SRU-HvJ-2004-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE R0L NO. 14168.

a. [Appellant sub A ], wonende te [plaats 1] aan [straatnaam 1] en
b. [Appellant sub B], weduwe van [naam 1], wonende te [plaats 1] aan [straatnaam 2],
door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.T.GANGARAM PANDAY, advokaat,
appellanten,

t e g e n

[Geintimeerde sub A], echtgenote van [naam 2], wonende aan [straatnaam 3],
B. [Geintimeerde sub B], echtgenote van [naam 3], wonende aan [straatnaam 4] te [plaats 2], door wie tot hun beider gemachtigde is gesteld Mr.M.R.CARRILHO, advokaat,
geintimeerden,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit;
Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 19 juli 1972 tussen partijen gewezen;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 6 februari 1995, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat a. [geintimeerde sub A] en b. [geintimeerde sub B] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:
1. dat eiseressen de navolgende vordering wensen in te stellen tegen:
a. [Appellant sub A], wonende te Paramaribo aan [straatnaam 1];
b. [Appellant sub B], weduwe van [naam 1], wonende te Paramaribo aan [straatnaam 2],
gedaagden;
2. dat blijkens hierbij overgelegd copie geboorteakte d.d. 17 augustus 1993, [NAAM 2], gedaagde sub a bij akte verleden voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo d.d. 9 mei 1967 heeft erkend als zijn natuurlijk kind;
3. dat [NAAM 2] niet de vader in den bloede van gedaagde sub a is en eiseressen daarom de erkenning bedoeld in sub 2 wensen te betwisten;
4. dat eiseres sub A er recht en belang bij heeft bedoelde erkenning te betwisten, nu zij op 19 oktober 1980 in het ressort Sur/DH met [NAAM 2] in het huwelijk is getreden en bij voor overlijden van [NAAM 2], als zijn enige erfgename zal optreden, hetgeen thans door de erkenning van gedaagde sub a niet het geval is, waardoor eiseres sub A ernstig benadeeld zal worden, vooral omdat eiseres sub a en haar echtgenoot geen kinderen hebben en daardoor gedwongen worden financiële voorzieningen te treffen voor hun oude dag;
5. dat eiseres sub B een zuster van [NAAM 2] is en uit deze hoofde belang bij heeft dat haar familienaam niet wordt gedragen door iemand die in geen enkele rechtsbetrekking, althans in den bloede tot haar staat;
6. Daarnaast zal, in geval van gelijktijdige of vooroverlijden van eiseres sub A, na het overlijden van haar broer [NAAM 2], eiseres sub B erfgename worden van haar broer. Indien de erkenning van gedaagde sub a in stand zou blijven, dan zal hij (mede-) aanspraak maken op de nalatenschap van voornoemde [NAAM 2];
7. dat gedaagde sub b haar toestemming tot vermelde erkenning heeft verleend, wetende dat [NAAM 2] niet de vader in den bloede is van gedaagde sub a;
8. dat eiseressen gegrond verklaring van de betwisting van de erkenning van gedaagde sub A in rechte wensen te vorderen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat de betwisting van de erkenning van [APPELLANT SUB A] door [NAAM 2], als zijn natuurlijk kind bij akte verleden voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Paramaribo op 9 mei 1967 gegrond zal worden verklaard.
Voorts dat gedaagde sub b deze beslissing zal geheugen en gedogen;
Overwegende, dat gedaagde sub B mondeling voor antwoord heeft gezegd;
”Ik was gehuwd; [naam 2] is niet de vader van [Appellant sub A];
Overwegende, dat de gedaagde sub A mondeling voor antwoord heeft gezegd:
”Ik erken dat [naam 2] niet mijn vader is”;
Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 19 juli 1994 op de daarin opgenomen gronden:
Gegrond heeft verklaard de betwisting van de erkenning van [Appellant sub A ], gedaan bij akte d.d. 9 mei 1967 verleden voor de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Paramaribo door [naam 2];
De proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal a.[Appellant sub A] en b. [Appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis van 19 juli 1994;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder M.Sitaram van 12 april 2003 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor pleidooi peremptoir bepaald, geen pleitnota is overgelegd;
Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in deze zaak aanvankelijk had bepaald op 2 april 2004, doch nader op heden;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat nu appellanten, ofschoon zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, geen grieven tegen het beroepen vonnis hebben ontwikkeld en dat vonnis het Hof overigens juist voorkomt, dient het te worden bevestigd;
Gezien de betrekkelijke Wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt het vonnis op 19 juli 1994 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen, waarvan beroep;
Veroordeelt appellanten in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD nihil;

 

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.K.PULTOO, Lid en Mr.I.H.M.H.RASOELBAKS, Lid-plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van VRIJDAG, 2 APRIL 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.VAN GENDEREN-RELYVELD, Substituut-Griffier.

 

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat Mr.T.Gangaram Panday en geintimeerden vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.Halfhuid namens hun gemachtigde, advokaat Mr.M.R.Carrilho, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

SRU-HvJ-2004-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14154

[Appellant], wonende te [plaats] aan [straatnaam], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
appellant,

t e g e n

DE SURINAME ALUMINIUM COMPANY (SURALCO), rechtspersoon, naar het recht van de Staat Delaware, U.S.A., gevestigd en kantoorhoudende te Wilmington in de Verenigde Staten van Amerika, mede kantoorhoudende te Paramaribo, aan de van ’t Hogerhuysstraat no.13, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geintimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:
(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding waaronder:
1. de in afschrift overgelegde beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton van 14 mei 1999 tussen partijen gegeven;
2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 21 mei 1999, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;
Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:
Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat DE SURINAME ALUMINIUM COMPANY (SURALCO) als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:
1. dat de verzoekster de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen:[appellant], wonende [plaats] aan [adres], verweerder;
2. dat de verzoekster bij schrijven d.d. 20 november 1997 bij de Minister van Arbeid vergunning tot ontslag heeft gevraagd voor de gedaagde, terzake diefstal c.q verduistering van veiligheidsschoenen en laarzen toebehorende aan de verzoekster;
3. dat de Minister van Arbeid bij zijn beschikking d.d. 18 december 1997 no.099/97 om voor de verzoekster onbegrijpelijke reden de vergunning tot ontslag heeft geweigerd, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
4. dat de verzoekster daarna bij schrijven d.d. 5 januari 1998 de werknemer [APPELLANT] heeft ontslagen wegens dringende reden en wel onwettig verzuim, welk ontslag de verzoekster overeenkomstig het Ontslagdecreet heeft aangemeld bij het Hoofd van de Arbeidsinspektie;
5. dat de Minister van Arbeid bij zijn beschikking d.d. 16 januari 1998 A.I. no.019 bezwaar heeft aangetekend tegen het ontslag wegens dringende reden, met het verzoek de inhoud van deze beschikking als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
6.dat van de verzoekster niet kan worden gevergd de dienstbetrekking met de werknemer [APPELLANT] langer te laten voortduren daar de verzoekster in beide zaken de ontoelaatbare handelingen van de heer [APPELLANT] heeft aangetoond;
7. dat uit de aangehaalde feiten duidelijk is komen vast te staan dat de gedaagde zich aan een ernstig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt n.l. diefstal c.q. verduistering van veiligheidsschoenen en laarzen, zoals moge blijken uit de overgelegde stukken voorzien van de cijfers 1 t/m 4 en de valse bonnen, terwijl de verzoekster terzake de diefstal ook aangifte heeft gedaan bij de politie en de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, met het verzoek de inhoud van deze stukken als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
8. dat de verzoekster op geen enkele wijze toestemming had gegeven aan de gedaagde om zich deze veiligheidsschoenen en laarzen toe te eigenen, terwijl de verzoekster door deze handeling van de gedaagde ernstige schade lijdt, daar diefstal c.q. verduistering op heterdaad een gewichtige reden vormt voor ontslag;
9. dat de verzoekster ook het onwettig verzuim van de gedaagde heeft aangetoond, daar deze zonder enig bericht van het werk is weggebleven en nalatig is gebleven de bedongen arbeid te verrichten, niettegenstaande het feit dat de verzoekster hem bij schrijven d.d. 22 december 1997 heeft bericht om zich aan te melden bij de afdeling personeelszaken voor nadere informatie en dat bij gebreke hiervan zal worden overgegaan tot beeindiging van het dienstverband en heeft de heer [APPELLANT] geen gevolg gegeven aan dit schrijven, zodat het onwettig verzuim nog steeds voortduurt en het een reden is voor gewichtige reden voor ontslag, met het verzoek de inhoud van dit schrijven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
10. dat de door de gedaagde gepleegde handelingen als vervat in de punten 7, 8 en 9 gewichtige reden voor ontslag opleveren en wel conform artikel 1615 x BW, daar van de verzoekster niet kan worden gevergd de dienstbetrekking met een dergelijke onbetrouwbare werknemer langer te laten voortduren;
11. dat het de verzoekster niet is gelukt de zaak minnelijk met de gedaagde op te lossen;
Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:
dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de dienstbetrekking met de gedaagde conform artikel 1615 x BW wegens gewichtige reden zal worden beëindigd en wel met ingang van 1 maart 1998 of op een ander door de Kantonrechter aangegeven tijdstip. Kosten rechtens.
Overwegende, dat ten dage voor het verhoor in Raadkamer bepaald, verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.Truideman ter Raadkamer is verschenen en voor eis overeenkomstig het vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd, terwijl Mr.A.R.Baarh zich heeft gesteld als gemachtigde van verweerder;
Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een verweerschrift heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat ten dage voor het verhoor van partijen in Raadkamer en het houden van pleidooi, partijen in persoon zijn verschenen, tevens bijgestaan door hun gemachtigden, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat partijen over en weer produkties hebben overgelegd en schriftelijke conclusies hebben genomen, waarvan de inhoud hier eveneens als ingelast dient te worden beschouwd;
Overwegende, dat de Kantonrechter-Plaatsvervanger hierna bij beschikking van 14 mei 1999 op de daarin opgenomen gronden:
De arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden heeft verklaard, zulks met ingang van 1 juli 1999;
De kosten van het geding tussen partijen heeft gecompenseerd in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;
Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormelde eindbeschikking van 14 mei 1999;
Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Lilapersad Gangaram Panday van 30 oktober 2002 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;
Overwegende, dat ten dage voor het nemen van een pleitnota peremptoir bepaald de gemachtigde van appellant, advokaat Mr.A.R.Baarh, heeft gepersisteerd bij zijn stellingen en recht op stukken heeft gevraagd, waarna het Hof beschikking in de zaak aanvankelijk had bepaald op 5 maart 2004;
Overwegende, dat het Hof hierna beschikking heeft gegeven op heden;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT:
Overwegende, dat het Hof in het onderhavige geval opmerkt, dat de vraag of hoger beroep van een rechterlijke beslissing openstaat, bij uitsluiting aan de wetgever is voorbehouden;
Overwegende, dat nu in de onderhavige rechtsgang de mogelijkheid niet opengelaten is om tegen de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton de dato 14 mei 1999 volgens de regelen van de wet beroep in te stellen bij het Hof van Justitie, dient appellant in het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard;
Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Verklaart appellant niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Warnemend-President, Mr.K.Pultoo, Lid, en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid-Paatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 april 2004, in tegenwoordigheid van Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Substituut-Griffier.

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.T.Gangaram Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2004-18

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.                               

GENERALE ROL NO.14142.

[appellant], wonende [plaats 1] aan de [straatnaam 1], ten deze woonplaats kiezende aan de Watermolenstraat no.36 boven, voor wie als gemachtigde optreden, Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn, advocaten,

appellant,

t e g e n

 

De Gezamenlijke Erfgenamen van  [erflater], t.w.:

[Geïntimeerde sub A], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub C], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[Geïntimeerde sub D], wonende te [ressort] aan de [adres 1] in het [distrikt 1];

[Geïntimeerde sub E], wonende [plaats 1] aan de [adres 2]; allen wettige kinderen geboren staande zijn huwelijk met [naam 1], overleden op 2 november 1975, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenamen volgens de wet haar echtgenoot  en zijn wettige kinderen, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.K.Bhoendie, advocaat

geïntimeerden,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

Betalend Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. de in afschrift overgelegde vonnissen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton, respektievelijk van 12 mei 1998 en 26 juni 2001 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 5 juli 2001, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [appellant] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

I. Dat eiser de navolgende vordering wenst in te stellen tegen de erfgenamen van [erflater], t.w.:

[geïntimeerde sub A], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub B], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub C], zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in en buiten Suriname;

[geïntimeerde sub D], wonende te [ressort] aan de [adres 1] in het [distrikt 1];

[geïntimeerde sub E], wonende te [plaats] aan de [adres 2]; allen wettige kinderen geboren staande zijn huwelijk met [naam 1], overleden op 2 november 1975, achterlatende tot haar enige en algehele erfgenamen volgens de wet haar echtgenoot en zijn wettige kinderen;

II. Dat [naam 2], kind van wijlen [erflater] te Paramaribo op 22 maart 1985 ongehuwd en kinderloos is overleden, achterlatende tot zijn enige en algehele erfgenamen volgens de wet zijn vader, [erflater] en zijn vijf wettige broers en zusters;

III. Dat [erflater] op 8 augustus 1990 te Paramaribo is overleden, nalatende tot enige erfgenamen bij versterf vijf wettige, op dat moment nog in leven zijnde kinderen;

IV. Dat eiser op of omstreeks  26 augustus 1986 van wijlen [erflater] heeft gekocht, gelijk deze aan eiser heeft verkocht het eigendomsrecht, althans het erfpachtsrecht op het perceelland groot 750 vierkante meters, gelegen in het [distrikt 2], deel uitmakende van de [plaats 2], bekend als [nummer] en nader aangeduid op de ten Domeinkantoor zich bevindende kaart van de Landmeter S.O.Esajas d.d. 19 april 1976, met alle opstallen zich hierop bevindende, zulks voor een koopsom van Sf. 15.000,- op welke koopsom eiser aan wijlen [erflater] in mindering had voldaan een bedrag van Sf. 10.000, (TIENDUIZEND GULDEN) terwijl het saldobedrag van Sf.5.000,- zou worden voldaan bij levering, hetgeen blijkens het vonnis van het Hof van Justitie dd. 17 mei 1996 tevens als rechtens vaststaand is aangenomen;

V. Dat de heer [erflater], nu wijlen, in gebreke is gebleven het onderhavige perceelland te doen leveren aan eiser, zoals was overeengekomen, daar hij ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst niet enig eigenaar was van het onderhavige perceelland, maar voor 7/12 deel gerechtigd was geweest in het onroerend goed, hetgeen echter niet wegneemt dat er een rechtsgeldige overeenkomst was gesloten tussen eiser en wijlen [erflater]. Het een en ander wordt tevens onderschreven door het Hof van Justitie middels haar vonnis dd. 17 mei 1996, ik verzoek U de inhoud van dit vonnis, waarvan een kopie is bijgevoegd, te beschouwen als ware deze hier letterlijk aangehaald en geinsereerd;

VI. Dat gedaagden reeds in hun hoedanigheid van enige wettige erfgenamen van wijlen [erflater] bij woorde van voormeld vonnis van het Hof van Justitie zijn veroordeeld tot het betalen van Sf. 35.000,- zijnde een schadevergoeding wegens wanprestatie uit hoofde van de koopovereenkomst met eiser vermeerderd met de wettelijke rente;

VII. Dat wijlen [erflater] niet alleen op grond van de overeenkomst, echter tevens uit hoofde van de wet, gehouden is de als gevolg van zijn onrechtmatig handelen aan de zijde eiser ontstane additionele vermogensschade te vergoeden. [erflater] was zich er immers van bewust, althans had zich ervan bewust moeten zijn, dat hij ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst niet over het onverdeeld eigendom van het onderhavig perceelland beschikte. Dit brengt met zich mee dat wijlen [erflater] op grond van de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer betaamt reeds in de pre-contractuele fase een informatieplicht had tegenover eiser met dien verstande dat hij eiser tijdig (lees: voor het mondeling overeenkomen van de koop) had behoren te informeren ten aanzien van de eigendom van het onderhavige perceelland.

VIII. Dat wijlen [erflater] door zich aldus te gedragen zich willens en wetens onthouden heeft van de op hem rustende informatieplicht jegens eiser en zodoende een in het maatschappelijk verkeer geldende buitencontractuele norm heeft geschonden, weshalve hij gehouden is de schade ontstaan als gevolg hiervan te vergoeden. Immers het in 1986 door eiser betaalde voorschot op de koopprijs van het onderhavige perceelland was Sf.10.000,-(TIENDUIZEND GULDEN). De inflatie sindsdien in aanmerking nemende komt dat heden ten dage op een bedrag van Sf. 2470.000,-(TWEEMILJOEN VIERHONDERD EN ZEVENTIGDUIZEND GULDEN). In 1986 was de wisselkoers Sf:Nf 0,81 op 1. Thans is de wisselkoers bij benadering (Sf:Nf) 200:1. Daarnaast dient tevens rekening te worden gehouden met de huidige waarde van het perceelland in verband met de winstderving welke eiser geleden heeft doordat de marktwaarde van dergelijke percelen aanzienlijk is gestegen. De huidige waarde van het onderhavige perceelland is blijkens het taxatierapport van het bouwkundig bureau S.F.Sidoel   Sf. 6.050.000,- (ZESMILJOEN VIJFTIGDUIZEND GULDEN).

IX. Dat eiser reeds in 1986 toen bleek dat wijlen [erflater] niet tot levering van het onderhavige perceelland kon overgaan het door hem destijds betaalde voorschot van Sf.10.000,- (TIENDUIZEND GULDEN) terstond heeft teruggevorderd. Aangezien er niet geleverd is en het voorschot ook niet terstond is terugbetaald, kan met recht worden gesteld dat eiser niet alleen de huidige waarde van het destijds betaalde voorschot maar ook een volledige schadevergoeding toekomt, welke op grond van de huidige waarde van het perceelland en alle relevante omstandigheden dient te worden vastgesteld. Als relevante omstandigheden dienen onder andere te worden aangemerkt, de inflatie over de jaren en de huidige marktwaarde van het perceelland.

X. Dat gedaagden als enige wettige erfgenamen van wijlen [erflater] zijn rechtsopvolgers onder Algemene Titel, weshalve zij op grond van het voorgaande in rechte kunnen worden aangesproken voor de door eiser geleden schade.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat gedaagden zullen worden veroordeeld om op grond van het voorgaande eiser schadeloos te stellen, welke schadeloosstelling eiser gaarne wenst te doen vaststellen bij staat en te vereffenen volgens de wet met uitvoerbaar verklaring bij voorraad; Kostens rechtens.

Overwegende, dat de Gezamenlijke Erfgenamen van [erflater] als gedaagden partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiser in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat deze hem zal worden ontzegd, alszijnde ongegrond en onbewezen, kosten rechtens.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 12 mei 1998 op de daarin opgenomen gronden een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat bij de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen, partijen in persoon en de gemachtigde van eiser zijn verschenen, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakt – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd waarna hij deze voor gesloten heeft verklaard;

Overwegende, dat ten dage voor conclusie zijdens partijen bepaald, de gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter hierna bij vonnis van 26 juni 2001 op de daarin opgenomen gronden;

Eisers vordering heeft ontzegd;

Hem heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot  op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 26 juni 2001;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder R.Kappel van 6 mei 2002 aan geïntimeerden aanzegging van het

ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende,  dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak aanvankelijk had bepaald op 4 juni 2004, doch nader heeft bepaald op heden;

OVERWEGENDE, TEN AANZIEN VAN HET RECHT: 

  1. Appellant is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en op 26 juni 2001 uitgesproken vonnis.  Hij kan dan ook in dat hoger beroep worden ontvangen.
  2. Appellant heeft de volgende grieven opgeworpen:

Grief 1

De Kantonrechter heeft in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat het enkele feit dat wijlen [erflater] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst betreffende het litigieus onroerend goed slechts voor 7/12 deel daartoe gerechtigd was en zo hij daarvan bewust was eiser niet hieromtrent heeft geinformeerd geen onrechtmatig handelen met zich meebrengt, daargelaten de vraag van de gestelde schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade;

De Kantonrechter heeft voorts in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat op iedere koper van een onroerend goed een zelfstandige rechtsplicht rust om nader onderzoek te plegen naar de positie en rechten van de verkoper alsmede dat de nalatigheid hierin in principe voor zijn eigen rekening komt;

Tevens heeft de Kantonrechter in het vonnis in prima ten onrechte overwogen dat er in casu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld welke in de precontractuele fase een informatieplicht aan de zijde van wijlen [erflater] zouden doen ontstaan;

Grief 2

Ten onrechte heeft de Kantonrechter in het vonnis in prima overwogen dat appellant, in prima eiser, zou hebben doen overkomen alsof enkel de geldontwaarding van de Surinaamse munt geintimeerden, gedaagden in prima, schadeplichtig zou maken;

Ook ten aanzien van de door appellant gestelde onrechtmatige daad aan de zijde van wijlen [erflater] heeft de Kantonrechter in prima ten onrechte overwogen dat appellant onvoldoende feiten of omstandigheden zou hebben aangevoerd om een en ander aan te tonen, terwijl geintimeerden reeds zijn veroordeeld tot betaling van schade aan appellant geleden uit hoofde van wanprestatie bij vonnis van uw Hof d.d. 17 mei 1996, G.R.No.13519;

Grief 3

Terecht overweegt de Kantonrechter in het vonnis in prima tot slot dat dan de vraag rijst of geintimeerden in hun hoedanigheid van wijlen [erflater] aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een eventueel onrechtmatig handelen van de erflater. Echter komt de Kantonrechter daarna ten onrechte tot de conclusie dat deze vraag in casu niet aan de orde zou zijn;

3.1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de eerste rechtsoverweging van het beroepen vonnis onder 1 tot en met 4 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten wordt uitgegaan. Die feiten komen op het volgende neer. Appellant heeft op of omstreeks 26 augustus 1986 van wijlen [erflater] gekocht het erfpachtsrecht op het perceelland, gelegen in het [distrikt 2], deeluitmakende van de [plaats 2] en bekend als [nummer], met alle opstallen, voor een som van Sf.15.000. Hiervan heeft appellant als voorschot betaald Sf. 10.000. Het saldo zou worden voldaan bij de levering. Ten tijde van de verkoop was genoemde [erflater] voor 7/12e deel onverdeeld gerechtigd in voormeld onroerend goed.

Meergenoemde [erflater] was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [naam 1]. [naam 1] is op 2 november 1975 en [erflater] op 8 augustus 1990 overleden. Laatstgenoemde heeft tot zijn enige erfgenamen bij versterf achtergelaten zijn alstoen nog in leven zijnde vijf wettige kinderen. Bij vonnis van 17 mei 1996, GR no.13519, heeft het Hof van Justitie geintimeerden veroordeeld om, terzake van (door [erflater] gepleegde) wanprestatie, aan appellant te betalen Sf.35.275 met de rente ad 6% per jaar vanaf juni 1987 tot de voldoening.

3.2. op grond van de, in zoverre niet betwiste, stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde grosse van laatstvermeld Hofvonnis staat verder het volgende vast. Het hof heeft de verkoopovereenkomst ontbonden verklaard. Het bedrag van Sf. 35.275, tot betaling waarvan de geintimeerden zijn veroordeeld, bestaat uit het betaalde voorschot ad Sf. 10.000; het verschil tussen de waarde van het onroerend goed en de overeengekomen koopprijs ( in casu Sf. 40.000 minus Sf. 15.000 =) Sf.. 25.000; het bedrag van Sf. 275, dat wijlen [erflater] had betaald aan achterstallige canon ( te weten Sf.150) en aan de notaris (te weten Sf.125). Geintimeerden hebben na het Hofvonnis van 17 mei 1996 het aan appellant toegewezen bedrag aan diens toenmalige raadsman Mr.H.Lim A Po aangeboden, maar deze heeft geweigerd het in ontvangst te namen. Op 22 mei 1997 is namens geintimeerde aan Mr.Kraag betaald het bedrag van 

Sf.35.275; voorts Sf. 23.105,07 wegens (wettelijke) rente, alsmede Sf.350 zijnde proceskosten en Sf. 350 wegens honorarium pleidooi. Bij het voorgaande wordt aangetekend dat hetgeen het Hof heeft toegewezen conform datgene is dat door  appellant als eiser in eerste aanleg is gevorderd.

  1. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het Hof te leggen.

5.1 Appellant heeft, als eiser in eerste aanleg, twee feitencomplexen aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Het eerste feitencomplex (zie met name alinea VII en VIII van het inleidend rekest, zoals aangevuld met alinea 7 van de conclusie van repliek) komt erop neer dat [erflater] hem, appellant, opzettelijk onjuist heeft geinformeerd door, terwijl hij, [erflater], ervan bewust was, althans ervan bewust behoorde te zijn, dat hij niet de onverdeelde eigendom van het erfpachtsrecht bezat, hem appellant mede te delen gerechtigd te zijn dit erfpachtsrecht te verkopen. In de stellingen van appellant ligt verder besloten dat hij, indien hij van de juiste stand van zaken op de hoogte was geweest, de koopovereenkomst niet zou zijn aangegaan. Het tweede feitencomplex houdt in (zie met name alinea IX van het inleidend rekest en alinea 3 van de conclusie van repliek) dat, toen in 1986 bleek dat [erflater] het erfpachtsrecht niet kon leveren, hij, appellant, terstond het voorschor van Sf. 10.000 heeft teruggevorderd, aan welke vordering [erflater] geen gevolg heeft gegeven.

5.2 Volgens appellant heeft, [erflater], door zich als te gedragen als bij de weergave van het eerste feitencomplex is omschreven, een in het maatschappelijk verkeer geldende buitencontractuele norm geschonden, waardoor hij gehouden is de als gevolg hiervan ontstane schade te vergoeden.

Als element waaruit zijn schade bestaat noemt appellant de geldontwaarding (inflatie). Naar hij stelt komt het door hem betaalde voorschot op de koopsom, de inflatie in aanmerking nemende, “heden ten dage” (het inleidend rekest is gedateerd 9 juni 1997) op Sf. 2.470.000. Naar appellant verder stelt dient ook rekening te worden gehouden met de huidige waarde van het perceelland in verband met de winstderving, welke hij, appellant, heeft geleden doordat de marktwaarde van dergelijke percelen aanzienlijk is gestegen. De huidige waarde  van het perceelland is – aldus appellant – blijkens het taxatierapport van het bouwkundig bureau S.F.Sidoel Sf. 6.050.00.

5.3 Met betrekking tot het tweede feitencomplex heeft appellant, als eiser in eerste aanleg, gesteld dat, aangezien er niet geleverd is en het voorschot ook niet terstond is terugbetaald, met recht kan worden gesteld dat hij appellant, niet alleen de huidige waarde van het destijds betaalde voorschot maar ook een volledige schadevergoeding toekomt, welke op grond van de huidige waarde van het perceelland en alle relevante omstandigheden dient te worden vastgesteld. Als relevante omstandigheden dienen – aldus nog steeds appellant – onder andere te worden aangemerkt de inflatie over de jaren en de huidige marktwaarde van het perceelland.

6.1.1 Het opzettelijk aan een wederpartij mededelen van onjuiste informatie, waardoor deze ertoe wordt gebracht een overeenkomst aan te gaan, welke hij bij beter weten niet zou zijn aangegaan, levert jegens die wederpartij een onrechtmatige daad op. Aangenomen dat [erflater] zich overeenkomstig het eerste feitencomplex heeft gedragen, dan heeft hij jegens appellant een onrechtmatige daad gepleegd. Appellant zou dan moeten worden gebracht in de situatie waarin hij zou verkeren indien de onjuiste informatie achterwege was gebleven en appellant de koopovereenkomst niet had gesloten. Dit uitgangspunt brengt, voor wat het voorschot op de koopsom betreft, mee, dat dit  voorschot zou moeten worden teruggeven. Dit is, zoals uit de hierboven onder 3.2 vermelde feiten blijkt, al geschied, en het bedrag van het voorschot kan niet opnieuw worden gevorderd, ook al geschiedt dit op een andere grondslag. Aangezien het hier betreft een in Suriname te betalen, in Surinaamse guldens, uitgedrukte schuld kon het worden voldaan door betaling van het nominale bedrag en is er voor vergoeding van de waardedaling tussen het moment van de betaling van het voorschot door [erflater] in 1986 en de terugbetaling daarvan in 1997 geen plaats.

6.1.2 Ook indien van de hierboven onder 6.1.1 vermelde aanname wordt uitgegaan en tevens wordt aangenomen dat [erflater] aan appellant het verschil tussen de koopsom en de waarde van het onroerend goed, dit laatste zoals door het Hof vastgesteld, diende te betalen, dan geldt ook hier dat zulks al is gebeurd, zij het op een andere grondslag en, dat betaling van dat verschil niet opnieuw kan worden gevorderd. Om de onder 6.1.3 vermelde redenen is er evenmin plaats voor vergoeding van de waardedaling van de Surinaamse munt.

6.2 Uit de beschrijving van het tweede feitencomplex blijkt dat het gaat om vertraging in de uitvoering van een beweerde verbintenis tot betaling van een geldsom, te weten het betaalde voorschot. De schadevergoeding bestaat dan in de wettelijke rente. Ook in dit geval is er om de onder 6.1.3 vermelde redenen geen plaats voor vergoeding van waardedaling van de Surinaamse munt.

Overigens dient in het onderhavig geval die waardedaling niet, zoals appellant doet, te worden gemeten aan de hand van de ontwikkeling van de koers van de Surinaamse gulden ten opzichte van een buitenlands betaalmiddel, in casu de Nederlandse gulden, maar aan de hand van de ontwikkeling van het prijspeil in Suriname.

7.1. Appellant heeft bij in eerste aanleg genomen conclusie na comparitie, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, gesteld dat de in het Hofvonnis vermelde bedragen, enerzijds, heden ten dage alsmede ook ten dage van het vonnis, in flagrante tegenstelling staan c.q. stonden tot de werkelijkheid en de prijzen welke reeds jaren voor onroerend goed dienen te worden betaald. Anderzijds zijn voormelde bedragen slechts een weergave van de cijfermatige schade op basis van de koopovereenkomst “zoals gelden” onder dezelfde omstandigheden als toen de koopovereenkomst werd aangegaan. Bij de vaststelling is duidelijk geen rekening gehouden met de werkelijke economische-maatschappelijke situatie en is dus tot op heden geen sprake geweest van vergoeding op basis van de reële door eiser geleden schade, waardoor – aldus nog steeds appellant – een dergelijke reële schadevergoeding alsnog dient te geschieden.

7.2. Uit bovenaangehaalde stellingen van appellant volgt dat de strekking van de vordering is het verkrijgen  van vergoeding van de opgetreden geldontwaarding. De door hem genoemde waardevermindering van het voorschot en van de “marktwaarde” van het onroerend goed zijn dus bedoeld als een uitputtende opsomming van de elementen waaruit zijn schade bestaat. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 6.2 is overwogen volgt dat de feiten, die appellant aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, toewijzing van die vordering niet rechtvaardigen. Het vonnis waarvan beroep dient dan ook, zij het onder aanvulling en verbetering van gronden, te worden bevestigd.

7.3. Appellant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt, onder aanvulling en verbetering van rechtsgronden, het hierboven onder 1 vermelde vonnis.

Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD.150.

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD.150.

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant op SRD.150.

Aldus gewezen door de heren: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.A.I.Ramnewash en Mr.K.Pultoo, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 augustus 2004 in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh      w.g.E.S.Ombre

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat  Mr.D.Kraag namens zijn gemachtigden, advokaten Mr.J.Kraag en Mr.H.P.Boldewijn en geintimeerden vertegenwoordigd door hun gemachtigde, advokaat Mr.K.Bhoendie, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2005-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14144

 

[Appellant], wonende aan de [straatnaam], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Dr.Sophie Redmonstraat 93 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.M.S.Ishaak, advokaat, 

appellant in Kort Geding,     

 t   e  g  e  n 

  1. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP INTERNATIONAL AANNEMINGS- EN CONSTRUCTIE MAATSCHAPPIJ N.V. afgekort “ICOMIJ N.V.”,        rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Van Engelbuiten no.40 te Paramaribo;
  2. DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP KWATTA GENERAL CONTRACTORS, afgekort K.G.C. N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende aan de Chatterstraat no.5 te Paramaribo, beiden VERZOEKERS,  voor wie tot hun  gemachtigde optreedt, Mr.H.O.J.Lowe, advokaat,

    geintimeerden in Kort Geding,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 30 augustus 2001  tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 10 september 2001, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat International Aannemings en Constructie Maatschappij N.V. en Kwatta General Contractors N.V. als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton hebben gewend, daarbij stellende:

  1. dat eisers  de navolgende vordering in KORT GEDING wensen in te stellen tegen: [appellant], wonende aan [straatnaam] te [plaats], GEDAAGDE;
  2. dat gedaagde blijkens de hierbij in foto-copie overgelegde exploiten dd. 20 juni 2001 nummers AA-0233 en AA- 0234 en van 25 juni 2001 de nummers AA-0245 en AA-0246 van de Gerechtsdeurwaarder Rene Kappel, conservatoir beslag heeft doen leggen op alle roerende goederen van eisers als vermeld op de hierbij zojuist genoemde exploiten, welke roerende goederen  aan eisers toebehoren, met verzoek aan U, Edelachtbare, de overgelegde producties, alsook die der nader over te leggen producties als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen (zie prod. No. 1, 2, 3 en 4); 
  3. dat het gestelde in het 2e sustenu van gedaagde’s inleidend rekest, opgenomen in het Algemeen Register (AR) onder nummer 01-2425 (zie prod.No.5) in strijd is met de waarheid. In het tweede sustenu van het inleidend rekest staat namelijk dat gedaagde (toen eisers) tevens aandeelhouder is op naam van 10 van de 20 door de N.V. uitgegeven aandelen, terwijl mevrouw [naam] eigenaresse is van de overige 10 aandelen. Deze bewering is volkomen in strijd met de waarheid. Kort na de oprichting der N.V. in 1998 zijn zowel de aandelen van gedaagde als de aandelen van mevrouw [naam] overgedragen aan de Stichting Admacon. De brieven waarin de verklaring van betrokkenen is opgenomen en onder berusting waren van gedaagde zijn in het ongerede geraakt. Toen zulks bleek heeft mevrouw [naam]een andere verklaring afgegeven waarin staat dat zij haar 10 aandelen heeft overgedragen aan de Stichting Admacon. Gedaagde die beide verklaringen onder zijn berusting had weigert echter in tegenstelling tot mevrouw [naam]  een nieuwe verklaring af te geven. Het een en ander kan evenwel met getuigen worden gestaafd. Er is dus  wel wijziging gekomen in de aandelen verhouding. Immers ZOWEL GEDAAGDE ALS MEVROUW [naam] HEBBEN HUN AANDELEN AAN DE STICHTING ADMACON OVERGEDRAGEN. Indien de 10 aandelen van gedaagde, zijnde 50%, niet zouden zijn overgedragen dan is het logisch dat de overige aandeelhouders nimmer voor de N.V. Icomij zouden hebben gewerkt. (Zie prod. No.6);

4.dat de standpunten en zienswijzen van partijen omtrent het gestelde onder het 4e tot en met het 13e sustenu van gedaagde’s inleidend rekest U, Edelachtbare volkomen bekend zijn en het danook geen enkele nut heeft thans hier wederom in herhaling te treden omtrent het daar gestelde, maar dat juist teneinde tot een oplossing van het geschil te geraken de diensten van een Accountantskantoor zijn ingeroepen, welke kantoor gehouden is rapport aan U uit te brengen omtrent haar bevindingen en voorts de basis zal zijn bij Uw oordeel ten aanzien van het geschil dat partijen verdeeld houdt;

  1. dat het gelegde beslag als hoogst onfatsoenlijk, absurd, in strijd met de rede en minachting voor het rechterlijk gezag moet worden geacht wanneer vaststaat dat partijen bindende afspraken tegenover U, Edelachtbare, hebben gemaakt en bovendien U, Edelachtbare, op alle gehouden zittingen na 20 juni 2001, een beroep op gedaagde hebt gedaan en gedaagde zelfs ernstig heb geadviseerd het gelegde beslag op te heffen en voorts hebt verklaard abusievelijk bevel tot bedoeld beslag te hebben gegeven en gedaagde volhardt in handhaving van het gelegde beslag dan is er iets ernstig aan de hand, doch moet in ieder geval worden vastgesteld dat hier sprake is van misbruik van recht zijdens gedaagde;
  2. dat Fair Play in casu ver te zoeken is en het gelegde beslag danook als een laakbare handeling moet worden bestempeld laat onverkort de zienswijze van eisers  dat het voortbestaan van het beslag een ernstige inbreuk zal zijn op alle inspanningen die U, Edelachtbare zich tot heden getroost heeft om de onderhavige zaak ingevolge Uw zienswijze op te lossen, een zienswijze waaraan partijen zich geconfronteerd hebben;

7.dat voor het gelegde beslag alle activiteiten van eisers zijn lamgelegd, terwijl de broodwinning van circa 35 arbeiders, inclusief onder-aannemers, in gevaar dreigt te komen met alle konsekwenties van dien voor zich zelf en hun gezinsleden;

8.dat gedaagde het gelegde beslag als omschreven in het 14e sustenu van het inleidend rekest zal moeten opheffen, althans zal dit beslag opgeheven moeten worden, daar zij niet anders kan worden gekwalificeerd dan als te zijn VEXATOIR;

9.dat op grond van het voren aangehaalde aan eisers ’vordering een spoedeisend belang ten grondslag ligt, die de behandeling daarvan in KORT GEDING rechtvaardigt.  

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd;

dat bij vonnis in  Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren, niettegenstaande verzet of hoger beroep

  • de ontheffing zal worden gelast van het door gedaagde gelegd conservatoir beslag door de gerechtsdeurwaarder Rene Kappel op 20 juni 2001 exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van 25 juni 2001 exploiten nummers AA-0245 en AA-0246 op de roerende goederen van eisers als omschreven in het 2e sustenu van dit verzoekschrift waarbij verwezen wordt naar de producties 1, 2, 3 en 4.
  • Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen ter terechtzitting van 29 augustus 2001 de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis (in Kort Geding) van 30 augustus 2001 op de daarin opgenomen gronden;

De opheffing heeft bevolen van de conservatoir beslagen gelegd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie R.Kappel, op respectievelijk 20 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van 25 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0245 en AA-0246 op de in die exploiten omschreven roerende goederen;

het vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren heeft verklaard;

gedaagde heeft verwezen in de kosten van dit proces aan eisers hun zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op sf.42.530,75 (TWEE EN VEERTIGDUIZEND VIJFHONDERD DERTIG EN 75/100 GULDEN);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 30 augustus 2001;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Rawan Sontono van 6 juli 2002 aan geintimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij pleitnota produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ten dage voor antwoord pleidooi en uitlating produkties bepaald, advokaat Mr.Lowe geen bescheiden heeft overgelegd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 17 oktober 2003, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellant tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep is gekomen van het vonnis dat door de Kantonrechter in het Eerste Kanton  tussen partijen is gewezen en op 30 augustus 2001 uitgesproken;

Overwegende, dat appellant de volgende grieven heeft aangevoerd:

1.Ten onrechte heeft de Kantonrechter in de 4e overweging ten aanzien van het recht overwogen dat gedaagde (thans appellant) zich weliswaar verzet heeft tegen toewijzing van eiseres (thans geintimeerde) haar vordering, doch nu summierlijk de onnodigheid van de vrees voor verduistering van de beslagen goederen ter gelegenheid van het gehouden pleidooi gebleken is, wij zullen beslissen als in het dictum te melden;

gedaagden zullen wij als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces laten dragen;

2.Ten onrechte heeft de Kantonrechter rechtdoende in kort geding bevolen de opheffing van de conservatoire beslagen gelegd door de deurwaarder bij het Hof van Justitie R.Kappel op respektievelijk 20 juni 2001 bij exploiten nummers AA-0233 en AA-0234 en van  25 juni 2001 bij exploitennummer AA-0245 en AA-0246 op de in die exploiten omschreven roerende goederen; ten onrechte heeft de Kantonrechter gedaagde verwezen in de kosten van dit proces aan eiseres haar zijnde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot Sf. 42.530,75;

Overwegende, dat het duidelijk is dat de door appellant gewraakte rechtsoverweging van de Kantonrechter een verschrijving bevat;

Overwegende, dat uit de toelichting op de grieven, waarbij appellant in verband met vorenbedoelde rechtsoverweging, spreekt van “overweging van onnodig beslag” en verwijst naar artikel 596 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is op te maken dat appellant heeft begrepen dat het in de gewraakte rechtsoverweging gaat om de onnodigheid van het beslag;

Overwegende, dat appellant redelijkerwijs kan hebben begrepen dat het in de gewraakte rechtsoverweging verder gaat om de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering;

Overwegende, dat appellant in de toelichting op de grief, voor zoveel hier van belang heeft aangevoerd dat de iure en de facto (echter) overtuigend is gesteld en gebleken dat het beslag van node is en alleszins gerechtvaardigd en binnen de doelstelling van het conservatoir beslag is;

Overwegende, dat in voormelde stelling geen stellige betwisting is te zien van de constatering van de Kantonrechter dat ter gelegenheid van het gehouden pleidooi (onderstreping Hof) summier was gebleken van de onnodigheid van het beslag en van de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering;

Overwegende, dat appellant ook nog heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de Kantonrechter geheel is voorbijgegaan aan het door hem als gedaagde gevoerd verweer, van welk verweer zijn vordering bekend onder AR 012425 onderdeel uitmaakt;

Overwegende, dat uit de gedingstukken het volgende blijkt:

  • de beslagen, waarvan de Kantonrechter in het beroepen vonnis de opheffing heeft bevolen, zijn gelegd ter verzekering van de vordering, welke het onderwerp van het geding, bekend onder AR 012425, uitmaakt;
  • appellant heeft aan vorenbedoelde vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag heeft gelegd:
  • appellant is mede-oprichter van de geintimeerde sub A, verder (ook) aangeduid als Icomij, en is tevens aandeelhouder voor 10 van de 20 bij de oprichting geplaatste aandelen; [naam] is aandeelhouder voor de overige 10 bij de oprichting geplaatste aandelen;
  • appellant was en is nog steeds tevens commissaris en procuratiehouder van Icomij;
  • -Icomij heeft zich aan ernstige onregelmatigheden schuldig gemaakt en hij, appellant, lijdt door het onrechtmatig handelen van Icomij ernstige schade;
  • een veelheid van goederen, die de eigendom zijn van Icomij, zijn thans ten name gesteld van geintimeerde sub B, verder (ook) aangeduid als KGC; met ingang van 3 februari 2001 heeft Icomij aan haar toekomende vordering aan KGC gecedeerd; deze cessie is bij exploit van 5 februari 2001 van de Staat Suriname bekend;
  • de cessie en de overdracht van de roerende goederen door Icomij aan KGC zijn paulianeus; hij, appellant is door deze handelingen benadeeld, vermits daardoor de mogelijkheid van verhaal van zijn vordering op Icomij kleiner is geworden dan het geval zou zijn geweest indien de betreffende handelingen achterwege zouden zijn gebleven;
  • de benadeling door de onrechtmatige handelingen van geintimeerden kan worden begroot op NF. 2.000.000;
  • appellant heeft zijn vordering terzake van de schade als gevolg van de paulianeuze handelingen, met inbegrip van rente en kosten, begroot op 
  1. 2.200.000 en heeft verlof gevraagd aan en bekomen van de Kantonrechter in het Eerste Kanton om ter verzekering van deze vordering de hierboven bedoelde beslagen te leggen;

Overwegende, dat geintimeerden weliswaar hebben aangevoerd dat appellant en [naam] kort na de oprichting van Icomij hun aandelen aan de Stichting Admacon hebben overgedragen, maar zij, geintimeerden, hebben tegen de betwisting door de appellant de beweerde overdracht van zijn aandelen niet aannemelijk gemaakt, zodat verder aan de bewering van geintimeerden voorbij wordt gegaan;

Overwegende, dat appellant als onrechtmatige handelingen van Icomij, als gevolg waarvan hij schade zou hebben geleden, heeft genoemd, kort gezegd, het ten onrechte doen van opgave aan de Kamer van Koophandel dat hij was uitgetreden als commissaris en ontslagen was als procuratiehouder en het uitgeven van 80 aandelen zonder dat hij als commissaris de ingevolge artikel 7 van de statuten vereiste machtiging had verleend;

Overwegende evenwel, dat appellant niet heeft aangegeven welke schade uit deze handelingen voor hem is ontstaan noch op welk bedrag deze schade moet worden gesteld;

Overwegende, dat uit de gedingstukken is op te maken dat appellant zich op het standpunt stelt dat hij, ter vergoeding van de schade veroorzaakt door de beweerde paulianeuze handelingen, in casu aanspraak maakt op een bedrag gelijk aan de waarde van de roerende goederen, die Icomij beweerdelijk aan KGC heeft overgedragen;

Overwegende evenwel, dat, nu appellant zijn vordering tot vergoeding van die schade baseert op onrechtmatige daad, voorhands ervan wordt uitgegaan dat hij (slechts) de schade vergoed kan krijgen die hij heeft geleden door het feit dat hij de vervreemde goederen niet meer als executie-object in het vermogen van zijn schuldenaar (in casu Icomij) aantrof, het beloop van welke schade niet noodzakelijkerwijs gelijk is aan de waarde van de weg gemaakte goederen;

Overwegende voorts, dat het, gelet op de hierboven weergegeven grondslag van appellant’s vordering, ervoor moet worden gehouden dat, indien uit het beweerde onrechtmatig handelen van Icomij voor hem schade is voortgevloeid, die schade in Surinaamse dollars (voorheen guldens) luidt, zijnde geen feiten gesteld die leiden tot de conclusie dat voor appellant een vordering in Nederlandse guldens is ontstaan;

Overwegende, dat de constatering van de Kantonrechter dat summierlijk was gebleken van de onnodigheid van beslag en van de ongegrondheid van de (beweerde) vrees voor verduistering voldoende was om de opheffing van de beslagen te gelasten en de Kantonrechter derhalve niet behoefde in te gaan op hetgeen hij, appellant, met betrekking tot zijn vordering, bekend onder AR 012425, als onderdeel van zijn verweer had gesteld;

Overwegende bovendien, dat, indien de Kantonrechter wel op die vordering was ingegaan, hij, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, naar het voorlopig oordeel van het Hof tot de conclusie zou zijn gekomen dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van die vordering was gebleken, waardoor het verwijt dat de Kantonrechter niet is ingegaan op hetgeen appellant met betrekking tot zijn vordering, bekend onder AR 012425, als onderdeel van zijn verweer had gesteld, hem niet kan baten;

Overwegende, dat het Hof op grond van het vorenoverwogene tot de conclusie komt dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd, met veroordeling van de appellant in de proceskosten als de in het ongelijk gestelde partij; 

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING: 

Bevestigt  het vonnis waarvan beroep;

         Veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen en begroot op SRD 75,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris SRD.75,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellant eveneens op SRD.75,–;

 

Aldus gewezen door: Mr.E.S.Ombre, Fungerend-President, Mr.K.Pultoo, en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden`en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 20 mei 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde verschenen.

 

                                                                                                                

                                                                  

 

                                                                                    

 

 

 

SRU-HvJ-2005-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

 

GENERALE ROL NO. 14187.

 

De STAAT SURINAME, met name het Ministerie van FINANCIEN, ten deze in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3 in het distrikt Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat, 

eiser bij rekest-civiel,

t   e  g  e  n 

[Gedaagde], wonende te [plaats] aan de [straatnaam], ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,                                                                     

gedaagde  in rekest-civiel,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. ’s Hovens vonnis van 5 maart 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het verzoekschrift van appellante (lees: eiser)  in Rekest Civiel van 3 juni 2004;
  3. de conclusies van antwoord, repliek en dupliek genomen naar aanleiding van het sub 2 genoemd rekest;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding  voor zoveel thans van belang blijkt, dat appellante (lees: eiser bij rekest civiel) zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Van verweerder in eerste aanleg, thans appellante (lees: eiser bij rekest civiel), is door geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel), destijds verzoeker, gevorderd dat zij hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting moest betalen zijn salaris, zoals dat vanaf augustus 1986 is aangepast, te rekenen van 01 augustus 1986 een en ander onder verbeurte van een dwangsom van Sf.500.000,– voor iedere dag dat verweerster nalatig mocht blijken het te wijzen vonnis uit te voeren;
  2. Nadat in eerste aanleg het verweerschrift bij Uw Hof is ingediend en het verhoor van partijen meerdere malen heeft plaatsgevonden, althans schriftelijk is geconcludeerd, heeft Uw Hof appellante  (lees: eiser bij rekest civiel) veroordeeld het salaris aan geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) te betalen;
  3. Alvorens na te noemen grief tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis te ontwikkelen, wenst appellante (lees: eiser bij rekest civiel) de door haar in eerste aanleg aangevoerde feiten nog aan te vullen bij rekest-civiel procedure;
  4. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) is sinds jaar en dag, voor de aanleg van zijn vordering in eerste  aanleg bezitter van de Nederlandse nationaliteit en volgens de bevolkingsadministratie te Utrecht Nederland, aldaar metterwoon gevestigd, zoals blijkt uit een fotokopie van een afschrift uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van de gemeente Utrecht, die hierbij wordt overgelegd met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen, en is dit gegeven  appellante (lees: eiser bij rekest civiel) bekend geworden na 05 maart 2004; (prod.1)
  5. Voorts wenst appellante (lees: eiser bij rekest civiel) haar in eerste aanleg gevoerd verweer als volgt aan te vullen en te vermeerderen: Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) is werkschuw of heeft een ander inkomen, daar hij het zonder salaris van de Belastingsdienst moest stellen. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) heeft gewacht om 10 (tien) jaren na dato de onderhavige vordering aanhangig te maken met het oog op het naderen van zijn 60 jarige leeftijd in het jaar 2007, zodat hij nog drie jaren zou moeten arbeiden daar dat een gevolg is van uitspraak van Uw Hof. Gezien de exorbitante levensstijl van geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) is het niet goed mogelijk dat hij geen  inkomsten elders dan bij de Belastingdienst (De Staat) genereert. Duidelijk wenst appellante (lees: eiser bij rekest civiel) te stellen dat het salaris van de geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) vanaf april 1989 werd geblokkeerd en niet, zoals hij ten onrechte heeft beweerd, vanaf augustus 1986;
  6. Voorts wenst appellante (lees: eiser bij rekest civiel) tegen het vonnis van Uw Hof d.d. 05 maart 2004 bekend ter Griffie van het Hof van Justitie onder A-No.459, van welk vonnis appellante (lees: eiser bij rekest civiel) nog niet  over een exemplaar beschikt bij rekest-civiel procedure overeenkomstig artikel 292 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op te komen en de navolgende grief te ontwikkeling;

GRIEF:

Ten onrechte heeft Uw Hof overwogen dat geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) rechtens aanspraak maakt op salaris over de periode van augustus 1986 t/m heden, gedurende welke periode  hij geweigerd heeft arbeid ten behoeve van De Staat te verrichten, althans geen arbeid heeft verricht of kan verrichten, ook al omdat hij geen ambtenaar is in de zin der Wet nu hij de Surinaamse Nationaliteit niet bezit en metterwoon in Nederland gevestigd is;

TOELICHTING:

Het is rechtens niet mogelijk dat geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) als bezitter van de Nederlandse nationaliteit metterwoon aldaar in de gemeente Utrecht gevestigd, als ambtenaar in loondienst is van de Overheid van Suriname en wel op grond van het feit dat geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) heeft gezwegen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit reeds lang voordat hij of toen hij de vordering in prima aanhangig maakte bij Uw Hof als Ambtenaren gerecht, waardoor hij bedrog of arglist heeft gepleegd, daar hij anders geen aanspraak zou kunnen maken op enig salaris, te meer hij zijns ondanks geen arbeid daarvoor heeft verricht en hij gedurende het gehele proces heeft beweerd dat hij metterwoon in Suriname aan de [straatnaam] te Paramaribo  was gevestigd en nimmer is verhuisd en het hem verbaasde dat hij de brief van 08 maart 1989 [kenmerk] van de Inspekteur der Belastingen niet heeft ontvangen, ofschoon die brief niet als onbesteld is geretourneerd aan de Belastingsdienst. Eveneens wenst appellante (lees: eiser bij rekest civiel) tegen het voormeld vonnis van Uw Hof bij rekest-civiel procedure  op te komen vanwege het feit dat geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) het bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van de gemeente Utrecht in Nederland, alsmede zijn nationaliteitsverklaring heeft achtergehouden en niet in het proces heeft gebracht.

Overwegende, dat de eiser bij rekest civiel op deze gronden heeft gevorderd:

dat het vonnis op 05 maart 2004 door het Hof van Justitie te Paramaribo als Ambtenarengerecht, uitgesproken tussen appellante (lees: eiser bij rekest civiel) als  verweerder en geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) als eiser  (lees: verzoeker) en opnieuw rechtdoende, geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) alsnog zijn vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond dan wel niet bewezen of allereerst hem niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, met veroordeling van geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) in de kosten van beide instanties, Kosten rechtens, zal worden vernietigd;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder H.B.Blijd-Verwey van 5 maart 2005 een afschrift van het verzoekschrift is uitgereikt aan geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel);

Overwegende, dat ten dage voor de behandeling bepaald, geintimeerde (lees:  gedaagde in rekest civiel) voor antwoord heeft gezegd:

  1. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) is Nederlander maar hij woont vanaf 04 december 1985 metterwoon in Suriname, zoals blijkt uit de verklaring van het Hoofd van het Bureau Kwatta van het Centraal Bureau Burgerzaken d.d. 06 april 2005.
  2. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) is op 02 oktober 1990 gehuwd met [naam 1] in het Ressort Distrikt  [district], in Suriname, zoals blijkt uit het bewijs van huwelijksvoltrekking.
  3. Op 15 november 1999 is uit het voormeld huwelijk van geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) en zijn echtgenote geboren het kind [naam 2] te Paramaribo, zoals blijkt uit het bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister.
  4. De echtgenote van geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel), [naam 1], is vanaf 15 februari 1985 in dienst van De Staat Suriname bij het Ministerie van Volksgezondheid, Direktoraat Milieubeheer, zoals blijkt uit de werkgeversverklaring d.d. 06 april 2005.
  5. De gegevens vermeld in het afschrift uit de Gemeentelijke basisadministratie te Utrecht Nederland kloppen niet en zijn onjuist voor zover zij stellen dat geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) daadwerkelijk in Nederland woont.
  6. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) is niet werkschuw en hij heeft zich altijd aangemeld en bereid getoond te arbeiden voor de Staat Suriname als ambtenaar.
  7. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) heeft in het proces dat geleid heeft tot het vonnis  van het Hof van Justitie d.d. 05 maart 2004 

A-459, reeds de bronnen van zijn inkomen aangegeven t.w. pensioen van zijn overleden echtgenote, [naam 3], zie kopie familieboekje en inkomen van zijn huidige echtgenote, vide werkgeversverklaring van zijn echtgenote vermeld in het 5e sustenu van dit afschrift. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) heeft geen exorbitante levensstijl en hij ervaart de aanvallen van de Staat Suriname als laag bij de grond. Maar als de Staat Suriname zich op deze wijze etaleert, dan zij het zo!

  1. Er is uit en treure aangegeven dat het salaris van geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) vanaf augustus 1986 is geblokkeerd. In het proces voor de ambtenarenrechter heeft appellante (lees: eiser bij rekest civiel) dit niet betwist  of ontzenuwd. Dit verhaal is tardief omdat deze feitelijke grondslag niet is bedrog of aperte rechterlijke fout in de zin van het rekest civiel.
  2. Geen enkele wettelijke regeling belet geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) om ambtenaar te zijn in dienst van de Staat Suriname in de zin van de Personeelswet.
  3. De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden, Paramaribo, 25 november 1975, Verdragenblad van de Republiek  Suriname, 1981 no.1, verplicht in artikel 5 lid 2 de Staat Suriname om personen bedoeld  in het eerste lid van artikel 5 van die Toescheidingsovereenkomst te allen tijde  met hun gezin onvoorwaardelijk tot de Republiek Suriname toe te laten en daar in alle opzichten als  Surinamer te worden behandeld. Ook op basis van deze Toescheidingsovereenkomst is geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) in Surinaamse dienst benoembaar. De conclusie   uit het voorgaande is dat de Staat Suriname er ten onrechte van uitgaat dat de Nederlandse nationaliteit van geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) een beletsel vormt voor geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel om in Surinaamse dienst  ambtenaar te zijn in de zin van de Personeelswet.
  1. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) heeft nooit en te nimmer geweigerd arbeid ten behoeve van de Staat Suriname te verrichten. Deze blote stelling van de Staat Suriname is al in het proces voor de Ambtenarenrechter uitvoering (lees: uitvoerig) aan de orde gekomen en kan niet als bedrog of aparte rechterlijke fout in de zin van het rekest civiel worden aangemerkt. Geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) heeft voldoende aangetoond dat hij reeds voor 1985 in Suriname woont en werkt en sindstoen zijn woonplaats heeft.
  2. Ten onrechte gaat de Staat Suriname ervan uit dat geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) heeft verzwegen dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Eerstens rijst de vraag of geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) een rechtsplicht heeft om bij indiensttreding ongevraagd zijn nationaliteit op te geven. Tweedens is het bezit van de Nederlandse Nationaliteit geen beletsel om ambtenaar te zijn in de zin van de personeelswet terwijl ten derde de Toescheidingsovereenkomst  het recht op behandeling in alle opzichten als Suriname toekent aan geintimeerde 

(lees: gedaagde in rekest civiel). De toelaatbaarheid van een vordering  bij het Ambtenarengerecht steunt op de status van ambtenaar en niet op de nationaliteit van de aanlegger.

  1. Alle door geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) aangehaalde en overgelegde bescheiden worden hier als letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwd.

Overwegende, dat geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) op deze gronden voor antwoord heeft geconcludeerd:

dat de Staat Suriname (lees: eiser bij rekest civiel) in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans hem deze zal worden ontzegd als ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek, welke geacht moeten worden te dezer plaatse te zijn ingelast, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van geintimeerde (lees: gedaagde in rekest civiel) bij dupliek pleidooi produkties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellante (lees: eiser bij rekest civiel) hierna een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen;

Overwegende, dat partijen vonnis hebben gevraagd, waarvan de uitspraak werd bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het buitengewoon rechtsmiddel van request-civiel zich in het onderhavige geding richt tegen het door het Hof van Justitie, als gerecht in ambtenarenzaken, dat in eerste en hoogste aanleg oordeelt over vorderingen, op 5 maart 2004 gewezen en uitgesproken vonnis in de zaak van [gedaagde] als verzoeker tegen De Staat Suriname als verweerder, bekend onder nummer A-458;

Overwegende, dat bij gemeld vonnis eiser bij request-civiel gelast werd binnen 2(twee) weken na de uitspraak van dat vonnis te bevorderen, dat wordt hervat de betaling aan de gedaagde in request-civiel van zijn aangepast salaris vanaf 1 augustus 1986 tot en met de dag waarop aan hem, gedaagde in request-civiel, eervol ontslag zal zijn verleend uit Staatsdienst, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van 100 SRD per dag dat eiser bij request-civiel nalaat aan dat vonnis te voldoen;

Overwegende, dat gemeld rechtsmiddel evenwel niet voorzien is in de Personeelswet (geldende tekst 1986), zodat waar het vonnis  van het Hof van Justitie, als gerecht in ambtenarenzaken, de dato 5 maart 2004, waarvan de eiser bij request-civiel ( en niet appellante  zoals in het rekest is gesteld) herroeping diende te vragen, en niet vernietiging daarvan enz……………..enz……………, krachtens de Personeelswet is gewezen, eiser bij request-civiel reeds op deze grond in zijn vordering niet ontvankelijk is;

Overwegende immers, dat uit de gehele regeling van de rechtsmiddelen blijkt dat een vonnis niet anders aantastbaar kan zijn dan op grond van een in de wet (in  casu de Personeelswet) geregeld middel;

Overwegende, dat de wettelijke regeling van de rechtsmiddelen in zoverre exclusief is;

Overwegende, dat het Hof de eiser bij request-civiel als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van dit proces zal laten dragen;

RECHTDOENDE  IN REKEST CIVIEL:

Verklaart de eiser bij request-civiel niet – ontvankelijk in het door hem gedaan verzoek;

Veroordeelt de eiser bij request-civiel in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagde in request-civiel gevallen en begroot op SRD 150,-;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,-;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de eiser bij request-civiel eveneens op SRD 150,-;

 

Aldus gewezen  door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 15 juli 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

               

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten,  Mr.J.Kraag en Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                               

SRU-HvJ-2008-12

                      

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

GENERALE ROL NO. 14207.

 

[appellant], wonende te [plaats] aan de [straatnaam 1], voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat, 

appellant,

 t   e  g  e  n 

 

  1. [Geïntimeerde sub 1], wonende in de Verenigde Staten van Amerika [straatnaam 2], Miami 33193, Florida;
  2. [Geïntimeerde sub 2], echtgenote van de eiser sub 1 en wonende in de Verenigde Staten van Amerika [straatnaam 2], Miami 33193, Florida;
  3. [Geïntimeerde sub 3], wonende aan de [straatnaam 3] in Nederland;
  4. [Geïntimeerde sub 4], wonende te Utrecht aan de [straatnaam 3] in Nederland;              
  5. [Geïntimeerde sub 5], wonende te Vlaardingen aan de [straatnaam 4] in Nederland;
  6. [Geïntimeerde sub 6], wonende te Utrecht aan de [straatnaam 5] in Nederland;
  7. [Geïntimeerde sub 7], wonende te Utrecht aan de [straatnaam 6] in Nederland, ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Einaarstraat no.8 ten kantore van mr. F.F.P. Truideman, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

    geïntimeerden,

 

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoire beschikkingen van  21 april 2006 en 15 februari 2008 tussen partijen gegeven;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

In deze zaak is er op  15 februari 2008 een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop tot en met die datum wordt verwezen naar hetgeen vermeld staat onder de kop: Het procesverloop in hoger beroep, in die beschikking.

Het verdere procesverloop

Bij voormelde tussenbeschikking is beslist dat de griffier diende te bewerkstelligen dat de zg. Griffiersbrief ex artikel 119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Brv) in het geding zou worden gebracht;

Van de griffier is op 10 maart 2008 per schrijven bericht verkregen dat beschikkingen inzake openbare verkopen niet per griffiersbrief worden verstrekt aan belanghebbenden;

Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich hieromtrent uit te laten ter rolle, waarbij zij zich op 4 april bij monde van hun respectieve gemachtigden hebben gerefereerd aan het oordeel van het Hof en beschikking hebben gevraagd, waarvan de uitspraak op heden.

De rechtsoverwegingen

Appellant heeft op 2 juli 2004 appel aangetekend tegen de beschikking van de Kantonrechter gewezen tussen partijen op 26 mei 2004, bekend onder A R no. 031854. In  het dictum van voormelde beschikking is bepaald dat deze binnen 4 weken na dagtekening ter kennis van de gerekestreerde (thans appellant) diende te worden gebracht. Niet kan worden vastgesteld in hoeverre partijen dan wel hun gemachtigden bij de uitspraak van de beschikking aanwezig waren.

Aangezien de griffier der Kantongerechten met veronachtzaming van de plicht tot mededeling en het bepaalde in artikel 569 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, heeft aangegeven dat er in zijn algemeenheid geen mededelingen worden gedaan van dergelijke beschikkingen aan partijen op de voet van artikel 119 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Brv), leidt het Hof daaruit af dat deze mededeling in concreto ook niet is gedaan aan gerekestreerde (thans appellant) en ook nimmer zal worden gedaan, weshalve enig verwijt aan appellant dat hij te laat of te vroeg zou zijn met zijn appel a priori misplaatst is; appellant is ontvankelijk in zijn appel;

Anders dan appellant betoogt, is het Hof van oordeel dat een scheiding en delingsprocedure tussen rechthebbenden in een boedel, waarbij ter afwikkeling van die scheiding en deling een onzijdig persoon is benoemd zoals in kwestie, in het algemeen – bijzondere omstandigheden daargelaten – niet in de weg staat aan een vordering en dus afwikkeling van een boedel tussen dezelfde partijen op grond van artikel 1103 Burgerlijk Wetboek (BW) juncto de artikelen 567 t/m 571 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Brv.) (vide ook HR 9 mei 1980 NJ 1981 no 283);

Beide procedures hebben immers ten doel en waarborgen een snelle en goede afwikkeling van een boedel, waar geen der deelgenoten verplicht zijn in te blijven (vide artikel 1093 van het Burgerlijk Wetboek BW).

Aangezien appellant noch in eerste aanleg (waar hij bovendien niet is verschenen om te worden gehoord) noch in hoger beroep bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, welke tot het oordeel zouden kunnen voeren dat de scheiding en delingsprocedure middels een onzijdig persoon in kwestie voorkeur verdient boven een openbare verkoop op de voet van artikel 1103 Burgerlijk Wetboek (BW) en hij zonder bericht van verhindering, bovendien niet blijkt te verschijnen ten kantore van de notaris ter afwikkeling van de boedel zoals hij dat zou wensen, zal onder aanvulling van gronden de beschikking waarvan beroep, bevestigd worden;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt onder aanvulling van gronden de beschikking van de Kantonrechter gegeven in het Eerste kanton d.d. 26 mei 2004 onder A R no. 031854, waarvan beroep;

 

Aldus gegeven  door de heren: mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-President, mr. D.D. Sewratan, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en 

w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

 

door mr. J.R. von Niesewand, President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun      

wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de President niet in staat het vonnis te ondertekenen.              

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat  mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F. Kruisland en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. D. Chocolaad namens hun gemachtigde, advocaat mr. F.F.P. Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2005-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14219

[Appellant], wonende aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.R.Schurman, advokaat, 

appellant,

t   e  g  e  n 

[Geintimeerde], wonende aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.L.Punwasi-Raghoebier, advokaat,

geintimeerde,  

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis  van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 4 mei 2004  tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 6 augustus 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de navolgende vordering wenst in te stellen tegen [appellant], wonende te [plaats] aan [straatnaam] ;
  2. dat eiseres op 24 september 1985 in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met gedaagde;

dat voormeld huwelijk de nog in leven zijnde minderjarige kinderen zijn geboren t.w.

a. [Kind 1], geboren te [plaats] op 4 oktober 1987;

b. [Kind 2], geboren te [plaats] op 7 september 1989;

  1. dat eiseres’s echtgenoot staande het huwelijk van partijen vleselijk gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen althans met een andere vrouw dan eiseres en zich mitsdien aan overspel heeft schuldig gemaakt;
  2. dat eiseres op grond van voormelde feit gerechtigd is een vordering tot echtscheiding van tafel en bed tegen haar voornoemde echtgenoot in te stellen, waartoe zij toestemming van U behoeft;

dat de eisende partij  op deze gronden heeft gevorderd:

dat haar verlof zal worden verleend  tot het  instellen van een vordering tot echtscheiding subsidiair scheiding van tafel en bed tegen haar voornoemde echtgenoot, Kosten rechtens;

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiseres niet ontvankelijk is, althans de vordering zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusie van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 4 mei 2004 op de daarin opgenomen gronden;

de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 24 september 1985 te Paramaribo heeft uitgesproken;

dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over voormelde minderjarige zal worden gehouden in een van de zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no.79-81 te Paramaribo op dinsdag 12 oktober 2004 ’s morgens om half negen;

de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen;

heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de boedelscheiding zullen worden verricht, Mr.R.Currie, notaris te Paramaribo dan wel diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen EEN MAAND na de inschrijving van dit vonnis geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt;

heeft benoemd tot onzijdig persoon volgens de wet:;

voor de eiseres: Mr.S.Mangroelal, advokaat

voor de gedaagde: Mr.J.C.P.Nannan Panday, advokaat;

voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken;

de proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis  van 4 mei 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder J.E.Febis van 28 oktober 2004 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden. 

TEN AANZIEN VAN HET RECHT::

Overwegende, dat appellant  op 16 augustus 2004 hoger beroep heeft aangetekend tegen het op 4 mei 2004, in eerste aanleg door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen  vonnis weshalve moet worden onderzocht of dit appel tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat als tussen partijen in confesso rechtens vaststaat, dat appellant als gedaagde in prima niet persoonlijk bij de uitspraak van bedoeld vonnis aanwezig is geweest en dat daarbij Mr.H.R.Schurman, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad, evenmin tegenwoordig was;

Overwegende, dat uit de stukken niet blijkt dat die uitspraak door de Griffier van het kantongerecht in het Eerste Kanton bij aangetekende  dienstbrief overeenkomstig artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de gedaagde – appellant – is medegedeeld  en nu krachtens artikel 264 lid 3 van genoemd wetboek de termijn van hoger beroep dertig dagen bedraagt te rekenen vanaf de dag, waarop het eindvonnis is medegedeeld en die mededeling niet heeft plaatsgevonden en de appeltermijn derhalve geen aanvang genomen heeft zal het Hof appellant alsnog niet ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellant alsnog niet ontvankelijk in zijn hoger beroep;

Veroordeelt appellant in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen en begroot 

in eerste aanleg op SRD………

in  hoger beroep op SRD…….

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat  voor het door haar gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD…………………

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat  van appellant eveneens op SRD………………

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 oktober 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.G.A.Vos namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.H.R.Schurman en geintimeerde vertegenwoordigd door haar gemachtigde, advokaat Mr.L.Punwasi-Raghoebier, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.                        

                                                                                                         

 

 

 

SRU-HvJ-2005-15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME          

GENERALE ROL NO. 14232.

 

[Appellante], wonende aan [adres 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. M.G.A.Vos, advokaat,

appellante,

t    e   g   e   n 

[Geïntimeerde],  echtgenoot van [appellante], wonende aan [adres 2], domicilie kiezende aan de Oude Hofstraat no.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.G.O.Koulen, advokaat,

geintimeerde,

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)   Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van  3 november 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 5 november 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;                            

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiser blijkens hierbij overgelegde bewijs van huwelijks-voltrekking op 10 oktober 1956 te Paramaribo is gehuwd met [appellante], wonende aan [adres 1] , gedaagde:
  2. dat uit het huwelijk van partijen de kinderen de meerderjarige leeftijd bereids hebben bereikt;
  3. dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is op grond waarvan de man  gerechtigd is een verzoek tot echtscheiding tegen de vrouw in te  dienen;
  4. dat deze duurzame ontwrichting  o.a. tot uiting komt:
  5. dat eiser langer dan 15 jaren apart woont aan [adres 2]; dat deze omstandigheid veroorzaakt is door een spanningsveld welke tussen eiser en gedaagde is ontstaan, waardoor er geen sprake meer is van een man – vrouw relatie;
  6. dat eisers echtgenote weigert hem te ontvangen ondanks het feit dat hij haar nog steeds van huishoudgeld voorziet, waardoor eiser ook geen behoefte meer heeft verder contact met haar te onderhouden; partijen hebben immers los van elkaar reeds een eigen leven opgebouwd, waarin geen plaats meer is voor de ander;
  7. dat voormelde gedragingen structureel zijn in het huwelijk van partijen, waardoor terecht kan worden gesteld dat dit huwelijk duurzaam is ontwricht en dat om die reden eiser de rechter vraagt de echtscheiding te willen uitspreken in het huwelijk van eiser en zijn voornoemde echtgenote;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

  1. dat bij vonnis de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen d.d. 10 oktober 1956 te Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met alle wettelijke gevolgen van dien;
  2. eiser verlof zal worden verleend om hangende het geding apart verblijf te houden aan [adres 2], zonder verplicht te zijn gedaagde aldaar bij zich te ontvangen;
  3. met veroordeling van de gedaagde om met eiser over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap waarin hij met de gedaagde is gehuwd, met benoeming van een notaris door wie of te wiens overstaan werkzaamheden dier scheiding en deling zullen plaatsvinden, zo partijen niet binnen een door de rechter te bepalen termijn omtrent de keuze van een notaris overeenstemming te hebben bereikt en voorts met benoeming van een onzijdig persoon, die gedaagde bij de scheiding en deling zal vertegenwoordigen indien zij, na daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschijnt, of wel verschenen zijnde, weigeren mocht aan de scheiding en deling haar medewerking te verlenen.

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg voor antwoord in conventie heeft gezegd:

  1. Betwisting

1.1. Gedaagde ontkent en betwist al hetgeen niet woordelijk en uitdrukkelijk door haar in het hiernavolgende wordt erkend onder aanbod van bewijs van haar stellingen, indien en voor zover de bewijslast op haar komt te rusten.

1.2. Gedaagde zal in het navolgende gemotiveerd verweer voeren tegen de gevorderde echtscheiding en concluderen dat eiser niet – ontvankelijk wordt (lees: verklaard) in zijn vordering, althans hem zulks te ontzeggen alszijnde ongegrond en niet bewezen.

  1. Vaststaande feiten

2.1. Gedaagde kan het gestelde 1ste en 2e “dat” van het inleidend rekest erkennen.

2.2. Gedaagde kan verder erkennen dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

  1. Duurzame ontwrichting

Het huwelijk van partijen is zoals reeds aangegeven inderdaad ontwricht. Evenwel zijn de aangegeven redenen in het 4e “dat” inleidend rekest onjuist. Het huwelijk van partijen is ontwricht vanwege het feit dat eiser bijkans 15 jaar geleden een buitenechtelijke relatie is aangegaan met de nicht van gedaagde en toen de echtelijke woning heeft verlaten. Sindsdien heeft hij geen contact meer met gedaagde noch de kinderen. Zijn kinderen heeft hij niet eens verzorgd. Eiser heeft nooit getracht de relatie tussen partijen te herstellen. De ontwrichting is dus in overwegende mate aan eiser te wijten. Volgens art.263 BW zou gedaagde het bewijs hiervan dienen te leveren. Aangezien gedaagde noch haar kinderen noch familieleden en vrienden voor  haar wil laten getuigen, zal zij het  hierbij laten. Eiser doet voorkomen alsof hij gedaagde enorm veel huishoudgeld geeft en gedaagde dan verplicht hem ondanks alles te ontvangen. Niets is minder waar. Na een veroordeling van de Kantonrechter op 3 augustus 1998 verstrekt eiser aan gedaagde maandelijks Srg.100.000,–, thans SRD.100,- ( éénhonderd Surinaamse dollars). Dit is te lange na niet voldoende om in haar levensonderhoud te voorzien. In reconventie zal gedaagde wijziging van deze beschikking vorderen.

  1. Verweer: pensioen verweer

Ingeval van echtscheiding zal vooral gedaagde in de tegenwoordige omstandigheden worden getroffen in bestaande vooruitzichten op pensioengerechten en/of andere uitkeringen bij vóóroverlijden van de man. Zij vraagt daarom dat er eerst een billijke voorziening wordt getroffen, daarmee doet  zij dus een beroep op art.264 BW.Zolang er geen billijke voorziening getroffen wordt, kan het verzoek tot echtscheiding niet worden toegewezen, aldus art.264 BW

 en voor eis in reconventie heeft gesteld:

  1. dat eiseres de Kantonrechter verzoekt om al hetgeen in conventie is aangevoerd alhier als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;
  2. dat eiseres op 10 oktober 1956 te Paramaribo in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd met gedaagde;
  1. dat de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 03 augustus 1998, A.R.No.982254, gedaagde heeft veroordeeld tot betaling van Srg.100.000,- 

(éénhonderdduizend Surinaamse gulden) thans SRD.100,- per maand ter voorziening in het levensonderhoud van eiseres, en wel ingaande 01 augustus 1998;

  1. dat het geen betoog behoeft dat dit bedrag heden ten dage niet voldoende is om in eiseres levensonderhoud te voorzien. Eiseres zelf heeft geen andere inkomsten dan een AOV van SRD.125,- (éénhonderd vijf en twintig Surinaamse dollars) en gezien haar leeftijd kan zij in redelijkheid  ook niet in voldoende mate inkomsten verwerven. Eiseres legt hierbij een kostenplaatje over, waaruit blijkt dat zij behoefte heeft aan een maandelijkse alimentatie van SRD.500,- (vijfhonderd Surinaamse dollars). Gedaagde is gezien zijn pensioen in staat om dit te voldoen.
  2. dat eiseres daarom recht en belang heeft dat opgemelde beschikking conform wordt gewijzigd;
  3. dat eiseres  de Kantonrechter verzoekt de overgelegde produktie als letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen;

Overwegende, dat op deze gronden is geconcludeerd:

voor antwoord in conventie:

dat eerst een billijke voorziening wordt getroffen alvorens de echtscheiding wordt uitgesproken, althans dat eiser’s vordering zal worden afgewezen;

en voor eis in reconventie:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de beschikking van de Plaatsvervangend-Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 03 augustus 1998, A.R.No.982254, zal worden gewijzigd, in dier voege dat gedaagde zal worden veroordeeld om eiseres ter voorziening in haar levensonderhoud te alimenteren met een bedrag SRD.500,- (vijfhonderd Surinaamse dollars) per maand, in stede van Srg.100.000,- (éénhonderdduizend Surinaamse gulden, thans SRD.100,– (éénhonderd Surinaamse dollars) per maand, en wel ingaande 01 juni 2004.
  2. gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat de eisende partij in conventie een als ingelast te beschouwen conclusie van repliek heeft doen nemen en als gedaagde partij in reconventie voor antwoord heeft gezegd:

dat gedaagde het gestelde vervat in het 2e dat van de Conclusie van eis in reconventie erkent evenzo het gestelde vervat in het 3e dat, evenwel met de kanttekening dat eiseres al dan niet opzettelijk het feit verzwijgt dat kort na zijn veroordeling gedaagde de alimentatie van 100 SRD heeft verhoogd naar 150 SRD (vide produktie). Voorts verzwijgt eiseres de omstandigheid dat haar E.B.S.- en telefoonrekening nog steeds door gedaagde wordt betaald (vide produktie);

gedaagde is wel bereid de alimentatie naar 250 SRD te brengen doch is niet instaat het gevraagde bedrag van 500 SRD aan alimentatie uit te keren en wel op de navolgende gronden: gedaagde toucheert een overheidspensioen van 447,37 SRD per maand, naast een Nederlandspensioen 525 euro;

gedaagde heeft aan uitgaven:

telefoon   37.50  SRD

licht    75.00  SRD

water   7.50  SRD

levensonderhoud    200.000 SRD

medicijn: depenteron: 3 keer per dag moet zulks worden ingenomen; bedoelde medicijn wordt uit Nederland gehaald; gedaagde lijdt aan Colitus ulserosa, een ongeneeslijke darmziekte; daarnevens lijdt gedaagde aan prostaat-kanker waarvoor hij verplicht is periodiek naar Nederland te reizen; het Nederlands-pensioen dat hij toucheert is voor een groot gedeelte hiervoor bestemd. Gedaagde is zich ter dege bewust van de omstandigheid, dat het leven niet alleen voor hem maar ook voor eiseres vrij duur is; gedaagde is daarom bereid ter compensatie hiervan de echtelijke woning aam [adres 1], welke een waarde vertegenwoordigd van 

$ 300.000,- aan eiseres over te dragen.

Overwegende, dat gedaagde in reconventie op deze gronden voor antwoord in reconventie heeft geconcludeerd, dat eiseres niet zal worden ontvangen in haar vordering, althans haar deze  zal worden ontzegd alszijnde ongegrond en onbewezen en als eiser in conventie voor repliek in conventie heeft gepersisteerd bij zijn conclusie van eis;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van dupliek in conventie en van repliek en dupliek in reconventie, welke geacht moeten wordende te dezer plaatse te zijn ingevoegd, haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 3 november 2004 op de daarin opgenomen gronden;

in conventie:

De echtscheiding tussen [geïntimeerde] en [appellante] heeft uitgesproken, gehuwd op 10 oktober 1956 te Paramaribo.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen;

Heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zullen plaatsvinden, Mr.L.D.Hira Sing, notaris residerende te Paramaribo, of diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis omtrent de keuze van een notaris niet zijn overeengekomen;.

Heeft benoemd tot onzijdig persoon, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft aan de verdeling mee te werken:

voor de vrouw, Mr.M.R.Carrilho, advokaat

     voor de man, Mr.M.A.Castelen, advokaat

in reconventie:

Eiseres niet ontvankelijk in haar vordering heeft verklaard;

in conventie en in reconventie:

De proceskosten tussen partijen heeft  gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante], appellante in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 3 november 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L.Tran Van Can – Doesburg d.d.28 januari 2005, aan geintimeerde aanzegging van het ingesteld hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen ter terechtzitting van 18 november 2005 respectievelijk bij repliek – en dupliek pleidooi  gepersisteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat appellante als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in eerste aanleg niet in persoon bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advokaat, die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld;

Overwegende voorts, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van gemeld Wetboek  aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis  bij aangetekende  dienstbrief door de Griffier mededelen;

Overwegende, dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn, dan dat ook de bij de uitspraak  afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis  op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende,  dat deze  bedoeling bereikt wordt indien de verzonden dienstbrief door de geadresseerde partij onder andere wordt ontvangen;

Overwegende, dat nu de dienstbrief, naar het het Hof gebleken is, niet is verzonden en de appeltermijn geen aanvang heeft genomen, dient appellante niet ontvankelijk verklaard te worden in haar tegen het beroepen vonnis  de dato  3 november 2004, gewezen en uitgesproken in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 03/4888, aangetekend hoger beroep; 

Overwegende, dat appellante  de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 3 november 2004 gewezen;

Veroordeelt appellante in de kosten aan de zijde van geintimeerde gevallen tot dusverre begroot op SRD 150,-;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD 150,-;

Bepalende  het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 150,-;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President,   Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 december 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante  vertegenwoordigd door advokaat  Mr.H.P.Boldewijn namens haar gemachtigde, advokaat Mr.M.G.A.Vos en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat  Mr.A.I.Soechitram namens zijn gemachtigde, advokaat  Mr.J.G.O.Koulen, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.                                

 

                                                                                                  

 

SRU-HvJ-2005-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14243

 

H.J.DE VRIES BEHEERSMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo , ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 beneden, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat, 

appellante in Kort Geding,

 t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], wonende in Nederland aan de [straatnaam] te Amsterdam, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.D.S.Kraag, advokaat,

geintimeerde in Kort Geding, 

 

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis  van de Kantonrechter in het Eerste Kanton,  van 11 december 2003 tussen partijen gewezen;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 16 januari 2004, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respektieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat H.J. De Vries Beheersmaatschappij N.V. als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Eiseres wenst de volgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen [geïntimeerde], wonende in Nederland aan de [straatnaam] te Amsterdam, gedaagde, ten deze domicilie gekozen hebbende te Paramaribo aan de Weidestraat ten kantore van Mr.D.S.Kraag, advokaat;
  2. Gedaagde heeft blijkens exploit van deurwaarder J.E.Kolff d.d. 25 september 2003 no.729 CONSERVATOIR DERDEN BESLAG doen leggen onder:

a. N.V.Surinaamsche Bank;
b. N.V. R.B.T.T. Bank (Suriname);
c. N.V.Landbouwbank;
d. De Surinaamse Postspaarbank;
e. N.V.Hakrinbank;
f. N.V.Finabank N.V.;
g. Stichting Surinaamse Volkscredietbank;

op alle gelden, geldswaarden en/of goederen die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden of onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van EISERES om betaling te verkrijgen van de som van US$ 35.861,16 ( VIJF EN DERTIG DUIZEND ACHTHONDERD EEN EN ZESTIG DOLLAR EN ZESTIEN CENTEN) en SF650.000,- (ZESHONDERD VIJFTIGDUIZEND GULDENS) en E 21.678 (EEN EN TWINTIG DUIZEND ZESHONDERD ACHT EN ZEVENTIG EURO’S) exclusief rente en kosten.

  1. Voormeld beslag is bij exploit van deurwaarder J.E.kolf d.d. 27 september 2003 no.730 aan eiseres betekend.
  2. gedaagde heeft voormeld beslag gelegd uit kracht van artikel 599 W.v.BRv. en daarbij zijn vordering doen steunen op de volgende onderhandse bescheiden:
  3. een fotocopie van een schuldbekentenis d.d. 06 januari 2002;
  4. fotocopie van een schrijven d.d. 24 januari 2003 van de raadsman van gedaagde welke betekend is aan eiseres bij exploit no.44 d.d. 11 februari 2003 van deurwaarder H.B.Blijd-Verwey;
  5. een schrijven d.d. 15 januari 2003 van de raadsman van gedaagde aan eiseres.
  6. Eiseres ontkent en betwist dat zij enig bedrag laatstaan de door gedaagde in het beslagexploit, zoals vermeld in het tweede sustenu van dit verzoekschrift, aan gedaagde verschuldig is  omdat noch eiseres nog één van haar dochtermaatschappijen enig voorschot in welke valuta dan ook heeft ontvangen van gedaagde ter bekostiging van de uitvoering van ontbossings- en egalisatiewerkzaamheden of dat gedaagde welke arbeid of dienst dan ook heeft verricht op Plantage Suzanne’s Dal.
  7. Evenmin blijkt uit de administratie  van eiseres dat zij of één van haar dochterondernemingen de som van US$ (VIJF EN DERTIG DUIZEND ACHTHONDERD DRIE EN ZESTIG DOLLAR EN ZESTIEN CENTEN ) respectievelijk SF 650.000,- (ZESHONDERD VIJFTIG DUIZEND SURINAAMSE GULDENS) of de tegenwaarde daarvan in een andere valuta hebben aangewend voor enig werk of anderszins omschreven in de door gedaagde gebruikte schuldbekentenis.
  8. Op grond van hetgeen in de twee vorige sustenu’s is gesteld wordt de schuldbekentenis, uit kracht waarvan gedaagde het onderhavige beslag heeft doen leggen, betwist en van intellectuele valsheid beticht omdat de inhoud van voormelde schuldbekentenis in strijd is met de waarheid.
  9. Het goedschrift is niet ondertekend door de vermeende vertegenwoordiger van eiseres, waardoor uit dien hoofde aan de schuldbekentenis slechts begin van schriftelijk bewijs zou kunnen worden toegekend. Bovendien was de direkteur, de heer drs. [naam] statutair niet bevoegd een schuld van de omvang zoals in de schuldbekentenis omschreven aan te gaan zonder de uitdrukkelijke schriftelijke goedkeuring van de Raad van Commissarisen van eiseres. Gedaagde kan zich niet te goeder trouw op beroepen dat hij niet wist of begreep dat de voormelde goedkeuring van de Raad van Commissarissen verplicht is voor het rechtsgeldig binden van eiseres aangezien gedaagde één van de grootaandeelhouders was van eiseres ten tijde van het totstandkomen van de eenzijdige schuldbekentenis en wegens zijn veelvuldige bemoeienis met zaken eiseres rakende wist of moest gedaagde  hebben begrepen dat de voormelde goedkeuring nodig was althans is. Overigens is deze schuldbekentenis niet bekend of geadministreerd in de administratie van eiseres  hetgeen voor eiseres reden is de datum van totstandkoming en in feite de gehele totstandkoming van de onderhavige schuldbekentenis te ontkennen en te betwisten. Bij eiseres bestaat de indruk dat de onderhavige schuldbekentenis na het ontslag van de voormalige direkteur, de heer drs. [naam], door laatstgenoemde in conspiratie met gedaagde is opgemaakt en ondertekend vandaar dat deze schuldbekentenis niet voorkomt in de administratie en evenmin enige financiele boeking hieromtrent voorkomt in de administratie van eiseres. Overigens is niemand in dienst van eiseres bekend met deze schuldbekentenis.
  10. Eiseres heeft steeds conform de statuten van de vennootschap en het besluit daaromtrent van de algemene vergadering van aandeelhouders het vastgelegde dividend aan elke aandeelhouder uitbetaald. Indien gedaagde meent aanspraak te maken op uitkering van dividend over het boekjaar 2000 dan dient bij conform de gebruikelijke procedure de daarvoor bestemde dividendbewijzen te bestemder plekke te overleggen, waarna uitbetaling van het dividend kan plaatsvinden. Gedaagde heeft tot nog toe nagelaten zulks te doen dan wel enig ander bescheid over te leggen waaruit zijn aanspraak op dividend wordt bevestigd.

Het dividend van de vennootschap in casu eiseres wordt, voor zover daarvan sprake is, ingevolge de statuten van de vennootschap steeds in Surinaams courant vastgesteld en dienovereenkomstig aan de belanghebbenden uitbetaald. Vandaar dat eiseres ontkent en betwist een in Euro vastgestelde dividend uitkering aan gedaagde verschuldigd te zijn. De jaarrekening over het boekjaar 2001 is helaas nog niet goedgekeurd door de AVA. Het staat daarom niet vast of er al of niet dividend zal worden uitgekeerd over gemeld boekjaar, laatstaan de verschuldigdheid van de som van E 6.742,37 (ZESDUIZEND ZEVENHONDERD TWEE EN VEERTIG EURO’S EN ZEVEN EN DERTIG CENTEN) blijkens het schrijven van de raadsman van gedaagde Mr.D.S.Kraag, d.d. 24 januari 2003 doss.no.4752.

  1. Eiseres ondervindt ernstige schade en hinder van de onderhavige beslagen omdat alle bankaire transakties die zij met lokale en internationale relaties en schuldeisers, leveranciers e.d. moet verrichten door voormeld beslag niet meer mogelijk zijn hetgeen de solvabiliteit en geloofwaardigheid en kredietwaardigheid van eiseres aantast. Maar ook de reguliere betalingen van lonen en salarissen aan het personeel van eiseres zijn door het beslag in de knoop geraakt. Eiseres heeft mitsdien een spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening bij voorraad.

11.Alle door eiseres aangehaalde en overgelegde bescheiden worden hier als letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwd.

Overwegende, dat de eisende partij  op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, de opheffing zal worden gelast van de conservatoire derden beslagen gelegd bij exploit van deurwaarder J.E.Kolf d.d. 25 september 2003 no.729 ten verzoeke van  gedaagde en ten laste van eiseres onder De Surinaamsche Bank N.V..; de R.B.T.T. Bank (Suriname) N.V.; de Landbouwbank N.V.; de Surinaamse Postspaarbank; de Hankrinbank N.V.; de Finabank N.V.; de Stichting Surinaamse Volkscredietbank.

Kostens rechtens.

Overwegende, dat [geïntimeerde] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd;

dat eiseres niet zal worden ontvangen in haar vordering althans haar deze zal worden ontzegd als te zijn ongegrond danwel niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 11 december 2003 op de daarin opgenomen gronden;

de  gevraagde voorziening heeft geweigerd;

eiseres heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal H.J. De Vries Beheersmaatscahppij N.V. in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis (in Kort geding) van 11 december 2003;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L.Tran van Can-Doesburg van 3 mei 2005 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie van partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden. 

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, appellante, als eiseres in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was haar advokaat, die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eischer in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van den dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld;

Overwegende, voorts, dat naar luid van artikel 119 lid 3 van genoemd Wetboek, aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, dat de Kantonrechter den inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier mededelen;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, aan appellante niet is medegedeeld de inhoud van een dienstbrief als bedoeld in artikel 119 lid 3 van meergenoemd Wetboek;

Overwegende, dat dan ook niet gezegd kan worden dat de termijn van appel een aanvang heeft genomen;

Overwegende, dat appellante door desondanks appel aan te tekenen bij brief van 16 januari 2004 tegen het vonnis gewezen en uitgesproken in de  zaak tussen  partijen op 11 december 2003 kan worden verweten voorbarig te zijn geweest;

Overwegende, dat appellante derhalve niet ontvankelijk is in het ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding op 11 december 2003 gewezen;

Veroordeelt appellante  in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,-;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,-;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 150,-;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks en Mr.D.D. Sewratan, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 december 2005, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.M.Nibte, namens haar gemachtigde, advokaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P. Boldewijn, namens zijn gemachtigde, Mr.D.S.Kraag, advokaat, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

SRU-HvJ-2008-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14281.

 

SUNBIRD AIRWAYS N.V., rechtspersoon, gevestigd aan de Doekhieweg no. 3 te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aan de F.H.R. Lim A Postraat no. 14, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B.A. Halfhide, advocaat, 

appellante,                                                                                                     

t   e  g  e  n 

[Geïntimeerde], rechtspersoon, gevestigd aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Nassiefstraat no. 6, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. J.C.P. Nannan Panday,  advocaat,

geïntimeerde,  

                                                                                              

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 13 januari 2004 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 22 januari 2004,  waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft,  gewend daarbij stellende:

  1. Eiseres wenst de navolgende vordering in te stellen tegen:
  2. SUNBIRD AIRWAYS N.V., rechtspersoon, gevestigd aan de Doekhieweg no. 3 te Paramaribo, gedaagde sub a.
  3. STICHTING LACOSTE, gevestigd aan de Kwattaweg no. 596 te Paramaribo, gedaagde sub b.
  4. [Naam 1], wonende [straatnaam 1] Amsterdam, Nederland, te deze domicilie kiezende bij het advocatenkantoor H.E. Struiken, Wagenwegstraat 41 te Paramaribo, gedaagde sub c.
  5. [Naam 2], wonende [straatnaam 2] te Maarssen, Nederland, te deze domicilie kiezende bij het advocatenkantoor H.E. Struiken, Wagenwegstraat 41 te Paramaribo, gedaagde sub d.
  6. De heer [naam 1] heeft op 12 oktober 1994 een algemene vergadering van aandeelhouders belegd, waarbij o.a. de heer [naam 2] tot directeur van eiseres is benoemd. Mevrouw [naam 3] en de heer [naam 4] hebben vervolgens een vordering ingesteld tegen de heer [naam 1] voornoemd, tot nietig verklaring van de besluiten genomen op bedoelde vergadering, welke vordering is toegewezen (productie 1).
  7. De heer [naam 1] heeft in de eerste instantie appèl aangetekend tegen dit vonnis (productie 2), doch heeft op 11 augustus 1998 het appèl ingetrokken (productie 3), weshalve het vonnis d.d. 23 juni 1998 in kracht van gewijsde is.
  8. Intussen heeft de heer [naam 2] in hoedanigheid van directeur van eiseres verkocht en geleverd aan gedaagde sub a: een aan eiseres toebehorend onroerend goed, gelegen aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk, Letter C nr. 17 en 18, voor een bedrag van SF. 160.000.000,– (HONDERD ZESTIG MILJOEN GULDEN SURINAAMS COURANT) (productie 4 en 4a). Gedaagde sub a was overigens op de hoogte dat het onroerend goed in  het geding was. 
  9. Vervolgens heeft gedaagde sub a bovengenoemd onroerend goed doorverkocht en geleverd aan de gedaagde sub b, vertegenwoordigd door de heren [naam 5] en [naam 6], (productie 5 en 5a) die evenals gedaagde sub a, ook op de hoogte waren dat het litigieuze onroerend goed in het geding was.
  1. Door aldus te handelen zijn gedaagden niet te goeder trouw geweest en hebben een onrechtmatige daad gepleegd jegens eiseres als gevolg waarvan eiseres schade heeft geleden, hetwelk minstens US$ 376.000,– (DRIE HONDERD ZES EN ZEVENTIG DUIZEND DOLLARS) bedraagt (productie 6), en voor welke schade gedaagden aansprakelijk zijn.
  2. Eiseres heeft dan ook het recht om op grond van bovenvermeld vonnis, de vernietiging van voormelde koopovereenkomst c.q. schadevergoeding te vorderen, en is doende deze vordering in te stellen.
  3. Eiseres heeft intussen na daartoe verkregen toestemming van de Kantonrechter, conservatoir beslag doen leggen op het litigieuze pand bij exploit nr. 610 d.d. 01 oktober 1998 (productie 7 en 7a). Dit beslag dient van waarde te worden verklaard.
  4. Gedaagden hebben in deze gehandeld, terwijl zij wisten dat eiseres als gevolg van hun handelen ernstige schade zou lijden,  lijdt en nog zal lijden. Alhoewel het pand in 1996 getaxeerd is voor  US$ 376.000,– heeft eiseres diverse keren aanbiedingen gehad tot ruim US$ 900.000,–. Dit is dan de werkelijk door eiseres geleden schade.
  5. Doordat de besluiten genomen op de vergadering van 12 oktober 1994 nietig zijn verklaard door de Kantonrechter, welk vonnis reeds in kracht van gewijsde is gegaan, waren gedaagden sub c en sub d onbevoegd te verkopen. Gedaagden sub a en b  zijn eveneens niet te goeder trouw, aangezien zij op de hoogte waren dat het pand in het geding was, en door mee te werken aan de koop/verkoop hebben zij onrechtmatig jegens eiseres gehandeld met hun schuld daaraan, hebbende niet de zorgvuldigheid in acht genomen, die in het maatschappelijk verkeer betamelijk is jegens eens anders persoon en/of goed.
  1. Overigens heeft gedaagde sub a de zogenaamde koopsom niet betaald, doch heeft doorverkocht aan gedaagde sub b en heeft hypotheek op het pand gevestigd (zie hypothecair uittreksel productie 5a).
  2. Op grond van het vorenvermelde is de koopovereenkomst in strijd met de wet en hebbende een ongeoorloofde oorzaak, nietig en van onwaarde. Eiseres heeft dan ook  per exploit van deurwaarder, DASIMIN TOEKIMIN, no 541 en 548 d.d. 08 september 1998, de nietigheid ingeroepen van de verkopen, althans de overdrachten van voormeld onroerend goed aan gedaagden sub a en sub b (productie 8 en 9).
  1. Eiseres is op grond van het voorgaande dan ook nog steeds  eigenares van voormeld onroerend goed. Gedaagde sub b staat echter als gevolg van de eigendomsoverdracht in de hypothecaire registers geboekt als zijnde de eigenaar, en derden zouden hierop eventueel kunnen afgaan.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR:

–  voor recht zal worden verklaard dat de akte van verkoop en koop en de eigendomsoverdracht betreffende:

I de erven met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Maaagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk Letter C [perceelnumer 1] en [perceelnummer 2], met uitzondering van: 

  1. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1], op de kaart van de Landmeter A.N.A. van Amson de dato zeventien maart negentienhonderd en acht aangeduid door de figuur W E F G H I Q;
  2. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 2], op voormelde kaart aangeduid door de figuur C D T U S R.  

II   Een stuk grond, op voormelde kaart aangeduid door de figuur in het geel, welk stuk grond grenst aan het sub I omschreven en thans daarmede een geheel uitmaakt, zijnde de sub I en II omschreven onroerende goederen tezamen op voormelde kaart aangeduid met de letters A T U S R Q V W B, met uitzondering van een reeds verkocht gedeelte groot driehonderd vijf en vijftig, twaalf/honderdste vierkante meter, op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans de dato drie en twintig december  negentienhonderd drie en negentig aangeduid met de letters D E F G H I,  zijnde van het verkochte perceelland een nieuwe kaart vervaardigd door de genoemde landmeter Mans van drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig, aangeduid op diens kaart met de letters A B C E F G H I  en een oppervlakte beslaande van zevenhonderd tien, drie en zestig/honderdste vierkante meter, verleden ten overstaan van notaris G.H.B. Blom de dato 03 september 1997 en ingeschreven in het Hypotheekregister op 08 september 1997 in register C 1362 onder nummer 2246 en

–  de akte van verkoop en koop en de eigendomsoverdracht betreffende:

I de erven met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk Letter C [perceelnummer1] en [perceelnummer 2], met uitzondering van :

  1. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1], op de kaart van de landmeter A.N.A. van Amson de dato zeventien maart negentienhonderd en acht aangeduid door de figuur W E F G H I Q;
  2. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 2], op voormelde kaart aangeduid door de figuur C D T U S R.

II Een stuk grond, op voormelde kaart aangeduid door de figuur in het geel, welk stuk grond grenst aan het sub I omschreven en thans daarmede een geheel uitmaakt, zijnde de sub I en II omschreven onroerende goederen tezamen op voormelde kaart aangeduid met de letters A T U S R Q V W B, met uitzondering van een reeds verkocht gedeelte groot driehonderd vijf en vijftig, twaalf/honderdste vierkante meter, op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans de dato drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig aangeduid met de letters D E F G H I, zijnde van het verkochte perceelland een nieuwe kaart vervaardigd door de genoemde landmeter Mans en drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig, aangeduid op diens kaart met de letters A B C E F G H I en een oppervlakte beslaande van zevenhonderd tien, drie en zestig/honderdste vierkante meter, verleden ten overstaan van kandidaat-notaris D. Alexander, als waarnemer van notaris G.H.B. Blom d.d. 28 januari 1998 en ingeschreven in het hypotheekregister op 02 februari 1998 in register C 1375 onder nummer 2602, nietig en van onwaarde zijn, waarbij tevens de doorhaling van de inschrijving van de overdrachten, alsmede van de gevestigde hypotheken ten name van gedaagden sub a en b zal worden gelast.

SUBSIDIAIR:

–  de akte van verkoop en koop en de eigendomsoverdracht van:

I de erven met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk Letter C [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2], met uitzondering van:

  1. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1], op de kaart van de landmeter A.N.A. van Amson de dato zeventien maart negentienhonderd en acht aangeduid door de figuur W E F G H I Q;
  2. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 2], op voormelde kaart aangeduid door de figuur C D T U S R.

II Een stuk grond, op voormelde kaart aangeduid door de figuur in het geel, welk stuk grond grenst aan het sub I omschreven en thans daarmede een geheel uitmaakt, zijnde de sub I en II omschreven onroerende goederen tezamen op voormelde kaart aangeduid met de letters A T U S R Q V W B, met uitzondering van een reeds verkocht gedeelte groot driehonderd vijf en vijftig, twaalf/honderdste vierkante meter, op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans de dato drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig aangeduid met de letters D E F G H I, zijnde van het verkochte perceelland een nieuwe kaart vervaardigd door de genoemde landmeter Mans van drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig, aangeduid op diens kaart met de letters A B C E F G H I en een oppervlakte beslaande van zevenhonderd tien, drie en zestig/honderdste vierkante meter, verleden ten overstaan van notaris G.H.B. Blom de dato 03 september 1997 en ingeschreven in het Hypotheekregister op 08 september 1997 in register C 1362 onder nummer 2246 en

–  de akte van verkoop en koop en de eigendomsoverdracht betreffende:

I de erven met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk Letter C [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2], met uitzondering van:

  1. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1], op de kaart van de landmeter A.N.A. van Amsom de dato zeventien maart negentienhonderd en acht aangeduid door de figuur W E F G H I Q;
  2. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 2], op voormelde kaart aangeduid door de figuur C D T U S R.
  3. Een stuk grond, op voormelde kaart aangeduid door de figuur in het geel, welk stuk grond grenst aan het sub I omschreven en thans daarmede een geheel uitmaakt, zijnde de sub I en II omschreven onroerende goederen tezamen op voormelde kaart aangeduid met de letters A T U S R Q V W B, met uitzondering van een reeds verkocht gedeelte groot driehonderd vijf en vijftig, twaalf/honderdste vierkante meter, op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans de dato drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig aangeduid met de letters D E F G H I,  zijnde van het verkochte perceelland een nieuwe kaart vervaardigd door de genoemde landmeter Mans van drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig, aangeduid op diens kaart met de letters A B C E F G H I en een oppervlakte beslaande van zevenhonderd tien, drie en zestig/honderdste vierkante meter, verleden ten overstaan van kandidaat-notaris D. Alexander, als waarnemer van notaris G.H.B. Blom d.d. 28 januari 1998 en ingeschreven in het hypotheekregister op 02 februari 1998 in register C 1375 onder nummer 2602;

zullen worden nietig verklaard, althans zullen worden vernietigd, waarbij tevens de doorhaling van de inschrijvingen van de overdrachten in het Hypotheekregister alsmede van de gevestigde hypotheken zal worden gelast.

MEER SUBSIDIAIR:

gedaagden bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zullen worden veroordeeld, des de een betalende de ander te zijn bevrijdt, om terzake het voorgaande tegen behoorlijk bewijs van kwijting, het schadevergoedingsbedrag van US$. 900.000,– (negenhonderd duizend amerikaanse dollar aan eiseres te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover ad 6% ’s jaars vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening.

–   het deze gepleegde conservatoir beslag van waarde wordt verklaard. Kosten rechtens;

Overwegende, dat eiseres een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot rectificatie heeft overgelegd, waarbij de eisende partij van eis wenst te concluderen:

  1. Het derde sustenu dient als volgt te worden gelezen: 

De heer [naam 1], heeft op 2 juli 1998 in de eerste instantie appel aangetekend tegen dit vonnis (productie 2), doch heeft op 11 augustus 1998 het appel ingetrokken (produktie 3), weshalve het vonnis de dato 23 juni 1998 in kracht van gewijsde is.

  1. het vierde sustenu dient te worden aangevuld met:

Onder wist de heer [naam 7], de directeur van gedaagde sub a, dat er een geschil bestond met betrekking tot de aandelen en tot het pand.

  1. Het zesde sustenu dient als volgt te worden gelezen:

Door aldus te handelen zijn gedaagden niet te goeder trouw  geweest en hebben een onrechtmatige daad met hun schuld daaraan gepleegd jegens eiseres, als gevolg waarvan eiseres schade heeft geleden, lijdt en nog zal lijden. De schade van eiseres bedraagt volgens de hierbij in kopie overgelegd taxatierapport (productie 6) minstens US$ 376.000,– (drie honderd en zes en zeventig US dollars), en voor welke schade gedaagden aansprakelijk zijn.

  1. Het zevende sustenu dient als volgt te worden gelezen:

Eiseres heeft dan ook het recht om op grond van bovenvermeld vonnis, de dato 23 juni 1998, A.R. 944513 ([naam 3] en [naam 4] contra [naam 1]), de vernietiging van voormelde koopovereenkomsten c.q. schadevergoeding te vorderen.

Voor het overige ongewijzigd.

Overwegende, dat Sunbird Airways N.V. gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, althans deze haar zal worden ontzegd als  zijnde ongegrond en niet bewezen;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 13 januari 2004 op de daarin opgenomen gronden:

  1. voor recht heeft verklaard dat van rechtswege nietig is en mitsdien van onwaarde de levering van:
  2. de erven met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2], met uitzondering van:
  3. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1] op de kaart van landmeter 

A.N.A. van Amsom de dato zeventien maart  negentienhonderd en acht aangeduid door de figuur W E F G H I Q.

  1. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, 

bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 2], op voormelde kaart aangeduid door de figuur C D T U S R.

een stuk grond, op voormelde kaart aangeduid door de figuur in het geel, welk stuk grond grenst aan het stuk I omschreven en thans daarmede een geheel uitmaakt zijnde de sub I en II omschreven onroerend goederen tezamen op voormelde kaart aangeduid met de letters A T U S R Q V W B, met uitzondering van een reeds verkocht gedeelte groot driehonderd vijf en vijftig, twaalf/honderdste vierkante meter, op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans de dato drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig aangeduid met de letters D E F G H I, zijnde van het verkochte perceelland een nieuwe kaart vervaardigd door de genoemde landmeter Mans van drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig, aangeduid op diens kaart met de letters A B C E F G H I en een oppervlakte beslaande van zevenhonderd tien, drie en zestig/honderdste vierkante meter, gedaan door overschrijving van de akte verkoop en koop, verleden ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris G.H.B. Blom de dato 3 september 1997 en overgeschreven ten Hypotheek kantore op 8 september 1997 in register C 1362 onder nummer 2246; 

  1. de erven met de daarop staande gebouwen, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2], met uitzondering van:
  2. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 1], op de kaart van de landmeter A.N.A. van Amson de dato zeventien maart negentienhonderd en acht aangeduid door de figuur W E F G H I Q.
  3. een gedeelte van het erf, gelegen te Paramaribo aan de Maagdenstraat, bekend onder Nieuwe Wijk letter C [perceelnummer 2] op voormelde kaart aangeduid door de figuur C D T U S R;

een stuk grond, op voormelde kaart aangeduid door de figuur in het geel, welk stuk grond grenst aan het sub I omschreven en thans daarmede een geheel uitmaakt, zijnde de sub I en II omschreven onroerende goederen tezamen op voormelde kaart aangeduid met de letters A T U S R Q V W B, met uitzondering van een reeds verkocht gedeelte groot driehonderd vijf en vijftig, twaalf/honderdste vierkante meter, op de kaart van de landmeter Lcs. J.O.A. Mans de dato drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig aangeduid met de letters D E F G H I, zijnde van het verkochte perceelland een nieuwe kaart vervaardigd door de genoemde landmeter Mans van drie en twintig december negentienhonderd drie en negentig, aangeduid op diens kaart met de letters A B C E F G H I en een oppervlakte beslaande van zevenhonderd tien, drie en zestig/honderdste vierkante meter, gedaan door overschrijving van de akte verkoop en koop, verleden ten overstaan van de kandidaat-notaris, D. Alexander, als waarnemer van notaris G.H.B. Blom, de dato 28 januari 1998 en overgeschreven ten Hypotheek kantore in  register C 1375 onder nummers 2602 op 2 februari 1998.

 Voorts de doorhaling heeft gelast van de overschrijving van:

  • de akte van verkoop en koop, verleden ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris G.H.B. Blom op 3 september 1997, gedaan op 8 september 1997 in register (-1362 onder nummer 2246);
  • akte van verkoop en koop, verleden ten overstaan van kandidaat notaris D. Alexander, als waarnemer van notaris mr. G.H.B. Blom op 28 januari 1998, gedaan op 2 februari 1998 in register C-1375 onder nummer 2602;

Tenslotte de doorhaling heeft gelast van de inschrijvingen van:

de akte van geldlening met hypotheekstelling, verleden op 28 januari 1998 ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris mr. G.H.B. Blom, gedaan op 2 februari 1998 in register B deel 1093 onder nummer 2941; 

de akte van geldlening met hypotheekstelling, verleden op 28 januari 1998 ten overstaan van de te Paramaribo residerende notaris mr. G.H.B. Blom, gedaan op 3 februari 1998 in register B deel 1093 onder nummer 2949;

Gedaagden heeft verwezen in de kosten van dit proces, aan eiseres haar zijde gevallen en tot deze uitspraak begroot op SRD. 20,53; 

Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal Sunbird Airways N.V.  in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 13 januari 2004;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Lilapersad Gangaram Panday no. 508 van 14 december 2005 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 mei 2006 advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday zich als gemachtigde van geïntimeerde heeft gesteld;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij antwoord pleidooi en repliek  pleidooi producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat  het  Hof hierna vonnis in de zaak had bepaald op 4 mei  2007, doch na meerdere malen te hebben aangehouden nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellante (toen als gedaagde sub A) en geïntimeerde (toen als eiser) op 13 januari 2004 in de zaak bekend onder Algemeen Register nummer 983863 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton eindvonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat, appellante op 22 januari 2004 tegen voormeld vonnis appél heeft aangetekend weshalve moet worden onderzocht of dit appèl tijdig is ingesteld;

Overwegende, dat, artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de termijn voor het instellen van appèl dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens dit wetboek is medegedeeld;

Overwegende, dat, in confesso tussen partijen is dat de appellante als gedaagde in prima niet persoonlijk bij de uitspraak van het bedoeld vonnis aanwezig is geweest en dat daarbij mr. B.A. Halfhide, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad, evenmin tegenwoordig was;

Overwegende, dat, als zijnde niet weersproken, vaststaat dat die uitspraak door de griffier van het kantongerecht in het Eerste Kanton als hiervoor vermeld, bij aangetekende griffiersbrief d.d. 19 maart 2004 overeenkomstig artikel 119 lid 3 Rv. aan appellante is medegedeeld, waardoor de appèltermijn wettelijk is aangevangen op 19 maart 2004 en de vervaldatum daarvan is, 19 april 2004;

Overwegende voorts dat, nu appellante onderhavig appèl op 22 januari 2004 heeft ingesteld, deze handeling is verricht buiten de wettelijk gestelde appèltermijn;

Overwegende, dat, het een gangbare opvatting is dat termijnen, bepaald voor het aanwenden van rechtsmiddelen dwingend van aard zijn;

Overwegende, dat, dwingende voorschriften de strekking hebben de rechtsorde op een zo doelmatig mogelijke wijze te organiseren en dat partijen daarom van die voorschriften niet mogen afwijken;

Overwegende, dat, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, het instellen van het appèl op 22 januari 2004 als een niet-rechtsgeldige proceshandeling moet worden aangemerkt; dat appellante daarin dan ook niet kan worden ontvangen en zij in de proceskosten zal worden veroordeeld;

Overwegende overigens, dat, ook indien appellante het appèl binnen de wettelijke termijn van dertig dagen had ingesteld en uit dien hoofde ontvankelijk was geweest in het door haar ingestelde appèl, dan nog zou haar hoofdzakelijke vordering geen kans van slagen hebben daar uit het overgelegde en niet betwiste uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken d.d. 10 maart 1999 is gebleken dat [naam 3] vanaf 20 april 1994 als directeur van geïntimeerde staat ingeschreven terwijl uit geen enkele aantekening blijkt dat [naam 3] niet meer de functie van directeur bekleedde; dat appellante het tegendeel hiervan niet heeft kunnen aantonen; dat appellante wel heeft aangevoerd dat [naam 2] als directeur van geïntimeerde was aangesteld en dat zij die informatie heeft gehaald uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, evenwel heeft zij dat niet middels overlegging van een uittreksel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken kunnen staven; dat derhalve niet vermag te worden ingezien hoe appellante uitgaat van de goede trouw en de opgewekte schijn dat [naam 2] ten tijde van de koop directeur was van geïntimeerde;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingesteld beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in kortgeding gewezen op 13 januari 2004, waarvan beroep;

Veroordeelt haar in de proceskosten aan de zijde van geïntimeerde gevallen tot dusver begroot op SRD. 150,–;

Met inbegrip van de door het Hof aan haar advocaat voor  de door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD.150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellante eveneens op SRD.150,–;

 

Aldus gewezen  door de heren: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Rodrigues, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R.Brijobhokun    w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens haar gemachtigde, advocaat mr. B.A. Halfhide en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. D. Moerahoe namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.