SRU-HvJ-2007-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-625

[Verzoeker], ten deze domicilie kiezende aan [adres] ten kantore van Mr.F.F.P.Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.Sohansingh, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord de partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de verzoeker de volgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen de Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3, verweerder.
  2. dat de verzoeker ambtenaar van Politie is in de rang van Brigadier van Politie en tewerk gesteld bij de Parketwacht van het Ministerie van Justitie en Politie op wie de Personeelswet c.q. het Politiehandvest van toepassing is;
  3. dat de verzoeker vanwege het afbranden van zijn huis niet in de gelegenheid was deel te nemen aan het examen dat op 22 oktober 2003 werd gehouden, door de korpsleiding in de gelegenheid werd gesteld een inhaalexamen te maken voor de kaderopleiding tot brigadier der Politie, gehouden op 2 februari 2004 en is de verzoeker voor dit inhaal examen geslaagd, zoals moge blijken uit het schrijven d.d. 2 augustus 2005, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  4. dat de verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] te rekenen van 2 februari 2004 is bevorderd tot brigadier van politie, onder toekenning van een salaris van SRD 891,– (Achthonderd een en negentig Surinaamse dollar), met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  5. dat de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 2 augustus 2005 heeft bericht, dat zijn bevorderingsdatum niet goed is, daar de verzoeker geen herexamen heeft gedaan, maar een inhaalexamen en zijn bevorderingsdatum 22 oktober 2003 moet zijn en geen 2 februari 2004;
  6. dat de verzoeker opmerkt dat het standpunt van de Korpschef ingenomen in zijn brieven d.d. 29 juni 2005, [nummer 3] en 18 oktober 2005 [nummer 4] niet juist is eveneens het standpunt van de Minister van Justitie en Politie ingenomen in zijn schrijven d.d. 19 december 2006 [nummer 2], welk laatste schrijven kan worden aangemerkt als een besluit van de verweerder, met het verzoek de inhoud van deze brieven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  7. dat de verzoeker niet opmerkt dat hij vanwege een overmachtstoestand (afbranden van zijn woning) niet aan het examen op 22 oktober 2003 kon deelnemen en deze gelegenheid pas op 2 februari 2004 heeft gehad, zodat wat zijn bevorderingsdatum betreft hij niet achtergesteld kan worden bij zijn groepsgenoten die op 22 oktober 2003 zijn geslaagd en terzake zijn bevorderd, aangezien de verzoeker op geen enkele wijze aan deze vertraging schuld heeft;
  8. dat de verzoeker tenslotte opmerkt, dat de verweerder ten onrechte een beroep doet op artikel 56 van het Reglement Algemene Politie (S.B.1972 no.143), daar dit artikel 56 slechts van toepassing is, wanneer de verzoeker in verband met de bestaande formatie niet voor een bevordering in aanmerking is gekomen, hetgeen hier niet het geval is, hetgeen de raadsman van de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 10 oktober 2006 dan ook heeft medegedeeld, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen, maar desondanks blijft de verweerder zijn onjuist standpunt handhaven als vervat in zijn schrijven d.d. 19 december2006 [nummer 2] met bijlagen;
  9. dat de verzoeker onder de aandacht van het Hof brengt, dat zijn verzoek niet is gebaseerd op de bestaande formatie, maar dat zijn verzoek is gebaseerd op het feit , dat hij vanwege overmacht niet aan het examen van 22 oktober 2003 kon deelnemen, maar pas op 2 februari 2004 en nu hij is geslaagd, hij dezelfde behandeling dient te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, zodat artikel 56 Reglement Algemene Politie hierbij geen enkele rol speelt;
  10. dat de verzoeker gerechtigd en bevoegd is het Hof van Justitie als ambtenarenrechter (lees: ambtenarengerecht) te naderen, daar in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet is bepaald:

Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten betreffende salaris; en omdat de verzoeker geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering tot brigadier van politie n.l. 22 oktober 2003 in plaats van 22 februari 2004 de verzoeker ernstig wordt aangetast in zijn salaris en derhalve met toepassing van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bevoegd is het Hof te vragen de verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, in die zin dat de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] KA 916 wordt gewijzigd en wel dat daarin wordt gelezen 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, aangezien zijn verzoek binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend uitgaande uitgaande van 19 december 2006;

  1. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2006 [nummer 2], waarbij afwijzend is gereageerd om de datum van 2 februari 2004 te wijzigen in 22 oktober 2003;
  2. de verweerder zal worden veroordeeld die handelingen te verrichten, waardoor de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] wordt gewijzigd in die zin dat als ingangsdatum voor de bevordering tot brigadier van politie van de verzoeker wordt vermeld 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker heeft gesteld in zijn inleidend rekest, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van uitdrukkelijk bewijs van al haar stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht bewijslast op zich te nemen.

FORMEEL VERWEER

Beklag verzoeker

  1. Krachtens artikel 78 van de Personeelswet heeft verzoeker het recht om binnen een maand schriftelijk beklag te doen bij het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, behalve ingeval er binnen een maand een vordering wordt ingesteld. Verzoeker heeft een beklag dd. 02 augustus 2005 ingediend, doch is deze ten eerste te laat ingediend daar de beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei 2004. En ten tweede is dit beklag niet gedaan bij een hoger gezag, doch bij het zelfde orgaan die het besluit genomen heeft. Verzoeker dient reeds om deze redenen niet ontvankelijk verklaard te worden.

Besluit van de verweerder

  1. Verzoeker vermeldt in het 6e sustenu van zijn inleidend rekest dat het schrijven d.d.19 december 2006 van het Ministerie van Justitie en Politie als het besluit van verweerder kan worden aangemerkt. Verzoeker meent dat zijn verzoek, verwijzend naar de datum van 19 december 2006, binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend. Echter kan de brief d.d. 19 december 2006 niet als besluit in de zin van artikel 80 van de Personeelswet worden aangemerkt.

Met “besluit” wordt hier bedoeld de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d.14 mei 2004, welke beschikking reeds door verzoeker is overgelegd als produktie. In casu dient verzoeker dan niet ontvankelijk verklaard te worden daar artikel 80 van vermelde wet duidelijk aangeeft dat vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 niet ontvankelijk zijn indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. De beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei 2004. Het is niet bekend wanneer verzoeker precies kennis heeft genomen van deze beschikking, doch op 2 augustus 2005 heeft hij zijn beklag ingediend, weshalve hij dus in ieder geval toen wel kennis had genomen van de beschikking. Gezien de datum van onderhavige vordering is verzoeker dan ook wel degelijk te laat met de indiening hiervan en dient hij op grond van artikel 80 van de Personeelswet niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering.

MATERIEEL VERWEER

  1. Voor zover het Hof voorgaand formeel verweer niet juist acht wenst verweerder het volgend materieel verweer te voeren.

De Feiten

In confesso

  1. Verweerder kan hetgeen gesteld is in het 2e tot en met het 4e sustenu erkennen, weshalve dit rechtens vaststaat tussen partijen.

Overmachtsituatie niet af te wentelen

  1. Ingevolge artikel 49 lid 1 van het Reglement Algemene Politie komt de agent van politie der eerste klasse die in het bezit is van een brigadiersdiploma in aanmerking voor benoeming tot brigadier van politie.

Verzoeker heeft het examen tot het behalen van een brigadierdiploma op 02 februari 2004 met succes afgelegd. De datum van het slagen dus het behalen van de diploma is dus 02 februari 2004, hetgeen uiteraard ook op de diploma is vermeld. Vermelde datum wordt dan ook gerekend als ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie. De bewering van verzoeker dat hij geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering tot brigadier is dan ook onjuist. Verzoeker stelt dat hij als gevolg van een overmachtsituatie niet kon deelnemen aan het examen van 22 oktober 2003 maar deze pas op 02 februari 2004 heeft kunnen afleggen. Verzoeker wenst dan dezelfde behandeling te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, doch onterecht. Verweerder betreurt het ten zeerste dat verzoeker zijn woning is afgebrand en dat verzoeker als gevolg hiervan zijn examen niet op 22 oktober 2003 heeft kunnen afleggen, doch kan deze overmachtsituatie van verzoeker niet toegerekend worden aan verweerder. Echter is verweerder verzoeker juist tegemoet gekomen door hem in de gelegenheid te stellen een inhaalexamen te maken, gezien zijn situatie toen.

Doch dat het een datum van een inhaalexamen betreft, betekent niet dat de ingangsdatum van de bevordering van verzoeker met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld tot 22 oktober 2003. Immers indien de ingangsdatum van de bevordering diende in te gaan op 22 oktober 2003, betekent dit dat verzoeker nog bedoeld examen nog niet had afgelegd en de daarbij behorende diploma ook niet had gehaald en dus niet in aanmerking kwam voor de bevordering. Dat zou dus betekenen dat hij bevorderd zou zijn zonder het afgelegd diploma en daarbij behorende diploma. Dit zou niet correct zijn. De ingangsdatum blijft de datum waarop het examen is afgelegd en behaald, zijnde 2 februari 2004.

  1. Verweerder dient te handelen krachtens de wet, meer nog daar een enkele toestemming zal leiden tot ontevredenheid onder velen, dan wel tot meerdere dergelijke gevallen waarbij geëist zal worden dat eens gelijk beslist moet worden. Verzoeker heeft op 02 februari 2004 zijn examen behaald, en wordt deze datum dus als zijn examendatum beschouwd;

Rangorde na examen

  1. Krachtens artikel 53 lid 4 van het Reglement Politie wordt bij de rangorde gelet op de ingangsdatum van de benoeming. Verzoeker heeft bedoelde opleiding op 02 februari 2004 met succes afgerond en heeft hiermee dus voldaan aan artikel 49 lid 1 van vermelde wet. Naar aanleiding hiervan is te rekenen van die datum de benoeming geschied. De ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie is derhalve 02 februari 2004.

Artikel 53 lid 3 van vermelde wet geeft voorts aan dat de rangorde in een rang of klasse door de aanvangsdatum van de anciënniteit (lees: ingangsdatum van de bevordering) wordt bepaald. Met andere woorden eerder geslaagden worden boven de later geslaagden geplaatst. De rangorde met betrekking tot verzoeker heeft dan ook krachtens de wet en zijn examendatum plaats gevonden.

  1. Verwijzend naar artikel 56 van vermelde wet heeft verweerder hiermee gedoeld op lid 3, in welk artikel is aangegeven welke datum als examendatum geldt namelijk de op de diploma vermelde datum. Met de verwijzing naar artikel 56 heeft verweerder derhalve niet gemeend het eerste lid, doch de derde. Aan hetgeen verzoeker in het 8ste en 9e sustenu van zijn inleidend rekest heeft gesteld, dient dus voorbij te worden gegaan.

Nietigverklaring besluit/Wijziging beschikking

  1. Het onder A en B gevorderde kan niet worden toegewezen en wel om de volgende redenen:
  2. dat verzoeker zijn examen op een latere datum heeft moeten afleggen, kan niet toegerekend worden aan verweerder,
  3. dat verzoeker een inhaalexamen heeft afgelegd, betekent niet dat de slagingsdatum met terugwerkende kracht wordt vastgesteld,
  4. het beklag van verzoeker is niet binnen het door de wet bepaalde termijn ingesteld,
  5. de brief dd. 19 december 2006 kan niet aangemerkt worden als besluit in de zin van artikel 79 c.q. 80 Personeelswet. De beschikking dd. 14 mei 2004 is het besluit,
  6. verweerder dient krachtens de wet en de examendatum te handelen bij de rangordebepaling.

Overwegende dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering zal worden afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 3 april 2007 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.Truidemanen, advokaat Mr.R.Sohansingh, gemachtigde van de Staat Suriname en mevr.Lucretia E.P.Redan, Hoofdinspecteur van Politie in de funktie van Human Resource Manager van het Korps Politie Suriname namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zijdens verweerder gedaan beroep op het formeel verweer bij antwoord pleidooi de dato 16 juni 2007 opmerkt, dat beklag binnen de administratie één der rechtsmiddelen is van de landsdienaar c.q. ambtenaar tegen een administratieve handeling c.q. een administratief besluit; het Hof is geen enkele wettelijke bepaling bekend die de landsdienaar zou verplichten van voormeld rechtsmiddel in voorkomende gevallen gebruik te maken;

Overwegende, dat het Hof het formeel verweer van verweerder dan ook gelijk besproken heeft en het verwerpt;

Overwegende, wijders, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985);

Overwegende, dat het besluit van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 december 2006 strekkende tot plaatsing van verzoeker op de ranglijst niet valt onder die limitatieve opsomming; toewijzing van het in onderdeel A van het petitum gevorderde kan daarom al niet volgen;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het gevorderde in onderdeel B van het petitum opmerkt, dat het krachtens artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) wel de bevoegdheid zou hebben het ten aanzien van verzoeker als zodanig genomen besluit (gedateerd 14 mei 2004 [nummer 1]) als bedoeld in artikel 79 lid 2 nietig te verklaren en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit overeenkomstig zijn uitspraak zou moeten worden genomen, indien deze vordering op de wijze zoals aangegeven en tijdig was ingesteld;

Overwegende, dat nu zulks niet het geval is zal het Hof verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.Denz namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-569

[Verzoekster], wonende te [plaats] aan [adres] [woonwijk] ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo te zijner Parkette aan de H.A.E. Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.Oemar, advokaat, verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hovens interlocutoir vonnis van 21 juli 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoekster in persoon bijgestaan door haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, advokaat Mr.I.S.Asarfi-Lalji namens advokaat Mr.R.Oemar, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 januari 2007, de gemachtigden van partijen hebben gepersisteerd bij hun stellingen en om vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het proces-verbaal van het verhoor van partijen in Raadkamer van het Hof van Justitie de dato 4 november 2005, blijkt, de gemachtigde van verweerder, N.Jhagru, Opper Penitentiair-Ambtenaar alstoen onder meer heeft verklaard: ”Voorts vermeld ik erbij dat in het verweerschrift van de Staat Suriname de dato 8 juli 2004 onder meer is verzocht om haar akte te verlenen om een correctie in de considerans en in het dictum van de beschikking van 10 februari 2004 te doen plegen. Instede van 15 september 2003 tot en met 3 oktober 2003 moet gelezen worden 18 september 2003 tot en met 26 september 2003. Voor het overige persisteer ik bij het ingediend verweerschrift;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van het zijdens verweerder ter gelegenheid van voormeld verhoor verklaarde, opmerkt, dat de motivering van de beschikking niet met de werkelijkheid in overeenstemming blijkt en die beschikking derhalve een deugdelijke grondslag mist;

Overwegende, dat, verzoekster voorts verweten wordt zich op 29 september 2003 indisciplinair te hebben gedragen tegen over haar meerdere, zonder evenwel dit verwijt met feiten te hebben onderbouwd;

Overwegende toch, dat verweerder in de gewraakte beschikking duidelijk feiten c.q. handelingen had moeten aangeven door verzoekster alstoen begaan die als indiciplinair gedrag zouden kunnen worden gekwalificeerd;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof een deugdelijke motivering dat met zich bracht;

Overwegende, dat verzoekster tot slot verweten wordt dat zij zonder toestemming van de dienstleiding dienstfaciliteiten beschikbaar heeft gesteld aan derden;

Overwegende, dat verzoekster ten dien aanzien tijdens het verhoor in raadkamer de dato 4 november 2005 heeft verklaard: ”Op 29 september 2003 was ik op kantoor voor het verrichten van mijn werkzaamheden. Op die bewuste dag kwam een kennis van mij op kantoor en deed mij het verzoek te helpen met het typen van een brief. Aangezien ik het nogal druk had met mijn werkzaamheden heb ik haar aangeboden zelf de brief uit te typen op mijn computer. Het hoofd van de afdeling waar ik werkzaam ben, de heer Rozen, was er op dat moment niet”;

Overwegende, dat, naar wijders uit de verklaring van verzoekster blijkt, de kennis van haar wel op de computer gewerkt heeft;

Overwegende, dat zijdens verweerder tijdens het verhoor in Raadkamer voormelde verklaring van verzoekster niet is weersproken zodat het Hof van de juistheid daarvan uitgaat;

Overwegende, dat van het zonder toestemming van de dienstleiding dienstfaciliteiten beschikbaar hebben gesteld aan derden, dan ook geen sprake is geweest; van een motivering die met de werkelijkheid in overeenstemming zou zijn, is ook geen sprake; ook te dien aanzien mist de beschikking een deugdelijke grondslag;

Overwegende, dat het Hof na al het vorenoverwogene beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 10 februari 2004 No. 4094/03;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR en Mr.H.E.STRUIKEN, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 januari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.KISOENSINGH-JANGBAHADOERSINGH, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.L.Patterson namens advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verzoekster terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

M.H.

 

 

 

SRU-HvJ-2007-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-606

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat no.63 boven ten kantore van mr. S. Marica, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S. Marica, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.A.M. Essed, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de hierna volgende vordering in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, verweerder;
  2. Verzoeker is Agent van Politie 1e klasse, in dienst van de verweerder, die blijkens de hierbij overgelegde beschikking d.d. 4 maart 2005, justitie [nummer 1], welke beschikking door hem werd ontvangen op 28 maart 2005, ontslagen uit dienst van verweerder. Verzocht wordt de hierbij overgelegde beschikking als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  3. Vorenvermelde beschikking wordt door de verzoeker geacht te zijn een besluit van de verweerder, welk besluit door de verzoeker wordt aangemerkt als te zijn onrechtmatig jegens hem en wel om de hierna volgende redenen:
  4. Ten onrechte wordt gesteld dat het gedrag van verzoeker onachtzaam en onverantwoordelijk is geweest. Verzoeker heeft nooit tegen enig ambtsinstrukties gehandeld en heeft op die dag de juiste instrukties gegeven aan zijn mindere.
  5. De wachtpost is wel bemand geworden in opdracht van verzoeker en verzoeker is niet in slaap gevallen, althans heeft hij nooit geslapen.
  6. De bedoelde beschikking is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid, het evenredigheidsbeginsel en dat de Minister bij het geven van de beschikking geen rekening heeft gehouden met de morele, financiële en huiselijke omstandigheden van verzoeker en het tijdsverloop vanaf de gepleegde feiten.
  7. De Minister van Justitie en Politie langer dan twee jaren heeft gewacht om te komen tot dit besluit zodat er geen sprake is van een redelijk termijn, althans noodzakelijk geacht termijn.
  8. De hiervoren aangehaalde redenen geven aan dat de opgelegde straf van zeer ingrijpende aard is.
  9. Verzoeker is van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoren in sub 3 aangehaald het besluit van de verweerder geen stand kan houden en mitsdien moet worden opgeheven;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden opgeheven het ontslag van de verweerder zoals omschreven in sub 2 van het inleidend rekest.
  1. Verweerder zal worden gelast verzoeker weer toe te laten tot zijn werkkring en hem in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te verrichten alsmede hem zijn salaris door te betalen.
  2. Verweerder zal worden gelast de veroordeling te geheugen en te gedogen, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker heeft gesteld

in zijn verzoekschrift, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van bewijs van al haar stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht bewijslast op zich te nemen.

  1. 2. De feiten:

Verzoeker is sedert 16 november 1992 in dienst geweest van verweerder;

– Verzoeker is bij beschikking d.d. 17 december 2002 buiten functie gesteld (productie no.1);

– Bij beschikking d.d. 15 januari 2003 is de buitenfunctiestelling van verzoeker verlengd en is verzoeker geschorst in zijn ambt (productie no. 2);

– Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om zich te verweren (productie no.3);

– Verzoeker heeft zowel mondeling als schriftelijk verweer gevoerd (productie no. 4);

– Verzoeker is bij beschikking d.d. 4 maart 2005 ontslagen;

– Verzoeker heeft geen administratief beroep ingesteld tegen de

aan hem opgelegde tuchtstraf c.q. het ontslag.

Geen administratief beroep

  1. Verzoeker heeft zich gewend tot de Ambtenarenrechter. Krachtens

artikel 46 van het Politiehandvest had verzoeker de mogelijkheid administratief beroep in te stellen tegen de beslissing van de Minister van Justitie en Politie. Dit beroep kon verzoeker binnen 7 dagen nadat hij kennis had genomen van de aan hem opgelegde tuchtstraf instellen bij de President van de Republiek Suriname. Echter heeft verzoeker geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. Verzoeker diende eerst gebruik te maken van de mogelijkheden die de Wet hem biedt.

Alleen om die reden al dient verzoeker niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering althans dient zijn verzoek te worden afgewezen.

De vordering

  1. Voor zover het Hof verzoeker wel ontvankelijk acht – qoud non – ontkent en betwist verweerder dat het aan verzoeker bij beschikking d.d. 4 maart 2005, Justitie [nummer 1] verleend ontslag onrechtmatig is verleend.
  2. Verweerder ontkent en betwist het gestelde door verzoeker in het 3de sustenu van zijn verzoekschrift. Verzoeker heeft op 15 december 2002 tijdens zijn nachtdienst op post geslapen als gevolg waarvan inbrekers kans zagen om in te breken in de woning van de Minister van Justitie en Politie en goederen hebben meegenomen. Uit het verweer van verzoeker (productie no.4) blijkt voldoende dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het verweten plichtsverzuim. Immers verzoeker heeft dit ook erkend. Dit plichtsverzuim van verzoeker staat dan ook in rechte vast.
  3. Verweerder ontkent en betwist dat het besluit van haar in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Verzoeker stelt het voorgaande bloot zonder enige motivering of argumentering, zodat verweerder zich daarop niet gericht kan verweren.

Verweerder vermag niet in te zien waarom bedoeld besluit als zodanig in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel.

  1. Verweerder vermag eveneens niet in te zien dat bij de gewraakte beslissing geen rekening is gehouden met morele, financiele en huiselijke omstandigheden. Noch los van het feit dat verweerder als zodanig met die omstandigheden geen rekening hoeft te houden, heeft verweerder dat onverplicht toch gedaan, getuige het feit dat verweerder ten tijde van verzoeker’s schorsing geen inhoudingen heeft gepleegd op zijn inkomsten. Verweerder heeft dit ook uitdrukkelijk gemotiveerd door in het schorsingsbesluit op te nemen dat er geen inhoudingen zullen plaatsvinden “vermits” verzoeker “hoofd is van een wettig gezin”.
  2. Verweerder ontkent en betwist dat bij het nemen van de beslissing geen redelijke termijn in acht is genomen. Verzoeker is eerst buitenfunctie gesteld, daarna geschorst. Daarna heeft verzoeker zich kunnen verweren en heeft verder een intern onderzoek plaatsgevonden. Ten slotte is een definitieve beslissing genomen. Verzoeker heeft van de duur van de uiteindelijke beslissing geen nadeel ondervonden omdat verzoeker steeds zijn volledig salaris heeft ontvangen.
  3. In verhouding tot het gepleegde verzuim acht verweerder de opgelegde tuchtstraf niet onevenredig. Het bewaken van de woning van een bewindsman is een zeer verantwoordelijke taak, waarbij de gevolgen van verzuim niet zijn te overzien, zoals in casu het geval is. De ernst van het plichtsverzuim rechtvaardigt dan ook geheel de genomen beslissing. Verweerder acht de beslissing geheel in overeenstemming met de beginselen van het behoorlijk bestuur. Verweerder acht dan ook geen gronden aanwezig zijn om vermeld besluit op te heffen.
  4. Het Hof wordt verzocht de hierbij overgelegde productie no.’s 1 t/m 4 hier als ingelast en woordelijk herhaald te willen beschouwen;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering zal worden afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 30 juni 2006 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn

verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde,

advocaat mr. S. Marica, advocaten mr. S. Bikharie en mr. M. Sheombar namens advocaat mr. H.A.M. Essed, gemachtigde van de Staat Suriname en Hoofd-inspecteur van Politie, mr. R.E. Levens namens het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi

nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof het in onderdeel (1) van het petitum gevorderde op het daartoe door verzoeker gedaan verzoek bij de ter terechtzitting van 2 februari 2007 genomen Pleitnota te weten, dat dat gevorderde wordt gewijzigd in dier voege, dat gelezen wordt: Nietig te verklaren; althans te vernietigen het ontslag (lees: de beschikking de dato 4 maart 2005 [nummer 1] waarbij hem – verzoeker – de tuchtstraf van ontslag werd opgelegd, instede van: Op te heffen het ontslag van verweerder zoals omschreven in sub 2 van het verzoekschrift, zal inwilligen nu verweerder zich daartegen niet heeft verzet en verzoeker terzake akte verlenen;

Overwegende, dat verweerder zich vooreerst hierop beroepen heeft, dat verzoeker krachtens artikel 46 van het Politiehandvest de mogelijkheid had administratief beroep in te stellen tegen de beslissing van de Minister van Justitie en Politie; dat verzoeker dit beroep binnen 7 dagen nadat hij kennis had genomen van de aan hem opgelegde tuchtstraf had kunnen instellen bij de President van de Republiek Suriname; dat hij – verzoeker – geen gebruik gemaakt heeft van die mogelijkheid; dat hij – verzoeker – eerst gebruik diende te maken van de mogelijkheden die de Wet hem biedt; dat alleen daarom al – aldus verweerder – dient hij – verzoeker – niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering althans dient zijn verzoek te worden afgewezen;

Overwegende, dat, wat van voormeld verweer ook moge zijn, het vermag verweerder niet te baten nu verzoeker niet verplicht was gebruik te maken van het bepaalde in artikel 46 van het Politiehandvest;

Overwegende, dat, naar verzoeker gesteld heeft in het 2e “sustenu” van het verzoekschrift, hij – Agent van Politie 1ste klasse, in dienst van verweerder bij beschikking de dato 4 maart 2005, [nummer 1], door hem ontvangen op 28 maart 2005, uit Staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat verzoeker in Raadkamer van het Hof van Justitie, in Ambtenarenzaken van vrijdag, 17 november 2006, alstoen in persoon verschenen heeft verklaard: “De ontslagbeschikking gedateerd 4 maart 2005, [nummer 1] heb ik op 28 maart 2005 ontvangen”;

Overwegende, dat, naar uit de aantekening van de griffier van het Hof blijkt, het verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie ingekomen is op 27 mei 2005;

Overwegende, dat verzoeker naar aanleiding van het zojuist overwogene het verzoek om vernietiging van voormelde beschikking heeft ingediend op de zestigste dag na de ontvangst van de ontslagbeschikking, terwijl de wet, met name artikel 80 lid 3 sub b (Pw) 1 (één) maand, d.i. 30 dagen, toestaat;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend, verzoeker dan ook niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, hebbende verzoeker immers de appeltermijn verre overschreden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Staat het gedaan verzoek om wijziging van onderdeel 1 van het petitum toe in die zin dat daar wordt gelezen: Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 [nummer 1];

En voorts:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 juni 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Marica en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Sheombar namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.A.M. Essed, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.R.S.

 

SRU-HvJ-2007-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-607 

[Verzoeker], wonende aan [adres], in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Johan Adolf Pengelstraat 46 te Paramaribo ten kantore van de advokaat Mr.G.R.Sewcharan,  voor wie als gemachtigde optrad, Mr.G.R.Sewcharan, advokaat,
 verzoeker,

                                t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat)  no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.H.Veldkamp, advokaat,                                                               verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)   Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

dat bij beschikking d.d. 4 maart 2005 [nummer 1],  de Minister van Justitie en Politie, nader te noemen verweerder, verzoeker  heeft ontslagen uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) ingevolge artikel 40 lid onder j van het Politiehandvest. Van  de beschikking wordt hierbij een afschrift  overgelegd (Produktie 1).

dat de beschikking  op vrijdag 6 mei 2005 ter kennis van verzoeker is gebracht.

Verzoeker kan zich met de beschikking, althans het besluit, en de gronden waarop die  berust niet verenigen en wenst op basis van de navolgende gronden bij het Hof de  onderhavige vordering in te stellen.

  1. Blijkens de beschikking wordt als grond voor het besluit vermeld een onderzoek van OPZ van een strafdossier [nummer 2]. Als tweede grond wordt aangegeven een vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 21 mei  2003. Dit vonnis betreft hetzelfde strafdossier. Van dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Het Hoger beroep is nog niet behandeld. Het vonnis is  derhalve nog niet onherroepelijk. Verzoeker heeft de beschuldiging ontkend. Het  feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, brengt  met zich mee dat het alszodanig niet, althans nog niet, als grond mag worden gebruikt voor het in deze  gegeven ontslag.
  2. Voorts wordt door verweerder gesteld dat verzoeker een dienstvoertuig voor zes uren zou hebben gebruikt voor privé-doeleinden en dat hij eens zijn vuistvuurwapen zou hebben   gehanteerd, terwijl daartoe, aldus verweerder, de noodzaak  ontbrak en zou hij een keer geslapen hebben in een dienstvoertuig. Verweerder concludeert dan dat deze zaken ernstig plichtsverzuim opleveren en  ontslaat verzoeker vervolgens uit vaste dienst.
  3. Zoals gesteld, is verzoeker het met het besluit en de aangehaalde gronden niet eens. Ten aanzien van de eerste grond is hiervoor  aangegeven dat het verwijt nog niet vaststaat, en derhalve niet aangewend kan worden voor het onderhavige  ontslag. Verzoeker is van mening dat bij behandeling van de zaak in hoger beroep  aan het licht zal komen dat hij niet betrokken is. Hij constateert daarom dat  verweerder in deze ten onrechte hem op grond van dat dossier en vonnis ontslaat.
  4. Voor wat betreft de hiervoor onder 2 aangehaalde gronden, is verzoeker  de mening toegedaan dat die  door verweerder enkel vermeld zijn om de eerder besproken grond aan te dikken. Echter vormen deze gronden afzonderlijk, noch  gezamenlijk voldoende grondslag voor het gegeven ontslag en rechtvaardigen daarom het ontslag ook niet.
  5. Voorts is het verzoeker bekend dat zijn medeverdachten in de betreffende  strafzaak niet zijn ontslagen en vermoedt hij dat  hem ontslag is aangezegd om  andere dan de in de beschikking vermelde redenen. Weshalve er volgens hem hier kennelijk sprake is  van misbruik van bevoegdheid.
  6. Tevens  is verzoeker van mening dat het besluit in strijd is met de wet en/of met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In ieder geval is het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu zijn  medeverdachten niet, maar hem wel ontslag is aangezegd.
  7. Ook is volgens verzoeker het  besluit in strijd met het beginsel van belangenafweging. Verzoeker staat aan het hoofd van een gezin. Alszodanig is hij verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. De onder 2 van weergegeven gronden voor het gegeven ontslag, althans het  gestelde  plichtsverzuim, staan geenszins in verhouding tot de nadelige  gevolgen  van het ontslag voor verzoeker en zijn gezin.
  8. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis  uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. 4 maart 2005 met  [nummer 1], waarbij  verzoeker uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) is ontslagen, nietig zal worden verklaard;
  2. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door het Hof in goede  justitie te  bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnengekomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan heeft verklaard, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen bereiken;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 november 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan wederom heeft verklaard dat hij nog geen kontakt heeft gehad met zijn cliënt en dat zijn cliënt niet reageert op de oproep, doch hebben de gemachtigden van de procespartijen terzelfde terechtzitting gepersiteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 5 januari 2007, advokaat Mr.S.N.K.Woei A Sioe namens de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan een onttrekkingsbrief heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat er een schrijven de dato 8 januari 2007 [nummer 3] (u) naar de verzoeker is verzonden op 9 januari 2007, [nummer 4];

Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 januari 2007  geen enkel bericht van verzoeker is ontvangen, waarna het  Hof vonnis  heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, agent van Politie 1ste klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim;

Overwegende, dat, naar verzoeker in het verzoekschrift heeft gesteld voormelde beschikking op vrijdag, 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffier van het Hof het verzoekschrift op 6 juni 2005 op de Griffie is ingekomen;

Overwegende, dat verzoeker in onderdeel 1 van het petitum van voormeld verzoekschrift vordert de nietigverklaring van voormelde beschikking, althans het besluit, de dato 4 maart 2005 [nummer 1], waarbij hij – verzoeker – uit Staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985), vorderingen  als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien  zij zijn ingediend, meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de  belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat onder maand ingevolge artikel 1 van genoemde wet wordt verstaan: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat een besluit genomen  op grond van het bij of krachtens

de Personeelswet geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het stuk door het bevoegde gezag aan hem is overhandigd (artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet); 

Overwegende, dat nu het besluit, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, op 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht en hij de onderhavige vordering pas op 6 juni 2005 tegen verweerder  heeft ingesteld, dus op de 32ste dag sedert 6 mei 2005, terwijl de wet slechts 30 dagen sedert 6 mei 2005 toestaat, rest het Hof niets anders dan hem – verzoeker – niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige  stellingen van verzoeker  als niet langer relevant, geheel in het midden latend; 

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk  in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag,2 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh                      w.g.J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.H.H.Veldkamp, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 M.H.                                  

 

SRU-HvJ-2007-7

HET HOF VAN JUSTITIE  VAN SURINAME

A-625

 [Verzoeker], ten deze domicilie kiezende aan [adres] ten kantore van Mr.F.F.P.Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
 verzoeker,

                                   t  e  g  e  n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.Sohansingh, advokaat,
verweerder,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord de partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de verzoeker de volgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen de Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat  no. 3, verweerder.
  2. dat de verzoeker ambtenaar van Politie is in de rang van Brigadier van Politie en tewerk gesteld bij de Parketwacht van het Ministerie van Justitie en Politie op wie de Personeelswet c.q. het Politiehandvest van toepassing is;
  3. dat de verzoeker vanwege het afbranden van zijn huis niet in de  gelegenheid was deel te nemen aan het examen dat op 22 oktober 2003 werd gehouden, door de korpsleiding in de gelegenheid werd gesteld een  inhaalexamen te maken voor de kaderopleiding tot brigadier der Politie,  gehouden op 2 februari 2004 en is de verzoeker voor dit inhaal examen geslaagd, zoals moge blijken uit het schrijven d.d. 2 augustus 2005, met het  verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  4. dat de verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] te rekenen van 2 februari 2004 is bevorderd tot brigadier van politie, onder toekenning van een salaris van SRD 891,– (Achthonderd een en negentig Surinaamse dollar), met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  5. dat de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 2 augustus 2005 heeft bericht, dat zijn bevorderingsdatum niet goed is, daar de verzoeker geen herexamen heeft gedaan, maar een inhaalexamen en zijn bevorderingsdatum 22 oktober 2003 moet zijn en geen 2 februari 2004;
  6. dat de verzoeker opmerkt dat het standpunt van de Korpschef ingenomen in zijn brieven d.d. 29 juni 2005, [nummer 3] en 18 oktober 2005 [nummer 4] niet juist is eveneens het standpunt van de Minister van Justitie en Politie ingenomen in zijn schrijven d.d. 19 december 2006 [nummer 2], welk laatste schrijven kan worden aangemerkt als een besluit van de verweerder, met het verzoek de inhoud van deze brieven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  7. dat de verzoeker niet opmerkt dat hij vanwege een overmachtstoestand (afbranden van zijn woning) niet aan het examen op 22 oktober 2003 kon deelnemen en deze gelegenheid pas op 2 februari 2004 heeft gehad, zodat wat zijn bevorderingsdatum betreft hij niet achtergesteld kan worden bij zijn  groepsgenoten die op 22 oktober 2003 zijn geslaagd en terzake zijn  bevorderd, aangezien de verzoeker op geen enkele wijze aan deze vertraging schuld heeft;
  8. dat de verzoeker tenslotte opmerkt, dat de verweerder ten onrechte een beroep doet op artikel 56 van het Reglement Algemene Politie (S.B.1972 no.143), daar dit artikel 56 slechts van toepassing is, wanneer de verzoeker in verband met de bestaande formatie niet voor een bevordering in  aanmerking is gekomen, hetgeen hier niet het geval is, hetgeen de raadsman van de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 10 oktober 2006 dan ook  heeft medegedeeld, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen, maar desondanks blijft de verweerder zijn onjuist standpunt handhaven als vervat in zijn schrijven d.d. 19 december2006 [nummer 2] met bijlagen;
  9. dat de verzoeker onder de aandacht  van het Hof brengt, dat zijn verzoek  niet is gebaseerd op de bestaande formatie, maar dat zijn verzoek is  gebaseerd op het feit , dat hij vanwege overmacht niet aan het examen van 22 oktober 2003 kon deelnemen, maar pas op 2 februari 2004 en nu hij is geslaagd, hij dezelfde behandeling dient te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, zodat artikel 56 Reglement Algemene Politie hierbij geen enkele rol speelt;
  10. dat de verzoeker gerechtigd en bevoegd is het Hof van Justitie als  ambtenarenrechter (lees: ambtenarengerecht) te naderen, daar in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet is bepaald:

Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten betreffende salaris; en omdat de verzoeker geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering  tot brigadier van politie n.l. 22 oktober 2003 in plaats van 22 februari 2004 de verzoeker ernstig wordt aangetast in zijn salaris en derhalve met  toepassing van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bevoegd is het Hof te vragen  de verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, in die zin dat de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] KA 916 wordt gewijzigd en  wel dat daarin wordt gelezen 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, aangezien zijn verzoek binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend uitgaande uitgaande van 19 december 2006;

  1. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

 dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2006 [nummer 2], waarbij afwijzend is  gereageerd om de datum van 2 februari 2004  te wijzigen in 22 oktober 2003;
  2. de verweerder zal worden veroordeeld  die handelingen te verrichten, waardoor  de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] wordt gewijzigd in die zin dat als  ingangsdatum voor de bevordering tot brigadier van politie van de verzoeker wordt vermeld 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker  heeft gesteld in zijn inleidend rekest, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van  uitdrukkelijk bewijs van al haar stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht  bewijslast op zich te nemen.

FORMEEL VERWEER

Beklag verzoeker

  1. Krachtens  artikel 78 van de Personeelswet heeft verzoeker het recht om binnen een  maand schriftelijk beklag te doen bij het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, behalve ingeval er binnen een maand een vordering wordt ingesteld. Verzoeker heeft een beklag dd. 02 augustus 2005 ingediend, doch is deze ten eerste te laat ingediend daar de beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei  2004. En ten tweede is dit beklag niet gedaan bij een hoger gezag, doch bij het zelfde orgaan die het besluit genomen heeft. Verzoeker dient reeds om deze redenen niet ontvankelijk verklaard te worden.

Besluit van de verweerder

  1. Verzoeker vermeldt in het 6e sustenu van zijn inleidend rekest dat het schrijven d.d.19 december 2006 van het Ministerie van Justitie en Politie als het besluit van verweerder kan worden aangemerkt. Verzoeker meent dat zijn verzoek, verwijzend naar de datum van  19 december 2006, binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend. Echter kan de brief d.d. 19 december 2006 niet als besluit in de zin van artikel 80 van de  Personeelswet worden aangemerkt.

Met “besluit” wordt hier bedoeld de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d.14 mei 2004, welke  beschikking reeds door verzoeker is overgelegd als produktie. In casu dient  verzoeker dan niet ontvankelijk verklaard te worden daar artikel 80 van vermelde wet duidelijk aangeeft dat vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 niet ontvankelijk zijn indien  zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. De beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei 2004. Het is niet bekend wanneer verzoeker precies kennis heeft genomen van deze beschikking, doch op  2 augustus 2005 heeft hij zijn beklag ingediend, weshalve hij dus in ieder geval toen wel  kennis had genomen van de beschikking. Gezien de datum van onderhavige vordering is  verzoeker dan ook wel degelijk te laat met de indiening  hiervan en dient hij op grond van  artikel 80 van de Personeelswet niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering.

MATERIEEL VERWEER

  1. Voor zover het Hof voorgaand formeel verweer niet juist acht wenst verweerder het volgend materieel verweer te voeren.

De Feiten

In confesso

  1. Verweerder kan hetgeen gesteld is in het 2e tot en met het 4e sustenu erkennen, weshalve dit rechtens vaststaat tussen partijen.

Overmachtsituatie niet af te wentelen

  1. Ingevolge artikel 49 lid 1 van het Reglement Algemene Politie komt de agent van politie der eerste klasse die in het bezit is van een brigadiersdiploma in aanmerking voor benoeming tot brigadier van politie.

Verzoeker heeft het examen tot het behalen van een brigadierdiploma op  02 februari 2004 met succes afgelegd. De datum van het slagen dus het behalen van de diploma is dus 02 februari 2004, hetgeen uiteraard ook op de diploma is vermeld. Vermelde datum wordt dan  ook gerekend  als ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie. De bewering van verzoeker dat hij geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering tot  brigadier is dan ook onjuist. Verzoeker stelt dat hij als gevolg van een overmachtsituatie niet kon deelnemen aan het examen van 22 oktober 2003 maar deze pas op 02 februari 2004 heeft kunnen afleggen. Verzoeker wenst dan dezelfde behandeling te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, doch onterecht. Verweerder betreurt het ten zeerste  dat verzoeker zijn woning is afgebrand en dat verzoeker als gevolg hiervan zijn  examen niet op 22 oktober 2003 heeft kunnen afleggen, doch kan deze overmachtsituatie van verzoeker niet toegerekend worden aan  verweerder. Echter is verweerder verzoeker juist tegemoet gekomen door hem in de gelegenheid te stellen een inhaalexamen te maken, gezien zijn situatie toen.

Doch dat het een datum van een inhaalexamen betreft, betekent niet dat de ingangsdatum van de bevordering van verzoeker met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld tot 22 oktober 2003. Immers indien de ingangsdatum van de bevordering diende in te gaan op 22 oktober 2003,  betekent dit dat verzoeker nog bedoeld examen nog niet had afgelegd en de daarbij behorende diploma ook niet had gehaald en dus niet in aanmerking kwam voor de  bevordering. Dat zou dus betekenen dat hij bevorderd zou zijn zonder het afgelegd diploma en daarbij behorende diploma. Dit zou niet correct zijn. De ingangsdatum blijft de datum waarop het examen is afgelegd en behaald, zijnde 2 februari 2004.

  1. Verweerder dient te handelen krachtens de wet, meer nog daar een enkele  toestemming zal leiden tot ontevredenheid onder velen, dan wel tot meerdere dergelijke  gevallen waarbij geëist zal worden dat eens gelijk beslist moet worden. Verzoeker heeft op 02 februari 2004 zijn examen behaald, en wordt deze datum dus als zijn examendatum beschouwd;

Rangorde na examen

  1. Krachtens artikel 53 lid 4 van het Reglement Politie wordt bij de rangorde gelet op de ingangsdatum van de benoeming. Verzoeker heeft bedoelde opleiding op 02 februari  2004 met succes afgerond en heeft hiermee dus voldaan aan artikel 49 lid 1 van vermelde wet. Naar aanleiding hiervan is te rekenen van die datum de benoeming geschied. De ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie is derhalve 02 februari 2004.

Artikel 53 lid 3 van vermelde wet geeft voorts aan dat de rangorde in een rang of klasse door de aanvangsdatum van de anciënniteit (lees: ingangsdatum van de bevordering) wordt bepaald. Met andere woorden eerder geslaagden worden boven de later geslaagden geplaatst. De rangorde met betrekking tot verzoeker heeft dan ook krachtens de wet en zijn  examendatum plaats gevonden.

  1. Verwijzend naar artikel 56 van vermelde wet heeft verweerder hiermee gedoeld op lid 3, in welk artikel is aangegeven welke datum als examendatum geldt namelijk de op de diploma vermelde datum. Met de verwijzing naar artikel 56 heeft verweerder derhalve niet gemeend het eerste lid, doch de derde. Aan hetgeen verzoeker in het 8ste en 9e sustenu van  zijn inleidend rekest heeft gesteld, dient dus voorbij te worden gegaan.

Nietigverklaring besluit/Wijziging beschikking

  1. Het onder A en B  gevorderde kan niet worden toegewezen en wel om de volgende  redenen:
  2. dat verzoeker zijn examen op een latere datum heeft moeten afleggen, kan niet toegerekend worden aan verweerder,
  3. dat verzoeker een inhaalexamen heeft afgelegd, betekent niet dat de slagingsdatum met terugwerkende kracht wordt vastgesteld,
  4. het beklag van verzoeker is niet binnen het door de wet bepaalde termijn ingesteld,
  5. de brief dd. 19 december 2006 kan niet aangemerkt worden als besluit in de zin van  artikel 79 c.q. 80 Personeelswet. De beschikking dd. 14 mei 2004 is het besluit, 
  6. verweerder dient krachtens de wet en de examendatum te handelen bij de  rangordebepaling.

Overwegende dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk  zal worden verklaard in zijn vordering, althans dat  zijn vordering zal worden afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 3 april 2007 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.Truidemanen, advokaat Mr.R.Sohansingh, gemachtigde van de Staat Suriname en mevr.Lucretia E.P.Redan, Hoofdinspecteur van Politie in de funktie van Human Resource Manager van het Korps Politie Suriname namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte  – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zijdens verweerder gedaan beroep op het formeel verweer bij antwoord pleidooi de dato 16 juni 2007 opmerkt, dat beklag binnen de administratie één der rechtsmiddelen is van de landsdienaar c.q. ambtenaar tegen een administratieve handeling c.q. een administratief besluit; het Hof is geen enkele wettelijke bepaling bekend die de  landsdienaar zou verplichten van  voormeld rechtsmiddel in voorkomende gevallen gebruik te maken;

Overwegende, dat het Hof het formeel verweer van verweerder dan ook gelijk besproken heeft en het verwerpt;

Overwegende, wijders, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985);

Overwegende, dat het besluit van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 december 2006 strekkende tot plaatsing van verzoeker op de ranglijst niet valt onder die limitatieve opsomming; toewijzing van het in onderdeel A van het petitum gevorderde kan daarom al niet volgen;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het gevorderde in onderdeel B van het petitum opmerkt, dat het krachtens artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) wel de bevoegdheid zou hebben het ten aanzien van verzoeker als zodanig genomen besluit (gedateerd 14 mei 2004 [nummer 1]) als bedoeld in artikel 79 lid 2 nietig te verklaren en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit overeenkomstig zijn uitspraak zou moeten worden genomen, indien deze vordering op de wijze zoals aangegeven en tijdig was ingesteld;

Overwegende, dat nu zulks  niet het geval is zal het Hof verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

 RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier. 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh                w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.Denz namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                               M.H.                                                                

 

SRU-HvJ-2007-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A-629

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no. 8, ten kantore van mr. F.F.P. Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen De Staat Suriname, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Openbare Werken, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;
  2. dat de verzoeker sedert het jaar 1985 in dienst van de verweerder is getreden en dus ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;
  3. dat de verzoeker de jure de functie heeft van Onder-Directeur Bouwkundige Werken, zoals moge blijken uit de resolutie d.d. 31 januari 1986 [nummer 1], maar reeds langer dan een jaar de functie waarneemt van Directeur Civieltechnische Werken en als zodanig reeds langer dan een jaar als zodanig is opgetreden, terwijl terzake wordt verwezen naar 2 stukken d.d. 30 december 1996 en 9 juli 1997, met het verzoek de inhoud van deze stukken als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  4. dat de verzoeker vanaf 17 september 1996 deze functie van Directeur Civieltechnische werken daadwerkelijk heeft waargenomen, zoals moge blijken uit het schrijven van de toenmalige Minister van Openbare Werken d.d. 17 september 1996 [nummer 2], met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  5. dat de verzoeker de verweerder herhaalde malen heeft geschreven hem overeenkomstig artikel 22 lid 1 juncto artikel 22 lid 4 PW (lees: Personeelswet) in aanmerking te doen komen voor een waarnemingstoelage, laatstelijk nog bij schrijven van 5 juli 2006, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen en heeft de verweerder desondanks nagelaten over te gaan om een waarnemingstoelage aan de verzoeker uit te keren overeenkomstig artikel 22 lid 1, juncto artikel 22 lid 4 van de PW, hetgeen een ernstige schending is van het beginsel van de rechtszekerheid, die eigen is aan de Personeelswet;
  6. dat de verzoeker dan ook gerechtigd is met toepassing van artikel 80 lid 2 onder c van de Personeelswet zich tot Uw Hof te wenden om de verweerder terzake te veroordelen, die rechtshandelingen te verrichten met betrekking tot het toekennen van een waarnemingstoelage aan de verzoeker, e.e.a. (lees: een en ander) overeenkomstig artikel 79 lid 1 onder b van de Personeelswet;
  7. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de verweerder zal worden veroordeeld om die handelingen te verrichten, waardoor de verzoeker over de periode 17 september 1996 tot het moment waarop de [naam 1] weer tot Directeur Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken is benoemd een waarnemingstoelage wordt toegekend, zijnde het verschil tussen zijn salaris en dat van het salaris verbonden aan functie van Directeur van het Ministerie met emolumenten; kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 1 augustus 2007, ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer d.d. 17 augustus 2007 zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. F.F.P. Truideman, advocaat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, verzoeker, gebruikmakend van het rechtsmiddel van beklag binnen de administratie, bij klaagschrift, gedateerd 5 juli 2006, op grond van feiten, daarin gesteld, de President van de Republiek Suriname als hoger gezag het verzoek heeft gedaan die handelingen te verrichten dat hem, verzoeker, conform het in artikel 22 lid 1 juncto artikel 22 lid 4 van de Personeelswet, over de periode 17 september 1996, tot de datum, waarop de direkteur van Openbare Werken, direktoraat civieltechnische Werken, [naam 1], zijn werkzaamheden zou hebben hervat, een waarnemingstoelage wordt toegekend;

Overwegende, dat, artikel 78 lid 2 sub b van de Personeelswet, waar klager naar verwezen heeft in het klaagschrift, ervan uitgaat dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek;

Overwegende, dat het zojuist overwogene inhoudt dat de President van de Republiek Suriname beslist heeft en wel afwijzend, nu hij niet binnen de termijn van zes maanden na 5 juli 2006, en wel op 5 januari 2007, heeft beslist;

Overwegende, dat verzoeker van voormelde afwijzing welke als een beslissing van de President van de Republiek Suriname wordt aangemerkt, binnen een maand na 5 januari 2007, d.i. op 4 februari 2007, de burgerlijke rechter, met name het Hof van Justitie, had moeten adiëren;

Overwegende evenwel, dat het verzoekschrift blijkens aantekening van de Griffier pas op 15 februari 2007 op de Griffie van het Hof van Justitie is ingekomen, dus 11 dagen later;

Overwegende, dat het zo juist overwogene tot gevolg heeft dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. J.R. von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. H.H. Veldkamp namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2007-4

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-568

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aldaar bij het Advokatenkantoor van Dijk-Silos, gevestigd aan de Prins Hendrikstraat no.40, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien `s Hovens interlocutoir vonnis van 5 mei 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna de zaak verwezen is naar de rolzitting van 7 juli 2006 voor uitlating zijdens verzoeker;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 januari 2007, advokaat Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating onder overlegging van een produktie heeft genomen, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 20 april 2007, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 5 mei 2006 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat nu partijen telkens ten dage waarop de bij gemeld tussenvonnis gelaste inlichtingen- en verenigingscomparitie van partijen moest worden gehouden niet zijn verschenen doch steeds bij monde van hun procesgemachtigden om uitstel vroegen blijkbaar om tot een schikking te geraken welk verzoeken – ook door het Hof werden ingewilligd, doch die schikking niet tot stand gekomen is zal het Hof thans aan het gedaan verzoek gevolg gevend, recht doen als na te melden;

Overwegende, dat verzoeker onder overlegging van een overzicht van zijn – verzoekers – tegoeden bij Conclusie tot vermindering van eis de dato 4 november 2005, van welk overzicht de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, gevorderd heeft verweerder te veroordelen tot betaling aan hem – verzoeker – van het bedrag van SRD 36.509.84,– aan salaris en emolumenten;

Overwegende, dat nog daargelaten dat, verweerder bij Conclusie tot Uitlating de dato 20 april 2007 niet slechts de juistheid van de door verzoeker gevolgde procedure in de onderhavige zaak doch ook zijn gehoudenheid tot betaling van het van hem gevorderde bedrag, als onjuist en in strijd met de terzake geldende wettelijke bepalingen heeft bestreden, het Hof ten aanzien van het van verweerder gevorderde bedrag bovendien nog opmerkt, dat het ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde (cfm Hof van Just. 2 okt.1970 inz.Mol tegen Rijcksdeel Suriname);

Overwegende, dat nu verzoeker zodanig besluit of dergelijke handeling niet heeft gesteld en daarvan ook niet gebleken is, zal verzoeker in zijn daartoe strekkende vordering alsnog niet worden ontvangen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet – ontvankelijk in zijn verminderde vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 mei 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.J.V.vanDijk-Silos en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

M.H.

SRU-K1-2022-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

 

A.R. No. 21-3025

10 februari 2022

NNA

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

JOGI, MAHINDERKOEMAR,
wonende aan [adres 1] in [district], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 01 te Paramaribo ten kantore van het Juridisch Adviesbureau Kanhai N.V.,
eiser,
gemachtigde: I.D. Kanhai Bsc., advocaat,

tegen

BELFORT, EDWARD, meer bekend als TIGRI BARBA,
wonende aan [adres 2] te [plaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 15 september 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 14 oktober 2021;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Gedaagde heeft op 26 augustus 2021 een toespraak gehouden ten overstaan van een menigte.

2.2 Voormelde toespraak is uitgezonden via het televisiestation ABC.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal veroordelen:

a. om binnen 1×24 uur na het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot rectificatie van de door hem gehouden toespraak welke is uitgezonden op 26 augustus 2021 door middel van plaatsing van het navolgend artikel in de vorm van een advertentie in de navolgende dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en Dagblad Suriname tot genoegen van eiser van een door de kantonrechter en of eiser te bepalen lettertype en grootte en luidende als volgt:

‘Hierbij verklaart ondergetekende BELFORT, EDWARD meer bekend als TIGRI BARBA dat hij in een toespraak gehouden op 26 augustus 2021 op het onafhankelijkheidsplein en uitgezonden op 26 augustus 2021 via het televisiestation ABC in het actualiteiten programma Magazine Four, uitlatingen en aantijgingen heeft gedaan jegens Mahinder, Jogi.
Dat die aantijgingen jegens de hiergenoemde persoon van Mahinder, Jogi beledigend en bovenal ongegrond en onwaar zijn. Het zijn pertinente leugens.
Dat die mededeling gedaan in de toespraak eerdergenoemd de bedoeling heeft gehad de reputatie en goede naam van genoemde Jogi aan te tasten.
Dat ondergetekende zich bewust is zich beledigend te hebben uitgelaten jegens de hierboven genoemde.
Dat ondergetekende aan Mahinder, Jogi zijn verontschuldiging aanbiedt voor het door die aantijging ontstane ongerief.’;
b. om binnen 2 dagen na uitspraak de navolgende tekst voor te lezen en uit te zenden in audio en video via het televisiestation ABC in het actualiteitenprogramma Magazine Four om 16.00u en wel twee opeenvolgende dagen achter elkaar:
‘Dat ondergetekende geheel in strijd met de waarheid heeft gezegd dat Jogi 67.000 ha (zevenenzestig duizend hectaren) grond bezit. Voorts heb ik geheel in strijd met de waarheid gezegd dat Jogi bijna heel Saramacca bezit en wenst over te gaan tot verkaveling.
Dat ondergetekende zich bewust beledigend heeft uitgelaten jegens de hierboven genoemde.
Dat ondergetekende aan de heer Jogi, Mahinderkoemar zijn verontschuldiging aanbiedt voor het door die aantijging ontstane ongerief.
Ondergetekende, BELFORT, EDWARD meer bekend als TIGRI BARBA’;
c. tot het voldoen van een dwangsom van SRD 100.000,= voor iedere dag dat eiser in gebreke blijft aan het hierboven onder sub a en b gevorderde te voldoen;
d. om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eiser te voldoen de door hem geleden materiele en immateriële schade ad SRD 1.000.000,= (een miljoen Surinaamse dollar);
e. in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde, tijdens zijn gehouden toespraak op 26 augustus 2021, eiser heeft besproken waarbij hij zich zeer beledigend en denigrerend heeft uitgelaten. Volgens eiser heeft gedaagde ook leugens over hem – eiser – verkondigd tijdens de gehouden toespraak. Door het onrechtmatig handelen van gedaagde, welke belediging, laster en smaad oplevert in de zin van wet, lijdt eiser schade ad SRD 1.000.000,= welke schade gedaagde gehouden is te vergoeden, aldus eiser.

3.3 Gedaagde voert verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiser wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat gedaagde, tijdens zijn gehouden toespraak op 26 augustus 2021 eiser heeft besproken waarbij hij zich zeer beledigend en denigrerend heeft uitgelaten, een stick overgelegd.

4.3 Gedaagde heeft aangevoerd dat hij de door eiser overgelegde stick niet heeft ontvangen, doch een CD.

4.4 De kantonrechter heeft de stick (lees: usb stick) waar eiser naar verwijst, niet in het procesdossier aangetroffen, doch slechts een CD.

4.5 Gelet op het voorgaande zal eiser in de gelegenheid worden gesteld om de usb stick bij akte over te leggen.

4.6 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 Bepaalt dat eiser de usb stick, onder peremptoirstelling, dient over te leggen op de terechtzitting van donderdag 17 februari 2022.

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai, ter openbare terechtzitting op 10 februari 2022 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2022-25

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [appellant], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. dinsdag 12 april 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 17 maart 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 188; 371; 371 jo. 73; 381 jo. 72; 381 jo. 73; 480; 480 jo. 72; 480 jo. 72 jo. 73; 481; 482 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2; 9; 15; 15A; 16; 18; 24 en 24 jo. 73 van de Vuurwapenwet welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 22 maart 2022 en ingaande op 24 maart 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022, het beroepschrift d.d. donderdag 14 april 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 14 april 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 15 april 2022 om 09.30 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de advocaat, mr. G.A.T.T. Sitaram en
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd dinsdag 12 april 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 14 april 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• uit het onderzoek is niet gebleken dat appellant samen met zijn broer [medeverdachte 1] aanwezig was bij een vergadering die thuis bij hun broer [medeverdachte 2] was gehouden;
• er zijn verklaringen afgelegd en op een bepaald moment is men teruggekomen op de verklaring ten aanzien van de vergadering;
• er is een confrontatieverhoor geweest tussen de twee personen die met wapens zijn aangehouden. [medeverdachte 3] heeft gezegd dat het strafbaar feit in [district] is aangevangen toen hij werd gebeld. Op een gegeven moment heeft hij [medeverdachte 4] erbij betrokken. Het kan ook zijn dat [medeverdachte 4] werd gebeld en dat hij [medeverdachte 3] erbij heeft betrokken.
• de appellant was niet aanwezig tijdens de vergadering in [plaats 1] en was ook niet aanwezig toen een tot nu toe onbekend gebleven persoon belde om te zeggen dat de auto’s waarin de wapens waren ergens gebracht moesten worden;
• uit de telefoonuitdraai is gebleken dat de appellant geen contact heeft geïnitieerd ten aanzien van de wapens. Er werd juist naar hem gebeld en gesmst en daarbij werd er een vuistvuurwapen ten verkoop aangeboden;
• het gaat niet om zware wapens die vermissen uit het wapendepot te [plaats 2];
• de appellant heeft evenals zijn broer gezegd dat hij niets weet over zware wapens en dat hij slechts is gaan vissen. Zijn oudere broer [medeverdachte 2] wordt door de andere verdachten ‘pater intellectualis’ genoemd. Dat wil niet zeggen dat de appellant kennis draagt van de dingen die zijn broer doet;
• indien [medeverdachte 2] de ‘pater intellectualis’ was, dan zou hij zijn broers, [medeverdachte 1] en de appellant hebben gevraagd om de auto’s te besturen, want [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden de wapens een andere bestemming kunnen geven;
• de vergadering heeft het vermoeden gewekt dat er sprake zou zijn van een criminele organisatie en
• de appellant wist niets omtrent de wapens en was slechts gaan jagen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
• [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij op 15 maart 2022 in de middaguren thuis bij zijn schoonvader, [medeverdachte 2], was en dat de mannen met wie hij is aangehouden aldaar aanwezig waren. [medeverdachte 5] heeft naderhand verklaard dat zijn schoonvader aan hem had gevraagd om alle mannen naar [district] te vervoeren. Zijn schoonvader had aan hem gezegd dat hij pas bij aankomst zou horen wat er verder zou gebeuren;
• [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij thuis bij [medeverdachte 2] was, omdat er werk aan hem was aangeboden. Ook [medeverdachte 4] heeft verklaard dat alle mannen met wie hij is aangehouden op die plek aanwezig waren;
• de verdachte [medeverdachte 2] moet nog worden aangehouden. De taakverdeling is geschied zoals hij dat heeft bepaald. Het vertrouwen gaat gepaard met het afschermen van zijn eigen familie;
• uit het rapport van de technische recherche is gebleken dat [medeverdachte 5] contact had met ene [naam 1] en ene [naam 2] omtrent wapens en munitie. Verder wordt er ook gesproken over oud en nieuw en de koopsom. Deze whatsapp berichten beslaan de periode vanaf 03 oktober 2021 tot en met 15 december 2021. Dit betekent dat men al geruime tijd bezig was en
• het redelijk vermoeden van schuld wordt ruimschoots door het feitenmateriaal ondersteund.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.

Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang. Bij een verlengde inverzekeringstelling wordt tevens de dringende noodzaak van continuering van de detentiemaatregel getoetst.

Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.

Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat appellant in verband wordt gebracht met verschillende wapens en munitie, waaronder 8 semi automatische wapens, 313 patronen en 30 patroonhouders. Uit dat aantal is ook gebleken dat twee wapens behoren tot het arsenaal vuurwapens die uit het wapendepot van de ex-president te [plaats 2] zijn weggenomen. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij op 15 maart 2022 in de middaguren thuis bij zijn schoonvader, [medeverdachte 2], was en dat de mannen, waaronder appellant, met wie hij is aangehouden aldaar aanwezig waren. [medeverdachte 5] heeft naderhand verklaard dat zijn schoonvader aan hem had gevraagd om alle mannen naar [district] te vervoeren. Zijn schoonvader had aan hem gezegd dat hij pas bij aankomst zou horen wat er verder zou gebeuren. Deze verklaring van [medeverdachte 5] wordt ondersteund door de verklaringen die zijn afgelegd door [medeverdachte 4]. Voorts zijn er chatberichten veiliggesteld waaruit is gebleken dat er met derden wordt gesproken over de koop en verkoop van verschillende wapens en munitie. Daarbij is ook aangegeven of het gaat om oude of nieuwe wapens. Deze chatberichten beslaan de periode vanaf 03 oktober 2021 tot en met 15 december 2021. Vervolgens is gebleken dat appellant heeft gereageerd op berichten waarbij er een wapen ten verkoop wordt aangeboden. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van appellant uit het bovenstaande komen vast te staan.

Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. In casu moet de verdachte [medeverdachte 2] nog worden aangehouden. In de visie van het Hof moet er aan het Openbaar Ministerie de ruimte worden geboden om te onderzoeken wat de werkelijke bedoeling van het in het bezit hebben van de verschillende wapens en munitie is geweest.

Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. Mede gelet op het voorgaande en ter voorkoming van bewijsvertroebeling acht het Hof tevens de dringende noodzaak van de continuering van de detentiemaatregel ten aanzien van appellant geïndiceerd.

Gelet op de geschetste situatie en het geïndiceerd onderzoeksbelang is het Hof van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek er een dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant. Om die reden dient het door appellant gedane verzoek te worden afgewezen en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [appellant], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op dinsdag 12 april 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 15 april 2022 door: mr. D. Nanhoe, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. S. Punwasi, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-24

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [appellant], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. dinsdag 12 april 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 17 maart 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 188; 371; 371 jo. 73; 381 jo. 72; 381 jo. 73; 480; 480 jo. 72; 480 jo. 72 jo. 73; 481; 482 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2; 9; 15; 15A; 16; 18; 24 en 24 jo. 73 van de Vuurwapenwet welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 22 maart 2022 en ingaande op 24 maart 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022, het beroepschrift d.d. donderdag 14 april 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 14 april 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 15 april 2022 om 09.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de advocaat, mr. G.A.T.T. Sitaram;
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant (telefonisch).

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd dinsdag 12 april 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 14 april 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• aan appellant wordt deelneming aan een criminele organisatie, gekwalificeerde diefstal, medeplegen van gekwalificeerde diefstal, medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal, medeplegen heling, medeplichtigheid aan heling en overtreding van de Vuurwapenwet verweten;
• [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op woensdag 15 maart 2022 in de avonduren samen met zijn vriend [medeverdachte 2] in een witgelakte Noah Busje was gezeten terwijl hij door de straten van [district] reed. Op een gegeven moment kreeg [medeverdachte 2] een telefoontje en na het gesprek gaf hij te kennen dat er mogelijkheid is om wat geld te verdienen. Toen is hij samen met hem naar Hotel [hotelnaam] gereden;
• [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gingen ervan uit dat zij geld konden verdienen en gaven aan dat er zes anderen zijn terwijl die zes anderen niets weten omtrent de wapens die zijn aangetroffen;
• de appellant is met zijn broertje naar [district] afgereisd om te gaan jagen en te vissen. Het strafbaar feit is in [district] begonnen toen het telefonisch gesprek werd gevoerd tussen een tot nu toe onbekend persoon en [medeverdachte 2]. Bij wapenhandel is er sprake van een ‘hit and run’ situatie;
• er zijn geen wapens en verboden spullen bij appellant aangetroffen;
• de vervolging wil het Hof doen geloven dat appellant het gesprek met de verdachte [medeverdachte 3] heeft geïnitieerd. Uit de telefoonuitdraai is gebleken dat het gesprek door [medeverdachte 3] is geïnitieerd. [medeverdachte 3] heeft foto’s naar de appellant gestuurd en de appellant heeft daarop gereageerd. Het betreft slechts een reactie en niets meer dan dat. Dit gesprek is in 2021 gevoerd en er zijn verschillende foto’s van wapens in de berichten aangetroffen. Het is nog niet duidelijk of het om dezelfde wapens gaat die bij de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn aangetroffen;
• men wekt de indruk dat de appellant een actieve wapenhandelaar is;
• deze zaak heeft slechts te maken met een achttal wapens die in [district] zijn gevonden en
• de bewijzen die in het dossier voorkomen, kunnen niet leiden tot een redelijk vermoeden van schuld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
• de verdachten [medeverdachte 4] (de schoonzoon van [medeverdachte 5]) en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij thuis bij [medeverdachte 5], de broer van de verdachten [medeverdachte 6] en [appellant], een bijeenkomst hebben gehad. Na die bijeenkomst zijn zij naar [district] vertrokken;
• de appellant en zijn broer, [medeverdachte 6], hebben gesteld dat zij waren gaan jagen terwijl [medeverdachte 2] heeft verklaard dat aan hem was gevraagd om enkele werkzaamheden te verrichten. De verdere details zou hij van [medeverdachte 4] vernemen. Toen zij door [medeverdachte 1] alias [bijnaam medeverdachte 1] met de auto van het merk Prado waren opgehaald was [medeverdachte 5] daarbij ook aanwezig. [medeverdachte 2] was ook meegereden;
• hierna zijn zij overgestapt in een auto van het merk Landcruiser waarin er 8 semi automatische wapens, 313 patronen en 30 patroonhouders zijn aangetroffen. Uit dat aantal bleek dat twee wapens behoren tot het arsenaal vuurwapens dat uit het wapendepot te [plaats] zijn weggenomen;
• uit het mobiele onderzoek is er een duidelijke belverkeer geconstateerd en er zijn whatsapp berichten veiliggesteld waarin er wordt gesproken over wapens en munitie. Ook de tenaamstelling en aansluitnummer van appellant is vastgesteld. Het is ook gebleken dat appellant in contact is getreden met verschillende personen, waaronder ene [medeverdachte 3]. Die chatberichten zijn in het dossier toegevoegd;
• er is ook een foto van een machinegeweer met patronen waarbij men praat over de koop en verkoop. Er is gesteld dat het om nieuwe wapens gaat en er is aangegeven waar het kan worden opgehaald. Deze wapens worden in georganiseerd verband verder verhandeld;
• uit de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en op aanwijzing van [bijnaam medeverdachte 1] is gebleken op welke wijze de wapens zijn opgehaald. [medeverdachte 5] was ook erbij;
• de chatberichten dateren vanaf 29 september 2020. Dit geeft aan dat men al geruime tijd bezig is.
• de wapens zijn gelinkt aan de diefstal uit het wapendepot van de ex-president. De chatberichten beslaan die periode en men is al geruime tijd bezig met het verhandelen van de wapens.
• in casu is er onderzoeksbelang, de aanhouding van één van de broeders [medeverdachte 5] zal binnenkort geschieden. De veiliggestelde berichten en de conversaties met anderen moeten nog verder worden uitgewerkt. Naar aanleiding van deze resultaten zullen er nadere verhoren plaatsvinden. Er dreigt gevaar voor bewijsvertroebeling en
• in dit soort zaken wordt er slechts een redelijk vermoeden van schuld vereist. In casu is er een onderzoeksbelang en dringende noodzakelijkheid dat appellant in detentie blijft.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.

Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang. Bij een verlengde inverzekeringstelling wordt tevens de dringende noodzaak van continuering van de detentiemaatregel getoetst.

Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.

Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat appellant in verband wordt gebracht met verschillende wapens en munitie, waaronder 8 semi automatische wapens, 313 patronen en 30 patroonhouders. Uit dat aantal is ook gebleken dat twee wapens behoren tot het arsenaal vuurwapens die uit het wapendepot van de ex-president te [plaats] zijn weggenomen. Voorts zijn er chatberichten veiliggesteld waaruit is gebleken dat appellant met derden heeft gecommuniceerd over koop en verkoop van wapens en munitie. Deze chatberichten dateren vanaf 29 september 2020. Ook is er een foto van een machinegeweer met patronen in de chatberichten aangetroffen waarbij men praat over de koop en verkoop. Er is gesteld dat het om nieuwe wapens gaat en er is aangegeven waar het kan worden opgehaald. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van appellant uit het bovenstaande komen vast te staan.

Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. In casu moet de verdachte [medeverdachte 5] nog worden aangehouden en de veiliggestelde chatberichten en de conversaties met anderen moeten nog verder worden uitgewerkt. Naar aanleiding van deze resultaten zullen er nadere verhoren plaatsvinden. In de visie van het Hof moet er aan het Openbaar Ministerie de ruimte worden geboden om te onderzoeken wat de werkelijke bedoeling van het in het bezit hebben van de verschillende wapens en munitie is geweest.

Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. Mede gelet op het voorgaande en ter voorkoming van bewijsvertroebeling acht het Hof tevens de dringende noodzaak van de continuering van de detentiemaatregel ten aanzien van appellant geïndiceerd.

Gelet op de geschetste situatie en het geïndiceerd onderzoeksbelang is het Hof van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek er een dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant. Om die reden dient het door appellant gedane verzoek te worden afgewezen en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [appellant], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op dinsdag 12 april 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 15 april 2022 door: mr. D. Nanhoe, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. S. Punwasi, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)