SRU-HvJ-2007-21

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14175.

 

  1. [Appellant sub A], rechtspersoon kantoorhoudende aan [adres 1]
  2. [Appellant sub B], wonende aan [adres 2] te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Watermolenstraat 36 beneden, door wie tot hun aller gemachtigde is gesteld, Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat,
    appellanten in Kort Geding, t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 3] te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no.3 ten kantore van het advokaten kantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.D.Kanhai, advokaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 23 augustus 2001 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 24 augustus 2001, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, gewend daarbij stellende:

  1. dat eiser de hierna volgende vordering in kort geding wenst in te stellen tegen [Appellant sub A], rechtspersoon kantoorhoudende aan [adres 1] hierna te noemen gedaagde sub a;

[Appellant sub B] wonende aan [adres 2] te [plaats] ten deze domicilie kiezende ten kantore van Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat hierna te noemen gedaagde sub b;

  1. dat gedaagden stellenden, dat eiser in strijd met de bestemming van het perceelland bij beschikking uitgegeven aan [naam 1] te weten het recht van grondhuur ter bebouwing en bewoning op het perceelland groot 1078,82 vierkante meters gelegen in het district Paramaribo ten zuiden van de Coppenameweg deeluitmakende van de gronden Duisburg, Onverwacht en Flora instede van een woning een zakenpand hebben opgezet.

Voorts stellende, dat de eiser een heel ander gebouw, althans bouwsel heeft opgezet dan waarvoor toestemming is gegeven en in strijd met de vergunningsvoorwaarden niet in acht hebben genomen de wettelijke voorgeschreven afstand tussen de belendende percelen, alsmede heeft eiser niet in acht genomen de voorwaarden waaronder de inspectie van de fundering, althans zijn de bouwkundige en constructieve eisen verwaarloosd. Een kopie van het verzoekschrift genummerd productie 1 hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;

  1. dat de Kantonrechter ondanks het door eiser gevoerd verweer en de overgelegde produktie’s waaruit in elk geval blijkt dat niet in strijd met geen van de wettelijke bepalingen is gehandeld is eiser bij vonnis bekend onder A.R. [nummer 1] veroordeeld om zoals gerelateerd in het dictum van het vonnis:
  2. binnen 1 week na de uitspraak al hetgeen eiser op het aan [naam 1] in grondhuur afgestane perceelland zou hebben gebouwd af te breken en op te ruimen.
  3. eiser wordt voorts verboden om in strijd met artikel 8 van het Decreet Beginselen Grondbeleid een bouwsel op te zetten. Een kopie van het vonnis wordt hierbij overgelegd met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te wille. Genummerd productie 2; Dit alles op straffe van een dwangsom van Sf.5.000.000,– (vijf miljoen) voor ieder dag dat een hunner in strijd handelt met dit vonnis;.

4.dat gedaagden dit vonnis bij exploit van de deurwaarder d.d. 31 januari 2001 aan eiser heeft betekend met bevel om onmiddellijk al hetgeen hij eiser op het aan [naam 1] in grondhuur afgestane perceelland heeft gebouwd af te breken en op te ruimen en voorts is eiser verboden om enig bouwsel op te zetten in strijd met art 8 van het Decreet Beginselen Grondbeleid bij gebreke waarvan de eiser zal verbeuren een dwangsom van Sf.5.000.000,– per dag. Een kopie van het exploit wordt hierbij eveneens ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken (productie 3);

5.dat het vonnis hiergenoemd uitvoerbaar is verklaard bij voorraad. Eiser heeft evenwel tijdig tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend;

  1. dat dit vonnis niet in stand zal blijven en in hoger beroep zal worden vernietigd en wel op de navolgende gronden:
  2. dat de Kortgeding rechter heeft gelast het AFBREKEN van een haast afgebouwde woning en of pand hetgeen naar het de eiser voorkomt absoluut niet kan worden aangemerkt als een voorlopige voorziening. In elk geval heeft de formulering van het in het dictum gestelde het karakter van een definitieve beslissing waartoe de Kortgeding Rechter ten ene male onbevoegd is.

Dat naar vaste rechtspraak een voorziening in Kortgeding haar voorlopig karakter niet mag verliezen. De maatregel moet een na een billijke afweging van belangen tot stand komen zie in dit verband H.R. 8 febr.1946 N.J.1946, 166;

  1. dat het Decreet Beginselen Grondbeleid een instructie norm is van de Wetgever naar de Uitvoerende macht en derden met name burgers daar geen rechten aan kunnen ontlenen.

De Memorie van toelichting van dit artikel schrijft voor dat er een plicht rust op de grondhuurder om het perceelland overeenkomstig haar bestemming te bewonen en te bewerken. Niet behoorlijke nakoming kan aanleiding zijn tot intrekking van de uitgegeven grond. Niet nakoming zoals mag worden geconcludeerd geeft aan de overheid een bepaald recht en doch overtreding van dit artikel geeft aan derden geen enkel. Noch uit de inhoud van de Wet (Decreet) noch uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever meer heeft bedoeld dan de relatie grondhuurder en eigenaar te willen beschermen. Het enkele feit der wetsovertreding maakt het optreden van de eiser nog niet onrechtmatig tegenover derden (zie H.R. 17 jan. 1958 N.J. 1961 568;

  1. dat art 19 van het Decreet Uitgifte Domeingrond die eveneens de Memorie van toelichting in beginsel dezelfde strekking heeft als art.8 van het Decreet beginselen grondbeleid. Deze beide artt. hebben een geheel andere strekking. Overtreding daarvan betekent niet dat er tegenover derden onrechtmatig wordt gehandeld;
  2. dat door de gedaagden een beroep is gedaan op de Bouwwet. Ook dit besluit geeft de gedaagden geen houvast, ter adstructie waarvan moge worden verwezen naar art 7 van deze wet die de gedaagden de mogelijkheid biedt om in elk geval in beroep te gaan bij de Minister. De beroepsinstantie’s gegeven zijn niet allemaal afgelopen weshalve de Kortgedingrechter naar het de eisers voorkomt geen beslissing had kunnen geven, althans eerst een beslissing van het beroep binnen de administratie had moeten afwachten;
  3. dat anders dan gedaagden in kort geding had (lees: hadden) gevorderd naar het de eiser voorkomt de kortgeding rechter een definitieve beslissing heeft gegeven door de eiser onvoorwaardelijk te veroordelen om een gebouw dat bijna af is in zijn geheel af te breken op te ruimen;
  4. dat voorts op pag 5 van het vonnis wordt overwogen, dat in opdracht van de grondhuurder in casu [naam 1] het bouwwerk wordt opgezet en doch die [naam 1] niet in het proces is betrokken. Bedoelde grondhuurder in wiens opdracht wordt gebouwd is ook niet veroordeeld.

Dat voorts uit de overwegingen daarna blijkt, dat het [naam 1] is die in strijd met art 8 van het Decreet Beginselen Grondbeleid zou hebben gehandeld;

  1. dat het Kantonrechter, gelet op al het bovenstaande en hetgeen gebleken is in het geding waarin het onderwerpelijk vonnis is gewezen, gedaagden wegens misbruik van recht c.q. misbruik van het procesrecht niet mogen ontvangen in haar vordering;
  2. dat gedaagde thans misbruik maken van hun executie recht ter adstructie waarvan moge worden vermeld te weten:

7.a. dat bij exploit van de Deurwaarder bij het Hof van Justitie d.d. 27 februari 2001 executoriaal derden beslag is gelegd onder de Surinaamse (lees: Surinaamsche) Bank en de Handelmaatschappij B.Sewnath. Een kopie van bedoeld exploit genummerd productie 4 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;

  1. dat als gevolg van de aanvang van de executie, zijnde de betekening en de beslagen eiser erg veel schade lijden;
  2. dat gedaagden geen enkele redelijk belang hebben om tot executie over te gaan, de gedaagden hebben geen enkel belang bij de door hun ingediende vordering, terwijl het daarenboven niet aan eiser heeft gelegen dat het hoger beroep nog niet is behandeld;
  3. dat eiser bij een voortgaande executie van dit vonnis erg veel schade zal lijden, weshalve zij teneinde de schade te beperken spoedeisend belang heeft bij een onverwijlde voorziening bij voorraad hetgeen een beslissing in kortgeding rechtvaardigt;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar verklaard bij voorraad:

  1. zal worden geschorst, althans zal worden opgeschort de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton bekend onder A.R.[nummer 1] tussen partijen gewezen en uitgesproken in Kort Geding totdat in het daartegen ingesteld hoger beroep zal zijn beslist.
  2. de ten deze gelegde beslagen met onmiddellijke ingang zal worden opgeheven.

Voorts gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van Sf.10.000.000,– voor iedere keer of dag dat zij in strijd met dit vonnis mocht handelen.

Overwegende, dat De Stichting Moesafier en [naam 2] als gedaagden partijen in eerste aanleg bij conclusie van antwoord onder overlegging van producties – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser in zijn vordering niet zal worden ontvangen althans dat deze aan hem zal worden ontzegd, Kosten rechtens;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 23 augustus 2001 op de daarin opgenomen gronden:

  1. De executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton bekend onder A.R.[nummer 1] tussen partijen gewezen en uitgesproken in Kort geding heeft geschorst totdat in het daartegen ingesteld hoger beroep zal zijn beslist;
  2. Het bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie D.E.Hew A Kee d.d. 26 februari 2001 gelegd executoriaal derdenbeslag onder DE HANDELMAATSCHAPPIJ B.SEWNATH N.V., DE SURINAAMSCHE BANK N.V. en DE HAKRINBANK N.V. heeft opgeheven;
  3. Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;
  4. Gedaagden heeft veroordeeld tot betaling van een dwangsom van Sf.10.000.000,– (Tien Miljoen Gulden Surinaams Courant) voor iedere keer of dag dat zij in strijd met dit vonnis mochten handelen;

Gedaagden heeft veroordeeld in de proceskosten aan eiser’s zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f. 46.810,– (zesenveertigduizend achthonderd en tien gulden Surinaams Courant);

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellant sub A] en [appellant sub B] in hoger beroep zijn gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 23 augustus 2001;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder L.Tran van Can-Doesburg van 14 februari 2003 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellanten bij pleitnota en repliek pleidooi producties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 22 oktober 2004, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier tussen geintimeerde, als eiser en appellanten als gedaagden op 23 augustus 2001 door de Kantonrechter in Kort Geding vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum luidt;

  1. “Schorsen de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton bekend onder A.R.[nummer 1] tussen partijen gewezen en uitgesproken in Kort Geding totdat in het daartegen ingesteld hoger beroep zal zijn beslist;
  2. Heffen op het bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie D.E.Hew A Kee d.d. 26 februari 2001 gelegd executoriaal derdenbeslag onder De Handelmaatschappij B.Sewnath NV, de Surinaamsche Bank NV en De Hakrinbank NV;
  3. Verklaren dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;
  4. Veroordelen gedaagden tot betaling van een dwangsom van Sf.10.000.000,– (tienmiljoen Surinaams courant) voor iedere keer of dag dat zij in strijd met dit vonnis mochten handelen;

Veroordelen gedaagden in de proceskosten aan eiser’s zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf.46.810,– (zesenveertigduizend achthonderd en tien gulden Surinaams courant)”;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, de Kantonrechter als dragende overwegingen aan de schorsing van het vonnis met A.R.[nummer 1] het navolgende ten grondslag heeft gelegd:

“De stellingen en weren van partijen besprekend komen wij tot het oordeel dat voormeld vonnis in het ingesteld hoger beroep met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in stand zal blijven. Met eiser zijn wij n.l. (lees: namelijk) van oordeel dat artikel 8 van het Decreet Beginselen Grondbeleid betrekking heeft op de relatie tussen de Staat Suriname en de grondhuurder en dat derden daar geen rechten aan kunnen ontlenen. Voorts, dat in dergelijke gevallen waarin verandering van de feitelijke toestand dreigt of gevraagd wordt, een redelijke belangenafweging met zich meebrengt dat een definitieve uitspraak van de gewone rechter wordt afgewacht”.

“De beslissingen die Onze ambtgenoot in het vonnis d.d. 3 augustus 2000 heeft gegeven, te weten de overheid te gelasten de bouwvergunning in te trekken, de gedaagden sub A en B (in die zaak) te gelasten het gebouwde af te breken en af te voeren en een verbod om op dat perceel een bouwsel op te zetten in strijd met artikel 8 van het Decreet Beginselen Grondbeleid, zijn in het kort geding te verregaande beslissingen, aangezien volstaan had kunnen worden met een verbod op het verder bouwen op dat perceel, in afwachting van de beslissing in een bodemgeschil, omdat de overheid bevoegd is de bestemming van een grondhuur perceel te wijzigen en een bouwvergunning te verstrekken in afwijking van de regels in de bouwwet”.

Overwegende, dat, volgens de heersende rechtsopvatting, de rechter slechts de staking van de tenuitvoerlegging van een vonnis kan bevelen indien het te executeren vonnis:

  1. klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust (apert onjuist vonnis) of
  2. indien de uitvoering op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten (nova) klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard;

Overwegende, dat, de Kantonrechter in eerste aanleg het vonnis ten aanzien waarvan schorsing was gevorderd, had moeten toetsen aan de criteria hierboven vermeld, na welke toetsing, indien van één der criteria sprake was, naar heersende rechtsopvatting schorsing zou mogen volgen, en indien geen sprake van één der criteria was, naar heersende rechtsopvatting, afwijzing van het gevorderde had moeten volgen;

Overwegende, dat, de bedoeling van deze criteria geen andere kan zijn dan te voorkomen dat een partij die het niet eens is met een uitspraak, in kort geding opkomt tegen die uitspraak, waardoor als een “verkapt appél” het geschil opnieuw wordt beoordeeld door een andere kort geding rechter, hetgeen zou neerkomen op een inbreuk op het gesloten systeem der rechtsmiddelen dat ons rechtsysteem kent;

Overwegende, dat, appellanten zich, zoals blijkt uit hun stellingname, op deze criteria hebben beroepen en hebben gesteld dat van genoemde criteria geen sprake was, weshalve de Kantonrechter in eerste aanleg het gevorderde had moeten afwijzen;

Overwegende, dat, het Hof zal moeten beoordelen of in casu sprake was van de genoemde criteria;

Overwegende, dat, zoals hierboven vermeld, de Kantonrechter zijn beslissing heeft gebaseerd op de overwegingen dat:

  1. Het vonnis waarschijnlijk geen stand zal houden in appél en
  2. De in het vonnis opgenomen veroordelingen te “verregaand” zijn voor een kort geding;

Overwegende, dat, uit het procesdossier blijkt dat partijen van standpunt verschillen ten aanzien van de tweede overweging, waarbij geïntimeerde van mening is dat het feit dat de in het vonnis opgenomen veroordelingen te “verregaand” zijn voor een kort geding met zich meebrengt dat er sprake is van een apert onjuist vonnis;

Overwegende, dat, het Hof van oordeel is dat van “aperte onjuistheid” pas dan sprake is wanneer het voor een ieder onmiskenbaar duidelijk is dat de eerste rechter een feitelijke of juridische misslag heeft begaan;

Overwegende, dat, naar het oordeel van het Hof de eerste rechter, door de veroordeling tot afbraak van het bouwsel, welk bouwsel in strijd met de wet was opgezet, geen duidelijke feitelijke of juridische misslag heeft begaan; de opvatting waar het Hof enige affiniteit mee heeft, inhoudende dat de eerste rechter had kunnen kiezen voor een minder ingrijpende orde maatregel, doet daar niet aan af;

Overwegende, dat, naar het oordeel van het Hof in casu geen sprake is van de vereiste criteria voor het staken c.q. schorsen van een vonnis door de rechter in kort geding, waardoor die betreffende grieven van appellanten gegrond worden geacht en het vonnis in aanmerking komt voor vernietiging;

Overwegende, dat, het Hof opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijk gevraagde voorzieningen zal weigeren en gezien het bovenstaande niet toekomt aan bespreking van de overige grieven en weren, nu deze niet langer relevant zijn;

Overwegende, dat het Hof geïntimeerde, als de in het ongelijk gestelde partij, zal veroordelen in de kosten van het geding aan de zijde van appellanten gevallen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Kort Geding gewezen en uitgesproken op 23 augustus 2001, bekend onder Arno.010915, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE IN KORT GEDING:

Weigert de oorspronkelijk door geïntimeerde gevraagde voorzieningen;

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten aan de zijde van appellanten in beide instanties gevallen, in prima begroot op SRD…………

en in hoger beroep gevallen op SRD………….

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD………

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van geïntimeerde eveneens op SRD………….

Aldus gewezen door de heren: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks en Mr.D.D.Sewratan, Leden en

door Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 april 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat Mr.F.W.M.Thijm namens hun gemachtigde, advocaat Mr.E.C.M.Hooplot en geintimeerde vertegenwoordigd door advocaat Mr.K.Brandon namens zijn gemachtigde, advocaat Mr.I.D.Kanhai, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

 

SRU-HvJ-2007-20

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-602

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Hofstraat no.34 te Paramaribo, ten kantore van Mr.Lesley H.R.Rogers, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.L.H.R.Rogers, advokaat
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname zetelende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Dulam, advokaat,
verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoir vonnis van 15 december 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie onder overlegging van produkties, met name de resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 3 januari 2006, [nummer 1] heeft overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van produkties heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 15 december 2006 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verzoeker ter voldoening aan voormeld tussenvonnis bij daartoe strekkende conclusie de dato 5 januari 2007 in het onderhavige geding heeft doen brengen een afschrift in fotokopie van een resolutie van de President van de Republiek Suriname de dato 3 januari 2006 [nummer 1], waarbij verzoeker te rekenen van 1 oktober 2004 bevorderd is tot Hoofd Penitentiaire Ambtenaar der 2e klasse (bezoldigingsschaal 18);

Overwegende, dat nu verzoeker zijn oorspronkelijke vordering door zijn bevordering hangende het onderhavige geding bij resolutie van de President van de Republiek Suriname d.d. 3 januari 2006, niet meer kan worden toegewezen, zoals in het petitum geformuleerd, ook al zouden de daaraan ten grondslag gelegde feiten in het onderhavige proces zijn komen vast te staan, zal het Hof zijn vordering alsnog met een niet – ontvankelijkheid begroeten;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaren verzoeker alsnog niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten Mr.L.H.R.Rogers en Mr.S.Dulam, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-19

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-610

[Verzoeker], wonende aan [adres] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat no.40, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name

  1. Het Ministerie van Defensie en
  2. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, beiden, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.T.Sewdien, advokaat,
    verweerder,

 

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen: De Staat Suriname, met name
  1. Het Ministerie van Defensie en
  2. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken, beiden, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo.
  1. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de personeelswet en is voor de regeling van zijn rechtspositie de personeelswet en de terzake uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften op hem van toepassing.
  2. Verzoeker is blijkens resolutie d.d. 14 augustus 1995 [nummer 1] per 02 augustus 1993 benoemd tot Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en tevens bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse, ingeschaald in schaal 21 genoemde functie ressorteert onder verweerder sub a. Bedoelde resolutie wordt hierbij in fotokopie overgelegd met het verzoek de inhoud hiervan alsmede van de overige overgelegde producties als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te beschouwen.
  3. Volgens schrijven d.d. 20 juli 1994 van de afdeling personeelszaken sectie organisatie en formatiezaken van het Ministerie van Defensie dat destijds dependance was van het Centraal Staforgaan Formatie en Efficiëntie is de funktie van verzoeker gewaardeerd in de categorie: G (G3, G2, G1) en de daarbij horende rang in Hoofd Ambtenaar A 3e /2e / 1ste klasse en werd geadviseerd verzoeker in de functioneringsschaal 22 te plaatsen.
  4. Bovengenoemde rang en schaal indeling is blijkens, resolutie d.d. 04 augustus 1986 no.4737 SB 1986 no.50 en resolutie van 11 december 1992 no.7889 SB 1992 no.95 gelijkgesteld aan de functie van een onderdirecteur van de departement van algemeen bestuur en de met hen gelijkgestelden. Bedoelde resoluties worden hierbij in fotokopie overgelegd.
  5. Alhoewel bij schrijven c.q. raadsvoorstel d.d. 25 februari 1997, kenmerk MB/DD/218 aan de Minister van Defensie het voorstel is gedaan om verzoeker conform missive 733 d.d. 30 november 1995 te rekenen vanaf 01 augustus 1996 te bevorderen naar schaal 22, heeft de toekenning van de bevordering blijkens resolutie d.d. 06 januari 2001, pas op 01 januari 2000 plaatsgehad. Verzoeker is aldus per 01 januari 2000 bevorderd tot Hoofdambtenaar A 2e klasse ingeschaald in schaal 22. Bedoelde resolutie wordt hierbij in fotokopie overgelegd met het verzoek deze als hier letterlijk aangehaald en geinsereerd te beschouwen.
  6. Bij resolutie d.d. 15 januari 2005 is verzoeker te rekenen vanaf 01 januari 2004 bevorderd tot Hoofdambtenaar “A” 1ste klasse, ingeschaald in schaal 23. Deze resolutie wordt hierbij in fotokopie overgelegd met het verzoek genoemde resolutie als hier letterlijk aangehaald en geinsereerd te beschouwen.
  7. Ingevolge artikel 4 van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 en de nota van toelichting hierop dienen de aan de onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur gelijkgestelde functies in het ambtelijke bestel op gelijke voet worden gewaardeerd teneinde een ongerechtvaardigde scheefgroei c.q. achterstelling te voorkomen.

Naderhand is besloten de toe te kennen bezoldiging van de onderdirecteuren voornoemd en de met hen – qua bezoldiging- gelijk gestelden in een aparte bezoldigingsreeks onder te brengen, zoals vervat in het Staatsbesluit van 28 mei 2004 no.77.

  1. Aangezien verzoeker als functionaris werkzaam binnen het Staatsbestel een rechtspositie bezit die qua bezoldiging en emolumenten gelijk gesteld is als die van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, dient verzoeker in aanmerking te komen voor de in de bijlage van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 vastgestelde bezoldiging en emolumenten en wel te rekenen vanaf 01 januari 2000, zijnde de datum waarop verzoeker bevorderd werd tot Hoofdambtenaar 2e klasse, in geschaald in schaal 22. Thans blijkt dat bij de herwaardering van bedoelde toe te kennen onderdirecteuren bezoldiging de functie van verzoeker ten onrechte niet is meegerekend.
  2. Verzoeker ervaart zulks als groot onrecht en heeft meermalen aan verweerders om rekenschap gevraagd. Verweerders zijn namelijk ingevolge de in sustenu 6 en 7 genoemde resoluties belast met de uitvoering van genoemde resoluties, waaronder begrepen is het volgens de terzake geldende regelen toekennen van de bezoldiging en eventuele toelagen en het vaststellen van de bijdrage grondslag. Echter persisteren verweerders in hun weigering om de bezoldiging van verzoeker in de funktie van Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en ex-Militairen navenant de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te willen aanpassen en wel te rekenen vanaf 01 januari 2000, zijnde de datum waarop verzoeker naar de rang van Hoofdambtenaar A 2e klasse werd bevorderd ingeschaald in schaal 22, weshalve verweerder in strijd handelt met de in het algemeen rechtsbewust zijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van verbod van willekeur en het beginsel van detournement de pouvoir.

Het gelijkheidsbeginsel:

Dit beginsel heeft als uitgangspunt dat gelijke gevallen gelijkelijk behandeld dienen te worden. Vermits de rang en inschaling van verzoeker, gelijk gesteld is aan dat van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, dient de bezoldiging van verzoeker en de daarbij behorende emolumenten dienovereenkomstig aangepast te worden en wel te rekenen vanaf 01 januari 2000, omtrent de reden van het uitblijven van deze aanpassing tast verzoeker in het duister, aangezien deze nooit aan hem zijn kenbaar gemaakt, laatstaan draagkrachtig te zijn gemotiveerd.

Bovendien zijn in de ambtenarij gevallen bekend waarbij andere ambtenaren met een gelijke rechtspositie als verzoeker gelijkgesteld zijn aan de salariëring van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te weten onder andere het hoofd Cebuma, het hoofd Thesaurie inspectie en de directeur van het militair hospitaal, hoofd Comptabiliteit van het Ministerie van Financien. Zonder enige motivering weigeren verweerders verzoeker gelijk te stellen waardoor verzoeker ernstig benadeeld wordt hetgeen thans des te meer klemt nu verzoeker binnen korte tijd met pensioen zal gaan weshalve verzoeker een zeer dringend belang heeft bij onderhavige vordering.

Verbod van willekeur:

Verweerder heeft ten aanzien van enkele diensten c.q. functies binnen het ambtelijk bestel met een gelijke rechtspositie als verzoeker de gelijkstelling wel doorgevoerd c.q. uitgevoerd te weten: het hoofd Thesaurie inspectie, directeur militair hospitaal, het hoofd van de Afdeling comptabiliteit van het departement van Financien en anderen.

Nu gebleken is dat verweerders belast met de uitvoering van genoemde Staatsbesluiten, slechts voor enkele diensten binnen het ambtelijk bestel gelijkstelling heeft doorgevoerd kan worden geconcludeerd dat verweerder zich schuld aan een grove vorm van willekeur en aan verzoeker hierdoor ernstig onrecht is aangedaan.

Dat in casu sprake is van detournement de pouvoir blijkt uit het feit dat geen enkel gegronde reden kan worden aangedragen door verweerders om de litigieuze gelijkstelling ten behoeve van verzoeker niet uit te voeren. Bovendien is het duidelijk dat verweerder sub b een conflict met de echtgenote van verzoeker doortrekt naar verzoeker waardoor verzoeker ernstig in zijn rechten wordt aangetast.

  1. Dat uit het bovenstaande blijkt dat verweerders jegens verzoeker onrechtmatig handelen welk onrechtmatig handelen door de schuld van verweerders grote schade toebrengt aan verzoeker waardoor verzoeker recht en belang heeft onderhavige vordering in te stellen.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis:

  1. Verweerders zullen worden veroordeeld om binnen twee weken na de uitspraak van het ten deze te wijzen vonnis alle handelingen te verrichten om de bezoldiging van verzoeker overeenkomstig de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te willen doen aanpassen en wel te rekenen van 01 januari 2000, zijnde de datum per welke verzoeker naar de rang van Hoofdambtenaar A 2e klasse schaal 22 werd bevorderd.

2.Verweerders zullen worden veroordeeld om aan verzoeker tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen te rekenen vanaf 01 januari 2000;

  1. de bezoldiging conform de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur.
  2. alle emolumenten verbonden aan de in sub a genoemde bezoldiging.
  3. Verweerders zullen worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van

SRD 10.000,– (tien duizend Surinaamse Dollars) voor iedere dag waarop zij in gebreke blijven om aan het genoemde onder punt 1 en 2 te voldoen, Kosten rechtens.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist alle stellingen van verzoeker voorzover hij die niet gaaf en onvoorwaardelijk erkent;
  2. Verweerder erkent hetgeen verzoeker gesteld heeft in het 2e tot en met het 4e, 6e en 7e sustenu van het verzoekschrift;
  3. Ten aanzien van het 5e en 8ste sustenu van het verzoekschrift: verzoeker gaat er ten onrechte van uit dat er sprake is van een gelijkstelling van de rang van Hoofdambtenaar A 3e, 2e, 1ste klasse en van schaal 22 en 23 aan de functie van een onder Directeur van een Departement van Algemeen Bestuur en de met hen gelijk gestelden. Verweerder heeft een aantal functies uit de schalen 22 en 23 gelicht en apart gewaardeerd vanwege het gewicht van die functies en die zijn de functie van Onder-Directeur en Directeur of het Hoofd van een bepaald orgaan van verweerder. Hiervan is sprake in de gevallen die door verzoeker zijn opgesomd in het 10e sustenu van het verzoekschrift. Zo zijn ook heel wat andere functies ingedeeld gebleven in onder andere de schalen 22 en 23, zonder dat deze functies gelijk gesteld zijn aan die van een Onder Directeur of Directeur zoals bijvoorbeeld in het geval van verzoeker en het Hoofd Juridische Zaken en Verdragen van het Ministerie van Defensie. Er is dus helemaal geen sprake van willekeur zijdens verweerder en heeft verweerder ook niet het gelijkheidsbeginsel geschonden;
  4. Voorts, volgens de redenering van verzoeker zou zijn indeling in de rang van Hoofd Ambtenaar A 1ste klasse en de daarmee gepaard gaande inschaling in schaal 23 automatisch inhouden dat men een functie vervult, die gelijkgesteld is aan de functie van een Onder Directeur van een departement of directoraat. Dit is dus niet juist en ook niet logisch, want dat zou betekenen dat er geen enkele reden zou zijn schaal 23 te handhaven. Immers, diegenen die in aanmerking zouden komen voor een inschaling in schaal 23, zouden volgens verzoeker automatisch in de schaalindeling moeten komen, die voorbehouden is aan Onder Directeuren van een departement. Zoals hierboven is gesteld, functioneert een groot aantal Hoofdambtenaren A 1ste klasse in de ambtenarij, die volgens schaal 23 bezoldigd worden, omdat hun functie door het bevoegde gezag nu eenmaal niet gelijk is gesteld aan die van een Onder Directeur;
  5. Verweerder heeft het vorengestelde meerder malen aan verzoeker uitgelegd, doch blijkt deze moeite thans met het instellen van de onderhavige vordering, tevergeefs te zijn geweest;
  6. Verweerder is niet op de hoogte van een conflict tussen verzoeker zijn echtgenote en verweerder. Doch indien hiervan wel sprake zou zijn geweest, dan staat verzoeker hier helemaal buiten nu hij hiermee niets heeft uit te staan. Indien verzoeker zijn stelling ten aanzien hiervan juist zou zijn geweest, zou verzoeker nimmer in aanmerking zijn gekomen voor al die bevorderingen;
  7. Uit het verweer blijkt dat verzoeker zijn vordering enige grondslag ontbeert.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft gevorderd:

dat verzoeker niet zal worden ontvangen in zijn verzoek c.q. vordering althans deze hem zal worden ontzegd als te zijn ongegrond en niet bewezen, Kosten rechtens;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 13 oktober 2006 ten dage van verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, advokaat Mr.S.Sewdien, gemachtigde van De Staat Suriname, [naam 1], vertegenwoordigster van het Ministerie van Defensie en de heer Ewald Khodabaks, vertegenwoordiger van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen bij pleitnota, antwoord pleidooi en repliek pleidooi produkties hebben overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat verzoeker, thans gewezen ambtenaar, blijkens het verzoekschrift aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd,dat:

  • hij blijkens resolutie de dato 14 augustus 1975 [nummer 1] per 2 augustus 1993 benoemd is tot Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en tevens bevorderd tot Hoofdambtenaar A 3e klasse ingeschaald in schaal 21;
  • genoemde funktie resorteert onder verweerder sub a (bedoeld wordt: het Ministerie van Defensie)
  • volgens schrijven de dato 20 juli 1994 van de afdeling personeelszaken sectie organisatie en formatiezaken van het Ministerie van Defensie dat destijds een dependence was van het Centraal Staforgaan Formatie en Efficiëntie de funktie van hem – verzoeker – gewaardeerd is in de categorie: GCG3, G2, G1) en de daarbij horende rang van Hoofd Ambtenaar A 3e /2e 1ste klasse en werd geadviseerd verzoeker in de funktioneringsschaal 22 te plaatsen;
  • bovengenoemde rang- en schaalindeling blijkens resolutie de dato 4 augustus 1986 no.4737 SB 1986 no.50 en resolutie van 11 december 1992 no.7889 SB 1992 no.95 gelijkgesteld is aan de funktie van een onderdirekteur van een departement van algemeen bestuur en de met hen gelijkgestelden;
  • alhoewel bij schrijven c.q. raadsvoorstel de dato 25 februari 1997, kenmerk MB/DD 218 aan de Minister van Defensie het voorstel is gedaan om hem – verzoeker – conform missive 733 de dato 30 november 1995 te rekenen vanaf 1 augustus 1996 te bevorderen naar schaal 22, heeft de toekenning van de bevordering blijkens resolutie de dato 6 januari 2001, pas op 1 januari 2000 plaatsgehad;
  • verzoeker aldus per 1 januari 2000 is bevorderd tot Hoofdambtenaar A 2e klasse ingeschaald in schaal 22;
  • verzoeker bij resolutie van 15 januari 2005 te rekenen vanaf 1 januari 2004 bevorderd is tot Hoofdambtenaar “A”1ste klasse, ingeschaald in schaal 23;
  • ingevolge artikel 4 van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 en de nota van toelichting hierop dienen de aan de onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur gelijkgestelde functies in het ambtelijk bestel op gelijke voet te worden gewaardeerd teneinde een ongerechtvaardigde scheefgroei c.q. achterstelling te voorkomen;
  • naderhand besloten is de toe te kennen bezoldiging van de onderdirecteuren voornoemd en de met hen qua bezoldiging gelijk gestelden in een aparte bezoldigingsreeks onder te brengen, zoals vervat in het Staatsbesluit van 28 mei 2004 no.77;
  • aangezien verzoeker als (lees:gewezen) functionaris werkzaam binnen het Staatsbestel een rechtspositie (lees: bezat) die qua bezoldiging en emolumenten gelijk gesteld is als die van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur, lees: diende hij – verzoeker – in aanmerking te komen voor de in de bijlage van het Staatsbesluit van 26 augustus 1998 SB 1998 no.67 vastgestelde bezoldiging en emolumenten en wel te rekenen vanaf 1 januari 2000, zijnde de datum waarop hij – verzoeker – bevorderd werd tot Hoofdambtenaar 2e klasse ingeschaald in schaal 22;
  • thans blijkt dat bij de herwaardering van bedoelde toe te kennen onderdirecteuren bezoldiging de functie van hem – verzoeker – ten onrechte niet is meegerekend;

Overwegende, dat het Hof de inhoud van alle door verzoeker overgelegde resoluties en andere bescheiden als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aanmerkt;

Overwegende, dat verzoeker verweerder door te weigeren zijn- verzoekers – bezoldiging in de functie van Directeur van de Stichting Nazorg Dienstplichtigen en ex-militairen navenant de bezoldiging van een onderdirecteur van een departement van algemeen bestuur te willen aanpassen en wel te rekenen vanaf 1 januari 2000, zijnde de datum waarop verzoeker naar de rang van Hoofdambtenaar “A” 2e klasse werd bevorderd en ingeschaald in schaal 22, verwijt dat verweerder in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van verbod van willekeur en het beginsel van detournement de pouvoir;

Overwegende, dat, wat van gemelde stellingen en verwijten van verzoeker ook moge zijn, zij vermogen hem in casu niet te baten;

Overwegende immers, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken als de onderhavige kan worden gevorderd limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985);

Overwegende, dat het Hof krachtens genoemde wetsbepaling mede in verband met artikel 82 lid 3 van voormelde wet, wel de wettelijke bevoegdheid zou hebben gehad- indien aan artikel 79 lid 1 sub a zou zijn voldaan, de resolutie van 15 januari 2005 [nummer 2] op de door verzoeker bestreden onderdelen nietig te verklaren en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit overeenkomstig zijn uitspraak zou moeten worden genomen;

Overwegende, dat nu verzoeker’s petitum niet met de wet in overeenstemming is zal het Hof hem niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.D.D.Sewratan, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 mei 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.

J.V.van Dijk-Silos en verweerder vertegenwoordigd door Mr.R.Sohansingh namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Sewdien, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-18

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-611

[Verzoeker], ten rechte geheten [verzoeker], wonende te [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Nola Hattermanstraat no.5, ten kantore van Mr.J.R.Bouterse, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.R.Bouterse, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, het Ministerie van Financien, Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de H.A.E.Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.H.Veldkamp, advokaat, verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker], zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, het Ministerie van Financien, Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo aan de H.A.E.Arronstraat no.3, verweerder.
  2. Verzoeker is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (P.W.) in de rang van assistent-commies 1ste klasse belast met de werkzaamheden van commies 3e klasse in vaste dienst bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen.
  3. Bij beschikking van de Minister van Financien d.d. 09 juni 2005 [nummer 1] welke beschikking verzoeker heeft ontvangen op 26 juni 2005, is verzoeker uit Staatsdienst ontslagen te rekenen van de dag volgende op die waarop het besluit tot ontslag overeenkomstig artikel 71 lid 5 van de P.W. te zijner kennis is gebracht.
  4. De redenen die ten grondslag liggen aan het ontslag zijn in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur en wel om de volgende redenen.

4.1. Het is de verweerder bekend dat verzoeker lijdt aan het post traumatisch syndroom opgelopen als gevolg van de gewelddadige machtsovername van het bestuur des lands op 25 februari 1980 en dat hij zonder enige opleiding als douanier is overgeplaatst en tewerk gesteld bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen.

4.2. Dat als gevolg van dit post traumatisch syndroom, verzoeker onder medische behandeling is, ook van de psychiater. Verzoeker lijdt ondermeer aan tijdelijke geheugenverlies.

4.3. In plaats van keuring voor verzoeker te vragen die mentaal gehandicapt is, van welk feit verweerder volkomen op de hoogte is, loert verweerder verzoeker af en ontslaat hem nota bene tijdens zijn ziekte.

  1. Het besluit is niet overeenkomstig artikel 71 lid 5 van de P.W. ter kennis van verzoeker gebracht omdat voormeld artikel niet omtrent de wijze van ter kennis brenging handelt.
  2. Verzoekers leeftijd en aantal dienstjaren zijn niet in aanmerking genomen bij het nemen van deze zeer ingrijpende beslissing betrekkelijk de rechtspositie van verzoeker.
  3. De door verzoeker overgelegde beschikking wordt geacht hier letterlijk te zijn herhaald en geinsereerd.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat de beschikking van de Minister van Financien d.d. 09 juni 2005 [nummer 1] zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift heeft gesteld en aangevoerd, indien en voor zover dit niet woordelijk en uitdrukkelijk door verweerder wordt erkend. Verweerder biedt bewijs aan voor zijn stellingen, voor zover de bewijslast op hem mocht rusten.
  2. Het gestelde in het 2e sustenu van het verzoekschrift wordt door verweerder erkend en behoeft geen nadere bespreking.
  3. Het gestelde in het 3e sustenu van het verzoekschrift wordt eveneens erkend, met dien verstande dat de beschikking verzoeker op 24 juni 2005 is uitgereikt (zie produktie 1).
  4. Verweerder ontkent ten stelligste hetgeen gesteld is in het 4e sustenu van het verzoekschrift i.c. dat het ontslag in strijd zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zoals blijkt uit de hierbij overgelegde produkties 2, 3, 4 is sprake van een regelmatig ontslag op basis van ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestaat uit het meerdere malen door verzoeker, zonder opgaaf van redenen, niet op het werk te verschijnen vanaf 2001. Zoals de adjunct inspecteur het in zijn schrijven op 7 oktober 2003 aan de inspecteur der invoerrechten en accijnzen verwoordde: “[verzoeker] heeft reeds jaren een ontoelaatbaar hoog verzuim. Het manifesteert zich met de regelmaat van de klok. Je zou bijna zeggen, dat hij maar af en toe in het jaar gewerkt heeft” (produktie 5).

Op grond hiervan is verzoeker meerdere malen ingebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren. Verweer werd niet gevoerd of is niet steekhoudend gebleken om het verzuim te rechtvaardigen. Verzoeker heeft in zijn zoveelste ongedagtekend verweer op 01 maart 2005 het volgende gesteld: “[Naam 1]. Hierbij deel ik u mede, dat ik geen zin had om te komen de dagen dat ik afwezig was (zie produktie 6 en 7).Zoals in de beschikking in overweging 4 is aangegeven, diende tegen voormeld plichtsverzuim van verzoeker te worden opgetreden door verweerder, omdat het dienstbelang zulks vorderde.

  1. Dat verzoeker lijdende was aan het post traumatisch syndroom opgelopen alsgevolg van de gewelddadige machtsovername van het bestuur des lands op 25 februari 1980 etc., is verweerder niet bekend (zie 4e sustenu van het verzoekschrift punt 4.1. e.v.). Verzoeker functioneerde normaal, en heeft nimmer te kennen gegeven, ook niet in zijn verweer, dat hij ziek was, en derhalve medische begeleiding nodig had.
  2. Ook het gestelde door verzoeker, dat verweerder hem, verzoeker, “afloert”, is uit de lucht gegrepen, aangezien verzoeker geen feiten en omstandigheden aandraagt om deze bewering te onderbouwen. Verzoeker legt niet eens een medische verklaring over. Overigens waarom zou verweerder een keuring moeten doen gelasten van verzoeker, als bekend zou zijn, zoals verzoeker dat zelfs beweert in het 4e sustenu (punt 4.1.), dat “verzoeker lijdt aan het post traumatisch syndroom” etc.
  3. Aan het Hof wordt verzocht alle overgelegde produkties als in dit verweerschrift geinsereerd en daarvan deel uitmakende te willen beschouwen.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat de vordering van verzoeker zoals gesteld in zijn Petitum, niet ontvankelijk zal worden verklaard c.q. deze aan hem zal worden ontzegd alszijnde ongegrond, niet bewezen en in strijd met wet en recht.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 30 oktober 2006 ten dage van verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.R.Bouterse, advokaat Mr.H.H.Veldkamp, gemachtigde van verweerder, [naam 2], vertegenwoordiger van het Ministerie van Financien, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat partijen vervolgens vonnis hebben gevraagd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, assistent Commies 1ste klasse belast met de werkzaamheden van Commies 3e klasse in vaste dienst bij de Inspektie der Invoerrechten en Accijnzen, bij beschikking van de Minister van Financien [nummer 1] dd. 9 juni 2005 te rekenen van de dag volgende op die waarop de inhoud van dit besluit tot ontslag overeenkomstig artikel 71 lid 5 van de Personeelswet te zijner kennis is gebracht, ontslag uit Staatsdienst is verleend van wege het zich hebben schuldig gemaakt aan plichtsverzuim hierin bestaande dat hij meerdere malen zonder opgaaf van redenen niet op het werk verschijnt, waarvoor hij vaker door het diensthoofd is aangesproken;

Overwegende, dat, naar wijders uit gemeld procesdossier blijkt, verzoeker op 24 juni 2005 van het Hoofd Groot Paramaribo, de adjunct Inspecteur, R.Mendonḉa, de beschikking [nummer 1] d.d. 9 juni 2005 heeft ontvangen;

Overwegende, dat verzoeker bij verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 25 juli 2005 op in dat verzoekschrift aangegeven feiten, die als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, de vernietiging althans nietigverklaring van voormelde beschikking heeft gevorderd;

Overwegende, dat verweerder als formeel verweer van de verste strekking zich hierop beroepen heeft, dat verzoeker niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering nu de termijn binnen welke hij die vordering ingevolge de Personeelswet had moeten instellen heeft overgeschreden;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 80 lid 1 sub a van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985), vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat, onder maand in de zin van artikel 1 van de Personeelswet wordt verstaan : tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 5 lid 2 van de Personeelswet een besluit geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het desbetreffende stuk vanwege het bevoegde gezag aan hem is overhandigd;

Overwegende, dat nu vanwege het bevoegde gezag de ontslagbeschikking de dato 9 juni 2005 aan verzoeker is overhandigd en hij, verzoeker, op 25 juli 2005, dus op 32ste dag vanaf 24 juni 2005, terwijl de wet een termijn van dertig dagen, toestaat, zal het Hof verzoeker, nu hij de beroepstermijn heeft overgeschreden, niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant, geheel in het midden latend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaren verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.J.R.Bouterse en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.H.H.Veldkamp, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

  1. M.E. van Genderen-Relyveld.

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2007-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-616

[Verzoeker], wonende in het [district] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Henck Arronstraat no.63 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Marica, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.M.Tjon Jaw Chong, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de hierna volgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo, verweerder.
  2. Bij beschikking d.d. 29 december 2005, [nummer 1], heeft verweerder besloten de beschikking van de Minister van Justitie en Politie [nummer 3] in te trekken, daarbij stellende dat het gaat om een omissie zijdens de verweerder.
  3. Verzoeker die voor de intrekking als hiervoren bedoeld de rang had van Onder-Inspecteur kan zich niet verenigen met het besluit van de verweerder en wel om de hierna volgende reden.
  4. Verzoeker is bij beschikking d.d. 23 januari 2003 [nummer 4] wederom in dienst getreden bij verweerder en wel in de rang van Brigadier van Politie na een terzake door de verweerder ingesteld onderzoek.
  5. Bij schrijven d.d. 10 november 2003 afkomstig van de verzoeker is door de verzoeker aan de verweerder gevraagd hem te bevorderen in de rang van Onder-Inspecteur van Politie. Dit schrijven van de verzoeker wordt door hem aangemerkt als te zijn een uitdrukkelijk verzoek aan de verweerder.
  6. Verweerder heeft bij beschikking d.d. 14 mei 2004, [nummer 2], de verzoeker zijn uitdrukkelijk verzoek gehonoreerd, door te stellen dat verzoeker voldoet aan de eisen nadat de verweerder alle daarvan in aanmerking komende wettelijke regelingen terzake in acht had genomen.

Verzoeker is dan ook van oordeel dat gelet op het vorenstaande er geen sprake is van een omissie zijdens de verweerder maar wel van onbehoorlijk bestuur omdat de verweerder alle relevante wettelijke regelingen in beschouwing heeft genomen alvorens over te gaan tot benoeming. Het besluit van de verweerder is dan ook onrechtmatig jegens de verzoeker omdat het genomen is in strijd met de wet.

  1. Verzoeker is danook gerechtigd om op grond van het onrechtmatig handelen van de verweerder een vordering aanhangig te maken.
  2. Door het onrechtmatig handelen van de verweerder jegens de verzoeker lijdt de verzoeker iedere maand een vermogensschade van SRD.114,00,– (HONDERD EN VEERTIEN SURINAAMSE DOLLARS) per maand en met het oog op de aanstaande inspecteurs opleiding welke in april 2006 van start gaat zal de verzoeker immateriële schade lijden, omdat hij niet zal worden toegelaten tot de opleiding.
  3. Verzoeker overlegt hierbij producties met het verzoek deze als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de beschikking d.d. 29 december 2005, [nummer 1] zal worden geschorst, althans zal worden opgeschort totdat het Ambtenaren gerecht over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist.
  2. Verweerder zal worden gelast om aan verzoeker te betalen het bedrag van SRD.114,00,– vanaf ultimo januari 2006, totdat het Ambtenaren gerecht zal hebben beslist over de rechtsgeldigheid van de beschikking d.d. 29 december 2005 [nummer 1].
  3. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al datgene dat door hem hieronder niet gaaf en onvoorwaardelijk wordt erkend, met een beroep op de onsplitsbaarheid van zijn erkentenis onder aanbod van bewijs van zijn stellingen door alle middelen rechtens echter zonder gehoudenheid daartoe.
  2. Verzoeker vordert in zijn petitum onder punt 1 schorsing althans opschorting van de beschikking de dato 29 december 2005, [nummer 1], totdat het Ambtenarengerecht over de rechtsgeldigheid daarvan heeft beslist. Verweerder wenst op te merken dat verzoeker, nu hij het Ambtenarengerecht geadieerd heeft, tardief is daar hij dan zijn vordering niet binnen de bij de Wet voorgeschreven termijn aanhangig heeft gemaakt en de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de litigieuze beschikking niet genoemd is in artikel 79 van de Personeelswet. Op grond van het bovenstaande dient verzoeker dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard althans de vordering aan hem worden ontzegd.
  3. Aangezien het gevorderde in punt 2 een sequeel is van het gevorderde in punt 1, staat er niets anders op dan dat ook het in het punt 2 gevorderde, verzoeker ontzegd dient te worden.
  4. Voor de volledigheid zal verweerder het overige gemotiveerd bespreken. Verweerder erkent dat verzoeker wederom in dienst is getreden te rekenen van 01 september 2002 in de rang van Brigadier, en wel bij beschikking de dato 20 januari 2003 [nummer 6], en niet zoals verzoeker stelt bij beschikking de dato 23 januari 2003. Ook erkent verweerder dat verzoeker bij beschikking de dato 14 mei 2004, [nummer 2], bevorderd is van Brigadier van Politie tot Majoor van Politie, te rekenen van 01 september 2003. Laatst genoemde bevordering is feitelijk ook onterecht geweest, daar er geen wettelijke grondslag daarvoor aanwezig was, daar verzoeker slechts één jaar in de rang van Brigadier had gediend, terwijl art.49 lid 2 van het Reglement Algemene Politie (R.A.P.) aangeeft, dat hij tenminste drie jaar in die rang zou moeten hebben gediend en in het bezit moet zijn van een Brigadierdiploma, tenzij er sprake zou zijn van een Bijzonder Geval aangegeven in art.52 R.A.P., quod non.
  5. Verweerder ontkent en betwist dat genoemd schrijven in punt 3b van het inleidend rekest een uitdrukkelijk verzoek van verzoeker aan verweerder is om benoemd te worden tot Onder Inspecteur van Politie. Verzoeker vraagt in bedoeld schrijven om in aanmerking te komen voor de rang van Majoor. Bevorderingen in het Korps Politie geschieden ingevolge de wet en op basis van anciënniteit en kwam verzoeker nog niet in aanmerking voor de benoeming tot Majoor. Ook het in punt 3c van het inleidend rekest wordt ontkend en betwist, daar verzoeker niet aan de eisen in de wettelijke regelingen terzake voldeed.
  6. Verweerder heeft bij beschikking de dato 16 juni 2005 [nummer 3], verzoeker bevorderd tot Onder Inspecteur van Politie, te rekenen van 01 mei 2004. Hier heeft verweerder wederom een omissie begaan en is gerechtigd vide punt IIIc van voornoemde beschikking bij onjuist gebleken vaststelling het een en ander te herzien. Deze herziening is geschied bij beschikking de dato 29 december 2005 [nummer 1].

Het Reglement Algemene Politie artikel 49 lid 3 geeft aan dat voor de benoeming van Onder Inspecteur van Politie in aanmerking komt de Majoor van Politie, die – onverminderd de eisen geschiktheid voor de nieuwe rang en rekening houdende met de bestaande formatie – een diensttijd van tenminste drie jaren in die rang moet hebben vervuld en in het bezit is van het Brigadierdiploma. Verzoeker voldoet niet aan voornoemde vereisten en komt op de 65ste plaats op de ranglijst van KPS (prod.1). Het zou anders zijn als er sprake zou zijn van een bijzondere benoeming, zoals aangegeven in artikel 52 lid 3 van het Reglement Algemene Politie, quod non. Ook zijn er geen wettelijke gronden aanwezig voor de bevordering van verzoeker in een naast hogere rang. Van een onrechtmatig handelen zijdens verweerder is er dan ook geen sprake. Op grond van deze laatste bevordering is er ook terecht ontevredenheid ontstaan in het Korps en hebben een aantal politieambtenaren in de rang van majoor en die tevens vóór verzoeker op de ranglijst staan, hun misnoegen schriftelijk geuit en om opheldering verzocht (prod.2).

  1. Verzoeker heeft de beschikkingen [nummer 1] en [nummer 2] op dezelfde dag ontvangen, en wel op 10 februari 2006; hierbij wordt in fotokopie een borderel overgelegd met het verzoek deze als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen (prod.3). Het voorgaande impliceert dat verzoeker dan ook geen rechten kan ontlenen aan de beschikking [nummer 3], dus ook niet voor wat het salaris betreft.
  2. Verzoeker voldoet niet aan de eisen van benoembaarheid ex art.49 Reglement Algemene Politie, en komt ook niet in aanmerking voor een bijzonder geval ex art.52 Reglement Algemene Politie S.S. 1972 no.143. Het zou juist van onbehoorlijk bestuur zijdens verweerder betuigen, indien hij de omissie althans de onterechte bevordering van verzoeker niet had ingetrokken daar er zodoende tevens scheve verhoudingen in het Korps ontstaan! Verweerder ontkent en betwist dan ook onrechtmatig te handelen jegens verzoeker en of in strijd met de wet.
  3. Verzoeker kan op grond van het feit dat hij zowel de beschikkingen [nummer 3] en [nummer 1] tegelijk heeft ontvangen, ook geen rechten ontlenen aan de beschikking tot bevordering tot Onder Inspecteur, die inmiddels is ingetrokken.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft gevorderd:

dat verzoeker door het Hof niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering althans deze aan hem zal worden ontzegd als te zijn ongegrond en niet bewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 22 januari 2007 ten dage van verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, Mr.M.Tjon Jaw Chong, gemachtigde van verweerder en mevrouw Lucretia Redan, Hoofd- Inspecteur van Politie namens het Korps Politie Suriname, vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie en Politie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de verdere behandeling van de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 2 maart 2007 voor pleitnota peremptoir;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 2 maart 2007 er geen pleitnota is ingediend, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het in onderdeel I van het petitum gevorderde opmerkt, dat de Personeelswet (geldende Tekst 1985) niet voorziet in de mogelijkheid tot schorsing althans opschorting van besluiten in de zin van artikel 79 van die wet;

Overwegende, dat toewijzing van het in onderdeel I van het petitum gevorderde kan daarom al niet toegewezen worden ook al zouden de daaraan ten grondslag gelegde feiten in rechte zijn komen vast te staan;

Overwegende, dat ook al zou genoemde wet wel voorzien in de mogelijkheid van schorsing althans opschorting als is gevorderd in onderdeel I van het petitum en de daaraan ten grondslag gelegde feiten zijn komen vast te staan, dan nog zou verzoeker geen succes hebben met dat gevorderde omdat, naar tijdens het verhoor in Raadkamer de dato 2 februari 2007 zijdens verweerder onder meer onweersproken is verklaard, dat verzoeker de beschikking de dato 29 december 2005 op 10 februari 2006 heeft ontvangen doch blijkens aantekening van de griffier van het Hof dat verzoekschrift op 14 maart 2006 op de griffie van het Hof is ingekomen, dus op de drie en dertigste dag na de ontvangst, terwijl de wet, met name artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet (Geldende 1985) dertig dagen toestaat; verzoeker had zijn verzoekschrift op uiterlijk 11 maart 2006 moeten indienen;

Overwegende, dat nu toewijzing van het in onderdeel I van het petitum niet zal volgen, ondergaat het gevorderde in onderdeel II daarvan als sequeel van het in onderdeel I gevorderde, het zelfde lot;

RECHTDOENDE IN AMBTEANRENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zowel het in onderdeel I als het in onderdeel II van het petitum gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en

w.g.J.R.Von Niesewand

door Mr.K.Pultoo, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 maart 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.K.Pultoo

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.K.Brandon namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Marica en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.M.Tjon Jaw Chong, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-16

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-617

[Verzoeker], wonende aan [adres], te dezer zake domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.A.M.Essed, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de volgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, (Ministerie van Defensie), in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de H.A.E.Arronstraat no.3 te Paramaribo, verweerder.
  2. Verzoeker is militair ambtenaar in de zin van de Wet Rechtspositie militairen S.B.1996 no.28 in de rang van Korporaal der Eerste klasse in vaste dienst, ingedeeld bij de landmacht.
  3. Verzoeker heeft wegens medische redenen, zie attest J.E.Anijs, internist dd. 04 november 2003, prod.1, toestemming gevraagd en gekregen van het bevoegde gezag om op 31 december 2003 naar het buitenland te vertrekken en aldaar te vertoeven tot en met 27 maart 2004 zoals blijkt uit het schrijven van de chef Generale Staf van het Nationaal Leger dd. 31 december 2003, prod.2.
  4. Verzoeker is in Nederland onder medische behandeling geweest te rekenen van 02 januari 2003 tot en met 27 april 2004. Vervolgens is de medische (na) behandeling en observatie voortgezet in de periode april 2004 tot en met december 2004 en de op die periode betrekking hebbende attesten heeft verzoeker gefaxt voor het Hoofd G-4 (de major Weegman). Verzoeker legt hierbij over een kopie van een attest dd.19 maart 2004 respectievelijk 14 april 2004 als voorbeeld. Prod.3 en 4.
  5. Daarna is verzoeker op 08 april 2005 ontslagen uit het ziekenhuis waar hij operatie heeft ondergaan en op 10 april 2005 is verzoeker naar Suriname teruggekeerd.
  6. Direct na terugkeer in Suriname heeft verzoeker zich voor diensthervatting aangemeld bij het Hoofd G-4. Verzoeker is toen aangezegd zich te verweren in verband met zijn afwezigheid hetgeen hij ook heeft gedaan.
  7. Verzoeker is evenwel niet toegelaten om te werken, maar hij moest tot nader order thuis blijven.
  8. Hoewel verzoeker herhaaldelijk navraag heeft gedaan wanneer hij weer aan de slag kan gaan, kreeg hij steeds te horen dat hij bericht thuis moest afwachten.
  9. Eind mei 2006 heeft verzoeker zich weer aangemeld en toen is hem uitgereikt een beschikking van de Minister van Defensie dd. 30 juni 2005 [nummer 1] prod.5 waarbij aan verzoeker ontslag uit staatsdienst is verleend wegens het niet hervatten van de dienst na genoten vakantieverlof ex.art.69 lid 2 sub k van de Personeelswet.
  10. Verzoeker kan zich niet met de ontslaggrond verenigen omdat hij, zoals blijkt uit de overgelegde attesten, het Hoofd G-4 van zijn ziekte en verblijf terzake in Nederland volledig op de hoogte heeft gesteld.
  11. Het adres van verzoeker in Nederland is/was bij verweerder bekend doch heeft verweerder nagelaten via de ambassade of het consulaat-generaal van Suriname in Nederland onderzoek te doen naar de reden van afwezigheid van verzoeker in welk geval het verweerder kan bekend zou zijn geworden, voor zover hij dat al niet wist, dat verzoeker wegens ziekte, zoals door J.E.Anijs, internist in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo geïndiceerd, niet naar Suriname kon terugkeren en dat zijn afwezigheid wettig en geoorloofd was.
  12. Verzoeker is nog steeds ziek en hij mag van de voornoemde internist werken van 07.00 v.m. tot 12.00 uur n.m. prod.6.
  13. Verweerder heeft in strijd gehandeld met het algemeen beginsel van arbeidsrecht dat een werknemer tijdens ziekte niet mag worden ontslagen.
  14. Op grond van het vorenstaande mag de voormelde beschikking van de Minister van Defensie wegens strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en de wet niet in stand blijven.
  15. Alle door verzoeker aangehaalde en overgelegde bescheiden worden hier als letterlijk herhaald en geinsereerd beschouwd.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

Primair:

Zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard de beschikking van de Minister van Defensie dd.30 juni 2005 [nummer 1].

Subsidiair:

Verweerder terzake voorschreven zal worden veroordeeld om aan verzoeker te betalen zijn salaris te rekenen van 28 maart 2004 tot de dag volgende op die waarop de ten rekeste vermelde ontslagbeschikking aan verzoeker is uitgereikt, vermeerderd met de rente ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, Kosten rechtens.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker heeft gesteld in zijn inleidend rekest, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van uitdrukkelijk bewijs van al zijn stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht bewijslast op zich te nemen.

FORMEEL VERWEER

Geen beklag

  1. Verzoeker heeft niet krachtens artikel 78 van de Personeelswet gebruik gemaakt van het recht om binnen een maand schriftelijk beklag te doen bij het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit tot stopzetting van zijn bezoldiging en van zijn ontslag genomen heeft. Zijn bezoldiging is stopgezet op 28 maart 2004 en hij is ontslagen op 30 juni 2005, te rekenen van 28 maart 2004. Verzoeker is dan ook niet ontvankelijk in zijn vordering.

MATERIEEL VERWEER

  1. Voor zover het Hof voorgaand formeel verweer niet juist acht wenst verweerder het volgend materieel verweer te voeren.

DE FEITEN

Militair ambtenaar

  1. Verzoeker was voor zijn ontslag militair ambtenaar.

Geen ziekteverlof

  1. Verweerder ontkent en betwist het gestelde in het 3e sustenu van eis. De door verzoeker overgelegde productie no.1, afkomstig van J.E.Anijs, is geen verzoek van verzoeker om ziekteverlof c.q. toestemming om wegens medische redenen in het buitenland te vertoeven, maar een verklaring van een arts dat betrokkene een herniaoperatie in Nederland wil laten verrichten. In de verklaring staat overigens niet dat de operatie noodzakelijk was. Verweerder ontkent en betwist ook dat deze verklaring haar ooit heeft bereikt en dat deze verklaring een verzoek is om ziekteverlof in de zin der wet. In ieder geval is aan verzoeker nimmer overeenkomstig artikel 45 jo. Artikel 54 van de Personeelswet ziekteverlof verleend.

Verklaring vals

  1. Voormelde verklaring is gedateerd 4 november 2003. De handtekeningen en stempels van Drs.Landveld (arts Militair Hospitaal en Elnt-Hofwijks (destijds leidinggevende van de afdeling waar verzoeker werkzaam was) zij echter gedateerd 8 oktober 2003 en 10 oktober 2003. Kennelijk heeft verzoeker gefraudeerd met dit stuk, Verweerder beticht deze productie dan ook van vals en verzoekt het Hof dan ook om boorbij aan deze verklaring.

Vakantieverlof

  1. Verzoeker heeft verweerder, blijkens een fotokopie van het hierbij overgelegde schrijven d.d. 16 december 2003 (productie A) toestemming gevraagd om vakantieverlof in het buitenland door te brengen en niet om ziekteverlof. Blijkens de door verzoeker overgelegde productie 2 is aan hem geen verlof voor operatie c.q. ziekteverlof verleent, maar is aan verzoeker de gevraagde vakantie verlof en toestemming om in het buitenland te vertoeven verleent.

Geen attesten ontvangen

  1. Verweerder ontkent en betwist het gestelde in het 4e en 5e sustenu van eis. Verzoeker stelt dat hij attesten, heeft gefaxt voor het Hoofd G-4, echter overlegt hij geen bewijzen dat de faxen zijn verstuurd naar verweerder. De door verzoeker overgelegde productie 3 en 4 leveren dus geen bewijs van ontvangst van het fax bericht op. Verweerder heeft nimmer de vermeende faxen c.q. attesten ontvangen.

Meldingsplicht

9.Bovendien blijkt uit de door verzoeker overgelegde producties geenszins dat verzoeker in het ziekenhuis lag c.q. is geopereerd. Verweerder ontkent en betwist dat verzoeker geopereerd is. De overgelegde producties schijnen afkomstig te zijn van een huisarts in Nederland, N.Raghoenath, die volgens zijn verklaring verzoeker eerst in behandeling had voor ontregelde diabetes en een pijnlijke hernia. In de verklaring van dezelfde arts d.d. 14 april 2004 stelt die dat verzoeker alleen in behandeling was voor een ontregelde diabetes. Verweerder beticht de vermeende attesten van valsheid althans van intellectuele valsheid. Indien en voorzover verzoeker tijdens zijn vakantieverlof in het buitenland ziek werd, diende hij dat conform de wet te melden aan verweerder via het consulaat, waarna aan hem volgens de wettelijke procedure ziekteverlof zou kunnen zijn verleent.

  1. Bovendien verklaart de arts in de vermeende attesten dat hij verzoeker niet in staat achtte tot en met 30 april 2004 naar Suriname te reizen. Het is dus pertinent onwaar dat de vermeende attesten betrekking hebben op de periode april 2004 tot en met 30 december 2004.
  2. Verweerder ontkent en betwist dan ook dat verzoeker in april 2005 uit het ziekenhuis is ontslagen, immers in het 4e sustenu van het rekest beweert verzoeker zelf dat hij in de periode april 2004 tot en met december 2004 is nabehandeld en geobserveerd.

Geen diensthervatting na genoten vakantieverlof

  1. Verweerder ontkent en betwist het gestelde in het 6e t/m 9e sustenu van eis.Verzoeker heeft zijn werkzaamheden na genoten vakantieverlof op 28 maart 2004 niet hervat. Blijkens een hierbij overgelegde fotokopie van het schrijven d.d. 24 mei 2004 (produktie B), heeft verweerder verzoeker conform de wet aan geschreven en in de gelegenheid gesteld om zich terzake schriftelijk te verweren, hetgeen verzoeker heeft erkent en in rechte thans vaststaat.

Geen verweerschrift

  1. Verweerder ontkent ten stelligste dat verzoeker een verweerschrift heeft ingediend, althans zich verweert heeft, en dat hij zich voor diensthervatting heeft aangemeld. Verweerder heeft daarom de ontslagprocedure ingezet, zoals blijkt uit het hierbij overgelegde fotokopie van het schrijven afkomstig van verweerder d.d. 26 april 2006 (produktie C)

HET GESCHIL

  1. Verzoeker stelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het algemeen beginsel van arbeidsrecht, met name geen ontslag tijdens ziekte en in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur en de wet.
  2. Verweerder ontkent en betwist het gestelde in het 10e t/m 14e sustenu van eis. Uit de door verzoeker overgelegde bescheiden blijkt op gene wijze dat verweerder op de hoogte was van de vermeende ziekte en vermeende operatie. Verweerder had de plicht een eventuele ziekte te melden doch heeft op geen enkele wijze bewezen dat hij aan die verplichting heeft voldaan. Op verweerder rust geen onderzoeksplicht naar de onwettige afwezigheid van verzoeker.
  3. Indien verzoeker in aanmerking wenste te komen voor ziekteverlof dan diende hij de daartoe bij en krachtens de wet aangegeven procedure te volgen. De vermeende attesten van de internist hebben geen rechtsgevolg, althans niet het rechtsgevolg dat verzoeker met ziekte verlof is. Aan verzoeker is nimmer ziekteverlof verleend en maakt hij dan ook geen aanspraak op terzake geldende voorzieningen, c.q. bescherming.

Slechts ambtenaar

  1. Verweerder ontkent en betwist dat zij in strijd met de algemene beginselen van arbeidsrecht gehandeld heeft. Tussen verzoeker en verweerder bestaat geen arbeidsverhouding krachtens het commune arbeidsrecht. Verzoeker heeft een aanstelling krachtens de Personeelswet, welke wet aan verzoeker ook het rechtsmiddel van beklag heeft toegekend, doch waarvan verzoeker ook geen gebruik heeft gemaakt. Verzoeker heeft zich dan ook als een slechts ambtenaar gedragen, door eerst onwettig afwezig te zijn en vervolgens geen gebruik te maken van zijn rechtsmiddelen van verweer en van beklag.
  2. Verweerder ontkent dat zij verzoeker tijdens ziekte heeft ontslagen. Indien verzoeker werkelijk ziek was – goud non – dan diende hij verweerder daarvan op de hoogte te stellen en zich na zijn terugkeer terstond te melden bij het Militair Hospitaal dat speciaal voor militairen is ingericht en waar hij zich diende te laten onderzoeken. Verzoeker heeft het dan ook geheel aan zich te wijten dat verweerder van zijn vermeende ziekte niet op de hoogte was en aan hem geen ziekteverlof is verleent, zo daartoe gronden waren. Verzoeker dient dan ook in te staan voor de gevolgen daarvan.
  3. Verweerder ontkent en betwist dan ook dat de afwezigheid van verzoeker wettig en geoorloofd was.
  4. Verweerder heeft met in achtneming van de wet en de beginselen van behoorlijk bestuur, de op de wet steunde maatregel tegen verzoeker genomen.

Verweerder verzoekt het Hof de hierbij overgelegde producties A, B en C als hier ingelast en woordelijk herhaald te beschouwen.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering wordt afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 22 januari 2007 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtiagde, advokaat Mr.A.R.Baarh, advokaat Mr.S.Bikharie namens advokaat Mr.H.A.M.Essed, gemachtigde van de Staat Suriname en Mr.M.van Lingen, vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, Korporaal der Eerste Klasse in vaste dienst van het Ministerie van Defensie, ingedeeld bij de Landmacht met toepassing van artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet, ontslag uit Staatsdienst (militaire dienst) is verleend, wegens het niet hervatten van de dienst na genoten vakantie-verlof;

Overwegende, dat verzoeker, tegen voormeld ontslag opkomend, op gronden, in het verzoekschrift, ingekomen op 22 juni 2006 ter Griffie van het Hof van Justitie, aangegeven welke gronden als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, het Hof het verzoek heeft gedaan om primair:

te vernietigen althans nietig te verklaren de beschikking van de Minister van Defensie de dato 30 juni 2005 [nummer 1];

Subsidiair: verweerder terzake voorschreven van 28 maart 2004 tot de dag volgende op die waarop de ten rekeste vermelde ontslagbeschikking aan verzoeker is uitgereikt, vermeerderd met de rente ad 6% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;

Overwegende, dat verweerder als formeel verweer heeft aangevoerd, dat verzoeker niet krachtens artikel 78 van de Personeelswet gebruik gemaakt heeft van het recht binnen een maand schriftelijk beklag te doen bij het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit tot stopzetting van zijn bezoldiging en van zijn ontslag genomen heeft; zijn bezoldiging is stopgezet op 28 maart 2004 en hij ontslagen is op 30 juni 2005, te rekenen van 28 maart 2004; dat verzoeker, aldus verweerder, dan ook niet ontvankelijk is in zijn vordering;

Overwegende, dat voormeld verweer het Hof voorkomt als te zijn ondeugdelijk nu verzoeker niet verplicht was van een hem toekomend recht gebruik te maken;

Overwegende, dat verweerders beroep op artikel 82 lid 3 van de Personeelswet hem niet vermag te baten en mitsdien faalt, nu het Hof enkel op daartoe strekkende vordering van de landsdienaar overeenkomstig gemelde wettelijke bepaling zou mogen beslissen;

Overwegende, dat, naar ondubbelzinnig uit het dictum van de beschikking van de Ministerie van Defensie de dato 30 juni 2005 blijkt, verzoeker te rekenen van 28 maart 2004, ontslag uit Staatsdienst (militaire dienst) is verleend;

Overwegende, dat, verzoeker mitsdien met terugwerkende kracht is ontslagen;

Overwegende, dat blijkens de Memorie van Toelichting op de Personeelswet paragraaf 6: schorsing, ontslag en wachtgeld 6. Ontslag met terugwerkende kracht alleen bij samenloop met schorsing – te weten tot de datum van ingang daarvan – mogelijk gemaakt is;

Overwegende, dat nu verzoeker niet geschorst was, zijnde het tegendeel gesteld noch gebleken, hij niet met terugwerkende kracht ontslagen had mogen worden;

Overwegende, dat nu zulks wel plaatsgevonden heeft dient vernietiging van de ontslagbeschikking te volgen, kunnende immers een belastende c.q. bezwarende beschikking niet terug werken;

Overwegende, dat het Hof summa sumarum oordeelt dat verweerder door te handelen als voormeld het rechtsbeginsel der rechtszekerheid heeft veronachtzaamd wat leiden moet tot toewijzing van het primair gevorderde;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Defensie de dato 30 juni 2005 [nummer 1];

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 mei 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.Sheomber namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.H.A.M.Essed, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-15

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-569

[Verzoekster], wonende te [plaats] aan [adres] [woonwijk] ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo te zijner Parkette aan de H.A.E. Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.Oemar, advokaat,
verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hovens interlocutoir vonnis van 21 juli 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoekster in persoon bijgestaan door haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, advokaat Mr.I.S.Asarfi-Lalji namens advokaat Mr.R.Oemar, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 januari 2007, de gemachtigden van partijen hebben gepersisteerd bij hun stellingen en om vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het proces-verbaal van het verhoor van partijen in Raadkamer van het Hof van Justitie de dato 4 november 2005, blijkt, de gemachtigde van verweerder, N.Jhagru, Opper Penitentiair-Ambtenaar alstoen onder meer heeft verklaard: ”Voorts vermeld ik erbij dat in het verweerschrift van de Staat Suriname de dato 8 juli 2004 onder meer is verzocht om haar akte te verlenen om een correctie in de considerans en in het dictum van de beschikking van 10 februari 2004 te doen plegen. Instede van 15 september 2003 tot en met 3 oktober 2003 moet gelezen worden 18 september 2003 tot en met 26 september 2003. Voor het overige persisteer ik bij het ingediend verweerschrift;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van het zijdens verweerder ter gelegenheid van voormeld verhoor verklaarde, opmerkt, dat de motivering van de beschikking niet met de werkelijkheid in overeenstemming blijkt en die beschikking derhalve een deugdelijke grondslag mist;

Overwegende, dat, verzoekster voorts verweten wordt zich op 29 september 2003 indisciplinair te hebben gedragen tegen over haar meerdere, zonder evenwel dit verwijt met feiten te hebben onderbouwd;

Overwegende toch, dat verweerder in de gewraakte beschikking duidelijk feiten c.q. handelingen had moeten aangeven door verzoekster alstoen begaan die als indiciplinair gedrag zouden kunnen worden gekwalificeerd;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof een deugdelijke motivering dat met zich bracht;

Overwegende, dat verzoekster tot slot verweten wordt dat zij zonder toestemming van de dienstleiding dienstfaciliteiten beschikbaar heeft gesteld aan derden;

Overwegende, dat verzoekster ten dien aanzien tijdens het verhoor in raadkamer de dato 4 november 2005 heeft verklaard: ”Op 29 september 2003 was ik op kantoor voor het verrichten van mijn werkzaamheden. Op die bewuste dag kwam een kennis van mij op kantoor en deed mij het verzoek te helpen met het typen van een brief. Aangezien ik het nogal druk had met mijn werkzaamheden heb ik haar aangeboden zelf de brief uit te typen op mijn computer. Het hoofd van de afdeling waar ik werkzaam ben, de heer Rozen, was er op dat moment niet”;

Overwegende, dat, naar wijders uit de verklaring van verzoekster blijkt, de kennis van haar wel op de computer gewerkt heeft;

Overwegende, dat zijdens verweerder tijdens het verhoor in Raadkamer voormelde verklaring van verzoekster niet is weersproken zodat het Hof van de juistheid daarvan uitgaat;

Overwegende, dat van het zonder toestemming van de dienstleiding dienstfaciliteiten beschikbaar hebben gesteld aan derden, dan ook geen sprake is geweest; van een motivering die met de werkelijkheid in overeenstemming zou zijn, is ook geen sprake; ook te dien aanzien mist de beschikking een deugdelijke grondslag;

Overwegende, dat het Hof na al het vorenoverwogene beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 10 februari 2004 [nummer 1];

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR en Mr.H.E.STRUIKEN, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 januari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.KISOENSINGH-JANGBAHADOERSINGH, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.L.Patterson namens advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verzoekster terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

M.H.

 

 

 

SRU-HvJ-2007-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-599

[Verzoeker], wonende aan [adres] te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Heerenstraat no. 14 boven te Paramaribo bij het Advocatenkantoor Beckles, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B.G. Beckles, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, rechtens vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname zetelende ten Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr .F.M.S. Ishaak, advocaat,
verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid, rechtens vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, zetelende ten Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;
  2. verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is sinds 2 juli 1999 in dienst van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, in de funktie van administratief medewerker op de afdeling Boekhouding.
  3. dat verzoeker vervolgens per 2 april 2002 aangesteld is als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso bij het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, omdat deze funktie vacant stond na de pensionering van [naam 1], die deze funktie voorheen bekleedde.
  4. dat verzoeker na zijn aanstelling als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso bij de nieuwe thans fungerende algemene directeur van het Academisch Ziekenhuis Suriname, [naam 2] meerdere malen zowel schriftelijk als mondeling erop heeft aangedrongen bevorderd te worden aangezien hij, na zijn aanstelling in een hogere rang is komen te verkeren. (prod I)
  5. dat verzoeker thans als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso echter niet in aanmerking is gekomen voor een bevordering, wat voor hem in financieel opzicht zeer nadelig uitvalt.
  6. dat verzoeker echter ingevolge artikel 22 van de Personeelswet, na een jaar de funktie van Hoofd Afdeling Debiteuren/Incasso te hebben bekleed, vanaf 2 april 2003 van rechtswege bevorderd is. Dat hij aldus aanspraak maakt op het salaris en alle emolumenten behorende bij die funktie.
  7. dat verzoeker echter na twee en half jaar deze funktie te hebben bekleedt bij schrijven d.d. 8 november 2004 van de fungerende algemene directeur van het Academisch Ziekenhuis Suriname, [naam 2], werd medegedeeld te worden overgeplaatst naar de zogenoemde back office, waarbij verzoeker onder supervisie van andere boekhoudkundigen zijn werk moet verrichten. (prod II)
  8. dat verzoeker tegen dit besluit, ingevolge artikel 78 van de Personeelswet zijn beklag heeft gedaan bij de Minister van Volksgezondheid bij schrijven van 30 november 2004 (Prod III), welk schrijven door de minister op 24 december 2004 werd beantwoord in die zin, dat laatst genoemde zich op het standpunt stelt dat verzoeker nimmer is aangesteld als hoofd van de afdeling en er thans derhalve niet kan worden gesproken van ontheffing. (Prod IV). Verzoeke deze producties als hier herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  9. dat het besluit van de Minister thans neerkomt op een verlaging in rang, dat niet met duidelijke redenen gemotiveerd is.
  10. dat bedoeld besluit in strijd moet worden geacht met artikel 25 van de Personeelswet en tevens in strijd moet worden geacht met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en wel namelijk met het beginsel dat een ambtenaar niet de voordelen aan een vroegere rang of funktie verbonden zonder duidelijke motivering kunnen worden ontnomen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voormeld besluit, als vervat in het schrijven van de Minister van Volksgezondheid d.d 24 december 2004 [nummer 1] zal worden vernietigd.
  2. verweerder zal worden gelast binnen 1 x 24 uur na de uitspraak verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn funktie als Hoofd van de Afdeling Debiteuren/Incasso te bekleden en uit te oefenen zonder enige hinder zijdens verweerder.
  3. verweerder zal worden veroordeeld aan verzoeker te betalen de bij deze funktie behorende salaris vermeerderd met alle toelagen en emolumenten vanaf april 2002 tot heden.
  4. verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 1.000,– voor iedere dag dat verweerder nalatig blijft uitvoering te geven aan het vonnis.
  5. voorts verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. verweerster (lees: verweerder) ontkent en betwist al hetgeen niet uitdrukkelijk door haar (lees: hem) is erkend. Verweerster (lees: Verweerder) biedt van zijn stellingen bewijs aan, indien en voorzover de bewijslast ingevolge de wet op haar (lees: hem) mocht rusten;
  2. verweerster (lees: verweerder) kan erkennen dat verzoeker ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet: eveneens wordt erkend dat verzoeker sinds 2 juli 1999 in dienst is van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo in de funktie van administratief medewerker op de afdeling Boekhouding;
  3. verweerster (lees: verweerder) ontkent en betwist ten stelligste dat verzoeker sedert 2 april 2002 aangesteld is (was) als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso bij het Academisch Ziekenhuis Paramaribo: door de Fungerend Algemeen Directeur van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, [naam 2] is verzoeker per 2 april 2002 overgeplaatst naar de afdeling Debiteuren/Incasso: dit nadat in of na verscheidene voor gesprekken met hem was afgesproken dan wel is voorgehouden dat na gebleken geschiktheid hij in aanmerking zou kunnen komen voor de funktie van hoofd van voormelde afdeling;
  4. verweerster (lees: verweerder) heeft in ieder geval hiermede verzoeker van den beginne af aangewezen op de voornaamste criteria zijnde – gebleken geschiktheid na beoordeling van zijn prestaties/werkdrang en/of kennis der zaken – welke inherent zijn of zouden zijn na een (officiële) aanstelling als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso: aan verzoeker is in ieder geval voorgehouden dat een vervulling van zijn werkzaamheden in optima forma zouden/zullen bijdragen aan een waarborg voor de instelling alszodanig gelet op het feit dat de financiële huishouding daarvan inherent is voor het voortbestaan van de instelling en/of met name het uitbetalen van salarissen aan het personeel;

Verweerster (lees:Verweerder) heeft daarmede in ieder geval voldaan aan de beginselen van behoorlijk bestuur en wel met name het beginsel van correcte bejegening, het beginsel van zorgvuldige kennisgeving en het beginsel van redelijke en billijke belangen afweging;

  1. met het verstrijken der tijd bleek dat verzoeker disfunctioneerde althans is hij gedurende zijn functioneren aldaar diverse malen aangesproken over het feit dat hij niet adequaat inspeelde bij het indienen en ontvangen van rekeningen, alszijnde de kerntaken van deze afdeling: het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (AZP) is daardoor menigmaal in problemen gekomen met het op tijd uitbetalen van salarissen aan het personeel en de aanschaf van benodigde goederen: mede door het disfunctioneren van verzoeker heeft de direktie van het AZP – bij een reorganistatie – de unit Debiteuren/Incasso teruggebracht van een afdeling naar een sectie die ressorteert onder het Hoofd van de Financiële Administratie;
  2. verzoeker is derhalve vaker voorgehouden beter te functioneren conform hetgeen van hem verondersteld of verwacht moge worden: zulks is niet geschied: aan verzoeker is zijn disfunctioneren ook medegedeeld nadat hij ettelijke malen in de gelegenheid is gesteld zijn arbeid kwalitatief te verbeteren;
  3. verweerster (lees: verweerder) ontkent en betwist ten stelligste dat – de reorganisatie ten detrimente is (geweest) van verzoeker c.q. dat zulks hem in financieel opzicht zeer nadelig uitvalt: verzoeker is horizontaal, met behoud van alle rechten, overgeplaatst naar een andere afdeling: ten aanzien van het salaris is derhalve niets veranderd;
  4. nu verzoeker nimmer is aangesteld kan er derhalve ook geen sprake zijn van een ontheffing: ook stelt de verweerster (lees: verweerder) heel nadrukkelijk dat verzoeker ook geen aanspraak maakt op een bevordering van rechtswege: nu hij weliswaar de werkzaamheden kan hebben verricht – welke inherent zouden zijn van die van Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso – doch nimmer alszodanig is aangesteld;
  5. verweerster (lees: verweerder) ontkent dan ook in strijd te handelen met of te hebben gehandeld met de Personeelswet en/of met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur (welke door de verzoeker ook niet worden geponeerd);
  6. dat dit verweerschrift binnen de aan verweerster (lees: verweerder) vergunde termijn is ingediend;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft gevorderd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 22 mei 2006 ten dage van verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat mr. B.G. Beckles, advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van verweerder, de heer S.M. De Getrouwe, Hoofd Personeelszaken en mevrouw Claudia Marica – Redan, Administateur van het Landsbedrijf Academisch Ziekenhuis Paramaribo, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof onder beschikking in de zin van de Personeelswet begrijpt een schriftelijk besluit van een administratief orgaan, gericht op enig rechtsgevolg;

Overwegende, dat nu in het schrijven van 24 december 2004 [nummer 1], naar het oordeel van het Hof, niet is vervat een besluit in de zin van de Personeelwet, waarvan verzoeker vernietiging vraagt, zal het Hof zich onbevoegd verklaren van het gevorderde in onderdeel a van het petitum kennis te nemen; zo ook ten aanzien van het gevorderde in de onderdelen b en c van het petitum als sequeel van het gevorderde in onderdeel a;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de verzoeker zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend-President, mr. H.E. Struiken, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g. G.A. Kisoensingh-Janghabadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.P. Boldewijn namens zijn gemachtigde, advocaat mr. B.G. Beckles en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. A.I. Soechitram namens zijn gemachtigde, advokaat mr. F.M.S. Ishaak , zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

  1. R.R. Brijobhokun, Wnd.Subst.-Griffier

 

SRU-HvJ-2007-13

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

M.H. M

A – 605

[Verzoeker], wonende in het [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, ten kantore van Mr.S.Marica aan de Henck Arronstraat no.63 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Marica, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.Y.Braam-Jordan, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 1 juni 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Marica, Mevr.L.P.Redan, vertegenwoordiger van het Korps Politie Suriname en advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan – opgemaakte hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de zaak verwezen werd naar rolzitting van 6 juli 2007 voor conclusie na gehouden comparitie van partijen en uitlating produktie zijdens verzoeker;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak had bepaald op 3 augustus 2007, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 1 juni 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder bij monde van zijn gemachtigde, mw.L.Redan, Hoofd Inspekteur van Politie, ter gelegenheid van de op 29 juni 2007 gehouden inlichtingencomparitie onder meer heeft verklaard – voorzover ten deze van belang – dat verzoeker na afloop van de periode gedurende welke hij geschorst was, ter beschikking van de Korpschef was gesteld, wat betekent dat hij – verzoeker – op afroep van de Korpschef beschikbaar moest blijven; dat hij – verzoeker – ontslagen werd zonder zelf een keer door de Korpschef te zijn opgeroepen; dat hij – verzoeker – gedurende een periode van bijkans twee jaren na afloop van de termijn van de schorsing, maandelijks zijn vol salaris heeft ontvangen, zo ook zijn vakantiegeld en alle andere emolumenten;

Overwegende, dat het Hof op grond van voormelde vaststaande feiten van oordeel is, dat verweerder, door verzoeker gedurende voormelde periode op afroep beschikbaar voor de Korpschef te houden, en hij, verzoeker, nu het tegendeel zijdens verweerder niet is gesteld, zich alstoen ook daadwerkelijk beschikbaar heeft gehouden voor de Korpschef, en verweerder hem – verzoeker – alstoen iedere maand gedurende bijkans twee jaren zijn vol salaris heeft betaald, zo ook telkens zijn vakantiegeld en andere emolumenten, bij verzoeker de verwachting heeft gewekt dat hij hem behouden zou voor het ambt dat hij gedurende vele lange jaren heeft bekleed;

Overwegende, dat verweerder door verzoeker desondanks uit Staatsdienst te ontslaan, het vertrouwensbeginsel, naar het oordeel van het Hof, heeft geschonden;

Overwegende, dat de beschikking de dato 4 maart 2005 [nummer 1] dan ook niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 [nummer 1];

Aldus gewezen door: Mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-President, Mr. D.D. Sewratan en Mr. H.E. Struiken, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 december 2007, in tegenwoordigheid van Mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g.R.R.Brijobhokun w.g.I.H.M.H.Rasoelbaks

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Marica en verweerder vertegenwoordigd door advokaat K.J.Hok A Hin namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-607

[Verzoeker], wonende aan [adres], in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Johan Adolf Pengelstraat 46 te Paramaribo ten kantore van de advokaat Mr.G.R.Sewcharan, voor wie als gemachtigde optrad, Mr.G.R.Sewcharan, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.H.Veldkamp, advokaat, verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

dat bij beschikking d.d. 4 maart 2005 [nummer 1], de Minister van Justitie en Politie, nader te noemen verweerder, verzoeker heeft ontslagen uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) ingevolge artikel 40 lid onder j van het Politiehandvest. Van de beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd (Produktie 1).

dat de beschikking op vrijdag 6 mei 2005 ter kennis van verzoeker is gebracht.

Verzoeker kan zich met de beschikking, althans het besluit, en de gronden waarop die berust niet verenigen en wenst op basis van de navolgende gronden bij het Hof de onderhavige vordering in te stellen.

  1. Blijkens de beschikking wordt als grond voor het besluit vermeld een onderzoek van OPZ van een strafdossier [nummer 2]. Als tweede grond wordt aangegeven een vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 21 mei 2003. Dit vonnis betreft hetzelfde strafdossier. Van dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Het Hoger beroep is nog niet behandeld. Het vonnis is derhalve nog niet onherroepelijk. Verzoeker heeft de beschuldiging ontkend. Het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, brengt met zich mee dat het alszodanig niet, althans nog niet, als grond mag worden gebruikt voor het in deze gegeven ontslag.
  2. Voorts wordt door verweerder gesteld dat verzoeker een dienstvoertuig voor zes uren zou hebben gebruikt voor privé-doeleinden en dat hij eens zijn vuistvuurwapen zou hebben gehanteerd, terwijl daartoe, aldus verweerder, de noodzaak ontbrak en zou hij een keer geslapen hebben in een dienstvoertuig. Verweerder concludeert dan dat deze zaken ernstig plichtsverzuim opleveren en ontslaat verzoeker vervolgens uit vaste dienst.
  3. Zoals gesteld, is verzoeker het met het besluit en de aangehaalde gronden niet eens. Ten aanzien van de eerste grond is hiervoor aangegeven dat het verwijt nog niet vaststaat, en derhalve niet aangewend kan worden voor het onderhavige ontslag. Verzoeker is van mening dat bij behandeling van de zaak in hoger beroep aan het licht zal komen dat hij niet betrokken is. Hij constateert daarom dat verweerder in deze ten onrechte hem op grond van dat dossier en vonnis ontslaat.
  4. Voor wat betreft de hiervoor onder 2 aangehaalde gronden, is verzoeker de mening toegedaan dat die door verweerder enkel vermeld zijn om de eerder besproken grond aan te dikken. Echter vormen deze gronden afzonderlijk, noch gezamenlijk voldoende grondslag voor het gegeven ontslag en rechtvaardigen daarom het ontslag ook niet.
  5. Voorts is het verzoeker bekend dat zijn medeverdachten in de betreffende strafzaak niet zijn ontslagen en vermoedt hij dat hem ontslag is aangezegd om andere dan de in de beschikking vermelde redenen. Weshalve er volgens hem hier kennelijk sprake is van misbruik van bevoegdheid.
  6. Tevens is verzoeker van mening dat het besluit in strijd is met de wet en/of met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In ieder geval is het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu zijn medeverdachten niet, maar hem wel ontslag is aangezegd.
  7. Ook is volgens verzoeker het besluit in strijd met het beginsel van belangenafweging. Verzoeker staat aan het hoofd van een gezin. Alszodanig is hij verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. De onder 2 van weergegeven gronden voor het gegeven ontslag, althans het gestelde plichtsverzuim, staan geenszins in verhouding tot de nadelige gevolgen van het ontslag voor verzoeker en zijn gezin.
  8. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. 4 maart 2005 met [nummer 1], waarbij verzoeker uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) is ontslagen, nietig zal worden verklaard;
  2. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnengekomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan heeft verklaard, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen bereiken;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 november 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan wederom heeft verklaard dat hij nog geen kontakt heeft gehad met zijn cliënt en dat zijn cliënt niet reageert op de oproep, doch hebben de gemachtigden van de procespartijen terzelfde terechtzitting gepersiteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 5 januari 2007, advokaat Mr.S.N.K.Woei A Sioe namens de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan een onttrekkingsbrief heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat er een schrijven de dato 8 januari 2007 [nummer 3] (u) naar de verzoeker is verzonden op 9 januari 2007, [nummer 4];

Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 januari 2007 geen enkel bericht van verzoeker is ontvangen, waarna het Hof vonnis heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, agent van Politie 1ste klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim;

Overwegende, dat, naar verzoeker in het verzoekschrift heeft gesteld voormelde beschikking op vrijdag, 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffier van het Hof het verzoekschrift op 6 juni 2005 op de Griffie is ingekomen;

Overwegende, dat verzoeker in onderdeel 1 van het petitum van voormeld verzoekschrift vordert de nietigverklaring van voormelde beschikking, althans het besluit, de dato 4 maart 2005 [nummer 1], waarbij hij – verzoeker – uit Staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985), vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingediend, meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat onder maand ingevolge artikel 1 van genoemde wet wordt verstaan: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat een besluit genomen op grond van het bij of krachtens

de Personeelswet geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het stuk door het bevoegde gezag aan hem is overhandigd (artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet);

Overwegende, dat nu het besluit, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, op 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht en hij de onderhavige vordering pas op 6 juni 2005 tegen verweerder heeft ingesteld, dus op de 32ste dag sedert 6 mei 2005, terwijl de wet slechts 30 dagen sedert 6 mei 2005 toestaat, rest het Hof niets anders dan hem – verzoeker – niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van verzoeker als niet langer relevant, geheel in het midden latend;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag,2 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.H.H.Veldkamp, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.