SRU-K1-2022-6

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 22-1598
22 november 2022

Vonnis in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [district],
verzoeker,
gemachtigde: mr. dr. G.N. Best, advocaat,

tegen

NEW SURFIN N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [district],
verweerster,
vertegenwoordigd door haar directeur, [naam].

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 18 mei 2022 met producties ter Griffie der Kantongerechten is ingediend;
• de mondelinge conclusie van eis;
• het verhoor van partijen op 26 juli 2022 en de daarvan gemaakte aantekeningen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Verweerster is bij notariële akte van 5 januari 2021 (hierna: de akte), verleden ten overstaan van de notaris, mr. D. Kalisingh, door verzoeker opgericht.

2.2 Blijkens uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (KKF) van 18 januari 2022 is de heer [naam] directeur van verweerster.

2.3 Per schrijven van mr. P.P.G. Bissessur van 12 maart 2021, verzonden naar de Secretaris van de KKF, is namens verzoeker onder meer verzocht om over te gaan tot doorhaling van de inschrijving van verweerster, ingeschreven in het Handelsregister bij de KKF op 6 januari 2021 onder dossiernummer 81949.

2.4 Bij brief van de Adjunct-Secretaris van de KKF van 26 maart 2021, verzonden naar mr. P.P.G. Bissessur is onder meer het volgende meegedeeld.
‘(…) Op grond van artikel 20 van de Handelsregisterwet heeft iedere belanghebbende, die van oordeel is dat een inschrijving ten onrechte is gedaan of dat hetgeen in het Handelsregister is ingeschreven of aangetekend, onvolledig of onjuist is of in strijd met de openbare orde of goede zeden, de bevoegdheid om zich bij verzoekschrift rechtstreeks te wenden tot de handelsregistercommissie om doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene te gelasten (…)’

2.5 Bij beschikking van de Handelsregister Commissie van 18 mei 2021 in de zaak van verweerster is als volgt beschikt.
‘Dat de Handelsregister Commissie bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van verzoeker.
Verwijst verzoeker naar de Kantonrechter terzake.
Beveelt de secretaris aan hetgeen onder “beschikkende” is vermeld, in het Handelsregister bij de inschrijving te voegen.’

3. De vordering en de grondslag daarvan
3.1 Verzoeker vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. de akte van oprichting van rechtswege nietig te verklaren, althans te vernietigen;
B. de door verzoeker gepleegde rechtshandeling waarbij verweerster is opgericht, van rechtswege nietig te verklaren, althans te vernietigen;
C. voor recht te verklaren dat verweerster van rechtswege nietig is, althans dat verweerster nimmer is opgericht;
D. de doorhaling van de inschrijving van verweerster in het Handelsregister te gelasten;
E. verweerster te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Daartoe stelt hij dat uit de akte blijkt dat er 5.100 aandelen zijn geplaats, waarin wordt deelgenomen door het Ministerie van Financiën en Planning (hierna: het ministerie). Ingevolge artikel 33 lid 1 juncto lid 2 van het Wetboek van Koophandel (Kh) zou uit de akte moeten blijken dat de aandelen van verweerster gesteld zijn op naam van één of meer natuurlijke of rechtspersonen. Aangezien het ministerie geen natuurlijk noch rechtspersoon is, is de rechtshandeling tot het oprichten van verweerster in strijd met de wet en dus nietig.

3.3 Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, zal hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling
4.1 De kantonrechter zal allereerst ambtshalve de vraag, of hij bevoegd is kennis te nemen van onderhavige zaak, bevestigend beantwoorden. Ingevolge de bepaling van artikel 96 lid 2 Rv is hij immers bevoegd kennis te nemen van zaken van vennootschap.

4.2 De directeur van verweerster heeft in de raadkamerzitting van 26 juli 2022 verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen het toewijzen van de vordering. Evenals verzoeker stelt, constateert de kantonrechter uit de akte, onder het kopje ‘Slotbepalingen’, twaalfde blad, dat bij de oprichting van verweerster, 5.100 aandelen zijn geplaatst, waarin wordt deelgenomen door het ministerie.

4.3 Artikel 33 lid 1 Kh definieert de naamloze vennootschap onder meer als een rechtspersoon met één of meer op naam gestelde aandelen. Ingevolge lid 2 van hetzelfde artikel wordt de vennootschap door één of meer personen, op straffe van nietigheid, opgericht bij een notariële akte, tenzij: a. de Staat oprichter of medeoprichter is; b. bij de oprichting gebruik wordt gemaakt van één der door de Minister van Handel en Industrie bij beschikking vastgestelde standaard modelakte van oprichting.

4.4 Overwogen wordt dat met ‘één of meer personen’ de wetgever het oog heeft op zowel natuurlijke als rechtspersonen. Evenals verzoeker stelt, overweegt de kantonrechter dat op grond van artikel 33 Kh kan worden gedestilleerd dat uit de notariële akte zou moeten blijken dat de aandelen van verweerster op naam zijn gesteld van één of meer natuurlijke of rechtspersonen. Nu vaststaat dat bij de oprichting van verweerster, 5.100 aandelen op naam zijn gesteld van het ministerie, is de notariële akte dus van rechtswege nietig. Het ministerie is immers geen natuurlijk of rechtspersoon. De vorderingen zullen derhalve als na te melden worden toegewezen.

4.5 Nu het in casu niet gaat om in het ongelijk stellen van een partij, zullen de proceskosten als na te melden worden gecompenseerd.

5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1 verklaart nietig de notariële akte van oprichting van 5 januari 2021, verleden door mr. Dewnarain Kalising, notaris in Suriname, waarbij verweerster is opgericht;

5.2 verklaart nietig de door verzoeker gepleegde rechtshandeling, waarbij verweerster bij notariële akte van 5 januari 2021 is opgericht;

5.3 verklaart voor recht dat verweerster nimmer is opgericht;

5.4 gelast de doorhaling van de inschrijving op 6 januari 2021 onder nummer 81949 van verweerster in het Handelsregister;

5.5 verklaart hetgeen is beslist onder 5.4 uitvoerbaar bij voorraad;

5.6 compenseert de proceskosten tussen partijen, in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door mr. D. Bandhoe, Kantonrechter in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 22 november 2022 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2022-4

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 16106

18 november 2022

 

In de zaak van

AKIEMBOTO, SERGIO FREDERICK DAMIENTO, pro se en in de hoedanigheid van

lid van De Nationale Assemblée, wonende te Paramaribo,

appellant in kort geding,

hierna te noemen: “Akiemboto”,

gemachtigde: mr. N.U. van Dijk, CAMS, AMLCA, advocaat,

 

tegen

 

A. BEE, MARINUS, in de hoedanigheid van voorzitter van

De Nationale Assemblée, wonende in het district Marowijne, doch mede verblijfhoudende te Paramaribo,

B. DE STAAT SURINAME, meer specifiek De Nationale Assemblée, in rechte vertegenwoordigd

door de Procureur-Generaal, zetelende te harer Parkette aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

geïntimeerden in kort geding,

hierna te noemen respectievelijk: “Bee en de Staat”,

gemachtigde: voorheen mr. M.G.A. Vos en mr. A.E. Veldman, advocaten, thans

mr. M.G.A. Vos, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 11 februari 2021 bekend onder AR no. 210284 tussen Akiemboto als eiser en Bee en de Staat als gedaagden,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

 

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat Akiemboto op 15 februari 2021 hoger beroep heeft ingesteld;
  • de memorie van grieven zijdens Akiemboto, met producties, gedateerd 26 maart 2021,
  • de memorie van antwoord zijdens Bee en de Staat, met producties, gedateerd 12 juli 2021;
  • de pleitnota zijdens Akiemboto, met producties, gedateerd 7 januari 2022;
  • de antwoordpleitnota zijdens Bee en de Staat, gedateerd 4 februari 2022;
  • de repliekpleitnota zijdens Akiemboto, gedateerd 1 april 2022;
  • de dupliekpleitnota zijdens Bee en de Staat, gedateerd 17 juni 2022.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De ontvankelijkheid van het beroep

Het beroepen vonnis is gedateerd 11 februari 2021. Partijen zijn bij de uitspraak verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Akiemboto heeft op 15 februari 2021 hoger beroep aangetekend waardoor hij ontvankelijk is in het door hem ingesteld hoger beroep.

  1. De vordering in hoger beroep

Akiemboto vordert in hoger beroep:

vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, gedateerd 11 februari 2021, in de zaak bekend onder AR no. 210284 en

opnieuw rechtdoende:

de vordering als zijnde gegrond en bewezen, integraal toe te wijzen.

Akiemboto vordert in eerste aanleg dat:

  • Bee en de Staat worden veroordeeld om Akiemboto onmiddellijk na de uitspraak toegang te verschaffen tot het gebouw en alle bijbehorende ruimten van De Nationale Assemblée en het webportaal van alle digitale systemen van De Nationale Assemblée, op straffe van een dwangsom, en voorts dat het Bee en de Staat wordt verboden om Akiemboto wederom de toegang tot de gebouwen van De Nationale Assemblée en het webportaal van De Nationale Assemblée te ontzeggen, op straffe van een dwangsom;
  • Bee en de Staat worden veroordeeld om onmiddellijk na de uitspraak alle activiteiten die worden ondernomen om tot invulling van een vacature over te gaan te stoppen, totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto bij De Nationale Assemblée zal zijn beëindigd, op straffe van een dwangsom;
  • Bee en de Staat worden veroordeeld om onmiddellijk na deze uitspraak ertoe over te gaan om Akiemboto te convoceren voor alle vergaderingen, bijeenkomsten en andere activiteiten, waartoe hij uitgenodigd zou zijn indien Bee en de Staat het lidmaatschap van Akiemboto niet als beëindigd zouden beschouwen, op straffe van een dwangsom;
  • Bee en de Staat worden veroordeeld om binnen een dag na de uitspraak over te gaan tot uitbetaling aan Akiemboto van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten over de maand januari 2021;
  • Bee en de Staat worden veroordeeld om de stopzetting van de uitbetaling van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten van Akiemboto onmiddellijk na de uitspraak op te heffen totdat op rechtsgeldige wijze het lidmaatschap van Akiemboto tot De Nationale Assemblée zal zijn beëindigd, op straffe van een dwangsom;
  • Bee en de Staat worden verboden om andermaal over te gaan tot het stopzetten van het uitbetalen van de schadeloosstelling en alle bijbehorende emolumenten aan Akiemboto, totdat het lidmaatschap van De Nationale Assemblée op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, op straffe van een dwangsom;
  • Bee en de Staat worden veroordeeld om, des de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting Akiemboto te vergoeden voor zijn gevolgschade, tot aan deze vordering begroot op USD.1.670,= en SRD.1.450,=, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Bee en de Staat worden veroordeeld in de kosten van het geding.
  1. De feiten

4.1 Uitgaande van hetgeen in eerste aanleg en in hoger beroep is aangevoerd komen de feiten op het volgende neer.

4.2 Akiemboto is op 25 mei 2020 voor de periode van vijf jaren gekozen tot lid van De Nationale Assemblée voor de Nationale Democratische Partij.

4.3 Bij schrijven van 4 januari 2021, gericht aan de voorzitter van de Nationale Democratische Partij, met een kopie aan het hoofdbestuur en de overige structuren van de partij en de fractieleider van de partij in De Nationale Assembée, heeft Akiemboto medegedeeld dat hij heeft besloten om per 5 januari 2021 uit de politiek te stappen en zijn lidmaatschap van De Nationale Assemblée op te zeggen.

4.4 Bij schrijven van 5 januari 2021, boven welk schrijven abusievelijk de datum staat van 5 januari 2020, afkomstig van Akiemboto en gericht aan de President van de Republiek Suriname, met als onderwerp : “Opzegging DNA-lidmaatschap”, heeft Akiemboto het volgende aan de President van de Republiek Suriname medegedeeld:

“Middels dit schrijven deel ik u mede, heden op grond van de artikelen 68 lid 1 onder b van de Grondwet van de Republiek Suriname, 137 lid 2 en 141 lid 2 van de Kiesregeling, mijn DNA lidmaatschap opzeg. De redenen moeten worden gezocht in de maatschappelijke sfeer.

Onder dankzegging verzoek ik u de nodige handelingen te doen uitvoeren.”

4.5 Akiemboto heeft een kopie van het schrijven aan de President van de Republiek Suriname gezonden aan de voorzitter van De Nationale Assemblée, die het schrijven op 6 januari 2021 heeft ontvangen.

4.6 Bij schrijven van 8 januari 2021, gericht aan de voorzitter van De Nationale Assemblée, heeft de fractievoorzitter van de NDP in De Nationale Assemblée, aan de voorzitter van De Nationale Assemblée het verzoek gedaan het nodige in acht te nemen naar aanleiding van de kennisgeving van Akiemboto.

4.7 Bij schrijven van 21 januari 2021, afkomstig van Akiemboto en gericht aan de President van de Republiek Suriname, met als onderwerp: “Intrekking brief opzegging DNA-lidmaatschap” , heeft Akiemboto het volgende aan de President medegedeeld:
“Na ampele overwegingen, ingegeven door mijn respect voor de oproep van het traditioneel gezag, de achterban en enkele ondersteunende maatschappelijke groeperingen, verzoek ik u beleefd mijn eerder schrijven de dato 5 januari 2020 betreffende opzegging DNA lidmaatschap als niet verzonden te beschouwen. Ik zal mijn termijn als gekozen DNA lid namens het district Brokopondo afmaken.

Ik zal mij nationaal en kritisch blijven opstellen voor een beter Suriname. Samen met u en de overige leden zal ik naar mijn beste vermogen een bijdrage trachten te leveren welke invulling geeft aan de roep om partij overstijgende politiek in nationaal belang.”

4.8 Bij schrijven van 21 januari 2021 met kenmerk secpres/0052/21 afkomstig van de President van de Republiek Suriname en gericht aan de Voorzitter van De Nationale Assemblée, de heer M. Bee. MSc. LL.B., met als onderwerp: “Schrijven van de heer S.F.D. Akiemboto gedateerd 5 januari 2020 en gedateerd 21 januari 2021”, heeft de President van de Republiek Suriname de voorzitter van de Nationale Assemblee alsvolgt medegedeeld:

“ Geachte Voorzitter,

Bijgaand zenden wij u het schrijven dat wij van de heer S.F.D. Akiemboto ontvingen gedateerd 5 januari 2020 alsmede zijn schrijven aan ons gedateerd 21 januari 2021, waarin hij ons verzoekt om zijn schrijven de dato 5 januari 2020 als niet verzonden te beschouwen.

Aangezien de heer Akiemboto per datum 5 januari 2020 geen lid was van de Nationale Assemblee, kunnen wij geen rechtsgevolgen verbinden aan het schrijven d.d. 5 januari 2020.

Wij verzoeken u voorts de behandeling van beiden schrijven integraal over te nemen.

Uw te nemen besluit ter zake zien wij per ommegaande tegemoet.”

4.9 Akiemboto is niet geconvoceerd voor de huishoudelijke vergadering van De Nationale Assemblée van 2 februari 2021. Hierover heeft hij op 1 februari 2021 aan Bee, als voorzitter van De Nationale Assemblée, een schrijven gestuurd waarin hij hem ervan in kennis stelt dat hij nog steeds lid is van De Nationale Assemblée en aanwezig zal zijn op de huishoudelijke vergadering. Ook heeft Akiemboto aan Bee het verzoek gedaan om hem wederom toegang te verschaffen tot het digitaal systeem van De Nationale Assemblée.

4.10 Bee heeft, na de aanvang van de vergadering van 2 februari 2021, de vergadering geschorst en aan Akiemboto het verzoek gedaan de vergadering te verlaten.

4.11 Akiemboto heeft vanaf januari 2021 de schadeloosstelling voor leden van De Nationale Assemblée, met de bijbehorende emolumenten, niet meer ontvangen.

4.12 Akiemboto heeft bij schrijven van 3 februari 2021, betekend bij exploit van deurwaarder N. Linger d.d. 3 februari 2021, De Nationale Assemblée en Bee formeel in gebreke gesteld en hen gesommeerd om binnen één uur na ontvangst van het schrijven, Akiemboto weer toegang te verschaffen tot alle ruimten van De Nationale Assemblée en het webportaal van alle digitale systemen, hem op gelijke wijze als alle andere leden van De Nationale Assemblée te behandelen en te accommoderen, hem uit te nodigen voor de vergaderingen en bijeenkomsten van De Nationale Assemblée en aan hem de schadeloosstelling over januari 2021 uit te betalen.

4.13 Aan de hiervoor bedoelde sommatie hebben De Nationale Assemblée en Bee geen gevolg gegeven.

 

  1. De beoordeling

5.1 Bij vonnis van 11 februari 2021 in de onderhavige zaak, is de vordering van Akiemboto afgewezen.

5.2 Akiemboto heeft tegen het vonnis vier grieven aangevoerd, verwoord in de memorie van grieven en herhaald in de pleitnota.

Grief I:

5.3.1 Akiemboto voert in zijn eerste grief aan dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan de voordracht van de achterban en de rol van het traditioneel gezag. Het is een recht van de achterban om op Akiemboto het beroep te doen om zijn besluit te herzien.

5.3.2 Bee en de Staat hebben op deze grief gereageerd. Zij voeren daarbij aan dat de vraag die beantwoord moet worden de vraag betreft of het DNA lidmaatschap van Akiemboto door zijn ontslag op eigen verzoek is geëindigd. De rechter dient op grond van de wet een beslissing te nemen en niet op grond van de wil van de achterban van Akiemboto. Het is Akiemboto geweest die geheel vrijwillig zijn ontslag heeft ingediend en dit handelen heeft rechtsgevolgen. Volgens het wettelijk systeem kan hij daarop niet terugkomen, daar het ontslag rechtskracht verkrijgt op het moment dat daartoe de wil wordt geuit. Het gevolg hiervan is dat het DNA-lidmaatschap eindigt. Akiemboto ziet over het hoofd dat hij, gezien de belangrijke rol die het traditioneel gezag inneemt in de besluitvorming dan wel benoeming van een DNA-lid, eerst met zijn achterban contact had moeten opnemen alvorens zijn ontslag te nemen. Het ontslag is ingegaan vanaf de wilsuiting en hiermee is het lidmaatschap beëindigd. Wat de achterban dan wel het traditioneel gezag naderhand van het ontslag vindt, maakt helaas voor het rechtsgevolg niet uit. De oproep van het traditioneel gezag kan het eenmaal ingetreden rechtsgevolg niet ongedaan maken.

5.3.3 Het Hof overweegt dat, gelijk Bee en de Staat stellen, Akiemboto het besluit tot ontslag heeft genomen. Wat zijn achterban na het ontslag van het ontslag vindt, heeft geen invloed op de rechtsgevolgen van de rechtshandeling. De kantonrechter had daarom daarmee geen rekening kunnen houden.

Grief I faalt derhalve.

Grief II:

5.4.1 Akiemboto voert in zijn tweede grief aan dat de kantonrechter ten onrechte overweegt dat door het aanbieden van de ontslagbrief het ontslag een feit is en niet meer ingetrokken kan worden.

Akiemboto zijn standpunt komt neer op het volgende.

Het schrijven van hem van 5 januari 2021 heeft nog geen beëindiging van het lidmaatschap van de DNA tot gevolg. Om dat rechtsgevolg te doen intreden, moet eerst een procedure gevolgd worden. Die procedure is neergelegd in de Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA. In die Wet is de procedure opgenomen dat de relevante documenten moeten worden onderzocht. Pas nadat is gebleken dat de relevante documenten rechtsgeldig zijn, is er sprake van beëindiging van het lidmaatschap.

Dat die procedure de juiste is, zo stelt Akiemboto, blijkt ook uit de Memorie van Toelichting op bedoelde wet waarin het volgende is vermeld:

“Er is voor gekozen het lidmaatschap te laten eindigen op het moment van de vaststelling van de geldigheid van de relevante documenten omdat het mogelijk is dat leden functioneren in de Nationale Assemblee ondanks het feit dat, zonder dat dit bekend is, sprake is van bepaalde in de Grondwet genoemde gronden voor beëindiging van het lidmaatschap. Indien anders zou zijn besloten zou het kunnen voorkomen dat terwijl deze personen in feite het lidmaatschap al zouden hebben verloren, meewerken aan parlementaire besluiten, waardoor de rechtsgeldigheid van die besluiten zou kunnen worden betwist.”

Akiemboto stelt dat dit de geest van de wet is en dat met de geest van de wet rekening gehouden moet worden.

Akiemboto stelt voorts dat iedere eenzijdige rechtshandeling mag worden ingetrokken. Om die reden is het niet juist dat hij de ontslagbrief niet zou mogen intrekken.

5.4.2 Bee en de Staat hebben op deze grief alsvolgt gereageerd.

Zij voeren aan dat Akiemboto zelf stelt dat het ontslag op eigen verzoek een eenzijdige rechtshandeling is. Akiemboto stelt zich op het standpunt dat door het schrijven van de ontslagbrief de rechtshandeling nog niet geëffectueerd is. Hij verzuimt echter aan te geven wanneer de rechtshandeling dan wel geëffectueerd zou zijn. Na het indienen van de ontslagbrief treedt de beëindiging van het lidmaatschap gelijk in. Voor het intreden van het rechtsgevolg is geen handeling nodig van de autoriteit waar het schrijven is ingediend. Het ontslag sorteert gelijk effect. Een eenzijdige rechtshandeling kan inderdaad worden ingetrokken, echter is daarvoor een vereiste dat de rechtshandeling nog geen werking heeft gekregen. Het is afhankelijk van het soort rechtshandeling. In casu was de beëindiging van het lidmaatschap gelijk na de wilsuiting ingegaan waardoor intrekking niet meer mogelijk is. Andere eenzijdige rechtshandelingen verkrijgen volgens vaste jurisprudentie werking op het moment dat het de persoon aan wie het gericht is, heeft bereikt. Ook in dit geval zou intrekking niet meer mogelijk zijn. In casu staat vast dat de ontslagbrief geïntimeerden heeft bereikt op 6 januari 2021. Vanaf dat moment zou herroepping of intrekking niet meer mogelijk zijn en was de beëindiging van het lidmaatschap een feit.

Het eenmaal ingetreden rechtsgevolg is onomkeerbaar. De gevolgen daarvan kunnen niet ongedaan gemaakt worden, wanneer de ontslagbrief de persoon aan wie het is gericht eenmaal heeft bereikt. Ook indien de President de intrekking zou hebben geaccepteerd – een handeling welke de wet niet kent en waartoe de President onbevoegd is – sorteert deze onbevoegdelijke handeling van de President geen enkel effect, omdat het ontslag reeds een feit is.

Op de President rust slechts de plicht ingevolge de Kiesregeling het ontslag ter kennis te brengen van het volksvertegenwoordigend lichaam, waartoe degene behoorde die het ontslag heeft ingediend.

5.4.3 Het Hof overweegt met betrekking tot deze grief alsvolgt.

Aan de orde zijn twee rechtsvragen:

  1. de vraag of door het enkel verzenden van de ontslagbrief door Akiemboto het DNA-lidmaatschap van hem is beëindigd en
  2. de vraag of hij nog de gelegenheid had om zijn ontslagbrief bij schrijven van 21 januari 2021 in te trekken nadat hij de ontslagbrief op 5 januari 2021 had verzonden.

5.4.4 Het standpunt van Bee en de Staat, zoals hiervoor onder 5.4.2 is verwoord, komt erop neer dat de ontslagbrief als rechtsgevolg heeft dat het lidmaatschap is beëindigd. Op het moment dat de ontslagbrief, wordt verzonden en wordt ontvangen door de President en door de voorzitter van De Nationale Assemblée, is het rechtsgevolg dat het lidmaatschap is beëindigd.

Zij voeren voorts aan dat de procedure genoemd in de Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA betrekking heeft op de beëindigingsgronden d, e, f of g of terugroeping. Dat is in artikel 4 geformuleerd. De procedure geldt niet voor de gronden genoemd onder a of b, namelijk overlijden of ontslag op eigen verzoek.

In de memorie van toelichting op de bedoelde wet wordt het onderscheid ook gemaakt. De beëindiging nadat de relevante documenten zijn onderzocht geldt voor de beëindigingsgronden waarvoor een commissie wordt ingesteld, namelijk de gronden genoemd onder d, e, f, g of de terugroeping. Het geldt niet voor de gronden onder a en b van artikel 68 van de Grondwet.

5.4.5 Ingaand op de standpunten van partijen over en weer bezien tegen de achtergrond van het petitum stelt het Hof voorop dat in het geval een wetsbepaling in de Grondwet en in de Kiesregelingen voor onduidelijkheid zorgt voor wat betreft de interpretatie daarvan, zoals in het onderhavig geval aan de orde lijkt te zijn, een oplossing moet worden gezocht die past in het stelsel van wettelijke regelingen en aansluit bij de wel in de wet genoemde gevallen.

5.4.6 Het Hof overweegt dat de volgende wetsbepalingen in het onderhavig geschil aan de orde zijn:

Grondwet artikel 68 lid 1:

“Het lidmaatschap van De Nationale Assemblée eindigt door:

a. overlijden;

b. ontslag op eigen verzoek;

c. terugroeping van het lid op de wijze bij wet te bepalen;

d. het ontstaan van omstandigheden die de verkiesbaarheid uitsluiten;

e. benoeming tot minister of onderminister;

f. afwezigheid gedurende een aaneengesloten periode van vijf maanden;

g. veroordeling wegens misdrijf bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak tot een vrijheidsstraf van tenminste vijf maanden.”

Kiesregeling (SB.1987 no. 62) artikel 141, de leden 1 en 2:

Lid 1: De leden van de volksvertegenwoordigende lichamen kunnen te allen tijde hun ontslag nemen.

Lid 2: Het wordt door hen ingezonden aan de President, die het ter kennis brengt van het volksvertegenwoordigend lichaam.”

In de Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA, wordt in artikel 2 verwezen naar artikel 68 van de Grondwet waarin is opgenomen op welke wijze, naast het verloop van de termijn waarvoor een lid is gekozen, het lidmaatschap van De Nationale Assemblée eindigt.

Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA artikel 4 lid 1:

“1. Nadat de Voorzitter, betreffende een lid, door middel van het verkrijgen van tenminste één der in lid 4 van dit artikel genoemde relevante documenten, kennis heeft genomen van het mogelijk bestaan van omstandigheden zoals genoemd in de Grondwet, artikel 68 lid 1 onder:

a. a of b doet deze daarvan mededeling in de eerstvolgende huishoudelijke vergadering en overtuigt zich daarna ervan dat de mededelingen en procedures om te komen tot toelating van een nieuw lid, conform de kiesregeling worden afgehandeld. In geval van overlijden wordt met name gecontroleerd of de akte van overlijden is afgegeven aan het Hoofdstembureau van het kiesdistrict van de overledene.

b. d, e, f of g, of van het ontstaan van één of meer gronden voor terugroeping zoals genoemd in artikel 3 van deze wet, doet de Voorzitter daarvan mededeling aan De Nationale Assemblée, in de eerstvolgende Huishoudelijke vergadering, die niet later dan 30 dagen na de kennisneming wordt uitgeschreven. In deze vergadering wordt een commissie benoemd met de taak om de relevante documenten voor De Nationale Assemblée te verzamelen en te onderzoeken.”

In de leden 2 tot en met 9 van artikel 4 van de Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA wordt de procedure beschreven die de hiervoor bedoelde commissie moet volgen en de procedure die De Nationale Assemblée moet volgen nadat de commissie verslag heeft gedaan.

Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA artikel 4 lid 6:

“In geval van benoeming tot minister of onderminister, eindigt het lidmaatschap van De Nationale Assemblée op de datum van de benoeming. In gevallen genoemd in artikel 68 van de Grondwet lid 1 onder d, f of g eindigt het lidmaatschap op de dag waarop het besluit, zoals bedoeld in artikel 4 lid 3, is genomen.”

Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA artikel 4 lid 9:

“Een politieke organisatie kan, na het bericht van De Nationale Assemblée aan de in lid 7 genoemde instanties betreffene een lid, waarbij het bestaan van één of meer terugroepingsgronden is aangetoond, de terugroeping vorderen van dit lid, conform de in artikel 1 van de wet gedefinieerde terugroepingsprocedure.”

5.4.7 Het Hof overweegt dat uit de redactie van de artikelen 3 en 4 van de Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA niet blijkt dat de procedure, waarbij de commissie wordt geïnstalleerd voor het bestuderen van de relevante documenten, ook geldt voor het ontslag op eigen verzoek. De stelling van Akiemboto dat die procedure gevolgd had moeten worden is derhalve niet op de wet gestoeld.

Ook de stelling van Akiemboto dat het lidmaatschap pas eindigt nadat door de commissie de geldigheid van de documenten is vastgesteld, is niet op de wet gebaseerd.

Uit de wetsbepalingen blijkt dat voor wat betreft het ontslag op eigen verzoek, als procedure slechts is opgenomen dat degene die ontslag neemt daarvan bericht stuurt naar de President van de Republiek, die op zijn beurt het ontslagbericht ter kennis brengt van De Nationale Assemblée.

Het Hof overweegt dat, noch in de Grondwet, noch in de Kiesregeling, noch in de Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA is voorgeschreven op welk moment het lidmaatschap eindigt na het verzenden van de ontslagbrief en of een dergelijke brief zou kunnen worden ingetrokken. Daardoor is uiteraard ook niet voorgeschreven op welk moment een eventuele intrekking nog mogelijk zou zijn.

5.4.8 Het Hof zoekt voor de beantwoording van de vragen verwoord onder 5.4.3 aansluiting bij het verbintenissenrecht en het arbeidsrecht. Daarbij wordt ook geanticipeerd op het ontwerp Nieuw Burgerlijk Wetboek Boek III. Uitgangspunt is dat het ontslag op eigen verzoek een eenzijdige rechtshandeling is.

5.4.9 In het algemeen verbintenissenrecht is met betrekking tot eenzijdige gerichte rechtshandelingen het volgende geldend:

“Naast de meerzijdige staat de eenzijdige rechtshandeling, die door slechts één persoon tot stand wordt gebracht. Voor de geldigheid van veel van deze eenzijdige rechtshandelingen is vereist, dat de bewuste handeling tot een bepaalde andere persoon wordt gericht. De andere persoon brengt de handeling niet zelf mede tot stand (zijn instemming is niet nodig), maar hij fungeert als ontvanger van de verklaring, als geadresseerde.” (Handboek “Rechtshandeling en Overeenkomst; Prof mr. Jac. Hijma e.a., – 6e druk – 2010 – pagina 5 e.v.).

Over de totstandkoming van het rechtsgevolg is alsvolgt opgenomen:

“Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. …. Dat betekent in de eerste plaats dat de verklaring die de wederpartij niet … bereikt, nimmer werking verkrijgt. De afzender heeft weliswaar zijn wil verklaard, maar hij heeft dat niet gedaan ten opzichte van de wederpartij. Uit de bepaling volgt bovendien dat het moment van ontvangst beslissend is voor het tijdstip waarop de verklaring haar werking krijgt en waarop derhalve de rechtshandeling tot stand komt (ervan uitgaande dat aan de geldigheid van de rechtshandeling verder niets in de weg staat.). …

De … opvatting dat het moment van ontvangst beslissend is duidt men wel aan als de ontvangsttheorie. Door de wetgever verworpen zijn de uitingstherorie (beslissend is het moment waarop de verklaring wordt verzonden) en de verzendingstheorie (beslissend is het moment waarop de verklaring tot de ontvanger doordringt)(eerder aangehaald werk: pagina 29 e.v.).

5.4.10 In het arbeidsrecht is met betrekking tot wilsverklaringen het volgende geldend:

“Ook als een werknemer duidelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard dat hij opzegt of instemt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, kan hij zich aan die overeenkomst onttrekken als er bij hem sprake is geweest van een wilsgebrek. Dat kan het geval zijn als de werknemer in een opwelling heeft gehandeld, bijvoorbeeld omdat hij in psychische nood verkeerde, of doordat hem verkeerde informatie was gegeven….

Als er sprake was van een wilsgebrek zal de werknemer zich daar zo snel mogelijk op moeten beroepen, zeker als hij zelf het intitiatief tot beëindiging heeft genomen. Wacht de werknemer te lang, dan loopt hij het risico dat de rechter oordeelt dat de werkgever er inmiddels vanuit mocht gaan dat de werknemer wist wat hij deed en dat voortzetting van het dienstverband een gepasseerd station is. (Arbeidsrecht in de Praktijk – mr. D.M. van Genderen ea. 7e druk – 2010 – pagina 207 e.v.).

5.4.11 Het Hof overweegt dat uit het hiervoor aangehaalde aannemelijk wordt dat het ontslagbericht dat door Akiemboto is verzonden aan de President met een kopie aan de Voorzitter van De Nationale Assemblée, als rechtsgevolg had dat het lidmaatschap van Akiemboto in elk geval op 6 januari 2021 beëindigd was.

Los van de vraag of daarna nog een intrekking van dat schrijven mogelijk zou zijn is het Hof van oordeel dat uit de stellingen en weren en de overgelegde producties aannemelijk wordt dat Akiemboto duidelijk en ondubbelzinnig zijn wil te kennen heeft gegeven en er geen redenen waren om aan te nemen dat er gronden waren om te twijfelen aan zijn wilsuiting, dan wel aan te nemen dat er sprake was van een wilsgebrek.

5.4.12 Het is dan ook aannemelijk dat, gelijk Bee en de Staat stellen, na de ontvangst van het schrijven van Akiemboto, gedateerd 5 januari 2021, het lidmaatschap van Akiemboto beëindigd is. Op het moment van de ontvangst van de brief door de President, was de President op de hoogte van de beëindiging van het lidmaatschap en diende hij, ingevolge artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling, de beëindiging van het lidmaatschap ter kennis te brengen van de Voorzitter van De Nationale Assemblée.

Doordat Akiemboto een kopie van het schrijven aan de voorzitter van De Nationale Assemblée heeft gestuurd was deze op 6 januari 2021 op de hoogte van de beëindiging van het lidmaatschap.

Iedere andere interpretatie van de rechtsgevolgen van het schrijven van Akiemboto zijn naar het oordeel van het Hof niet op de wet gebaseerd en vindt zulks geen steun in het recht.

5.4.13 Het Hof is dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat het lidmaatschap van de Nationale Assemblée van Akiemboto is beëindigd. Gezien de constitutionele positie van een volksvertegenwoordiger, die slechts lid kan worden van de Nationale Assemblée na daartoe gekozen te zijn tijdens een verkiezing, is het niet mogelijk dat het lidmaatschap herleeft door een tweede brief te schrijven op 21 januari 2021 waarin hij aangeeft toch weer als lid te willen fungeren.

5.4.14 Met betrekking tot de stellingen van Akiemboto betreffende de brief van de President van de Republiek, waarin door de President wordt opgemerkt dat de brieven geen rechtsgevolg hebben, overweegt het Hof dat aan dat schrijven voorbij gegaan moet worden. Immers, het toetreden van een lid tot De Nationale Assemblée geschiedt op grond van de wettelijke procedures en het beëindigen van het lidmaatschap geschiedt ook op grond van wettelijke bepalingen. Een schrijven van de President doet daar niet aan af.

Daarnaast is de stelling van de President in zijn schrijven onjuist daar de vermelding van 5 januari 2020 in de kop van de brief van Akiemboto als dagtekening een evidente verschrijving is, immers dient de President als geen ander op de hoogte te zijn geweest van het feit dat Akiemboto geen lid van de Nationale Assemblée was op 5 januari 2020, hetgeen ook als algemeen bekend mag worden verondersteld. Ook de datum beneden bij de handtekening van Akiemboto laat er geen twijfel over bestaan dat als dagtekening 5 januari 2021 had moeten worden gelezen. In zijn intrekkingsbrief van 21 januari 2021 bevestigt Akiemboto voorts dat 5 januari 2020 gelezen moet worden als 5 januari 2021 .

Het voorgaande brengt met zich dat ook de tweede grief faalt.

Grief III:

5.5.1 In de derde grief beklaagt Akiemboto zich erover dat de kantonrechter geheel voorbij gaat aan de “geest” van de wet, met name de in de wet opgenomen procedure tot het vaststellen van de geldigheid van de relevante documenten. Akiemboto stelt dat, in tegenstelling tot hetgeen door de kantonrechter is overwogen, door de wetgever wel degelijk een procedure is vastgesteld voor het ontslag op eigen verzoek. In de wet is opgenomen dat het moment waarop is vastgesteld dat de “relevante documenten” geldig zijn het lidmaatschap is beëindigd. Door deze procedure te negeren heeft de kantonrechter een constitutioneel probleem veroorzaakt, aldus Akiemboto.

5.5.2 Bee en de Staat hebben op deze grief gereageerd. Zij brachten daarbij onder andere naar voren dat de wetgever in de Wet Beëindiging Lidmaatschap DNA geen wetsbepaling heeft opgenomen waarin is geregeld dat het rechtsgevolg van het ontslag niet terstond intreedt. In bedoelde wet zijn nadere regels opgenomen omtrent het verlies van het lidmaatschap van De Nationale Assemblée in geval van terugroeping. In de toelichting op artikel 2 wordt expliciet verwezen naar de terugroeping. Voor beëindiging van het lidmaatschap door overlijden of ontslag op eigen verzoek heeft de wetgever geen nadere regels gesteld. Slechts de administratieve procedure die gevolgd dient te worden, om te geraken tot invullling van de opengevallen plek, is voorgeschreven.

5.5.3 Akiemboto is in zijn replieknota gebleven bij zijn standpunt.

5.5.4 Het Hof verwijst voor deze grief naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de tweede grief.

Het Hof is van oordeel dat inderdaad met betrekking tot de gronden genoemd onder d, e, f, g en de terugroeping in de wet een procedure is opgenomen met betrekking tot de vaststelling of relevante documenten geldig zijn. Echter is deze procedure niet opgenomen voor de gronden genoemd onder a en b, namelijk het overlijden en het ontslag op eigen verzoek. Om die reden kan de procedure niet van toepassing worden verklaard wanneer het de gronden van overlijden en ontslag op eigen verzoek betreft. Het feit dat de wetgever in de memorie van toelichting heeft omschreven waar de wet op gericht is, doet daar niet aan af.

Derhalve faalt ook grief III.

Grief IV:

5.6.1 Akiemboto heeft in zijn vierde grief aangevoerd dat Bee onbevoegdelijk en onrechtmatig heeft gehandeld door zonder meerderheid van stemmen in de door hem gehouden huishoudelijke vergadering de agendapunten ontslag- en opvolgingsprocedure in behandeling te nemen. Alle handelingen door Bee gepleegd zijn onrechtmatig en niet rechtsgeldig.

5.6.2 Bee en de Staat hebben op deze grief gereageerd. Zij brachten daarbij onder andere naar voren dat voor de mededeling van Bee aan de vergadering dat Akiemboto zijn lidmaatschap beëindigd was en dat de opvolgingsprocedure moest worden ingezet, geen stemming noodzakelijk was, immers, er is geen sprake van een besluit bij het doen van een dergelijke mededeling. Volgens het Reglement van Orde wordt alleen over te nemen besluiten gestemd en niet over mededelingen.

5.6.3 Akiemboto is in zijn repliekpleitnota gebleven bij zijn standpunt.

5.6.4 Het Hof overweegt dat, gelijk Bee en de Staat stellen, een mededeling over een ontvangen brief van de President, geen besluit is waarover gestemd moet worden, doch een mededeling, zoals bedoeld in artikel 141 lid 2 van de Kiesregeling. Het standpunt van Akiemboto dat daarover gestemd zou moeten worden is niet op de wet gebaseerd.

Grief IV faalt daarom ook.

5.7 Het Hof komt tot het oordeel dat de grieven niet gegrond zijn waardoor het vonnis, waartegen beroep, zal worden bevestigd.

5.8 Het Hof zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu dat niet tot een ander oordeel leidt. Akiemboto zal, als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

  1. De beslissing

Het Hof

6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding gewezen en uitgesproken op 11 februari 2021 in de zaak bekend onder A.R. no. 210284;

6.2 Veroordeelt Akiemboto in de proceskosten in hoger beroep begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I. S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 18 november 2022 in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein BSc.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-K1-2022-5

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-4247

CIVAR No. 202100032

27 oktober 2022

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

 

A. HOOGHART, RONALD LOUIS ARNOLD, in privé en q.q. als voorzitter van het Hoofdbestuur van de Centrale van Landsdienaren Organisaties, afgekort CLO,

wonend te Paramaribo,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

 

B. CENTRALE VAN LANDSDIENAREN ORGANISATIES,

gevestigd en kantoorhoudend te Paramaribo,

eiseres,

hierna respectievelijk ‘Hooghart’ en ‘CLO’ genoemd,

gemachtigde: mr. N.U. van Dijk CAMS AMLCA, advocaat,

 

tegen

MISKIN, MICHAEL HENDRIK SARAI, in privé en q.q. als bestuurslid van de CENTRALE VAN LANDSDIENAREN ORGANISATIES,

wonend te Paramaribo,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna ‘Miskin’ genoemd,

gemachtigde: mr. V.V.C. Piqué, advocaat.

  1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 21december 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis die mondeling is genomen op 20januari 2022;
  • de conclusies van antwoord, repliek en dupliek met producties in conventie en van eis, antwoord, repliek en dupliek in reconventie met producties.
  • Bij tussenvonnis van 28 juli 2022 heeft de kantonrechter Miskin gelast alsnog en zonder verder uitstel,stukken in het geding over te leggen. Hooghart heeft zich uitgelaten over de stukken, t.w.:

1) het Huishoudelijk Reglement van CLO,

2) de getekende presentielijsten van de vergaderingen van 28 mei en 27 augustus 2021,

3) het vonnis van 17 december 2020 in de zaak A.R. No. 20-3514.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

  1. De feiten

De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die vaststaan, omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of onvoldoende zijn weersproken.

2.1 CLO is een vereniging die de naam draagt “Centrale van Landsdienaren Organisaties”, opgericht op 22 april 1974 voor onbepaalde tijd. CLO stelt zich ten doel de maatschappelijke en geestelijke belangen van de arbeidende klasse in het algemeen te behartigen en voor te staan en die van de landsdienaren in het bijzonder.

2.2 In een brief van 7 april 2021gericht aan het Hoofdbestuur van CLO is o.m. een verzoek tot het beleggen van een buitengewone bijeenkomst voor een Assemblee van de Ledenraad gedaan door de:

  1. Bond Ambtenaren Sociale Zaken,
  2. Bond van Personeel Openbare Werken Sektie Nickerie,
  3. Algemene Bond Personeel Regionale Ontwikkeling,
  4. Algemene Bond Transport Communicatie en Toerisme,
  5. Algemene Bond van Burgerpersoneel Defensie,
  6. Algemene Bond Ashiana Personeel,
  7. Algemene Bond Personeel Esther Stichting,
  8. Bond Waarborg en IJkwezen,
  9. Algemene Bond ministerie van Economische Zaken, Ondernemerschap en Technologische Innovatie,
  10. Bond Personeel Openbare Werken.

Het agendapunt voor de vergadering is het houden van vervroegde bestuursverkiezingen, zo ja of nee, en zo ja, op welke dag?

2.3 Op 2 september 2021 schrijft Miskin als voorzitter van CLO aan Hooghart o.m. dat de Assemblee van de Ledenraad het Hoofdbestuur heeft gekozen met Miskin als voorzitter en met daarbij het verzoek om alle zaken van CLO via een vastgelegd protocol van overdracht toe te zenden voor 10 september 2021 op het adres van CLO.

2.4 De gemachtigde van Hooghart schrijft in een op 7 september 2021 aan Miskin betekende brief o.m. dat laatstgenoemde heeft verzuimd de notulen en het proces-verbaal van de genoemde bestuursverkiezingen met zijn brief van 1 september 2021 mee te sturen, [citaat]: “waardoor van cliënt niet verwacht kan worden dat hij zal meewerken aan de gevraagde overdracht vooral nu gebleken is dat een aantal van de ondertekenaars van uw schrijven van 7 april 2021 niet in het ledenbestand van de C.L.O. voorkomen. (…)” [einde citaat].

2.5 Bij betekend schrijven op 28 september 2021 sommeert Hooghart Miskin en stelt hem in gebreke de notulen van de Assemblee van de Ledenraad van 28 mei 2021 en het proces-verbaal van de verkiezingen op 27 augustus 2021 binnen drie dagen na ontvangst, op het kantoor van zijn gemachtigde te deponeren. Aan Miskin en bestuur zijn rechtsmaatregelen aangezegd.

2.6 Als reden voor de ingebrekestelling is in de brief o.m. het volgende vermeld[citaat]:

“U heeft middels schrijven van uw advocaat d.d. 15 september 2021 cliënt laten weten dat de genoemde bestuursverkiezingen rechtsgeldig zijn verlopen. U verzuimt wederom de notulen en het proces-verbaal van de genoemde vergadering en bestuursverkiezingen mee te sturen.

Bij schrijven d.d. 20 september 2021 heb ik namens mijn cliënt uw advocaat aangegeven dat het meer dan redelijk is dat cliënt zich overtuigt dat de gehouden Assemblee van de ledenraad en de gehouden verkiezingen rechtsgeldig zijn. (…)

Verder twijfelt cliënt ook aan de rechtsgeldigheid omdat ook niet-leden de vergadering van de Assemblee van de ledenraad aangevraagd hadden. Verder vertegenwoordigt cliënt ook bonden die lid zijn van genoemde Assemblee van de ledenraad en derhalve op grond daarvan heeft cliënt recht op inzage/ontvangst van de genoemde documenten.

Uw weigering de documenten voor cliënt te sturen is een onrechtmatig handelen jegens cliënt (…)”

[einde citaat].

2.7 De President van de Republiek Suriname nodigt bij schrijven van 16 oktober 2021 Miskin als voorzitter van CLO uit voor een kennismakingsgesprek op 18 oktober 2021, naar aanleiding van een schrijven van Miskin aan de President van 4 oktober 2021.

2.8 De gemachtigde van Miskin schrijft op 29 oktober 2021 aan de gemachtigde van Hooghart o.m. [citaat]: “Zoals door u gevraagd, worden de opgemelde documenten aan u verzonden.” [einde citaat]. Als bijlagen bij de brief van 29 oktober 2021 zijn notulen van 28 mei en 27 augustus 2021 en proces-verbaal van 27 augustus 2021 gevoegd.

2.9 In de gewijzigde statuten van CLO, vastgesteld, goedgekeurd en aangenomen op de Assemblee van de Ledenraad op 28 november 2003, is in de artikelen 3, 4 en 5 het lidmaatschap, de verkrijging en de wijze van eindigen daarvan geregeld. Het lidmaatschap eindigt door:

  • schriftelijke opzegging door het lid aan het bestuur met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden;
  • schriftelijke opzegging namens de Centrale, indien het lid, na daartoe te zijn aangemaand, zijn geldelijke verplichtingen jegens de Centrale niet ten volle heeft voldaan, alsmede wanneer het lid opgehouden heeft te voldoen aan de vereisten, welke door de statuten voor het lidmaatschap zijn gesteld;
  • schorsing van het lid;
  • royement van het lid.

2.10 In artikel 7 lid 1 van de statuten is bepaald dat de Assemblee van de Ledenraad de voorzitter in functie kiest. De Assemblee van de Ledenraad neemt rechtsgeldige besluiten, indien ten minste de helft plus één van het aantal gewone leden aanwezig is, artikel 11 lid 2. Gewone leden zijn Federaties en Bonden van personeel in Overheidsdienst, die als zodanig door het bestuur zijn toegelaten uit kracht van artikel 4 van de statuten, artikel 3 lid 1. Buitengewone bijeenkomsten van de Centrale Raad en of van de Assemblee van de Ledenraad worden belegd binnen dertig dagen, nadat het Hoofdbestuur een daartoe met redenen omkleed schriftelijk verzoek van ten minste tien gewone leden heeft ontvangen, artikel 13 lid 2.

  1. De verdere beoordeling

In conventie en in reconventie

3.1 In een akte van bezwaar voert Miskin aan dat de conclusie tot uitlating – zoals door de kantonrechter bij tussenvonnis gelast – tot gevolg zal hebben dat Hoogharten CLO hun eerdere uitlating over de presentielijsten van 28 mei en 27 augustus 2021bij conclusie van dupliek in reconventie,zullen herhalen. Hij voert aan dat dit in strijd is met de goede procesorde. Hooghart en CLO concluderen tot het passeren van de presentielijsten, nu Miskin eerst bij conclusie van dupliek verweer ten principale voert.

De kantonrechter neemt over en volhardt bij de beslissingen in het tussenvonnis van 28 juli 2022. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter en het staat haar aldus vrij een partij in de gelegenheid te stellen zich nader over, door de rechter voorshands onduidelijk geachte stellingen uit te laten (zie Snijders, Klaassen en G.J. Meijer over verdere partijhandelingen). Miskin slaat er kennelijk geen acht op dat hij eerst bij conclusie van dupliek de presentielijsten in het geding heeft gebracht. Een andere opvatting zou niet stroken met de eisen van een behoorlijke rechtspleging en bovendien ook niet zijn te verenigen met de rechterlijke bevoegdheid ex artikel 47 Rv om overlegging van bescheiden te bevelen (zie Hoge Raad 1994, NJ 407). Het standpunt dat Hooghart en CLO nimmer om een presentielijst hebben gevraagd onder verwijzing naar de ingebrekestelling in productie 6 bij inleidend verzoekschrift (zie hiervoor randnummers 2.4 en 2.5), gaat in dit verband dan ook niet op.

3.2 De vragen die in conventie beantwoord moeten worden zijn:

  • of het verzoek d.d. 7 april 2021, per deurwaardersexploot van 19 april 2021 No. 394-21 betekend aan het Hoofdbestuur van CLO voor het houden van een buitengewone bijeenkomst, in overeenstemming met artikel 13 lid 2 is gedaan;
  • of sprake is van besluiten die zijn genomen in overeenstemming met artikel 11 lid 2 van de statuten op de vergaderingen van 28 mei en 27 augustus 2021.

3.2.1 Hooghart en CLO hebben bij repliek een“Lidbondenlijst van CLO”van 62 lidbonden vergeleken met de lijst van 10 bonden die het verzoek van 7 april 2021 hebben gedaan, en daarbij de volgende opmerkingen geplaatst:

Nr.

Getekende Bonden

Opmerkingen

1

Bond Ambtenaren Sociale Zaken

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

2

Bond van Personeel Openbare Werken Sektie Nickerie

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

3

Algemene Bond Personeel Regionale Ontwikkeling

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

4

Algemene Bond Transport Communicatie en Toerisme

Die brief is getekend door dhr. G.A. Swamipersad die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

5

Algemene Bond van Burgerpersoneel Defensie

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

6

Algemene Bond Ashiana Personeel

De juiste naam is: “Bond van Personeel in dienst van Huize Ashiana van de Stichting Beheer en Exploitatie Bejaarden Centra”.

Die brief is getekend door dhr. R. Palmtak die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

7

Algemene Bond Personeel Ester Stichting

Die brief is getekend door dhr. J.M. Aviankoi die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

8

Bond Waarborg en IJkwezen

Die brief is getekend door dhr. G.A. Swamipersad die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

9

Algemene Bond Ministerie van Economische Zaken en Technologische Ontwikkeling

GEEN Lidbond CLO.

Dit ministerie is ontstaan sinds het aantreden van deze regering, waar de splitsing van de CLO er al was. Een nieuw opgerichte bond kan pas lid worden van de CLO door toestemming van de assemblee van de ledenraad.

10

Bond Personeel Openbare Werken.

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

 

3.2.2 Hooghart en CLO stellen dat in het verzoek van 7 april 2021, volgens de door hen samengestelde “Lidbondenlijst van CLO”, ten onrechte voor de Algemene Bond Transport Communicatie en Toerisme (nr. 58), Algemene Bond Ashiana Personeel (nr. 54), Bond Personeel Esterstichting (nr. 31) en Bond Waarborg en IJkwezen(nr. 29)niet de naam van Hooghart vermeld staat, terwijl hij de voorzitter van de betreffende bonden is. Anderen staan als voorzitter vermeld, zoals in de vergelijking hiervoor is opgemerkt. Verder stellen Hooghart en CLO dat de Algemene Bond Ministerie van Economische Zaken en Technologische Ontwikkeling niet tot de lidbonden van CLO behoort.

3.2.3 Anders dan waar Hooghart en CLO van uitgaan, is in het verzoek van 7 april 2021 voor de Algemene Bond Transport Communicatie en Toerisme niet G.A. Swamipersad, maar R. Palmtak als voorzitter genoemd. Aan deze gestelde vermelding van G.A. Swamipersad wordt voorbijgegaan.

3.2.4 Miskin beroept zich op een naar aanleiding van quorum kwesties en stemming tijdens verkiezingen ontstaan gebruik binnen CLO, om de ledenlijst van 62 lidbonden op te schonen en slechts uit te gaan van bekende leden of actieve leden of functionerende leden. Over bedoeld gebruik blijkt nader uit twee mededelingen zoals vastgelegd in de notulen van de vergadering van 28 mei 2021. Daarin staat onder meer [citaat]:

“- dat de Centrale van Landsdienaren organisaties (C.L.O.) origineel uit 70 lidbonden/federaties bestaat. Lidbonden z.a.: P.C.S., G.M.D. zijn overgestapt naar andere vakcentrales z.a. de OSAV, COL en C.47. Andere bonden opereren zelfstandig. Van bonden als B.W.K.W. en de 2 bij het Ministerie van Financiën weet niemand er iets van.

– na aftrek van al die bonden met een geschiedenis zoals eerder aangehaald, bestaat de C.L.O. thans uit 42 lidbonden/federaties, leden die aan de bestuursverkiezingen mogen deelnemen.”

[einde citaat].

3.2.5 Miskin brengt ter onderbouwing van zijn verweer de “Analyse Lijst Hooghart” in het geding.

In onderstaande tabel staan de standpunten van partijen over de lidbonden die het verzoek van 7 april 2021 hebben gedaan met vermelding van de getekende presentielijsten.

Nr.

Getekende Bonden

Opmerkingen Hooghart, CLO

Analyse Lijst Hooghart

Presentielijst op

28 mei 2021 getekend door:

 

Presentielijst op

27 augustus 2021 getekend door:

1

Bond Ambtenaren Sociale Zaken

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

 

2

Bond van Personeel Openbare Werken Sektie Nickerie

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

 

3

Algemene Bond Personeel Regionale Ontwikkeling

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

 

4

Algemene Bond Transport Communicatie en Toerisme

Die brief is getekend door dhr. G.A. Swamipersad die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

Voorzitter:

G. Reumel

Secretaris Generaal:

J.M. Aviankoi

 

Voorzitter:

R. Palmtak

5

Algemene Bond van Burgerpersoneel Defensie

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

 

6

Algemene Bond Ashiana Personeel

De juiste naam is: “Bond van Personeel in dienst van Huize Ashiana van de Stichting Beheer en Exploitatie Bejaarden Centra”.

Die brief is getekend door dhr. R. Palmtak die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

Voorzitter:

R. Palmtak

Voorzitter:

R. Palmtak

 

Secretaris:

E.F. Daniel

7

Algemene Bond Personeel Ester Stichting

Die brief is getekend door dhr. J.M. Aviankoi die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

Voorzitter:

J. Aviankoi

Ondervoorzitter:

(naam niet leesbaar)

 

Secretaris:

E.F. Daniel

8

Bond Waarborg en IJkwezen

Die brief is getekend door dhr. G.A. Swamipersad die zich voordoet als voorzitter van de bond. Echter berust dat niet op waarheid daar dhr. Hooghart R. Voorzitter van de bond is.

Voorzitter:

G. Swamipersad

Voorzitter:

G. Swamipersad

 

Voorzitter:

G. Swamipersad

9

Algemene Bond Ministerie van Economische Zaken en Technologische Ontwikkeling

GEEN Lidbond CLO.

Dit ministerie is ontstaan sinds het aantreden van deze regering, waar de splitsing van de CLO er al was. Een nieuw opgerichte bond kan pas lid worden van de CLO door toestemming van de assemblee van de ledenraad.

Algemene Bond Personeel Handel en Industrie met de opmerking “Economische Zaken”

Voorzitter:

G. Swamipersad

Ondervoorzitter:

Souprayn

 

Voorzitter:

G. Swamipersad

10

Bond Personeel Openbare Werken.

Wel Lidbond CLO. Geen verdere opmerkingen.

 

 

3.2.6 Het voorzitterschap van bond nummer 4 is zoals uit het overzicht blijkt vooralsnog niet duidelijk, waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid in dit geval niet aannemelijk is. Weliswaar stelt Miskin dat Palmtak voorzitter is, maar in de Analyse Lijst Hooghart – door Miskin in het geding gebracht – staat onweersproken en zonder nadere rectificatie G. Reumel als voorzitter vermeld. Vooralsnog is een juiste vermelding van vertegenwoordiging van de bond niet aannemelijk, zodat niet geconcludeerd kan worden dat het verzoek mede is getekend door een rechtsgeldige vertegenwoordiger. Vooralsnog staat dan ook niet vast dat tien lidbonden rechtsgeldig het verzoek tot het houden van een Assemblee van de Ledenraad hebben gedaan.

3.2.7 Ten aanzien van het standpunt van Miskin dat naar aanleiding van quorum kwesties en stemming tijdens verkiezingenhet gebruikelijke systeem van tussentijdse evaluatie van participerende en actieve leden binnen CLO is ontstaan, om de ledenlijst op te schonen en slechts uit te gaan van bekende leden of actieve leden of functionerende leden, het volgende.

14 uit de 62 lidbonden op de Analyse Lijst Hooghart functioneren volgens Miskin niet of zijn niet actief, zoals hieronder weergegeven.

Nr

Lidbonden Lijst van de CLO

Voorzitter volgens Lidbonden Lijst CLO

Voorzitter volgens Analyse Lijst Hooghart

Opmerkingen in Analyse Lijst Hooghart

1

Algemeen Bond Personeel Natuurlijke Hulpbronnen

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

2

Algemeen Bond van Personeel Volksgezondheid

Wekker

Wekker

Functioneert niet/ niet actief

3

Algemeen Bond Personeel Financiën

Hooghart

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

4

Algemene Bond Personeel Buza

Niet bekend/ functioneert niet/ niet actief

5

Bond CBL

FungLoy

Niet bekend/ functioneert niet/ niet actief. De dienst bestaat niet meer.

6

Bond CSFE

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

7

Bond Dienst Bodem Kartering

Waterberg

Functioneert niet/ niet actief

8

Bond Personeel Centrale Betaaldienst

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

9

Bond Personeel Hypotheekkantoor

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief Hypotheekkantoor bestaat niet meer

10

Bond van Buschauffeurs en Personeel in Overheidsdienst

Hooghart

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

11

Bond Personeel Centrale Begroting Boekhouding

Hooghart

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

12

Bond Personeel Cultureel Centra Suriname

Hooghart

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

13

Personeel Bond AOV

Hooghart

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

14

Personeel Bond Rekenkamer van Suriname

Hooghart

Hooghart

Functioneert niet/ niet actief

 

3.2.8 Hooghart en CLO verwijten Miskin dat hij door 14 bonden uit het ledenbestand te verwijderen in strijd met de statuten heeft gehandeld. Zij beroepen zich daarbij op artikel 5 van de statuten. Ook bestrijden zij dat in het geval van de vermelding van de bonden nummers 41 en 42 op de Lidbondenlijst CLO, het om dezelfde bonden gaat als op de lijst die Miskin in het geding heeft gebracht. Zij concluderen dat hierom reeds Miskin geen juiste analyse heeft gemaakt. Hooghart en CLO hebben ook betoogd dat de eigenhandige afschrijving van twee bonden door Miskin op de litigieuze vergadering, niet rechtsgeldig is.

3.2.9 Miskin voert aan dat na evaluatie en verificatie kan worden uitgegaan van 44 functionerende/ actieve bonden. In de Lijst Analyse Hooghart staat dat van twee vakbonden die niet zijn meegenomen in de lijst van 42 lidbonden voor de verkiezingen, Hooghart de voorzitter is, te weten de Personeel Bond Bureau Openbare Gezondheidszorg en Bond Personeel Nationale Loterij. In productie 1 staat ter toelichting hiervan [citaat]: “In het groen zijn de twee bonden weergegeven, die na verificatie verbonden blijken te zijn aan de CLO, doch niet meegenomen waren in de lijst van 42 lidbonden i.v.m. de verkiezingen. De CLO bestaat aldus na de recentelijke evaluatie en verificatie, uit 44 lidbonden/federaties, die bekend zijn, functioneren en actief zijn.” [einde citaat].Miskin stelt dat het totaal van 44 functionerende/ actieve bonden geen invloed op de uitkomst heeft, nu de aanwezigheid van 26 leden op de Assemblee van de Ledenraad van 27 augustus 2021, voldoende quorum oplevert. Ook voert Miskin aan dat een aanvankelijk ledenbestand van 56 lidbonden na evaluatie en verificatie is teruggebracht naar 42 en in latere instantie, de kantonrechter begrijpt na de vergadering van 27 augustus 2021, naar 44 lidbonden.

3.2.10 Hier zij nog opgemerkt dat het standpunt van Hooghart en CLO over de lidbonden genummerd 2, 4, 5, 9, 16 en 17 op de presentielijsten onduidelijk is, omdat de vakbonden niet onder dezelfde nummering dan wel in dezelfde volgorde op de twee presentielijsten voorkomen. Aan deze stelling wordt daarom voorbijgegaan.

3.2.11 Miskin verwijt Hooghart en CLO verder eenzelfde manier van handelen, de kantonrechter begrijpt het opschonen, bij de Hoofdbestuursverkiezingen van 21 december 2018 aan de dag gelegd te hebben, toen volgens Miskin geen sprake was van quorum om de Assemblee van de Ledenraad te beleggen en rechtsgeldige verkiezingen te houden. Zijn stelling heeft Miskin niet met concrete feiten onderbouwd, zodat aan een beoordeling niet wordt toegekomen.

3.2.12 Opschonen van een ledenbestand houdt in dat leden uit het ledenbestand verwijderd worden. Het mag zo zijn dat de redenen die Miskin aanhaalt, te weten quorum kwesties, het stemmen tijdens verkiezingen en het slechts willen uitgaan van bekende of actieve of functionerende leden, aanleiding zijn geweest voor het opschonen, hij heeft geen goedgekeurd besluit overgelegd waaruit concrete, te hanteren selectiecriteria blijken. Aan een specifieke,inhoudelijke beoordeling van het opschonen wordt dan ook niet toegekomen. Verder heeft Miskin onvoldoende aangevoerd om te concluderen dat in alle gevallen van leden die verwijderd zijn, niet gehandeld is in strijd met een binnen de rechtspersoon geldende regel om die handelingen alleen te plegen op grond van de eigen fundamentele organisatieregels van CLO, de statuten. Statuten gelden voor de vereniging als objectief recht. Zij bepalen voor een goed deel de rechtsbetrekkingen in de vereniging (Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II). In het geval van het verwijderen van leden uit het ledenbestand schrijft artikel 5 van de statuten voor dat die handeling slechts kan plaatsvinden naar aanleiding van een geldig tot stand gekomen bestuursbesluit. Artikel 5 lid 2 schrijft voor dat in het geval van schorsing of royement zulks kan worden uitgesproken door het bestuur tegen een lid dat in strijd handelt met het doel en de belangen van de Centrale of haar voortbestaan schaadt. Voor een besluit tot het afvoeren van leden uit het ledenbestand moeten gronden aanwezig zijn. Artikel 3 van het Huishoudelijk Reglement is een herhaling en bevestiging van artikel 5 van de statuten. Nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden als genoemd in artikel 5, kan in het geval van de 14 bonden niet ervan worden uitgegaan dat door opschoning het lidmaatschap van rechtswege eindigt of is geëindigd. Immers, in het onderhavig geding is gesteld noch gebleken dat een bevoegd orgaan van CLO een besluit over een gebruikelijk systeem van tussentijdse evaluatie van participerende en actieve leden genomen heeft, dat kan en mag leiden tot beëindiging, dat wil zeggen opzegging, van het lidmaatschap.

3.2.13 Het geschil legt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende bloot dat partijen er vooralsnog niet in zijn geslaagd het mogelijk te maken dat met in overeenstemming gebrachte statuten,en bij wege van nadere goedgekeurde reglementering, het opschonen van het ledenbestand van CLO regeling vindt, in plaats van dooreen ontstaan gebruik. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat een vereniging in strijd handelt met de goede trouw indien zij zich beroept op een beslissing die naar haar inhoud of naar haar wijze van totstandkoming in redelijkheid niet had mogen worden genomen (Asser-Van der Grinten II over royement in het verenigingsrecht).Door de uitsluiting van deelname aan de vergaderingen is vooralsnog aannemelijk dat Miskin royement voor ogen heeft gestaan. Dit klemt te meer nu de resultante van de gepleegde opschoning vooralsnog is dat in ieder geval zestien lidbonden zonder dat daaraan een rechtsgeldig besluit ten grondslag ligt, zijn uitgesloten van deelname aan de vergaderingen van 28 mei 2021 en 27 augustus 2021.Niet in het minst geldt dat een ledenbestand van 42 vermeerderd met de uitgesloten zestien lidbonden leidt tot een quorum vereiste van 58:2= 29 +1= 30. Dit vereiste ligt hoger dan het quorumvereiste van 26 waar Miskin van uitgaat.

3.2.14 Uit al het voorgaande volgt dat aan de vergaderingen van 28 mei 2021 en 27 augustus 2021 zodanige omstandigheden ten grondslag liggen, dat de rechtsgeldigheid daarvan niet vol te houden is.

3.2.15 Miskin heeft aangevoerd dat de uitslag van de verkiezingen op 27 augustus 2021 nimmer nietig is verklaard of in rechte aangetast door een uitspraak van de kantonrechter of het Hof van Justitie. De kantonrechter begrijpt het verweer van Miskin als een betwisting van het spoedeisend belang van de onderhavige vordering. Hooghart en CLO stellen daartegenover dat de voorliggende vordering de voorbode is voor het instellen van de bodemprocedure tot nietigverklaring van de litigieuze bestuursverkiezingen.

3.2.16 In dit verband weegt de kantonrechter mee dat uit het procesdossier blijkt dat Hooghart en CLO op 21 december 2021 het verzoekschrift voor het in behandeling nemen op de Griffie der Kantongerechten hebben aangeboden. De termijn vanaf de verkiezingsuitslag tot aan het aanbieden van het verzoekschrift en de aard van de vordering makende spoedeisendheid voldoende aannemelijk. Het komt de kantonrechter daarom passend voor Hooghart en CLO,ambtshalve,een termijn te stellen waarbinnen de bodemprocedure aanhangig gemaakt wordt.

3.3 De vorderingen van Hooghart en CLO om Miskin te verbieden zich als voorzitter van de CLO te gedragen en te veroordelen om onmiddellijk na de uitspraak alle activiteiten die ondernomen worden als nieuw hoofdbestuur te staken, zullen worden toegewezen. De te verbeuren dwangsom zal gemitigeerd en gemaximeerd worden tot SRD 5.000, – per dag tot een maximum bedrag van SRD 100.000, -.

3.4 De overige stellingen en verweren behoeven geen behandeling meer nu zij niet kunnen leiden tot een ander oordeel.

3.5 Miskin zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie veroordeeld worden in de proceskosten, tot aan de dag van de uitspraak bestaande uit het vastrecht ad SRD 50, -, de betekeningskosten door de deurwaarder ad SRD 690, -, totaal SRD 740, -. Voorts zal Miskin veroordeeld worden in de advocaatkosten aan de zijde van Hooghart en CLO ad SRD 7.500, -.

3.6 In reconventie heeft Miskin gevorderd Hooghart te verbieden om zich als voorzitter van CLO uit te geven en als zodanig handelingen te verrichten. Ook om hem te gelasten om al de zaken van CLO die hij in zijn bezit heeft, inclusief de administratie, binnen vijf dagen na deze uitspraak of binnen een in goede justitie te bepalen termijn aan hem over te dragen tezamen met een deugdelijk schriftelijk overzicht van wat overgedragen wordt. Verder Hooghart te gelasten om alle werkruimten van CLO inclusief het secretariaat gelegen aan de Verlengde Gemenelandsweg no. 74 te Paramaribo ter vrije beschikking van Miskin te stellen op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – voor iedere dag of keer dat hieraan geen gevolg geven wordt.

3.7 De beslissing in conventie leidt ertoe dat het gevorderde in reconventie zal worden afgewezen.

3.8 Miskin zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie, begroot op nihil.

 

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

In conventie

4.1 Verbiedt Miskin om zich als voorzitter van de Centrale van Landsdienaren Organisatie te gedragen, totdat in een in te stellen bodemprocedure hierover zal zijn beslist.

4.2 Veroordeelt Miskin om onmiddellijk na deze uitspraak alle activiteiten die ondernomen worden als nieuw Hoofdbestuur te staken, totdat in een in te stellen bodemprocedure hierover zal zijn beslist.

4.3 Veroordeelt Miskin tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000, – (vijfduizend Surinaamse Dollar) voor elke dag dat hij nalatig is om aan de beslissingen onder 4.1 en 4.2 te voldoen tot een maximum bedrag van SRD 100.000, – (honderdduizend Surinaamse Dollar).

4.4 Gelast Hooghart en Miskin om binnen vier maanden na de datum van deze uitspraak de zaak aanhangig te maken in een bodemprocedure.

4.5 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

4.6 Veroordeelt Miskin in de kosten van het geding aan de zijde van Hooghart en CLO, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 740, – (zevenhonderdveertig Surinaamse Dollar) en advocaatkosten ad SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse Dollar).

4.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

in reconventie

4.8 Weigert de gevraagde voorzieningen.

4.9 Veroordeelt Miskin in de proceskosten aan de zijde van Hooghart en CLO, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 27 oktober 2022 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SRU-K1-2022-4

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202200220
28 juli 2022

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

GAJADIEN, ASISKUMAR,
wonend in het [district],
eiser,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

MARTINUS, JOËL TIMOTHEUS, alias BORDO,
wonend in het [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.C.M.Nibte, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en –handelingen:
– het inleidend verzoekschrift dat met producties op 23 mei 2022 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van eis die mondeling is genomen op 9 juni 2022;
– de conclusie van antwoord.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
De kantonrechter gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten die vaststaan, omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of onvoldoende zijn weersproken.

2.1 Gedaagde is herkenbaar in beeld en doet onder meer de volgende uitspraken op vijf filmpjes op een memorystick in het geding gebracht.

“Wiswasi beest”
In filmpje 4 is te horen dat gedaagde onder meer zegt: “(…) Gajadien, wiswasi Gajadien, (…) yu pina beest, Gajadien, slordig beest, Gajadien, wiswasi beest, (…) Samma no de fubari mi, a enige sumasan kan bari mi, no meki video moro, na a man habi a partij, Bravo wan, toch m’o weiger (…),bika je bent een wiswasi beest (…), bikasoso beest, Gajadien (…)”.
“Oplichter”
In filmpje 1, “BORDO TANG TEKI” is te horen dat gedaagde onder meer zegt:
“(…) Gajadien, y’e slijm te y’efen’ a moni da ie ne yep a volk, da y’e pot ing go ini yu boro brukusakaf’yu. Ie sab’ dat i licht her’ Wanica op, tek’ den man monifu go na verkiezing, kor’ kor’ den man (…);
en in filmpje 3: “(…) Gajadien, (…) mi no wan’ tak’ nangayu, yu na oplichter, ie sab’ tak’ ie licht her’ Wanica op en a moni dat’ voorzitter fu VHP no si. Tijdens a verkiezing ten ie tek’ a her’ monidati, ie pot’ ini yu saka (…)”.

“Yokohamamoni”
In filmpje 1, “BORDO TANG TEKI” is te horen dat gedaagde onder meer zegt:
“(…) Gajadien, ie’m tan teki (…) ie fergiti dat ie ben go kindi na Yokohama bakadoro na car center e begi, te lek nowy’ebegi Yokohama moniete, ie fergiti (…)”.
en in filmpje 5, “PG ONDERZOEK BORDO”:
“(…) Gajadin, (…) te j’e boro na bakadoro na Yokohama go tek moni, omeni moni, daarom yu kon nanga wet in DNA fu casino, ini voordeel fu Yokohama fu kan yep’ a man, want i tek’ a man moni. Mi kan taigi tak no wan ABOP man o ondersteun a wet, yu kan pur’ingf’yutonton (…)”.

3. De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 Eiser vordert- kort gezegd – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis gedaagde veroordeelt:
– om binnen 24 uren na de uitspraak, althans in de eerstvolgende editie van de dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en Dagblad Suriname, vertaald in het Sranan Tongo, te verklaren:
“Ik MARTINUS, Joël Timotheus, alias Bordo, verklaar hierbij nadrukkelijk dat ik ten onrechte de afgelopen periode vanaf omstreeks 19 mei 2022 videofilmpjes c.q. camerabeelden op social media heb geplaatst c.q. doen plaatsen waarin ik de persoon van GAJADIEN, Asiskoemar, die parlementariër is, heb beledigd en beschuldigd. De uitspraken die ik op de filmpjes heb gedaan, berusten niet op waarheid. Ik heb meneer Gajadien dus ten onrechte zo bejegend. Ik bied hem bij dezen mijn welgemeende verontschuldigingen aan.”
– om binnen 24 uren na de uitspraak op Facebook een filmpje te posten waarin hij de tekst hiervoor vermeld in het Sranan Tongo, althans het Surinaams, uitspreekt;
– e.e.a. op straffe van verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- per uur, of een in goede justitie te betalen dwangsom;
– in de advocaatkosten.
Voorts is veroordeling van gedaagde in de proceskosten gevorderd.

3.2 Aan zijn vordering legt eiser – kort gezegd – ten grondslag dat uitspraken van gedaagde in filmpjes die omstreeks 19 mei 2022 op social media zijn verschenen, beledigend en schadelijk voor hem zijn.De uitspraken berusten niet op waarheid en gedaagde heeft hem daarmee schade toegebracht.

3.3 Gedaagde voert verweer. Op het verweer wordt indien nodig, hierna teruggekomen.

4. De beoordeling
4.1 Het spoedeisend belang wordt aanwezig geacht.

4.2 Gedaagde voert als meest verstrekkend verweer dat hij niet in gebreke is gesteld door eiser. Gedaagde heeft een oorzakelijk verband tussen schade en een kennelijke wanprestatie, die een ingebrekestelling zou kunnen vereisen, niet gesteld. Voor zover van belang, merkt de kantonrechter nog op datex artikel 1259 BW, in gevallen,de dagvaarding als eerste ingebrekestelling geldt (Asser-Rutten I, Asser-Hartkamp 4-I). Het verweer wordt gepasseerd.

4.3 Het verweer van gedaagde dat zijn uitspraken zijn gericht tegen Pets Gajadien, is op grond van de geluidsfragmenten niet aannemelijk. Immers, daaruit blijkt onweersprekelijk dat gedaagde zich richt tot en spreekt over eiser in privé en in zijn hoedanigheid van lid van de Verenigde Hervormingspartij, hierna VHP, en lid van De Nationale Assemblee, hierna DNA. Het verweer wordt verworpen.

4.4 Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of een uitlating beledigend is,de context van het geheel waarvan de uitlating deel uitmaakt, haar objectief beledigend karakter mede bepaalt. Het bezigen van scheldwoorden is daarbij een gewichtige factor met betrekking tot de beoordeling van het karakter.Volgens de Hoge Raad in NJ 2009, 466, is het bezigen van in het spraakgebruik erkende scheldwoorden beledigend in de zin van art. 266, eerste lid van het Nederlands Wetboek van Strafrecht (artikel 325 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht). Een uitdrukking of term is beledigend in de betekenis van voornoemde bepaling, indien deze zonder meer geschikt is om daarmee andermans waardigheid te miskennen. Termen die naar algemeen spraakgebruik als scheldwoorden te kwalificeren zijn, zijn daarvoor geschikt. In het bezigen van dergelijke termen ligt reeds – behoudens contra-indicaties – de strekking om te beledigen besloten.

4.4.1 Het woord ‘wiswasi’ betekent volgens het Wortubuku fu Sranan Tongo, 2007, ‘gemeen’ met verwijzing naar het woord ‘sakasaka’, wat een scheldwoord is.De context waarin de uitdrukking ‘wiswasi’ moet worden geplaatst, bestaat uit uitlatingen die in vijf filmpjes op social media zijn geplaatst. De gebezigde uitdrukking ‘wiswasi’ is op zichzelf niet zonder meer beledigend, maar door de toevoeging van “wiswasi beest”, “pinabeest”, “slordig beest”blijkt voldoende de bedoeling van gedaagde tot schelden.

4.4.2 Dat gedaagde eiser in zijn filmpjes een oplichter noemt, is volgens rechtspraak een bedekte aantijging. Door de (herhaalde) uitspraak dat eiser zich aan oplichting zou schuldig maken, insinueert gedaagde een oneerlijk karakter van eiser. Hierin ligt het beledigend karakter van die uitspraken besloten.

4.4.3 De uitlating dat eiser op de knieën bij de achterdeur van Yokohama om geld heeft gebedeld, draagt minachting uit voor de persoon van eiser. Die herhaalde minachting in de context van de overige uitspraken als hiervoor overwogen, heeft een beledigend karakter.

4.5 Van een rechtvaardiging van de uitlatingen door gedaagde is in dit geding niet gebleken.Gedaagde heeft derhalve de grenzen van zorgvuldigheid die hij jegens eiser in acht had moeten nemen, overschreden. De uitspraken in de filmpjes, hiervoor aangehaald, hebben onvoldoende feitelijke basis.

4.6 Nu geen sprake is van gefundeerde uitlatingen, bestaat aan de zijde van gedaagde geen belang bij herhaling van de in dit geding gewraakte filmpjes of voortzetting daarvan in welke vorm dan ook. Eiser heeft belang bij rectificatie ter zuivering van zijn naam.

4.7 Gedaagde heeft onrechtmatig bij herhaling uitlatingen over eiser in filmpjes op sociale media geplaatst. De door gedaagde gedane uitlatingen zullen gerectificeerd moeten worden als hierna volgt.

4.8 De dwangsom die door gedaagde niet is betwist zal, ambtshalve gemitigeerd en gemaximeerd, worden toegewezen.

4.9 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten verwezen worden bestaande uit het vastrecht ad SRD 250, – , de oproepkosten via deurwaarad SRD 900, – en in de advocaatkosten ad SRD 7.500, – aan de zijde van eiser.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

5.1 Veroordeelt gedaagde om in de eerstvolgende editie na de uitspraak van dit vonnis van de dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en Dagblad Suriname, in het Nederlands en in het Sranan Tongo de volgende tekst te doen plaatsen:

“Ik, MARTINUS, Joël Timotheus, alias Bordo, verklaar hierbij nadrukkelijk dat ik ten onrechte de afgelopen periode vanaf of omstreeks 19 mei 2022 videofilmpjes c.q. camerabeelden op social media heb geplaatst c.q. doen plaatsen waarin ik de persoon van GAJADIEN, Asiskumar, die parlementariër is, heb beledigd en beschuldigd. De uitspraken die ik op de filmpjes heb gedaan, berusten niet op waarheid. Ik heb meneer Gajadien dus ten onrechte zo bejegend. Ik bied hem bij deze mijn verontschuldiging aan.”

5.2 Veroordeelt gedaagde om binnen 24 uren na de uitspraak van dit vonnis op Facebook een filmpje te posten waarin hij de hiervoor in randnummer 5.1 vermelde tekst in het Sranan Tongo, althans in het Surinaams, uitspreekt.

5.3 Veroordeelt gedaagde tot het betalen van een dwangsom van SRD 100.000, – (honderdduizend Surinaamse Dollar) voor iedere dag dat hij niet voldoet aan de veroordelingen hiervoor in randnummers 5.1 en 5.2 van het vonnis tot een maximum bedrag van SRD 500.000, – (vijfhonderdduizend Surinaamse Dollar).

5.4 Veroordeelt gedaagde om aan eiser wegens schadevergoeding het bedrag van SRD 100.000, – (honderdduizend Surinaamse Dollar) te betalen vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 23 mei 2022 tot aan de dag van volledige voldoening.

5.5 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.6 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser tot aan deze uitspraak begroot op SRD 1.250 (een duizend tweehonderdvijftig Surinaamse Dollar) en de advocaatkosten van eiser begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse Dollar), totaal een bedrag van SRD 8.750, – (achtduizend zevenhonderdvijftig Surinaamse Dollar).

5.7 Weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Bradley, kantonrechter in kort geding in het Eerste Kanton, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op donderdag 28 juli 2022 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2021-41

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

[verzoeker],
wonende in het district [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. L.E. Palmburg, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te zijner Parkette te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. A.R. Autar, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie op de voet van artikel 79 van de Personeelswet (Pw) als gerecht in ambtenarenzaken gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 31 juli 2013;
• het verweerschrift, met producties, ingediend op 01 november 2013;
• de beschikking van het Hof van 15 november 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 17 januari 2014, welk verhoor is verplaatst naar 07 maart 2014;
• het proces-verbaal van het op 07 maart 2014 gehouden verhoor van partijen;
• de pleitnota, overgelegd op 02 mei 2014;
• de antwoordpleitnota, overgelegd op 06 juni 2014;
• de repliekpleitnota, overgelegd op 04 juli 2014;
• de dupliekpleitnota, overgelegd op 01 augustus 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 20 februari 2015, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is penitentiaire ambtenaar 3e klasse in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie geweest. Hij was laatstelijk tewerkgesteld in het Huis van Bewaring Santo Boma (hierna: Santo Boma).

2.2 Op 29 april 2013 zijn er vanuit Santo Boma zes gedetineerden, waaronder [naam 1] (hierna: [naam 1]), onder bewaking vervoerd naar het Academisch Ziekenhuis dan wel het ’s Lands Hospitaal, voor behandeling door een arts of specialist (de zogenaamde stadsdienst). Deze zes gedetineerden werden elk bewaakt door één penitentiaire ambtenaar. Geen van de gedetineerden was geboeid. [verzoeker] was belast met de bewaking van [naam 1], die voor consult bij een internist van het Academisch Ziekenhuis moest zijn. [verzoeker] heeft [naam 1] op gegeven moment de gelegenheid geboden gebruik te maken van het toilet. [naam 1] heeft daarbij kans gezien uit het Academisch Ziekenhuis te ontvluchten, waarbij hij werd geholpen door een manspersoon die hem op straat opwachtte met een gereedstaande bromfiets.

2.3 De ter zake van voormelde stadsdienst opgemaakte stadsdienstlijst, waaruit blijkt dat zes penitentiaire ambtenaren waren belast met de bewaking van vorenbedoelde zes gedetineerden, is voor gezien ondertekend door de directeur van Santo Boma.

2.4 [verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 29 april 2013 rapport uitgebracht aan de directeur van Santo Boma omtrent de ontvluchting van [naam 1].

2.5 De minister van Justitie en Politie heeft bij beschikking d.d. 05 juli 2013, J.no. [nummer 1] (hierna: de ontslagbeschikking), besloten om aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 32 lid 1 onder j van het Penitentiair Besluit juncto artikel 61 lid 1 onder j Pw de tuchtstraf van ontslag op te leggen (hierna ook: het ontslagbesluit). Daartoe is als volgt overwogen:
“dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat tijdens de morgendienst van maandag 29 april 2013 de Penitentiaire Ambtenaar der 3e klasse in vaste dienst op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg van het Ministerie van Justitie en Politie, de heer [verzoeker], (…) tewerkgesteld in het Huis van Bewaring Santo Boma, belast was met de bewaking van de gedetineerde [naam 1], die voor consult bij de internist in het Academisch Ziekenhuis Paramaribo was;
dat door onoplettendheid, onzorgvuldigheid en een grote mate van onvoorzichtigheid de gedetineerde [naam 1] voornoemd, de kans zag te ontvluchten van vermelde locatie;

dat blijkens het politioneel onderzoek de gedetineerde [naam 1] voornoemd, tegen de instructies, twee keren illegaal bezoek van een dame heeft gekregen;

dat blijkens het politioneel onderzoek en rapportages de gedetineerde [naam 1] voornoemd, ondanks hij een gevangenisstraf van 14 jaren opgelegd heeft gekregen, tegen de instructies, ongeboeid was;

dat betrokkene ingevolge het bepaalde in artikel 63 lid 2 van de Personeelswet, bij schrijven van de Directeur van het Huis van Bewaring Santo Boma d.d. 6 mei 2013 kenmerk HvB/no. [nummer 2], in de gelegenheid is gesteld zich terzake binnen 1×24 uren te verweren;

dat betrokkene zich bij zijn schrijven d.d. 6 mei 2013 heeft verweerd en heeft toegegeven toegestemd te hebben dat de gedetineerde [naam 1] voornoemd bezoek van een dame ontving en dat de gedetineerde [naam 1] niet geboeid was;

dat deze handelingen ernstig plichtsverzuim voor hem opleveren en niet in een gedisciplineerd korps kunnen worden getolereerd;

dat gelet op de ernst van deze zaak betrokkene niet langer in Staatsdienst gehandhaafd kan worden en aan hem met toepassing de tuchtstraf van ontslag wordt opgelegd.”

2.6 De ontslagbeschikking is op 09 juli 2013 ter kennis van [verzoeker] gebracht.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
b. de Staat zal worden gelast om die handelingen te verrichten waardoor [verzoeker] wordt gerehabiliteerd als penitentiaire ambtenaar 3e klasse;
c. [verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed vóór de gewraakte beschikking te vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
d. de Staat zal worden gelast het salaris zoals door [verzoeker] verdiend vóór de gewraakte beschikking en alle overige emolumenten behorende bij de rang van penitentiaire ambtenaar 3e klasse uit te betalen en daarmee voort te gaan;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,- per dag, voor iedere dag dat de Staat in strijd met het hiervoor gevorderde mocht handelen.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] kan zich niet verenigen met de ontslagbeschikking, althans de daarin vermelde gronden die ondeugdelijk zijn. [verzoeker] kan zich onder meer niet verenigen met de in de ontslagbeschikking opgenomen constatering dat door onoplettendheid, onzorgvuldigheid en een grote mate van onvoorzichtigheid de gedetineerde [naam 1] kans zag te ontvluchten uit het Academisch Ziekenhuis en wel om de volgende redenen. Vanaf het moment dat in Santo Boma aan [verzoeker] bekend werd gemaakt dat hij met de bewaking van [naam 1] was belast, vertoefde hij in de directe nabijheid van [naam 1]. Tot op het moment van de ontvluchting van [naam 1] heeft [verzoeker] zich op richtige wijze van zijn bewakingstaken gekweten. Op een bepaald moment heeft [verzoeker] [naam 1] in de gelegenheid gesteld het toilet te bezoeken. [verzoeker] werd op enig moment afgeleid door een woordenwisseling welke gaande was tussen twee personen in het toilet, waardoor zijn aandacht voor enkele minuten niet was gevestigd op [naam 1]. Laatstgenoemde zag toen kans uit het toilet te lopen, waarna hij wist te ontsnappen uit het Academisch Ziekenhuis. [verzoeker] heeft direct de achtervolging ingezet en daarbij, vanwege de aanwezigheid van omstanders, twee waarschuwingsschoten gelost.
De leiding van de dienst gaat niet vrijuit bij de ontvluchting van [naam 1]. Het moet de leiding immers bekend zijn geweest dat [naam 1] wegens moord een gevangenisstraf van 14 jaren moet uitzitten en dat het derhalve gaat om een gedetineerde die extra bewaking behoeft. Het is dan onverantwoord van de dienst om slechts één penitentiaire ambtenaar te belasten met de bewaking van [naam 1]. Het is altijd zo geweest dat een gedetineerde tijdens de stadsdienst wordt bewaakt door twee penitentiaire ambtenaren. Waarom op 29 april 2013 de gedetineerden elk door slechts één penitentiaire ambtenaar werden bewaakt, is een vraag die door de Staat, althans de leiding van Santo Boma moet worden beantwoord. Uit de in 2.3 genoemde stadsdienstlijst blijkt dat slechts [verzoeker] was belast met de bewaking van [naam 1]. Dat deze stadsdienstlijst voor akkoord is ondertekend door het hoofd (lees: de directeur) van Santo Boma, impliceert dat de leiding debet is aan het creëren van een onveilige situatie betreffende de bewaking van zware veroordeelden.
In de ontslagbeschikking is aangegeven dat [naam 1], tegen de instructies in, twee keren illegaal bezoek van een dame heeft gekregen. Het is inderdaad zo dat [verzoeker] [naam 1] heeft laten praten met een hem, [naam 1], bekende dame. [verzoeker] heeft aangegeven dat het gesprek kort gehouden moest worden en hij was in de directe omgeving van [naam 1]. Dit gesprek is binnen 10 minuten afgerond. Vervolgens heeft [verzoeker] desgevraagd erin toegestemd dat [naam 1] een pakje sigaretten mocht krijgen. Vorenbedoelde dame bracht na enkele minuten een pakje sigaretten, gaf het aan [naam 1] en ging toen weer weg. Het is dus niet zo dat op twee momenten illegaal bezoek werd ontvangen van een dame. Het tweede moment betrof slechts de afgifte van een pakje sigaretten in het bijzijn van [verzoeker]. Het toestaan van het bezoek aan [naam 1] kan [verzoeker] worden aangerekend.
De ontslagbeschikking geeft voorts aan dat [naam 1], tegen de instructies in, ongeboeid was. [verzoeker] was wel voornemens om [naam 1] van handboeien te voorzien bij het verlaten van Santo Boma, maar zijn meerdere, de penitentiaire ambtenaar [naam 2] , heeft hem uitdrukkelijk gezegd dat zulks niet nodig was. De juiste bewoordingen van voormelde meerdere waren: “Joe no haf foe tai a mang, na mi mang drape, mi tak nanga a man kaba.” Voorts is het zo dat de gedetineerden die voor de stadsdienst in aanmerking komen, vóór vertrek uit Santo Boma langs twee posten, te weten de wachtcommandant en de hoofdwacht, worden geleid, waarbij erop moet worden toegezien dat deze gedetineerden Santo Boma geboeid verlaten. Degenen die de voornoemde posten hebben bemand op 29 april 2013 hebben geen opmerkingen gemaakt over het niet geboeid zijn van de gedetineerden, met name [naam 1]. Geen van de zes gedetineerden, die onder bewaking stonden van de verschillende penitentiaire ambtenaren, was geboeid. Het niet geboeid zijn van [naam 1] kan om voormelde redenen niet als een tekortkoming van [verzoeker] aangeduid worden en kan zeker niet als grond dienen voor het aan [verzoeker] verweten plichtsverzuim.
Voor zover sprake is van plichtsverzuim, is de daarvoor aan [verzoeker] opgelegde tuchtstraf van ontslag in strijd met artikel 79 lid 3 Pw, volgens welke bepaling de straf in een redelijke verhouding moet staan tot de ernst en de gevolgen van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het is begaan. Deze redelijke verhouding ontbreekt ten enenmale. [verzoeker] heeft zich trouwens gedurende zijn zeven dienstjaren altijd als een plichtsgetrouwe ambtenaar opgesteld en zich niet eerder aan plichtsverzuim schuldig gemaakt.
De Staat heeft voorts gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheids-, het rechtszekerheids- en het fair playbeginsel, en zich daardoor schuldig gemaakt aan een onrechtmatig daad jegens [verzoeker].
In tegenstelling tot hetgeen in de ontslagbeschikking is vermeld, heeft de Staat bij de oplegging van de tuchtmaatregel geen rekening gehouden met de persoonlijke en huiselijke omstandigheden van [verzoeker].
Op grond van al het voorgaande is het aan [verzoeker] verleende ontslag nietig.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 Vaststaat dat [verzoeker] (penitentiaire) ambtenaar in de zin van artikel 1 lid 1 Pw en artikel 1 lid 1 van het Penitentiair Besluit is geweest, zodat voormeld(e) wet en besluit op hem van toepassing zijn. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het Hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 sub d Pw is een besluit waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, vatbaar voor nietigverklaring.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het Hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het Hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het Hof zich onbevoegd te verklaren.
Het in 3.1 onder a gevorderde strekt tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte besluit, waarbij aan [verzoeker] de tuchtstraf van ontslag is opgelegd. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub a juncto lid 2 sub d Pw bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.
Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het Hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Het Hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het Hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het Hof acht gronden aanwezig het petitum zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het Hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.
Op grond van artikel 79 lid 1 sub c Pw is het Hof tevens bevoegd kennis te nemen van de in 3.1 onder e gevorderde dwangsom.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 1 sub a en lid 2 sub d Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit, waarbij aan een (penitentiaire) ambtenaar een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd, niet-ontvankelijk, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat dit besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 09 juli 2013 ontvangen. Nu hij het verzoekschrift op 31 juli 2013 heeft ingediend, derhalve binnen een maand na 09 juli 2013, is hij ontvankelijk in het in 3.1 onder a gevorderde.
[verzoeker] is op dezelfde grond ingevolge het bepaalde in artikel 80 lid 2 sub b Pw ontvankelijk in het in 3.1 onder d en e gevorderde.

4.3 De Staat voert, voor zover van belang, aan dat [verzoeker] heeft nagelaten zich te houden aan de geldende normen betreffende de bewaking en beveiliging van gedetineerden, welk nalaten heeft geleid tot de ontvluchting van [naam 1]. Deze normen waren reeds gedurende de opleiding tot penitentiaire ambtenaar bekend aan [verzoeker], die sinds 2008 als penitentiaire ambtenaar was tewerkgesteld bij het Korps Penitentiaire Ambtenaren en was belast met het bewaken en beveiligen van gedetineerden. Van [verzoeker], aldus bekend met de geldende regels betreffende de bewaking en beveiliging van gedetineerden, kon redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich daaraan hield, mede vanwege de eedsaflegging bij de aanvaarding van zijn ambt. De Staat voert voorts aan dat de opdracht van zijn meerdere om [naam 1] bij het verlaten van Santo Boma niet in de handboeien te slaan, [verzoeker] niet vrijwaart van zijn aansprakelijkheid voor de bewaking van [naam 1]. De Staat voert tevens aan dat [verzoeker] vooraf wist dat [naam 1] was veroordeeld ter zake van diefstal de dood ten gevolge hebbende, waarvoor hij een gevangenisstraf van 14 jaren moet uitzitten. Dit was al reden voor [verzoeker] om extra voorzichtig om te gaan met de bewaking van [naam 1] en alle normen en plichten voortvloeiende uit zijn ambt in acht te nemen, aldus de Staat. Ten slotte wordt aangevoerd dat het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim tot ernstige verstoring van de samenleving heeft geleid en dat de Staat, na een afweging van belangen, in redelijkheid is gekomen tot het besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag.

4.4 Naar het Hof begrijpt wordt [verzoeker] in de ontslagbeschikking – zij het in enigszins gebrekkige bewoordingen – verweten dat:
• door onoplettendheid, onzorgvuldigheid en een grote mate van onvoorzichtigheid van zijn zijde, [naam 1] kans zag te ontvluchten uit het Academisch Ziekenhuis;
• hij erin heeft toegestemd dat [naam 1] twee keren bezoek kreeg van een dame, zulks tegen de instructies in;
• hij [naam 1], ondanks deze een gevangenisstraf van 14 jaren opgelegd heeft gekregen, niet heeft geboeid, zulks tegen de instructies in.

4.5 Tussen partijen is niet in geschil dat volgens de geldende instructies, met welke instructies [verzoeker] bekend is, elke gedetineerde bij het verlaten van Santo Boma geboeid moet zijn en moet worden bewaakt door (minimaal) twee penitentiaire ambtenaren, alsmede dat gedetineerden die zich buiten voormelde inrichting bevinden geen bezoek van derden mogen ontvangen.

4.6.1 Het Hof zal eerst ingaan op het aan [verzoeker] gemaakte verwijt dat hij [naam 1] (bij het verlaten van Santo Boma) niet heeft geboeid, zulks tegen de instructies in.
[verzoeker] heeft hieromtrent op de zitting van 07 maart 2014 onweersproken verklaard dat hij van zijn meerdere, de hoofd penitentiaire ambtenaar (het Hof begrijpt: de hoofd penitentiaire ambtenaar 1ste klasse), tevens hoofd van de polikliniek van Santo Boma, [naam 2] (hierna: [naam 2]), de opdracht kreeg om [naam 1] niet te boeien, aangezien de lippen van [naam 1] opgezet waren en hij een zakdoek voor zijn mond moest houden. [verzoeker] verklaarde voorts dat hij deze opdracht van [naam 2], die het medisch beter weet, heeft uitgevoerd.
Naar het Hof begrijpt heeft de gevolmachtigde van de Staat, mr. B. Somai (hierna: Somai), hoofdbeleidsmedewerker op de Hoofdafdeling Delinquentenzorg, in reactie hierop op voormelde zitting het volgende aangevoerd. De opdracht aan [verzoeker] om [naam 1] niet te boeien is onbevoegd gegeven en een dergelijke opdracht diende ingevolge het bepaalde in artikel 27 van het Penitentiair Besluit niet uitgevoerd te worden. [verzoeker] had langs hiërarchische weg gelijk bezwaar tegen deze opdracht moeten en kunnen aantekenen. [verzoeker], een ervaren penitentiaire ambtenaar, had, nu het een levensgevaarlijke gedetineerde betreft en gelet op de kans op ontvluchting, een andere belangenafweging moeten maken.

4.6.2 Artikel 27 van het Penitentiair Besluit luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. De penitentiaire ambtenaar is gehoorzaamheid aan zijn meerdere verschuldigd en volgt de hem gegeven bevelen met stiptheid op.
(…)
3. Bezwaren tegen het opvolgen van een bevel kan de penitentiaire ambtenaar langs hiërarchische weg indienen; wanneer de omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan hij deze onmiddellijk kenbaar maken aan degene, die hem het bevel heeft gegeven. Zo lang het bevel niet is ingetrokken, is hij gehouden daaraan gevolg te geven, tenzij hij gegronde redenen heeft om aan te nemen, dat het bevel onbevoegd is gegeven of de uitvoering ervan een strafbaar feit zou opleveren.
(…)
6. Onder bevel worden mede opdracht en aanwijzing begrepen.”

4.6.3 [verzoeker] heeft in strijd met de geldende instructies [naam 1] niet geboeid bij het verlaten van Santo Boma en zich daardoor schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De opdracht van zijn meerdere, [naam 2], om [naam 1] niet te boeien, levert in de visie van het Hof, anders dan [verzoeker] kennelijk meent, geen verontschuldigende factor op. [verzoeker] had, gelet op de omstandigheden van het geval, naar het oordeel van het Hof gegronde redenen om aan te nemen dat vorenbedoelde opdracht een onbevoegd gegeven bevel betrof. Op grond van artikel 27 lid 3 van het Penitentiair Besluit had hij – ongeacht of hij al dan niet de ruimte had om gelijk langs de hiërarchische weg daartegen bezwaar te maken – derhalve geen gevolg daaraan moeten geven, gelijk de Staat heeft betoogd, en conform de instructies [naam 1] moeten boeien bij het verlaten van Santo Boma. De eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] staat niettegenstaande vorenbedoelde opdracht, recht overeind.
Het Hof acht in dit kader de volgende omstandigheden van belang. Als niet weersproken staat rechtens vast dat [verzoeker] ermee bekend was dat [naam 1] wegens diefstal de dood ten gevolge hebbende, althans een zwaar misdrijf, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaren. Volgens [verzoeker] eigen stelling is [naam 1] een gedetineerde die extra bewaking behoeft. Op de bewuste dag van 29 april 2013 waren niet (minimaal) twee penitentiaire ambtenaren belast met de bewaking van [naam 1], zoals de instructies voorschrijven, maar slechts [verzoeker]. De omstandigheid dat [naam 1] opgezette lippen dan wel een aandoening aan zijn mond had en daarom een zakdoek voor zijn mond moest houden, vormde geen beletsel voor [verzoeker] om [naam 1] met de handen voor de buik te boeien, nu laatstgenoemde hierdoor niet zou worden belemmerd om de zakdoek voor zijn mond te houden. Ten slotte gaf de opdracht van [naam 2] aan [verzoeker] om [naam 1] niet te boeien, gelet op de bewoordingen waarin dit werd gedaan (zie 3.2), blijk van een zekere band tussen [naam 2] en [naam 1].
Aan het oordeel dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, doet niet af de omstandigheid dat de wachtcommandant en de hoofdwacht hun taak hebben verzaakt door niet toe te zien op de naleving van de instructie dat gedetineerden bij het verlaten van Santo Boma geboeid moeten zijn. Dit nalaten laat immers onverlet de eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] om [naam 1] te boeien. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de overige vijf gedetineerden – onder wie, naar zeggen van [verzoeker], een andere gevaarlijke gedetineerde – ook niet geboeid waren bij het verlaten van Santo Boma.
Op grond van het voorgaande gaat het Hof voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat het niet geboeid zijn van [naam 1] heeft gelegen in omstandigheden buiten zijn invloedssfeer.

4.6.4 Als niet weersproken staat rechtens vast dat [verzoeker], terwijl hij [naam 1] begeleidde bij diens bezoek aan het toilet, op enig moment werd afgeleid door een woordenwisseling welke gaande was tussen twee personen in het toilet. Daarbij was zijn aandacht niet gevestigd op [naam 1] en wel gedurende enkele minuten. Naar het oordeel van het Hof levert deze mate van onoplettendheid, als gevolg waarvan [naam 1] kans heeft gezien uit het Academisch Ziekenhuis te ontvluchten, [verzoeker] ernstig plichtsverzuim op.
Het Hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hij niet bewust onoplettend is geweest. In de visie van het Hof bestond er voor [verzoeker] juist alle aanleiding om extra alert te zijn, gelet op de hem bekende persoon van [naam 1] die een gevangenisstraf van 14 jaren moest uitzitten, de omstandigheid dat [naam 1] niet geboeid was en het feit dat alleen [verzoeker] op de bewuste dag was belast met de bewaking van [naam 1].

4.6.5 Vast is komen te staan dat [verzoeker] in ieder geval één keer heeft toegestaan dat [naam 1] in het Academisch Ziekenhuis, derhalve buiten Santo Boma, bezoek kreeg van een derde, zulks in strijd met de geldende instructies. Dit levert [verzoeker] ook plichtsverzuim op.

4.6.6 Het door [verzoeker] gepleegde plichtsverzuim, zoals bedoeld in 4.6.3 tot en met 4.6.5, kan hem worden toegerekend. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel nopen.

4.7 [verzoeker] heeft zich erop beroepen dat hem een te zware tuchtstraf is opgelegd. Dit beroep slaagt. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.
Bij de beantwoording van de vraag of het gepleegd plichtsverzuim de aan een ambtenaar opgelegde tuchtstraf rechtvaardigt, dienen alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw te worden genomen. Het Hof acht van belang dat als onweersproken vaststaat dat de leiding van Santo Boma haar eigen instructies, met name dat (erop wordt toegezien dat) elke gedetineerde bij het verlaten van Santo Boma geboeid is en wordt bewaakt door (minimaal) twee penitentiaire ambtenaren, op 29 april 2013 niet in acht heeft genomen. Het is evident dat het risico van ontvluchting van gedetineerden, welk risico deze instructies beogen te minimaliseren, door het niet in acht nemen van deze instructies, wordt vergroot. Dit risico heeft zich op voormelde datum met de ontvluchting van [naam 1] verwezenlijkt. De Staat heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn eigen nalaten vorenbedoelde instructies in acht te nemen, maar heeft de verantwoordelijkheid voor de ontvluchting van [naam 1] geheel bij [verzoeker] gelegd.
Onder deze omstandigheden is de aan [verzoeker] opgelegde zwaarste tuchtstraf van ontslag, waaraan vergaande gevolgen voor hem zijn verbonden, niet gerechtvaardigd. Het Hof heeft bij dit oordeel tevens betrokken dat, naar Somai ter zitting heeft verklaard, [verzoeker] zijn werk (voorafgaande aan de ontvluchting van [naam 1]) goed deed en voorts als onweersproken vaststaat dat [verzoeker] zich niet eerder aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.
Reeds op deze grond kan het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit niet in stand blijven.
De overige door [verzoeker] gestelde gronden voor de nietigheid van het ontslagbesluit, één en ander zoals weergegeven in 3.2, kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.8 Uit het in 4.7 overwogene volgt dat de in 3.1 onder a vermelde vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit, zal worden toegewezen.

4.9 Het Hof zal aan [verzoeker] ter zake van het door hem gepleegde plichtsverzuim ingevolge het bepaalde in artikel 82 lid 4 Pw juncto artikel 32 lid 1 onder h van het Penitentiair Besluit de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee maanden opleggen, welke tuchtstraf het Hof passend acht. Aan deze tuchtstraf is inherent dat [verzoeker] over het tijdvak van de schorsing geen aanspraak heeft op salaris.

4.10 Gelet op het in 4.8 en 4.9 overwogene, zal het in 3.1 onder d gevorderde worden toegewezen als in het dictum te melden.

4.11 De in 3.1 onder e gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat deze niet gekoppeld kan worden aan het in 3.1 onder a en d gevorderde, respectievelijk de nietigverklaring van het ontslagbesluit en de betaling (bij wege van schadevergoeding) van het achterstallige salaris.

4.12 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal ook worden afgewezen, nu het Hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.13 De mede gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal eveneens worden afgewezen, omdat dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.14 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen bespreking.

5. De beslissing

Het Hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 05 juli 2013, J.no. [nummer 1], vervatte besluit tot oplegging aan [verzoeker] van de tuchtstraf van ontslag.

5.3 Legt aan [verzoeker] wegens plichtsverzuim op de tuchtstraf van schorsing voor een tijdvak van twee maanden, met dien verstande dat [verzoeker] over het tijdvak van de schorsing geen aanspraak op salaris heeft.

5.4 Veroordeelt de Staat om bij wege van schadevergoeding aan [verzoeker], met inachtneming van de onder 5.3 aan hem opgelegde tuchtstraf, te betalen het achterstallige salaris en alle overige emolumenten behorende bij de rang van penitentiaire ambtenaar 3e klasse.

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 15 januari 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen Majoor Pengel LLM. namens mr. Autar, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-40

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
GR.16104
19 augustus 2021

IL

Beschikking ex artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak van

[verzoekster]
wonende te [plaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. S. Bhikhie, advocaat,

tegen

[verweerder]
wonende te [plaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. F.W.M. Thijm, advocaat.

1. Het procesverloop
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
• het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 27 juli 2021;
• het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoek in raadkamer van 19 augustus 2021.

1.2 Vervolgens is op heden beschikking gegeven.

2. De feiten
2.1 Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 1 februari 2021 bekend onder A.R. no. 14-4556 (hierna: het vonnis), met verweerder als eiseres en verzoekster als gedaagde heeft de kantonrechter als volgt beslist:
“3.1 Veroordeelt gedaagde, om binnen 1 (een) maand na betekening van het vonnis het perceelland met al hetgeen daarop staat, groot eenduizend twee en zestig vijf/tiende vierkante meters, gelegen te [plaats], aangeduid op de kaart van de landmeter G. van der Jagt de dato negen juli negentienhonderd acht en zestig met de letters ABCD en met het nummer [nummer 1], een en ander deel uitmakende van het perceelland bekend als afdeling 1 sectie west [weg] nummer [nummer 2], te ontruimen en te verlaten, met medeneming van alles dat en allen die zich van harentwege daaraan of daarin bevinden.
3.2 machtigt eiseres om indien gedaagde geen gevolg geeft aan het in 3.1 bepaalde de ontruiming zelf uit te voeren, op kosten van gedaagde, zo nodig met behulp van de sterke arm.
3.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad………”

2.2 Het perceel voornoemd zal worden aangeduid als “het onroerend goed”.

2.3 Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het voormeld vonnis van de kantonrechter.

3. De beoordeling
3.1 Verzoekster vordert – naar het Hof begrijpt – om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de staking te bevelen van de ten uitvoerlegging van het vonnis, totdat het Hof heeft beslist op het ingestelde hoger beroep.

3.2 Verzoekster heeft – zover van belang en zakelijk weergegeven – aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij sinds 2004 verblijft op het onroerend goed op grond van een obligatoire koopovereenkomst.
Volgens verzoekster maakt verweerder misbruik van haar executierecht door het vonnis ten uitvoer te willen leggen terwijl zij weet dat verzoekster het onroerend goed heeft gekocht.

3.3 Verweerster is door het Hof in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord op het onderhavige verzoek. De onderhavige zaak is uit dien hoofde daarom tot twee keer toe uitgesteld en voor het laatst uitgesteld naar 19 augustus 2021. Het Hof heeft geconstateerd dat ook op deze datum, verweerster noch haar gemachtigde aanwezig waren ter terechtzitting en wel zonder enige bericht van verhindering.
Om deze reden zal het Hof de vordering van verzoekster als onweersproken toewijzen.

4. Beschikkende
Het Hof
4.1 Beveelt de staking c.q. stopzetting van de executie van het vonnis
d.d. 01 februari 2021 bekend onder AR no. 144556, totdat het Hof heeft beslist op het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep.

Aldus gegeven door het Hof van Justitie op 19 augustus 2021 door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan
w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

 

SRU-HvJ-2021-39

GRNo. 15701

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant,
verder te noemen: [appellant],
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats],
geïntimeerde,
verder te noemen: [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. Alwin R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis in kort geding van 2 mei 2019 (A.R. No. 14-3989) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal d.d. 14 mei 2019 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat [appellant] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven d.d. 14 mei 2019
• de pleitnota d.d. 6 december 2019;
• de antwoordpleitnota d.d. 17 juli 2020;
• het repliekpleidooi d.d. 21 augustus 2020;
• het dupliekpleidooi d.d. 15 januari 2021;
• de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 18 juni 2021 doch nader op heden.

De beoordeling

1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellant] daarin kan worden ontvangen.

2.1 Met zijn inleidend verzoekschrift heeft [appellant], kort gezegd, gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot rectificatie van volgens [appellant] smadelijke uitlatingen, vervat in stukken die onderdeel zijn van de tussen partijen gevoerde procedures onder nummers AR No. 08-4914 en AR No. 14-0574, alsmede dat aan [geïntimeerde] een verbod van herhaling en het gebod aan [appellant] schriftelijk excuses aan te bieden zullen worden opgelegd.

2.2 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3. Met zijn grieven beoogt [appellant] het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen. Het Hof zal de grieven dan ook gezamenlijk behandelen.

4.1 Voorop staat dat [geïntimeerde] in conclusies in de hiervoor genoemde procedures uitlatingen doet die op zichzelf als lasterlijk of beledigend kunnen worden aangemerkt. Daargelaten of, zoals [geïntimeerde] in zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg opmerkt, [appellant] vorderingsrecht, gelet op het in artikel 1401 BW bepaalde, was vervallen op het moment waarop hij zijn inleidend verzoekschrift indiende, is niet gebleken dat de uitlatingen van [geïntimeerde] een wijdere verspreiding hebben gehad dan in de genoemde gedingstukken. Daarover heeft de kantonrechter terecht overwogen dat partijen de ruimte moeten hebben om in tussen hen gevoerde procedures standpunten in te nemen en toe te lichten waarmee zij ter ondersteuning van hun vordering een negatief beeld van hun wederpartij schetsen. Dit geldt ook voor uitlatingen die als onjuist, onwaar of grievend worden ervaren. In de procedure kan die wederpartij daarop desgewenst reageren.

4.2 [appellant] voert aan dat dit niet meer mogelijk is, als de uitlatingen bij dupliek worden gedaan. Dat is op zichzelf juist. Als de rechter dergelijke uitlatingen evenwel wil gebruiken voor de onderbouwing van zijn beslissing, zal hij de partij tegen wie ze zijn gericht, in de gelegenheid moeten stellen daarop alsnog bij akte te reageren. Uit de vonnissen in genoemde zaken blijkt niet dat de rechters de desbetreffende uitlatingen ter onderbouwing van hun beslissingen hebben
gebruikt.

4.3 De kantonrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet aannemelijk was dat de rechter in een bodemprocedure de vordering van [appellant] toewijsbaar zou achten. Ten overvloede voegt het Hof hieraan toe dat een verbod van herhaling in elk geval niet zou kunnen worden opgelegd, omdat een partij daardoor in haar processuele vrijheid zou worden beperkt.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de
proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding tussen
partijen gewezen vonnis van 2 mei 2019 (A.R. No. 14-3989).

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 2021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen appellant in persoon en geïntimeerde
vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtig-de van geïntimeerde.

 

 

SRU-HvJ-2021-38

GR15914 en GR15914A

15 oktober 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING SOLUTION REAL ESTATE,
gevestigd in [plaats],
appellante in kort geding, tevens geïntimeerde, hierna: ‘Solution Real Estate’
gemachtigde: [naam], voorzitter van Solution Real Estate,

tegen

FORDISTO VASTGOED N.V.,
gevestigd in [plaats],
geïntimeerde in kort geding,tevens appellante, hierna: ‘Fordisto’,
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 19 december 2019bekend onder A.R. No. 16-3252 tussen Fordisto als eiseres en Solution Real Estate als gedaagde,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

in het beroep geadministreerd onder nummer GR15914:

• de verklaring van de griffier dat Fordisto hoger beroep heeft ingesteld;
• de pleitnota van Fordisto van 5 maart 2021;
• de antwoordpleitnota van Solution Real Estate van 20 mei 2021;
• de repliekpleitnota van Fordisto van 18 juni 2021;
• de dupliekpleitnota van Solution Real Estate van 06 augustus 2021;

in het beroep geadministreerd onder nummer GR15914A:

• de verklaring van de griffier dat Solution Real Estate hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven van Solution Real Estate van 20 maart 2020;
• de memorie van antwoord van Fordisto van 27 mei 2020;
• de pleitnota van Solution Real Estate van 21 mei 2021;
• de antwoordpleitnota van Fordisto van 18 juni 2021;
• de repliekpleitnota van Solution Real Estate van 06 augustus 2021;
• de dupliekpleitnota van Fordisto van 23 september 2021.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis van 19 december 2019 waarvan beroep blijkt dat partijen noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen. Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrieven gedateerd 4 februari 2020 aan Solution Real Estate en aan Fordisto meegedeeld. Solution Real Estate heeft op 23 december 2019 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis, Fordisto op 18 februari 2020. Beide hoger beroepen zijn tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat partijen daarin kunnen worden ontvangen.

3. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. Op 12 januari 2016 heeft de hypothecaire veiling plaatsgevonden van het aan Solution Real Estate toebehorend recht van erfpacht op het perceelland groot 735m2 gelegen aan de [straatnaam] [nummer] te [plaats], hierna: ‘het perceelland’.

b. Het perceelland is vervolgens toegewezen aan Fordisto als veilingkoper. Fordisto is op 12 februari 2016 als verkrijger van het perceelland geregistreerd.

c. Op 25 mei 2016 heeft de deurwaarder Manodjkoemar Jaggi bij het Hof van Justitie, op verzoek van Solution Real Estate uit kracht van een daartoe verleend verlof, ten laste van Fordisto conservatoir beslag gelegd op het perceelland.

4. Het geding in eerste aanleg

4.1 In eerste aanleg heeft Fordisto bij op 29 juni 2016 ingediend verzoekschrift gevorderd om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de opheffing en doorhaling te gelasten van het conservatoir beslag gelegd bij exploot van deurwaarder Manodjkoemar Jaggi d.d. 25 mei 2016 no. 372 in de zaak bekend onder A.R. no. 16-2371 op het aan Fordisto toebehorend perceelland;
b. Solution Real Estate te veroordelen de gevorderde doorhaling te gehengen en te gedogen, alsook haar te verbieden op grond van dezelfde grondslag andermaal beslag te leggen op het perceelland en/of op goederen van Fordisto, alles op straffe van een direct opeisbare dwangsom van SRD 100.000,- per dag voor iedere dag of keer dat zij weigert aan het vonnis te voldoen.

4.2 Fordisto heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat het beslag ondeugdelijk is en dat zij niets aan Solution Real Estate verschuldigd is. Volgens Fordisto handelt Solution Real Estate onrechtmatig jegens haar door keer op keer rechtszaken tegen haar te voeren. Om die reden stelt zij belang te hebben bij het gevraagde verbod aan Solution Real Estate tot beslaglegging.

4.3 Solution Real Estate heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen, daartoe onder meer stellende dat Fordisto in samenspanning met anderen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld bij de veiling van 12 januari 2016, en dat Fordisto daarom schadeplichtig is.

4.4 Bij het kort gedingvonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het beslag opgeheven en het gevorderde verbod tot hernieuwde beslaglegging afgewezen, met veroordeling van Solution Real Estate in de kosten van het geding.

5. De beoordeling

Het hoger beroep van Solution Real Estate

5.1 Solution Real Estate vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter. Bij haar memorie van grieven heeft Solution Real Estate daarbij vorderingen geformuleerd strekkende tot schadevergoeding (USD 1.652.381,- en SRD 7.275).

5.2 Laatstbedoelde vorderingen stuiten af op artikel 182 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat onder meer bepaalt dat, indien een eis in reconventie in eerste aanleg niet is gedaan, zulks in hoger beroep niet meer mag geschieden.

5.3 Voor zover moet worden begrepen dat Solution Real Estate de desbetreffende vorderingen wel reeds in eerste aanleg heeft gedaan, dat die vorderingen zijn afgewezen en dat haar appel zich mede tegen die afwijzing richt, geldt dat deze vorderingen ook op inhoudelijke gronden niet kunnen slagen. Het Hof verwijst in dit verband naar de uitspraak die heden door het Hof is gedaan in het hoger beroep in de tussen partijen gevoerde van waardeverklaringsprocedure (A.R. 16-2371 – GR-15658). Bij dat bodemvonnis, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is geoordeeld dat er geen gronden zijn te oordelen dat de veiling niet rechtsgeldig was en/of dat Fordisto als veilingkoper onrechtmatig jegens Solution Real Estate heeft gehandeld, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter waarbij onder meer de vorderingen van Solution Real Estate tot schadevergoeding (USD 1.652.381,- en SRD 7.275) en tot vanwaardeverklaring van het beslag werden afgewezen.

5.4 Bij vonnis, waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van Fordisto strekkende tot de opheffing van het door Solution Real Estate ten laste van haar op 25 mei 2016 gelegd conservatoir beslag toegewezen. De kantonrechter heeft daarbij verwezen naar het in de van waardeverklaringsprocedure in eerste aanleg gewezen vonnis (AR No. 16-2371), bij welk vonnis onder meer is overwogen dat een conservatoir beslag op onroerende goederen slechts toelaatbaar is ter verzekering van een op geld waardeerbare schuldvordering, waarvan bij dit beslag geen sprake was. De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat Solution Real Estate in dit kort geding haar vordering als beslaglegger niet aannemelijk heeft gemaakt. Op die gronden heeft de kantonrechter overwogen en beslist dat het beslag ondeugdelijk is en dient te worden opgeheven. De kantonrechter heeft het beslag opgeheven en de doorhaling daarvan gelast, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van deze beslissing.

5.5 Ten aanzien van vordering tot opheffing van het beslag sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van de kantonrechter. In aanvulling daarop, wijst het Hof op het hiervoor bedoelde vonnis van het Hof in de van waardeverklaringsprocedure, met welk vonnis is komen vast te staan dat het beslag niet rechtmatig was.

5.6 Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van Solution Real Estate in het onderhavige kort geding niet kan slagen.

Het hoger beroep van Fordisto

5.7 Fordisto vordert eveneens vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, doch slechts voor zover daarbij haar vordering tot een verbod aan Solution Real Estate om beslag te leggen is afgewezen.

5.8 De vordering van Fordisto strekkende tot een verbod aan Solution Real Estate om op dezelfde grondslag andermaal beslag te leggen ten laste van Fordisto heeft de kantonrechter afgewezen, met de overweging dat het niet goed mogelijk is te oordelen over de rechtsgeldigheid van een beslag dat nog niet is gelegd.

5.9 Fordisto voert op goede grond aan dat onder omstandigheden ook vooraf kan worden geoordeeld dat verdere beslaglegging onrechtmatig is, bijvoorbeeld in geval conservatoir beslag dreigt voor een bij voorbaat kansloos te achten vordering. Dat een dergelijke dreiging thans nog reëel is, is onvoldoende gebleken. Fordisto heeft er weliswaar op gewezen dat zij door Solution Real Estate in 17 processen is betrokken (hoger beroepen daaronder begrepen), maar deze procedures hadden niet alle betrekking op de vordering die Solution Real Estate met haar conservatoir beslag beoogde te verzekeren. Voorts geldt dat het beslag van 25 mei 2016 bij het vonnis waarvan beroep is opgeheven, en dat ook in hoger beroep gesteld noch gebleken is dat Solution Real Estate naast dat opgeheven beslag nog andere beslagen ten laste van Fordisto heeft gelegd of daarmee heeft gedreigd. Ten slotte is, zoals hiervoor overwogen, inmiddels in de bodemprocedure beslist dat het beslag niet van waarde kan worden verklaard en dat de door Solution Real Estate van Fordisto terzake de veiling gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar is. Er zijn geen aanwijzingen die de vrees rechtvaardigen dat Solution Real Estate desondanks zal pogen op diezelfde grondslag conservatoir beslag te leggen ten laste van Fordisto. Fordisto heeft dan ook onvoldoende belang bij het gevraagde verbod.

5.10 Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep van Fordisto evenmin kan slagen

Slotsom en kosten

5.11Het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. Gelet op de mate waarin partijen in hoger beroep in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

6. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier,
mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn partijen niet vertegenwoordigd door een gemachtigde.

 

SRU-HvJ-2021-37

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15882
IL

6 augustus 2021
In de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats],
appellant in kort geding,
hierna te noemen [appellant],
gemachtigde: mr. I.A. Nazir, advocaat,

tegen

Het Nederlands Lyceum Paramaribo n.v.,
gevestigd te [plaats],
geïntimeerde in kort geding,
ook wel te noemen het Nederlands Lyceum,
niet verschenen.

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 28 februari 2019 bekend onder AR no. 17-5118 tussen [appellant] als eiser en het Nederlands Lyceum als gedaagde, spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• de verklaring van de griffier der kantongerechten van 4 maart 2019, inhoudende dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.
• de pleitnota met producties gedateerd 21 augustus 2020 zijdens [appellant].

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid in hoger beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 28 februari 2019. [appellant] heeft op 4 maart 2019 hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Dit is binnen de bij wet gestelde termijn zodat [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.

3. De feiten
3.1 [appellant] is op 1 oktober 2012 een mondelinge arbeidsovereenkomst aangegaan met het Nederlands Lyceum. [appellant] was leraar Spaans.

3.2 Het nettosalaris van [appellant], bedroeg bij de aanvang van de overeenkomst US$954,= per maand. Het laatst genoten salaris bedroeg US$1.100,= per maand.

3.3 Het Nederlands Lyceum heeft in enkele briefwisselingen met [appellant], aan hem kenbaar gemaakt dat zij flink moeten bezuinigen omdat het aantal inschrijvingen van studenten drastisch was afgenomen. Om die reden was zij genoodzaakt om over te gaan tot omzetting van de vaste krachten tot parttimers met een vergoeding van 8 US dollar per uur.

3.4 Bij schrijven gedateerd 5 oktober 2017 heeft [appellant] aan het Nederlands Lyceum kenbaar gemaakt dat hij niet akkoord gaat met de omzetting van zijn fulltime dienstverband naar een parttime overeenkomst met een vergoeding van 8 US Dollar per uur. In dit schrijven maakt [appellant] tevens kenbaar dat hij op maandag 9 oktober 2017 normaal aanwezig en beschikbaar is voor werkzaamheden op school.

3.5 Bij schrijven d.d. 8 oktober 2017 heeft het Nederlands Lyceum het dienstverband met [appellant] met onmiddellijke ingang opgezegd.

3.6 [appellant] heeft – zakelijk weergegeven – in kort geding gevorderd veroordeling van het Nederlands Lyceum tot betaling van:
a. het nettosalaris ad US$1.100,= met ingang van 1 oktober 2017 met emolumenten en doorbetaling van het loon totdat de dienstbetrekking tussen partijen op rechtens juiste wijze is beëindigd, alles vermeerderd met de wettelijke rente.
b. de verhoging ex artikel 1614q BW, alsook over de totaal verschuldigde emolumenten vermeerderd met de wettelijke rente.

3.7 De kantonrechter is tot het voorlopig oordeel gekomen dat de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet rechtsgeldig is beëindigd en heeft als voorlopige voorziening als volgt geoordeeld op de vordering van [appellant]:
“5.1 veroordeelt gedaagde (lees het Nederlands Lyceum) om aan eiser (lees [appellant]) te betalen een voorschot op het loon van US$3.300 (…) vermeerderd met de wettelijke rente van 6% vanaf 24 november 2017 tot aan die der algehele voldoening.
5.2 Veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen de verhoging wegens te late betaling van 25% van het aan eiser te betalen voorschot op het loon.
5.3 …….”.

3.8 [appellant] heeft grieven aangevoerd tegen het vonnis. Deze grieven zullen – zover nodig – worden besproken in de boordeling.
Het Nederlands Lyceum heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.

4. De beoordeling
4.1 In de grieven I en II heeft [appellant] – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening het Nederlands Lyceum slechts heeft veroordeeld tot betaling van een voorschot op het loon terwijl het vaste jurisprudentie is dat bij loonvorderingen in kort geding het geheel bedrag aan achterstallige loon wordt toegewezen. Volgens [appellant] is hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn loon. Door het ontberen van zijn loon – al langer dan 18 maanden – is hij in ernstige financiële nood komen te verkeren. Het is geen gebruik dat voor een loonvordering de werknemer, in casu [appellant], de bodemprocedure moet afwachten.

4.2 In eerste aanleg heeft het Nederlands Lyceum aangevoerd, dat het financieel niet goed ging met het instituut vanwege de omstandigheid dat steeds minder studenten zich inschreven. Dit is de reden waarom zij na afstemming met de leraren, hun fulltime arbeidsovereenkomsten heeft omgezet in parttime arbeidsovereenkomsten. Naar het Hof begrijpt weigerde [appellant] hieraan mee te werken. Om deze reden heeft het Nederlands Lyceum het dienstverband met [appellant] opgezegd en is zij gestopt om het loon aan [appellant] door te betalen.

4.3 Aan de orde is de vraag of het Nederlands Lyceum gehouden is om het loon van [appellant] door te betalen totdat de dienstbetrekking tussen partijen op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd, één en ander zoals door [appellant] gevorderd.
Ingevolge artikel 2 van de Wet Ontslagvergunning is het de werkgever verboden de dienstbetrekking van een werknemer te beëindigen zonder ontslagvergunning verleend door of namens de Minister.
Tussen partijen is niet in geding dat het dienstverband niet ingevolge de wet is opgezegd. Hierdoor is de dienstbetrekking tussen partijen nog in stand en is het besluit van het Nederlands Lyceum om te stoppen met doorbetaling van het loon aan [appellant] onrechtmatig.
Gelet op het voorgaande, is het Nederlands Lyceum in beginsel gehouden om het loon aan [appellant] door te betalen. Het Hof merkt evenwel op dat er inmiddels meer dan 4 jaren zijn verstreken, sinds het Nederlands Lyceum de dienstbetrekking met [appellant] heeft opgezegd. Om deze reden acht het Hof – na een redelijke en billijke afweging – het van belang om bij wege van een voorlopige voorziening, het Nederlands Lyceum te veroordelen tot betaling van 6 (zes) maanden loon aan [appellant]. Tegenover het belang van [appellant] om zijn loon doorbetaald te krijgen staat de onweersproken slechte financiële positie van het Nederlands Lyceum. Het Hof neemt ook dit mee in zijn overweging om te komen tot het geven van een voorlopige voorziening zoals hiervoor vermeld.
Partijen worden aanbevolen om – voor het geval dat nog niet is gebeurd – de bodemrechter te adieren voor een definitieve beslissing.

4.4 Alhoewel de kantonrechter onder 4.3 van het beroepen vonnis heeft overwogen dat aan eiser (lees [appellant]) bij wege van voorlopige voorziening een voorschot op het te vorderen loon zal worden toegekend, heeft de kantonrechter ten onrechte nagelaten te motiveren waarom een bedrag van US$3.300,- is toegekend. Dit heeft tot gevolg dat de motivering van de kantonrechter onbegrijpelijk is.
Het Hof zal het gewraakte vonnis dan ook vernietigen en opnieuw rechtdoen als hiervoor te melden.
Hiermee zullen de grieven I en II worden verworpen. Immers, in kort geding is het onder bepaalde omstandigheden niet ongebruiklijk dat bij wege van voorlopige voorziening slechts een voorschot op het loon wordt toegewezen. Zowel [appellant] als het Nederlands Lyceum hebben een eigen verantwoordelijkheid om een definitieve beslissing van de bodemrechter uit te lokken.

4.5 Onder grief III voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte de emolumenten niet heeft meegenomen in zijn veroordeling terwijl er wel geoordeeld is dat [appellant] nog in dienst is van het Nederlands Lyceum.
Deze grief zal worden verworpen nu, niet in eerste aanleg en evenmin in hoger beroep is aangevoerd welke emolumenten [appellant] op het oog heeft.

4.6 Als grief IV heeft [appellant] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat met het oog op de omstandigheden van het geval, het bedrag voor de verhoging wegens late betaling op 25% van het aan eiser toegekende voorschot op het loon wordt gesteld terwijl 1614q BW uitgaat tot een maximum van 50%. De kantonrechter heeft niet gemotiveerd wat “de omstandigheden van het geval zijn”. Volgens [appellant] is het vaste jurisprudentie dat de kantonrechter 50% verhoging toekent.

4.7 Het Hof is van oordeel dat de kantonrechter – terecht zoals door [appellant] is aangevoerd – had moeten motiveren welke omstandigheden van het geval hij heeft meegenomen voor het toewijzen van een rente van 25% in stede van 50%.
Ingevolge artikel 1614q heeft de rechter de bevoegdheid om de wettelijke verhoging te beperken tot een zodanig bedrag als het hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen.
Op grond van deze bevoegdheid zal het Hof de wettelijke verhoging mitigeren tot 25%. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat onweersproken is komen vast te staan dat de financiële positie van het Nederlands Lyceum is verslechterd vanwege de afname van het aantal inschrijvingen van studenten.

4.8 In grief V voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte de gevorderde wettelijke rente over de rente ex artikel 1614q BW niet heeft toegewezen. Dat zou wel moeten omdat hij ook de vertragingsrente ontbeert, aldus [appellant].
In dit specifiek geval acht het Hof het onredelijk om de wettelijke rente over de rente ex artikel 1614q BW toe te wijzen. Dit mede gelet op de verslechterde financiële positie van het Nederlands Lyceum. Een en ander zoals eerder is overwogen.

4.9 Het Hof is van oordeel dat [appellant] zich onder grief VI terecht erop beroept dat de kantonrechter heeft verzuimd om de kosten van het geding te begroten, zodat deze grief slaagt.

4.10 Het Nederlands Lyceum zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing
Het Hof:
5.1 vernietigt het vonnis van de kantonrechter d.d. 28 februari 2019 bekend onder A.R. no. 17-5118.

En opnieuw rechtdoende:

5.2 veroordeelt het Nederlands Lyceum om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen het bedrag van US$6.600,= (zesduizend en zeshonderd Amerikaanse Dollar), gelijk aan zes maanden loon vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar met ingang 24 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3 veroordeelt het Nederlands Lyceum om aan [appellant] te betalen de wettelijke verhoging conform artikel 1614q BW, wegens te late betaling van het loon groot 25% over het bedrag van US$6.600,= (zesduizend en zeshonderd Amerikaanse Dollar).

5.4 veroordeelt het Nederlands Lyceum in de proceskosten aan de zijde van [appellant] gevallen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 1230,– (een duidend tweehonderd en dertig Surinaamse dollars).

5.5 Weigert het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden en bij vervroeging uitgesproken door
mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 augustus 2021 in tegenwoordigheid van
mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. I.A. Nazir, gemachtigde van appellant, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.