SRU-HvJ-2014-11

GR- 14609

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende aan [adres] in het [distrikt],
appellant,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende aan [adres 2], [postcode], [stad], [land],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. E. Ch. de Noten, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 06 november 2007 (A.R.NO. 043545) tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van appellante gedateerd 12 november 2007 –ingekomen ter griffie van het hof op 14 november 2007- waaruit blijkt dat appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 6 november 2007;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 15 juli 2011;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 04 november 2011;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi de dato 02 december 2011;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi de dato 20 januari 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 20 april 2012 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1. Geïntimeerde heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, primair gevorderd dat gedaagde zal worden bevolen de overeenkomst van 17 maart 2004 na te komen en de woning staande op het erf gelegen aan de [adres 3] in het distrikt Wanica deugdelijk, geheel volgens de in de overeenkomst vastgestelde voorwaarden af te bouwen en na goedkeuring door de eiser op te leveren, met opschorting van de betalingsverplichting van de eiser tot gedaagde aan het vonnis zal hebben voldaan. Secundair is gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van SRD. 45.450,- vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% ’s jaars en de overeenkomst d.d. 17 maart 2004 tussen partijen te ontbinden;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 06 november 2007 de tussen partijen bestaande overeenkomst d.d. 17 maart 2004 ontbonden en gedaagde, thans appellant, veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser, thans geïntimeerde, te betalen het bedrag van SRD. 45.450,– vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6% per jaar vanaf 6 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor wat betreft het onder 5.2. daarvan bepaalde en is gedaagde, thans appellant, in de kosten van het geding aan de zijde van eiser , thans geïntimeerde, gevallen veroordeeld. Het meer of anders gevorderde is afgewezen;
  2. Appellant heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsman bij schrijven gedateerd 12 november 2007 –ingekomen ter griffie van het hof op 14 november 2007- appèl aangetekend tegen het vonnis van 06 november 2007. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Gelet op het voorgaande heeft appellant ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep;

2.2. Appellant heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:

  • In het jaar 2003 is appellant met geïntimeerde overeengekomen om de woning staande en gelegen aan [adres 3] in het [district] sleutel klaar voor eiser af te bouwen.
  • De aanneemsom was begroot op Sf 90.000.000,=. Hierbij heeft geïntimeerde aan appellant verstrekt een totaal bedrag van Sf 81.000.000,=;
  • Naderhand hebben geïntimeerde en appellant op 17 maart 2004 een nadere overeenkomst gesloten waarbij appellant zich jegens geïntimeerde heeft verplicht om de aan geïntimeerde toebehorende woning af te bouwen en sleutel klaar op te leveren. Geïntimeerde heeft hierbij een bedrag van Sf 4.000.000,= aan appellant ter hand gesteld;

2.3. Naast voormelde vaststaande feiten heeft geïntimeerde – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep ten aanzien van appellant van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat appellant zich niet heeft gehouden aan de tussen hen bestaande overeenkomst en dat hij hierdoor schade lijdt welke appellant gehouden is te betalen;

2.4. Appellant heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat het door hem aangenomen werk naderhand duurder bleek te zijn dan de overeengekomen som van Sf 90.000.000,=, vanwege door hem verrichte meer werkzaamheden;

2.5. In hoger beroep concludeert appellant tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog ontzegging van de vordering aan de geïntimeerde als zijnde ongegrond en onbewezen;

2.6. Daartoe heeft appellant als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd –kort samengevat en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang- dat de kantonrechter ten onrechte heeft besloten dat de overzichtstaat niet voldoet aan het aan de appellant bevolene zoals omschreven onder 4.1 van het vonnis. In tegenstelling tot hetgeen de kantonrechter beweert voldoet de overzichtstaat wel aan het bevolene onder 4.1. Immers heeft de appellant precies aangegeven wat de kantonrechter heeft gevraagd, te weten: een totaal beeld te geven van de werkzaamheden die de appellant heeft verricht; een totaal beeld te geven van de materialen die hij heeft gekocht en voor welk bedrag hij die heeft gekocht en ten slotte te omschrijven wat voor soort meerwerk hij heeft gedaan;

2.7. Geïntimeerde heeft verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

2.8. Het hof zal ingaan op de aangevoerde grief. Dienaangaande overweegt het hof dat uit de gedingstukken in eerste aanleg blijkt dat de kantonrechter ter gelegenheid van de gehouden descente de dato 15 december 2005 als opdracht aan appellant heeft gegeven dat deze een totaal beeld moet geven voor welk bedrag hij uit de aanneemsom van Sf. 90.000.000,= werkzaamheden heeft verricht. Voorts heeft de kantonrechter aangegeven dat appellant een totaal beeld moet geven van de materialen die hij heeft gekocht en voor welk bedrag hij deze heeft gekocht alsmede dat hij moet omschrijven wat voor soort meerwerk hij heeft gedaan apart van de oorspronkelijke overeenkomst en wat de kosten van deze meer werkzaamheden zijn geweest. Bij wege van conclusie de dato 1 augustus 2006 heeft de gemachtigde van appellant een overzichtstaat bevattende meerwerk tot een bedrag van SRD. 21.580,= ten processe overgelegd. Na doorname van de overzichtstaat komt het hof tot de slotsom dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat die niet voldoet aan de opdracht die was gegeven aan appellant. Immers betreft de overzichtstaat een met de hand geschreven staat waarin bloot een aantal werkzaamheden en bedragen zijn opgesomd zonder enige onderbouwing of onderliggende documenten. Daarenboven bestrijkt de inhoud daarvan slechts een klein deel van de aan appellant gegeven opdracht door de kantonrechter;

2.9. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de opgeworpen grief dient te worden verworpen en het beroepen vonnis dient te worden bevestigd;

Appellant zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 6 november 2007, A.R.No. 043545, waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding aan de zijde van geïntimeerde in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. D.G.W. Karamat Ali, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 07 februari 2014, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. S.C. Berenstein

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.A. Meijnaar namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van appellant terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2014-10

G.R.No.14430

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING JETJONA,
gevestigd te Paramaribo,
gemachtigde: mr. J. Kraag advocaat,
appellant, hierna aangeduid als “de Stichting”,

[Appellant sub B],
wonende te [plaats],
appellant, hierna aangeduid als ”[appellant sub B]”,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ”[geïntimeerde]”,
gemachtigde: mr. J.C.P. Nannan Panday, advocaat,

inzake het hoger beroep van de door de Kantonrechter in het Eerst€Kanton uitgesproken vonnis van 2 april 2007 (A.R.No. 963169) tussen appellanten als gedaagden en

geïntimeerde als eiser, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis.

Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de conclusie tot uitlating en overlegging productie aan de zijde van [appellant sub B] d.d. 18 februari 2011;

– de conclusie tot uitlating omtrent door [appellant sub B] overgelegde productie tevens conclusie tot overlegging van productie d.d. 01 april 2011;

– de conclusie tot uitlating productie aan de zijde van [appellant sub B] d.d. 03 juni 2011.

Het vonnis in onderhavige zaak is nader bepaald op heden.

De verdere beoordeling

1.1 Ter uitvoering van het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis, heeft mr. S. Mangroelal een conclusie genomen voor het verschaffen van duidelijkheid terzake hetgeen onder 2.7 in dat vonnis is overwogen, namelijk dat hij namens zowel de Stichting als [appellant sub B] hoger beroep heeft ingesteld, doch dat de door hem genomen conclusies slechts op naam van [appellant sub B] zijn gesteld en hij aldus alleen als gemachtigde van [appellant sub B] heeft opgetreden.

In zijn conclusie terzake heeft mr. Mangroelal kenbaar gemaakt dat hij zich reeds op de eerste dag van behandeling, dan wel bij de dagbepaling van het pleidooi heeft onttrokken als procesgemachtigde van de Stichting en mr. J. Kraag zich op die datum als advocaat van de Stichting heeft gesteld. Voorts dat mr. J. Kraag op 04 december 2009 ”recht op stukken” heeft gevraagd.

Voor het Hof is nu duidelijk dat mr. S. Mangroelal slechts de procesgemachtigde van [appellant sub B] is, mr. J. Kraag de procesgemachtigde van de Stichting, en laatstgenoemde recht op stukken had gevraagd, zodat thans kan worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van de onderhavige zaak.

1.2 Mr. Mangroelal heeft in zijn conclusie het Hof verzocht om in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis instede van “30 september 2003” te lezen, “30 september 1993”. Dit omdat ”30 september 2003” niet de correcte datum van de veilingvoorwaarden is, doch 30 september 1993. Daar dit een schrijffout van het Hof ís, zal het Hof de datum zoals vermeld onder de overwegingen 2.11 en 2.12 in het tussenvonnis verbeterd inlezen. Met name wordt onder de overwegingen 2.11 en 2.12 instede van ”30 september 2003” gelezen: ”30 september 1993”.

  1. Het Hof constateert dat onder de overweging 1.7 in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis er nog een andere schrijffout is gemaakt, welke schrijffout thans gecorrigeerd zal worden. Het betreft namelijk de datum van de akte van oprichting van de Stichting Kenmar waar abusievelijk 11 oktober 2003 staat vermeld, instede van 11 oktober 1993. Derhalve zal het Hof in overweging 1.7 de datum van de oprichting van de Stichting Kenmar verbeterd inlezen. Dus instede van ”11 oktober 2003” zal worden gelezen ”11 oktober 1993”.
  2. Zoals reeds onder 2.8 in het op 17 december 2010 tussen partijen in hoger beroep gewezen tussenvonnis is overwogen, heeft [appellant sub B] zes grieven aangevoerd tegen het gewraakte tussenvonnis van 06 juli 1999. De zes grieven zijn weergeven onder 2.9.1 tot en met 2.9.6 in het tussenvonnis en hebben de strekking om het geschilpunt, zijnde de beantwoording van de vraag of het perceel op de dag van de veiling al dan niet aan [geïntimeerde] zou zijn toegewezen, aan een nieuwe beoordeling van het Hof te onderwerpen. Daar [appellant sub B] met de zes grieven alle overwegingen in de tussenvonnissen en het eindvonnis – waarvan hoger beroep – beoogt te bestrijden, zal het Hof deze zes grieven, voor zover relevant, hieronder gezamenlijk bespreken.

3.1 Volgens het betoog van [appellant sub B] in zijn eerste grief heeft de Kantonrechter ten onrechte in het tussenvonnis en eindvonnis overwogen dat de toepasselijke veilingcondities bepalen dat over de toewijzing van het perceelland op de dag van de openbare verkoop zelf dient te worden beslist. Terzake beroept [appellant sub B] zich op de artikelen 4 en 6 van de veilingcondities, uit welke artikelen volgens zijn betoog geenszins blijkt dat van een dergelijke verplichting sprake is.

3.2 [Geïntimeerde] blijft in reactie op deze grief ín zijn stellingen volharden dat hij op de dag van de veiling de hoogste bieder was en de toewijzing onmiddellijk na de executie aan de hoogste bieder zou dienen te geschieden. Dat de toewijzing onmiddellijk na de veiling zou dienen plaats te vinden en is geschied blijkt, aldus het standpunt van [geïntimeerde], uit de inhoud van de veilingvoorwaarden zelf en de handelingen van [appellant sub B] kort na de veiling. Met name zou de Stichting volgens vast gebruik [geïntimeerde] als hoogste bieder op de veiling hebben meegenomen naar de werkkamer van de notaris, zijnde [appellant sub B], alwaar [geïntimeerde] zijn identiteitsgegevens werden opgenomen en tevens een berekening werd verstrekt tot het te betalen bedrag.

3.3 Naar het oordeel van het Hof is niet in het geding of de toewijzing van het perceel onmiddellijk na de veiling zou dienen te geschieden, doch zoals reeds onder 3 in dit vonnis is overwogen de beantwoording van de vraag of de Stichting het perceel aan [geïntimeerde] heeft toegewezen en wanneer het zou zijn toegewezen.

In artikel 4 van de veilingsvoorwaarden , zijnde het artikel waarop [appellant sub B] zich beroept, is onder meer het volgende neergelegd: ”Voormeld onroerend goed wordt verkocht zodanig en in de staat, waarin het zich op het ogenblik der toewijzing bevindt met alle rechten van lasten, heersende en lijdende erfdienstbaarheden, die daaraan verbonden zijn, zonder dat de verkopers tot enige vrijwaring gehouden zijn, wordende de koper geacht ten eigen bate en schade te hebben gekocht.”, en artikel 6: ”De koper aanvaardt het gekochte dadelijk bij de toewijzing en moet op eigen kosten zich feitelijk in het bezit stellen van het gekochte. Het gekochte is vanaf het ogenblik der toewijzing voor rekening en risico van de koper, zonder enige aansprakelijkheid hoe ook genaamd, aan de zijde van de requirantenverkopers.”

Uit de inhoud van de hiervoor vermelde artikelen valt niet af te leiden wanneer de toewijzing dient plaats te vinden en zijn deze artikelen voor verschillende interpretaties vatbaar. Om die reden kan naar het oordeel van het Hof de vraag wanneer het perceel aan [geïntimeerde] is toegewezen niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de artikelen in de veilingvoorwaarden, doch op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.4 Zoals het Hof uit deze stelling van [geïntimeerde] begrijpt, heeft [appellant sub B] bij hem het vertrouwen gewekt dat het perceelland gelijk na afloop van de veiling aan hem zou

zijn toegewezen en staat naar het oordeel van het Hof het volgende vast:

– de Stichting heeft [geïntimeerde] als hoogste bieder op de veiling meegenomen naar de werkkamer van de notaris, zijnde [appellant sub B], alwaar [geïntimeerde] zijn identiteitsgegevens werden opgenomen;

– [Appellant sub B] heeft na afloop van de veiling op 30 september 1993 aan [geïntimeerde] een rekeningafschrift verstrekt met aan het hoofd vermeld ”AFREKENING VEILING

[NAAM]” en met een optelling van de bedragen van de koopsom, notariskosten, plokpenning overdrachtskosten en kale grondwaarde, in totaal belopende een bedrag van f 1.723.751,–;

– op 01 oktober 1993 heeft Calor uit handen van de procesgemachtigde van [geïntimeerde] f 100.000,- ontvangen, en heeft [appellant sub B] terzake een kwitantie aan [geïntimeerde] verstrekt met de vermelding ”voorschot veiling [naam] d.d. 30/9/93”;

– [Geïntimeerde] heeft het bedrag ad f 1.623.751,- op de bankrekening van [appellant sub B] gestort;

– [Geïntimeerde] heeft vervolgens per brief d.d. 12 oktober 1993 [appellant sub B] en [naam 2] (wijlen) verzocht om over te gaan tot het opmaken van het proces-verbaal van

openbare veiling en toewijzing en om het proces-verbaal te doen viseren ten hypotheekkantore.

Geenszins is gebleken dat [appellant sub B] of de Stichting aan [geïntimeerde] de uitdrukkelijke mededeling hebben gedaan dat het perceel niet aan hem zou zijn toegewezen, en heeft de Stichting die mededeling pas bij schrijven van 13 oktober 1993 aan [geïntimeerde] gedaan, dan wel nadat [geïntimeerde] de hiervoor vermelde brief d.d. 12 oktober 1993 aan [appellant sub B] en [naam 2](wijlen) heeft gericht.

3.5 De hiervoor onder 3.4 omschreven feiten en omstandigheden in onderling samenhang beschouwd en bekeken, brengen het Hof tot het oordeel dat [appellant sub B] en de Stichting bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat het perceel gelijk na de veiling aan hem zou zijn toegewezen en dat [geïntimeerde] erop mocht vertrouwen dat zulks het geval is geweest. Daarom volgt het Hof de Kantonrechter, met aanvulling van hetgeen hiervoor is overwogen, in zijn oordeel dat de vordering van [geïntimeerde] moet worden toegewezen. Hieruit vloeit voort dat de grieven van [appellant sub B] worden verworpen en zullen de bestreden tussenvonnissen en het eindvonnis worden bekrachtigd, met aanvulling van de gronden, en onder verwijzing van de Stichting en [appellant sub B] van de in hoger beroep gevallen proceskosten.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in deze zaak gewezen en uitgesproken d.d. 2 april 2007 (A.R.No. 963160) waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

Veroordeelt de Stichting en [appellant sub B] in de proceskosten van het geding aan de zijde van

[geïntimeerde] in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. S.M.M. Chu, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 21 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g . D.D. Sewratan

Partijen, appellant sub A vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J. Kraag en appellant sub B vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Chen namens zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Mangroelal en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. T. Jhakry namens zijn gemachtigde, advocaat mr. J.C.P. Nannan Panday, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-9

GR- 14674

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante]
weduwe van [naam],
wonende aan [adres]te [plaats],
appellante in conventie en in reconventie,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

  1. DE ONTBONDEN VERENIGING: MAATSCHAPPIJ TOT ONDERLINGE HULP,
    kantoorhoudende te Paramaribo aan de Joliceurstraat no. 19,
  2. [Geïntimeerde sub B], wonende te [plaats] aan [adres 2],
  3. [Geïntimeerde sub C], wonende te [plaats] aan [adres 3],
  4. [Geïntimeerde sub D], wonende te [plaats] aan [adres 4],
  5. [Geïntimeerde sub E], wonende te [plaats] aan [adres 5],

allen in hun hoedanigheid van vereffenaars van de ontbonden Vereniging Maatschappij Tot Onderlinge Hulp,
geïntimeerden in conventie en in reconventie,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 22 juni 2010 (A.R.NO. 080093) tussen appellante als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en geïntimeerden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden hierna gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellante] enerzijds en anderzijds de ontbonden vereniging e.a. danwel respectievelijk de ontbonden vereniging, [geïntimeerde sub B], [geïntimeerde sub C], [geïntimeerde sub D] en [geïntimeerde sub E];

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • Het schrijven van de advocaat van appellante gedateerd 22 september 2010 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 september 2010- waaruit blijkt dat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter de dato 22 juni 2010;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 01 juni 2012;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 06 juli 2012;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi en incidentele conclusie tot wijziging eis de dato 03 augustus 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi en antwoord in het incident de dato 16 november 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 01 maart 2013 doch nader op heden;

De beoordeling

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Appellante] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, in conventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de ontbonden vereniging e.a. zullen worden veroordeeld om aan haar te betalen het bedrag van USD 15.250,= vermeerderd met de wettelijke rente daarover ad 6 % per jaar vanaf 30 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening. Mede is gevorderd vanwaardeverklaring van de gelegde conservatoire beslagen;

2.1.In reconventie hebben de ontbonden vereniging e.a. , voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat [appellante] zal worden veroordeeld tot het opheffen van het gelegd conservatoir derdenbeslag en het terugbetalen aan hen van US$ 7.972,= uit hoofde van teveel gedane uitkeringen;

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 juni 2010 in conventie [appellante] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en in reconventie het gelegd conservatoir derdenbeslag ten laste van de ontbonden vereniging e.a. opgeheven en het meer of anders gevorderde afgewezen, onder compensatie van de proceskosten tussen partijen in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt;
  2. [Appellante] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman bij schrijven gedateerd 22 september 2010 –ingekomen ter griffie van het hof op 23 september 2010 – appèl aangetekend tegen het vonnis van 22 juni 2010. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Aangezien de aangetekende dienstbrief van de griffier dateert van 9 september 2010 heeft [appellante] ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis weshalve zij ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep;
  3. [Appellante] heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen in conventie, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:
    1. De thans overleden echtgenoot van [appellante], te weten [naam] (hierna te noemen [naam]), [geïntimeerde sub B], [geïntimeerde sub C], [geïntimeerde sub D] en [geïntimeerde sub E] waren leden van de vereniging “Maatschappij Tot Onderlinge Hulp” (hierna de vereniging);
    2. Aan de vereniging behoorde in eigendom toe het onroerend goed gelegen te [perceelomschrijving], bekend onder nieuwe wijk letter D [nummer], oude wijk letter D [nummer 2];
    3. De vereniging is ontbonden op een algemene vergadering gedateerd 19 oktober 2004. Het perceel is verkocht voor een bedrag van US$ 160.000,= aan de Stichting Bribi;

2.2.Stichting Bribi heeft een aankoopsom van US$ 40.000,= latende een saldo van US$ 120.000,=. Dit bedrag dient Stichting Bribi in maandelijkse termijnen van US$ 3.000,= af te lossen. Tot en met december 2006 heeft Stichting Bribi een bedrag van US$ 76.000,= afgelost terwijl het saldo alstoen bedroeg US$ 54.000,=;

2.3.Naast voormelde vaststaande feiten heeft [appellante] in conventie – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing in hoger beroep van belang – aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat op een algemene ledenvergadering van de vereniging, rechtspersoon, d.d. 19 oktober 2004 ingevolge artikel 15 van haar statuten een besluit is genomen tot ontbinding van de vereniging. Het bestuur dat belast was/is met de likwidatie van de vereniging is ertoe overgegaan om het enig vermogensbestanddeel van de vereniging bestaande uit: het erf met de daarop staande gebouwen, gelegen te [perceelomschrijving], bekend onder Nieuwe Wijk Letter D [nummer], Oude Wijk letter D [nummer 2] met inbegrip der beide ijzeren regenbakken, zich op het erf bevindende, te verkopen aan de Stichting Bribi. De levering bij notariële akte zal plaatsvinden bij de finale betaling van de koopprijs. De verdeling van de bezittingen van de vereniging vindt volgens artikel 16 van de statuten, pondspondsgewijze onder de leden plaats. Aan [naam] komt op grond van het vorenstaande toe een bedrag van USD. 40.000,= waarvan inmiddels aan [naam] en na zijn overlijden aan [appellante] is betaald een bedrag van in totaal USD. 24.750,=, latende een saldobedrag van USD. 15.250,=. [Appellante] heeft als erfgenaam van wijlen haar echtgenoot bij schrijven van haar raadsman d.d. 2 november 2006 de ontbonden vereniging e.a. gesommeerd om het bedrag ad USD. 15.250,= binnen twee dagen aan haar te betalen. De ontbonden vereniging e.a. hebben bij schrijven d.d. 8 november 2006 aan [appellante] bericht dat haar recht op uitkering een vermeend recht is en dat het recht ingevolge artikel 16 statuten jo artikel 1680 B.W. een persoonlijk recht is dat bij overlijden van de rechthebbende niet overgaat op de nabestaanden. Het standpunt van de ontbonden vereniging e.a. is reeds op grond van de duidelijke bewoordingen van artikel 1680 BW jo de artikelen 880 en 880a BW niet houdbaar en juridisch irrelevant;

2.4. De ontbonden vereniging e.a. hebben verweer gevoerd in eerste aanleg en in conventie – kort samengevat- aangevoerd dat de ontbonden vereniging e.a. ten tijde van dit proces niet uit vier maar uit negen leden bestaat, waaronder het inmiddels overleden lid [naam]. De koopsom ad USD 160.000,- dient dus te worden verdeeld onder de negen overgebleven leden, waaronder [naam] voornoemd. Derhalve komt aan laatstgenoemde toe het geldsbedrag groot USD 17.778,= en heeft [appellante] inmiddels in totaal ontvangen USD. 24.750,= . Eveneens is op haar verzoek aan haar dochter mevrouw [naam 2] USD. 1.000,= uitgekeerd waardoor het totaal komt op USD. 25.750,=. Tevens is als verweer aangevoerd dat [appellante] doet voorkomen alsof zij enkel en alleen enige erfgenaam is van [naam], wat misleidend is daar zij op zijn minst een dochter heeft, mevrouw [naam 2] voornoemd. Eveneens hebben de ontbonden vereniging e.a. aangevoerd dat aan [appellante] teveel werd uitgekeerd, USD. 7.972,=;

2.5.In hoger beroep concludeert [appellante] tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog toewijzing van het gevorderde in conventie;

2.6.Daartoe heeft [appellante] als grief tegen voormeld vonnis aangevoerd dat haar overleden echtgenoot [naam] blijkens de overgelegde verklaring van erfrecht het levenslange recht van vruchtgebruik zijner gehele nalatenschap heeft gelegateerd aan haar en dat zij hierdoor de bevoegdheid heeft verkregen tot het verrichten van alle rechtshandelingen die tot een goed beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen dienstig kunnen zijn. Een gevolg van het hiervoren omschreven goed beheer houdt tevens in dat zij bevoegd is als vruchtgebruiker in en buiten rechte nakoming te eisen van aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen en tot het in ontvangst nemen van betalingen. De kantonrechter heeft kennis genomen van de verklaring van erfrecht doch de kantonrechter heeft zich uitsluitend gefocust op het zijn van erfgenaam en de bevoegdheid van [appellante] als vruchtgebruiker volledig uit het oog verloren;

2.7. De ontbonden vereniging e.a.hebben in hoger beroep verweer gevoerd en het hof zal daarop –in het hierna volgende voor zover voor de beslissing van belang- terug komen;

2.8. In reconventie heeft [appellant] geen grieven tegen het beroepen vonnis aangevoerd en nu het het hof ambtshalve niet is gebleken van enige grond die tot vernietiging van het vonnis in reconventie aanleiding zou moeten geven, zal dat onderdeel van het beroepen vonnis worden bevestigd;

2.9. Het hof zal ingaan op de door [appellante] tegen het beroepen vonnis aangevoerde grief. Anders dan [appellante] is het hof van oordeel dat zij in haar hoedanigheid van vruchtgebruikster slechts tezamen met de erfgenamen van [naam] gerechtigd is om ter zake van onderhavige vordering in rechte op te komen. De kantonrechter heeft derhalve terecht overwogen dat zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het zijn van vruchtgebruikster van de gehele nalatenschap van [naam] doet aan het voorgaande niet af aangezien de persoon van de overledene vermogensrechtelijk wordt voortgezet door diens erfgenamen en diende [appellante] derhalve de onderhavige vordering niet alleen in eigen naam doch mede als gevolmachtigde van de erfgenamen in te stellen. Het hof kan zich helemaal verenigen met hetgeen de kantonrechter dienaangaande heeft overwogen en neemt dat over en maakt dat tot de zijne;

2.10. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis zowel in conventie als in reconventie dient te worden bevestigd;

  1. [Appellante] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van de ontbonden vereniging e.a. in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;
  2. [Appellante] heeft bij wege van repliekpleidooi een incidentele conclusie tot wijziging van eis genomen waarbij zij verzocht heeft, voorwaardelijk, dus voor het geval het hof een andere mening zou zijn toegedaan, het inleidend verzoekschrift te wijzigen zoals daarin aangegeven. De ontbonden vereniging e.a. hebben zich hiertegen verzet onder aanvoering dat de verzochte wijziging betreft de hoedanigheid van [appellante] en dat zij daardoor –anders dan [appellante] stelt- wel worden bemoeilijkt in hun verweer. Naar het oordeel van het hof betreft de verzochte wijziging –zoals de ontbonden vereniging e.a. terecht hebben aangevoerd- een wijziging van de hoedanigheid van [appellante] voornoemd en worden de ontbonden vereniging e.a. door toewijzing daarvan wel bemoeilijkt in hun verweer. Daarenboven is het in strijd met de beginselen van een goede procesorde door pas in hoger beroep en wel bij repliekpleidooi met een dergelijk verzoek te komen. Derhalve zal het gedaan verzoek dienen te worden afgewezen;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

In het incident:

Wijst af de verzochte wijziging van eis betreffende de hoedanigheid van Ong A Swie voornoemd;

In de hoofdzaak:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 22 juni 2010, A.R.No. 080093, waarvan beroep;

Veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding aan de zijde van de ontbonden vereniging e.a. in hoger beroep gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. R.G. Chatterpal, Leden-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 21 februari 2014, in tegenwoordigheid van de

Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens haar gemachtigde, advocaat mr. A.R. Baarh en geïntimeerden vertegenwoordigd door advocaat mr. V.V.C. Pique namens hun gemachtigde, advocaat mr. S. Marica, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2007-35

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL 14307.

[Appellant], wonende aan [adres 1] te [plaats], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no.27, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.J.Blufpand, advokaat, appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no 8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgend vonnis in Kort Geding uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hovens interlocutoire vonnissen respectievelijk van 2 februari 2007, 16 maart 2007, 4 mei 2007 en 1 juni 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens laatstvermeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating onder overlegging van produkties hebben genomen, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast beschouwd.

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof refereert aan en persisteert bij het tussenvonnis van 1 juni 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat geïntimeerde, daartoe bij voormeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld, bij daartoe strekkende conclusie de dato 15 juni 2007 in het onderhavige geding heeft doen brengen – voorzover ten deze van belang -: een verklaring in fotokopie de dato 26 januari 2006 van Rosan’s Car Center, een kwitantie in fotokopie de dato 26 januari 2006 van Rosan’s Car Center en een nieuw verzekeringsbewijs van Self Reliance [nummer 1];

Overwegende, dat het Hof de inhoud van voormelde producties als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aanmerkt;

Overwegende, dat appellant daartoe tevens in de gelegenheid gesteld bij conclusie de dato 29 juni 2007 heeft doen zeggen zoals in voormelde conclusie weergegeven, wordende de inhoud daarvan als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd aangemerkt;

Overwegende, dat het Hof op grond van de inhoud van èn de verklaring èn de kwitantie in fotokopie gedateerd 26 januari 2006, gevoegd bij het nieuwe verzekeringsbewijs in fotokopie [nummer 1] als eerder vermeld, van welke produkties de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, bewezen acht en als tussen partijen rechtens vaststaand aanneemt dat: – Rosan’s Car Center van geïntimeerde heeft gekocht en geleverd gekregen: een Toyota Vista kleur grijs met kenteken [nummer 2] MP in de staat waarin het verkeerde voor een bedrag van USD 1000,– welk bedrag gediend heeft als betaling voor de koop van een Toyota Hiace Regius bouwjaar 1997 eveneens in de staat waarin die zich bevond voor een bedrag van USD 13.000,–, welk voertuig op genoemde datum is verzekerd bij N.V.Surinaamse Assurantie Maatschappij Self Reliance;

Overwegende, dat nu appellant voormelde producties niet heeft betwist of van valsheid beticht thans vaststaat, dat geïntimeerde het voertuig van het merk Toyota Vista, kleur grijs met kenteken [nummer 2] MP sedert 26 januari 2006 niet meer in haar bezit heeft en zij mitsdien ook niet meer zou kunnen worden veroordeeld dat voertuig aan appellant af te geven zoals gevorderd, waaraan niet afdoet dat geïntimeerde zich daartoe zelf in de onmogelijkheid heeft gesteld;

Overwegende, dat als niet door appellant betwist tevens vaststaat tussen partijen, dat geïntimeerde de matras Auping van het merk Adagio aan appellant heeft afgestaan; bij zijn vordering tot afgifte daarvan heeft appellant dan ook geen belang meer;

Overwegende, dat thans nog slechts aan de orde is de vraag of appellant aanspraak maakt op de P.C. van het merk HDF Aopen; appellant stelt van wel omdat die hem toebehoort terwijl geïntimeerde van oordeel is dat het van haar is;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend vaststaat tussen partijen dat zij geruime tijd buiten echt c.q. in concubinaat hebben samengeleefd;

Overwegende, dat, naar het Hof er van uitgaat nu het tegendeel zijdens geïntimeerde gesteld noch gebleken is, de P.C. met bijbehoren (geen printer) merk HDF Aopen, tijdens de buitenechtelijke samenleving c.q. de concubinaatverhouding is gekocht c.a.aangeschaft;

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zojuist overwogene opmerkt, dat met betrekking tot de inboedelgoederen(roerende goederen) een vorm van vrije gemeenschap wordt aangenomen, voorzover één van de partners zijn beter recht op die goederen niet kan bewijzen, doch het principe blijkt dat bij het concubinaat gescheidenheid van vermogen regel is;

Overwegende, dat, naar blijkt uit het daartoe strekkend bewijs van HDF Consulting N.V. de dato 29 januari 2003 aan de appellant alstoen verkocht en geleverd is 1 stuk HDF Aopen personal computer met bijbehoren; appellant verkreeg op gemelde datum het eigendom van gemelde personal computer;

Overwegende, dat geïntimeerde heeft aangevoerd, dat appellant aan haar gemelde personal computer heeft geschonken en dat die computer aan haar toebehoort;

Overwegende, dat appellant voormelde bewering van geïntimeerde heeft betwist;

Overwegende, dat geïntimeerde na wederspraak terzake zijdens appellant op geen enkele wijze haar bewering heeft kunnen aannemelijk maken; de omstandigheid dat de personal computer zich in de woning van geïntimeerde bevond levert het bewijs van haar bewering terzake niet op; immers, appellant heeft samen met geïntimeerde in het kader van de buitenechtelijke relatie c.q. concubinaatsverhouding in haar, geïntimeerdes, woning gewoond en de roerende goederen waaronder de personal computer aan beiden zouden toebehoren indien appellant niet zou kunnen bewijzen dat hij de personal computer door middel van koop door en levering aan hem, had aangeschaft;

Overwegende, dat het overigens voor de hand ligt dat zowel appellant als geïntimeerde tij en ontij van de computer gebruik maakten toen zij samenwoonden, doch dat zulks geenszins aanleiding geeft aan te nemen dat geïntimeerde daar de rechthebbende op is omdat die haar was geschonken;

Overwegende, dat appellant dan ook terecht tegen het beroepen vonnis heeft aangevoerd, dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen, dat geïntimeerde het bezit heeft van de personal computer welk bezit als volkomen titel geldt;

Overwegende, dat het beroepen vonnis dan ook dient te worden vernietigd en dat alsnog aan appellant zal worden toegewezen de vordering strekkende tot het gelasten van geïntimeerde tot afgifte aan appellant van de P.C. van het merk HDF Aopen, onder veroordeling van geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten op dit geding aan zijde van appellant gevallen, komende de door appellant aangevoerde grief het Hof in zoverre dan ook gegrond voor;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in kort geding gewezen en uitgesproken de dato 20 mei 2004, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Gelast geïntimeerde aan appellant af te geven de P.C. van het merk HDF Aopen, alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 50,– per dag voor iedere dag dat geïntimeerde ingebreke blijft aan dit vonnis gevolg te geven;

Veroordeelt haar in de kosten in beide instanties aan de zijde van appellant gevallen en in prima begroot op SRD 78,–;

en in hoger beroep begroot op SRD 419,03,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan de advokaat van appellant voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van geïntimeerde eveneens op SRD 250,–;

Weigeren het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.K.Pultoo, en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 20 juli 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.J.Blufpand en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2014-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

  1. [Appellant sub 1],
  2. [Appellant sub 2],

beide wonende te [plaats],
appellanten in kort geding,
gemachtigde: mr. D. Moerahoe, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. Y.S. Engkar, advocaat.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 26 januari 2009 (AR no. 08-1806) tussen enerzijds appellanten als eisers in conventie en gedaagden in reconventie en anderzijds geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende (ook) aangeduid als respectievelijk [Appellant sub 1], [Appellant sub 2] en [Geïntimeerde];

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellanten op 02 juni 2009 hoger beroep hebben ingesteld;
  • pleitnota van de zijde van appellanten d.d. 17 augustus 2012 met producties;
  • antwoordpleitnota van de zijde van geïntimeerde d.d. 18 januari 2013, met producties;
  • repliekpleitnota van de zijde van appellanten d.d. 05 april 2013, met producties;
  • dupliekpleitnota van de zijde van geïntimeerde d.d. 07 juni 2013;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 01 november 2013 doch nader op heden.

De beoordeling

  1. In rechtsoverweging 2 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter een aantal feiten vastgesteld. Nu tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht en door partijen ook niet anderszins bezwaar is gemaakt, vormen die feiten ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

1.2. Op 28 juni 1990 is te Paramaribo [naam 1] overleden (hierna ”erflaatster” te noemen). Appellanten en geïntimeerde behoren tot haar erfgenamen.

1.3. Erflaatster was eigenaresse van het bebouwde perceel aan de Bolletriestraat, bekend als [adres], te [plaats]. Op of omstreeks 19 oktober 1988 heeft erflaatster het perceel bij notarieel verleden akte verkocht en geleverd aan geïntimeerde, onder voorbehoud van het levenslange recht van gebruik en bewoning, zulks voor een bedrag van Sf. 75.000,-.

1.4. Bij vonnis van de kantonrechter van 4 mei 1998 (AR no. 932542) is eerder bedoelde notariële akte van verkoop en levering op vordering van appellanten nietig verklaard, is doorhaling van de inschrijving daarvan in de registers van het hypotheekkantoor gelast en is geïntimeerde veroordeeld om mee te werken aan de scheiding en deling van de nalatenschap van erflaatster. Tegen voornoemd vonnis is door geïntimeerde hoger beroep aangetekend doch de zaak is nog niet behandeld althans er is nog geen uitspraak in de zaak gedaan.

1.5. Bij vonnis van de kantonrechter van 17 november 2003 (AR no. 203988) zijn [appellant sub 1] en andere erfgenamen op vordering van [appellant sub 2] veroordeelt om met [appellant sub 2] over te gaan tot de scheiding en deling van de nalatenschap van erflaatster. Tegen voormeld vonnis is door enkele erfgenamen hoger beroep aangetekend en wel de erfgenamen [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Het Hof van Justitie heeft op 21 januari 2011 vonnis gewezen waarbij het vonnis (in de hoofdzaak) is bekrachtigd.

1.6. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter van 26 april 2007 (AR no. 064641) is de Hypotheekbewaarder op vordering van geïntimeerde gelast om de aantekening in het hypotheekregister, betreffende de doorhaling van de verkoop en levering aan geïntimeerde, teniet te doen en om het perceel opnieuw ten name van geïntimeerde te stellen.

1.7. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter van 26 januari 2009 (AR no. 081806) is de vordering in conventie van appellanten, strekkende tot schorsing van de werking van zojuist bedoeld vonnis van 26 april 2007, afgewezen. De vordering in reconventie van geïntimeerde tot ontruiming van het perceel heeft de kantonrechter toegewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de Hypotheekbewaarder reeds aan het vonnis van 26 april 2007 had voldaan, zodat schorsing van de werking van het vonnis van 26 april 2007 niet meer aan de orde was, en dat geïntimeerde als geregistreerd eigenaar van het perceel recht en belang had bij ontruiming daarvan. Tegen voormeld vonnis althans tegen het reconventioneel deel hebben appellanten hoger beroep aangetekend. Ze hebben verzocht om het ingesteld beroep tegen het vonnis in conventie in te trekken.

2.1. Appellanten hebben appèl aangetekend en hebben vernietiging van het vonnis in reconventie d.d. 26 januari 2009 bekend onder AR no. 081806 gevorderd. Geïntimeerde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

Het hof overweegt als volgt.

2.2. Appellanten hebben blijkens de aantekening van de Griffier door tussenkomst

van hun raadsman op 02 juni 2009 appèl aangetekend tegen het vonnis van 26 januari 2009. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest en dat de Griffier bij schrijven gedateerd 22 mei 2009 voormeld vonnis aan partijen heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande hebben appellanten ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Surinaams Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering binnen de termijn van veertien dagen na dagtekening van voormeld schrijven en derhalve tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk zijn in het ingesteld hoger beroep.

2.3. De appellanten hebben verzocht om het ingesteld beroep tegen het vonnis in conventie in te trekken. De geïntimeerde heeft zich hiertegen niet verzet weshalve het hof zal verstaan dat het ingesteld hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg gewezen en uitgesproken uitsluitend betreft de beslissing in reconventie.

2.4. Het hof komt tot de slotsom dat de appellanten zich er op beroepen dat geïntimeerde bij diverse vonnissen is veroordeeld om met hen (en andere erfgenamen) over te gaan tot de scheiding en deling van de nalatenschap van erflaatster. Zo zou hij bij het vonnis van de kantonrechter van 4 mei 1998 (AR no. 932542) daartoe zijn veroordeeld. Dat zou ook zijn geschied bij het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2003 (AR no. 203988) welk vonnis (in de hoofdzaak) door het Hof van Justitie in hoger beroep is bekrachtigd.

2.5. Het hof overweegt echter dat – tot anders is beslist – het litigieus perceelland juridisch – en met name vanwege het ten hypotheekkantore wederom ten name van geïntimeerde plaatsen van het perceelland – niet tot de nalatenschap van [naam 1] behoort. Nu het niet behoort tot de nalatenschap van hun moeder kan in rechte daarvan geen scheiding en deling plaatsvinden.

2.6. De omstandigheid dat bij vonnis van de kantonrechter van 4 mei 1998 (AR no. 932542), de notariële akte van verkoop tussen hun moeder en geïntimeerde en de daarop gevolgde levering op vordering van appellanten nietig is verklaard en de doorhaling van de inschrijving daarvan in de registers van het hypotheekkantoor is gelast doet hieraan niet af omdat tegen voornoemd vonnis door geïntimeerde hoger beroep is aangetekend terwijl het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. Het ingesteld hoger beroept heeft derhalve een schorsend effect op de werking van het bepaalde in het vonnis.

2.7. Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat geïntimeerde – tot anders is beslist – als zakelijk gerechtigde van het perceelland moet worden aangemerkt en appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt waaraan zij het recht ontlenen tot verblijf in de woning staande op het voormeld perceelland. Zij verblijven aldaar derhalve jegens geïntimeerde zonder recht of titel hetgeen ontruiming van hen rechtvaardigt.

2.8. Gezien het hiervoor overwogene zal het vonnis in reconventie, inhoudende de veroordeling van appellanten tot ontruiming, worden bekrachtigd als in het dictum te melden.

2.9. Aangezien partijen bloedverwanten (broers) van elkaar zijn zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen hen compenseren in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten voldoet.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

  • Verstaat dat het aangewende rechtsmiddel van hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter in conventie is ingetrokken;
  • Bekrachtigt het vonnis in kort geding in reconventie de dato 26 januari 2009 bekend onder A.R.no. 081806, waarvan beroep;
  • Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten draagt en betaalt;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur- Lachitjaran, lid en mr. R. M. Praag, lid-plaatsvervanger en door de Fungerend-President mr. D.D. Sewratan uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag 17 Januari 2014, in tegenwoordigheid van S.C. Berenstein, Fungerend- Griffier.

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen namens hun gemachtigde, advocaat mr. D. Moerahoe en geïntimeerde vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. Y.S. Engkar, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2007-34

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
M.H.

A – 432

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Financiën, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hovens interlocutoire vonnis van 21 februari 2003 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.A.R.Baarh, advocaat Mr.J.Kraag, gemachtigde van verweerder en de heer Raymond Willem Christiaan Ford, vertegenwoordiger van het Ministerie van Financien, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen processen-verbaal staat gerelateerd, waarna de zaak is verwezen naar de rolzitting inzake conclusie na gehouden comparitie van partijen en het overleggen van documenten zijdens verweerder;

Overwegende, dat de gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie na gehouden comparitie van partijen heeft genomen onder overlegging van producties, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van produkties heeft genomen onder overlegging van producties, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde producties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 3 oktober 2003, de gemachtigde van verweerder, advocaat Mr.J.Kraag een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van produkties heeft genomen onder overlegging van een productie, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde productie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 20 februari 2004, de gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating van productie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 2 april 2004, doch na enige malen te hebben aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat bij tussenvonnis van het Hof van Justitie van 21 februari 2003, het Hof de Griffier heeft gevraagd ten processe te doen overleggen het strafdossier als in de rechtsoverwegingen genoemd en partijen gelast ter terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 28 maart 2003 te verschijnen voor het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling;

Overwegende, dat, naar aanleiding van het verzoek het strafdossier ten processe te overleggen, de Griffier der Kantongerechten aan het Hof heeft bericht dat door brand het gevraagde dossier helaas verloren is gegaan waardoor het niet kan worden overgelegd;

Overwegende, dat de in het tussenvonnis gelaste comparitie van partijen is gehouden, en wel op vrijdag, 28 maart 2003 waarbij aanwezig was voor de Staat en is gehoord de heer Raymond Willem Christiaan Ford en op vrijdag, 11 april 2003, toen aanwezig was en is gehoord de verzoeker, die hebben verklaard als opgenomen in de processen-verbaal van die comparitie, welke hier als ingelast en geinsereerd moeten worden beschouwd;

Overwegende, dat verzoeker aan zijn vordering tot nietigverklaring van de ontslagbeschikking de volgende gronden ten grondslag heeft gelegd:

– dat van de Procureur-Generaal geen advies is ingewonnen ex artikel 63 lid 3 van de Personeelswet;

– dat de beschikking gebaseerd is op een nog niet in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis, en

– dat de opgelegde tuchtstraf niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan;

Overwegende, dat verweerder, op de stellingen van verzoeker ingaand, als verweer heeft aangevoerd dat het niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis wel als grondslag heeft mogen dienen voor de beschikking, nu de verklaringen van de getuigen overtuigend zijn – van de getuigenverklaringen heeft verweerder enkele in dit geding gebracht – en het gepleegde feit dermate ernstig was dat de tuchtstraf gerechtvaardigd is, voorts dat het niet nodig was advies van de Procureur-Generaal te vragen nu er geen sprake was van samenloop van het tuchtrechtelijk onderzoek en het strafrechtelijk onderzoek;

Overwegende, dat, ten aanzien van de stelling en het verweer artikel 63 lid 3 Personeelswet betreffende, naar het oordeel van het Hof uit het procesdossier blijkt dat er wel degelijk sprake was van samenloop van een tuchtrechtelijk en strafrechtelijk onderzoek, immers, verzoeker is naar aanleiding van een vermeende huisvisitatie in verzekering gesteld op 8 april 1997, waarna het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen, waarna eveneens naar aanleiding van die vermeende huisvisitatie tevens een tuchtrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, waarin verzoeker zich heeft moeten verweren. Het bepaalde in artikel 63 lid 3 Personeelswet diende derhalve in acht genomen te worden en het verwijt aan verweerder is gegrond;

Overwegende, dat nu het besluit in strijd is genomen met artikel 63 lid 3 van de Personeelswet dit besluit ingevolge artikel 79 lid 1 A in aanmerking komt voor nietigverklaring;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van de stelling van verzoeker dat de tuchtstraf niet in verhouding staat tot het gepleegde feit, opmerkt, dat het Hof het niet eens is met verzoekers standpunt dat de tuchtstraf van ontslag niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim. Het plichtsverzuim zou volgens verweerder bestaan uit het medeplichtig zijn aan het overtreden van de Smokkelwet, waarbij aan verzoeker verweten wordt dat hij tijdens een huisvisitatie personen de gelegenheid heeft gegeven een voertuig van het merk Mercedes Benz, zonder inachtneming van de regels der Smokkelwet in het vrije verkeer in Suriname te brengen, met andere woorden, zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan smokkelen. Het komt het Hof voor dat een functionaris, die vanwege zijn functie is belast met de taak het smokkelen van goederen tegen te gaan, en die zich juist tijdens de uitoefening van zijn functie schuldig maakt aan dergelijke handelingen, volstrekt ongeschikt is voor het uitoefenen van die functie. Het ontgaat het Hof dan ook hoe verzoeker het standpunt kan huldigen dat de tuchtstraf niet in verhouding staat tot de handeling en op grond van artikel 79 lid 3 nietig verklaring van het besluit gevraagd zou kunnen worden;

Overwegende, dat het Hof, gebruik makend van de bevoegdheid aan hem toegekend in artikel 82 lid 3, verweerder zal opdragen alsnog de voorgeschreven procedure van artikel 63 lid 3 Personeelswet te volgen en de Procureur-Generaal de gelegenheid zal bieden advies uit te brengen, waarna verweerder opnieuw, zij het binnen drie maanden na ontvangst van het advies, een besluit zal nemen;

Overwegende, dat het Hof, gezien het bovenstaande de overige stellingen en weren van partijen niet zal bespreken nu deze niet langer relevant zijn;

Overwegende, dat het Hof beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Financien de dato 19 juli 1999 no.[nummer 1]/no.[nummer 2], waarbij verzoeker uit Staatsdienst is ontslagen;

Draagt verweerder op in verband met een op te leggen tuchtstraf alsnog de Procureur-Generaal in de gelegenheid te stellen het advies, zoals voorgeschreven in artikel 63 lid 3 Personeelswet, uit te brengen;

Bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na ontvangst van het hierboven bedoelde advies van de Procureur-Generaal opnieuw zal besluiten omtrent het opleggen van een tuchtstraf aan verzoeker.

Aldus gewezen door de heren: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 maart 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.K.Pultoo

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.K.J.Brandon namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.A.R.Baarh en Mr.J.Kraag.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-33

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-583

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no. 77 ten kantore van Mr.R.U.F.Truideman (voorheen), voor wie als gemachtigde thans optreedt, Mr.F.F.P.TRUIDEMAN, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie te diens Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.Y.BRAAM-JORDAN, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de navolgende rechtsvordering in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, rechtspersoon met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, te diens Parkette aan de H.A.E.Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;
  2. Verzoeker is vanaf 1 augustus 1971 ambtenaar in de zin van de Personeelswet, personeelsnummer [nummer 2]. Verzoeker is in vaste dienst werkzaam bij verweerder thans in de rang van ONDER INSPEKTEUR VAN POLITIE en als zodanig tewerkgesteld bij het Korps Politie Suriname als Hoofd Magazijnen, gebouwen, terreinen en logistiek;
  3. Op 24 juni 2004 ontving verzoeker een beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 3 maart 2004 K.A. no. [nummer], welke beschikking hierbij in fotokopie wordt overgelegd met het verzoek de inhoud daarvan hier als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen;
  4. In gemelde beschikking besluit de Minister voornoemd om aan verzoeker op te leggen de navolgende tuchtstraffen, te weten:
  5. DEGRADATIE in de rang van onder inspecteur van politie tot majoor van politie voor de duur van een jaar onder toekenning van een bezoldiging van SRD 978,– per maand, enz. en
  6. ONTSLAG onder de bepaling dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij verzoeker zich binnen een proeftijd van een jaar wederom schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim, enz.;
  7. In de meergenoemde beschikking worden als overwegingen voor het opleggen van die tuchtstraffen aan verzoeker opgegeven, dat verzoeker ervan verdacht wordt zich schuldig te hebben gemaakt aan het strafbaar feit van verduistering, zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 381, 381 jo, 382 van het Wetboek van Strafrecht. Verder wordt er overwogen, dat verzoeker, die als coördinator belast was bij een gehouden veiling van diverse inbeslag genomen goederen, een aantal in beslag genomen zinkplaten, dat achter de garage van het Bureau Nieuwe Haven was gedeponeerd, welke niet voor de openbare veiling was geregistreerd, in vereniging met corveeër [naam], die partij zinkplaten zich wederrechtelijk heeft toeeigend door deze aan derden te verkopen, als zouden die zinkplaten op die veiling zijn verkocht;
  8. Verzoeker wenst nu reeds te stellen, dat hij zich aan geen enkel strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Indien dat wel zo zijn geweest, dan was verzoeker zeer zeker in verzekering gesteld door de Hulp- Officier bij de afdeling O.P.Z. aangezien er binnen het Korps daarmede geen grappen wordt gemaakt;
  9. Als er verder wordt gesproken over in beslag genomen zinkplaten, die zijn verduisterd, dan moet door verweerder eerst worden overgelegd de proccesen-verbaal van inbeslagname, waaruit blijkt om hoeveel zinkplaten het gaat en als om nieuwe of gebruikte zinkplaten gaat. Verder moet door verweerder worden overgelegd het bewijs, dat die zinkplaten aan verzoeker zijn afgegeven en door verzoeker zijn ontvangen (getekend voor ontvangst) om te worden opgeslagen c.q. te worden bewaard in het magazijn, welke valt onder het beheer van verzoeker als Hoofd van die afdeling. Ook zou verweerder op de proppen moeten komen met die “DERDEN” aan wie die zinkplaten zouden zijn verkocht door verzoeker tezamen met die [naam]. Pas dan kan een beschuldigende vinger naar verzoeker worden gewezen;
  10. Verzoeker kan niet aansprakelijk worden gehouden voor zinkplaten, “ die achter de garage van het Bureau Nieuwe Haven zijn gedeponeerd”. De vragen die rijzen zijn direct:
  11. is daar de plaats van opslag ?
  12. onder wiens beheer zijn ze daar geplaatst ?
  13. wie was verantwoordelijk voor de zinkplaten ?
  14. om hoeveel zinkplaten gaat het ? enzovoorts. In ieder geval zijn deze zinkplaten nimmer aan verzoeker afgegeven ter bewaring c.q. opslag als zijnde in beslag genomen goederen. Verzoeker heeft deze zinkplaten trouwens ook nooit gezien, dus waarover heeft verweerder het ??
  15. Op de bewuste veiling was er wel een partij van ongeveer 40 gebruikte zinkplaten, die zich in het magazijn bevonden en hoewel deze zinkplaten niet op de veilinglijst voorkwamen, heeft verzoeker deze zinkplaten via de Notaris toch laten verkopen en wel aan de persoon van [naam]. Verzoeker heeft de Procureur-Generaal bij zijn brief van 17 januari 2003 hiervan in kennis gesteld, terwijl de notaris in kwestie die brief voor akkoord heeft mede ondertekend. Verzoeker heeft verder ook een fotokopie van de kwitantie van betaling door die [naam] overgelegd. Uit dit alles blijkt, dat het met betrekking tot die 40 zinkplaten richtig is geschied. Over andere zinkplaten weet verzoeker niets en trouwens vielen die zinkplaten (voor zover zij werkelijk achter de garage waren geplaatst ) ook niet onder zijn verantwoordelijkheid;
  16. Verzoeker heeft zich dan ook niet schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en ook niet aan plichtsverzuim. Ook heeft verzoeker niet in strijd gehandeld met de Instructie Ambtenaren van Politie. Trouwens in de derde overweging van de aangevochten beschikking wordt gesteld, dat de Instructie Ambtenaren van Politie te vinden is in G.B.1971 no. 70 en verzoeker betwist dat. Verweerder vermeld dus ook nog verkeerde zaken in de beschikking:
  17. Verzoeker is dan ook van oordeel, dat de opgelegde tuchtstraffen elke grondslag missen en in strijd met de personeelswet zijn opgelegd. Verzoeker is gestraft voor iets waaraan hij geen schuld heeft c.q. waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Verzoeker wordt nu tot zondebok gemaakt, terwijl iemand anders waarschijnlijk een vuil spelletje heeft gespeeld en nu in zijn vuistje lacht;
  18. Verzoeker is tenslotte van mening, dat verweerder nimmer tot het opleggen van die twee tuchtstraffen aan verzoeker had kunnen komen, indien verweerder het een en ander goed had onderzocht en had overwogen. De opgelegde straffen missen dus elke wettelijke grondslag en zijn derhalve ONWETMATIG c.q. ONRECHTMATIG en verzoeker lijdt grote schade daardoor. De beschikking van verweerder maakt derhalve een grote inbreuk op het in het rechtsbewustzijn levend beginsel van rechtszekerheid, waarbij elk rechtssubject moet weten waar hij aan toe is en welk rechtsbeginsel ook ervoor waakt, dat er besluiten worden genomen door de Staat zonder dat deze besluiten voldoende wettelijke grondslag hebben en niet slechts zijn gebaseerd op vermoedens en geruchten;
  19. Verzoeker kan zich derhalve op geen enkele wijze verenigen met de opgelegde straffen en verzoeker wenst op grond van het bepaalde in artikel 79 van de Personeelswet de NIETIGVERKLARING van de beschikking in kwestie. Verder is het ook nog zo, dat verzoeker daarna op de ranglijst der onder inspekteurs van politie weer terug geplaatst moet worden op zijn oude plaats;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis tot zover mogelijk uitvoer bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

  1. NIETIG TE WILLEN VERKLAREN de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 3 maart 2004 K.A.no.477, wegens strijd met de Personeelswet en strijd met het beginsel van rechtszekerheid;
  2. Tot het opleggen van een dwangsom van SRD 1000,– aan verweerder voor elke dag na de uitspraak ten deze, die verweerder in gebreke blijft om verzoeker terug te plaatsen op zijn oude plaats op de ranglijst van de onder inspekteurs van politie;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 28 oktober 2005 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door advokaat Mr.A.Kanhai namens de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.R.U.F.Truideman, advokaat Mr.E.Y.Jordan, gemachtigde van verweerder en Mr.R.Levens, Inspecteur van Politie 1e klasse namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 3 maart 2006, advokaat Mr.R.H.L.Rogers, namens de gemachtigde van verweerder, Mr.E.Y.Braam-Jordan het strafdossier ten name van verzoeker heeft overgelegd, waarna de verdere behandeling van de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 7 april 2006 inzake uitlating zijdens partijen;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 7 april 2006, advokaat Mr.F.F.P.Truideman zich heeft gesteld als gemachtigde van verzoeker;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen eveneens op voormelde terechtzitting hun conclusie tot uitlating hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als geinsereerd dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen om vonnis hebben gevraagd, waarna het Hof aanvankelijk vonnis had bepaald op 2 juni 2006, doch na enkele malen te zijn aangehouden, nader heeft op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat na het verhoor van partijen dat plaatsvond op 20 januari 2006, het Hof deze zaak heeft verwezen naar de terechtzitting van vrijdag, 3 februari 2006 des voormiddags te 08.30 uur voor overlegging van het strafdossier dat is opgemaakt naar aanleiding van de vermeende onregelmatigheden waarmee verzoeker in verband werd gebracht;

Overwegende, dat te dienende dage het strafdossier is overgelegd;

Overwegende, dat partijen zich over het overgelegde strafdossier hebben uitgelaten, waarbij verzoeker heeft gesteld dat uit het strafdossier niet blijkt dat er 300 zinkplaten aanwezig waren op het terrein en dat hij slechts weet heeft van 40 zinkplaten die op de veiling zijn verkocht aan de ambtenaar A 2e klasse de heer [naam], hetgeen overigens door de veiling-notaris mr. R. Soerdjbali is bevestigd;

Overwegende, dat verzoeker in voornoemde conclusie tevens heeft gesteld dat het niet kan worden getolereerd dat een ambtenaar op basis van loze en ongefundeerde beschuldigingen wordt gedegradeerd en voorwaardelijk wordt ontslagen;

Overwegende, dat verweerster heeft geconcludeerd dat uit de in het strafdossier genoemde zaken blijkt dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, maar ook aan ernstig plichtsverzuim, waardoor verweerster door het opleggen van de tuchtstraf geenszins onwetmatig of onrechtmatig heeft gehandeld;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof niet uit de overgelegde stukken en het overgelegde strafdossier aannemelijk is geworden dat verzoeker 300 zinkplaten zou hebben verkocht;

Overwegende, dat wel aannemelijk is geworden dat verzoeker 40 zinkplaten heeft verkocht, en dat bij deze verkoop de terzake geldende regels door hem niet in acht zijn genomen;

Overwegende immers, dat is komen vast te staan dat deze zinkplaten onderhands zijn verkocht instede van op de veiling;

Overwegende voorts, dat, tevens is komen vast te staan dat ter zake de (onderhandse) verkoop van de 40 zinkplaten er betaling is geweest en dat achteraf er toestemming is gevraagd aan de Procureur-Generaal;

Overwegende, dat het Hof een dergelijke handeling door een ambtenaar van politie weliswaar als strijdig met de ambtsinstructies kwalificeert, evenwel acht het Hof de opgelegde tuchtstraf, neergelegd in de gewraakte beschikking, niet in redelijke verhouding staand tot de ernst en gevolgen van het plichtsverzuim, weshalve het besluit in strijd moet worden geacht met het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel;

Overwegende, dat om die reden de beschikking niet in stand kan blijven, weshalve deze conform het bepaalde in artikel 79 lid 3 van de Personeelswet nietig zal worden verklaard;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het gevorderde in onderdeel B van het petitum opmerkt dat een dwangsom slechts kan worden verbonden aan toegewezen vorderingen als genoemd in artikel 79 lid 1 onder c, zijnde condemnatoire uitspraken, en niet aan een declaratoire uitspraak als de onderhavige, weshalve dat gevorderde zal worden afgewezen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 3 maart 2004 K.A. no, [nummer], waarbij verzoeker de tuchtstraf van tijdelijke degradatie en voorwaardelijk ontslag uit Staatsdienst is opgelegd;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: Mr.K.Pultoo, Fungerend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.D.D.Sewratan, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 juni 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.K.Pultoo

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.A.R.Baarh namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.R.S.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld.

 

 

 

SRU-HvJ-2007-32

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-614

[Verzoekster], wonende aan [adres] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme elleboogstraat 1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.D.Kanhai, advocaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) No.1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.I.S.Asarfi-Lalji, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoekster] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat verzoekster de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen: DE STAAT SURINAME, meer precies het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij, rechtspersoon, ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Gravenstraat No.1 hierna te noemen verweerder;
  2. dat verzoekster ambtenaar is in de zin van de Personeelswet uit hoofde waarvan zij verzoekster in dienst is van de verweerder in de functie van Hoofd afdeling voorli8chtingen en onderwijs. De verzoekster is in dienst getreden op of omstreeks 20 mei 1995. Een kopie aanstellingsbeschikking en een overplaatsingsbeschikking worden hierbij overlegd met het verzoek de inhoud daarvan als hier herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;
  3. dat verzoekster zich gedurende zijn dienstperiode heeft doen kennen als een plichtgetrouwe ambtenaar;
  4. dat verzoekster is op of omstreeks 22 september 2005 betrokken geraakt bij een incident waarbij zij is ontboden door de Waarnemend Onder Directeur teneinde een password ingevoerd in de computer te verwijderen hetgeen door de verzoekster ook is geschied. De code was op het moment dat de verzoekster werd ontboden reeds gedecodeerd en was de computer toegankelijk voor een ieder;
  5. dat door de Waarnemend Onder Directeur de verzoekster is aangeschreven teneinde zich te verantwoorden. Een kopie van dat schrijven genummerd productie 3 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier geinsereerd te willen aanmerken. De verzoekster heeft zich ook verweerd (productie 4) en aangegeven, dat de computer is gedecodeerd, zulks is mondeling geschied;
  6. dat aan de verzoekster op of omstreeks 28 september 2005 is uitgereikt een beschikking gedateerd 26 september 2005 met als besluit dat de verzoekster is geschorst over het tijdvlak van 1 maand en zulks te rekenen vanaf 1 oktober 2005. Een kopie van de beschikking genummerd productie 5 wordt hierbij ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;
  7. 7. dat de beschikking d.d. 26 september 2005 tot stand is gekomen geheel in strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levendbeginsel van behoorlijk bestuur en wel het motiveringsbeginsel;

Ter adstructie van het hier gestelde het volgende:

  1. dat gedurende de werkzaamheden van de verzoekster niet aan haar de mededeling is gedaan dat hij zal worden geschorst.
  2. dat verzoekster erop mocht vertrouwen dat nu voldaan was aan het verzoek namelijk het decoderen van de computer er geen straf maatregel zou volgen;
  3. dat het schrijven van het Waarnemend Hoofd van de Visserij dienst (productie 3) onbevoegdelijk is geschied. Deze functionaris is niet het bevoegde gezag.
  4. dat de beschikking slechts is gemotiveerd. Niet is aangegeven waarom het verweerschrift niet steekhoudend is;
  5. dat de Resolutie hier eerder genoemd tevens in strijd is met het beginsel van een deugdelijke motivering ter adstructie waarvan het volgende:
  6. op geen enkele wijze is gemotiveerd aangegeven welke rechtvaardigingsgrond aanwezig is geweest om de verzoekster te schorsen. Zulks is in elk geval niet belichaamd in de beschikking;
  7. dat de gewraakte beschikking voorts onwaarheden heeft overwogen en daarom al het besluit is gestoeld op feiten die zich niet hebben voo0rgedaan ter adstructie waarvan het volgende in het tweede “dat” van de beschikking wordt vermeld, dat de opdracht is genegeerd zulks is in strijd met de waarheid;
  8. dat de schorsing in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van de verzoekster;
  9. dat de gewraakte beschikking voor vernietiging in aanmerking komt nu op ergerlijke wijze sprake is van schending van het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, hebbende de genoemde beschikking geen enkele feitelijke grondslag.

Overwegende, dat verzoekster op deze gronden heeft gevorderd:

  1. zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de Beschikking d.d. 26 september 2005 [nummer].
  2. verweerder zal worden gelast verzoekster het salaris over de maand oktober 2005 uit te betalen en voorts verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,– voor iedere keer of dag dat zij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen
  3. verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Dat verweerder ontkent al hetgeen verzoekster bij inleidend verzoekschrift heeft gesteld, tenzij dit hierna alsnog uitdrukkelijk wordt erkend door verweerder. Zonder onverplichte bewijslast op zich te nemen, biedt verweerder bewijs van al haar stellingen aan, door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van getuigen.
  2. Met betrekking tot het gestelde in punt 2 wordt gerefereerd aan het oordeel van het Hof.
  3. Het gestelde in punt 3 wordt betwist

Ter adstructie hiervan wordt het navolgende aangehaald. Verzoekster heeft reeds naar de aanleiding toe obstructief gedrag getoond, door opdrachten naast zich neer te leggen en een houding te etaleren van niet erkenning van het gezag van de leiding en heeft aldus het samenwerken onmogelijk gemaakt.

Deze instelling van verzoekster blijkt ook uit haar verweerschrift. Bijgaand wordt overgelegd een schrijven van het Hoofd van de Stafafdeling Juridische en Buitenlandse zaken Mr.D.JAIRAM aan de Minister van landbouw, Veeteelt en Visserij Drs.RAGHOEBARSINGH van d.d. 07 september 2005, met als kopstuk “Ontslag”. Het handelen van mevrouw [verzoekster] c.q. haar gedragingen was aanleiding c.q. ernstig genoeg voor een ontslag, doch is er mild tegen verzoekster opgetreden door haar slechts voor een maand te schorsen. Aldus wordt gelijk de stelling van verzoekster in punt 9a weersproken.

  1. Met betrekking tot het gestelde in punt 4 van het verzoekschrift wordt gesteld, dat verzoekster in haar handelen zelfs zover is gegaan, een voor de dienst c.q. voor staatsgebruik behorende computer voor privé doeleinden te gebruiken en zelfs met een passwoord te beveiligen en heeft die te decoderen, weshalve die door de heer [naam] (werkzaam bij I.C.T.), in opdracht van de heer [naam 2], zijnde de waarnemend Onderdirecteur gedecodeerd is. Deze heer kan gehoord worden door het Hof. De computer is dus niet door verzoekster gedecodeerd.
  2. Verzoekster stelt in punt 5 dat zij zich verweerd en heeft haar verweer overlegd. In haar verzoekschrift stelt zij, dat zij mondeling heeft aangegeven dat de decodering door haar is geschied. Dit is onjuist, en komt in haar verweerschrift niet tot uitdrukking, geheel onlogisch.
  3. Verweerder betwist het gestelde in punt 7. Aan haar is medegedeeld, herhaaldelijk, dat haar gedragingen aanleiding geven tot schorsing en na het incident met de computer en haar verweer, is haar medegedeeld, dat zij geschorst zal worden. Juist omdat verzoekster wist, dat zij niet degene is, die de computer gedecodeerd heeft, had zij aldus kunnen weten dat er een strafmaatregel zou volgen. Het Waarnemend-Hoofd Visserij Dienst is wel het bevoegde gezag zou zijn. Zulks is een blote stelling van verzoekster en leeft slechts in haar denken en visie. Zulks blijkt ook uit het verweerschrift van verzoekster. Immers haar verweerschrift is doorspekt met, op zijn zacht gezegd beledigende uitlatingen naar de aanleiding en wordt er met geen woord gerept over juist datgene waarover zij zich zou moeten verweren. Het is een onbeheerst en a-sociaal verweer, en is in het geheel duidelijk, waarom het niet steekhoudend is.
  4. Aldus is zulks in de schikking aangegeven, en wel ondermeer in overweging 4 van de beschikking van 26 september 2005, bijgaand overgelegd namelijk: In plaats zich te verweren, heeft verzoekster de samenwerking met haar chef onmogelijk gemaakt en heeft niet terzake doende aangelegenheden opgeschreven en zich provocerend opgesteld.
  5. Aldus is het gestelde in punt 8 en 9 van het verzoekschrift gemotiveerd betwist.

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat afwijzing van de vordering danwel tot niet ontvankelijk verklaring heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 30 oktober 2006 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon bijgestaan door advocaat Mr.I.D.Kanhai namens haar gemachtigde, advocaat Mr.I.S.Asarfi-Lalji, gemachtigde van de Staat Suriname en mevr.Shariska Algoe, Juridische medewerkster van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoekster, stafambtenaar A 3e klasse in vaste dienst van het Onderdirectoraat Visserij van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij bij beschikking van de Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij de dato 26 september 2005, [nummer] wegens ernstig plichtsverzuim, hierin bestaande, voorzover ten deze van belang, dat zij:

  1. zowel mondeling als schriftelijk is aangezegd om het “password” van de dienstcomputer te verwijderen welke opdracht zij heeft genegeerd;
  2. in plaats van zich te verweren op het schrijven van de Wnd.Onderdirecteur Visserij van 30 augustus 2005, de samenwerking met haar directe Chef onmogelijk heeft gemaakt door niet terzake doende aangelegenheden te schrijven en zich provocerend op te stellen, met toepassing van artikel 61 lid 1 sub h van de Personeelswet, de tuchtstraf van schorsing voor de duur van een maand is opgelegd, met stilstaand van de aan haar functie verbonden inkomsten en wel te rekenen van 1 oktober 2005;

Overwegende, dat verzoekster, tegen gemelde beschikking opkomend, op gronden, aangegeven in het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 25 oktober 2005, welke gronden in dit vonnis als letterlijk herhaald en geinsereerd worden aangemerkt, gevorderd heeft bij vonnis:

  1. te vernietigen althans nietig te verklaren de beschikking de dato 26 september 2005 [nummer];
  2. gedaagde te gelasten haar – verzoekster – het salaris over de maand oktober 2005 uit te betalen; en voorts gedaagde te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,– voor iedere keer of dag dat gedaagde in strijd met het hierboven gevorderde (lees: met de te geven beslissing) mocht handelen;

Overwegende, dat verzoekster in Raadkamer van het Hof van vrijdag, 1 december 2006 in persoon verschenen onder meer heeft verklaard – zakelijk weergegeven – “ het is namelijk zo dat alle computers op mijn werkplaats voorzien zijn van een bepaald “passwoord”- zo was mijn computer ook voorzien van een passwoord die bij mij en bij bepaalde collega’s bekend is. Daar de waarnemend onderdirecteur vaker in dronkenschap achter de computer spelletjes zat te spelen, heb ik een passwoord ingevoerd om zulke praktijken op mijn computer te vermijden. Kort hierna heb ik een brief ontvangen, waarin mij werd opgedragen om mijn “password” onmiddellijk te decoderen. Ik heb uiteindelijk mijn computer gedecodeerd. Hierna is er een “passwoord” door de leiding op mijn computer geplaatst;

Overwegende, dat nu voormelde verklaring van verzoekster niet door verweerder is weersproken, zal het Hof van de juistheid daarvan uitgaan en haar als tussen partijen rechtens vaststaand aannemen;

Overwegende, dat het Hof, ten aanzien van het verwijt aan verzoeker onder II als hiervoren vermeld gemaakt, opmerkt, dat, nu aan dat verwijt geen deugdelijke motivering ten grondslag ligt, bespreking daarvan als irrelevant, geheel in het midden kan worden gelaten;

Overwegende, dat nu uit verzoekster haar verklaring als eerder -aangehaald niet blijkt, dat op haar computer door de waarnemend onderdirecteur, in dronkenschap verkerend, vaker achter haar computer spelletjes werden gespeeld, oordeelt het Hof dat die omstandigheid voor haar geen aanleiding mocht zijn een “passwoord” in te voeren, waaraan niet afdoet dat zij haar computer uiteindelijk heeft gedecodeerd;

Overwegende, dat, anders dan in voormelde beschikking is vermeld, van chantage van de dienst zijdens verzoekster niet kan worden gesproken; evenmin dat voormeld handelen van verzoekster ernstig plichtsverzuim oplevert;

Overwegende immers, dat voormelde gevolgtrekkingen geenszins uit de gedragingen van verzoekster kunnen worden afgeleid nu daaromtrent geen feiten zijn gesteld die zulks zouden rechtvaardigen;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat verzoekster, ofschoon zij naar uit haar verklaring blijkt, uit voorzorg gehandeld heeft, haar niettemin enig verwijt kan worden gemaakt dat als ondisciplinair kan worden gekwalificeerd, zeker nu zij zelf verklaard heeft dat zij uiteindelijk, wat er op wijst dat zij na herhaaldelijk aandringen van de leiding daarop, haar computer heeft gedecodeerd;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat de aan verzoekster opgelegde straf in een zeer grote wanverhouding staat tot de door verzoekster gepleegde handeling zulks in verband met de spanningen tussen verzoekster en de leiding zoals uit haar verklaring valt af te leiden waarvan een der gevolgen was dat zij – verzoekster – ertoe overging één “passwoord in te voeren;

Overwegende, dat het Hof mitsdien van oordeel is op grond van het hiervorenoverwogene, dat de opgelegde straf dient te worden herzien en gewijzigd in een berisping, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde als niet ter zake doende ;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van landbouw, Veeteelt en Visserij van 26 september 2005 [nummer], waarbij verzoekster werd geschorst voor de duur van één maand met stilstand van de aan haar functie verbonden inkomsten te rekenen van 1 oktober 2005;

Legt aan verzoekster de disciplinaire straf op van berisping;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 18 mei 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.C.P.Baal namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.I.D.Kanhai en Mr.I.S.Asrafi-Lalji.

M.H.

 

SRU-HvJ-2023-5

Vonnisnummer: 31/2023
Uitspraak: 08 mei 2023

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van het Hof van Justitie inzake politieke ambtsdragers en gewezen politieke ambtsdragers in eerste aanleg gewezen op 11 februari 2022 en uitgesproken tegen de verdachte:

HOEFDRAAD, Gillmore Andre, geboren op [datum] in het district [district], van beroep gewezen politieke ambtsdrager in de functie van Minister van Financiën, wonende aan de [adres] te [plaats], niet in detentie verkerend;

De verdachte is behoorlijk en tijdig gedagvaard doch is hij – zonder enige reden van verhindering – niet ter terechtzitting verschenen. De verdachte wordt bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Dubois, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke aan het Hof in hoger beroep zijn overgelegd door de Griffie van het Hof van Justitie is gebleken dat de verdachte op 14 februari 2022 door tussenkomst van zijn raadsman, mr. M. Dubois, hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis in de verzetprocedure d.d. 11 februari 2022.

De vervolging heeft formeel verweer gevoerd dat – zakelijk weergegeven – het volgende inhoudt:
Op 17 december 2021 heeft het Hof van Justitie rechtdoende in eerste aanleg inzake politieke ambtsdragers en gewezen politieke ambtsdragers een verstek vonnis gewezen. Op 23 december 2021 heeft de raadsman namens de verdachte verzet aangetekend tegen het verstekvonnis d.d. 17 december 2021.
Gelet op het bepaalde in artikel 366 WvSv is het verzet vervallen verklaard, daar de verdachte niet was verschenen en voorts geen opgave van geldige reden van verhindering had opgegeven althans geen valide reden van zijn niet verschijning was opgegeven.
Ingevolge het bepaalde in artikel 369 WvSv kan alleen het Openbaar Ministerie van een bij verstek gewezen vonnis in hoger beroep komen. De Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers ( WIPA) heeft de artikelen 366 en 369 WvSv niet buiten werking gesteld.
Ook is in artikel 8 lid 1 sub 2 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens onder meer aangegeven: “ het recht van de beschuldigde om zich persoonlijk te verdedigen”.
In casu is er sprake van een moedwillige verdachte die telkenmale – bij verstek en in de verzetprocedure – beslist om niet te verschijnen voor het gerecht.

Gelet op het voorgaande vordert de vervolging dat op grond van het bepaalde in de eerder aangehaalde artikelen van het Wetboek van Strafvordering, de WIPA en het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens, de verdachte/ appellant niet ontvankelijk zal worden verklaard in het namens hem ingesteld hoger beroep.

De verdediging heeft – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd:
De verdediging verzoekt het appѐlverbod van artikel 369 WvSv buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met de ieder verbindende bepaling van de artikelen 14 lid 1, 3 (d), 5 en 16 van het Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten (Bupo-verdrag), de ieder verbindende bepalingen van de artikelen 1, 8 leden 1 en 2 (d) (h) en 24 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM) en de artikelen 8, 10, 11 en 12 lid 1 van de Grondwet van de Republiek Suriname, waarbij onder meer is gesteld dat een verdachte die bij verzet niet is verschenen en wiens verzet vervallen is verklaard, niet discriminatoir behandeld dient te worden en komt ook die verdachte het recht toe voor het instellen van hoger beroep. De verdediging verzoekt om verdachte alsnog ontvankelijk te verklaren in het door hem ingesteld hoger beroep.

Beoordeling door het Hof

Het Hof stelt vast dat ingevolge het bepaalde in artikel 369 lid 1 WvSv de veroordeelde verdachte niet in hoger beroep kan gaan tegen een verstekvonnis. Dit verbod staat naar het oordeel van het Hof op gespannen voet met het bepaalde in artikel 14 lid 5 van het BUPO-verdrag en artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights.
Bij Wet van 27 augustus 2007, (SB. 2007 no. 101) is de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers gewijzigd in die zin, dat het mogelijk is voor politieke ambtsdragers om in hoger beroep te gaan tegen een veroordelend vonnis, hetgeen voorheen niet mogelijk was. De Memorie van Toelichting (MvT) op deze wet stelt onder meer: “Internationaal is namelijk vereist dat de mogelijkheid van hoger beroep tegen een veroordelend strafvonnis steeds aanwezig moet zijn. Dit internationaal vereiste is onder meer te vinden in artikel 14 lid 5 van het op 19 december 1966 te New York tot stand gekomen Internationaal verdrag inzake burger en politieke rechten (V.B. 1981 no. 17) en de “American Convention on Human Rights”. Volgens deze bepaling heeft een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.

Deze overwegingen van de wetgever in de Memorie van Toelichting geven het Hof, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 105 en 106 van de Grondwet van de Republiek Suriname, aanleiding om in de onderhavige strafzaak het voor de verdachte HOEFDRAAD, Gillmore Andre, uit artikel 369 WvSv voortvloeiend verbod om in hoger beroep te gaan van het veroordelend verstekvonnis d.d. 17 december 2021 waartegen de veroordeelde verzet had aangetekend, (welk verzet bij vonnis van 11 februari 2022 vervallen werd verklaard en het verstekvonnis werd bekrachtigd), in dit concreet geval buiten toepassing te laten.
Het voorgaande is ingegeven vanwege het feit dat in het algemeen een ieder verbindende en rechtstreeks werkende verdragsbepaling ingevolge Ons rechtssysteem dient te prevaleren boven de nationale wetgeving. In casu is er sprake van een situatie dat toepassing van de nationale wet niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen die Suriname heeft geratificeerd en welke op de door de Grondwet bepaalde wijze zijn bekrachtigd, goedgekeurd en bekend gemaakt.
Daarenboven is naar het oordeel van het Hof op generlei wijze aannemelijk geworden dat er in artikel 14 van het Bupo-verdrag danwel in artikel 8 van de American Convention on Human Rights een onderscheid wordt gemaakt tussen een wel ter terechtzitting verschenen verdachte en een niet ter terechtzitting verschenen verdachte. Integendeel wordt in voormelde verdragsbepalingen steeds gewag gemaakt van (citaat) “een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.
Het Hof zal gelet op het voorgaande het formeel verweer van de vervolgingsambtenaar verwerpen en de verdachte ontvankelijk verklaren in het door hem tijdig ingesteld appél en zal in het dictum een datum voor de verdere behandeling van de zaak bepalen.

Beslissing:

Het Hof van Justitie,

Rechtdoende in hoger beroep:

Verwerpt het door de vervolging opgeworpen formeel verweer;

Verklaart appellant ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;

Bepaalt dat het onderzoek in deze zaak in hoger beroep tegen verdachte zal worden voortgezet op maandag 17 juli 2023 om 09.30 uur des voormiddags in de stand van voordracht;

Houdt iedere verdere beslissing aan;

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. I. Sonai, Lid, mr. S. Punwasi, mr. D. Nanhoe en mr. J. Kasdipowidjojo, leden – plaatsvervanger, bijgestaan door mr. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh, fungerend – griffier, en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 08 mei 2023.

w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh   w.g. A. Charan
                                                                          w.g. I. Sonai
                                                                          w.g. S. Punwasi
                                                                          w.g. D. Nanhoe
                                                                          w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

( mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut – Griffier)

 

SRU-HvJ-2013-7

G.R.No. 14664

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van:

[Appellant],
wonende te [plaats],
appellant , hierna aangeduid als [appellant]
gemachtigde: mr. S. Mangre, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. HET MINISTERIE VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN,
In rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geintimeerde, hierna ( ook wel) aangeduid als “de Staat”,
gemachtigde: mr. S. Dulam, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 05 oktober 2010 (A.R.No. 071429) tussen [appellant] als eiser en de Staat als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken c.q handelingen:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 14 februari 2011 hoger beroep heeft

ingesteld;

– de pleitnota d.d. 4 mei 2012;

– de antwoordpleitnota d.d. 1 juni 2012;

– het repliekpleitnota d.d. 20 juli 2012;

– de dupliekpleitnota d.d. 5 oktober 2012;

– bij rolbeschikking d.d. 5 oktober 2012 is een comparitie van partijen gelast;

– het proces-verbaal van gehouden comparitie van partijen d.d. 7 december 2012;

– het proces-verbaal van voortgezette comparitie van partijen d.d. 15 maart 2013

– de conclusie tot uitlating schikking genomen door de Staat op 5 april 2013;

– de conclusie tot uitlating genomen namens [appellant] op 19 april 2013.

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Appellant] was 39 jaar ambtenaar tot aan zijn pensionering op 1 september 2003.

Voor zijn pensionering functioneerde [appellant] als hoofd van de afdeling Begrotings- en Financiële Zaken bij het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen.

  1. [Appellant] had tot zijn pensionering 581 niet-genoten verlofdagen tegoed.
  2. In een schrijven d.d. 18 februari 2003 heeft [appellant] aan geïntimeerde het verzoek gedaan de niet-genoten verlofdagen te kapitaliseren. Voornoemd schrijven luidt voor zover hier van belang alsvolgt:

“Aan de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen d.t.k.v.

de onderdirecteur Administratie

Paramaribo 18 februari 2003

Hierbij vraag ik uw aandacht voor het volgende.

Zoals het bij u bekend zal zijn, zal ik per 1 september 2003 de dienst moeten verlaten, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Echter is gebleken dat ik in de loop der jaren al mijn verlofdagen heb kunnen opnemen…………………

Aangezien ik op 12 januari 1965 in overheidsdienst ben getreden, ben ik van mening dat mijn verlofdagen geaccumuleerd mogen worden. Op grond van het bovenstaande verzoek ik u te bewerkstelligen dat de door mij niet genoten verlofdagen tot een totaal van 581 dagen worden gekapitaliseerd……….”

  1. Daar [appellant] geen reactie kreeg op voormeld verzoek heeft hij bij brief d.d. 13 augustus 2004 een rappelschrijven aan geïntimeerde gericht hetgeen voor zover hier van belang alsvolgt luidt:

“Op 18 februari 2003 heb ik via de Onderdirecteur Administratie een schrijven aan U gericht, waarin ik het verzoek deed, de door mij niet gebruikte aanspraken op vrijstelling van dienst wegens andere redenen dan ziekte, te doen kapitaliseren. Naar ik heb begrepen heeft dit schrijven u niet bereikt. Ik doe U dan ook een fotokopie van betreffend schrijven toekomen.

Vermeld dient nog te worden, dat ik door mijn werkzaamheden als begrotingscoördinator mijn verlof niet heb kunnen/c.q. mogen opnemen in de perioden waar ik dat graag zou willen. Op grond van het bovenstaande verzoek ik U alsnog om uw invloed aan te wenden, dat mijn wegens dienstbelang niet gebruikte aanspraken op vrijstelling van dienst wegens andere redenen dan ziekte, alsnog worden gekapitaliseerd”.

  1. Bij brief d.d. 20 juni 2005 heeft de onderdirecteur Administratie Ch. Stijnberg terzake het verzoek van [appellant] een brief aan laatstgenoemde gericht waarin o.m. is vermeld:

“Hierbij deel ik u mede dat de Raad van Ministers in zijn vergadering van 27 april 2005 heeft goedgekeurd, dat u (opm. hof: bedoeld is kennelijk “uw” i.p.v. “u”) aanspraak op vrijstelling van dienst wegens andere redenen van (opm. hof: bedoeld is kennelijk “dan” i.p.v. “van”) ziekte, ingevolge op uw geldende Vrijstellingsbesluit, in totaal 150 dagen, wordt gekapitaliseerd”.

2.1. [Appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd gedaagde in eerste aanleg bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen over te gaan tot uitkering aam [appellant] van het bedrag groot Srd. 16. 666,–, zijnde zijn niet – gekapitaliseerde 431 verlofdagen op straffe van een dwangsom van Srd. 1.000,– voor iedere dag of keer dat gedaagde nalatig blijft aan het door de Kantonrechter gewezen vonnis gevolg te geven.

2.2. De Kantonrechter heeft zich in eerste aanleg onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering daar naar haar oordeel de vordering van [appellant] gebaseerd is op een ambtenaarsverhouding als vermeld in artikel 79 van de Personeelswet, uit welk artikel voortvloeit dat het Hof van Justitie de bevoegde rechtsinstantie is om kennis te nemen van onderhavige vordering en niet de Kantonrechter.

3.1. [Appellant] concludeert in dit hoger beroep het in de pleitnota gedane verzoek om een verenigingscomparitie te gelasten enkel tot het beproeven van een schikking in te willigen, en refereert zich voor het overige aan het oordeel van het Hof.

3.2. De Staat voert verweer tegen de vordering van [appellant]. Op dat verweer en standpunten van partijen zal in het hiernavolgende nader worden ingegaan.

3.3. Uit de aantekening van de griffier op het vonnis van 5 oktober 2010 volgt dat geen der partijen, noch hun gemachtigde, aanwezig zijn geweest bij de uitspraak in eerste aanleg. Het vonnis is bij dienstbrief van 25 januari 2011 aan partijen meegedeeld. Uit de verklaring van de griffier volgt dat [appellant] op 14 februari 2011, hoger beroep heeft ingesteld. Aangezien [appellant] binnen dertig dagen na 25 januari 2011, zijnde de datum van de dienstbrief, hoger beroep heeft ingesteld, is dit naar het oordeel van het Hof tijdig geschied, zodat hij ontvankelijk is in het hoger beroep.

3.4. Op grond van artikel 79 lid 1 PW oordeelt het Hof als ambtenarenrechter in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:

  1. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
  2. tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een dergelijk besluit of van het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
  3. tot vorderingen tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.

Ingevolge artikel 79 lid 2 PW zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:

  1. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
  2. tot verlaging van rang;
  3. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
  4. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
  5. tot schorsing of ontslag.

3.5. Naar het oordeel van het hof kan de onderhavige vordering, om geïntimeerde te veroordelen over te gaan tot uitkering aan [appellant] van het bedrag groot Srd. 16.666,–, zijnde zijn niet – gekapitaliseerde 431 verlofdagen op straffe van een dwangsom, worden begrepen als een vordering tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet met betrekking tot ambtenaren is bepaald, zoals bedoeld in artikel 79 lid 1 sub c PW. Immers kan uit de inhoud van de brief genoemd in rechtsoverweging 1.5 worden afgeleid dat geïntimeerde een besluit heeft genomen tot kapitalisatie over 150 niet genoten verlofdagen en verder achterwege heeft gelaten een besluit te nemen over de restant niet genoten verlofdagen in totaal 431 dagen, waarvan ook kapitalisatie was gevraagd op het uitdrukkelijk verzoek van [appellant] gedaan bij brieven genoemd in 1.3 en 1.4.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene had [appellant] onderhavige vordering aanhangig dienen te maken bij het Hof van Justitie als rechter in ambtenaren zaken die in eerste en hoogste aanleg over onderhavige vordering zou oordelen. Nu de zaak bij de gewone burgerlijke rechter is aanhangig gemaakt heeft de Kantonrechter terecht zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van onderhavige vordering. Een en ander heeft tot gevolg dat het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden zal worden bevestigend.

[Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.

Rechtdoende in hoger beroep:

Het Hof:

Bevestigt onder aanvulling van de gronden, het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen tussen partijen en uitgesproken op 5 oktober 2010, bekend onder A.R.No. 071429, waarvan beroep;

Veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen tot dusver begroot op Nihil;

Met inbegrip van de door het Hof aan diens advocaat voor de door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD. 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD. 150,–;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. M.K. Kuldip Singh, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 december 2013, in tegenwoordigheid van S.C. Berenstein, Fungerend -Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. S.G.R. Khoen Khoen namens advocaat S. Dulam, gemachtigde van geïntimeerde, terwijl appellant noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld