SRU-HvJ-2026-3

Vonnisnummer: 07/2026

Uitspraak: 19 januari 2026

Parketnummer: 01-01-02213

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

KROMOSOETO, Ginmardo Budiono, geboren op [geboortedatum] te [plaats], van beroep bankier en wonende aan de [adres], thans uit andere hoofde in detentie verkerend; 

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door zijn raadslieden mr. B.A.H. Pick en R. Tjong A Joe, advocaten bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 02 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

Standpunt van de vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de ten laste gelegde feiten onder I, IIA, IIIA, IVA en VA tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren onder aftrek van de tijd welke hij in voorarrest heeft doorgebracht en zijn gevangenneming gevorderd. Voorts is gevorderd betaling van een geldboete tot een totaal van SRD 150.000,- subsidiair 12 maanden hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft:

  • primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
  • subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging;
  • meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake de bewezenverklaarde feiten onder I, IIA, IIIB, IVA en VB van de tenlastelegging, te weten respectievelijk: 

  • deelneming criminele organisatie; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht;
  • medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht, 

 veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest; 
  • betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD 150.000,- (honderdvijftigduizend Surinaamse Dollar), subsidiair 12 maanden hechtenis;
  • handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.  

Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust doch met uitzondering van de opgelegde straf.    

In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. 

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. 

Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de initiële dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

  • er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd. 
  • de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.  

Verweer met betrekking tot obscuur libel

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is tenlastegelegd. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-Corruptiewet is gericht op het verbod om niet in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-Corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen. 

In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de inleidende dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het formeel verweer van de verdediging betreffende de nietigheid van de dagvaarding. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten. 

In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld. 

Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.

Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. 

Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake. 

De aangevoerde verweren worden mitsdien in al hun onderdelen verworpen.

Nu het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag zijn er geen verweren gevoerd door de verdediging. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak. 

De ontvankelijkheid van de vervolging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:

  • de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.
  • er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’. 

 Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie. 

Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Na intake van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen. 

Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en lid 2 van de Anti-corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van daders van gepleegde strafbare feiten. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door instanties met wetgevende bevoegdheid.

Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector. 

Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. 

Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.

Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. 

Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit. De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften. 

De verweren worden derhalve mitsdien in al hun onderdelen verworpen.

Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Ten aanzien van feit I

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder I ten laste gelegde feit te weten deelneming aan een criminele organisatie dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • er geen sprake is van deelneming aan een criminele organisatie. Kromosoeto is de enige persoon die deelneemt aan een criminele organisatie. Van een organisatie waar Kromosoeto deel aan zou hebben genomen is geen sprake. Verder is niet bewezen dat Hoefdraad, van Trikt, Hausil en Kromosoeto een organisatie vormden.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht, stelt het Hof voorop dat sprake moet zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en een of meerdere andere personen. Het samenwerkingsverband moet een gemeenschappelijk doel hebben en zijn deelnemers moeten in dat samenwerkingsverband actief zijn ter verwezenlijking van dat doel. Van een criminele organisatie is eerst sprake wanneer de doelstelling van de organisatie is het plegen van strafbare feiten. Bovendien moeten betrokkenen weten dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. 

Uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien en de daaruit afgeleide redengevende feiten en omstandigheden, leidt het Hof af dat er sprake is geweest van een samenwerkingsverband bestaande uit een aantal personen te weten: Kromosoeto; Hoefdraad; Van Trikt; Hausil en Angnoe. 

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte samen met de mededaders Van Trikt, Putter en Hausil de Centrale Bank van Suriname financieel heeft  benadeeld. Ten eerste de transacties regarderende de zeventien onroerende goederen en de trekking naar aanleiding van de Royalty overeenkomst. Het oogmerk van de organisatie was gericht op het in strijd handelen met bepalingen opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en de Bankwet. In dit geval gaat het om het verstrekken van blancokredieten aan het Ministerie van Financiën alsook het verrichten van quasi fiscale activiteiten door de Centrale Bank van Suriname. Verdachte en zijn mededaders hebben op meerdere momenten de moederbank financieel benadeeld.

In de visie van het Hof is wel sprake geweest van deelneming door de verdachte aan een criminele organisatie.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van de feiten IIA en IVA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IIA en IVA ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • Kromosoeto zich slechts beperkt heeft tot het verstrekken van voorschotten aan Investment Partners N.V. De personen die de meeste handelingen hebben verricht zijn [naam 1], Hoefdraad en Van Trikt. Verdachte was ook niet aanwezig bij de totstandkoming van de overeenkomsten. 
  • voorbij dient te worden gegaan aan de verklaringen van [naam 2] en [naam 1]. Het is de getuige [naam 1] die de betaling aan Investment Partners heeft geëffectueerd en probeert hij nu de schuld in de schoenen van Kromosoeto te schuiven. Uit de verklaring van [naam 2] kan niet worden gesteld dat Kromosoeto in strijd heeft gehandeld met een instructie van de Raad van Toezicht. 
  • de grondlegger van ideeën met betrekking tot de verkoop van assets door de Staat aan de Centrale bank van Suriname is de medeverdachte Van Trikt en niet Kromosoeto. Verdachte is ook niet het brein geweest achter de ideeën om de royalty’s van Iamgold te gebruiken om een lening van 2,3 miljoen te arrangeren. Kromosoetoe had ideeën. Het hebben van ideeën is niet strafbaar. 
  • er geen sprake is van benadeling van de Centrale Bank van Suriname en dat de gelden ten behoeve van de Staat zijn geweest en niet voor de verdachten. 
  • er geen sprake is van medeplegen. De verdachte Kromosoeto was in de periode van 14 mei 2019 tot en met 11 mei 2020 met verplicht verlof en kan hij niet aansprakelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in strijd met de Bankwet. 
  • het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.

Verweer met betrekking tot het verstrekken van voorschotten

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat, verdachte Kromosoeto zich slechts beperkt heeft tot het verstrekken van voorschotten aan Investment Partners N.V.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte Kromosoeto met ideeën is gekomen, die uiteindelijk hebben geleid tot ongedekte verstrekking van blanco voorschotten. Hierdoor is aan de Staat of Staatsinstelling financieel nadeel toegebracht. Hij heeft de verkoop van assets, de royalty’s en natuurreservaten voorgesteld. Hij heeft niet alleen voorstellen gedaan, maar is ook actief betrokken geweest bij de verkoop van de panden. Zo heeft hij de panden laten taxeren. Hij heeft verder onderhandeld met [naam 3], die enkele panden zou kopen van de SPSB. 

Het Hof concludeert dat het handelen van de verdachte Kromosoeto zich niet alleen heeft beperkt tot het verstrekken van voorschotten, maar dat hij ook actief zijn bijdrage heeft geleverd bij de verkoop van de panden. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot verklaringen van de getuigen [naam 2] en [naam 1].

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het Hof voorbij dient te gaan aan de verklaringen van [naam 2] en [naam 1]. Het is de getuige [naam 1] die de betaling aan Investment Partners heeft geëffectueerd en probeert hij nu de schuld in de schoenen van Kromosoeto te schuiven.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De getuigen [naam 1] en [naam 2] hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard dat verdachte de geldende procedures bij het verstrekken van kredieten naast zich heeft neergelegd. Zo heeft de getuige [naam 1] in zijn verklaring duidelijk aangegeven wat de procedures zijn voor kredietverlening en dat die procedures door de verdachte Kromosoeto zijn omzeild bij het verstrekken van krediet aan Investment Partners. De verdachte mocht als directeur van de SPSB slechts kredieten tot SRD 150.000,- goedkeuren. Kredieten met bedragen boven de SRD 150.000,- moeten eerst goedgekeurd worden door de Raad van Toezicht. Dat de verdachte buiten de geldende procedure heeft gehandeld, blijkt ook uit de verklaring van de getuige [naam 2]. Zij geeft namelijk aan dat de normale wijze van financieren van onder andere Investment Partners middels het aanvragen van kredietfinanciering moet geschieden. 

Dat verdachte heeft aangegeven dat hij steeds in opdracht van medeverdachte Hoefdraad heeft gehandeld, rechtvaardigt zijn handelen niet. Verdachte was de directeur van de SPSB en hij kende de procedures voor het aanvragen van kredieten en hij was daarvoor de eindverantwoordelijke.  

Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen en kunnen de verklaringen van deze getuigen gebezigd worden voor het bewijs. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot de grondlegger van de ideeën 

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de medeverdachte Van Trikt de grondlegger is geweest van ideeën met betrekking tot de verkoop van assets door de Staat aan de Centrale Bank van Suriname en niet de verdachte Kromosoeto. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat de verdachte Kromosoeto met ideeën is gekomen die uiteindelijk hebben geleid tot ongedekte blanco voorschotten door de Centrale Bank van Suriname. De medeverdachte Van Trikt heeft hem gevraagd om te zoeken naar assets voor de Staat. Het is de verdachte Kromosoeto geweest die met ideeën met betrekking tot de verkoop van de panden is gekomen. Verder heeft hij overleg gevoerd en de nodige informatie verstrekt aan zijn medeverdachten. Dat hij niet lijfelijk aanwezig was bij de totstandkoming van de overeenkomsten, doet niets af aan het feit dat de ideeën van hem afkomstig waren. Verdachte kan dus wel verantwoordelijk worden gehouden voor de gevolgen. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.  

Verweer met betrekking tot benadeling van de Centrale Bank van Suriname en dat de gelden ten behoeve van de Staat zijn geweest en niet voor de verdachten. 

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van benadeling van de Centrale Bank van Suriname en dat de gelden ten behoeve van de Staat zijn geweest en niet voor de verdachten. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:

  • er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd. 
  • Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van één of meer van voormelde overeenkomsten.
  • de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname. 
  • met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig met de geleverde diensten door Clairfield. 

Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.

Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59,- (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent). 

Het Hof verwerpt -op grond van al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot medeplegen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen. De verdachte Kromosoeto was in de periode van 14 mei 2019 tot en met 11 mei 2020 met verplicht verlof en kan hij niet aansprakelijk worden gesteld voor handelingen gepleegd in strijd met de Bankwet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en zijn – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte nauw betrokken was bij de transacties regarderende de onroerende goederen. Dit blijkt ook uit zijn eigen verklaring afgelegd tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek (G.V.O), waar hij aangeeft dat hij op verzoek van de voormalige minister van Financiën Hoefdraad, assets van de Staat in kaart moest brengen. Hij heeft daarbij voorgesteld de panden die aan de overheid toebehoren te verkopen aan de Centrale Bank van Suriname en heeft hij ook gekeken naar de royalty’s van I AM Gold en de natuurreservaten van Suriname. Verder is komen vast te staan dat verdachte niet alleen de panden heeft moeten identificeren, maar heeft hij de panden ook laten taxeren. Bij de overdracht van de panden heeft verdachte actief zijn bijdrage geleverd. Hij heeft zelf verklaard dat Hoefdraad hem had gevraagd om te assisteren bij de overdracht van de panden.   

Ook bij de aanschaf van de tweede tranche panden was reeds bekend dat de panden niet aan de Staat toebehoorden, doch aan Investment Partners. Desondanks heeft hij actief meegewerkt hieraan. Uit zijn verklaring blijkt dat hij zelf heeft onderhandeld met [naam 3] voor de koop van de panden. Gelet op het hierboven aangehaalde staat vast dat medeverdachte Hoefdraad door tussenkomst van Kromosoeto aan informatie kwam. Hoefdraad pleegde steeds overleg met Kromosoeto. Vast staat dat verdachte ook tijdens zijn verlofperiode actief betrokken was bij de gepleegde transacties. Na zijn verlof werd hij in mei 2020 weer gerehabiliteerd als directeur. Uit het onderzoek blijkt dat er op 25 april 2019 een mail is gestuurd naar medeverdachte Hoefdraad en Van Trikt met- voor zover van belang- de navolgende inhoud (citaat): 

Heren: 

Aangehecht de taxatierapporten en de verkoopvoorwaarden:

  1. Thesaurie inspectie of Gender-gebouw mr. F.H.R. Lim A Postraat no. 7. Euro 252.147.00. (tweehonderd tweeënvijftigduizend honderdzevenveertig euro)
  2. Belastingkantoor Mr. Dr. J.C. De Mirandastraat br. No. 5 en 7. Euro 588,047.00. (vijfhonderd achtentachtigduizend zevenenveertig euro) 
  3. Ministerie van Justitie en Politie (KKF-gebouw) Mr. J.C. De Mirandastraat br. No. 6. Euro 778,178.00. (zevenhonderd achtenzeventigduizend honderachtenzeventig euro)
  4. Ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting Waterkant br. No. 30-32. Euro 5,863,290.00. ((vijf miljoen achthonderden drieënzestigduizend tweehonderdnegentig euro).
  5. Ministerie van Financiën Tamarindelaan br. No. 3. Euro 1,1476.00. (eenduizend vierhonderdd zesenzeventig euro)

Totaal Euro 8,931,583.00. (acht miljoen negenhonderd eenendertigduizend vijfhonderd drieëntachtig euro)

Met een koers van 1 op 8,46 is dit een waarde van SRD. 75.561.192,18. (vijfenzeventig miljoen vijfhonderd eenenzestigduizend hondertweëennegentig Surinaamse dollar en achttien cent)

Al deze (monumentale) gebouwen zijn van de Overheid en zijn in een vervallen staat. Mijn verzoek is om te mogen restaureren onder auspiciën van de Surinaamse Post paar Bank, nadat deze zijn overgedragen aan de Centrale Bank van Suriname. 

Op 26 april 2019 reageert Van Trikt met “Thanks all dit betekent ruimte in de maand mei. Bij de overdracht zou je kunnen repareren, maar zou ik zou dat niet doen. De Centrale Bank van Suriname kan dat dragen. Just look at the valuation.”

Op 26 april 2019 reageert Hoefdraad op hetzelfde bericht met “Do (roepnaam van Kromosoeto). Je hebt alle gebouwen in kaart. Laten we doortrekken dat alles overheat. Will help the budget.”

De bijdrage van de verdachte Kromosoeto was van voldoende gewicht. Zonder zijn bijdrage waren de strafbare feiten niet voltooid. De verdachte Hoefdraad en Kromosoeto hebben nauw samengewerkt bij het uitwerken van de constructie van de panden. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Verweer met betrekking tot onvolkomenheden in het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk is dan wel onvolkomenheden bevat

Het Hof oordeelt hieromtrent als volgt:

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op basis feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo, tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Gelet op het voorgaande worden de verweren mitsdien in al hun onderdelen verworpen.

Ten aanzien van feit IIIB en VB

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IIIB en VB ten laste gelegde feiten, te weten medeplichtigheid aan ambtsverduistering dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • de verdachte Kromosoeto niet in functie was toen de handelingen werden gepleegd, die hebben geleid tot de financiering door de Centrale Bank van Suriname. De verdachte de ten laste gelegde feiten niet in de hoedanigheid van zijn functie als directeur van de Surinaamse Postspaarbank heeft gepleegd. 
  • er geen sprake is van verduistering. Niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Verweer met betrekking tot het feit dat de verdachte Kromosoeto niet in functie was toen de handelingen werden gepleegd.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verdachte Kromosoeto niet in functie was toen de handelingen werden gepleegd, omdat hij met verlof was.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de verdachte gedurende zijn verlof en wel op 25 april 2019 een mail heeft verstuurd naar de medeverdachte Hoefdraad en van Trikt. Op 26 april 2019 reageert de verdachte Van Trikt als volgt: ˶thanks all, dit betekent ruimte in de maand mei.” De medeverdachte Hoefdraad reageert ook op 26 april 2019 waarbij hij het volgende aangeeft: “je hebt alle gebouwen in kaart, laten we doortrekken dat alles overheat.” 

In mei 2020 wordt de verdachte Kromosoeto wederom gerehabiliteerd als directeur van de bank. Vast staat dat de verdachte Kromosoeto voor en tijdens zijn verlof nauw betrokken was bij de gepleegde transacties van de panden en de royalty overeenkomst. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Verweer met betrekking tot de verduistering

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat niet bewezen is dat de verdachte zich de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafrecht wordt aangetekend dat het begrip verduisteren in de zin van artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht een ruimer bereik heeft dan in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de medeverdachte Van Trikt, als governor van de Centrale Bank van Suriname, heeft toegestaan dat de medeverdachte Hoefdraad, een geldbedrag tot een totaal van SRD 3 miljard heeft verduisterd. Verdachte Kromosoeto heeft op zijn beurt gesprekken gevoerd met voornoemde medeverdachte(n). Verder heeft hij voorstellen gedaan en constructies bedacht met betrekking tot de aankoop en de overname van de 17 panden. Verder heeft hij ook voorstellen gedaan voor de afdracht van de royalty’s aan de Centrale Bank van Suriname. De getrokken middelen van meer dan SRD 3 miljard, hebben een andere bestemming gehad. Verdachte Kromosoeto heeft hieraan meegewerkt. 

Het Hof verwerpt -gelet op al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 

  • I deelneming criminele organisatie; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • IIA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IIIB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht; 
  • IVA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 onder a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • VB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht

Strafbaarheid van verdachte

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 

Verdachte en zijn mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft zijn functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen. De verdachte heeft niet alleen voorstellen gedaan maar heeft meegewerkt aan de constructie van de overeenkomsten.

Verdachte en zijn mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben daarbij geen rekening gehouden met de gevolgen van hun handelen. Het vertrouwen dat de burgers hadden in verdachte, zijnde de directeur van de Surinaamse Postspaarbank, is ernstig aangetast. Verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie. Juist van deze personen wordt verwacht dat zij integer zijn en zich inzetten voor de ontwikkeling van het land. Het Hof rekent het voorgaande de verdachte zwaar aan.

Het is het Hof gebleken dat alleen aan deze verdachte en de medeverdachte Hoefdraad het delict deelname aan een criminele organisatie is ten laste gelegd. Gelet op de inhoud der bewijsmiddelen, is gebleken dat verdachte tezamen en in vereniging met de andere medeverdachten zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten waaronder deelname aan een criminele organisatie. Aan de overige medeverdachten is de delictsvorm deelname aan een criminele organisatie niet ten laste gelegd. Het Hof is van oordeel -mede in acht nemende de beginselen van fair trial- dat het onterecht is om alleen deze verdachte en de medeverdachte Hoefdraad voor deelname aan een criminele organisatie verantwoordelijk te stellen. 

Het Hof zal -rekening houdend met voornoemde omstandigheid- de verdachte in aanmerking doen komen voor strafreductie in de vorm van een lagere gevangenisstraf dan de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd en zal er opnieuw recht worden gedaan. 

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van het feit en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte de enige is die als first offender geen strafvermindering heeft gekregen en dat hem ook deelneming aan een criminele organisatie is ten laste gelegd en dat hij zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande zal het Hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren opleggen, hetwelk het Hof passend en geboden acht. 

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 72, 82, 188 en 423 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13 en 17 van de Anti-corruptiewet en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. 

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 

31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf zoals eerder vermeld;

Vernietigt het vonnis ten aanzien daarvan

Opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren onvoorwaardelijk;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 13 augustus 2020 tot en met 7 november 2022 in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door: A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door mr. D. Nanhoe voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh

w.g. A. Charan 

w.g. S. Punwasi

w.g. D. Nanhoe

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier) 

SRU-HvJ-2026-2

Vonnisnummer: 08/2026

Uitspraak: 19 januari 2026

Parketnummer: 01 – 01 – 01698

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

HAUSIL, Faranaaz gehuwd Alibaks, geboren op [geboortedatum] te [plaats], zonder beroep en wonende aan de [adres] in het district [district], niet in detentie verkerend (in vrijheid gesteld op 25 juli 2022); 

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door de raadslieden mrs. M. Dubois en R. R. Lobo, advocaten bij het Hof van Justitie van Suriname.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 14 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

Standpunt van de vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de ten laste gelegde feiten onder IA, IIA, IIIA en IVA tot: 

  • een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest;
  • een geldboete van SRD 100.000,- subsidiair 10 maanden hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft:

  • primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
  • subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
  • meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake de bewezenverklaarde feiten onder:

  • IA van de tenlastelegging, te weten medeplegen van de overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IIB te weten medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IIIA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IVB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht,

veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren, onder aftrek van de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
  • betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD 100.000,- subsidiair 10 maanden hechtenis;
  • handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. 

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

  • er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd. 
  • de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte. De verfeitelijking heeft dus niet plaatsgevonden. 

Verweer met betrekking tot obscuur libel

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet is gericht op het verbod om in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen. 

In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer van de verdediging. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreekt in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten. 

In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld. 

Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.

Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. 

Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake. 

Het Hof verwerpt -gelet op al het voorgaande- het daartoe strekkend verweer.

Nu het Hof ook ambtshalve niet is gebleken van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag zijn er geen verweren gevoerd door de verdediging. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van de vervolging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:

  • de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  
  • er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Ani- corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie. 

Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Na “intake” van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen. 

Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en 2 van de Anti-Corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door machten met wetgevende bevoegdheid.

Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector. 

Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. 

Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.

Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. 

Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit.  

De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften.

De verweren worden mitsdien -gelet op het voorgaande- in al hun onderdelen verworpen.

Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Ten aanzien van de feiten IA en IIIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IA en IIIA ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • verdachte geen publieke functionaris is en dat de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op haar.
  • Hausil haar intentie was nimmer geweest om de Staat monetair te financieren, doch aan schuldverrekening te doen. Hausil pas erbij werd betrokken door [naam] toen de panden niet overgedragen konden worden. Zij wist dus niet dat er betaald is geworden voor de panden. 
  • er geen sprake is van medeplegen. Niet is komen vast te staan dat Hausil enige feitelijke handeling heeft verricht. Dubbel opzet ontbreekt. Er was geen sprake van oogmerk bij Hausil. Blijkt niet dat zij opzettelijk nadeel heeft toegebracht aan de bank.
  • er geen sprake is van financiële benadeling van de Centrale Bank van Suriname. 
  • het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.

Verweer met betrekking tot de publieke functionaris

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat Hausil geen publieke functionaris is en dat de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op haar.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

In artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet wordt bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door haar in strijd met een wettelijk voorschrift handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het betreft de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift.

In tekst en commentaar Strafrecht (tiende druk, pagina 577) is bepaald dat bij kwaliteitsdelicten het bezit van een bepaalde kwaliteit vereist is. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict dat door een ander wordt gepleegd, hoeft zelf niet de vereiste kwaliteit te bezitten. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft.  

De bepalingen uit de Bankwet kunnen aangemerkt worden als kwaliteitsdelicten. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op iemand, die niet de hoedanigheid heeft van een governor. Het Wetboek van Strafrecht biedt wel de mogelijkheid om personen die niet over een bepaalde kwaliteit beschikken, in casu de verdachte Hausil, als deelnemer aan die kwaliteitsdelicten strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Verdachte Hausil heeft nauw met de verdachte Van Trikt, zijnde de governor van de Centrale Bank van Suriname en de voormalige minister van Financiën, dhr. Hoefdraad samengewerkt.  

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot de intentie van Hausil

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verdachte nimmer de intentie had om de Staat monetair te financieren. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

In casu is er in strijd gehandeld met artikel 18 lid 4 van de Bankwet. Dit artikel geeft aan dat de Centrale Bank van Suriname naast het kopen van onroerende goederen deze ook niet mag bezitten, dan die welke voor de uitoefening van haar bedrijf nodig zijn. Hausil heeft verklaard dat het nimmer de bedoeling was over te gaan tot koop doch dat het betrof overname van onroerende goederen. Dit wordt tegengesproken door de medeverdachte Van Trikt.

Nadat bekend was dat een deel van de tweede tranche panden aan medeverdachte Putter toebehoort en niet aan de Staat Suriname, heeft verdachte Hausil alsnog een mail gestuurd voor medeverdachte van Trikt waarbij zij te kennen gaf de transactie voort te zetten. Verder heeft zij verklaard dat het de bedoeling was de panden te plaatsen onder SPIM. Dit wordt ook tegengesproken door medeverdachte Van Trikt.

In de visie van het Hof kan uit het handelen van de verdachte worden aangenomen dat het haar intentie was om de Staat monetair te financieren.

Uit het onderzoek is onomstotelijk komen vast te staan dat Hausil wel degelijk wist dat er reeds betaald was voor de panden. Dit blijkt uit de verklaring van medeverdachte van Trikt, die dus aangeeft dat Hausil wist dat er betaling van de panden zou plaatsvinden.

Voorts blijkt dat uit een e-mail bericht afkomstig van Kromosoeto, waarbij hij voorstellen doet met betrekking tot de verkoop van de panden, overdracht van de royalty’s en natuurreservaten van Suriname. Deze mail is op 10 juni 2019 “geforward” (doorgestuurd) naar Hausil. Op 22 juni 2019 verstuurt Hausil een mail naar medeverdachten Hoefdraad en Van Trikt, waaruit blijkt dat zij aan de 2 voornoemde verdachten een conceptbrief heeft doen toekomen in het kader van eigendomsoverdracht van onroerende goederen aan de Centrale Bank van Suriname.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot medeplegen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake was van medeplegen. Niet is komen vast te staan dat Hausil enige feitelijke handeling heeft verricht. Dubbel opzet ontbreekt. Er was geen sprake van oogmerk bij Hausil. Blijkt niet dat zij opzettelijk nadeel heeft toegebracht aan de bank.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten en haar – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen. Voor een bewezenverklaring van medeplegen behoeft niet tot uiting te komen wie van de medeverdachten elk van de verschillende handelingen heeft of hebben verricht.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het Hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte het volgende af:

De verdachte heeft als hoofd Legal Officer van de Centrale Bank van Suriname (hierna: CBvS) overeenkomsten opgesteld waarin haar ideeën en voorstellen zijn uitgewerkt, die geleid hebben tot de aankoop en de overname van de 17 panden. Uit het onderzoek is gebleken dat de overname van de panden door de CBvS niet noodzakelijk is gebleken voor de uitoefening van de bedrijfsvoering van de bank. Zij had een adviserende rol naar haar medeverdachte Van Trikt toe en heeft hem nimmer voorgehouden dat er in strijd met de Bankwet wordt gehandeld. Integendeel heeft zij een belangrijke rol gespeeld bij de voltooiing van deze verkoop van de panden aan de bank. De royalty overeenkomst van 1 november 2019 is door Hausil opgesteld. Ondanks er negatief advies was uitgebracht door de juridische afdeling heeft dit haar niet weerhouden de totstandkoming van deze overeenkomst door te drukken. Door deze overeenkomst zijn er trekkingen gedaan van SRD 2.2 miljard. Zij heeft samen met haar mededaders steeds naar mogelijkheden gezocht om de Staat te financieren ten koste van de CBvS. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het voltooien van de strafbare feiten. Haar bijdrage was van voldoende gewicht om haar als medepleger aan te merken. 

In de visie van het Hof is er aan de hand van het boven aangehaalde sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer. 

Verweer met betrekking tot financiële benadeling

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake was van financiële benadeling van de Centrale Bank van Suriname. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:

  • er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd. 
  • Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van één of meer van voormelde overeenkomsten.
  • de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname. 
  • met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig met de geleverde diensten door Clairfield. 

Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.

Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59. (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent). 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot ondeugdelijkheden vonnis eerste aanleg

Van de zijde van verdediging is aangevoerd dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk is dan wel onvolkomenheden bevat.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van de feiten IIB en IVB

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder IIB en IVB ten laste gelegde feiten te weten medeplichtigheid aan ambtsverduistering dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • er geen sprake is van ambtsverduistering. Haar opzet was niet gericht op het doen gebruiken van de overeenkomst van 1 november 2019 als dekking dan wel als grondslag voor de financiering van SRD 2.216.729.120.00,- (twee miljard tweehonderdzestien miljoen zevenhonderd negentwintig duizend en honderdtwintig Surinaamse dollar)  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht wordt aangetekend dat het begrip verduisteren in de zin van artikel 423 van het Wetboek van Strafrecht een ruimer bereik heeft dan in artikel 381 van het Wetboek van Strafrecht. Het betekent niet dat de dader zich het voorwerp wederrechtelijk toe-eigent, maar dat de dader het goed wederrechtelijk onttrekt aan waar het voor bestemd is.

Uit het onderzoek is gebleken dat de vrijgemaakte gelden onrechtmatig zijn getrokken door de Centrale Bank van Suriname onder het mom van schuldverrekening. Er is nimmer aan schuldverrekening gedaan. Medeverdachte Hoefdraad heeft samen met Hausil en van Trikt als blanco voorschot een bedrag van meer dan SRD 3.3 miljard getrokken bij de Centrale Bank van Suriname. Artikel 423 Wetboek van strafrecht geeft duidelijk aan dat de dader het goed aan zijn bestemming heeft onttrokken. Deze handelingen konden alleen geschieden als gevolg van verschillende constructies van de verdachte Hausil. De verdachte heeft bij de transacties met betrekking tot de panden alsook de overeenkomst van 1 november 2019 de geldende procedures omzeild. 

In de visie van het Hof is er in casu sprake van ambtsverduistering. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: 

  • IA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 onder a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IIB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IIIA medeplegen van overtreding van de Anti-corruptiewet, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1a juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IVB-medeplichtigheid aan ambtsverduistering voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 423 juncto artikel 73 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Verdachte is dan ook strafbaar. 

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 

Verdachte en haar mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Zij hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en haar mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft haar functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen. Verdachte heeft als directeur Legal Compliance International Affairs van de Centrale Bank misbruik gemaakt van haar positie. 

Verdachte en haar mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben daarbij geen rekening gehouden met de gevolgen van hun handelen voor de Staat Suriname. Het vertrouwen dat de burgers hadden in verdachte, zijnde het Hoofd van de Juridische afdeling van de Centrale bank van Suriname, is ernstig aangetast. Juist van deze personen wordt verwacht dat zij integer zijn en zich inzetten voor de ontwikkeling van het land. Het Hof rekent het de verdachte zwaar aan. 

De persoon van de verdachte en haar omstandigheden

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De verdachte is bij een ingesteld verzoek inzake artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering door het Hof in vrijheid gesteld. Het Hof heeft daarbij overwogen dat verdachte ten tijde van de behandeling van dit verzoek reeds twee derde deel van de haar opgelegde straf had uitgezeten en dat er nog geen zicht was op behandeling van haar zaak in Hoger Beroep.

Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van de feiten, en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte reeds twee/derde deel van de haar opgelegde straf heeft uitgezeten en dat verdachte zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande zal het Hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren opleggen, hetwelk het Hof passend en geboden acht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd. 

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 72, 73, 82, 127, 423 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13 en 17 van de Anti-corruptiewet en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005 inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. 

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 

31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde straf zoals eerder vermeld;

Vernietigt het vonnis ten aanzien daarvan

en

Opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, te weten vanaf 14 juli 2020 tot en met 25 juli 2022 in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door: A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door de fungerend – president voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh

w.g. A. Charan 

w.g. S. Punwasi

w.g. D. Nanhoe

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier)

 

SRU-HvJ-2026-1

Vonnisnummer: 06 /2026

Uitspraak: 19 januari 2026

Parketnummer: 01 – 01-01698

TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 31 januari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

ANGNOE, Ashween Ryan, geboren op [geboortedatum] te [plaats], van beroep accountant en wonende aan de [adres 1] te [plaats], niet in detentie verkerend (in vrijheid gesteld op 17 oktober 2022); 

De verdachte is in persoon verschenen en wordt bijgestaan door de raadslieden mr. B.A.H. Pick en I.D. Kanhai, BSc, advocaten bij het Hof van Justitie van Suriname.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadslieden namens de verdachte op 2 februari 2022 op de voorgeschreven wijze appel hebben aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

De vordering van de vervolgingsambtenaar

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 zal bevestigen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft:

  • primair de nietigheid van de tenlastelegging bepleit.
  • subsidiair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging.
  • meer subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 
  • de vernietiging van de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. aan de [adres 2] gevorderd. 

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 31 januari 2022 is de verdachte – verkort weergegeven – ter zake de bewezenverklaarde feiten onder:

  • I van de tenlastelegging te weten medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • IIA te weten medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 van de Anti-corruptiewet juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht.
  • IIIA-valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;
  • IVA medeplegen van opzettelijke Money Laundering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B 2002 no 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht,

veroordeeld tot:

  • een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis;
  • betaling van een geldboete tot een totaalbedrag van SRD 150.000,- (honderdvijftigduizend Surinaamse Dollar), subsidiair 12 maanden hechtenis;
  • de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te weten Euro 625.000,- (zeshonderd vijfentwintigduizend Euro) op grond van artikel 54e van het Wetboek van Strafrecht op te leggen aan de verdachten Van Trikt Robert Gray en Angnoe Ashween Ryan.
  • verbeurdverklaring van het onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] te Paramaribo op grond van artikel 50 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 50a van het Wetboek van Strafrecht lid 1 onder a en het voertuig van het merk Range Rover die bij de verdachte Angnoe Ashween in beslag is genomen;
  • handhaving van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte. 

Het Hof verenigt zich met het bestreden vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust en met handhaving van de opgelegde straf. Het Hof kan zich evenwel niet terugvinden in de verbeurdverklaring van het onroerend goed aan de [adres 2] te Paramaribo.  

De tenlastelegging

Aan dit vonnis is als bijlage 1 gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. 

Indien in de tenlastelegging taal-en/of schrijffouten voorkomen, zal het Hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. Hiertoe hebben de raadslieden – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

  • er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft middels een sluiproute een tenlastelegging geproduceerd met betrekking tot artikelen uit de Bankwet, waar geen sanctie op is gesteld en via een omweg aldus de Anti-corruptiewet ten laste gelegd. 
  • de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging. In casu is niet gesteld noch gebleken dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte. De verfeitelijking heeft dus niet plaatsgevonden. 

Verweer met betrekking tot obscuur libel

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een obscuur libel, daar de Anti-corruptiewet in samenhang met de Bankwet is ten laste gelegd. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof begrijpt dat de verdediging zich hierbij richt op artikel 35 a van de Bankwet, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat artikel 21 lid 2 en lid 4 strafbare feiten (misdrijven) opleveren. Artikel 13 lid 1 a van de Anti-corruptiewet is gericht op het verbod om in strijd te handelen met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) op dit artikel betreft het handelingen, besluiten en adviezen door een publieke functionaris verricht of genomen in strijd met de voor besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit wil zeggen dat de Anti-corruptiewet niet beperkt is tot gedragingen die expliciet aangemerkt zijn als misdrijven. Het verweer van de verdediging dat de verweten gedraging uit de Bankwet een strafbaar feit moet betreffen aleer tot vervolging kan worden overgegaan, is derhalve ongegrond en wordt verworpen. 

In de visie van het Hof leidt dit niet tot een obscuur libel en ook niet tot nietigheid van de inleidende dagvaarding. Gelet op het voorgaande verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer van de verdediging. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet ontbreken in de tenlastelegging en dat niet gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een gift of enige vorm van onrechtmatige zelfverrijking door verdachte.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Volgens de Memorie van Toelichting (MVT) betreft artikel 13 van de Anti-corruptiewet handelingen door een publieke functionaris verricht of besluiten door een publieke functionaris genomen die in strijd zijn met de voor de besluitvorming vastgestelde voorschriften, voorwaarden of procedures. Dit artikel geeft een niet uitputtende opsomming van enkele in het kader van corruptiebestrijding belangrijke handelingen en besluiten. 

In het kader van dit artikel dient te worden verwezen naar de artikelen 426 en 427 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het door een ambtenaar aannemen van giften of beloften en het aannemen van giften of beloften onder verzwarende omstandigheden als ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld. 

De Anti-corruptiewet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris binnen de overheidssector.

Strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde, zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen, of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings- of handelingsbevoegdheid is toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een wettelijk voorschrift. 

Het Hof stelt vast dat strafbaarstelling in artikel 13 van de Anti-corruptiewet zich niet beperkt tot het voor zichzelf of een ander onrechtmatig voordeel te verkrijgen door de publieke functionaris. De strafbaarheid betreft ook de publieke functionaris die verboden handelingen heeft verricht en/of besluiten heeft genomen in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, waarbij aan de Staat of Staatsinstelling opzettelijk financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. Het beschermd belang dat de wetgever bij vermeld artikel stelt is bescherming van de Staat of Staatsinstelling. Van het ontbreken van de bestanddelen van artikel 13 lid 1a en lid 2 van de Anti-corruptiewet is in de visie van het Hof geen sprake. 

Gelet op het voorgaande worden de verweren van de verdediging in al hun onderdelen verworpen.

Nu het Hof ook ambtshalve niet gebleken is van gebreken in de inleidende dagvaarding, is de dagvaarding naar het oordeel van het Hof geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden die de absolute competentie van het Hof regarderen, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van de vervolging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien:

  • de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  
  • er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift” niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de artikelen 16 en 18 van de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht’. 

Verweer met betrekking tot het ontbreken van de Anti-corruptie commissie

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de Anti-corruptiewet niet uitvoerbaar en handhaafbaar is vanwege het ontbreken van de Anti-corruptie commissie. Een onvolledige wet kan nimmer als grondslag dienen voor een vervolging.  

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit de Memorie van Toelichting (MVT) van de Anti-corruptiewet volgt dat de commissie een preventieve taak heeft. Eén van de doelstellingen van de preventieve aanpak door de commissie is dat er gewerkt wordt aan transparantie binnen de overheidssector en dat er een proces van bewustwording en verdere discussie binnen de werkorganisaties op gang komt over integer bestuur. In dit verband is het mogelijk dat de commissie op verzoek een integriteitsonderzoek in gang zet binnen de organisatie van een orgaan of instelling. Verder kan de commissie ondersteunen bij het identificeren van risico’s in gevallen van belangenverstrengeling binnen de organisatie, waarbij het kan gaan om risico’s die ontstaan door externe en interne oorzaken binnen de organisatie. 

Samengevat hebben de taken van de commissie te maken met preventie, signalering, analyse, beleidsadvisering, monitoring, educatie, het ontwikkelen van integriteitscodes en het onderhouden van contacten met (inter) nationale instanties. Het laatste mede met het oog op financieel- en technische ondersteuning op het gebied van corruptie preventie. De (repressieve) bestrijding van corruptie en de bepaling van de opportuniteit van de opsporing en vervolging in corruptiezaken, valt onder de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Na intake van een gemelde misstand wordt elke geregistreerde melding door de commissie volledig overgedragen aan de Procureur-Generaal om de behandeling van de gemelde misstand over te nemen. 

Het Hof stelt voorop dat uit de Memorie van Toelichting van de Anti-corruptiewet niet blijkt dat het hebben van een commissie een noodzakelijke voorwaarde is om een strafrechtelijke vervolging in te stellen. Artikel 18 van de Anti-corruptiewet vermeldt dat bepalingen als bedoeld in artikel 17 lid 1 en lid 2 van de Anti-corruptiewet worden gekwalificeerd als misdrijven en is het Openbaar Ministerie bevoegd tot het vervolgen van gepleegde strafbare feiten. Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer erop neerkomende dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet, omdat het delictsbestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ niet vervuld kan worden door de gedragingen genoemd in de Bankwet, vanwege het ontbreken van de ‘Wet Bestuursrecht”.

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van schending van artikel 13 van de Anti-corruptiewet.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Door de jurisprudentie en de literatuur is uitgemaakt wat onder wettelijk voorschrift wordt verstaan namelijk wetten (voorschriften, voorwaarden en procedures) gegeven door instanties met wetgevende bevoegdheid.

Inderdaad kent Suriname geen Wet Bestuursrecht, maar dat betekent niet dat er geen wettelijke voorschriften bestaan, die gelden binnen de publieke sector. 

Aan het begrip wettelijk voorschrift in de Anti-corruptiewet komt specifieke betekenis toe, zoals verwoord in de memorie van toelichting. Deze wet richt zich tot de corruptie plegende publieke functionaris. Deze wet heeft niet rechtstreeks betrekking op de handelingen van (individuele) burgers/personen buiten de overheidssector als het gaat om fraude en corruptief gedrag. In artikel 13 lid 1a van de Anti-corruptiewet is bepaald dat strafbaarheid van de publieke functionaris bestaat, indien door hem met een wettelijk voorschrift strijdige handelingen zijn verricht of besluiten zijn genomen met het aangetoonde zodanige oogmerk om voor zichzelf of een ander enig voordeel te verkrijgen of indien door die strijdige handelingen aan de Staat of Staatsinstelling enig nadeel wordt toegebracht. 

Het gaat hierbij om de publieke functionaris aan wie ter zake beslissings-of handelingsbevoegdheden zijn toegekend en om besluiten die eveneens een grondslag hebben in een ‘wettelijk voorschrift’.

Dit zijn verboden en geboden die betrekking hebben op wettelijke voorschriften die in verschillende wettelijke regelingen zijn vastgelegd. 

Hieruit valt af te leiden dat de bepalingen van de Bankwet wettelijke voorschriften zijn, welke wet is uitgevaardigd door de daartoe bevoegde autoriteiten. Een wettelijk voorschrift is elke regelgeving, uitgevaardigd door een daartoe bevoegde autoriteit.  

De Bankwet bevat regels, waaraan de bank zich dient te houden en zijn het dus wettelijke voorschriften. 

De verweren worden -gelet op al het voorgaande- in al hun onderdelen verworpen.

Nu voor het overige door de verdediging geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen omstandigheden gebleken casu quo geen verweren gevoerd die nopen tot het schorsen van de vervolging. De vervolging kan dus voortgezet worden.

De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Vanuit de zijde van de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de algehele tenlastelegging. 

Ten aanzien van de feiten I en IIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van de onder I en IIA ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • de verdachte geen publieke functionaris is en is de Anti-corruptiewet niet van toepassing op hem. 
  • het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd en heeft er geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden. 
  • belangenverstrengeling geen strafbaar feit is.
  • Angnoe niet als medepleger kan worden aangemerkt. De enige nauwe en bewuste samenwerking welke Angnoe heeft gehad, is dat hij namens Orion in dit traject als onderaannemer heeft gewerkt op de contracten Prodigy I, II en Lagarde. Geen van de door het Openbaar Ministerie aangehaalde argumenten tonen aan dat Angnoe op de hoogte zou zijn geweest van een plan om de Centrale Bank van Suriname te benadelen. Zowel Angnoe als Orion hadden niets te maken met de panden. 
  • de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] dient te worden vernietigd. De verbeurdverklaring van het onroerend goed is nergens gemotiveerd. De verdediging heeft geconstateerd dat het goed reeds in bezit was van de verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.
  • het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijkheden dan wel onvolkomenheden bevat.

Verweer met betrekking tot de publieke functionaris

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat de verdachte geen publieke functionaris is en de Anti-corruptiewet niet van toepassing is op hem.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Een publieke functionaris is iemand die in dienst is van de Overheid of een semi overheidsorganisatie en een taak vervult die het publieke belang dient. De term functionaris kan ook verwijzen naar iemand met een belangrijke functie binnen een organisatie, die aan het publieke domein gerelateerd is.

In artikel 13 van de Anti-corruptiewet is het volgende bepaald: Het is een publieke functionaris in de uitoefening van zijn functie verboden om handelingen te verrichten, te adviseren en besluiten te nemen, waarbij door hem gehandeld wordt in strijd met de ter zake geldende wettelijke voorschriften, voorwaarden of procedures, om voor zichzelf enig onrechtmatig voordeel te verkrijgen en/of waarbij aan de Staat of een Staatsinstelling opzettelijk enig financieel nadeel wordt toegebracht of financieel nadelige voorwaarden worden bedongen. 

In tekst en commentaar Strafrecht (tiende druk pagina 577) is bepaald dat bij kwaliteitsdelicten het bezit van een bepaalde kwaliteit vereist is. De deelnemer aan een kwaliteitsdelict dat door een ander wordt gepleegd, hoeft zelf niet in het bezit te zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat de pleger die kwaliteit heeft en dat de deelnemer daar weet van heeft. 

De bepalingen uit de Bankwet kunnen aangemerkt worden als kwaliteitsdelicten. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op iemand, die niet de hoedanigheid heeft van een governor. Het Wetboek van Strafrecht biedt wel de mogelijkheid om personen die niet over een bepaalde kwaliteit beschikken, in casu de verdachte Angnoe, als deelnemer aan die kwaliteitsdelicten strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Verdachte Angnoe heeft nauw met de verdachte Van Trikt, zijnde de governor van de Centrale Bank van Suriname samengewerkt. Van Trikt heeft hem aangetrokken als zijn sparringpartner binnen de bank en heeft hem doen participeren bij het tot stand komen van de verschillende overeenkomsten, die niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Angnoe heeft actief geparticipeerd, dus was hij op de hoogte van de negatieve gevolgen die deze overeenkomsten teweeg hebben gebracht. 

Het Hof verwerpt- gelet op al het voorgaande-het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps aangeeft dat er geen nadelige contracten zijn gesloten en dat de bedragen niet hoog en oneigenlijk waren. Een dergelijke nadelige contractvoorwaarde dient aangetoond te worden. Bovendien is de “good governance” van de Centrale Bank van Suriname bevestigd. Er heeft geen onafhankelijk accountantsonderzoek plaatsgevonden. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het rapport Kroll A. Division Duff & Phelps is onomstotelijk komen vast te staan dat:

  • er oneigenlijk hoge bedragen zijn betaald voor de overeenkomst Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 en Lagarde I. Hetgeen betaald is staat niet in verhouding tot hetgeen door Clairfield is geleverd. 
  • Clairfield niet over de nodige kwaliteiten beschikt om werkzaamheden te verrichten in het kader van een of meer van voormelde overeenkomsten.
  • de vooruitbetalingen ten aanzien van de projecten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3 buitensporig hoog en niet gebruikelijk waren. Uit het rapport is voldoende aangetoond dat de contracten nadelig waren voor de Staat Suriname. 
  • met betrekking tot de “non refundable fees” waren de tegenprestaties in onderhavig geval niet evenredig waren met de geleverde diensten door Clairfield. 

Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan geconcludeerd worden dat er geen noodzaak was voor het sluiten van de overeenkomsten.

Het Hof verwijst in dit verband eveneens naar het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, gewezen op 20 oktober 2022, waarbij genoemde rechtbank de nietigheid van de overeenkomsten Prodigy 1, Prodigy 2, Prodigy 3, Prodigy 5 en Lagarde I heeft uitgesproken. Clairfield is daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan de Centrale Bank van Suriname van een bedrag groot Euro 2.552.932.59,- (twee miljoen vijfhonderdtweeënvijftigduizend negenhonderdtweeëndertig euro en negenenvijftig cent). 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot belangenverstrengeling

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat belangenverstrengeling geen strafbaar feit is.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek en getuigenverklaringen blijkt dat er sprake is geweest van belangenverstrengeling bij het aangaan van de overeenkomsten met de Centrale Bank van Suriname. Verdachte heeft steeds aangegeven dat vanwege zijn deskundigheid als accountant van hem verwacht werd dat hij kennis droeg van de fundamentele beginselen van het beroep. Dit ter voorkoming van belangenverstrengeling. Verdachte Angnoe werd als accountant bij Orion ook aangetrokken als adviseur van de Centrale Bank van Suriname. Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte Angnoe en medeverdachte Van Trikt de fundamentele beginselen van het beroep hebben geschonden, om hun eigen financiële belangen te behartigen. Verdachte Angnoe had belangen bij Orion en dit stond op gespannen voet met de belangenbehartiging van de Centrale Bank van Suriname.

In de visie van het Hof is er wel degelijk sprake geweest van belangenverstrengeling. Het daartoe strekkend verweer wordt verworpen.

Verweer met betrekking tot medeplegen

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat Angnoe niet als medepleger kan worden aangemerkt. De enige nauwe en bewuste samenwerking welke Angnoe heeft gehad, is dat hij namens Orion in dit traject als onderaannemer heeft gewerkt op de contracten Prodigy I, II en Lagarde. Geen van de door het Openbaar Ministerie aangehaalde argumenten tonen aan dat Angnoe op de hoogte zou zijn geweest van een plan om de Centrale Bank van Suriname te benadelen. Angnoe en Orion hadden niets te maken met de panden. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Het Hof stelt voorop dat de betrokkenheid van verdachte aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en zijn – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict zodanig wezenlijk dan wel van dusdanig voldoende gewicht is, dat sprake is van medeplegen.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte Angnoe tezamen met zijn mededaders nauw betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomsten die zijn medeverdachte Van Trikt heeft gesloten met Clairfield Benelux N.V. en Buysse Hans. Angnoe heeft actief geparticipeerd bij de bijeenkomsten in België betreffende vermelde overeenkomsten. Van Trikt heeft als governor en medeaandeelhouder van Orion Assurance and Advisory N.V. met Angnoe een overeenkomst voor onbepaalde tijd getekend op 18 april 2019, betreffende het optreden van Orion Assurance and Advisory N.V, in de persoon van Angnoe als adviseur en sparringpartner van de Centrale Bank van Suriname en wel voor een bedrag van USD 150,- per uur, waarvan reeds een tegenwaarde van SRD. 188.904,- (honderdachtentachtigduizend negenhonderdvier Surinaamse dollar) is betaald. Van Trikt heeft de verdachte Angnoe reeds op 18 april 2019 aangetrokken als zijn adviseur bij de Centrale Bank van Suriname en hem doen participeren aan de totstandkoming van de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. Uit het onderzoek is gebleken dat Angnoe actief heeft geparticipeerd aan de totstandkoming van de overeenkomsten met Clairfield. Ook is gebleken dat door toedoen van de medeverdachte Van Trikt met de verdachte Angnoe en de medeverdachte Buysse, een bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) ten behoeve van Orion Capital Investment N.V. is teruggevloeid naar Suriname. Het geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van de verdachten. Er zijn voor het aangaan van de overeenkomsten meerdere overleg momenten geweest tussen verdachte en zijn medeverdachten. Van Trikt heeft samen met Angnoe en/of Buysse opgetreden waarbij er sprake is geweest van belangenverstrengeling gezien het feit dat Agnoe zakenpartner en samen met medeverdachte Van Trikt medeaandeelhouder is van Orion. Verder zijn Buysse, Van Trikt en Angnoe allen als partners verbonden aan Limebridge VZW. Ook is gebleken dat een geldbedrag van Euro 100.000,- (honderdduizend euro) van de bankrekening van de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW waarin verdachten belangen hadden, is overgemaakt naar de rekening ten behoeve van [naam] in Nederland. Deze overmaking geschiedde ten behoeve van MN Car Center als aanbetaling voor de aanschaf van een Range Rover dat voor de verdachte Angnoe was gekocht. Ook heeft de medeverdachte van Trikt als governor en als medeaandeelhouder van Orion Assurance and Advisory N.V. met de verdachte Angnoe, medeaandeelhouder van Orion en zakenpartner van Van Trikt, een vijftal overeenkomsten gesloten. Bij deze overeenkomsten werd door de Centrale Bank van Suriname een bedrag groot SRD. 1.142.634,75,- (één miljoen honderd tweeënveertigduizend zeshonderdvierendertig Surinaamse dollar en vijfenzeventig cent) als voorschot betaald aan Orion Assurance and Advisory N.V.

Uit het onderzoek is eveneens komen vast te staan dat de verdachte Van Trikt de verdachte Angnoe reeds op 18 april 2019 heeft aangetrokken als zijn adviseur bij de Centrale Bank van Suriname en hem heeft doen participeren aan de totstandkoming van de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. 

Het betreft de overeenkomsten:

  • Project Prodigy 1 “valuation of the assets of the Government of Suriname, getekend op 10 mei 2019.
  • Project Prodigy 2 “support to the Central Bank of Suriname for managing the national assets through creation and operation the Suriname for participating and Investment Company”, getekend op 6 augustus 2019.

Uit deze twee overeenkomsten zijn de transacties betreffende de 17 onroerende goederen uitgerold. Hierdoor is onomstotelijk komen vast te staan dat verdachte Angnoe en Orion wel betrokken waren bij de transacties met betrekking tot de panden. Angnoe heeft van meet af aan actief geparticipeerd bij de totstandkoming van de overeenkomsten, waarvan de onroerende goederen deel uitmaakten. 

Uit het boven aangehaalde blijkt dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het voltooien van de strafbare feiten. Zijn bijdrage was van voldoende gewicht en was hij op de meest cruciale momenten namelijk bij het sluiten van de overeenkomsten aanwezig. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat verdachte en zijn mededaders samen hebben opgetreden en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Verweer met betrekking tot verbeurdverklaring van het onroerend goed

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de verbeurdverklaring van het onroerend goed Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] vernietigd moet worden. De verbeurdverklaring van het onroerend goed is nergens gemotiveerd. Het goed was reeds in bezit van Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (K.K.F) is gebleken dat Orion Capital Investments N.V. als adres heeft staan [adres 2] te Paramaribo. Voormelde N.V. is op 23 maart 2017 opgericht en ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken op 31 maart 2017 en had toen als adres [adres 2]. Verder is uit een hypothecair uittreksel van het MI Glis gebleken dat Orion Capital Investments N.V. het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot een duizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te Paramaribo op de hoek van de [perceelligging], heeft verkregen door overschrijving ten kantore van MI GLIS op 27 april 2017. Orion Capital Investments N.V. heeft dus vervolgens kantoor gehouden op bovenvermeld adres.   

Met de verdediging is het Hof het eens dat het goed reeds in bezit was van verdachte Van Trikt voordat de vermeende strafbare feiten werden gepleegd.

Het daartoe strekkend verweer acht het Hof gegrond.

Het Hof zal derhalve dit onderdeel van het beroepen vonnis vernietigen en dit onroerend goed wederom ter beschikking stellen aan de rechthebbende(n). 

Verweer met betrekking tot de deugdelijkheid van het vonnis in eerste aanleg

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd, dat het bestreden vonnis ondeugdelijk en tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

De Kantonrechter in eerste aanleg heeft het vonnis voldoende gemotiveerd. Uit de opgesomde bewijsmiddelen is genoegzaam gebleken dat de strafbare feiten daadwerkelijk zijn gepleegd. De getuigen hebben elk afzonderlijk en gedetailleerd verklaard wat zich heeft afgespeeld. Ook zijn er schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders zich schuldig hebben gemaakt aan de strafbare feiten. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze bewijsmiddelen. Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte en mededaders de bewezenverklaarde feiten hebben begaan op feiten en omstandigheden die in de aangehaalde bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Het is het Hof overigens niet gebleken dat het vonnis in eerste aanleg ondeugdelijk casu quo tegenstrijdig is dan wel onjuistheden bevat.

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Gelet op al het voorgaande worden de verweren in al hun onderdelen verwerpen.

Ten aanzien van feit IIIA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder IIIA ten laste gelegde feit, te weten valsheid in geschrifte, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • niet is gebleken dat Angnoe het document “Incoming Payments” valselijk heeft opgemaakt. Het betreft hier een fout van de administratie.

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat verdachte Angnoe een vals document heeft geproduceerd. Hij heeft hiermee doen blijken alsof de betaling van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintig duizend euro) betrekking zou hebben op het project Strenght, zijnde een project van de Hakrinbank N.V. De directeur van de Hakrinbank N.V. heeft verklaard dat de overmaking van het Project Strenght dubieus bleek te zijn. Verdachte werd hiermee geconfronteerd en gaf hij toe dat de overmaking betrekking had op project Prodigy I en geen project Strenght. Verdachte probeerde met dit valselijk opgemaakt document de waarheid te verdoezelen. 

Het Hof verwerpt het daartoe strekkend verweer.

Ten aanzien van feit IVA

De raadslieden hebben ter terechtzitting van het Hof bepleit dat verdachte van het onder IVA ten laste gelegde feit, te weten Money Laundering, dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

  • dat er geen sprake is van Money Laundering. De aankoop van de Range Rover van Orion per bank is geschied met de formele inkomsten van de rechtspersoon Orion. 

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan witwassen bewezen worden geacht, indien op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de ten laste gelegde voorwerpen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat die voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien die situatie zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft omtrent de herkomst van dat voorwerp. Zo een verklaring dient te voldoen aan het vereiste, dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.  

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat een deel (Euro 625.000,-) van het overgemaakt geld (euro 1.250.000,-) ten behoeve van Clairfield Benelux N.V. terug is gevloeid naar Suriname en wel ten behoeve van het bedrijf Orion Capital Investment N.V., waarvan verdachte Van Trikt de enige aandeelhouder is. Dit geld is overgemaakt vanuit Clairfield Benelux N.V. ten behoeve van verdachte Van Trikt en Angnoe en Buysse. Om deze overmaking te kunnen bewerkstelligen is er een vals document door Angnoe geproduceerd alsof de betaling van Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintig duizend euro) betrekking zou hebben op het project “Strength”, zijnde een project dat is uitgevoerd ten behoeve van de Hakrinbank N.V. door Clairfield Benelux N.V. en Orion Capital Investment N.V.

Uit het onderzoek is komen vast te staan dat de overmaking ten behoeve van het project “Strength” dubieus bleek te zijn, daar dit project nooit zoveel zou kunnen hebben gekost. 

De medeverdachte Van Trikt heeft ter terechtzitting d.d. 7 november 2022 hieromtrent verklaard dat geen enkele overmaking via de informele weg is gegaan. Alles heeft dus via de formele weg plaatsgevonden. In de visie van het Hof blijkt uit het onderzoek het tegendeel.

Voorts is uit het financieel onderzoek komen vast te staan dat met het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) er aflossingen zijn gepleegd, namelijk zijn er leningen van Orion afgelost bij de Bank, alsook persoonlijke leningen.

Uit het onderzoek is in de visie van het Hof komen vast te staan dat verdachte en mededaders door middel van en uit de baten van de strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben bewust de herkomst van het geld proberen te verhullen. De feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat vastgesteld kan worden dat er sprake is van witwassen, nu met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de gelden een criminele herkomst hebben. Immers heeft de verdachte geen concrete verifieerbare verklaring afgelegd omtrent de herkomst van voormeld geldbedrag.

Voorts is uit het onderzoek eveneens gebleken dat er een bedrag van Euro 100.000,- (honderduizend euro) van de bankrekening van de in België gevestigde vereniging Limebridge VZW, waarin Van Trikt, Angnoe en Buysse belangen hebben, is overgemaakt naar een rekening ten name van [naam] in Nederland. Deze overmaking geschiedde ten behoeve van MN Car Center als aanbetaling voor de aanschaf van de Range Rover. Dit voertuig was voor de verdachte Angnoe en/of Orion gekocht. Verdachten hebben geen deugdelijke verklaring over de financiële middelen van de vereniging Limebridge VZW afgelegd. Het is voor het Hof niet aannemelijk geworden dat vermeld voertuig uit de inkomsten van Orion is gekocht.

Op grond van het hierboven aangehaalde is het Hof van oordeel dat er sprake is van verwerven in de zin van de wet en verwerpt het Hof het daartoe strekkend verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

  • I medeplegen van het eerste lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 1 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  • IIA medeplegen van het tweede lid van artikel 13 van de Anti-corruptiewet; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 13 lid 2 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet S.B. 2017 no. 85 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73).
  •    IIIA-valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;
  •    IVA medeplegen van opzettelijke Money Laundering; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering S.B 2002 no. 64 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht,

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. 

Verdachte is dan ook strafbaar.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. 

Verdachte en zijn mededaders hebben zich gedurende langere periode schuldig gemaakt aan grootschalige corruptie. Verdachte en zijn mededaders hebben samengewerkt aan het tot stand komen van overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. en Orion Assurance and Advisory N.V., waarbij er grote geldbedragen aan voorschotten zijn betaald. Gebleken is dat de overeenkomsten gesloten met Clairfield Benelux N.V. niet noodzakelijk waren voor de Centrale Bank van Suriname. Uit 2 van de overeenkomsten met Clairfield Benelux N.V. is de verkoop van onroerende goederen uitgerold. Deze onroerende goederen zijn door de Centrale Bank van Suriname gekocht en betaald, maar de panden zijn nimmer overgedragen aan de Bank. Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende langere periode op systematische en geraffineerde wijze gehandeld, waarbij doelbewust misbruik is gemaakt van hun positie. Verdachte heeft zijn functie benut om op geraffineerde wijze controle te omzeilen en andere belangen te dienen.

Verdachte en zijn mededaders hadden slechts oog voor hun eigen financieel gewin en hebben zich niet bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor de Staat Suriname. Verdachte heeft als registeraccountant, tevens zakenpartner van de verdachte van Trikt, misbruik gemaakt van zijn positie.  

De persoon van de verdachte en zijn omstandigheden

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het Hof in het bijzonder gelet op de inhoud van de Staat van inlichtingen, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De verdachte is tijdens de behandeling van de zaak in Hoger beroep op 17 oktober 2022 in vrijheid gesteld. Het Hof heeft daarbij in acht genomen dat verdachte met zijn aanhouding sinds februari 2020 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. 

Gelet op de hiervoor besproken aard en ernst van de feiten, en de rol van de verdachte in het geheel, is het Hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf dient de verdachte en anderen duidelijk te maken dat corruptie niet ongestraft kan blijven. Het Hof zal bij het bepalen van een passende strafmaat rekening houden met het feit dat de verdachte reeds twee/derde deel van de opgelegde straf in eerste aanleg heeft uitgezeten en dat de verdachte zich in deze zaak geruime tijd op vrije voeten bevindt. Indachtig al het voorgaande acht het Hof het door de Kantonrechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden. 

Beslag

Het Hof is van oordeel dat het in beslag genomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] te Paramaribo (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving] toebehoort aan de rechtspersoon casu quo haar bestuurders en aan hen moet worden teruggegeven, nu niet is komen vast te staan dat dit onroerend goed vatbaar is voor verbeurverklaring ingevolge het bepaalde in artikel 50a van het Wetboek van Strafrecht. Het beroepen vonnis zal derhalve op dit punt worden vernietigd. 

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de voormelde wetsartikelen, alsmede de artikelen 9, 11, 38, 40, 44, 50 a, 72, 82, 127 en 278 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 13 juncto artikel 17 van de Anti-corruptiewet, artikel 35 a van de Wet van 20 mei 2005, inhoudende nadere wijziging van de Bankwet 1956, zoals deze luidt na wijziging laatstelijk bij decreet van 8 november 1986 (S.B. 1986 no. 73) en artikel 1b van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. 

 

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 

31 januari 2022 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden, zoals eerder vermeld. 

Verbetert het dictum van het beroepen vonnis van de Kantonrechter met betrekking tot de ontnemingsmaatregel in dier voege dat dit als volgt komt te luiden:

-legt aan de verdachten Angnoe en Van Trikt de verplichting op tot betaling van het bedrag groot Euro 625.000,- (zeshonderdvijfentwintigduizend euro) op grond van artikel 54e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, des de een betalende, de ander zal zijn bevrijd, aan de Staat.  

  Vernietigt het vonnis ten aanzien van de uitgesproken verbeurdverklaring en opnieuw rechtdoende:

-Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen onroerend goed te weten Orion Capital Investments N.V. gevestigd aan de [adres 2] te Paramaribo (kadastraal bekend als het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot éénduizend tweehonderd vier en tachtig vierkante meters, gelegen te [perceelomschrijving], aan de rechthebbende(n).

Aldus gewezen door: 

 A. Charan, Fungerend – President, S. Punwasi en mr. D. Nanhoe, rechters,bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh, fungerend – griffier en uitgesproken door mr. S. Punwasi voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 19 januari 2026 te Paramaribo.

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh                                                                w.g. A. Charan 

                                                                                                                                                  w.g. S. Punwasi

                                                                                                                                                  w.g. D. Nanhoe

 

Voor eensluidend afschrift,

De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut Griffier)

 

SRU-K1-2025-10

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR no. 202504949

31 december 2025

 

vonnis in de kort geding zaak van:

a. PINNACLE TIMBER PRODUCTS NV,

b. GREEN WOOD WORLD NV,

c. HARMONY TIMBER NV,

d. WINTRIP INTERNATIONAL NV,

e. BAKHUIS FOREST NV,

f. ATLANTIC ASIA RESOURCES NV

allen gevestigd te Paramaribo en in het district Wanica,

hierna te noemen: Pinnacle Timber Products NV e.a.,

gemachtigden: mr. drs. Boedhoe, Shiraz en mr. Joan M. Nibte

 

tegen

 

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, VEETEELT EN VISSERIJ, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd te Paramaribo te diens Parkette aan de Limesgracht no 92

gevestigd te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat.

gemachtigden: S. Nanda LLB en mr. D. Jairam, verbonden aan het Bureau Landsadvocaten.

  1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en/of handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 december 2025 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 30 december 2025;
  • de mondelinge akte van eiswijziging;
  • de mondelinge conclusie van antwoord en uitlating eiswijziging;
  • het proces-verbaal van het mondeling afpleiten van de gemachtigden van partijen d.d. 30 december 2025.

1.2. De uitspraak is hierna bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Pinnacle Timber Products NV e.a. zijn professionele houtexporteurs, die reeds jaren structureel rondhout exporteren naar India. Voor de uitvoer van hout naar India is het fytosanitaire certificaat een essentiële en onmisbare schakel in de exportketen.

2.2 Zonder een door het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (voortaan LVV) afgegeven fytosanitaire certificaat is het voor Pinnacle Timber Products NV e.a. onmogelijk om bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken (voortaan KKF) een Certificaat van Oorsprong te verkrijgen. Dit document is nodig voor internationale handel en inklaringen in India.

2.3 De Staat met name LVV heeft gedurende de afgelopen jaren aan houtexporteurs die daaraan voldoen, i.c. aan Pinnacle Timber Products NV e.a. een fytosanitair certificaat afgegeven, voor de export van verschillende houtspecies. Op het fytosanitaire certificaat werden de verschillende houtspecies aangeduid met de verzamelterm ”Mora roundlogs”.

2.4 LVV weigert thans de afgifte van het fytosanitaire certificaat aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de jarenlang gehanteerde benaming ”Mora roundlogs” te verstrekken. Pinnacle Timber Products NV e.a. kregen op 27 oktober 2025 een schriftelijke mededeling van de Staat, waarin o. a. is aangegeven dat ter waarborging van de integriteit van de National Plant Protection Organization (verder NPPO) van Suriname, met ingang van die datum bepaalde vereisten voor de export van hout en houtproducten, s  trikt nageleefd dienen te worden. Als gevolg hiervan kunnen Pinnacle Timber Products NV e.a. geen Certificaat van Oorsprong van KKF verkrijgen. De inklaring van het rondhout in India kan zonder een fytosanitair certificaat niet plaatsvinden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Pinnacle Timber Products NV e.a. verzoeken de kantonrechter – na eiswijziging – om in vonnis in kort geding:

Primair:

a. de Staat te veroordelen, c.q. te gelasten om binnen één (1) x 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de vereiste fytosanitaire certificaten eenmalig ter beperking van de door Pinnacle Timber Products NV e.a. te lijden schade af te geven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. voor alle reeds uitgevoerde en thans onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India;

b. te bepalen dat deze certificaten, conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, worden afgegeven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de benaming ”Mora roundlogs”;

c. aan het gevorderde onder a en b een dwangsom te verbinden van SRD 5.000.000,- (vijf miljoen Surinaamse Dollar) per uur en of elke keer dat de Staat hierin weigerachtig of nalatig is;

Subsidair:

a. de Staat te veroordelen c.q. te gelasten om binnen één (1) x 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, schriftelijk vast te stellen dat de graceperiode voor houtexporten onder de naam Mora roundlogs” wordt verlengd tot en met 15 januari 2026 of tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;

b. aan het gevorderde onder a en b een dwangsom te verbinden van SRD 5.000.000,- (vijf miljoen Surinaamse Dollar) per uur en of elke keer dat de Staat hierin weigerachtig of nalatig is;

Primair en subsidiair:

a. de Staat te veroordelen in de proceskosten;

b. indien nodig, een of meer beslissingen te nemen zoals het de kantonrechter geraden voorkomt desnoods met aanvulling van de rechtsgronden;

c. het vonnis tot uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op de minuut en op alle dagen en uren.

3.2 Pinnacle Timber Products NV e.a. leggen – zakelijk weergeven – aan hun vorderingen ten grondslag dat door de Staat Suriname, in het bijzonder LVV, gedurende langere periode een consistent, kenbaar en ononderbroken beleid is gevoerd, waarbij aan Pinnacle Timber Products NV e.a. en andere exporteurs in gelijke positie, fytosanitaire certificaten zijn afgegeven voor de export van rondhout naar India, onder de benaming ”Mora roundlogs”. Deze langdurige en consequente praktijk kan als bestendig gebruik worden gekwalificeerd en heeft bij Pinnacle Timber Products NV e.a. een opgewekt en gerechtvaardigd vertrouwen doen ontstaan, dat ook bij voortzetting van hun reguliere exportactiviteiten, zoals bij alle voorgaande exporten, door de Staat wederom de vereiste fytosanitaire certificaten zouden worden verstrekt.

3.3 Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben hun bedrijfsvoering, internationale contracten en financiële verplichtingen aantoonbaar afgestemd op dit bestendig overheidsoptreden. Onder deze omstandigheden mochten zij er redelijkerwijs op vertrouwen dat de Staat dit beleid niet plotseling, zonder voorafgaande aankondiging, zonder deugdelijk grondslag en zonder overgangsregeling, zou wijzigen.

3.4 Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben elk de vereiste Mora-certificaten zoals gebruikelijk bij LVV aangevraagd, doch de Staat weigert thans om de benodigde certificaten onder de zogeheten naam “Mora roundlogs” af te geven. Een reeds maandenlang voorbereide en uitgevoerde verscheping die thans onderweg is naar India, met een volume van 15.380,485 kubieke meter rondhout zal op 01 januari 2026 in de haven van India te Deendayal Port Kandla aankomen, zonder een fytosanitair certificaat. Die lading zal niet kunnen worden ingeklaard met als gevolg veel schade voor Pinnacle Timber Products NV.

3.5 Bij dat besluit van de Staat is totaal geen rekening gehouden met de op dat moment reeds gepleegde voorbereidingen door Pinnacle Timber Products NV e.a. in verband met de verscheping van het rondhout naar India, welke voorbereidingen ruim vóór 27 oktober 2025 zijn gepleegd en niet zonder meer kunnen vallen onder deze abrupte beleidsinstructie van de Staat. Zo heeft bijvoorbeeld Green Wood World NV op 25 augustus 2025 een exportcontract gesloten met een koper. Een voorschot van de koper werd ontvangen op 15 september 2025, waarna deze koper alle voorbereidingen heeft getroffen om volgens het exportcontract een schip bij een reder te huren. Op 6 november 2025 werd een Letter of Credit (LC) geopend. De LC fungeert als bankgarantie waarbij betaling plaatsvindt, zodra de exporteur de vereiste documenten via zijn bank overlegt aan de bank van de koper. Omdat de fytosanitaire certificaten en Certificaten van Oorsprong ontbreken, is niet voldaan aan de documentvoorwaarden en is betaling tot op heden uitgebleven, ondanks het feit dat het schip reeds op 1 januari 2026 zal aankomen in Deendayal Port (Kandla), India. De LC heeft hierdoor feitelijk zijn functie verloren.

3.6 Lopende internationale verplichtingen die Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben kunnen niet worden nagekomen. Grote investeringen die Pinnacle Timber Products NV e.a. reeds hebben gepleegd dreigen verloren te gaan en reeds voorbereide exporten raken totaal gefrustreerd. Pinnacle Timber Products NV e.a. lijden op deze wijze grote schade waardoor de continuïteit van hun ondernemingen in groot gevaar komt te staan. Ook hebben deze exporteurs reeds maanden terug substantieel geïnvesteerd in het oogsten, verwerken en gereedmaken van houtblokken voor export. Als zij deze lading niet tijdig kunnen exporteren, c.q. leveren aan de koper, dan kunnen zij daardoor niet beschikken over hun eigen gelden, hetgeen leidt tot ernstige liquiditeitsproblemen en financiële druk.

3.7 Het spoedeisend belang is evident en actueel, nu Pinnacle Timber Products NV e.a. door het uitblijven van de certificering direct worden geconfronteerd met ernstige economische schade, contractuele aansprakelijkheid en onomkeerbare reputatieschade, alsook dreigende faillissementen. Het niet kunnen inklaren leidt tot contractbreuk jegens vaste afnemers, het ontstaan van boetes en schadeclaims, alsmede het reële risico van internationale geschillen en arbitrageprocedures. Vanwege het ontbreken van de vereiste fytosanitaire certificaten zal er geen inklaring kunnen plaatsvinden, waardoor dagelijks demurragekosten van $ 16.500,- per dag in rekening zullen worden gebracht.

3.8 Pinnacle Timber Products NV e.a. wensen alleen voor deze keer in het bezit gesteld te worden van een fytosanitair certificaat vanwege de reeds voorbereide en verscheepte hoeveelheid rondhout. Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben deze kwestie uitvoerig besproken met de Staat, o.a. de minister van LVV die geen oor heeft voor het nijpend en acuut probleem waarmee Pinnacle Timber Products NV e.a. thans te kampen hebben. Er rest Pinnacle Timber Products NV e.a. niets anders dan een vordering in kort geding tegen de Staat in te stellen met het verzoek een voorziening te treffen ter beperking van hun te lijden aanzienlijke en onomkeerbare schade.

3.9 Gelet op deze omstandigheden hebben Pinnacle Timber Products NV e.a. er spoedeisend belang bij dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt gegeven.

3.10 De Staat voert verweer stellende – zakelijk weergegeven – dat ze op 27 oktober 2025 een schriftelijke algemene bekendmaking stuurde naar alle houtexporteurs waarin o. a. is aangegeven dat ter waarborging van de integriteit van de NPPO van Suriname, met ingang van die datum bepaalde vereisten voor de export van hout en houtproducten, strikt nageleefd dienen te worden.

3.11 Op de verdere stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter hierna, zover nodig ingaan.

  1.  De beoordeling

Spoedeisend belang en noodzaak verkort vonnis 

4.1 Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 226 lid 1 Rv). Hiervan is sprake als er onmiddellijke maatregelen nodig zijn en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben hun spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering ter zitting voldoende onderbouwd. Zij hebben onder meer gesteld dat hun vrachtschip met hun lading aan hout praktisch voor de haven in India voor anker ligt en dat dit ingeklaard moet worden. Indien de vereiste documenten niet vóór 01 januari 2026 voorhanden zijn, zullen Pinnacle Timber Products NV e.a. grote schade lijden waardoor de continuïteit van hun ondernemingen in groot gevaar komt te staan. Aangezien het spoedeisend belang gemotiveerd is gesteld en niet is betwist, worden Pinnacle Timber Products NV e.a. in hun vordering in kort geding ontvangen.

4.2 Gegeven het gesteld en niet betwist spoedeisend belang is beslist om op de dag van de behandeling van onderhavige zaak op 30 december 2025 een uitspraak te doen bij wege van gelijk te verstrekken verkort vonnis, in het belang van een voorspoedige executie van het vonnis. Aldus geschiedde en wordt hier het vonnis met de overwegingen voltooid.

De regels en procedures werden niet strikt nageleefd

4.3 Voor de export van planten en plantaardige producten vanuit Suriname is volgens de Plantenbeschermingswet van Suriname van S.B. 2020 no. 78 een fytosanitair certificaat vereist. Pinnacle Timber Products NV e.a. zijn houtexporteurs, die reeds jaren rondhout exporteren naar India. Voor de uitvoer van hout naar India is dus dat fytosanitaire certificaat een noodzakelijke vereiste. De Staat weigert thans de afgifte van het fytosanitaire certificaat aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de jarenlang gehanteerde benaming ”Mora roundlogs” te verstrekken.

4.4 Volgens Pinnacle Timber Products NV e.a. gebeurt het al langer dan 15 jaar dat de Staat het fytosanitaire certificaat aan houtexporteurs afgeeft waarbij verschillende houtsoorten aangeduid werden met de verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood”. Volgens de Staat gebeurde dat inderdaad maar is de periode korter en wel 5 tot 6 jaar. Tevens is er volgens de Staat een document inhoudende 289 houtsoorten en houtproducten die naar India geëxporteerd mogen worden. Daarvan komen maar vier in Suriname voor en wel Mora wood (Maclura tinctoria), Groenhart, Purperhart en Mahoniehout. Echter worden andere houtsoorten al vele jaren naar India verscheept onder de verzamelterm “Mora wood” terwijl dat niet toegestaan is. In het jaar 2022 heeft de NPPO van India op een vraag van de NPPO van Suriname daarover, bevestigd dat de wetenschappelijke naam Maclura tinctoria alleen wordt gebruikt voor Mora Wood en niet voor andere houtsoorten. In hun e-mailbericht gedateerd 01 september 2020 meldt die NPPO althans “India’s Ministry of Agriculture & Farmers Welfare” dat er geen verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood” bestaat. De Staat concludeert dan ook dat de andere houtsoorten die onder die (verzamel)benaming naar India worden verscheept daar verboden houtsoorten zijn althans die mogen daar niet geïmporteerd worden.

4.5 Het is daarom de vraag waarom deze werkwijze, met name het hanteren van de verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood” ook voor andere houtsoorten, al jaren wordt gehanteerd door de houtexporteurs maar ook door de Staat. Want na het e-mailbericht van 01 september 2020 (zie 4.4.) van de counterpart van NPPO Suriname in India, is die werkwijze van het naar India verschepen van diverse houtsoorten onder de verzamelterm “Mora wood” onverkort voortgezet en zijn er dus fytosanitaire certificaten onder die benaming aan houtexporteurs verstrekt.

4.6 Bijkans een jaar na voornoemde verduidelijking van NPPO India stuurt de Staat een brief aan de houtexporteurs en wel van 08 augustus 2023 ondertekend door de Waarnemend Directeur Landbouwkundig Onderzoek, Afzet en Verwerking. Daarin wordt vermeld dat LVV heeft besloten voor houtexporten naar India onder de naam ”Mora”, een graceperiode in te stellen en wel tot en met 31 oktober 2023. Daarmee bevestigt de Staat dat de houtexporten niet volgens de regels of officiële procedures plaatsvonden en meer nog, stelt hij een overgangsperiode in waarbij de houtexporteur tijdelijk worden ontzien en waarin de houtexportregels en/of sancties (nog) niet strikt zullen worden toegepast. Feit is dat in die graceperiode, de status-quo van het “niet volgens boekje” handelen van zowel de Staat als houtexporteurs mocht worden gecontinueerd en dus mochten in die periode, houtexporten doorgaan onder die voornoemde verzamelterm.

4.7 Echter bleek dat de overgangsperiode, die naar haar aard tijdelijk had moeten zijn, een permanent karakter kreeg. Dit kwam doordat houtexporten, op de hierboven geschetste wijze, onverminderd bleven plaatsvinden. De Staat heeft na het verstrijken van de graceperiode de gehanteerde werkwijze voortgezet, zonder daaraan paal en perk te stellen. Dit terwijl de in zijn schrijven van 8 augustus 2023 genoemde respijtperiode, juist bedoeld was om de houtbranche te reguleren en dus de gewraakte werkwijze te beëindigen.

De bevoegdheid van de Staat om ordening brengen

4.8 De voornoemde door de Staat en de houtexporteurs gehanteerde werkwijze verdient juridisch geen schoonheidsprijs nu blijkt dat al jaren houtexporten plaatsvonden onder de verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood” terwijl het schijnbaar (ook) om andere houtsoorten ging. Het is daarom volkomen begrijpelijk dat de Staat hierin ordening wilde brengen. De kantonrechter stelt voorop dat de Staat bevoegd is regelgeving te maken ter ordening van de houtsector. Deze bevoegdheid ontslaat de Staat echter niet van de plicht de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen.

Vertrouwensbeginsel

4.9 Bij schrijven van de Staat gedateerd 27 oktober 2025 aan Pinnacle Timber Products NV e.a. bericht de Staat de houtexporteurs dat de reeds geldende regels en procedures voor de export van hout en houtproducten strikt zullen worden nageleefd en gehandhaafd. Hij bericht verder dat deze bepalingen reeds van kracht waren maar dat in de praktijk bleek dat de uitvoering niet conform de vereisten plaatsvond. Vaststaat dat de Staat gedurende lange periode (zie 2.3.) actief fytosanitaire certificaten aan Pinnacle Timber Products NV e.a. heeft verstrekt onder de benaming ”Mora roundlogs”. Door deze consistente handelwijze heeft de Staat bij Pinnacle Timber Products NV e.a. het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hun exportactiviteiten op die wijze voortgang konden vinden dan wel dat ze net als eerder, een graceperiode zou hanteren. De abrupte beëindiging van deze werkwijze, zonder adequate overgangsregeling is daarmee in strijd met het vertrouwensbeginsel. Niet is gesteld of gebleken dat de Staat bij de abrupte beëindiging van de door beide partijen gehanteerde werkwijze, rekening heeft gehouden met reeds op dat moment gepleegde voorbereidingen door Pinnacle Timber Products NV e.a. in verband met de verscheping van het rondhout naar India, welke voorbereidingen mogelijk ruim vóór 27 oktober 2025 zijn gepleegd. Niet is gebleken dat de Staat zich er van heeft vergewist welke gevolgen (schade, contractbreuk etc.) een dergelijke abrupte beëindiging van de gehanteerde werkwijze, voor de houtexporteurs zou kunnen hebben. De maatregel leidt tot onevenredige gevolgen voor houtexporteurs met reeds lopende verplichtingen. De kantonrechter oordeelt dat een dergelijke abrupte beëindiging van een jarenlange bestendige praktijk zonder overgangsregeling niet als redelijk kan worden aangemerkt. 

Zorgvuldigheidsbeginsel

4.10 Niet is gebleken dat de Staat voorafgaand aan zijn besluit een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Niet is gebleken dat de relevante en legitieme belangen van houtexporteurs systematisch zijn geïnventariseerd, dat rekening is gehouden met lopende contracten en transporten of dat alternatieven zijn onderzocht (gefaseerde invoering, uitzonderingen, schadebeperking). Daarmee is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

Rechtszekerheidsbeginsel

4.11 Na een jarenlange bestendige praktijk mochten houtexporteurs van de Staat verwachten dat beleidswijzigingen tijdig aan hen kenbaar zou worden gemaakt en met een redelijke overgangstermijn zouden worden ingevoerd. Gezien de aard van internationale houtexport is dit nalaten van de Staat desastreus voor de houtexporteurs en ondermijnt de rechtszekerheid.

Evenredigheidsbeginsel

4.12 De abrupt door de Staat getroffen maatregel treft houtexporteurs met reeds onomkeerbare investeringen, maakt geen onderscheid tussen nieuwe en lopende transacties die al in volle gang zijn en leidt tot grote financiële schade. Pinnacle Timber Products NV e.a. heeft twee brieven beide gedateerd 29 december 2025 overgelegd. In die twee, niet door de Staat betwiste brieven, wordt door twee verschepers van de lading gemeld dat het fytosanitaire certificaat nodig is, afgegeven voor de houtsoort Mora, de verzamelnaam voor alle houtsoorten die worden gebruikt voor Surinaamse houtblokken die naar India worden geëxporteerd. De brieven vermelden verder:

Dit is al meer dan 15 jaar een gangbare praktijk in de houthandel tussen India en Suriname. Bij uitblijven van de voornoemde fytosanitaire certificaten zal door de Indiase autoriteiten geen toestemming worden gegeven om aan te meren of de lading te lossen. Zonder deze certificaten zal het schip voor onbepaalde tijd voor anker moeten blijven liggen. Dit zal leiden tot hoge demurragekosten (noot van de rechter: dit zijn kosten die in rekening worden gebracht wanneer een schip, langer dan afgesproken wordt opgehouden in een haven) van USD 16.500,- per dag die voor rekening zijn van de verlader. Indien niet binnen enkele dagen een reactie wordt ontvangen, zal de lading terug naar Suriname moeten worden gedeporteerd of in zee gedumpt. Het terugbrengen naar Suriname, kan resulteren in een vrachtprijs van ongeveer USD 200 per m³ of meer, aangezien het moeilijk is om schepen te vinden die naar het Caribisch gebied varen vanwege de huidige oorlogssituatie tussen de VS en Venezuela. Wij verzoeken u uw overheid te verzoeken om een ​​eenmalige vrijstelling voor de reeds geladen boomstammen op het schip. We kunnen alle toekomstige zendingen naar India stopzetten totdat we goedkeuring krijgen voor de nieuwe soort, conform het beleid van LVV Suriname.

De kantonrechter stelt vast dat Pinnacle Timber Products NV e.a. als rechtstreeks gevolg van het besluit aanzienlijke schade zullen lijden, welke schade het normale ondernemersrisico te boven gaat. Daarmee staat het middel (onmiddellijke stopzetting) niet in redelijke verhouding tot het doel (ordening van de houtsector).

Slotsom

4.12 Het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en kan in deze vorm geen stand houden. De kantonrechter zal daarom de Staat gelasten om binnen één (1) x 24 uur na betekening van dit vonnis, de vereiste fytosanitaire certificaten eenmalig af te geven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. voor alle reeds uitgevoerde en thans onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India, ter beperking van de door hen te lijden schade. Tevens dat deze certificaten, conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, moeten worden afgegeven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de benaming ”Mora roundlogs” dit alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- (een miljoen Surinaamse dollar) als in het dictum te melden.

De proceskosten

4.13 Gelet op de uitkomst van de procedure zal de Staat worden veroordeeld om aan Pinnacle Timber Products NV e.a. te betalen het bedrag van SRD 13.350,- aan proceskosten en gemachtigdensalaris (SRD 50,- aan vastrecht, SRD 5.800,- aan oproepingskosten en SRD 7.500,00 aan liquidatietarief bij korte gedingen).

  1.  De beslissing

5.1 gelast de Staat om binnen één (1) x 24 uur na betekening van dit vonnis, de vereiste fytosanitaire certificaten eenmalig af te geven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. voor alle reeds uitgevoerde en thans onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India, ter beperking van de door hen te lijden schade;

5.2 bepaalt dat deze certificaten, conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, worden afgegeven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de benaming ”Mora roundlogs”;

5.3 veroordeelt de Staat tot het betalen van een dwangsom van SRD 1.000.000,- (een miljoen Surinaamse dollar) per uur voor elke keer dat de Staat weigerachtig of nalatig is te voldoen aan het besliste onder 5.1. en 5.2.

5.4 veroordeelt de Staat om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Pinnacle Timber Products NV e.a. te betalen het bedrag van SRD 13.350,- (dertienduizend driehonderdvijftig Surinaamse dollar) aan proceskosten en gemachtigdensalaris uitgaande van het liquidatietarief bij korte gedingen;

5.5 verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

5.6 weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op woensdag 31 december 2025 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. R.M. Praag, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2025-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR NO. 202501387

10 juli 2025

 

Vonnis in de kort geding zaak van:

AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ BAITALI N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

eiseres,

hierna te noemen: “Baitali”

gemachtigde: mr. G.N. Best, advocaat,

 

tegen

 

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN OPENBARE WERKEN, 

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, 

zetelende te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: “de Staat”,

gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist verbonden aan het Bureau ‘sLandsadvocaten,

  1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 07 april 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de akte eiswijzing;
  • de conclusie van dupliek;
  • de uitlating eiswijzing.

1.2 De datum voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

  1. De feiten 

2.1 De Staat heeft in oktober 2024 bekend gemaakt dat hij van plan is een openbare aanbesteding te houden voor het aanleggen van nieuwe wegen aan de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat te Paramaribo, die hij gaat financieren uit een lening.

2.2 Ingevolge de geldleenovereenkomst van Improving Logistics and Competitiveness in Suriname is de Staat met de Inter-American Development Bank (hierna IDB) overeengekomen dat bij de aanbestedingsprocedures de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank (IDB) GN 2349-15 (May 2019) wordt gevolgd. 

2.3 De toepasselijke regels van de IDB inzake openbare aanbesteding van het werk zijn deels vervat in het Bidding Document for the Procurement of Works, die naast regels over de openbare aanbesteding, ook regels bevat over het bestek en de aannemingsovereenkomst die de Staat zal aangaan met de inschrijver aan wie het werk zal worden gegund. De regels betreffende aanbesteding waaraan de Staat als aanbesteder en de inschrijvers zich moeten houden, zijn vervat in The Instruction to Bidders (hierna ITB).

2.4 Baitali heeft zich ingeschreven op de openbare aanbesteding.

2.5 In ITB 27.1 staat onder meer:

“To assist in the examination, evaluation, and comparison of the bids, and qualification of the Bidders, the Employer may, at its discretion, ask any Bidder for a clarification of its bid. Any clarification submitted by a Bidder in respect to its bid that is not in response to a request by the Employer shall not be considered. The Employer’s request for clarification and the response shall be in writing. No change in the prices or substance of the bid shall be sought, offered, or permitted, except to confirm the correction of arithmetic errors discovered by the Employer in the evaluation of the bids, in accordance with ITB 31.”

2.6 In 28.1 van de ITB staat onder meer:

During the evaluation of the bids, the following definitions apply:

(…)

(c) “Omissions” is the failure to submit part or all the information or documentation required in the bidding document.”

2.7 In ITB 29.2 staat onder meer:

“If a bid is not substantially responsive to the bidding document, it shall be rejected by the Employer and may not subsequently be made responsive by correction of the material deviaition, reservation, or omission.”

2.8 In ITB 29.4 en 30.1 staat onder meer:

“A substantially responsive bid is one that conforms to all the terms, conditions, and specifications of the bidding document without a material deviation, reservation, or omission. A material deviation, reservation, or omission is one that: 

Provided that a bid is substantially responsive, the Employer may waive any nonconformities in the bid that do not constitute a material deviation, reservation or omission.”

2.9 In ITB 30.2 staat onder meer:

“Provided that a bid is substantially responsive, the Employer may request that the Bidder submit the necessary information or documentation, within a reasonable period of time, to rectify nonmaterial nonconformities in the bid related to documentation requirements. Requesting information or documentation on such nonconformities shall not be related to any aspect of the price of the bid. Failure of the Bidder to comply with the request may result in the rejection of its bid.”

2.10 In ITB 35.1 staat onder meer:

“The Employer shall use the criteria and methodologies listed in this instruction. No other evaluation criteria or methodologies shall be permitted.”

2.11 In ITB 42.1 staat onder meer dat de aanbesteder het werk alleen mag gunnen aan een inschrijver nadat de standstill period is verstreken die 10 werkdagen duurt. Op grond van ITB 46 kan deze periode worden verlengd.

2.12 Op grond van ITB 43.1 is de aanbesteder verplicht aan iedere inschrijver een Notification of Intention to Award the Contract te sturen, die onder andere dient te bevatten een verklaring van de redenen waarom de inschrijver niet in aanmerking komt voor gunning van het werk, tenzij de reden is gelegen in de hoogte van de prijs, en instructies over de wijze waarop om een debriefing kan worden verzocht en/of een bezwaarschrift kan worden ingediend gedurende de standstill period

2.13 In ITB 44.1 staat onder meer:

“Subject to ITB 41, the Employer shall award the Contract to the Bidder offering the Most Advantageous Bid. The Most Advantageous Bid is the Bid of the Bidder that meets the qualification criteria and whose Bid has been determined to be:

  • substantially responsive to the bidding document; and
  • the lowest evaluated cost.”

2.14 In ITB 46.1 staat onder meer dat de afgewezen inschrijver het recht heeft om de aanbesteder binnen 3 werkdagen na het bericht van voornemen tot gunning te verzoeken om een debriefing. De debriefing kan zowel schriftelijk als mondeling geschieden.

2.15 In ITB 46.2 staat onder meer dat de aanbesteder verplicht is iedere afgewezen inschrijver die binnen de termijn daarom verzoekt de debriefing binnen vijf dagen te geven, tenzij de aanbesteder beslist de debriefing buiten de termijn van vijf werkdagen te geven, in welk geval de standstill period automatisch wordt verlengd tot vijf dagen, nadat de debriefing is gegeven. Ingeval van verlenging van de standstill period is de aanbesteder verplicht dit per ommegaande aan alle inschrijvers mee te delen.

2.16 Artikel 2.80 van de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank bepaalt dat, indien de aanbesteder gedurende de standstill period een bezwaarschrift ontvangt, hij niet mag overgaan tot het gunnen van het werk, zolang niet op het bezwaarschrift is beslist.

2.17 In de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 staat dat inschrijvers die voornemens zijn meer dan 10% van het werk uit te besteden aan onderaannemers, in hun Letter of Bid moeten aangeven welke onderdelen van hun werk zullen worden uitbesteed, aan welke onderaannemers en wat hun kwalificaties en ervaring is.

2.18 In paragraaf 2.5 van de in de Bidding document opgenomen Evaluation and Qualification criteria is opgenomen dat de projectmanager minimaal 15 jaar werkervaring moet hebben, terwijl de site manager over minimaal 10 jaar werkervaring moet beschikken.

2.19 Op grond van 3.1 sub (iii) van de Eligibility and Qualification Criteria is vereist dat inschrijvers aantonen dat zij over de laatste vijf jaren, te weten van 2017 tot en met 2023, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021 waarin er sprake was van de covidpandemie, een minimale gemiddelde jaaromzet uit aannemingswerk hebben behaald van USD 12.900.000,-. Blijkens de submission requirement behorende bij dit artikel moeten de inschrijvers aantonen hieraan te voldoen door het invullen van een formulier met de aanduiding Form FIN-3.2. Baitali heeft dit formulier ingevuld.

2.20 Krachtens het formulier Form AR Anticipated Risk moet de inschrijver een risicoregister indienen van de voorzienbare risico’s gedurende de uitvoering van de overeenkomst. Ieder risico moet bevatten: een beschrijving van het risico, een inschatting van de mogelijke invloed van het risico op gezondheid en veiligheid, milieu, kosten, het programma en een risicobeheersingsstrategie.

2.21 Baitalie heeft de laagste prijs aangeboden van alle inschrijvers die hebben meegedaan aan de openbare aanbesteding, namelijk USD 19.323.391,33. De inschrijver aan wie de Staat het werk wil gunnen heeft de vierde laagste prijs, zijnde USD 22.711.967,35. 

2.22 De Staat heeft Baitali op 12 maart 2025 bericht dat haar inschrijving is afgewezen en dat hij voornemens is het werk te gunnen aan een andere inschrijver. Als reden voor de afwijzing heeft de Staat aangegeven dat de inschrijving van Baitali non responsive is. Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat onder meer aangevoerd dat:

(a) de inschrijving niet voldoet aan de financiële kwalificatiecriteria, zoals vermeld in Section III van de Bidding Documents for the Procurement of Works

(b) uit de inschrijving van Baitali zou blijken dat zij 11,63% van het werk wil uitbesteden aan onderaannemers, terwijl Baitali, in strijd met ITB 34.2, geen aanvullende informatie daarover in haar Letter of Bid heeft vermeld; 

(c) het risicoregister van Baitali niet-toegestane risico’s vermeldt, te weten financiële risico’s van de inschrijver die geen projectrisico’s zijn; 

(d) de voorstelde projectmanager en sitemanager niet zouden voldoen aan de eisen met betrekking tot werkervaring;

(e) de Work Method Statement van Baitali niet voldoet aan de toepasselijke technische specificaties.

2.23 De Staat heeft Baitali in het in 2.22 genoemde schrijven erop gewezen dat zij gedurende de standstill period het recht heeft tot uiterlijk 27 maart 2025 een debriefing aan te vragen oftewel een bezwaarschrift in te dienen tegen het voornemen om het werk aan een ander te gunnen.

2.24 Op 12 maart 2025 heeft Baitali de Staat verzocht om een mondelinge debriefing. In reactie hierop heeft de Staat Baitali bij schrijven van 17 maart 2025 geïnformeerd dat de debriefing schriftelijk zal geschieden. Op 19 maart 2025 heeft de Staat Baitali een schriftelijke debriefing gestuurd, die erop neerkomt dat:

(a) het uitbesteed werk niet is gespecificeerd;

(b) de sitemanager en projectmanager onvoldoende ervaring hebben;

(c) de Work Method Statement niet aan de technische specificaties voldoet;

(d) de jaarrekeningen niet zijn gecontroleerd;

(e) de jaaromzet van het aannemingswerk niet is aangetoond;

(f) het registerrisico niet aan de vereisten voldoet.

2.25 Op 25 maart 2025 heeft Baitali een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van haar inschrijving. De Staat heeft op 27 maart 2025 op het bezwaarschrift van Baitali beslist en onder meer dezelfde punten als in 2.22 en 2.24 aangevoerd waarom Baitali, alhoewel zij het laagste bod heeft gedaan, niet in aanmerking komt.

2.26 Bij brief van 27 maart 2025 heeft Baitali, op grond van paragraph 2.82 and Apendix III, Numeral 15 of the IDB Procurement Framework (GN-2349-15) de Staat te kennen gegeven een bijeenkomst met de IDB te willen. Aangezien dit geen nieuwe klacht is, heeft de IDB de Staat aangegeven dat de standstill period per 27 maart 2025 is verstreken en dat de Staat de Letter of Acceptance mag uitschrijven en versturen naar de in aanmerking komende bieder.

2.27 Baitali heeft notulen van 28 juni 2024 overgelegd waarin onder meer staat:

“ (…)

  1. Voorstel Directie inzake oplevering jaarrekening 2023

In de vergadering heeft de directie van AMB aangegeven dat door bijzondere omstandigheden met betrekking tot het doorvoeren van de functionele valutawijziging ingaande 1 januari 2023 alsook de werkzaamheden met betrekking tot de IFRS transitie, voor vertraging zorgt bij de afronding van de jaarrekening over de periode 2023. Volgens de wet op de jaarrekening moet de jaarrekening van 2023 per 1 juli 2024 beschikbaar zijn. De directie vraagt hierbij goedkeuring voor verlenging van de oplevertermijn van de jaarrekening.

  1. Goedkeuring van het Directievoorstel m.b.t. oplevering jaarrekening 2023. 

De AvA heeft notitie genomen van de aangehaalde punten en verleent toestemming om de oplevertermijn met 6 maanden te verlengen.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Baitali vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

A. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt;

B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden.

C. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

SUBSIDIAIR

D. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst op schort, totdat de Staat het werk aan hem heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

E. De Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR

F. Bij wege van onmiddellijke voorziening, de Staat bij uw aanvullende oproepbeschikking verbiedt de aanbestedingsprocedure voort te zetten of het werk te gunnen of met betrekking tot dat werk een aannemingsovereenkomst aan te gaan dan wel de Staat beveelt iedere uitvoering van een aannemingsovereenkomst met betrekking tot dat werk te staken, totdat de kantonrechter vonnis zal hebben gewezen in onderhavige rechtszaak;

G. De Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die hij aan haar zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder de punten A. tot met F. van het petitum gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod;

H. De Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Baitali legt aan haar vordering ten grondslag dat de Staat haar inschrijving in zijn Notification of Intention to Award en Debriefing onterecht als non-responsive heeft aangemerkt. Volgens haar wordt die term in de ITB’s uitsluitend gebruikt in geval de geldigheidsperiode korter is dan vereist en indien de inschrijving niet gepaard is gegaan met een toepasselijke garantieverklaring. Buiten deze twee gevallen om wordt deze term niet in de aanbestedingsdocumenten gebruikt, zodat de afwijzing door de Staat in strijd is met artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank. Naar Baitali betoogt blijkt niet uit de Notification of Intention to Award noch de debriefing dat de Staat de toepasselijke standaard uit artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank en ITB 29.2 heeft gebruikt om haar inschrijving te beoordelen en af te wijzen. De Staat heeft ook niet in de Notification of Intention to Award noch de debriefing melding van gemaakt dat de door hem geconstateerde afwijkingen in haar inschrijving materiële afwijkingen zijn in de zin van ITB 29.4, zodat de Notifiction of Intention to Award behalve in strijd met artikel 2.55 van de Policies of Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank ook in strijd met ITB 29 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel. Door de toepassing van een verkeerde maatstaf bij de beoordeling van haar inschrijving, is de Notifiction of Intention Award ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Gelet op het feit dat haar bod lager is dan het bod van de inschrijver aan wie de Staat het werk wil gunnen, is het niet logisch dat de Staat geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden van ITB 27.1 en 30.2 om haar een nadere toelichting te vragen dan wel haar in de gelegenheid heeft gesteld om de niet-materiële non-conformiteiten binnen een redelijke termijn te rectificeren, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met value for money ex artikel 1.4(a) van de General Consideration and Core Procurement Principles. In de beslissing op het bezwaarschrift heeft de Staat niet uitgelegd waarom de door hem geconstateerde non-conformiteiten materiële afwijkingen zijn zoals bedoeld in ITB 29.4, zodat het bezwaarschrift ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het motiveringsbeginsel. De Staat verwijst volgens Bailtali wat het te besteden werk betreft naar ITB 34.2. In de toelichting daarop in de nota van toelichtingen verwijst de Staat naar ITB 35.2, zijnde een bepaling die niets van doen heeft met de verplichting tot het geven van een nadere specificatie indien meer dan 10% van het werk zal worden uitbesteed. De Staat is niet ingegaan op het feit dat in de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 staat vermeld wat moet worden verstaan onder total volume of works, namelijk total contract amount. Het totaalbedrag van uitbesteed werk moet worden gedeeld door het bedrag waarvoor zij zich op de aanbesteding heeft ingeschreven. De Staat heeft in stede hiervan het totaalbedrag van uitbesteed werk door een lager bedrag gedeeld, waardoor het percentage van uitbesteed werk hoger is uitgevallen.  Het door haar uit te besteden werk bedraagt 5.2%, zodat de nadere toelichting van de Bid Data Sheet, niet op haar van toepassing is. Verder blijkt nergens uit paragraaf 2.5 van de in het Bidding document opgenomen Evaluation and Qualification Criteria dat de werkervaring van de sitemanager vooral on-site moet zijn en dat die van de projectmanager vooral uit ervaring met urban road works zou moeten bestaan. Door aanvullende of nadere voorwaarden te stellen en haar inschrijving op basis daarvan af te wijzen, terwijl die niet worden genoemd in de Evaluation and Qualification Criteria, maakt de Staat zich schuldig aan willekeur en heeft hij in strijd met het motiveringsbeginsel gehandeld. In de Technical Specifications is als vereiste gesteld dat bij alle culvert and pipe bedding areas moet worden voldaan aan een compactiegehalte van 95%, hetgeen zij heeft erkend en geïncorporeerd. Voor de components of initial backfill worden geen expliciete compactiegehalte gehanteerd en zij heeft ten aanzien hiervan in haar Work Method Statement een minimaal compactiegehalte van 90% voorgesteld. Het standpunt van de Staat dat er sprake is van 90% compactie above and at pipe levels, waardoor niet aan de gestelde technische vereisten is voldaan, is ondeugdelijke gemotiveerd. Wat betreft de jaarrekeningen stelt de Staat zich op het standpunt dat die van 2017, 2018 en 2023 niet zijn gecontroleerd. De Staat erkent wel dat hij bij de eerste aanbesteding van het jaar 2022 door IDB gefinancierde aanbesteding in het kader van hetzelfde ITLCS-project dezelfde jaarrekeningen van 2017 en 2018 heeft geaccepteerd. De jaarrekening van het laatste afgesloten boekjaar had zij voorafgaand aan de aanbesteding niet overgelegd en desondanks heeft de Staat het werk toen aan haar gegund. In de prekwalificatie voor het werk in oktober 2022 had zij de jaarrekeningen over de boekjaren 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 overgelegd. Ook bij deze aanbestedingsprocedure had zij de jaarrekening over het boekjaar 2021 niet overgelegd. Ook in dit geval had de Staat haar jaarrekeningen geaccepteerd en is hij in de prekwalificatieronde gekomen. De Staat stelt zich thans op het standpunt dat hij bij onderhavige aanbesteding niet langer genoegen neemt met dezelfde jaarrekeningen, maar een strengere uitleg geeft, omdat Baitali bij de uitvoering van het eerdere aan haar gegunde werk als gevolg van het uitblijven van de betaling zich beriep op haar opschortingsrecht. Hiermee erkent de Staat dat hij artikel 3.1 Eligibility and Qualification Criteria strenger heeft uitgelegd dan bij een eerdere aanbesteding, terwijl deze strengere uitleg niet vooraf is bekend gemaakt. Deze handelswijze is in strijd met het verbod van willekeur en het rechtszekerheidsbeginsel; de Staat had immers dezelfde jaarrekeningen geaccepteerd en zij mocht erop vertrouwen dat de Staat dezelfde interpretatie zou geven aan artikel 3.1 Eligibility and Qualification Criteria. Alhoewel de jaarrekeningen over de boekjaren 2017 en 2018 van de voetnoot “unaudited” zijn voorzien, heeft de accountant een samenstellingsverklaring gegeven zoals ook het geval is bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2019,2020,2021 en 2022, die wel zijn geaccepteerd. Door te stellen dat de jaarrekeningen over het boekjaar 2017 en 2018 niet door een accountant zijn gecontroleerd, miskent de Staat daarnaast dat de verplichting tot het uitvoeren van een accountantscontrole op grond van artikel 24 lid 3 Wet op de jaarrekening pas na een periode van twee jaar moest worden voldaan vanaf de inwerking, te weten 06 oktober 2017. De wettelijke verplichting gold dus pas vanaf 06 oktober 2019, waardoor deze pas over het jaar 2020 moest worden toegepast, zodat de jaarrekeningen niet gecontroleerd hoefden te worden. De Staat is niet ingegaan op haar standpunt dat in het kader van hetzelfde project bij eerdere aanbestedingen het artikel zodanig was uitgelegd dat het niet verplicht was om de jaarrekening over te leggen over het laatste afgesloten boekjaar, zodat er sprake is van willekeur en de Staat in strijd heeft gehandeld met het motiveringsbeginsel. Met betrekking tot de gemiddelde jaaromzet heeft de Staat de vraag of zij, Baitali, aan 3.2 van de Eligibility and Qualification Criteria voldoet, ten onrechte beantwoord aan de hand van de overgelegde jaarrekeningen, terwijl hieraan moest worden voldaan door het invullen van een formulier met de aanduiding Form Fin -3.2, hetgeen zij ook heeft gedaan. Het is niet mogelijk de omzet te beoordelen aan de hand van jaarrekeningen, daar uit een jaarrekening de verschillende bronnen van omzet niet blijkt. Op haar bezwaar hiertegen heeft de Staat simpelweg verwezen naar twee screenshots, waarvan een niets van doen heeft met de gemiddelde jaaromzet van aannemingswerk, maar met de te overleggen jaarrekeningen. De beslissing van de Staat op dit punt bevat geen enkele andere onderbouwing, zodat het bezwaarschrift ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het motiveringsbeginsel. De Staat is ten slotte niet ingegaan op haar argumenten dat de in het risicoregister vermelde financiële risico’s daarin vermeld hadden mogen worden, daar zij vallen binnen de reikwijdte van risico’s die een invloed kunnen hebben op de in het formulier met de aanduiding Form AR Anticipated Risks genoemde kosten en het programma. Volgens haar had de Staat ook niet aangegeven dat sommige risico’s niet in het register opgenomen hadden mogen worden, zodat de Staat bij de beoordeling dit niet als nadere eis mag stellen. Op grond hiervan handelt de Staat in strijd met het verbod van willekeur en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De beslissing op het bezwaarschrift is op grond van al het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met het motiveringsbeginsel. De Notifiction of Intention to Award is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids-, en het motiveringsbeginsel, zodat de Staat een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, waardoor zij schade lijdt bestaande uit het mislopen van de omzet en winst die zij zou behalen indien het werk aan haar was gegund. 

3.3 De Staat heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het bij aanbestedingen niet zonder meer is dat de laagste bieder de gunning krijgt. Ingevolge ITB 44.1 moet de gunning worden toegekend aan de inschrijver met het meest voordelige bod. Voorts dat de in 2.22 ontvangen brief geen nieuwe complaint was, waardoor de IDB aangaf dat de stanstill period per 27 maart is verlopen, zodat hij de Letter of acceptance mocht uitschrijven en versturen naar the first ranked company. De verwijzing van Baitali naar de Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN2350-15) is niet correct aangezien het in dit geval een aanbesteding van werken betreft. Door publicatie van de documenten in de media heeft Baitali de principles of integrity van de Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN2350-15) geschonden. Volgens hem heeft hij nimmer in de brieven aangegeven dat het bod van Baitali niet aan ITB 29.4 voldoet; de evaluatie van de aanbieding heeft conform ITB 135 Evaluation of Bids plaatsgevonden. Artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank en ITB 29 zijn niet de reden waarom de inschrijving van Baitali substantially not-responsive is bevonden. Met betrekking tot de stelling van Baitali dat hij, de Staat, nagelaten heeft haar in de gelegenheid te stellen om opheldering te verschaffen en afwijkingen te herstellen voert hij aan dat het de taak is van de inschrijver om ervoor zorg te dragen dat de inschrijving compleet is. Het is een recht van hem als aanbesteder om opheldering te vragen indien zij dat nodig acht en dat heeft niet plaatsgevonden, omdat er geen reden daartoe was. Bovendien zou de aangehaalde niet-materiële non-conformiteiten onder de noemer van omissions vallen, die op grond van ITB 29.2b niet zijn toegestaan. De verwijzing van Baitali naar 1.4 van de General Considerations and Core Procurement Principles is niet correct, aangezien die clausule betrekking heeft op Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN 2350-15). Waarnaar verwezen moet worden is clausule 1.2. Policies for the Procurement of Goods and Works financed by the Inter- American Development Bank (IDB) GN 2349-15. Wat het percentage van het uit te besteden werk betreft heeft hij gewerkt met informatie zoals die is aangeboden. Met betrekking tot the work method verdedigt hij zich met de stelling dat in de technische specificatie van het aanbestedingsdossier is opgenomen dat alle compactie boven 95% dient te zijn. In de Work Method Statement van Baitali is aangegeven dat er een minimum compactie van 90% wordt toegepast. Conform de Technische Specificatie wordt elke compactie onder 95% afgewezen. Wat betreft de stelling dat de Staat de jaarrekeningen van 2017 en 2018 in een ander project had geaccepteerd en dat de Staat thans een andere interpretatie geeft aan de Eligibility and Qualification Criteria voert de Staat aan dat de inschrijving van Baitali bij de aanbesteding voor de bouw van de brug aan de van ’t Hogerhuysstraat substantially non-responsive is verklaard op basis van het feit dat de letter of bid incompleet was, zodat de financiële evaluatie niet had plaatsgevonden. De accountant heeft verder in zijn Practioner Compilation report duidelijk aangegeven dat hij geen audit heeft uitgevoerd, zodat de stelling van Baitali dat de accountant een samenstellingsverklaring heeft gegeven, niet op gaat. Vanwege de omvang en complexiteit van onderhavige aanbesteding en de geannuleerde aanbesteding heeft de IDB de instructies gegeven om niet af te wijken van de financiële controle van de jaarrekeningen (audited financial statements). Dit zijn geen nieuwe eisen; zij zijn vervat in form Fin 3.1, die nodig is voor de evaluatie van de financiële bid zoals vervat in Eligibility and Qualification Criteria. De criteria zijn enkel aangescherpt, waarbij de hoogte van de cashflow en de annual turnover zijn verhoogd, gelet op de omvang en complexiteit van het werk. Met betrekking tot het boekjaar 2023, zou conform de wet op jaarrekening de jaarrekening binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar moeten worden opgemaakt. Aan de aanbieding van Baitali is een engagement letter toegevoegd daterende 6 december 2024, afgetekend op 9 december 2024 door Baitali, zijnde een dag voor de dag van de inschrijving voor de aanbesteding. De informatie verschaft door Baitali in Form Fin 3.2 moet getoetst worden op waarheid en correctheid en zulks kan enkel geschieden op basis van informatie verschaft in gecontroleerde jaarrekeningen. De informatie regarderende annual construction turnover bij Baitali heeft hij niet kunnen traceren. Baitali geeft zelf aan dat haar inkomsten uit verschillende bronnen komt en dat het aannemingswerk niet te onderscheiden is. Hierdoor heeft hij de controle niet kunnen uitvoeren. De Staat betwist dat er andere criteria dan in de Bidding document is vervat zijn toegepast. Naar aanleiding van het afgelaste aanbestedingsproces heeft de IDB besloten om geen afwijking meer toe te staan bij het evalueren van de eisen die gesteld worden aan onder andere financiële aanbiedingen. Volgens hem zijn de evaluatiecriteria ongewijzigd gebleven en de jaarrekeningen moeten conform de instructies ingediend worden. Hij betwist dat er sprake is van willekeur. Hij heeft nimmer aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. In de debriefing is aangegeven dat de door Baitali genoemde risico’s betrekking hebben op de aannemer en niet project gerelateerd zijn. De aanbestedingsprocedure van de IDB is gevolgd en hij heeft voor alle stappen de goedkeuring van de IDB ontvangen. De Notification of Intention to Award is pas na verkregen toestemming van de IDB verstuurd. Het onethisch gedrag van Baitali blijkt uit haar stelling dat zij informeel van derden heeft vernomen dat een inschrijver de Letter of Acceptance heeft ontvangen. De Staat betwist ten slotte dat Baitali schade heeft geleden.

In het incident

3.4 Baitali heeft bij akte eiswijziging verzocht haar eis te wijzigen, in dier voege dat het petitum thans komt te luiden: dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

A. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt dan wel de Staat beveelt de Notification of Intention to Award, het besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance in te trekken;

B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden;

C. de Staat beveelt het werk aan hem te gunnen;

D. de Staat beveelt om, terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst en de gunning van het werk aan hem terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

SUBSIDIAIR

E. de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst opschort, totdat het Ministerie van Openbare Werken het werk aan Baitali heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de materiële aanbestedingsregels van de IDB en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

F. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR

G. de Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die de Staat aan haar zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder de punten A. tot met F. van het petitum gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod.

H. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

3.5 Baitali heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de Staat niet bij de debriefing noch bij de beslissing op het bezwaarschrift en het antwoord heeft kunnen aangegeven op welke inhoudelijke gronden haar inschrijving niet de most advantageous bid is, zodat het werk op grond van de aanbestedingsregels aan hem moet worden gegund.

3.6 De Staat heeft, zakelijk weergegeven, als verweer aangevoerd dat toewijzing van de gewijzigde eis zal inhouden dat de inschrijving van Baitali aangevuld dan wel een wijziging moet ondergaan, hetgeen in strijd is met het transparantiebeginsel.

3.7 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

  1. De beoordeling

Vooraf

4.1 Per 1 mei 2025 is het nieuwe Burgerlijk Wetboek ingevoerd. Uit artikel 2 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Overgangswet) volgt dat de nieuwe wet van het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing is, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door haar voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de Overgangswet iets anders voortvloeit. In grote lijnen betekent dit dat onmiddellijke werking het uitgangspunt is, met eerbiediging van nader bepaalde rechten en overige bepalingen. Waar nodig zal hierna op het toepasselijk recht nader worden ingegaan.

4.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van Baitali en het door haar gevorderde.

In het incident

4.3 Ingevolge artikel 109 van het oud Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een eiswijziging tot de afloop van de zaak mogelijk, mits daardoor het onderwerp van de eis niet verandert of vermeerdert. Nu het onderwerp van de eis niet verandert en de Staat niet in zijn verdediging is geschaad, zal de eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder 3.1 zal komen te luiden zoals onder 3.4 van dit vonnis. 

Het verzoek van Baitali om mondelinge behandeling

4.4 Nadat de Staat zijn conclusie van dupliek heeft genomen, heeft Baitali bij schrijven gedateerd 24 april 2025 aan de kantonrechter verzocht om de zaak ex artikel 117 Rv mondeling te bepleiten. De Staat heeft zich verzet tegen dit verzoek, aanvoerende dat artikel 117 Rv betrekking heeft op het moment van de eerste behandeling van de zaak, waarbij na afroeping tot mondelinge behandeling wordt overgegaan. Volgens de Staat hanteert ons rechtssysteem het proces van uitwisseling van conclusies, hetgeen reeds heeft plaatsgevonden en aldus partijen zijn uitgeprocedeerd. De Staat betoogt voorts, dat voor zover Baitali om valide en gegronde redenen het nodig acht om de zaak mondeling te behandelen, daartoe de mogelijkheid wordt geboden in artikel 114 Rv. Nu partijen reeds zijn uitgeprocedeerd en de Staat diepgaand is ingegaan op de vordering en de standpunten kenbaar zijn gemaakt, ziet hij geen reden om in deze fase een mondelinge behandeling te doen plaatsvinden. Bovendien, zo stelt de Staat, is Baitali tardief met haar verzoek, welke ingevolge artikel 114 Rv bij de eerste behandeling al had moeten plaatsvinden. 

4.5 Artikel 117 luidt als volgt:

“De behandeling van de zaak geschiedt mondeling ter terechtzitting, onverminderd de bevoegdheid van partijen om aldaar door hen of hun gemachtigden dan wel raadslieden ondertekende schrifturen in te dienen. Deze schrifturen worden evenals de vordering en het antwoord, indien het schriftelijk is ingediend, ter terechtzitting voorgelezen.”

De kantonrechter overweegt dat bij aanvang van onderhavige zaak bij aanvullende beschikking een afconcludeerschema is bepaald zoals gebruikelijk is in de kortgeding procedure. Conform dit schema heeft ook de conclusiewisseling van partijen plaatsgevonden. Nu in onderhavige zaak de behandeling reeds schriftelijk heeft plaatsgevonden, is er op grond van voormeld artikel geen ruimte meer voor een mondelinge behandeling. De wens van Baitali om de zaak mondeling te behandelen diende zij reeds bij aanvang van de procedure kenbaar te maken. Haar verzoek is derhalve tardief en zal daarom niet worden ingewilligd. 

In de hoofdzaak

4.6 Voorop wordt gesteld dat op de aanbestedingsprocedure de regels van de IDB, waaronder de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank (IDB) GN 2349-15 van toepassing zijn. De kantonrechter is echter van oordeel dat het voorgaande niet wegneemt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn, daar die immers voor elk overheidshandelen c.q. besluit gelden. Indien en voorzover de Staat met de betwisting dat de notification of intention to award een bestuursbesluit is en zijn stelling dat voor de aanbestedingsprocedure de aanbestedingsregels van de IDB van toepassing zijn zich erop beoogt te beroepen dat enkel en alleen de aanbestedingsregels van toepassing zijn, wordt dat verweer verworpen. 

4.7 De kantonrechter constateert dat de Staat de inschrijving van Baitali als substantially not responsive heeft beoordeeld op grond van het volgende:

  1. het uit te besteden werk is niet gespecificeerd;
  2. onvoldoende werkervaring van zowel de site- als de projectmanager;
  3. de work method statement voldoet niet aan de technische specificaties;
  4. jaarrekening niet gecontroleerd;
  5. de jaaromzet is niet aangetoond;
  6. het risicoregister voldoet niet aan de vereisten.

In het hierna volgende zal op elk van de hierboven genoemde afwijzingsgronden worden ingegaan.

Het uit te besteden werk is niet gespecificeerd 

4.8 Tussen partijen staat vast dat de inschrijver die voornemens is meer dan 10% van het werk uit te besteden aan onderaannemers conform de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2, in de Letter of Bid moet aangeven welke onderdelen van het werk zullen worden uitbesteed, aan welke onderaannemers en wat hun kwalificaties en ervaring is. Ook staat tussen partijen vast dat Baitali hieraan niet heeft voldaan, daar zij naar zij betoogt voornemens is slechts 5.20% van het werk uit te besteden. De Staat stelt zich daarentegen op het standpunt dat Baitali 11,63% van het werk wil uitbesteden, zodat Baitali niet aan de vereisten heeft voldaan. Bij conclusie van antwoord heeft de Staat ten aanzien van de berekening van het percentage aangevoerd dat hij heeft gewerkt met de informatie die Baitalie heeft verstrekt. Bij conclusie van dupliek verdedigt de Staat zich met de stelling dat Baitali niet in de intended suncontractors table noch de staat van hoeveelheden een onderscheid heeft gemaakt in de onderdelen van de intelligent trafic system die door Swarco en Baitali zouden worden uitgevoerd. Volgens de Staat heeft de evaluatiecommissie op basis van de aanbieding haar evaluatie uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat de Swarco de ITS in zijn volledigheid zou uitvoeren. Naar de Staat betoogt zou de evaluatiecommissie, indien er onduidelijkheid zou zijn opheldering daarvan hebben gevraagd. Op basis van de door Baitali ingediende documenten bestond er volgens de Staat geen twijfel over de informatie ten aanzien van Swarco. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. 

4.9 De Staat heeft de stelling van Baitali dat hij, de Staat, bedragen bij de berekening heeft betrokken die niet zien op uit te besteden werk, waardoor de Staat rekenfouten heeft gemaakt en op een hoger percentage is uitgekomen, niet weersproken. Uit de stelling van de Staat dat Baitali geen onderscheid heeft gemaakt in de onderdelen van de intelligent trafic system die door Swarco en Baitali zouden worden uitgevoerd leidt de kantonrechter af dat het voor de Staat niet duidelijk was welke werkzaamheden door Swarco zou worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter had het dan ook op de weg van de Staat gelegen, zoals de Staat zelf betoogt, om Bailtali op grond van ITB 30.2 duidelijkheid hierover te vragen in plaats van zelf een conclusie te trekken. Bovendien heeft de Staat dit verweer pas bij conclusie van dupliek gevoerd, waardoor Baitali bij die stand van het geding hierop niet heeft kunnen reageren. Hieruit volgt dat Baitali naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat van verkeerde bedragen is uitgegaan bij de berekening van het percentage uit te besteden werk. Dit brengt mee dat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van het percentage uit te besteden werk van 5,20%, zodat de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 niet op Baitali van toepassing is. 

Onvoldoende werkervaring van zowel de site- als de projectmanager

4.10 Tussen partijen staat vast dat in paragraaf 2.5 van de in de Bidding document Evaluation and Qualification de criteria zijn opgenomen waaraan de projectmanager en de site manager moeten voldoen. De Staat is niet ingegaan op de stelling van Baitali dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de werkervaring van de projectmanager niet alleen zou mogen bestaan uit desk job exeprience en die van de sitemanager vooral zou moeten bestaan uit ervaring met urban road works. Bij conclusie van dupliek heeft de Staat slechts aangevoerd dat Baitali zowel in de Notification of Intention to Award, de debriefing en de reactie op het bezwaarschrift omstandig is geïnformeerd over de gronden van de afwijzing. De Staat laat na uit te leggen wat de omstandige informatie inhoudt. Hieruit volgt dat de Staat de stellingen van Baitali niet gemotiveerd heeft weersproken. Nu de Staat de stellingen van Baitali niet gemotiveerd heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van Baitali, zodat hieruit de conclusie volgt dat de Staat in strijd met ITB 35.1 en ITB 35.2 heeft gehandeld door andere criteria te hanteren die niet genoemd zijn in de Evaluation and Qualifiction Criteria.

De work method statement voldoet niet aan de technische specificaties

4.11 Tussen partijen is niet in geschil dat er aan een compactiegehalte van 95% voor de bedding layer moet worden voldaan. De Staat voert ten aanzien hiervan aan dat Baitali in haar work method statement aangeeft dat haar compactiegehalte minimaal 90% is terwijl de technische specificatie aangeeft dat elk compactiegehalte beneden 95% onherroepelijk wordt afgewezen. Bij conclusie van repliek betoogt Baitali dat zij in de work method statement het compactiegehalte van 90% als technische aanbeveling heeft gepresenteerd voor een specifieke backfill zone. Bovendien was die aanbeveling volgens Baitali niet bindend en kon na gunning worden voorgelegd aan de directievoering ter goedkeuring of aanpassing. Naar Baitali betoogt konden eventuele onduidelijkheden met een verzoek om opheldering worden weggenomen of, voorzover sprake zou zijn van een non-conformiteit zou die kunnen worden hersteld, nu het een niet-materiële afwijking betreft. De Staat is op deze stellingen van Baitali bij conclusie van repliek geponeerd niet ingegaan. Bij conclusie van dupliek heeft de Staat slechts een weergave gegeven van het document dat door Baitali is ingediend. Uit de bewoordingen van de weergave “basis of our compaction proposal” leidt de kantonrechter in elk geval af dat die de stelling van Baitali ondersteunt dat het een voorstel is. Bovendien stelt de Staat zelf dat Baitali het in haar document heeft over een minimum compactiegehalte. Hieruit volgt dat Baitali voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat ten onrechte van mening is dat zij niet aan het vereiste compactiegehalte heeft voldaan.

De jaarrekeningen zijn niet gecontroleerd

4.12 Wat betreft de niet gecontroleerde jaarrekeningen het volgende. Tussen partijen staat vast dat op grond van 3.1 sub (iii) van de Eligibility and Qualification Criteria is vereist dat gecontroleerde jaarrekeningen, of indien dat niet wettelijk vereist is, andere jaarrekeningen worden overgelegd over de afgelopen vijf jaar, waaruit blijkt dat de inschrijver financieel gezond is. Volgens de Staat zijn de jaarrekeningen van Baitali van 2017, 2018 en 2023 niet door een accountant gecontroleerd. Baitali betoogt dat de jaarrekeningen van 2017 en 2018 op grond van de Wet op de Jaarrekening niet door een accountant gecontroleerd behoefden te worden. Wat de jaarrekening van 2023 betreft stelt Baitali bij conclusie van repliek dat zij ingevolge de wet evenmin verplicht was een gecontroleerde jaarrekening over dat boekjaar te hebben. Op grond van artikel 5 lid 1 jo. van de Wet op de jaarrekening moet de jaarrekening binnen zes maanden na afloop van het boekjaar worden opgemaakt, maar deze termijn mag onder bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden worden verlengd. De algemene vergadering van aandeelhouders van Baitali heeft de termijn voor het opmaken van de jaarrekening met zes maanden verlengd, zodat zij op 10 december 2024 niet wettelijk verplicht was een door een accountant gecontroleerde jaarrekening te hebben. Ter onderbouwing daarvan legt zij de in 2.27 genoemde notulen over. De Staat heeft de stelling van Baitali dat zij ingevolge de wet geen verplichting had de jaarrekeningen over het jaar 2017 en 2018 te laten controleren bij conclusie van dupliek niet weersproken. Met betrekking tot de stelling van Baitali over de jaarrekening van 2023 voert de Staat slechts aan dat het nieuwe informatie betreft die niet bij de inschrijving is ingediend, zodat die geen onderdeel maakt van de aanbieding. Nu de Staat de notulen niet van valsheid heeft beticht en evenmin inhoudelijk op de stellingen van Baitali is ingegaan, heeft Baitali voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen gecontroleerde jaarrekeningen behoefde over te leggen.

De jaaromzet is niet aangetoond

4.13 Vast staat dat Baitali over de laatste vijf jaren, met uitzondering van 2020 en 2021 een jaaromzet van USD 12.900.000,- moest aantonen door invulling van het form fin – 3.2, hetgeen zij ook heeft gedaan. In reactie op de stelling van de Staat dat de jaaromzet van Baitali uit aannemingswerk niet kon worden gecontroleerd, heeft Baitali bij conclusie van repliek betoogd dat de inhoud van de Form Fin 3.2 niet op basis van de jaarrekeningen moest worden beoordeeld, daar het form fin 3.2 formulier als zelfstandig evaluatie-instrument is voorgeschreven. Volgens Baitali is niet vereist dat er verificatoren worden overgelegd voor de beoordeling van de omzet en indien de Staat de omzetten wilde beoordelen, had hij gebruik moeten maken van de aan hem toekomende bevoegdheid om opheldering te vragen. 

4.14 De kantonrechter volgt de Staat in haar standpunt dat de omzet zoals opgenomen in het form fin 3.2 formulier uit de jaarrekeningen controleerbaar moet zijn en dat die controle door middel van de jaarrekeningen moet geschieden. Immers, Baitali geeft zelf aan dat haar inkomsten uit verschillende bronnen afkomstig zijn. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat de Staat niet heeft gesteld dat dit een materiële afwijking betreft die niet mocht worden hersteld of opheldering over mocht worden gevraagd. De Staat voert bij dupliek slechts aan dat er sprake zou zijn van willekeur indien hij Baitali om opheldering had gevraagd, omdat Baitali de informatie welwillend moet aanleveren. Deze stelling van de Staat is naar het oordeel van de kantonrechter te mager om gehonoreerd te worden. De Staat komt de bevoegdheid om opheldering te vragen immers op grond van ITB 27.1 toe. Bovendien heeft de Staat ook niet concreet uitgelegd hoe gebruikmaking van deze bevoegdheid willekeur met zich zou brengen. Baitali hoefde immers, zoals uit rechtsoverweging 4.10 blijkt, geen gecontroleerde jaarrekeningen over te leggen. Hieruit volgt dat de Staat ten onrechte heeft geoordeeld dat de jaaromzet niet is aangetoond.

Het risicoregister voldoet niet aan de vereisten

4.15 Ingevolge het Form AR Anticipated Risks formulier dient Baitali als inschrijver een risicoregister in te dienen van de voorzienbare risico’s gedurende de uitvoering van de overeenkomst. Volgens de Staat heeft hij nimmer aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. De door Baitali opgenomen risico’s hebben naar de Staat betoogt betrekking op Baitali als aannemer doch zijn niet project gerelateerd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat het risicoregister van Baitali wel aan de vereisten voldoet. Het valt voor de kantonrechter niet te rijmen waarom de inschrijving van Baitali mede op basis hiervan is afgewezen als de Staat van oordeel is dat zij nimmer heeft aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. Voorts heeft de Staat nagelaten uit te leggen waarom de door Baitali opgenomen risico’s niet project gerelateerd zijn. Op grond van het voorgaande heeft Baitali naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan dit vereiste heeft voldaan.

4.16 Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat de beoordeling van de inschrijving van Baitali onjuistheden bevat en zij onterecht als not sustantially responsive is beoordeeld. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de Staat heeft nagelaten om opheldering te vragen aan Baitali ten aanzien van gerezen onduidelijkheden, welke bevoegdheid hem toekomt, met als gevolg dat er door de Staat zaken verkeerd zijn geïnterpreteerd. De reden van dit nalaten is niet duidelijk geworden, nu de Staat heeft volstaan met de stelling dat zij zulks niet nodig achtte. Het verzoek tot opheldering was, naar het oordeel van de kantonrechter op zijn plaats, gezien Baitali de laagste bieder was en hoewel dat voor de gunning niet het enige vereiste was, was het in kader van besteding van staatsmiddelen wel gepast en geboden daar voldoende rekening mee te houden. Zulks, temeer de opheldering van Baitali mogelijk tot een ander oordeel van haar inschrijving zou hebben geleid. De kantonrechter vermag niet in te zien op welke wijze de opheldering door Baitali zou kunnen leiden tot wijziging van haar inschrijving zoals door de Staat is betoogd. Opheldering betekent verduidelijking van wat onduidelijk is gebleken, doch biedt niet de ruimte voor wijziging van de inschrijving waardoor het beginsel van gelijke behandeling zou worden geschonden.

Het primair gevorderde komt derhalve voor toewijzing in aanmerking, doch met uitzondering van het onder sub c gevorderde. De Staat zal in plaats daarvan worden veroordeeld tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als in het dictum te melden.

4.17 De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Aan de zijde van Baitali worden deze kosten tot aan deze uitspraak begroot op SRD 10.550,-. Dit bedrag omvat het vastrecht ad SRD 50,-, de oproepingskosten ad SRD 2.500,- en het gemachtigdensalaris ad SRD 7.500,-.

4.18 Aan de overige stellingen en weren wordt voorbijgegaan, nu die niet tot een andersluidend oordeel zullen leiden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 beveelt de Staat om binnen twee (2) dagen na betekening van dit vonnis de Notification of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance in te trekken;

5.2 beveelt de Staat om over te gaan tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali, met inachtneming van dit vonnis;

5.3 beveelt de Staat om de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden, totdat de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali heeft plaatsgevonden; 

5.4 beveelt de Staat om, na de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de reeds aangegane aannemingsovereenkomst, zulks terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

5.5 veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat de Staat in strijd handelt met hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 van dit vonnis is beslist, tot een maximum van SRD 10.000.000,- (Tien miljoen Surinaamse dollar);

5.6 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7 veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van Baitali tot op heden begroot op SRD 10.550,- (Tienduizend vijfhonderd en vijftig Surinaamse dollar);

5.8 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Haakmat-Sniphout en uitgesproken door mr. S. M. M. Chu, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 10 juli 2025, in aanwezigheid van de griffier. 

 

SRU-HvJ-2025-13

2020H00039

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
VONNIS
In de zaak van

HOEFDRAAD, Gillmore André,
wonend te Paramaribo,
appellant (hierna: Hoefdraad),
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
B. DE STAAT SURINAME, met name DE NATIONALE ASSEMBLĖE,
C. DE STAAT SURINAME, met name HET OPENBAAR MINISTERIE,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudend te zijner Parkette te Paramaribo,
geïntimeerden (hierna afzonderlijk te noemen respectievelijk BIZA, DNA en OM, en tezamen de Staat),
gemachtigde van BIZA en OM: mr. G.R. Sewcharan,
gemachtigde van DNA: mr. M.G.A. Vos,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 17 december 2020 (A.R. No. 20-2038) tussen Hoefdraad als eiser en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 18 december 2020 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Hoefdraad tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van 18 februari 2022;
  • de antwoordpleitnota van 6 mei 2022 van BIZA en OM, met producties;
  • het antwoordpleidooi van 6 mei 2022 van DNA, met producties;
  • de repliekpleitnota van 21 oktober 2022 ten aanzien van BIZA en OM;
  • de repliekpleitnota van 21 oktober 2022 ten aanzien van DNA;
  • de dupliekpleitnota van 2 december 2022 van DNA;
  • de brief van 5 mei 2023, waarin mr. Sewcharan namens BIZA en OM laat weten dat de Staat persisteert bij al hetgeen bij antwoordpleitnota is gesteld.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep
1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Hoefdraad daarin kan worden ontvangen.

2. In zijn inleidend verzoekschrift heeft Hoefdraad gevorderd, zakelijk weergegeven, dat het advies c.q. het besluit van de hoorcommissie van DNA en het eindbesluit van de openbare vergadering van DNA van 6 augustus 2020, waarbij Hoefdraad op tweede vordering van de Procureur-generaal in staat van beschuldiging is gesteld, wordt opgeschort, c.q. geschorst, dat BIZA, DNA en OM elk voor zich worden gelast het vonnis te gehengen en te gedogen, en dat het OM uitdrukkelijk wordt veroordeeld het eindbesluit te gehengen en te gedogen en wordt verboden tot enige daad van vervolging tegen Hoefdraad over te gaan, alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten. De kantonrechter heeft de gevorderde voorzieningen geweigerd, met veroordeling van Hoefdraad in de proceskosten.

3. Hoefdraad voert tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aan:
Grief 1: De kantonrechter is ten aanzien van de toepassing van het beginsel van ne bis in idem van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.

Grief 2: De kantonrechter heeft het beginsel van ne bis in idem ten onrechte niet op het tweede verzoek van de Procureur-generaal (hierna: het tweede verzoek) toegepast.

Grief 3: De kantonrechter heeft ten onrechte niet overwogen dat Hoefdraad, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, op het tweede verzoek had moeten worden gehoord.

Grief 4: De kantonrechter heeft ten onrechte niet overwogen dat het beginsel van hoor en wederhoor aan een (gewezen) politieke ambtsdrager toekomt.

4. De Staat kan zich met het vonnis waarvan beroep verenigen en verzoekt het Hof het vonnis te bevestigen en Hoefdraad in zijn vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen.
Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd. Het gaat in deze zaak, zakelijk weergegeven, om het volgende. Hoefdraad was van 2015 tot 2020 Minister van Financiën. Op 23 april 2020 heeft de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie (hierna: de PG) op grond van artikel 2 lid 1 van de Wet in Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (hierna: WBVPA) bij DNA een vordering ingediend om Hoefdraad in staat van beschuldiging te stellen. Nadat DNA een hoorcommissie had benoemd en Hoefdraad een verweerschrift had ingediend, heeft DNA de vordering van de PG afgewezen. Op 20 juli 2020 heeft de PG bij DNA een hernieuwde, gelijkluidende vordering ingediend (hierna: de tweede vordering). Hoefdraad is daarvan op 22 juli 2020 in kennis gesteld. Bij brief van 28 juli 2020 heeft Hoefdraad tegen de tweede vordering een verweerschrift bij DNA ingediend. Op 6 augustus 2020 heeft DNA de tweede vordering toegewezen. Hierna is de vervolging van Hoefdraad aangevangen, Hoefdraad is in eerste aanleg door het Hof van Justitie bij vonnis d.d. 17 december 2021 bij verstek wegens, kort gezegd, ambtsmisdrijven tot een gevangenisstraf van 12 jaren en een geldboete van SRD 500.000,- veroordeeld. Thans wordt de strafzaak in hoger beroep behandeld.

5. Alvorens in te kunnen gaan op de opgeworpen grieven is, naar het het Hof voorkomt, aan de orde de vraag in hoeverre de civiele rechter in kort geding in het algemeen mag oordelen over de rechtsgeldigheid van een strafprocessuele fase in een strafzaak en zo ja, of dat ook kan onder de in dit geding gegeven omstandigheden.
In dit verband overweegt het Hof dat een besluit genomen door DNA op het verzoek van de Procureur-generaal tot het in staat van beschuldiging stellen van een politieke ambtsdrager zoals bedoeld in artikel 140 van de grondwet en de Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers niet een bestuursbesluit betreft. Het is een parlementair besluit met juridische gevolgen, dat de weg opent voor vervolging bij het Hof van Justitie. De Nationale Assemblee is immers geen bestuursorgaan doch het wetgevend orgaan bij uitstek die ingevolge meergenoemd grondwetsartikel 140 een rol toebedeeld heeft gekregen in het strafproces tegen politieke ambtsdragers indien zij ervan worden verdacht in die betrekking een misdrijf te hebben gepleegd.

6. Het systeem van het strafproces in een strafzaak in het algemeen en dat van een strafzaak tegen een politieke ambtsdrager als bedoeld in artikel 140 van de Grondwet in het bijzonder, ziet er in grote lijnen als volgt uit:

Fasen van een strafproces in het algemeen opsporingsfase
1. Verdenking van een misdrijf in de opsporingsfase
2. Vooronderzoek / Voorbereiding van de zaak
aanvang vervolgingsfase
3. Eventueel een gerechtelijk vooronderzoek
4. Dagvaarding
5. Behandeling ter terechtzitting
6. Vonnis
7. Eventueel aanwenden van rechtsmiddelen (optioneel)

Fasen van een strafproces voor Politieke Ambtsdragers in Suriname
opsporingsfase
1. Verdenking van een ambtsmisdrijf in de opsporingsfase
2. Vordering tot in staat van beschuldigingstelling bij DNA
3. Besluit door DNA
4. Vooronderzoek / Voorbereiding van de zaak
aanvang vervolgingsfase
5. Eventueel een gerechtelijk vooronderzoek
6. Dagvaarding
7. Behandeling ter terechtzitting
8. Vonnis
9. Eventueel aanwenden van rechtsmiddelen (optioneel)

7. In de onderhavige zaak wordt aan de civiele rechter in kort geding gevraagd om over de rechtsgeldigheid van stap drie van het strafproces in een zaak tegen een politieke ambtsdrager te oordelen en gevorderd wordt – verkort weergegeven – dat het besluit, genoemd in stap drie, door de civiele kortgedingrechter wordt geschorst, dat de civiele kortgedingrechter de vervolging een verbod oplegt om over te gaan tot enige daad van opsporing en vervolging en de civiele rechter de vervolging gelast reeds aangevangen daden van opsporing en vervolging onmiddellijk te staken.

Het Hof overweegt hiertoe dat het Openbaar Ministerie (OM) een (grond)wettelijk verankerde bevoegdheid heeft om zelfstandig opsporingsonderzoeken te starten. Die bevoegdheid vloeit voort uit de Grondwet, de wet (waaronder het wetboek van strafvordering) en de rol van het OM als vervolgingsinstantie binnen de trias politica. Immers is ingevolge het bepaalde in artikel 145 lid 1 van de Grondwet het Openbaar Ministerie met uitsluiting van elk ander orgaan verantwoordelijk voor de opsporing en belast met de vervolging van alle strafbare feiten.

Anders dan bij vervolging van politieke ambtsdragers – indien zij ervan worden verdacht dat zij in die betrekking een misdrijf hebben gepleegd – is voor het starten van een opsporingsonderzoek geen rechterlijke toestemming of een besluit van DNA tot in staat van beschuldigingstelling vereist. Rechtsmiddelen zoals bezwaar, klacht of beroep op verweren kunnen pas worden ingezet nadat het OM de vervolgingsfase heeft aangevangen dan wel dwangmiddelen heeft toegepast. Als er sprake is van selectieve vervolging met name dat een burger van mening is dat hij ten onrechte wordt vervolgd zoals in onderhavige zaak, of bij klacht over een ander strafprocessueel verweer zoals misbruik van bevoegdheid, kan dit in een later stadium bij de rechter-commissaris dan wel bij de strafrechter in eerste aanleg en in hoger beroep worden opgeworpen, waarna betreffende rechterlijke autoriteit daarop een beslissing geeft.

8. Naar Hoven’s oordeel kan de civiele rechter in kort geding in beginsel zich niet zonder meer begeven op straf(proces)rechtelijk terrein, hij zal een oplossing van het geschil in kwestie moeten overlaten aan de rechters belast met de behandeling van strafzaken. De kortgedingrechter vervult de functie van restrechter, die voorziet in rechtsbescherming in gevallen dat de strafwet of het strafproces geacht wordt leemten te bevatten en alleen als er echt geen andere mogelijkheden zijn of deze niet kunnen worden afgewacht. Aangezien het Wetboek van Strafvordering een uitputtend systeem van rechtsbescherming biedt, zullen niet snel leemten in dat systeem kunnen worden aangenomen.

9. Het Hof overweegt met betrekking tot het onderhavige verzoek dat niet gebleken is dat Hoefdraad in de strafzaak in eerste aanleg een beroep heeft gedaan op het naar zijn mening niet rechtsgeldig zijn van het tweede besluit van DNA. In het hoger beroep van de strafzaak heeft Hoefdraad dit verweer opgeworpen bij het Hof van Justitie. Dit Hof in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers heeft bij tussenvonnis van 20 mei 2024 (vide de op de uitspraken databank van de website “www.rechtspraak.sr” gepubliceerde uitspraak https://rechtspraak.sr/sru-hvj-2024-3/) inhoudelijk hierover geoordeeld en heeft beslist tot verwerping van dat opgeworpen verweer.

10. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de wetgeving betrekking hebbende op het strafproces in de zaak van Hoefdraad in diens hoedanigheid van politieke ambtsdrager een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt, waarvan door Hoefdraad ook gebruik is gemaakt. Om die reden zal hij in zijn vordering in kort geding niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

11. Het Hof komt hierdoor niet toe aan de bespreking van de aangevoerde grieven. Hoefdraad zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, inclusief de liquidatiekosten in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.15.000,=.

12. Het vonnis in prima zal worden vernietigd en het Hof zal, opnieuw rechtdoende, Hoefdraad niet ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
– Vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 17 december 2020 bekend onder A.R. No. 20-2038, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

– Verklaart Hoefdraad niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
– Veroordeelt Hoefdraad in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op SRD.15.000,= (vijftienduizend Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, leden, en

door mr. A.C. Johanns uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. S. Kesharie, LL.B.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. M. Dubois en advocaat mr. M.G.A Vos, gemachtigde van appellant en geïntimeerde sub B en advocaat A.J. Heath, LL.M namens mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van geïntimeerden sub A en sub C.

 

 

SRU-K1-2025-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
Vonnis in kort geding in de zaak van

CIVAR no. 202503419
15 september 2025

WINTER, GIOVANNI GEROLD,
wonende te Paramaribo,
eiser, hierna: Winter,
gemachtigde: mr. E.K. Chotkanoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME M.N. HET MINISTERIE VAN GRONDBELEID EN BOSBEHEER,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, zetelende te Paramaribo,
gedaagde, hierna: de staat,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

1. Het verloop van het proces
Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 2 september 2025 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de mondelinge conclusie van repliek, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 9 september 2025 en de daarbij overgelegde producties;
  • de mondelinge conclusie van dupliek en uitlating producties, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 9 september 2025.

De datum voor de uitspraak is hierna nader bepaald op vandaag.

2 De feiten
2.1 Winter is beëdigd landmeter in Suriname.

2.2 Een brief van de Minister van Grondbeleid en Bosbeheer (hierna: de minister) van 25 augustus 2025 gericht aan de voorzitter van het Tuchtcollege voor Landmeters, vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Onderwerp: Klacht ex artikel 49 GLIS-wet tegen beëdigd landmeter
de heer Giovanni Gerold Winter

Paramaribo, 25 augustus 2025

Geachte voorzitter,
In de hoedanigheid van Minister van Grondbeleid en Bosbeheer wendt ondergetekende zich tot u met een formele klacht tegen beëdigd landmeter de heer Giovanni Gerold Winter.

Op 16 februari 2023 heeft de GLIS-landmeter in een advies aan de toenmalige minister zelf reeds aangegeven dat er ernstige bezwaren bestaan tegen zijn beëdiging en beroepsuitoefening. Inmiddels zijn er meerdere signalen, meldingen en concrete casussen aan het licht gekomen die deze bezwaren bevestigen en verzwaren.

Artikel 49 GLIS-wet voorziet in de mogelijkheid om tegen een beëdigde landmeter tuchtmaatregelen te treffen, waaronder schorsing, indien sprake is van misbruik, nalatigheid of onzorgvuldig handelen. De wijziging van het Decreet rechtstoestand vóór 1 juli 1982 uitgegeven gronden bepaalt dat:

  • de Minister pas op een aanvraag kan beslissen nadat een onderzoek door de Dienst Grondinspectie en het Districtscommissariaat heeft plaatsgevonden
  • gewezen titelhouders altijd eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om grondhuur aan te vragen voordat een titel aan derden wordt gegeven

Deze kaders beogen transparantie, rechtszekerheid en bescherming van gerechtigden. Van een beëdigde landmeter mag daarom gelet op zijn rol binnen dit stelsel en de zorgvuldigheidsplicht worden verwacht dat hij zich strikt conformeert aan deze wettelijke regels.

Uit intern onderzoek en externe meldingen is gebleken dat de heer Winter structureel in strijd met bovengenoemde bepalingen en beginselen heeft gehandeld.

A. Schending van zorgvuldigheid en belangenverstrengeling

In de kwestie Reeberg is vastgesteld dat de heer Winter kaarten heeft vervaardigd zonder zelf ter plaatse te zijn geweest, ten behoeve van personen die geen rechtmatige aanspraak hadden op de betrokken percelen.

B. Andere klachten van burgers

Naast Reeberg zijn er diverse klachten van burgers binnengekomen, waaronder betwiste kaartvervaardiging, vermeende manipulatie van perceelsgrenzen en twijfelachtige betrokkenheid bij titelaanvragen. Deze zaken worden nader onderzocht, maar schetsen samen een patroon dat de geloofwaardigheid van het beroep ernstig schaadt.

C. Overschrijding wettelijke kaders

Door het vervaardigen van kaarten en ondersteunen van aanvragen in strijd met de wettelijke regels (S.B. 2019 no. 120), heeft de heer Winter bijgedragen aan onjuiste of onrechtmatige procesvoering binnen het grondbeleid.

Dit handelen:

  • ondermijnt de rechtszekerheid van burgers;
  • tast het vertrouwen in het GLIS-systeem en de overheid ernstig aan;
  • schaadt de beroepsgroep van landmeters in haar geheel.

Dientengevolge verzoekt ondergetekende het Tuchtcollege met klem om:

  1. een onafhankelijk tuchtonderzoek in te stellen naar het handelen van de heer Winter, inclusief de Reeberg-kwestie en de overige klachten die momenteel in behandeling zijn.
  2. op basis van dit onderzoek de heer Giovanni Gerold Winter op grond van artikel 49 GLIS-wet te schorsen.
  3. kennis te nemen van het feit dat beleidsmatig reeds is bepaald dat aanvragen waarin kaarten van de heer Winter zijn betrokken voorlopig niet in behandeling worden genomen, teneinde verdere schade te voorkomen en de integriteit van het proces te waarborgen.

Het is in het belang van goed bestuur, transparantie en de geloofwaardigheid van de beroepsgroep dat tegen dergelijk handelen krachtig en zichtbaar wordt opgetreden. Alleen zo kan het vertrouwen van burgers in het grondbeleid worden hersteld.”

2.3 Een circulaire van de minister d.d. 25 augustus 2025 gericht aan “de Onderdirecteuren” en “de Dienst- en afdelingshoofden” (hierna ook aangeduid als: de circulaire) vermeldt, voor zover van belang, het volgende.

Naar aanleiding van de integriteitskwesties omtrent de beëdigde landmeter de heer G.G. Winter, waaronder de kwestie Reeberg, en de lopende klachtprocedure bij het Tuchtcollege van Landmeters, wordt hierbij de volgende beleidsinstructie vastgesteld, welke per heden van kracht is.

  • Alle aanvragen waarin kaarten van landmeter Winter voorkomen, worden niet in behandeling genomen.
  • Reeds in behandeling zijnde dossiers met kaarten van Winter worden onmiddellijk aangehouden tot nader order.
  • De Dienst der Domeinen en de afdeling Grondinspectie voeren een uitgebreide controle naar alle gevallen waarbij gebruik is gemaakt van kaarten afkomstig van Winter.

in alle twijfelgevallen: de behandeling van desbetreffende dossiers aanhouden.

  • Alle dossiers waarin kaarten van Winter voorkomen, direct rapporteren aan de minister met vermelding van:

perceelnummer & locatie (adres en coördinaten),

naam aanvrager,

aard van de aanvraag.

  • Aanvragers ontvangen bericht dat hun aanvraag tijdelijk wordt aangehouden wegens integriteitsonderzoek.

Er worden geen persoonlijke uitspraken gedaan over Winter; er wordt verwezen naar de beleidsinstructie.

Deze instructie blijft van kracht totdat het Tuchtcollege een definitieve uitspraak heeft gedaan of de minister anders beslist.

2.4 Op de Facebookpagina van het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer is eveneens op 25 augustus 2025 de volgende bekendmaking geplaatst.

Officiele Bekendmaking

Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer

Paramaribo, 25 augustus 2025

Het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) maakt hierbij bekend dat naar aanleiding van integriteitskwesties rondom de beëdigde landmeter Giovanni Gerold Winter, het volgende beleid van kracht is gegaan:

  1. Aanvragen waarin gebruik wordt gemaakt van kaarten van landmeter Winter, zullen voorlopig niet in behandeling worden genomen.
  2. Reeds in behandeling zijnde dossiers met kaarten van Winter worden onmiddellijk aangehouden tot nader order.
  3. De Dienst der Domeinen en de Afdeling Grondinspectie zullen extra controles uitvoeren bij alle gevallen waarin kaarten van Winter zijn gebruikt.

– In twijfelgevallen worden de dossiers aangehouden.

4. Alle dossiers waarin kaarten van Winter voorkomen, worden afzonderlijk gerapporteerd aan de minister met vermelding van:

  • perceelnummer en locatie (adres en coördinaten);
  • naam van de aanvrager,
  • aard van de aanvraag.

5. Aanvragen die tijdelijk zijn aangehouden worden pas verder behandeld nadat het Tuchtcollege van Landmeters een definitieve uitspraak heeft gedaan of de minister anders beslist.

Wij rekenen op uw begrip en medewerking. 

De Minister van Grondbeleid en Bosbeheer

(…)”

2.5 Een artikel gepubliceerd op de website van het nieuwsmedium Starnieuws op 25 augustus 2025, vermeldt onder de kop “Minister Soeropawiro dient klacht in tegen landmeter Giovanni Winter”, voor zover van belang, het volgende:

Het ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) is opgetreden tegen beëdigd landmeter Giovanni Winter. Minister Stanley Soeropawiro heeft bij het Tuchtcollege voor Landmeters een officiële klacht ingediend op grond van artikel 49 van de GLIS-wet.

De klacht volgt na ernstige onregelmatigheden, waaronder de kwestie-Reeberg, en meerdere klachten van burgers die momenteel worden onderzocht. 

Tegelijkertijd heeft de minister een beleidsinstructie uitgevaardigd om burgers direct te beschermen:

  • Aanvragen met kaarten van Winter worden niet behandeld.
  • Lopende dossiers worden onmiddellijk aangehouden.
  • Ambtenaren hebben meldplicht bij elk betrokken dossier.

Minister Soeropawiro: “Grond is van het volk. Wie misbruik maakt, schaadt het vertrouwen van het volk. Dat zal ik nooit toelaten.” Met deze ingreep wil de bewindsman de volledige bescherming van burgers waarborgen en het vertrouwen in het grondbeleid herstellen.”

2.6 In de editie van 26 augustus 2025 heeft het dagblad Times of Suriname onder de kop, “Onderzoek ingesteld naar werk landmeter Winter

Ook vakbondsleden zouden gronden hebben gehad”, een artikel gepubliceerd, luidende, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) heeft een onderzoek ingesteld naar het werk van beëdigd landmeter Giovanni Gerold Winter. Alle landkaarten die door hem zijn vervaardigd, worden voorlopig aangehouden en niet meer in behandeling genomen. Minister Stanley Soeropawiro bevestigde dit maandag tijdens een regeringsconferentie en sprak van een noodzakelijke ingreep om de integriteit van het gronduitgifteproces te waarborgen. Dit besluit is genomen naar aanleiding van de misstanden die de afgelopen periode zijn gemeld over de gronduitgifte te Reeberg.

(…)

Minister Soeropawiro zegt dat er ernstige twijfels zijn ontstaan over de juistheid en betrouwbaarheid van landkaarten die Winter heeft aangeleverd. Uit interne onderzoeken en rapporten van externe partijen blijkt dat de landmeter zich niet altijd aan de geldende normen heeft gehouden, waardoor burgers benadeeld zouden zijn. “De maatschappelijke verontwaardiging is groot en deze casus is daarom voorgelegd aan de Tuchtraad voor Landmeters”, verklaarde Soeropawiro.

Het ministerie heeft inmiddels een beleidsinstructie uitgevaardigd die op alle lopende en toekomstige aanvragen van toepassing is. De maatregelen luiden als volgt: nieuwe aanvragen waarbij kaarten van Winter voorkomen, worden niet behandeld. Reeds lopende dossiers worden onmiddellijk aangehouden. De Dienst der Domeinen en Afdeling Grondinspectie voeren verscherpte controles uit op alle gevallen waarin kaarten van Winter zijn gebruikt. In twijfelgevallen wordt de behandeling automatisch stilgelegd. Alle dossiers met kaarten van Winter moeten afzonderlijk aan de minister worden gerapporteerd, met vermelding van perceelnummer, locatie, aanvrager en aard van de aanvraag. Pas na een uitspraak van het Tuchtcollege van Landmeters, of na een nieuwe beslissing van de minister, kan de behandeling van aanvragen worden hervat. 

De kwestie treft niet alleen individuele burgers die wachten op hun grondaanvraag, maar ondermijnt ook de geloofwaardigheid van het totale gronduitgiftebeleid. Onbetrouwbare kaarten kunnen leiden tot dubbele toewijzingen, rechtszaken en verlies van vertrouwen in de overheid. Soeropawiro erkende dat de situatie pijnlijk is voor de betrokken burgers, maar benadrukte dat zorgvuldigheid nu zwaarder weegt dan snelheid. “We kunnen geen risico nemen dat de burgers grondpapieren ontvangen op basis van onjuiste of betwiste gegevens”, zei de minister. De minister sluit niet uit dat er een nieuwe procedure komt, waarbij percelen opnieuw worden gemeten door andere beëdigde landmeters. “We wachten het oordeel van het Tuchtcollege af. Daarna bekijken we of er herziening van aanvragen nodig is”, aldus Soeropawiro.” 

  1. Winter heeft bij brief van 26 augustus 2025 de minister als volgt aangeschreven.

Betreft: Schending van mijn rechten, o.a. van hoor- en wederhoor en zorgvuldigheidsbeginsel

Geachte Minister GBB,

Hierbij nader ik de heer Winter, Giovanni Gerold u met het volgende. Dat ik uit een circulaire d.d. 25 augustus 2025 no 2024-25/MinGBB en uit de media, onder andere Starnieuws d.d. 25 augustus 2025 heb vernomen, dat u een tuchtklacht tegen mij in mijn hoedanigheid als beedigde landmeter in Suriname heeft ingediend, bij het Tuchtcollege voor landmeters in Suriname. Hierbij heeft u het volgende verzoek aan het Tuchtcollege voor landmeters in Suriname gedaan:

  • Een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar het handelen van de heer Winter, inclusief de Reeberg-kwestie en de overige klachten die momenteel in behandeling zijn.
  • Op basis van dit onderzoek de heer Giovanni Gerold Winter op grond van artikel 49 van de GLIS-wet te schorsen.
  • Kennis te nemen van het feit dat beleidsmatig reeds is bepaald dat aanvragen waarin kaarten van de heer Winter zijn betrokken voorlopig niet in behandeling worden genomen, teneinde verdere schade te voorkomen en de integriteit van het proces te waarborgen.

Dat het mij zeer verbaast dat u mij omtrent het bovenstaande niet eerst heeft opgeroepen voor verhoor, noch heeft gehoord en vervolgens mij ook niet in de gelegenheid heeft gesteld om mij te verweren voor vermeende handelingen op grond waarvan u mij verwijten heeft gemaakt, c.q. op grond waarvan u een tuchtklacht tegen mij heeft ingesteld. Dit houdt in dat het beginsel van hoor- en wederhoor in de bovenstaande kwestie van de tuchtklacht door u ernstig is geschonden. Verder is hiermee ook het zorgvuldigheidsbeginsel door u geschonden en heeft u, zonder mij eerst op de door u gedane verwijten te laten verweren, in de circulaire en in de media allerlei beschuldigingen gedaan over mijn functioneren als landmeter, waardoor u mijn naam, eer en integriteit ernstig heeft geschaad.

Op grond van het voorgaande, met name op grond van de schending van het beginsel van hoor- en wederhoor en het zorgvuldigheidsbeginsel, waarmee schade aan mij is toegebracht, doe ik u thans het verzoek om mij binnen twee (2) dagen na heden voor een persoonlijk gesprek te ontvangen, zodat diepgaand over de door u gedane beschuldigingen omtrent mijn functioneren als landmeter besproken wordt en waarnodig de noodzakelijke correcties uwerzijds worden gedaan, alsook om de tuchtklacht tegen mij in te trekken, totdat ik door u op behoorlijke wijze in de gelegenheid ben besteld [de kantonrechter: gesteld] om mij schriftelijk te verweren, over handelingen waarover [de kantonrechter: men] mij meent te willen verwijten.”

Wachtende op een spoedige uitnodiging uwerzijds, verblijf ik inmiddels.”

2.8 In reactie op voormelde brief heeft de minister bij brief van 27 augustus 2025 Winter, voor zover van belang, als volgt bericht:

Geachte heer Winter,

Hierbij bevestig ik ontvangst van uw brief d.d. 26 augustus 2025.

Het indienen van een klacht bij het Tuchtcollege voor landmeters vloeit rechtstreeks voort uit mijn wettelijke bevoegdheid als minister van Grondbeleid en Bosbeheer. De inhoudelijke beoordeling en behandeling van deze klacht berust uitsluitend bij het Tuchtcollege, dat u de gelegenheid zal bieden tot verweer conform het beginsel van hoor- en wederhoor.

De tijdelijke beleidsinstructie met betrekking tot door u vervaardigde kaarten is een noodzakelijke beheersmaatregel in het belang van goed bestuur en blijft van kracht totdat het Tuchtcollege uitspraak heeft gedaan.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
in conventie
3.1 Winter vordert, zakelijk weergegeven dat de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de staat veroordeeld:

  1. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de tuchtklacht in te trekken of ongedaan te maken;
  2. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de circulaire in te trekken of ongedaan te maken en daarover mededeling te doen aan allen tot wie voormelde circulaire bedoeld was;
  3. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, via de media met name Starnieuws en het dagblad Times of Suriname mededeling te doen, dat de eerder gedane beschuldigingen, respectievelijk verschenen op 25 en 26 augustus 2025 met betrekking tot het functioneren van Winter als beëdigde landmeter in Suriname, onterecht zijn en niet op waarheid berusten en dat de staat Winter daarvoor excuses aanbiedt voor het daarbij ontstane ongerief;
  4. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, aan Winter ineens vergoed, de door hem geleden schade voorlopig begroot op SRD 125.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van indiening tot aan die der algehele voldoening en incassokosten groot 15%;
  5. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, bij wege van schadevergoeding aan Winter te betalen, de gemaakte kosten begroot op SRD 2.250,- aan vastrecht en oproepingskosten en USD 2.000 of de tegenwaarde daarvan in SRD volgens de verkoopkoers van de Centrale Bank van Suriname op de dag der voldoening aan advocaatkosten;
  6. één of meer beslissingen te nemen die de kantonrechter geraden acht, zo nodig onder aanvulling van de rechtsgronden.

3.2 Winter stelt daartoe dat de staat, kort weergegeven, onrechtmatig tegen hem heeft gehandeld en wel als volgt.
3.2.1 De staat heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, door hem niet te horen of hem in de gelegenheid te stellen zich te verweren tegen de hem verweten handelingen alvorens de tuchtklacht in te dienen. De beschuldigingen zijn niet bewezen en zijn niet eens onderzocht door de staat.

3.2.2 De staat heeft door aldus te handelen en in de circulaire en in de media beschuldigingen te uiten over het functioneren van hem en over vermeende handelingen van hem en voorts door alle door hem vervaardigde en bij GLIS ingediende landkaarten voor goedkeuring aan te houden en niet verder te behandelen het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

3.2.3 De beleidsinstructies en de tuchtklacht zijn ongegrond en onrechtmatig. De tuchtklacht is bovendien te algemeen, niet goed gemotiveerd en is gelet op de formulering daarvan geen klacht maar een verzoek om onderzoek. Dit strookt niet met artikel 49 GLIS-wet, waarin aan het Tuchtcollege niet een onderzoeksbevoegdheid is verleend maar een bevoegdheid tot het beoordelen van een klacht.

3.2.4 Hij heeft de minister schriftelijk gevraagd om uitgenodigd te worden om het een en ander diepgaand te bespreken en om de tuchtklacht in te trekken, totdat hij in staat is gesteld zich te verweren bij de staat. Echter heeft de staat bij de onder sub 2.8 geciteerde brief, kort weergegeven, geweigerd daaraan gevolg te geven en hem bericht dat de beleidsinstructie van kracht blijft totdat het Tuchtcollege uitspraak heeft gedaan.

3.3 Door het aanhouden van de door hem ingediende kaarten en door negatieve berichten via circulaires en de media (Starnieuws en Times of Suriname) in de publiciteit te brengen, zijn de goede naam, eer en integriteit van hem geschonden en wordt hij in de samenleving gezien als een landmeter die onbetamelijk en onzuiver heeft gehandeld bij het vervaardigen van landkaarten. Daardoor eisen zijn klanten restitutie van voorschotbetalingen, waardoor hij schade lijdt welke wordt begroot op SRD 125.000,-.

3.4 Als de onrechtmatige gedragingen niet worden gestaakt zal de schade aanzienlijk hoger zijn, aangezien verwachtbaar is dat steeds meer klanten hem als onbetrouwbaar en niet integer zullen beschouwen en hun opdrachten zullen intrekken en betaalde voorschotten zullen terugeisen. Een voorziening in kort geding is dus noodzakelijk.

3.5 Zijn schade bestaat ook uit kosten voor het instellen van de onderhavige vordering, bestaande uit vastrecht, oproepingskosten en advocaatkosten. 

3.6 De staat voert, voor zover van belang, het volgende verweer.

3.6.1 Het spoedeisend belang ontbreekt. Voor toewijzing in kort geding is vereist dat sprake is van een concreet en acuut gevaar voor onomkeerbare schade dat een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Winter heeft geen concreet feit of omstandigheid aangevoerd waaruit een dergelijk spoedeisend belang volgt. Het enkele beroep op reputatieschade is onvoldoende, nu Winter de rechtsgang bij het Tuchtcollege ter beschikking heeft waarin hij zich kan verweren. De eventuele negatieve gevolgen die hij stelt te ondervinden zijn niet onomkeerbaar. Indien de klacht ongegrond wordt verklaard door het Tuchtcollege, zal dit oordeel reeds leiden tot herstel van zijn positie en reputatie.

3.6.2 De staat, in deze de minister, is belanghebbende in de zin van artikel 49 lid 6 van de GLIS-wet.

3.6.3 De minister heeft geen beschuldigingen tegen Winter geuit in het publieke debat: de staat/de minister heeft niet via Starnieuws of Times of Suriname een publicatie doen plaatsen met de bedoeling Winter’s naam of reputatie te schaden. Uit het bericht van Starnieuws blijkt dat niet, noch dat de minister de media actief heeft bezocht. Er zijn regeringspersconferenties gehouden, maar die hadden te maken met het publieke debat, de transparantie en de rechtszekerheid. Van de minister wordt verwacht dat hij duidelijkheid verschaft over de ingediende klacht en dat heeft hij gedaan. De enkele mededeling van hem gedaan op 27 augustus 2025 aan de pers voorafgaand aan de vergadering van de Raad van Ministers, hield slechts in dat er een klacht bij het tuchtcollege was ingediend.

3.6.4 Met de publieke mededeling van de minister heeft hij of de staat niet vooruitgelopen op de beoordeling van de klacht door het Tuchtcollege en is geen waardeoordeel gegeven over Winter.

3.6.5 Dat de circulaire later via de media bekend is geworden, kan de staat niet worden verweten alsof hij dat heeft gelekt. De circulaire was uitsluitend gericht aan onderdirecteuren en de dienst- en afdelingshoofden onder het gezag van de minister en strekte tot beleidsinstructies. Dat de media erover hebben gepubliceerd, betekent niet dat de staat het oogmerk had Winter in diskrediet te brengen. Het verwijt dat de staat dat oogmerk had wordt betwist. Zo ook het verwijt dat de staat in de media of circulaires beschuldigingen heeft geuit, wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing.

3.6.6 Zelfs al zou de mededeling of duidelijkheid die de minister heeft verschaft omtrent de ingediende klacht door Winter als verontrustend of kwetsend zijn ervaren, valt dat nog binnen de grenzen van het publiek debat (Arrest Hoge Raad 18 oktober 2022 ECLI:NL:HR:2022:1468) en vloeit dat juist voort uit de verantwoordelijkheid van de minister om in het algemeen belang transparantie en duidelijkheid te verschaffen. In dat licht kan het optreden van de staat niet worden gezien als onrechtmatig of beschuldigend.

3.6.7 Het is logisch dat na of gelijktijdig met het indienen van de klacht het beleid binnen het ministerie wordt aangepast en dat de verschillende afdelingen, onderdirecteuren en afdelingshoofden worden geïnformeerd en geïnstrueerd. Dit is noodzakelijk om de interne organisatie duidelijkheid te verschaffen en ervoor te zorgen dat men weet hoe om te aan met de nieuwe situatie, steeds met het oog op transparantie, rechtszekerheid en het vertrouwen van het publiek.

3.6.8 De klacht is niet vexatoir en levert geen misbruik van recht op.

3.6.9 Het verwijt het beginsel van hoor en wederhoor te hebben geschonden is ongegrond. Winter is geen ambtenaar in dienst van de staat. De minister is niet wettelijk verplicht Winter te horen alvorens een klacht in te dienen bij het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege, niet de staat zal hem de gelegenheid bieden zich te verweren.

3.6.10 Hetgeen Winter als verweer tegen de klacht heeft aangehaald is niet ter beoordeling van de kortgedingrechter, maar van het Tuchtcollege.

3.6.11 De gevorderde schade ad SRD 125.000,- is niet onderbouwd. Het vastrecht en de advocaatkosten zijn niet verschuldigd.

3.7 Op de stellingen van partijen, wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
Het spoedeisend belang
4.1 Uit de onder sub 3.3 en 3.4 weergegeven stellingen van Winter blijkt in voldoende mate het spoedeisend belang bij het gevorderde. Winter is daarom ontvankelijk in het ingestelde kort geding.

De tuchtklacht
4.2 Het gevorderde zoals onder 3.1 onder a weergegeven is niet toewijsbaar. Dit onderdeel van de vordering steunt, zoals de kantonrechter de stellingen van Winter opvat, op het volgende:

  1. vermeende inhoudelijke ondeugdelijkheid van de klacht (het betreft niet een klacht maar een verzoek tot onderzoek en de klacht mist een deugdelijke feitelijke grondslag);
  2. de staat is geen belanghebbende in de zin van artikel 49 lid 6 GLIS-wet;
  3. de staat heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. 

Ingevolge artikel 49 lid 6 GLIS-wet is het Tuchtcollege belast met de beoordeling van het gedrag van een beëdigde landmeter, wanneer hierover een klacht is ingediend. Een oordeel over de tuchtklacht van de staat en de hiervoor door Winter aangevoerde gronden, hetwelk ook de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de tuchtklacht bestrijkt, is dan ook uitsluitend aan het Tuchtcollege voorbehouden. De kantonrechter kan daarom niet oordelen tot intrekking van de tuchtklacht of deze ongedaan maken.

Het standpunt dat de staat Winter moest hebben gehoord voorafgaand aan indiening van de klacht faalt. Gelijk de staat heeft aangevoerd rust op de staat geen verplichting daartoe.

Kernvragen

4.3 In dit geding staan de volgende vragen centraal.

  1. Heeft de staat maatschappelijk onbetamelijk gehandeld jegens Winter door het uitvaardigen van de circulaire door de minister met de daarin vervatte beleidsinstructies?
  2. Heeft de staat met de bekendmaking op zijn Facebookpagina en de op Starnieuws respectievelijk in Times of Suriname verschenen artikelen onrechtmatig (in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid) gehandeld jegens Winter?

Uitgangspunt is dat de staat aansprakelijk kan worden gesteld voor handelingen van de minister, nu de minister in casu als orgaan van de staat heeft gehandeld.

De circulaire
4.4 Het maatschappelijk onbetamelijk handelen bestaat volgens Winter uit schending van het hoor- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hoorbeginsel is volgens hem geschonden, doordat de staat hem niet heeft gehoord en hem geen verweermogelijkheden heeft geboden alvorens de beleidsinstructie uit te vaardigen en het zorgvuldigheidsbeginsel door in de circulaire en in de media beschuldigingen te uiten zonder voorafgaande verweermogelijkheid voor hem.

4.5 De kantonrechter oordeelt als volgt. Aan de minister is discretionaire bevoegdheid verleend en heeft hij beleidsvrijheid om in concrete gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen betreffende grondaanvragen (zie artikel 1 lid I onder a, jo. de artikelen 5, 6, 8, 9 en 10 van het Decreet Uitgifte Domeingrond) In dat kader is de minister bevoegd met inschakeling van de daarvoor aangewezen organen en volgens de daarvoor bestemde procedures grondhuuraanvragen te (doen) onderzoeken en daartoe beleidsinstructies te geven, zoals de omstreden beleidsinstructie. De aan de minister toekomende beleidsvrijheid laat slechts marginale toetsing toe van de beleidsinstructie, zoals toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het hoorbeginsel
4.6 Tegen het verwijt het hoorbeginsel te hebben geschonden, heeft de staat opgeworpen, hetgeen onder sub 3.6.9 is weergegeven. Dit verweer is in zoverre geslaagd dat niet de landmeter de rechtstreeks belanghebbende is in de kwesties van de aangehouden grondhuuraanvragen die een beroep kan doen op het hoorbeginsel (met andere woorden, die behoorde te worden gehoord over de aanhouding van die aanvragen), maar de desbetreffende aanvragers. Tevens kan de staat worden gevolgd in zijn standpunt dat een procesgang voor handen is, waar de landmeter kan/zal worden gehoord (het tuchtrechtelijk proces van art 49 lid 6 GLIS-wet). Het had de minister wel gesierd de landmeter te horen om zijn kant van het verhaal te horen bij de beoordeling van de desbetreffende grondhuuraanvragen (voor een volledig beeld van de gang van zaken) alvorens de circulaire uit te vaardigen, maar dat gaat niet zover dat nalaten daarvan tot onzorgvuldig handelen leidt jegens de landmeter.

Het zorgvuldigheidsbeginsel
4.7 De staat heeft het verwijt het zorvuldigheidsbeginsel te hebben geschonden gemotiveerd weersproken. De kantonrechter oordeelt als volgt. In de circulaire staat slechts de volgende zinsnede met betrekking tot de integriteit van de landmeter, namelijk: “Naar aanleiding van de integriteitskwesties omtrent de beëdigde landmeter de heer G.G. Winter, waaronder de kwestie Reeberg (…)”. Deze zinsnede suggereert slechts dat de integriteit van Winter ter discussie is bij de minister. Nu in de circulaire niet nader is ingegaan op die vermeende integriteitissues, die zouden kunnen worden opgevat als beschuldigingen aan het adres van Winter, is naar het oordeel van de kantonrechter, geen sprake van beschuldigingen van Winter in de circulaire op zich.

4.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van Winter op schending van het hoor- en het zorgvuldigheidsbeginsel faalt, zodat niet aannemelijk is geworden dat de staat maatschappelijk onbetamelijk heeft gehandeld jegens Winter door het uitvaardigen van de circulaire. Het gevorderde sub 3.1 onder b is daarom niet toewijsbaar

De publicaties op de Facebookpagina, op Starnieuws en in Times of Suriname
4.9 Vooropgesteld zij ten aanzien van de gevorderde publiekelijke verontschuldiging (zie 3.1 onder c) dat het in rechte afdwingen van excuses, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, niet mogelijk is, daar excuses te beschouwen zijn als een uiting van persoonlijke gevoelens van spijt, die naar hun aard niet door de rechter kunnen worden opgelegd. Dit onderdeel van de vordering is reeds hierom niet toewijsbaar.

4.10 Bij de beantwoording van de vraag of de publicaties op de Facebookpagina en op Starnieuws, alsook in Times of Suriname onrechtmatig zijn jegens Winter (ingevolge artikel 6:162 BW), staan naar vaste jurisprudentie tegenover elkaar het recht op uitingsvrijheid en, onder meer, het recht op bescherming van eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer. Het is een hoogwaardig maatschappelijk belang dat een burger of een bedrijf niet door publicaties in de pers of online wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het is echter evenzeer een hoogwaardig maatschappelijk belang dat gepubliceerd wordt over verdenkingen van misstanden die de samenleving raken, om te voorkomen dat deze laatste kunnen blijven voortbestaan doordat zij niet bekend zijn bij het grote publiek. Welk belang voorrang dient te hebben, hangt af van de omstandigheden, die daartoe in onderling verband moeten worden bezien. Gaat het om publicatie van een negatief waardeoordeel, dan is niet beslissend of dat oordeel juist kan worden bevonden. Relevante omstandigheden bij de beoordeling kunnen zijn, onder meer:

  1. de aard van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene wie deze verdenkingen betreffen;
  2. de ernst van de misstand die de publicatie bekend wil maken;
  3. de steun die de verdenkingen ten tijde van de publicatie vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
  4. de waarschijnlijkheid dat het met de publicatie beoogde doel langs een voor de burger of het bedrijf minder schadelijke weg, met redelijke kans op spoedig resultaat, zou kunnen zijn bereikt;
  5. de kans dat de desbetreffende informatie ook zonder de omstreden publicatie in de publiciteit zou zijn gekomen.

Hiermee is het kader waarbinnen de publicaties geplaatst en beoordeeld moeten worden geschetst.

4.11 Alvorens tot die beoordeling over te gaan merkt de kantonrechter op dat de staat tegen het verwijt van Winter zijn goede naam, eer en integriteit te hebben geschonden, waardoor hij in de samenleving gezien wordt als een landmeter die onbetamelijk en onzuiver heeft gehandeld bij het vervaardigen van landkaarten, onder meer het verweer heeft gevoerd zoals is weergegeven onder sub 3.6.3 tot en met 3.6.5 (zie randnummer 5 van antwoord).

4.12 Winter heeft hiertegen bij repliek opgeworpen dat de staat de beschuldigingen wel openbaar heeft gemaakt door publicatie op de Facebookpagina van het ministerie (ter onderbouwing waarvan hij een uitdraai van de publicatie overlegt) en door middel van een persconferentie van de minister. De staat heeft dit niet bestreden, zodat dit is komen vast te staan.

4.13 Het verweer van de staat faalt. In het onder sub 2.6 geciteerde artikel uit Times of Suriname staat onder meer:
“(…) Minister Soeropawiro zegt dat er ernstige twijfels zijn ontstaan over de juistheid en betrouwbaarheid van landkaarten die Winter heeft aangeleverd. Uit interne onderzoeken en rapporten van externe partijen blijkt dat de landmeter zich niet altijd aan de geldende normen heeft gehouden, waardoor burgers benadeeld zouden zijn.”

Deze passage is op zichzelf beschouwd en in onderling verband gelezen met de publicatie op de Facebookpagina zonder meer een beschuldiging van Winter en bevat een waardeoordeel over hem als landmeter. Weliswaar is het artikel gepubliceerd door gemeld dagblad, maar nu de minister een persconferentie heeft gehouden over het onderwerp, moest de staat redelijkerwijs verwachten dat voormelde passage in de publiciteit zou belanden. Deze publicatie kan de staat derhalve worden toegerekend.

4.14 De hiervoor in rechtsoverweging 4.10 bedoelde beoordeling leidt tot de volgende conclusies.
De aard van de gepubliceerde verdenkingen
4.14.1 De circulaire en de publicaties suggereren dat Winter geen integere landmeter is, althans niet integer heeft gehandeld bij de vervaardiging van landkaarten.

De ernst van de te verwachten gevolgen voor degene wie deze verdenkingen betreffen
4.14.2 De ernst van de te verwachten gevolgen voor Winter is dat hij publiekelijk is neergezet als een landmeter, die niet integer is, de wettelijke regels met betrekking tot zijn beroepsuitoefening niet naleeft en in strijd met de regels kaarten vervaardigt, althans heeft vervaardigd ten behoeve van personen die geen recht hebben op de desbetreffende percelen.

De ernst van de misstand die de publicatie bekend wil maken
4.14.3 De misstand die aan de kaak wordt gesteld is ernstig. Het betreft misstanden in grondkwesties en de gronduitgifte, zoals dubbele uitgiftes van gronden en grensgeschillen, en de rol van landmeters daarbij. Het is van bijzonder belang en daarmee in het algemeen belang dat de samenleving ervan op de hoogte wordt gesteld dat ook landmeters zich schuldig maken aan frustratie van de gronduitgifte en corruptie bij grondaanvragen. Het zou ernstig zijn als het publiek niet deelgenoot wordt gemaakt van dergelijke informatie.

De steun die de verdenkingen ten tijde van de publicatie vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal
4.14.4 De vraag die hierbij voor ligt is of de staat feiten had die de verdenkingen ten tijde van de publicatie ondersteunden. De staat voert aan bij conclusie van antwoord, voor zover van belang, dat de aanleiding voor de klacht tegen Winter was dat er onregelmatigheden en gebreken zijn geconstateerd bij werkzaamheden van Winter. Deze constateringen riepen vragen op die een tuchtrechtelijke beoordeling vereisten. De klacht is gebaseerd op feitelijke bevindingen en steunt op de bevoegdheid van de staat als belanghebbende. Uit het klachtschrift kan verder worden afgeleid dat de staat aan de klacht en aldus aan de beschuldigingen van Winter ten grondslag legt, onder meer dat Winter structureel in strijd handelt met voorschriften en beginselen vervat in het Decreet Rechtstoestand voor 1 juli 1982 uitgegeven gronden en het Decreet Uitgifte Domeingrond. Voorts zou hij in een zogenoemde Reeberg-kwestie kaarten van percelen voor personen hebben vervaardigd die geen rechten hadden op de desbetreffende percelen en zonder op die percelen te zijn geweest. Ook zouden er klachten van burgers zijn ontvangen door het ministerie, over onder meer betwiste kaartvervaardiging, manipulatie van perceelgrenzen en twijfelachtige betrokkenheid bij titelaanvragen.

Winter heeft deze beschuldigingen betwist, onder meer stellende dat deze niet onderbouwd zijn met feiten, dat onduidelijk is wat bedoeld wordt met de Reeberg-kwestie en dat ook niet duidelijk is welke de in het klachtschrift bedoelde klachten zijn van burgers. Volgens Winter is voorts de bij het Tuchtcollege ingediende klacht vaag. Tevens werpt hij op dat organen van het ministerie die betrokken zijn bij grondaanvragen niets wordt verweten.

De kantonrechter is van oordeel dat de staat de hierboven aangegeven gronden voor de beschuldigingen aan het adres van Winter niet heeft onderbouwd met feiten en/of stukken. Winter heeft deze in zijn algemeenheid weersproken, maar heeft evenmin zijn stellingen toegelicht, zoals de stelling dat organen van het ministerie die bij grondaanvragen betrokken zijn niets wordt verweten. Kortom, het debat van partijen biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de toets of er deugdelijke feiten voor handen waren voor de beschuldigingen van de staat ten tijde van de publicaties en of de beschuldigingen steun vonden in die feiten. Dat is nodig voor de beoordeling welk van de onder rechtsoverweging 4.10 bedoelde belangen moet prevaleren. Derhalve zal een diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden naar hetgeen partijen hebben aangevoerd. Voor dat onderzoek is in dit kort geding echter geen ruimte, zodat de zaak zal worden verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging. Hierom hoeft beoordeling van de overige in rechtsoverweging 4.11 bedoelde omstandigheden niet meer, zo ook bespreking van de overige stellingen van partijen.

4.15 De slotsom is dat Winter naar de gewone wijze van rechtspleging zal worden verwezen. Dat betekent dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.16 Winter zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld ter grootte van het gemachtigdensalaris ad SRD 7.500,- conform het liquidatietarief.

5 De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

5.1 weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2 veroordeelt Winter in de proceskosten, aan de zijde van de staat tot aan deze uitspraak begroot op SRD 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, mr. A. Adelaar, op 15 september 2025, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2024-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202400786
16 mei 2024

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. STICHTING GI JESI NA LELLIE (St. Gi Jesi);
B. STICHTING MARRON PLATFORM SURINAME (St. Marron platform);
C. VERENIGING ORGANISATIE VAN INHEEMSEN IN SURINAME (O.I.S.);
D. STICHTING KAMPOS SAMENWERKINGSVERBAND VAN TRIBALE VOLKEN IN SURINAME (St. Kampos);
E. [Eiser sub E], allen gevestigd of wonende te Paramaribo,
hierna gezamenlijk te noemen: “St. Gi Jesi e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “St. Gi Jesi, St. Marron platform, O.I.S, St. Kampos en [eiser sub E]”,
eisers,
gemachtigde: mr. A.C.A. Karg, advocaat,

tegen

A. STAAT SURINAME voornamelijk de ministeries van Grondbeleid & bosbeheer (GBB) en van Landbouw Veeteelt & Visserij (LVV). , in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gevolmachtigde van LVV: mevr. S. Nanda LL.B;
B. TERRA INVEST SURINAME & GUYANA NV,
gevestigd in het district Saramacca,
gemachtigde: mr. R.C. Ghogli, advocaat,
C. STICHTING KOVU & KIARA,
gevestigd in het district Wanica,
D. AGRICULTURE REINLAND NV,
gevestigd in het district Saramacca,
gemachtigde: mr. R.C. Ghogli, advocaat,
E. [NAAM], eenmanszaak
gevestigd in het district Wanica,
F. STICHTING TOGLIATTI VERMOGENSBEHEER,
G. SITCHTING GAZIANTEP VERMOGENSBEHEER;
H. STICHTING BRAEBURN APPLE, allen gevestigd in het district Wanica,
hierna gezamenlijk te noemen: “Staat e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “staat, Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn”,
gedaagden,

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 22 februari 2024 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 14 maart 2024;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van de staat in het bijzonder LVV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Terra invest NV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Reinland NV;
  • het tegen St. Kovu, [naam], St. Togliatti, St. Gaziantep en St. Braeburn verleent verstek.
  • de akte tot wijziging van de conclusie van eis, waarin St. Gi Jesi e.a. de gronden waarvan zij menen dat de bestemming wordt gewijzigd heeft aangegeven.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

St. Gi Jesi e.a. zijn organisaties die onder andere tot doel hebben de belangen te
behartigen van personen met een achterstand, tot slaaf gemaakten en inheemsen.
[eiser sub E] heeft een persoonlijk belang vanwege zijn inheemse achtergrond.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 St. Gi Jesi e.a. vorderen dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

a. de staat en Terra invest NV gelast om, binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zich te onthouden van gedragingen welke de strekking heeft wijziging van de bestemming van de onderstaande perceellanden:

  • groot 37046 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Maratakka- en de Nickerierivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCD;
  • groot 35194 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier en aan de noorderzijde van de weg naar west-Suriname, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKL;
  • groot 6533 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier ten westen van de Tibitirivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKLM;
  • groot 404,06 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Coppenamerivier en aan de noordzijde van de weg naar west-Suriname, nader aangeduid op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 15 mei 2023 met de letters ABCDE.

b. de staat verbiedt tot uitgifte in grondhuur van de omschreven perceellanden aan Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn tot in een bodemprocedure definitief over de rechtsgeldigheid van een dergelijke uitgifte beslist zal zijn.
c. de staat e.a. veroordeelt tot een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij weigeren of nalaten uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
d. de staat e.a. veroordeelt om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.
e. de staat e.a. veroordeelt in de kosten van het geding inclusief het liquidatietarief.

Subsidiair

a. de staat gelast om, binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zich te onthouden van gedragingen welke de strekking heeft wijziging van de bestemming van de onderstaande perceellanden:

  • groot 37046 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Maratakka- en de Nickerierivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCD;
  • groot 35194 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier en aan de noorderzijde van de weg naar west-Suriname, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKL;
  • groot 6533 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier ten westen van de Tibitirivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKLM;
  • groot 404,06 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Coppenamerivier en aan de noordzijde van de weg naar west-Suriname, nader aangeduid op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 15 mei 2023 met de letters ABCDE, totdat conform artikel 22 van de Milieu Raamwet de milieu effecten analyse zal zijn voltooid en informed consent zal zijn verkregen van de inheemsen en de in stam verband levende belanghebbenden.

b. de staat verbiedt tot uitgifte in grondhuur van de omschreven perceellanden aan Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn, dan wel het gebruik daarvan door hen of derden toe te staan, totdat conform artikel 22 van de Milieu Raamwet de milieu effecten analyse zal zijn voltooid en informed consent zal zijn verkregen van de inheemsen en de in stam verband levende belanghebbenden.
c. de staat e.a. veroordeelt tot een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij weigeren of nalaten uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
d. de staat e.a. veroordeelt om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.
e. de staat e.a. veroordeelt in de kosten van het geding inclusief het liquidatietarief.

3.2 St. Gi Jesi e.a. leggen aan hun vordering ten grondslag dat de staat voornemens is om 456.238 ha bos te bestemmen voor de landbouw en heeft ondanks de verstrekkende gevolgen van de bestemmingswijziging geen transparantie of openbaarheid van bestuur betracht door de volledige informatie en documentatie openbaar te maken of toe te lichten.

3.3 de staat, Terra Invest NV en Reinland NV hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 St. Gi Jesi e.a. stellen dat de staat voornemens is om 456.238 ha bos te bestemmen voor de landbouw en heeft ondanks de verstrekkende gevolgen van de bestemmingswijziging geen transparantie of openbaarheid van bestuur betracht door de volledige informatie en documentatie openbaar te maken of toe te lichten. De staat in het bijzonder LVV stelt dat zij onder andere als taak heeft het identificeren van grond dat geschikt is voor de landbouw. Dat LVV de bevoegdheid mist om grond uit te geven. Terra Invest NV en Reinland NV stellen dat zij, met in achtneming van de wettelijke regels en procedures, een aanvraag hebben gedaan tot het verkrijgen van het recht van grondhuur. Dat Terra Invest NV slechts beschikt over een bereidverklaring de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter uitoefening van de landbouw. Dat Terra Invest en Reinland NV geen landbouwactiviteiten ontplooien op voormelde grond. Dat zij thans bezig zijn invulling te geven aan de eisen die de Milieu Raamwet stelt en zich houden aan de terzake geldende procedures. Dat zij erkende rechten van de tribale volken wensen te eerbiedigen, mits deze groepen, door de wet en jurisprudentie, erkend zijn als te zijn in stam verband wonende tribale volken. Dat volgens de Tingi en Saramaka People v. Suriname vonnissen er stringente voorwaarden c.q. factoren worden gesteld voor het toekennen van collectieve rechten aan inheemsen en tribale volken op een bepaald grondgebied. Dat er geen wettelijke basis is voor collectieve rechten in Suriname, omdat er naar Surinaams recht geen sprake is van collectieve rechtspersoonlijkheid. Dat St. Gi Jesi e.a. geen binding hebben met de grond omdat zij verzuimd hebben over te leggen een aanvraag tot het verkrijgen van het recht van grondhuur of enige titel en moeten op die grond niet ontvankelijk worden verklaard. Dat St. Gi Jesi zich beroepen op artikel 4 van het Decreet Beginselen Grondbeleid, waarin is opgenomen dat bij het beschikken over domeingrond de rechten van in stamverband levende bosnegers en indianen op hun dorpen, nederzettingen en kostgronden geëerbiedigd moeten worden, voorzover het algemeen belang zich daartegen verzet. Dat onder het algemeen belang mede moet worden begrepen de uitvoering van een project in het kader van een goedgekeurde ontwikkelingsplan. Dat het ontplooien van landbouwactiviteiten geen ingrijpende gevolgen en of schadelijke risico’s voor het milieu met zich zal mee brengen. Dat het algemeen bekend is dat de levenswijze van de in stamverband levende volken, zoals het jagen, ontbossen, houtkap, veeteelt, landbouw en visvangst, om in hun levensbehoefte te voorzien, door het ontplooien van landbouwactiviteiten nadelige gevolgen zal ondervinden. Dat de door hen te ontplooien landbouwactiviteiten meer voordelen dan nadelen zal opleveren voor de ontwikkeling van Suriname als ook het creëren van werkgelegenheid voor deze in stamverband levende volken zoals is gebleken in de mijnbouwsector. Dat zij de inhoud van de kaart “massive planned deforestation in Amazon of Suriname” de dato januari 2024 omdat het slechts een kaart betreft en geen deskundige rapportage van een onafhankelijke deskundige. Dat de kaart niet betreft de conform de richtlijnen van de Milieu Raamwet of enig milieueffecten analyse (MEA) door de Nationale Milieu Autoriteit in de zin van artikel 2 van de Milieu Raamwet. Dat zij door St. Gi Jesi e.a. niet in gebreke zijn gesteld of aangemaand dan wel vooraf in kennis zijn gesteld van de kaart en St. Gi Jesi e.a. hen niet de gelegenheid hebben geboden om binnen een redelijke termijn nader onderzoek te doen. Dat de bereidverklaring welke aan Terra Invest NV is gegeven op 07 maart 2024 is verlopen.

4.2 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland NV dat St. Gi Jesi e.a. niet bevoegd zijn om vorderingen in te stellen voor de inheemsen en in stamverband levende volken omdat het Surinaams recht geen collectieve rechtspersoonlijkheid kent. De kantonrechter sluit aan bij de door het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten gehuldigde opvatting in het Samaaka v. Suriname vonnis waarin zij ten aanzien hiervan het volgende overwoog.

“At the current stage of the evolution of the Inter-American system for the protection of human rights, the empowerment of the alleged victims, their next of kin or representatives to submit pleadings, motions and evidence autonomously must be interpreted in accordance with their position as titleholders of the rights embodied in the Convention and as beneficiaries of the protection offered by the system. Nevertheless, there are certain limits to their participation in these proceedings, pursuant to the Convention and in the exercise of the Court’s jurisdiction. That is, the purpose of the representatives´ brief containing pleadings, motions and evidence is to give effect to the procedural attribute of locus standi in judicio that this Court has already recognized, in its jurisprudence, to the alleged victims, their next of kin or their representatives.”

4.3 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland NV dat St. Gi Jesi e.a. geen binding hebben met de grond omdat zij verzuimd hebben over te leggen een aanvraag tot het verkrijgen van het recht van grondhuur of enige titel. De kantonrechter volstaat met de herhaling van wat het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten heeft overwogen ten aanzien van de locus standi in judicio van de vertegenwoordigers van de inheemsen en in stamverband wonende volken.

4.4 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland dat zij niet in gebreke is gesteld of aangemaand dan wel vooraf in kennis zijn gesteld van de kaart en hen niet de gelegenheid is geboden om binnen redelijke termijn nader onderzoek te doen. De verplichting tot het betrekken van de tribale en in stamverband levende volken betreft een verplichting van de staat alvorens zij beslissingen neemt om enige vorm van economische activiteit in hun woongebied toe te laten. Het Free Prior Informed Consent principe uit het internationaal recht met betrekking tot inheemsen en tribale volken behelst de manier waarop de staat de inheemsen en tribale volken dient te betrekken in de besluitvorming, met betrekking tot activiteiten binnen hun woongebied. De inheemsen en tribale volken kunnen slechts op basis van gedegen informatie, de gebruikelijke processen van besluitvorming en vrije wil een weloverwogen besluit nemen of zij enige vorm van economische activiteit in hun woongebied toelaten. In die situaties waar er sprake is van een rechtstreeks belang voor de inheemsen en tribale volken binnen hun woongebied en waarbij aan personen vergunningen en/of concessies worden gegeven of besluiten worden genomen over het gebruik van hun woongebied, is de toestemming van de inheemsen en tribale volken vereist alvorens door de staat een besluit wordt genomen. In die gevallen waar het overheidsprojecten betreft opgenomen in door de volksvertegenwoordiging goedgekeurde beleidsprogramma’s moeten de inheemsen en tribale volken vooraf worden geconsulteerd alvorens enig recht aan derden wordt verleend.
Het feit dat de aan Terra Invest NV bij beschikking de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter
uitoefening van de landbouw verstrekte bereidverklaring reeds vervallen is, niet weg neemt dat de inheemsen of in stamverband levende volken een vordering tegen de staat kunnen instellen ter voorkoming dat de staat wederom ertoe overgaat om zonder aan haar verplichtingen tot consultatie van deze groepen te voldoen beslissingen neemt over de toekenning van het recht van grondhuur aan Terra Invest NV, op gronden waarin hun dorpen, kostgronden en jachtgebieden voorkomen en daarmee een bedreiging te vormen voor hun levenswijze en hun middelen van bestaan.

4.5 Het kort geding is bij uitstek het middel om een voorlopige voorziening te vorderen, in gevallen van verzuim van de staat om te voldoen aan haar verplichting tot consultatie van de inheemsen of tribale volken alvorens zij een besluit neemt over het gebruik van hun woongebied voor economische of andere activiteiten, welke activiteiten een impact kunnen hebben op hun leefwijze en middel van bestaan. In kort geding kan door St. Gi Jesi e.a. worden gevorderd hetzij een verbod op herhaling in de toekomst, hetzij tot herstel van een onrechtmatig verstoorde toestand. Niet gesteld noch gebleken is dat de staat alvorens een bereidverklaring af te geven aan Terra Invest NV bij beschikking de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter uitoefening van de landbouw, zij aan haar verplichting tot consultatie van de inheemsen dan wel de tribale volken in het Witagron gebied heeft voldaan, de staat zal worden veroordeeld om in de toekomst te voldoen aan haar consultatie verplichting van de inheemsen en tribale volken, ter verkrijging van een free informed consent, alvorens zij een beslissing neemt om het recht van grondhuur te verlenen aan derden in het woon- en jachtgebied van de inheemsen en tribale volken. De vordering van St. Gi Jesi om de staat te veroordelen om alvorens zij een beslissing neemt over het laten ontplooien van economische activiteiten in het woon- en jachtgebied van de inheemsen of tribale volken zij eerst informed consent moet hebben verkregen zal worden toegewezen.

4.6 De vorderingen tegen Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn zullen worden afgewezen nu het niet een verplichting tot consultatie van hen betreft voor het verkrijgen van informed consent.

4.7 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.8 De staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde St. Gi Jesi e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 50, – vastrecht, SRD 2.106, – kosten voor oproeping en SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief. Totaal SRD 9.656, – (negenduizend zeshonderd zesenvijftig Surinaamse dollar).

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het tegen Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn gevorderde,

5.2 veroordeelt de staat om, alvorens zij een besluit neemt om derden het recht van grondhuur te verstrekken om economische activiteiten in woon- en jachtgebieden van inheemsen en of tribale volken te ontplooien, deze te betrekken in de besluitvorming ter verkrijging van informed consent, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat de staat in gebreke blijft om te voldoen aan haar consultatie verplichting met een maximum van SRD 10.000.000, – (tienmiljoen Surinaamse dollar),

5.3 verklaart dit vonnis ten aanzien van het bepaalde in 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,

5.4 veroordeelt de staat in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van St. Gi Jesi e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 9.656, – (negenduizend zeshonderd zesenvijftig Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en ter
openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton
mr. S.M.M. Chu op donderdag 16 mei 2024 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-HvJ-2019-65

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

A-825

In de zaak van:

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. R.D. Neslo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid,
Afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG),
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. E. Danning, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoekster] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 17 oktober 2013;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 02 december 2013;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 december 2013, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 04 december 2013 is verlengd met zes weken;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 13 januari 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 15 januari 2014, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 15 januari 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift zijdens de Staat ingediend op 24 februari 2014; 
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 09 mei 2014, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 06 juni 2014;
  • het proces-verbaal van het op 06 juni 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat de dato 04 juli 2014;
  • de conclusie tot uitlating omtrent de door de Staat overgelegde stukken zijdens Naarden;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015 en vervolgens nader op 21 februari 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoekster] is per 16 juni 1977 in dienst getreden van het toenmalige Ministerie van Opbouw en tewerkgesteld bij het zogeheten Houtskoolproject;
2.2. [verzoekster] is per 1 januari 1980 overgeplaatst naar het Ministerie van Volksgezondheid, afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG), eerstens in de functie van schoonmaakster en later in de functie van telefoniste;
2.3. [verzoekster] heeft over de periode van haar tijdelijk dienstverband, gelegen tussen 16 juni 1977 en 31 juli 1980 pensioenrechten ingekocht en heeft daardoor vanaf 16 juni 1977 haar pensioenaanspraken opgebouwd;
2.4. [verzoekster] heeft in haar privé-leven nogal wat tegenslagen te verwerken gehad, hetgeen geleid heeft tot afwezigheid (het hof begrijpt: op de werkplek) wegens ziekte;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoekster] vordert –zakelijk weergegeven- dat de Staat zal worden veroordeeld om de dienstbetrekking met haar met terugwerkend te herstellen en aan haar de achterstallige bezoldiging, inclusief onder andere vakantietoelage vanaf de stopzetting daarvan aan haar uit te betalen. Voorts vordert zij veroordeling van de Staat om haar conform de FISO-bezoldiging in een vergelijkbare loongroep te doen inschalen:
3.2. [verzoekster] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar ziekteverzuim permanent middels doktersattesten gedekt waren. Desondanks werd zij bij hervatting van haar werkzaamheden door de Onderdirekteur Administratieve Diensten van het BOG namens de Direkteur van het BOG aangezegd vooruitlopend op een te nemen beslissing thuis te blijven. Zij heeft met klem tegen delen van de brief van de Direkteur van het BOG gericht aan de Direkteur van het Ministerie van Volksgezondheid gereageerd omdat zij nimmer ongeoorloofd heeft verzuimd en haar afwezigheid wegens ziekte altijd gedekt is geweest middels doktersattesten. Zij heeft zich nimmer ingevolge het bepaalde in artikel 42 van de Personeelswet in opdracht van of op verzoek van het BOG gedurende haar afwezigheid wegens ziekte, noch na haar herstel, aan een geneeskundige controle moeten onderwerpen. Na aanzegging in 2003 door de Direkteur van het BOG heeft zij zich overduidelijk en gemotiveerd wegens vermeend plichtsverzuim verweerd. Op voormeld verweer van haar is zijdens het Ministerie van Volksgezondheid, hoewel onterecht, nimmer zoals artikel 61 van de Personeelswet voorschrijft op schrift een tuchtstraf opgelegd doch heeft de leiding van het BOG het haar constant onmogelijk gemaakt haar werkzaamheden te continueren en zulks ondanks zij zich steeds aanmeldde om haar werkzaamheden te hervatten. Zij bleef door middel van brieven en bezoeken tevergeefs aan het BOG verzoeken haar werkzaamheden te mogen hervatten en kreeg zij in oktober/november 2004 op haar woonadres bezoek van het Hoofd Algemene Zaken van het BOG voor het in ontvangst nemen van een voor haar bestemde brief waarvan de inhoud niet werd medegedeeld. Zij heeft geweigerd de zojuist aangehaalde brief in ontvangst te nemen maar was daartoe op kantoor wel bereid om de dienstbrief, na over de inhoud daarvan geïnformeerd te zijn, in ontvangst te nemen. Zij beschikt niet over een ontslagbeschikking en voorzover die er mocht zijn heeft de Staat de voorgeschreven ambtelijke procedures niet in acht genomen;
3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het hof komt –voor zover nodig- daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 van de PW is het Hof van Justitie (hierna: het hof) optredende als gerecht in ambtenarenzaken slechts bevoegd om kennis te nemen van de navolgende vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald;

4.2. Hetgeen [verzoekster] heeft gevorderd valt naar het oordeel van het hof niet te categoriseren onder de limitatieve opsomming van voormelde wetsbepaling. Immers vordert [verzoekster]– kort gezegd -herstel van de dienstbetrekking met terugwerkende kracht en betaling van het achterstallig salaris alsmede inschaling in een vergelijkbare loongroep conform de Fiso-bezoldiging. Het hof heeft derhalve geen andere keus dan om – zoals de Staat terecht heeft aangevoerd – zich onbevoegd te verklaren om van het gevorderde kennis te nemen. Het daartoe strekkend verweer zijdens de Staat is derhalve gegrond gebleken;

4.3. Nu [verzoekster] door het in het onderhavige geding gebracht Certificaat van Onvermogen d.d. 30 april 2013 genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt niet bij machte te zijn de kosten van dit proces te bestrijden, zal het Hof het ter zake door haar gedaan verzoek inwilligend verstaan, dat haar is vergund ten deze kosteloos te procederen;

4.4. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen en zal beslissen als in het dictum te melden;

5. De beslissing
Het hof:

5.1. Verstaat dat aan [verzoekster] is vergund om ten deze kosteloos te procederen;

5.2. Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein       w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. R.D. Neslo, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2019-64

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-824

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te Amsterdam in Nederland,
thans tijdelijk verblijf houdende in Suriname,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: voorheen mr. S. Marica (wijlen), vervolgens mr. V.V.C. Piqué, advocaten,
thans mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: voorheen mr. A.R. Autar, thans mr. M.E. Danning, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 oktober 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 februari 2014 met producties;
  • de beschikking van het hof van 07 april 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 16 mei 2014, welk verhoor is verplaatst naar 18 juli 2014;
  • het proces-verbaal van het op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen; 
  • de pleitnota d.d. 03 oktober 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘antwoordpleitnota’;
  • de antwoordpleitnota, met een productie, overgelegd op 07 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘reactie pleitnota’;
  • de repliekpleitnota d.d. 21 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘dupliekpleitnota’;
  • het bij schriftelijke rolbeschikking d.d. 03 juni 2016 gelasten van een comparitie van partijen ter verkrijging van inlichtingen en/of beproeving van een minnelijke regeling;
  • het proces-verbaal van de op 05 mei 2017 gehouden comparitie van partijen;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de comparitie van partijen op 19 mei 2017 is voortgezet;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 01 december 2017, met producties;
  • het schrijven van mr. Piqué d.d. 18 mei 2018, waaruit blijkt dat hij zich als gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak heeft onttrokken;
  • de pleitnota tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 juli 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 december 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker] is op basis van een arbeidsovereenkomst met ingang van 01 december 2006 als chauffeur op de ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (Nederland) in dienst getreden van de Staat, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 650,- per maand conform de schaal verbonden aan de rang van ambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 6). Blijkens artikel VIII van deze overeenkomst is het dienstverband aangegaan voor de duur van een jaar, eindigende op 30 november 2007.

2.2 Artikel IX van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat deze door elk der partijen schriftelijk en per aangetekend schrijven zal worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand en voorts dat bij tussentijdse opzegging partijen een opzeggingstermijn van twee maanden in acht zullen nemen.

2.3 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2009 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Kraag-Keteldijk, L.Y., meegedeeld:
“Op 21 september 2007 werd ik ontboden door de kanselier Dhr. Nooitmeer die mij namens de ambassadeur mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werd beëindigd. Ik heb tot op heden geen brief ontvangen zoals mij dat werd toegezegd dat ik ontslagen ben. (…)
Tot mijn verbazing werd mijn salaris per 1 november 2007 stopgezet (…).
Ik verzoek u het daarheen te willen leiden dat ik mijn salaris met terugwerkende kracht alsnog mag ontvangen. Ik ga er nog steeds vanuit dat ik in dienst ben van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (…).”

2.4 Bij schrijven d.d. 20 juli 2011 is namens de waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Naar aanleiding van uw recentelijk verzoek met betrekking tot een mogelijke vordering uwerzijds bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt uw aandacht erop gevestigd dat deze aangelegenheid aan een beschouwing is onderworpen.
Aan u kan worden medegedeeld dat het onderzoek niet heeft uitgewezen dat er een dienstverband met u bestaat op grond waarvan aanspraken uwerzijds voortvloeien.”

2.5 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 11 januari 2012 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Lackin, W., meegedeeld:
“Ik heb mijn werk altijd tot volle tevredenheid verricht en was daarom zeer verrast toen ik op 21 september 2007 door de kanselier, de heer Nooitmeer, werd ik ontboden, die mij namens de ambassadeur zonder enige reden mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werden beëindigd. Tot op heden heb ik geen schrijven hieromtrent ontvangen, dan wel ontslag verkrijgen of een ontslagvergunning althans ontslagbeschikking ontvangen.
Tot mijn grote verbazing werd mijn salaris per 01 november 2007 stopgezet (…). Sindsdien heb ik diverse brieven verzonden naar het ministerie tot opheldering en doorbetaling van mijn salaris, helaas zonder succes. (…)
Gelet op het bovenstaande wordt u verzocht het daarheen te leiden dat ik mijn salaris sinds 01 november 2007 doorbetaald krijg, totdat de dienstbetrekking tenminste op richtige wijze is beëindigd.”

2.6 [Verzoeker] heeft bij schrijven van zijn toenmalige procesgemachtigde, mr. Marica, d.d. 02 april 2013 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken meegedeeld:
“Tot mij heeft zich gewend mijn client, de heer D.H. [verzoeker] die mij om juridische bijstand vroeg.
(…)
Op 21 september 2007 werd client ontboden door de Kanselier Nooitmeer die hem mede deelde dat zijn werkzaamheden beëindigd waren zonder enig opgaaf van redenen. En per 1 november 2007 werd zijn salaris stopgezet ook zonder redenen.
Client heeft vele malen geprobeerd de zaak minnelijk op te lossen het laatst op 11 januari 2012 per schrijven aan u gericht zonder enig bericht uwerzijds.
(…)
Gaarne verneem ik van u per ommegaande wat de rechtspositie van client is en bij welke funktionaris hij zich moet aanmelden.
Indien ik geen voor client bevredigend bericht van u mocht ontvangen heb ik opdracht om na zeven dagen van ontvangst van dit schrijven de rechter te adiëren.”

2.7 Op het schrijven d.d. 02 april 2013 is geen reactie van de minister ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker];
B. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen zijn loon over de afgelopen tien maanden, zijnde in totaal SRD 6.500,-;
C. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] per maand te betalen zijn loon ad SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) vanaf ultimo april 2013 en voorts voor iedere maand SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op 21 september 2007 heeft de kanselier, dhr. Nooitmeer, [verzoeker] mondeling meegedeeld dat zijn werkzaamheden beëindigd waren per 01 november 2007 zonder opgaaf van redenen. Het salaris van [verzoeker] werd per laatstgenoemde datum niet meer uitbetaald. Bij schrijven noch bij beschikking is een reden voor zijn ontslag opgegeven. Door het uitblijven van enige reactie van de minister op het in 2.6 vermeld schrijven, heeft de Staat in strijd gehandeld met het beginsel van correcte bejegening, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en het beginsel van deugdelijke besluitvorming. Op grond van deze beginselen is sprake van willekeur zijdens de Staat, hetgeen verboden is. De Staat handelt onrechtmatig jegens [verzoeker], als gevolg waarvan [verzoeker] schade lijdt in de zin van loonderving.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoeker], inhoudende dat de Staat aan [verzoeker] zal betalen het loon over tien maanden, in totaal SRD 6.500,-, met de aantekening dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 november 2007 van rechtswege is geëindigd overeenkomstig artikel VIII van genoemde overeenkomst. [Verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.2 Het hof constateert dat de Staat abusievelijk niet in de gelegenheid is gesteld om te dupliceren. De Staat zal evenwel niet alsnog daartoe in de gelegenheid worden gesteld, nu de Staat, gelet op het in 4.4.2 overwogene, naar het oordeel van het hof, daardoor niet in zijn belang wordt geschaad.

Bevoegdheid
4.3.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 van de Personeelswet (Pw). Deze wet is dan ook op [verzoeker] van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.3.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Het in 3.1 onder A gevorderde, te weten de verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [Verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder B en C gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het besluit om vanaf november 2007 geen salaris aan [verzoeker] te betalen. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit deel van het gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.4.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer, naar het hof begrijpt, aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] pas in oktober 2013 een vordering heeft ingesteld, terwijl de Staat [verzoeker] reeds op 20 juli 2011 in kennis had gesteld van zijn besluit.

4.4.2 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 2 sub b Pw een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat een genomen besluit, in casu het besluit tot stopzetting van de betaling van het loon aan [verzoeker], ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[Verzoeker] heeft bij pleitnota terecht gesteld dat de Staat op 20 juli 2011 (zie 2.4) geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot het dienstverband. De Staat heeft echter reeds bij zijn verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] op 08 november 2007 door de toenmalige ambassadeur is bericht dat zijn dienstbetrekking met de Staat ingaande 01 oktober 2007 was beëindigd en dat hij vanaf laatstgenoemde datum derhalve geen salaris meer zal ontvangen.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat [verzoeker] op 21 september 2007 was meegedeeld dat zijn werkzaamheden zouden worden beëindigd per 01 november 2007, dan wel dat hij op 08 november 2007 in kennis is gesteld van het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris. [Verzoeker] heeft gesteld dat zijn salaris vanaf november 2007 niet meer werd betaald. Het hof overweegt dat [verzoeker] derhalve reeds in december 2007 had kunnen constateren dat het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris daadwerkelijk was genomen. Nu [verzoeker] pas op 11 oktober 2013 – na bijna 6 jaren – zijn vordering bij het hof heeft ingesteld, is hij daarin tardief, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het gevorderde in 3.1 onder B en C. Het daartoe strekkend verweer slaagt.
Het hof gaat voorbij aan het betoog van [verzoeker], kort gezegd, dat de Staat gehouden was hem voor te houden dat er een beperkte termijn geldt voor het instellen van een vordering bij het hof, nu dit betoog is gedaan bij pleitnota tot uitlating producties – het laatste processtuk – en de Staat geen gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Ten overvloede wordt overwogen dat voormeld betoog, ook al had het hof dat wel betrokken bij zijn beslissing, [verzoeker] niet kan baten en wel om de volgende reden. Anders dan [verzoeker] meent, brengt geen enkel algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de door hem bedoelde verplichting van de Staat met zich mee. Een andere opvatting zou meebrengen dat iedere landsdienaar die tardief is met het instellen van een vordering tegen de Staat en die zich niet op overmacht ex artikel 80 lid 4 Pw kan beroepen, zich met vrucht zou kunnen beroepen op de omstandigheid dat de Staat hem niet in kennis heeft gesteld van de in artikel 80 Pw genoemde termijn voor het instellen van een vordering bij het hof. Dit betekent dat deze termijn, welke van openbare orde is, zou verworden tot een dode letter.

4.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof niet toe.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde in 3.1 onder A.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder B en C.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door mr. K.J. Kraag-Brandon namens mr. J. Kraag, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens
mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.