SRU-HvJ-2007-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14284.

[Appellant], wonende aan [adres 1] in het [district 1], ten deze domicilie kiezende aan de Henck Arronstraat no. 50 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. M.R. Carrilho, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde] , wonende te [adres 2] in het [district 2], ten deze domicilie kiezende aan de Kwattaweg no. 145 te Paramaribo ten kantore van mr. A.E. Debipersad, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. A.E. Debipersad, advocaat,
geïntimeerde in Kort Geding,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 17 november 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna de zaak verwezen werd naar de rolzitting van 2 februari 2007 voor uitlating zijdens partijen;

Overwegende, dat de gemachtigde van appellant een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen geïntimeerde als eiser en appellant als gedaagde op 12 januari 2006 vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken is in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 05/4071, waarvan het dictum luidt:

– Schort op de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan [adres 1], te [plaats];

– Veroordeelt de gedaagde om binnen drie maanden na dagtekening van het vonnis tot ontruiming van het pand staande en gelegen aan [adres 1], te [plaats] over te gaan, met medenemen van al het zijne en al de van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen en het pand ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen;

– Machtigt de eiser om, indien de gedaagde weigeren mocht aan voormelde veroordeling gevolg te geven deze zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de Sterke Arm;

– Veroordeelt de gedaagde om direct na de ontruiming al de bij het litigieuze pand behorende sleutels aan de gemachtigde van de eiser af te geven en wel op straffe van een dwangsom van Srd. 5000,– (vijfduizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat de gedaagde daartoe in gebreke mocht blijven;

– Verbiedt de gedaagde om na de ontruiming het pand te betreden c.q. te doen betreden en wel op straffe van een dwangsom van Srd. 5000,– (vijf duizend Surinaamse Dollar), indien de gedaagde weigeren mocht aan voormelde veroordeling gevolg te geven;

– Verklaart dit vonnis tot zover vermeld onder sub 3, 4, 5 en 6 uitvoerbaar bij voorraad;

– Veroordeelt de gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Srd. 121,– (eenhonderd een en twintig Surinaamse Dollar);

Overwegende, dat appellant van het vonnis van de Kantonrechter in kort geding op 24 januari 2006 in hoger beroep is gekomen;

Overwegende, dat appellant, naar uit de pleitnota, genomen ter terechtzitting van 5 mei 2006, blijkt, grieven tegen het beroepen vonnis heeft ontwikkeld, luidende:

  1. De Kantonrechter heeft geheel ten onrechte en in strijd met de feiten overwogen, ”onder punt 3 van de motivering”, dat appellant, alstoen gedaagde, op 01 november 2005 de achterstallige huurgelden heeft betaald, nadat de onderhavige vordering was ingesteld en desondanks geïntimeerde, alstoen eiser, de huurovereenkomst met appellant, alstoen gedaagde niet wenst voort te zetten.

– Het rapport van N.V. Bovam van 30 april 1999 was aan appellant, alstoen gedaagde, geheel onbekend en is noch aan hem ter hand gesteld, noch aan hem op enigerlei wijze ter kennis gebracht, dat de huur van de litigieuze woning is verhoogd naar SRD 208,33. Trouwens geïntimeerde, alstoen eiser, heeft dit in prima op geen enkele wijze aangegeven of op enigerlei wijze gestaafd.

– Appellant, alstoen gedaagde, heeft altijd prompt de huurpenningen gestort op door geïntimeerde opgegeven rekening [nummer] bij de Hakrinbank N.V. ten name van geïntimeerde.

– Op 01 november 2005 heeft appellant, alstoen gedaagde, geen achterstallige huurpenningen betaald, maar op grond van het door geïntimeerde, alstoen eiser, in fotokopie overgelegd rapport van N.V. Bovam, welk rapport appellant nimmer eerder onder ogen heeft gehad, de bereidheid getoond en de huurverhoging op voormelde rekening gestort. Ter staving hiervan legt appellant in fotokopie aan Uw Hof een zestal stortingsbewijzen over, met het verzoek deze als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

– Appellant, alstoen gedaagde, heeft geen wanprestatie gepleegd en was ook niet in verzuim.

  1. Ten onrechte is de Kantonrechter ”onder punt 4 van Motivering” van oordeel, dat de huurpenningen onregelmatig werden betaald, de huurachterstand na het indienen van de rechtszaak is betaald en dat de wanprestatie reeds bestond bij het indienen van de vordering; hebbende appellant geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en opnieuw rechtdoende geïntimeerde in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren althans hem die als ongegrond en onbewezen te ontzeggen;

Overwegende, dat geïntimeerde blijkens zijn verweer – voorzover ten deze van belang – bij antwoord pleidooi de dato 7 juli 2006 onder meer onweersproken heeft aangevoerd, dat hij de ontruiming reeds heeft bewerkstelligd; dat door woningnood en schromelijke verwaarlozing van het pand gedreven hij, geïntimeerde, terstond na de ontruiming van het pand de verbouwingswerkzaamheden heeft aangevangen; dat hij geïntimeerde, die eigenaar is van het pand, het zelf zal bewonen, vermits hij reeds enkele jaren noodgedwongen in een huurwoning heeft moeten verblijven;

Overwegende, dat geïntimeerde bij dupliek pleidooi de dato 3 november 2006 eveneens onweersproken naar voren heeft gebracht, dat de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden; dat appellant geen enkel belang meer heeft. Het ontruimde pand heeft thans een geheel andere bestemming, n.l. een bedrijfspand met woningruimte. Appellant bewoont het pand thans zelf;

Overwegende, dat voormelde stellingen van geïntimeerde zowel bij antwoord pleidooi de dato 7 juli 2006 als bij dupliek pleidooi de dato 3 november 2006, gevoegd bij de bewering van de procesgemachtigde van geïntimeerde ter comparitie van partijen van 26 januari 2007 dat zij namens geïntimeerde in april 2006 een verzoekschrift bij de gewone rechter heeft ingediend en wederom had ingetrokken, het Hof tot het oordeel doet komen, dat geïntimeerde onder het mom van een voorlopige voorziening een beslissing ten gronde heeft uitgelokt tot het geven waarvan de Kantonrechter in kort geding niet bevoegd is geweest;

Overwegende, dat nu herstel in de vorige toestand ingeval van vernietiging van het beroepen vonnis en het alsnog weigeren van de gevraagde voorzieningen, naar het oordeel van het Hof, rechtens niet meer mogelijk is omdat het door appellant destijds gehuurde pand enkel ter bewoning thans niet meer in zijn oorspronkelijke vorm bestaat en appellant mitsdien bij het door hem ingesteld Hoger beroep daarom geen belang meer heeft, dient hij, appellant, in het door hem ingesteld hoger beroep, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, alsnog niet te worden ontvangen;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn ingesteld Hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding op 12 januari 2006 gewezen;

Veroordeelt de appellant in de kosten van het Hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen en tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advocaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President,

H.E. Struiken, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 20 april 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. C.J. Halfhuid namens advocaat mr. M.R. Carrilho, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.

 

 

SRU-HvJ-2007-30

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14286.

[Appellant], wonende aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no. 76, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. Sohansingh, advocaat,
appellant in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde sub 1], handelende onder de naam “[handelsnaam 1]” en [Geïntimeerde sub 2] handelende onder de naam “[handelsnaam 2]”, respectievelijk gevestigd aan [adres 2] en aan [adres 3], beide te [plaats] en ten deze domicilie kiezende ten kantore van mr. M.A. Castelen, kantoorhoudende aan de Watermolenstraat 18 en aan de Keizerstraat no. 40 boven, voor wie als gemachtigden optreden, mr. M.A. Castelen en mr. L.E. Palmburg, advocaten,
geïntimeerden in Kort Geding,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  • het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding van 23 juni 2005 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  • het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 27 juni 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [Geïntimeerde sub 1] en anderen als eisende partijen in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding hebben gewend daarbij stellende:

  1. Dat gedaagde sinds vrijdag, 17 december 2004 een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de Surinaamse dagbladen, waarin de namen van eisers, als parfum handelszaken, expliciet genoemd zijn alsmede twee parfum merken met onjuiste prijzen (vide prod.A).
  2. Dat bovengenoemde advertentie naar de aard gekwalificeerd kan worden als een refererende/vergelijkende reclame zijnde een species van het genus aanleunen.
  3. Dat deze vergelijkende/refererende reclame vol onjuiste, onvolledige en bovenal misleidende informatie zit, waardoor de onderhavige reclame advertentie is een wijze van ongeoorloofde mededinging, namelijk het afbreken van eisers middels onwaarheden ten faveure van zichzelf. Gedaagde heeft compleet in strijd gehandeld met de zorgvuldigheidsnorm zoals geformuleerd in het Lindebaum Cohen arrest van 31 januari 1919, waardoor met recht gesteld kan worden dat hij zich onrechtmatig gedraagt tegenover eisers met als gevolg schade in de vorm van omzetderving hetgeen verder resulteert in enorme financiële schade aan de zijde van eisers.
  4. De onjuiste, onvolledige en bovenal misleidende informatie in de gewraakte reclame advertentie ten gevolge waarvan eisers schade lijden, zijn de volgende:
  5. gedaagde doet voorkomen alsof er een Stichting Consumenten Onderzoek i.o. bestaat. Na onderzoek in het Openbaar Stichtingen Register is gebleken dat deze Stichting niet bestaat althans niet is ingeschreven in het betreffende register. Maar zelfs als de stichting zou bestaan zou de handeling van gedaagde in strijd zijn met de goede zeden omdat hij als direct belanghebbende nimmer een dergelijk consumentenonderzoek met zulke gunstige uitkomsten voor zijn eigen parfumzaken zou mogen publiceren.
  6. Gedaagde is directeur eigenaar van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2]. Uit de publicatie blijkt dat uitgerekend deze twee zaken tegen de laagste prijs de twee parfum merken aanbieden.
  7. De advertentie doet in tegen stelling tot de werkelijkheid vermoeden dat het door een Stichting ter publicatie is aangeboden, echter is het gedaagde die de advertentie ter publicatie aan de dagbladen heeft aangeboden.
  8. In de kop van de advertentie geeft gedaagde aan dat uit onderzoek door een Stichting gebleken is dat de consument te veel betaald voor parfums, zonder expliciet aan te geven voor welke parfums er te veel betaald wordt. In de publicatie worden slechts twee merken genoemd, terwijl zowel eisers als gedaagde een tiental merken parfum verkopen. De overige merken zijn buiten het onderzoek en zeker buiten de publicatie gebleven.
  9. Verder zijn, op basis van willekeur en uit redenen van oneerlijke concurrentie in de advertentie wel expliciet de namen van onder andere eisers genoemd, maar wordt het rijtje afgesloten met winkel X en winkel Y.
  10. Verder heeft gedaagde verzuimd aan te geven of het in zijn vergelijking gaat om eau de parfum of eau de toilette omdat het parfum kenners en dus zeker een specialist als gedaagde bekend is dat de prijzen ingeval van eau de parfum en eau de toilette een groot verschil aangeven.
  11. Ook is niet aangegeven op welke periode de onderzoeksresultaten betrekking hebben. De lezer en met name de consument wordt hierdoor in verwarring gebracht, een verwarring die in eisers hun nadeel uitpakt en duidelijk in gedaagdes voordeel.
  12. Ook de prijs weergave zoals opgenomen in de advertenties is niet juist en wordt door eisers ontkend. Het betreft in elk geval niet de actuele prijs weergave.
  13. Dat gedaagde de advertentie in zowel de Nederlandse als de Portugese taal heeft doen publiceren en dus bewust een groter publiek misleid.
  14. Dat de onrechtmatige handeling van gedaagde continue van karakter is en zelfs naar schatting weken zoniet maanden na de laatste publicatie nog schade aan eisers hun reputatie/goodwill zal berokkenen.
  15. Dat gedaagde duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij niet bereid is zijn ongeoorloofde reclame advertentie in te zullen trekken, redenen waarom eisers hem uiteindelijk op 20 december 2004 hebben aangemaand tot het intrekken, niet meer publiceren van de reclame advertentie en daarnaast een rectificatie te plegen van zijn onzedelijke handeling middels een advertentie (vide prod.B). Dat gedaagde ondanks de aanmaning weigerachtig is gebleven.
  16. Dat nu uit de houding van gedaagde overtuigend gebleken is dat hij niet bereid is de door eisers gevraagde correcties te plegen, zij recht en belang hebben om in rechte te vorderen dat gedaagde daartoe veroordeeld wordt. Het belang van eisers bij een onverwijlde voorziening bij voorraad is, omdat door de allerminst constructief te noemen houding van gedaagde, eisers thans enorme omzetderving lijden, daar deze periode van het jaar de grootste omzet behaald wordt vanwege de aanschaf van kerst en oud- op nieuwjaars presentjes, in de vorm van parfum. Eisers ervaren de houding van gedaagde daarom als zeer onmaatschappelijk en onrechtvaardig. Reden waarom eisers graag voor 24 december 2004 een uitspraak van de rechter tegemoet zien in onderhavige kwestie.
  17. Voorts vloeit eisers hun spoedeisend belang bij een onverwijlde voorziening in kort geding voort uit het feit dat zij reflecterend op het afgelopen jaar hun voorraden parfum hebben aangevuld voor de verwachte toename van aankopen, maar vanwege de gewraakte reclame van gedaagde reeds nu merken dat de toename van klanten, buiten de vaste clientèle uitblijft, waardoor de gepleegde investeringen dreigen niet te worden terug verdiend. Hetgeen een directe aanslag is op de voortzetting van de parfumerie afdeling.
  18. Dat de geschatte omzetderving van eisers per dag bedraagt 30% van de omzet in december hetgeen neerkomt op Euro 1200,– waardoor tot op heden de voorlopige begrootte schade bedraagt Euro 6.000,– alsmede de kosten voor rechtsbijstand van SRD 1.200,–.

Met het verzoek alle hierbij ten bewijze in kopie overgelegde producties, als letterlijk herhaald en geinsereerd te willen beschouwen.

Overwegende, dat de eisende partijen op deze gronden hebben gevorderd:

Dat gedaagde bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad ondanks verzet of hoger beroep zal worden veroordeeld, om met onmiddellijke ingang:

  1. De gewraakte reclame advertenties in te trekken bij de verschillende dagbladen en overige media.
  2. Opdracht te geven aan alle dagbladen om met ingang van de dag van uitspraak, de gewraakte reclame advertenties niet meer in hun bladen te plaatsen.
  3. Een even grote advertentie als de gewraakte, in zowel de Nederlandse als de Portugese taal, te plaatsen in alle dagbladen, met als inhoud, dat: hij ter bevordering van zijn eigen omzet vanaf vrijdag 17 december 2004, bewust een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de dagbladen, bevattende onjuiste en onvolledige informatie omtrent zijn concurrent parfum zaken “[handelsnaam 1]” en “[handelsnaam 2]”, betreffende twee niet compleet gespecificeerde parfum merken. Ook dat hij zich bediend heeft van een fictieve stichting en fictieve onderzoeksresultaten.
  4. Verder om aan eisers bij wijze van voorschot te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting SRD 1.200,– zijnde de door de onrechtmatige daad gedreven kosten voor rechtsbijstand, binnen een buiten proces alsmede het voorlopig begrootte bedrag van Euro 6.000,– zijnde omzet derving als gevolg van de onrechtmatige daad zijdens gedaagde.
  5. Tevens Euro 1.200,– zijnde de dwangsom voor iedere dag waarop gedaagde nalatig blijft uitvoering te geven aan het vonnis.

Overwegende, dat [appellant] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

Dat eisers in hun onderhavige vordering niet ontvankelijk worden verklaard c.q. hun de gevraagde voorziening wordt geweigerd als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 23 juni 2005 op de daarin opgenomen gronden:

Gedaagde heeft veroordeeld om de gewraakte reclame advertenties in te trekken bij de verschillende dagbladen en de overige media.

Gedaagde heeft veroordeeld om alle dagbladen vanaf dagtekening van het vonnis opdracht te geven, de gewraakte reclame advertenties niet meer in hun bladen te plaatsen.

Gedaagde heeft veroordeeld om een even grote advertentie als de gewraakte, in zowel de Nederlandse als de Portugese taal, te plaatsen in alle dagbladen, met als inhoud, dat: hij ter bevordering van zijn eigen omzet vanaf vrijdag 17 december 2004, bewust een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de dagbladen, bevattende onjuiste en onvolledige informatie omtrent zijn concurrent parfum zaken “[handelsnaam 1]” en “[handelsnaam 2]”, betreffende twee niet compleet gespecificeerde parfum merken. Ook dat de gedaagde zich bediend heeft van een fictieve stichting en fictieve onderzoeksresultaten.

Dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

Gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 90,– (Negentig Surinaamse dollar).

Hetgeen meer of anders is gevorderd heeft afgewezen.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal, [appellant], in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 23 juni 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder DASIMIN TOEKIMIN van 27 maart 2006 aan geïntimeerden aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van appellant bij repliek pleidooi producties overgelegd, wordende de inhoud -alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna aanvankelijk vonnis in de zaak had bepaald op 15 december 2006, doch nader op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier tussen geïntimeerden als eisers en appellant als gedaagden op 23 juni 2005 door de Kantonrechter in Kort Geding vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum luidt;

  1. Veroordeelt gedaagde om de gewraakte reclame advertenties in te trekken bij de verschillende dagbladen en de overige media.
  2. Veroordeelt gedaagde om alle dagbladen vanaf dagtekening van het vonnis opdracht te geven, de gewraakte reclame advertenties niet meer in hun bladen te plaatsen.
  3. Veroordeelt gedaagde om een even grote advertentie als de gewraakte in zowel de Nederlandse als de Portugese taal te plaatsen in alle dagbladen, met als inhoud, dat hij ter bevordering van zijn eigen omzet vanaf vrijdag, 17 december 2004, bewust een reclame advertentie heeft doen plaatsen in de dagbladen, bevattende onjuiste en onvolledige informatie omtrent zijn concurrent parfum zaken “[handelsnaam 1]” en “[handelsnaam 2]”, betreffende twee niet compleet gespecificeerde parfum merken. Ook dat de gedaagde zich bediend heeft van een fictieve stichting en fictieve onderzoeksresultaten.
  4. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
  5. Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 90,– (Negentig Surinaamse dollar).
  6. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellant als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advokaat, die volgens dat vonnis als zijn gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de Griffier mededelen;

dat de bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, de dienstbrief op 7 oktober 2005 aan appellant is verzonden en nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, het Hof ervan uitgaat dat de dienstbrief de geadresseerde, in casu appellant, heeft bereikt;

Overwegende, dat appellant binnen 14 dagen ná 7 oktober 2005, van het vonnis de dato 23 juni 2005 in hoger beroep had moeten komen bij het Hof;

Overwegende, dat uit het procesdossier niet blijkt dat hij van bedoeld rechtsmiddel binnen gemelde periode gebruik heeft gemaakt;

Overwegende, dat uit het procesdossier wel blijkt, dat appellant op 27 juni 2005 hoger beroep aangetekend heeft hetgeen het Hof geheel prematuur acht omdat niets, appellant in de weg stond – het tegendeel is gesteld noch gebleken – van het middel van hoger beroep gebruik te maken in de periode, gelegen tussen 7 oktober 2005 en 21 oktober daaraanvolgend;

Overwegende, dat nu appellant in casu niet op de bij de voorgeschreven wijze hoger beroep tegen het vonnis de dato 23 juni 2005 aangetekend heeft, rest het Hof niets anders dan hem daarin niet te ontvangen en dat hij de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerden gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellant niet ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in Kort Geding op 23 juni 2005 gewezen;

Veroordeelt hem in de kosten aan de zijde van geïntimeerden gevallen tot dusverre begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan hun advocaat voor het door hen gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advocaat van de appellant eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President,

Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 5 januari 2007, in tegenwoordigheid van

Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advokaat Mr.M.Sheombar namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh en geïntimeerden vertegenwoordigd door de advokaten Mr.C.B.Lachmon en Mr.E.Naarendorp namens hun gemachtigden, advokaten Mr.M.Castelen en Mr.L.E.Palmburg, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

 

SRU-HvJ-2007-29

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL: 14308

[Appellante], wonende te [plaats] aan [adres 1], ten deze domicilie kiezende aan de Prins Hendrikstraat no. 76, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. R. Sohansingh, advocaat,
appellante,

t e g e n

[Geïntimeerde], echtgenoot van [Appellante], wonende te [plaats] aan [adres 2], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Costerstraat no. 77, ten kantore van mr. R.U.F. Truideman, voor wie als gemachtigde optrad, mr. R.U.F. Truideman, die thans vervangen wordt door mr. F.F.P. Truideman, advocaat,
geïntimeerde,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 2 november 2005 tussen partijen gewezen;
  1. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 7 november 2005, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Blijkens de hierbij in fotokopie overgelegde huwelijksakte is eiser op 10 juni 1992 in het [district], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [appellante], wonende te [plaats] aan [adres 1], gedaagde;
  2. Uit gedaagde zijn er twee kinderen geboren, die thans nog in leven zijn, te weten: A. [naam 1] op 22 juli 1982 te Paramaribo en B. [naam 2] op 10 juni 1986 te Paramaribo. Het sub A genoemde kind is inmiddels MEERDERJARIG;
  3. Eiser heeft het sub A genoemde kind op 18 augustus 1982 erkend, terwijl eiser het sub B genoemd kind op 10 november 1986 heeft erkend. Op 10 juni 1992 werden beide kinderen GEWETTIGD door het opvolgend huwelijk van eiser en gedaagde (de ouders);
  4. Het boven vermeld huwelijk van partijen is echter reeds ETTELIJKE JAREN DUURZAAM ONTWRICHT. Partijen wonen op afzonderlijke adressen en hebben dus gescheiden huishoudens en ook gescheiden levens. Partijen zijn al helemaal vervreemd van elkander;
  5. Voorts is het zo, dat er grote karakterverschillen bestaan tussen partijen, waardoor het voortzetten van dit huwelijk alleen maar tot grotere frustraties en problemen zal leiden. Uiteraard zal dit niet alleen zijn invloed hebben op de geestelijke gesteldheid en/of gezondheid van eiser, maar ook op dat van gedaagde. Ook zal dit zijn weerslag hebben op de kinderen;
  6. Eiser is op grond van het bovenstaande dan ook zonder meer gerechtigd om een vordering tot echtscheiding tegen zijn echtgenote voornoemd aan te vragen, een en ander op basis van het feit dat het huwelijk duurzaam is ontwricht;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

  1. dat bij vonnis de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen gehuwd op 10 juni 1992 in het [district], met alle wettelijke gevolgen van dien;
  2. dat gedaagde zal worden veroordeeld om binnen een door de rechter vast te stellen termijn over te gaan tot de scheiding en verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris en twee onzijdige personen conform de wet en het gebruik;
  3. dat de dag en het uur zal worden bepaald voor het te houden familieverhoor in verband met de voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij over het ten rekeste genoemde minderjarige kind, [naam 2];

Overwegende, dat [appellante] als gedaagde partij in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiser niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering wordt afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek hun stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter bij vonnis van 2 november 2005 op de daarin opgenomen gronden:

De echtscheiding tussen [geïntimeerde] en [appellante], gehuwd op 10 juni 1992 te [plaats], heeft uitgesproken.

Heeft bepaald, dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij, zal worden gehouden op dinsdag, 4 april 2006 in één der zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no.79-81 te Paramaribo om 8.30 uur.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarin partijen zijn gehuwd heeft bevolen.

Heeft benoemd tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zullen plaatsvinden, Mr.D.Alexander, notaris residerende te Paramaribo, of diens waarnemer of opvolger, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis omtrent de keuze van een notaris niet zijn overeengekomen;

Heeft benoemd tot onzijdig persoon:

voor de vrouw: Mr.F.Thijm, advokaat

voor de man: Mr.A.Kanhai, advokaat;

voor het geval een partij weigert of nalatig blijft aan de verdeling mee te werken;

De proceskosten heeft gecompenseerd tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 7 november 2005, [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 2 november 2005;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Dasimin Toekimin van 10 augustus 2006 aan geintimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, tussen appellante als gedaagde en geintimeerde als eiser, op 2 november 2005 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton vonnis is gewezen en uitgesproken, waarvan het dictum luidt;

Spreekt uit de echtscheiding tussen: [geïntimeerde] en [appellante], gehuwd op 10 juni 1992 te [plaats].

Bepaald, dat het familieverhoor ter voorziening in de voogdij en de toeziende voogdij, zal worden gehouden op dinsdag, 4 april 2006 in één der zalen van dit Kantongerecht aan de Frederik Derbystraat no.79-81, te Paramaribo om 8.30 uur.

Beveelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen zijn gehuwd.

Benoemt, indien partijen binnen een maand na de inschrijving van dit vonnis omtrent de keuze van een notaris niet zijn overeengekomen, tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling zullen plaatsvinden, Mr.D.Alexander, notaris residerende te Paramaribo, of diens waarnemer of opvolger.

Benoemt, voor het geval een partij weigert of nalatig blijft aan de verdeling mee te werken, tot onzijdig persoon:

voor de vrouw: Mr.F.Thijm, advokaat

voor de man: Mr.A.Kanhai, advokaat;

Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellante als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest daarbij evenmin aanwezig was de advokaat en die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting tegenwoordig is, de Kantonrechter de inhoud van ieder vonnis bij aangetekende dienstbrief door de Griffier doet mededelen;

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, de dienstbrief als bedoeld in voormeld artikellid op 24 februari 2006 aan appellante is medegedeeld;

Overwegende, dat appellante, naar eveneens uit het procesdossier blijkt, op 7 november 2005 hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis de dato 2 november 2005;

Overwegende, dat blijkens artikel 264 lid 3 van eerder gemeld Wetboek de termijn voor hoger beroep dertig dagen is, gerekend van de dag der uitspraak, of indien de eiser in beroep bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens het Wetboek is medegedeeld;

Overwegende, dat volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voormelde mededeling aan appellante is gedaan op 24 februari 2006, op welke datum de appeltermijn ingevolge artikel 264 lid 3, een aanvang nam;

Overwegende, dat, nu appellante niet conform het bepaalde in artikel 264 lid 3 in verband met artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering appel aangetekend heeft tegen het op 2 november 2005 gewezen en uitgesproken vonnis, rest het Hof niets anders dan haar, bespreking van de tegen het beroepen vonnis ontwikkelde grieven als niet langer relevant geheel in het midden latend, niet ontvankelijk te verklaren in haar tegen dat vonnis ingesteld beroep en de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geintimeerde gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 2 november 2005 gewezen;

Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geintimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan zijn advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.H.E.Struiken, Lid en Mr.A.Charan, Lid-Plaatsvervanger en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 januari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-28

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO.14316

[Appellante], handelende onder [handelsnaam], wonende aan [adres 1] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no.8, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
appellante in Kort Geding,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende aan [adres 2] in het [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Prins Hendrikstraat 76 bij het Advokatenkantoor Essed & Sohansingh, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.Sohansingh, advokaat,
geintimeerde in Kort Geding,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  1. het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in Kort Geding van 1 maart 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  2. het proces-verbaal van de Griffier van het Eerste Kanton van 18 mei 2006, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt, dat [geïntimeerde] als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, gewend daarbij stellende:

  1. Eiseres wenst de navolgende vordering in Kort Geding in te stellen tegen: [Appellante], handelende onder [handelsnaam], wonende aan [adres 1] in het [district], gedaagde;
  2. 2. Huurkoopovereenkomst

Eiseres heeft op 22 april 2005 van gedaagde op huurkoopbasis gekocht en gelijk gedaagde aan eiseres op huurkoopbasis heeft verkocht, een tweedehandse voertuig van het merk Ssangyoung Musso, bouwjaar 1997, voor de koopsom van Us$ 15.000,– (vijftienduizend Amerikaanse dollars) (produktie no.1). Op vorenvermeld datum heeft eiseres aan gedaagde betaald een bedrag van US$ 14.000,– (veertienduizend Surinaamse dollars) (produktie no.2), latende een saldobedrag van US$ 1.000,– (éénduizend Amerikaanse dollars), welk bedrag op 17 mei 2005 volledig is voldaan (produktie no.3). De volledige koopsom is dus betaald aan gedaagde.

  1. 3. Ruilovereenkomst

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat eiseres zou kopen het voertuig van het merk Ssangyoung Korando, groen gelakt, bouwjaar 1997, voor de Koopsom van US$ 15.000,– (vijftienduizend Amerikaanse dolars). Echter bleek er een onderdeel van dit voertuig defect te zijn, waardoor het voertuig niet reed. Door gedaagde is toen aan eiseres aangeboden voorlopig de Musso te nemen c..q. te kopen en als het onderdeel geplaatst zou zijn in de Korando, eiseres de Korando kon komen halen en de Musso teruggeven aan gedaagde. Tot dan zou eiseres de Musso mogen gebruiken en rijden. Tussen partijen is er vervolgens dus een ruilovereenkomst tot stand gekomen, inhoudende dat gedaagde het ontbrekende onderdeel van de Korando zou laten kopen of importeren en dat de gekochte Musso geruild zou worden met de Korando. Uit de hierbij overgelegde produkties no’s 4 en 5 blijkt dat er een ruilovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.

4.Wanprestatie c.q. onrechtmatige daad

Eiseres heeft gedaagde herhaalde malen verzocht om de Ssang young Korando aan haar te leveren. Gedaagde heeft eiseres steeds medegedeeld dat zij nog moet wachten aangezien het onderdeel nog niet in voorraad is. Omstreeks juni 2005 was gedaagde nog niet overgegaan tot de levering van de Ssangyoung Korando. Eiseres heeft zich toen gewend bij de politie. Gedaagde heeft toen bij monde van [naam 1] – echtgenoot van gedaagde – aan de Inspecteur van Politie, Otmar Armand Thijssen, de toezegging gedaan de Ssangyoung Korando nog dezelfde dag te leveren aan eiseres. Gedaagde heeft zich niet aan haar woord gehouden. Indien nodig, is Inspecteur van Politie, Otmar Armand Thijssen bereid aan de Kantonrechter terzake het voorgaande een verklaring ter terechtzitting af te leggen. Thans zijn er als bijkans 5 maanden verstreken en heeft eiseres nog niet over haar Ssangyoung Korando kunnen beschikken. Door alzo te handelen pleegt gedaagde wanprestatie c.q een onrechtmatige daad jegens eiseres, als gevolg waarvan eiseres schade lijdt en voor welke schade gedaagde aansprakelijk is. De Musso bleek ook nog vele gebreken te vertonen, waardoor eiseres constant in de kosten wordt gejaagd. Immers, ondanks herhaalde aandringen van eiseres weigert gedaagde de kosten van de Musso te vergoeden en weigert zij de Korando af te geven, zonder enig opgaaf van reden dan wel zonder enig gegronde reden. Gedaagde handelt dan ook onrechtmatig jegens eiseres. Eiseres heeft ook getracht de huurkoopovereenkomst en de ruilovereenkomst met gedaagde te ontbinden en de Musso terug te geven, doch gedaagde wenst daaraan ook niet mee te werken, als gevolg waarvan eiseres met alle schade zit.

  1. Spoedeisend belang.

Eiseres wordt steeds in de kosten gejaagd aangezien de Musso constant gebreken vertoont (produktie no. 6) en niet in rijdende staat is. Eiseres ontbeert dan ook een in goede staat verkerende voertuig. Zij heeft dan ook een spoedeisend belang bij onderhavige vordering. Immers zij heeft US$ 15.000,– voor een voertuig betaald die blijkt absoluut niet te deugen en niet in goede staat is, terwijl zij recht en belang heeft op een in goede staat zijnde Korando, zoals overeengekomen. Door het ontberen van een in goede staat verkerende voertuig kan eiseres zich niet vrijelijk verplaatsen, weshalve er onverwijld een voorziening bij voorraad gewenst is.

  1. De Kantonrechter wordt verzocht de hierbij overgelegde produkties no.1 t/m 6 hier als ingelast en woordelijk herhaald te willen beschouwen.

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:

Primair:

Gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak, althans een binnen door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, aan eiseres te leveren een in goede en rijdende staat verkerende Ssangyoung Korando, groen gelakt, bouwjaar 1997, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000,– (tienduizend Surinaamse Dollars) per dag, voor ieder dag dat gedaagde in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.

Subsidiair:

  1. zal worden geschorst c.a. (lees: c.q) zal worden opgeschort, de tussen partijen bestaande huurkoopovereenkomst en ruilovereenkomst.
  2. Gedaagde zal worden veroordeeld om binnen 1 x 24 uur na de uitspraak, althans een binnen door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, aan eiseres terug te betalen het bedrag van US$.15.000,– (vijftienduizend Amerikaanse dollars), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van rechtsingang tot aan die der algehele voldoening, Kosten rechtens.

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis in Kort Geding van 1 maart 2006 op de daarin opgenomen gronden:

  1. De gedaagde heeft veroordeeld om binnen twee dagen na dagtekening van het vonnis, aan eiseres te leveren een in goede en rijdende staat verkerende Ssangyoung Korando, groen gelakt, bouwjaar 1997;
  2. De gedaagde heeft veroordeeld om ten titel van dwangsom aan eiseres te betalen de som van Srd.10.000,– (TIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) per dag, voor iedere dag dat gedaagde ingebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.
  3. Dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.
  4. De gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 139,– (HONDERD NEGENENDERTIG SURINAAMSE DOLLAR)
  5. Hetgeen meer of anders gevorderde heeft afgewezen.

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal [appellante] in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis in Kort Geding van 1 maart 2006;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Denny Armand van Brussel van 10 januari 2007 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen te dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoord pleidooi produkties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde produkties – hier als ingelast dient te worden beschouwd.

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellante als gedaagde en geïntimeerde als eiseres vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken is op 1 maart 2006 in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 05/4665, waarvan het dictum luidt:

  1. Veroordeelt de gedaagde om binnen twee dagen na dagtekening van het vonnis, aan eiseres te leveren een in goede en rijdende staat verkerende Ssangyoung Korando, groen gelakt, bouwjaar 1997;
  1. Veroordeelt de gedaagde om ten titel van dwangsom aan eiseres te betalen de som van Srd.10.000,– (TIENDUIZEND SURINAAMSE DOLLAR) per dag, voor iedere dag dat gedaagde ingebreke blijft aan dit vonnis te voldoen.
  1. Verklaart dit vonnis tot zover vermeld uitvoerbaar bij voorraad;
  1. Veroordeelt de gedaagde in de proceskosten aan de zijde van de eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 139,- (HONDERD NEGENENDERTIG SURINAAMSE DOLLAR);
  1. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Overwegende, dat appellante als gedaagde in eerste aanleg niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advokaat die volgens dat vonnis als haar gemachtigde op trad;

Overwegende, dat naar voorts uit het procesdossier blijkt, aan appellante bij dienstbrief de dato 7 april 2006 door de griffier ingevolge artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mededeling is gedaan van de inhoud van gemeld vonnis;

Overwegende, dat, naar wijders uit het procesdossier blijkt, appellante op 18 mei 2006 in hoger beroep gekomen is van het vonnis de dato 1 maart 2006, en mitsdien 41 dagen nadien in beroep is gekomen, terwijl de wet slechts een termijn van 14 dagen toestaat;

Overwegende, dat appellante derhalve niet ontvankelijk is in

het ingestelde beroep en de kosten van het geding in hoger beroep gevallen zal moeten dragen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP IN KORT GEDING:

Verklaart appellante niet ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding gewezen en uitgesproken op 1 maart 2006;

Veroordeelt haar in de kosten aan de zijde van geïntimeerde op de procedure in hoger beroep gevallen tot dusver begroot op SRD 150,–

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door haar gehouden pleidooi toegekende salaris van SRD 150,–;

Bepalen het Hof het salaris van de advokaat van de appellante eveneens op SRD 150,–;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.von Niesewand, President, Mr.D.D.Sewratan, Lid en Mr.A.Charan, Lid-plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 6 juli 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advokaat Mr.C.P.B. Baal namens haar gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en geintimeerde vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens haar gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

Voor Afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld.

 

 

 

SRU-HvJ-2007-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

GENERALE ROL NO. 14323

DE EUROPESE UNIE, gevestigd in België, mede kantoorhoudende in Suriname aan de Dr.Sophie Redmondstraat no. 239, ten deze domicilie kiezende aan de mr. H.R. Lim A Postraat no. 1, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F. Kruisland, advocaat,
appellante,

t e g e n

[Geïntimeerde], wonende te [plaats] in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 3, ten kantore van het advocatenkantoor “METRIKO”, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. I.D. Kanhai, advocaat,
geïntimeerde,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding waaronder:

  • het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton van 15 mei 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;
  • het proces-verbaal van de Griffier der Kantongerechten van 24 mei 2006, waaruit blijkt van het instellen van hoger beroep;

Gehoord partijen bij monde van haar respectieve advokaten;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat uit de stukken van het geding in eerste aanleg blijkt dat [geïntimeerde], als eisende partij in eerste aanleg zich bij verzoekschrift tot de Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat eiseres de hierna volgende vordering wenst in te stellen tegen de EUROPESE COMMISSIE, rechtspersoon, gevestigd in België mede kantoorhoudende in Suriname aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 239 hierna te noemen gedaagde sub a en DE EUROPESE UNIE, gevestigd in België, mede kantoorhoudende in Suriname aan de Dr. Sophie Redmondstraat no. 239, hierna te noemen gedaagde sub b.
  2. dat eiseres in het jaar 1976 in dienst is getreden van gedaagde sub b, die zich door gedaagde sub a heeft laten vertegenwoordigen, welk verband voornamelijk werd beheerst door de binnen de organisatie van gedaagde sub b geldende arbeidsvoorwaarden met name een letter of appointment gedateerd 1 januari 1984 en “the conditions of employment for local staff serving in commission delegations” zijnde de condities die de relatie eiseres en gedaagden beheerst, kopieën hiervan genummerd produktie 1 en 2 worden ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;
  3. dat eiseres in het jaar 1997 en wel op 31 december 1997 om voor haar moverende redenen, ontslag heeft genomen, althans de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden heeft beëindigd, bij welke beëindiging eiseres en gedaagden met elkaar zijn overeengekomen, dat aan eiseres nog moet worden uitbetaald de somma van Ecu. 87.118,18,–, welk bedrag is opgebouwd uit de in die door de vertegenwoordiger van gedaagde sub b getekende verklaring waarvan een kopie wordt ingesloten en genummerd produktie 3, in welke verklaring door gedaagden heel nadrukkelijk wordt verklaard het navolgende te weten “overview of sums due to [geïntimeerde] ETC ETC” hetgeen niet anders vertaald kan worden dan bedragen verschuldigd aan eiseres;
  4. dat door gedaagden na te zijn verklaard op 5 december 1997 verschuldigd te zijn aan eiseres het bedrag genoemd in die verklaring, gedaagde terug is gekomen op deze verklaring middels een schrijven gedateerd 29 december 1997 en genummerd produktie 4, in welk schrijven door het Hoofdkantoor de mededeling wordt gedaan, dat het hoogst verdiende salaris normaliter moet zijn de laatste maand en of dienstjaar hetgeen onjuist is en een verkeerde interpretatie is van specific conditions of employment, immers de produktie 1 en 2 met name produktie 2 geeft middels voorbeelden aan op welke wijze de uitkering of te wel severance grant dient te worden berekend, immers het laatst genoten salaris hoeft niet altijd het hoogste te zijn, en zeker niet indien het salaris uit twee componenten bestaat;
  5. dat gedaagden geheel in strijd met de reeds toegepaste methode met betrekking waartoe wordt verwezen naar de producties genummerd 5 waarin door gedaagden bij de berekening van de uitkering is gehanteerd het hoogst genoten salaris volgens de officiële koers zijnde een afgeleide van de 5% bijdrage waardoor het hoogst genoten salaris bleek te zijn dat van augustus 1993 op basis waarvan aan deze mevrouw de uitkering is geschied, vermeldenswaard is dat deze berekening en de daarop gevolgde uitkering dateerd van 31 oktober 1997 twee maanden voor het ontslag van eiseres;
  6. dat eiseres bij schrijven van 25 mei 1998 en 30 december 1997 gedaagden erop heeft geattendeerd, dat de door haar gevolgde berekening niet juist is, althans een verkeerde interpretatie is van het desbetreffende artikel en de toepassing daarvan enige maanden terug weshalve geheel in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou zijn, van welk schrijven kopieën worden ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;
  7. dat gedaagden bij exploit van de Deurwaarder bij het Hof van Justitie d.d. 4 december 1998 is aangezegd het tussen partijen afgesproken bedrag d.d. 5 december 1997 aan haar uit te betalen, immers partijen zijn bij het ontslag, het in die verklaring genoemd bedrag overeengekomen en kunnen gedaagden zich niet eenzijdig onttrekken daaraan (produktie 8);
  8. dat gedaagde sub a in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van gedaagde sub b bij schrijven d.d. 15 december 1997 eiseres de mededeling doet, dat het hoogst door haar genoten salaris moet zijn het salaris van 1997 opnieuw vervallende in dezelfde fout van welk schrijven genummerd produktie 9 eveneens een kopie wordt ingesloten met het verzoek de inhoud daarvan als hier letterlijk herhaald en geinsereerd te willen aanmerken;
  9. dat gedaagde sub a in de gemelde hoedanigheid bij schrijven d.d. 26 januari 1998 terugkomt op haar schrijven d.d. 15 december 1997 en alle voorgaande correspondenties aan eiseres de mededeling doet dat zijdens haar bij een juiste interpretatie van artikel 31.5 blijkt dat het hoogst genoten salaris het salaris van 1995 blijkt te zijn echter ook dat is onjuist immers blijkt uit de staat van het door eiseres genoten salaris dat haar salaris vanaf 1993 constant is en slechts door koers verschillen gepubliceerd door gedaagde de 5% bijdrage wijzigingen vertoont en derhalve het hoogst genoten salaris een afgeleide dient te zijn van de 5% bijdrage;
  10. dat in oktober 1997 ter vaststelling van het hoogst genoten salaris ook deze methode zoals eerder uiteengezet is gebruikt, te weten het afleiden van het salaris aan de hand van de 5% bijdrage;
  11. dat deze methode te weten dat het salaris eerst wordt omgezet in Ecu en dan weer volgens een door gedaagden gebruikte referentie tabel wordt omgezet om zo het hoogst genoten salaris te kunnen vaststellen;
  12. dat volgens deze methode ook de berekening is gemaakt in 1997 en wel op 5 december waarna partijen overeen zijn gekomen dat gedaagden aan eiseres verschuldigd is het bedrag van Ecu.87.118,18 en kan gedaagde zich niet eenzijdig onttrekken aan deze betalingsverplichting;
  13. dat gedaagden door niet na te komen hetgeen zij is overeengekomen op ernstige wijze wanpresteert jegens eiseres die hierdoor erg veel schade lijdt en nog zal lijden;
  14. dat van gedaagden geen betaling is te bekomen ondanks herhaalde aanmaningen;
  15. dat eiseres thans zonder inkomen zit mede gelet op haar leeftijd en derhalve recht en belang heeft bij een voorziening bij voorraad;

Overwegende, dat de eisende partij op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren gedaagden des de een betalende de andere zal zijn bevrijd te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen de somma van

Ecu.87.118,18 (zeven en tachtig duizend een honderd en achttien gulden achttien honderdste cent Europese Currency) met bijbetaling van een rente van 1% per maand vanaf de dag van rechtsingang tot die der algehele voldoening;

Overwegende, dat De Europese Unie als gedaagde in eerste aanleg bij conclusie van antwoord – welke geacht moet worden te dezer plaatse te zijn ingelast – de vordering heeft bestreden en daarbij heeft geconcludeerd:

dat eiseres in haar vordering tegen gedaagde sub A niet zal worden ontvangen; De Kantonrechter zich ten aanzien van de vordering tegen gedaagde sub B onbevoegd zal verklaren, althans in ieder geval de vordering van eiseres als ongegrond zal worden ontzegd;

Overwegende, dat partijen vervolgens bij conclusies van repliek en dupliek haar stellingen nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij vonnis van 4 maart 2003 een comparitie van partijen heeft gelast;

Overwegende, dat de door de Kantonrechter bevolen comparitie van partijen is gehouden;

Overwegende, dat de gemachtigde van eiseres hierna een conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen heeft genomen onder overlegging van een productie, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde productie – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde eveneens een conclusie tot uitlating over de overgelegde productie heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter bij vonnis van 15 mei 2006 op de daarin opgenomen gronden:

(5.1) Eiseres niet ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering jegens gedaagde sub A;

(5.2) Gedaagde sub B heeft veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen de somma van Ecu.87.118,18,–, althans het equivalent daarvan in de thans gehanteerde Europese munteenheid, met bijbetaling van de wettelijke rente van 6% ’s jaars, vanaf de dag van rechtsingang 6 juni 2000, tot die der algehele voldoening;

(5.3) Dit vonnis voor wat betreft 5.2 uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard;

(5.4) Het meer of anders gevorderde heeft afgewezen;

Overwegende, dat blijkens hogervermeld proces-verbaal d.d. 24 mei 2006 De Europese Unie in hoger beroep is gekomen van voormeld eindvonnis van 15 mei 2006;

Overwegende, dat bij exploit van deurwaarder Radjinderkoemar Bhoelan van 13 november 2006 no.268 aan geïntimeerde aanzegging van het ingestelde hoger beroep is gedaan, terwijl uit de ten processe aanwezige stukken blijkt, dat de rechtsdag voor de behandeling der zaak in hoger beroep voor het Hof van Justitie aan partijen is aangezegd;

Overwegende, dat de advokaten van partijen ten dienende dage de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigden van partijen bij pleitnota en antwoordpleidooi producties overgelegd, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produkties hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof aanvankelijk vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, tussen appellante als gedaagde sub B en geïntimeerde als eiseres, door de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 15 mei 2006 vonnis gewezen en uitgesproken is, waarvan het dictum, voorzover ten deze van belang, luidt:

5.2. Veroordeelt gedaagde sub B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen de somma van Euro 87.118.18,–, althans het equivalent daarvan in de thans gehanteerde Europese munteenheid, met bijbetaling van de wettelijke rente van 6% ’s jaars, vanaf de dag van rechtsingang, 6 juni 2000, tot die der algehele voldoening;

5.3. Verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. Wijst af het meer of anders gevorderde;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, gedaagde sub B niet persoonlijk bij de uitspraak in prima tegenwoordig is geweest en daarbij evenmin aanwezig was de advokaat, die volgens dat vonnis als haar gemachtigde optrad;

Overwegende, dat, naar luid van artikel 264 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de termijn voor hoger beroep dertig dagen is gerekend van de dag der uitspraak of, indien de eiser in beroep bij de uitspraak niet tegenwoordig is geweest, van de dag waarop het eindvonnis hem volgens dit Wetboek is medegedeeld;

Overwegende, dat de wetgever in artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft voorgeschreven, dat de Griffier aan een partij die bij de uitspraak van een eindvonnis niet in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig is, de inhoud van dat vonnis bij aangetekende dienstbrief moet mededelen;

dat bedoeling van deze wetsbepaling geen andere kan zijn dan dat ook de bij de uitspraak afwezige partijen van de inhoud van het eindvonnis op de hoogte zullen zijn, opdat zij zich over eventueel daartegen aan te wenden rechtsmiddelen kunnen beraden;

Overwegende, dat, naar voorts uit het procesdossier blijkt, de van 5 juni 2006 daterende dienstbrief als bedoeld in artikel 119 lid 3 van gemeld wetboek, alstoen aan de geadresseerde, in casu appellante, is verzonden en, nu het tegendeel niet gebleken is, het Hof aanneemt dat die brief door haar alstoen is ontvangen;

Overwegende, dat de appeltermijn mitsdien op 5 juni 2006 een aanvang had genomen;

Overwegende, dat, naar het Hof gebleken is, appellante niet binnen dertig dagen gerekend van de dag waarop het eindvonnis haar volgens meergemelde wetsbepaling is medegedeeld, hoger beroep heeft aangetekend;

Overwegende, dat de consequentie van een en ander is, dat het vonnis de dato 15 mei 2006 op 5 juni 2006 in kracht van gewijsde is gegaan en mitsdien onherroepelijk is geworden, hebbende appellante immers niet op de bij de wet uitdrukkelijk voorgeschreven wijze het rechtsmiddel van hoger beroep aangewend;

Overwegende, dat, indien de appeltermijn op 24 mei 2006, een aanvang zou hebben genomen, waar appellante, naar het Hof aanneemt, blijkbaar ervan uitgaat, de wet (( m.n. artikel 264 (alinea 3) en artikel 119 (alinea 3) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)) op zij geschoven zou worden, wat beslist niet mag;

Overwegende, dat het Hof mitsdien beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:

Verstaat, dat appellante (De Europese Unie) niet op de bij de wet (artikel 264 lid 3 juncto artikel 119 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) uitdrukkelijk voorgeschreven wijze het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend;

Verklaart haar mitsdien niet ontvankelijk in het zijdens haar ingesteld appel;

Veroordeelt haar in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde gevallen en begroot op SRD.250,–;

Met inbegrip van het door het Hof aan haar advokaat voor het door hem gehouden pleidooi toegekend salaris van SRD.250,–;

Bepalende het Hof het salaris van de advokaat van appellante eveneens op SRD.250,–;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan, Lid en mr. A. Charan, Lid-plaatsvervanger en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advocaten mr. F. Kruisland en mr. I.D. Kanhai, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-26

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME:

Generale rolnummer: 14346

Gezien het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 02 augustus 2007, van de [verzoeker], handelende onder [handelsnaam] wonende te [adres] in het [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat nr.36 beneden, ten kantore van Mr.E.C.M.Hooplot, advokaat bij het Hof van Justitie, als zijn gemachtigde optreden, welk verzoekschrift hiertoe strekt verweerder te bevelen onmiddellijk de aangevangen executie te staken van het vonnis in Kort Geding gewezen en uitgesproken in de zaak, bekend in het Algemeen Register onder nummer 07/0164 door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen;

Gezien het bestreden vonnis de dato 26 april 2007 in de zaak bekend in het Algemeen Register onder nummer 07/0164 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

Gezien het proces-verbaal van het verhoor in Raadkamer op 08 augustus 2007, waarin is gerelateerd de toelichting van partijen op hun stellingen en weren;

Overwegende, dat naar uit het procesdossier blijkt er hoger beroep ingesteld is tegen voormeld vonnis;

Overwegende, dat naar wijders uit het procesdossier blijkt, het door de deurwaarder bij het Hof van Justitie, uitgebracht exploit de dato 23 juli 2007 onder no.516 A, niet voldoet aan de bij wet gestelde eis dat de deurwaarder, het exploit moet ondertekenen; dit om zo zijn identiteit te bewijzen;

Overwegende, dat “de betekening” van voormeld vonnis derhalve onwettig is;

Overwegende, dat het Hof dan ook beslissen als in het dictum te melden;

BESCHIKKENDE:

Beveelt de staking van de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 26 april 2007 (A.R.No.070164);

Aldus gegeven te Paramaribo op vrijdag, 10 augustus 2007 door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.H.E.Struiken, lid en Mr.A.A.Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand w.g.H.E.Struiken w.g.A.A.Hermelijn

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld,

Waarnemend-Griffier

 

SRU-HvJ-2007-25

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Generale Rol no. 14318

Gezien het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 15 januari 2007, van de [verzoeker], wonende aan [adres] te [plaats], domicilie kiezende aan de Oude Hofstraat nr. 01 boven, ten kantore van mr. R.E. Waal, advokaat bij het Hof van Justitie, als zijn gemachtigde optredende, welk verzoekschrift strekt om op grond van het bepaalde in artikel 272 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de staking van de executie van het eindvonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 21 november 2006 (A.R. nr. 041526), te bevelen;

Gezien het bestreden vonnis d.d. 21 november 2006 in de zaak bekend onder A.R. no. 04-1526 tussen partijen gewezen en uitgesproken, welk vonnis per griffiersbrief d.d. 21 december 2006 aan de gemachtigde van verzoeker (in eerste aanleg eiser in conventie) is medegedeeld;

Gezien het proces-verbaal van het verhoor in Raadkamer van 26 januari 2007, waarin is gerelateerd de verklaring van partijen met betrekking tot hun stellingen en weren;

Overwegende, dat uit het verhoor in Raadkamer eveneens is gebleken dat er wel hoger beroep is ingesteld tegen voormeld vonnis.

Overwegende, dat met de betekening van voormeld vonnis aan de verzoeker c.q. gemachtigde van verzoeker een aanvang gemaakt is met de executie;

Overwegende, dat verzoeker c.q. de gemachtigde van verzoeker met betrekking tot de staking van de executie geen grondslag heeft aangevoerd en dat bij de behandeling evenmin als toelichting heeft aangegeven, weshalve hij, verzoeker, tekort is geschoten in zijn stelplicht;

Overwegende, dat verzoeker evenmin heeft aangegeven tegen welke beslissing hij opkomt, aangezien het een eindvonnis betreft dat zowel in conventie als in reconventie is gewezen;

Overwegende, dat het Hof zal beslissen zoals nader in het dictum te melden, bespreking van de overige door partijen aangevoerde stellingen en weren in het midden latend;

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in de ingestelde vordering;

Aldus gegeven te Paramaribo op 18 mei 2007 door:

Mr. J.R. von Niesewand, President, Mr.H.E. Struiken. Lid en A. Charan, Lid – Plaatsvervanger in tegenwoordigheid van G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand w.g.H.E.Struiken w.g.A.Charan

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld

Substituut-Griffier.

 

SRU-HvJ-2007-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Generale Rol no. 14320

Gezien het verzoekschrift, ingekomen ter Griffie van het Hof van Justitie op 17 januari 2007, van de [verzoeker], wonende aan [adres] in het [district], domicilie kiezende aan de Limesgracht nr 06, ten kantore van mr. K. Baldew, advokaat bij het Hof van Justitie, als zijn gemachtigde optredende, welk verzoekschrift strekt om op grond van het artikel 272 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, de staking van de executie van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 07 juli 2006 (A.R. nr. 061707), tel bevelen;

Gezien het bestreden vonnis d.d. 07 juli 2006 in de zaak bekend onder A.R. no. 06-1707 tussen partijen gewezen en uitgesproken, welk vonnis per griffiersbrief d.d. 11 augustus 2006 aan de gemachtigde van verweerder ( in eerste aanleg gedaagde) was betekend;

Gezien de processen-verbaal van het verhoor in Raadkamer op 23 januari en 01 februari 2007, waarin is gerelateerd de toelichting van partijen op hun stellingen en weren;

Overwegende, dat uit het verhoor in raadkamer eveneens is gebleken dat er op 18 augustus 2006 hoger beroep is ingesteld tegen voormeld vonnis.

Overwegende, dat nu voormeld vonnis in kort geding gewezen en uitgesproken werkt tussen de partijen, namelijk [stichting] contra de gezamenlijke erfgenamen van [verzoeker], [naam 1], de verzoeker derhalve op grond van artikel 272 Brv geen verzoek kan indienen zonder de overige erfgenamen erbij te betrekken; het feit dat verzoeker voor een vijfde deel onverdeeld gerechtigd is in de nalatenschap, doet aan het voorgaande niet af;

Overwegende, dat de executant in casu door het executeren van een voorlopige beslissing in beginsel aansprakelijk is voor de door zijn handelen veroorzaakte schade, indien naderhand mocht blijken dat voormelde beslissing in hoger beroep wordt vernietigd casu quo een andersoortige beslissing volgt in bodemgeschil;

Overwegende, dat het Hof zal beslissen zoals nader in het dictum te melden, bespreking van de overige door partijen aangevoerde stellingen en weren in het midden latend;

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek van de verzoeker;

Aldus gegeven te Paramaribo op 04 mei 2007 door:

Mr. H.E. Struiken, Fungerend – President, Mr. A.A. Hermelijn en A. Charan, Leden – Plaatsvervanger in tegenwoordigheid van G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, fungerend-Griffier.

w.g.G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh w.g. H.E. Struiken

w.g. A.A.Hermelijn

w.g. A. Charan

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr.M.E.Van Genderen-Relyveld,

 

 

SRU-HvJ-2013-6

G.R.No. 14581

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellante],
Hierna de vrouw,
wonende te [plaats],
appellant,
gemachtigde: mr. S.N. Woei A Sioe, advocaat,

tegen

[Geïntimeerde],
hierna de man,
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

Inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton uitgesproken eindvonnis van 17 februari 2010 bekend onder A.R.No. 091968 tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser,

Spreekt de Vice-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

  1. Het procesverloop:

1.1. Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen;

– de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat de vrouw op 4 maart 2010 hoger beroep heeft aangetekend;
– de pleitnota d.d. 3 juni 2011;
– de antwoordpleitnota d.d. 15 juli 2011;
– de repliekpleitnota d.d. 2 december 2011;
– de dupliekpleitnota d.d. 20 januari 2012.

1.2. De uitspraak van het vonnis in hoger beroep is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1. Bij verzoekschrift van 7 mei 2009 heeft de man zich gewend tot de Kantonrechter en onder meer verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken op grond van duurzame ontwrichting van hun huwelijk.

2.2. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en zich verzet tegen het echtscheidingsverzoek.

2.3. Bij vonnis van 17 februari 2010 heeft de Kantonrechter de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De Kantonrechter overwoog daarbij dat de vrouw heeft erkend dat de man niet meer met haar samenwoont en op grond van de stellingen en weren van partijen blijkt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.4. De vrouw is van het vonnis van de Kantonrechter in hoger beroep gegaan. Zij betwist dat het huwelijk met de man duurzaam is ontwricht.

  1. De vordering, de grondslag en het verweer

3.1. De vrouw heeft middels indiening van de memorie van grieven bestaande uit 3 grieven verzocht het gewezen vonnis te vernietigen.

De vrouw heeft de volgende grieven aangevoerd ter onderbouwing van haar vordering:

  1. ten onrechte heeft de Kantonrechter de duurzame ontwrichting aangenomen omdat de man geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die deze grondslag kunnen staven.
  2. ten onrechte heeft de Kantonrechter aangenomen dat de vrouw heeft erkend dat de man niet meer met haar samenwoont.
  3. de Kantonrechter is ten onrechte voorbij gegaan aan het schuldverweer ex artikel 263 BW, krachtens welk artikel het verzoek tot echtscheiding diende te worden geweigerd indien de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de eisende partij (i.c. de man). De Kantonrechter diende de man het bewijs op te dragen dat de ontwrichting inderdaad aan de vrouw te wijten zou zijn hetgeen, de Kantonrechter heeft nagelaten.

3.2.De conclusie van de man strekt tot verwerping van het beroep.

  1. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. De griffiersbrief waarbij de vrouw op de hoogte is gesteld van het vonnis d.d. 17 februari 2010 bekend onder A.R.No. 091968 is gedateerd 23 februari 2010. Op 4 maart 2010 heeft de vrouw hoger beroep aangetekend tegen voornoemd vonnis. Het Hof constateert dat de vrouw binnen de bij wet vastgestelde termijn in hoger beroep is gekomen tegen het vonnis, zodat zij ontvankelijk is daarin.

4.2. In eerste aanleg heeft de man gevorderd dat tussen hem en de vrouw de echtscheiding zal worden uitgesproken met alle gevolgen van dien. De vordering was gegrond op duurzame ontwrichting omdat:

– de vrouw gedurende het huwelijk met een andere man vleselijke gemeenschap heeft gehad en ondanks waarschuwingen van hem geen verandering hierin is gekomen.

– de vrouw regelmatig de echtelijke woning verlaat, zich in discotheken bevindt en meestal laat ’s avonds terugkeert.

– de vrouw zich met allerlei ongure personen bezighoudt waardoor de veiligheid van de man in gevaar wordt gebracht.

– de vrouw nodeloze uitgaven doet die niet in het belang van de huishouding zijn.

4.2.1. Op grond van de feitelijke onderbouwde stellingen van de man die door de vrouw niet voldoende gemotiveerd zijn weersproken heeft de Kantonrechter als vaststaand aangenomen dat partijen feitelijk gescheiden leven.

4.3. In beroep is in geschil de vraag of het huwelijk tussen de man en de vrouw duurzaam is ontwricht. Het Hof stelt voorop dat er sprake is van duurzame ontwrichting, als de verhouding binnen het huwelijk zo moeilijk is geworden, dat het niet mogelijk is om nog langer bij elkaar te blijven. In het oordeel van de Kantonrechter ligt besloten dat de man voldoende heeft gesteld om duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen te kunnen aannemen.

Daartegenover heeft de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep volstaan met het aanvoeren dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate te wijten is aan de man zonder haar stelling feitelijk te onderbouwen.

Dit verweer van de vrouw wordt daarom gepasseerd. Naar het oordeel van het Hof doet de vrouw ten onrechte een beroep op artikel 263 BW. De man heeft in hoger beroep wederom nadrukkelijk te kennen gegeven zijn verzoek tot echtscheiding te handhaven en heeft aangevoerd dat hij de samenleving met de vrouw niet wenst te hervatten. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat een herstel van de huwelijkse betrekkingen tussen partijen niet te verwachten valt en dat hun huwelijk dus als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd.

4.4. Nu het Hof ook heeft kunnen oordelen dat het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd, wordt opgemerkt dat de Kantonrechter bevoegd noch gehouden was de man bewijs op te dragen waardoor de grieven van de vrouw feitelijke grondslag missen.

4.5. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de slotsom dat het vonnis van de Kantonrechter waarvan beroep dient te worden bevestigt onder aanvuling van de gronden.

4.6. De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

  1. De beslissing in hoger beroep

5.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 17 februari 2010 bekend onder A.R.No. 091968 onder aanvulling van de gronden.

5.2. Veroordeelt de vrouw in de proceskosten aan de zijde van de man gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door: mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. D.W.G. Karamatali, Leden-Plaatsvervanger en

w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

door mr. drs. C.C.L.A. Valstein-Montnor, Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag, 3 mei 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. C.C.L.A. Valstein-Montnor

Partijen, appellante vertegenwoordigd door advocaat mr. A.M.S. Lo Tam Loi namens haar gemachtigde, advocaat mr. S.N.K. Woei A Sioe en geïntimeerde vertegenwoord door advocaat mr. S.W. Amirkhan namens zijn gemachtigde, advocaat mr. F.F.P.Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2013-5

GR- 14585

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[Appellant],

handelende onder [handelsnaam 1],

wonende aan [adres 1] te Paramaribo,

appellant,

hierna ook aangeduid als [appellant],

gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat,

tegen

  1. [Geïntimeerde sub A],
  2. [Geïntimeerde sub B],

beide wonende te [adres 2], [woonwijk] in Nederland,

ten deze in Suriname kantoorhoudende aan [adres 3]

te [plaats]

en handelende onder [handelsnaam 2],

geïntimeerden,

hierna ook aangeduid als [geïntimeerden],

niet verschenen,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton gewezen en uitgesproken vonnis van 10 februari 2009 (A.R.NO. 043713) tussen appellant als eiser en geḯntimeerden als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

  • De pleitnota de dato 18 november 2011, onder overlegging van producties;
  • Ten dage voor het nemen van een antwoordpleitnota peremptoir bepaald is er geen pleitnota genomen;
  • De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 17 augustus 2012 doch nader op heden;

Ontvankelijkheid in hoger beroep

Op de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg zijn partijen noch in persoon noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschenen. De aangetekende dienstbrief zijdens de griffier waarbij een afschrift van het vonnis aan appellant is toegezonden is gedateerd 06 juli 2009 en begint dus de termijn van hoger beroep ingevolge het bepaalde in artikel 264 WvBRv, zijnde 30 dagen, op die datum te lopen. Gebleken is dat appellant op 16 juli 2009 –onder intrekking van zijn eerdere appèlbrief de dato 05 maart 2009- hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de Kantonrechter, hetgeen binnen de bij wet gestelde termijn is geschied, zodat hij zal worden ontvangen in het hoger beroep.

De beoordeling in hoger beroep

  1. Het gaat in deze zaak om het volgende;
  1. Bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 10 februari 2009 is de vordering van appellant (toen eiser) afgewezen en is hij in de proceskosten veroordeeld;
  2. [Appellant] heeft tegen het beroepen vonnis twee grieven aangevoerd en geḯntimeerden hebben –hoewel daartoe op de door de wet bepaalde wijze opgeroepen zijnde- geen verweer gevoerd. Hierna heeft het Hof door tussenkomst van de griffier verscheidene malen per aangetekende dienstbrief de geḯntimeerden alsnog de gelegenheid geboden om te reageren op de door appellant aangevoerde grieven, welke pogingen helaas vruchteloos zijn gebleken;
  3. Gelet op al het voorgaande komt het Hof tot de slotsom dat de door [appellant] tegen het beroepen vonnis ingebrachte grieven –als niet weersproken- in rechte zijn komen vast te staan. De consequentie van het voorgaande is dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk gevorderde in eerste aanleg alsnog zal worden toegewezen en zullen [geïntimeerden], als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld om de gedingkosten in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [appellant] gevallen, voor hun rekening te nemen.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 10 februari 2009, waarvan beroep;

EN OPNIEUW RECHTDOENDE:

Veroordeelt [geïntimeerden] om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma groot Euro 193.500,- (EENHONDERD EN DRIE EN NEGENTIGDUIZEND EN VIJFHONDERD EURO), vermeerderd met de wettelijke rente over vermeld bedrag ad 6% per jaar, vanaf 18 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

Verklaart van waarde het ten deze gelegd conservatoir derden beslag bij exploit no. 444 van deurwaarder Debipersad Hieralal d.d. 29 december 2004 onder De Surinaamsche Bank N.V. en De N.V. Integra Marine & Freight Services op alle gelden, goederen en/of geldswaardige papieren, die de derde gearresteerden verschuldigd mochten zijn of worden, onder hun berusting mochten hebben of verkrijgen van geïntimeerden;

Veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [appellant] gevallen en tot aan deze uitspraak in eerste aanleg begroot op SRD. 176,- (Eenhonderd en Zes en Zeventig Surinaamse Dollars) en in hoger beroep op SRD. 480,- (Vierhonderd en Tachtig Surinaamse Dollars);

Aldus gewezen door: mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S.M.M. Chu, Lid en mr. A.C. Johanns, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 16 augustus 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. A. Charan

Appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. V.M.S. Nooitmeer namens zijn gemachtigde, advocaat mr. D.F. Chocolaad, terwijl geïntimeerden noch in persoon noch bij gemachtigde zijn verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

 

  1. M.E. van Genderen-Relyveld