SRU-HvJ-2022-19

Vonnisnummer : 10/2022
Uitspraak : 09 februari 2022
Parketnummer : 1-2-02817
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 10 februari 2021 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep autohandelaar en wonende aan de [adres] in het [district], thans in detentie verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door de raadsman, mr. K. Bhoendie, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van voornoemde verdachte op 11 februari 2021 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op woensdag 10 februari 2021 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de Mgr. Wulfinghstraat no. 05, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. op of omstreeks 18 november 2020, althans in het jaar 2020, in het [district], in ieder geval in Suriname;

A. tezamen en in vereniging met een zekere [naam 1] en/of een zekere [naam 3], althans één of meer tot nog toe (on)bekend gebleven perso(o)n(en), in ieder geval alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft (hebben) weggenomen 1 (één) flatscreen televisie en/of 1 (één) laptop, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn voornoemde mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
(Art. 371 WvSr)

althans, indien en voorzover het onder IA gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

B. [naam 1] en/of een zekere [naam 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft (heeft) weggenomen 1 (één) Flatscreen televisie en/of 1 (één) laptop, in elk geval een of meer goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [naam 1]en/of die zekere [naam 2] en/of verdachte die [naam 1] en/of die zekere [naam 2] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/ het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 november 2020, althans in het jaar 2020, te [district], in ieder geval in Suriname opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door”
– op de uitkijk te staan en/of;
– die [naam 1] en of ene [naam 2] te vervoeren van en naar het plaats delict en/of;
(Art. 371 jo. 73 WvSr)

II. op of omstreeks 19 november 2020, althans in het jaar 2020, te [district], in ieder geval in Suriname,

[naam 4], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam 4], dreigend de woorden toegevoegd (in het Surinaams): “Mo bonk wan handgranaat tapi” (“Ik ga een handgranaat op je gooien”), althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
(Art. 345 WvSr)
III. op of omstreeks 27 november 2020, althans in het jaar 2020, te Wanica, in ieder geval in Suriname,

opzettelijk heeft verkocht en/of geleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine, in elk geval een andere hoeveelheid cocaine, zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 punt a onder B en/of C van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 10 februari 2021 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (feiten I, II en III) tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren onvoorwaardelijk onder aftrek van de tijd in voorarrest gezeten. Voorts vordert de vervolging een geldboete van SRD 2.000,- met de bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 02 (maanden). Tot slot vordert de vervolging de onttrekking van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine aan het verkeer.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 10 februari 2021 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding voor de kantonrechter in het Derde Kanton onder IA ten laste gelegde (medeplegen van diefstal middels braak), het onder II ten laste gelegde (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) en het onder III ten laste gelegde (Overtreding Wet Verdovende Middelen) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie (3) jaren en een geldboete van SRD 2000, – (Tweeduizend Surinaamse dollars), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 2 (twee) maanden. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 27 november 2020 af, in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. De kantonrechter in het Derde Kanton heeft ook de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaïne bevolen en het bevel tot gevangenhouding van de verdachte gelast.

Het beroepen vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder IA en III van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

I. op 18 november 2020 in het [district];

A. tezamen en in vereniging met een zekere [naam 1] en een zekere [naam 3], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen 1 (één) flatscreen televisie en 1 (één) laptop, geheel toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en zijn voornoemde mededaders zich de toegang tot de plaats der misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
(Art. 371 WvSr)

III. op 27 november 2020 te [district],

opzettelijk heeft vervoerd 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaїne zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 punt a onder B van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder IA en III ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Evenmin acht het Hof bewezen hetgeen de verdachte onder II is ten laste gelegd weshalve de verdachte zal worden vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit IA:
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 februari 2021, doorgenummerde pagina 06, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben 23 jaar oud en van beroep autohandelaar. Ik word ook [bijnaam 2 verdachte] genoemd en gebruik de naam [accountnaam 1] voor mijn ‘social accounts’. Het gaat in deze om een flatscreen en een laptop. De 17-jarige [naam 1] en ik zijn naar een woning van [naam 1] oom aan de [adres 2] gegaan. Wij hebben een schuifraam opengeschoven en het dievenijzer geforceerd. Wij zijn met mijn voertuig naar daar gegaan. En ik heb een gele ijzersnijder (cutter) en een zwarte koevoet uit mijn woning gehaald waarmee wij het dievenijzer geforceerd hebben. Die flatscreen televisie heb ik verkocht voor SRD 1.200,-. De opbrengst hebben [naam 1] en ik verdeeld. Ik heb SRD 400,- uit de buit gekregen. Ik had dat geld nodig om een andere auto van mij te laten spuiten.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aangifte van diefstal middels braak door de aangeefster, [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt op 18 november 2020 door [verbalisant 1] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina 78 e.v. voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Heden woensdag 18 november 2020 omstreeks 08.30 uur ging zij als laatste uit huis na die goed te hebben afgesloten. Omstreeks 04.30 uur kwam zij tot de ontdekking dat onbekenden haar woning hebben ingebroken en een 32 inch flatscreen televisie van het merk TCL en een zwart verkaste laptop hebben weggenomen.

Plaatselijk onderzoek
Bekeken vanuit de straatzijde hebben de daders een dievenijzer aan de rechterachterzijde van de woning geforceerd. Na de dievenijzer geforceerd te hebben, kwamen de daders in een slaapkamer terecht. Volgens verklaring van de aangeefster was de weggenomen televisie op een tafel in bedoeld kamer geplaatst, terwijl de weggenomen laptop aan de bovenzijde van de scheepsbed dat in de kamer was geplaatst. Volgens de verklaring van de aangeefster was de slaapkamer deur door haar op slot gemaakt waardoor de daders geen toegang in de rest van de woning heeft kunnen verschaffen. Aan de deurkozijn zijn er forceringen waargenomen, waaruit bleek dat de daders getracht hebben bedoeld deur open te krijgen, echter is het hun niet gelukt die open te krijgen.

Buurtonderzoek:
De buurtbewoner van pandnummer 17, [naam 4], heeft verklaard dat hij op woensdag 18 november 2020, omstreeks 11.00 uur een zwart gelakt voertuig van het merk Toyota Auris 2 keren in de straat heeft zien rijden. Omstreeks 13.00 uur zag hij bedoeld voertuig wederom in zijn inrit keren. Het gelukte de bestuurder niet om te keren en ging hij terug om verder te gaan. Toen bedoeld voertuig in zijn inrit was zag hij het kentekennummer. Het gaat om [kentekennummer 1] of [kentekennummer 2]. Toen reed die voertuig verder en stopte voor de woning van aangeefster. Toen zag hij dat iemand rennend uit het erf van aangeefster aan de achterzijde van het voertuig gaan plaats nemen. Hij heeft wel niet kunnen zien wie bedoeld persoon was en hoe hij eruit zag.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het bezichtigen van beeldmateriaal, in beslag nemen en veiligstellen daarvan door de afdeling Digitale Recherche, in de wettelijke vorm opgemaakt op 20 november 2020 door [verbalisant 2], (majoor van politie), doorgenummerde pagina 80, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De aangeefster [benadeelde], toonde beeldmateriaal en chatberichten op haar mobiele telefoon. Dit beeldmateriaal is van een Facebook Messenger Account onder de naam [accountnaam 2]. Hierop is te zien dat een manspersoon van creoolse komaf met een bril op gezeten in een auto een lied zingen. Volgens verklaring van de aangeefster is deze manspersoon [naam 1] geheten. Ook is op het beeldmateriaal een manspersoon van Hindostaanse komaf te zien, die naast [naam 1] zit en meezingt. Op de achter zitting is een televisietoestel te zien dat afgedekt wordt met een kledingstuk. Het beeldmateriaal is veiliggesteld. De chatberichten betreffen screenshots van Facebook messenger van een account onder de naam [accountnaam 1].”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van opsporing, aanhouding, overbrenging verdachten en inbeslagneming goederen, in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 novemember 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 81 tot en met 85, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De verdachte [naam 1] meergenoemd [bijnaam naam 1] gaf toe de inbraak te hebben beraamd en gepleegd samen met een vriend van hem, de verdachte [naam 1]. Op aanwijzing van verdachte [naam 1] werd de verdachte [verdachte] opgespoord in het [wijk 1]. Gekomen aan de [straatnaam 1] ter hoogte van de [straatnaam 2] werd de zwartgelakte Toyota Auris voorzien van het kentekennummer [kentekennummer 3] gesignaleerd waarbij de bestuurder meteen werd staande gehouden. De bestuurder gaf daarnaar gevraagd op te zijn: [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], autoverkoper van beroep en wonende aan de [adres 1] in het [district]. Telefonisch te bereiken op het mobielnummer [mobielnummer]. Op een daartoe strekkende vraag gaf hij aan geen inbraak te hebben gepleegd.”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding en inverzekeringstelling van de verdachten [naam 2]; [naam 1]; [naam 5] en [naam 6], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 4] (agent van politie 1ste klasse), doorgenummerde pagina 87-88, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“De verdachte [naam 1] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte]en [naam 2] is gereden naar de [straatnaam 3], alwaar [verdachte]heeft ingebroken in de woning van mijn oom. Hij heeft daarbij een televisie en een laptop meegenomen. De televisie is verkocht voor SRD 1.500,-.”

6. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 1]meergenoemd [bijnaam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 5] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 95 tot en met 100, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De inbraak is gepleegd door [verdachte] meergenoemd [bijnaam 3 verdachte]. [verdachte] heeft de inbraak gepleegd terwijl een zekere [naam 2] en ik op de uitkijk waren. De diefstal heeft plaatsgevonden op 18 november 2020 op een tijdstip gelegen tussen 14.00 uur en 15.00 uur. Ik heb de inbraak uitgelokt. Het is namelijk zo dat ik wist dat [benadeelde] elke dag tot 12.00 uur werkt en omstreeks 15.00 uur thuis aankomt. Ik besloot de inbraak door [verdachte]te laten plegen en wel voor 15.00 uur. Ik heb de plan bedacht en heb ik [verdachte] benaderd om de inbraak te plegen. Ik ken [verdachte] al bijkans 03 jaren.
Op 18 november 2020, omstreeks 12.00 uur was ik bij de Suribet shop gelegen bij de samenkomst van de wegen [straatnaam 4] en de [straatnaam 5]. Ik was bezig met gokspelen. Terwijl ik daar was, kwam [verdachte]in de Suribet Shop. Ik benaderde [verdachte] met het voorstel van de inbraak. [verdachte]was bereid de inbraak te plegen.
[verdachte]was met zijn zwartgelakt voertuig van het merk Toyota, Auris bij de Suribet Shop gekomen. Nadat [verdachte] en ik overeen waren gekomen om de inbraak tot een feit te maken, nam ik plaats in het voertuig van [naam 1]. Toen ik al in het voertuig zat, zag ik [naam 2] in het voertuig. Ik ben vervolgens samen met [verdachte]en [naam 2] gereden naar de woning van [benadeelde], gelegen aan de [straatnaam 6] in het [district], zijnde een zijstraat van de [straatnaam 3] om de woning van [benadeelde] te observeren. Het voertuig werd door [verdachte] bestuurd.
Thuis bij [benadeelde] aangekomen, parkeerde [verdachte] het voertuig op de inrit. Ik stapte uit en klopte op de ramen van de woning, om zeker te zijn of [benadeelde] thuis was. Toen ik geen reactie zag, wist ik dat [benadeelde] niet thuis was en dat [verdachte]ongestoord de inbraak kon plegen. Echter, niemand had breekwerktuig bij zich. [verdachte]gaf te kennen, dat hij breekwerktuig thuis had liggen. Wij verlieten de woning van [benadeelde] en gingen wij samen naar de woning van [naam 1], gelegen aan de [straatnaam 5]. [verdachte] haalde een gele ijzersnijder de zogenaamde ‘cutter’ en een zwarte koevoet uit zijn woning. Wij waren toen klaar om de inbraak te gaan plegen. We reden in dezelfde formatie terug naar de woning van [benadeelde]. Onderweg, ergens aan de [straatnaam 3], nam [naam 2] de besturing over het voertuig van [verdachte] over, omdat volgens afspraak [verdachte] de inbraak moest plegen. [verdachte] nam plaats op de rechter achterzitting en vervolgden wij onze weg naar de woning van [benadeelde].
Thuis bij [benadeelde] aangekomen, stapte [verdachte] met de breekwerktuigen uit het voertuig om de inbraak te plegen, terwijl [naam 2] en ik wegreden, naar een supermarkt gelegen aan de [straatnaam 3]. Bij de supermarkt hebben [naam 2] en ik op [verdachte] gewacht. Na ongeveer een uur belde [verdachte] mij met de mededeling dat hij de inbraak reeds had gepleegd en dat [naam 2] en ik hem konden ophalen. [naam 2] en ik reden vervolgens naar de woning van [benadeelde] om [verdachte] op te halen. Bij de woning van [benadeelde] aangekomen, laadde [verdachte]een zwarte flatscreen smart televisie van het merk TCL; een zwarte laptop vermoedelijk van het merk Dell en een zwarte gymtas in het voertuig. Nadat de goederen waren ingeladen, nam [verdachte] plaats in het voertuig en reden wij weg van de woning van [benadeelde].

[naam 3], [verdachte] en ik zijn meteen gereden naar de [wijk 2] om de televisie te verkopen. [verdachte]had ene [naam 7] opgebeld om de televisie op te kopen. Op [wijk 2] aangekomen, kwam [naam 7] naar buiten. Hij wenkte [naam 3], waarna [naam 2] met de televisie was uitgestapt en naar de woning van [naam 7] liep. Na enkele ogenblikken kwam [naam 2]terug met SRD 1.500,-. Ik ontving SRD 400,- van [naam 1], waarna ik meteen uit het voertuig was gestapt. De laptop had [naam 2] voor zichzelf gehouden. Ik weet niet wat [naam 2] en [verdachte] met de rest van het geldbedrag hebben gedaan.

Het is namelijk zo dat na de inbraak ik een video had gemaakt in het voertuig van [naam 1]. Ik had die video op de story van mijn social media facebook geplaatst. Ik had echter over het hoofd gezien, dat de televisie welke [verdachte] had gestolen op de achtergrond van de video voorkwam. De video werd bekeken door [naam 4]. [naam 3] stuurde de video naar heel wat familieleden van mij met de mededeling dat ik de inbraak had gepleegd. [verdachte] heeft met de auto van het merk Toyota, Auris, gekentekend [kenteken 3] de inbraak tot een feit gemaakt.”

7. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [verdachte]meergenoemd [bijnaam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 6] (onderinspecteur van politie), doorgenummerde pagina’s 108 tot en met 112, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Ik geef toe betrokken te zijn geweest bij de inbraak aan de [straatnaam 6], zijnde een zijweg van de [straatnaam 3]. Ik was met [naam 1] ernaar toe gegaan. Ik bleef buiten op hem wachten, terwijl [naam 1] naar binnen ging. Er was geen plan om de inbraak te plegen. Het lag in de bedoeling dat ik [naam 1] naar de woning van zijn oom zou brengen om zijn kleren op te halen. Hij heeft een televisie van het merk TCL gestolen alsook een laptop. Ik heb de grootte van de televisie niet gecheckt. De laptop was zwart van kleur. Ik heb niet gelet op het merk van de laptop. De gestolen goederen zijn door mij vervoerd met dezelfde auto waarmee ik reed bij mijn aanhouding.”

8. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 december 2020 door [verbalisant 5] (agent van politie 1ste klasse), doorgenummerde pagina’s 113 tot en met 116, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Thans kom ik terug op mijn verklaring en verklaar dat [naam 1] de waarheid heeft gesproken. Na de inbraak heb ik de breekwerktuigen gegooid ergens aan de [straatnaam 7]. Ik ga de plek niet meer kunnen aanwijzen aangezien ik rijdend de breekwerktuigen uit het voertuig had gegooid. [naam 1] spreekt de waarheid. Ik heb ene [naam 7] gebeld om de televisie op te kopen. Op [wijk 2] aangekomen, kwam [naam 7] naar buiten. [naam 2] stapte met de gestolen televisie uit het voertuig en verkocht die aan [naam 7] voor een geldbedrag groot SRD 1.500, -. [naam 1]ontving SRD 400 en is meteen uit het voertuig uitgestapt. [naam 1] spreekt de waarheid. Ik heb [naam 2] SRD 400 betaald. Ik heb SRD 400 voor mezelf gehouden en met SRD 300 heb ik mijn voertuig laten bijtanken. [naam 2] had die laptop ook voor zichzelf gehouden, omdat die laptop defect was.”

9. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van de verdachte [naam 1] meergenoemd [bijnaam 2], in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 117 tot en met 120, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“[verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de woning geforceerd. Hij heeft de woning ook betreden. De goederen heeft hij uit de woning weggenomen. Nadat hij de daad had gepleegd, heeft hij ons opgebeld om hem te komen halen, wat wij ook deden. De auto van [verdachte] was betrokken bij de inbraak. [verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de woning geforceerd met een grote pijpentang. De pijpentang behoorde toe aan [naam 1]. Het gaat om een gele pijpentang. [naam 2] en [verdachte] hebben elk SRD 400 gehad. SRD 300 hebben wij gebruikt om de auto van [verdachte] bij te tanken. [verdachte] heeft het dievenijzer en het raam van de slaapkamer geforceerd.”

10. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de aangeefster/benadeelde, [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt op 30 november 2020 door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 129 tot en met 131 voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangeefster, inhoudende:

“Ik woon op dat adres samen met mijn man genaamd [naam 8] en mijn kind, dat thans ander half jaar oud is. Wij zijn omstreeks 07.30 uur vertrokken. Voor mijn vertrek, had ik de woning goed afgesloten. Omstreeks 04.30 uur ben ik teruggekeerd. Op dat moment viel het mij meteen op dat de slaapkamer overhoop was gehaald. Ik begreep gelijk dat onbekenden in mijn slaapkamer waren geweest tijdens mijn afwezigheid. Ik stelde gelijk een onderzoek in, in de slaapkamer en ontdekte ik dat de flatscreen televisie; de laptop en de grijze tas, die ik in mijn slaapkamer had, waren weggenomen. De daders hebben het glazenraam en het dievenijzer van mijn slaapkamer geforceerd. Het dievenijzer is namelijk vanuit de binnenzijde geplaatst. Via dat raam hebben de daders mijn slaapkamer betreden. De deur van mijn slaapkamer was op slot. Ik zag wel sporen aan mijn slaapkamerdeur, alsof de deur getracht is om te forceren. Het merk van de flatscreen was TCL. Het betreft een zwart flatscreen van 32 inch. Het merk van de laptop was Compac.
Ik had na de inbraak, gesproken met mijn buren. Mijn buren vertelden mij, dat een zwart gelakte Toyota Auris betrokken was bij de inbraak. De buren hadden ook het kentekennummer van bedoelde auto aan mij doorgegeven. Het betrof [kentekennummer 1] of [kentekenummer 2]. Ik had mijn stiefmoeder ook verteld over de inbraak. Mijn stiefmoeder had op haar beurt over de inbraak verteld aan mijn jongere nicht [naam 4]. Later op de dag had ik de informatie van mijn stiefmoeder dat mijn jongere neef [naam 1] betrokken was bij de inbraak. Zij vertelde aan mij dat zij een video op de facebook status van [naam 1] had gezien, waarbij de weggenomen televisie van mij op de achtergrond in beeld kwam. Ik bekeek de facebook status van [naam 1] en zag inderdaad hetgeen mijn stiefmoeder mij had voorgehouden.”

11. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de benadeelde, [naam 4], in de wettelijke vorm opgemaakt op 30 november 2020 door [verbalisant 8] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 132 tot en met 134 voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Op de videobeelden zag ik een vriend van [naam 1] genaamd [verdachte] ook. [naam 1] had deze beelden waarschijnlijk met zijn mobiele telefoon toestel geschoten. Op dit videobeeld zag ik een flatscreen televisie toestel op de achterste zitting. Ik kreeg gelijk het vermoeden dat die televisie op het eerder genoemde adres is weggenomen. Ik had [verdachte] ten aanzien hiervan gevraagd, echter ontkende hij iets daarvan af te weten.”

12. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 03 november 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben wel schuldig. Ik erken de inbraak te hebben gepleegd. Ik heb sinds het begin gezegd dat ik wel betrokken ben geweest bij die inbraak.”

13. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d. 09 februari 2022, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik heb de inbraak samen met [naam 1] gepleegd. Ik heb het dievenijzer geforceerd en ben via het openstaande raam naar binnen gegaan. Ik ben met mijn voertuig ernaar toe gereden.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit III:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van opsporing, aanhouding, overbrenging verdachten en inbeslagneming goederen, in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 81 tot en met 85, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Op aanwijzing van verdachte [naam 1] werd de verdachte [verdachte] opgespoord in het [wijk 1]. Gekomen aan de [straatnaam 1] ter hoogte van de [straatnaam 2] werd de zwartgelakte Toyota Auris voorzien van het kentekennummer [kenteken 3] gesignaleerd waarbij de bestuurder meteen werd staande gehouden. De bestuurder gaf daarnaar gevraagd op te zijn: [verdachte] meergenoemd [bijnaam 1 verdachte], geboren op [datum] te [plaats], autoverkoper van beroep en wonende aan de [adres 1] in het [district]. Telefonisch te bereiken op het mobielnummer [mobielnummer]. Bij een ingesteld onderzoek in tegenwoordigheid van de verdachte [verdachte]in zijn voertuig, werd in de laadruimte (kofferbak) een witte plasticzak aangetroffen. Daarin zaten er drie zwarte zakken, waarvan een inhoudende bruine substantie en twee inhoudende witte substantie. Op een daartoe strekkende vraag, verklaarde de verdachte [verdachte]niks daarvan af te weten. In tegenwoordigheid van de verdachte [verdachte]werd de aangetroffen en inbeslaggenomen drugs gewogen. Daarbij is komen vast te staan dat de bruine substantie een totaal gewicht had van 610 gram, terwijl de witte substanties respectievelijk een gewicht hadden van 550 gram en 1015 gram.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende het verhoor van de verdachte [naam 6], in de wettelijke vorm opgemaakt op door [verbalisant 7] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina’s 104 tot en met 107, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“De auto behoort toe aan [bijnaam 1 verdachte]. Ik ken [bijnaam 1 verdachte] bijkans twee jaren. Hij en ik drinken vaak alcohol samen. [bijnaam 1 verdachte] haalde mij, zoals afgesproken, thuis op. Hij reed op mijn aanwijzing naar de [straatnaam 8], alwaar ik een geldbedrag van SRD 50, – ophaalde bij mijn jongere neef [naam 9]. Na het geld te hebben opgehaald reden wij terug. Vervolgens bracht [bijnaam 1] me naar het [wijk 1], alwaar ik ‘high grade drugs’ voor een bedrag van SRD 20, – kocht. Na de drugs te hebben gekocht reden we terug. Onderweg reed de politie de auto van [bijnaam 1] klem. De politie stelde een onderzoek in, in de auto van [bijnaam 1] en trof een hoeveelheid drugs aan in de auto. De door mij gekochte drugs zouden [bijnaam 1] en ik samen roken. Ik weet wel dat hij drugs rookt.”

3. Het proces-verbaal van onderzoek, d.d. 04 december 2020, opgemaakt door de de gouvernementsscheikundige, Dr. J. Codrington, doorgenummerde pagina 39 van het dossier voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende:

“Het aangeboden materiaal bevat cocaïne en valt derhalve onder de Wet Verdovende Middelen.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 november 2020 door [verbalisant 3] (agent van politie 1ste Klasse), doorgenummerde pagina 166, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een witte zak inhoudende een bruine substantie met een gewicht van 610 gram en twee witte substanties met de respectievelijke gewichten van 550 gram en 1015 gram.”

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder IA bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 juncto artikel 370 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder III bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 3 lid 1`punt a onder B juncto artikel 11 lid 3 van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 10 februari 2021 zal vernietigen en op grond van de genoemde overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (I, II en III) tot een gevangenisstraf van twee jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts vordert de vervolgingsambtenaar een geldboete van SRD 2000, – (Tweeduizend Surinaamse dollars), met bepaling dat de boete bij gebreke van betaling en verhaal vervangen zal worden door hechtenis, voor de tijd van 2 (twee) maanden. Vervolgens vordert de vervolgingsambtenaar onttrekking van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaine aan het verkeer.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een kans wil om zijn leven te herstellen en heeft beloofd dat hij niet meer in aanraking zal komen met justitie.

Het fair trial beginsel
Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat in eerste aanleg er tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – betoogd dat hij tijdens de eerste behandeling in eerste aanleg desgevraagd geen uitstel heeft gehad om het dossier, dat onvolledig was, te bestuderen. Volgens de raadsman moest hij zich binnen twee uren voorbereiden om de zaak te bepleiten en heeft hij geen gelegenheid gehad om getuigen à decharge te laten horen terwijl de behoefte daartoe wel bestond. De raadsman moest volgens hem in de gelegenheid worden gesteld om de verdediging op een correcte wijze en in de ruimste zin des woords te kunnen voeren.

Naar aanleiding van het bovenstaande overweegt het Hof na kennisname van het proces-verbaal in eerste aanleg dat er inderdaad in strijd is gehandeld met het recht van de verdachte op een eerlijk proces.

Hoewel voor het bewezen verklaarde in het Derde Kanton naar het oordeel van het Hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de totale duur van twee (2) jaren en een geldboete van SRD 2.000,- (Tweeduizend Surinaamse Dollars) passend en geboden zou zijn geweest, zal het Hof, gelet op vorenbedoelde inbreuk op het recht van verdachte, in het onderhavige geval, overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur.

Het Hof komt op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen aldus tot een strafoplegging die afwijkt van hetgeen, wat door de vervolgingsambtenaar is gevorderd. Het Hof acht de gemaakte keuzes met betrekking tot strafsoort en strafmaat het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Alles overziende acht het Hof een gevangenisstraf voor het bewezenverklaarde in het Derde Kanton voor de duur van één (1) jaar en zes (6) maanden passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 10 februari 2021 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder IA en III is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders onder IA en III is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder II is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
IA. het medeplegen van gekwalificeerde diefstal; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 juncto artikel 370 juncto artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht;

Ill. overtreding van de Wet Verdovende Middelen; voorzien bij artikel 3 lid 1 punt a onder B en strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 3 van de Wet Verdovende Middelen (S.B. 1998, no. 14).

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ÉÉN (1) JAAR en ZES (6) MAANDEN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 27 november 2020 in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen 2175 (tweeduizend honderdvijfenzeventig) gram cocaïne.

Gelast de gevangenhouding van de veroordeelde.

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger,
bijgestaan door mr. A.M. Jhagroe, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 09 februari 2022 te Paramaribo.

w.g. A.M. Jhagroe     w.g. A. Charan
                                  w.g. S. Punwasi
                                  w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

 

 

SRU-HvJ-2021-52

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking inzake beklag ex artikelen 460 en 475 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering

Gelezen het klaagschrift ex artikelen 460 en 475 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna WSv.) welke namens de klager, [klager], wonende aan de [adres 1] in [land], door de raadsman mr. V.V.C. Piqué is ingediend op 8 april 2021.

Het klaagschrift betreft het bevel de dato 30 september 2019 van de hoofdofficier van justitie (mr. C. Klein) aan de gerechtsdeurwaarder (de heer R. Sontono) tot het onverwijld leggen van beslag tot bewaring van het recht tot verhaal ten laste van [klager] op:
1. Het perceelland groot tweehonderd zeven en zeventig, een/tiende vierkante meter (277,1 m²) gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 1], ten westen van de [straatnaam 2] aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ing. H. Kalloe de dato twee november tweeduizend negen vervaardigd met gebruikmaking van de gegevens voorkomende op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig, met de letters ABCD en het nummer [nummer 1], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEF.

2. Het perceelland, groot tweehonderd tweeëntachtig, vijfenveertig/honderdste, gelegen in het [district], thans [plaats], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig aangeduid met het nummer [nummer 2], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABab, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van enkele gedeelten van gelegen in het [district], thans [plaats], deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK Straatregister [registernummer].

Het (bevel tot) beslag is gegrond op:
• De tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname geldende overeenkomst betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (’s-Gravenhage, 27 augustus 2976).
• Het protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (’s-Gravenhage, 18 mei 1993)
• Het rechtshulpverzoek van de Nederlandse officier van justitie te Den Haag van 27 mei 2019, betreffende de strafzaak tegen [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [klager], die verdacht worden van witwassen en handel in verdovende middelen. In dit verzoek, dat een aanvulling is op het rechtshulpverzoek van 18 oktober 2017 (Lurisnummer: [nummer 3]) dat was gesplitst in 3 delen (A, B, C), wordt o.a. verzocht om ten laste van [klager] beslag te leggen op het onroerend goed gelegen aan de [adres 2], 282 m² groot te [plaats] en op het onroerend goed gelegen aan de [adres 3], 277 m² groot te [plaats] welk beslag dient ter zekerheidstelling van het recht tot verhaal van een uiteindelijk door de strafrechter aan de verdachte op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
• De artikelen 82 lid 1, 82 a onder 3 en 91 lid 2 Wetboek van Strafvordering (SB 2002 no. 67.

Blijkens exploit nummer 30 van R. Sontono, deurwaarder bij het Hof van Justitie, is op 10 januari 2020 het hierboven aangehaalde, op naam van de klager staand, onroerende goederen met al hetgeen daarop staat, in conservatoir beslag genomen. Vermits klager binnen Suriname noch een bekende woonplaats, noch een werkelijk verblijf heeft en daarbuiten een bekende woonplaats heeft, is een afschrift van de door de deurwaarder d.d. 10 januari 2020 opgemaakt proces-verbaal van inbeslagneming betekend aan de Procureur – Generaal.

Grondslag van het beklag:
• De klager is van oordeel dat de litigieuze beslagen onrechtmatig zijn jegens hem, daar de vervolgingsambtenaar c.q. het Openbaar Ministerie niet bevoegd was om zonder toestemming van de rechter-commissaris in Suriname, bevel tot beslaglegging te geven. In dit kader zijn volgens klager o.a. van belang de artikelen 91, 473 en 474 van het WSv.
• Klager voert aan dat het Openbaar Ministerie mede verwijst naar artikel 82a onder 3 als grondslag voor (het bevel tot) de beslaglegging. Dit artikel geeft volgens klager slechts aan dat de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder noodzakelijk is voor wat betreft beslag op onroerende registergoederen, maar geeft niet aan welke instantie bevoegd is de gerechtsdeurwaarder de opdracht te geven tot het leggen van beslag en welke procedure gevolgd dient te worden.
• Het door het Openbaar Ministerie aangehaalde artikel 91 lid 2 WSv. dat mede ten grondslag is gelegd aan het (bevel tot) beslag, geeft slechts aan dat behalve de voorwerpen genoemd in artikel 82 WSv. ook de daarin aangeduide voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Echter heeft dit artikel betrekking op inbeslagname door de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek.
• Verder is er jegens klager niet voldaan aan de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, met name het motiveringsbeginsel c.q. de motiveringsplicht en het rechtszekerheidsbeginsel.

Op grond van het bovenstaande wordt aan het Hof van Justitie verzocht de gelegde beslagen op de onroerende goederen, welke in eigendom toebehoren aan de klager, op te heffen en teruggave te gelasten aan de klager en de vervolgingsambtenaar c.q. het Openbaar Ministerie te verbieden in de toekomst op basis van het litigieus rechtshulpverzoek, wederom beslagen te leggen c.q. te laten leggen op bedoelde onroerende goederen.

Het verweer van het Openbaar Ministerie
De vervolgingsambtenaar geeft aan dat de beslagen berusten op een geldig rechtshulpverzoek en haar grondslag vindt in artikel 10 e.v. van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de Uitlevering en Rechtshulp in strafzaken en de artikelen 467 e.v. van ons Wetboek van Strafvordering.

Voorts geeft de vervolging aan dat zij haar bevoegdheid ontleent aan de artikelen 82 lid1, 82 a onder 3 en 91 lid 2 van het WSv. betreffende de wettelijke procedure regels bij beslaglegging.

Klager is in Nederland aangehouden in 2018. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek en vervolging in Nederland is er een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld, na machtiging verkregen te hebben van de rechter-commissaris in Nederland.

Bij het strafrechtelijk financieel onderzoek is de rechter-commissaris in Nederland in beeld gekomen. De officier van justitie, mr. B de Jonge, heeft op 22 maart 2018 conform artikel 103 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering de rechter-commissaris in de strafzaak betrokken door een vordering handhaving conservatoir beslag in te stellen, welke vordering aan hem d.d. 26 maart 2018 is verleend.

Klager is noch door Nederland noch door Suriname onwetend gelaten omtrent de beslagleggingen ten laste van klager. De beslagleggingen zijn, conform de regels van strafvordering in Suriname, rechtmatig geschied. Het bevel van het conservatoir beslag is ook door de deurwaarder, op bevel van het Openbaar Ministerie in Suriname, d.d. 17 januari 2020, aan klager betekend.

Onder verwijzing naar artikel 473 van ons WSv. merkt de vervolging op dat de gang naar de rechter-commissaris bij inbeslagneming en onttrekking van het wederrechtelijk verkregen voordeel meestal plaatsvindt wanneer het gaat om een gerechtelijk vooronderzoek, waarbij er o.a. getuigen moeten worden gehoord en huiszoekingen moeten plaatsvinden.

De vervolging is conform het tweede lid van artikel 473 van het Wetboek van Strafvordering niet verplicht om het verzoek van een buitenlandse autoriteit in handen van de rechter-commissaris te stellen. Er is dus conform de procedurele regels van strafvordering gehandeld.

De beoordeling door het Hof
Artikel 460 WSv. luidt:
Lid 1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teuggave, over een voornemen als bedoeld in artikel 105, derde lid, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 88, 89 en 101, over een beslag op verbeurd te verklaren vorderingen of over het voortduren van zodanig beslag.

Lid 2. Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk ingediend ter griffie van het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

Lid 3. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaar na de inbeslagneming der voorwerpen of de kennisneming der gegevens, ingediend ter griffie van het kantongerecht, binnen welks rechtsgebied de inbeslagneming of kennisneming is geschied. De kantonrechter is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.

Artikel 475 lid 4 WSv. luidt: Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 102-105, 107, 460, 462-464 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in artikel 460 bedoelde klaagschrift wordt ingediend bij en behandeld door het Hof van Justitie.

Bevoegdheid van het Hof van Justitie
Het conservatoir beslag waartegen de klacht is gericht, is gelegd in het kader van een rechtshulpverzoek. Op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 4 van het WSv. is het klaagschrift terecht ingediend bij de griffie van het Hof van Justitie en is het Hof van Justitie bevoegd het klaagschrift te behandelen.

De ontvankelijkheid van klager
Als eigenaar van de onroerende goederen, waarop de conservatoire beslagen zijn gelegd, is klager belanghebbende als bedoeld in artikel 460 lid 1 WSv.
Aangezien onderhavige inbeslagneming is geschied in het kader van een rechtshulpverzoek in verband met een strafzaak tegen de klager in Nederland en tegen klager geen strafvervolging plaatsvindt in Suriname, acht het Hof van Justitie de in lid 3 van artikel 460 van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn voor de indiening van het klaagschrift van uiterlijk binnen drie jaar, in casu van toepassing.
Er doen zich overigens geen (andere) gronden voor die zich verzetten tegen de indiening van het klaagschrift. Klager is dus ontvankelijk.

De beoordeling van de juridische grondslag van het bevel tot beslaglegging
Ingevolge de artikelen 468 en 469 van het Wetboek van Strafvordering komt aan de Procureur-Generaal de centrale positie als rechtshulp autoriteit toe. Alle verzoeken die niet zijn gericht aan de Procureur – Generaal moeten onverwijld aan hem worden doorgezonden. De Procureur-Generaal beslist in het belang van een spoedige afdoening onverwijld omtrent het aan het verzoek te geven vervolg.

Artikel 473 lid 1 W v Sv. bepaalt dat de Procureur – Generaal
• een voor inwilliging vatbaar
• en op een verdrag gegrond verzoek
• van een buitenlandse rechterlijke autoriteit

in handen dient te stellen van de rechter-commissaris:
a. indien het strekt tot het horen van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;
b. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring of om een verklaring afgelegd ten overstaan van een rechter;
c. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen tegen de wil van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.

De gevallen waarin de rechter-commissaris in de zaak wordt betrokken hebben hoofdzakelijk te maken met de gewenste toepassing van dwangmiddelen. Anders dan in het commune strafprocesrecht heeft de vervolgingsambtenaar in geval van de kleine rechtshulp, daartoe geen bevoegdheden uit eigen hoofde.

Lid 2 en lid 3 van artikel 473 Sv. bepalen dat in andere dan in het eerste lid genoemde gevallen de Procureur-Generaal het verzoek van de buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris kan stellen bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.

Artikel 474 lid 1 WSv. bepaalt dat voor zover de in artikel 473 WSv. bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, de vordering dezelfde rechtsgevolgen heeft als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek onder meer voor wat betreft de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking en het in beslag nemen van stukken van overtuiging.

Anders dan de bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming krachtens artikel 91 WSv. tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, strekt de competentie van de rechter-commissaris zich krachtens lid 2 van artikel 474 WSv. uitsluitend tot inbeslagneming van stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn.

Het derde lid van artikel 474 WSv. bepaalt onomstotelijk: Ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp kan, anders dan overeenkomstig de voorgaande leden van dit artikel, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.

In het kader van de kleine rechtshulp heeft de vervolgingsambtenaar geen bevoegdheden op basis waarvan hij zelfstandig inbreuk mag maken op de rechten van burgers. Als hij het verzoek eigenhandig afdoet, is hij aangewezen op de vrijwillige medewerking van betrokkenen. Ontbreekt die vrijwilligheid, dan dient de rechter-commissaris te worden ingeschakeld door middel van de in artikel 473 WSv. bedoelde vordering.

Het Hof vermag niet in te zien hoe de vervolging haar bevoegdheid tot het uitvaardigen van het bevel tot inbeslagname kan ontlenen aan een bevoegdheid die ingevolge artikel 91 lid 2 WSv. uitsluitend is toebedeeld aan de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek.

Het Hof merkt ten overvloede op dat zowel de Surinaamse strafvordering (artikel 82 WSv.) als de Nederlandse strafvordering (artikel 94 Ned. Sv.) het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen als grond voor inbeslagneming kent.

In tegenstelling tot de Nederlandse strafvordering (artikel 94 a NSv.) kent de Surinaamse strafvordering geen bepaling dat in geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen inbeslaggenomen kunnen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor:
• een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete;
• een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 103 Ned. Sv. bepaalt dat beslag op grond van artikel 94a Ned. Sv. slechts kan worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.

Het bevel tot beslaglegging van de Hoofdofficier van Justitie mr. C. Klein d.d. 30 september 2019 aan de gerechtsdeurwaarder de heer Rawan Sontono tot het onverwijld leggen van beslag tot bewaring van het recht tot verhaal op het aan [klager] toebehorende onroerende goederen vindt geen grondslag in de Surinaamse strafvordering en is in strijd met het in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering vervatte legaliteitsbeginsel.

Het onderhavige rechtshulpverzoek is niet voor inwilliging vatbaar en dient daaraan geen gevolg te worden gegeven. Om die reden komt het niet in aanmerking om op grond van artikel 473 lid 1 WSv. in handen van de rechter-commissaris te worden gesteld, wat in casu ook niet is geschied.

Het bevel is bovendien strijdig met artikel 10 van de tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname geldende overeenkomst betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, waarbij de Overeenkomst sluitende partijen zich verbinden om, overeenkomstig de regels van de Overeenkomst en met inachtneming van hun nationale wetgeving elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen.

Om redenen als hiervoor vermeld acht het Hof het door de hoofdofficier van justitie d.d. 30 september 2019 uitgevaardigde bevel tot beslaglegging, e.e.a. zoals omschreven in voormeld bevel, onrechtmatig. Het Hof zal daarom de doorhaling gelasten van het ten laste van klager gelegde conservatoire beslagen op de onroerende goederen, zoals in het dictum vermeld.

De vordering tot verbod van het Openbaar Ministerie om in de toekomst op basis van het litigieuze rechtshulpverzoek wederom beslag te leggen c.q. te laten leggen op bedoelde onroerende goederen is niet voor toewijzing vatbaar.

De beslissing
Het Hof:
I. verklaart het klaagschrift van de klager gegrond

II. verklaart het door de hoofdofficier van justitie d.d. 30 september 2019 uitgevaardigde bevel tot beslaglegging tot bewaring van het recht tot verhaal en het, ter uitvoering van dat bevel door de gerechtsdeurwaarder gelegde conservatoire beslagen op het in het bevel vermelde onroerende goederen van de klager onrechtmatig.

III. beveelt de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 10 januari 2020 no. 30, ten laste van klager gelegde conservatoir beslag op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot tweehonderd zeven en zeventig, een/tiende vierkante meter (277,1 m²) gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 1], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ing. H. Kalloe de dato twee november tweeduizend negen vervaardigd met gebruikmaking van de gegevens voorkomende op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig, met de letters ABCD en het nummer [nummer 1], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK.

IV. beveelt de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 10 januari 2020 no. 30, ten laste van klager gelegde conservatoir beslag op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot tweehonderd tweeëntachtig, vijfenveertig/honderdste, gelegen in het [district], thans [plaats], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig aangeduid met het nummer [nummer 2], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABab, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van enkele gedeelten van gelegen in het [district], thans [plaats], deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK Straatregister [registernummer].

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 03 mei 2021 door mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-K1-2023-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR 202203882

13 januari 2023

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[naam] h.o.d.n. [bedrijf], gevestigd aan de [adres] in het district [plaats] ten deze domicilie kiezende te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: [eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. M.A. Gout, advocaat,

gevolmachtigde: [naam 2],

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. de Ministeries van Economische Zaken Ondernemerschap en Technologische Innovatie en van Financiën vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

hierna te noemen: “de staat”,

gedaagde,

gevolmachtigden:

  • mr. V. Jules-October, verbonden aan het bureau landsadvocaat;
  • M.A. Abdoel, jurist op het Ministerie van Financiën & Planning;
  • S. Bansropansingh, wnd. Hoofd IUD van het Ministerie van Economische Zaken, Ondernemerschap en Technologische Innovatie;
  • R.S. Kalka, verificateur 1e klasse.
  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 30 december 2022 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 06 januari 2023;
  • de conclusie van antwoord met productie;
  • het proces-verbaal van de op 06 januari 2023 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 [eiser] heeft medio 2022 van de in Japan gevestigde bedrijven AA Japan Ltd. 11 (elf) en Autocom Japan Inc. 6 (zes) gebruikte personenauto’s gekocht, welke personenauto’s in oktober 2022 in Suriname arriveerden.

2.2. [eiser] heeft de invoerrechten van de betreffende personenauto’s in november 2022 voldaan aan de staat voor een bedrag van SRD 1.121.076,50 (een miljoen een honderd eenentwintigduizend zesenzeventig Surinaamse dollar en vijftig dollarcent).

2.3. De Staat weigert de personenauto’s aan [eiser] af te staan zich op het standpunt stellende dat de personenauto’s ouder zijn dan 8 (acht) jaar.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) de staat veroordeelt om aan hem af te staan de 17 (zeventien) in het inleidend verzoekschrift omschreven personenauto’s, bij gebreke waarvan aan de staat een dwangsom wordt opgelegd van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) per personenauto’s per dag indien de staat geen uitvoering geeft aan het in deze te wijzen vonnis.

b) de staat veroordeelt om, bij wijze van voorschot, aan hem te betalen het bedrag van SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse dollar) zijnde de verschuldigde opslagkosten aan VSH Shipping NV, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar te rekenen van 30 december 2022.

c) de staat veroordeelt om, bij wijze van voorschot, aan hem te betalen het bedrag van SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse dollar) zijnde de verschuldigde opslagkosten over de periode 01 november 2022 tot aan de dag van de afgifte van de personenauto’s.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de staat ten onrechte weigert de 17 (zeventien) door hem ingevoerde gebruikte personenauto’s aan hem af te staan.

3.3 De staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voorzover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 [eiser] stelt dat de staat ten onrechte weigert de door hem ingevoerde gebruikte personenauto’s aan hem af te staan. [eiser] stelt dat de verkopers van de gebruikte personenauto’s als uitgangspunt voor het vaststellen van de ouderdom van een gebruikte personenauto’s hanteren het jaar van de eerste registratie van de personenauto’s. Dat in het Besluit Negatieve Lijst 2003 (S.B. 2003 no. 74) is bepaald dat het verboden is om tweedehandse personenauto’s ouder dan 8 (acht) jaar in te voeren zonder dat is aangegeven wat het uitgangspunt is voor het bepalen van de ouderdom van een personenauto. De staat stelt dat de door [eiser] ingevoerde personenauto’s ouder zijn dan 8 (acht) jaar uitgaande van het jaar waarin de personenauto’s zijn gefabriceerd (bouwjaar).

4.2 De kantonrechter constateert dat ten aanzien van het bepalen van de ouderdom van gebruikte personenauto’s er verwarring is ontstaan omdat er twee verschillende uitgangspunten worden gehanteerd, welke uitgangspunten tot verschillende uitkomsten kunnen leiden ten aanzien van de vaststelling welke voertuigen al dan niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in de negatieve lijst van goederen die ingevoerd mogen worden. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het een feit van algemene bekendheid dat met bouwjaar slechts wordt aangegeven in welk jaar een personenauto is geproduceerd en het registratiejaar het jaar waarin de personenauto in gebruik wordt genomen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het een feit van algemene bekendheid dat niet alle personenauto’s die in een bepaald jaar zijn geproduceerd ook in dat jaar voor gebruik worden geregistreerd. Het voorgaande heeft tot gevolg dat personenauto’s die in een bepaald jaar zijn geproduceerd en in hetzelfde jaar in gebruik worden genomen, het productiejaar in overeenstemming is met het registratiejaar. Bij personenauto’s van een bepaald productiejaar die bijvoorbeeld 2 (twee) jaar na productie in gebruik zijn genomen, het productiejaar niet in overeenstemming is met het jaar waarin de personenauto in gebruik is genomen en dus wordt geregistreerd. In het eerste geval valt het aantal jaren dat de personenauto in gebruik is samen met het jaar dat de personenauto is geregistreerd. In het tweede geval valt het registratiejaar niet samen met het productiejaar waardoor de periode waarin de auto voor gebruik wordt geregistreerd op een later tijdstip aanvangt dan het jaar van productie. In het Besluit Negatieve Lijst 2003 is bepaald dat de grondslag voor het verbod op de invoer van tweedehandse personenauto’s is de bescherming van het milieu. Uitgaande van de door de wetgever bepaalde grondslag voor het verbod is de kantonrechter van oordeel dat de wetgever het gebruik van personenauto voor ogen heeft gehad. De registratiedatum, zijnde de datum waarop het gebruik van de personenauto is aangevangen moet naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt worden gebruikt. Gelet op het voorgaande voldoen de in het geding betrokken personenauto’s, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aan de in de wet gestelde eis om ingevoerd te kunnen worden. De kantonrechter zal daarom de vordering tot afgifte van de personenauto’s toewijzen. De gevorderde dwangsom zal door de kantonrechter worden gemitigeerd, omdat die hem bovenmatig voorkomt.

4.3. De vordering van [eiser] tot schadevergoeding zal worden afgewezen, omdat in kort geding een veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding niet aan de orde kan komen, omdat er in het algemeen geen spoedeisend belang zal zijn en de kantonrechter geen definitieve beslissing geeft over de vraag of [eiser] daarop recht heeft. Wel is mogelijk het toekennen van een voorschot op een eventueel door de gewone rechter vast te stellen schadevergoeding, waarbij [eiser] wel een spoedeisend belang kan hebben.

4.4 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.5 De staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld, welke tot aan de uitspraak is begroot op SRD 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1. veroordeelt de staat om binnen 01 (één) werkdag na de betekening van dit vonnis aan [eiser] af te staan de in de onderstaande lijst opgenomen personenauto’s, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan dit vonnis met een maximum van SRD 1.000.000, – (een miljoen Surinaamse dollar),

No. Personenauto Chassisnummer Bouwjaar Registratiejaar
1. Toyota Vitz NSP130-2097716 2012 2014
2. Toyota Vitz NSP130-2086208 2012 2014
3. Toyota Vitz NSP130-2033445 2013 2014
4. Toyota Vitz NCP131-2015168 2012 2014
5. Toyota Noah ZRR70-0436410 2011 2014
6. Toyota Ractis NCP120-2005665 2010 2014
7. Toyota Vanguard GSA33-5104238 2011 2014
8. Toyota Vanguard ACA38-5226147 2012 2014
9. Toyota Vanguard ACA38-5217962 2011 2014
10. Toyota RAV4 ACA36-5028756 2011 2014
11. Mercedes Benz WDD1760422J096967 2013 2014
12. Toyota Vitz NSP130-2090784 2012 2014
13. Toyota Vitz NSP130-2029336 2011 2014
14. Toyota Vanguard ACA38-5174167 2010 2014
15. ToyotaVanguard ACA38-5199466 2011 2014
16. Toyota Rush J200E-2002039 2013 2014
17. Toyota Vitz NSP130-2040622 2011 2014

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. veroordeelt de staat in de proceskosten die aan de zijde van [eiser] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar),

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken te Paramaribo door mr. C.A. Wallerlei op vrijdag 13 januari 2023, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2022-18

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 04 oktober 2022 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is in verzekering gesteld op 07 juli 2022 ter zake overtreding van de artikelen 349; 347; 363 lid 2; 362 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 15 van de Vuurwapenwet.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 05 oktober 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking d.d. 05 oktober 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op donderdag 06 oktober 2022 om 12.00 uur des middags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum en tijdstip heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. A. Niamat, namens het Openbaar Ministerie;
• de advocaat, mr. G.M. Leter en
• de appellant (telefonisch).

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. 04 oktober 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van appellant afgewezen. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, het volgende overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
“(…) dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten;
“(…) dat onderzoeksbelang aanwezig wordt geacht;
“(…) dat de inverzekeringstelling rechtmatig dient te worden verklaard en het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 04 oktober 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op 05 oktober 2022 omstreeks 12.15 uur des namiddags ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het op 05 oktober 2022 omstreeks 13.00 uur des namiddags heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep dus binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appél.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant in verzekering is gesteld op basis van de verklaringen van vier getuigen terwijl deze getuigen niet hebben gezien op welke wijze het strafbaar feit is gepleegd;
• dat het Openbaar Ministerie sinds de inverzekeringstelling van appellant tot heden de door haar genoemde onderzoekshandelingen niet heeft gepleegd; de camerabeelden zijn niet veiliggesteld en de getuigen zijn niet geconfronteerd met appellant;
• dat er tijdens de huiszoeking en het onderzoek in de auto van appellant geen bewijsmiddelen en wapen zijn aangetroffen;
• dat de verdenking slechts is gebaseerd op de getuigenverklaringen van de buurtbewoners terwijl appellant geen band met hun heeft. Het Openbaar Ministerie heeft de verklaringen van appellant niet in ogenschouw genomen;
• dat er in casu geen bewijsmiddelen zijn die de appellant bezwaren. Het dossier bestaat slechts uit getuigenverklaringen die niet getoetst kunnen worden op waarheid en
• dat er inderdaad een paar keren in de woning van appellant is ingebroken. Men heeft de verdenking in casu op de appellant gelegd, omdat hij bepaalde uitspraken zou hebben gedaan, maar er zijn geen bewijzen die de appellant bezwaren.
Op basis van het bovenstaande heeft de verdediging aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant te bevelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
• dat appellant slachtoffer is geworden van woninginbraak en op zoek is gegaan naar de dader. De buurtbewoners van appellant hebben aangegeven dat ene [bijnaam slachtoffer] de inbraak heeft gepleegd. Volgens de buurtbewoners heeft appellant steeds de uitlating gedaan dat hij [naam 2] van het leven gaat beroven;
• dat appellant niet slechts op basis van getuigenverklaringen in verzekering is gesteld, maar ook op basis van bezwarende feiten en omstandigheden;
• dat appellant, volgens de verklaring van een getuige, met zijn auto met gierende banden van huis is vertrokken nadat er was geschoten op het slachtoffer. Het slachtoffer lag niet ver van de woning van appellant op het wegdek. Deze verklaring is bevestigd door een tweede getuige die ook een vuistvuurwapen bij appellant heeft gezien;
• dat de derde getuige heeft gesteld dat hij heeft gezien dat appellant op het slachtoffer heeft geschoten;
• dat appellant heeft gesteld dat hij het slachtoffer niet kent, maar de getuigen hebben verklaard dat hij het slachtoffer wel kent. De appellant zou opmerkingen hebben gemaakt en uitlatingen hebben gedaan dat hij het slachtoffer, [naam] meergenoemd ‘[bijnaam slachtoffer], gaat doodschieten, omdat er vaak is ingebroken in zijn woning;
• dat appellant aan bepaalde buurtbewoners heeft gezegd: ‘Laat mij zien wie die [bijnaam slachtoffer] is hoor, want mo kir a mang disi.’. Twee goede vrienden van appellant hebben bevestigd dat appellant inderdaad deze uitlating heeft gedaan;
• dat appellant heeft geweigerd om mee te werken aan de confrontatieverhoren met de getuigen en
• dat er in casu sprake is van onderzoeksbelang; twee getuigen moeten nog worden gehoord, het confrontatieverhoor tussen de getuigen en de appellant moet nog plaatsvinden en er zal via de camerabeelden van Safe City worden nagegaan wat de route van appellant na het schietincident is geweest en of hij het wapen heeft weggemaakt. In dat kader zijn er reeds instructies gegeven en het Openbaar Ministerie is in afwachting van het bericht van de politie.
Op basis van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om het verzoek van appellant af te willen wijzen en om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het Hoger Beroep
Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van het Openbaar Ministerie op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.
Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.

Met de vervolging is het Hof van oordeel dat er wel feiten en omstandigheden zijn gebleken uit het onderzoek die een redelijk vermoeden van schuld tegen appellant construeren. Het betreft in casu doodslag, moord, zware mishandeling, zwaar lichamelijk letsel met de dood als gevolg en overtreding van de Vuurwapenwet welke appellant verweten wordt. Uit de getuigenverklaringen van de verschillende buurtbewoners, behelsende onder andere de uitlatingen van de appellant aan het adres van het slachtoffer, en het feit dat appellant, nadat er op het slachtoffer was geschoten, met zijn auto met gierende banden van huis is vertrokken terwijl het slachtoffer niet ver van zijn woning op het wegdek lag, is naar het oordeel van het Hof een redelijk vermoeden van schuld gebleken. Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. De appellant dient onder andere nog te worden geconfronteerd met de getuigen die bezwarende verklaringen jegens hem hebben afgelegd. Daarnaast moeten twee andere getuigen nog worden gehoord. Voorts, moeten de camerabeelden veilig worden gesteld waaruit het handelen van appellant na het schietincident kan worden blootgelegd. Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt de appellant niet in de door hem opgeworpen grieven. Op grond van het voorgaande zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 worden bevestigd.

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.

DE BESLISSING

HET HOF:

Verklaart het beroep van appellant, [naam 1], ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 06 oktober 2022 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S. Punwasi, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-17

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, VAN [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. woensdag 15 juni 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 11 juni 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 9; 15 jo. 22 van de Vuurwapenwet.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. woensdag 15 juni 2022; het beroepschrift d.d. donderdag 16 juni 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 16 juni 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 17 juni 2022 om 12.00 uur des middags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de raadslieden, mr. R. Denz en mr. R.R. Lobo en
• de Wnd. Procureur-Generaal, mr. N. Maikoe, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd woensdag 15 juni 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 16 juni 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten aangezien het bevel tot inverzekeringstelling onrechtmatig is.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant als wapenliefhebber één jachtgeweer, vuistvuurwapens en vijf alarmpistolen voorhanden heeft gehad zonder daartoe in het bezit te zijn geweest van een bijzondere volmacht. De appellant heeft foutief gehandeld;
• dat het voorhanden hebben van een vuurwapen zonder een machtiging vijftien of zestien jaren geleden van een overtreding is omgezet tot een misdrijf aangezien het aantal berovingen middels vuurwapens toenam;
• dat er gevallen zijn geweest waarbij verdachten, die zwaardere wapens voorhanden hadden, binnen één of twee weken in vrijheid zijn gesteld. Op basis van de soort wapens die bij appellant in beslag zijn genomen had hij al lang op vrije voeten moeten worden gesteld;
• dat er geen misdrijven zijn gepleegd met de wapens die bij appellant zijn aangetroffen;
• dat er geen sprake is van vluchtgevaar. De appellant heeft zijn bestaan in Suriname opgebouwd en heeft een gezin;
• dat de appellant first offender is en zijn volledige medewerking verleent bij het onderzoek;
• dat de detentie van appellant in casu niet noodzakelijk is;
Op grond van het bovenstaande heeft de appellant aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat er één jachtgeweer, 3 Glock pistolen, gasbuksen, alarmpistolen en een aantal verschillende formaten patronen in het bezit van appellant zijn aangetroffen zonder dat appellant over een vergunning beschikt;
• dat de appellant heeft verklaard dat hij eerst een persoonlijk wapen in Frans-Guyana heeft gekocht waarna hij voor de tweede keer naar Frans-Guyana is geweest om een heel assortiment aan wapens van ene [naam 2] te kopen. Hiermee is hij naar Suriname teruggekeerd. De appellant kan de nadere omschrijving van [naam 2] en zijn contactnummer niet aangeven;
• dat appellant steeds van verklaring verandert. In eerste instantie heeft hij gezegd dat [naam 2] contact met hem heeft gemaakt en hierna heeft hij verklaard dat zijn vriend hem in Frans-Guyana in contact heeft gebracht met [naam 2]. Volgens appellant kent hij [naam 2] verder niet. De appellant heeft tot nu toe geen duidelijke verklaring gegeven waaruit blijkt op welke wijze hij de vuurwapens in zijn bezit heeft gekregen;
• dat de telefoon waarin eventuele informatie zou zijn opgeslagen ook niet is gevonden. De appellant heeft wel een telefoonnummer doorgegeven en dat moet nog worden uitgewerkt;
• dat er ook een onderzoek moet worden gedaan naar de ‘online shop’ van appellant om te kijken wat hij ten verkoop aanbiedt en of hij wapens ten verkoop heeft aangeboden. Voorts zal [naam 2] worden opgespoord en zal er in de buurt ook onderzoekingen worden verricht door de politie;
• dat de huisgenoten van appellant, waaronder zijn moeder, zus en vrouw niet eens wisten dat appellant een wapenliefhebber is. Dat was een verrassing voor een ieder. De verklaring van de appellant heeft dus geen enkele ondersteuning gevonden in de verklaringen die zijn afgelegd door zijn familieleden;
• dat alle wapens gevaarlijk zijn. Het is niet van belang of het een zwaar wapen of een minder zwaar wapen is. Dat is ook niet van belang bij het kopen van een wapen, want de wet maakt dat onderscheid niet;
• dat het noodzakelijk is dat appellant in detentie blijft, want als hij in vrijheid wordt gesteld dan zou hij in contact kunnen treden met mensen die als mede verdachten kunnen worden aangemerkt;
• dat er vrees voor vluchtgevaar bestaat;
• dat er in casu sprake is van een redelijk vermoeden van schuld, dringende noodzakelijkheid voor continuering van de detentie en onderzoeksbelang;
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. woensdag 15 juni 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
Appellant komt op tegen de beschikking die door de rechter-Commissaris is gegeven in het kader van de rechtmatigheidstoets en waarbij de inverzekeringstelling rechtmatig is getoetst. Het Hof dient derhalve te toetsen of de inverzekeringstelling al dan niet terecht rechtmatig is verklaard en of er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van feiten en omstandigheden op grond waarvan een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de appellant ontstaat met betrekking tot een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast zal ook bekeken worden of er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat appellant verschillende wapens en verschillende formaten munitie voorhanden heeft gehad zonder daartoe in het bezit te zijn geweest van een vergunning. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk vermoeden van schuld uit het bovenstaande komen vast te staan. Op grond van hetgeen zijdens het Openbaar Ministerie is aangevoerd met betrekking tot het verder onderzoek, acht het Hof tevens het onderzoeksbelang nog aanwezig.
In de visie van het Hof moet er – gelet op de vele meedogenloze gewapende roofovervallen – aan het Openbaar Ministerie de ruimte worden geboden om te onderzoeken wat de werkelijke bedoeling van het in het bezit hebben van de verschillende wapens en verschillende formaten munitie is geweest. Er mag redelijkerwijs niet van het Openbaar Ministerie worden verwacht dat zij genoegen neemt met de bewering dat appellant een wapenliefhebber is, nu hij geen vergunning heeft voor het voorhanden hebben van wapens en hij die ook niet heeft aangevraagd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek van appellant te worden verworpen en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. 15 juni 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam 1], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 15 juni 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 17 juni 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. L. Ravenberg Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. M.V. Kuldip Singh
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-16

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 21 juli 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 19 juli 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 186 en 414 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 21 juli 2022, het beroepschrift d.d. maandag 25 juli 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van dinsdag 26 juli 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op woensdag 27 juli 2022 om 09.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden. De behandeling van de zaak is op woensdag 27 juli 2022 uitgesteld naar donderdag 28 juli 2022.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de advocaat, mr. M.C.M. Nibte;
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant (telefonisch).

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 21 juli 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op maandag 25 juli 2022 in de dropbox van het Hof van Justitie achtergelaten. De griffier van de Rechter-Commissaris heeft het beroepschrift op dinsdag 26 juli 2022 doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Ter beoordeling van de ontvankelijkheid dient vast te staan wanneer de gewraakte beslissing aan appellant is betekend en niet de datum waarop de beslissing de verdediging ter ore is gekomen. Gelet op het feit dat het tijdens de behandeling van de zaak in raadkamer niet duidelijk is geworden wanneer de beslissing van de Rechter-Commissaris aan appellant is betekend, zal in zijn voordeel worden beslist. Appellant wordt derhalve geacht ontvankelijk te zijn in zijn beroep.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om appellant op basis van het gelijkheidsbeginsel onmiddellijk in vrijheid te stellen.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• appellant is betrokken in een boedelkwestie en is door middel van de sterke arm uit de woning ontruimd. De volgende dag heeft appellant zich wederom de toegang tot de woning verschaft door de slot van de voordeur kapot te slaan. Naar aanleiding daarvan is appellant in verzekering gesteld terzake huisvredebreuk en vernieling;
• de broer van appellant is ook in de ontruimde woning geweest en is er daarbij een vechtpartij ontstaan. De broer van appellant was terzake huisvredebreuk, vernieling en mishandeling in verzekering gesteld, maar is door de Rechter-Commissaris reeds in vrijheid gesteld terwijl het verzoek van appellant door een andere Rechter-Commissaris is afgewezen;
• appellant is bereid de kosten van het slot te vergoeden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven van appellant, onder meer, het volgende aangevoerd:
• het gaat in casu niet simpelweg om huisvredebreuk en vernieling, omdat appellant de woning is binnengedrongen nadat hij was ontruimd;
• door appellant zijn een aantal mensen in beeld gebracht waaronder de oom van appellant die de sloten kapot zou hebben gemaakt;
• appellant en zijn broer worden overigens niet verweten zich tezamen en in vereniging schuldig te hebben gemaakt aan de strafbare handelingen.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om het verzoek van appellant af te willen wijzen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
In casu is appellant met behulp van de sterke arm ontruimd en heeft zich hierna wederom de toegang tot de woning verschaft door het slot kapot te slaan, hetgeen niet is weersproken door de appellant. De appellant heeft zich bereid verklaard om de kosten van het slot te vergoeden. Uit het onderzoek in raadkamer is verder gebleken dat appellant reeds is verhuisd. Het Hof is – gelet op de geschetste situatie – van oordeel dat er onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er in casu sprake is van een onderzoeksbelang dat noopt tot verdere vrijheidsbeneming van de appellant. Nu het onderzoeksbelang niet is komen vast te staan, is het Hof van oordeel dat er in dit stadium van het onderzoek geen dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van appellant. De gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 21 juli 2022 dient derhalve te worden vernietigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 21 juli 2022.

En opnieuw rechtdoende:
Verklaart het ingesteld hoger beroep gegrond;

Verklaart de continuering van de inverzekeringstelling van appellant, [naam], onrechtmatig;

Wijst toe het verzoek tot invrijheidstelling van appellant, [naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant, [naam], voornoemd.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 28 juli 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. D. Nanhoe en mr. L. Ravenberg, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-15

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 09 juni 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 15 mei 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 362; 362 jo. 70 en 360 van het Wetboek van Strafrecht, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 17 mei 2022 en ingaande op 22 mei 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 09 juni 2022, het beroepschrift d.d. vrijdag 10 juni 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van maandag 13 juni 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op dinsdag 14 juni 2022 om 11.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de raadsman, mr. D.E.R. Veira;
• de Wnd. Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 09 juni 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op maandag 13 juni 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Aangezien de beslissing van de Rechter-Commissaris op vrijdag 10 juni 2022 kenbaar was gemaakt, wordt het beroep geacht op tijd te zijn aangetekend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadsman heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en de invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant op de zondag samen met zijn vrouw aan de openbare weg langs de Tourtonnelaan bezig was een tent op te zetten om goederen ten verkoop aan te bieden. De appellant bevond zich daarbij een pand verwijderd van het pand van Yokohama;
• dat de bewakers van Yokohama op een gegeven moment naar appellant zijn toegelopen en op een denigrerende wijze aan hem hebben gezegd dat hij zich van die plek moest verwijderen. Toen de appellant daaraan geen gevolg gaf is één van de bewakers ertoe overgegaan om de tent zelf af te breken en heeft daarbij vernielingen aangebracht;
• dat de bewaker de tent heeft vernield en niet als verdachte is aangemerkt;
• dat de appellant vanwege de ontstane situatie, waaronder de dreigende houding en het, verschil in lichaamsbouw, genoodzaakt was om steeds stappen achteruit te doen. De appellant heeft de bewaker verscheidene malen te kennen gegeven dat hij politieambtenaar is. Desondanks bleef de bewaker een dreigende houding aannemen. Op een bepaald moment kwam de appellant te vallen. Vanwege de afstand van één en een halve meter tussen de bewaker en de appellant was appellant niet in de gelegenheid om zich veilig te verplaatsen en om een waarschuwingsschot te lossen. De appellant was daardoor genoodzaakt om vuurwapen geweld aan te wenden en heeft de bewaker aan zijn been geschoten;
• dat appellant in een geheel andere situatie zou zijn beland, indien hij geen vuurwapengeweld had toegepast. De omstandigheid dat appellant zodanige slagen zou hebben moeten incasseren met het risico dat hij het ziekenhuis kon belanden, was daarbij niet uitgesloten;
• dat appellant in de hoedanigheid van politieambtenaar bevoegd was om bij constatering van het strafbaar feit op heterdaad, de verdachte aan te houden en
• dat er getuigen zijn die verklaringen in het voordeel van appellant hebben afgelegd en dat er geen noodzaak bestaat om de detentie van appellant te handhaven;
Op grond van het bovenstaande heeft de appellant aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en de invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat de bewaker aan appellant heeft gezegd dat zijn tent deels op het terrein van Yokohama is geplaatst en heeft gevraagd om de tent van het terrein te verwijderen. De appellant heeft toen pertinent geweigerd om zijn tent te verplaatsen. De bewaker heeft geantwoord dat hij die tent zelf gaat verwijderen. Terwijl de bewaker bezig was de tent weg te halen heeft appellant hem een klap gegeven waarna de bewaker hem heeft gestoten. Op een bepaald moment is appellant uitgegleden en heeft zijn dienstwapen tevoorschijn gehaald. Vervolgens heeft appellant gericht geschoten op het been van de bewaker;
• dat appellant in zijn nader verhoor heeft gezegd dat hij heeft gezien dat de bewaker geen wapen bij zich had. De bewaker had slechts een gummistok bij zich die aan zijn riem was bevestigd;
• dat de appellant een pas op de plaats had moeten maken en een collega had moeten vragen om de zaak over te nemen aangezien het in casu ging om zijn persoonlijk belang;
• dat er geen getuigenverklaringen in het voordeel van appellant zijn afgelegd. Een getuige heeft verklaard dat appellant op een provocerende wijze heen en weer liep nadat hij het wapen uit zijn schoudertas had gehaald;
• dat er in casu geen sprake is van noodweer zijdens de appellant, omdat de dreiging zich niet had gemanifesteerd en het was niet van dien aard dat appellant zo disproportioneel hoefde te handelen.
Op grond van het bovenstaande vraagt het Openbaar Ministerie om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 09 juni 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar het oordeel van het Hof is de rode draad in de grieven in casu dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding welke aanranding verdediging noodzakelijk en geboden maakte.
Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat de bewaker niet gewapend was en dat zijn gummistok aan zijn riem was bevestigd. Bovendien heeft de appellant in zijn verhoor d.d. 15 mei 2022 aan de verbalisant verklaard dat hij geen wapen bij de bewaker heeft gezien. Op basis daarvan is komen vast te staan dat tussen de bewaker en de appellant er geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar, dat appellant noodzaakte met zijn vuistvuurwapen gericht te schieten op de bewaker.
Het Hof overweegt voorts dat appellant als ambtenaar van politie is getraind om met agressie om te gaan, ingeval daarvan sprake is. De appellant was aangezegd om de opgezette tent te verwijderen en heeft geweigerd om daaraan gevolg te geven. In casu gaat het niet om geweld aangewend in de uitoefening van zijn beroep zoals de verdediging het doet voorkomen, maar om een geval waarbij appellant als burger in een woordenwisseling en handgemeen is geraakt met een bewaker die op dat moment wel in de uitoefening van zijn taak als beveiliger ter plekke aanwezig was.
Gelet op de geschetste situatie en het geïndiceerd onderzoeksbelang is het Hof van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek er een dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant. Om die reden dient het door appellant gedane verzoek afgewezen te worden en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 09 juni 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 09 juni 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op dinsdag 14 juni 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. L. Ravenberg
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-14

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. vrijdag 11 maart 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 16 februari 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 189; 362; 362 jo 70 en 360 van het Wetboek van Strafrecht, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 21 februari 2021;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 15 maart 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 15 maart 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op 16 maart 2022 om 09.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar Ministerie;
• de raadslieden, mr. Ch. Algoe en mr. E.M. Redjopawiro en
• de appellant.

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. 11 maart 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten de inverzekeringstelling, alsmede de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;

“(…) dat de raadslieden concluderen dat er sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid, zo verzoeker/verdachte zich aan het strafbaar feit schuldig heeft gemaakt uitsluiten. Voorts dat het onderzoeksbelang zich niet verzet tegen de invrijheidstelling van verzoeker/verdachte;

“(…) dat uit de processen-verbaal voorkomende in het politie dossier blijkt dat tijdens een voetbalwedstrijd een gevecht uitbrak waarbij voetballers en publiek met elkaar slaags raakten. Dat op enig moment uit de groep der vechtenden zich een deel waaronder het latere slachtoffer zich verwijderde door weg te rennen van het “strijdtoneel” en wel richting kantlijn. Verzoeker/verdachte stond met een glas in zijn hand en voelde zich genoodzaakt volgens zijn zeggen zijn hand uit te strekken om zichzelf te beschermen, omdat hij bang zou zijn geworden;

“(…) dat uit niets bleek dat verzoeker/verdachte betrokken was bij het vechten zo ook bleek uit niets dat de personen die wegrenden van het “strijdtoneel” de intentie hadden om verzoeker/verdachte aan te vallen. Zij renden richting kantlijn teneinde zich te verwijderen van het “strijdtoneel”. Uit niets blijkt dat verzoeker/verdachte door dit wegrennen zich bevreesd zou moeten voelen. Hij behoorde immers niet tot de groep vechtenden;

“(…) dat uit verklaringen van gehoorde getuigen is gezegd dat verzoeker/verdachte een slaande beweging heeft gemaakt richting het latere slachtoffer en dat uit videomateriaal deze verklaringen (enige) ondersteuning vindt. De bewering van verzoeker/verdachte dat hij zijn handen heeft opgeheven ter bescherming van zijn zelf klinkt derhalve minder geloofwaardig;

“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 11 maart 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op 15 maart 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Aangezien de beschikking, welke nog niet was uitgereikt aan de appellant, door de advocaat op 14 maart 2020 is opgehaald, wordt het beroep geacht op tijd te zijn aangetekend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen c.q. ongedaan te maken en om de inverzekeringstelling van de appellant althans de verlenging daarvan onrechtmatig te oordelen.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat uit het videobeeld is gebleken dat de verzoeker aan de kantlijn stond en dat het slachtoffer, met nog één of twee perso(o)n(en) achter zich, met een hoge snelheid recht op hem is afgekomen. Dit is zowel op het eerste als op het tweede videobeeld te zien;
• dat het niet is gebleken dat verzoeker slagen heeft toegebracht aan het slachtoffer. De verzoeker heeft slechts een verdedigingshandeling gepleegd terwijl hij een glas in zijn handen had en het slachtoffer is daartegen aangelopen;
• dat getuige genaamd [naam 2] heeft verklaard dat hij wel heeft gezien wie de slagen aan het slachtoffer heeft toegebracht. De appellant heeft verklaard dat hij vanuit de plek waar hij stond kon zien dat de getuige [naam 2] op het veld aan het bemiddelen was. De getuige [naam 2] bevond zich dus op het veld en kon niet van die plek zijn weggegaan om vervolgens naar de uitgang toe te rennen. Hij was gelet op zijn leeftijd verantwoordelijk voor de spelers. De getuige [naam 2] is de enige die beweert dat het slachtoffer opzettelijk en met kracht zou zijn geslagen door appellant. De verklaring van de getuige [naam 2] kan dus niet kloppen en de politieambtenaren hebben ten aanzien hiervan geen verdere onderzoekshandelingen gepleegd;
• dat de verzoeker op 15 februari 2022 was opgeroepen op het politiebureau en toen gelijk heeft aangeboden om de medische kosten van het slachtoffer te dekken, maar niemand heeft naar hem geluisterd. Ook de rechter-commissaris heeft niet naar hem geluisterd. Er is wel ettelijke malen aangeboden om de medische kosten van het slachtoffer te dekken;
• dat in casu het opzetelement ontbreekt en er geen dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verlenging van de inverzekeringstelling;
• het slachtoffer is inmiddels genezen en neemt normaal deel aan voetbalwedstrijden;
• dat de Nederlandse strafzaak, die bekend staat onder ECLI:NL:RBMAA:2012:BY3137, gaat over een toeschouwer van een voetbalwedstrijd die een agent met een kruk heeft geslagen. Daarbij is er een beroep gedaan op de overmacht situatie en de rechtbank heeft beslist dat het bewezen verklaarde geen strafbare feit oplevert en is de verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen. Gelet op de feiten en omstandigheden is in casu gebleken dat er een handeling is gepleegd naar aanleiding van een hevige gemoedstoestand;
• dat de videobeelden sinds meet af aan beschikbaar waren. De vervolging vindt dat verzoeker nog moet worden geconfronteerd met de videobeelden terwijl hij inmiddels reeds een maand in detentie zit. De verzoeker is reeds geconfronteerd met de videobeelden en als de vervolging vindt dat het onderzoeksbelang daaruit blijkt, dan zal die stelling geen stand houden.
• dat het dossier volledig is en de videobeelden zijn veilig gesteld. Daarnaast is het slachtoffer gehoord. Het visum van de arts maakt ook deel uit van het dossier. Er kan geen sprake zijn van bewijsvertroebeling.
Op grond van het bovenstaande verzoekt de verdediging het Hof om de beschikking van de rechter-commissaris te willen vernietigen en de verlenging van de inverzekeringstelling van de verzoeker onrechtmatig te willen verklaren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat het slachtoffer op 31 januari 2022 aangifte heeft gedaan tegen appellant;
• dat het slachtoffer heeft verklaard dat er op een gegeven moment onenigheid is ontstaan tussen twee spelers van de verschillende voetbalteams. Dat mondde uit in een gevecht waarbij de toeschouwers van het ene voetbalteam de spelers van het andere voetbalteam aanvielen;
• dat de getuige [naam 2] heeft verklaard dat zij op gegeven moment in de richting van de uitgang zijn gerend en dat hij daarbij heeft gezien dat een onbekende man van Javaanse afkomst één van zijn groepsleden, genaamd [naam 3], opzettelijk en met kracht en met behulp van een voorwerp een slag aan zijn gezicht toebracht. De getuige [naam 2] kon niet aangeven om welke voorwerp het ging. Dit gegeven wordt ondersteund door een aantal videobeelden. Op het eerste videobeeld valt te zien dat de appellant aan de kantlijn staat naar de wedstrijd te kijken. Op het tweede videobeeld valt te zien dat de appellant aan het slachtoffer opzettelijk en met kracht een slag toebrengt met behulp van een glazenvoorwerp terwijl het slachtoffer voorbij de appellant rent;
• dat het visum van de arts aangeeft dat het slachtoffer 8 maal multipele snijwonden heeft overgehouden en is doorverwezen naar de plastische chirurg. Een vervolg visum maakt gewag van genezing binnen onbepaalde tijd;
• dat, indien de appellant de medische kosten had willen dekken, hij sinds zijn inverzekeringstelling op 16 februari 2022 daartoe de gelegenheid heeft gehad;
• dat er een dringende noodzakelijkheid is dat appellant blijft aangehouden, omdat er nog onderzoekshandelingen moeten worden gepleegd, waaronder confrontatie met de videobeelden. Daarnaast kan er sprake zijn van bewijsvertroebeling, omdat de appellant vader is van één van de spelers van de tegenpartij;
• dat de verzoeker sinds meet af aan ontkennende verklaringen heeft afgelegd. In casu is niet gebleken van enige gemoedstoestand waarin de verzoeker verkeerde.
Op grond van het bovenstaande vraagt het Openbaar Ministerie om de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 11 maart 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar het oordeel van het Hof is de rode draad in casu of er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding welke aanranding verdediging noodzakelijk en geboden maakt.
Het Hof heeft tijdens het bekijken van de videobeelden geconstateerd dat appellant aan de kantlijn stond toen het slachtoffer hem voorbij rende. Het slachtoffer rende dus, anders dan appellant heeft verklaard, niet in zijn richting op en ook niet op hem af. Toen het slachtoffer de appellant voorbij rende was er geen sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar, een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een noodzakelijke verdediging.
De appellant heeft verder verklaard dat hij hevig was geschrokken toen hij zag dat het slachtoffer op hem afrende. Volgens appellant kon hij niets anders doen dan zichzelf beschermen. Ter bescherming van zijn gezicht en lichaam had hij zijn hand, waarin hij het glas hield, voor zich uitgestrekt. Uit de videobeelden is gebleken dat er geen sprake was van een dreigend gevaar toen het slachtoffer appellant voorbij rende waardoor verdediging niet geboden was.
De appellant heeft verklaard dat het glas door de botsing met het slachtoffer is gevallen en is stukgegaan en heeft het slachtoffer daardoor letsel opgelopen. Uit de videobeelden is ook komen vast te staan dat toen het slachtoffer appellant voorbij rende, de appellant zijn arm waarin hij het glas vasthield opzettelijk voor zich heeft uitgestrekt. Het slachtoffer is op dat moment gewond geraakt en heeft multipele snijwonden aan zijn gelaat opgelopen. Kortom, het slachtoffer rende voorbij de appellant en heeft geen confrontatie met de appellant opgezocht. De handeling van appellant jegens het slachtoffer kan als aanvallend worden gezien. Gelet op het bovenstaande is in casu in voldoende mate komen vast te staan dat er geen sprake is geweest van een noodsituatie waartegen verzoeker zich hoefde te verdedigen.
Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. Appellant dient onder andere nog te worden geconfronteerd met de videobeelden.
Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. Om die reden wordt het door appellant gedane verzoek afgewezen en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam 1];

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op vrijdag 11 maart 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 maart 2022 door: mr. I.S. Chhangur – Lachitjaran, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. S. Punwasi, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. I.S. Chhangur – Lachitjaran
w.g. L. Ravenberg
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-13

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. dinsdag 17 mei 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 08 mei 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 371 jo. 72; 371 jo. 72 jo. 73; 370 jo. 72; 370 jo. 72 jo. 73 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 20 mei 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van vrijdag 20 mei 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op maandag 23 mei 2022 om 08.45 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de appellant en
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. dinsdag 17 mei 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten de inverzekeringstelling, alsmede de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 17 mei 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op vrijdag 20 mei 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant, een jeugdige, tezamen met twee zeer jeugdige vrienden twee kaaimannen uit de ZOO van Paramaribo heeft gesnaaid en heeft opgegeten. De appellant en de medeverdachten hebben het strafbare feit toegegeven;
• dat volgens de appellant het niet in de bedoeling lag om de kaaimannen van de ZOO te vangen. Uiteindelijk hebben zij dat toch gedaan. Het was gewoon als een ‘kiek’ bedoeld;
• dat het niet gaat om een ernstig strafbaar feit waardoor de rechtsorde is geschokt. Het gaat om jeugdige onbezonnenheid en geen ‘die-hard’ criminelen met wie niets meer mee te beginnen valt;
• dat de vader van appellant heeft gesproken tot de directeur van de ZOO en bereid is om nieuwe kaaimannen voor de ZOO te leveren en de overige schade te vergoeden;
• dat de appellant in de examenklas van de MULO school zit en vandaag een schoolonderzoek zou moeten maken, maar de kans daartoe niet heeft gehad;
• dat het noch dringend noodzakelijk noch wenselijk is om appellant langer in detentie te houden;
• dat het jachtgeweer niet aan hem toebehoort. Het jachtgeweer is van een 27-jarige vriend van de appellant die wel in het bezit is van een machtiging en
• dat appellant verkeerd heeft gehandeld en spijt heeft van hetgeen hij heeft gedaan;
Op basis van het bovenstaande vraagt de verdediging om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 17 mei 2022 te vernietigen en om de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant onrechtmatig te verklaren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:
• dat er in casu drie jeugdigen, waaronder appellant, betrokken zijn. Zij hebben bekend waaraan zij zich schuldig hebben gemaakt. De appellant is ingesloten te Post Geyersvlijt;
• dat appellant de nodige pedagogische begeleiding zal krijgen. Er zal een verslag worden gemaakt en appellant zal in het begeleidingstraject worden meegenomen. Bij Opa Doeli zal het onderwijs normaal voortgang vinden en appellant zal in de gelegenheid worden gesteld om zijn schoolonderzoeken te maken. Het is van belang om verzoeker de nodige aandacht en begeleiding te geven;
• dat appellant en de medeverdachten hebben aangegeven op welke wijze zij de kaaimannen hebben meegenomen en hebben mishandeld met een hooivork en een balk. Zij hebben de buik van de kaaimannen opengereten en hebben de eieren eruit gehaald. In casu is er sprake van baldadigheid. Op basis van dierenbescherming en het welzijn van dieren worden deze feiten onder een aparte titel ondergebracht en
• dat het Hof toetst op basis van rechtmatigheid en doelmatigheid.
Op basis van het bovenstaande vraagt de vervolging om het verzoek van de appellant af te wijzen en om de beschikking van de Rechter-Commissaris te bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.
In casu heeft de appellant een volmondige bekentenis afgelegd en verklaard dat hij zich tezamen met zijn jeugdige vrienden wel schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten strafbare feiten. Voorts is het Hof – gelet op de geschetste situatie – van oordeel dat er onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er in casu sprake is van een onderzoeksbelang dat noopt tot verdere vrijheidsbeneming van de appellant. Nu het onderzoeksbelang niet is komen vast te staan is het Hof van oordeel dat er in dit stadium van het onderzoek geen dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen slaagt de verdediging in de door hem opgeworpen grieven en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. 17 mei 2022 worden vernietigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op dinsdag 17 mei 2022.

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart het ingesteld hoger beroep gegrond;

Verklaart de continuering van de inverzekeringstelling van appellant, [naam], onrechtmatig;

Wijst toe het verzoek tot invrijheidstelling van appellant, [naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant, [naam], voornoemd.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 23 mei 2022 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. D. Nanhoe en mr. L. Ravenberg, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-12

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 19 mei 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 29 april 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 188; 279; 279 jo. 72; 279 jo. 73; 278; 2 78 jo. 72; 278 jo. 73 en 229 van het Wetboek van Strafrecht; artikelen 1; 2 en 3 van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering; artikelen 11; 14 en 17 van de Deviezenregeling; artikelen 1; 2 en 3 van de Wet Tegengaan Smokkelen jo. artikelen 1 lid 1 sub 5 en sub 20; 2; 3 en 4 van de Wet Economische Delicten, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 04 mei 2022, ingaande op 06 mei 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 20 mei 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van vrijdag 20 mei 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op maandag 23 mei 2022 om 08.30 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;
• de raadslieden, mr. C.A.F. Meijnaar; mr. B.A.H. Pick en mr. Ch. Algoe;
• de appellant;

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. donderdag 19 mei 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten de inverzekeringstelling, alsmede de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 19 mei 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op vrijdag 20 mei 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadslieden hebben namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat de rechter-commissaris niet heeft gemotiveerd op basis waarvan het verzoek ex artikel 54a Sv. is afgewezen. De gronden die hebben geleid tot de afwijzing van het verzoekschrift zijn geen redelijke gronden;
• dat bij de verlenging van de inverzekeringstelling het onderzoeksbelang nog steeds aanwezig moet zijn en volgens de wet moet er ook een dringende noodzakelijkheid zijn om die persoon langer in detentie te houden. Volgens de vervolging moeten er nog enkele onderzoekshandelingen worden gepleegd en blijkt die dringende noodzakelijkheid uit het confronteren van getuigen met appellant en het opsporen van een voortvluchtige verdachte. Op grond daarvan vindt de vervolging dat het noodzakelijk is om de inverzekeringstelling althans de verlenging daarvan te blijven handhaven;
• dat appellant reeds is gedagvaard voor de zitting van 31 mei 2022 om een aanvang te maken met de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg. Dat wil zeggen dat de vervolging het onderzoek heeft afgerond en dat er verder geen onderzoeksbelang aanwezig is. Wanneer er geen onderzoeksbelang is dan zou het Hof moeten vaststellen dat de inverzekeringstelling danwel de verlenging daarvan ten onrechte wordt voortgezet;
• dat aan appellant in het Tweede Kanton valsheid in geschrifte is ten laste gelegd. De appellant zou gebruik hebben gemaakt van een vervalste H-formulier en zou redelijkerwijs daarvan op de hoogte moeten zijn geweest. Een burger, die bij elke douanier of douanepost een getekend en gestempeld H-formulier kan ophalen, kon niet hebben geweten dat het H-formulier vervalst was;
• dat er nooit een rapport van forensische opsporing is geweest waaruit kan blijken dat er sprake is van valsheid. Het originele formulier is nooit aangetroffen, omdat het bij wijlen inspecteur [naam 2] was achtergelaten. Er is wel een foto van het H-formulier, maar daarmee kan geen valsheid in geschrifte worden vastgelegd;
• dat dit niet de eerste keer is dat de appellant geld heeft weggebracht. De appellant heeft een vuilniszak vol met dergelijke formulieren thuis liggen. Dus, als hij het formulier wilde vervalsen, dan had hij het correcter kunnen vervalsen. De appellant heeft verklaard dat hij meer dan 100 keren met geld in zijn trolley is weggegaan;
• dat appellant wel een H-formulier bij de hand had met opgave van het juiste bedrag. Echter had hij op die dag minder geld bij zich, maar hij had het opgegeven bedrag niet overschreden. Bovendien had de appellant het land op die dag ook niet verlaten;
• dat de trolley van appellant vier keren door de scanner is gegaan. De eerste twee keren zijn er geen foto’s gemaakt. Toen appellant en [naam 3] uit het toilet kwamen is de trolley wederom gescand en plotseling was er geld erin. [naam 2] kende de volgorde van de foto’s niet, omdat hij niets te maken had met appellant. De appellant kende de volgorde van de foto’s wel en heeft naar de camerabeelden gekeken. Hij heeft gezegd dat de foto’s in het dossier in een verkeerde volgorde voorkomen. Tijdens de eerste en tweede scan zijn er geen foto’s gemaakt van de trolley. De derde keer heeft de politie de trolley zonder geld gefotografeerd en de vierde keer is de tas met geld in de trolley gezet waarna er wel foto’s zijn gemaakt;
• dat er op geen enkel moment is komen vast te staan dat er enige overdracht heeft plaatsgehad tussen [naam 2], [naam 3] en appellant. Men zit te gissen. Er kan alleen worden gekeken naar de Wet Economische delicten als er een economisch delict aanwezig is en als er een strafbaar feit is gepleegd. Dat is thans niet aan de orde;
• dat aan appellant in het Derde Kanton onder IA is ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met [naam 2] , thans wijlen, en [naam 3], zonder in het bezit te zijn van een vergunning van het daartoe bevoegd gezag, Euro 524.000,- zou hebben uitgevoerd;
• dat mevrouw [naam 4] van de Deviezencommissie in haar verklaring duidelijk heeft gesteld dat de oude commissie het H-formulier had gewijzigd en aangepast middels een algemene beschikking. De algemene beschikking zou op 15 januari 2020 in werking treden, maar was middels een bekendmaking in de media aangehouden. Toen was het niet duidelijk welk formulier rechtsgeldig was. De wetgever heeft dus de werking van een algemene beschikking zelf terzijde gelegd. In dat geval hoefde niemand een vergunning te hebben om het land met deviezen te verlaten. Om die reden kan aan appellant geen enkel verwijt worden gemaakt dat hij zou hebben gesmokkeld, omdat de algemene beschikking oftewel het nieuwe formulier waarbij er een vergunning vereist was door de Deviezencommissie was aangehouden. Het H-formulier was dus niet komen te vervallen;
• dat het onderzoek duidelijk heeft uitgewezen dat drukkerij Leo Victor voor het laatst in 2009 H-formulieren heeft gedrukt. De Deviezencommissie heeft binnen haar administratie de formulieren vanaf 2017 tot en met 2022 onderzocht en nagetrokken of zij de vergunning zou hebben verstrekt. Daarbij is de deviezencommissie het serienummer niet tegengekomen. In 2019 zijn de laatste formulieren van drukkerij Leo Victor door de Deviezencommissie ontvangen. Men zou het onderzoek vanaf 2009 tot en met 2022 moeten doen, omdat de vergunningen in die periode zijn verstrekt. Diegene die de formulieren heeft gedrukt heeft gezegd dat het wel lijkt op iets wat zij hebben gedrukt en dat zij het serienummer niet kennen, omdat het niet door hun wordt bijgehouden. Nu er gerede twijfel bestaat gaat de vervolging nooit kunnen bewijzen dat het om een vervalste H-formulier gaat;
• dat de Deviezencommissie heeft geantwoord dat zij het H-formulier niet heeft afgegeven aan appellant, maar sluit niet uit dat het H-formulier aan appellant zou zijn verstrekt door een daartoe bevoegde autoriteit. De Deviezencommissie kan dus niet uitsluiten dat het van hun afkomstig is en drukkerij Leo Victor kan niet uitsluiten dat zij het H-formulier wel hebben uitgegeven. Het is belangrijk om te weten dat appellant het H-formulier van de daartoe bevoegde autoriteit heeft gehad. Het voorgaande word niet betwist.
Op basis van het bovenstaande vraagt de verdediging om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 19 mei 2022 te vernietigen, omdat de beslissing niet gemotiveerd is danwel ondeugdelijk gemotiveerd is en om de gronden die hebben geleid tot de inverzekeringstelling danwel de verlenging van de inverzekeringstelling onrechtmatig te verklaren met als gevolg de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat op de camerabeelden valt te zien dat [naam 2] vermoedelijk het geldbedrag in het damestoilet heeft gebracht. Hierna komen appellant en [naam 3] in beeld. Vervolgens wordt er aan appellant, [naam 3] en [naam 2] verzocht om het damestoilet te verlaten. De personen die de bagages hebben gescand en de personen van het BID-team hebben gesteld dat er bij de eerste scan niets te zien was. Nadat appellant, [naam 3] en [naam 2] uit het damestoilet waren gekomen zijn de bagages wederom gescand en daarop was het geld wel te zien. De appellant heeft verklaard dat hetgeen in de trolley van [naam 3] is aangetroffen aan hem toebehoort. Toen is het H-formulier door appellant getoond;
• dat er op basis van de Deviezenregeling sprake is van een algemene beschikking die aangeeft welk bedrag fysiek uitgevoerd mag worden. Er mocht een bedrag tussen de Euro/USD 10.000,- en Euro/USD 50.000,- worden uitgevoerd. Het H-formulier was vanwege de algemene beschikking komen te vervallen. Indien men een bedrag boven de Euro/USD 50.000,- wil uitvoeren dan moet men een vergunning van de Deviezencommissie hebben. Op basis van de algemene beschikking hebben mevrouw [naam 4] en mevrouw [naam 5], die werkzaam zijn bij de Deviezencommissie, aan appellant voorgesteld om het geld giraal over te maken. Zij hebben hem op basis van de algemene beschikking afgeraden om fysiek met het geld weg te gaan;
• dat het in casu gaat om een vervalste H-formulier waarvan er een foto is gemaakt. Uit de foto is gebleken dat het om een replica gaat. Op basis van de innerlijke en de uiterlijke kenmerken kan worden aangetoond dat het gaat om valsheid in geschrifte. De stempelafdruk op het H-formulier, die door de appellant is getoond, heeft een ovale vorm en de benaming ‘invoerrechten’ is in contrario met de authentieke stempel niet afgekort. In de authentieke stempel is het woord ‘invoerrechten’ afgekort met ‘inv.’. Ook de benaming in het midden van de stempelafdruk is verschillend met de authentieke stempel. De bewijsoverwegingen zullen op de zitting ter sprake worden gebracht;
• dat de handtekening op de stempel ook niet is herkend door meneer [naam 6] en het serienummer op het H-formulier klopt ook niet en
• dat de beschikking die op 15 januari 2020 in werking zou treden, was aangehouden. Mevrouw [naam 4] heeft aan appellant verteld wat de algemene beschikking inhoudt en heeft eveneens de geest van de wet aan appellant voorgehouden. De appellant kan dus niet stellen dat hij daarvan niet op de hoogte was. Het H-formulier is pas getoond toen men het geld in de trolley had gevonden. Op het H-formulier was het bedrag van Euro 524.000,- vermeld, maar appellant heeft gezegd dat hij slechts Euro 50.000,- bij zich heeft. De appellant wist dat hij een vergunning nodig heeft om meer dan Euro 50.000,- fysiek weg te brengen. In casu is er slechts een geobjectiveerd redelijk bewijs nodig voor het vermoeden. Ook al is de bewaring niet gevorderd dan nog word de ruimte geboden om verdere onderzoekshandelingen te plegen;
Op basis van het bovenstaande vraagt de vervolging om het verzoek van de appellant af te wijzen en om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 19 mei 2022 te bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang. Bij een verlengde inverzekeringstelling wordt tevens de dringende noodzaak van continuering van de detentiemaatregel getoetst.
Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.
Uit de aan het verzoekschrift aangehechte bijlagen behelzende de bij processen-verbaal afgelegde verklaringen van de getuigen, waaronder de douaneambtenaar, [getuige 1], en de werknemers van de deviezencommissie, mevrouw [naam 5] en mevrouw [naam 4], is er naar het oordeel van het Hof een redelijk vermoeden van schuld gebleken. Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. De appellant dient onder andere nog te worden geconfronteerd met de getuigen. Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. In het verlengde daarvan acht het Hof tevens de dringende noodzaak van de continuering van de detentiemaatregel ten aanzien van appellant geïndiceerd. Immers heeft appellant zich gedurende een langere periode voor de justitiële autoriteiten onvindbaar gehouden hoewel er een algemene opsporingsbericht ten name van hem was gelanceerd. Hetgeen de verdediging voorts heeft aangevoerd dient in de visie van het Hof bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de zitting aan de orde te worden gesteld, weshalve het Hof daaraan zal voorbijgaan.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt de appellant niet in de door hem opgeworpen grieven. Op grond van het voorgaande zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. 19 mei 2022 worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden als hiervoor vermeld.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het door appellant, [naam 1], ingestelde hoger beroep ongegrond;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 19 mei 2022, onder aanvulling van de gronden als hiervoor gegeven;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 23 mei 2022 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)