SRU-K1-2022-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

 

A.R. No. 21-3025

10 februari 2022

NNA

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

JOGI, MAHINDERKOEMAR,
wonende aan [adres 1] in [district], ten deze domicilie kiezende aan de Kromme Elleboogstraat no. 01 te Paramaribo ten kantore van het Juridisch Adviesbureau Kanhai N.V.,
eiser,
gemachtigde: I.D. Kanhai Bsc., advocaat,

tegen

BELFORT, EDWARD, meer bekend als TIGRI BARBA,
wonende aan [adres 2] te [plaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Denz, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 15 september 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
  • de mondelinge conclusie van eis d.d. 14 oktober 2021;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Gedaagde heeft op 26 augustus 2021 een toespraak gehouden ten overstaan van een menigte.

2.2 Voormelde toespraak is uitgezonden via het televisiestation ABC.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eiser vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal veroordelen:

a. om binnen 1×24 uur na het in deze te wijzen vonnis over te gaan tot rectificatie van de door hem gehouden toespraak welke is uitgezonden op 26 augustus 2021 door middel van plaatsing van het navolgend artikel in de vorm van een advertentie in de navolgende dagbladen De Ware Tijd, Times of Suriname en Dagblad Suriname tot genoegen van eiser van een door de kantonrechter en of eiser te bepalen lettertype en grootte en luidende als volgt:

‘Hierbij verklaart ondergetekende BELFORT, EDWARD meer bekend als TIGRI BARBA dat hij in een toespraak gehouden op 26 augustus 2021 op het onafhankelijkheidsplein en uitgezonden op 26 augustus 2021 via het televisiestation ABC in het actualiteiten programma Magazine Four, uitlatingen en aantijgingen heeft gedaan jegens Mahinder, Jogi.
Dat die aantijgingen jegens de hiergenoemde persoon van Mahinder, Jogi beledigend en bovenal ongegrond en onwaar zijn. Het zijn pertinente leugens.
Dat die mededeling gedaan in de toespraak eerdergenoemd de bedoeling heeft gehad de reputatie en goede naam van genoemde Jogi aan te tasten.
Dat ondergetekende zich bewust is zich beledigend te hebben uitgelaten jegens de hierboven genoemde.
Dat ondergetekende aan Mahinder, Jogi zijn verontschuldiging aanbiedt voor het door die aantijging ontstane ongerief.’;
b. om binnen 2 dagen na uitspraak de navolgende tekst voor te lezen en uit te zenden in audio en video via het televisiestation ABC in het actualiteitenprogramma Magazine Four om 16.00u en wel twee opeenvolgende dagen achter elkaar:
‘Dat ondergetekende geheel in strijd met de waarheid heeft gezegd dat Jogi 67.000 ha (zevenenzestig duizend hectaren) grond bezit. Voorts heb ik geheel in strijd met de waarheid gezegd dat Jogi bijna heel Saramacca bezit en wenst over te gaan tot verkaveling.
Dat ondergetekende zich bewust beledigend heeft uitgelaten jegens de hierboven genoemde.
Dat ondergetekende aan de heer Jogi, Mahinderkoemar zijn verontschuldiging aanbiedt voor het door die aantijging ontstane ongerief.
Ondergetekende, BELFORT, EDWARD meer bekend als TIGRI BARBA’;
c. tot het voldoen van een dwangsom van SRD 100.000,= voor iedere dag dat eiser in gebreke blijft aan het hierboven onder sub a en b gevorderde te voldoen;
d. om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eiser te voldoen de door hem geleden materiele en immateriële schade ad SRD 1.000.000,= (een miljoen Surinaamse dollar);
e. in de kosten van het geding.

3.2 Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde, tijdens zijn gehouden toespraak op 26 augustus 2021, eiser heeft besproken waarbij hij zich zeer beledigend en denigrerend heeft uitgelaten. Volgens eiser heeft gedaagde ook leugens over hem – eiser – verkondigd tijdens de gehouden toespraak. Door het onrechtmatig handelen van gedaagde, welke belediging, laster en smaad oplevert in de zin van wet, lijdt eiser schade ad SRD 1.000.000,= welke schade gedaagde gehouden is te vergoeden, aldus eiser.

3.3 Gedaagde voert verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 Het spoedeisend belang is voldoende aannemelijk voor de kantonrechter. Eiser wordt daarom ontvangen in het kort geding.

4.2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat gedaagde, tijdens zijn gehouden toespraak op 26 augustus 2021 eiser heeft besproken waarbij hij zich zeer beledigend en denigrerend heeft uitgelaten, een stick overgelegd.

4.3 Gedaagde heeft aangevoerd dat hij de door eiser overgelegde stick niet heeft ontvangen, doch een CD.

4.4 De kantonrechter heeft de stick (lees: usb stick) waar eiser naar verwijst, niet in het procesdossier aangetroffen, doch slechts een CD.

4.5 Gelet op het voorgaande zal eiser in de gelegenheid worden gesteld om de usb stick bij akte over te leggen.

4.6 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1 Bepaalt dat eiser de usb stick, onder peremptoirstelling, dient over te leggen op de terechtzitting van donderdag 17 februari 2022.

5.2 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai, ter openbare terechtzitting op 10 februari 2022 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2022-25

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [appellant], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. dinsdag 12 april 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 17 maart 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 188; 371; 371 jo. 73; 381 jo. 72; 381 jo. 73; 480; 480 jo. 72; 480 jo. 72 jo. 73; 481; 482 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2; 9; 15; 15A; 16; 18; 24 en 24 jo. 73 van de Vuurwapenwet welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 22 maart 2022 en ingaande op 24 maart 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022, het beroepschrift d.d. donderdag 14 april 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 14 april 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 15 april 2022 om 09.30 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de advocaat, mr. G.A.T.T. Sitaram en
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd dinsdag 12 april 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 14 april 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• uit het onderzoek is niet gebleken dat appellant samen met zijn broer [medeverdachte 1] aanwezig was bij een vergadering die thuis bij hun broer [medeverdachte 2] was gehouden;
• er zijn verklaringen afgelegd en op een bepaald moment is men teruggekomen op de verklaring ten aanzien van de vergadering;
• er is een confrontatieverhoor geweest tussen de twee personen die met wapens zijn aangehouden. [medeverdachte 3] heeft gezegd dat het strafbaar feit in [district] is aangevangen toen hij werd gebeld. Op een gegeven moment heeft hij [medeverdachte 4] erbij betrokken. Het kan ook zijn dat [medeverdachte 4] werd gebeld en dat hij [medeverdachte 3] erbij heeft betrokken.
• de appellant was niet aanwezig tijdens de vergadering in [plaats 1] en was ook niet aanwezig toen een tot nu toe onbekend gebleven persoon belde om te zeggen dat de auto’s waarin de wapens waren ergens gebracht moesten worden;
• uit de telefoonuitdraai is gebleken dat de appellant geen contact heeft geïnitieerd ten aanzien van de wapens. Er werd juist naar hem gebeld en gesmst en daarbij werd er een vuistvuurwapen ten verkoop aangeboden;
• het gaat niet om zware wapens die vermissen uit het wapendepot te [plaats 2];
• de appellant heeft evenals zijn broer gezegd dat hij niets weet over zware wapens en dat hij slechts is gaan vissen. Zijn oudere broer [medeverdachte 2] wordt door de andere verdachten ‘pater intellectualis’ genoemd. Dat wil niet zeggen dat de appellant kennis draagt van de dingen die zijn broer doet;
• indien [medeverdachte 2] de ‘pater intellectualis’ was, dan zou hij zijn broers, [medeverdachte 1] en de appellant hebben gevraagd om de auto’s te besturen, want [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden de wapens een andere bestemming kunnen geven;
• de vergadering heeft het vermoeden gewekt dat er sprake zou zijn van een criminele organisatie en
• de appellant wist niets omtrent de wapens en was slechts gaan jagen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
• [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij op 15 maart 2022 in de middaguren thuis bij zijn schoonvader, [medeverdachte 2], was en dat de mannen met wie hij is aangehouden aldaar aanwezig waren. [medeverdachte 5] heeft naderhand verklaard dat zijn schoonvader aan hem had gevraagd om alle mannen naar [district] te vervoeren. Zijn schoonvader had aan hem gezegd dat hij pas bij aankomst zou horen wat er verder zou gebeuren;
• [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij thuis bij [medeverdachte 2] was, omdat er werk aan hem was aangeboden. Ook [medeverdachte 4] heeft verklaard dat alle mannen met wie hij is aangehouden op die plek aanwezig waren;
• de verdachte [medeverdachte 2] moet nog worden aangehouden. De taakverdeling is geschied zoals hij dat heeft bepaald. Het vertrouwen gaat gepaard met het afschermen van zijn eigen familie;
• uit het rapport van de technische recherche is gebleken dat [medeverdachte 5] contact had met ene [naam 1] en ene [naam 2] omtrent wapens en munitie. Verder wordt er ook gesproken over oud en nieuw en de koopsom. Deze whatsapp berichten beslaan de periode vanaf 03 oktober 2021 tot en met 15 december 2021. Dit betekent dat men al geruime tijd bezig was en
• het redelijk vermoeden van schuld wordt ruimschoots door het feitenmateriaal ondersteund.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.

Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang. Bij een verlengde inverzekeringstelling wordt tevens de dringende noodzaak van continuering van de detentiemaatregel getoetst.

Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.

Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat appellant in verband wordt gebracht met verschillende wapens en munitie, waaronder 8 semi automatische wapens, 313 patronen en 30 patroonhouders. Uit dat aantal is ook gebleken dat twee wapens behoren tot het arsenaal vuurwapens die uit het wapendepot van de ex-president te [plaats 2] zijn weggenomen. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij op 15 maart 2022 in de middaguren thuis bij zijn schoonvader, [medeverdachte 2], was en dat de mannen, waaronder appellant, met wie hij is aangehouden aldaar aanwezig waren. [medeverdachte 5] heeft naderhand verklaard dat zijn schoonvader aan hem had gevraagd om alle mannen naar [district] te vervoeren. Zijn schoonvader had aan hem gezegd dat hij pas bij aankomst zou horen wat er verder zou gebeuren. Deze verklaring van [medeverdachte 5] wordt ondersteund door de verklaringen die zijn afgelegd door [medeverdachte 4]. Voorts zijn er chatberichten veiliggesteld waaruit is gebleken dat er met derden wordt gesproken over de koop en verkoop van verschillende wapens en munitie. Daarbij is ook aangegeven of het gaat om oude of nieuwe wapens. Deze chatberichten beslaan de periode vanaf 03 oktober 2021 tot en met 15 december 2021. Vervolgens is gebleken dat appellant heeft gereageerd op berichten waarbij er een wapen ten verkoop wordt aangeboden. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van appellant uit het bovenstaande komen vast te staan.

Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. In casu moet de verdachte [medeverdachte 2] nog worden aangehouden. In de visie van het Hof moet er aan het Openbaar Ministerie de ruimte worden geboden om te onderzoeken wat de werkelijke bedoeling van het in het bezit hebben van de verschillende wapens en munitie is geweest.

Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. Mede gelet op het voorgaande en ter voorkoming van bewijsvertroebeling acht het Hof tevens de dringende noodzaak van de continuering van de detentiemaatregel ten aanzien van appellant geïndiceerd.

Gelet op de geschetste situatie en het geïndiceerd onderzoeksbelang is het Hof van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek er een dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant. Om die reden dient het door appellant gedane verzoek te worden afgewezen en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [appellant], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op dinsdag 12 april 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 15 april 2022 door: mr. D. Nanhoe, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. S. Punwasi, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-24

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [appellant], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. dinsdag 12 april 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 17 maart 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 188; 371; 371 jo. 73; 381 jo. 72; 381 jo. 73; 480; 480 jo. 72; 480 jo. 72 jo. 73; 481; 482 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2; 9; 15; 15A; 16; 18; 24 en 24 jo. 73 van de Vuurwapenwet welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 22 maart 2022 en ingaande op 24 maart 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022, het beroepschrift d.d. donderdag 14 april 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 14 april 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 15 april 2022 om 09.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de advocaat, mr. G.A.T.T. Sitaram;
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant (telefonisch).

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd dinsdag 12 april 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 14 april 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• aan appellant wordt deelneming aan een criminele organisatie, gekwalificeerde diefstal, medeplegen van gekwalificeerde diefstal, medeplichtigheid aan gekwalificeerde diefstal, medeplegen heling, medeplichtigheid aan heling en overtreding van de Vuurwapenwet verweten;
• [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op woensdag 15 maart 2022 in de avonduren samen met zijn vriend [medeverdachte 2] in een witgelakte Noah Busje was gezeten terwijl hij door de straten van [district] reed. Op een gegeven moment kreeg [medeverdachte 2] een telefoontje en na het gesprek gaf hij te kennen dat er mogelijkheid is om wat geld te verdienen. Toen is hij samen met hem naar Hotel [hotelnaam] gereden;
• [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gingen ervan uit dat zij geld konden verdienen en gaven aan dat er zes anderen zijn terwijl die zes anderen niets weten omtrent de wapens die zijn aangetroffen;
• de appellant is met zijn broertje naar [district] afgereisd om te gaan jagen en te vissen. Het strafbaar feit is in [district] begonnen toen het telefonisch gesprek werd gevoerd tussen een tot nu toe onbekend persoon en [medeverdachte 2]. Bij wapenhandel is er sprake van een ‘hit and run’ situatie;
• er zijn geen wapens en verboden spullen bij appellant aangetroffen;
• de vervolging wil het Hof doen geloven dat appellant het gesprek met de verdachte [medeverdachte 3] heeft geïnitieerd. Uit de telefoonuitdraai is gebleken dat het gesprek door [medeverdachte 3] is geïnitieerd. [medeverdachte 3] heeft foto’s naar de appellant gestuurd en de appellant heeft daarop gereageerd. Het betreft slechts een reactie en niets meer dan dat. Dit gesprek is in 2021 gevoerd en er zijn verschillende foto’s van wapens in de berichten aangetroffen. Het is nog niet duidelijk of het om dezelfde wapens gaat die bij de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn aangetroffen;
• men wekt de indruk dat de appellant een actieve wapenhandelaar is;
• deze zaak heeft slechts te maken met een achttal wapens die in [district] zijn gevonden en
• de bewijzen die in het dossier voorkomen, kunnen niet leiden tot een redelijk vermoeden van schuld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
• de verdachten [medeverdachte 4] (de schoonzoon van [medeverdachte 5]) en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij thuis bij [medeverdachte 5], de broer van de verdachten [medeverdachte 6] en [appellant], een bijeenkomst hebben gehad. Na die bijeenkomst zijn zij naar [district] vertrokken;
• de appellant en zijn broer, [medeverdachte 6], hebben gesteld dat zij waren gaan jagen terwijl [medeverdachte 2] heeft verklaard dat aan hem was gevraagd om enkele werkzaamheden te verrichten. De verdere details zou hij van [medeverdachte 4] vernemen. Toen zij door [medeverdachte 1] alias [bijnaam medeverdachte 1] met de auto van het merk Prado waren opgehaald was [medeverdachte 5] daarbij ook aanwezig. [medeverdachte 2] was ook meegereden;
• hierna zijn zij overgestapt in een auto van het merk Landcruiser waarin er 8 semi automatische wapens, 313 patronen en 30 patroonhouders zijn aangetroffen. Uit dat aantal bleek dat twee wapens behoren tot het arsenaal vuurwapens dat uit het wapendepot te [plaats] zijn weggenomen;
• uit het mobiele onderzoek is er een duidelijke belverkeer geconstateerd en er zijn whatsapp berichten veiliggesteld waarin er wordt gesproken over wapens en munitie. Ook de tenaamstelling en aansluitnummer van appellant is vastgesteld. Het is ook gebleken dat appellant in contact is getreden met verschillende personen, waaronder ene [medeverdachte 3]. Die chatberichten zijn in het dossier toegevoegd;
• er is ook een foto van een machinegeweer met patronen waarbij men praat over de koop en verkoop. Er is gesteld dat het om nieuwe wapens gaat en er is aangegeven waar het kan worden opgehaald. Deze wapens worden in georganiseerd verband verder verhandeld;
• uit de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en op aanwijzing van [bijnaam medeverdachte 1] is gebleken op welke wijze de wapens zijn opgehaald. [medeverdachte 5] was ook erbij;
• de chatberichten dateren vanaf 29 september 2020. Dit geeft aan dat men al geruime tijd bezig is.
• de wapens zijn gelinkt aan de diefstal uit het wapendepot van de ex-president. De chatberichten beslaan die periode en men is al geruime tijd bezig met het verhandelen van de wapens.
• in casu is er onderzoeksbelang, de aanhouding van één van de broeders [medeverdachte 5] zal binnenkort geschieden. De veiliggestelde berichten en de conversaties met anderen moeten nog verder worden uitgewerkt. Naar aanleiding van deze resultaten zullen er nadere verhoren plaatsvinden. Er dreigt gevaar voor bewijsvertroebeling en
• in dit soort zaken wordt er slechts een redelijk vermoeden van schuld vereist. In casu is er een onderzoeksbelang en dringende noodzakelijkheid dat appellant in detentie blijft.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.

Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang. Bij een verlengde inverzekeringstelling wordt tevens de dringende noodzaak van continuering van de detentiemaatregel getoetst.

Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.

Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat appellant in verband wordt gebracht met verschillende wapens en munitie, waaronder 8 semi automatische wapens, 313 patronen en 30 patroonhouders. Uit dat aantal is ook gebleken dat twee wapens behoren tot het arsenaal vuurwapens die uit het wapendepot van de ex-president te [plaats] zijn weggenomen. Voorts zijn er chatberichten veiliggesteld waaruit is gebleken dat appellant met derden heeft gecommuniceerd over koop en verkoop van wapens en munitie. Deze chatberichten dateren vanaf 29 september 2020. Ook is er een foto van een machinegeweer met patronen in de chatberichten aangetroffen waarbij men praat over de koop en verkoop. Er is gesteld dat het om nieuwe wapens gaat en er is aangegeven waar het kan worden opgehaald. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van appellant uit het bovenstaande komen vast te staan.

Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. In casu moet de verdachte [medeverdachte 5] nog worden aangehouden en de veiliggestelde chatberichten en de conversaties met anderen moeten nog verder worden uitgewerkt. Naar aanleiding van deze resultaten zullen er nadere verhoren plaatsvinden. In de visie van het Hof moet er aan het Openbaar Ministerie de ruimte worden geboden om te onderzoeken wat de werkelijke bedoeling van het in het bezit hebben van de verschillende wapens en munitie is geweest.

Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. Mede gelet op het voorgaande en ter voorkoming van bewijsvertroebeling acht het Hof tevens de dringende noodzaak van de continuering van de detentiemaatregel ten aanzien van appellant geïndiceerd.

Gelet op de geschetste situatie en het geïndiceerd onderzoeksbelang is het Hof van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek er een dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant. Om die reden dient het door appellant gedane verzoek te worden afgewezen en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 12 april 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [appellant], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op dinsdag 12 april 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 15 april 2022 door: mr. D. Nanhoe, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. S. Punwasi, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2023-4

Vonnisnummer: 01/2023
Uitspraak: 09 januari 2023
Parketnummer: 01 – 07 – 02825
TEGENSPRAAK

APPELSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 16 augustus 2021 en uitgesproken tegen de verdachte:

[Verdachte] alias [bijnaam verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep ondernemer, wonende aan de [adres] in het district [district], sedert 26 oktober 2018 in detentie verkerend in Nederland en vanaf 17 september 2022 in Suriname;

De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appel

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg, welke aan het hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de raadsman, mr. R.R. Lobo namens de verdachte op 30 augustus 2021 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton.

Formeel verweer van de vervolging

Bij vonnis d.d. 18 januari 2021 is de verdachte door de Kantonrechter in het Derde Kanton bij verstek veroordeeld tot onder andere een gevangenisstraf van 16 (zestien) jaren, met aftrek van de tijd in detentie in Nederland doorgebracht. Tegen dit vonnis heeft verdachte verzet aangetekend en is bij vonnis d.d. 16 augustus 2021 het aangetekend verzet vervallen verklaard en het vonnis d.d. 18 januari 2021 bekrachtigd, omdat verdachte niet is verschenen ten dage van de behandeling van het verzet. Tegen het vonnis van 16 augustus 2021 heeft verdachte hoger beroep aangetekend. Op grond van artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (hierna WvSv) kan alleen het Openbaar Ministerie van een vonnis bij verstek gewezen in hoger beroep komen. Redenen waarom de vervolging het Hof verzoekt de zaak niet in behandeling te nemen.

Reactie van de verdediging op voormeld verweer

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd komt, voor zover van belang voor het beantwoorden van de kernvraag, op het volgende neer. [verdachte] is niet gevlucht naar het buitenland, maar is op 15 maart 2018 via de Internationale Luchthaven Zanderij voor medische behandeling naar het buitenland vertrokken.

Primair bepleit de verdediging het appѐlverbod van artikel 369 WvSv buiten toepassing te laten wegens strijd met onder andere artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights en artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag, welke verdragsbepalingen garanderen dat “Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht heeft de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.

Subsidiair bepleit de verdediging het appѐlverbod van artikel 369 WvSv te doorbreken, daar de verdachte vanwege zijn detentie in Nederland zowel in de verstek- als de verzet procedure geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht op de openbare zitting als bedoeld in artikel 8 van de American Convention on Human Rights en artikel 14 van het BUPO verdrag. [verdachte’s] strafzaak is behandeld terwijl om zijn uitlevering was gevraagd aan Nederland en hij in dat kader in detentie was. Dan dient men te wachten totdat de uitlevering is uitgevoerd. Ten onrechte is het verzet ex artikel 366 lid 1 WvSv vervallen verklaard en is de verdachte [verdachte] c.q. zijn raadsman het verzoek tot schorsing ex artikel 366 lid 2 geweigerd en is daardoor in strijd gehandeld met genoemde verdrags-bepalingen en beginselen van een goede procesorde.

Standpunt van het Openbaar Ministerie:

met betrekking tot het buiten toepassing laten van het appѐlverbod van artikel 369 WvSv wegens strijdigheid met verdragsbepalingen

Met een beroep op en verwijzing naar uitspraken van het Hof van Justitie stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat de aangehaalde verdragsbepalingen, namelijk artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights en artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag, geen “ieder bindende bepalingen” zijn welke op grond van de artikelen 105 en 106 van de Grondwet van de Republiek Suriname, naar hun aard voor rechtstreekse toepassing door de rechter in aanmerking komen. De vervolging concludeert tot verwerping.

met betrekking tot doorbreking van het appѐlverbod van artikel 369 WvSv wegens schending van het aanwezigheidsrecht.

Er is geen sprake van het ontnemen aan de verdachte van diens recht om aanwezig te zijn op de openbare zitting tijdens de verstek- en de verzetprocedure. Van handelen in strijd met artikel 8 van de American Convention on Human Rights of artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag en beginselen van goede procesorde is geen sprake.
Op 01 juni 2018 hebben de Surinaamse autoriteiten om de uitlevering van de opgeёiste persoon [verdachte] gevraagd. Rechtbank Den Haag heeft op 23 mei 2019 de uitlevering van de opgeёiste persoon toelaatbaar verklaard. Er is tevens door de Rechtbank advies aan de Minister gegeven met betrekking tot de door de raadsman uitgebrachte stukken betreffende de gezondheidstoestand van de opgeёiste persoon. De opgeёiste persoon tekent cassatieberoep aan tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 oktober 2019 het cassatieberoep verworpen en is de uitspraak onherroepelijk geworden. Door de minister werd het medisch dossier van betrokkene voorgelegd aan de medisch adviseur van de Dienst Justitiële Inlichtingen (DJI). Op 24 januari 2020 achtte de DJI de opgeёiste persoon uitleverings- en detentie geschikt. Er is volgens de adviseur geen acute zorgvraag en er zijn geen specialistische ingrepen nodig, vandaar geen enkel bezwaar dat de opgeёiste persoon zijn detentie in Suriname zou voortzetten. Gelet op het ontvangen advies van de medisch adviseur van de DJI en de ontvangen informatie van de Surinaamse autoriteiten, acht de Minister het standpunt van de opgeёiste persoon dat uitlevering aan Suriname voor hem van bijzondere hardheid zou zijn en daarom niet zou moeten worden toegestaan, onvoldoende aannemelijk. Op 17 maart 2020 werd door de Minister van Justitie en Veiligheid de verzochte uitlevering toegestaan.

Op 18 februari 2019 is een aanvang gemaakt met de behandeling van de strafzaak door de Kantonrechter en is op 18 januari 2021 bij verstek vonnis gewezen en uitgesproken. Het tegen dit vonnis aangetekend verzet is op 16 augustus 2021 vervallen verklaard en is het verstek vonnis bekrachtigd. Door de verdediging was het verzoek gedaan de zaak voor een periode van minimaal zes maanden aan te houden, daar verdachte vanwege diens medische toestand niet kon afreizen naar Suriname. De behandeling van de strafzaak heeft bijkans 3 jaren geduurd, echter is de verdachte nimmer ter terechtzitting verschenen. De door de verdediging c.q. verdachte aangehaalde argumenten met betrekking tot zijn ziekte blijken bij gebrek aan voldoende onderbouwing als niet steekhoudend te worden aangemerkt. Uit de overgelegde stukken kon niet worden geconcludeerd dat verdachte niet naar Suriname mocht afreizen om gehoord te worden, terwijl hem niets in de weg stond, zulks wel te doen. Immers heeft de Rechtbank en vervolgens de Hoge Raad in de uitleveringsprocedure de opgeworpen verweren regarderende de gezondheidstoestand van de opgeёiste persoon ongegrond verklaard, althans is daaraan voorbijgegaan.

Beoordeling door het Hof

Het Hof stelt vast dat ingevolge artikel 369 lid1 WvSv de veroordeelde verdachte niet in hoger beroep kan gaan tegen een verstek vonnis. Dit verbod staat op gespannen voet met artikel 14 lid 5 van het BUPO verdrag (Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten) en artikel 8 lid 2 onder h van de American Convention on Human Rights.

Bij wet Wet van 27 augustus 2007, (SB. 2007 no. 101) is de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers gewijzigd in die zin, dat het mogelijk is voor politieke ambtsdragers om in hoger beroep te gaan tegen een veroordelend vonnis, hetgeen voorheen niet mogelijk was. De Memorie van Toelichting (MvT) op deze wet stelt onder meer: “Internationaal is namelijk vereist dat de mogelijkheid van hoger beroep tegen een veroordelend strafvonnis steeds aanwezig moet zijn. Dit internationaal vereiste is onder meer te vinden in artikel 14 lid 5 van het op 19 december 1966 te New York tot stand gekomen Internationaal verdrag inzake burger en politieke rechten (V.B. 1981 no. 17) en de “American Convention on Human Rights”. Volgens deze bepaling heeft een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet”.

Deze overwegingen van de wetgever geven het Hof, mede gelet op de artikelen 105 en 106 van de Grondwet van de Republiek Suriname, aanleiding om in de onderhavige strafzaak het voor de veroordeelde [verdachte] uit artikel 369 WvSv voortvloeiend verbod om in hoger beroep te gaan van het veroordelend verstekvonnis d.d. 18 januari 2021 waar tegen de veroordeelde verzet had aangetekend, (welk verzet bij vonnis van 16 augustus 2021 vervallen werd verklaard en het verstekvonnis werd bekrachtigd), buiten toepassing te laten.

Het Hof zal het formeel verweer van de vervolgingsambtenaar verwerpen en de verdachte ontvankelijk verklaren in het door hem tijdig ingesteld appel en zal een datum voor de verdere behandeling van de zaak bepalen.

Gelet op het bovenstaande, komt het Hof derhalve niet meer toe aan het bespreken van het tweede deel van het verweer van de verdediging.

Beslissing:

Het Hof van Justitie,

Rechtdoende in hoger beroep:

Verwerpt het door de vervolging opgeworpen formeel verweer;

Verklaart appellant ontvankelijk in het door hem ingesteld hoger beroep;

Bepaalt dat het onderzoek in deze zaak in hoger beroep tegen verdachte zal worden voortgezet op maandag 23 januari 2023 om 09.00 uur des voormiddags;

Handhaaft het bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Aldus gewezen door:

Mr. M.C. Mettendaf, fungerend- President Mr. S. Punwasi en Mr. D. Nanhoe, leden – plaatsvervanger, bijgestaan door Mr. G.A. Kisoensingh, fungerend- griffier, en uitgesproken door de fungerend – president te Paramaribo op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 09 januari 2023.

 

w.g. G.A. Kisoensingh – Jangbahadoer Singh w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi
w.g. D. Nanhoe

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen – Dors, Substituut – Griffier)

 

 

SRU-HvJ-2022-23

Vonnisnummer : 32/2022
Uitspraak : 03 augustus 2022
Parketnummer : 1-1-02830
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 13 augustus 2014 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep veldarbeider en wonende aan de [adres] te [plaats], thans in vrijheid verkerend;

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door de raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 22 augustus 2014 op de voorgeschreven wijze appél heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de vervolging tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op woensdag 11 juni 2014 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Tweede Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat no. 79 – 81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

Op of omstreeks 23 april 2014, althans in het jaar 2014, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname;

op een tijdstip gedurende de nacht als bedoeld in artikel 121 van het Wetboek van Strafrecht uit een (goed) (afgesloten) woning of op een bij een woning behorende erf alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
• sieraden (van geel en/of wit metaal) en/of
• een of meer horloges (van verschillende merken) en/of
• een hoeveelheid religieuze speldjes (van geel metaal) en/of
• een (bruine lederen) tas en/of
• een of meer flessen parfum (van verschillende merken) en/of
• een of meer oorknopjes en/of
• een (wit verkaste Samsung Galaxy 3) mobiele telefoon en/of
• een of meer geldbedragen (SRD 1400 en/of USD 750 en/of Euro 343) althans een of meer dezer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de weggenomen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
(Art. 371 WvSr)

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de bevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof ambtshalve evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken op 13 augustus 2014, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, voor hetgeen hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, onder aftrek van de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten SRD 110,25, gevorderd.

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan hetgeen hem bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd. De verdachte heeft gesteld dat hij op die bewuste dag niet aanwezig was op de plaats delict, maar dat hij samen met zijn moeder en hoogzwangere vriendin thuis was. Voorts dat hij niet weet hoe zijn vingerafdruk op de plaats delict is terechtgekomen De verdachte heeft ook verklaard dat hij, vanwege iets dat jaren geleden heeft plaatsgehad, niet meer over straat gaat wanneer er een wandelmars is. Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat hij deze zaken geen plek in zijn leven wil geven, niet eraan wil denken, en ook niets erover wil horen. De verdachte heeft tot slot verklaard dat hij een gezin en een baan heeft en zijn leven reeds heeft opgepakt.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton d.d. 13 augustus 2014 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde (gekwalificeerde diefstal) vrijgesproken.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge de artikelen 341 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de Kantonrechter in het Tweede Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

Vrijspraak

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd.

Motivering van de vrijspraak

Het wettig bewijsmiddel
Artikel 325 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering geeft een limitatieve weergave van wettige bewijsmiddelen. Als wettige bewijsmiddelen worden erkend: de eigen waarneming van de rechter; verklaringen van de verdachte; verklaringen van een getuige; verklaringen van een deskundige; schriftelijke bescheiden.

In het proces-verbaal d.d. 25 april 2014, betreffende ‘identificatie van twee vingersporen’, opgemaakt door [naam 1], agent van politie eerste klasse, onder leiding van [naam 2], inspecteur van politie derde klasse, staat vermeld dat, ‘uit de ingestelde vergelijkingsonderzoeken is gebleken dat één der gevonden en gereproduceerde vingersporen een zodanig aantal punten (17) van overeenkomst vertonen met de afdruk van de linkerringvinger van de verdachte terwijl een ander een zodanig aantal (20) punten van overeenkomst vertoonde met de afdruk van de rechtermiddelvinger van de verdachte, dat er van identiteit kan worden gesproken’. De deskundige, [naam 2], heeft het voornoemde proces-verbaal op de zitting van 12 januari 2022 in hoger beroep nader belicht en – zakelijk weergegeven – verklaard dat, ‘er in Suriname wettelijk dertien (13) punten van overeenkomst worden gehanteerd bij het identificeren van vingersporen. Voorts dat er in casu honderd procent sprake is van identiteit, omdat er meerdere vingersporen op de plaats delict zijn aangetroffen’.

Het voornoemde proces-verbaal en de nadere toelichting van de deskundige daarop kunnen op basis van artikel 325 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering worden getypeerd als te zijn een wettig bewijsmiddel.

De overtuiging
Artikel 324 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan dat, ‘het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen’.

Ten aanzien van de voor een bewezenverklaring vereiste ‘overtuiging’ geldt dat deze haar grondslag moet vinden in de wettige bewijsmiddelen. Bovendien moet de overtuiging meer zijn dan een bloot vermoeden. Het begrip ‘overtuiging’ kent twee componenten. Enerzijds een subjectieve component, bestaande uit de persoonlijke overtuiging van de rechter dat door hem vastgestelde feiten juist zijn. Anderzijds een meer objectieve component, bestaande uit feiten en omstandigheden die dit oordeel kunnen dragen.

In het strafdossier zijn er aanwijzingen en verklaringen ten aanzien van de alibi van de verdachte. Zo heeft de moeder van de verdachte, [naam 3], bij proces-verbaal d.d. 20 mei 2014, opgemaakt door [naam 4], adspirant agent van politie, – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard: “Ik zal mijn zoon voor het gemak ‘[bijnaam verdachte]’ noemen. Ik kan niet bevestigen of mijn zoon een vriendin heeft, daar er verschillende dames thuis bij [bijnaam verdachte] komen, maar die dames blijven buiten met hem staan en komen niet in mijn huis. [bijnaam verdachte] heeft nooit een dame thuis bij mij gebracht en voorgesteld als te zijn, zijn vriendin. Op 23 april 2014 was [bijnaam verdachte] de hele ochtend thuis. In elk geval was hij tot 19.00 uur thuis. Het was de eerste dag van de wandelmars. Dit kan ik nog herinneren, want op die dag hadden wij samen naar het programma ‘In de Branding’ gekeken. Verder kan ik mij niet meer herinneren als [bijnaam verdachte] na 19.00 uur nog thuis was of niet.” Daarnaast heeft de moeder van de verdachte op de zitting in eerste aanleg d.d. 11 juni 2014 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: “Mijn zoon was op 23 april 2014 tot na de nieuws van STVS thuis. Daarna ben ik gaan liggen. Mijn zoon was op 23 april 2014 de hele dag thuis. Het was paasvakantie, dus ik was ook thuis. Wij hebben samen naar ‘In de Branding’ gekeken. Toen ik tussen 23.00 uur en 00.00 uur opstond om naar het toilet te gaan, lag mijn zoon nog op de bank. Op 23 april 2014 heb ik de vriendin van mijn zoon, [naam 5], niet naast hem zien slapen. Het zou kunnen dat zij in de kamer van mijn dochter sliep.” Voorts heeft de persoon van [naam 5], de vriendin van de verdachte, bij proces-verbaal d.d. 21 mei 2014, opgemaakt door [naam 6], agent van politie derde klasse, onder meer het navolgende verklaard: “Op mijn vraag of [verdachte] op woensdag 23 april 2014 thuis was, gaf zij mij te kennen dat zij samen met [verdachte] thuis was op bedoelde dag en dat hij op die dag, niet uit huis is geweest. Op mijn vraag of [verdachte] tussen 19.30 uur en 22.00 uur uit huis was geweest op die bewuste dag, gaf zij mij te kennen dat zulks niet het geval was, daar zij nog naar televisie zat te kijken bij de woning van [verdachte] aan de [adres] te [plaats]. In elk geval hebben zij volgens haar zeggen, de avond samen doorgebracht.” Naast de verklaringen van de moeder en de vriendin van de verdachte omtrent zijn alibi heeft de verdachte zelf volhard in zijn stellige ontkentenis dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan hetgeen hem wordt verweten.

Het Hof stelt als algemeen uitgangspunt vast dat in beginsel de geplaatste vingersporen voldoende zijn om bij gebreke van ooggetuigen casu quo beeldmateriaal tot een bewezenverklaring te komen. Aangezien het in dit concreet geval om een markante gebeurtenis gaat (de wandelmars) en het kennelijk niet “botert” tussen de moeder en de vriendin van de verdachte heeft het Hof beide verklaringen in perspectief bezien en is tot de slotsom gekomen dat die verklaringen in hoofdlijnen wel op elkaar aansluiten. Voorgaande slotsom geeft aanleiding voor gerede twijfel bij het Hof omtrent de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen – ook niet na een ingesteld buurtonderzoek – dat er een significante vermeerdering van de vermogenstoestand van de verdachte zou hebben plaatsgevonden, hetgeen de gerede twijfel alleen maar heeft versterkt.

Het Hof acht het aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feit op basis van al hetgeen hiervoor is overwogen niet wettig en overtuigend bewezen. De wettelijke bewijsregeling, aangevuld met de in de rechtspraak gestelde eisen, heeft betrekking op de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om tot een bewezenverklaring te komen. Indien er daaraan niet is voldaan, dan is vrijspraak onontkoombaar. Het Hof merkt op dat het voorgaande met zich meebrengt dat het geven van een vrijspraak niet in den positieve betekent dat de verdachte het tenlastegelegde feit niet zou hebben begaan, maar slechts impliceert dat niet volgens de daaraan gestelde voorwaarden is vastgesteld dat de verdachte het ten laste gelegde feit wel zou hebben begaan.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd geeft het Hof aanleiding voor gerede twijfel hetgeen in het voordeel van de verdachte zal worden uitgelegd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 324, 325, 329, 330 en 338 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de uitspraak.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 13 augustus 2014 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Tweede Kanton is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 

Aldus gewezen door:
mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers,
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 03 augustus 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2022-22

Vonnisnummer: 17/2022
Uitspraak: 09 maart 2022
Parketnummer: 1-1-05298
VERSTEK

APPÈLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 29 maart 2019 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam verdachte], geboren op [datum] te [plaats], van beroep operator en wonende aan de [adres] in het district [district], thans in vrijheid verkerend.

De verdachte is niet verschenen en wordt niet bijgestaan door een advocaat.

Ontvankelijkheid appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van de verdachte op 05 april 2019 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de absolute competentie van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin gebleken van omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen redenen aanwezig gebleken ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 29 maart 2019 zal bevestigen.

 

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 29 maart 2019 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding onder I (het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken) en onder II (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting) ten laste gelegde, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 414 lid 1 en artikel 345 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot een gevangenistsraf voor de duur van twee (2) jaren onvoorwaardelijk. Voorts heeft de Kantonrechter als bijzondere voorwaarde gesteld dat de veroordeelde zich gedurende zijn detentie zal laten begeleiden door een deskundige van het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname en heeft het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname opgedragen om aan de veroordeelde ter zake van de naleving van de bijzondere voorwaarde hulp en steun te verlenen overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht. De Kantonrechter heeft verder bepaald dat de gevangenhouding van verdachte zal worden gehandhaafd.

Het Hof kan zich verenigen met het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 29 maart 2019 en met de gronden waarop dit berust en zal het beroepen vonnis, met uitzondering van de daarin opgenomen bijzondere voorwaarde, bevestigen.

Het Hof heeft – gelet op de aard van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder het feit dat hij een recidivist is, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen – acht geslagen op de duur van de vrijheidstraffen die in het algemeen voor soortgelijke strafbare feiten worden opgelegd. Niet is gebleken dat in onderhavige zaak de persoon van de verdachte aanleiding geeft om van de algemene lijn af te wijken.

De bijzondere voorwaarde
De bijzondere voorwaarde moet inhoud geven aan de voorwaardelijke veroordeling en is en blijft daarmee onlosmakelijk verbonden.
De toepassing van bijzondere voorwaarden bij geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke veroordelingen dient twee doelen. Enerzijds probeert men door middel van gedragsbeïnvloeding recidive te voorkomen, anderzijds probeert men de veroordeelde zo lang mogelijk buiten de gevangenis te houden. Een bijzondere voorwaarde dient het gedrag van de veroordeelde te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7918, NJ 2008/33).

Het is het Hof gebleken dat de Kantonrechter een bijzondere voorwaarde heeft verbonden aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Hof zal dit verbeteren en bepalen dat de veroordeelde zich gedurende zijn detentie zal laten begeleiden door een deskundige van het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname en draagt het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname op om aan de veroordeelde ter zake van de naleving van deze bepaling hulp en steun te verlenen overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht. Het beroepen vonnis kan ten aanzien van de bijzondere voorwaarde derhalve niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38, 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 29 maart 2019 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, met uitzondering van de daarin opgenomen bijzondere voorwaarde.

Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van de daarin opgenomen bijzondere voorwaarde.

En opnieuw rechtdoende:

Bepaalt dat de veroordeelde zich gedurende zijn detentie zal laten begeleiden door een deskundige van het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname en draagt het Bureau Alcohol en Drugs van het Psychiatrisch Centrum Suriname op om aan de veroordeelde ter zake van de naleving van deze bepaling hulp en steun te verlenen overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 09 maart 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2022-21

Vonnisnummer : 41/2022
Uitspraak : 15 augustus 2022
Parketnummer : 1-4-02995
VERSTEK

 

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 07 november 2014 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte] alias [bijnaam verdachte], geboren op [datum] in het district [plaats], van beroep bootsman, wonende aan de [adres 1] te [plaats] in het district [district], thans in vrijheid verkerend;

De verdachte is niet verschenen en wordt ook niet bijgestaan door een advocaat.

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de vervolgingsambtenaar op 18 november 2014 op de voorgeschreven wijze appél heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de vervolgingsambtenaar tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 18 juli 2014 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het Derde Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

op of omstreeks 21 mei 2014, althans in het jaar 2014, te Marowijne, in ieder geval in Suriname,
hij verdachte, tezamen en in vereniging met een tot nog toe onbekend gebleven persoon, in ieder geval alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van SRD 3.000,- (drieduizend Surinaamse Dollars), althans enig geld en/of een onbekend aantal opwaardeerkaarten (van Telesur en/of Digicel), in ieder geval een of meer dezer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij verdachte tezamen en in vereniging met die tot nog toe onbekend gebleven persoon, althans alleen:
• met een (vuist)vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], onder schot heeft gehouden en/of
• met een (vuist)vuurwapen, althans een hard en/of zwaar voorwerp een of meer slagen heeft toegebracht op het hoofd, althans het lichaam van die [benadeelde 3];
(artikel 372 WvSR)

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen redenen aanwezig gebleken ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 07 november 2014 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton ten laste gelegde, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, zal veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaren, onder aftrek van de tijd die door hem in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten een mouwloze zwarte jas en een groen witte muts gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 07 november 2014 is de verdachte terzake het bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde (diefstal met geweldpleging) vrijgesproken.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 341 e.v. van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de Kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

Vrijspraak

Het Hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd.

Motivering van de vrijspraak

In deze zaak gaat het om de verdenking dat de verdachte op 21 mei 2014 tezamen en in vereniging met een tot nog toe onbekend gebleven persoon een beroving heeft gepleegd bij de supermarkt ‘[supermarkt]’ aan de [adres 2] in het district [district].
In casu moet worden beoordeeld of de verklaringen van de getuigen elkaar in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, waardoor er kan worden gesteld dat er is voldaan aan het bewijsminimum.
De verdachte heeft in zijn verklaringen ontkend het aan hem bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde strafbare feit te hebben gepleegd. Behalve de verklaringen van de winkelier, [benadeelde 1], bevat het dossier onder andere ook de getuigenverklaringen van de echtgenote van de winkelier, [benadeelde 2], de arbeider, [benadeelde 3], die in de supermarkt werkzaam is, een anonieme getuige en de verbalisant, [naam 1], die [benadeelde 1] met foto’s van verschillende verdachten heeft geconfronteerd. [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij één van de rovers positief heeft herkend als te zijn de verdachte, aangezien de rovers hun masker nog niet hadden opgezet toen zij naar het winkelpand liepen. Alhoewel de getuige [benadeelde 2] zich ten tijde van de beroving in de supermarkt bevond, kon zij geen siganalementen van de daders opgeven. De getuige [benadeelde 3] bevond zich ten tijde van de beroving eveneens in de supermarkt, maar heeft niet kunnen zien wat zich achter de toonbank heeft afgespeeld. Volgens de verklaring van [benadeelde 3] waren beide rovers gemaskerd. Voorts heeft hij verklaard dat de eerste rover lang en slank was en een geschatte lengte van 1.70 m kan hebben. Tot slot heeft hij verklaard dat hij geen siganalementen kan opgeven van de tweede rover. De anonieme getuige heeft verklaard dat hij/zij tezamen met een vrouwspersoon was toen [medeverdachte] aan die vrouwspersoon te kennen gaf dat hij al enige tijd na zijn vrijlating niet over geld beschikt en dat hij van plan is om een beroving te plegen bij een van de Chinese winkels in de omgeving van de [straatnaam] meergenoemd ‘[roepnaam]’ in de volksmond. Het Hof merkt op dat er niet is onderzocht of de supermarkt ([supermarkt]) van [benadeelde 1] in de volksmond bekend staat onder de naam [roepnaam]. Uit de verklaring van de verbalisant is gebleken dat de winkelier [benadeelde 1] de verdachte positief heeft herkend op één van de foto’s die als bijlage in het dossier waren gezet.

In de visie van het Hof kunnen de verklaringen van [benadeelde 2], [benadeelde 3] en de anonieme getuige niet als steunbewijs worden gebruikt voor het aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feit aangezien de strafbaarheid van verdachte uit die verklaringen niet kan worden gedestilleerd. Ook de verklaring van de verbalisant is onvoldoende om als aanvaardbaar steunbewijs te kunnen worden aangemerkt, nu de verbalisant slechts heeft verklaard wat hij van [benadeelde 1] heeft vernomen (een ‘de auditu-verklaring’). Dit betreft dan ook geen bewijsmateriaal afkomstig uit een andere bron. Aangezien de verklaringen van [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], de anonieme getuige en de verbalisant elkaar niet in dusdanige mate ondersteunen dat zij over en weer als steunbewijs kunnen worden gebruikt, komt het Hof tot de conclusie dat er niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het Hof stelt in dit kader vast dat alleen [benadeelde 1] een uitgebreide verklaring heeft afgelegd en dat zijn verklaringen onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Ook de veiliggestelde camerabeelden van huize [naam 2] leiden niet tot een andere slotsom aangezien de kwaliteit daarvan slecht te noemen is. Evenmin leidt de inbeslagname van een zwarte jacket in de ouderlijke woning van de verdachte tot een andere slotsom aangezien de connectie daarvan met een kledingstuk die één der verdachten ten tijde van de beroving aan had niet uit de verf is gekomen.

Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwend, komt het Hof tot de conclusie dat er in casu niet is voldaan aan het bewijsminimum. Het voorgaande zal derhalve in het voordeel van de verdachte worden uitgelegd en is een vrijspraak geïndiceerd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 324, 325, 329, 330 en 338 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van de uitspraak.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 07 november 2014 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers,
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 15 augustus 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2022-20

Vonnisnummer: 38/2022
Uitspraak: 15 augustus 2022
Parketnummer: 1-2-00540
TEGENSPRAAK

APPÈLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 14 augustus 2018 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] te [plaats], elektriciën van beroep en wonende aan de [adres] te [ressort] in het district [district], thans in vrijheid verkerend.

De verdachte is verschenen en wordt bijgestaan door mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie.

Ontvankelijkheid appèl

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de advocaat van de verdachte op 27 augustus 2018 op de voorgeschreven wijze appèl heeft aangetekend tegen het voormelde vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

Aan dit vonnis is als bijlage I gehecht een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de inleidende dagvaarding, waaruit de inhoud van de tenlastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Indien in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Tegen de dagvaarding in eerste aanleg noch tegen de dagvaarding in hoger beroep zijn preliminaire verweren gevoerd die strekken tot de nietigheid van de dagvaarding. Het Hof is ook ambtshalve niet gebleken van gebreken in de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de absolute competentie van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.

De schorsing der vervolging

Er zijn geen verweren aangevoerd ten aanzien van de schorsing der vervolging. Het is het Hof ambtshalve evenmin gebleken dat er redenen zijn voor schorsing der vervolging.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar en van hetgeen door de verdediging is aangevoerd.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 augustus 2018, onder aanvulling van de schadevergoedingsmaatregel, zal bevestigen. De vervolgings-ambtenaar heeft gesteld dat de schadevergoeding ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer thans is begroot op een bedrag van SRD 13.660, -. De vervolgingsambtenaar heeft derhalve aan het Hof gevraagd om aan de verdachte de verplichting op te leggen om het bedrag van SRD 13.660, – te betalen en bij niet betaling door de verdachte, te vervangen door één maand hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De verdachte heeft gesteld dat hij het aan hem bij inleidende dagvaarding onder A ten laste gelegde strafbare feit wel heeft begaan. Volgens de verdachte is hij in hoger beroep gekomen tegen de schadevergoedingsmaatregel dat door de kantonrechter is opgelegd, daar hij zich niet kan verenigen met de hoogte van het schadevergoedingsbedrag (SRD 29.518, -) dat hij aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, moet betalen. Alhoewel de gedeclareerde kosten in eerste aanleg exorbitant hoog zijn, heeft de verdachte zich erin berust. De verdachte heeft aan het Hof voorgesteld om het bedrag van SRD 13.660, – binnen tien maanden af te betalen aangezien hij geen vaste inkomsten heeft waardoor zijn inkomsten per maand verschillen.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 augustus 2018 is de verdachte terzake het bij inleidende dagvaarding onder A (dood door schuld) ten laste gelegde, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 20 lid 1 en artikel 21 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, met bepaling dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van het hierbij op twee (2) jaren bepaalde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorts heeft de Kantonrechter de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zeven (7) maanden ontzegd en bepaald dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 11 van de Rijwet 1971 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest vanaf 16 januari 2017, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Vervolgens heeft de Kantonrechter aan de verdachte bij wege van een schadevergoedingsmaatregel opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer SRD 29.518, – (negen en twintigduizend vijfhonderd en achttien Surinaamse Dollars) te betalen, bij niet betaling te vervangen door één (1) maand hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Het Hof kan zich verenigen met het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 14 augustus 2018 en met de gronden waarop dit berust en zal het beroepen vonnis, met uitzondering van de daarin opgenomen schadevergoedingsmaatregel, bevestigen.

Het Hof heeft gelet op de aard van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Het Hof constateert dat het bedrag dat door de nabestaanden in eerste aanleg was gedeclareerd SRD 33.660, – bedroeg. Aangezien de bouwkosten ten bedrage van SRD 20.000, – niet zijn onderbouwd, heeft het Hof evenals de vervolging besloten om die in casu buiten beschouwing te laten. Het Hof heeft bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding acht geslagen op het leed dat door de verdachte aan de nabestaanden van het slachtoffer is toegebracht; het tijdsverloop; de geldontwaarding en de draagkracht van de verdachte. Gelet op het voorgaande en vanwege het reparatoire karakter van de schadevergoedingsmaatregel heeft het Hof bepaald dat aan de verdachte de verplichting zal worden opgelegd om aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer het bedrag van SRD 15.000, -, met ingang van eind augustus 2022 in tien achtereenvolgende maandelijkse termijnen ad. SRD 1.500, – , te betalen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 40 en 54f van het Wetboek van Strafrecht; artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 20 lid 1 en 21 lid 1 en lid 4 van de Rijwet 1971 zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 14 augustus 2018 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep, met uitzondering van de daarin opgenomen schadevergoedingsmaatregel.

Vernietigt het beroepen vonnis ten aanzien van de daarin opgenomen schadevergoedingsmaatregel.

En opnieuw rechtdoende:

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van het slachtoffer, het bedrag van SRD 15.000, -(vijftienduizend Surinaamse Dollar), met ingang van eind augustus 2022 in tien achtereenvolgende maandelijkse termijnen ad. SRD 1.500, – , te betalen.

 

Aldus gewezen door:

mr. A. Charan, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van maandag 15 augustus 2022 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-55

Vonnisnummer : 61/2021
Uitspraak : 15 december 2021
Parketnummer : 1-1-3953
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen op 25 juni 2008 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] in Suriname, bouwvakker van beroep, wonende aan [adres 1] te [plaats 1], thans in vrijheid gesteld;

is verschenen

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 26 juni 2008 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appel aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 05 oktober 2007 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het IIIe Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat no 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo, zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

III. Op 17 mei 2005 te Paramaribo, tezamen en in vereniging, na daartoe van tevoren gemaakte afspraak in nauwe samenwerking met [verdachte] althans alleen op de openbare landweg te [straatnaam 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een voertuig, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 2] althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte of zijn voornoemde mededader, hebbende hij verdachte tezamen en in verenigingn als vermeld, althans alleen toen aldaar voormelde diefstal doen voorafgaan of volgen van bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 2] gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve of zijn voornoemde mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit bvan het gestolene te verzekeren en welk geweld zwaar lichamelijk letsel van die [benadeelde 2], ten gevolge heeft gehad, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen toen daar met voormeld oogmerk die [benadeelde 2] benaderd voor het rijden van een taxi-rit naar [ressort] en toen aldaar aangekomen die [benadeelde 2] opzettelijk gewelddadig van achteren aan de hals, althans het lichaam in een wurggreep vastgehouden met een hard voorwerp en vervolgens opzettelijk gewelddadig met een mes of schroevendraaier, althans een hard en scherpig voorwerp een of meer steekverwondingen aan de keel, hoofd en handpalm, althans het lichaam van die [benadeelde 2] toegebracht en die [benadeelde 2] opzettelijk dreigend te kennen gegeven te zullen beroven, althans woorden van gelijke strekking en betekenis, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen zich met medeneming van vorenmeld voertuig, althans enig goed zich van de plaats des misdrijfs verwijderd, hebbende die [benadeelde 2], ten gevolge van vorenomschreven feit (geweld) bekomen onder meer een of meer steekverwondingen, waarbij een id meer keren plastische chirurgische moest worden ingegrepen, in ieder gevak zwaar lichamelijk letsel, hebbende vorenomschreven handeling niet in de volgorde als vermeld, in ieder geval in een andere volgorde plaatsgevonden.

IV. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 3], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

V. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 4], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Van de zijde van het Openbaar Ministerie is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in eerste aanleg een schriftelijke wijziging van de dagvaarding had overgelegd, waarbij er een wijziging van de dagvaarding was gevorderd en welke vordering was toegewezen door de Kantonrechter. De vordering hield het volgende in: De ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder I, II en VI zijn wettig en overtuigend bewezen in het Derde Kanton en de ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder III, IV en V zijn wettig en overtuigend bewezen in het Tweede Kanton.
Een dergelijke vordering tot wijziging van de dagvaarding is in strijd met de wet. Bovendien rept de wet over wijziging van de tenlastelegging en niet van de dagvaarding. De beslissing van de Kantonrechter tot toewijzing van de vordering tot wijziging van de dagvaarding, blijkt uit het feit dat de Kantonrechter als Kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die blijkens de hierboven aangehaalde dagvaarding samen met de in Brokopondo gepleegde feiten in een dagvaarding waren ten laste gelegd en gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien in het geding in eerste aanleg buiten het geval van het voorgaande artikel de vervolgingsambtenaar oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de kantonrechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 297 het woord voert, met vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.
2. Indien de kantonrechter de vordering toewijst, doet hij de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal der terechtzitting opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden.”

Artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien de telastelegging overeenkomstig het voorgaande artikel is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift der gewijzigde telastelegging op de terechtzitting zelve ter hand gesteld, tenzij de kantonrechter oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift der wijzigingen kan worden volstaan.”
Uit de aan het Hof overgelegde stukken is daarvan niet gebleken.

Naar het oordeel van het Hof geschiedt het aanhangig maken van een strafzaak in hoger beroep door middel van een vanwege de vervolgingsambtenaar aan de verdachte te betekenen dagvaarding. Deze dagvaarding dient voor wat betreft de tenlastelegging te verwijzen naar de in eerste aanleg opgestelde tenlastelegging. Bij een appeldagvaarding kan worden volstaan met verwijzing naar de tenlastelegging, mits deze verwijzing duidelijk is.

De gewijzigde dagvaarding waarvan gewag wordt gemaakt in het proces – verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 07 december 2007 is door het Hof niet in het procesdossier aangetroffen. Het Hof merkt ten overvloede op dat de wet niet voorziet in een dergelijke wijze van wijziging van de dagvaarding en die dus in strijd is met de wet. Het Hof zal derhalve de strafzaak beoordelen op basis van de aan de verdachte uitgereikte dagvaarding en van de daarin vermelde ten laste gelegde feiten om op vrijdag 05 oktober 2007 te 08.30 uur te verschijnen voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. Overigens wordt in de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, ook geen melding gemaakt van een “gewijzigde dagvaarding”.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (feiten I, II en VI) tot een gevangenisstraf van twee jaren. Voorts vordert de vervolging verbeurdverklaring van het in beslag genomen rijbewijs op naam van de getuige [benadeelde 3].

Het vonnis waarvan beroep

Het Hof is gebleken dat de Kantonrechter als kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die samen met de in Brokopondo gepleegde feiten bij een dagvaarding waren gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. De Kantonrechter in het Derde Kanton had zich onbevoegd moeten verklaren ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten die in Paramaribo zijn gepleegd. Reeds daarom kan het Hof zich niet verenigen met het vonnis a quo, redenen waarom het Hof zal beslissen dat de Kantonrechter in het Derde Kanton voor wie de in Paramaribo gepleegde feiten eveneens waren gedagvaard, zich onbevoegd had moeten verklaren ten aanzien van onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 25 juni 2008 is de verdachte ter zake het bij inleidende dagvaarding voor de kantonrechter in het Derde Kanton onder I ten laste gelegde (gekwalificeerde diefstal), het onder II ten laste gelegde (Illegaal vuurwapen- en munitiebezit) en het onder VI ten laste gelegde (valsheid in geschrifte) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaren, met vaststelling van een bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Forensisch Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht en met bevel tot gevangenhouding van de verdachte.

Het is het Hof gebleken dat het vonnis van de Kantonrechter niet voldoet aan de op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke voorschriften ingevolge artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering, redenen waarom het Hof het vonnis a quo van de kantonrechter in het Derde Kanton zal vernietigen en opnieuw recht zal doen.

BESLISSING VAN HET HOF ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Het hof verklaart de Kantonrechter in het Derde Kanton onbevoegd om kennis te nemen van de onder III, IV en V ten laste gelegde in Paramaribo gepleegde feiten.

BEWEZENVERKLARING

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder I, II en VI van de inleidende dagvaarding in het Derde Kanton is ten laste gelegd met dien verstande, dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007, in het district Brokopondo zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder I, II en III ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het Hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit I:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de aangifte van diefstal middels braak door de aangever, [naam 1], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 127 tot en met 128, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de aangever, inhoudende:

“Op donderdag 3 mei 2007 maakte ene [naam 1] telefonisch contact met het politiestation en gaf aan dat hij uit handen van zijn neefje [verdachte] een jachtgeweer had weggenomen. Dat het vermoeden bestaat dat [verdachte] dit geweer heeft gestolen. In het dorp [dorpsnaam] aangekomen, begaf ik mij bij aangever als genoemd en overandigde hij mij een jachtgeweer van het merk Stevens, kaliber 16 met vijf hagelpatronen ook van het kaliber 16. Hij verklaarde vervolgens aan mij het volgende: Dat hij op dinsdag 1 mei 2007 zijn neefje, [verdachte] in het dorp met een tas zag lopen. Hij vroeg aan [verdachte] wat hij in de tas had en deelde [verdachte] hem mede dat hij een zaag erin had. Daar het voorwerp in de tas niet de vorm had van een zaag, rees het vermoeden op bij hem dat [verdachte] een diefstal gepleegd had. Verder verklaarde hij dat de vorm van het voorwerp in de tas van [verdachte], de vorm had van een jachtgeweer. Hij liet [verdachte] gaan en begad hij zich later in de woning van [verdachte] en ontdekte hij bij onderzoek, dat het voorwerp een jachtgeweer betrof. Verder trof hij ook in de tas vijf hagelpatronen van het kaliber 16. Daar de aangever een vermoeden had dat [verdachte] het geweer met bijbehorende patronen gestolen had, nam hij die patronen en het geweer en maakte contact met de politie.
Vervolgens werd het onderzoek voortgezet en begaf ik mij naar de woning van [verdachte]. Hij werd thuis aangetroffen en gaf hij op te zijn, [verdachte], geboren op [datum] te Paramaribo, zonder beroep en wonende in het dorp [dorpsnaam] in het district Brokopondo. Bij een korte ondervraging naar de herkomst van het jachtgeweer, gaf hij toe een inbraak te hebben gepleegd in een woning op de hoek van de [straatnaam 2] en de afslag naar het dorp [dorpsnaam], waarbij hij bedoelde jachtgeweer had buitgemaakt.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 2] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 132 tot en met 133, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik ben al anderhalf jaar woonachtig in het dorp [dorpsnaam] in een woning van mijn grootmoeder. Eerder had ik gewoond aan de [adres 2] te Paramaribo. Vanwege de vele diefstallen die ik gepleegd had, besloot ik op advies van mijn moeder in het binnenland te gaan wonen alwaar ik volgens haar een rustig zou gaan lijden. Ik begaf mij wederom naar het dorp waar mijn moeder afkomstig is, met de bedoeling een rustig leven te gaan leiden. Daar ik werkloos ben en met veel moeite mijn hoofd boven water hield, besloot ik een jachtgeweer te zoeken om ermee op jacht te gaan. Daar het mij bekend was dat een oom van mij genaamd [benadeelde 1] woonachtig was in een woning langs de [straatnaam 2] nabij de afslag in het dorp [dorpsnaam], waarin een jachtgeweer verborgen was, besloot ik dat te stelen om ermee te jagen. Het wild dat ik zou jagen, zou ik voor eigen gebruik nemen. Voorts moet ik u te kennen geven dat mijn oom [benadeelde 1] niet meer woonachtig was in bedoelde woning. Hij is thans woonachtig in het dorp [dorpsnaam].
Op dinsdag 1 mei 2007, omstreeks 13.00 uur verliet ik het dorp te voet en liep ongeveer een uur lang via de weg die leidt naar het dorp [dorpsnaam] tot bij de hoofdweg ([straatnaam 2]). Ik kwam omstreeks 14.00 uur aan bij de woning van mijn oom [benadeelde 1] die op de hoek was van de [straatnaam 2] en de afslag in het dorp [dorpsnaam]. Hierna begaf ik mij naar de achterdeur en forceerde ik die open. Moge vermeld worden dat die deur niet goed op slot was van binnen, waardoor ik die op een heel gemakkelijke wijze opendeed. Ik begaf mij in de woning en na die te hebben doorzocht, trof ik in de woonkamer achter een bed een jachtgeweer aan. Naast het jachtgeweer in bedoelde ruimte zag ik vijf hagelpatronen in een fles en nam die ook weg. Vervolgens bewaarde ik het jachtgeweer met bijbehorende patronen in een zwarte vuilniszak welke in aldaar had aangetroffen en verliet ik de woning.
Gekomen in het dorp, verborg ik het jachtgeweer in mijn slaapkamer en de volgende dag begaf ik mij op jacht. In de middaguren van 2 mei 2007 kwam ene [naam 2] te mijnent en zag hij dat geweer. Op zijn verzoek leende ik hem dat geweer om te gaan jagen. De volgende dag op donderdag 03 mei 2007, riep mijn oom [naam 3] mij en vroeg mij als ik in het bezit ben van een jachtgeweer. Ik gaf toe in het bezit te zijn van een jachtgeweer en hield hij mij voor dat hij de politie zal inschakelen, daar hij een vermoeden had dat ik het jachtgeweer had gestolen. Ik ontkende voor hem het jachtgeweer te hebben gestolen. [naam 3] nam het jachtgeweer en schakelde hij de politie van dit station in.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het doen van aanwijzingen door de verdachte [verdachte] op de plaats van het delict in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 2] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 130 tot en met 131, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Heden, op 04 mei 2007, omstreeks 17.00 uur begaf ik mij bijgestaan door agenten van politie 3de klasse, [naam 4] en [naam 5] nabij het dorp [dorpsnaam], in een woning gelegen langs de [straatnaam 2], in dit district voor het instellen van een onderzoek, waarbij het volgende moge worden vermeld: Hetzij vermeld dat de verdachte [verdachte] vrijwillig te samen met ons was meegereden voor het doen van aanwijzingen, alwaar hij een poosje geleden een enkelloop jachtgeweer had gestolen. Op aanwijzing van de verdachte [verdachte] begaf ik, geassisteerd door de eerder vermelde agenten naar een woning. Bedoelde woning staat langs de [straatnaam 2] nabij de weg naar het dorp [dorpsnaam]. Het staat links van de [straatnaam 2], zulks bekeken vanuit richting Paramaribo naar de richting van [plaats 2], en wel 17 meter verwijderd van de [straatnaam 2]. Het betreft een woning, dat opgetrokken is van hout en voorzien van zinkplaten bedekkingen. Het is 4,5 meter breed en 5,5 meter lang, verdeeld in een woonruimte en een slaapruimte. De voorgevel heeft een deur met een hangslot eraan en staat op slot. De achtergevel van de woning is eveneens voorzien van een achterdeur, welke middels een houten klamp was afgegrendeld. Volgens verklaring van de verdachte heeft hij de achterdeur opengemaakt door deze met kracht naar achteren te drukken. Via deze ontstane ruimte verschafte de verdachte [verdachte] zicht toegang tot de slaapkamer van de woning. In deze ruimte werd een witte rijstzak aangetroffen, waarin volgens verklaring van de verdachte het wapen was bewaard, die hij een poosje geleden had gestolen.”

4. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding van verdachte in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 3] (hulpagent van justitie), doorgenummerde pagina 123, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik geef toe het jachtgeweer te hebben gestolen langs de [straatnaam 2] te hoogte van het dorp [dorpsnaam].”

5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving en inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 134, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een jachtgeweer (cal. 16) met onbekend merk en serie nummer en vijf scherpe patronen cal.16.”

6. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit II:
1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal betreffende de verklaring van de verdachte [verdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt op 01 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 127 tot en met 128, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Vervolgens werd het onderzoek voortgezet en begaf ik mij naar de woning van [verdachte]. Hij werd thuis aangetroffen en gaf hij op te zijn, [verdachte], geboren op [datum] te Paramaribo, zonder beroep en wonende in het dorp [dorpsnaam] in het district Brokopondo. Bij een korte ondervraging naar de herkomst van het jachtgeweer, gaf hij toe een inbraak te hebben gepleegd in een woning op de hoek van de [straatnaam 2] en de afslag naar het dorp [dorpsnaam], waarbij hij bedoelde jachtgeweer had buitgemaakt.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van voorgeleiding van verdachte in de wettelijke vorm opgemaakt op 04 mei 2007 door [verbalisant 3] (hulpagent van justitie), doorgenummerde pagina 123, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik geef toe het jachtgeweer te hebben gestolen langs de [straatnaam 2] te hoogte van het dorp [dorpsnaam].”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van kennisgeving en inbeslagneming in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 134, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende:

“Een jachtgeweer (cal. 16) met onbekend merk en serie nummer en vijf scherpe patronen cal.16.”

4. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d.19 april 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik beken de strafbare feiten te hebben gepleegd.”

5. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit VI:

1. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bekomen informatie omtrent diefstal van Surinaams Rijbewijs op naam van de heer [benadeelde 3] in de wettelijke vorm opgemaakt op 03 mei 2007 door [verbalisant 1] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina 53, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de benadeelde, inhoudende:

“Naar aanleiding van deze melding, werd de verdachte [verdachte]. hiermomtrent ondervraagd en gaf hij toe een rijbewijs te hebben gestolen vanuit de woning van de heer [benadeelde 3] te [dorpsnaam]. Verder was hij bereid de plaats aan te wijzen waar hij die had achtergelaten. Ter plaatse aangekomen ging hij in zijn huis en overhandigde hij een Surinaams rijbewijs op naam van [benadeelde 3] en bleek, dat hij de foto van de houder had verwijderd en zijn eigen afbeelding erop had geplaatst.”

2. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 mei 2007 door [verbalisant 4] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 94 tot en met 96, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Alleen in de woonkamer begon ik rond te kijken en zag een bruin gekleurde hoesje op het bankstel liggen. Ik maakte dit hoesje open en zag een Surinaams rijbewijs met de foto van de man. Ik heb echter niet naar de naam gekeken. Ik besloot het rijbewijs te nemen en in mijn zak te stoppen. Op de vraag waarom ik dat deed verklaar ik ‘GEWOON’. Ik heb het hoesje teruggelegd op de zelfde manier hoe het lag om geen argwaan te wekken. Na enkele uren op de man te hebben gewacht, besloot ik het huis te verlaten. Nadien ben ik nimmer terug gekeerd naar het huis van de man. Ik ben hem ook niet meer tegen gekomen op straat. Die zelfde ochtend ben ik naar het binnenland vertrokken en ben daar gebleven totdat de politie mij heeft aangehouden. Drie dagen nadat ik in mijn dorp was aangekomen heb ik de foto van de manspersoon voorzichtig verwijderd van het rijbewijs en mijn eigen foto in de plaast gezet. Na dit gedaan te hebben heb ik een laag doorzichtige tape op mijn foto geplaatst waardoor de vervalsing niet zou opvallen. Op de vraag waarom ik de foto op het rijbewijs heb vervangen met de mijne verklaar ik ‘GEWOON ZODAT IK KON TONEN DAT IK EEN RIJBEWIJS HAD’.”

3. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de aangever [benadeelde 3] in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 mei 2007 door [verbalisant 4] (agent van politie 3de Klasse), doorgenummerde pagina’s 48 tot en met 49, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de benadeelde, inhoudende:

“De gegevens in het rijbewijs zijn van mij, maar de pasfoto is van een bij mij van gezicht bekende manspersoon. Deze manspersoon heb ik in het jaar 2005 leren kennen bij de Car Wash bedrijf aan de [straatnaam 3] naast Supermarkt [supermarkt]. In de maand april (laatste week) van dit jaar (2007) is deze manspersoon thuis bij mij langs gekomen en heeft de nacht bij mij doorgebracht, omdat het te laat voor hem was geworden om nog naar huis te gaan. De volgende dag is hij omstreeks 06.00 uur van mijn huis vertrokken om naar het werk te gaan en wel bij [bedrijfsnaam]. Hij had mij beloofd na twee weken terug te keren naar Paramaribo en bij die gelegenheid mij een bezoekje te brengen. Tot op de dag van vandaag heb ik hem echter niet meer gezien. Op die bewuste avond heb ik een hoesje waarin mijn rijbewijs en andere belangrijke papieren blijven uit mijn achterbroekzak gehaald en deze opgeborgen in een lade van een bureau dat in de woonkamer staat. Het hoesje heeft veel weg van een portemonnee. Nu ik het rijbewijs onder ogen heb gehad en na ben gegaan, is het inderdaad gebleken dat het mijn rijbewijs is. Ik zeg dit omdat ik mijn rijbewijs niet kan vinden in mijn hoesje. Ik heb sterk het vermoeden dat deze manspersoon dacht dat het mijn portemonnee was en op het moment dat ik sliep is gaan rond snuffelen waarb hij toen mijn rijbewijs heeft weggenomen toen hij zag dat het niet ging om een portemonnee.”

4. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 december 2007, doorgenummerde pagina 10, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik heb de foto op het rijbewijs verwisseld.”

5. Het proces-verbaal van terechtzitting in hoger beroep d.d.19 april 2021, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik beken de strafbare feiten te hebben gepleegd”.

6. Het proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2008, doorgenummerde pagina 17, voor zover relevant en zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte, inhoudende:

“Ik persisteer bij mijn verklaring. Ik heb het gedaan. U heeft het recht om mij te straffen. Ik had het niet zo bedoeld.”

 

De strafbaarheid van de feiten

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder I bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder II bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 juncto artikel 23 van de Vuurwapenwet

Het bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder VI bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

De op te leggen straf of maatregel

De Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de verdachte ter zake van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, overtreding van een voorschrift vallende onder de Vuurwapenwet en valsheid in geschrifte, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met vaststelling van een bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of vanwege het Hoofd van de Dienst Forensisch Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Justitie en Politie, aan welke functionaris opdracht wordt gegeven overeenkomstig artikel 20 van het Wetboek van Strafrecht en met het bevel tot gevangenhouding.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het verkort vonnis van de Kantonrechter in eerste aanleg in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de genoemde overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende, de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Derde Kanton (I, II en VI) tot een gevangenisstraf van twee jaren onder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts vordert de vervolgingsambtenaar de verbeurdverklaring van het in beslag genomen rijbewijs op naam van de getuige [benadeelde 3].

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting spijt betuigd voor de strafbare feiten waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij een gezin heeft, een rustig leven leidt en dat hij sinds zijn invrijheidstelling niet meer in aanraking is gekomen met justitie.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton op 25 juni 2008 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

Vernietigt de beslissing van de Kantonrechter in het Derde Kanton om de vordering tot wijziging van de dagvaarding toe te wijzen;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart de Kantonrechter onbevoegd om kennis te nemen van de feiten zoals onder III, IV en V ten laste gelegd.

Verklaart, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende dagvaarding in het Derde Kanton onder I, II en VI is ten laste gelegd en zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders onder I, II en VI is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:
I. Gekwalificeerde diefstal; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 371 lid 1 sub 5 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht.

II. Illegaal vuurwapen- en munitiebezit; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 9 juncto 23 van het Vuurwapenwet.

VI. Valsheid in geschrifte; voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Verklaart, verbeurd het vervalste rijbewijs op naam van [benadeelde 3].

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) JAREN;

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak van 04 mei 2007 tot en met 01 mei 2012, in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. D.G.W. Karamat Ali, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 15 december 2021 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)

SRU-HvJ-2021-54

Vonnisnummer : 60/2021
Uitspraak : 15 december 2021
Parketnummer : 1-1-3953
TEGENSPRAAK

APPÉLSTRAFKAMER

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegd vonnis, van de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen op 25 juni 2008 en uitgesproken tegen de verdachte:

[verdachte], geboren op [datum] in Suriname, bouwvakker van beroep, wonende aan [adres] te [plaats 1], thans in vrijheid gesteld;

is verschenen

Ontvankelijkheid appél

Uit de stukken van de zaak in eerste aanleg welke aan het Hof zijn overgelegd door de Griffie der Kantongerechten is gebleken dat de verdachte op 26 juni 2008 op de voorgeschreven wijze appel heeft aangetekend tegen voormeld vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte tijdig appél aangetekend tegen het voormelde vonnis, weshalve hij daarin ontvankelijk is.

De tenlastelegging:

De verdachte is gedagvaard om op vrijdag 05 oktober 2007 te 8.30 uur te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter in het IIIe Kanton, zitting houdende te Paramaribo aan de F. Derbystraat no 79-81, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij:

I. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo met het oogmerk van wederrechtelijke toeёigening uit een goed afgesloten woning heeft weggenomen een jachtgeweer, vijf hagelpatronen, toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, hebbende hij verdachte alstoen aldaar de achterdeur van voormelde woning met een hard en puntig voorwerp heeft opengeforceerd en via de aldus geopende deur vermelde woning is binnengedrongen, in ieder geval door middel van braak of verbreking.

II. Op 01 mei 2007 in het district Brokopondo, zonder daartoe bevoegd te zijn een jachtgeweer en munitie voorhanden heeft gehad.

III. Op 17 mei 2005 te Paramaribo, tezamen en in vereniging, na daartoe van tevoren gemaakte afspraak in nauwe samenwerking met [verdachte] althans alleen op de openbare landweg te [straatnaam] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een voertuig, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 2] althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte of zijn voornoemde mededader, hebbende hij verdachte tezamen en in verenigingn als vermeld, althans alleen toen aldaar voormelde diefstal doen voorafgaan of volgen van bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde 2] gepleegd met het oogmerk om voormelde diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve of zijn voornoemde mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit bvan het gestolene te verzekeren en welk geweld zwaar lichamelijk letsel van die [benadeelde 2], ten gevolge heeft gehad, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen toen daar met voormeld oogmerk die [benadeelde 2] benaderd voor het rijden van een taxi-rit naar [ressort 2] en toen aldaar aangekomen die [benadeelde 2] opzettelijk gewelddadig van achteren aan de hals, althans het lichaam in een wurggreep vastgehouden met een hard voorwerp en vervolgens opzettelijk gewelddadig met een mes of schroevendraaier, althans een hard en scherpig voorwerp een of meer steekverwondingen aan de keel, hoofd en handpalm, althans het lichaam van die [benadeelde 2] toegebracht en die [benadeelde 2] opzettelijk dreigend te kennen gegeven te zullen beroven, althans woorden van gelijke strekking en betekenis, hebbende hij verdachte tezamen en in vereniging als vermeld, althans alleen zich met medeneming van vorenmeld voertuig, althans enig goed zich van de plaats des misdrijfs verwijderd, hebbende die [benadeelde 2], ten gevolge van vorenomschreven feit (geweld) bekomen onder meer een of meer steekverwondingen, waarbij een id meer keren plastische chirurgische moest worden ingegrepen, in ieder gevak zwaar lichamelijk letsel, hebbende vorenomschreven handeling niet in de volgorde als vermeld, in ieder geval in een andere volgorde plaatsgevonden.

IV. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 3], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

V. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 te Paramaribo met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft weggenomen een rijbewijs, althans enig goed toebehorende aan [benadeelde 4], althans aan een of ander of anderen dan aan hem verdachte.

VI. Op een niet nader aan te duiden tijdstip gelegen in de maand april 2007 tot en met mei 2007, in het district Brokopondo opzettelijk een geschrift, te weten een rijbewijs dat aan [benadeelde 3] door de Procureur-Generaal was afgegeven, zijnde dit rijbewijs een geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen onder meer van het feit dat de daarop genoemde persoon bevoegd is tot het besturen van een motorrijtuig, als waarmede over de weg wordt gereden in Suriname, in ieder geval om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst, zulks met het oogmerk om voormeld rijbewijs als echt en onvervalst te gebruiken uit welk gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende verdachte alstoen aldaar opzettelijk valselijk, althans in strijd met de waarheid, voormeld rijbewijs, voorzien van zijn, verdachte’s pasfoto teneinde te doen voorkomen als ware voormeld rijbewijs daadwerkelijk hem, verdachte door of vanwege de Procureur-Generaal aan hem afgegeven.

Van de zijde van het Openbaar Ministerie is aangevoerd dat de vervolgingsambtenaar in eerste aanleg een schriftelijke wijziging van de dagvaarding had overgelegd, waarbij er een wijziging van de dagvaarding was gevorderd en welke vordering was toegewezen door de Kantonrechter in het Derde Kanton. De vordering hield het volgende in: De ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder I, II en VI zijn wettig en overtuigend bewezen in het Derde Kanton en de ten laste gelegde feiten in de dagvaarding onder III, IV en V zijn wettig en overtuigend bewezen in het Tweede Kanton.
Een dergelijke vordering tot wijziging van de dagvaarding is in strijd met de wet. Bovendien rept de wet over wijziging van de tenlastelegging en niet van de dagvaarding. De beslissing van de Kantonrechter in het Derde Kanton tot toewijzing van de vordering tot wijziging van de dagvaarding, blijkt uit het feit dat de Kantonrechter in het Derde Kanton als Kantonrechter in het Tweede Kanton afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die blijkens de hierboven aangehaalde dagvaarding samen met de in [plaats 1] gepleegde feiten in een dagvaarding waren ten laste gelegd en gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton

Het Hof overweegt hieromtrent als volgt:
Artikel 299 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien in het geding in eerste aanleg buiten het geval van het voorgaande artikel de vervolgingsambtenaar oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de kantonrechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 297 het woord voert, met vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.
2. Indien de kantonrechter de vordering toewijst, doet hij de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal der terechtzitting opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden.”

Artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:
“1. Indien de telastelegging overeenkomstig het voorgaande artikel is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift der gewijzigde telastelegging op de terechtzitting zelve ter hand gesteld, tenzij de kantonrechter oordeelt dat met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift der wijzigingen kan worden volstaan.”
Uit de aan het Hof overgelegde stukken is daarvan niet gebleken.

Naar het oordeel van het Hof geschiedt het aanhangig maken van een strafzaak in hoger beroep door middel van een vanwege de vervolgingsambtenaar aan de verdachte te betekenen dagvaarding. Deze dagvaarding dient voor wat betreft de tenlastelegging te verwijzen naar de in eerste aanleg opgestelde tenlastelegging. Bij een appeldagvaarding kan worden volstaan met verwijzing naar de tenlastelegging, mits deze verwijzing duidelijk is.

De gewijzigde dagvaarding waarvan gewag wordt gemaakt in het proces – verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 07 december 2007 is door het Hof niet in het procesdossier aangetroffen. Het Hof merkt ten overvloede op dat de wet niet voorziet in een dergelijke wijze van wijziging van de dagvaarding en die dus in strijd is met de wet. Het Hof zal derhalve de strafzaak beoordelen op basis van de aan de verdachte uitgereikte dagvaarding en van de daarin vermelde ten laste gelegde feiten om op vrijdag 05 oktober 2007 te 08.30 uur te verschijnen voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. Overigens wordt in de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, ook geen melding gemaakt van een “gewijzigde dagvaarding”

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het Openbaar Ministerie. Het Hof is evenmin ambtshalve gebleken van omstandigheden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie regarderende, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de ingestelde strafvervolging.

De bevoegdheid van het Hof van Justitie

Er zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bevoegdheidsvraag. Het Hof is ambtshalve evenmin gebleken van omstandigheden de onbevoegdheid van het Hof regarderende, zodat het Hof bevoegd is tot kennisname van de onderhavige zaak.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit vonnis is, overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 334 en 336 van het Wetboek van Strafvordering, gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de vervolgingsambtenaar.

De vervolgingsambtenaar heeft gevorderd, dat het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton gewezen en uitgesproken op 25 juni 2008 zal vernietigen en op grond van de overwegingen en aangehaalde bewijsmiddelen, opnieuw rechtdoende de verdachte voor hetgeen hem is ten laste gelegd, zal veroordelen voor de feiten in het Tweede Kanton (feiten III, IV en V) tot een gevangenisstraf van drie jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het Hof is gebleken dat de Kantonrechter in het Derde Kanton als kantonrechter afzonderlijk vonnis heeft gewezen ten aanzien van de in Paramaribo gepleegde feiten die samen met de in Brokopondo gepleegde feiten bij een dagvaarding waren gedagvaard voor de Kantonrechter in het Derde Kanton. De Kantonrechter in het Derde Kanton had zich onbevoegd moeten verklaren ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten die in Paramaribo zijn gepleegd. Reeds daarom kan het Hof zich niet verenigen met het vonnis a quo, redenen waarom het Hof zal beslissen dat de Kantonrechter in het Derde Kanton voor wie de in Paramaribo gepleegde feiten eveneens waren gedagvaard, zich onbevoegd had moeten verklaren ten aanzien van onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

BESLISSING VAN HET HOF ten aanzien van de onder III, IV en V ten laste gelegde feiten.

Het hof verklaart de Kantonrechter in het Derde Kanton onbevoegd om kennis te nemen van de onder III, IV en V ten laste gelegde in Paramaribo gepleegde feiten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

Gezien de artikelen 9, 11, 38 en 44 en 82 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

Beslissing:

Het Hof van Justitie:

Rechtdoende in hoger beroep:

Vernietigt het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 25 juni 2008 gewezen en uitgesproken tegen voornoemde verdachte, waarvan beroep;

Vernietigt de beslissing van de Kantonrechter in het Derde Kanton om de vordering tot wijziging van de dagvaarding toe te wijzen;

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart de Kantonrechter onbevoegd om kennis te nemen van de feiten zoals onder III, IV en V ten laste gelegd.

Aldus gewezen door:

mr. D.G.W. Karamat Ali, Fungerend – President,
mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger
bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier en uitgesproken door de Fungerend – President voornoemd op de openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van woensdag 15 december 2021 te Paramaribo.

w.g. M. Behari w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen- Relyveld)