SRU-HvJ-2014-22

Het Hof van Justitie van Suriname

In de zaak van

[Eiser],
wonende te [plaats],
eiser, hierna aangeduid als “[eiser]”,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat (thans overleden),

tegen

de Staat Suriname, meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

  1. Het procesverloop
  2. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met producties, ter Griffie ontvangen op 17 december 2010, van de kant van [eiser];
  • het verweerschrift met producties, ter Griffie ontvangen op 31 januari 2011, van de kant van de Staat;
  • de beschikking van het hof, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 6 mei 2011;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 7 januari 2011;
  • het doorlopend proces-verbaal, vermeldende dat de gemachtigde van eiser heeft verklaard dat geen schikking is bereikt en vonnis heeft gevraagd;
  • de pleitnota overgelegd op 3 juni 2011;
  • de antwoordpleitnota overgelegd op 7 oktober 2011;
  • de repliek pleitnota overgelegd op 21 oktober 2011;
  • de dupliek pleitnota overgelegd op 2 december 2011.
  1. De uitspraak van het vonnis was bepaald op 2 maart 2012, doch is aangehouden tot heden.
  2. De feiten
  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Eiser] is bij resolutie van 3 augustus 2010 no. [nummer] met ingang van 16 juni 2010 benoemd tot onder directeur Algemeen Beheer op het Ministerie van Justitie en Politie.

  1. Bij resolutie van 29 november 2010 Bureau no. [nummer 2] en no. [nummer 3] is aan haar ontslag verleend waarbij als ontslaggrond is genoemd: “onmogelijkheid van samenwerken aan de ambtenaar te wijten”
  1. Deze beschikking is bij exploit van 3 december 2010 [eiser] betekend.
  1. De vordering en de grondslag

3.1 [Eiser] vordert:

Primair:
De resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 29 november 2010 en aangeduid met Bureau no. [nummer 2] en no. [nummer 3], waarbij aan [eiser] ontslag is verleend zal worden nietig verklaard, althans vernietigd;

Subsidiair:
De onder primair genoemde resolutie zal worden nietig verklaard althans vernietigd, voor wat betreft de datum van ingang van het aan verzoekster daarbij verleende ontslag;

Primair en Subsidiair:
Veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag:

[Eiser] voert als grondslag voor het gevorderde aan dat het besluit:

  • in strijd is met de wet en
  • in strijd met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en motiveert die grondslag alsvolgt:
  1. het besluit bevat een ondeugdelijke motivering: Omdat niet is aangegeven met wie die onmogelijkheid van samenwerking is ontstaan: nu zij niet met de president werkt kan die onmogelijkheid niet aanwezig worden geacht ; met de minister is er geen onmogelijkheid ontstaan welke aan haar te wijten is ; haar uitlatingen zijn bovendien uit hun context gehaald.
  2. het besluit is in strijd met artikel 19 Grondwet: zij mag deelnemen aan het politieke leven en dat brengt met zich mee dat zij haar mening, oordeel, gevoelens, opvattingen en ideeen openlijk en in het openbaar uitdraagt en moet uitdragen. Zij mag haar mening dus geven tenzij dat in strijd zou zijn met de rechten en reputatie van anderen of met de nationale veiligheid of de openbare orde of de goede zeden.
  3. het besluit is in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk: in de verweeraanzegging aan [eiser] zijn de uitlatingen die later zijn opgenomen in de ontslagresolutie, niet genoemd. Daarnevens heeft zij geen denigrerende opmerkingen gemaakt over de president van het land. Door deze uitlatingen wel in de ontslagresolutie te noemen toont gedaagde onzuiverheid van oogmerk, immers kan [eiser] zich daar dan niet meer over uitlaten want dan is het ontslag al een feit. De uitlatingen, indien zij ze zou hebben gedaan, zijn overigens niet in strijd met enige ambtsplicht.
  4. een tweede strijdigheid met het beginsel van zuiverheid van oogmerk: in de verweeraanzegging staat dat de uitlatingen zouden kunnen worden aangemerkt als “plichtsverzuim”, doch in de ontslagresolutie staat die ontslaggrond niet. In de ontslagresolutie staat de ontslaggrond uit artikel 69 lid 2 sub e, namelijk: onmogelijkheid van samenwerking aan de ambtenaar te wijten.
  5. het besluit is in strijd met artikel 71 lid 4 van de Personeelswet: de termijn die in acht genomen moet worden bij genoemde ontslaggrond is: de tweede kalendermaand na kennisname van het ontslagbesluit door de ambtenaar. De ingangsdatum is in casu 4 december 2010 doch zou moeten zijn 1 maart 2011.
  1. Bevoegdheid

4.1 Gelet op hetgeen hiervoor bij 2.1 is overwogen dient [eiser] als een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Personeelswet te worden beschouwd.

4.2 Op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet oordeelt het hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur. Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot schorsing of ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot ontslag van een ambtenaar, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

  1. Ontvankelijkheid

5.1 Het door [eiser] bestreden besluit tot ontslag, vervat in de beschikking van 29 november 2010, is op 3 december 2010 bij deurwaardersexploit ter kennis van [eiser] gebracht.

5.2 De vordering van [eiser] is ingediend op 17 december 2010.

5.3 De vordering is ingediend binnen een maand nadat het besluit ter kennis van [eiser] is gebracht en is derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet ontvankelijk.

  1. Het verweer van de Staat

De Staat werpt als verweer op:

  • dat de uitlatingen van [eiser] krenkend waren voor het bevoegd gezag en kunnen worden aangemerkt als uitlatingen die een situatie creeeren voor de onmogelijkheid van samenwerking;
  • dat [eiser] onderdeel is van het ambtenaren apparaat welke als belangrijke werkarm functioneert van het staatsbestuur, waardoor zij onderdeel uitmaakt van een werkarm van de President en daardoor wel een werkrelatie heeft met de President; ook heeft ze om die reden een werkrelatie met de Minister die onderdeel uitmaakt van de regering belast met regeringstaken.
  1. De beoordeling

7.1 Het Hof zal de gronden thans bespreken beginnende bij de eerste grond, namelijk dat het besluit in strijd is met het beginsel van de deugdelijke motivering:

Uit de resolutie blijkt dat het besluit alsvolgt is gemotiveerd: “dat [eiser] voornoemd in een vraaggesprek van 25 oktober 2010 met Radio 10 en Radio ABC uitlatingen tegen de President van de Republiek Suriname en de Minister van Justitie en Politie heeft gedaan; dat op grond hiervan [eiser] voornoemd verweer is aangezegd bij schrijven van 27 oktober 2010 … ; dat [eiser] zich heeft verweerd doch heeft de feiten niet kunnen weerleggen; immers de door [eiser] gedane uitspraken als: dat Bouterse althans het Staatshoofd eventjes President is; dat zij niet weet of de Minster van Justitie en Politie haar op het matje kan roepen; dat zij bovendien niet ervan gediend is dat de Minster haar op het matje roept; dat zij het onethisch vindt dat de Minister van Justitie en Politie het verzoek doet om haar handtekening mede te plaatsen onder notulen, althans woorden van gelijke strekking en of betekening recht overeind blijven; dat de gedragingen c.q. uitlatingen van [eiser] voornoemd desavouerend zijn en van dien aard zijn dat onmogelijkheid van samenwerking is ontstaan”

Uit de hiervoor omschreven motivering is voor [eiser] te begrijpen wat de grond is van het besluit, namelijk dat zij zich naar de mening van het bevoegd gezag door de genoemde uitlatingen te doen op een wijze heeft gedragen die leiden tot een onmogelijkheid van samenwerking;

Nu de motivering van het besluit voldoende duidelijkheid biedt in de reden voor het ontslag en de gedragingen die tot het ontslag hebben geleid is naar het oordeel van het Hof het besluit deugdelijk gemotiveerd.

Het Hof zal dan ook voorbij gaan aan die grond.

7.2 Ten aanzien van de tweede grond, namelijk strijdigheid met artikel 19 van de Grondwet, het recht op vrije meningsuiting, overweegt het Hof alsvolgt:

Door [eiser] zijn bij repliek twee compact discs overgelegd houdende de interviews waar het in casu over gaat waarna door de Staat is bevestigd dat op de compact discs de interviews staan waar de ontslagresolutie over handelt;

Uit de geluidsopnamen blijkt naar het oordeel van het Hof alsvolgt:

Ten aanzien van het gesprek op ABC op 25 oktober 2010:

Het Hof heeft dit gesprek alsvolgt begrepen: [eiser] is door de journalist gevraagd over het onderhoud met de Minister (minister van Justitie en Politie) in verband met de ontheffing. De journalist stelt enkele vragen daarover. Zij geeft een vrij neutraal relaas over hoe het gesprek is verlopen.

Het Hof is van oordeel dat in dat gesprek geen uitspraken zijn gedaan die in het onderhavig kader opmerkelijk zijn, [eiser] heeft op vragen van de pers aangegeven hoe het gesprek over de ontheffing is verlopen en heeft daartoe het recht; haar beroep op haar recht op vrije meningsuiting is derhalve gegrond;

Ten aanzien van het gesprek op radio 10 op 25 oktober 2010:

Het Hof heeft dit gesprek alsvolgt begrepen: [eiser] geeft in dit gesprek aan wat er aan haar voorgehouden is door de Minister in verband met haar ontheffing. Zij geeft haar mening daarover. Zij geeft aan dat de Minister niet het bevoegde gezag is in het geval van onder directeuren. Zij geeft aan dat zij met de minister daarover heeft gesproken.

De journalist stelt naar aanleiding van het ontslag enkele vragen, met name of zij niet bang is dat zij door dit vraaggesprek op het matje geroepen zal worden. Zij geeft daarop antwoord, welk antwoord zo door het Hof begrepen wordt: dat de ontheffing haar betreft en dat zij daar over mag praten als een journalist vragen erover stelt.

De journalist stelt op een gegeven moment aan de orde dat het “op een aaneenschakeling van politieke soaps lijkt” en [eiser] reageert daar op en geeft in een relaas haar visie over de actuele politieke situatie waarbij zij onder andere ingaat op de lange strijd die zij voert tegen de leider van een andere politieke partij. Daarbij doet zij de uitlating dat die bedoelde leider “eventjes president is” zoals in de resolutie is aangegeven.

Naar het oordeel van het Hof moet deze opmerking worden geplaatst in de context van de vraagstelling van de journalist en haar antwoord betreffende de lange politieke strijd tussen haar als politica en de leider van de genoemde politieke partij.

Ook ten aanzien van dit gesprek is het Hof van oordeel dat er geen uitspraken zijn gedaan die in het onderhavig kader opmerkelijk zijn, althans niet van dien aard dat die zouden moeten leiden tot ontslag op grond van onmogelijkheid van samenwerking; ook hier is haar beroep op haar recht op vrije meningsuiting derhalve gegrond;

7.3 Ten aanzien van de derde grond en vierde grond: de onzuiverheid van oogmerk op twee manieren:

Het Hof verwijst voor deze gronden eveneens naar de hierboven genoemde analyses van de gesprekken.

Het eerste punt betreffende onzuiverheid van oogmerk betreft de stelling van [eiser] dat zij geen beledigende zaken heeft geuit en dat in de resolutie uitlatingen staan die in de verweerbrief niet zijn genoemd en verder dat de uitlatingen uit hun context zijn gehaald:

De grondslag genoemd door [eiser] dat zij geen beledigende zaken heeft geuit ten aanzien van de President van het land of de Minister van Justitie en politie is reeds hierboven komen vast te staan.

Tevens blijkt uit een vergelijking van de verweeraanzegging en de resolutie dat inderdaad uitlatingen in de resolutie zijn opgenomen die niet in de verweerbrief staan. Zo staat de eerste uitlating uit de resolutie (a) anders in de verweerbrief en staat de tweede uitlating (b) in de resolutie niet in de verweerbrief.

Het Hof overweegt dat in de verweeraanzegging van [eiser] onder andere het volgende is opgenomen:

“In een vraaggesprek van 25 oktober 2010 van Radio 10 heeft u onder meer de volgende uitspraken gedaan of woorden van gelijke strekking:

“dat het Staatshoofd eventjes President is”,

“ dat u het onethisch vindt dat de Minister van Justitie en Politie aan u het verzoek doet uw handtekening mede te plaatsen onder de notulen” ;

“ dat u er niet van gediend bent om op het matje geroepen te worden door de Minister van Justitie en Politie” ;

voorts heeft u zowel de Minister van Justitie en Politie als de regering in voormeld vraaggesprek besproken. U dient als ambtenaar te weten dat u niet langer deel uitmaakt van de Nationale Assemblee en daarom geen parlementaire immuniteit meer geniet om bepaalde uitspraken in het openbaar te kunnen doen; … in het onderhavig vraaggesprek heeft u alle gezagsverhoudingen terzijde geschoven …… de uitspraken aan het adres van de President van de Republiek Suriname en de Minster van Justitie en Politie gedaan, kunnen niet worden getolereerd, omdat zulks vooral tot ondermijning van het gezag van de President leidt en politisering van het ambtelijk apparaat ….. de door u gedane uitspraken kunnen ernstig plichtsverzuim opleveren en derhalve wordt u in de gelegenheid gesteld zich te verweren ..”.

7.4 Het tweede punt betreffende onzuiverheid van oogmerk waarbij [eiser] stelt dat de ontslaggrond in de verweerbrief een andere is dan de ontslaggrond in de resolutie:

Het Hof overweegt dat in de verweeraanzegging [eiser] zich tegen plichtsverzuim moest verweren, de grond genoemd onder artikel 69 lid 2 PW.

Zij heeft daarop verweer gevoerd.

Het Hof overweegt dat zij hierna blijkens de ontslagresolutie op een andere grond is ontslagen namelijk de grond genoemd in artikel 69 lid 2 onder e PW, een andere ontslaggrond en wel de grond “onmogelijkheid van samenwerking aan de ambtenaar te wijten”.

7.5 Het Hof is van oordeel dat de grondslag door [eiser] aangevoerd, namelijk dat het besluit in strijd is met het beginsel van de zuiverheid van oogmerk is komen vast te staan nu het uit de geluidsopnamen is gebleken dat er geen zaken zijn gezegd door eiser] die een zodanige strekking hadden dat zij vanwege het beledigend karakter tot een onmogelijkheid van samenwerking zouden moeten leiden, voorts dat de uitlatingen opgenomen in de ontslagresolutie verschillen van de uitlatingen opgenomen in de verweeraanzegging en voorts dat de ontslaggrond opgenomen in de verweeraanzegging een andere is dan de ontslaggrond opgenomen in de ontslagresolutie.

[Eiser] is blijkens de ontslagresolutie ontslagen op een grond waartegen zij zich niet heeft kunnen verweren.

7.6 Het Hof overweegt ten aanzien van de vijfde grond namelijk de ingangsdatum van het ontslag dat ook die grond is komen vast te staan. De in de wet genoemde termijn is niet in acht genomen. Echter is die grond niet meer relevant nu het Hof van oordeel is dat de tweede, derde en vierde grond zijn komen vast te staan.

7.7 Het Hof is van oordeel dat het besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk met name het beginsel van de zuiverheid van oogmerk en het besluit zal op grond daarvan nietig worden verklaard.

  1. De beslissing

Het Hof:

verklaart nietig het besluit waarbij [eiser] ontslag uit staatsdienst is verleend vervat in de resolutie van 29 november 2010 bureau no. [nummer 2] en no. [nummer 3]

Aldus gewezen en uitgesproken door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 april 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend- Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. Sh. Somai-Sheombar namens haar gemachtigde, advocaat mr. C.B. Lachman en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde, advocaat mr. A.W. van der San, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende in het [district],
appellant, hierna aangeduid als “[appellant]”,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

Luchthavenbeheer N.V., rechtspersoon,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Luchthavenbeheer”,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 17 juni 2009 (A.R.No 07-3063) tussen [appellant] als eiser in kort geding en Luchthavenbeheer als gedaagde in kort geding,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het op 15 juli 2011 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis.

Het verder procesverloop in hoger beroep

  1. Het verder procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • Het proces-verbaal van de op 4 november 2011 gehouden comparitie van partijen;
  • Het proces-verbaal van de op 14 februari 2012 gehouden voortzetting van de comparitie van partijen;
  • Het schrijven van de gemachtigde van [appellant] van 20 maart met betrekking tot de offerte van de verzekering van [appellant] en de toezending van documenten met betrekking tot het dienstvoertuig, met bijlagen;
  • Het proces-verbaal van de op 4 april 2012 gehouden voortzetting en sluiting van de comparitie van partijen;
  • De pleitnota tot uitlating zijdens Luchthavenbeheer d.d. 20 april 2012;
  • De conclusie tot uitlating zijdens [appellant] met producties d.d. 20 april 2012;
  • De conclusie tot uitlating zijdens Luchthavenbeheer d.d. 4 mei 2012.

De verdere beoordeling
2.1 Bij tussenvonnis van 15 juli 2011 is een comparitie van partijen gelast. Het Hof wenste nader te worden ingelicht over de afspraken die zijn gemaakt over de bedrijfsauto, en, indien de afspraken schriftelijk zijn vastgelegd, onder overlegging van de betreffende documenten.

2.2 Naast hetgeen reeds bij het tussenvonnis van 15 juli 2011 is besproken heeft [appellant] ter onderbouwing van het appèl aangevoerd dat de kantonrechter in kort geding ten onrechte:
– heeft overwogen dat de meerwaarde van het voertuig ad US$ 13.000,= gezien moest worden als een deel van de pensioenuitkering.
– de omstandigheid dat hij het voertuig heeft doorverkocht aan Unicar heeft meegenomen in haar eindbeslissing, aangezien het de eigenaar vrij staat een aan hem toebehorend goed te verkopen voor een door hem te bepalen bedrag.

2.3 In de conclusie van repliek in kort geding staat onder punt 6 “In eerste instantie zou de auto gegeven worden ter aanvulling van het pensioen. Naderhand werd de auto schriftelijk aan eiser overgedragen.
Op de tijdens de procedure in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen van 12 januari 2009, heeft [naam] als gevolmachtigde van Luchthavenbeheer verklaart “Aan eiser heb ik voorgehouden dat zijn pensioen om 4 dienstjaren gaat dus zou die niet veel voorstellen. Ik heb eiser toegezegd een auto met een waarde van US$ 17000,- te zullen geven als een uitkering voor de pensioenaanspraak, die ongeveer US$ 13000 bedroeg. Na afstemming met de Raad van Commissarissen is besloten dat eiser de auto mag hebben, maar het verschil van US$ 4000, moest aflossen, wat hij tot nu toe niet heeft gedaan.
[Appellant] heeft hierop verklaard “De auto was bedoeld als een aanvulling.”
Geconstateerd wordt dat [appellant] in zijn relaas gevoegd bij het schrijven van zijn gemachtigde van 20 maart 2012 heeft verklaard:
op pagina 1”In de periode januari-februari 2007 was de voormalige directeur de heer [naam] op de luchthaven bij mij op kantoor. Mijn aanstaande pensionering kwam even terloops ter sprake waarbij hij aangaf (dat hij) eerder dacht aan een eenmalige uitkering dan aan een maandelijkse, gezien de laagte van het bedrag…
In dat gesprek vroeg ik hem hoe hij die auto dacht af te handelen en dat ik er belangstelling voor had. Wat hem betrof was het oké, maar hij moest het in de raad brengen….
De directeur heeft inderdaad mijn verzoek in de raad besproken, omdat hij mij bij zijn volgend bezoek op de luchthaven meedeelde dat de raad er niet mee kon instemmen omdat men vond dat ik te kort gediend had om die auto te krijgen….
Na de daaropvolgende raadsvergadering kwam de directeur weer bij mij op de luchthaven met de mededeling dat ik de auto mocht kopen voor US$ 4000 (vierduizend us dollars). …
Hij stelde mij volkomen gerust door me te adviseren de auto wel te kopen voor die US$ 4000 onder de voorwaarde dat het ons (de directeur en ik) lukt de auto door te verkopen aan Unicar….”
op pagina 2:”In de onderhandeling hebben wij, de directeur en ik, alle zeilen bijgezet om het onderste uit de kan te halen. Via diverse aanbiedingen van Unicar gingen we uiteindelijk akkoord met een verkoopbedrag van US$ 17000. Beide overdrachtsverklaringen, d.w.z. van de N.V. Luchthavenbeheer naar [appellant] en van [appellant] naar Unicar, zijn ook op een en dezelfde dag gedateerd, nl. 28 februari 2007, mijn laatste actieve werkdag.”
[Appellant] heeft blijkens het hierboven als laatst weergegeven citaat verklaard dat de kwestie van het bedrijfsvoertuig ter sprake kwam in een gesprek dat handelde over afspraken met betrekking tot zijn pensioenaanspraak en dat de directeur van Luchthavenbeheer mede betrokken is geweest bij de onderhandelingen. [Appellant] heeft verder verklaard dat de wagen in eerste instantie bedoeld was ter aanvulling van het pensioen, hetgeen overeenkomt met de verklaring van Luchthavenbeheer. [Appellant] heeft ook verklaard dat het dienstvoertuig naderhand op zijn naam is overgeschreven zonder daarbij te verklaren uit welke andere hoofde de wagen dan naderhand aan hem zou zijn verstrekt. Dit terwijl het op zijn weg had gelegen een andere reden voor de verstrekking van het voertuig aan te dragen. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat voorshands aannemelijk is dat de overdracht van het dienstvoertuig plaats heeft gevonden binnen de afwikkeling van het dienstverband. De Kantonrechter heeft derhalve naar het oordeel van het Hof terecht overwogen dat de meerwaarde van het dienstvoertuig gezien moet worden als deel van de afwikkeling van het dienstverband en de pensioenaanspraken van [appellant]. De hiertegen aangevoerde grief van [appellant] wordt dan ook verworpen.

2.4 [Appellant] heeft verder aangevoerd dat de wagen een waarde had van US$ 1.000 en dat hij als eigenaar het voertuig mocht verkopen voor elk bedrag dat hij ervoor kon krijgen.

2.5 Uit het onder rechtsoverweging 2.3 als laatst weergegeven citaat blijkt dat de directeur van Luchthavenbeheer betrokken was bij de onderhandelingen en dat de beide overdrachtsverklaringen, te weten die van de N.V. Luchthavenbeheer naar [appellant] en van [appellant] naar Unicar, op dezelfde datum zijn gedateerd.
Daarnaast is zijdens [appellant] overgelegd een schrijven dat hij als luchthavenmeester op
30 januari 2007 heeft gericht aan de directie van Unicar. Uit dit schrijven blijkt dat aan het betreffend voertuig door bekende taxateurs een marktwaarde van meer dan US$ 17.000,= werd toegekend. Geen melding is gemaakt van een reden waardoor de waarde van het voertuig binnen de maand februari 2007 aanzienlijk zou zijn gekelderd. Nu de verkoop aan Unicar blijkt te zijn geschied voor een bedrag ongeveer gelijk aan de in het schrijven van
30 januari 2007 door [appellant] geïndiceerde marktwaarde zal aan het door [appellant] aangevoerde dan ook worden voorbij gegaan.

2.6 Tijdens de op 4 november 2011 gehouden comparitie van partijen heeft [appellant] verklaard dat hem een voorstel van de zijde van Luchthavenbeheer is gedaan dat was gebaseerd op het salaris van een departementsdirecteur op een ministerie. [Appellant] heeft het aanbod afgewezen, stellende dat hij het dubbele van een departementsdirecteur verdiende en een waardevast pensioen in US dollars wenst omdat zijn salaris in deze valutasoort werd uitbetaald.

2.7 Geconstateerd wordt dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst de pensioenaanspraken niet verder uitwerkt, hetgeen betekent dat Luchthavenbeheer gehouden is een redelijk pensioen aan [appellant] uit te keren. Hierbij dienen de door [appellant] beklede functie (onderdirecteur) en het aantal dienstjaren (vier jaar en drie maanden) in aanmerking te worden genomen.
In ogenschouw nemende dat [appellant], naast de meerwaarde van het bedrijfsvoertuig ad US $ 13.000,=, door Luchthavenbeheer een aanbod is gedaan tot toekenning van een maandelijks pensioen conform de regeling die geldt voor departementsdirecteuren, hetgeen volgens Luchthavenbeheer het maximale is wat binnen haar mogelijkheden ligt – wat door [appellant] niet is betwist – is naar het oordeel van het Hof een redelijke pensioenvoorziening aan [appellant] geboden. Nu voorshands aannemelijk wordt geacht dat Luchthavenbeheer voldoende is tegemoet gekomen aan haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, volgt daaruit dat Luchthavenbeheer geen wanprestatie heeft gepleegd en de vordering betreffende de pensioenafspraken in eerste aanleg terecht is afgewezen, zodat de hiertegen gerichte grief van [appellant] geen doel treft.

2.8 Gelijk in het tussenvonnis van 15 juli 2011 onder rechtoverweging 3.5 is overwogen, zal Luchthavenbeheer worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van US$ 50,= aan [appellant]. Dit brengt met zich mee dat het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg zal worden vernietigd en opnieuw recht zal worden gedaan.

2.9 De gevorderde dwangsom is, nu Luchthavenbeheer slechts zal worden veroordeeld tot betaling van een geldsom, niet op de wet gestoeld, zodat zij zal worden afgewezen.

2.10 [Appellant] zal, als de zowel in eerste aanleg als in hoger beroep merendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton dd. 17 juni 2009 bekend onder AR no. 07-3063, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

  1. Veroordeelt Luchthavenbeheer om binnen veertien dagen aan [appellant] te betalen een bedrag ad US$ 50,= (vijftig Noord-Amerikaanse Dollars);
  2. Veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van Luchthavenbeheer in eerste aanleg en in hoger beroep en tot op heden begroot op Nihil;
  3. Wijst af het meer of anders gevorderde.


Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr.S.M.M. Chu, Lid, en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 april 2014 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Marica en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde advocaat mr. J. Kraag, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2007-43

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.14146

DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [naam 1], te weten:

  1. [Appellant sub A], weduwe van [naam 1]
  2. [Appellant sub B]
  3. [Appellant sub C] echtgenote van [naam 2]
  4. [Appellant sub D]
  5. [Appellant sub E]
  6. [Appellant sub F] echtgenote van [naam 3]
  7. [Appellant sub G]
  8. [Appellant sub H], wonende te [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,
    appellanten in Kort Geding,

t e g e n

FATUM SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Noorderkerkstraat nr. 5-7, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Mangroelal, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 4 februari 2005, 17 juni 2005 en 6 oktober 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat na instemming van de gemachtigden van procespartijen, op de terechtzitting van 31 oktober 2006 de heer R.Lachmising als financieel deskundige van de Centrale Bank van Suriname is beëdigd;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 31 oktober 2006 de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot naar voren heeft gebracht dat de appellant, [naam 1] tijdens het proces is komen te overlijden en wel op 9 januari 2006;

Overwegende, dat naar aanleiding van het zojuist vermelde, de verdere behandeling van de zaak is verwezen naar de rolzitting inzake conclusie tot schorsing en hervatting van het geding zijdens appellanten;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot schorsing en hervatting van het geding onder overlegging van produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde eveneens een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie met betrekking tot schorsing en hervatting van het geding en uitlating van de produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het geding is hervat ten name van de erfgenamen van wijlen [naam 1], waarna de zaak is verwezen naar de rolzitting inzake uitlating zijdens partijen met betrekking tot het uitgebrachte advies van de financieel deskundige van de Centrale Bank van Suriname d.d. 8 november 2006, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellanten een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van voormeld deskundig advies onder overlegging van produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde eveneens een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van voormeld deskundig advies heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hierbij verwijst naar en volhardt in zijn tussenvonnis d.d. 6 oktober 2006;

Overwegende, dat het door de deskundige, naar aanleiding van de door het Hof geformuleerde opdracht, uitgebrachte advies terzake de waarde van het bedrag van Sf.3.000.000,– in de maand mei 1997, gegeven de inflatie/muntdepreciatie vanaf november 1992, neerkomende op Sf.94.624.916,72 of te wel SRD 94.624,92 voor het Hof te volgen is en zal dit bedrag derhalve worden aangelegd als voorschot op het schade bedrag welke aan appellanten uitgekeerd dient te worden in het kader van dit Kort

Geding;
Overwegende, dat het Hof opmerkt dat in voormeld tussenvonnis vastgesteld is dat de vertragingsschade vanwege de weigering tot uitkering van de verzekerde sommen door geintimeerde (appellanten gaan ten onrechte uit van gevolgschade) een tijdsbestek bestrijkt van november 1992 tot en met mei 1997, waardoor het Hof geen termen aanwezig acht om, in verband met geleden verliezen, uit te gaan van andere perioden (muntdepreciatie na mei 1997) en aanknopingspunten dan zoals in de opdracht aan de deskundige is verwoord en door deze is berekend, gaande voormeld aanknopingspunt immers uit van een redelijke schade-berekening welke inherent is aan berekeningen van vertragingsschade;
Overwegende, dat de door appellanten voorgestelde berekening, namelijk omzetting van de Sf.3.000.000,– in US dollars naar de koers van november 1992 en daarbij afgetrokken die Sf. 3.000.000,– omgezet naar de US dollar koers van mei 1997, hoezeer begrijpelijk, in redelijkheid er geen rekening mee houdt dat de toen algemeen heersende en vrij onvoorspelbare inflatoire omstandigheden, niet volledig voor rekening van geintimeerde kunnen komen; dat slechts de toerekenbare tekortkomingen bij de niet – nakoming van de verplichtingen zijdens geintimeerde voor haar rekening kunnen komen;
Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof derhalve de stelling van appellanten niet opgaat dat met de uit te keren sommen in mei 1997, vanwege de muntdepreciatie, nimmer dezelfde goederen aangekocht konden worden als in november 1992 en dat geintimeerde voor dat verlies volledig moeten opdraaien en wel op de door hun berekende wijze; dat voor die opvatting en berekeningswijze in artikel 361 lid 2 van het Wetboek van Koophandel, waarin is aangegeven dat de schade berekend dient te worden naar de waarde ten tijde van de brand, bovendien een beletsel bestaat;
Overwegende, dat voor de bepaling van overige aspecten van de vertragingsschade, waaronder schade doordat vervangende ruimten/machines en winkelinventaris moesten worden gehuurd etcetera en omtrent de opgeworpen herverzekering in het buitenland, door appellanten onvoldoende is gesteld en het Kort Geding zich, vanwege de te verwachten bewijstechnische complicaties, bovendien niet leent voor beslechting daarvan;
Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof, de door de deskundige gedane waardering, welke in feite neerkomt op waardering van de toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen tot betaling van een geldsom zijdens geintimeerde jegens appellanten gedurende een periode van ernstige muntdepreciatie in redelijke mate ondervangt het verlies dat door appellanten geacht wordt te zijn geleden door de vertraging in de nakoming gedurende voormelde periode; immers, de koopkracht van Sf.3.000.000,– in november 1992 was gelijk aan de koopkracht van Sf.94.624.916,72 in mei 1997, toen appellanten de sommen uitgekeerd kregen; dus voor mei 1997 voldoende om de verloren goederen wederom aan te schaffen;
Overwegende, dat onder afwijzing van het door appellanten in prima meer of anders gevorderde en onder verwijzing van geintimeerde in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van de zaak in eerste aanleg, voormeld bedrag in dit Kort Geding bij wege van voorschot zal worden toegewezen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:
Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton rechtsprekende in Kort Geding, gewezen en uitgesproken tussen partijen op 27 november 1997 onder AR.No. 971981, waarvan beroep:

EN THANS OPNIEUW RECHTDOENDE:
Veroordeelt geintimeerde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellanten bij wege van voorschot te betalen het bedrag van SRD 94.624,92 (vier en negentig duizend zeshonderd vier en twintig 92/100 Surinaamse dollars);
Veroordeelt geintimeerde in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van appellanten gevallen en begroot op SRD 250,43,–;
Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van appellanten voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;
Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geintimeerde eveneens op SRD 150,–;
Wijst het meer of anders gevorderde af;

Aldus gewezen door: Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Fungerend-President, Mr.D.D.Sewratan, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger, en
door Mr.K.Pultoo, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens hun gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.S.Mangroelal, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. M.H.

 








 

SRU-HvJ-2023-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 439 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op het hoger beroep inzake de wraking

Parketnummer: 1-00976

In de zaak van

[Appellant],
verdachte, appellant in de wraking,
raadslieden: mr. B.A.H. Pick en mr. R. Tjon A Joe, advocaten,

betreffende het hoger beroep op de beschikking ex artikel 439 lid 1 Sv van de kantonrechter:
[naam],

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Verloop van de procedure

Ter zitting van 7 juli 2023 hebben de raadslieden namens de verdachte een schriftelijk verzoek tot wraking van [naam], de kantonrechter die de strafzaak tegen hem behandelt, overgelegd. De inhoud van genoemde akte van wraking wordt als hier letterlijk herhaald en ingelast beschouwd. De kantonrechter heeft op dezelfde dag op de wraking beslist. Daarbij heeft zij de wraking ongegrond verklaard.

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 aan de verdachte betekend. Tegen de beschikking heeft hij op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend.

  1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 betekend. Appellant heeft op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend. Ingevolge artikel 439 lid 2 Sv kan een verdachte die een wraking heeft voorgedragen een dag na de betekening van de afwijzende beschikking van de kantonrechter, daartegen in beroep komen.

Appellant is derhalve ontvankelijk in het door hem aangetekende hoger beroep.

  1. De grondslag van de wraking

3.1 Appellant heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek tot wraking:

De kantonrechter heeft op verscheidene momenten tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsook bij raadkamermomenten handelingen gepleegd die blijk geven van vooringenomenheid bij de behandeling van de zaak, namelijk:

  • Op 26 april 2023 is de mededeling gedaan door de kantonrechter dat de zaak binnen vijf maanden zal worden afgerond en dat in november 2023 de uitspraak komt. Toen was de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet aangevangen. Het is vreemd dat de kantonrechter reeds voor de aanvang van de zaak, die omvangrijk is, kan aangeven dat in november 2023 de uitspraak komt.
  • Op grond van deze mededeling zijn beslissingen genomen die geen wettelijke basis hebben en de rechten van de verdachte beknotten – ondanks het feit dat er een GVO is geweest moet beoogd worden de zaak op de zitting grondig en deugdelijk te behandelen. Beperkingen mogen, echter mag daarbij het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang komen.
  • Door de wens de zaak binnen vijf maanden af te wikkelen zijn beperkingen op- gelegd, doch alleen aan de zijde van de verdachten; de vervolging kreeg wel uitstel wanneer dat gevraagd werd; zo kreeg de vervolging onbeperkt ruimte om nog onderzoekshandelingen te plegen en stukken over te leggen. Ook is op 9 juni 2023 zonder enig misnoegen aan de zijde van de kantonrechter de officier uitstel vergund voor het requisitoir op een latere datum;
  • Artikel 256 SV schrijft voor: “geen blijk van enige overtuiging van schuld of onschuld van de verdachte”. Echter zijn tijdens de zitting de volgende uitlatingen gedaan: “het verbaast mij dat er sprake was van ongecontroleerde geldstromen” – “het komt overeen met scammen van malafide ondernemers in Afrika” – “het is duidelijk dat [naam 2] verdachte transacties heeft gepleegd, ook al gaat het om transacties vanaf de rekeningen van rechtspersonen” – “er moet niet worden gedaan alsof, want het zou niet anders geïnterpreteerd kunnen worden dan dat [naam 2] uiteindelijk het geld heeft gekregen.”

Deze uitspraken geven blijk van vooringenomenheid. Na deze uitspraken is het voor de verdachte duidelijk wat de uitspraak zal inhouden in november. De conclusie kan getrokken worden dat het om die reden is dat op de eerste dag al kon worden aangegeven dat er in november 2023 uitspraak komt.

3.2 Appellant concludeerde in eerste aanleg dat alle omstandigheden in samenhang bekeken, erop wijzen dat er sprake is van vooringenomenheid van de kantonrechter.

  1. De beschikking van kantonrechter

4.1 De kantonrechter heeft conform artikel 439 Sv beslist op de wraking.

4.2 Zij heeft de wraking ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij onder andere het volgende overwogen.

– de kantonrechter heeft ontkend dat zij blijk heeft gegeven van een oordeel over de schuld. Het kritisch ondervragen voelt misschien niet prettig aan, doch is een onderdeel van het onderzoek.

– met betrekking tot de uitlatingen oordeelt de kantonrechter dat de ondervraging binnen de grenzen van artikel 288 Sv heeft plaatsgevonden. De kritische houding is niet omgeslagen in een houding die de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid doet ontstaan.

– de termijnafspraken zijn gericht op een geregelde afdoening van de zaak, vooral voor de verdachten die in detentie zijn.

– voor het opbrengen van getuigen zijn tijdsafspraken gemaakt. Dat is niet in strijd met de mensenrechtenverdragen.

– het GVO heeft twee jaar geduurd. Daardoor brengt de ingewikkeldheid van de zaak niet perse met zich mee dat de zaak ook lang zou moeten duren op de terechtzitting.

De kantonrechter heeft in haar beslissing onder andere verwezen naar rechtspraak die handelt over het beperken van partijen in verband met een geregelde afdoening van de zaak. In de door haar aangehaalde rechtspraak wordt geoordeeld dat het opleggen van beperkingen niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van vooringenomenheid.

  1. De grieven tegen de beschikking van de kantonrechter

Appellant heeft de volgende grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd:

  • de subjectieve wrakingsgronden zijn niet door de kantonrechter beantwoord; er is niet gemotiveerd gereageerd op de door de wraker genoemde uitspraken van de kantonrechter; de kantonrechter heeft de uitspraken door haar gedaan niet betwist of ontkracht; de uitspraken zijn ondubbelzinnig en geven blijk van schuldpresumptie en vooringenomenheid; deze uitspraken leiden ertoe dat de verdachte vreest dat het aan onpartijdigheid ontbreekt; hoewel de uitspraken zijn gedaan met betrekking tot enkele verdachten hebben ook de overige verdachten geen vertrouwen erin dat de kantonrechter onpartijdig is; de garantie van een eerlijk proces is weggevallen.
  • de kantonrechter heeft een onjuiste rechtsopvatting over de artikelen 334 en 336 Sv.; de opvatting van de kantonrechter komt erop neer dat de zaak reeds in de fase van beoordeling is terwijl het onderzoek op de zitting nog niet is afgerond; ook hieruit blijkt de vooringenomenheid.
  • het verbinden van een tijdslimiet aan het opgeven van getuigen vindt geen steun in de wet. Artikel 245 Sv leidt ertoe dat de verdachten wel in de gelegenheid gesteld moeten worden om getuigen te doen dagvaarden en horen in elke stand van het geding.

Appellant blijft erbij dat er sprake is van feiten en omstandigheden die objectief de vrees rechtvaardigen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

De beoordeling van het hoger beroep van de wraking

6.1 Thans ligt de vraag ter beantwoording in hoeverre de in de akte van wraking genoemde uitspraken van de kantonrechter tijdens de verhoren en de gestelde tijdslimieten, onder andere in het opgeven van getuigen en de spreektijd, leiden tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals bedoeld in artikel 437 Sv..

6.2 Het Hof overweegt dat het bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die verdachte de vrees dienaangaande, objectief gerechtvaardigd is.

6.3 Het Hof overweegt voorts dat het, gelijk uit de rechtspraak blijkt, voor de geregelde afdoening van zaken, geoorloofd is met partijen afspraken te maken over het verloop van het proces en over spreektijd. Op zich hoeven dergelijke afspraken niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Ook kan bij de ondervraging door de rechter bij een verdachte een ongemakkelijk gevoel ontstaan, met name wanneer de verdachte geconfronteerd wordt met verklaringen die voor hem belastend zouden zijn. Ook dat hoeft niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

6.4 Het Hof heeft kennis genomen van de stukken van het dossier. Uit de beschikking van de kantonrechter kan worden opgemaakt dat de kantonrechter van oordeel is dat zij de zaak op een geregelde wijze diende af te doen waarbij limieten zijn gehanteerd over de verschillende processtappen. Ook blijkt dat zij tijdens de verhoren een kritische houding aan heeft genomen. Zij is van oordeel dat die kritische houding niet is omgeslagen in een houding die de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid heeft doen ontstaan.

6.5 Het Hof is, na kennisneming van de stukken van het dossier van oordeel dat, ongeacht de bedoeling van de kantonrechter, voornoemde handelingen en uitspraken van dien aard zijn geweest, dat zij, in onderling verband en samenhang beschouwd, objectief bezien zouden kunnen leiden tot de schijn van vooringenomenheid bij de kantonrechter. Om die reden zal het Hof de wraking van appellant gegrond verklaren. De beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd.

6.6 Het Hof zal de overige aangevoerde stellingen niet verder bespreken nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.

  1. Beslissing

Het Hof:

7.1 Vernietigt de beschikking van de kantonrechter [naam] d.d. 7 juli 2023, waarin de wraking ongegrond is verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

7.2 Verklaart de onderhavige wraking van [naam] gegrond;

7.3 bepaalt dat de griffier deze beslissing van het Hof dient toe te zenden aan appellant, de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar;

7.4 Bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen appellant wordt hervat en voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavig wrakingsverzoek, door een andere kantonrechter binnen de Unit Straf Eerste aanleg.

Aldus gegeven door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en mr. A.C. Johanns, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2023 te Paramaribo, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E. Ommen-Dors.

 

SRU-HvJ-2023-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 439 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) op het hoger beroep inzake de wraking

Parketnummer: 1-00976

In de zaak van

[Appellant],
verdachte, appellant in de wraking,
niet verschenen,
raadsvrouwe: mr. N. Van Dijk, advocaat,

betreffende het hoger beroep op de beschikking ex artikel 439 lid 1 Sv van de kantonrechter:
[naam], hierna ook aangeduid als de kantonrechter,

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Verloop van de procedure

Ter zitting van 7 juli 2023 heeft de raadsvrouwe namens de verdachte een schriftelijk verzoek tot wraking van [naam], de kantonrechter die de strafzaak tegen hem behandelt, overgelegd. De inhoud van genoemde akte van wraking wordt als hier letterlijk herhaald en ingelast beschouwd. De kantonrechter heeft op dezelfde dag op de wraking beslist. Daarbij heeft zij de raadsvrouwe niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot wraking.

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 aan de verdachte betekend. Tegen de beschikking heeft hij op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend.

  1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 betekend. Appellant heeft op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend. Ingevolge artikel 439 lid 2 Sv kan een verdachte die een wraking heeft voorgedragen een dag na de betekening van de afwijzende beschikking van de kantonrechter, daartegen in beroep komen.

Appellant is derhalve ontvankelijk in het door hem aangetekende hoger beroep.

  1. De grondslag van de wraking

3.1 Appellant heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek tot wraking:

De kantonrechter heeft op verscheidene momenten tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsook bij raadkamermomenten handelingen gepleegd die blijk geven van vooringenomenheid bij de behandeling van de zaak, namelijk:

  • Op 26 april 2023 is de mededeling gedaan door de kantonrechter dat de zaak binnen vijf maanden zal worden afgerond en dat in november 2023 de uitspraak komt. Toen was de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet aangevangen. Het is vreemd dat de kantonrechter reeds voor de aanvang van de zaak, die omvangrijk is, kan aangeven dat in november 2023 de uitspraak komt.
  • Op grond van deze mededeling zijn beslissingen genomen die geen wettelijke basis hebben en de rechten van de verdachte beknotten – ondanks het feit dat er een GVO is geweest moet beoogd worden de zaak op de zitting grondig en deugdelijk te behandelen. Beperkingen mogen, echter mag daarbij het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang komen.
  • Door de wens de zaak binnen vijf maanden af te wikkelen zijn beperkingen op- gelegd, doch alleen aan de zijde van de verdachte; de vervolging kreeg wel uitstel wanneer dat gevraagd werd; zo kreeg de vervolging onbeperkt ruimte om nog onderzoekshandelingen te plegen en stukken over te leggen. Ook is op 9 juni 2023 zonder enig misnoegen aan de zijde van de kantonrechter de officier uitstel vergund voor het requisitoir op een latere datum;
  • Artikel 256 SV schrijft voor: “geen blijk van enige overtuiging van schuld of onschuld van de verdachte”. Echter zijn tijdens de zitting de volgende uitlatingen gedaan: “het verbaast mij dat er sprake was van ongecontroleerde geldstromen” – “het komt overeen met scammen van malafide ondernemers in Afrika” – “het is duidelijk dat [appellant] verdachte transacties heeft gepleegd, ook al gaat het om transacties vanaf de rekeningen van rechtspersonen” – “er moet niet worden gedaan alsof, want het zou niet anders geïnterpreteerd kunnen worden dan dat [appellant] uiteindelijk het geld heeft gekregen.”

Deze uitspraken geven blijk van vooringenomenheid. Na deze uitspraken is het voor de verdachte duidelijk wat de uitspraak zal inhouden in november. De conclusie kan getrokken worden dat het om die reden is dat op de eerste dag al kon worden aangegeven dat er in november 2023 uitspraak komt.

3.2 Appellant concludeerde in eerste aanleg dat alle omstandigheden in samenhang bekeken, erop wijzen dat er sprake is van vooringenomenheid van de kantonrechter.

  1. De beschikking van kantonrechter

4.1 De kantonrechter heeft conform artikel 439 Sv beslist op de wraking.

4.2 Zij heeft de raadsvrouwe niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft zij onder andere het volgende overwogen:

in een strafzaak kan een wrakingsverzoek op grond van artikel 438 Sv slechts worden ingediend door de verdachte zelf of door een officier van justitie die betrokken is bij de zaak. Onder het begrip ‘verdachte’ valt niet de raadsman van de verdachte. Een namens de verdachte door diens raadsvrouwe gedaan wrakingsverzoek wordt in behandeling genomen, mits de verdachte aanwezig is ter zitting en verklaard heeft achter het verzoek te staan. Het recht tot het voordragen van een wrakingsverzoek komt aan de verdachte in persoon toe. Een bepaling als voorzien in artikel 315 Sv. waarbij aan de advocaat dezelfde rechten toekomen bij toepassing van de rechten genoemd in titel 3 van boek 3 van het Wetboek van Strafvordering, is er voor een wrakingsprocedure niet. Een door de verdachte ondertekende algemene c.q. bijzondere schriftelijke machtiging kan hiervoor ook geen oplossing bieden. Nu de raadsvrouwe niet gerechtigd is tot het indienen van onderhavig wrakingsverzoek, zal deze niet ontvankelijk verklaard moeten worden.

  1. De grieven tegen de beschikking van de kantonrechter

Appellant heeft de volgende grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd:

  • de niet-verschenen verdachte heeft, evenals de verschenen verdachte, recht op een eerlijk proces. De wet maakt geen uitzondering voor een niet- verschenen verdachte die op deugdelijke wijze wordt bijgestaan in het proces. Zowel een verschenen verdachte die wordt bijgestaan door een raadsman als een niet-verschenen verdachte die wordt bijgestaan door een raadsman mag een wrakingsverzoek indienen. Het verzoek tot wraking en het hoger beroep tegen de afwijzende beslissing van de kantonrechter, staat open voor elke verdachte.
  • ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat een wrakingsverzoek slechts door een verschenen verdachte in persoon mag worden ingediend. De kantonrechter heeft daarmee impliciet overwogen dat de raadslieden van de niet-verschenen verdachten, degenen zijn geweest die het wrakingsverzoek op eigen titel hebben ingediend. Dit terwijl de kantonrechter zelf heeft bevestigd dat de raadslieden een deugdelijke last en volmacht hebben ontvangen van de niet verschenen verdachten. Uit het wrakingsverzoekschrift blijkt verder dat de raadsvrouwe nimmer in persoon is opgetreden. Het wrakingsverzoek is namens de verdachte overgelegd en voorgedragen.
  • het verzoek tot wraking heeft tot doel de onpartijdigheid van de rechtspraak te waarborgen. De wraking staat in nauwe samenhang met artikel 8 lid 1 van het Amerikaans Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, namelijk het recht op een onpartijdige rechter. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschenen verdachten en niet-verschenen verdachten. Het recht komt iedere verdachte toe. Dit is het enig wettig controlemiddel dat de verdachte zelf toekomt tijdens de behandeling van zijn zaak door een rechter. De niet-verschenen verdachte is het onderwerp van het tegen hem lopend strafrechtelijk onderzoek ter terechtzitting. Om die reden zou het recht om te wraken hem niet ontnomen kunnen worden. Uit het feit dat artikel 437 Sv geen beperking heeft geformuleerd ten aanzien van niet verschenen verdachten, vloeit voort dat het recht van wraking wettelijk elke verdachte, ongeacht verschijningsstatus, toekomt.
  • gelet op de hiervoor bedoelde verdragsbepalingen, die een een ieder bindende werking hebben, kon de kantonrechter nimmer beslissen dat aan de niet-verschenen verdachte het recht tot wraking niet toekomt. De kantonrechter heeft door alzo te beslissen in strijd gehandeld met de wet, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
  • de kantonrechter heeft in de beslissing niet gereageerd op de wrakingsgronden. Appellant blijft bij de wrakingsgronden.

Appellant blijft erbij dat er sprake is van feiten en omstandigheden die objectief de vrees rechtvaardigen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

Appellant vraagt dat de beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en dat hij alsnog ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek tot wraking en voorts dat de wraking gegrond wordt verklaard.

  1. De beoordeling van het hoger beroep van de wraking

6.1 De ontvankelijkheid in het verzoek tot wraking

6.1.1 Thans ligt de vraag ter beantwoording of een niet-verschenen verdachte het recht heeft om een verzoek tot wraking in te dienen, althans in casu, of een advocaat die de niet-verschenen verdachte bijstaat in het strafproces, een verzoek tot wraking mag indienen namens hem.

6.1.2 Het Hof put voor de beantwoording op die vraag uit de hiervoor genoemde verdragsbepalingen en de bepalingen in de wet.

Noch in artikel 8 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens, noch in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, noch in de artikelen betreffende de wraking in het Wetboek van Strafvordering, wordt onderscheid gemaakt tussen verdachten die zijn verschenen en verdachten die niet zijn verschenen, of wordt bepaald dat het recht op een onpartijdige rechter niet geldt voor een verdachte die niet is verschenen.

Om die reden moet worden aangenomen dat de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en de genoemde verdragsbepalingen, die een een ieder verbindende werking hebben, ook gelden voor verdachten die niet zijn verschenen, tegen wie een strafproces loopt.

De verdachte die niet is verschenen in het strafproces dat tegen hem loopt, en die wordt bijgestaan door een advocaat, staat derhalve, indien hij eventueel van zijn advocaat verneemt over verhandelingen op de terechtzitting, of uit de processen-verbaal van de zitting kennis krijgt van verhandelingen op de terechtzitting, de mogelijheid open de advocaat te vragen de rechter namens hem te wraken indien het hem van feiten of omstandigheden zou blijken, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden.

6.1.3 Het Hof is van oordeel dat appellant wel ontvankelijk is in zijn verzoek tot wraking en zal de beschikking van de kantonrechter vernietigen. Het verzoek tot wraking zal inhoudelijk worden beoordeeld.

6.2 De beoordeling van de wrakingsgronden

6.2.1 Thans moet beoordeeld worden in hoeverre de hierboven onder 3.1 genoemde handelingen, namelijk de uitspraken van de kantonrechter tijdens de verhoren en de gestelde tijdslimieten, onder andere in het opgeven van getuigen en de spreektijd, leiden tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals bedoeld in artikel 437 Sv..

6.2.2 Het Hof overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die verdachte de vrees dienaangaande, objectief gerechtvaardigd is.

6.2.3 Het Hof overweegt voorts dat het, gelijk uit de rechtspraak blijkt, voor de geregelde afdoening van zaken, geoorloofd is met partijen afspraken te maken over het verloop van het proces en over spreektijd. Op zich hoeven dergelijke afspraken niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Ook kan bij de ondervraging, met name bij confrontatie met belastende verklaringen, bij de verdachte het gevoel ontstaan dat de kantonrechter hem zaken voorhoudt die op zijn schuld duiden. Echter zal de ondervraging op zodanige wijze moeten plaatsvinden dat de onschuldpresumptie duidelijk blijkt. Ook de ondervraging hoeft dan niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

6.2.4 Het Hof heeft kennis genomen van de stukken van het dossier en is na kennisneming van de stukken van oordeel dat voornoemde handelingen en uitspraken van dien aard zijn geweest, dat zij, in onderling verband en samenhang beschouwd, objectief bezien zouden kunnen leiden tot de schijn van vooringenomenheid bij de kantonrechter. Om die reden zal het Hof de wraking van appellant gegrond verklaren. De beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd.

6.3 Het Hof zal de overige aangevoerde stellingen niet verder bespreken nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.

  1. Beslissing

Het Hof:

7.1 vernietigt de beschikking van de kantonrechter mr. D.G.W. Karamat Ali d.d. 7 juli 2023, waarin de advocaat niet-ontvankelijk is verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

7.2 verklaart de onderhavige wraking van mr. D.G.W. Karamat Ali gegrond;

7.3 bepaalt dat de griffier deze beslissing van het Hof dient toe te zenden aan de advocaat van appellant, de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar;

7.4 bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen appellant wordt hervat en voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavig wrakingsverzoek, door een andere kantonrechter binnen de Unit Straf Eerste aanleg.

Aldus gegeven door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en mr. A.C. Johanns, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2023 te Paramaribo, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E. Ommen-Dors.

 

SRU-HvJ-2023-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 439 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) op het hoger beroep inzake de wraking

Parketnummer: 1-00976

In de zaak van

[Appellant],
verdachte, appellant in de wraking,
niet verschenen,
raadsman: mr. R. Lobo, advocaat,

betreffende het hoger beroep op de beschikking ex artikel 439 lid 1 Sv van de kantonrechter:
[naam], hierna ook aangeduid als de kantonrechter,

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Verloop van de procedure

Ter zitting van 7 juli 2023 heeft de raadsman namens de verdachte een schriftelijk verzoek tot wraking van [naam], de kantonrechter die de strafzaak tegen hem behandelt, overgelegd. De inhoud van genoemde akte van wraking wordt als hier letterlijk herhaald en ingelast beschouwd. De kantonrechter heeft op dezelfde dag op de wraking beslist. Daarbij heeft zij de raadsman niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot wraking.

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 aan de verdachte betekend. Tegen de beschikking heeft hij op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend.

  1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 betekend. Appellant heeft op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend. Ingevolge artikel 439 lid 2 Sv kan een verdachte die een wraking heeft voorgedragen een dag na de betekening van de afwijzende beschikking van de kantonrechter, daartegen in beroep komen.

Appellant is derhalve ontvankelijk in het door hem aangetekende hoger beroep.

  1. De grondslag van de wraking

3.1 Appellant heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek tot wraking:

De kantonrechter heeft op verscheidene momenten tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsook bij raadkamermomenten handelingen gepleegd die blijk geven van vooringenomenheid bij de behandeling van de zaak, namelijk:

  • Op 26 april 2023 is de mededeling gedaan door de kantonrechter dat de zaak binnen vijf maanden zal worden afgerond en dat in november 2023 de uitspraak komt. Toen was de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet aangevangen. Het is vreemd dat de kantonrechter reeds voor de aanvang van de zaak, die omvangrijk is, kan aangeven dat in november 2023 de uitspraak komt.
  • Op grond van deze mededeling zijn beslissingen genomen die geen wettelijke basis hebben en de rechten van de verdachte beknotten – ondanks het feit dat er een GVO is geweest moet beoogd worden de zaak op de zitting grondig en deugdelijk te behandelen. Beperkingen mogen, echter mag daarbij het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang komen.
  • Door de wens de zaak binnen vijf maanden af te wikkelen zijn beperkingen op- gelegd, doch alleen aan de zijde van de verdachte; de vervolging kreeg wel uitstel wanneer dat gevraagd werd; zo kreeg de vervolging onbeperkt ruimte om nog onderzoekshandelingen te plegen en stukken over te leggen. Ook is op 9 juni 2023 zonder enig misnoegen aan de zijde van de kantonrechter de officier uitstel vergund voor het requisitoir op een latere datum;
  • Artikel 256 SV schrijft voor: “geen blijk van enige overtuiging van schuld of onschuld van de verdachte”. Echter zijn tijdens de zitting de volgende uitlatingen gedaan: “het verbaast mij dat er sprake was van ongecontroleerde geldstromen” – “het komt overeen met scammen van malafide ondernemers in Afrika” – “het is duidelijk dat [naam 2] verdachte transacties heeft gepleegd, ook al gaat het om transacties vanaf de rekeningen van rechtspersonen” – “er moet niet worden gedaan alsof, want het zou niet anders geïnterpreteerd kunnen worden dan dat [naam 2] uiteindelijk het geld heeft gekregen.”

Deze uitspraken geven blijk van vooringenomenheid. Na deze uitspraken is het voor de verdachte duidelijk wat de uitspraak zal inhouden in november. De conclusie kan getrokken worden dat het om die reden is dat op de eerste dag al kon worden aangegeven dat er in november 2023 uitspraak komt.

3.2 Appellant concludeerde in eerste aanleg dat alle omstandigheden in samenhang bekeken, erop wijzen dat er sprake is van vooringenomenheid van de kantonrechter.

  1. De beschikking van kantonrechter

4.1 De kantonrechter heeft conform artikel 439 Sv beslist op de wraking.

4.2 Zij heeft de raadsman niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft zij onder andere het volgende overwogen:

in een strafzaak kan een wrakingsverzoek op grond van artikel 438 Sv slechts worden ingediend door de verdachte zelf of door een officier van justitie die betrokken is bij de zaak. Onder het begrip ‘verdachte’ valt niet de raadsman van de verdachte. Een namens de verdachte door diens raadsman gedaan wrakingsverzoek wordt in behandeling genomen, mits de verdachte aanwezig is ter zitting en verklaard heeft achter het verzoek te staan. Het recht tot het voordragen van een wrakingsverzoek komt aan de verdachte in persoon toe. Een bepaling als voorzien in artikel 315 Sv. waarbij aan de advocaat dezelfde rechten toekomen bij toepassing van de rechten genoemd in titel 3 van boek 3 van het Wetboek van Strafvordering, is er voor een wrakingsprocedure niet. Een door de verdachte ondertekende algemene c.q. bijzondere schriftelijke machtiging kan hiervoor ook geen oplossing bieden. Nu de raadsman niet gerechtigd is tot het indienen van onderhavig wrakingsverzoek, zal deze niet ontvankelijk verklaard moeten worden.

  1. De grieven tegen de beschikking van de kantonrechter

Appellant heeft de volgende grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd:

  • de niet-verschenen verdachte heeft, evenals de verschenen verdachte, recht op een eerlijk proces. De wet maakt geen uitzondering voor een niet- verschenen verdachte die op deugdelijke wijze wordt bijgestaan in het proces. Zowel een verschenen verdachte die wordt bijgestaan door een raadsman als een niet-verschenen verdachte die wordt bijgestaan door een raadsman mag een wrakingsverzoek indienen. Het verzoek tot wraking en het hoger beroep tegen de afwijzende beslissing van de kantonrechter, staat open voor elke verdachte.
  • ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat een wrakingsverzoek slechts door een verschenen verdachte in persoon mag worden ingediend. De kantonrechter heeft daarmee impliciet overwogen dat de raadslieden van de niet-verschenen verdachten, degenen zijn geweest die het wrakingsverzoek op eigen titel hebben ingediend. Dit terwijl de kantonrechter zelf heeft bevestigd dat de raadslieden een deugdelijke last en volmacht hebben ontvangen van de niet verschenen verdachten. Uit het wrakingsverzoekschrift blijkt verder dat de raadsman nimmer in persoon is opgetreden. Het wrakingsverzoek is namens de verdachte overgelegd en voorgedragen.
  • het verzoek tot wraking heeft tot doel de onpartijdigheid van de rechtspraak te waarborgen. De wraking staat in nauwe samenhang met artikel 8 lid 1 van het Amerikaans Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, namelijk het recht op een onpartijdige rechter. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschenen verdachten en niet-verschenen verdachten. Het recht komt iedere verdachte toe. Dit is het enig wettig controlemiddel dat de verdachte zelf toekomt tijdens de behandeling van zijn zaak door een rechter. De niet-verschenen verdachte is het onderwerp van het tegen hem lopend strafrechtelijk onderzoek ter terechtzitting. Om die reden zou het recht om te wraken hem niet ontnomen kunnen worden. Uit het feit dat artikel 437 Sv geen beperking heeft geformuleerd ten aanzien van niet verschenen verdachten, vloeit voort dat het recht van wraking wettelijk elke verdachte, ongeacht verschijningsstatus, toekomt.
  • gelet op de hiervoor bedoelde verdragsbepalingen, die een een ieder bindende werking hebben, kon de kantonrechter nimmer beslissen dat aan de niet-verschenen verdachte het recht tot wraking niet toekomt. De kantonrechter heeft door alzo te beslissen in strijd gehandeld met de wet, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
  • de kantonrechter heeft in de beslissing niet gereageerd op de wrakingsgronden. Appellant blijft bij de wrakingsgronden.

Appellant blijft erbij dat er sprake is van feiten en omstandigheden die objectief de vrees rechtvaardigen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

Appellant vraagt dat de beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en dat hij alsnog ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek tot wraking en voorts dat de wraking gegrond wordt verklaard.

  1. De beoordeling van het hoger beroep van de wraking

6.1 De ontvankelijkheid in het verzoek tot wraking

6.1.1 Thans ligt de vraag ter beantwoording of een niet-verschenen verdachte het recht heeft om een verzoek tot wraking in te dienen, althans in casu, of een advocaat die de niet-verschenen verdachte bijstaat in het strafproces, een verzoek tot wraking mag indienen namens hem.

6.1.2 Het Hof put voor de beantwoording op die vraag uit de hiervoor genoemde verdragsbepalingen en de bepalingen in de wet.

Noch in artikel 8 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens, noch in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, noch in de artikelen betreffende de wraking in het Wetboek van Strafvordering, wordt onderscheid gemaakt tussen verdachten die zijn verschenen en verdachten die niet zijn verschenen, of wordt bepaald dat het recht op een onpartijdige rechter niet geldt voor een verdachte die niet is verschenen.

Om die reden moet worden aangenomen dat de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en de genoemde verdragsbepalingen, die een een ieder verbindende werking hebben, ook gelden voor verdachten die niet zijn verschenen, tegen wie een strafproces loopt.

De verdachte die niet is verschenen in het strafproces dat tegen hem loopt, en die wordt bijgestaan door een advocaat, staat derhalve, indien hij eventueel van zijn advocaat verneemt over verhandelingen op de terechtzitting, of uit de processen-verbaal van de zitting kennis krijgt van verhandelingen op de terechtzitting, de mogelijheid open de advocaat te vragen de rechter namens hem te wraken indien het hem van feiten of omstandigheden zou blijken, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden.

6.1.3 Het Hof is van oordeel dat appellant wel ontvankelijk is in zijn verzoek tot wraking en zal de beschikking van de kantonrechter vernietigen. Het verzoek tot wraking zal inhoudelijk worden beoordeeld.

6.2 De beoordeling van de wrakingsgronden

6.2.1 Thans moet beoordeeld worden in hoeverre de hierboven onder 3.1 genoemde handelingen, namelijk de uitspraken van de kantonrechter tijdens de verhoren en de gestelde tijdslimieten, onder andere in het opgeven van getuigen en de spreektijd, leiden tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals bedoeld in artikel 437 Sv..

6.2.2 Het Hof overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die verdachte de vrees dienaangaande, objectief gerechtvaardigd is.

6.2.3 Het Hof overweegt voorts dat het, gelijk uit de rechtspraak blijkt, voor de geregelde afdoening van zaken, geoorloofd is met partijen afspraken te maken over het verloop van het proces en over spreektijd. Op zich hoeven dergelijke afspraken niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Ook kan bij de ondervraging, met name bij confrontatie met belastende verklaringen, bij de verdachte het gevoel ontstaan dat de kantonrechter hem zaken voorhoudt die op zijn schuld duiden. Echter zal de ondervraging op zodanige wijze moeten plaatsvinden dat de onschuldpresumptie duidelijk blijkt. Ook de ondervraging hoeft dan niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

6.2.4 Het Hof heeft kennis genomen van de stukken van het dossier en is na kennisneming van de stukken van oordeel dat voornoemde handelingen en uitspraken van dien aard zijn geweest, dat zij, in onderling verband en samenhang beschouwd, objectief bezien zouden kunnen leiden tot de schijn van vooringenomenheid bij de kantonrechter. Om die reden zal het Hof de wraking van appellant gegrond verklaren. De beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd.

6.3 Het Hof zal de overige aangevoerde stellingen niet verder bespreken nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.

  1. Beslissing

Het Hof:

7.1 vernietigt de beschikking van de kantonrechter [naam] d.d. 7 juli 2023, waarin de advocaat niet-ontvankelijk is verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

7.2 verklaart de onderhavige wraking van [naam] gegrond;

7.3 bepaalt dat de griffier deze beslissing van het Hof dient toe te zenden aan de advocaat van appellant, de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar;

7.4 bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen appellant wordt hervat en voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavig wrakingsverzoek, door een andere kantonrechter binnen de Unit Straf Eerste aanleg.

Aldus gegeven door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en mr. A.C. Johanns, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2023 te Paramaribo, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E. Ommen-Dors.

SRU-HvJ-2023-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 439 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) op het hoger beroep inzake de wraking

Parketnummer: 1-00976

In de zaak van

[Appellante],
verdachte, appellante in de wraking,
niet verschenen,
raadsman: mr. G.H.G. Castelen, advocaat,

betreffende het hoger beroep op de beschikking ex artikel 439 lid 1 Sv van de kantonrechter:
[naam], hierna ook aangeduid als de kantonrechter,

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Verloop van de procedure

Ter zitting van 7 juli 2023 heeft de raadsman namens de verdachte een schriftelijk verzoek tot wraking van [naam], de kantonrechter die de strafzaak tegen haar behandelt, overgelegd. De inhoud van genoemde akte van wraking wordt als hier letterlijk herhaald en ingelast beschouwd. De kantonrechter heeft op dezelfde dag op de wraking beslist. Daarbij heeft zij de raadsman niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot wraking.

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 aan de verdachte betekend. Tegen de beschikking heeft zij op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend.

  1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 betekend. Appellante heeft op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend. Ingevolge artikel 439 lid 2 Sv kan een verdachte die een wraking heeft voorgedragen een dag na de betekening van de afwijzende beschikking van de kantonrechter, daartegen in beroep komen.

Appellante is derhalve ontvankelijk in het door haar aangetekende hoger beroep.

  1. De grondslag van de wraking

3.1 Appellante heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan haar verzoek tot wraking:

De kantonrechter heeft op verscheidene momenten tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsook bij raadkamermomenten handelingen gepleegd die blijk geven van vooringenomenheid bij de behandeling van de zaak, namelijk:

  • Op 26 april 2023 is de mededeling gedaan door de kantonrechter dat de zaak binnen vijf maanden zal worden afgerond en dat in november 2023 de uitspraak komt. Toen was de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet aangevangen. Het is vreemd dat de kantonrechter reeds voor de aanvang van de zaak, die omvangrijk is, kan aangeven dat in november 2023 de uitspraak komt.
  • Op grond van deze mededeling zijn beslissingen genomen die geen wettelijke basis hebben en de rechten van de verdachte beknotten – ondanks het feit dat er een GVO is geweest moet beoogd worden de zaak op de zitting grondig en deugdelijk te behandelen. Beperkingen mogen, echter mag daarbij het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang komen.
  • Door de wens de zaak binnen vijf maanden af te wikkelen zijn beperkingen op- gelegd, doch alleen aan de zijde van de verdachte; de vervolging kreeg wel uitstel wanneer dat gevraagd werd; zo kreeg de vervolging onbeperkt ruimte om nog onderzoekshandelingen te plegen en stukken over te leggen. Ook is op 9 juni 2023 zonder enig misnoegen aan de zijde van de kantonrechter de officier uitstel vergund voor het requisitoir op een latere datum;
  • Artikel 256 SV schrijft voor: “geen blijk van enige overtuiging van schuld of onschuld van de verdachte”. Echter zijn tijdens de zitting de volgende uitlatingen gedaan: “het verbaast mij dat er sprake was van ongecontroleerde geldstromen” – “het komt overeen met scammen van malafide ondernemers in Afrika” – “het is duidelijk dat [naam 2] verdachte transacties heeft gepleegd, ook al gaat het om transacties vanaf de rekeningen van rechtspersonen” – “er moet niet worden gedaan alsof, want het zou niet anders geïnterpreteerd kunnen worden dan dat [naam 2] uiteindelijk het geld heeft gekregen.”

Deze uitspraken geven blijk van vooringenomenheid. Na deze uitspraken is het voor de verdachte duidelijk wat de uitspraak zal inhouden in november. De conclusie kan getrokken worden dat het om die reden is dat op de eerste dag al kon worden aangegeven dat er in november 2023 uitspraak komt.

3.2 Appellante concludeerde in eerste aanleg dat alle omstandigheden in samenhang bekeken, erop wijzen dat er sprake is van vooringenomenheid van de kantonrechter.

  1. De beschikking van kantonrechter

4.1 De kantonrechter heeft conform artikel 439 Sv beslist op de wraking.

4.2 Zij heeft de raadsman niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft zij onder andere het volgende overwogen:

in een strafzaak kan een wrakingsverzoek op grond van artikel 438 Sv slechts worden ingediend door de verdachte zelf of door een officier van justitie die betrokken is bij de zaak. Onder het begrip ‘verdachte’ valt niet de raadsman van de verdachte. Een namens de verdachte door diens raadsman gedaan wrakingsverzoek wordt in behandeling genomen, mits de verdachte aanwezig is ter zitting en verklaard heeft achter het verzoek te staan. Het recht tot het voordragen van een wrakingsverzoek komt aan de verdachte in persoon toe. Een bepaling als voorzien in artikel 315 Sv. waarbij aan de advocaat dezelfde rechten toekomen bij toepassing van de rechten genoemd in titel 3 van boek 3 van het Wetboek van Strafvordering, is er voor een wrakingsprocedure niet. Een door de verdachte ondertekende algemene c.q. bijzondere schriftelijke machtiging kan hiervoor ook geen oplossing bieden. Nu de raadsman niet gerechtigd is tot het indienen van onderhavig wrakingsverzoek, zal deze niet ontvankelijk verklaard moeten worden.

  1. De grieven tegen de beschikking van de kantonrechter

Appellante heeft de volgende grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd:

  • de niet-verschenen verdachte heeft, evenals de verschenen verdachte, recht op een eerlijk proces. De wet maakt geen uitzondering voor een niet- verschenen verdachte die op deugdelijke wijze wordt bijgestaan in het proces. Zowel een verschenen verdachte die wordt bijgestaan door een raadsman als een niet-verschenen verdachte die wordt bijgestaan door een raadsman mag een wrakingsverzoek indienen. Het verzoek tot wraking en het hoger beroep tegen de afwijzende beslissing van de kantonrechter, staat open voor elke verdachte.
  • ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat een wrakingsverzoek slechts door een verschenen verdachte in persoon mag worden ingediend. De kantonrechter heeft daarmee impliciet overwogen dat de raadslieden van de niet-verschenen verdachten, degenen zijn geweest die het wrakingsverzoek op eigen titel hebben ingediend. Dit terwijl de kantonrechter zelf heeft bevestigd dat de raadslieden een deugdelijke last en volmacht hebben ontvangen van de niet verschenen verdachten. Uit het wrakingsverzoekschrift blijkt verder dat de raadsman nimmer in persoon is opgetreden. Het wrakingsverzoek is namens de verdachte overgelegd en voorgedragen.
  • het verzoek tot wraking heeft tot doel de onpartijdigheid van de rechtspraak te waarborgen. De wraking staat in nauwe samenhang met artikel 8 lid 1 van het Amerikaans Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, namelijk het recht op een onpartijdige rechter. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschenen verdachten en niet-verschenen verdachten. Het recht komt iedere verdachte toe. Dit is het enig wettig controlemiddel dat de verdachte zelf toekomt tijdens de behandeling van zijn zaak door een rechter. De niet-verschenen verdachte is het onderwerp van het tegen hem lopend strafrechtelijk onderzoek ter terechtzitting. Om die reden zou het recht om te wraken hem niet ontnomen kunnen worden. Uit het feit dat artikel 437 Sv geen beperking heeft geformuleerd ten aanzien van niet verschenen verdachten, vloeit voort dat het recht van wraking wettelijk elke verdachte, ongeacht verschijningsstatus, toekomt.
  • gelet op de hiervoor bedoelde verdragsbepalingen, die een een ieder bindende werking hebben, kon de kantonrechter nimmer beslissen dat aan de niet-verschenen verdachte het recht tot wraking niet toekomt. De kantonrechter heeft door alzo te beslissen in strijd gehandeld met de wet, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
  • de kantonrechter heeft in de beslissing niet gereageerd op de wrakingsgronden. Appellante blijft bij de wrakingsgronden.

Appellante blijft erbij dat er sprake is van feiten en omstandigheden die objectief de vrees rechtvaardigen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

Appellante vraagt dat de beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en dat zij alsnog ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot wraking en voorts dat de wraking gegrond wordt verklaard.

  1. De beoordeling van het hoger beroep van de wraking

6.1 De ontvankelijkheid in het verzoek tot wraking

6.1.1 Thans ligt de vraag ter beantwoording of een niet-verschenen verdachte het recht heeft om een verzoek tot wraking in te dienen, althans in casu, of een advocaat die de niet-verschenen verdachte bijstaat in het strafproces, een verzoek tot wraking mag indienen namens hem.

6.1.2 Het Hof put voor de beantwoording op die vraag uit de hiervoor genoemde verdragsbepalingen en de bepalingen in de wet.

Noch in artikel 8 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens, noch in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, noch in de artikelen betreffende de wraking in het Wetboek van Strafvordering, wordt onderscheid gemaakt tussen verdachten die zijn verschenen en verdachten die niet zijn verschenen, of wordt bepaald dat het recht op een onpartijdige rechter niet geldt voor een verdachte die niet is verschenen.

Om die reden moet worden aangenomen dat de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en de genoemde verdragsbepalingen, die een een ieder verbindende werking hebben, ook gelden voor verdachten die niet zijn verschenen, tegen wie een strafproces loopt.

De verdachte die niet is verschenen in het strafproces dat tegen hem loopt, en die wordt bijgestaan door een advocaat, staat derhalve, indien hij eventueel van zijn advocaat verneemt over verhandelingen op de terechtzitting, of uit de processen-verbaal van de zitting kennis krijgt van verhandelingen op de terechtzitting, de mogelijheid open de advocaat te vragen de rechter namens hem te wraken indien het hem van feiten of omstandigheden zou blijken, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden.

6.1.3 Het Hof is van oordeel dat appellante wel ontvankelijk is in haar verzoek tot wraking en zal de beschikking van de kantonrechter vernietigen. Het verzoek tot wraking zal inhoudelijk worden beoordeeld.

6.2 De beoordeling van de wrakingsgronden

6.2.1 Thans moet beoordeeld worden in hoeverre de hierboven onder 3.1 genoemde handelingen, namelijk de uitspraken van de kantonrechter tijdens de verhoren en de gestelde tijdslimieten, onder andere in het opgeven van getuigen en de spreektijd, leiden tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals bedoeld in artikel 437 Sv..

6.2.2 Het Hof overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die verdachte de vrees dienaangaande, objectief gerechtvaardigd is.

6.2.3 Het Hof overweegt voorts dat het, gelijk uit de rechtspraak blijkt, voor de geregelde afdoening van zaken, geoorloofd is met partijen afspraken te maken over het verloop van het proces en over spreektijd. Op zich hoeven dergelijke afspraken niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Ook kan bij de ondervraging, met name bij confrontatie met belastende verklaringen, bij de verdachte het gevoel ontstaan dat de kantonrechter hem zaken voorhoudt die op zijn schuld duiden. Echter zal de ondervraging op zodanige wijze moeten plaatsvinden dat de onschuldpresumptie duidelijk blijkt. Ook de ondervraging hoeft dan niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

6.2.4 Het Hof heeft kennis genomen van de stukken van het dossier en is na kennisneming van de stukken van oordeel dat voornoemde handelingen en uitspraken van dien aard zijn geweest, dat zij, in onderling verband en samenhang beschouwd, objectief bezien zouden kunnen leiden tot de schijn van vooringenomenheid bij de kantonrechter. Om die reden zal het Hof de wraking van appellante gegrond verklaren. De beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd.

6.3 Het Hof zal de overige aangevoerde stellingen niet verder bespreken nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.

  1. Beslissing

Het Hof:

7.1 vernietigt de beschikking van de kantonrechter [naam] d.d. 7 juli 2023, waarin de advocaat niet-ontvankelijk is verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

7.2 verklaart de onderhavige wraking van [naam] gegrond;

7.3 bepaalt dat de griffier deze beslissing van het Hof dient toe te zenden aan de advocaat van appellante, de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar;

7.4 bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen appellante wordt hervat en voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavig wrakingsverzoek, door een andere kantonrechter binnen de Unit Straf Eerste aanleg.

Aldus gegeven door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en A.C. Johanns, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2023 te Paramaribo, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E. Ommen-Dors.

 

SRU-HvJ-2023-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 439 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op het hoger beroep inzake de wraking

Parketnummer: 1-00976

In de zaak van
[Appellant],
verdachte, appellant in de wraking,
raadsman: mr. R. Lobo, advocaat,

betreffende het hoger beroep op de beschikking ex artikel 439 lid 1 Sv van de kantonrechter:
[naam],

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Verloop van de procedure

Ter zitting van 7 juli 2023 heeft de raadsman namens de verdachte een schriftelijk verzoek tot wraking van [naam], de kantonrechter die de strafzaak tegen hem behandelt, overgelegd. De inhoud van genoemde akte van wraking wordt als hier letterlijk herhaald en ingelast beschouwd. De kantonrechter heeft op dezelfde dag op de wraking beslist. Daarbij heeft zij de wraking ongegrond verklaard.

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 aan de verdachte betekend. Tegen de beschikking heeft hij op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend.

  1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 betekend. Appellant heeft op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend. Ingevolge artikel 439 lid 2 Sv kan een verdachte die een wraking heeft voorgedragen een dag na de betekening van de afwijzende beschikking van de kantonrechter, daartegen in beroep komen.

Appellant is derhalve ontvankelijk in het door hem aangetekende hoger beroep.

  1. De grondslag van de wraking

3.1 Appellant heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek tot wraking:

De kantonrechter heeft op verscheidene momenten tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsook bij raadkamermomenten handelingen gepleegd die blijk geven van vooringenomenheid bij de behandeling van de zaak, namelijk:

  • Op 26 april 2023 is de mededeling gedaan door de kantonrechter dat de zaak binnen vijf maanden zal worden afgerond en dat in november 2023 de uitspraak komt. Toen was de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet aangevangen. Het is vreemd dat de kantonrechter reeds voor de aanvang van de zaak, die omvangrijk is, kan aangeven dat in november 2023 de uitspraak komt.
  • Op grond van deze mededeling zijn beslissingen genomen die geen wettelijke basis hebben en de rechten van de verdachte beknotten – ondanks het feit dat er een GVO is geweest moet beoogd worden de zaak op de zitting grondig en deugdelijk te behandelen. Beperkingen mogen, echter mag daarbij het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang komen.
  • Door de wens de zaak binnen vijf maanden af te wikkelen zijn beperkingen op- gelegd, doch alleen aan de zijde van de verdachten; de vervolging kreeg wel uitstel wanneer dat gevraagd werd; zo kreeg de vervolging onbeperkt ruimte om nog onderzoekshandelingen te plegen en stukken over te leggen. Ook is op 9 juni 2023 zonder enig misnoegen aan de zijde van de kantonrechter de officier uitstel vergund voor het requisitoir op een latere datum;
  • Artikel 256 SV schrijft voor: “geen blijk van enige overtuiging van schuld of onschuld van de verdachte”. Echter zijn tijdens de zitting de volgende uitlatingen gedaan: “het verbaast mij dat er sprake was van ongecontroleerde geldstromen” – “het komt overeen met scammen van malafide ondernemers in Afrika” – “het is duidelijk dat [naam 2] verdachte transacties heeft gepleegd, ook al gaat het om transacties vanaf de rekeningen van rechtspersonen” – “er moet niet worden gedaan alsof, want het zou niet anders geïnterpreteerd kunnen worden dan dat [naam 2] uiteindelijk het geld heeft gekregen.”

Deze uitspraken geven blijk van vooringenomenheid. Na deze uitspraken is het voor de verdachte duidelijk wat de uitspraak zal inhouden in november. De conclusie kan getrokken worden dat het om die reden is dat op de eerste dag al kon worden aangegeven dat er in november 2023 uitspraak komt.

3.2 Appellant concludeerde in eerste aanleg dat alle omstandigheden in samenhang bekeken, erop wijzen dat er sprake is van vooringenomenheid van de kantonrechter.

  1. De beschikking van kantonrechter

4.1 De kantonrechter heeft conform artikel 439 Sv beslist op de wraking.

4.2 Zij heeft de wraking ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij onder andere het volgende overwogen.

– de kantonrechter heeft ontkend dat zij blijk heeft gegeven van een oordeel over de schuld. Het kritisch ondervragen voelt misschien niet prettig aan, doch is een onderdeel van het onderzoek.

– met betrekking tot de uitlatingen oordeelt de kantonrechter dat de ondervraging binnen de grenzen van artikel 288 Sv heeft plaatsgevonden. De kritische houding is niet omgeslagen in een houding die de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid doet ontstaan.

– de termijnafspraken zijn gericht op een geregelde afdoening van de zaak, vooral voor de verdachten die in detentie zijn.

– voor het opbrengen van getuigen zijn tijdsafspraken gemaakt. Dat is niet in strijd met de mensenrechtenverdragen.

– het GVO heeft twee jaar geduurd. Daardoor brengt de ingewikkeldheid van de zaak niet perse met zich mee dat de zaak ook lang zou moeten duren op de terechtzitting.

De kantonrechter heeft in haar beslissing onder andere verwezen naar rechtspraak die handelt over het beperken van partijen in verband met een geregelde afdoening van de zaak. In de door haar aangehaalde rechtspraak wordt geoordeeld dat het opleggen van beperkingen niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van vooringenomenheid.

  1. De grieven tegen de beschikking van de kantonrechter

Appellant heeft de volgende grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd:

  • de subjectieve wrakingsgronden zijn niet door de kantonrechter beantwoord; er is niet gemotiveerd gereageerd op de door de wraker genoemde uitspraken van de kantonrechter; de kantonrechter heeft de uitspraken door haar gedaan niet betwist of ontkracht; de uitspraken zijn ondubbelzinnig en geven blijk van schuldpresumptie en vooringenomenheid; deze uitspraken leiden ertoe dat de verdachte vreest dat het aan onpartijdigheid ontbreekt; hoewel de uitspraken zijn gedaan met betrekking tot enkele verdachten hebben ook de overige verdachten geen vertrouwen erin dat de kantonrechter onpartijdig is; de garantie van een eerlijk proces is weggevallen.
  • de kantonrechter heeft een onjuiste rechtsopvatting over de artikelen 334 en 336 Sv.; de opvatting van de kantonrechter komt erop neer dat de zaak reeds in de fase van beoordeling is terwijl het onderzoek op de zitting nog niet is afgerond; ook hieruit blijkt de vooringenomenheid.
  • het verbinden van een tijdslimiet aan het opgeven van getuigen vindt geen steun in de wet. Artikel 245 Sv leidt ertoe dat de verdachten wel in de gelegenheid gesteld moeten worden om getuigen te doen dagvaarden en horen in elke stand van het geding.

Appellant blijft erbij dat er sprake is van feiten en omstandigheden die objectief de vrees rechtvaardigen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

De beoordeling van het hoger beroep van de wraking

6.1 Thans ligt de vraag ter beantwoording in hoeverre de in de akte van wraking genoemde uitspraken van de kantonrechter tijdens de verhoren en de gestelde tijdslimieten, onder andere in het opgeven van getuigen en de spreektijd, leiden tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals bedoeld in artikel 437 Sv..

6.2 Het Hof overweegt dat het bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die verdachte de vrees dienaangaande, objectief gerechtvaardigd is.

6.3 Het Hof overweegt voorts dat het, gelijk uit de rechtspraak blijkt, voor de geregelde afdoening van zaken, geoorloofd is met partijen afspraken te maken over het verloop van het proces en over spreektijd. Op zich hoeven dergelijke afspraken niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Ook kan bij de ondervraging door de rechter bij een verdachte een ongemakkelijk gevoel ontstaan, met name wanneer de verdachte geconfronteerd wordt met verklaringen die voor hem belastend zouden zijn. Ook dat hoeft niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

6.4 Het Hof heeft kennis genomen van de stukken van het dossier. Uit de beschikking van de kantonrechter kan worden opgemaakt dat de kantonrechter van oordeel is dat zij de zaak op een geregelde wijze diende af te doen waarbij limieten zijn gehanteerd over de verschillende processtappen. Ook blijkt dat zij tijdens de verhoren een kritische houding aan heeft genomen. Zij is van oordeel dat die kritische houding niet is omgeslagen in een houding die de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid heeft doen ontstaan.

6.5 Het Hof is, na kennisneming van de stukken van het dossier van oordeel dat, ongeacht de bedoeling van de kantonrechter, voornoemde handelingen en uitspraken van dien aard zijn geweest, dat zij, in onderling verband en samenhang beschouwd, objectief bezien zouden kunnen leiden tot de schijn van vooringenomenheid bij de kantonrechter. Om die reden zal het Hof de wraking van appellant gegrond verklaren. De beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd.

6.6 Het Hof zal de overige aangevoerde stellingen niet verder bespreken nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.

  1. Beslissing

Het Hof:

7.1 Vernietigt de beschikking van de kantonrechter [naam] d.d. 7 juli 2023, waarin de wraking ongegrond is verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

7.2 Verklaart de onderhavige wraking van [naam] gegrond;

7.3 bepaalt dat de griffier deze beslissing van het Hof dient toe te zenden aan appellant, de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar;

7.4 Bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen appellant wordt hervat en voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavig wrakingsverzoek, door een andere kantonrechter binnen de Unit Straf Eerste aanleg.

Aldus gegeven door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en A.C. Johanns, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2023 te Paramaribo, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E. Ommen-Dors.

 

SRU-HvJ-2023-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking ex artikel 439 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op het hoger beroep inzake de wraking

Parketnummer: 1-00976

In de zaak van

[Appellant],
verdachte, appellant in de wraking,
raadsman: mr, Murwin Dubois, advocaat,

betreffende het hoger beroep op de beschikking ex artikel 439 lid 1 Sv van de kantonrechter:
[naam],

geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

  1. Verloop van de procedure

Ter zitting van 7 juli 2023 heeft de raadsman namens de verdachte een schriftelijk verzoek tot wraking van [naam], de kantonrechter die de strafzaak tegen hem behandelt, overgelegd. De inhoud van genoemde akte van wraking wordt als hier letterlijk herhaald en ingelast beschouwd. De kantonrechter heeft op dezelfde dag op de wraking beslist. Daarbij heeft zij de wraking ongegrond verklaard.

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 aan de verdachte betekend. Tegen de beschikking heeft hij op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend.

  1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De beschikking van de kantonrechter is op 10 juli 2023 betekend. Appellant heeft op 11 juli 2023 hoger beroep aangetekend. Ingevolge artikel 439 lid 2 Sv kan een verdachte die een wraking heeft voorgedragen een dag na de betekening van de afwijzende beschikking van de kantonrechter, daartegen in beroep komen.

Appellant is derhalve ontvankelijk in het door hem aangetekende hoger beroep.

  1. De grondslag van de wraking

3.1 Appellant heeft in eerste aanleg – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek tot wraking:

De kantonrechter heeft op verscheidene momenten tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting alsook bij raadkamermomenten handelingen gepleegd die blijk geven van vooringenomenheid bij de behandeling van de zaak, namelijk:

  • Op 26 april 2023 is de mededeling gedaan door de kantonrechter dat de zaak binnen vijf maanden zal worden afgerond en dat in november 2023 de uitspraak komt. Toen was de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet aangevangen. Het is vreemd dat de kantonrechter reeds voor de aanvang van de zaak, die omvangrijk is, kan aangeven dat in november 2023 de uitspraak komt.
  • Op grond van deze mededeling zijn beslissingen genomen die geen wettelijke basis hebben en de rechten van de verdachte beknotten – ondanks het feit dat er een GVO is geweest moet beoogd worden de zaak op de zitting grondig en deugdelijk te behandelen. Beperkingen mogen, echter mag daarbij het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang komen.
  • Door de wens de zaak binnen vijf maanden af te wikkelen zijn beperkingen op- gelegd, doch alleen aan de zijde van de verdachten; de vervolging kreeg wel uitstel wanneer dat gevraagd werd; zo kreeg de vervolging onbeperkt ruimte om nog onderzoekshandelingen te plegen en stukken over te leggen. Ook is op 9 juni 2023 zonder enig misnoegen aan de zijde van de kantonrechter de officier uitstel vergund voor het requisitoir op een latere datum;
  • Artikel 256 SV schrijft voor: “geen blijk van enige overtuiging van schuld of onschuld van de verdachte”. Echter zijn tijdens de zitting de volgende uitlatingen gedaan: “het verbaast mij dat er sprake was van ongecontroleerde geldstromen” – “het komt overeen met scammen van malafide ondernemers in Afrika” – “het is duidelijk dat [naam 2] verdachte transacties heeft gepleegd, ook al gaat het om transacties vanaf de rekeningen van rechtspersonen” – “er moet niet worden gedaan alsof, want het zou niet anders geïnterpreteerd kunnen worden dan dat [naam 2] uiteindelijk het geld heeft gekregen.”

Deze uitspraken geven blijk van vooringenomenheid. Na deze uitspraken is het voor de verdachte duidelijk wat de uitspraak zal inhouden in november. De conclusie kan getrokken worden dat het om die reden is dat op de eerste dag al kon worden aangegeven dat er in november 2023 uitspraak komt.

3.2 Appellant concludeerde in eerste aanleg dat alle omstandigheden in samenhang bekeken, erop wijzen dat er sprake is van vooringenomenheid van de kantonrechter.

  1. De beschikking van kantonrechter

4.1 De kantonrechter heeft conform artikel 439 Sv beslist op de wraking.

4.2 Zij heeft de wraking ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij onder andere het volgende overwogen.

– de kantonrechter heeft ontkend dat zij blijk heeft gegeven van een oordeel over de schuld. Het kritisch ondervragen voelt misschien niet prettig aan, doch is een onderdeel van het onderzoek.

– met betrekking tot de uitlatingen oordeelt de kantonrechter dat de ondervraging binnen de grenzen van artikel 288 Sv heeft plaatsgevonden. De kritische houding is niet omgeslagen in een houding die de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid doet ontstaan.

– de termijnafspraken zijn gericht op een geregelde afdoening van de zaak, vooral voor de verdachten die in detentie zijn.

– voor het opbrengen van getuigen zijn tijdsafspraken gemaakt. Dat is niet in strijd met de mensenrechtenverdragen.

– het GVO heeft twee jaar geduurd. Daardoor brengt de ingewikkeldheid van de zaak niet perse met zich mee dat de zaak ook lang zou moeten duren op de terechtzitting.

De kantonrechter heeft in haar beslissing onder andere verwezen naar rechtspraak die handelt over het beperken van partijen in verband met een geregelde afdoening van de zaak. In de door haar aangehaalde rechtspraak wordt geoordeeld dat het opleggen van beperkingen niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van vooringenomenheid.

  1. De grieven tegen de beschikking van de kantonrechter

Appellant heeft de volgende grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd:

  • de subjectieve wrakingsgronden zijn niet door de kantonrechter beantwoord; er is niet gemotiveerd gereageerd op de door de wraker genoemde uitspraken van de kantonrechter; de kantonrechter heeft de uitspraken door haar gedaan niet betwist of ontkracht; de uitspraken zijn ondubbelzinnig en geven blijk van schuldpresumptie en vooringenomenheid; deze uitspraken leiden ertoe dat de verdachte vreest dat het aan onpartijdigheid ontbreekt; hoewel de uitspraken zijn gedaan met betrekking tot enkele verdachten hebben ook de overige verdachten geen vertrouwen erin dat de kantonrechter onpartijdig is; de garantie van een eerlijk proces is weggevallen.
  • de kantonrechter heeft een onjuiste rechtsopvatting over de artikelen 334 en 336 Sv.; de opvatting van de kantonrechter komt erop neer dat de zaak reeds in de fase van beoordeling is terwijl het onderzoek op de zitting nog niet is afgerond; ook hieruit blijkt de vooringenomenheid.
  • het verbinden van een tijdslimiet aan het opgeven van getuigen vindt geen steun in de wet. Artikel 245 Sv leidt ertoe dat de verdachten wel in de gelegenheid gesteld moeten worden om getuigen te doen dagvaarden en horen in elke stand van het geding.

Appellant blijft erbij dat er sprake is van feiten en omstandigheden die objectief de vrees rechtvaardigen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

De beoordeling van het hoger beroep van de wraking

6.1 Thans ligt de vraag ter beantwoording in hoeverre de in de akte van wraking genoemde uitspraken van de kantonrechter tijdens de verhoren en de gestelde tijdslimieten, onder andere in het opgeven van getuigen en de spreektijd, leiden tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals bedoeld in artikel 437 Sv..

6.2 Het Hof overweegt dat het bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die verdachte de vrees dienaangaande, objectief gerechtvaardigd is.

6.3 Het Hof overweegt voorts dat het, gelijk uit de rechtspraak blijkt, voor de geregelde afdoening van zaken, geoorloofd is met partijen afspraken te maken over het verloop van het proces en over spreektijd. Op zich hoeven dergelijke afspraken niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt. Ook kan bij de ondervraging door de rechter bij een verdachte een ongemakkelijk gevoel ontstaan, met name wanneer de verdachte geconfronteerd wordt met verklaringen die voor hem belastend zouden zijn. Ook dat hoeft niet te leiden tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

6.4 Het Hof heeft kennis genomen van de stukken van het dossier. Uit de beschikking van de kantonrechter kan worden opgemaakt dat de kantonrechter van oordeel is dat zij de zaak op een geregelde wijze diende af te doen waarbij limieten zijn gehanteerd over de verschillende processtappen. Ook blijkt dat zij tijdens de verhoren een kritische houding aan heeft genomen. Zij is van oordeel dat die kritische houding niet is omgeslagen in een houding die de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid heeft doen ontstaan.

6.5 Het Hof is, na kennisneming van de stukken van het dossier van oordeel dat, ongeacht de bedoeling van de kantonrechter, voornoemde handelingen en uitspraken van dien aard zijn geweest, dat zij, in onderling verband en samenhang beschouwd, objectief bezien zouden kunnen leiden tot de schijn van vooringenomenheid bij de kantonrechter. Om die reden zal het Hof de wraking van appellant gegrond verklaren. De beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd.

6.6 Het Hof zal de overige aangevoerde stellingen niet verder bespreken nu deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.

Beslissing

Het Hof:

7.1 Vernietigt de beschikking van de kantonrechter [naam] d.d. 7 juli 2023, waarin de wraking ongegrond is verklaard;

en opnieuw rechtdoende:

7.2 Verklaart de onderhavige wraking van [naam] gegrond;

7.3 bepaalt dat de griffier deze beslissing van het Hof dient toe te zenden aan appellant, de kantonrechter en de vervolgingsambtenaar;

7.4 Bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen appellant wordt hervat en voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavig wrakingsverzoek, door een andere kantonrechter binnen de Unit Straf Eerste aanleg.

Aldus gegeven door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. M.C. Mettendaf en A.C. Johanns, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 4 augustus 2023 te Paramaribo, door de fungerend-president voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E. Ommen-Dors.