruiming van het pand de verbouwingswerkzaamheden heeft aangevangen; dat hij geïntimeerde, die eigenaar is van het pand, het zelf zal bewonen, vermits hij reeds enkele jaren noodgedwongen in een huurwoning heeft moeten verblijven;

Overwegende, dat geïntimeerde bij dupliek pleidooi de dato 3 november 2006 eveneens onweersproken naar voren heeft gebracht, dat de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden; dat appellant geen enkel belang meer heeft. Het ontruimde pand heeft thans een geheel andere bestemming, n.l. een bedrijfspand met woningruimte. Appellant bewoont het pand thans zelf;

Overwegende, dat voormelde stellingen van geïntimeerde zowel bij antwoord pleidooi de dato 7 juli 2006 als bij dupliek pleidooi de dato 3 november 2006, gevoegd bij de bewering van de procesgemachtigde van geïntimeerde ter comparitie van partijen van 26 januari 2007 dat zij namens geïntimeerde in april 2006 een verzoekschrift bij de gewone rechter heeft ingediend en wederom had ingetrokken, het Hof tot het oordeel doet komen, dat geïntimeerde onder het mom van een voorlopige voorziening een beslissing ten gronde heeft uitgelokt tot het geven waarvan de Kantonrechter in kort geding niet bevoegd is geweest;

Overwegende, dat nu herstel in de vorige toestand ingeval van vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog weigeren van de gevraagde voorzieningen, naar het oordeel van het Hof, rechtens niet meer mogelijk is omdat het door appellant destijds gehuurde pand enkel ter bewoning thans niet meer in zijn oorspronkelijke vorm bestaat en appellant mitsdien bij het door hem ingesteld Hoger beroep daarom geen belang meer heeft, dient hij, appellant, in het door hem ingesteld hoger beroep, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, alsnog niet te worden ontvangen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn ingesteld Hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding op 12 januari 2006 gewezen;

Veroordeelt de appellant in de kosten van het Hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen en tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President,

H.E. Struiken, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 20 april 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.J. Halfhuid namens advocaat mr. M.R. Carrilho, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.

 

 

SRU-HvJ-2007-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14286.

[Appellant], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no. 76, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. Sohansingh, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde sub 1], handelende onder de naam “[handelsnaam 1]” en [Geïntimeerde sub 2] handelende onder de naam “[handelsnaam 2]”, respectievelijk gevestigd aan [adres 2] en aan [adres 3], beide te [plaats] en ten deze domicilie kiezende ten kantore van mr. M.A. Castelen, kantoorhoudende aan de Watermolenstraat 18 en aan de Keizerstraat no. 40 boven, voor wie als gemachtigden optreden, mr. M.A. Castelen en mr. L.E. Palmburg, advocaten,
geïntimeerden in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  • het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding van 23 juni 2005 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  • het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 juni 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [Geïntimeerde sub 1] en anderen als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding hebben gewend daarbij stellende:

  1. Dat gedaagde sinds vrijdag, 17 december 2004 een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de Surinaamse dagbladen, waarin de namen van eisers, als parfum handelszaken, expliciet genoemd zijn alsmede twee parfum merken met onjuiste prijzen (vide prod.A).
  2. Dat bovengenoemde advertentie naar de aard gekwalificeerd kan worden als een refererende/vergelijkende reclame zijnde een species van het genus aanleunen.
  3. Dat deze vergelijkende/refererende reclame vol onjuiste, onvolledige en bovenal misleidende informatie zit, waardoor de onderhavige reclame advertentie is een wijze van ongeoorloofde mededinging, namelijk het afbreken van eisers middels onwaarheden ten faveure van zichzelf. Gedaagde heeft compleet in strijd gehandeld met de zorgvuldigheidsnorm zoals geformuleerd in het Lindebaum Cohen arrest van 31 januari 1919, waardoor met recht gesteld kan worden dat hij zich onrechtmatig gedraagt tegenover eisers met als gevolg schade in de vorm van omzetderving hetgeen verder resulteert in enorme financiële schade aan de zijde van eisers.
  4. De onjuiste, onvolledige en bovenal misleidende informatie in de gewraakte reclame advertentie ten gevolge waarvan eisers schade lijden, zijn de volgende:
  5. gedaagde doet voorkomen alsof er een Stichting Consumenten Onderzoek i.o. bestaat. Na onderzoek in het Openbaar Stichtingen Register is gebleken dat deze Stichting niet bestaat althans niet is ingeschreven in het betreffende register. Maar zelfs als de stichting zou bestaan zou de handeling van gedaagde in strijd zijn met de goede zeden omdat hij als direct belanghebbende nimmer een dergelijk consumentenonderzoek met zulke gunstige uitkomsten voor zijn eigen parfumzaken zou mogen publiceren.
  6. Gedaagde is directeur eigenaar van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2]. Uit de publicatie blijkt dat uitgerekend deze twee zaken tegen de laagste prijs de twee parfum merken aanbieden.
  7. De advertentie doet in tegen stelling tot de werkelijkheid vermoeden dat het door een Stichting ter publicatie is aangeboden, echter is het gedaagde die de advertentie ter publicatie aan de dagbladen heeft aangeboden.
  8. In de kop van de advertentie geeft gedaagde aan dat uit onderzoek door een Stichting gebleken is dat de consument te veel betaald voor parfums, zonder expliciet aan te geven voor welke parfums er te veel betaald wordt. In de publicatie worden slechts twee merken genoemd, terwijl zowel eisers als gedaagde een tiental merken parfum verkopen. De overige merken zijn buiten het onderzoek en zeker buiten de publicatie gebleven.
  9. Verder zijn, op basis van willekeur en uit redenen van oneerlijke concurrentie in de advertentie wel expliciet de namen van onder andere eisers genoemd, maar wordt het rijtje afgesloten met winkel X en winkel Y.
  10. Verder heeft gedaagde verzuimd aan te geven of het in zijn vergelijking gaat om eau de parfum of eau de toilette omdat het parfum kenners en dus zeker een specialist als gedaagde bekend is dat de prijzen ingeval van eau de parfum en eau de toilette een groot verschil aangeven.
  11. Ook is niet aangegeven op welke periode de onderzoeksresultaten betrekking hebben. De lezer en met name de consument wordt hierdoor in verwarring gebracht, een verwarring die in eisers hun nadeel uitpakt en duidelijk in gedaagdes voordeel.
  12. Ook de prijs weergave zoals opgenomen in de advertenties is niet juist en wordt door eisers ontkend. Het betreft in elk geval niet de actuele prijs weergave.
  13. Dat gedaagde de advertentie in zowel de Nederlandse als de Portugese taal heeft doen publiceren en dus bewust een groter publiek misleid.
  14. Dat de onrechtmatige handeling van gedaagde continue van karakter is en zelfs naar schatting weken zoniet maanden na de laatste publicatie nog schade aan eisers hun reputatie/goodwill zal berokkenen.
  15. Dat gedaagde duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij niet bereid is zijn ongeoorloofde reclame advertentie in te zullen trekken, redenen waarom eisers hem uiteindelijk op 20 december 2004 hebben aangemaand tot het intrekken, niet meer publiceren van de reclame advertentie en daarnaast een rectificatie te plegen van zijn onzedelijke handeling middels een advertentie (vide prod.B). Dat gedaagde ondanks de aanmaning weigerachtig is gebleven.
  16. Dat nu uit de houding van gedaagde overtuigend gebleken is dat hij niet bereid is de door eisers gevraagde correcties te plegen, zij recht en belang hebben om in rechte te vorderen dat gedaagde daartoe veroordeeld wordt. Het belang van eisers bij een onverwijlde voorziening bij voorraad is, omdat door de allerminst constructief te noemen houding van gedaagde, eisers thans enorme omzetderving lijden, daar deze periode van het jaar de grootste omzet behaald wordt vanwege de aanschaf van kerst en oud- op nieuwjaars presentjes, in de vorm van parfum. Eisers ervaren de houding van gedaagde daarom als zeer onmaatschappelijk en onrechtvaardig. Reden waarom eisers graag voor 24 december 2004 een uitspraak van de rechter tegemoet zien in onderhavige kwestie.
  17. Voorts vloeit eisers hun spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening in kort geding voort uit het feit dat zij reflecterend op het afgelopen jaar hun voorraden parfum hebben aangevuld voor de verwachte toename van aankopen, maar vanwege de gewraakte reclame van gedaagde reeds nu merken dat de toename van klanten, buiten de vaste clientèle uitblijft, waardoor de gepleegde investeringen dreigen niet te worden terug verdiend. Hetgeen een directe aanslag is op de voortzetting van de parfumerie afdeling.
  18. Dat de geschatte omzetderving van eisers per dag bedraagt 30% van de omzet in december hetgeen neerkomt op Euro 1200,– waardoor tot op heden de voorlopige begrootte schade bedraagt Euro 6.000,– alsmede de kosten voor rechtsbijstand van SRD 1.200,–.

Met het verzoek alle hierbij ten bewijze in kopie overgelegde producties, als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd:

Dat gedaagde bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad ondanks verzet of hoger beroep zal worden veroordeeld, om met onmiddellijke ingang:

  1. De gewraakte reclame advertenties in te trekken bij de verschillende dagbladen en overige media.
  2. Opdracht te geven aan alle dagbladen om met ingang van de dag van uitspraak, de gewraakte reclame advertenties niet meer in hun bladen te plaatsen.
  3. Een even grote advertentie als de gewraakte, in zowel de Nederlandse als de Portugese taal, te plaatsen in alle dagbladen, met als inhoud, dat: hij ter bevordering van zijn eigen omzet vanaf vrijdag 17 december 2004, bewust een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de dagbladen, bevattende onjuiste en onvolledige informatie omtrent zijn concurrent parfum zaken “[handelsnaam 1]” en “[handelsnaam 2]”, betreffende twee niet compleet gespecificeerde parfum merken. Ook dat hij zich bediend heeft van een fictieve stichting en fictieve onderzoeksresultaten.
  4. Verder om aan eisers bij wijze van voorschot te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting SRD 1.200,– zijnde de door de onrechtmatige daad gedreven kosten voor rechtsbijstand, binnen een buiten proces alsmede het voorlopig begrootte bedrag van Euro 6.000,– zijnde omzet derving als gevolg van de onrechtmatige daad zijdens gedaagde.
  5. Tevens Euro 1.200,– zijnde de dwangsom voor iedere dag waarop gedaagde nalatig blijft uitvoering te geven aan het vonnis.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

Dat eisers in hun onderhavige vordering niet ontvankelijk worden verklaard c.q. hun de gevraagde voorziening wordt geweigerd als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 23 juni 2005 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om de gewraakte reclame advertenties in te trekken bij de verschillende dagbladen en de overige media.

Gedaagde heeft veroordeeld om alle dagbladen vanaf dagtekening van het vonnis opdracht te geven, de gewraakte reclame advertenties niet meer in hun bladen te plaatsen.

Gedaagde heeft veroordeeld om een even grote advertentie als de gewraakte, in zowel de Nederlandse als de Portugese taal, te plaatsen in alle dagbladen, met als inhoud, dat: hij ter bevordering van zijn eigen omzet vanaf vrijdag 17 december 2004, bewust een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de dagbladen, bevattende onjuiste en onvolledige informatie omtrent zijn concurrent parfum zaken “[handelsnaam 1]” en “[handelsnaam 2]”, betreffende twee niet compleet gespecificeerde parfum merken. Ook dat de gedaagde zich bediend heeft van een fictieve stichting en fictieve onderzoeksresultaten.

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 90,– (Negentig Surinaamse dollar).

Hetgeen meer of anders is gevorderd heeft afgewezen.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal, [appellant], in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 23 juni 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder DASIMIN TOEKIMIN van 27 maart 2006 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij repliek pleidooi producties overgelegd, wordende de inhoud -alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 15 december 2006, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier tussen geïntimeerden als eisers en appellant als gedaagden op 23 juni 2005 door de Kantonrechter in Kort Geding vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum luidt;

  1. Veroordeelt gedaagde om de gewraakte reclame advertenties in te trekken bij de verschillende dagbladen en de overige media.
  2. Veroordeelt gedaagde om alle dagbladen vanaf dagtekening van het vonnis opdracht te geven, de gewraakte reclame advertenties niet meer in hun bladen te plaatsen.
  3. Veroordeelt gedaagde om een even grote advertentie als de gewraakte in zowel de Nederlandse als de Portugese taal te plaatsen in alle dagbladen, met als inhoud, dat hij ter bevordering van zijn eigen omzet vanaf vrijdag, 17 december 2004, bewust een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de dagbladen, bevattende onjuiste en onvolledige informatie omtrent zijn concurrent parfum zaken “[handelsnaam 1]” en “[handelsnaam 2]”, betreffende twee niet compleet gespecificeerde parfum merken. Ook dat de gedaagde zich bediend heeft van een fictieve stichting en fictieve onderzoeksresultaten.
  4. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
  5. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 90,– (Negentig Surinaamse dollar).
  6. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellant als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advokaat, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de Griffier mededelen;

dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, de dienstbrief op 7 oktober 2005 aan appellant is verzonden en nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, het Hof ervan uitgaat dat de dienstbrief de geadresseerde, in casu appellant, heeft bereikt;

Overwegende, dat appellant binnen 14 dagen ná 7 oktober 2005, van het vonnis de dato 23 juni 2005 in hoger beroep had moeten komen bij het Hof;

Overwegende, dat uit het procesdossier niet blijkt dat hij van bedoeld rechtsmiddel binnen gemelde periode gebruik heeft gemaakt;

Overwegende, dat uit het procesdossier wel blijkt, dat appellant op 27 juni 2005 hoger beroep aangetekend heeft hetgeen het Hof geheel prematuur acht omdat niets, appellant in de weg stond – het tegendeel is gesteld noch gebleken – van het middel van hoger beroep gebruik te maken in de periode, gelegen tussen 7 oktober 2005 en 21 oktober daaraanvolgend;

Overwegende, dat nu appellant in casu niet op de bij de voorgeschreven wijze hoger beroep tegen het vonnis de dato 23 juni 2005 aangetekend heeft, rest het Hof niets anders dan hem daarin niet te ontvangen en dat hij de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding op 23 juni 2005 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geïntimeerden gevallen tot dusverre begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van de appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President,

Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 januari 2007, in tegenwoordigheid van

Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.Sheombar namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh en geïntimeerden vertegenwoordigd door de advokaten Mr.C.B.Lachmon en Mr.E.Naarendorp namens hun gemachtigden, advokaten Mr.M.Castelen en Mr.L.E.Palmburg, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

 

SRU-HvJ-2007-29

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14308

[Appellante], wonende te [plaats] aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no. 76, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. Sohansingh, advocaat,
appellante,

t e g e n

[Geïntimeerde], echtgenoot van [Appellante], wonende te [plaats] aan [adres 2], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no. 77, ten kantore van mr. R.U.F. Truideman, voor wie als gemachtigde optrad, mr. R.U.F. Truideman, die thans vervangen wordt door mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
geïntimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 2 november 2005 tussen partijen gewezen;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 november 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde huwelijksakte is eiser op 10 juni 1992 in het [district], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [appellante], wonende te [plaats] aan [adres 1], gedaagde;
  2. Uit gedaagde zijn er twee kinderen geboren, die thans nog in leven zijn, te weten: A. [naam 1] op 22 juli 1982 te Paramaribo en B. [naam 2] op 10 juni 1986 te Paramaribo. Het sub A genoemde kind is inmiddels MEERDERJARIG;
  3. Eiser heeft het sub A genoemde kind op 18 augustus 1982 erkend, terwijl eiser het sub B genoemd kind op 10 november 1986 heeft erkend. Op 10 juni 1992 werden beide kinderen GEWETTIGD door het opvolgend huwelijk van eiser en gedaagde (de ouders);
  4. Het boven vermeld huwelijk van partijen is echter reeds ETTELIJKE JAREN DUURZAAM ONTWRICHT. Partijen wonen op afzonderlijke adressen en hebben dus gescheiden huishoudens en ook gescheiden levens. Partijen zijn al helemaal vervreemd van elkander;
  5. Voorts is het zo, dat er grote karakterverschillen bestaan tussen partijen, waardoor het voortzetten van dit huwelijk alleen maar tot grotere frustraties en problemen zal leiden. Uiteraard zal dit niet alleen zijn invloed hebben op de geestelijke gesteldheid en/of gezondheid van eiser, maar ook op dat van gedaagde. Ook zal dit zijn weerslag hebben op de kinderen;
  6. Eiser is op grond van het bovenstaande dan ook zonder meer gerechtigd om een vordering tot echtscheiding tegen zijn echtgenote voornoemd aan te vragen, een en ander op basis van het feit dat het huwelijk duurzaam is ontwricht;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

  1. dat bij vonnis de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen gehuwd op 10 juni 1992 in het [district], met alle wettelijke gevolgen van dien;
  2. dat gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de rechter vast te stellen termijn over te gaan tot de scheiding en verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris en twee onzijdige personen conform de wet en het gebruik;
  3. dat de dag en het uur zal worden bepaald voor het te houden familieverhoor in verband met de voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over het ten rekeste genoemde minderjarige kind, [naam 2];

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering wordt afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 2 november 2005 op de daarin opgenomen gronden:

De echtscheiding tussen [geïntimeerde] en [appellante], gehuwd op 10 juni 1992 te [plaats], heeft uitgesproken.

Heeft bepaald, dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij, zal worden gehouden op dinsdag, 4 april 2006 in één der zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no.79-81 te Paramaribo om 8.30 uur.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen.

Heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zullen plaatsvinden, Mr.D.Alexander, notaris residerende te Paramaribo, of diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis omtrent de keuze van een notaris niet zijn overeengekomen;

Heeft benoemd tot onzijdig persoon:

voor de vrouw: Mr.F.Thijm, advokaat

voor de man: Mr.A.Kanhai, advokaat;

voor het geval een partij weigert of nalatig blijft aan de verdeling mee te werken;

De proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 7 november 2005, [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 2 november 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Dasimin Toekimin van 10 augustus 2006 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen appellante als gedaagde en geintimeerde als eiser, op 2 november 2005 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt;

Spreekt uit de echtscheiding tussen: [geïntimeerde] en [appellante], gehuwd op 10 juni 1992 te [plaats].

Bepaald, dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij, zal worden gehouden op dinsdag, 4 april 2006 in één der zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no.79-81, te Paramaribo om 8.30 uur.

Beveelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd.

Benoemt, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis omtrent de keuze van een notaris niet zijn overeengekomen, tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zullen plaatsvinden, Mr.D.Alexander, notaris residerende te Paramaribo, of diens waarnemer of opvolger.

Benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft aan de verdeling mee te werken, tot onzijdig persoon:

voor de vrouw: Mr.F.Thijm, advokaat

voor de man: Mr.A.Kanhai, advokaat;

Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellante als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest daarbij evenmin aanwezig was de advokaat en die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de Griffier doet mededelen;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, de dienstbrief als bedoeld in voormeld artikellid op 24 februari 2006 aan appellante is medegedeeld;

Overwegende, dat appellante, naar eveneens uit het procesdossier blijkt, op 7 november 2005 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis de dato 2 november 2005;

Overwegende, dat blijkens artikel 264 lid 3 van eerder gemeld Wetboek de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak, of indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens het Wetboek is medegedeeld;

Overwegende, dat volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voormelde mededeling aan appellante is gedaan op 24 februari 2006, op welke datum de appeltermijn ingevolge artikel 264 lid 3, een aanvang nam;

Overwegende, dat, nu appellante niet conform het bepaalde in artikel 264 lid 3 in verband met artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering appel aangetekend heeft tegen het op 2 november 2005 gewezen en uitgesproken vonnis, rest het Hof niets anders dan haar, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, niet ontvankelijk te verklaren in haar tegen dat vonnis ingesteld beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 2 november 2005 gewezen;

Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 januari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.