SRU-HvJ-2021-65

GRNo. 15701

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. Alwin R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 2 mei 2019 (A.R. No. 14-3989) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 14 mei 2019 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven d.d. 14 mei 2019
  • de pleitnota d.d. 6 december 2019;
  • de antwoordpleitnota d.d. 17 juli 2020;
  • het repliekpleidooi d.d. 21 augustus 2020;
  • het dupliekpleidooi d.d. 15 januari 2021;
  • de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 18 juni 2021 doch nader op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

2.1 Met zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort gezegd, gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot rectificatie van volgens [appellant] smadelijke uitlatingen, vervat in stukken die onderdeel zijn van de tussen partijen gevoerde procedures onder nummers AR No. 08-4914 en AR No. 14-0574, alsmede dat aan [geïntimeerde] een verbod van herhaling en het gebod aan [appellant] schriftelijk excuses aan te bieden zullen worden opgelegd.

2.2 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen.

  1. Met zijn grieven beoogt [appellant] het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen. Het Hof zal de grieven dan ook gezamenlijk behandelen.

4.1 Voorop staat dat [geïntimeerde] in conclusies in de hiervoor genoemde procedures uitlatingen doet die op zichzelf als lasterlijk of beledigend kunnen worden aangemerkt. Daargelaten of, zoals [geïntimeerde] in zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg opmerkt, [appellant]s vorderingsrecht, gelet op het in artikel 1401 BW bepaalde, was vervallen op het moment waarop hij zijn inleidend verzoekschrift indiende, is niet gebleken dat de uitlatingen van [geïntimeerde] een wijdere verspreiding hebben gehad dan in de genoemde gedingstukken. Daarover heeft de kantonrechter terecht overwogen dat partijen de ruimte moeten hebben om in tussen hen gevoerde procedures standpunten in te nemen en toe te lichten waarmee zij ter ondersteuning van hun vordering een negatief beeld van hun wederpartij schetsen. Dit geldt ook voor uitlatingen die als onjuist, onwaar of grievend worden ervaren. In de procedure kan die wederpartij daarop desgewenst reageren.

4.2 [Appellant] voert aan dat dit niet meer mogelijk is, als de uitlatingen bij dupliek worden gedaan. Dat is op zichzelf juist. Als de rechter dergelijke uitlatingen evenwel wil gebruiken voor de onderbouwing van zijn beslissing, zal hij de partij tegen wie ze zijn gericht, in de gelegenheid moeten stellen daarop alsnog bij akte te reageren. Uit de vonnissen in genoemde zaken blijkt niet dat de rechters de desbetreffende uitlatingen ter onderbouwing van hun beslissingen hebben gebruikt.

4.3 De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet aannemelijk was dat de rechter in een bodemprocedure de vordering van [appellant] toewijsbaar zou achten. Ten overvloede voegt het Hof hieraan toe dat een verbod van herhaling in elk geval niet zou kunnen worden opgelegd, omdat een partij daardoor in haar processuele vrijheid zou worden beperkt.

  1. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen partijen gewezen vonnis van 2 mei 2019 (A.R. No. 14-3989).

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen appellant in persoon en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerde.

 

SRU-HvJ-2021-64

GRNo.15699

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po jr., advocaat,

tegen

De naamloze vennootschap Luchthavenbeheer N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: Luchthavenbeheer,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 14 augustus 2018 (A.R. No. 10-3965) tussen [appellant] als eiser en Luchthavenbeheer als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal d.d. 10 september 2018 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven d.d. 11 maart 2019;
  • het pleidooi d.d. 17 januari 2020;
  • het antwoordpleidooi d.d. 16 oktober 2020;
  • het repliekpleidooi d.d. 5 februari 2021;
  • het dupliekpleidooi d.d. 4 juni 2021.

De uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

2.1 Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort samengevat, gevorderd Luchthavenbeheer te veroordelen tot betaling aan hem van SRD 506.297,- met rente en kosten op grond van loon en gratificatie over de periode van 2007 tot en met 2009 uit hoofde van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellant] op 1 oktober 2002 voor onbepaalde tijd bij Luchthavenbeheer in dienst is getreden en dat de kantonrechter bij beschikking van 21 juli 2009 (A.R. No. 08-3176) de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2009 heeft ontbonden, onder voorwaarde dat aan [appellant] een vergoeding van acht maanden loon met alle emolumenten zal worden betaald. Vervolgens heeft de kantonrechter [appellant]’s vordering afgewezen, vanwege verjaring van zijn vordering voor de maanden juni tot en met september 2007 en vanwege het ontbreken van een grondslag voor zijn vordering over de periode van oktober 2007 tot en met 10 december 2009.

2.2 [Appellant] heeft tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aangevoerd:

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat voor de periode van oktober 2007 tot en met 10 december 2009 de grondslag ontbreekt, omdat [appellant]’s aanspraak op loon ex art. 1614c lid 1 BW slechts vier maanden bedraagt.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist dat [appellant]’s vordering tot betaling van loon over de periode juni 2007 tot en met september 2009 (het hof leest: 2007) wegens verjaring afgewezen.

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter – impliciet – [appellant]’s vordering tot betaling van gratificatie over de jaren 2007, 2008 en 2009 afgewezen.

Luchthavenbeheer kan zich met het vonnis verenigen en verzoekt het Hof het beroepen vonnis, zo nodig met verbetering van gronden, te bevestigen.

  1. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Voorop staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen bij de onder 2.1 genoemde beschikking van 21 juli 2009 met ingang van 1 september 2009 is ontbonden. Per 10 december 2009 zijn hem via zijn raadsman de bedragen aangeboden die de kantonrechter in dit vonnis als voorwaarde aan de ontbinding had verbonden. Volgens [appellant] betekent dit dat de ontbinding ook pas op 10 december 2009 is ingegaan. Met Luchthavenbeheer is het Hof echter van oordeel dat dit standpunt onjuist is. De kantonrechter heeft in het vonnis immers niet bepaald dat de ontbinding pas per datum (aanbod van) betaling zou ingaan. De ontbinding was dus per 1 september 2009 een feit, ongeacht wanneer aan de daarbij gestelde voorwaarden zou zijn voldaan. Dit brengt mee dat [appellant] over de periode na die datum geen recht op loon of andere betalingen toekomt.

3.2 Vervolgens is de vraag aan de orde of [appellant] terecht aanspraak maakt op betaling van loon en andere emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 ter hoogte van de door hem in zijn inleidend verzoekschrift genoemde bedragen. Luchthavenbeheer heeft in eerste aanleg het door [appellant] gestelde maandsalaris van SRD 9.865,- bestreden en aangevoerd dat [appellant] heeft nagelaten een opbouw van de door hem gevorderde bedragen van SRD 461.906,- aan achterstallig loon en SRD 44.391,- aan achterstallige gratificatie over de jaren 2007, 2008 en 2009 te geven. Zij heeft echter niet (gemotiveerd) bestreden dat [appellant] recht op betaling van loon en emolumenten over die periode heeft. Zij heeft, bij comparitie van partijen op 12 augustus 2014 wel, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde beschikking van 1 september 2009 (bedoeld zal zijn 21 juli 2009), gezegd dat de zaak reeds was afgewikkeld. Dat is echter onjuist, omdat het ontbindingsvonnis uitsluitend de vergoeding ter gelegenheid van de ontbinding betrof en niet het (eventueel) achterstallige loon.

Vervolgens heeft Luchthavenbeheer bij conclusie tot uitlating na comparitie d.d. 4 juli 2017 erkend zowel dat de door [appellant] overgelegde loonstroken over de eerste drie maanden van 2007 en de jaaropgave over 2007 waarheidsgetrouw zijn, als dat zijn basisloon SRD 7.261,36 per maand bedroeg en het brutoloon SRD 16.051,37. Uit dit alles leidt het Hof af dat [appellant] (nog altijd) recht op betaling van loon en andere emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 heeft.

3.3 In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter overwogen dat in het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 4 februari 2010 (A.R. No. 10-0208) is overwogen dat Luchthavenbeheer [appellant]’s vordering tot uitkering van achterstallig salaris heeft bestreden met de stelling dat [appellant] over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009 geen aanspraak op loon toekomt, omdat hij wegens ziekte de bedongen arbeid niet heeft verricht. Vervolgens heeft de kantonrechter (in het vonnis waarvan beroep) met een verwijzing naar het begrip “betrekkelijk korte tijd” in art. 1614c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat aan [appellant] na het ingaan van de ziekte nog slechts vier maanden loon toekwam (namelijk over de periode van juni tot en met september 2007) en dat deze vordering, gelet op art. 1989 BW, was verjaard.

De kantonrechter is met deze verwijzing naar art. 1614c lid 1 BW buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. [appellant] voert voorts aan dat nimmer in rechte is vastgesteld dat ziekte over de relevante periode een factor was die aan door- of uitbetaling in de weg stond. Bovendien behelst art. 8 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst een doorbetaling van loon van één jaar ingeval van arbeidsongeschiktheid door ziekte.

[appellant]’s eerste grief slaagt dan ook in zoverre.

3.4 Ook [appellant]’s tweede grief slaagt. Hij voert aan dat hij, zo al van een aangevangen verjaringstermijn sprake was, deze meermalen heeft gestuit. Luchthavenbeheer heeft dit niet (gemotiveerd) bestreden. Van verjaring is dus geen sprake.

3.5 Nu vaststaat dat [appellant] aanspraak heeft op betaling van loon en emolumenten over de periode van 1 juni 2007 tot 1 september 2009, slaagt ook zijn derde grief.

3.6 Teneinde te voorkomen dat partijen opnieuw in een strijd over berekening en betaling terechtkomen, zal het Hof het op grond van het bovenstaande aan [appellant] toekomende bedrag berekenen met de door hem gevorderde bedragen als uitgangspunt. Het Hof gaat hierbij, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, uit van het bruto maandloon van SRD 16.051,37. Aan [appellant] komt 27 maanden loon toe. Dat komt neer op een bruto loonbedrag van SRD 433.386,99. Daarnaast heeft hij recht op een volledige gratificatie over 2007 en 2008 en over tweederde daarvan over 2009. Nu dat, uitgaande van het hiervoor genoemde maandsalaris, zou neerkomen op een hoger bedrag dan wat [appellant] vordert, zal het Hof zijn vordering van SRD 44.391,- als uitgangspunt nemen.

Het Hof zal dan ook beslissen als in het dictum te melden met dien verstande dat bij de uitbetaling rekening dient te worden gehouden met de reguliere aftrekposten. Luchthavenbeheer zal, als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep en de eerste aanleg worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

vernietigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 14 augustus 2014 (A.R. No. 10-3965), en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Luchthavenbeheer tot betaling aan [appellant] van SRD 433.386,99 (vierhonderd drieëndertig duizend driehonderd en zesentachtig Surinaamse Dollar en negenennegentig cent) aan brutoloon en aan gratificatie het bedrag van SRD 44.391,- (vierenveertig duizend en driehonderd en eenennegentig Surinaamse Dollar) te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening,

veroordeelt Luchthavenbeheer in de proceskosten in beide instanties, aan de zijde van [appellant] tot aan deze uitspraak begroot op [SRD 95,- + SRD 350,- betekeningskosten + SRD 30,- griffierecht Kantongerecht + SRD 350,- griffierecht hoger beroep],

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. H.R. Lim A Po jr, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S.D. Joella namens advocaat mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-63

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. 14852
15 oktober 2021

In de zaak van

[Appellant],
hierna te noemen van [appellant],
wonende te Paramaribo,
appellant,
gemachtigde: mr. K. Hok A Hin, advocaat,

tegen

Presun B.V., handelende als gevolmachtigde van de eigenaar,
hierna te noemen Presun BV,
gevestigd in Nederland,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat.

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 7 februari 2012 (A.R. no. 06-4794) tussen enerzijds appellant als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en anderzijds geïntimeerde als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie

Spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat van [appellant] op 17 oktober 2012 hoger beroep heeft aangetekend tegen het hiervoor genoemde vonnis;

– de pleitnota gedateerd 7 februari 2014;

– de pleitnota van antwoord gedateerd 2 mei 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het vonnis is bij griffiersbrief d.d. 5 oktober 2012 ter kennis gebracht aan van [appellant]. Nu van [appellant] op 17 oktober 2012 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis concludeert het Hof dat de aantekening van het hoger beroep binnen de bij wet gestelde termijn is geschied zodat van [appellant] ontvankelijk is daarin.

  1. De feiten

3.1 Op 15 mei 2021 heeft Presun BV, handelende als de gevolmachtigde van de eigenaar, een koopovereenkomst gesloten met van [appellant] met betrekking tot een perceel en het bouwen van een sleutelklare woning (hierna te noemen het onroerend goed), nader bij partijen bekend.

3.2 De koopsom bedroeg Nf113.087,- thans €51.316,64.

3.3 Tot 22 februari 2006 had van [appellant] uit hoofde van de hiervoor vermelde koopovereenkomst nog een saldoschuld van €35.798,68.

3.4 Hangende het geding in eerste aanleg, en wel op 1 februari 2008, heeft van [appellant] een bedrag van €35.000,= aan Presun BV betaald. Laatstgenoemde heeft het bedrag van €798,68 aan van [appellant] kwijtgescholden.

3.5 Op 7 februari 2008 is het onroerend goed aan van [appellant] in eigendom overgedragen.

3.6 Van [appellant] heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – in reconventie gevorderd veroordeling van Presun BV tot:

  1. overdracht van het onroerend goed aan hem, van [appellant], onder verbeurte van een dwangsom;
  2. betaling van het bedrag groot €51.316,64 vermeerderd met 40% van de volledige koopsom en rente, begroot op €93.396,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf januari 2002.

III. het verschaffen aan van [appellant], het rustig genot van het onroerend goed.

3.7 Van [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Presun BV niet heeft voldaan aan zijn leveringsverplichting zoals overeengekomen. Partijen hadden afgesproken dat de te bouwen woning moest zijn van het model “Orinoco De Lux” terwijl aan hem, van [appellant], is geleverd een woning van het model “Orinoco Standaard”.

Door de wanprestatie van Presun BV lijdt hij schade tot een bedrag van €51.316,64, conform de overeenkomst te vermeerderen met 40% van de volledige koopsom en rente en kosten, begroot op €93.396,28.

3.8 De kantonrechter heeft bij vonnis d.d. 7 februari 2012 bekend onder AR no. 06-4794 de vordering van van [appellant] afgewezen.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof merkt op dat de vordering in reconventie zich richt tegen Presun BV, handelende als gevolmachtigde van de eigenaar. Het Hof concludeert hieruit dat Presun BV dus als formele procespartij optreedt in de onderhavige procedure.

Het is het Hof onduidelijk voor wie Presun BV als gevolmachtigde optreedt met als gevolg dat het onduidelijk is wie de materiële procespartij is in reconventie.

Deze onduidelijkheid is – ondanks het verweer daarop gevoerd door van [appellant] – niet weggemaakt in eerste aanleg.

Nu onduidelijk is tegen welke materiële procespartij de vordering van van [appellant] zich richt, dient laatstgenoemde niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

Het vonnis van de kantonrechter zal derhalve worden vernietigd en het Hof zal rechtdoen als na te melden.

4.2 [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

5.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton gedateerd 7 februari 2012 bekend onder AR no. 06-4794.

En opnieuw rechtdoende:

5.2 Verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn vordering.

5.3 Veroordeelt van [appellant] in de proceskosten aan de zijde van Presun BV gevallen – zowel in eerste aanleg als in hoger beroep – en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-62

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 20 lid 5 Handelsregisterwet

In de zaak van:

N.V. Grobohama, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verzoekster,
vertegenwoordigd wordende door: dhr. R.H. Wijsman,

tegen

DE HANDELSREGISTER COMMISSIE,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
niet verschenen.

  1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

– het beroepschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 16 december 2016 inzake G.R. no. 15175;

– het verleende verstek tegen de behoorlijk opgeroepen doch niet verschenen verweerder.

  1. Vervolgens is bepaald dat beschikking zal volgen in de zaak.
  1. De vordering en de grondslag daarvan

2.1 Verzoekster vordert de handelsregistercommissie te dwingen dan wel een uitspraak te doen zijnde positief of negatief, of subsidiair te honoreren het verzoek van N.V. Grobohama om tot ontbinding van Suramericana Business Group N.V. over te gaan.

2.2 Verzoekster stelt dat zij, op grond van artikel 20 lid 2, 3 en 4 van de Handelsregisterwet aan de Handelsregistercommissie het verzoek heeft gedaan om tot ontbinding over te gaan van Suramericana Business Group N.V., nu deze vennootschap in strijd heeft gehandeld met de openbare orde.

Volgens verzoekster weigert de Handelsregistercommissie om een besluit te nemen op haar verzoek.

  1. De beoordeling

3.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 20 lid 5 van de Handelsregisterwet kan tegen de beslissing van de Handelsregistercommissie beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie. Hieruit volgt dat eerst door de Handelsregistercommissie een besluit moet zijn genomen alvorens daartegen beroep kan worden ingesteld bij het Hof van Justitie

Nu verzoekster zelf stelt dat de Handelsregistercommissie weigert om een besluit te nemen op haar verzoek, is het Hof van oordeel dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het onderhavige verzoek. Het Hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen.

3.2 Verzoekster zal, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

  1. BESCHIKKENDE:

Het Hof:

4.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak.

4.2 Veroordeelt verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen de heer R.H. Wijsman, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-61

A.C.
G.R. no. 14677

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

18 juni 2021

in de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 09 februari 2010 (A.R. No. 07-1968) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Vooraf:

In deze zaak is er op 07 juni 2019 een tussenvonnis gewezen en uitgesproken;

  1. Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

– de conclusie tot overlegging van bescheiden inzake geleden processchade zijdens geïntimeerde;

– de conclusie tot uitlating zijdens appellante;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 19 maart 2021 doch nader op heden.

  1. De verdere beoordeling van het geschil

2.1. Het Hof neemt over en volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in voormeld tussenvonnis de dato 07 juni 2019. Al hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot het harerzijds oneens zijn met het overwogene en de beslissing in voormeld tussenvonnis haalt het in de visie van het Hof niet in rechte. Immers heeft het Hof in voormeld tussenvonnis – kort gezegd – de zienswijze uiteengezet omtrent het tweemaal procederen omtrent hetzelfde onderwerp van geschil waaromtrent er in eerste aanleg reeds een beslissing is genomen, welke beslissing kracht en gezag van gewijsde heeft verkregen. Het Hof ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn beslissing zoals verwoord in voormeld tussenvonnis. Daarenboven zijn de bezwaren aangevoerd in een akte uitlating zijdens appellante als laatste proceshandeling in deze procedure in hoger beroep waardoor geïntimeerde niet de gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren.

2.2. Bij voormeld tussenvonnis de dato 07 juni 2019 werd de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door geïntimeerde teneinde de veroorzaakte processchade door de onderhavige procedure (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) te begroten. Appellante zou vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om zich daaromtrent uit te laten.

2.3. Geïntimeerde heeft gedocumenteerd, onder overlegging van bijbehorende producties, aangegeven dat de door haar geleden schade door deze herhaalde procedure in beide instanties het bedrag van SF. 46.000,-, SRD. 5.000,-,SRD. 4.347,- plus SRD. 24.840,- beloopt (althans zo vat het Hof dat op). Het Hof zal de door geïntimeerde in het geding gebracht producties in het hierna volgende aan een bespreking onderwerpen. Productie no. 1 zoals door geïntimeerde is overgelegd bij akte tot overlegging bescheiden inzake geleden processchade betreft in de visie van het Hof een andere procedure, te weten het geding bekend in het Algemeen Register onder no. 93-1332, en zal derhalve in dit kader buiten beschouwing worden gelaten. Het Hof komt derhalve niet toe aan bespreking van de reactie van appellante daaromtrent. Thans zal het Hof overgaan tot bespreking van productie no. 2 zoals door geïntimeerde in het geding is gebracht. Het verweer van appellante omtrent productie no. 2 dat er –kort gezegd- op neerkomt dat nergens uit blijkt dat deze kosten voor onderhavige procedure zijn voldaan wordt in de visie van het Hof weerlegd door de stempel op blad 1 van voormelde productie waaruit blijkt dat voormeld bedrag per cheque is voldaan op 21 december 2007. Aan de achterkant van blad 1 van voormelde productie no. 2 is een fotokopie van een kwitantie de dato 21 december 2007 aangetroffen waaruit blijkt dat door geïntimeerde het bedrag van in totaal SRD. 5.000,- is betaald aan het advocatenkantoor Lim A Po. De datum op de kwitantie van betaling en de vermelding van de namen van partijen daarop individualiseren in de visie van het Hof wel genoegzaam dat het in casu de onderhavige procedure betreft. Op het tweede blad van productie 2 is opgebracht een declaratie ad SRD. 2.484,-, welk bedrag ingevolge de stempel op voormeld blad per kas is voldaan op 31 januari 2011. De inhoud van de kwitantie de dato 31 januari 2011 aan de achterkant van voormeld blad bevestigt in de visie van het Hof de betaling ad SRD. 2.484,- (declaratie no. 08443) maar verschaft geen nadere informatie omtrent declaratie no. 07669. Gelet op het voorgaande is het Hof niet in staat om te beoordelen of het hier gaat om kosten die gemaakt zijn in deze procedure en zal het Hof in zoverre voorbijgaan aan het op de kwitantie vermeld bedrag nu daarin ook is inbegrepen het bedrag van SRD. 2.484,- betreffende declaratie no. 08443. Het Hof zal derhalve in het kader van dit geding ervan uitgaan en het ervoor houden dat de betaling van declaratie no. 08443 ad SRD. 2.484,- betreft een betaling in onderhavige procedure hetgeen eveneens blijkt uit de koppeling die in voormelde declaratie gemaakt wordt met de zaak bekend in het A.R. onder no. 07-1968.

2.4. Thans volgt bespreking van productie no. 3. Ten aanzien van productie no. 3 heeft appellante aangevoerd –kort gezegd- dat nergens uit blijkt dat deze kosten zijn betaald en derhalve zijn deze kosten niet gemaakt door geïntimeerde. Daarnaast is het volgens appellante opmerkelijk dat de bewuste declaratie dateert van dezelfde datum als het tussenvonnis van het Hof, te weten 07 juni 2019, waaraan de appellante de gevolgtrekking verbindt dat deze declaratie kennelijk na het wijzen van het vonnis gauw uit de koker is getoverd om appellante geld uit de zakken te kloppen. Dit wordt volgens appellante bevestigd als de diverse declaraties naast elkaar worden gelegd en blijkt hoe astronomisch hoog de laatste declaratie no. 15531 is en totaal niet in verhouding met de rest staat. Appellante beticht deze declaratie dan ook van valsheid en ontkent en betwist verplicht te zijn deze te betalen. Het Hof oordeelt omtrent het voorgaande als volgt. Appellante heeft volstaan met het poneren van vermoedens die gekoppeld zijn aan de datum van de declaratie alsmede het niet betaald zijn van het daarin opgebracht bedrag. Daarnaast is het opgebracht bedrag volgens appellante abnormaal hoog. In de visie van het Hof vermag voormeld verweer appellante niet baten. Immers is in voormeld tussenvonnis niet de eis gesteld dat de kosten voldaan dienen te zijn maar is aan geïntimeerde gevraagd om de schade te begroten. Daaraan heeft geïntimeerde in de visie van het Hof in ruime mate voldaan nu ook de door appellante aangevoerde valsheid niet nader is gepreciseerd en de koppeling met de zaak bekend in het G.R. onder no. 14677 evident is alsmede de aard van de verrichte werkzaamheden door de advocaat.

2.5. De slotsom waar al het voorgaande toe leidt is dat de door geïntimeerde begrote processchade deels in rechte is komen vast te staan en zal dat bedrag als onderdeel van de proceskosten worden toegewezen ten laste van appellante in voege als na te melden. De bedragen ad SRD. 5.000,- en SRD. 2.484,- en SRD. 24.840,- zullen bij elkaar worden opgeteld en als onderdeel van de proceskosten ten laste van appellante worden gebracht in het dictum van dit vonnis.

2.6. De consequentie van het voorgaande is dat – nu het Hof heeft vastgesteld dat er in casu sprake is geweest van misbruik van procesrecht door het aanhangig maken van de onderhavige procedure door appellante – het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende appellante alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde vordering. Daarnaast zal appellante, als de niet ontvangen partij, de gedingkosten waaronder begrepen de processchade als hiervoor onder 2.5. is overwogen, voor haar rekening dienen te nemen.

2.7. Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zullen onbesproken worden gelaten nu die niet tot een andersluidend oordeel aanleiding zullen geven.

  1. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1. Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken de dato 09 februari 2010 en bekend in het Algemeen Register onder no. 07-1968, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

3.2. Verklaart appellante alsnog niet-ontvankelijk in de ingestelde vordering;

3.3. Veroordeelt appellante in de gedingkosten –waaronder begrepen de door geïntimeerde geleden processchade – in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en tot op heden begroot op SRD. 32.324,- (Twee en Dertigduizend en Driehonderd en Vier en Twintig Surinaamse Dollar);

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. S.M.M. Chu, leden, en bij vervroeging uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 juni 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-60

GRNo. 14730

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
verder te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

  1. [Geïntimeerde sub A], wonende te [stad], [land],
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende te [wijk], [land],
  3. [Geïntimeerde sub C], wonende te [plaats],
  4. [Geïntimeerde sub D], wonende te [stad], [land],
  5. [Geïntimeerde sub E], wonende te [plaats],
  6. [Geïntimeerde sub F], wonende te [plaats],
  7. [Geïntimeerde sub G], wonende te [plaats],

handelende voor zichzelf en als gemachtigde van de hiervoor onder a t/m f genoemde personen,
niet verschenen,

en

  1. [Geïntimeerde sub H], wonende in het [district],

verder te noemen [geïntimeerde sub H],
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,
geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 13 juli 2010 (A.R. No. 07-0859) tussen [appellante] als eiseres en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het tussenvonnis van het Hof van 4 mei 2018, waarbij aan appellante een bewijsopdracht is verstrekt;
  • het proces-verbaal van enquête van 12 juli 2018;
  • de conclusie na enquête van [appellante] van 15 februari 2019;
  • de conclusie na enquête van [geïntimeerde sub H] van 5 april 2019.

De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

  1. Bij het tussenvonnis van 4 mei 2018 is aan [appellante] opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde sub H] aan hun vader [naam 1] een volmacht heeft gegeven om het aan partijen bekende perceelland tegen een prijs van Sf. 5.000,- aan [appellante] te verkopen en dat [naam 1] deze last heeft uitgevoerd.
  1. [Appellante] heeft daarop haar en [geïntimeerde sub H] zusters [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] (beiden tevens geïntimeerden) als getuigen laten horen. In haar conclusie na enquête heeft [appellante] geconcludeerd dat [naam 1] inderdaad aan [geïntimeerde sub H] last en volmacht heeft verstrekt om het perceelland in kwestie aan haar te verkopen. [geïntimeerde sub H] heeft bij zijn conclusie na enquête ten eerste gesteld dat [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] rechtens ongeschikt zijn om als getuigen op te treden, omdat in deze procedure zelf procespartij zijn. Voorts heeft [geïntimeerde sub H] geconcludeerd dat [appellante] niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.
  1. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Het standpunt van [geïntimeerde sub H] dat [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C], als partijen in deze procedure, ongeschikt zijn om als getuigen op te treden, berust niet op het recht. Het Hof verwerpt dit standpunt dan ook. Wel kunnen personen die bloedverwanten in de tweede graad van een van de partijen zijn, zich van het afleggen van getuigenis verschonen. [Geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] hebben echter uitdrukkelijk verklaard dat zij van dit verschoningsrecht afzien.

3.2 Vraag is of [appellante] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Daarbij is van belang, niet alleen of [geïntimeerde sub H] aan [naam 1] een volmacht tot verkoop heeft verstrekt, maar ook of [naam 1] deze volmacht heeft uitgevoerd.

3.3 Hierover heeft [Geïntimeerde sub G], voor zover van belang, als volgt verklaard:

Mijn vader had een volmacht van mijn broertje [geïntimeerde sub H] om te verkopen en te doen wat hij ermee wilde. Natuurlijk moest dat eerst met toestemming van [geïntimeerde sub H]. […] [Ik] hoorde mijn vader een paar keer tegen [geïntimeerde sub H] zeggen: […] ‘[geïntimeerde sub H] waarom zet je dat perceel niet op naam van [appellante]. Mijn belofte moet je niet verbreken.’ Mijn vader heeft mij vaker gezegd: ‘ja ik heb een volmacht en ik mag stukjes van het perceel verkopen.’

[…] Ik heb die volmacht niet gezien. Maar mijn vader bleef zeggen dat hij een volmacht had. Ik weet dat hij niet zou jokken, want hij is een voorbeeldige figuur geweest. Op uw vraag waarom mijn vader niet gebruik heeft gemaakt van die volmacht om het perceel over te dragen, antwoord ik u dat hij aan [geïntimeerde sub H] bleef vragen wanneer [geïntimeerde sub H] zou overdragen. [geïntimeerde sub H] hield dat op de lange baan. […] Ik weet niet waarom mijn vader naar de notaris is geweest om de overdracht zelf te bewerkstelligen. Ik weet niet of die volmacht wel of niet bestond. ”

3.4 [Geïntimeerde sub C] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

Mijn vader had een volmacht van [geïntimeerde sub H] om over alles te handelen met betrekking tot het verkopen van dit perceel. […] Die volmacht hield in dat zaken mocht doen. Hij mocht met die volmacht het perceel verkopen. […] Ik hoorde mijn vader en [geïntimeerde sub H] soms ook daarover praten wanneer ik bij vader was. […] Ik begrijp niet waarom het perceel niet op naam van [appellante] is gekomen. Volgens mij is [geïntimeerde sub H] later van mening veranderd. […] Op uw vraag waarom mijn vader toch niet de overdracht zelf heeft bewerkstelligd, antwoord ik u dat ik dan niet precies weet. […] Ik heb die volmacht niet gezien. Wanneer hij zei dat hij een volmacht had dan geloofde ik hem wel. […] Ik heb mijn vader vaker naar de notaris gebracht om de kwestie met betrekking tot de overdracht van dit perceel te regelen, misschien meer dan vijf keren, maar soms waren de medewerkers er niet en keerden wij dan naar huis terug. Geen van de keren heeft hij mij gezegd dat het in orde was. Hij zei wel dat het in orde zou komen. […] Ik weet niet waarom [geïntimeerde sub H] niet naar de notaris ging om zelf het perceel over te dragen aan [appellante]. Ik weet niet waarom er een volmacht daarvoor nodig was. Mijn vader heeft mij verteld dat hij met gebruikmaking van een volmacht dat perceel in kwestie aan [appellante] heeft verkocht. […] De hoogte van het bedrag weet ik niet.”

3.5 Aan deze verklaringen dient te worden toegevoegd dat het dossier een stuk getiteld “Koopovereenkomst” bevat. Daarin staat, voor zover van belang:

De ondergetekenden: [naam 1], […] als gevolmachtigde van […] [geïntimeerde sub H], […] blijkende van gemelde lastgeving uit een onderhandse akte van volmacht de tiende februari negentienhonderd acht en tachtig getekend te Paramaribo, […] ter ener zijde en mevrouw [appellante] […] ter anderer zijde […]

Voorts wordt in dit stuk, dat op 23 februari 1988 is gedateerd, maar niet is ondertekend, gerelateerd dat [naam 1] het litigieuze recht van erfpacht voor Sf. 5.000,- aan [appellante] heeft verkocht.

3.6 De onderhavige procedure beoogt de medewerking van alle erfgenamen van de in 1995 overleden [naam 1] aan de overdracht van het perceel, nu het hiervoor onder 3.5. genoemde stuk genaamd “Koopovereenkomst” de volgens [appellante] daaraan ten grondslag liggende titel is. [geïntimeerde sub H] standpunt is dat het perceel in 1980 aan hem is verkocht en dat hij nooit aan [naam 1] een volmacht heeft verstrekt om het aan [appellante] te verkopen. Hij wijst erop dat de “Koopovereenkomst” niet is ondertekend en dat ook geen overdracht heeft plaatsgevonden.

 

3.7 Uit hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof af dat [geïntimeerde sub H] aan [naam 1] een volmacht heeft verstrekt om het litigieuze perceel voor Sf. 5.000,- aan [appellante] te verkopen. In het stuk genaamd “Koopovereenkomst”, dat kennelijk op het kantoor van Jadnanansing is opgemaakt, staat dat de notaris de volmacht daartoe van 10 februari 1988 heeft gezien (en heeft teruggegeven). Daarnaast verklaren [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] beiden dat [geïntimeerde sub H] aan hun vader [naam 1] een volmacht tot die verkoop heeft verstrekt. Weliswaar hebben zij de volmacht nooit gezien, maar volgens hun verklaring heeft hun vader hun wel meermalen laten weten dat hij daarover beschikte. Mede gelet op de inhoud van het stuk genaamd “Koopovereenkomst” acht het Hof hun uitlatingen wat dat betreft geloofwaardig. [appellante] is dan ook in het eerste deel van het haar opgedragen bewijs geslaagd.

3.8 [Appellante] is evenwel niet erin geslaagd te bewijzen dat [naam 1] aan de hem door [geïntimeerde sub H] verstrekte volmacht uitvoering heeft gegeven. Gelet op de verklaringen van [geïntimeerde sub G] en [geïntimeerde sub C] en de inhoud van het stuk genaamd “Koopovereenkomst” is hij wel bij de notaris geweest. Maar de volmacht is niet uitgevoerd, nu niet is gebleken dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen en deze vervolgens in een overdracht van het litigieuze perceel heeft geresulteerd.

3.9 Dit brengt mee dat [appellante]’s vordering tegen [geïntimeerde sub H] dient te worden afgewezen en dat de kantonrechter haar terecht in haar vorderingen tegen de andere geïntimeerden niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu niet is gebleken dat zij in het perceel medegerechtigd waren of zijn.

3.10 Het vonnis van de kantonrechter zal dan ook, zij het op andere gronden, worden bevestigd, met veroordeling van appellante in de proceskosten, omdat zij voor het grootste deel in het ongelijk is gesteld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 juli 2010 (A.R. No. 07-0859).

veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 20021, in tegenwoordigheid van M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. S. Doelam namens advocaat M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellante noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-59

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GR.15030

IL

Beschikking ex artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. I.D. Kanhai, advocaat,

tegen

  1. De Stichting Soul Sisters, rechtspersoon
  2. [Verweerder sub B],

beiden domicilie kiezende te Paramaribo,
verweerders,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat.

  1. Het procesverloop
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

– het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 28 april 2015;

– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek in raadkamer van 26 mei 2015.

  1. Vervolgens is op heden beschikking gegeven.
  1. De feiten

2.1 Bij vonnis van de kantonrechter in kort geding d.d. 18 december 2015 bekend onder A.R. no. 14-0045 (hierna: het vonnis), met verweerders als eisers en verzoeker als gedaagde heeft de kantonrechter als volgt beslist:

“5.1 Veroordeelt gedaagde om bij wege voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen het geldbedrag van US$10.000,= (…), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 06 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.2 Veroordeelt gedaagde om bij wege voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen het geldbedrag van €3.000,= (…), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 06 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 Veroordeelt gedaagde om bij wege voorschot en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen het geldbedrag van SRD6.000,= (…), vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar, te rekenen vanaf 06 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.4 Verklaart het vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad…..”

2.2 Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis van de kantonrechter.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Verzoeker vordert – naar het Hof begrijpt – om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de verweerder te gelasten om de reeds aangevangen executie van het genoemd vonnis te schorsen althans op te schorten totdat in hoger beroep over het geschil zal zijn beslist;
  2. opschorting dan wel op te schorten de werking van het genoemd vonnis totdat in beroep over het geschil zal zijn beslist.

3.2 Verzoeker heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het vonnis apert onjuist is, dat de kantonrechter ten onrechte de rechtsgrond van de vordering heeft gewijzigd en voorts is verzoeker is het verder niet eens met de motivering van de kantonrechter dat hij, toen gedaagde, niet genoeg feiten heeft gesteld om de valsheid van een in de zaak overgelegde kwitantie te ontzenuwen.

3.3 Verweerder heeft mondeling verweer gevoerd. Het Hof komt voor zover nodig daarop terug in de beoordeling.

  1. De beoordeling

4.1 Het Hof stelt voorop dat in de onderhavige procedure, in het kader van de executie van het vonnis d.d. 18 december 2014 bekend onder AR no. 14-0045, er geen ruimte is voor een beoordeling van die feiten die in het beroepen vonnis aan de orde zijn gesteld.

Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is verzoeker bevoegd om bij afzonderlijk verzoekschrift aan het Hof van Justitie het verzoek te doen dat de executie wordt gestaakt wanneer buiten de gevallen bij wet voorzien de voorlopige tenuitvoerlegging van een vonnis is bevolen.

Het tegen verzoeker gewezen vonnis zoals hiervoor genoemd betreft een kort geding vonnis waarbij verzoeker – zakelijk weergegeven – is veroordeeld om een voorschot van de overweging 2.1 genoemde bedragen met rente te betalen aan verweerder.

4.2 Het Hof is van oordeel dat overeenkomstig artikel 56 lid 1 sub 8 Rv, voornoemd vonnis uitvoerbaar bij voorraad mocht verklaard worden, nu het betreft een provisionele voorziening.

Als gevolg van het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat het onderhavige verzoek van verzoeker dient te worden afgewezen. De door verzoeker aan zijn vordering ten grondslag gelegde stellingen hebben betrekking op het feit dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Deze toets komt niet aan de orde in de onderhavige procedure, doch wel bij de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Het Hof neemt als uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het civiele recht met zich brengt dat een inhoudelijke herbeoordeling van stellingen en weren van partijen slechts door een bij wet aangewezen beroepsinstantie kan plaatsvinden. De procedure ingevolge artikel 272 Rv leent zich hier evenwel niet voor.

4.3 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

  1. Beschikkende

Het Hof

5.1 Wijst af het verzoek.

Aldus gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 maart 2021 door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. S. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. N.P. Soekra namens advocaat mr. D. Moerahoe, gemachtigde van verweerders terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-58

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 20 lid 5 Handelsregisterwet

In de zaak van:

DE VLIEGENDE EEND B.V., rechtspersoon,
kantoorhoudende in het district Wanica,
verzoekster,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. M.T.M. Watchman, advocaten,

 

tegen

 

DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

  1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:

– het beroepschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 6 november 2018 inzake G.R. no. 15555;

– het proces-verbaal van het verhoor van partijen d.d. 20 maart 2019;

– de conclusie tot overlegging van bescheiden ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 29 maart 2019 van de zijde van verweerder;

– de conclusie tot uitlating met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie van de zijde van verzoekster.

  1. Vervolgens is bepaald dat beschikking zal volgen in de zaak.
  1. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat verzoekster daarin kan worden ontvangen.

  1. De feiten

3.1 Verzoekster is een buitenlandse rechtspersoon wiens filiaal per 31 maart 2009 in het Handelsregister is ingeschreven onder dossiernummer 50289.

3.2 Verzoekster heeft de naam “Dommelsche Watermolen” op 25 april 2018 als handelsnaam van één van haar ondernemingen doen inschrijven in het Handelsregister. Eerder was in het Handelsregister de naam “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” als handelsnaam van de gelijknamige naamloze vennootschap ingeschreven.

3.3 De secretaris van verweerder heeft bij schrijven d.d. 30 juli 2018 het verzoek gedaan aan de Handelsregistercommissie om de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” door te halen. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Handelsregistercommissie op 08 oktober 2018 de volgende beslissing genomen:

Beslissing

Oordeelt het verzoek van de secretaris gegrond en beveelt onmiddellijke doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 uit het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

4.1 Verzoekster vordert vernietiging van het besluit d.d. 8 oktober 2018 van de Handelsregistercommissie en opnieuw rechtdoende het verzoek van gedaagde af te wijzen en de ongedaanmaking van de doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 danwel het opnieuw doen inschrijven van de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” te gelasten in het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

4.2 Verzoekster stelt dat het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 8 oktober 2018 onrechtmatig is. De Handelsregistercommissie heeft miskend dat er aan alle drie voorwaarden van artikel 5 van de Handelsnaamwet moest zijn voldaan aleer er sprake is van overtreding daarvan en dientengevolge sprake is van strijd met de openbare orde.

De Handelsregistercommissie heeft slechts op basis van gelijkenis tussen de namen “Dommelsche Watermolen” en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” aangenomen dat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 5 Handelsnaamwet en de openbare orde. Daarnaast is de naam “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” geen handelsnaam en is niet gevoerd conform artikel 5 van de Handelsnaamwet. Zij heeft voor en na haar inschrijving in het handelsregister geen beschermingswaardige bekendheid onder het publiek verkregen. Daarnaast is “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” inactief en heeft zij geen vestigingsplaats.

Ook verschillen de aard van de ondernemingen. Verzoekster importeert grondstoffen voor het maken van dierenvoer terwijl “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” onder meer als doelstelling heeft import van diervoer en niet de grondstoffen daarvan.

4.3 Verweerder heeft verweer gevoerd. Het Hof komt, zover nodig, daarop terug in de beoordeling.

  1. De beoordeling

5.1 Ingevolge van het bepaalde in artikel 5 van de Handelsnaamwet is het verboden een handelsnaam te voeren die, voordat de zaak onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide zaken en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die zaken te duchten is.

5.2 Vast staat dat verzoekster bij verweerder ter inschrijving heeft aangeboden de naam “Dommelsche Watermolen” als te zijn één van haar handelsnamen die zij wenst te voeren terwijl eerder in het Handelsregister ook de naam “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” was ingeschreven.

Deze twee voormelde namen te weten “Dommelsche Watermolen” en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” wijken naar het oordeel van het Hof slechts in geringe mate af van elkaar.

Daarnaast wijken ook de doelstellingen van voormelde handelsnamen, naar het oordeel van Hof, in geringe mate van elkaar af. Immers de “Dommelsche Watermolen” heeft tot doel import van grondstoffen voor het maken van dierenvoer terwijl “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” onder meer als doelstelling heeft import van diervoer.

5.3 Het Hof gaat voorbij aan de stelling van verzoekster dat “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” inactief is nu uit artikel 5 van de Handelsnaamwet niet blijkt dat dat artikel slechts van toepassing is op “actieve” handelsnamen.

Het Hof gaat eveneens voorbij aan de stelling van verzoekster dat “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” geen vestigingsplaats heeft. Met de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, gaat het Hof ervan uit dat zowel “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” als “Dommelsche Watermolen” gevestigd zijn in Suriname.

5.4 Bij nadere conclusie heeft verzoekster nader gesteld dat zij en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” twee verschillende rechtspersonen zijn met twee verschillende handelsnamen. Het Hof erkent het voorgaande. Evenwel staat rechtens tussen partijen vast dat één van de ondernemingen van verzoekster ook de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” draagt. Deze naam, zoals eerder overwogen onder 5.2 van de beoordeling, wijkt echter in geringe mate af van “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.”, zodat in verband met de aard der beide zaken en de plaats waar zij gevestigd zijn, het gevaar voor verwarring bij het publiek niet irreëel is.

5.5 Nu er sprake is van minimale verschillen in de namen van “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” en “Dommelsche Watermolen”, terwijl ook de doelstellingen in geringe mate afwijken van elkaar, alsook dat de vestigingsplaatsen hetzelfde zijn, is het Hof van oordeel dat dit kan leiden tot verwarring bij het publiek.

Het besluit van de Handelsregistercommissie tot onmiddellijke doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 uit het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister is derhalve niet onrechtmatig en dient het onderhavige verzoek te worden afgewezen.

5.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.7 Verzoekster zal, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

  1. BESCHIKKENDE:

Het Hof:

6.1 Wijst af het verzoek van verzoekster.

6.2 Veroordeelt verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M.T.M. Watchman, mede namens mr. E. Naarendorp, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-57

15 oktober 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

HANDELSONDERNEMING SOLUTION CENTRE N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
appellante, hierna: ‘Solution Centre’,
gemachtigde: [naam 1], directeur van Solution Centre,

tegen

DE SURINAAMSCHE BANK N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
geïntimeerde, hierna: ‘DSB’,

gemachtigde: aanvankelijk mr. H.R. Schurman, thans mr. G.N. Best, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 26 oktober 2017 bekend onder A.R. 16-5825 tussen Solution Centreals eiseres en DSB als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop
  2. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
  • de verklaring van de griffier dat Solution Centre op 8 november 2017 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de als ‘memorie van grieven’ aangeduide pleitnota van Solution Centre van 4 mei 2018;
  • de antwoordpleitnota van DSB van 20 juli 2018;
  • de repliekpleitnota van Solution Centre van 4 januari 2019;
  • de dupliekpleitnota van DSB van 5 april 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Solution Centre daarin kan worden ontvangen.

  1. Het geding in eerste aanleg

3.1 In eerste aanleg heeft Solution Centre gevorderd, samengevat, om DSB bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen om binnen 24 uur de blokkering van de door Solution Centre bij DSB aangehouden SDR rekening met [nummer 1] op te heffen, op straffe van een dwangsom.

3.2 Solution Centre heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat DSB eenzijdig en zonder rechtsgrond tot die blokkering is overgegaan. Volgens haar geldt daarbij dat DSB op – ook jegens Solution Centre – onrechtmatige wijze is overgegaan tot veiling op 12 januari 2016 van een perceellanddat toebehoorde aan de aan Solution Centre gelieerde Stichting Solution Real Estate.

3.3 Bij het bestreden vonnis van 26 oktober 2017 heeft de kantonrechter de door Solution Centre gevraagde voorzieningen geweigerd, met haar veroordeling in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

3.4 De kantonrechter overwoog daartoe het volgende:

“4.1 De kantonrechter constateert dat eiseres dezelfde feiten die zij in de zaak bekend onder A.R. No. 16-3995 heeft gesteld, ook in de onderhavige zaak stelt en er op die gronden reeds is beslist in de hiervoor vermelde zaak. Dit heeft gedaagde ook als verweer opgeworpen. Op grond hiervan zal de door eiseres gevraagde voorziening worden geweigerd. In dat licht brengt de kantonrechter eiseres in herinnering dat het blijven voortprocederen omtrent hetzelfde onderwerp in kort geding misbruik van procesrecht kan opleveren.”

  1. De beoordeling

4.1Solution Centre vordert in hoger beroep naar het Hof begrijpt vernietiging van het vonnis waarvan beroep, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde. DSB heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep.

4.2 Voor zover Solution Real Estate met de tweede alinea van haar repliekpleitnota heeft beoogd nieuwe vorderingen in te stellen (afdracht van het geblokkeerde saldo van SRD 8.448,71 en vergoeding van rente, koersverlies en overige schade), geldt dat zij daarin niet kan worden ontvangen. Het gaat immers niet om toegelaten nieuwe eisen als bedoeld in artikel 278 Rv. Ook uit het oogpunt van de goede procesorde moeten deze pas bij repliekpleitnota aan de orde gestelde eisen buiten beschouwing blijven.

4.3 De door Solution Centre in het onderhavige kort geding gevraagde voorzieningen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen zijn in de kern identiek aan haarvorderingen en stellingen in het kort geding met zaaknummer A.R.16-3995, in welke zaak de kantonrechter bij vonnis van 30 september 2016 afwijzend heeft beslist. Dat vonnis is bij vonnis van het Hof van 1 juni 2018 (zaaknummer G.R. 15165) bevestigd. Bij uitspraak van het Hof van heden is het verzoek van Solution Centre tot herroeping (request-civiel) van bedoeld Hofvonnis afgewezen (zaaknummer GR-15608).

4.4 Het Hof sluit zich aan bij de hiervoor onder 3.4 aangehaalde overweging van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. De goede procesorde verzet zich in het onderhavige geval tegen het opnieuw in kort geding instellen op dezelfde gronden van dezelfde, reeds afgewezen vorderingen.

4.5 Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van Solution Centre niet kan slagen. De overige stellingen van partijen kunnen daarin geen verandering brengen Het Hof verwijst partijen in dit verband nog naar hetgeen het Hof in de hiervoor onder 4.3 bedoelde uitspaak van heden heeft overwogen, welke uitspraak als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. In het bijzonder hetgeen het Hof in die uitspraak heeft overwogen met betrekking tot de nadere stellingen van Solution Centre over de kosten van de executieveiling geldt ook hier: de relevantie van die stellingen voor het gevorderde is niet gebleken. Gesteld noch gebleken is immers dat er zonder de door Solution Centre betwiste veilingkosten geen sprake zou zijn (geweest) van een restschuld van Solution Centre die de blokkering van haar creditsaldo kan rechtvaardigen.

4.6 Solution Centre zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

  1. Beslissing

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Solution Centre in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSB begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier,

  1. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. G.N. Best, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellante noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 

SRU-HvJ-2021-56

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante]
wonende te [plaats],
appellante, hierna aangeduid als “de vrouw”,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de man”,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gegeven beschikking van 11 maart 2020 (A.R.No. 20-0807) (hierna de bestreden beschikking) tussen de man als verzoeker en de vrouw als gedaagde,

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

Het procesverloop

  1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q. handelingen:
  • de brief d.d. 12 maart 2020, gericht aan de hoofdgriffier der Kantongerechten afkomstig van de vrouw waaruit blijkt dat zij hoger beroep heeft aangetekend tegen de bestreden beschikking;
  • de processen-verbaal van verhoor van partijen gehouden op 5 november 2020 en 28 januari 2021;

1.2 De beschikking wordt op heden gegeven.

De ontvankelijkheid

2.1 Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat de vrouw daarin kan worden ontvangen.

De beoordeling

3 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1 Door de man is aan de kantonrechter in het Eerste Kanton bij verzoekschrift d.d. 28 mei 2020 verzocht een beschermingsbevel te verlenen tegen de vrouw vanwege het feit dat hij niet meer samen met haar in één huis woont, doch dat zij hem veelvuldig lastig valt op het adres alwaar hij werkt en wel zodanig dat hij vreest zijn baan te zullen kwijtraken. De man betoogt dat de politie van station Uitvlugt meerdere malen erbij is gehaald;

3.2. Op voornoemd verzoek is door de kantonrechter het verzochte beschermingsbevel verleend in dier voege dat is beschikt dat de vrouw vanaf de dagtekening van de beschikking, zoals aangegeven onder 4.1 van de beschikking, voor een periode van drie (3) jaren verboden is zich tijdens de werktijden te begeven naar of te bevinden op het werkadres van de man; voorts dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;

3.3 In dit hoger beroep heeft de vrouw – zakelijk weergegeven – verklaard, dat zij bezwaren heeft tegen de bestreden beschikking omdat het noodzakelijk is om contact met de man te hebben ten behoeve van hun minderjarige zoon; dat hun zoon onder behandeling is van de kinderpsychiater en dat deze deskundige het nodig acht dat de man betrokken is bij de behandeling van de minderjarige; dat de man thans woonachtig is bij zijn werkplek en het voor haar dan niet mogelijk is om hun zoon in contact te brengen met diens vader, daar het haar verboden is om de werkplek van de man te betreden; dat door het verleende beschermingsbevel het voor haar niet mogelijk is de man op zijn werkplaats te halen als hij voor behandeling naar de psychiater moet; dat de man niet naar de psychiater gaat tenzij hij door haar wordt gehaald;

3.4 Op daartoe strekkende vragen heeft de man onder meer en zakelijk weergegeven, verklaard wel behoefte te hebben aan contact met zijn zoon; dat de vrouw geen toestemming geeft dat zijn zoon in het weekeinde bij hem komt blijven; dat de vrouw verklaart dat hij psychisch gestoord is, hetgeen niet op waarheid berust; dat hij bereid is om zijn medewerking te verlenen bij de behandeling van zijn zoon, indien de kinderpsychiater zulks nodig acht mits dit rechtstreeks en niet door tussenkomst van de vrouw aan hem wordt doorgegeven.

3.5 Uit het gehouden verhoor en de inhoud van de stukken in eerste aanleg is naar het oordeel van het Hof gebleken dat de man handhaving van de verleende beschikking wenst teneinde overlast door de vrouw te voorkomen daar hij geen behoefte heeft aan contact met haar. Naar zijn zeggen heeft hij geen last meer van de vrouw sinds het beschermingsbevel is verleend en kan hij rustig werken. Anderzijds ontkomt het Hof niet aan de indruk dat de vrouw koste wat kost het contact met de man wil hervatten en zich daartoe wil begeven naar diens werkplek. Als reden voert zij aan dat zij dit contact met de man wil zodat hun zoon contact kan hebben met de man (zijn vader). Het Hof acht de door de vrouw aangevoerde reden om zich te mogen begeven naar de werkplek van de man en contact met hem te hebben, ongegrond; immers zijn er genoeg andere manieren waarop het contact tussen de man en de zoon kan worden georganiseerd zonder dat de vrouw zich zou hoeven te begeven naar de werkplek van de man.

3.6 Nu er in dit hoger beroep geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die het Hof noodzaken anders te beslissen dan zoals is beslist in de bestreden beschikking zal de bestreden beschikking worden bevestigd.

Beschikkende in hoger beroep:

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, gegeven op 11 maart 2020 bekend onder A.R. no. 20-0807.

Aldus gegeven te Paramaribo op 17 juni 2021 door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Lachitjaran, Leden in tegenwoordigheid van mevr. C.R. Tamsiran-Harris LL.B., Fungerend-griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

w.g. A. Charan

w.g. I.S. Lachitjaran

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld