SRU-HvJ-2014-18

A-728

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster, hierna aangeduid als ”[verzoekster]”,
gemachtigde: mr. E.M. Fraenk, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,

meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als ”de Staat”,
gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest jo. artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– het verzoekschrift ter griffie ontvangen op 16 maart 2011, met producties;

– het verweerschrift ter griffie ontvangen op 26 april 2011, met producties;

– de beschikking van het Hof van 2 mei 2011 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald op 5 augustus 2011;

– het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de mondelinge behandeling meermalen is uitgesteld;

– het proces-verbaal van de op 18 november 2011 gehouden mondelinge behandeling;

– de pleitnota d.d. 6 januari 2012;

– de antwoord pleitnota, overgelegd op 3 februari 2012;

– de repliek pleitnota d.d. 2 maart 2012;

– de dupliek pleitnota, overgelegd op 20 april 2012, met een productie.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De feiten

2.1 [Verzoekster] is als politieambtenaar 1ste klasse in vaste dienst geweest van de Staat.

2.2 [Verzoekster] heeft op 9 november 2005 een verzoek ingediend om met ingang van februari 2006 in aanmerking te komen voor de zogenoemde 18-maanden regeling. Op dit verzoek is geen formele reactie van de Staat ontvangen.

2.3 Na een gesprek met de Korpschef en een functionaris van de HRM-afdeling heeft [verzoekster] in februari 2006 opnieuw een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor de 18-maanden regeling. Zij heeft daarbij tevens drie maanden verlof buiten bezwaar aangevraagd.

2.4 In juni 2006 heeft een functionaris van de HRM-afdeling [verzoekster], toen zij navraag deed, medegedeeld dat er nog geen resultaat was en dat zij nogmaals 3 maanden verlof buiten bezwaar moest aanvragen.

2.5 [Verzoekster] is door een functionaris van de HRM-afdeling opgebeld met de mededeling dat hij van het Hoofd van de afdeling Personeelszaken een aantekening had gekregen dat zij, [verzoekster], in afwachting van het resultaat van het verzoek geen recht had op verlof buiten bezwaar en dat zij zich diende aan te melden op de werkplek. [Verzoekster] heeft zich niet op de werkplek aangemeld.

2.6 [Verzoekster] is in januari 2010 opgeroepen door het waarnemend Hoofd HRM die tijdens een gesprek aangaf dat hij een rapport betreffende de gang van zaken zou opmaken voor de Korpschef.

2.7 [Verzoekster] heeft bij schrijven van 23 april 2010 aan de Minister van Justitie en Politie het verzoek gedaan haar salaris te doen uitkeren en het daarheen te leiden dat er een besluit wordt genomen op het door haar gedaan verzoek. Op dit schrijven heeft zij geen reactie ontvangen.

2.8 De Korpschef heeft bij schrijven d.d. 8 oktober 2010, K.A. no. [nummer], [verzoekster] het volgende bericht:

”In de periode 1 augustus 2005 tot en met 7 februari 2006 werd aan u verlof toegekend in afwachting op de goedkeuring van uw verzoek om de 18 maanden regeling. Aangezien uw verzoek om de 18 maanden regeling nog in behandeling was hebt u verlof buiten bezwaar aangevraagd gedurende de periode 8 februari 2006 tot en met 31 maart 2007 welke aan u werd verleend. Na uw verlof buiten bezwaar is uw verzoek om de 18 maanden regeling niet in behandeling genomen en diende u uw diensten te rekenen van 1 april 2007 te hervatten. Gelet op het feit dat u uw diensten niet hebt hervat, zal het proces tot uw ontslag op grond van artikel 69 lid 2 sub K van de Personeelswet worden ingezet.”

2.9 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 31 januari 2011, no. [nummer 2], is aan [verzoekster] ontslag uit staatsdienst verleend.

In deze beschikking, hierna aangeduid als ”de ontslagbeschikking”, is daartoe overwogen: ”dat aan (…) [Verzoekster] op eigen verzoek gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 7 februari 2006 verlof is toegekend in afwachting op de goedkeuring van het verzoek om de 18 maanden regeling.

dat het verzoek om de 18 maanden regeling nog in behandeling was en heeft betrokkene verlof buiten bezwaar aangevraagd gedurende de periode 8 februari 2006 tot en met 31 maart 2007 welke aan haar werd verleend.

dat na verlof buiten bezwaar betrokkene haar werkzaamheden diende te hervatten te rekenen van 1 april 2007.

dat betrokkene tot op heden haar werkzaamheden niet heeft hervat en ook geen bericht van verhindering heeft verzonden;

dat dezerzijds dan ook aanleiding bestaat het onwettig verzuim van de mevrouw

[verzoekster] voornoemd als laakbaar aan te merken in die zin dat aan betrokkene met toepassing van artikel 69 lid 2 sub K van de Personeelswet wegens het niet op tijd hervatten van de dienst na afloop van verlof of vrijstelling van dienst, ontslag uit staatsdienst dient te worden verleend.”

2.10 In de ontslagbeschikking is bepaald dat het ontslag overeenkomstig het bepaalde in artikel 71 lid 6 sub 1 van de Personeelswet te rekenen van 1 april 2007 is ingegaan.

2.11 [Verzoekster] heeft op 17 februari 2011 een afschrift van de ontslagbeschikking ontvangen.

De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis van het Hof van Justitie in Ambtenarenzaken:

  1. het besluit vervat in de ontslagbeschikking te vernietigen, dan wel nietig te verklaren;
  2. de Staat te veroordelen om haar bij wege van schadevergoeding, namelijk inkomstenderving, uit te keren haar salaris vanaf mei 2006, ad SRD 940,-, vermeerderd met alle in de tussentijd toegekende salarisverhogingen en looncorrecties, alsmede conform de salarisaanpassingen ingevolge het Fiso-systeem totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze beëindigd is;
  3. de Staat te veroordelen tot betaling, bij wege van schadevergoeding, van de SZF premie vanaf mei 2006 ad SRD 180,-, totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze beëindigd is;
  4. de Staat te veroordelen om over de onder B en C gevorderde bedragen de wettelijke rente te voldoen;
  5. de Staat te veroordelen tot betaling van de vertragingsrente van 50% van het loon ingevolge artikel 1614 q lid 1 van het Burgerlijk Wetboek;
  6. de Staat te veroordelen binnen een week, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen termijn, een besluit te nemen ten aanzien van het door haar op 9 november 2005, dan wel het in februari 2006 opnieuw ingediende verzoek, om in aanmerking te komen voor de zgn. 18 maanden regeling, zulks op straffe van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke dag dat de Staat hiermee in gebreke mocht blijven;
  7. de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Ter onderbouwing van de vordering heeft [verzoekster] aangevoerd dat:

  1. de Staat in gebreke is gebleven een besluit te nemen op het verzoek om in aanmerking te komen voor de 18 maanden regeling.
  2. de grondslag van het ontslagbesluit onduidelijk is: niet geheel duidelijk is of haar de tuchtstraf van ontslag is opgelegd, gelijk in het onderwerp van de ontslagbeschikking is vermeld, of dat zij met toepassing van artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet is ontslagen, zoals in het lichaam van het ontslagbesluit is vermeld, zodat het ontslagbesluit geen stand kan houden.
  3. het niet mogelijk is een ambtenaar van politie een tuchtstraf op te leggen op basis van de Personeelswet; de ambtenaren van politie hebben een bijzondere c.q. afwijkende positie ten opzichte van de overige landsdienaren. Artikel 2 lid 3 van de Personeelswet bepaalt dat het bepaalde in deze wet betreffende de buitenfunctiestelling, de tuchtstraffen en de rechtsmiddelen hiertegen niet van toepassing is op de ambtenaren van politie.

De bepaling krachtens welke aan ambtenaren van politie de tuchtstraf van ontslag kan worden opgelegd is artikel 40 lid 1 j van het Politiehandvest, dat afwijkt van artikel 61 lid 1 sub j Personeelswet. Elk besluit tot ontslag gebaseerd op artikel 61 lid 1 sub j Personeelswet is derhalve nietig c.q. vernietigbaar.

  1. zij verschillende malen heeft aangegeven dat zij bereid was haar werkzaamheden voor het KPS te hervatten en gedurende de hele tijd is blijven informeren naar de status van het verzoek; desondanks is de uitbetaling van haar salaris in mei 2006 stopgezet en heeft de Staat nagelaten de premie voor haar ziektekostenverzekering aan het Staatsziekenfonds te voldoen. Zij lijdt hierdoor schade bestaande uit het verschuldigd salaris en de door haar aan het SZF voldane premie ad SRD 180,- per maand vanaf mei 2006.
  1. zij zich niet heeft kunnen verweren, terwijl zulks ingevolge artikel 44 van het Politiehandvest geboden is alvorens een tuchtstraf aan een ambtenaar wordt opgelegd, zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
  1. de overwegingen die geleid hebben tot de beslissing in strijd zijn met de waarheid:

– het verlof gedurende de periode 1 augustus 2005 tot en met 7 februari 2006 was geen verlof in afwachting van de goedkeuring van het verzoek om de 18 maanden regeling. Dit verzoek is immers pas in november 2005 ingediend;

– nooit is aan haar te kennen gegeven dat zij per 1 april 2007 haar werkzaamheden diende te hervatten;

– het is niet waar dat zij geen bericht van verhindering heeft verzonden; zij heeft steeds contact gehouden met de Staat, althans de afdeling HRM van het Korps Politie Suriname, de Korpschef of de Minister van Justitie en Politie.

  1. het ontslag in strijd met artikel 71 lid 6 Personeelswet en het beginsel van rechtszekerheid met terugwerkende kracht is verleend.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

Bevoegdheid

4.1 Op grond van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet oordeelt het Hof onder meer over vorderingen tot nietigverklaring van een ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar genomen, voor nietigverklaring vatbaar, besluit wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, alsmede over vorderingen tot vergoeding van schade.

Blijkens het tweede lid van dat artikel zijn besluiten tot ontslag vatbaar voor nietigverklaring.

In artikel 47 van het Politiehandvest (G.B. 1971, no. 70) is bepaald dat de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uitstrekt tot zaken betreffende ambtenaren van politie.

Gelet op het voorgaande is het Hof dan ook bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot nietigverklaring van het besluit van de Staat tot beëindiging van het dienstverband met een ambtenaar van politie, waarvan in het onderhavige geval sprake is.

4.2 Ten aanzien van het onder F gevorderde, constateert het Hof dat in artikel 79 van de Personeelswet, waarin de bevoegdheid van het Hof in ambtenarenzaken limitatief is omschreven, een dergelijke vordering niet is vervat.

Het Hof zal zich derhalve onbevoegd verklaren van dit deel van de vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

5.1 Zijdens de Staat is niet betwist dat de ontslagbeschikking op 17 februari 2011 aan [verzoekster] ter kennis is gebracht, zodat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid hiervan zal worden uitgegaan. Nu het verzoekschrift op 16 maart 2011 ter griffie is ontvangen, is verzoekster ontvankelijk in haar vordering tot nietigverklaring van het ontslagbesluit.

5.2 Ten aanzien van de door [verzoekster] gevorderde schadevergoeding overweegt het Hof het volgende:

Ingevolge artikel 80 lid 2 sub b van de Personeelswet zijn dergelijke vorderingen niet ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld – voor zover zij betrekking hebben op een genomen besluit of een verrichte handeling – meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht, dan wel de handeling geacht kan worden te zijner kennis te zijn gekomen.

In casu komt [verzoekster] op tegen het niet uitbetalen van het maandelijks salaris en het niet voldoen van de maandelijkse premie aan het Staatsziekenfonds. Naar het oordeel van het Hof is, vanwege het maandelijks terugkerend karakter van deze handelingen, uiterlijk aan het begin van de daarop volgende maand kenbaar voor [verzoekster] dat het salaris over die maand niet is gestort. Uit de stellingen in het verzoekschrift blijkt daarnaast dat de stopzetting van de uitbetaling van het salaris en het niet voldoen van de premie aan het Staatsziekenfonds reeds in de maand mei 2006 door [verzoekster] is opgemerkt, aangezien zij dit ten aanzien van hetsalaris expliciet stelt en dit ten aanzien van de premie valt af te leiden uit het feit dat zij vanaf mei 20O6 de premie zelf heeft voldaan.

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat [verzoekster] slechts ontvangen kan worden in de vordering tot vergoeding van de schade gelegen in de periode van 1 (één) maand voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift op 16 maart 2011, dit is de door [verzoekster] gestelde schade door het niet uitbetalen van het salaris en het niet voldoen van de premie aan het SZF over de maand februari 2011 en de daarop volgende maanden.

De beoordeling van het geschil

6.1 Het Hof constateert allereerst dat in het lichaam van de ontslagbeschikking slechts het niet hervatten van de dienst na verlof of vrijstelling van dienst als ontslaggrond is vermeld.

Hoezeer ook de vermelding van een andere grond voor ontslag in de duiding van het onderwerp van de ontslagbeschikking blijk geeft dat sprake is geweest van een onzorgvuldige redigering van de ontslagbeschikking, heeft dit echter naar het oordeel van het Hof niet tot gevolg dat het ontslagbesluit nietig is, zodat aan deze stelling van [verzoekster] zal worden voorbijgegaan.

6.2 Het Hof constateert tevens dat in artikel 2 lid 3 van de Personeelswet is bepaald dat de regeling met betrekking tot de buitenfunctiestelling, de tuchtstraffen en de rechtsmiddelen daartegen niet van toepassing is op de ambtenaren van politie.

Het ontslag wegens het niet hervatten van de dienst na verlof of vrijstelling van dienst is echter geen ontslag wegens plichtsverzuim, aangezien in artikel 69 lid 2 van de Personeelswet is bepaald dat deze mogelijkheid bestaat naast de mogelijkheid om ontslag wegens plichtsverzuim te verlenen, zodat een dergelijk ontslag niet kan worden gezien als een tuchtstraf.

Het Hof constateert verder dat in het Politiehandvest geen regeling is getroffen ten aanzien van het niet hervatten van de dienst na verlof of vrijstelling van dienst, zodat de algemene regeling in de Personeelswet eveneens van toepassing is op de ambtenaren van politie.

Aan het in dit kader door [verzoekster] gestelde komt dan ook geen gevolg toe.

6.3 Het Hof constateert eveneens dat tussen partijen in het geding is de vraag of [verzoekster] slechts eenmaal, dan wel tweemaal een verzoek heeft ingediend ter verkrijging van verlof buiten bezwaar.

[Verzoekster] stelt dat zij dit slechts eenmaal heeft gedaan en wel in februari 2006 voor de duur van drie maanden. De Staat heeft aangevoerd dat zij een tweede verzoek daartoe heeft ingediend en dat beide verzoeken zijn ingewilligd.

Indien ervan moet worden uitgegaan dat, gelijk [verzoekster] stelt, slechts eenmaal een verzoek tot verlof buiten bezwaar is ingediend, betekent dit, nu de Staat heeft aangevoerd dat dit verzoek is ingewilligd, dat het aan [verzoekster] toegekend verlof buiten bezwaar is geëindigd drie maanden na februari 2006, derhalve in de maand mei 2006.

Tussen partijen is niet in het geding dat op dat moment nog geen besluit was genomen op het verzoek zijdens [verzoekster] om in aanmerking te komen voor de 18-maanden regeling. Naar dezerzijdse mening heeft dat tot gevolg dat [verzoekster] na ommekomst van haar verlof buiten bezwaar haar werkzaamheden diende te hervatten, gelijk haar in juni 2006 ook is medegedeeld door een functionaris in dienst van de Staat, werkzaam op de HRM-afdeling van het Korps Politie Suriname.

[Verzoekster] heeft daarbij gesteld dat het voor haar niet mogelijk is geweest haar werkzaamheden te hervatten omdat zij al enorm veel tijd en energie in haar bedrijf had gestopt en in verband daarmee verschillende afspraken had lopen, zodat het voor haar jonge onderneming een strop zou kunnen betekenen indien zij haar werkzaamheden bij het Korps Politie Suriname op dat moment zou hervatten. Zij heeft dit ook te kennen gegeven aan de betreffende functionaris van de afdeling HRM.

Naar het oordeel van het Hof blijkt uit deze stelling van [verzoekster] dat zij zichzelf in de onmogelijkheid – zo daarvan sprake zou zijn – heeft gebracht om na ommekomst van haar verlof buiten bezwaar, haar werkzaamheden in dienst van de Staat te hervatten. Dergelijk handelen en de gevolgen die daaruit voortspruiten dienen voor haar rekening te blijven.

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat reeds in de maand juni 2006 er sprake van is geweest dat [verzoekster] haar werkzaamheden niet heeft hervat na afloop van verlof of vrijstelling van dienst, hetgeen ingevolge artikel 69 lid 2 sub k van de Personeelswet een ontslaggrond oplevert.

6.4 Het Hof is echter met [verzoekster] van oordeel dat het aan haar verleend ontslag niet met terugwerkende kracht mocht worden verleend.

De Staat heeft aangevoerd dat artikel 71 lid 6 van de Personeelswet daartoe de ruimte biedt, aangezien daarin is bepaald dat het ontslag wordt verleend met onmiddellijke ingang alsook dat de artikelen 5 en 6 van de Personeelswet buiten toepassing blijven.

Allereerst stelt het Hof vast dat in artikel 71 van de Personeelswet sprake is van verlening van het ontslag en niet, gelijk als uitgangspunt is gehanteerd in de ontslagbeschikking, van een ontslag van rechtswege met ingang van de dag waarop de werkzaamheden niet zijn hervat.

De verlening van het ontslag mag ingevolge voornoemd artikel wel met onmiddellijke ingang geschieden.

Dit kan echter naar dezerzijds oordeel, hoezeer ook de artikelen 5 en 6 van de Personeelswet buiten toepassing blijven, niet tot gevolg hebben dat het ontslag kan terugwerken, aangezien het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van rechtszekerheid zich hiertegen verzet.

De bedoeling van artikel 71 Personeelswet kan derhalve slechts zijn dat het ontslag kan worden verleend met als ingangsdatum de dag waarop het besluit daartoe wordt genomen.

6.5 In de onderhavige casus heeft het onder 6.4 van dit vonnis overwogene tot gevolg dat het aan [verzoekster] verleend ontslag, nu het besluit daartoe dateert van 31 januari 2011 en de ingangsdatum is gesteld op 1 april 2007, wegens de daaraan verleende terugwerkende kracht niet in stand kan blijven. De vordering tot nietigverklaring daarvan zal dan ook worden toegewezen.

6.6 Het Hof overweegt ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding dat, nu reeds is geoordeeld dat het niet verrichten van de werkzaamheden en de gevolgen die daaruit voortspruiten voor rekening van [verzoekster] blijven, zijdens [verzoekster] over de periode dat zij de werkzaamheden niet heeft verricht geen aanspraak op salaris is ontstaan. Opgemerkt wordt daarbij dat, indien de betreffende landsdienaar geen arbeid heeft verricht in de periode voorafgaand aan de ontslagverlening, hij over die periode geen aanspraak maakt op salaris. Op de ambtenaar is immers ingevolge het bepaalde in artikel 28 lid 3 van de Personeelswet, ook het bepaalde in artikel 1614 b van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, in welk artikel is bepaald dat geen loon verschuldigd is voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] inmiddels haar werkzaamheden heeft hervat, zodat de vordering tot schadevergoeding niet toewijsbaar is.

6.7 De vorderingen met betrekking tot de wettelijke en vertragingsrente zijn, gezien het onder 6.6 overwogene, evenmin toewijsbaar.

6.8 De overige stellingen en weren van partijen zullen, nu zij niet tot een ander oordeel zouden leiden, buiten bespreking worden gelaten.

De beslissing

Het Hof:

7.1 Verklaart zich niet bevoegd kennis te nemen van het onder F gevorderde.

7.2 Verklaart [verzoekster] gedeeltelijk niet ontvankelijk in haar vordering sub B en C tot vergoeding van schade, gelijk is overwogen onder 5.2 van dit vonnis.

7.3 Verklaart nietig het ontslagbesluit vervat in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie van 31 januari 2011, no. 410/’11.

7.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid, en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. E.M. Fraenk, gemachtigde van verzoekster, en verweerder vertegenwoordigd door mr. P.J. Campagne namens advocaat mr. A.W. van der San, gemachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2015-32

G.R.No.14997

Het Hof van Justitie van Suriname

Beschikking

Gelezen de door Santokhi Chandrikapersad, hierna aangeduid als Santokhi, niet gedagtekende, akte van wraking gericht tegen de rechter in Suriname, ingediend in de zaak bekend onder A.R.No. 14-5384 met als partijen Bouterse, Desiré Delano (als eiser) en Santokhi Chandrikapersad (als gedaagde), welke zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton mr. [naam], rechtsprekend in kort geding, in behandeling is genomen;

Overwegende, dat bovengenoemde akte van wraking bij brief van de substituut griffier der kantongerechten  mr. L.J. van Bossé d.d. 24 december 2014 is verzonden naar de griffier van het Hof van Justitie mr. M.E. Van Genderen; de akte van wraking bijgevoegd bij laatstvermelde brief is ontvangen ter griffie van het Hof van Justitie op 29 december 2014, welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd;

Gelezen de schriftelijke verklaring van mr.[naam] d.d. 24 december 2014 als reactie op de ingediende wraking, welker inhoud hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd;

Overwegende, dat het Hof begrijpt dat Santokhi als grond voor de ingediende wraking heeft aangevoerd, kort en zakelijk weergeven, dat de onafhankelijkheid van de rechter in Suriname niet is gegarandeerd omdat de Surinaamse Rechterlijke Macht in materieel en financieel opzicht afhankelijk is van de uitvoerende macht;

Overwegende, dat mr. [naam] als reactie op de ingediende wraking, verkort en zakelijk weergegeven, heeft gesteld, dat artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering limitatief de gronden heeft opgesomd voor wraking van rechters en dat de door Santokhi aangevoerde gronden geen deel uitmaken van die gronden; voorts heeft zij ten overvloede aangevoerd dat naar haar mening met “onafhankelijkheid” wordt bedoeld rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid; dat de rechtspositionele onafhankelijkheid met zich meebrengt dat rechters niet door de regering kunnen worden ontslagen wegens de regering onwelgevallige uitspraken en dat de functionele onafhankelijkheid met zich brengt dat noch regering, noch parlement, noch enige andere overheidsinstantie aan de rechter (bindende) aanwijzingen kan geven danwel geeft hoe in een concreet geval te beslissen;  

Overwegende, dat  mr. [naam] op grond van het hiervoren door haar gestelde heeft aangevoerd dat zij zich niet berust in de wraking en dat zij concludeert dat de gevorderde wraking ongegrond wordt verklaard; 

Overwegende, dat door het Hof wordt geconstateerd dat de onderhavige akte van wraking gericht is tegen de rechter in Suriname in het algemeen en niet tegen de kantonrechter in het Eerste Kanton mr. [naam] (de behandelende kantonrechter in kort geding in de zaak bekend onder A.R.No. 14-5384) specifiek, terwijl blijkens de wettekst (artikelen 30 tot en met 44 Brv) en de strekking van bedoelde wetsartikelen het wrakingsincident zich dient te richten tegen de rechter die de zaak behandelt;

Overwegende, dat reeds het vorenoverwogene met zich brengt dat Santokhi niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het wrakingsverzoek en alsvolgt zal worden beslist;

Beschikkende

Verklaart Santokhi niet ontvankelijk in het door hem ingediende wrakingsverzoek ingediend in de zaak bekend onder A.R.No. 14-5384 met als partijen Bouterse, Desiré Delano (als eiser) en Santokhi Chandrikapersad (als gedaagde), welke zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton
mr. [naam], rechtsprekend in kort geding, in behandeling is genomen;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 16 januari 2015 door mr. D.D. Sewratan, Fungerend President,
mr. S.M.M. Chu, lid en mr. R.M. Praag lid-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Genderen-Relyveld Griffier.

w.g. M.E. van Genderen-Relyveld           w.g. D.D. Sewratan          w.g. S.M.M. Chu               w.g. R.M. Praag

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-17

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Defensie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigden: mr. P.J. Campagne en mr. L. Riedewald, juristen,

spreekt de Fungerend-President , in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • het verzoekschrift d.d. 23 november 2009, met producties;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor verweerschrift, d.d. 14 januari 2010;
  • de beschikking van het Hof d.d. 14 januari 2010, waarbij de termijn voor verweerschrift m.i.v. 18 januari 2010 met 6 weken is verlengd;
  • het verweerschrift d.d. 26 februari 2010;
  • het proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer d.d. 15 oktober 2010;
  • de pleitnota d.d. 07 januari 2011;
  • het antwoordpleidooi d.d. 04 februari 2011, met producties;
  • het repliekpleidooi d.d. 01 april 2011;
  • het dupliekpleidooi d.d. 06 mei 2011, met een productie;
  • de conclusie tot uitlating productie d.d. 20 mei 2011;
  • de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was gesteld op 05 augustus 2011, doch nader bepaald op heden.

De motivering

De feiten

Tussen partijen (hierna respectievelijk ”[verzoeker]” en ”het ministerie van Defensie” te noemen) staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

1. [Verzoeker] was bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 30 juni 2005 J.M. [nummer] te rekenen van 28 maart 2004 ontslag verleend wegens het niet hervatten van de dienst na genoten vakantieverlof.

1.2 [Verzoeker] was te rekenen van 01 december 2006 tijdelijk, op proef voor de duur van een jaar, in de functie van Voorman bij de afdeling Wegen, in dienst genomen door het ministerie van Openbare Werken bij beschikking d.d. 10 januari 2007.

1.3 Bij vonnis van het Hof van Justitie d.d. 18 mei 2007 (A-617) is voornoemde ontslag-beschikking nietig verklaard.

1.4 Een afschrift van vermeld vonnis van het Hof is bij exploot no. 527 op 17 december 2007 aan de Staat betekend.

1.5 Bij schrijven d.d. 21 december 2007 heeft verzoeker zich bij het ministerie van Defensie aangemeld voor diensthervatting.

1.6 Bij beschikking van de Minister van Defensie d.d. 01 september 2008 no. [nummer 2], is ingevolge het vonnis van het Hof d.d. 18 mei 2007 no. A-617, de ontslagbeschikking d.d. 30 juni 2005 ingetrokken en is aan [verzoeker] het achterstallig salaris uitbetaald.

1.7 Het ministerie van Defensie heeft het salaris van [verzoeker] vanaf mei 2009 geblokkeerd.

1.8 [Verzoeker] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde d.d. 10 juni 2009 het ministerie van Defensie doen aanmanen om zijn salaris aan hem uit te betalen.

1.9 Het ministerie van Defensie heeft in reactie op voornoemd schrijven, bij brief van de minister d.d. 17 juni 2009 aan [verzoeker] onder andere medegedeeld, dat haar gebleken is dat [verzoeker] vanaf 01 december 2006 in dienst is van het ministerie van Openbare Werken alwaar hij tot dan toe salaris ontving en gebruik maakte van de SZF-voorzieningen van het ministerie van Openbare Werken, hoewel hij wederom op de betaalrol van het ministerie van Defensie was geplaatst vanaf september 2008, op grond waarvan het ministerie van Defensie het niet noodzakelijk achtte hem te voorzien van voorzieningen van het ministerie van Defensie.

1.10 Bij schrijven d.d. 13 oktober 2009 heeft [verzoeker] het ministerie van Defensie wederom doen aanmanen voor uitbetaling van zijn salaris.

1.11 Het ministerie van Defensie heeft bij schrijven d.d. 29 oktober 2009 in reactie op voornoemd schrijven gepersisteerd bij zijn eerdere schrijven d.d. 17 juni 2009.

1.12 Bij beschikking van het ministerie van Openbare Werken d.d. 08 februari 2010 is aan verzoeker met ingang van 01 mei 2010 van rechtswege ontslag uit Staatsdienst verleend, aangezien hij door de Geneeskundige Commissie op 27 augustus 2009 arbeidsongeschikt is verklaard voor verdere dienst.

De vordering en het verweer daartegen

2.1. [Verzoeker] vordert om het ministerie van Defensie te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen zijn ten onrechte ingekorte (ingehouden) salaris verhoogd met alle verhogingen die sindsdien aan alle ambtenaren zijn toegekend en vermeerderd met de boete vermeld in artikel 1614q BW en de wettelijke rente ad 6 % per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening met veroordeling van het ministerie in de proceskosten.

2.2. [Verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het ministerie met zijn handelen onder andere artikel 20 Wet Rechtspositie Militairen en artikel 30 Personeelswet en voorts de wettelijke bepalingen bevattende geneeskundige voorzieningen voor militairen, schendt.

2.3 Het ministerie heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering erop neerkomende dat [verzoeker] wederom van de betaalrol is afgevoerd vanaf 03 april 2009 vanwege ongeoorloofde afwezigheid. [Verzoeker] was namelijk vanaf 01 december 2006 in dienst getreden van het ministerie van Openbare Werken. [Verzoeker] maakt derhalve geen aanspraak op bezoldiging en/of geneeskundige voorzieningen van het ministerie, waardoor de vordering van [verzoeker] een formele grondslag mist en hij derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

De beoordeling van het geschil

3.1 Het Hof begrijpt uit de stellingen van [verzoeker] dat hij impliciet vordert, dat het besluit van het ministerie van Defensie om hem vanaf 03 april 2009 van de betaalrol van het ministerie van Defensie af te voeren, wordt vernietigd en dat hij alsnog het ingehouden salaris ontvangt.

Het Hof is derhalve op grond van artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

3.2 Voorop wordt gesteld dat [verzoeker] bij schrijven van zijn gemachtigde d.d 10 juni 2009, de Minister van Defensie heeft doen aanmanen om de blokkade van zijn salaris per onmiddellijke ingang te doen opheffen. De Minister van Defensie heeft bij schrijven d.d. 17 juni 2009 aan [verzoeker] – in reactie op het schrijven van [verzoeker] d.d. 10 juni 2009 – medegedeeld waarom [verzoeker] wederom van de betaalrol was afgevoerd en geen aanspraak meer maakte op medische voorzieningen van het ministerie van Defensie. Nu niet is gesteld en evenmin is gebleken, dat dit anders was volgt uit het voorgaande dat [verzoeker] in ieder geval op 17 juni 2009 op de hoogte was van het besluit van het ministerie van Defensie.

Nu [verzoeker] geen gebruik heeft gemaakt van beklag bij de President van de Republiek Suriname ingevolge artikel 78 lid 1 van de Personeelswet, doch heeft gekozen voor (buitenwettelijk) bezwaar bij hetzelfde orgaan dat het besluit in casu had genomen, had [verzoeker] ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet, zijn vordering bij het Hof vòòr 17 juli 2009, zijnde binnen een maand nadat [verzoeker] van het besluit van het ministerie van Defensie kennis had genomen, moeten instellen. Aangezien [verzoeker] zijn verzoekschrift op 23 november 2009 heeft ingediend, concludeert het Hof dat [verzoeker] ingevolge artikel 80 lid 1 sub b van de Personeelswet tardief is met zijn vordering en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard daarin.

3.3 Ten overvloede overweegt het Hof dat ook indien [verzoeker] was ontvangen in zijn vordering, de beslissing in het nadeel van [verzoeker] was gevallen.

Vaststaat dat het ministerie van Defensie het salaris aan [verzoeker] heeft uitbetaald tot en met april 2009. Eveneens staat vast dat [verzoeker] vanwege het ministerie van Openbare Werken van 01 december 2006 tot aan zijn ontslag per 01 mei 2010 een salaris heeft ontvangen, als Voorman bij de afdeling Wegen.

Nu [verzoeker] – nadat het ministerie van Defensie uitvoering had gegeven aan het vonnis van het Hof bij beschikking van het ministerie van Defensie d.d. 01 september 2008 – geen ontslag heeft genomen bij het ministerie van Openbare Werken, heeft hij zichzelf in de situatie gebracht dat hij niet beschikbaar was voor de dienst bij het ministerie van Defensie, hoewel [verzoeker] zich per schrijven d.d. 21 december 2007 had aangemeld voor diensthervatting. [Verzoeker] heeft hiermee zichzelf in de situatie gebracht dat hij geen aanspraak meer maakt op voorzieningen en/of bezoldiging zijdens het ministerie van Defensie. Immers, door in tijdelijke dienst te treden bij het ministerie van Openbare Werken, kon [verzoeker] ingevolge artikel 36 lid 1 van de Personeelswet, niet meer aan zijn ambtsplicht jegens het ministerie van Defensie voldoen, als volgt luidende:

Een staatsdienaar is verplicht de aan zijn functie – met inbegrip van nevenfuncties verbonden werkzaamheden naar beste weten en kunnen te verrichten, de bevoegdelijk aan hem gegeven opdrachten, welke op de dienst betrekking hebben, stipt en loyaal uit te voren en zich ook overigens steeds zo te gedragen als een goed en getrouw staatsdienaar betaamt.”

Voorts is niet gebleken dat [verzoeker] ingevolge artikel 16 lid 3 van de Personeelswet, in meer dan één functie is benoemd en dat de gezamenlijke omvang van de aan die functies verbonden werkzaamheden gelijktijdige vervulling door één persoon toelaat.

Twee voltijdse banen bij twee verschillende ministeries in verschillende functies, zijn immers niet met elkaar te verenigen.

Nu aan [verzoeker] met ingang van 01 mei 2010 van rechtswege ontslag uit Staatsdienst is verleend, aangezien hij door de Geneeskundige Commissie op 27 augustus 2009 arbeidsongeschikt is verklaard voor verdere dienst, dient evenwel de formele afwikkeling van de beëindiging van het dienstverband met het ministerie van Defensie nog te geschieden, zoals terecht naar voren gebracht door het Ministerie van Defensie.

De beslissing

Het Hof:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en mr. S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. D.D.Sewratan

door mr. A. Charan, Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. A. Charan w.g. S.C. Berenstein

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij vertegenwoordiger noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-16

G.R. No. 14649

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
wonende te [plaats],
appellante, hierna aangeduid als ’de vrouw’,
gemachtigde: mr. M.G.A. Vos, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde, hierna aangeduid als ’de man’,
gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

gelet op het door het Hof gewezen tussenvonnis van 03 januari 2014 inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 01 november 2006 (A.R. No. 05-4688) tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het verdere procesverloop

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

– het proces-verbaal van de niet-gehouden enquête d.d. 04 april 2014;

– de conclusie tot uitlating na niet-gehouden enquête zijdens de vrouw d.d. 02 mei 2014, met producties;

– de conclusie tot uitlating na niet-gehouden enquête en uitlating producties zijdens de man d.d. 06 juni 2014, met een productie;

– de conclusie tot uitlating productie zijdens de vrouw d.d. 01 augustus 2014;

– de rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis die aanvankelijk was bepaald voor 20 februari 2015, doch bij vervroeging bepaald op heden.

  1. De verdere beoordeling

2.1 Het Hof volhardt geheel bij hetgeen in meergenoemd tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.2 Het Hof heeft in vermeld tussenvonnis van 03 januari 2014 de vrouw in de gelegenheid gesteld door alle middelen rechtens, meer speciaal door getuigen, het bewijs bij te brengen van haar stelling dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen in overwegende mate aan de man is te wijten.

2.3 Het Hof constateert dat de vrouw op de dagbepalingen voor het te houden getuigenverhoor respectievelijk 21 maart 2014 en 04 april 2014 niet ter terechtzitting is verschenen, noch zijn de te horen getuigen voor verhoor verschenen, waarna het getuigenverhoor is gesloten en partijen op de rolzitting hebben geconcludeerd na niet-gehouden enquête.

2.4 Bij haar conclusie na niet-gehouden enquête heeft de vrouw een vijftal foto’s en een drietal verklaringen ondertekend door respectievelijk [naam 1] d.d. 29 april 2014, [naam 2] d.d. 30 april 2014, en [naam 3] d.d. 29 april 2014, dienende als getuigenverklaringen, overgelegd ter voldoening aan haar bewijsopdracht.

2.5 Bij zijn conclusie na niet-gehouden enquête en uitlating producties heeft de man met betrekking tot de door de vrouw als getuigenverklaringen overgelegde producties

betoogd dat voornoemde ’getuigen’ niet aanwezig waren toen de mogelijkheid door het Hof geschapen was om de ’getuigen’ te horen en vragen te kunnen stellen aan hen, waardoor het beeld dat het getuigenverhoor moest opleveren nu is verwerkt in een eenzijdig opdissen van verhaaltjes ten faveure van de vrouw, zonder de mogelijkheid van vraag en antwoord. Voorts ontkent de man de aantijgingen van de vrouw die ertoe zouden moeten leiden dat door zijn handelen hij in overwegende mate schuldig is aan de duurzame ontwrichting van hun huwelijksleven. Tevens heeft de man een door hem afgelegde verklaring van de oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk tussen partijen als productie overgelegd, erop neerkomende dat de problemen tussen partijen begonnen toen de man weigerde naar Nederland terug te keren vanwege een goed werkaanbod dat hij had gekregen in Suriname.

2.6 De vrouw heeft de door de man overgelegde verklaring betwist en verwezen naar de door haar overgelegde getuigenverklaringen ten bewijze van het door de man gepleegde overspel als oorzaak van de ontwrichting van het huwelijk tussen partijen.

2.7 Het Hof stelt voorop dat het bewijs door getuigen onder andere met inachtneming van de artikelen 1925 juncto 1932 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden geleverd ten overstaan van het Hof, in casu de door het Hof benoemde Rechter- Commissaris, in het kader van de bewijswaardering, waarbij tevens de tegenpartij de gelegenheid heeft om de getuigen te bevragen.

Op grond hiervan overweegt het Hof dat zowel de getuigenverklaringen alsmede de foto’s, welke door de vrouw ter voldoening aan haar bewijsopdracht zijn overgelegd, niet als getuigenbewijs kunnen dienen, doch slechts als een onderhands geschrift ingevolge artikel 1895 BW, waaraan vrije bewijskracht toekomt. Dit brengt met zich mee dat het aan het oordeel van het Hof wordt overgelaten welke overtuigingskracht het aan het bewijsmiddel hecht.

2.8 Naar het oordeel van het Hof dragen de verklaringen van [naam] d.d. 29 april 2014 en van [naam 3] d.d. 29 april 2014, geenszins bij tot het bewijs van het door de man gepleegde overspel, in tegendeel wordt in voornoemde verklaringen bevestigd dat partijen een goed huwelijk hadden en dat de breuk tussen partijen als een schok voor hun kwam. Uit de overgelegde foto’s, waarover de vrouw verzuimd heeft aan te geven wie of wat er allemaal op die foto’s te zien is, blijkt evenmin een bevestiging van het overspel door de man gepleegd.

Slechts de verklaring van [naam 2] d.d. 30 april 2014, geeft aan dat de man een relatie had met een dame die hij haast elke dag van het werk afhaalde, doch is deze ene verklaring, welke overigens niet aangeeft dat de man overspel heeft gepleegd, naar het oordeel van het Hof onvoldoende om aan te nemen dat de man overspel heeft gepleegd.

2.9 Al met al komt het Hof tot de conclusie dat de vrouw het haar opgedragen bewijs niet heeft kunnen volbrengen, zodat niet bewezen is dat de ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in overwegende mate te wijten is geweest aan de man.

Nu de grief van de vrouw ongegrond is en er geen andere feiten en/of omstandigheden door de vrouw zijn aangedragen welke het Hof zouden nopen om opnieuw recht te doen, zal de vordering van de vrouw in hoger beroep worden afgewezen met bevestiging van het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

2.10 De proceskosten zullen worden gecompenseerd tussen partijen, zijnde echtelieden, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1 Bevestigt het vonnis d.d. 01 november 2006 (A.R. No. 05-4688), waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

3.2 Compenseert de proceskosten tussen partijen, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en

S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 november 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. R.M.E. Wittenberg namens advocaat mr. M.G.A. Vos, gemachtigde van appellante, en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. V.V.C. Pique namens advocaat mr. L.H.R. Rogers, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2014-15

GR- 14772

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],
wonende aan [adres] te [plaats],
appellant in kort geding,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

KERSTEN & CO N.V.,
rechtspersoon, gevestigd en kantoor houdende aan de Domineestraat te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
gemachtigde: mr. H.R. Lim A Po, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 3 mei 2012 (A.R.NO. 103196) tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk [appellant] en Kersten;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [appellant] op 23 mei 2012 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 03 mei 2013;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 05 juli 2013;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi de dato 2 augustus 2013;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi de dato 04 oktober 2013;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 21 februari 2014 doch nader op heden;

De beoordeling

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Appellant] heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, Kersten zal worden veroordeeld er voor zorg te dragen dat hij, [appellant], en zijn gezinsleden binnen 1 week na het ten deze te wijzen vonnis aanspraak kunnen maken op de geneeskundige verzorging zoals vervat in de regeling geneeskundige verzorging gepensioneerden, althans deze kunnen genieten .

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 mei 2012 het gevorderde afgewezen en [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van Kersten gevallen veroordeeld.
  2. [Appellant] heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van zijn raadsvrouwe bij schrijven gedateerd 17 mei 2012, welk schrijven op 23 mei 2012 ter griffie is ingediend, appèl aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter van 03 mei 2012. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat [appellant] vertegenwoordigd door mr. C. Meijnaar namens zijn gemachtigde en Kersten vertegenwoordigd door mr. Van Lobbrecht namens haar gemachtigde, bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig zijn geweest. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] ingevolge het bepaalde in artikel 235 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet binnen de termijn van veertien dagen na dagtekening van voormeld vonnis en derhalve niet tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve hij niet ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep. Immers zijn de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde termijnen van openbare orde en dient het hof dat ambtshalve na te gaan;
  3. Het hof zal, gelet op het voorgaande, [appellant] niet ontvankelijk verklaren in het ingesteld hoger beroep en hem – als de niet ontvangen partij- veroordelen in de gedingkosten aan de zijde van Kersten in hoger beroep gevallen en zoals nader te begroten in het dictum van dit vonnis;
  4. Aan bespreking van de grieven en weren van partijen in hoger beroep komt het hof derhalve niet toe;

De beslissing in hoger beroep in kort geding

Het hof:

Verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het ingesteld hoger beroep;

Veroordeelt [appellant] in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van Kersten gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.K. Kuldip Singh, Leden-Plaatsvervanger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 21 maart 2014, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. J. Kraag namens advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.R. Lim A Po, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2014-14

GR-14680

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant], h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende in het [district],
appellant, hierna aangeduid als ”[appellant]”,
gemachtigde: mr. M.A. Guman, advocaat,

tegen

De Handels-, Krediet- en Industriebank N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “Hakrinbank”.

De procesgemachtigde van Hakrinbank was mr. B.A. Halfhide, die tijdens de procedure in hoger beroep is opgevolgd door mr. H.R. Lim A Po jr, die zich voor de Hakrinbank heeft gesteld.

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis van 23 maart 2010 (A.R.No. 081070) tussen Hakrinbank als eiseres in conventie en

gedaagde in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat [Appellant] bij schrijven van zijn

procesgemachtigde op 22 juli 2010 hoger beroep heeft ingesteld;

– de pleitnota d.d. 4 mei 2012, met producties;

– de antwoord pleitnota d.d. 3 augustus 2012, met producties;

– de repliek pleitnota d.d. 5 oktober 2012;

– de dupliek pleitnota d.d. 15 februari 2013, met producties;

– de uitlating producties zijdens [appellant] d.d. 15 maart 2013.

1.2 De rechtsdag voor het uitspreken van het vonnis is nader bepaald op heden.

De ontvankelijkheid

2.1 Partijen zijn niet ter terechtzitting verschenen op de dag van de uitspraak. Het vonnis is bij griffiersbrief van 5 juli 2010 aan partijen toegezonden. [Appellant] heeft bij schrijven van zijn gemachtigde op 22 juli 2010 appèl aangetekend.

2.2 Gelet op het voorgaande heeft [appellant] tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, nu dit binnen de wettelijke termijn van dertig dagen na dagtekening van de griffiersbrief is geschied, zodat hij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

De feiten in conventie en reconventie

3.1 [Appellant] is rekeninghouder bij de Hakrinbank en wel van de rekeningen met de nummers [nummer 1] Euro ingezetene, [nummer 2] USD Giro privé ingezetene en [nummer 3] USD commerc. Ingezetene. De artikelen 17, 18, 22 en23 van de Algemene Voorwaarden van de Hakrinbank luiden als volgt:

  1. De bank is steeds bevoegd alle gelden die zij uit welken hoofde ook aan de cliënt al dan niet opeisbaar is verschuldigd, te verrekenen met alle gelden, die de cliënt haar al dan niet opeisbaar uitwelken hoofde ook verschuldigd is, ongeacht de valuta. De verrekening vindt plaats tegen de waarde per de dag van verrekening. De bank zal nadat zij van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, de cliënt op de hoogte stellen.
  1. De cliënt kan rekeninghouder zijn bij meer dan een kantoor van de Bank, alsook verschillende rekeningen onderhouden bij een of meer afdelingen van eenzelfde kantoor. Alle rekeningen worden dan afzonderlijk behandeld als waren het rekeningen van verschillende personen, behoudens de bevoegdheid van de Bank om deze rekeningen in daarvoor naar haar oordeel in aanmerking komende gevallen als vormende een rekening te beschouwen, respectievelijk de rekeningen samen te voegen….
  1. Elke creditering geschiedt onder het voorbehoud dat, indiende Bank daartegen van of voor cliënt enigerlei tegenwaarde moet ontvangen deze tijdig en behoorlijk in haar bezit komt, bij gebreke waarvan de Bank bevoegd is tot terugboeking dezer creditering over te gaan….
  1. Het is de cliënt niet toegestaan om cheques te trekken of andere betalingsopdrachten aan de Bank te verstrekken, indien hij niet voldaan heeft aan zijn verplichting ervoor zorg te dragen dat de Bank op de dag van aanbieding van de opdracht voldoende fonds(en) ter betaling van de cliënt onder zich heeft, en de Bank is onder deze omstandigheden geenszins verplicht tot uitvoerig van de betalingsopdracht. Gaat de Bank desondanks over tot uitvoering van de betalingsopdracht, waartoe zij zich de bevoegdheid voorbehoud, dan is zij gerechtigd de cliënt te debiteren voor het betaalde bedrag, de lopende rente en de kosten als bedoeld in artikel 29 van deze Algemene Voorwaarden. De cliënt is verplicht het daardoor ontstane debetsaldo op eerste aanvraag van de Bank aan te zuiveren.

3.3. [Appellant] heeft op 18 september 2007 een cheque van de Bank of Montreal ten bedrage van USD 47.715,59 (hierna aangeduid als ”de cheque”) ter creditering op zijn rekening aangeboden aan de Hakrinbank.

3.4 De Hakrinbank heeft de rekening met het nummer [nummer 3] gecrediteerd voor het op de cheque staand bedrag, waarna [appellant] gelden van de betreffende rekening heeft gelicht.

3.5 De cheque kon niet bij de Bank of Montreal worden verzilverd.

3.6 Hakrinbank heeft de rekening van [appellant] met het [nummer 1] gedebiteerd voor USD 47.715,59 en heeft tevens de tegoeden die op de andere rekeningen van [appellant] stonden, daarnaar overgemaakt. Na dit handelen van de Hakrinbank en door [appellant] gepleegde stortingen stond op de rekening van [appellant] met het [nummer 1] een debet saldo van USD 14.000,04.

3.7 Hakrinbank heeft [appellant] bij schrijven d.d. 28 december 2007 gesommeerd de debetstand op de rekening uiterlijk op maandag 31 december 2007 aan te zuiveren, bij gebreke waarvan Hakrinbank geëigende maatregelen zou treffen om haar belangen veilig te stellen. Zijdens [appellant] is in reactie hierop bij schrijven d.d. 2 januari 2008 van zijn procesgemachtigde Hakrinbank erop gewezen dat diens handelen ernstige wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad oplevert jegens [appellant]. Hakrinbank is daarbij gesommeerd per onmiddellijke ingang, na ontvangst van het schrijven, de vanuit de rekeningen met [nummer 2] (€ 22.800,–) en [nummer 3] (USD 1.080,–) gepleegde overboekingen ongedaan te maken.

3.8 Hakrinbank heeft bij exploot van deurwaarder R. Bhoelan d.d. 23 januari 2008 no. 28, ter verzekering van zijn vordering begroot op USD 18.670, ten laste van [appellant] conservatoir beslag gelegd op het in voornoemd exploot omschreven onroerend goed.

De procedure in eerste aanleg

4.1 Hakrinbank heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bijvoorraad:

  1. [Appellant] wordt veroordeeld tot betaling van USD 14.000,04, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 24% per jaar vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening;
  2. het gelegd conservatoir beslag van waarde wordt verklaard;

4.2 [Appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de opheffing van het gelegd conservatoir beslag te gelasten;
  2. Hakrinbank te gelasten om de overboekingen vanuit de rekeningen met de nummers [nummer 3] en [nummer 2] ongedaan te maken;
  3. Hakrinbank te veroordelen tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000– voor iedere dag dat de Hakrinbank nalaat of weigert aan het vonnis te voldoen;
  4. Hakrinbank te veroordelen in de proceskosten.

4.3 De Kantonrechter heeft bij het tussen partijen gewezen vonnis van 23 maart 2010

in conventie:

  1. [Appellant] veroordeeld tot betaling van USD 14.000,04, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 24% met ingang van 25 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;
  2. het gelegd conservatoir beslag van waarde verklaard;

De reconventionele vordering is afgewezen.

[Appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

De Kantonrechter heeft daartoe overwogen:

4.1 De Hakrinbank heeft zowel in haar grondslag voor het door haar gevorderde als in haar verweer op de reconventionele vordering, verwezen naar haar algemene voorwaarden, met name de artikelen 18, 22 en 23 van deze voorwaarden. Verwijzend naar de voorwaarden stelt de Hakrinbank dat zij gerechtigd is de handelingen te plegen die zij heeft gepleegd door de betreffende rekening te debiteren en overboekingen te plegen vanuit de andere rekeningen van [appellant] omdat was gebleken dat de cheque die [appellant] had aangeboden ongedekt was…

4.2 De Kantonrechter overweegt dat [appellant] zijn reactie op het beroep van de Hakrinbank op artikel 22 van de voorwaarden, niet voldoende gemotiveerd is, immers heeft hij niet onderbouwd waarom het artikel 22 niet van toepassing is. Hij verwijst naar zijn conclusie van antwoord.

4.3 De Kantonrechter overweegt dat [appellant] in zijn conclusie van antwoord het standpunt belicht dat, indien een klant een buitenlandse cheque aanbiedt aan de bank en de bank vooruitlopend op het innen van die cheque bij de buitenlandse bank, alvast het bedrag aan de klant ter beschikking stelt middels creditering van de rekening van de klant, de bank, indien later mocht blijken dat die cheque niet gedekt is, zelf voor dat risico moet instaan.

4.4 De Kantonrechter overweegt dat de Hakrinbank dat standpunt heeft weerlegd door te wijzen op de artikelen 18, 22 en 23 van de algemene voorwaarden.

4.5 Zoals hierboven reeds gesteld is [appellant] op de algemene voorwaarden niet echt ingegaan, doch heeft hij slechts gesteld dat artikel 22 en 23 niet van toepassing zijn, welke stelling hij verder niet heeft onderbouwd.

4.6 Een dergelijke niet onderbouwde betwisting op een vrij uitgebreid en gedetailleerd relaas van de tegenpartij waarin wordt uiteengezet waarom de tegenpartij het recht had om de boekingen te plegen in het onderhavig geval, houdt dan ook geen stand.

4.7 De Kantonrechter is van oordeel dat de grondslag van het conventioneel gevorderde is komen vast te staan, namelijk dat [appellant] op grond van artikel 22 van de algemene voorwaarden het gevorderd bedrag nog verschuldigd is. Het gevorderde zal derhalve worden toegewezen.

De vordering, de grieven en het verweer

5.1 [Appellant] concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot afwijzing, althans ontzegging van de vordering van Hakrinbank met veroordeling van Hakrinbank in de kosten van het geding in beide instanties.

5.2 Hakrinbank heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en de overige standpunten van partijen wordt hieronder bij de beoordeling ingegaan.

De beoordeling

6.1.1 [Appellant] heeft bij pleitnota tegen het bestreden vonnis allereerst aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de artikelen 18, 22 en 23 van de Algemene Voorwaarden van de Hakrinbank van toepassing zijn in casu, alsook dat de Kantonrechter ten onrechte onder overweging 4.2 en 4.3 heeft overwogen dat hij niet gemotiveerd verweer heeft gevoerd op het beroep van de Hakrinbank op artikel 22 jo. 23 van de Algemene Voorwaarden, omdat hij duidelijk bij conclusie van antwoord heeft aangegeven dat genoemde artikelen in casu toepassing missen, althans dat een beroep op voornoemde artikelen ongegrond is, omdat hij niet de trekker is van de cheque, noch enige betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank, zoals aangegeven in artikel 23 van de Algemene Voorwaarden.

6.1.2 Het Hof constateert dat [appellant] in de procedure in eerste aanleg in zijn conclusie van antwoord in conventie sub 4 slechts de toepasselijkheid van artikel 23 van de Algemene Voorwaarden heeft betwist door aan te voeren dat hij niet de trekker is geweest van de cheque en geen betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank. In dupliek in conventie heeft [appellant] ten aanzien van dit punt gepersisteerd.

Het Hof concludeert dat de toepasselijkheid van de overige artikelen derhalve niet gemotiveerd is bestreden door [appellant].

Het Hof constateert verder dat artikel 23 van de Algemene Voorwaarden een regeling geeft indien de cliënt cheques trekt of betalingsopdrachten verstrekt aan de Hakrinbank, zonder dat er voldoende fondsen beschikbaar zijn om de cheque uit te betalen of aan de betalingsopdracht te voldoen. Als trekker van een cheque wordt aangemerkt degene die een cheque uitschrijft en daarmee een onvoorwaardelijk schriftelijke opdracht geeft aan zijn bank om een bepaald bedrag uit te betalen aan de begunstigde.

In casu is de cheque in kwestie echter niet uitgeschreven door [appellant], zadat hij niet kan worden aangemerkt als te zijn de trekker van de cheque. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] in het onderhavig geval een betalingsopdracht heeft gegeven aan de Hakrinbank, zodat [appellant] naar het oordeel van het Hof terecht heeft gesteld dat artikel 23 van de Algemene Voorwaarden toepassing missen. Dit vermag [appellant] echter niet te baten, aangezien de Kantonrechter de veroordeling niet heeft gesteld op artikel 23, maar op artikel 22 van de Algemene Voorwaarden.

6.2.1 [Appellant] heeft verder tegen het bestreden vonnis aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat van de zijde van [appellant] enige verschuldigdheid is ontstaan door het aanbieden van de cheque De Kantonrechter is daarbij ten onrechte voorbij gegaan aan het bepaalde in artikel 256 van het Wetboek van Koophandel. [Appellant] heeft tevens opgemerkt dat naar zijn oordeel de Hakrinbank eventuele schade niet op hem kan verhalen, alsook dat hij geen genot heeft gehad van de verzilverde gelden, omdat hij deze conform een aan hem gegeven opdracht heeft overgemaakt en verzonden.

6.2.2 Hakrinbank heeft zowel in eerste aanleg en hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de rekening van [appellant] ten onrechte is gecrediteerd voor USD 47.715.59, zodat sprake is van onverschuldigde betaling. Daarbij is gesteld dat de artikelen 17 en 22 van de Algemene Voorwaarden de mogelijkheid bieden het gecrediteerd bedrag terug te boeken.

6.2.3 Het Hof zal thans nagaan of in casu sprake is van enige verschuldigdheid zijdens [appellant] jegens de Hakrinbank, alsook of de artikelen 17 en 22 van de Algemene Voorwaarden toepassing vinden.

Naar het oordeel van het Hof dient in gevallen als de onderhavige, waarbij een cheque van een buitenlandse bankinstelling aan een Surinaamse bankinstelling wordt aangeboden ter inning, tegenover de uitbetaling van het op de cheque staand bedrag aan de begunstigde te staan dat de Surinaamse bankinstelling ten behoeve van de begunstigde een gelijke som ontvangt van de buitenlandse bankinstelling.

Het Hof constateert dat [appellant] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet heeft ontkend dat de cheque niet gedekt was, zodat vast staat dat de rekening van [appellant] door de Hakrinbank is gecrediteerd voor USD 47.71 5,59, maar dat tegenover deze creditering niet een gelijke som is ontvangen van de Bank of Montreal.

Artikel 22 van de Algemene Voorwaarden treft voor een dergelijk geval een regeling. Hierin in is namelijk bepaald dat in een dergelijk geval de Hakrinbank bevoegd is tot terugboeking van de creditering over te gaan, gelijk in casu is geschied. Daarnaast biedt artikel 17 van de Algemene Voorwaarden de mogelijkheid om elke al dan niet opeisbare vordering van de bank jegens de cliënt te verrekenen met hetgeen de Hakrinbank aan de cliënt verschuldigd is, zodat de gepleegde overboekingen vanuit de rekeningen met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] naar het oordeel van het Hof rechtsgeldig zijn geschied.

Het Hof concludeert derhalve dat de reconventionele vordering van [appellant] terecht is afgewezen. Echter diende in het bestreden vonnis in de onderbouwing van het door de Kantonrechter genomen besluit artikel 17 van de Algemene Voorwaarden naast artikel 22 te worden meegenomen, aangezien dit artikel de grondslag vormt voor de door de Hakrinbank gepleegde overboeking vanuit de rekeningen met de nummers [nummer 1] en [nummer 2]

6.2.4 Het Hof concludeert tevens dat, nu de cheque niet gedekt blijkt te zijn, de creditering van de rekening van [appellant] voor het op de cheque vermeld bedrag onverschuldigd is geschied. Hierdoor is [appellant] gehouden het bedrag van USD 47.715,59 dat verschuldigd aan hem is betaald aan de Hakrinbank terug te betalen. Binnen het leerstuk van de onverschuldigde betaling is niet van belang of degene aan wie onverschuldigd is betaald het genot heeft gehad van de gepleegde betaling, zodat aan dit verweer van [appellant] geen betekenis toekomt.

Het Hof is dan ook van oordeel dat de Kantonrechter geheel terecht [appellant] heeft veroordeeld tot betaling van het nog openstaand saldo ad USD 14.000,04 en het door de Hakrinbank gelegd conservatoir beslag van waarde heeft verklaard.

6.2.5 Het Hof overweegt tenslotte dat de Kantonrechter terecht artikel 256 van het Wetboek van Koophandel buiten toepassing heeft gelaten, aangezien dit artikel betrekking heeft op de relatie tussen de trekker en de bankinstelling die de fondsen van de trekker onder zich heeft, welke situatie zich in het rechtsgeding tussen Hakrinbank en [appellant] niet voordoet.

6.3 Gelet op het onder 6.2.3 en 6.2.4 van dit vonnis overwogene zal het bestreden vonnis in hoger beroep worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

6.4 [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten in beide instanties.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

7.1 Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 23 maart 2010 (A.R.No. 081070), waarvan beroep, onder aanvulling van gronden;

7 .2 Veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van de Hakrinbank gevallen in beide instanties en tot aan deze uitspraak begroot op Nihil;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken

ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 17 oktober 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. M.A. Guman en geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. R.C.A. Bleau namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.R. Lim A Po, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2014-13

GR- 14681

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
wonende aan [adres] te [plaats],
appellante,
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
wonende aan [adres] te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.H.R. Rogers, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 19 mei 2010 (A.R.NO. 094356) tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiser,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve aangeduid als respectievelijk de vrouw en de man;

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken/handelingen:

  • De verklaring van de griffier waaruit blijkt dat appellante op 01 juni 2010 hoger beroep heeft ingesteld;
  • De schriftelijke pleitnota de dato 20 april 2012;
  • Het schriftelijke antwoordpleidooi de dato 6 juli 2012;
  • Het schriftelijke repliekpleidooi de dato 03 augustus 2012;
  • Het schriftelijke dupliekpleidooi de dato 07 december 2012;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 15 februari 2013 doch nader op heden;

De beoordeling

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

De man heeft in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang en zakelijk weergegeven, gevorderd dat tussen partijen, gehuwd op 16 december 1995, de echtscheiding zal worden uitgesproken met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

  1. De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 mei 2010 de echtscheiding uitgesproken als verzocht en een datum voor het familieverhoor bepaald.
  1. De vrouw heeft blijkens de aantekening van de griffier door tussenkomst van haar raadsman op 01 juni 2010 appèl aangetekend tegen het vonnis van 19 mei 2010. Tevens blijkt uit voormeld vonnis dat de man in persoon terwijl de vrouw noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest en dat de Griffier bij aangetekend schrijven gedateerd 15 juni 2010 voormeld vonnis aan partijen heeft doen toekomen. Gelet op het voorgaande heeft de vrouw ingevolge het bepaalde in artikel 264 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tijdig appèl aangetekend tegen voormeld vonnis, weshalve zij ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.
  1. De vrouw heeft geen grieven aangevoerd betreffende de vaststelling van de vaststaande feiten tussen partijen, weshalve het hof in hoger beroep van de juistheid daarvan zal uitgaan. Derhalve staat het navolgende –ook in hoger beroep- vast tussen partijen:

Partijen zijn op 16 december 1995 in het Ressort Geh. Sar’ca, in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn er twee kinderen geboren;

  1. Naast voormelde vaststaande feiten heeft de man – zakelijk weergegeven en voor zover voor de beslissing van belang – aan zijn vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd:
    1. dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht aangezien de man reeds jaren geen relatie meer heeft met de vrouw, nu gebleken is dat de vrouw, zonder hem op de hoogte te stellen, tij en ontij de echtelijke woning verlaat met onbekende bestemming;
    2. dat partijen in de ouderlijke woning van de man wonen, doch langs mekaar leven, reeds geruime tijd geen affectieve relatie meer hebben en dat deze situatie tot uitbarsting kan leiden met alle nare gevolgen van dien;
    3. dat er voorts grote karakterverschillen tussen partijen zijn ontstaan voor wat de huwelijksband betreft, waardoor partijen uit elkaar zijn gegroeid en het huwelijk mede hierdoor is ontwricht;
  1. De vrouw heeft verweer gevoerd in eerste aanleg en – kort samengevat en voor zover voor de beslissing van belang- aangevoerd dat zij met klem ontkent dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, omdat zij wel een relatie heeft met de man; zij woont samen met de man in dezelfde woning met haar kinderen. De man gaat wel regelmatig bij een andere buurvrouw en creëert deze situatie zelf, om op deze manier de echtscheiding te kunnen bewerkstelligen;
  1. In hoger beroep concludeert de vrouw tot vernietiging van voormeld vonnis in eerste aanleg en tot alsnog ontzegging van de oorspronkelijk vordering aan de man;
  1. Daartoe heeft de vrouw een tweetal grieven tegen voormeld vonnis aangevoerd. De eerste grief komt er op neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en de tweede grief betreft het feit dat de kantonrechter in eerste aanleg de vrouw niet in de gelegenheid heeft gesteld om haar zegje te doen, terwijl bij die gelegenheid slechts naar de man is geluisterd en vonnis is uitgesproken. Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat indien het hof van oordeel mocht zijn dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht en de echtscheiding terecht is uitgesproken verzoekt zij het hof dan om de man te veroordelen om aan haar maandelijks te betalen een bedrag van SRD. 500,- voor levensonderhoud en de alimentatie voor de minderjarige kinderen vast te stellen op SRD. 500,- per maand per kind;
  1. Het hof zal allereerst de erste grief bespreken. Naar het oordeel van het hof haalt deze grief het niet in rechte en dient te worden verworpen. Gelet op het aangevoerde feitenmateriaal, te weten het langs mekaar heen leven in de ouderlijke woning van de man gekoppeld aan het uit elkaar groeien van partijen, heeft de kantonrechter terecht aangenomen dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. Immers kan de liefde niet van èèn kant komen;
  1. De tweede grief behelst het niet in acht nemen van het beginsel van hoor en wederhoor door de kantonrechter. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gedingstukken dat de vrouw –die rechtskundige bijstand heeft genoten in eerste aanleg- in de gelegenheid is gesteld om schriftelijke conclusies van antwoord en dupliek te nemen. Derhalve heeft de vrouw voldoende gelegenheid gehad om haar zegje te doen en is er van schending van het beginsel van hoor en wederhoor geen sprake. Gelet op het voorgaande zal ook de tweede grief worden verworpen;
  1. Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd met betrekking tot de partner- en kinderalimentatie is dit naar het oordeel van het hof op een verkeerd forum geschied. Immers diende de vrouw dat bij wege van reconventie in eerste aanleg ten behoeve van zichzelf te vorderen casu quo een aparte vordering daartoe in te stellen. Voor wat betreft de kinderalimentatie dient de vrouw dat aan de orde te stellen bij het te houden familieverhoor in het kader van de voogdijvoorziening in eerste aanleg, waarna het hof als beroepsinstantie eventueel in beeld kan komen. Gelet op al het voorgaande zal het hof voorbij gaan aan al hetgeen de vrouw dienaangaande heeft aangevoerd. Het hof zal evenmin een datum voor het te houden familieverhoor vaststellen maar het aan partijen overlaten om dat –indien zij menen daar belang bij te hebben- aan de kantonrechter te vragen;
  1. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de slotsom dat het beroepen vonnis dient te worden bevestigd. De proceskosten in hoger beroep zullen worden gecompenseerd tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale;
  1. Ten overvloede overweegt het hof alsvolgt. Bij schrijven de dato 02 augustus 2013 heeft de raadsman van de vrouw aangegeven de zaak te willen intrekken aangezien de vrouw geen belang meer heeft bij de ingestelde vordering en het verzoek gedaan om de zaak te willen afvoeren van de rol. De zaak verkeerde toen reeds in staat van wijzen. Naar het oordeel van het hof is intrekking van de zaak door de vrouw processueel niet mogelijk aangezien zij niet de aanleggende partij in eerste aanleg is geweest. Hooguit zou zij naar het oordeel van het hof kunnen aangeven dat zij het door haar aangewende rechtsmiddel van hoger beroep wenst in te trekken hetgeen naar dezerzijds oordeel inmiddels een gepasseerd station is aangezien de behandeling in hoger beroep reeds is aangevangen en de zaak reeds in staat van wijzen verkeert;

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep;

Compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, die echtelieden zijn, in dier voege dat ieder hunner de eigen kosten drage en betale;

Verwijst de zaak terug naar de kantonrechter voor het houden van het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over de minderjarigen op een nader te bepalen datum;

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. A.C. Johanns en S.S.S. Wijnhard, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. A. Charan

en door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 januari 2014, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g.D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen in persoon verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2014-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

De Stichting Auteursrechten Suriname,
appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident,
hierna (ook wel) aangeduid als “Sasur”,
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. E. Naarendorp, advocaat,

tegen

De Staat Suriname m.n. het ministerie van Justitie en Politie,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerde in de hoofdzaak, verzoeker in het incident, hierna (ook wel) aangeduid als “de Staat”,
gemachtigden: mr. D.S. Kraag en mr. dr. J. van Dijk-Silos, advocaten,

inzake het incident in het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 11 juli 2013 (A.R.No.13-2218) tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde,

spreekt de fungerend-president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • de verklaring van de griffier d.d. 24 september 2013 waaruit blijkt dat Sasur op 30 juli 2013 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven ingediend door Sasur op 30 juli 2013;
  • een brief d.d. 28 november 2013 afkomstig van D.S. Kraag en J. van Dijk-Silos advocaten van Sasur inzake G.R.14867;
  • een brief d.d. 9 december 2013 afkomstig van mr. E. Naarendorp inzake Sasur ca de Staat Suriname G.R.14867 en met als onderwerp “De brief van 28 november 2013 afkomstig van de procesgemachtigden van de Staat”;

De beoordeling in het incident

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. Bij brief gericht aan de griffier van het kantongerecht in het Eerste kanton heeft de advocaat mr. E. Naarendorp namens zijn cliënte Sasur op 30 juli 2013 hoger beroep aangetekend tegen het door de kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken vonnis in kort geding van 11 juli 2013 (A.R.No.13-2218) tussen Sasur als eiseres en de Staat als gedaagde. Voornoemde advocaat heeft bij deze brief gelijk zijn memorie van grieven ex artikel 271 Rv. ingediend.
  2. Uit de inhoud van de verklaring van de griffier d.d. 24 september 2013 inhoudende dat Sasur op 30 juli 2013 hoger beroep heeft ingesteld, blijkt tevens dat mr.E.Naarendorp namens zijn cliente de zaak bij het Hof van Justitie wenst te bepleiten.
  3. Bij exploit van deurwaarder Debipersad Hieralal d.d. 6 augustus 2013 no.848 is de bovenvermelde memorie van grieven aan de Staat Suriname betekend met aanzegging van het ingestelde hoger beroep in bovenaangehaalde zaak en met vermelding dat mr.E.Naarendorp namens Sasur deze zaak bij het Hof van Justitie wenst te bepleiten.
  4. Uit het procesdossier blijkt dat de Staat heeft nagelaten een memorie van antwoord te nemen.
  5. Ten dage bepaald voor pleidooi op het Hof van Justitie (15 november 2013) is door mr. E. Naarendorp aangegeven dat hij geen memorie van antwoord heeft ontvangen. Door mr. E. Naarendorp is vervolgens recht op stukken gevraagd. Door de fungerend president is hierna vonnis bepaald op 21 maart 2014.
  6. Door de advocaten mr. D .Kraag en mr. dr. J. Van Dijk-Silos is een brief d.d. 28 november 2013 geschreven naar het Hof van Justitie, voor zover hier van belang, luidende alsvolgt:

“Daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof van Justitie is op hierboven vermelde brief van de advocaten van de Staat door mr. E. Naarendorp namens Sasur bij brief d.d. 9 december 2013, voor zover hier van belang, alsvolgt gereageerd: ”…”

2.1. Het hof, de brief genoemd in 1.6 als een conclusie van eis in het incident en de brief genoemd onder 1.7 als een conclusie van antwoord in het incident beschouwende, oordeelt ter zake alsvolgt.

Het verzoek van de raadslieden van de Staat om in deze zaak een antwoordpleidooi te nemen vat het Hof op als een verzoek om te pleiten.

Gelet op het bepaalde in artikel 281a wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) is artikel 51 Rv ook van toepassing op de rechtspleging in hoger beroep.

Het eerste lid van artikel 51 Rv luidt:

“Indien de beslissing in een zaak niet heeft plaats gehad uiterlijk drie maanden nadat de behandeling ter terechtzitting geëindigd is en na het horen van het openbaar ministerie (wanneer zulks wordt vereist), hebben partijen of heeft een van hen het recht om te vorderen dat de zaak wordt bepleit.”

In voornoemde wettelijke bepaling heeft de wetgever het recht om te pleiten neergelegd, weliswaar in een situatie dat de beslissing niet binnen drie maanden is gevallen nadat de zaak in staat van wijzen was. Het recht om te pleiten dient naar het oordeel van het Hof breder bezien te worden.

Zo valt het recht om te pleiten ook terug te voeren tot het bepaalde in artikel 8 lid 1 van het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens (AVRM) en artikel 14 lid 1 eerste en tweede volzin van het internationaal verdrag inzake de burger en politieke rechten van de mens (BUPO) respectievelijk luidende alsvolgt:

“Article 8.( AVRM) Right to a Fair Trial

  1. Every person has the right to a hearing, with due guarantees and within a reasonable time, by a competent, independent, and impartial tribunal, previously established by law, in the substantiation of any accusation of a criminal nature made against him or for the determination of his rights and obligations of a civil, labor, fiscal, or any other nature.

Article 14 (BUPO)

  1. All persons shall be equal before the courts and tribunals. In the determination of any criminal charge against him, or of his rights and obligations in a suit at law, everyone shall be entitled to a fair and public hearing by a competent, independent and impartial tribunal established by law.”

Ook uit deze in ons nationaal recht rechtstreeks werkende bepalingen valt het recht op pleidooi ook in hoger beroep af te leiden.

2.2 Derhalve geldt dat ook in hoger beroep partijen in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten. Een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde.

Bij de beoordeling van een door de wederpartij gemaakt bezwaar, of van hetgeen de eisen van een goede procesorde verlangen, kan van belang zijn of de procedure bij toewijzing van dat verzoek onredelijk wordt vertraagd. Daartoe dient de procedure in haar geheel te worden bezien. In dat verband is onder meer van belang of partijen, in eerste instantie dan wel in hoger beroep, hun standpunten al mondeling hebben uiteengezet, hetzij bij pleidooi, hetzij tijdens een comparitie. Indien de partij die verzoekt de zaak in hoger beroep te mogen bepleiten noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep haar standpunten mondeling ten overstaan van de rechter heeft uiteengezet, moet het verzoek in beginsel zonder meer worden toegewezen.

Vide ook HR 27 januari 2012, LJN BU8513 (Weef c.s./Banque Artesia) alsook HR 27 januari 2012 BU7254 (V./Verster q.q.).

Nu in casu verzoeker in het incident zijn standpunt nimmer mondeling heeft kunnen uiteenzetten zal het daartoe strekkend verzoek als na te melden worden toegewezen. Gelet op het hiervorenoverwogene zal het verweer verwoord in 1.7 van verweerder in het incident worden verworpen.

Evenwel dient het hof erop toezien dat deze zaak binnen redelijke termijn wordt afgewikkeld. Daartoe zal een datum om mondeling te pleiten worden bepaald als na te melden evenwel zonder nader uitstel.

2.3 De uitspraak van het vonnis in de hoofdzaak zal worden aangehouden tot nadat partijen mondeling hebben gepleit.

De beslissing in het incident in hoger beroep

Het hof:

Stelt verzoeker in het incident, geïntimeerde in de hoofdzaak, in de gelegenheid de hoofdzaak ter terechtzitting mondeling te bepleiten en wel op Vrijdag 14 maart 2014 om 10.30 uur des voormiddags zonder nader uitstel;

Houdt de beslissing in de hoofdzaak aan;

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. S.M.M. Chu, lid en R.G. Chatterpal, lid-plaatsvervanger en

w.g. D.D. Sewratan

door mr. A. Charan, fungerend-president uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 7 maart 2014, in tegenwoordigheid van griffier

M.E. van Genderen-Relyveld.

w.g. M.E. van Genderen-Relyveld w.g. A. Charan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. E. Naarendorp en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. C.A. Meijnaar namens zijn gemachtigde, advocaten mr. D.S. Kraag en mr. dr. J. van Dijk-Silos, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2007-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROLNUMMER: 14285

[Verzoeker], wonende aan [adres 1] te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Weidestraat no.63 te Paramaribo bij het Advokatenkantoor Kraag, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.J.Kraag, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

[Verweerster], wonende aan [adres 2] te [plaats], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.K.J.Brandon, advokaat,
verweerster,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoire beschikking van 19 januari 2007 tussen partijen gegeven;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld beschikking is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een akte tot uitlating inzake intrekking van formeel verweer zijdens verweerster en voortzetting van de behandeling hebben overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vervolgens beschikking in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof hierbij verwijst naar en volhardt in zijn tussenbeschikking d.d. 19 januari 2007.

Overwegende, dat het Hof het materiele geschilpunt tussen partijen aan een beoordeling zal onderwerpen, nu partijen unaniem, onder intrekking van het formele verweerpunt zijdens verweerster, daarmee schriftelijk hebben ingestemd en aldus in principe kenbaar hebben gemaakt te verlangen naar een definitieve beslissing omtrent die geschilpunten door het Hof;

Overwegende, dat verzoeker/ appellant kennelijk ongegrond gegriefd is door de hoogte van het bedrag, aangezien blijkens zijn stellingen en in het bijzonder zijn petitum, hij ervan uitgaat dat de Kantonrechter heeft beslist dat SRD 200 per kind per maand (dus totaal SRD 400) zal dienen te worden betaald; dat evenwel bij zorgvuldige lezing van het dictum van die beschikking blijkt dat SRD 200 per maand voor beide kinderen dient te worden betaald;

Overwegende, dat voorgaande en alle andere omstandigheden bij elkaar genomen zoals ter raadkamerzitting naar voren is gekomen, het door de Kantonrechter bepaalde bedrag van SRD 200 per maand voor beide kinderen, het Hof niet bovenmatig voorkomt, weshalve de beroepen beschikking bevestigd zal worden;

Overwegende, dat onverminderd het voorgaande, het verzoeker/appellant vrij staat de tijdens het verhoor in Raadkamer d.d. 31 oktober 2006, gedane toezegging, dat indien hij in staat is meer te betalen dan wat is bevolen, hij zulks ook zal doen, gestand te doen jegens zijn kinderen;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Bevestigt de beschikking van de Kantonrechter-Plaatsvervanger in het Eerste Kanton, gegeven op 7 juni 2005 onder ARNO.011448, waarvan beroep;

Aldus gegeven door de heren: Mr.I.H.M.H.Rasoelbaks, Fungerend-President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en

w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks

door Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 16 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen, advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens de gemachtigden van partijen, advokaten Mr.J.Kraag en Mr.K.J.Brandon.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-36

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME:

GENERALE ROLNUMMER: 14337

Gezien het verzoekschrift van appellante, de Naamloze Vennootschap Hotelmaatschappij Ambassador Inns N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Dr.Sophie Redmonstraat no.66-68, domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no.36 beneden, ten kantore van Mr.E.C.M.Hooplot, Advokaat bij het Hof van Justitie, tot gemachtigde van appellante gesteld met de macht van substitutie; strekkende gemeld verzoekschrift tot staking van de executie van respectievelijk het vonnis van 14 februari 2006 (Algemeen Register nummer 02/5011) en het vonnis van 25 januari 2007 (Algemeen Register nummer 06/3998);

Gehoord appellante, bij monde van haar raadsman, Mr.E.C.M.Hooplot voornoemd in Raadkamer van 6 juli 2007;

Gehoord partijen bijgestaan door hun respectieve advokaten, te weten Mr.E.C.M.Hooplot en Mr.J.Echteld in Raadkamer van 13 juli 2007;

Overwegende, dat appellante bij monde van haar raadsman zowel in Raadkamer van 6 juli 2007 als in Raadkamer van 13 juli 2007 heeft verklaard, dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij vonnis de dato 14 februari 2006 in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 02/5011, een deel van de vordering heeft toegewezen, doch dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard; dat appellante tegen gemeld vonnis hoger beroep heeft aangetekend; om toch meergemeld te kunnen executeren heeft de wederpartij zich tot de Kantonrechter in Kort Geding gewend met het verzoek het vonnis de dato 14 februari 2006 alsnog uitvoerbaar te doen verklaren bij voorraad, welk verzoek bij vonnis van 25 januari 2007 in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 06/3998 werd toegewezen; dat gemelde beslissing van de Kantonrechter in Kort Geding in strijd is met het bepaalde in artikel 57 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en dat zij, appellante, op grond van artikel 272 van gemeld wetboek het verzoek om staking van de executie doet;

Overwegende, dat de wederpartij bij monde van de raadsman, Mr.J.E.Echteld verklaard heeft, aldus die verklaring opvattend, zich geheel in de vonnissen van respectievelijk 14 februari 2006 als van 25 januari 2007 te kunnen terug vinden en dat de verklaringsprocedure bereids is ingezet;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij vonnis de dato 14 februari 2006 in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 02/5011, tussen de wederpartij, [geïntimeerde], toen eiser, en appellante als gedaagde, vonnis gewezen en uitgesproken heeft waarvan het dictum luidt:

5.1.Veroordeelt gedaagde om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan eiser te betalen het bedrag van US$ 190,– per maand, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% vanaf december 2000 tot aan de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie.

5.2.Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 62,– (twee en zestig Surinaamse dollar).

5.3.Wijst af het meer of anders gevorderde;

Overwegende, dat, naar blijkt, appellante, toen gedaagde, vertegenwoordigd door Mr.A.Kanhai namens zijn (lees:haar) gemachtigde is verschenen;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, Mr.I.D.Kanhai, Advokaat, namens zijn cliënte, Hotelmaatschappij Ambassador Inns N.V., bij schrijven, op 6 september 2006 gericht aan de Griffier der Kantongerechten, op 8 september 2006, appel heeft aangetekend tegen het vonnis gewezen en uitgesproken in het rechtsgeschil van [geïntimeerde], eiser, gemachtigde Mr.J.E.Echteld, advokaat contra Hotelmaatschappij Ambassador Inns N.V., gedaagde, gemachtigde, I.D.Kanhai, advokaat en bekend onder A.R.No.02/5011;

Overwegende, dat nu appellante, gerekend vanaf de dag der uitspraak 204 dagen nadien in beroep is gekomen, terwijl de wet slechts een termijn van dertig dagen, toestaat, zal het Hof, anticiperend op de in hoger beroep te geven beslissing, appellante daarin ambtshalve niet ontvankelijk verklaren;

Overwegende, dat anders dan appellante heeft gesteld, zij tegen het vonnis de dato 25 januari 2007 geen appel heeft aangetekend, zijnde zulks immers op generlei wijze gebleken;

Overwegende, zij het ten overvloede, dat, ook al zou tegen het vonnis de dato 25 januari 2007 zijn geappelleerd, dan nog zou haar verzoek om staking van de executie daarvan, haar niet vermogen te baten nu appellante gesteld noch doen blijken heeft dat met de executie daarvan door de wederpartij een aanvang is gemaakt, althans dat de executie van gemeld vonnis gaande is;

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het zijdens haar gedaan verzoek;

Aldus gegeven op 25 juli 2007 door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand w.g.H.E.Struiken w.g.A.A.Hermelijn

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld, Waarnemend.