SRU-HvJ-2024-6

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Beslissing van 14 oktober 2024

Op het hoger beroep ingediend door:

De vervolgingsambtenaar, MR. R. KOENDAN, namens het OPENBAAR MINISTERIE, appellant contra de verdachte [NAAM],

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake beklag ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 9 juli 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1. Procesverloop
1.1 Mr. R. Koendan heeft namens het Openbaar Ministerie op donderdag 11 juli 2024 hoger beroep ex artikel 232 Sv. aangetekend bij het Hof van Justitie (hierna: Hof) tegen de gewraakte beschikking van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 9 juli 2024.

1.2 Het Hof heeft op 12 juli 2024 bepaald dat de behandeling van het beroepschrift in raadkamer zal plaatsvinden op maandag 12 augustus 2024 om 11.00 uur des voormiddags.

1.3 De behandeling van het beroepschrift in Raadkamer heeft plaatsgevonden op maandag 12 augustus 2024, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt.

1.4 Daarna is bepaald dat in deze zaak een beslissing zal volgen op heden.

2. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – als grieven aangevoerd dat:
2.1. primair de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek en dat de beschikking van de Kantonrechter wordt vernietigd, omdat appellant heeft gemerkt dat de termijn van 3 dagen niet in acht is genomen bij het indienen van het bezwaarschrift. De dagvaarding is op 12 juni 2024 betekend aan de verdachte. Het bezwaarschrift van de verdachte is wel gedateerd 14 juni 2024, maar uit de oproepbeschikking van de kantonrechter blijkt dat het bezwaarschrift is ingediend op 18 juni 2024. Naar de mening van appellant moest [naam] niet-ontvankelijk verklaard worden door de Kantonrechter. Hieraan is de Kantonrechter voorbij gegaan.

2.2. secundair de beschikking van de Kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de terechtzitting om verder behandeld te worden. Appellant is van mening dat de Kantonrechter onterecht heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden geen ernstige bezwaren opleveren tegen de verdachte en dat aan de hand van het onderzoek er geen termen aanwezig zijn dat er sprake zou kunnen zijn van Money Laundering. Het gaat erom dat de belastingdienst heeft gevraagd om een onderzoek in te stellen, omdat is gebleken dat het zuiver inkomen dat de verdachte aangeeft bij de belastingdienst helemaal niet overeenkomt met het uitgavenpatroon van hem. Er is een onderzoek geweest en het blijkt dat de verdachte meerdere ondernemingen en vermoedelijk meerdere inkomsten heeft
die de belastingdienst niet heeft bereikt. De verdachte heeft maar één bedrijf geregistreerd bij de belastingdienst terwijl hij zelf heeft aangegeven dat hij meerdere bedrijven heeft. Er is onderzoek gedaan bij MI-GLISS waaruit blijkt dat deze verdachte 22 eigendomspercelen heeft. Deze eigendomspercelen zijn ondergebracht in 14 stichtingen. Deze verdachte geeft aan dat hij 2 keer geld geleend heeft bij zijn oom die in Amerika woont, maar het is opmerkelijk dat hij die investeringen heeft gedaan voordat hij geld geleend heeft bij zijn oom. Zijn oom is ook gehoord en hij geeft aan dat hij in het jaar 2021 een lening had verstrekt aan [naam]. De verdachte geeft aan dat hij een tweede lening heeft genomen bij zijn oom in de tweede helft van het jaar 2022 waarbij hij een bedrag van USD 3.3 miljoen heeft geleend en waarvan hij een schuldbekentenis heeft die echter alleen door hem is ondertekend. Aan de hand van het vermogen van de verdachte heeft hij voordat de leningen zijn verstrekt investeringen gepleegd. Hij heeft percelen contant gekocht en betaald. Een bedrag van EURO 1 miljoen is 8 tot 9 jaar geleden contant betaald om percelen aan te schaffen. De verdachte heeft tot nu toe niet kunnen aantonen hoe hij aan de gelden is gekomen. Zijn legale bron van inkomsten kan dus niet geverifieerd worden. De belastingdienst heeft in hun schrijven aangegeven dat er sprake is van belastingontduiking. In de jurisprudentie heeft de Hoge Raad aangegeven dat vermogensbestanddelen afkomstig van de belastingontduiking ook vallen onder vermogen dat afkomstig is van een misdrijf. Verder geeft de wet limitatief aan wanneer er sprake is van buitenvervolgingstelling en de Kantonrechter heeft dat niet kunnen motiveren.

3. De reactie van de verdediging van de verdachte.
3.1. De verdediging stelt dat zij duidelijk aannemelijk en aantoonbaar hebben gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en wel op 14 juni 2024. Het stuk is ingediend op 14 juni 2024 en verwerkt op een andere datum. Dit kan nooit aan [naam] worden toegerekend.

3.2. De Rechter-Commissaris is op enig moment tot de conclusie gekomen dat de
inverzekeringstelling ten aanzien van [naam] niet langer noodzakelijk was.

3.3. De dagvaarding is te lichtvaardig. Volgens Tekst en Commentaar biedt de procedure zoals die geregeld is in art. 243 Sv. een waarborg tegen een lichtvaardige dagvaarding en daarmee tegen een nodeloze openbare terechtzitting voor [naam] en dient derhalve de vraag gesteld te worden of het “hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de door hem geleverde bewijsvoering het ten laste gelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.’’ Verder wordt in Tekst en Commentaar gesteld “ook de doeltreffendheid van (juridische verweren) dient met inachtneming van het summiere karakter van de procedure te worden beoordeeld.”

3.4. Bij het toepassen van het criterium is de Kantonrechter het ook eens geweest met wat de verdediging naar voren heeft gebracht dat het G.V.O. niet die bewijzen heeft kunnen verzamelen die het ten laste gelegde feit zal kunnen bewijzen en dat het dientengevolge hoogst onwaarschijnlijk is dat de Kantonrechter het ten laste gelegde feit deels of geheel bewezen zal achten.

4. De gewraakte beschikking
De Kantonrechter heeft in de gewraakte beschikking – kort gezegd – overwogen dat de feiten en omstandigheden geen ernstige bezwaren opleveren ten aanzien van de verzoeker/verdachte van de aan hem verweten feiten. Verder dat aan de hand van het onderzoek geen termen aanwezig zijn dat er sprake zou kunnen zijn van Money Laundering. De kantonrechter komt tot de slotsom dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hij later oordelend tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring zal komen en derhalve acht de Kantonrechter termen aanwezig die de buitenvervolgingstelling van de verzoeker/verdachte rechtvaardigen.

5. De beoordeling
5.1. Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer dat is opgeworpen door de vervolging oordeelt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdediging voldoende aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en wel op 14 juni 2024. Nu de dagvaarding op 12 juni 2024 aan de verdachte is betekend is het bezwaarschrift met inachtneming van de termijn van drie dagen zoals bedoeld in artikel 243 lid 1 Sv.
ingediend, weshalve het daartoe strekkend verweer van de vervolging zal worden verworpen. Aan het voorgaande doet niet af dat de Kantonrechter in de oproepingsbeschikking als datum van indiening van het bezwaarschrift de datum van 18 juni 2024 heeft vermeld. Immers heeft dezelfde Kantonrechter in de beroepen beschikking de datum van 14 juni 2024 als indieningsdatum van het bezwaarschrift vermeld (zie aanhef van de beschikking van de Kantonrechter alsmede het kopje “ontvankelijkheid voor het indienen van het bezwaarschrift”). Gelet op het voorgaande zal het Hof het er in casu voor houden dat de vermelding van de datum van 18 juni 2024 als indieningsdatum in de oproepbeschikking op een verschrijving berust.

5.2. De centrale vraag waar het in casu om draait is of er in casu al dan niet sprake is van een lichtvaardige vervolging casu quo dat de verdachte op ontoereikende gronden in het openbaar dient terecht te staan. De vervolging beantwoordt deze vraag in ontkennende zin terwijl de verdediging en de Kantonrechter voormelde vraag in bevestigende zin beantwoorden. Het Hof zal in het hierna volgende op deze vraag ingaan.

5.3. In de visie van het Hof betreft het in dit kader een summier onderzoek en zal het Hof niet volledig op de stoel van de zittingsrechter gaan zitten maar slechts op het puntje van die stoel plaatsnemen. Die positionering op de stoel van de zittingsrechter doet na kennisname van het strafdossier in samenhang bezien met de tenlastelegging zoals die in de dagvaarding is opgenomen, de balans in de richting van de vervolging omslaan. De door de vervolging aangevoerde gronden bieden vooralsnog in de visie van het Hof voldoende aanleiding om de verdachte op toereikende gronden in het openbaar te doen terechtstaan. Al hetgeen de verdediging diengaande heeft aangevoerd wordt met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen.

5.4. De consequentie van al hetgeen hiervoor is overwogen is dat het hoger beroep gegrond is weshalve de gewraakte beschikking zal worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het bezwaar gegrond worden verklaard en zal de zaak worden terug verwezen naar de Kantonrechter ter afdoening met in achtneming van de beslissing van Hof.

6. Beslissing in hoger beroep

6.1. Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking gegrond;

6.2. Vernietigt de beschikking van de Kantonrechter gegeven in het Tweede Kanton op 9 juli 2024, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

6.3. Verwijst de zaak terug naar de Kantonrechter in het Tweede Kanton ter afdoening met inachtneming van de beslissing van het Hof;

6.4. De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van een nader door de Kantonrechter in het Tweede Kanton vast te stellen datum en tijdstip;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 14 oktober 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.J.S. Bradley en mr. C. L. Ravenberg, rechters met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.

w.g. Z. de Lisle   w.g. A. Charan
                            w.g. S. Bradley
                            w.g. C. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2024-5

Beslissing
HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Beslissing van 11 november 2024

op het hoger beroep ingediend door:
VEIRA, DANIELLE REANA KARIN,
wonende aan de [adres] te [plaats], appellante,
advocaten: mr. J. Kraag en mr. C.A.F. Meijnaar,

Het hoger beroep is gericht tegen de beschikking inzake klaagschrift ex artikel 243 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) van de Krijgsraad in eerste aanleg de dato 12 februari 2024, hierna te noemen de gewraakte beschikking;

1.Procesverloop

1.1. De advocaten van appellante hebben op dinsdag 20 februari 2024 een beroepschrift ex artikel 232 jo artikel 243 WvSv ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) tegen de gewraakte beschikking;

1.2. Voormeld beroepschrift is in behandeling genomen op 11 maart 2024 en vervolgens voortgezet op respectievelijk 22 april 2024, 24 juni 2024, 22 juli 2024 en 14 oktober 2024 waarbij appellante en de waarnemend Procureur – Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken
bevinden.

1.3. Daarna is bepaald dat op 11 november 2024 in deze zaak een beslissing zal volgen.

2.Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep – voor zover van belang – de
navolgende grieven aangevoerd:

1.1. De dagvaarding is te lichtvaardig. Veira Danielle is voor 6 strafbare feiten gedagvaard, maar de Krijgsraad heeft ten aanzien van de laatste 3 strafbare feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen geen overweging opgenomen in de beschikking.

1.2. Tijdens het G.V.O. zijn er feiten aangehaald waaruit duidelijk blijkt dat je Veira Danielle ten aanzien van Overtreding van de Vuurwapenwet en oplichting geen verwijt zou kunnen maken. Uit het G.V.O blijkt duidelijk dat ten aanzien van Overtreding van de Vuurwapenwet er een beleid is binnen de Dienst Nationale Veiligheid (hierna: D.N.V.) dat er wapenpasjes en wapens worden verstrekt aan burgers. Het feit dat Veira Danielle hiervoor wordt vervolgd terwijl anderen voorheen en nog steeds wapenpasjes en wapens verstrekken aan burgers niet worden vervolgd, is naar onze mening in strijd met de algemene beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht namelijk het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

1.5. Ten aanzien van oplichting dan wel poging tot oplichting is gebleken dat er geen aangifte zou zijn gedaan door de voormalige Procureur-Generaal. Hij is slechts door de politie gehoord en dus niet onder ede gehoord. Hij is van mening dat hij slechts op één brief een beslissing heeft genomen. Bij oplichting zou er een formele aangifte moeten zijn. Als het een operatie is van D.N.V. om een onderneming te beveiligen en Veira, Danielle als hoofd van D.N.V. die handelingen heeft uitgevoerd dan zou er geen sprake kunnen zijn van oplichting, omdat zij die hoedanigheid had van hoofd van D.N.V.

1.6. In de beschikking wordt er verwezen naar enkele processen-verbaal en ik begrijp dat er bij een bezwaarschrift een summierlijke toets zou moeten plaatsvinden, maar bij een summierlijke toets zou het dossier wel moeten worden doorgenomen vooral wanneer er een G.V.O. heeft plaatsgevonden. In de beschikking van de Krijgsraad zult U zien dat er delen van de verhoren worden geciteerd die bij de politie zijn afgelegd. De toenmalige Korpschef Prade geeft in zijn verklaring onder ede afgelegd bij de Rechter-Commissaris aan dat hij uit de woorden van mevrouw Veira, Danielle heeft begrepen dat zij niet zeker wist dat het om een D.N.V. actie ging en dat zij hem heeft aangegeven dat zij het zou onderzoeken. De vraag is dan of je als Krijgsraad hieraan voorbij moet gaan tijdens de summierlijke toets. Ook de verklaringen van [naam 1] geven aan dat Veira, Danielle toevallig te weten is gekomen dat er een actie werd uitgevoerd.

1.7. Ten aanzien van de zaken zoals medeplegen aan gijzeling en huisvredebreuk zijn wij van mening dat je Veira Danielle niet terecht zal moeten laten staan. Hierbij zal zij zaken van D.N.V. moeten uitkleden. Bij de Rechter-Commissaris heeft zij ook moeten uitleggen hoe die organisatie werkt. Om haar geen verwijt te kunnen maken moet je eerst weten hoe de organisatie werkt. Het lijkt lichtvaardig als Veira Danielle dit in het openbaar zou moeten doen terwijl er nu al verklaringen zijn die voor haar ontlastend zouden kunnen zijn.

1.8. Verder wordt haar medeplegen van diefstal verweten terwijl de persoon van [naam 2] bij wie de spullen van [naam 3] zijn aangetroffen door de Kantonrechter is vrijgesproken van diefstal dan wel heling en het Openbaar Ministerie is daarbij ook niet in beroep gegaan. Het is dan niet redelijk dat Veira, Danielle diefstal wordt verweten.

3.De reactie van de Vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat zij zich terug kan vinden in de beslissing en de overwegingen van de Krijgsraad en dat zij persisteert bij de reactie van de auditeur-militair. Zij doet het verzoek aan het Hof om de beschikking van de Krijgsraad te bevestigen en het hoger beroep van appellante ongegrond te verklaren.

4.De beoordeling

4.1. Appellante is op 20 februari 2024 in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de Krijgsraad d.d. 12 februari 2024 hetwelk op 15 februari 2024 aan haar is betekend. Gelet op het bepaalde in artikel 232 Sv is appellante tijdig in hoger beroep gekomen en derhalve ontvankelijk in het hoger beroep.

4.2. De grieven en het verweer van de verdediging in onderling verband en samenhang beschouwend komt het Hof tot de slotsom dat het Hof zich kan verenigen met de overwegingen en de beslissing van de Krijgsraad.

4.3. Grief 1 betreft de vraag wat de consequentie is van het feit dat de Krijgsraad in de beroepen beschikking niet is ingegaan op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de onderdelen IV tot en met VI van de tenlastelegging. Grief 2 behelst min of meer hetzelfde als grief 1 met als aanvulling dat de Krijgsraad bewust geen acht heeft geslagen op getuigenverklaringen die tijdens het gerechtelijk voor onderzoek ten overstaan van de Rechter-Commissaris onder ede zijn afgelegd.

4.4. Het Hof zal beide grieven – gelet op de onderlinge samenhang daarvan – simultaan aan een bespreking onderwerpen. Naar het oordeel van Hof nodigen de door de verdediging opgeworpen grieven uit tot een integrale inhoudelijke bespreking/beoordeling van de zaak. Op die uitnodiging zal het Hof – gelet op het karakter van de bezwaarschriftprocedure – niet ingaan. Met betrekking tot het feit dat de Krijgsraad met geen woord gerept zou hebben omtrent de onderdelen IV tot en met VI van de tenlastelegging is het Hof van oordeel dat het voorgaande niet als consequentie heeft dat de beschikking van de Krijgsraad aan vernietiging onderhevig is. Immers is dat een overweging ten overvloede geweest van de Krijgsraad en heeft de Krijgsraad in wezen – in de visie van het Hof – met de dragende overweging “ In de visie van de Krijgsraad – gelet op minimale inhoud van verklaringen van bepaalde personen zoals hierboven vermeld – noopt het tot verder diepgaand onderzoek en zal het derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk zijn dat de Krijgsraad later oordelend, tot een gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring van de aan klaagster ten laste gelegde feiten zal komen. Blijkens de literatuur (zie Prof. Mr. G.J.M. Corstens, het Nederlands Strafprocesrecht, 2e druk, pagina 475) dienen feitelijke verweren niet ten gronde in het kader van deze procedure, doch slechts marginaal te worden beoordeeld. Voorts dient de bezwaarschriftrechter niet zelf op de stoel van de zittingsrechter te gaan zitten, maar op het puntje daarvan en moet ex ante marginaal toetsen. Cruciaal is daarbij het antwoord op de vraag of de verdachte al dan niet op ontoereikende gronden in het openbaar terecht dient
te staan.’’, de kern aan de orde gesteld.

4.5. Het Hof kan zich – zoals eerder aangegeven – verenigen met deze zienswijze van de Krijgsraad. De grieven die zijn aangevoerd door de verdediging worden met het voorgaande geacht te zijn besproken en verworpen. In de visie van het Hof betreft de bezwaarschriftprocedure een summiere procedure waarbij slechts het tipje van de spreekwoordelijke sluier wordt gelicht. En bij het lichten van het tipje van de spreekwoordelijke sluier blijkt het in de visie van het Hof niet te gaan om een lichtvaardige vervolging casu quo dat de verdachte op ontoereikende gronden in het openbaar zal moeten terecht staan.

4.6. Op grond van het bovenstaande zal het Hof de grieven van de appellante ongegrond verklaren en de beschikking van de Krijgsraad bevestigen.

5. Beslissing in hoger beroep

5.1 Verklaart het ingesteld hoger beroep tegen de gewraakte beschikking ongegrond;

5.2 Bevestigt de beschikking van de Krijgsraad in eerste aanleg de dato 12 februari 2024, waarvan beroep;

5.3 Verwijst de zaak terug naar de Krijgsraad in eerste aanleg ter afdoening met inachtneming van de beslissing van het Hof;

5.4. De zaak zal daartoe worden afgeroepen ter rolle van een nader door de Krijgsraad vast te stellen datum en tijdstip;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 11 november 2024 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en kolonel D. Kamperveen, rechters, met bijstand van mevrouw Z.T.B. de Lisle, LL.B., ad hoc Fungerend-Griffier.

w.g. Z. de Lisle    w.g. A. Charan
                            w.g. S. Punwasi
                            w.g. D.Kamperveen

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-K1-2025-7

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202502040
23 mei 2025

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. OPTSU, rechtspersoonlijkheid bezittende politieke organisatie gevestigd te Paramaribo,
B. RAMNANDANLAL, HENK RADJINDER, wonende in het [district] ten deze domicilie kiezende te Paramaribo,
C. TAUS, MOEHAMMAD IMRAAN, wonende te [plaats],
D. KOENDJBIHARIE, ANIEL, wonende te [plaats],
E. D-TV EXPRESS NV, gevestigd te Paramaribo,
hierna gezamenlijk te noemen: “OPTSU e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “OPTSU, Ramnandanlal, Taus Koendjbiharie en D-TV NV”,
eisers,
gemachtigde: mr. A.W.R. Kanhai, advocaat,

tegen

A. RAPAR BROADCASTING NETWORK NV, gevestigd te Paramaribo,
hierna te noemen: “RBN NV”,
gemachtigde: mr. Ch. A. Algoe, advocaat,

B. SANTOKHI, CHANDRIKAPERSAD, in persoon, als President van de Republiek Suriname en als voorzitter van de Verenigde Hervormingspartij, wonende in het district Wanica en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: “Santokhi, de President en de voorzitter van de VHP”,
gemachtigde: mrs. A.R. Baarh en N.A.S Ramnarain, advocaten,
gedaagden.

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • de verzoekschriften welke met producties op 21 mei 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 23 mei 2025;
  • de conclusie van antwoord met productie van de zijde van RBN NV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Santokhi in persoon, de President en voorzitter VHP;
  • de mondelinge conclusie van repliek van de zijde van OPTSU e.a.
  • de mondelinge conclusie van dupliek van de zijde van de RBN NV;
  • de mondelinge conclusie van dupliek van de zijde van Santokhi, in persoon, als President en als voorzitter van de VHP;
  • de aantekeningen van de griffier.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 De President heeft, in verband met de te houden algemene vrije verkiezingen op zondag 25 mei 2025, bij resolutie de dato 12 mei 2025 bureau no. 9061/25 maatregelen getroffen welke inhouden dat het vanaf vrijdag 23 mei 2025 te 24.00 uur tot en met maandag 26 mei 2025 te 12.00 uur het verboden is om onder andere politieke propaganda via de media en publieke bijeenkomsten te houden.

2.2 Voor zaterdag 24 mei 2025 om 10.00 uur is aangekondigd een live mediashow van President Chan Santokhi via radio en televisie van RBN NV.

2.3 RBN NV heeft bij brief de dato 23 mei 2025 aan het gerecht kenbaar gemaakt dat zij afziet van het programma Kal Aaj Aur Kal waarin de president van de Republiek Suriname als gast zou optreden.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 OPTSU e.a. vorderen dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. RBN NV verbiedt om op 24 mei 2025 een programma uit te zenden via de radio en/of de televisie en/of de virtuele zender en/of weblink, waarin Santokhi zij het in persoon, President of voorzitter van de VHP participeert, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 500.000, – (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar).
b. RBN NV gelast om binnen 01 (één) uur na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, een advertentie plaatst inhoudende dat Santokhi niet zal participeren in radio en/of televisie programma’s welke door of vanwege haar uitgezonden zal worden op 24 mei 2025, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – (één honderdduizend Surinaamse dollar) voor elk uur dat RBN NV in strijd handelt met het gevorderde.
c. Santokhi verbiedt om op 24 mei 2025 te participeren aan radio en/of televisie programma’s, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – (één honderdduizend Surinaamse dollar).
d. RBN NV en Santokhi verbiedt om te handelen in strijd met de resolutie van de President de dato 12 mei 2025, no. 961/25 onder verbeurte van een dwangsom van SRD 100.000, – (één honderdduizend Surinaamse dollar) voor elke keer dat zij in strijd handelen met het gevorderde.
e. RBN NV veroordeelt om aan hen te betalen SRD 20.000, – (twintigduizend Surinaamse dollar) zijnde het honorarium van hun gemachtigde.
f. RBN NV en Santokhi veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 OPTSU e.a. leggen aan hun vordering ten grondslag dat in strijd met de resolutie van de President de dato 12 mei 2025, no. 9061/25 Santokhi zal participeren aan een radio/televisie programma, terwijl hij kandidaat is voor de op 25 mei 2025 te houden algemene en vrije verkiezingen.

3.3 RBN NV heeft bij brief de dato 23 mei 2025 kenbaar gemaakt dat zij afziet van het programma Kal Aaj Aur Kal waarin de president van de Republiek Suriname als gast zou optreden.

3.4 OPTSU e.a. hebben hun eis verminderd, wat inhoud dat het gevorderde onder a en b niet meer meegenomen wordt in de beoordeling van deze zaak.

3.5 RBN NV en Santokhi hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 RBN NV e.a. stellen dat OPTSU, als gevolg van het feit dat het gewraakte programma geen voorgang zal vinden, geen belang heeft bij haar vordering, omdat RBN NV het voor 24 mei 2025 aangekondigd interview met de President geen voorgang zal laten plaatsvinden. Alhoewel het door RBN NV aangekondigd programma geen voortgang zal vinden en OPTSU e.a. hun vordering hebben verminderd, met wat door hen in a en b is gevorderd, nog overeind blijft de beslissing over wat in c t/m f is gevorderd. De kantonrechter zal derhalve OPTSU e.a. ontvangen in hun vordering van c t/m f.

4.2 OPTSU e.a. hebben, zakelijk weergegeven, gesteld dat bij resolutie van de President de dato 12 mei 2025 bureau no. 9061/25 maatregelen zijn getroffen welke inhouden dat het vanaf vrijdag 23 mei 2025 te 24.00 uur tot en met maandag 26 mei 2025 te 12.00 uur verboden is om onder andere politieke propaganda via de media en publieke bijeenkomsten te houden. Dat participatie van Santokhi aan een live praatprogramma met zich mee zal brengen dat de President en de voorzitter van de VHP worden vereenzelvigd. Dat de participatie van Santokhi aan een praatprogramma als propaganda zou kunnen worden aangemerkt.

RBN NV heeft, zakelijk weergegeven, dat haar praatprogramma KAAK gasten uitnodigt voor een vraaggesprek om informatie, meningen of inzichten te verkrijgen. Dat politieke propaganda betrekking heeft op het verspreiden van informatie, ideeën of argumenten met als doel de publieke opinie te beïnvloeden. Dat politieke propaganda gekenmerkt wordt door het gebruik van sterke taal, symbolen of beelden om emoties op te wekken, het weglaten of verdraaien van feiten om een eenzijdig beeld te scheppen, steeds terugkerende slogans of boodschappen om ze in de geheugen te prenten en het aanwijzen van een gemeenschappelijke vijand. Terwijl voorlichting neutraal en feitelijk behoort te zijn. Dat OPTSU e.a. aannemen dat elk optreden van de President een politiek optreden is. Dat resolutie 9061/25 onder andere tot doel heeft om politieke propaganda via media en politieke bijeenkomsten te verbieden ter voorkoming van verstoring van de openbare orde op weg naar de verkiezingen. Dat resolutie 9061/25 nimmer tot doel heeft om de President de mogelijkheid te ontnemen om met de bevolking te communiceren.

Santokhi heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat OPTSU e.a. bloot beweren dat het luister- en kijkpubliek geen onderscheid zal kunnen maken tussen de President en de voorzitter van de VHP. Dat het electoraat een praatprogramma niet als propaganda zullen interpreteren. De vordering van OPTSU e.a. gebaseerd is op blote vermoedens dat hij in strijd met resolutie 9061/25 zal handelen. Dat het artikel van het journalistencollectief geen bewijs is dat er sprake is van overtreding van resolutie 9061/25. Dat er in deze van vereenzelviging van de President en de voorzitter van de VHP geen sprake is

4.3 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van OPTSU e.a. dat er sprake is van vereenzelviging van de President met de voorzitter van de VHP. Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake van vereenzelviging wanneer gedragingen en verplichtingen van een rechtspersoon door de doorbreking van de rechtspersoonlijkheid aan een ander worden toegerekend. Daarvan is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is in het onderhavig geval daarvan geen sprake. In het onderhavig geval is er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter sprake van het feit dat Santokhi tegelijk de functie van President en van voorzitter van de VHP bekleed, waardoor er mogelijk bij personen in de samenleving verwarring zou kunnen ontstaan over de functie waarin Santokhi op het moment van het afstaan van het interview optreedt, geven de op handen zijnde verkiezingen. Voorts dat de door Santokhi, bij het interview verstrekte informatie door bepaalde personen als propaganda kunnen worden aangemerkt.

4.4 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van OPTSU e.a. dat het optreden van de President in een praatprogramma zou betreffen politieke propaganda. OPTSU e.a. hebben geen feiten en of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten blijken dat Santokhi het oogmerk heeft om politieke propaganda te maken bij zijn deelname aan het praatprogramma. De kantonrechter zal daarom de vordering tot het verbieden van RBN NV e.a. om het verbod in resolutie 9061/25 te overtreden afwijzen.

4.5 De kantonrechter zal de vordering van OPTSU e.a. om RBN NV te veroordelen om het honorarium van hun gemachtigde te voldoen afwijzen. Een dergelijke vordering kan, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, slechts worden toegewezen wanneer zou komen vast te staan dat er sprake is van misbruik van het procesrecht door RBN NV. Niet aannemelijk is gemaakt dat RBN NV zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht.

4.6 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.7 OPTSU e.a. zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van RBN NV e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) elk zijnde het liquidatietarief.

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het gevorderde,

5.2 veroordeelt OPTSU e.a., des de een betalende de andere zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van RBN NV e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) elk,

5.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de
kantonrechter in Kort geding in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei op 23 mei 2025 te Paramaribo, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2004-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14177

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba, [adres 1 ] mede kantoorhoudend te Paramaribo aan [adres 2 ], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten,        appellante in conventie en in reconventie in Kort Geding,

 t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden , Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in conventie en in reconventie in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs beschikking van 21 november 2003 en het interlocutoir vonnis van 20 februari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:                        

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat het Hof overneemt en volhardt bij hetgeen daaromtrent in laatstvermeld vonnis is overwogen en beslists en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partij  [appellant] vertegenwoordigd door [naam 1], tevens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland; Partij stichting Dim vertegenwoordigd door [naam 2 ] eveneens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast  te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – eveneens hier als ingelast te beschouwen – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 juni 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat het  Hof volhardt bij het tussenvonnis van 20 februari 2004 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

In conventie:

Overwegende, dat appellante ter gelegenheid van de op 19 april 2004 gehouden inlichtingencomparitie – voor zover ten deze van belang – heeft verklaard, dat het aantal personeelsleden in dienst van haar 286 bedraagt; dat deze personeelsleden in vaste dienst van haar – appellante – zijn; dat het aantal personeelsleden in vaste dienst van haar – appellante – de eerste twee jaren 200 bedroeg, welk aantal naderhand toenam en dat dat aantal momenteel 286 bedraagt; dat de investeringen door haar – appellante – in gedeelten van het bedrijfspand hebben bedragen US$ 500.000, waarvan het bedrag van 4.3 miljoen US$ geinvesteerd is in de gehele infrastructuur van het gebouw, terwijl de rest besteed is aan de aanschaf van machines; dat zij – appellante – per werknemer gemiddeld US$ 350 (per maand, naar het Hof aanneemt) betaalt; dat het totale bedrag neerkomt op 286 x US$ 350; dat behalve voormeld bedrag, betaalt zij – appellante – voor medische voorziening, transport etc.etc.; dat de werknemers ook aandelen hebben in de winst; dat haar werknemers, geregistreerd zijn bij het Ministerie van Arbeid; dat de werknemers verzekerd zijn tegen ongevallen en voor medische behandeling in aanmerking komen;

Overwegende, dat geintimeerde voormelde verklaring niet, althans niet gemotiveerd heeft betwist, zodat naar ’s Hoven voorlopig oordeel, de juistheid daarvan tussen partijen thans in rechte vaststaat;

Overwegende wijders, dat nu het tegendeel niet gebleken is, het Hof ervan uitgaat en mitsdien aanneemt, dat appellante noch op korte – noch middellange termijn de beschikking zal hebben over adequate ruimte, althans over ruimte geschikt om daarin haar bedrijf onder te brengen en de exploitatie daarvan te continueren;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot de uitgaven die geintimeerde gedaan heeft, de lening door haar gesloten, het contract met een aannemer aangegaan en de andere afspraken door haar met derden gemaakt, opmerkt, dat zij – geintimeerde – daartoe overgegaan is zonder rekening te hebben gehouden met de mogelijkheid van het aantekenen van hoger beroep door appellante en het feit dat het Hof, anders dan de Kantonrechter heeft beslist, zou kunnen beslissen, zodat het Hof aan de zijdens geintimeerde gepleegde verrichtingen, aangehaald in het proces-verbaal ter gelegenheid van de gehouden inlichtingencomparitie, als prematuur, voorbijgaat;

Overwegende, dat nu bevestiging van het beroepen vonnis ongetwijfeld de ontruiming door appellante van de ruimte(n) waarin haar bedrijf gevestigd is tot gevolg zal hebben, doch het Hof de gevolgen van een dergelijke beslissing voor, in het bijzonder de 286 werknemers met betrekking tot hun positie c.q. rechtspositie, niet voldoende kan overzien, rest het Hof niets anders dan onder vernietiging van het beroepen vonnis, de gevraagde voorziening alsnog te weigeren, ook al is op deze grond voor weigering van de gevraagde voorziening in het onderhavige geding geen beroep gedaan, nu de aard van het onderhavige geding afwijking  van de regel dat de appelrechter slechts tot taak heeft de aangevoerde grieven te onderzoeken, ook voor het appel in kort geding zal gelden, in casu nodig maakt;

Overwegende toch, dat het bijzondere karakter van de onderhavige procedure meebrengt dat de rechter die van oordeel is, dat hij de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien, de vrijheid moet hebben op die grond de gevraagde voorziening te weigeren, ook al is op deze grond voor afwijking van de vordering in kort geding geen beroep gedaan;

Overwegende, dat dit zowel voor de eerste aanleg, waarin deze bevoegdheid van de Kantonrechter in Kort Geding erkenning vindt als voor het hoger beroep, geldt (zie Doek c.s.nt.5 bij aant.1 op art 291 Rv.)

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden, met veroordeling van geintimeerde in de kosten van beide instanties; 

In reconventie:

Overwegende, dat nu het Hof aan de hand van de tussen partijen gewisselde gedingstukken zowel in prima als in hoger beroep en de door hen verschafte inlichtingen ter gelegenheid van de blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal gehouden inlichtingencomparitie, gebleken is, dat deze zaak zonder onherstelbaar nadeel uitstel gedoogt om op de gewone wijze voor de kantonrechter zelve te worden behandeld, zal het Hof  partijen naar de gewone wijze van rechtspleging verwijzen, onder verwijzing van appellante in de proceskosten, nu toepassing van artikel 228 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waar het Hof in casu van uitgaat, weigering van de gevraagde voorziening betekent;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

In conventie en in reconventie:

Vernietigt het vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken op 30 juli 2003 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

In conventie:

Weigert alsnog de gevraagde voorziening aan geintimeerde;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten  van beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en begroot:

in eerste aanleg op SRD 125 ;

en in hoger beroep op SRD 125;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaten  voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 125 ;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van geintimeerde eveneens op SRD 125 ;

In reconventie:

Verwijzen partijen naar de gewone wijze van rechtspleging;

Veroordeelt geintimeerde in de kosten van beide instanties aan de zijde van appellante gevallen en begroot:

in eerste aanleg op SRD 125 ;

en in hoger beroep op SRD 125 ;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaten voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 125 ;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van geintimeerde eveneens op SRD 125 ;

In conventie en in reconventie:

Aldus gewezen door : Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 16 juli 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.N.P.Tjin A Djie namens  haar gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. 

SRU-aa–2769

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14177

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba, [adres 1] mede kantoorhoudend te Paramaribo aan [adres 2], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten,    appellante in conventie en in reconventie in Kort Geding,

t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in conventie en in reconventie in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hofs beschikking van 21 november 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:                        

In conventie en in reconventie:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in voormelde beschikking is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna over en weer repliek – en dupliek pleidooi hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 23 januari 2004, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

In conventie en in reconventie:

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht te gelasten een comparitie van partijen tot het verschaffen van inlichtingen, welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:      

In conventie en in reconventie:

Alvorens verder te beslissen:

Gelast partijen ambtshalve – deugdelijk vertegenwoordigd – desgewenst vergezeld van haar advokaten om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 26 maart 2004 des voormiddags te Half Negen Uur te verschijnen tot het verschaffen van inlichtingen welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig wordt benoemd de Waarnemend-President van het Hof voornoemd;

Houdt elke verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door : Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 20 februari 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens haar gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde advokaat Mr.A.R.Baarh  mede namens Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                   

                                                                           

SRU-HvJ-2004-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14176

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba, [adres 1], mede kantoorhoudend te Paramaribo aan de [adres 2], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten,  appellante in Kort Geding,

t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, domicilie kiezende aan de [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien`s Hofs interlocutoir vonnis van 20 februari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende dat het Hof verwijst naar en overneemt hetgeen bereids in voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, partij  [appellant]. vertegenwoordigd door [naam1], tevens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, Partij Stichting Dim vertegenwoordigd door [naam2], eveneens bijgestaan door haar gemachtigden advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast  te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna – eveneens hier als ingelast te beschouwen – schriftelijke conclusies na gehouden comparitie van partijen hebben genomen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 18 juni 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat nu het Hof aan de hand van de tussen partijen gewisselde gedingstukken, zowel in prima als in hoger beroep en de door hen verschafte inlichtingen ter gelegenheid van de op 19 april 2004 gehouden inlichtingencomparitie, blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal gebleken is, dat deze zaak zonder onherstelbaar nadeel uitstel gedoogt om op de gewone wijze voor de Kantonrechter zelve te worden behandeld, zal het Hof partijen naar de gewone wijze van rechtspleging verwijzen, onder verwijzing van appellante in de proceskosten, nu toepassing van artikel 228 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waar het Hof van uitgaat, weigering van de gevraagde voorziening betekent;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken op 30 juli 2003 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Verwijst  partijen naar de gewone wijze van rechtspleging;

Veroordeelt  appellante in de kosten van beide instanties aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot:

in eerste  aanleg op SRD Nihil.

en in hoger beroep op SRD Nihil.

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaten voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 250.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaten van appellante eveneens op SRD 250.

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag, 16 juli 2004, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellante  vertegenwoordigd door advokaat  Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens haar gemachtigden, advokaten Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaten  Mr.A.R.Baarh en  Mr. F.F.P.Truideman, zijn bij de  uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                            

SRU-HvJ-2004-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14176

SURINAM LEISURE COMPANY A.V.V., rechtspersoon naar het recht van Aruba, gevestigd te Aruba,[adres 1], mede kantoorhoudend te Paramaribo aan de [adres 2], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.E.Naarendorp, Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.F.Kruisland, advokaten, appellante in Kort Geding,

t   e  g  e  n 

STICHTING DIM, rechtspersoon, domicilie kiezende aan de [adres 3], voor wie als gemachtigden optreden, Mr.A.R.Baarh en Mr.F.F.P.Truideman, advokaten, geintimeerde in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis in Kort Geding van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 30 juli 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 1 augustus 2003, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [appellant]. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiseres heeft krachtens de overeenkomst van huur en verhuur van 6 juni 1998 (in de oorspronkelijke Engelse tekst aangeduid als ‘Lease Agreement’) gehuurd de begane grond en de eerste  verdieping van het gebouw staande aan de [adres 2], voor de duur van 15 jaren, te rekenen van 28 februari 1998. De betreffende overeenkomst wordt hierbij als produktie no.1 overgelegd, met verzoek de inhoud daarvan, zomede die van de na over te leggen produkties, als hier letterlijk aangehaald en ingelast aan te merken.
  2. Door koop op de veiling is gedaagde op 4 juni 2003 eigenares geworden van het pand waarvan het gehuurde deel uitmaakt. De openbare verkoop in kwestie heeft plaats gehad op 29 mei 2003, krachtens het bepaalde in artikel 1207 van het Burgerlijk Wetboek en de akte van krediethypotheek van 3 september 1998. Uw aandacht wordt erop gevestigd dat de huurovereenkomst van een vroegere datum is dan de hypotheekvestiging, waardoor de huur niet aangetast kon en kan worden door de bepalingen van de hypotheekakte.
  3. Eiseres heeft vanaf de dag van de openbare verkoop, zelfs nog vóór de overschrijving van het proces verbaal  van de veiling in de registers van het Hypotheekkantoor, moeten ervaren dat gedaagde het recht op ongestoord huurgenot van eiseres niet respecteert en aanhoudend pogingen in het werk stelt om haar bedrijfsvoering te frustreren en stil te leggen. De reeks van handelingen in kwestie zijn opgesomd op de bijgaande produktie no.2.
  4. De voormelde gedragingen zijn afkomstig van personeel in dienst van gedaagde al of niet in opdracht van gedaagde, althans en in ieder geval van personen voor wier handelen in deze gedaagde verantwoordelijk is. Het resterend gedeelte van het gebouw, met uitzondering van het door    eiseres gehuurde gedeelte, is in gebruik  bij gedaagde en de gewraakte handelingen vinden vanuit  dit resterend gedeelte plaats.
  5. Deze door of namens gedaagde verrichtte handelingen, althans de gedragingen waarvoor zij verantwoordelijk is, vormen een voortdurende en ernstige inbreuk op het recht op  ongestoord huurgenot van eiseres, welk huurgenot inzonderheid aan haar verschaft moet worden door gedaagde die rechtens immers de verhuurder in alle rechten en verplichtingen is opgevolgd.
  6. Door het vorenvermelde handelen van gedaagde wordt de continuiteit en voortbestaan van het bedrijf van eiseres acuut en onmiddellijk ernstig in gevaar gebracht, met alle wellicht onherstelbare en nadelige gevolgen van dien, niet alleen voor de aandeelhouders van eiseres, maar vooral voor de circa 300 werknemers die rechtstreeks van het bedrijf afhankelijk zijn.
  7. Eiseres is gerechtigd om te vorderen dat gedaagde verboden wordt gedragingen als voormeld, die een feitelijke en rechtsstoornis inhouden en in het algemeen al een onrechtmatige daad opleveren en in dezen in het bijzonder wanprestatie constitueren, voort te zetten en heeft een spoedeisend belang bij een voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minute:

a. Gedaagde zal worden verboden dat door of namens haar enige inbreuk wordt gepleegd op het recht op het volle huurgenot van eiseres

b. Gedaagde voorts meer in het bijzonder zal worden verboden om anders dan na uitdrukkelijke afspraak met eiseres en door de Rechter nader vast te stellen condities  het gehuurde te betreden een en ander slechts voor controle door gedaagde op een juist gebruik van het gehuurde door eiseres.

c. Gedaagde zal worden verboden om de door eiseres te doen betreden tijdens de uren waarop het casino operationeel is.

d. Gedaagde zal worden verboden om hetzij mondeling, hetzij middels geschriften bij het publiek de indruk te wekken, althans te doen ontstaan, als zou het casino gesloten zijn, althans niet langer toegankelijk zijn.

e. Gedaagde zal worden veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van SRG 100.000.000,– (honderd miljoen gulden) voor iedere keer, dat gedaagde in strijd met dit vonnis handelt, hetwelk doende, enzovoorts, Kosten rechtens;

Overwegende, dat stichting Dim als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties – welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering niet zal worden ontvangen althans haar deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 30 juli 2003 op de daarin opgenomen gronden:

De gevraagde  voorzieningen heeft geweigerd;

Eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant]. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van  30 juli 2003;

Overwegende, dat bij exploot van deurwaarder Jerry Eugene Febis van 6 augustus 2003 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 oktober 2003 advokaat Mr.F.F.P.Truideman zich mede als gemachtigde van geintimeerde heeft gesteld;

Overwegende, dat de gemachtigden van appellante een pleitnota hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd; hebbende zij tevens een schriftelijke incidentele conclusie van eis t genomen, waarbij zij hebben verzocht:

dat bij provisionele voorziening, de tenuitvoerlegging van het vonnis, waarvan beroep, zal worden verboden, zolang er in de voorliggende zaak in hoger beroep geen beslissing is gegeven.

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna respectievelijk repliek en dupliek pleidooi hebben genomen, hebbende de gemachtigden van appellante tevens een produktie overgelegd; waarvan de inhoud hier als ingelast dient te  worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk  had bepaald op 23 januari 2004, doch nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof termen aanwezig acht te gelasten een comparitie van partijen tot het verschaffen van inlichtingen, welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:      

Gelast partijen ambtshalve – deugdelijk vertegenwoordigd – desgewenst vergezeld van haar advokaten om ter terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 26 maart 2004 des voormiddags te Half Negen Uur te verschijnen tot het verschaffen van inlichtingen welke comparitie het Hof tevens dienstbaar zal maken aan het beproeven van een vereniging;

Bepaalt, dat deze comparitie van partijen zal worden gehouden ten overstaan van een Rechter-Commissaris, als hoedanig wordt benoemd de Waarnemend-President van het Hof voornoemd;

Houdt elke verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag, 20 februari 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaat Mr.E.Naarendorp, advokaat Mr.N.P.K.Tjin A Djie namens advokaat Mr.F.Kruisland en Mr.T.Gangaram Panday namens Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigden, advokaat Mr.A.R.Baarh  en  advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2003-1

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14161.

 

DE SURINAAMSE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,  gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Mr.J.Lachmonstraat no.136, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.Kruisland, advokaat, verzoekster,

t   e  g  e  n 

PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.E.Debipersad, advokaat, verweerster,

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken:

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  De Surinaamse Luchtvaartmaatschappij N.V. zich bij verzoekschrift tot het Hof van Justitie heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Appellante is bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 20 november 2001 (A.R.No.98-4909) veroordeeld om aan PARBHOE’S HANDELMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Domineestraat no. 11 (nader geintimeerde), tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een som geld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgende de wet. Appellante is van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen op 29 november 2001 blijkens een op die datum schriftelijk tot dat doel ter Griffie van het Kantongerecht in het Eerste Kanton ingediende verklaring. Appellante legt voormeld vonnis en voormelde verklaring hierbij over, met verzoek de inhoud van die bescheiden als hier  letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.
  2. Bij verzoekschrift d.d. 12 juni 2002 heeft geintimeerde aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton verzocht het bedrag der schade, als bedoeld in het sub 1 vermelde vonnis, vast te stellen – zo leest appellante het petitum- en op dat verzoekschrift heeft de Kantonrechter voornoemd een beschikking gegeven d.d. 19 juli 2002, waarbij is bepaald, dat voormeld verzoek zal worden behandeld ter terechtzitting van 5 november 2002. Appellante legt voormeld verzoekschrift en voormelde beschikking hierbij over, met verzoek de inhoud als hier geinsereerd te beschouwen.
  3. De sub 2 omschreven handelingen vormen een tenuitvoerlegging van het sub 1 vermelde vonnis, zij het dat in casu dan sprake is van een “execution par suite d’instance”. Echter ingevolge artikel 268 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de tenuitvoerlegging van een beroepen vonnis, zoals in casu, geschorst door het hoger beroep, indien dat vonnis niet bij voorraad mag worden tenuitvoergelegd, zodat in elk geval de Kantonrechter voornoemd voormelde beschikking niet had mogen geven en niet tot behandeling van de vervolgens aan de orde zijnde schadestaatprocedure had mogen overgaan, hetgeen hij wel  heeft gedaan door te bepalen, dat appellante op het sub 2 vermelde verzoek van antwoord moet dienen op 4 maart 2003.
  4. Geintimeerde beroept zich er evenwel op dat het sub 1 vermelde vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (vide het 6e “sustenu” van het sub 2 vermelde verzoekschrift), zulks echter geheel ten onrechte. Immers had voormeld vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad mogen worden verklaard, aangezien de artikelen 55 en 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daartoe geen enkele ruimte bieden.
  5. Ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft appellante dan ook recht en belang bij uw Hof te vorderen, dat de tenuitvoerlegging van het sub 1 vermelde vonnis wordt gestaakt. Appellante heeft daarbij bovendien een spoedeisend belang, aangezien het ten zeerste te betwijfelen valt of bij een positieve uitslag van het sub 1 vermelde hoger beroep, geintimeerde in staat zal zijn tot terugbetaling van het mogelijk inmiddels aan haar toegewezen en op appellante alsdan verhaalde bedrag, gelet op de beslagen, die te haren laste zijn gelegd.

Overwegende, dat appellante op deze gronden het Hof heeft verzocht:

te bevelen de staking van de tenuitvoerlegging van het tussen partijen door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 20 november 2001  gewezen vonnis  waarvan beroep (A.R.No.98-4909), in het bijzonder van de schadestaatprocedure, ingeleid bij verzoekschrift van geintimeerde d.d. 12 juni 2002, Kosten rechtens.

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen, respectievelijk advokaat Mr.F.Kruisland en Mr.A.E.Debipersad ter terechtzitting zijn verschenen en hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd; hebbende 

de gemachtigden van partijen  de zaak bij pleidooi nader toegelicht en verdedigd; 

Overwegende, dat het Hof hierna het verhoor van partijen heeft gesloten;

Overwegende, dat de gemachtigde van geintimeerde vervolgens produktie’s heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante tenslotte – een hier als geinsereerd aan te merken – schriftelijke conclusie tot uitlating over de overgelegde produktie’s heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof uiteindelijk vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen verzoekster en verweerster op 20 november 2001 een vonnis is gewezen door de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton (ARNo.98/4909), waarbij verzoekster is veroordeeld aan verweerster tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een som geld, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, zijnde dit vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, en met veroordeling van verzoekster in de kosten van dit geding; dat tegen dit vonnis verzoekster op 29 november 2001 appél heeft aangetekend; dat verweerster bij verzoekschrift de dato 12 juni 2002 aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton het verzoek heeft gedaan het bedrag van de schade, als bedoeld in voormeld vonnis, vast te stellen, hebbende de Kantonrechter een beschikking gegeven de dato 19 juli 2002, waarbij is bepaald dat het gedaan verzoek behandeld zal worden ter terechtzitting van 5 november 2002; dat de behandeling gaande is en wederom ter rolle van 6 mei 2003 zal dienen voor repliek zijdens verweerster;

Overwegende, dat verzoekster op grond van feiten, gesteld in het 3e “sustenu” en de 2e volzin van het 4e “sustenu” van het verzoekschrift welke feiten als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, het Hof het verzoek heeft gedaan van de ten uitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 20 november 2001, waarvan beroep, in het bijzonder van de schadestaatprocedure, ingeleid bij verzoekschrift van verweerster de dato 12 juni 2002, de staking te bevelen;

Overwegende, dat verweerster als meest verstrekkend verweer aangevoerd heeft, dat de schadeprocedure een vervolgprocedure is die voortgezet wordt bij dezelfde rechter; dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad weliswaar tot consequentie heeft dat de schorsende werking van de gewone rechtsmiddelen wordt opgeheven, doch dat dit onverlet laat dat de verzoekster hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis; dat zulks geheel in overeenstemming is met de heersende doctrine, ongeacht of het betreft de oneigenlijke executie van een einduitspraak; dat zij – verweerster – ten overvloede op wijst dat de jurisprudentie niet verbiedt dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad gekoppeld wordt aan de veroordeling tot betaling van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de Wet; dat de vrees voor de zogenaamde restitutie risico de behandeling van de schadestaatprocedure niet in de weg kan en mag staan;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van voormeld verstrekkend verweer opmerkt, dat de artikelen 268 e.v.van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zowel de gerechtelijke tenuitvoerlegging, – “excecution forcée” – als de “execution par suite d’ instance” betreffen. Het voeren van een schadestaatprocedure is in laatstgenoemde zin een tenuitvoerlegging van een vonnis tot schadevergoeding;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is in verband met het zo juist overwogene dat nu ten onrechte de tenuitvoerbaarlegging bij voorraad van dit deel  van het vonnis, m.n: de “execution par suite” d’ instance”, is bevolen, dient ingevolge artikel 272 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de staking van de staatprocedure te worden bevolen;

Overwegende, dat verweerster zich tijdens de behandeling in Raadkamer de dato 3 april 2003, – zij het ten overvloede – tevens beroepen heeft op een drietal in Nederland gedane uitspraken, blijkbaar ter rechtvaardiging van het door de Kantonrechter-plaatsvervanger gegeven bevel tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis de dato 

20 november 2001, te weten:

– een arrest van de Hoge raad der Nederlanden de dato 31 januari 2003 in de zaak van Interplex B.V. contra Streekgewest Westelijke Mijnstreek;

– een vonnis van de Rechtbank van Maastricht de dato 27 juni 2002    in de zaak van Vedior Uitzendbureau B.V., appellante contra geintimeerde;

– een vonnis van de Rechtbank te Arnhem de dato 12 september 2002 inzake Houterman Lent B.V. contra van de Coolwijk VOF;

Overwegende, dat het beroep op voormelde uitspraken verweerster niet vermag te baten en mitsdien faalt, ziende verweerster immers over het hoofd, dat voormelde uitspraken, gelet op de datum van elk van die uitspraken, gedaan zijn onder vigeur van de wet van 14 december 2001 stb.623, i.w.tr. 1 januari 2002 (Tekstplaatsing art. 1 t/m 291, in het bijzonder; luidende het terzake relevante artikel 233 alsvolgt:

  1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit, kan de rechter, indien dit wordt gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. De rechter kan een vonnis, waarbij op de voet van artikel 195 wordt beslist omtrent een voorschot terzake van de kosten van deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
  2. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan het gehele vonnis betreffen of een gedeelte daarvan.
  3. De rechter kan aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden, dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld; zijnde immers genoemde wet in verband met de territoriale werking daarvan slechts binnen het eigen grondgebied van de onafhankelijke Staat der Nederlanden van kracht geworden;

Overwegende, dat het Hof danook zal beslissen als na te melden, onder verwijzing van verweerster in de proceskosten;

RECHTDOENDE:                                      

Gelast, dat de ten uitvoerlegging van het vonnis van de Kantonrechter-plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 20 november 2001, waarvan beroep, bij wege van voortprocederen over de schadestaat, wordt gestaakt, alles met veroordeling van verweerster in de proceskosten, begroot op sf……

Aldus gewezen door Mr.J.R.Von Niesewand, Vice-president, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Vice-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag, 30 april 2003, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd  door haar gemachtigde, advokaat Mr.F.Kruisland en verweerster vertegenwoordigd door advokaat Mr.F.Kruisland namens haar gemachtigde, advokaat  Mr.A.E.Debipersad, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                         

SRU-HvJ-2001-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.13707.

 

CYBIMEX S.A., rechtspersoon naar het recht van de Republiek Venezuela, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.NAARENDORP, advokaat, appellante,

t e g e n

BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ N.V., rechtsopvolgster van Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij B.V., gevestigd en kantoorhoudende aan de Slangenhoutstraat te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.B.A.HALFHIDE, advokaat, geïntimeerde,    

De Vice-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 14 oktober 1994 en 11 november 1995 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 november 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat Cybimex S.A als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ N.V., rechtsopvolgster van BRUYNZEEL SURINAME HOUTMAATSCHAPPIJ B.V., gevestigd en kantoor houdende aan de Slangenhoutstraat te Paramaribo, gedaagde.
  2. Eiseres is met gedaagde in augustus 1980, althans in het jaar 1980, overeengekomen, dat laatstgenoemde aan eerstgenoemde zou betalen een commissie van 2%, voor dier bemiddeling bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen gedaagde en het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” ter zake van de levering van 500 geprefabriceerde woningen. Een fotokopie van de agentuurovereenkomst, vervat in de brief van 22 augustus 1980 van de Algemeen Directeur van gedaagde van eiseres, gaat hierbij, met verzoek de inhoud als letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  3. De overeenkomst tussen gedaagde en het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” is op 2 december 1981 tot stand gekomen en uitgevoerd door levering zijdens gedaagde van steeds 100 geprefabriceerde woningen, respectievelijk op 26 februari, 15 mei, 8 juli, 17 september en 19 november 1982 en betaling zijdens het ”Instituto Nacional de la Vivienda” van US$ 3,310,000.00 (DRIE MILJOEN DRIE HONDERD EN TIENDUIZEND US DOLLARS) middels onherroepelijk geconfirmeerde Letter of Credit, in welk bedrag begrepen was de aan eiseres toekomende commissie van 2%. De leveringsfacturen van bovengenoemde data gaan in fotokopie hierbij, met verzoek de inhoud als letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  4. Gedaagde is uit hoofde van de onder 2 genoemde agentuuroverenkomst aan eiseres, ter zake van de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst tussen het Venezolaanse ”Instituto Nacional de la Vivienda” en gedaagde, verschuldigd het bedrag van US$ 64,901.95, (VIER EN ZESTIGDUIZEND NEGEN HONDERD ÉÉN 95/00 US DOLLARS) waarvan eiseres, herhaaldelijke aanmaning ten spijt, tot op heden geen betaling heeft mogen bekomen. De commissiefacturen terzake worden hierbij overgelegd, met verzoek de inhoud als hier aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  5. Door als voormeld te handelen maakt gedaagde zich jegens eiseres schuldig aan wanprestatie.
  6. Eiseres heeft gedaagde, door middel van haar vertegenwoordigster hier te lande, Scala International Consultants N.V., herhaaldelijk en laatstelijk bij exploot no. 330 van 3 juni 1993 van deurwaarder Tj.Jagroe behoorlijk in gebreke gesteld, zonder dat gedaagde aan de sommatie tot betaling gevolg heeft gegeven, waardoor eiseres thans het bedrag der schuld, in hoofdsom groot US$ 64,901.95, te vermeerderen met rente en kosten, respectievelijk US$ 44,748.05 en US$ 12,868.00, dus totaal US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS) opeisbaar van gedaagde te vorderen heeft. Het voormelde exploot wordt hierbij overgelegd met verzoek de inhoud als hier letterlijk aangehaald en geinsereerd aan te merken.
  7. Eiseres heeft er thans recht en belang bij om in rechte de nakoming van de overeenkomst te vorderen, benevens de vergoeding van kosten schade en interessen.
  8. Eiseres wenst het navolgende secundair aan haar vordering ten grondslag te leggen:

a. Eiseres heeft, voorafgaand aan de sub 2 vermelde transactie, meerdere malen ten behoeve van gedaagde bemiddeld bij de tot standkoming van exporten naar Venezuela en heeft daarvoor de haar toekomende commissie ontvangen.

b. Gedaagde heeft als gerenommeerd bedrijf in Suriname, mede door het hiervoren gestelde, in ieder geval bij eiseres de schijn gewekt, dat eiseres veilig met haar, gedaagde, zaken kon doen.

c. Mocht door enig nalaten van gedaagde om te voldoen aan de bepalingen van de wet die de boven haar gestelde overheid heeft gesteld voor de totstandkoming van overeenkomsten zoals de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst, en mocht daaruit de nietigheid van deze overeenkomst voortvloeien, dan heeft gedaagde daarmede jegens eiseres, die niet een Surinaams ingezetene is, als in strijd met de maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid, onrechtmatig gehandeld met haar schuld daaraan.

d. Eiseres lijdt door dit onrechtmatig handelen schade, gelijk aan commissie die haar uit de overeenkomst toekwam, thans te vermeerderen met rente en kosten, en totaal te begroten op US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), welk bedrag zij thans in rechte wenst te vorderen. Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld:

PRIMAIR:

tot betaling van de door haar, terzake van de tussen partijen gesloten agentuurovereenkomst van augustus 1980, aan gedaagde verschuldigde commissie, vermeerderd met rente en kosten een totaal bedrag van US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der rechtsingang tot die van de algehele voldoening.

SUBSIDIAIR:

tot vergoeding van de schade door eiseres geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde, welk schade beloopt het bedrag van US$ 122,518.00 (HONDERD TWEE EN TWINTIGDUIZEND VIJF HONDERD EN ACHTTIEN US DOLLARS), of de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der rechtsingang tot aan die van de algehele voldoening, Kosten rechtens;

Overwegende, dat Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij N.V., als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – onder overlegging van produkties welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans deze haar zal worden ontzegd als zijnde ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van eiseres tevens produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 11 oktober 1994 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast:

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen en gehouden comparitie van partijen, partijen in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun respectieve gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan door de Griffier van het Kantongerecht opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie na gehouden comparitie van partijen zijdens partijen bepaald, de gemachtigden van partijen een schriftelijke conclusie hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating produktie bepaald, de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud ook hier eveneens als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 14 november 1995 op de daarin opgenomen gronden:

Eiseresses vordering heeft ontzegd;

Eiseres in de proceskosten heeft veroordeeld aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf. Nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Cybimex S.A. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 14 november 1995;

Overwegende, dat bij exploot van deurwaarder R.Kappel van 12 maart 1996 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald, de gemachtigde van appellant recht op stukken heeft gevraagd en  advokaat Mr.A.R.Baarh  heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat het Hof vonnis had bepaald op 3 augustus 2001, doch bij rolbeschikking uitlating zijdens partijen met betrekking tot proces-verbaal 1e aanleg heeft gevraagd;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating zijdens partijen met betrekking tot proces-verbaal 1e aanleg bepaald, de gemachtigde van geïntimeerde  een hier als ingelast te beschouwen conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 7 december 2001, doch bij vervroeging op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is het hoger beroep van een vonnis, hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, niet ontvankelijk indien het is ingesteld binnen acht dagen na de dag van de uitspraak;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, appellante haar vordering bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton  de dato 14 november 1995 aan haar is ontzegd;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellante alstoen eiseres, bij de uitspraak vertegenwoordigd werd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, R.Kappel, namens haar gemachtigde, Mr.E.Naarendorp, advokaat bij het Hof van Justitie; dat namens appellante bij schrijven de dato 16 november 1995 hoger beroep werd aangetekend tegen gemeld eindvonnis van 14 november 1995;

Overwegende, dat bij rolbeschikking van het Hof  de dato 6 juli 2001 partijen in de gelegenheid werden gesteld zich uit te laten over de vraag of was opgemaakt een proces-verbaal naar aanleiding van een op 20 februari 1995, in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen, nadat partijen ter terechtzitting van 1 juni 2001 gevraagd hadden om recht op stukken;

Overwegende, dat geïntimeerde, zich bij daartoe strekkende conclusie  de dato 5 oktober 2001 uitlatend over datgene  waartoe partijen bij rolbeschikking  de dato 6 juli 2001 in de gelegenheid zijn gesteld, onder meer gesteld heeft dat appellante te vroeg appel heeft aangetekend en dat zij – appellante – derhalve niet ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep, hebbende geïntimeerde daar een uitdrukkelijk beroep op gedaan; appellante heeft de gelegenheid haar bij gemelde rolbeschikking geboden evenwel niet te baat genomen, ondanks peremptoirstelling;

Overwegende, dat nu het vonnis  de dato 14 november 995 één is hetwelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd en appellante binnen acht dagen na de dag van de uitspraak daartegen hoger beroep heeft aangetekend, dient appellante ingevolge artikel 264 lid 1 van eerder gemeld wetboek niet ontvankelijk te worden verklaard in haar tegen het beroepen vonnis aangetekend appel;

beantwoording van de vraag of van de  op 20 februari 1995 gehouden comparitie van partijen proces-verbaal is opgemaakt kan als niet tegen langer relevant, geheel in het midden worden gelaten;

Overwegende, dat appellante de kosten van het geding in hoger beroep aan  de zijde van geïntimeerde gevallen, dient te dragen;

Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 14 november 1995 gewezen en uitgesproken;

veroordeelt de appellante in de kosten aan de zijde van de geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusverre begroot op sf.2.500,–;

met in begrip  van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van sf.2.500,–;

bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op sf.2.500,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Vice-President, Mr.A.I.RAMNEWASH en Mr.K.PULTOO, Leden en bij vervroeging door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 16 NOVEMBER 2001, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.BRIJOBHOKUN, Fungerend- Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.L.E.PALMBURG namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.NAARENDORP en geïntimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.N.P.K.TJIN A DJIE namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.B.A.HALFHIDE, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.                           

                                                                                                                

SRU-HvJ-2002-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME 

GENERALE ROL NO. 13993.

[Appellante], weduwe van [naam 1], wonende aan [adres 1], in het distrikt Suriname, zijnde het geding  na overlijden van [appellante] voornoemd geschorst en hervat ten name van [naam 2] , wonende aan de [straatnaam 1] te Rotterdam in Nederland, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, appellante,                                                                                        

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2], voor wie als gemachtigde optreedt Mr.M.R.Carrilho, advokaat, geïntimeerde,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respectievelijk van 8 februari 1994 en 12 maart 1996 tussen partijen gewezen en uitgesproken; .
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 26 maart 1996, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt,  dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiser wenst bij wege van request civiel de navolgende vordering in te stellen tegen [appellante], weduwe van [naam 1], wonende aan [adres 1] in het distrikt Suriname, domicilie gekozen hebbende aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, gedaagde;
  2. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegde schenkingsakte van Notaris B.R. Oostvriesland, d.d. 15 december 1984, is door gedaagde aan eiser het perceelland groot 480 m² gelegen ten zuiden van het Middenpad van kwatta in het distrikt Suriname aangeduid met het [perceelnummer], deel uitmakende van het perceelland groot 3.9245 ha. gelegen in het distrikt Suriname ten zuiden van het Middenpad van Kwatta, deel uitmakende van de samengevoegde percelenland bekend als afd.I sectie Kwatta zulks onder voorbehoud van het levenslange recht van vruchtgebruik van gedaagde op het voorschreven perceelland; Vermelde  schenkingsakte is op 17 december 1984 overgeschreven ten hypotheek kantore in Suriname in het register C deel 949 onder [nummer];
  3. Blijkens hierbij in fotokopie overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, d.d. 27 november 1990, A.R.No.88/4944 is bij wege van verstek voormelde akte van schenking nietig verklaard en doorhaling gelast in de Registers ten hypotheek kantore;
  4. Als gevolg van het feit, dat eiser werkzaam is bij Suralco te [plaats 1] en door de shift diensten niet in staat regelmatig in Paramaribo te zijn en op geen enkele wijze kennis heeft kunnen nemen van de oproep middels aanplakking en verschijning in het Advertentie blad van de Republiek Suriname en kennelijk op dezelfde wijze betekening van dit verstekvonnis heeft plaats gehad en eiser van voormeld vonnis geen verzet heeft kunnen aantekenen, zijnde het verstekvonnis op grond daarvan in kracht van gewijsde gegaan;
  5. dat eiser op 19 februari 1993 nadat hij op zijn verzoek een hypothecair uittreksel heeft aangevraagd en verkregen, kennis heeft gekregen van de nietigverklaring van de schenkingsakte, d.d. 17 december 1984;
  6. Eiser kan zich evenwel in het litigieuze vonnis niet berusten, nu het vonnis weliswaar niet voor verzet, doch er in casu sprake is van door gedaagde gepleegd bedrog althans englist, welke (door eiser) na de uitspraak is ontdekt, in ieder geval nu tenminste een van de gronden zoals genoemd in artikel 292 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het onderhavig geval van toepassing is, zijnde het vonnis op grond daarvan voor herroeping vatbaar en zijnde eiser dan ook gerechtigd bij deze binnen de daarvoor bepaalde termijn de herroeping van het litigieuze vonnis te vorderen;
  7. Immers heeft gedaagde in het litigieuze proces bij request opzettelijk informatie verstrekt in strijd met de waarheid teneinde haar vordering toegewezen te krijgen en aldus de Kantonrechter trachten te bewegen haar vordering toe te wijzen als zijnde als gevolg van de afwezigheid van enig verweer niet onrechtmatig dan wel ongegrond bevonden;
  8. Eiser ontkent en betwist ten stelligste al hetgeen hem verweten is:

– Eiser heeft altijd gedaagde ondersteund;

– Eiser heeft nimmer welke onenigheid dan ook gehad met gedaagde, de concubine van eiser en gedaagde lagen met elkaar overhoop;

– dat eiser na zijn verhuizing frequent contact had met gedaagde;

– dat de schenkingsakte onherroepelijk is;

– dat conform artikel drie van de voorwaarden van de schenkingsakte partijen ieder recht uitsluiten om ontbinding of vernietiging van de schenking – om welke reden dan ook – te eisen;

– dat te dienende ter terechtzitting, d.d. 23 oktober 1990, instede van de schenkingsakte een verklaring is overgelegd door gedaagde en op arglistig en misleidende wijze de voorwaarden waaronder de schenking heeft plaatsgevonden aan de Rechter is onthouden;

– dat aan gedaagde het adres van eiser bekend was en dit verzwegen is, waardoor eiser zonder bekende woon – en/of verblijfplaats is of buiten Suriname is opgeroepen;

  1. Eiser heeft gedaagde altijd onderhouden hoewel hij daartoe niet verplicht was, welke verplichting evenmin voortvloeit uit de schenkingsakte en kan uit het voorgaande het litigieuze vonnis dan ook niet in stand blijven, zijnde ten onrechte de schenkingsakte  nietig verklaard en de doorhaling ervan in de Registers ten hypotheekkantore gelast;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis van de kantonrechter in het Eerste kanton, d.d. 27 november 1990, A.R.No.88/4944, gewezen tussen eiser als gedaagde en gedaagde als eiseres bij verstek, te herroepen en partijen te herstellen in de staat waarin zij vóór de uitspraak daarvan waren;

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord –  welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans dat deze aan haar zal worden ontzegd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho ter terechtzitting is verschenen, 

terwijl de gedaagde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen 

en ten verzoeke van de gemachtigde van eiser tegen hem verstek is verleend,  waarna de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 12 oktober 1993 advokaat Mr.E.C.M.Hooplot de Kantonrechter heeft medegedeeld dat hij zich als gemachtigde van gedaagde aan de zaak stelt, waardoor de gevolgen van het tegen haar verleende verstek zijn komen te vervallen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 8 februari 1994 op de daarin opgenomen gronden een comparitie  van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna hij deze ambtshalve voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een conclusie na niet gehouden comparitie van partijen bepaald, zijdens eiser, diens gemachtigde een als hier geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde bij mondelinge conclusie na niet gehouden comparitie van partijen heeft gepersisteerd bij zijn stellingen;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 12 maart 1996 op de daarin opgenomen gronden:

Het vonnis d.d. 27 november 1990 bekend onder A.R.No.88.4944 heeft herroepen;

Gedaagde haar oorspronkelijke vordering tot vernietiging van de schenking heeft ontzegd;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis op 12 maart 1996;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.KAPPEL van 22 augustus 1997 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante ten dage daarvoor bepaald een pleitnota heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi peremptoir bepaald de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot schorsing van het proces heeft genomen;

Overwegende, dat ten dage voor uitlating schorsing van het geding zijdens appellante Mr.H.P.Boldewijn, advokaat, namens Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, het Hof heeft medegedeeld, dat deze akkoord gaat met de schorsing;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie tot hervatting van het geschorste geding zijdens appellante de zaak voor onbepaalde tijd is aangehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot hervatting van het geding heeft genomen ten name van [naam 2];

Overwegende, dat de gemachtigde van geïntimeerde een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarna de gemachtigde van appellante een produktie heeft overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produktie hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijk conclusie tot overlegging produktie heeft genomen, waarna de gemachtigde van geintimeerde ten dage voor uitlating peremptoir bepaald, een schriftelijke conclusie tot uitlating produktie  heeft genomen;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen bij pleidooi de zaak hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde bij antwoord pleidooi produkties overgelegd, wordende de inhoud van de overgelegde produkties hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 6 juli 2001, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat de appellante tijdig in hoger beroep gekomen is van het tussen partijen gewezen vonnis door de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 12 maart 1996 (in de zaak bekend onder A.R. 93 2118);

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, het navolgende – in zoverre hier van belang – tussen partijen rechtens vaststaat:

  1. dat in het rechtsgeding bekend onder A.R. no. 884944 de [appellante] de [geïntimeerde] voor de Kantonrechter in het Eerste Kanton opgeroepen heeft om vernietigd te krijgen de overeenkomst van schenking van het onroerend goed tussen partijen bij notariële akte d.d. 15 december 1984 voor notaris B.R.Oostvriesland verleden;
  2. dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 27 november 1990 bij verstek gewezen vonnis de voormelde akte van schenking en aanneming nietig verklaard heeft en de doorhaling daarvan in de registers ten hypotheekkantore heeft gelast;
  3. dat de geïntimeerde volgens diens stellingen geen mogelijkheid had – in verzet tegen dat vonnis te gaan – het verzettermijn was verstreken – en daarom van het buitengewoon rechtsmiddel request civiel gebruik gemaakt heeft in het rechtsgeding (zie boven) waarover het Hof thans een beslissing zal moeten geven, omdat de Kantonrechter bij zijn thans aangevochten vonnis herroepen heeft het vonnis d.d. 27 november 1990 (zie boven) en bovendien aan de appellante haar oorspronkelijke vordering (hetgeen niet gevorderd was) tot vernietiging van de schenking heeft ontzegd;

Overwegende, dat request civiel een buitengewoon rechtsmiddel is en dat dit aan dezelfde rechter moet worden voorgelegd als die over de oorspronkelijke vordering geoordeeld heeft, i.c. de Kantonrechter in het Eerste kanton. 

Overwegende, dat nu het request civiel door die rechter bij vonnis d.d. 12 maart 1996 ”aangenomen is” (zie art. 302 BRv.) en het vonnis d.d. 27 november 1990 herroepen is, zijn partijen in dezelfde staat teruggebracht, waarin zij voor dat vonnis (van 27 november 1990) waren en dat partijen het geschil ten principale, waarover het herroepen vonnis gewezen is, moeten voorleggen aan dezelfde rechter, die over het request civiel gevonnist heeft (zie art.313 BRv.), en dat is de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Overwegende, dat tijdens de procedure van het hoger beroep de appellante is komen te overlijden en het geding ten name van haar enige erfgenaam [naam 2] is voortgezet;

Overwegende, dat gelet op het bovenoverwogene de systematiek van de wet met zich medebrengt dat de appellante niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep omdat tegen een beslissing in request-civiel dit middel niet toegelaten is en dat de appellante het geschil ten principale – zo zij dat wenst – zal moeten voorleggen aan de Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Overwegende, dat de grieven die de appellante tegen het aangevochten vonnis ontwikkeld heeft danook geen bespreking behoeven en de appellante, als de in het ongelijk gestelde partij, de gedingkosten van het hoger beroep, zal moeten dragen en betalen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.

Veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op sf.5.000,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van geïntimeerde voor het door haar houden pleidooi toegekende  salaris  van sf.5.000,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op sf.5.000,–;

Aldus gewezen  door Mr.S.Gangaram Panday, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo en Mw.Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 januari 2002, in tegenwoordigheid van Mr.R.R.Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.M.Derby namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat  Mr.M.R.Carrilho, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.