SRU-HvJ-2023-4

Vonnisnummer: 01/2023
Uitspraak: 09 januari 2023
Parketnummer: 01 – 07 – 02825
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 16 augustus 2021 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte] alias [bijnaam verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep ondernemer, wonende aan de [adres] in het district [district], sedert 26 oktober 2018 in detentie verkerend in Nederland en vanaf 17 september 2022 in Suriname;

De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadsman, mr. R.R. Lobo namens de verdachte op 30 augustus 2021 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton.

Formeel verweer van de vervolging

Bij vonnis d.d. 18 januari 2021 is de verdachte door de Kantonrechter in het Derde Kanton bij verstek veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf van 16 (zestien) jaren, met aftrek van de tijd in detentie in Nederland doorgebracht. Tegen dit vonnis heeft verdachte verzet aangetekend en is bij vonnis d.d. 16 augustus 2021 het aangetekend verzet vervallen verklaard en het vonnis d.d. 18 januari 2021 bekrachtigd, omdat verdachte niet is verschenen ten dage van de behandeling van het verzet. Tegen het vonnis van 16 augustus 2021 heeft verdachte hoger beroep aangetekend. Op grond van artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (hierna WvSv) kan alleen het Openbaar Ministerie van een vonnis bij verstek gewezen in hoger beroep komen. Redenen waarom de vervolging het Hof verzoekt de zaak niet in behandeling te nemen.

Reactie van de verdediging op voormeld verweer

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd komt, voor zover van belang voor het beantwoorden van de kernvraag, op het volgende neer. [verdachte] is niet gevlucht naar het buitenland, maar is op 15 maart 2018 via de Internationale Luchthaven Zanderij voor medische behandeling naar het buitenland vertrokken.

Primair bepleit de verdediging het appѐlverbod van artikel 369 WvSv buiten toepassing te laten wegens strijd met onder andere artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights en artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag, welke verdragsbepalingen garanderen dat “Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht heeft de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.

Subsidiair bepleit de verdediging het appѐlverbod van artikel 369 WvSv te doorbreken, daar de verdachte vanwege zijn detentie in Nederland zowel in de verstek- als de verzet procedure geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht op de openbare zitting als bedoeld in artikel 8 van de American Convention on Human Rights en artikel 14 van het BUPO verdrag. [verdachte’s] strafzaak is behandeld terwijl om zijn uitlevering was gevraagd aan Nederland en hij in dat kader in detentie was. Dan dient men te wachten totdat de uitlevering is uitgevoerd. Ten onrechte is het verzet ex artikel 366 lid 1 WvSv vervallen verklaard en is de verdachte [verdachte] c.q. zijn raadsman het verzoek tot schorsing ex artikel 366 lid 2 geweigerd en is daardoor in strijd gehandeld met genoemde verdrags-bepalingen en beginselen van een goede procesorde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie:

met betrekking tot het buiten toepassing laten van het appѐlverbod van artikel 369 WvSv wegens strijdigheid met verdragsbepalingen

Met een beroep op en verwijzing naar uitspraken van het Hof van Justitie stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat de aangehaalde verdragsbepalingen, namelijk artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights en artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag, geen “ieder bindende bepalingen” zijn welke op grond van de artikelen 105 en 106 van de Grondwet van de Republiek Suriname, naar hun aard voor rechtstreekse toepassing door de rechter in aanmerking komen. De vervolging concludeert tot verwerping.

met betrekking tot doorbreking van het appѐlverbod van artikel 369 WvSv wegens schending van het aanwezigheidsrecht.

Er is geen sprake van het ontnemen aan de verdachte van diens recht om aanwezig te zijn op de openbare zitting tijdens de verstek- en de verzetprocedure. Van handelen in strijd met artikel 8 van de American Convention on Human Rights of artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag en beginselen van goede procesorde is geen sprake.
Op 01 juni 2018 hebben de Surinaamse autoriteiten om de uitlevering van de opgeёiste persoon [verdachte] gevraagd. Rechtbank Den Haag heeft op 23 mei 2019 de uitlevering van de opgeёiste persoon toelaatbaar verklaard. Er is tevens door de Rechtbank advies aan de Minister gegeven met betrekking tot de door de raadsman uitgebrachte stukken betreffende de gezondheidstoestand van de opgeёiste persoon. De opgeёiste persoon tekent cassatieberoep aan tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 oktober 2019 het cassatieberoep verworpen en is de uitspraak onherroepelijk geworden. Door de minister werd het medisch dossier van betrokkene voorgelegd aan de medisch adviseur van de Dienst Justitiële Inlichtingen (DJI). Op 24 januari 2020 achtte de DJI de opgeёiste persoon uitleverings- en detentie geschikt. Er is volgens de adviseur geen acute zorgvraag en er zijn geen specialistische ingrepen nodig, vandaar geen enkel bezwaar dat de opgeёiste persoon zijn detentie in Suriname zou voortzetten. Gelet op het ontvangen advies van de medisch adviseur van de DJI en de ontvangen informatie van de Surinaamse autoriteiten, acht de Minister het standpunt van de opgeёiste persoon dat uitlevering aan Suriname voor hem van bijzondere hardheid zou zijn en daarom niet zou moeten worden toegestaan, onvoldoende aannemelijk. Op 17 maart 2020 werd door de Minister van Justitie en Veiligheid de verzochte uitlevering toegestaan.

Op 18 februari 2019 is een aanvang gemaakt met de behandeling van de strafzaak door de Kantonrechter en is op 18 januari 2021 bij verstek vonnis gewezen en uitgesproken. Het tegen dit vonnis aangetekend verzet is op 16 augustus 2021 vervallen verklaard en is het verstek vonnis bekrachtigd. Door de verdediging was het verzoek gedaan de zaak voor een periode van minimaal zes maanden aan te houden, daar verdachte vanwege diens medische toestand niet kon afreizen naar Suriname. De behandeling van de strafzaak heeft bijkans 3 jaren geduurd, echter is de verdachte nimmer ter terechtzitting verschenen. De door de verdediging c.q. verdachte aangehaalde argumenten met betrekking tot zijn ziekte blijken bij gebrek aan voldoende onderbouwing als niet steekhoudend te worden aangemerkt. Uit de overgelegde stukken kon niet worden geconcludeerd dat verdachte niet naar Suriname mocht afreizen om gehoord te worden, terwijl hem niets in de weg stond, zulks wel te doen. Immers heeft de Rechtbank en vervolgens de Hoge Raad in de uitleveringsprocedure de opgeworpen verweren regarderende de gezondheidstoestand van de opgeёiste persoon ongegrond verklaard, althans is daaraan voorbijgegaan.

Beoordeling door het Hof

Het Hof stelt vast dat ingevolge artikel 369 lid1 WvSv de veroordeelde verdachte niet in hoger beroep kan gaan tegen een verstek vonnis. Dit verbod staat op gespannen voet met artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag (Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten) en artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights.

Bij wet Wet van 27 augustus 2007, (SB. 2007 no. 101) is de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers gewijzigd in die zin, dat het mogelijk is voor politieke ambtsdragers om in hoger beroep te gaan tegen een veroordelend vonnis, hetgeen voorheen niet mogelijk was. De Memorie van Toelichting (MvT) op deze wet stelt onder meer: “Internationaal is namelijk vereist dat de mogelijkheid van hoger beroep tegen een veroordelend strafvonnis steeds aanwezig moet zijn. Dit internationaal vereiste is onder meer te vinden in artikel 14 lid 5 van het op 19 december 1966 te New York tot stand gekomen Internationaal verdrag inzake burger en politieke rechten (V.B. 1981 no. 17) en de “American Convention on Human Rights”. Volgens deze bepaling heeft een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.

Deze overwegingen van de wetgever geven het Hof, mede gelet op de artikelen 105 en 106 van de Grondwet van de Republiek Suriname, aanleiding om in de onderhavige strafzaak het voor de veroordeelde [verdachte] uit artikel 369 WvSv voortvloeiend verbod om in hoger beroep te gaan van het veroordelend verstekvonnis d.d. 18 januari 2021 waar tegen de veroordeelde verzet had aangetekend, (welk verzet bij vonnis van 16 augustus 2021 vervallen werd verklaard en het verstekvonnis werd bekrachtigd), buiten toepassing te laten.

Het Hof zal het formeel verweer van de vervolgingsambtenaar verwerpen en de verdachte ontvankelijk verklaren in het door hem tijdig ingesteld appel en zal een datum voor de verdere behandeling van de zaak bepalen.

Gelet op het bovenstaande, komt het Hof derhalve niet meer toe aan het bespreken van het tweede deel van het verweer van de verdediging.

Beslissing:

Het Hof van Justitie,

Rechtdoende in hoger beroep:

Verwerpt het door de vervolging opgeworpen formeel verweer;

Verklaart appellant ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;

Bepaalt dat het onderzoek in deze zaak in hoger beroep tegen verdachte zal worden voortgezet op maandag 23 januari 2023 om 09.00 uur des voormiddags;

Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Aldus gewezen door:

Mr. M.C. Mettendaf, fungerend- President Mr. S. Punwasi en Mr. D. Nanhoe, leden – plaatsvervanger, bijgestaan door Mr. G.A. Kisoensingh, fungerend- griffier, en uitgesproken door de fungerend – president te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 09 januari 2023.

 

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi
w.g. D. Nanhoe

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut – Griffier)

 

 

SRU-HvJ-2022-23

Vonnisnummer : 32/2022
Uitspraak : 03 augustus 2022
Parketnummer : 1-1-02830
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 13 augustus 2014 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep veldarbeider en wonende aan de [adres] te [plaats], thans in vrijheid verkerend;

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door de raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 22 augustus 2014 op de voorgeschreven wijze appél heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de vervolging tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op woensdag 11 juni 2014 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat no. 79 – 81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

Op of omstreeks 23 april 2014, althans in het jaar 2014, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

op een tijdstip gedurende de nacht als bedoeld in artikel 121 van het Wetboek van Strafrecht uit een (goed) (afgesloten) woning of op een bij een woning behorende erf alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
• sieraden (van geel en/of wit metaal) en/of
• een of meer horloges (van verschillende merken) en/of
• een hoeveelheid religieuze speldjes (van geel metaal) en/of
• een (bruine lederen) tas en/of
• een of meer flessen parfum (van verschillende merken) en/of
• een of meer oorknopjes en/of
• een (wit verkaste Samsung Galaxy 3) mobiele telefoon en/of
• een of meer geldbedragen (SRD 1400 en/of USD 750 en/of Euro 343) althans een of meer dezer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de weggenomen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
(Art. 371 WvSr)

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de bevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof ambtshalve evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 13 augustus 2014, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, voor hetgeen hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, onder aftrek van de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten SRD 110,25, gevorderd.

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan hetgeen hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd. De verdachte heeft gesteld dat hij op die bewuste dag niet aanwezig was op de plaats delict, maar dat hij samen met zijn moeder en hoogzwangere vriendin thuis was. Voorts dat hij niet weet hoe zijn vingerafdruk op de plaats delict is terechtgekomen De verdachte heeft ook verklaard dat hij, vanwege iets dat jaren geleden heeft plaatsgehad, niet meer over straat gaat wanneer er een wandelmars is. Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat hij deze zaken geen plek in zijn leven wil geven, niet eraan wil denken, en ook niets erover wil horen. De verdachte heeft tot slot verklaard dat hij een gezin en een baan heeft en zijn leven reeds heeft opgepakt.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 13 augustus 2014 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde (gekwalificeerde diefstal) vrijgesproken.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge de artikelen 341 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

Vrijspraak

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd.

Motivering van de vrijspraak

Het wettig bewijsmiddel
Artikel 325 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering geeft een limitatieve weergave van wettige bewijsmiddelen. Als wettige bewijsmiddelen worden erkend: de eigen waarneming van de rechter; verklaringen van de verdachte; verklaringen van een getuige; verklaringen van een deskundige; schriftelijke bescheiden.

In het proces-verbaal d.d. 25 april 2014, betreffende ‘identificatie van twee vingersporen’, opgemaakt door [naam 1], agent van politie eerste klasse, onder leiding van [naam 2], inspecteur van politie derde klasse, staat vermeld dat, ‘uit de ingestelde vergelijkingsonderzoeken is gebleken dat één der gevonden en gereproduceerde vingersporen een zodanig aantal punten (17) van overeenkomst vertonen met de afdruk van de linkerringvinger van de verdachte terwijl een ander een zodanig aantal (20) punten van overeenkomst vertoonde met de afdruk van de rechtermiddelvinger van de verdachte, dat er van identiteit kan worden gesproken’. De deskundige, [naam 2], heeft het voornoemde proces-verbaal op de zitting van 12 januari 2022 in hoger beroep nader belicht en – zakelijk weergegeven – verklaard dat, ‘er in Suriname wettelijk dertien (13) punten van overeenkomst worden gehanteerd bij het identificeren van vingersporen. Voorts dat er in casu honderd procent sprake is van identiteit, omdat er meerdere vingersporen op de plaats delict zijn aangetroffen’.

Het voornoemde proces-verbaal en de nadere toelichting van de deskundige daarop kunnen op basis van artikel 325 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering worden getypeerd als te zijn een wettig bewijsmiddel.

De overtuiging
Artikel 324 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan dat, ‘het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen’.

Ten aanzien van de voor een bewezenverklaring vereiste ‘overtuiging’ geldt dat deze haar grondslag moet vinden in de wettige bewijsmiddelen. Bovendien moet de overtuiging meer zijn dan een bloot vermoeden. Het begrip ‘overtuiging’ kent twee componenten. Enerzijds een subjectieve component, bestaande uit de persoonlijke overtuiging van de rechter dat door hem vastgestelde feiten juist zijn. Anderzijds een meer objectieve component, bestaande uit feiten en omstandigheden die dit oordeel kunnen dragen.

In het strafdossier zijn er aanwijzingen en verklaringen ten aanzien van de alibi van de verdachte. Zo heeft de moeder van de verdachte, [naam 3], bij proces-verbaal d.d. 20 mei 2014, opgemaakt door [naam 4], adspirant agent van politie, – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard: “Ik zal mijn zoon voor het gemak ‘[bijnaam verdachte]’ noemen. Ik kan niet bevestigen of mijn zoon een vriendin heeft, daar er verschillende dames thuis bij [bijnaam verdachte] komen, maar die dames blijven buiten met hem staan en komen niet in mijn huis. [bijnaam verdachte] heeft nooit een dame thuis bij mij gebracht en voorgesteld als te zijn, zijn vriendin. Op 23 april 2014 was [bijnaam verdachte] de hele ochtend thuis. In elk geval was hij tot 19.00 uur thuis. Het was de eerste dag van de wandelmars. Dit kan ik nog herinneren, want op die dag hadden wij samen naar het programma ‘In de Branding’ gekeken. Verder kan ik mij niet meer herinneren als [bijnaam verdachte] na 19.00 uur nog thuis was of niet.” Daarnaast heeft de moeder van de verdachte op de zitting in eerste aanleg d.d. 11 juni 2014 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Mijn zoon was op 23 april 2014 tot na de nieuws van STVS thuis. Daarna ben ik gaan liggen. Mijn zoon was op 23 april 2014 de hele dag thuis. Het was paasvakantie, dus ik was ook thuis. Wij hebben samen naar ‘In de Branding’ gekeken. Toen ik tussen 23.00 uur en 00.00 uur opstond om naar het toilet te gaan, lag mijn zoon nog op de bank. Op 23 april 2014 heb ik de vriendin van mijn zoon, [naam 5], niet naast hem zien slapen. Het zou kunnen dat zij in de kamer van mijn dochter sliep.” Voorts heeft de persoon van [naam 5], de vriendin van de verdachte, bij proces-verbaal d.d. 21 mei 2014, opgemaakt door [naam 6], agent van politie derde klasse, onder meer het navolgende verklaard: “Op mijn vraag of [verdachte] op woensdag 23 april 2014 thuis was, gaf zij mij te kennen dat zij samen met [verdachte] thuis was op bedoelde dag en dat hij op die dag, niet uit huis is geweest. Op mijn vraag of [verdachte] tussen 19.30 uur en 22.00 uur uit huis was geweest op die bewuste dag, gaf zij mij te kennen dat zulks niet het geval was, daar zij nog naar televisie zat te kijken bij de woning van [verdachte] aan de [adres] te [plaats]. In elk geval hebben zij volgens haar zeggen, de avond samen doorgebracht.” Naast de verklaringen van de moeder en de vriendin van de verdachte omtrent zijn alibi heeft de verdachte zelf volhard in zijn stellige ontkentenis dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten.

Het Hof stelt als algemeen uitgangspunt vast dat in beginsel de geplaatste vingersporen voldoende zijn om bij gebreke van ooggetuigen casu quo beeldmateriaal tot een bewezenverklaring te komen. Aangezien het in dit concreet geval om een markante gebeurtenis gaat (de wandelmars) en het kennelijk niet “botert” tussen de moeder en de vriendin van de verdachte heeft het Hof beide verklaringen in perspectief bezien en is tot de slotsom gekomen dat die verklaringen in hoofdlijnen wel op elkaar aansluiten. Voorgaande slotsom geeft aanleiding voor gerede twijfel bij het Hof omtrent de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen – ook niet na een ingesteld buurtonderzoek – dat er een significante vermeerdering van de vermogenstoestand van de verdachte zou hebben plaatsgevonden, hetgeen de gerede twijfel alleen maar heeft versterkt.

Het Hof acht het aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feit op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen niet wettig en overtuigend bewezen. De wettelijke bewijsregeling, aangevuld met de in de rechtspraak gestelde eisen, heeft betrekking op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om tot een bewezenverklaring te komen. Indien er daaraan niet is voldaan, dan is vrijspraak onontkoombaar. Het Hof merkt op dat het voorgaande met zich meebrengt dat het geven van een vrijspraak niet in den positieve betekent dat de verdachte het tenlastegelegde feit niet zou hebben begaan, maar slechts impliceert dat niet volgens de daaraan gestelde voorwaarden is vastgesteld dat de verdachte het ten laste gelegde feit wel zou hebben begaan.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd geeft het Hof aanleiding voor gerede twijfel hetgeen in het voordeel van de verdachte zal worden uitgelegd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 324, 325, 329, 330 en 338 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de uitspraak.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 13 augustus 2014 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers,
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 03 augustus 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2022-22

Vonnisnummer: 17/2022
Uitspraak: 09 maart 2022
Parketnummer: 1-1-05298
VERSTEK

APPÈLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 29 maart 2019 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep operator en wonende aan de [adres] in het district [district], thans in vrijheid verkerend.

De verdachte is niet verschenen en wordt niet bijgestaan door een advocaat.

Ontvankelijkheid appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van de verdachte op 05 april 2019 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de absolute competentie van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin gebleken van omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen redenen aanwezig gebleken ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 29 maart 2019 zal bevestigen.

 

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 29 maart 2019 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder I (het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken) en onder II (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting) ten laste gelegde, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 414 lid 1 en artikel 345 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot een gevangenistsraf voor de duur van twee (2) jaren onvoorwaardelijk. Voorts heeft de Kantonrechter als bijzondere voorwaarde gesteld dat de veroordeelde zich gedurende zijn detentie zal laten begeleiden door een deskundige van het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname en heeft het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname opgedragen om aan de veroordeelde ter zake van de naleving van de bijzondere voorwaarde hulp en steun te verlenen overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht. De Kantonrechter heeft verder bepaald dat de gevangenhouding van verdachte zal worden gehandhaafd.

Het Hof kan zich verenigen met het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 29 maart 2019 en met de gronden waarop dit berust en zal het beroepen vonnis, met uitzondering van de daarin opgenomen bijzondere voorwaarde, bevestigen.

Het Hof heeft – gelet op de aard van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder het feit dat hij een recidivist is, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen – acht geslagen op de duur van de vrijheidstraffen die in het algemeen voor soortgelijke strafbare feiten worden opgelegd. Niet is gebleken dat in onderhavige zaak de persoon van de verdachte aanleiding geeft om van de algemene lijn af te wijken.

De bijzondere voorwaarde
De bijzondere voorwaarde moet inhoud geven aan de voorwaardelijke veroordeling en is en blijft daarmee onlosmakelijk verbonden.
De toepassing van bijzondere voorwaarden bij geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke veroordelingen dient twee doelen. Enerzijds probeert men door middel van gedragsbeïnvloeding recidive te voorkomen, anderzijds probeert men de veroordeelde zo lang mogelijk buiten de gevangenis te houden. Een bijzondere voorwaarde dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7918, NJ 2008/33).

Het is het Hof gebleken dat de Kantonrechter een bijzondere voorwaarde heeft verbonden aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Hof zal dit verbeteren en bepalen dat de veroordeelde zich gedurende zijn detentie zal laten begeleiden door een deskundige van het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname en draagt het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname op om aan de veroordeelde ter zake van de naleving van deze bepaling hulp en steun te verlenen overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht. Het beroepen vonnis kan ten aanzien van de bijzondere voorwaarde derhalve niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38, 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 29 maart 2019 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, met uitzondering van de daarin opgenomen bijzondere voorwaarde.

Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van de daarin opgenomen bijzondere voorwaarde.

En opnieuw rechtdoende:

Bepaalt dat de veroordeelde zich gedurende zijn detentie zal laten begeleiden door een deskundige van het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname en draagt het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname op om aan de veroordeelde ter zake van de naleving van deze bepaling hulp en steun te verlenen overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 09 maart 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2022-21

Vonnisnummer : 41/2022
Uitspraak : 15 augustus 2022
Parketnummer : 1-4-02995
VERSTEK

 

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 07 november 2014 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam verdachte], geboren op [datum] in het district [plaats], van beroep bootsman, wonende aan de [adres 1] te [plaats] in het district [district], thans in vrijheid verkerend;

De verdachte is niet verschenen en wordt ook niet bijgestaan door een advocaat.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 18 november 2014 op de voorgeschreven wijze appél heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de vervolgingsambtenaar tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 18 juli 2014 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

op of omstreeks 21 mei 2014, althans in het jaar 2014, te Marowijne, in ieder geval in Suriname,
hij verdachte, tezamen en in vereniging met een tot nog toe onbekend gebleven persoon, in ieder geval alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van SRD 3.000,- (drieduizend Surinaamse Dollars), althans enig geld en/of een onbekend aantal opwaardeerkaarten (van Telesur en/of Digicel), in ieder geval een of meer dezer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte tezamen en in vereniging met die tot nog toe onbekend gebleven persoon, althans alleen:
• met een (vuist)vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], onder schot heeft gehouden en/of
• met een (vuist)vuurwapen, althans een hard en/of zwaar voorwerp een of meer slagen heeft toegebracht op het hoofd, althans het lichaam van die [benadeelde 3];
(artikel 372 WvSR)

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen redenen aanwezig gebleken ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 07 november 2014 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste gelegde, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, zal veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaren, onder aftrek van de tijd die door hem in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten een mouwloze zwarte jas en een groen witte muts gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 07 november 2014 is de verdachte terzake het bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde (diefstal met geweldpleging) vrijgesproken.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 341 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

Vrijspraak

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd.

Motivering van de vrijspraak

In deze zaak gaat het om de verdenking dat de verdachte op 21 mei 2014 tezamen en in vereniging met een tot nog toe onbekend gebleven persoon een beroving heeft gepleegd bij de supermarkt ‘[supermarkt]’ aan de [adres 2] in het district [district].
In casu moet worden beoordeeld of de verklaringen van de getuigen elkaar in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, waardoor er kan worden gesteld dat er is voldaan aan het bewijsminimum.
De verdachte heeft in zijn verklaringen ontkend het aan hem bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde strafbare feit te hebben gepleegd. Behalve de verklaringen van de winkelier, [benadeelde 1], bevat het dossier onder andere ook de getuigenverklaringen van de echtgenote van de winkelier, [benadeelde 2], de arbeider, [benadeelde 3], die in de supermarkt werkzaam is, een anonieme getuige en de verbalisant, [naam 1], die [benadeelde 1] met foto’s van verschillende verdachten heeft geconfronteerd. [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij één van de rovers positief heeft herkend als te zijn de verdachte, aangezien de rovers hun masker nog niet hadden opgezet toen zij naar het winkelpand liepen. Alhoewel de getuige [benadeelde 2] zich ten tijde van de beroving in de supermarkt bevond, kon zij geen siganalementen van de daders opgeven. De getuige [benadeelde 3] bevond zich ten tijde van de beroving eveneens in de supermarkt, maar heeft niet kunnen zien wat zich achter de toonbank heeft afgespeeld. Volgens de verklaring van [benadeelde 3] waren beide rovers gemaskerd. Voorts heeft hij verklaard dat de eerste rover lang en slank was en een geschatte lengte van 1.70 m kan hebben. Tot slot heeft hij verklaard dat hij geen siganalementen kan opgeven van de tweede rover. De anonieme getuige heeft verklaard dat hij/zij tezamen met een vrouwspersoon was toen [medeverdachte] aan die vrouwspersoon te kennen gaf dat hij al enige tijd na zijn vrijlating niet over geld beschikt en dat hij van plan is om een beroving te plegen bij een van de Chinese winkels in de omgeving van de [straatnaam] meergenoemd ‘[roepnaam]’ in de volksmond. Het Hof merkt op dat er niet is onderzocht of de supermarkt ([supermarkt]) van [benadeelde 1] in de volksmond bekend staat onder de naam [roepnaam]. Uit de verklaring van de verbalisant is gebleken dat de winkelier [benadeelde 1] de verdachte positief heeft herkend op één van de foto’s die als bijlage in het dossier waren gezet.

In de visie van het Hof kunnen de verklaringen van [benadeelde 2], [benadeelde 3] en de anonieme getuige niet als steunbewijs worden gebruikt voor het aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feit aangezien de strafbaarheid van verdachte uit die verklaringen niet kan worden gedestilleerd. Ook de verklaring van de verbalisant is onvoldoende om als aanvaardbaar steunbewijs te kunnen worden aangemerkt, nu de verbalisant slechts heeft verklaard wat hij van [benadeelde 1] heeft vernomen (een ‘de auditu-verklaring’). Dit betreft dan ook geen bewijsmateriaal afkomstig uit een andere bron. Aangezien de verklaringen van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], de anonieme getuige en de verbalisant elkaar niet in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, komt het Hof tot de conclusie dat er niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het Hof stelt in dit kader vast dat alleen [benadeelde 1] een uitgebreide verklaring heeft afgelegd en dat zijn verklaringen onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Ook de veiliggestelde camerabeelden van huize [naam 2] leiden niet tot een andere slotsom aangezien de kwaliteit daarvan slecht te noemen is. Evenmin leidt de inbeslagname van een zwarte jacket in de ouderlijke woning van de verdachte tot een andere slotsom aangezien de connectie daarvan met een kledingstuk die één der verdachten ten tijde van de beroving aan had niet uit de verf is gekomen.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwend, komt het Hof tot de conclusie dat er in casu niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het voorgaande zal derhalve in het voordeel van de verdachte worden uitgelegd en is een vrijspraak geïndiceerd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 324, 325, 329, 330 en 338 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de uitspraak.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 07 november 2014 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers,
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 15 augustus 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2022-20

Vonnisnummer: 38/2022
Uitspraak: 15 augustus 2022
Parketnummer: 1-2-00540
TEGENSPRAAK

APPÈLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 14 augustus 2018 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] te [plaats], elektriciën van beroep en wonende aan de [adres] te [ressort] in het district [district], thans in vrijheid verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van de verdachte op 27 augustus 2018 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de absolute competentie van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof ambtshalve evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdediging is aangevoerd.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 augustus 2018, onder aanvulling van de schadevergoedingsmaatregel, zal bevestigen. De vervolgings-ambtenaar heeft gesteld dat de schadevergoeding ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer thans is begroot op een bedrag van SRD 13.660, -. De vervolgingsambtenaar heeft derhalve aan het Hof gevraagd om aan de verdachte de verplichting op te leggen om het bedrag van SRD 13.660, – te betalen en bij niet betaling door de verdachte, te vervangen door één maand hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De verdachte heeft gesteld dat hij het aan hem bij inleidende dagvaarding onder A ten laste gelegde strafbare feit wel heeft begaan. Volgens de verdachte is hij in hoger beroep gekomen tegen de schadevergoedingsmaatregel dat door de kantonrechter is opgelegd, daar hij zich niet kan verenigen met de hoogte van het schadevergoedingsbedrag (SRD 29.518, -) dat hij aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, moet betalen. Alhoewel de gedeclareerde kosten in eerste aanleg exorbitant hoog zijn, heeft de verdachte zich erin berust. De verdachte heeft aan het Hof voorgesteld om het bedrag van SRD 13.660, – binnen tien maanden af te betalen aangezien hij geen vaste inkomsten heeft waardoor zijn inkomsten per maand verschillen.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 augustus 2018 is de verdachte terzake het bij inleidende dagvaarding onder A (dood door schuld) ten laste gelegde, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 1 en artikel 21 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, met bepaling dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van het hierbij op twee (2) jaren bepaalde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorts heeft de Kantonrechter de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zeven (7) maanden ontzegd en bepaald dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 11 van de Rijwet 1971 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest vanaf 16 januari 2017, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Vervolgens heeft de Kantonrechter aan de verdachte bij wege van een schadevergoedingsmaatregel opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer SRD 29.518, – (negen en twintigduizend vijfhonderd en achttien Surinaamse Dollars) te betalen, bij niet betaling te vervangen door één (1) maand hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Het Hof kan zich verenigen met het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 augustus 2018 en met de gronden waarop dit berust en zal het beroepen vonnis, met uitzondering van de daarin opgenomen schadevergoedingsmaatregel, bevestigen.

Het Hof heeft gelet op de aard van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Het Hof constateert dat het bedrag dat door de nabestaanden in eerste aanleg was gedeclareerd SRD 33.660, – bedroeg. Aangezien de bouwkosten ten bedrage van SRD 20.000, – niet zijn onderbouwd, heeft het Hof evenals de vervolging besloten om die in casu buiten beschouwing te laten. Het Hof heeft bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding acht geslagen op het leed dat door de verdachte aan de nabestaanden van het slachtoffer is toegebracht; het tijdsverloop; de geldontwaarding en de draagkracht van de verdachte. Gelet op het voorgaande en vanwege het reparatoire karakter van de schadevergoedingsmaatregel heeft het Hof bepaald dat aan de verdachte de verplichting zal worden opgelegd om aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer het bedrag van SRD 15.000, -, met ingang van eind augustus 2022 in tien achtereenvolgende maandelijkse termijnen ad. SRD 1.500, – , te betalen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 40 en 54f van het Wetboek van Strafrecht; artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 20 lid 1 en 21 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971 zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 14 augustus 2018 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, met uitzondering van de daarin opgenomen schadevergoedingsmaatregel.

Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van de daarin opgenomen schadevergoedingsmaatregel.

En opnieuw rechtdoende:

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, het bedrag van SRD 15.000, -(vijftienduizend Surinaamse Dollar), met ingang van eind augustus 2022 in tien achtereenvolgende maandelijkse termijnen ad. SRD 1.500, – , te betalen.

 

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 15 augustus 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-55

Vonnisnummer : 61/2021
Uitspraak : 15 december 2021
Parketnummer : 1-1-3953
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 25 juni 2008 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] in Suriname, bouwvakker van beroep, wonende aan [adres 1] te [plaats 1], thans in vrijheid gesteld;

is verschenen

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 26 juni 2008 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 05 oktober 2007 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het IIIe Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat no 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo, zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

III. Op 17 mei 2005 te Paramaribo, tezamen en in vereniging, na daartoe van tevoren gemaakte afspraak in nauwe samenwerking met [verdachte] althans alleen op de openbare landweg te [straatnaam 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een voertuig, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 2] althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte of zijn voornoemde mededader, hebbende hij verdachte tezamen en in verenigingn als vermeld, althans alleen toen aldaar voormelde diefstal doen voorafgaan of volgen van bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 2] gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve of zijn voornoemde mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit bvan het gestolene te verzekeren en welk geweld zwaar lichamelijk letsel van die [benadeelde 2], ten gevolge heeft gehad, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen toen daar met voormeld oogmerk die [benadeelde 2] benaderd voor het rijden van een taxi-rit naar [ressort] en toen aldaar aangekomen die [benadeelde 2] opzettelijk gewelddadig van achteren aan de hals, althans het lichaam in een wurggreep vastgehouden met een hard voorwerp en vervolgens opzettelijk gewelddadig met een mes of schroevendraaier, althans een hard en scherpig voorwerp een of meer steekverwondingen aan de keel, hoofd en handpalm, althans het lichaam van die [benadeelde 2] toegebracht en die [benadeelde 2] opzettelijk dreigend te kennen gegeven te zullen beroven, althans woorden van gelijke strekking en betekenis, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen zich met medeneming van vorenmeld voertuig, althans enig goed zich van de plaats des misdrijfs verwijderd, hebbende die [benadeelde 2], ten gevolge van vorenomschreven feit (geweld) bekomen onder meer een of meer steekverwondingen, waarbij een id meer keren plastische chirurgische moest worden ingegrepen, in ieder gevak zwaar lichamelijk letsel, hebbende vorenomschreven handeling niet in de volgorde als vermeld, in ieder geval in een andere volgorde plaatsgevonden.

IV. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 3], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

V. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 4], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Van de zijde van het Openbaar Ministerie is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in eerste aanleg een schriftelijke wijziging van de dagvaarding had overgelegd, waarbij er een wijziging van de dagvaarding was gevorderd en welke vordering was toegewezen door de Kantonrechter. De vordering hield het volgende in: De ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder I, II en VI zijn wettig en overtuigend bewezen in het Derde Kanton en de ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder III, IV en V zijn wettig en overtuigend bewezen in het Tweede Kanton.
Een dergelijke vordering tot wijziging van de dagvaarding is in strijd met de wet. Bovendien rept de wet over wijziging van de tenlastelegging en niet van de dagvaarding. De beslissing van de Kantonrechter tot toewijzing van de vordering tot wijziging van de dagvaarding, blijkt uit het feit dat de Kantonrechter als Kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die blijkens de hierboven aangehaalde dagvaarding samen met de in Brokopondo gepleegde feiten in een dagvaarding waren ten laste gelegd en gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien in het geding in eerste aanleg buiten het geval van het voorgaande artikel de vervolgingsambtenaar oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de kantonrechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 297 het woord voert, met vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.
2. Indien de kantonrechter de vordering toewijst, doet hij de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal der terechtzitting opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden.”

Artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien de telastelegging overeenkomstig het voorgaande artikel is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift der gewijzigde telastelegging op de terechtzitting zelve ter hand gesteld, tenzij de kantonrechter oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift der wijzigingen kan worden volstaan.”
Uit de aan het Hof overgelegde stukken is daarvan niet gebleken.

Naar het oordeel van het Hof geschiedt het aanhangig maken van een strafzaak in hoger beroep door middel van een vanwege de vervolgingsambtenaar aan de verdachte te betekenen dagvaarding. Deze dagvaarding dient voor wat betreft de tenlastelegging te verwijzen naar de in eerste aanleg opgestelde tenlastelegging. Bij een appeldagvaarding kan worden volstaan met verwijzing naar de tenlastelegging, mits deze verwijzing duidelijk is.

De gewijzigde dagvaarding waarvan gewag wordt gemaakt in het proces – verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 07 december 2007 is door het Hof niet in het procesdossier aangetroffen. Het Hof merkt ten overvloede op dat de wet niet voorziet in een dergelijke wijze van wijziging van de dagvaarding en die dus in strijd is met de wet. Het Hof zal derhalve de strafzaak beoordelen op basis van de aan de verdachte uitgereikte dagvaarding en van de daarin vermelde ten laste gelegde feiten om op vrijdag 05 oktober 2007 te 08.30 uur te verschijnen voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. Overigens wordt in de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, ook geen melding gemaakt van een “gewijzigde dagvaarding”.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (feiten I, II en VI) tot een gevangenisstraf van twee jaren. Voorts vordert de vervolging verbeurdverklaring van het in beslag genomen rijbewijs op naam van de getuige [benadeelde 3].

Het vonnis waarvan beroep

Het Hof is gebleken dat de Kantonrechter als kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die samen met de in Brokopondo gepleegde feiten bij een dagvaarding waren gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. De Kantonrechter in het Derde Kanton had zich onbevoegd moeten verklaren ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten die in Paramaribo zijn gepleegd. Reeds daarom kan het Hof zich niet verenigen met het vonnis a quo, redenen waarom het Hof zal beslissen dat de Kantonrechter in het Derde Kanton voor wie de in Paramaribo gepleegde feiten eveneens waren gedagvaard, zich onbevoegd had moeten verklaren ten aanzien van onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 25 juni 2008 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding voor de kantonrechter in het Derde Kanton onder I ten laste gelegde (gekwalificeerde diefstal), het onder II ten laste gelegde (Illegaal vuurwapen- en munitiebezit) en het onder VI ten laste gelegde (valsheid in geschrifte) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaren, met vaststelling van een bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Forensisch Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht en met bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

BESLISSING VAN HET HOF ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Het hof verklaart de Kantonrechter in het Derde Kanton onbevoegd om kennis te nemen van de onder III, IV en V ten laste gelegde in Paramaribo gepleegde feiten.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder I, II en VI van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007, in het district Brokopondo zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder I, II en III ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit I:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aangifte van diefstal middels braak door de aangever, [naam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 127 tot en met 128, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangever, inhoudende:

“Op donderdag 3 mei 2007 maakte ene [naam 1] telefonisch contact met het politiestation en gaf aan dat hij uit handen van zijn neefje [verdachte] een jachtgeweer had weggenomen. Dat het vermoeden bestaat dat [verdachte] dit geweer heeft gestolen. In het dorp [dorpsnaam] aangekomen, begaf ik mij bij aangever als genoemd en overandigde hij mij een jachtgeweer van het merk Stevens, kaliber 16 met vijf hagelpatronen ook van het kaliber 16. Hij verklaarde vervolgens aan mij het volgende: Dat hij op dinsdag 1 mei 2007 zijn neefje, [verdachte] in het dorp met een tas zag lopen. Hij vroeg aan [verdachte] wat hij in de tas had en deelde [verdachte] hem mede dat hij een zaag erin had. Daar het voorwerp in de tas niet de vorm had van een zaag, rees het vermoeden op bij hem dat [verdachte] een diefstal gepleegd had. Verder verklaarde hij dat de vorm van het voorwerp in de tas van [verdachte], de vorm had van een jachtgeweer. Hij liet [verdachte] gaan en begad hij zich later in de woning van [verdachte] en ontdekte hij bij onderzoek, dat het voorwerp een jachtgeweer betrof. Verder trof hij ook in de tas vijf hagelpatronen van het kaliber 16. Daar de aangever een vermoeden had dat [verdachte] het geweer met bijbehorende patronen gestolen had, nam hij die patronen en het geweer en maakte contact met de politie.
Vervolgens werd het onderzoek voortgezet en begaf ik mij naar de woning van [verdachte]. Hij werd thuis aangetroffen en gaf hij op te zijn, [verdachte], geboren op [datum] te Paramaribo, zonder beroep en wonende in het dorp [dorpsnaam] in het district Brokopondo. Bij een korte ondervraging naar de herkomst van het jachtgeweer, gaf hij toe een inbraak te hebben gepleegd in een woning op de hoek van de [straatnaam 2] en de afslag naar het dorp [dorpsnaam], waarbij hij bedoelde jachtgeweer had buitgemaakt.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 2] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 132 tot en met 133, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben al anderhalf jaar woonachtig in het dorp [dorpsnaam] in een woning van mijn grootmoeder. Eerder had ik gewoond aan de [adres 2] te Paramaribo. Vanwege de vele diefstallen die ik gepleegd had, besloot ik op advies van mijn moeder in het binnenland te gaan wonen alwaar ik volgens haar een rustig zou gaan lijden. Ik begaf mij wederom naar het dorp waar mijn moeder afkomstig is, met de bedoeling een rustig leven te gaan leiden. Daar ik werkloos ben en met veel moeite mijn hoofd boven water hield, besloot ik een jachtgeweer te zoeken om ermee op jacht te gaan. Daar het mij bekend was dat een oom van mij genaamd [benadeelde 1] woonachtig was in een woning langs de [straatnaam 2] nabij de afslag in het dorp [dorpsnaam], waarin een jachtgeweer verborgen was, besloot ik dat te stelen om ermee te jagen. Het wild dat ik zou jagen, zou ik voor eigen gebruik nemen. Voorts moet ik u te kennen geven dat mijn oom [benadeelde 1] niet meer woonachtig was in bedoelde woning. Hij is thans woonachtig in het dorp [dorpsnaam].
Op dinsdag 1 mei 2007, omstreeks 13.00 uur verliet ik het dorp te voet en liep ongeveer een uur lang via de weg die leidt naar het dorp [dorpsnaam] tot bij de hoofdweg ([straatnaam 2]). Ik kwam omstreeks 14.00 uur aan bij de woning van mijn oom [benadeelde 1] die op de hoek was van de [straatnaam 2] en de afslag in het dorp [dorpsnaam]. Hierna begaf ik mij naar de achterdeur en forceerde ik die open. Moge vermeld worden dat die deur niet goed op slot was van binnen, waardoor ik die op een heel gemakkelijke wijze opendeed. Ik begaf mij in de woning en na die te hebben doorzocht, trof ik in de woonkamer achter een bed een jachtgeweer aan. Naast het jachtgeweer in bedoelde ruimte zag ik vijf hagelpatronen in een fles en nam die ook weg. Vervolgens bewaarde ik het jachtgeweer met bijbehorende patronen in een zwarte vuilniszak welke in aldaar had aangetroffen en verliet ik de woning.
Gekomen in het dorp, verborg ik het jachtgeweer in mijn slaapkamer en de volgende dag begaf ik mij op jacht. In de middaguren van 2 mei 2007 kwam ene [naam 2] te mijnent en zag hij dat geweer. Op zijn verzoek leende ik hem dat geweer om te gaan jagen. De volgende dag op donderdag 03 mei 2007, riep mijn oom [naam 3] mij en vroeg mij als ik in het bezit ben van een jachtgeweer. Ik gaf toe in het bezit te zijn van een jachtgeweer en hield hij mij voor dat hij de politie zal inschakelen, daar hij een vermoeden had dat ik het jachtgeweer had gestolen. Ik ontkende voor hem het jachtgeweer te hebben gestolen. [naam 3] nam het jachtgeweer en schakelde hij de politie van dit station in.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het doen van aanwijzingen door de verdachte [verdachte] op de plaats van het delict in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 2] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 130 tot en met 131, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Heden, op 04 mei 2007, omstreeks 17.00 uur begaf ik mij bijgestaan door agenten van politie 3de klasse, [naam 4] en [naam 5] nabij het dorp [dorpsnaam], in een woning gelegen langs de [straatnaam 2], in dit district voor het instellen van een onderzoek, waarbij het volgende moge worden vermeld: Hetzij vermeld dat de verdachte [verdachte] vrijwillig te samen met ons was meegereden voor het doen van aanwijzingen, alwaar hij een poosje geleden een enkelloop jachtgeweer had gestolen. Op aanwijzing van de verdachte [verdachte] begaf ik, geassisteerd door de eerder vermelde agenten naar een woning. Bedoelde woning staat langs de [straatnaam 2] nabij de weg naar het dorp [dorpsnaam]. Het staat links van de [straatnaam 2], zulks bekeken vanuit richting Paramaribo naar de richting van [plaats 2], en wel 17 meter verwijderd van de [straatnaam 2]. Het betreft een woning, dat opgetrokken is van hout en voorzien van zinkplaten bedekkingen. Het is 4,5 meter breed en 5,5 meter lang, verdeeld in een woonruimte en een slaapruimte. De voorgevel heeft een deur met een hangslot eraan en staat op slot. De achtergevel van de woning is eveneens voorzien van een achterdeur, welke middels een houten klamp was afgegrendeld. Volgens verklaring van de verdachte heeft hij de achterdeur opengemaakt door deze met kracht naar achteren te drukken. Via deze ontstane ruimte verschafte de verdachte [verdachte] zicht toegang tot de slaapkamer van de woning. In deze ruimte werd een witte rijstzak aangetroffen, waarin volgens verklaring van de verdachte het wapen was bewaard, die hij een poosje geleden had gestolen.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding van verdachte in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 3] (hulpagent van justitie), doorgenummerde pagina 123, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik geef toe het jachtgeweer te hebben gestolen langs de [straatnaam 2] te hoogte van het dorp [dorpsnaam].”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving en inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 134, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een jachtgeweer (cal. 16) met onbekend merk en serie nummer en vijf scherpe patronen cal.16.”

6. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit II:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de verklaring van de verdachte [verdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 127 tot en met 128, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Vervolgens werd het onderzoek voortgezet en begaf ik mij naar de woning van [verdachte]. Hij werd thuis aangetroffen en gaf hij op te zijn, [verdachte], geboren op [datum] te Paramaribo, zonder beroep en wonende in het dorp [dorpsnaam] in het district Brokopondo. Bij een korte ondervraging naar de herkomst van het jachtgeweer, gaf hij toe een inbraak te hebben gepleegd in een woning op de hoek van de [straatnaam 2] en de afslag naar het dorp [dorpsnaam], waarbij hij bedoelde jachtgeweer had buitgemaakt.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding van verdachte in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 3] (hulpagent van justitie), doorgenummerde pagina 123, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik geef toe het jachtgeweer te hebben gestolen langs de [straatnaam 2] te hoogte van het dorp [dorpsnaam].”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving en inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 134, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een jachtgeweer (cal. 16) met onbekend merk en serie nummer en vijf scherpe patronen cal.16.”

4. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d.19 april 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik beken de strafbare feiten te hebben gepleegd.”

5. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit VI:

1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bekomen informatie omtrent diefstal van Surinaams Rijbewijs op naam van de heer [benadeelde 3] in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 53, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de benadeelde, inhoudende:

“Naar aanleiding van deze melding, werd de verdachte [verdachte]. hiermomtrent ondervraagd en gaf hij toe een rijbewijs te hebben gestolen vanuit de woning van de heer [benadeelde 3] te [dorpsnaam]. Verder was hij bereid de plaats aan te wijzen waar hij die had achtergelaten. Ter plaatse aangekomen ging hij in zijn huis en overhandigde hij een Surinaams rijbewijs op naam van [benadeelde 3] en bleek, dat hij de foto van de houder had verwijderd en zijn eigen afbeelding erop had geplaatst.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 mei 2007 door [verbalisant 4] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 94 tot en met 96, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Alleen in de woonkamer begon ik rond te kijken en zag een bruin gekleurde hoesje op het bankstel liggen. Ik maakte dit hoesje open en zag een Surinaams rijbewijs met de foto van de man. Ik heb echter niet naar de naam gekeken. Ik besloot het rijbewijs te nemen en in mijn zak te stoppen. Op de vraag waarom ik dat deed verklaar ik ‘GEWOON’. Ik heb het hoesje teruggelegd op de zelfde manier hoe het lag om geen argwaan te wekken. Na enkele uren op de man te hebben gewacht, besloot ik het huis te verlaten. Nadien ben ik nimmer terug gekeerd naar het huis van de man. Ik ben hem ook niet meer tegen gekomen op straat. Die zelfde ochtend ben ik naar het binnenland vertrokken en ben daar gebleven totdat de politie mij heeft aangehouden. Drie dagen nadat ik in mijn dorp was aangekomen heb ik de foto van de manspersoon voorzichtig verwijderd van het rijbewijs en mijn eigen foto in de plaast gezet. Na dit gedaan te hebben heb ik een laag doorzichtige tape op mijn foto geplaatst waardoor de vervalsing niet zou opvallen. Op de vraag waarom ik de foto op het rijbewijs heb vervangen met de mijne verklaar ik ‘GEWOON ZODAT IK KON TONEN DAT IK EEN RIJBEWIJS HAD’.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de aangever [benadeelde 3] in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 mei 2007 door [verbalisant 4] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 48 tot en met 49, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de benadeelde, inhoudende:

“De gegevens in het rijbewijs zijn van mij, maar de pasfoto is van een bij mij van gezicht bekende manspersoon. Deze manspersoon heb ik in het jaar 2005 leren kennen bij de Car Wash bedrijf aan de [straatnaam 3] naast Supermarkt [supermarkt]. In de maand april (laatste week) van dit jaar (2007) is deze manspersoon thuis bij mij langs gekomen en heeft de nacht bij mij doorgebracht, omdat het te laat voor hem was geworden om nog naar huis te gaan. De volgende dag is hij omstreeks 06.00 uur van mijn huis vertrokken om naar het werk te gaan en wel bij [bedrijfsnaam]. Hij had mij beloofd na twee weken terug te keren naar Paramaribo en bij die gelegenheid mij een bezoekje te brengen. Tot op de dag van vandaag heb ik hem echter niet meer gezien. Op die bewuste avond heb ik een hoesje waarin mijn rijbewijs en andere belangrijke papieren blijven uit mijn achterbroekzak gehaald en deze opgeborgen in een lade van een bureau dat in de woonkamer staat. Het hoesje heeft veel weg van een portemonnee. Nu ik het rijbewijs onder ogen heb gehad en na ben gegaan, is het inderdaad gebleken dat het mijn rijbewijs is. Ik zeg dit omdat ik mijn rijbewijs niet kan vinden in mijn hoesje. Ik heb sterk het vermoeden dat deze manspersoon dacht dat het mijn portemonnee was en op het moment dat ik sliep is gaan rond snuffelen waarb hij toen mijn rijbewijs heeft weggenomen toen hij zag dat het niet ging om een portemonnee.”

4. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 december 2007, doorgenummerde pagina 10, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik heb de foto op het rijbewijs verwisseld.”

5. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d.19 april 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik beken de strafbare feiten te hebben gepleegd”.

6. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

 

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder I bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder II bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 juncto artikel 23 van de Vuurwapenwet

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder VI bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de verdachte ter zake van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, overtreding van een voorschrift vallende onder de Vuurwapenwet en valsheid in geschrifte, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met vaststelling van een bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Forensisch Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht en met het bevel tot gevangenhouding.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het verkort vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de genoemde overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (I, II en VI) tot een gevangenisstraf van twee jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts vordert de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van het in beslag genomen rijbewijs op naam van de getuige [benadeelde 3].

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een gezin heeft, een rustig leven leidt en dat hij sinds zijn invrijheidstelling niet meer in aanraking is gekomen met justitie.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 25 juni 2008 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

Vernietigt de beslissing van de Kantonrechter in het Derde Kanton om de vordering tot wijziging van de dagvaarding toe te wijzen;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart de Kantonrechter onbevoegd om kennis te nemen van de feiten zoals onder III, IV en V ten laste gelegd.

Verklaart, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder I, II en VI is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders onder I, II en VI is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
I. Gekwalificeerde diefstal; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht.

II. Illegaal vuurwapen- en munitiebezit; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 juncto 23 van het Vuurwapenwet.

VI. Valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Verklaart, verbeurd het vervalste rijbewijs op naam van [benadeelde 3].

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) JAREN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 04 mei 2007 tot en met 01 mei 2012, in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. D.G.W. Karamat Ali, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 15 december 2021 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2021-54

Vonnisnummer : 60/2021
Uitspraak : 15 december 2021
Parketnummer : 1-1-3953
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 25 juni 2008 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] in Suriname, bouwvakker van beroep, wonende aan [adres] te [plaats 1], thans in vrijheid gesteld;

is verschenen

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 26 juni 2008 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 05 oktober 2007 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het IIIe Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat no 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeёigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo, zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

III. Op 17 mei 2005 te Paramaribo, tezamen en in vereniging, na daartoe van tevoren gemaakte afspraak in nauwe samenwerking met [verdachte] althans alleen op de openbare landweg te [straatnaam] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een voertuig, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 2] althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte of zijn voornoemde mededader, hebbende hij verdachte tezamen en in verenigingn als vermeld, althans alleen toen aldaar voormelde diefstal doen voorafgaan of volgen van bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 2] gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve of zijn voornoemde mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit bvan het gestolene te verzekeren en welk geweld zwaar lichamelijk letsel van die [benadeelde 2], ten gevolge heeft gehad, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen toen daar met voormeld oogmerk die [benadeelde 2] benaderd voor het rijden van een taxi-rit naar [ressort 2] en toen aldaar aangekomen die [benadeelde 2] opzettelijk gewelddadig van achteren aan de hals, althans het lichaam in een wurggreep vastgehouden met een hard voorwerp en vervolgens opzettelijk gewelddadig met een mes of schroevendraaier, althans een hard en scherpig voorwerp een of meer steekverwondingen aan de keel, hoofd en handpalm, althans het lichaam van die [benadeelde 2] toegebracht en die [benadeelde 2] opzettelijk dreigend te kennen gegeven te zullen beroven, althans woorden van gelijke strekking en betekenis, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen zich met medeneming van vorenmeld voertuig, althans enig goed zich van de plaats des misdrijfs verwijderd, hebbende die [benadeelde 2], ten gevolge van vorenomschreven feit (geweld) bekomen onder meer een of meer steekverwondingen, waarbij een id meer keren plastische chirurgische moest worden ingegrepen, in ieder gevak zwaar lichamelijk letsel, hebbende vorenomschreven handeling niet in de volgorde als vermeld, in ieder geval in een andere volgorde plaatsgevonden.

IV. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 3], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

V. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 4], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Van de zijde van het Openbaar Ministerie is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in eerste aanleg een schriftelijke wijziging van de dagvaarding had overgelegd, waarbij er een wijziging van de dagvaarding was gevorderd en welke vordering was toegewezen door de Kantonrechter in het Derde Kanton. De vordering hield het volgende in: De ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder I, II en VI zijn wettig en overtuigend bewezen in het Derde Kanton en de ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder III, IV en V zijn wettig en overtuigend bewezen in het Tweede Kanton.
Een dergelijke vordering tot wijziging van de dagvaarding is in strijd met de wet. Bovendien rept de wet over wijziging van de tenlastelegging en niet van de dagvaarding. De beslissing van de Kantonrechter in het Derde Kanton tot toewijzing van de vordering tot wijziging van de dagvaarding, blijkt uit het feit dat de Kantonrechter in het Derde Kanton als Kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die blijkens de hierboven aangehaalde dagvaarding samen met de in [plaats 1] gepleegde feiten in een dagvaarding waren ten laste gelegd en gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien in het geding in eerste aanleg buiten het geval van het voorgaande artikel de vervolgingsambtenaar oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de kantonrechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 297 het woord voert, met vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.
2. Indien de kantonrechter de vordering toewijst, doet hij de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal der terechtzitting opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden.”

Artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien de telastelegging overeenkomstig het voorgaande artikel is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift der gewijzigde telastelegging op de terechtzitting zelve ter hand gesteld, tenzij de kantonrechter oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift der wijzigingen kan worden volstaan.”
Uit de aan het Hof overgelegde stukken is daarvan niet gebleken.

Naar het oordeel van het Hof geschiedt het aanhangig maken van een strafzaak in hoger beroep door middel van een vanwege de vervolgingsambtenaar aan de verdachte te betekenen dagvaarding. Deze dagvaarding dient voor wat betreft de tenlastelegging te verwijzen naar de in eerste aanleg opgestelde tenlastelegging. Bij een appeldagvaarding kan worden volstaan met verwijzing naar de tenlastelegging, mits deze verwijzing duidelijk is.

De gewijzigde dagvaarding waarvan gewag wordt gemaakt in het proces – verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 07 december 2007 is door het Hof niet in het procesdossier aangetroffen. Het Hof merkt ten overvloede op dat de wet niet voorziet in een dergelijke wijze van wijziging van de dagvaarding en die dus in strijd is met de wet. Het Hof zal derhalve de strafzaak beoordelen op basis van de aan de verdachte uitgereikte dagvaarding en van de daarin vermelde ten laste gelegde feiten om op vrijdag 05 oktober 2007 te 08.30 uur te verschijnen voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. Overigens wordt in de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, ook geen melding gemaakt van een “gewijzigde dagvaarding”

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Tweede Kanton (feiten III, IV en V) tot een gevangenisstraf van drie jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het Hof is gebleken dat de Kantonrechter in het Derde Kanton als kantonrechter afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die samen met de in Brokopondo gepleegde feiten bij een dagvaarding waren gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. De Kantonrechter in het Derde Kanton had zich onbevoegd moeten verklaren ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten die in Paramaribo zijn gepleegd. Reeds daarom kan het Hof zich niet verenigen met het vonnis a quo, redenen waarom het Hof zal beslissen dat de Kantonrechter in het Derde Kanton voor wie de in Paramaribo gepleegde feiten eveneens waren gedagvaard, zich onbevoegd had moeten verklaren ten aanzien van onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

BESLISSING VAN HET HOF ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Het hof verklaart de Kantonrechter in het Derde Kanton onbevoegd om kennis te nemen van de onder III, IV en V ten laste gelegde in Paramaribo gepleegde feiten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 25 juni 2008 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

Vernietigt de beslissing van de Kantonrechter in het Derde Kanton om de vordering tot wijziging van de dagvaarding toe te wijzen;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart de Kantonrechter onbevoegd om kennis te nemen van de feiten zoals onder III, IV en V ten laste gelegd.

Aldus gewezen door:

mr. D.G.W. Karamat Ali, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 15 december 2021 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-K1-2023-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202202981

09 februari 2023

NNA

Vonnis in kort geding in de zaak van:

STAATSOLIE MAATSCHAPPIJ SURINAME NV,

gevestigd en kantoorhoudende aan de dr. Ir. H.S. Adhinstraat no. 21 te Paramaribo, ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no. 76-78 te Paramaribo bij het Advocatenkantoor Essed & Sohansingh,

eiseres,

gemachtigde: mr. R. Sohansingh, advocaat,

tegen

A. STICHTING FOUNDATION TO PROTECT OUR BIODIVERSITY SURINAME afgekort STICHTING PROBIOS,

gevestigd en kantoorhoudende aan de Hanoverlaan no. 04 te Paramaribo,

B. SLEUR, KENNETH ERLAN,

wonende aan de Hanoverlaan no. 04 te Paramaribo,

gedaagden,

gemachtigde: mr. S.N. Muntslag-Essed, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 08 november 2022 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 17 november 2022;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de conclusie van dupliek, met producties;
  • de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Op 24 oktober 2022 hebben gedaagden, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, een oproep gedaan via het social media platform ‘Facebook’ voor een persconferentie omtrent een oliemors (oil spill) die is waargenomen in de Suriname rivier.

2.2 De persconferentie is gehouden op 25 oktober 2022, waarbij gedaagden informatie hebben verschaft aan de media over de waargenomen oil spill in de Suriname rivier. Tijdens voormelde persconferentie hebben gedaagden aangegeven dat eiseres de veroorzaker is, dan wel verantwoordelijk is voor de oil spill.

2.3 De persconferentie is onder andere uitgezonden via het televisie programma ABC Online Nieuws en via de radioprogramma Nieuwsshow van het radiostation ABC.

2.4 De aantijgingen van gedaagden aan het adres van eiseres, zijn via het platform Facebook op diverse nieuwspagina’s gedeeld waaronder Starnieuws Suriname, UnitedNews.sr, Dagblad De West, Dagblad Suriname, ABC Online Nieuws, ATV Suriname en de Ware Tijd Online.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiseres vordert dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden, gezamenlijk dan wel afzonderlijk, zal:

a. veroordelen om binnen 1×24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, op hun kosten de navolgende verklaring op de Facebook pagina Probios Erlan, de website van de Stichting Probios en de volgende media waaronder: Starnieuws Suriname, UnitedNews.sr, Dagblad De West, Dagblad Suriname, ABC Online Nieuws, ATV Suriname, De Ware Tijd evenals op het televisiekanaal en radio van Ampie’s Broadcasting Corporation (ABC) en in de eerstvolgende editie van de in Suriname verschijnende dagbladen Times of Suriname, De Ware Tijd, Dagblad Suriname en het avondblad De West, te doen opnemen:

‘Rectificatie:

Ondergetekende, Sleur Kenneth Erlan, in privé en in hoedanigheid van voorzitter van de Stichting Foundation To Protect Our Biodiversity Suriname afgekort Probios, heeft in een persconferentie van 25 oktober 2022, Staatsolie onterecht en zonder bewijs beschuldigd dat zij de veroorzaker is van de oliemors (oil spill) in de Suriname rivier. Met deze onware beschuldiging heeft ondergetekende onrechtmatig jegens Staatsolie gehandeld en de goede naam en eer van Staatsolie aangetast. Ondergetekende verontschuldigt zich, in privé en in hoedanigheid van de voorzitter van de Stichting Probios, jegens Staatsolie voor de onware en onbewezen uitlatingen over Staatsolie’,

althans woorden van overeenkomstige strekking dan wel bewoordingen zoals de kantonrechter geraden zal achten, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- die gedaagde(n) aan haar zal verbeuren voor elke dag dat gedaagde(n) in gebreke mochten blijven om aan het vonnis te voldoen;

b. gelasten c.q. gebieden om binnen 1×24 uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, al hun eerdere berichten op Facebook, de website van Stichting Probios of welk ander digitaal medium dan ook waarin zij wordt genoemd inzake de oil spill, permanent te verwijderen, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- die gedaagde(n) aan haar zal verbeuren voor elke dag dat gedaagde(n) in gebreke mochten blijven om aan het vonnis te voldoen;

c. verbieden om: uitlatingen c.q. beschuldigingen jegens en/of over haar te doen inzake de oil spill, totdat het onderzoek door het Openbaar Ministerie is afgerond en de onderzoeksresultaten bekend zijn gemaakt, • in berichten via welke medium of communicatiemiddel dan ook, haar te beledigen c.q. te schaden in haar goede naam en eer, op straffe van een dwangsom van SRD 10.000,- die gedaagde(n) aan haar zal verbeuren voor elke dag dat gedaagde(n) in gebreke mochten blijven om aan het vonnis te voldoen.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat er sprake is van een onrechtmatige daad aan de zijde van gedaagden. Volgens eiseres zijn de uitlatingen van gedaagden naar maatschappelijke opvattingen beledigend c.q. onrechtmatig, weshalve zij ingevolge artikel 1393 BW het recht heeft op een belang bij betering van het nadeel in eer en goede naam aangedaan onder meer door een publieke verontschuldiging c.q. rectificatie.

3.3 Gedaagden voeren verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiseres wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Geconstateerd wordt dat gedaagden in hun conclusie van antwoord onder het kopje ‘formeel verweer’ een tweetal formele verweren hebben aangevoerd. Vooropgesteld wordt dat formele verweren betrekking hebben op de procesrechtelijke regels die gelden bij een gerechtelijke procedure. Dergelijke verweren strekken ertoe om ervoor te zorgen dat de kantonrechter niet aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt.

4.3 Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de verweren die gedaagden onder het kopje ‘formeel verweer’ hebben aangevoerd, geen formele verweren betreffen doch materiele verweren, zodat de kantonrechter die in de navolgende overwegingen overeenkomstig zal beoordelen, voor zover voor de beslissing van belang.

4.4 Uit de stellingen van eiseres kan worden afgeleid dat zij zich beledigd heeft gevoeld door de uitlatingen die gedaagden over haar hebben gedaan op de door gedaagden gehouden persconferenties, welke door onder ander het televisie station ABC zijn uitgezonden in het programma ABC Online Nieuws, en welke uitlatingen tevens via het platform Facebook op diverse nieuwspagina’s zijn gedeeld waaronder Starnieuws Suriname, UnitedNews.sr, Dagblad De West, Dagblad Suriname, ABC Online Nieuws, ATV Suriname en de Ware Tijd Online.

In dat licht stelt de kantonrechter voorop dat de burgerrechtelijke rechtsvordering ter zake belediging wordt ingesteld op grond van de artikelen 1393 juncto 1397 BW. Blijkens het bepaalde in artikel 1397 BW kan de burgerlijke rechtsvordering ter zake belediging niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Dat oogmerk wordt niet aanwezig geacht voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

4.5 Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit intern onderzoek is gebleken, althans is vastgesteld dat de olie die is aangetroffen in de Suriname rivier, geen chemische samenstelling van haar bevat en derhalve met klem kan worden gesteld dat de olie niet afkomstig is van haar. Volgens eiseres zijn gedaagden nationaal en internationaal bekend vanwege hun milieuactiviteiten, zodat hun uitlatingen terzake ernstige nadelige gevolgen kunnen hebben voor haar. Voorts stelt eiseres dat zij als gevolg van de uitlatingen van gedaagden, dagelijks enorme last ondervindt en imago schade lijdt. Tot slot stelt eiseres dat de door gedaagden gedane uitlatingen schade creëert ten aanzien van haar handelsrelaties, zowel op nationaal als internationaal niveau.

4.6 Gedaagden voeren, zakelijk weergeven en voor zover van belang, aan dat zij op basis van een gedegen onderzoek welke zij zelf hebben verricht, tot de conclusie zijn gekomen dat eiseres de veroorzaker is van de oil spill. Ter onderbouwing van het door hun verrichte onderzoek hebben gedaagden aangevoerd dat zij zich fysiek hebben georiënteerd bij het vervuilde gebied. Vervolgens hebben zij samples genomen van de vervuiling om het te onderzoeken. Er heeft een intern onderzoek plaatsgevonden waarbij is uitgewezen dat het aardolie is. Ook hebben zij satellietbeelden bekeken en met elkaar vergeleken over een periode vóór de vervuiling. Volgens gedaagden blijkt uit de, door hen bij conclusie van antwoord, overgelegde foto’s dat het reëel is dat eiseres middels een goot, dan wel een afvoer, olie loost in de inham voor de raffinaderij. Voorts voeren gedaagden aan dat de oil spill zich heeft voltrokken binnen het domein van eiseres. Het betreft immers ernstige contaminatie binnen steenworp afstand van de raffinaderij van eiseres. Tot slot wordt aangevoerd dat de Rio Declaration principes bevat die internationaal erkend zijn en gehanteerd worden ter bescherming van het milieu. Principe 15 van de Rio Declaration, bekend als de ‘precautionary principle’, schrijft voor dat ter bescherming van het milieu, voorzorgsmaatregelen in acht moeten worden genomen. Onder voormeld principle wordt in de praktijk tevens begrepen dat het niet vereist is dat er wetenschappelijk bewijs dient te zijn, alvorens een veroorzaker verantwoordelijk te houden voor de milieuschade. Het aannemelijk maken hiervan is voldoende, aldus gedaagden.

4.7 Geconstateerd wordt dat partijen strijden over de juistheid van de door hen verrichte onderzoeken. Zij zijn elk de mening toegedaan dat de door hun verrichte onderzoeken juist is. Voorts wordt geconstateerd dat eiseres de documenten ten aanzien van het door haar verrichtte interne onderzoek niet heeft overgelegd, waardoor haar stelling dat uit intern onderzoek is gebleken, althans is vastgesteld dat de olie die is aangetroffen in de Suriname rivier, geen chemische samenstelling van haar bevat en derhalve met klem kan worden gesteld dat de olie niet afkomstig is van haar, niet aannemelijk is geworden. Er is, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, derhalve geen aanleiding om een orde maatregel te treffen.

4.8 Gelet op het voorgaande mede in acht nemende het feit dat het een oil spill in de Suriname rivier betreft, zal er een diepgaand deskundigen onderzoek moeten plaatsvinden waarbij een deskundige eventueel gehoord zal moeten worden. Het kort geding leent zich echter niet voor een dergelijk onderzoek, zodat partijen verwezen zullen worden naar de gewone wijze van rechtspleging. Dit heeft tot gevolg dat de grondslag van het gevorderde niet aannemelijk is geworden. De gevraagde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd.

4.9 De overige stellingen en verweren behoeven geen bespreking. Dit, omdat de bespreking daarvan tot geen andere uitkomst in de onderhavige zaak zal leiden.

4.10 Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden tot op de dag van de uitspraak begroot op SRD 7.500,-, zijnde het liquidatietarief op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 Weigert de gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 7.500,- (Zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 09 februari 2023 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2021-53

Vonnisnummer : 48/2021
Uitspraak : 15 november 2021
Parketnummer : 1-2-05993
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 07 maart 2017 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep taxichauffeur en wonende aan de [adres 1] te [plaats], thans in detentie verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt niet bijgestaan door een advocaat.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van voornoemde verdachte op 21 maart 2017 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

op of omstreeks 07 september 2016, althans in het jaar 2016, in het [district 1], in ieder geval in Suriname,

tezamen en in vereniging met [naam 1] en/of [naam 2], althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollars) en/of een hoeveelheid sieraden setjes (geel metaal) en/of 7 (zeven), althans één of meer halsketting(en) en/of 19 (negentien), althans één of meer vingerring(en) en/of een flatscreen televisie en/of een laptop en/of een hoeveelheid Surinaamse muntstukken, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
(artikel 371 WvSr.)

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 07 maart 2017 zal bevestigen.

De verdachte heeft, ten aanzien van de aan hem bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste gelegde feit, ontkend zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. De verdachte heeft gesteld dat hij niet wist dat het ingestelde hoger beroep kon worden ingetrokken. De verdachte heeft tevens aangevoerd dat hij geen baat heeft bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep, omdat hij de opgelegde straf reeds heeft uitgezeten.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 07 maart 2017 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding (diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak) ten laste gelegde, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 4 en 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee (2) jaren, met bepaling dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 05 december 2016 af, voorlopig in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Voorts heeft de Kantonrechter in het Derde Kanton bepaald dat de gevangenhouding van verdachte zal worden gehandhaafd.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 341 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

op 07 september 2016 in het district Wanica tezamen en in vereniging met [naam 1] en [naam 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse Dollars) en een hoeveelheid sieraden setjes (geel metaal) en 7 (zeven) halskettingen en 19 (negentien) vingerringen en een flatscreen televisie en een laptop en een hoeveelheid Surinaamse muntstukken, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het feit:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 23 februari 2017, doorgenummerde pagina’s 04 tot en met 07, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de [getuige], agent van politie 3de klasse, inhoudende:

“De getuige vervolgt zijn toelichting.
De toelichting heeft betrekking op herkenning. De verdere uitwerking van het beeldmateriaal heeft betrekking op de drie manspersonen die in beeld zijn gebracht, met name de verdachten: [verdachte]; [naam 2] en [naam 1].
Op basis van de personen op het beeld en de fragmenten uit het beeld gehaald zijn deze 03 personen als verdachten aangewezen.

Fragmenten uit het beeld gehaald zijn:
De persoon die als eerste uitstapt, is lichtbruin; als wij de 2 beelden naast elkaar zetten en de foto van de verdachte, dan zien wij overeenkomsten bestaan tussen de beelden en de foto. Als wij de foto van verschillende kanten bekijken, dan zien wij dat de verdachte, het gaat om verdachte [verdachte], een bijzondere hoek aan zijn oog heeft. Bijzonderheden aan de benen en het lopen van deze verdachte is; hij heeft een verwonding aan zijn rechterbeen. Verdachte is gefotografeerd en het beeld is gedyscalopeerd. De verdachte [verdachte] heeft een overloophouding: hij heeft een verwonding aan zijn rechterbeen.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de aangifte van diefstal middels braak door de aangeefster, [naam aangeefster], in de wettelijke vorm opgemaakt op 07 september 2016 door [verbalisant 1] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 46 tot en met 47 voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Zij verklaarde dat zij op vermeld adres woonachtig is samen met haar man en dochter. Omstreeks 12.10 uur verliet zij samen met haar moeder en dochter de woning. Op dat moment was haar man niet thuis. Voordat zij de woning verliet, had zij alle ramen en deuren van de woning goed afgesloten. Omstreeks 12.50 uur kwamen zij weer thuis. Zij merkte dat de voordeur van de woning open stond. Zij kwam tot de ontdekking dat vermelde goederen door onbekenden zonder toestemming zijn weggenomen, althans gestolen.

Plaatselijk onderzoek:
De voordeur van de woning was geforceerd. Via deze ontstane opening zijn de daders naar binnen gedrongen en het vermoeden bestaat sterk dat de daders via dezelfde manier de woning hebben verlaten met medeneming van de vermelde goederen. De slaapkamer was door de daders overhoop gehaald. De vermelde goederen hebben de daders uit de slaapkamer gehaald. Vermeldenswaard is, dat de benadeelde een wit gelakte Premio of Corolla met donker getinte ruiten met een hoge vaart zag uitrijden uit de [straatnaam 1], gaande in de richting van de [straatnaam 2]. Verder moge vermeld worden dat de woning beveiligd is met een camera installatie. De daders hebben de harde schijf van de camera vernield, waardoor de beelden niet bezichtigd konden worden. De woning is niet beveiligd. Het perceel is niet omrasterd en heeft ook geen poort.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aanhouding, overbrenging, overdragen ter voorgeleiding aan een hulp officier van justitie van de verdachten [naam 2]; [verdachte] en [naam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 05 december 2016 door [verbalisant 2], (agent van politie 3de klasse), doorgenummerde pagina’s 49 tot en met 51, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik bevond mij thuis bij mijn schoonouders aan de [straatnaam 3] in het [district 1]. Omstreeks 12.30 uur zag ik een wit gelakt voertuig van het merk Toyota Premio met als volgnummer [kentekenummer] met donker getinte ruiten, in de voornoemde weg op verdachte wijze rijden. Dit voertuig was mij niet bekend als te zijn van een der bewoners van de omgeving. Na ongeveer 5 minuten zag ik het voormeld voertuig in de [straatnaam 4] rijden. Daar ik het voertuig voor de tweede keer zag en het feit dat er vaak overdag in woningen wordt ingebroken, kwam dit voertuig mij heel verdacht over, reden waarom ik bedoeld voertuig observeerde.
Op een gegeven moment zag ik het bedoeld voertuig het erf van de achterbuurman van mijn schoonouders aan de [straatnaam 4] oprijden en aldaar stopte. Ook zag ik dat de bestuurder van het voertuig, zijnde een man van gemengd ras, slank van postuur met een gemiddelde lengte, uit het voertuig stapte en hij liep in de richting van de woning bij een raam. Hij keek steeds naar achteren, kennelijk om te overtuigen of iemand hem had gezien. De bedoelde man had een zwarte trui en een blauwe jeansbroek aan. Ik herkende hem positief als te zijn dezelfde verdachte die op 7 september 2016 thuis bij mijn zwager aan de [straatnaam 1] in het [district 1], een inbraak had gepleegd en waarbij hij met hetzelfde voertuig ter plaatse was geweest.
Moge worden vermeld dat tijdens die inbraak er camerabeelden beschikbaar waren en ik de camerabeelden had gezien. Toen de verdachte door had dat ik hem had gezien, haastte hij zich snel naar zijn voertuig. Bij die gelegenheid keek hij steeds naar mijn richting en ook naar achteren. Nadat bedoelde man in het voertuig was gestapt, keerde hij het voertuig zodanig op het erf en reed met volle vaart in de richting van de [straatnaam 5], waardoor er een stof ontwikkelde. Vervolgens zette ik met mijn privé voertuig de achtervolging in.
Ik reed de witte Toyota Premio klem. Nadat ik het voertuig klem had gereden, stapten uit het voertuig drie mannen, waarvan 1 van gemengd ras en twee van creoolse komaf. Zij maakten aanstalten om weg te vluchten. De meerijder die een grijze trui en blauwe kniebroek aan had, had bij zich een blauw/oranje rugtas. Hij poogde iets uit de tas te halen. Ik legitimeerde mij duidelijk als te zijn ambtenaar van politie en schreeuwde tot drie maal toe “POLITIE”. Ook sommeerde ik hen om plat te liggen, hetgeen twee van hen deden. Ik sommeerde de man met grijze trui en blauwe kniebroek wederom om plat te liggen, bij welke gelegenheid hij door de knieën zakte. Ik hield de verdachte voor dat zij ervan verdacht werden zich schuldig te hebben gemaakt aan gekwalificeerde diefstal.
Bij een korte ondervraging verklaarden zij afzonderlijk zich niet schuldig te hebben gemaakt aan enig strafbaar feit. Ik stelde een onderzoek in de blauw oranje tas van verdachte en trof ik een jachtgeweer met ingekorte loop van het merk Baikal voorzien van het serienummer [serienummer], twee wielsokken en 4 scherpe patronen aan. Bij onderzoek aan het jachtgeweer bleek dat dit wapen geladen was. Door mij werd het wapen ontladen. De verdachte, [naam 2], kon geen bescheiden van het jachtgeweer overleggen. Hij verklaarde dat de tas niet van hem is, maar van verdachte [naam 1] die samen met hun is. [naam 1] ontkende dit. Verdachte [verdachte] verklaarde dat hij een taxirit voor de twee moest rijden.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het doen van onderzoek in de woningen van de verdachten [verdachte]; [naam 1] en [naam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 05 december 2016 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 54 tot en met 55, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“In tegenwoordigheid van verdachte [verdachte] werd er een onderzoek in de woning verricht. Er werd 01 paar zwart witte gympies aangetroffen en in beslag genomen. Zulks werd gedaan daar het vermoeden bestaat dat de verdachte tezamen met [naam 2] en een andere manspersoon in een woning aan de [adres 2] te [district 1], op woensdag 07 september 2016 hadden ingebroken. Bij deze inbraak waren er ook camerabeelden, die waren veilig gesteld waarop de verdachte [verdachte] en [naam 2] te zien zijn. Bij het bezichtigen van de camerabeelden zijn de in beslag genomen gympies die de verdachte [verdachte] bij de inbraak aan had, op de beelden te zien.”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het niet kunnen vaststellen van het alibi van de verdachte [verdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt op 06 december 2016 door [verbalisant 4] (brigadier van politie), doorgenummerde pagina’s 56 tot en met 57, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Verdachte [verdachte] had verklaard dat hij zich aan het werk zou moeten bevinden op de dag waarop de inbraak in kwestie had plaatsgevonden. Hij ontkende bij de inbraak betrokken te zijn geweest. Blijkens zijn verklaring is hij werkzaam bij [taxibedrijf].
Zijn manager [naam 3] verklaarde dat verdachte al ongeveer twee jaren daar werkzaam is. Voorts dat hij dagelijks aldaar taxi rijdt. De laatste vier maanden deed hij dat middels een wit gelakte Toyota Premio waarvan het kentekennummer niet bekend was bij hem.
Voor het laatst was verdachte [verdachte] op maandag 05 december 2016 aan het werk en wel in de ochtenduren. Het exacte tijdstip is echter niet bekend waarop hij de werkplek heeft verlaten dan wel met wie hij de plaats had verlaten. Met betrekking tot de dagelijkse door de verdachte [verdachte] verrichte werkzaamheden, verklaarde hij dat het thans niet te achterhalen is wat zijn bezigheden waren op 07 september 2016, zijnde de dag van de inbraak in kwestie.
Het is namelijk zo, dat het regel is dat de dagelijkse werkzaamheden in een schrift vermeld dienen te worden, echter heeft verdachte [verdachte] verzuimd zulks te doen ofschoon de manager hem meerdere malen erop had gewezen om zulks te doen”

6. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 06 december 2016 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 60 tot en met 66, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik ken de taxichauffeur die een rit voor mij heeft gereden. Ik moet u verklaren dat met betrekking tot de camerabeelden die u eerder aan mij heb getoond, ik de taxichauffeur met wie ik ben aangehouden op maandag 05 december 2016 wel positief heb herkend. Ik heb hem aan zijn gezicht en postuur herkend. De 2 andere mannen op de beelden ken ik niet. Ik weet niet wie ze zijn. Alle bovengenoemde goederen die u mij getoond heeft, zijn bij mij in beslag genomen door de politie. Ook het jachtgeweer, maar die behoort niet aan mij toe. De paar witte handschoenen had ik gekocht voor het gebruik tijdens bouwwerkzaamheden, thuis voor mijn concubine genaamd [naam 4].”

7. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [naam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 07 december 2016 door [verbalisant 4] (brigadier van politie), doorgenummerde pagina’s 70 tot en met 72, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Ik zie mezelf niet op de beelden, alleen de verdachte [verdachte] herken ik. Ik zag hem uit de auto stappen en na korte tijd weer in het voertuig stappen. Ik herken hem duidelijk aan zijn gezicht. De auto op de beelden is de auto van verdachte [verdachte]. Wij waren met deze auto toen wij op maandag 06 december 2016 door de politie waren aangehouden. Ik herken de auto aan de kleur en het model. De auto is van verdachte [verdachte]. Met deze auto rijdt hij taxi. De verdachten [verdachte] en [naam 2] verklaren niet de waarheid. Zoals ik eerder had verklaard, werd ik aan de [straatnaam 6] opgehaald.”

8. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van aangeefster/benadeelde [naam aangeefster], in de wettelijke vorm opgemaakt op 07 december 2016 door [verbalisant 5] (agent van politie 2de klasse), doorgenummerde pagina’s 77 tot en met 79, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De daders hebben weggenomen een geldbedrag van SRD 5.000,-, gouden sieraden, vijf setjes, waarvan vier van dames modellen, een heren model, 7 halskettingen en 19 vingerringen. Een laptop van het merk HP, een televisietoestel van het merk Digitrek. Ik heb SRD 20.000,- aan schade geleden. Toen ik naar huis reed, zag ik een witte auto van het merk Toyota Premio uit mijn straat rijden. De auto reed de [straatnaam 5] op en reed vervolgens in de richting van de [straatnaam 2]. Ik bevond mij op de [straatnaam 5] en wel dichtbij de [straatnaam 1]. De bestuurder reed roekeloos over de straat. Toen ik thuis kwam zag ik dat er was ingebroken in mijn woning. Ik zal het voertuig bij terugzien kunnen herkennen. Omtrent het voertuig van het handelsmerk Toyota Premio, gekentekend [kenteken], die op het achter terrein van het politiestation staat geparkeerd, geef ik u aan dat ik denk dat het deze auto is geweest, die ik op de bewuste dag had gezien. Ik heb wel het vermoeden dat dit het voertuig is die ik woensdag 7 september 2016 uit mijn straat had zien wegrijden. Ik heb niet kunnen zien hoeveel inzittenden er waren, omdat de ruiten getint zijn. Mijn woning is beveiligd middels camera. De daders hadden de kabels weggetrokken van de camera beveiligingssysteem. De harde schijf is ook beschadigd geraakt.”

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 4 en 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 07 maart 2017 zal bevestigen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder het feit dat hij een recidivist is en thans uit andere hoofde is aangehouden, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde strafbare feit en gesteld dat hij geen belang heeft bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep aangezien hij de opgelegde straf reeds heeft uitgezeten. Voorts dat hij gedurende zijn detentie en nadat hij in vrijheid was gesteld geen psychologische begeleiding heeft gehad, maar aan zijn lot was overgelaten. Naar het oordeel van het Hof behoort de verdachte tot de categorie van criminelen die een koele berekening danwel inschatting hebben gemaakt van de risico’s en de opbrengsten en tot de conclusie zijn gekomen dat misdaad loont. In dat kader wordt het slachtoffer geobserveerd en wordt er toegeslagen als het slachtoffer niet thuis is. Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst weer voor dezelfde verleidingen zal bezwijken is een straf die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat naar het oordeel van het Hof op zijn plaats. Alles overziende acht het Hof de door de Kantonrechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38, 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 07 maart 2017 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 4 en 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht;

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) JAREN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 05 december 2016 in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger,
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 15 november 2021 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

 

 

SRU-HvJ-2023-3

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN

(Ex artikel 54 c van het Wetboek van Strafvordering)

Op het Hoger Beroep van de appellant, Biervliet Stephano Eduard Waidi, meergenoemd “Pakittow”, ingediend op 23 februari 2023 door mrs. B.A.H. Pick en Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie (hierna: het Hof), namens de appellant tegen de beschikking van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 22 februari 2023 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54 a van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv).

Grondslag van de inverzekeringstelling

Appellant voornoemd is op 18 februari 2023 in verzekering gesteld terzake verdenking van verstoring openbare orde of ontwrichting van het economisch leven der maatschappij; medeplichtigheid tot openlijke geweldpleging tegen personen of goederen; medeplichtigheid tot opzettelijke brandstichting; medeplichtigheid tot diefstal door meer of twee verenigde personen; medeplichtigheid tot vernieling of beschadiging van goederen, zoals omschreven in de artikelen 179; 177; 169; 189 jo 72 jo 73; 207 jo 72 jo 73; 371 jo 72 jo 73; 414 jo 72 jo 73 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Het verloop van de behandeling in hoger beroep

Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 23 februari 2023 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 23 februari 2023 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 24 februari 2023 om 13.00 uur des namiddags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:

  • de raadslieden van appellant, mrs. B.A.H. Pick en Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie;
  • de waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;
  • de appellant (telefonisch).

Beschikking van de rechter-commissaris

Bij beschikking d.d. 22 februari 2023 heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van de appellant afgewezen en de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard.

Ontvankelijkheid van de appellant

De beschikking van de rechter-commissaris is gedateerd 22 februari 2023. Het beroepschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris is op 23 februari 2023 ingediend bij de griffier van de rechter-commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54 c Sv vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in zijn appél.

De grieven van appellant:

De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant te gelasten.

De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

  • ten onrechte heeft de rechter-commissaris overwogen “ dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten”. Immers zijn deze uit niets gebleken. Door de raadslieden is gemotiveerd aangegeven dat die er niet zijn. In de reactie van het Openbaar Ministerie zijn 3 verklaringen genoemd, welke door haar zijn samengevat zonder daarbij enig feit, dan wel omstandigheid te noemen waaruit dat redelijk vermoeden kan worden gehaald. Het had op de weg van de rechter-commissaris gelegen, nu hij afwijzend heeft beslist op het verzoek van appellant, om aan te geven wat die feiten en omstandigheden zijn. Immers behoort een rechter elke beslissing en zeker afwijzende beslissingen deugdelijk te motiveren. De rechter-commissaris kan nimmer volstaan met een standaardformulering, terwijl door de raadslieden gemotiveerd gronden zijn aangevoerd waaruit blijkt dat voorafgaand aan de inverzekeringstelling geen feiten en omstandigheden aanwezig waren om appellant als verdachte aan te merken.
  • appellant is ten onrechte als verdachte aangemerkt. Zo is uit het onderzoek gebleken dat appellant een vreedzame protestactie heeft georganiseerd waarbij overleg en afstemming is geweest met de justitiële autoriteiten. Appellant is nu reeds langer dan 8 jaren activist en hij heeft steeds vreedzame protesten georganiseerd dan wel gehouden. Uit alle feiten en omstandigheden is gebleken dat er op 17 februari 2023 naast de groep van appellant, welke bestond uit vreedzame protesteerders, andere groepen aanwezig waren die een hele andere agenda hadden. Het is evident dat de groep protesteerders en de groep plunderaars niet dezelfde waren. Appellant kan nimmer strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor gedragingen van anderen waar hij absoluut geen connectie mee heeft gehad. De verwijten genoemd in het bevel tot inverzekeringstelling zijn doleuze delicten en is er zelfs dubbel opzet vereist voor de feiten waar appellant medeplegen dan wel medeplichtigheid wordt verweten. Uit geen enkel feit noch omstandigheid is gebleken van enig opzet van appellant aan brandstichting, diefstal, vernieling, openlijke geweldpleging en ordeverstoring.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:

  • de beschikking van de rechter-commissaris is voldoende gemotiveerd en kan bevestigd worden.
  • het zou volgens appellant een vreedzame betoging worden maar het is geheel uit de hand gelopen waarbij er is vernield en geplunderd. De vraag rijst hoe de mobilisatie heeft plaatsgevonden uit de verschillende buurten. Daarnaast is er een video rond gegaan van de appellant waarbij hij zelf aangeeft dat als er iets gebeurt dan kan de politie hem oppakken. Daarnaast zegt de bestuurder van de truck, Ramharakh, dat hij op instigatie van appellant moest doorrijden vanuit het DNA-gebouw naar de richting van het Kabinet van de President van de Republiek Suriname. De verschillende diensten stonden daar opgesteld en gelet op de snelheid van de truck waren zij genoodzaakt de banden van de truck lek te schieten. Er is niet gebleken dat appellant heeft getracht om de menigte tot rust aan te manen toen het geheel begon te escaleren. De ordediensten van de Staat kunnen moeilijk op deze calamiteiten voorbereid zijn.
  • er is nog onderzoeksbelang aanwezig. De mensen van Triple Security moeten nog gehoord worden en met appellant geconfronteerd worden.

De beoordeling:

  • Het Hof zal beide grieven simultaan aan een bespreking onderwerpen aangezien die in de kern op hetzelfde neer komen. Beide grieven hebben in de visie van het Hof als kern dat de appellant ten onrechte als verdachte is aangemerkt aangezien er daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden zijn voortgevloeid uit het ingesteld onderzoek. Door zulks aan te nemen en daarbij een standaardformulering te hanteren heeft de rechter-commissaris in de visie van de verdediging van appellant de beroepen beschikking niet op rechtens juiste wijze met redenen omkleed (althans zo vat het Hof dat op).
  • Naar het oordeel van het Hof is voormelde grief voor zover het betreft de ontoereikende motivering van de beroepen beschikking gegrond. In de visie van het Hof diende de rechter-commissaris in casu niet te volstaan met een standaardmotivering in de beroepen beschikking maar gelet op de maatschappelijke “impact” van deze zaak en hetgeen de raadslieden hadden aangevoerd had het op de weg van de rechter-commissaris gelegen om daar nader op in te gaan. Gegrondverklaring van deze grief leidt evenwel niet tot vernietiging van de beroepen beschikking aangezien het Hof deze manco zal repareren in hoger beroep en de beroepen beschikking op dit punt zal aanvullen en verbeteren.
  • Uitgaande van de verweten gedragingen, te weten verstoring openbare orde/opruiing/aanprijzing tot verstoring openbare orde/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan openlijke geweldpleging/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan veroorzaken brand/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal/medeplegen casu quo medeplichtigheid aan vernieling, komt het Hof tot de navolgende slotsom. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit het voorlopig strafdossier vooralsnog niet dat er op enigerlei wijze een connectie bestaat tussen appellant en de verwijten ter zake opruiing/openlijke geweldpleging/ veroorzaken brand/gekwalificeerde diefstal/vernieling. In de visie van het Hof is uit het tot dusver ingesteld onderzoek niet gebleken dat appellant op enigerlei wijze als verdachte kan worden aangemerkt van deze delicten. Er zijn in de visie van het Hof geen feiten en/of omstandigheden gebleken uit het tot dusver ingesteld onderzoek die enige verdenking ten aanzien van het voorgaande zouden kunnen schragen.
  • Anders ligt het ten aanzien van de verwijten betreffende het verstoren van de openbare orde (artikel 179 Sr) casu quo het aanprijzen tot verstoring van de openbare orde (artikel 169 Sr). Dienaangaande is het Hof van oordeel dat voorafgaande aan de inverzekeringstelling van appellant wel een redelijk vermoeden van schuld aanwezig is geweest ter zake van voormelde delicten. Het voorgaande wordt gegrondvest op de verklaring van Ramharakh Asween (de bestuurder van de truck) die heeft aangegeven dat het op den duur onoverzichtelijk werd op het plein daar de mensen verhit raakten waarna appellant de opdracht gaf om achter hem en mede protestanten aan te rijden in de richting van het Kabinet van de President, alwaar de militairen en politie agenten in linie stonden met wapenstokken en schilden. Voorts heeft Hughes, Errol aangegeven dat appellant op enig ogenblik van de trekker was afgestapt en voor de soundtruck was gaan staan en de uitlating in het Surinaams deed “ famirie if oe noh wang goh, kong goh massaal goh tak nanga mang “ en zwaaide hij met de Surinaamse vlag aan de voorkant (van de soundtruck). De rechter-commissaris heeft in zoverre in de visie van het Hof terecht geoordeeld dat uit de aanwezige processen-verbaal welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van appellant, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten. Evenwel heeft de rechter-commissaris met het hanteren van deze constructie qua formulering niet gedifferentieerd naar type delict hetgeen het Hof thans wel heeft gedaan.
  • De consequentie van voorgaande redenering is dat de beroepen beschikking zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden.
  • Uit het strafdossier blijkt dat inmiddels de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant is ingegaan op 25 februari 2023. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat hoewel er een redelijk vermoeden van schuld aan de zijde van appellant bestond er thans geen dringende noodzakelijkheid bestaat tot verlenging van de inverzekeringstelling van appellant. Immers kan het ingesteld onderzoek worden voortgezet en afgerond zonder dat er een noodzaak bestaat om de detentie van appellant te continueren. Het Hof houdt het ervoor dat appellant beschikbaar zal blijven voor de continuering van het onderzoek van deze zaak en waar nodig zijn medewerking aan het onderzoek zal blijven verlenen.
  • Uit het voorgaande vloeit voort dat de continuering van de verlengde inverzekeringstelling

van appellant onrechtmatig zal worden verklaard en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant zal worden gelast.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

  • Verklaart het hoger beroep van appellant tegen de beroepen beschikking ongegrond.
  • Bevestigt de beroepen beschikking van de rechter-commissaris de dato 22 februari 2023.
  • Verklaart de continuering van de verlengde inverzekeringstelling van appellant onrechtmatig.
  • Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van de appellant, Biervliet Stephano Eduard Waidi alias “Pakkitow”,

Aldus gegeven te Paramaribo op maandag 27 februari 2023 in raadkamer van het Hof van Justitie door: mr. A. Charan, fungerend-president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. K.S. Mahabier.