SRU-HvJ-2007-14

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-599

[Verzoeker], wonende aan [adres] te [plaats], ten deze domicilie kiezende aan de Heerenstraat no. 14 boven te Paramaribo bij het Advocatenkantoor Beckles, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. B.G. Beckles, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, rechtens vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname zetelende ten Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr .F.M.S. Ishaak, advocaat,
verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. verzoeker wenst de navolgende vordering in te stellen tegen DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid, rechtens vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie in Suriname, zetelende ten Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;
  2. verzoeker is ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Personeelswet en is sinds 2 juli 1999 in dienst van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, in de funktie van administratief medewerker op de afdeling Boekhouding.
  3. dat verzoeker vervolgens per 2 april 2002 aangesteld is als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso bij het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, omdat deze funktie vacant stond na de pensionering van [naam 1], die deze funktie voorheen bekleedde.
  4. dat verzoeker na zijn aanstelling als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso bij de nieuwe thans fungerende algemene directeur van het Academisch Ziekenhuis Suriname, [naam 2] meerdere malen zowel schriftelijk als mondeling erop heeft aangedrongen bevorderd te worden aangezien hij, na zijn aanstelling in een hogere rang is komen te verkeren. (prod I)
  5. dat verzoeker thans als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso echter niet in aanmerking is gekomen voor een bevordering, wat voor hem in financieel opzicht zeer nadelig uitvalt.
  6. dat verzoeker echter ingevolge artikel 22 van de Personeelswet, na een jaar de funktie van Hoofd Afdeling Debiteuren/Incasso te hebben bekleed, vanaf 2 april 2003 van rechtswege bevorderd is. Dat hij aldus aanspraak maakt op het salaris en alle emolumenten behorende bij die funktie.
  7. dat verzoeker echter na twee en half jaar deze funktie te hebben bekleedt bij schrijven d.d. 8 november 2004 van de fungerende algemene directeur van het Academisch Ziekenhuis Suriname, [naam 2], werd medegedeeld te worden overgeplaatst naar de zogenoemde back office, waarbij verzoeker onder supervisie van andere boekhoudkundigen zijn werk moet verrichten. (prod II)
  8. dat verzoeker tegen dit besluit, ingevolge artikel 78 van de Personeelswet zijn beklag heeft gedaan bij de Minister van Volksgezondheid bij schrijven van 30 november 2004 (Prod III), welk schrijven door de minister op 24 december 2004 werd beantwoord in die zin, dat laatst genoemde zich op het standpunt stelt dat verzoeker nimmer is aangesteld als hoofd van de afdeling en er thans derhalve niet kan worden gesproken van ontheffing. (Prod IV). Verzoeke deze producties als hier herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  9. dat het besluit van de Minister thans neerkomt op een verlaging in rang, dat niet met duidelijke redenen gemotiveerd is.
  10. dat bedoeld besluit in strijd moet worden geacht met artikel 25 van de Personeelswet en tevens in strijd moet worden geacht met de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur en wel namelijk met het beginsel dat een ambtenaar niet de voordelen aan een vroegere rang of funktie verbonden zonder duidelijke motivering kunnen worden ontnomen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voormeld besluit, als vervat in het schrijven van de Minister van Volksgezondheid d.d 24 december 2004 [nummer 1] zal worden vernietigd.
  2. verweerder zal worden gelast binnen 1 x 24 uur na de uitspraak verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn funktie als Hoofd van de Afdeling Debiteuren/Incasso te bekleden en uit te oefenen zonder enige hinder zijdens verweerder.
  3. verweerder zal worden veroordeeld aan verzoeker te betalen de bij deze funktie behorende salaris vermeerderd met alle toelagen en emolumenten vanaf april 2002 tot heden.
  4. verweerder zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 1.000,– voor iedere dag dat verweerder nalatig blijft uitvoering te geven aan het vonnis.
  5. voorts verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. verweerster (lees: verweerder) ontkent en betwist al hetgeen niet uitdrukkelijk door haar (lees: hem) is erkend. Verweerster (lees: Verweerder) biedt van zijn stellingen bewijs aan, indien en voorzover de bewijslast ingevolge de wet op haar (lees: hem) mocht rusten;
  2. verweerster (lees: verweerder) kan erkennen dat verzoeker ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Personeelswet: eveneens wordt erkend dat verzoeker sinds 2 juli 1999 in dienst is van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo in de funktie van administratief medewerker op de afdeling Boekhouding;
  3. verweerster (lees: verweerder) ontkent en betwist ten stelligste dat verzoeker sedert 2 april 2002 aangesteld is (was) als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso bij het Academisch Ziekenhuis Paramaribo: door de Fungerend Algemeen Directeur van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo, [naam 2] is verzoeker per 2 april 2002 overgeplaatst naar de afdeling Debiteuren/Incasso: dit nadat in of na verscheidene voor gesprekken met hem was afgesproken dan wel is voorgehouden dat na gebleken geschiktheid hij in aanmerking zou kunnen komen voor de funktie van hoofd van voormelde afdeling;
  4. verweerster (lees: verweerder) heeft in ieder geval hiermede verzoeker van den beginne af aangewezen op de voornaamste criteria zijnde – gebleken geschiktheid na beoordeling van zijn prestaties/werkdrang en/of kennis der zaken – welke inherent zijn of zouden zijn na een (officiële) aanstelling als Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso: aan verzoeker is in ieder geval voorgehouden dat een vervulling van zijn werkzaamheden in optima forma zouden/zullen bijdragen aan een waarborg voor de instelling alszodanig gelet op het feit dat de financiële huishouding daarvan inherent is voor het voortbestaan van de instelling en/of met name het uitbetalen van salarissen aan het personeel;

Verweerster (lees:Verweerder) heeft daarmede in ieder geval voldaan aan de beginselen van behoorlijk bestuur en wel met name het beginsel van correcte bejegening, het beginsel van zorgvuldige kennisgeving en het beginsel van redelijke en billijke belangen afweging;

  1. met het verstrijken der tijd bleek dat verzoeker disfunctioneerde althans is hij gedurende zijn functioneren aldaar diverse malen aangesproken over het feit dat hij niet adequaat inspeelde bij het indienen en ontvangen van rekeningen, alszijnde de kerntaken van deze afdeling: het Academisch Ziekenhuis Paramaribo (AZP) is daardoor menigmaal in problemen gekomen met het op tijd uitbetalen van salarissen aan het personeel en de aanschaf van benodigde goederen: mede door het disfunctioneren van verzoeker heeft de direktie van het AZP – bij een reorganistatie – de unit Debiteuren/Incasso teruggebracht van een afdeling naar een sectie die ressorteert onder het Hoofd van de Financiële Administratie;
  2. verzoeker is derhalve vaker voorgehouden beter te functioneren conform hetgeen van hem verondersteld of verwacht moge worden: zulks is niet geschied: aan verzoeker is zijn disfunctioneren ook medegedeeld nadat hij ettelijke malen in de gelegenheid is gesteld zijn arbeid kwalitatief te verbeteren;
  3. verweerster (lees: verweerder) ontkent en betwist ten stelligste dat – de reorganisatie ten detrimente is (geweest) van verzoeker c.q. dat zulks hem in financieel opzicht zeer nadelig uitvalt: verzoeker is horizontaal, met behoud van alle rechten, overgeplaatst naar een andere afdeling: ten aanzien van het salaris is derhalve niets veranderd;
  4. nu verzoeker nimmer is aangesteld kan er derhalve ook geen sprake zijn van een ontheffing: ook stelt de verweerster (lees: verweerder) heel nadrukkelijk dat verzoeker ook geen aanspraak maakt op een bevordering van rechtswege: nu hij weliswaar de werkzaamheden kan hebben verricht – welke inherent zouden zijn van die van Hoofd van de afdeling Debiteuren/Incasso – doch nimmer alszodanig is aangesteld;
  5. verweerster (lees: verweerder) ontkent dan ook in strijd te handelen met of te hebben gehandeld met de Personeelswet en/of met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur (welke door de verzoeker ook niet worden geponeerd);
  6. dat dit verweerschrift binnen de aan verweerster (lees: verweerder) vergunde termijn is ingediend;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft gevorderd:

dat verzoeker in zijn vordering niet zal worden ontvangen, althans deze hem als ongegrond zal worden ontzegd.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 22 mei 2006 ten dage van verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat mr. B.G. Beckles, advocaat mr. F.M.S. Ishaak, gemachtigde van verweerder, de heer S.M. De Getrouwe, Hoofd Personeelszaken en mevrouw Claudia Marica – Redan, Administateur van het Landsbedrijf Academisch Ziekenhuis Paramaribo, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen hierna de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, hebbende de gemachtigde van verzoeker bij pleitnota producties overgelegd, wordende de inhoud – alsmede die van de overgelegde producties – hier als ingelast beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof onder beschikking in de zin van de Personeelswet begrijpt een schriftelijk besluit van een administratief orgaan, gericht op enig rechtsgevolg;

Overwegende, dat nu in het schrijven van 24 december 2004 [nummer 1], naar het oordeel van het Hof, niet is vervat een besluit in de zin van de Personeelwet, waarvan verzoeker vernietiging vraagt, zal het Hof zich onbevoegd verklaren van het gevorderde in onderdeel a van het petitum kennis te nemen; zo ook ten aanzien van het gevorderde in de onderdelen b en c van het petitum als sequeel van het gevorderde in onderdeel a;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de verzoeker zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, Waarnemend-President, mr. H.E. Struiken, Lid en mr. A.A. Hermelijn, Lid-Plaatsvervanger en door Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 2 februari 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g. G.A. Kisoensingh-Janghabadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. H.P. Boldewijn namens zijn gemachtigde, advocaat mr. B.G. Beckles en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. A.I. Soechitram namens zijn gemachtigde, advokaat mr. F.M.S. Ishaak , zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie

namens deze,

  1. R.R. Brijobhokun, Wnd.Subst.-Griffier

 

SRU-HvJ-2007-13

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME.

M.H. M

A – 605

[Verzoeker], wonende in het [district], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo, ten kantore van Mr.S.Marica aan de Henck Arronstraat no.63 boven, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.S.Marica, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.E.Y.Braam-Jordan, advokaat,
verweerder,

De Fungerend-President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ’s Hoven interlocutoir vonnis van 1 juni 2007 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hoven voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de door het Hof bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Marica, Mevr.L.P.Redan, vertegenwoordiger van het Korps Politie Suriname en advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan – opgemaakte hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd, waarna de zaak verwezen werd naar rolzitting van 6 juli 2007 voor conclusie na gehouden comparitie van partijen en uitlating produktie zijdens verzoeker;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating na gehouden comparitie van partijen hebben genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak had bepaald op 3 augustus 2007, doch na enige malen te zijn aangehouden, nader heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 1 juni 2007 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat verweerder bij monde van zijn gemachtigde, mw.L.Redan, Hoofd Inspekteur van Politie, ter gelegenheid van de op 29 juni 2007 gehouden inlichtingencomparitie onder meer heeft verklaard – voorzover ten deze van belang – dat verzoeker na afloop van de periode gedurende welke hij geschorst was, ter beschikking van de Korpschef was gesteld, wat betekent dat hij – verzoeker – op afroep van de Korpschef beschikbaar moest blijven; dat hij – verzoeker – ontslagen werd zonder zelf een keer door de Korpschef te zijn opgeroepen; dat hij – verzoeker – gedurende een periode van bijkans twee jaren na afloop van de termijn van de schorsing, maandelijks zijn vol salaris heeft ontvangen, zo ook zijn vakantiegeld en alle andere emolumenten;

Overwegende, dat het Hof op grond van voormelde vaststaande feiten van oordeel is, dat verweerder, door verzoeker gedurende voormelde periode op afroep beschikbaar voor de Korpschef te houden, en hij, verzoeker, nu het tegendeel zijdens verweerder niet is gesteld, zich alstoen ook daadwerkelijk beschikbaar heeft gehouden voor de Korpschef, en verweerder hem – verzoeker – alstoen iedere maand gedurende bijkans twee jaren zijn vol salaris heeft betaald, zo ook telkens zijn vakantiegeld en andere emolumenten, bij verzoeker de verwachting heeft gewekt dat hij hem behouden zou voor het ambt dat hij gedurende vele lange jaren heeft bekleed;

Overwegende, dat verweerder door verzoeker desondanks uit Staatsdienst te ontslaan, het vertrouwensbeginsel, naar het oordeel van het Hof, heeft geschonden;

Overwegende, dat de beschikking de dato 4 maart 2005 [nummer 1] dan ook niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 [nummer 1];

Aldus gewezen door: Mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, Fungerend-President, Mr. D.D. Sewratan en Mr. H.E. Struiken, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 7 december 2007, in tegenwoordigheid van Mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

w.g.R.R.Brijobhokun w.g.I.H.M.H.Rasoelbaks

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.H.P.Boldewijn namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.S.Marica en verweerder vertegenwoordigd door advokaat K.J.Hok A Hin namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.E.Y.Braam-Jordan, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-12

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-607

[Verzoeker], wonende aan [adres], in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Johan Adolf Pengelstraat 46 te Paramaribo ten kantore van de advokaat Mr.G.R.Sewcharan, voor wie als gemachtigde optrad, Mr.G.R.Sewcharan, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.H.Veldkamp, advokaat, verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

dat bij beschikking d.d. 4 maart 2005 [nummer 1], de Minister van Justitie en Politie, nader te noemen verweerder, verzoeker heeft ontslagen uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) ingevolge artikel 40 lid onder j van het Politiehandvest. Van de beschikking wordt hierbij een afschrift overgelegd (Produktie 1).

dat de beschikking op vrijdag 6 mei 2005 ter kennis van verzoeker is gebracht.

Verzoeker kan zich met de beschikking, althans het besluit, en de gronden waarop die berust niet verenigen en wenst op basis van de navolgende gronden bij het Hof de onderhavige vordering in te stellen.

  1. Blijkens de beschikking wordt als grond voor het besluit vermeld een onderzoek van OPZ van een strafdossier [nummer 2]. Als tweede grond wordt aangegeven een vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 21 mei 2003. Dit vonnis betreft hetzelfde strafdossier. Van dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Het Hoger beroep is nog niet behandeld. Het vonnis is derhalve nog niet onherroepelijk. Verzoeker heeft de beschuldiging ontkend. Het feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, brengt met zich mee dat het alszodanig niet, althans nog niet, als grond mag worden gebruikt voor het in deze gegeven ontslag.
  2. Voorts wordt door verweerder gesteld dat verzoeker een dienstvoertuig voor zes uren zou hebben gebruikt voor privé-doeleinden en dat hij eens zijn vuistvuurwapen zou hebben gehanteerd, terwijl daartoe, aldus verweerder, de noodzaak ontbrak en zou hij een keer geslapen hebben in een dienstvoertuig. Verweerder concludeert dan dat deze zaken ernstig plichtsverzuim opleveren en ontslaat verzoeker vervolgens uit vaste dienst.
  3. Zoals gesteld, is verzoeker het met het besluit en de aangehaalde gronden niet eens. Ten aanzien van de eerste grond is hiervoor aangegeven dat het verwijt nog niet vaststaat, en derhalve niet aangewend kan worden voor het onderhavige ontslag. Verzoeker is van mening dat bij behandeling van de zaak in hoger beroep aan het licht zal komen dat hij niet betrokken is. Hij constateert daarom dat verweerder in deze ten onrechte hem op grond van dat dossier en vonnis ontslaat.
  4. Voor wat betreft de hiervoor onder 2 aangehaalde gronden, is verzoeker de mening toegedaan dat die door verweerder enkel vermeld zijn om de eerder besproken grond aan te dikken. Echter vormen deze gronden afzonderlijk, noch gezamenlijk voldoende grondslag voor het gegeven ontslag en rechtvaardigen daarom het ontslag ook niet.
  5. Voorts is het verzoeker bekend dat zijn medeverdachten in de betreffende strafzaak niet zijn ontslagen en vermoedt hij dat hem ontslag is aangezegd om andere dan de in de beschikking vermelde redenen. Weshalve er volgens hem hier kennelijk sprake is van misbruik van bevoegdheid.
  6. Tevens is verzoeker van mening dat het besluit in strijd is met de wet en/of met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In ieder geval is het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu zijn medeverdachten niet, maar hem wel ontslag is aangezegd.
  7. Ook is volgens verzoeker het besluit in strijd met het beginsel van belangenafweging. Verzoeker staat aan het hoofd van een gezin. Alszodanig is hij verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. De onder 2 van weergegeven gronden voor het gegeven ontslag, althans het gestelde plichtsverzuim, staan geenszins in verhouding tot de nadelige gevolgen van het ontslag voor verzoeker en zijn gezin.
  8. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. 4 maart 2005 met [nummer 1], waarbij verzoeker uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) is ontslagen, nietig zal worden verklaard;
  2. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnengekomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan heeft verklaard, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen bereiken;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 november 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan wederom heeft verklaard dat hij nog geen kontakt heeft gehad met zijn cliënt en dat zijn cliënt niet reageert op de oproep, doch hebben de gemachtigden van de procespartijen terzelfde terechtzitting gepersiteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 5 januari 2007, advokaat Mr.S.N.K.Woei A Sioe namens de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan een onttrekkingsbrief heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat er een schrijven de dato 8 januari 2007 [nummer 3] (u) naar de verzoeker is verzonden op 9 januari 2007, [nummer 4];

Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 januari 2007 geen enkel bericht van verzoeker is ontvangen, waarna het Hof vonnis heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, agent van Politie 1ste klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim;

Overwegende, dat, naar verzoeker in het verzoekschrift heeft gesteld voormelde beschikking op vrijdag, 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffier van het Hof het verzoekschrift op 6 juni 2005 op de Griffie is ingekomen;

Overwegende, dat verzoeker in onderdeel 1 van het petitum van voormeld verzoekschrift vordert de nietigverklaring van voormelde beschikking, althans het besluit, de dato 4 maart 2005 [nummer 1], waarbij hij – verzoeker – uit Staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985), vorderingen als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien zij zijn ingediend, meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat onder maand ingevolge artikel 1 van genoemde wet wordt verstaan: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat een besluit genomen op grond van het bij of krachtens

de Personeelswet geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het stuk door het bevoegde gezag aan hem is overhandigd (artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet);

Overwegende, dat nu het besluit, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, op 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht en hij de onderhavige vordering pas op 6 juni 2005 tegen verweerder heeft ingesteld, dus op de 32ste dag sedert 6 mei 2005, terwijl de wet slechts 30 dagen sedert 6 mei 2005 toestaat, rest het Hof niets anders dan hem – verzoeker – niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van verzoeker als niet langer relevant, geheel in het midden latend;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag,2 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.H.H.Veldkamp, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-625

[Verzoeker], ten deze domicilie kiezende aan [adres] ten kantore van Mr.F.F.P.Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.Sohansingh, advokaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord de partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de verzoeker de volgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen de Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no. 3, verweerder.
  2. dat de verzoeker ambtenaar van Politie is in de rang van Brigadier van Politie en tewerk gesteld bij de Parketwacht van het Ministerie van Justitie en Politie op wie de Personeelswet c.q. het Politiehandvest van toepassing is;
  3. dat de verzoeker vanwege het afbranden van zijn huis niet in de gelegenheid was deel te nemen aan het examen dat op 22 oktober 2003 werd gehouden, door de korpsleiding in de gelegenheid werd gesteld een inhaalexamen te maken voor de kaderopleiding tot brigadier der Politie, gehouden op 2 februari 2004 en is de verzoeker voor dit inhaal examen geslaagd, zoals moge blijken uit het schrijven d.d. 2 augustus 2005, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  4. dat de verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] te rekenen van 2 februari 2004 is bevorderd tot brigadier van politie, onder toekenning van een salaris van SRD 891,– (Achthonderd een en negentig Surinaamse dollar), met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  5. dat de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 2 augustus 2005 heeft bericht, dat zijn bevorderingsdatum niet goed is, daar de verzoeker geen herexamen heeft gedaan, maar een inhaalexamen en zijn bevorderingsdatum 22 oktober 2003 moet zijn en geen 2 februari 2004;
  6. dat de verzoeker opmerkt dat het standpunt van de Korpschef ingenomen in zijn brieven d.d. 29 juni 2005, [nummer 3] en 18 oktober 2005 [nummer 4] niet juist is eveneens het standpunt van de Minister van Justitie en Politie ingenomen in zijn schrijven d.d. 19 december 2006 [nummer 2], welk laatste schrijven kan worden aangemerkt als een besluit van de verweerder, met het verzoek de inhoud van deze brieven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  7. dat de verzoeker niet opmerkt dat hij vanwege een overmachtstoestand (afbranden van zijn woning) niet aan het examen op 22 oktober 2003 kon deelnemen en deze gelegenheid pas op 2 februari 2004 heeft gehad, zodat wat zijn bevorderingsdatum betreft hij niet achtergesteld kan worden bij zijn groepsgenoten die op 22 oktober 2003 zijn geslaagd en terzake zijn bevorderd, aangezien de verzoeker op geen enkele wijze aan deze vertraging schuld heeft;
  8. dat de verzoeker tenslotte opmerkt, dat de verweerder ten onrechte een beroep doet op artikel 56 van het Reglement Algemene Politie (S.B.1972 no.143), daar dit artikel 56 slechts van toepassing is, wanneer de verzoeker in verband met de bestaande formatie niet voor een bevordering in aanmerking is gekomen, hetgeen hier niet het geval is, hetgeen de raadsman van de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 10 oktober 2006 dan ook heeft medegedeeld, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen, maar desondanks blijft de verweerder zijn onjuist standpunt handhaven als vervat in zijn schrijven d.d. 19 december2006 [nummer 2] met bijlagen;
  9. dat de verzoeker onder de aandacht van het Hof brengt, dat zijn verzoek niet is gebaseerd op de bestaande formatie, maar dat zijn verzoek is gebaseerd op het feit , dat hij vanwege overmacht niet aan het examen van 22 oktober 2003 kon deelnemen, maar pas op 2 februari 2004 en nu hij is geslaagd, hij dezelfde behandeling dient te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, zodat artikel 56 Reglement Algemene Politie hierbij geen enkele rol speelt;
  10. dat de verzoeker gerechtigd en bevoegd is het Hof van Justitie als ambtenarenrechter (lees: ambtenarengerecht) te naderen, daar in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet is bepaald:

Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten betreffende salaris; en omdat de verzoeker geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering tot brigadier van politie n.l. 22 oktober 2003 in plaats van 22 februari 2004 de verzoeker ernstig wordt aangetast in zijn salaris en derhalve met toepassing van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bevoegd is het Hof te vragen de verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, in die zin dat de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] KA 916 wordt gewijzigd en wel dat daarin wordt gelezen 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, aangezien zijn verzoek binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend uitgaande uitgaande van 19 december 2006;

  1. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2006 [nummer 2], waarbij afwijzend is gereageerd om de datum van 2 februari 2004 te wijzigen in 22 oktober 2003;
  2. de verweerder zal worden veroordeeld die handelingen te verrichten, waardoor de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] wordt gewijzigd in die zin dat als ingangsdatum voor de bevordering tot brigadier van politie van de verzoeker wordt vermeld 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker heeft gesteld in zijn inleidend rekest, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van uitdrukkelijk bewijs van al haar stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht bewijslast op zich te nemen.

FORMEEL VERWEER

Beklag verzoeker

  1. Krachtens artikel 78 van de Personeelswet heeft verzoeker het recht om binnen een maand schriftelijk beklag te doen bij het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, behalve ingeval er binnen een maand een vordering wordt ingesteld. Verzoeker heeft een beklag dd. 02 augustus 2005 ingediend, doch is deze ten eerste te laat ingediend daar de beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei 2004. En ten tweede is dit beklag niet gedaan bij een hoger gezag, doch bij het zelfde orgaan die het besluit genomen heeft. Verzoeker dient reeds om deze redenen niet ontvankelijk verklaard te worden.

Besluit van de verweerder

  1. Verzoeker vermeldt in het 6e sustenu van zijn inleidend rekest dat het schrijven d.d.19 december 2006 van het Ministerie van Justitie en Politie als het besluit van verweerder kan worden aangemerkt. Verzoeker meent dat zijn verzoek, verwijzend naar de datum van 19 december 2006, binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend. Echter kan de brief d.d. 19 december 2006 niet als besluit in de zin van artikel 80 van de Personeelswet worden aangemerkt.

Met “besluit” wordt hier bedoeld de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d.14 mei 2004, welke beschikking reeds door verzoeker is overgelegd als produktie. In casu dient verzoeker dan niet ontvankelijk verklaard te worden daar artikel 80 van vermelde wet duidelijk aangeeft dat vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 niet ontvankelijk zijn indien zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. De beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei 2004. Het is niet bekend wanneer verzoeker precies kennis heeft genomen van deze beschikking, doch op 2 augustus 2005 heeft hij zijn beklag ingediend, weshalve hij dus in ieder geval toen wel kennis had genomen van de beschikking. Gezien de datum van onderhavige vordering is verzoeker dan ook wel degelijk te laat met de indiening hiervan en dient hij op grond van artikel 80 van de Personeelswet niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering.

MATERIEEL VERWEER

  1. Voor zover het Hof voorgaand formeel verweer niet juist acht wenst verweerder het volgend materieel verweer te voeren.

De Feiten

In confesso

  1. Verweerder kan hetgeen gesteld is in het 2e tot en met het 4e sustenu erkennen, weshalve dit rechtens vaststaat tussen partijen.

Overmachtsituatie niet af te wentelen

  1. Ingevolge artikel 49 lid 1 van het Reglement Algemene Politie komt de agent van politie der eerste klasse die in het bezit is van een brigadiersdiploma in aanmerking voor benoeming tot brigadier van politie.

Verzoeker heeft het examen tot het behalen van een brigadierdiploma op 02 februari 2004 met succes afgelegd. De datum van het slagen dus het behalen van de diploma is dus 02 februari 2004, hetgeen uiteraard ook op de diploma is vermeld. Vermelde datum wordt dan ook gerekend als ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie. De bewering van verzoeker dat hij geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering tot brigadier is dan ook onjuist. Verzoeker stelt dat hij als gevolg van een overmachtsituatie niet kon deelnemen aan het examen van 22 oktober 2003 maar deze pas op 02 februari 2004 heeft kunnen afleggen. Verzoeker wenst dan dezelfde behandeling te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, doch onterecht. Verweerder betreurt het ten zeerste dat verzoeker zijn woning is afgebrand en dat verzoeker als gevolg hiervan zijn examen niet op 22 oktober 2003 heeft kunnen afleggen, doch kan deze overmachtsituatie van verzoeker niet toegerekend worden aan verweerder. Echter is verweerder verzoeker juist tegemoet gekomen door hem in de gelegenheid te stellen een inhaalexamen te maken, gezien zijn situatie toen.

Doch dat het een datum van een inhaalexamen betreft, betekent niet dat de ingangsdatum van de bevordering van verzoeker met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld tot 22 oktober 2003. Immers indien de ingangsdatum van de bevordering diende in te gaan op 22 oktober 2003, betekent dit dat verzoeker nog bedoeld examen nog niet had afgelegd en de daarbij behorende diploma ook niet had gehaald en dus niet in aanmerking kwam voor de bevordering. Dat zou dus betekenen dat hij bevorderd zou zijn zonder het afgelegd diploma en daarbij behorende diploma. Dit zou niet correct zijn. De ingangsdatum blijft de datum waarop het examen is afgelegd en behaald, zijnde 2 februari 2004.

  1. Verweerder dient te handelen krachtens de wet, meer nog daar een enkele toestemming zal leiden tot ontevredenheid onder velen, dan wel tot meerdere dergelijke gevallen waarbij geëist zal worden dat eens gelijk beslist moet worden. Verzoeker heeft op 02 februari 2004 zijn examen behaald, en wordt deze datum dus als zijn examendatum beschouwd;

Rangorde na examen

  1. Krachtens artikel 53 lid 4 van het Reglement Politie wordt bij de rangorde gelet op de ingangsdatum van de benoeming. Verzoeker heeft bedoelde opleiding op 02 februari 2004 met succes afgerond en heeft hiermee dus voldaan aan artikel 49 lid 1 van vermelde wet. Naar aanleiding hiervan is te rekenen van die datum de benoeming geschied. De ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie is derhalve 02 februari 2004.

Artikel 53 lid 3 van vermelde wet geeft voorts aan dat de rangorde in een rang of klasse door de aanvangsdatum van de anciënniteit (lees: ingangsdatum van de bevordering) wordt bepaald. Met andere woorden eerder geslaagden worden boven de later geslaagden geplaatst. De rangorde met betrekking tot verzoeker heeft dan ook krachtens de wet en zijn examendatum plaats gevonden.

  1. Verwijzend naar artikel 56 van vermelde wet heeft verweerder hiermee gedoeld op lid 3, in welk artikel is aangegeven welke datum als examendatum geldt namelijk de op de diploma vermelde datum. Met de verwijzing naar artikel 56 heeft verweerder derhalve niet gemeend het eerste lid, doch de derde. Aan hetgeen verzoeker in het 8ste en 9e sustenu van zijn inleidend rekest heeft gesteld, dient dus voorbij te worden gegaan.

Nietigverklaring besluit/Wijziging beschikking

  1. Het onder A en B gevorderde kan niet worden toegewezen en wel om de volgende redenen:
  2. dat verzoeker zijn examen op een latere datum heeft moeten afleggen, kan niet toegerekend worden aan verweerder,
  3. dat verzoeker een inhaalexamen heeft afgelegd, betekent niet dat de slagingsdatum met terugwerkende kracht wordt vastgesteld,
  4. het beklag van verzoeker is niet binnen het door de wet bepaalde termijn ingesteld,
  5. de brief dd. 19 december 2006 kan niet aangemerkt worden als besluit in de zin van artikel 79 c.q. 80 Personeelswet. De beschikking dd. 14 mei 2004 is het besluit,
  6. verweerder dient krachtens de wet en de examendatum te handelen bij de rangordebepaling.

Overwegende dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering zal worden afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 3 april 2007 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.Truidemanen, advokaat Mr.R.Sohansingh, gemachtigde van de Staat Suriname en mevr.Lucretia E.P.Redan, Hoofdinspecteur van Politie in de funktie van Human Resource Manager van het Korps Politie Suriname namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zijdens verweerder gedaan beroep op het formeel verweer bij antwoord pleidooi de dato 16 juni 2007 opmerkt, dat beklag binnen de administratie één der rechtsmiddelen is van de landsdienaar c.q. ambtenaar tegen een administratieve handeling c.q. een administratief besluit; het Hof is geen enkele wettelijke bepaling bekend die de landsdienaar zou verplichten van voormeld rechtsmiddel in voorkomende gevallen gebruik te maken;

Overwegende, dat het Hof het formeel verweer van verweerder dan ook gelijk besproken heeft en het verwerpt;

Overwegende, wijders, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985);

Overwegende, dat het besluit van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 december 2006 strekkende tot plaatsing van verzoeker op de ranglijst niet valt onder die limitatieve opsomming; toewijzing van het in onderdeel A van het petitum gevorderde kan daarom al niet volgen;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het gevorderde in onderdeel B van het petitum opmerkt, dat het krachtens artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) wel de bevoegdheid zou hebben het ten aanzien van verzoeker als zodanig genomen besluit (gedateerd 14 mei 2004 [nummer 1]) als bedoeld in artikel 79 lid 2 nietig te verklaren en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit overeenkomstig zijn uitspraak zou moeten worden genomen, indien deze vordering op de wijze zoals aangegeven en tijdig was ingesteld;

Overwegende, dat nu zulks niet het geval is zal het Hof verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.Denz namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.H.

 

SRU-HvJ-2007-10

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-569

[Verzoekster], wonende te [plaats] aan [adres] [woonwijk] ten deze domicilie kiezende aan de Koninginnestraat no.10, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,
verzoekster,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Justitie en Politie, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo te zijner Parkette aan de H.A.E. Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.M.F.Oemar, advokaat, verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien ‘s Hovens interlocutoir vonnis van 21 juli 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ‘s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat ter bevolen en gehouden comparitie van partijen zijn verschenen, verzoekster in persoon bijgestaan door haar gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, advokaat Mr.I.S.Asarfi-Lalji namens advokaat Mr.R.Oemar, gemachtigde van verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 januari 2007, de gemachtigden van partijen hebben gepersisteerd bij hun stellingen en om vonnis hebben gevraagd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het proces-verbaal van het verhoor van partijen in Raadkamer van het Hof van Justitie de dato 4 november 2005, blijkt, de gemachtigde van verweerder, N.Jhagru, Opper Penitentiair-Ambtenaar alstoen onder meer heeft verklaard: ”Voorts vermeld ik erbij dat in het verweerschrift van de Staat Suriname de dato 8 juli 2004 onder meer is verzocht om haar akte te verlenen om een correctie in de considerans en in het dictum van de beschikking van 10 februari 2004 te doen plegen. Instede van 15 september 2003 tot en met 3 oktober 2003 moet gelezen worden 18 september 2003 tot en met 26 september 2003. Voor het overige persisteer ik bij het ingediend verweerschrift;

Overwegende, dat het Hof, naar aanleiding van het zijdens verweerder ter gelegenheid van voormeld verhoor verklaarde, opmerkt, dat de motivering van de beschikking niet met de werkelijkheid in overeenstemming blijkt en die beschikking derhalve een deugdelijke grondslag mist;

Overwegende, dat, verzoekster voorts verweten wordt zich op 29 september 2003 indisciplinair te hebben gedragen tegen over haar meerdere, zonder evenwel dit verwijt met feiten te hebben onderbouwd;

Overwegende toch, dat verweerder in de gewraakte beschikking duidelijk feiten c.q. handelingen had moeten aangeven door verzoekster alstoen begaan die als indiciplinair gedrag zouden kunnen worden gekwalificeerd;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof een deugdelijke motivering dat met zich bracht;

Overwegende, dat verzoekster tot slot verweten wordt dat zij zonder toestemming van de dienstleiding dienstfaciliteiten beschikbaar heeft gesteld aan derden;

Overwegende, dat verzoekster ten dien aanzien tijdens het verhoor in raadkamer de dato 4 november 2005 heeft verklaard: ”Op 29 september 2003 was ik op kantoor voor het verrichten van mijn werkzaamheden. Op die bewuste dag kwam een kennis van mij op kantoor en deed mij het verzoek te helpen met het typen van een brief. Aangezien ik het nogal druk had met mijn werkzaamheden heb ik haar aangeboden zelf de brief uit te typen op mijn computer. Het hoofd van de afdeling waar ik werkzaam ben, de heer Rozen, was er op dat moment niet”;

Overwegende, dat, naar wijders uit de verklaring van verzoekster blijkt, de kennis van haar wel op de computer gewerkt heeft;

Overwegende, dat zijdens verweerder tijdens het verhoor in Raadkamer voormelde verklaring van verzoekster niet is weersproken zodat het Hof van de juistheid daarvan uitgaat;

Overwegende, dat van het zonder toestemming van de dienstleiding dienstfaciliteiten beschikbaar hebben gesteld aan derden, dan ook geen sprake is geweest; van een motivering die met de werkelijkheid in overeenstemming zou zijn, is ook geen sprake; ook te dien aanzien mist de beschikking een deugdelijke grondslag;

Overwegende, dat het Hof na al het vorenoverwogene beslissen zal als in het dictum van dit vonnis te melden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Vernietigt de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 10 februari 2004 No. 4094/03;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.VON NIESEWAND, Waarnemend-President, Mr.Drs.C.C.L.A.VALSTEIN-MONTNOR en Mr.H.E.STRUIKEN, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 januari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.KISOENSINGH-JANGBAHADOERSINGH, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.L.Patterson namens advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verzoekster terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

M.H.

 

 

 

SRU-HvJ-2007-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-606

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Henck Arronstraat no.63 boven ten kantore van mr. S. Marica, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. S. Marica, advocaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no.3 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. H.A.M. Essed, advocaat,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. Verzoeker wenst de hierna volgende vordering in te stellen tegen de STAAT SURINAME, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal, zetelende te diens Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, verweerder;
  2. Verzoeker is Agent van Politie 1e klasse, in dienst van de verweerder, die blijkens de hierbij overgelegde beschikking d.d. 4 maart 2005, justitie [nummer 1], welke beschikking door hem werd ontvangen op 28 maart 2005, ontslagen uit dienst van verweerder. Verzocht wordt de hierbij overgelegde beschikking als hier letterlijk herhaald en geïnsereerd te willen beschouwen.
  3. Vorenvermelde beschikking wordt door de verzoeker geacht te zijn een besluit van de verweerder, welk besluit door de verzoeker wordt aangemerkt als te zijn onrechtmatig jegens hem en wel om de hierna volgende redenen:
  4. Ten onrechte wordt gesteld dat het gedrag van verzoeker onachtzaam en onverantwoordelijk is geweest. Verzoeker heeft nooit tegen enig ambtsinstrukties gehandeld en heeft op die dag de juiste instrukties gegeven aan zijn mindere.
  5. De wachtpost is wel bemand geworden in opdracht van verzoeker en verzoeker is niet in slaap gevallen, althans heeft hij nooit geslapen.
  6. De bedoelde beschikking is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid, het evenredigheidsbeginsel en dat de Minister bij het geven van de beschikking geen rekening heeft gehouden met de morele, financiële en huiselijke omstandigheden van verzoeker en het tijdsverloop vanaf de gepleegde feiten.
  7. De Minister van Justitie en Politie langer dan twee jaren heeft gewacht om te komen tot dit besluit zodat er geen sprake is van een redelijk termijn, althans noodzakelijk geacht termijn.
  8. De hiervoren aangehaalde redenen geven aan dat de opgelegde straf van zeer ingrijpende aard is.
  9. Verzoeker is van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoren in sub 3 aangehaald het besluit van de verweerder geen stand kan houden en mitsdien moet worden opgeheven;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden opgeheven het ontslag van de verweerder zoals omschreven in sub 2 van het inleidend rekest.
  1. Verweerder zal worden gelast verzoeker weer toe te laten tot zijn werkkring en hem in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te verrichten alsmede hem zijn salaris door te betalen.
  2. Verweerder zal worden gelast de veroordeling te geheugen en te gedogen, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd;

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker heeft gesteld

in zijn verzoekschrift, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van bewijs van al haar stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht bewijslast op zich te nemen.

  1. 2. De feiten:

Verzoeker is sedert 16 november 1992 in dienst geweest van verweerder;

– Verzoeker is bij beschikking d.d. 17 december 2002 buiten functie gesteld (productie no.1);

– Bij beschikking d.d. 15 januari 2003 is de buitenfunctiestelling van verzoeker verlengd en is verzoeker geschorst in zijn ambt (productie no. 2);

– Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om zich te verweren (productie no.3);

– Verzoeker heeft zowel mondeling als schriftelijk verweer gevoerd (productie no. 4);

– Verzoeker is bij beschikking d.d. 4 maart 2005 ontslagen;

– Verzoeker heeft geen administratief beroep ingesteld tegen de

aan hem opgelegde tuchtstraf c.q. het ontslag.

Geen administratief beroep

  1. Verzoeker heeft zich gewend tot de Ambtenarenrechter. Krachtens

artikel 46 van het Politiehandvest had verzoeker de mogelijkheid administratief beroep in te stellen tegen de beslissing van de Minister van Justitie en Politie. Dit beroep kon verzoeker binnen 7 dagen nadat hij kennis had genomen van de aan hem opgelegde tuchtstraf instellen bij de President van de Republiek Suriname. Echter heeft verzoeker geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. Verzoeker diende eerst gebruik te maken van de mogelijkheden die de Wet hem biedt.

Alleen om die reden al dient verzoeker niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering althans dient zijn verzoek te worden afgewezen.

De vordering

  1. Voor zover het Hof verzoeker wel ontvankelijk acht – qoud non – ontkent en betwist verweerder dat het aan verzoeker bij beschikking d.d. 4 maart 2005, Justitie [nummer 1] verleend ontslag onrechtmatig is verleend.
  2. Verweerder ontkent en betwist het gestelde door verzoeker in het 3de sustenu van zijn verzoekschrift. Verzoeker heeft op 15 december 2002 tijdens zijn nachtdienst op post geslapen als gevolg waarvan inbrekers kans zagen om in te breken in de woning van de Minister van Justitie en Politie en goederen hebben meegenomen. Uit het verweer van verzoeker (productie no.4) blijkt voldoende dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het verweten plichtsverzuim. Immers verzoeker heeft dit ook erkend. Dit plichtsverzuim van verzoeker staat dan ook in rechte vast.
  3. Verweerder ontkent en betwist dat het besluit van haar in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Verzoeker stelt het voorgaande bloot zonder enige motivering of argumentering, zodat verweerder zich daarop niet gericht kan verweren.

Verweerder vermag niet in te zien waarom bedoeld besluit als zodanig in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel.

  1. Verweerder vermag eveneens niet in te zien dat bij de gewraakte beslissing geen rekening is gehouden met morele, financiele en huiselijke omstandigheden. Noch los van het feit dat verweerder als zodanig met die omstandigheden geen rekening hoeft te houden, heeft verweerder dat onverplicht toch gedaan, getuige het feit dat verweerder ten tijde van verzoeker’s schorsing geen inhoudingen heeft gepleegd op zijn inkomsten. Verweerder heeft dit ook uitdrukkelijk gemotiveerd door in het schorsingsbesluit op te nemen dat er geen inhoudingen zullen plaatsvinden “vermits” verzoeker “hoofd is van een wettig gezin”.
  2. Verweerder ontkent en betwist dat bij het nemen van de beslissing geen redelijke termijn in acht is genomen. Verzoeker is eerst buitenfunctie gesteld, daarna geschorst. Daarna heeft verzoeker zich kunnen verweren en heeft verder een intern onderzoek plaatsgevonden. Ten slotte is een definitieve beslissing genomen. Verzoeker heeft van de duur van de uiteindelijke beslissing geen nadeel ondervonden omdat verzoeker steeds zijn volledig salaris heeft ontvangen.
  3. In verhouding tot het gepleegde verzuim acht verweerder de opgelegde tuchtstraf niet onevenredig. Het bewaken van de woning van een bewindsman is een zeer verantwoordelijke taak, waarbij de gevolgen van verzuim niet zijn te overzien, zoals in casu het geval is. De ernst van het plichtsverzuim rechtvaardigt dan ook geheel de genomen beslissing. Verweerder acht de beslissing geheel in overeenstemming met de beginselen van het behoorlijk bestuur. Verweerder acht dan ook geen gronden aanwezig zijn om vermeld besluit op te heffen.
  4. Het Hof wordt verzocht de hierbij overgelegde productie no.’s 1 t/m 4 hier als ingelast en woordelijk herhaald te willen beschouwen;

Overwegende, dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering, althans dat zijn vordering zal worden afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen.

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 30 juni 2006 ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer zijn

verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde,

advocaat mr. S. Marica, advocaten mr. S. Bikharie en mr. M. Sheombar namens advocaat mr. H.A.M. Essed, gemachtigde van de Staat Suriname en Hoofd-inspecteur van Politie, mr. R.E. Levens namens het Korps Politie Suriname, die hebben verklaard gelijk in de daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – processen-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van partijen de zaak bij pleidooi

nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof het in onderdeel (1) van het petitum gevorderde op het daartoe door verzoeker gedaan verzoek bij de ter terechtzitting van 2 februari 2007 genomen Pleitnota te weten, dat dat gevorderde wordt gewijzigd in dier voege, dat gelezen wordt: Nietig te verklaren; althans te vernietigen het ontslag (lees: de beschikking de dato 4 maart 2005 [nummer 1] waarbij hem – verzoeker – de tuchtstraf van ontslag werd opgelegd, instede van: Op te heffen het ontslag van verweerder zoals omschreven in sub 2 van het verzoekschrift, zal inwilligen nu verweerder zich daartegen niet heeft verzet en verzoeker terzake akte verlenen;

Overwegende, dat verweerder zich vooreerst hierop beroepen heeft, dat verzoeker krachtens artikel 46 van het Politiehandvest de mogelijkheid had administratief beroep in te stellen tegen de beslissing van de Minister van Justitie en Politie; dat verzoeker dit beroep binnen 7 dagen nadat hij kennis had genomen van de aan hem opgelegde tuchtstraf had kunnen instellen bij de President van de Republiek Suriname; dat hij – verzoeker – geen gebruik gemaakt heeft van die mogelijkheid; dat hij – verzoeker – eerst gebruik diende te maken van de mogelijkheden die de Wet hem biedt; dat alleen daarom al – aldus verweerder – dient hij – verzoeker – niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering althans dient zijn verzoek te worden afgewezen;

Overwegende, dat, wat van voormeld verweer ook moge zijn, het vermag verweerder niet te baten nu verzoeker niet verplicht was gebruik te maken van het bepaalde in artikel 46 van het Politiehandvest;

Overwegende, dat, naar verzoeker gesteld heeft in het 2e “sustenu” van het verzoekschrift, hij – Agent van Politie 1ste klasse, in dienst van verweerder bij beschikking de dato 4 maart 2005, [nummer 1], door hem ontvangen op 28 maart 2005, uit Staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat verzoeker in Raadkamer van het Hof van Justitie, in Ambtenarenzaken van vrijdag, 17 november 2006, alstoen in persoon verschenen heeft verklaard: “De ontslagbeschikking gedateerd 4 maart 2005, [nummer 1] heb ik op 28 maart 2005 ontvangen”;

Overwegende, dat, naar uit de aantekening van de griffier van het Hof blijkt, het verzoekschrift ter griffie van het Hof van Justitie ingekomen is op 27 mei 2005;

Overwegende, dat verzoeker naar aanleiding van het zojuist overwogene het verzoek om vernietiging van voormelde beschikking heeft ingediend op de zestigste dag na de ontvangst van de ontslagbeschikking, terwijl de wet, met name artikel 80 lid 3 sub b (Pw) 1 (één) maand, d.i. 30 dagen, toestaat;

Overwegende, dat het Hof, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend, verzoeker dan ook niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, hebbende verzoeker immers de appeltermijn verre overschreden;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Staat het gedaan verzoek om wijziging van onderdeel 1 van het petitum toe in die zin dat daar wordt gelezen: Verklaart nietig de beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 [nummer 1];

En voorts:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 1 juni 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g. G.A. Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g. J.R. von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advocaat mr. S. Marica en verweerder vertegenwoordigd door advocaat mr. M. Sheombar namens zijn gemachtigde, advocaat mr. H.A.M. Essed, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

M.R.S.

 

SRU-HvJ-2007-8

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-607 

[Verzoeker], wonende aan [adres], in het [district], ten deze domicilie kiezende aan de Johan Adolf Pengelstraat 46 te Paramaribo ten kantore van de advokaat Mr.G.R.Sewcharan,  voor wie als gemachtigde optrad, Mr.G.R.Sewcharan, advokaat,
 verzoeker,

                                t  e  g  e  n 

DE STAAT SURINAME, Ministerie van Justitie en Politie, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te diens Parkette te Paramaribo aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat)  no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.H.H.Veldkamp, advokaat,                                                               verweerder,

De Waarnemend-President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)   Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

dat bij beschikking d.d. 4 maart 2005 [nummer 1],  de Minister van Justitie en Politie, nader te noemen verweerder, verzoeker  heeft ontslagen uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) ingevolge artikel 40 lid onder j van het Politiehandvest. Van  de beschikking wordt hierbij een afschrift  overgelegd (Produktie 1).

dat de beschikking  op vrijdag 6 mei 2005 ter kennis van verzoeker is gebracht.

Verzoeker kan zich met de beschikking, althans het besluit, en de gronden waarop die  berust niet verenigen en wenst op basis van de navolgende gronden bij het Hof de  onderhavige vordering in te stellen.

  1. Blijkens de beschikking wordt als grond voor het besluit vermeld een onderzoek van OPZ van een strafdossier [nummer 2]. Als tweede grond wordt aangegeven een vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton d.d. 21 mei  2003. Dit vonnis betreft hetzelfde strafdossier. Van dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Het Hoger beroep is nog niet behandeld. Het vonnis is  derhalve nog niet onherroepelijk. Verzoeker heeft de beschuldiging ontkend. Het  feit dat het vonnis nog niet onherroepelijk is, brengt  met zich mee dat het alszodanig niet, althans nog niet, als grond mag worden gebruikt voor het in deze  gegeven ontslag.
  2. Voorts wordt door verweerder gesteld dat verzoeker een dienstvoertuig voor zes uren zou hebben gebruikt voor privé-doeleinden en dat hij eens zijn vuistvuurwapen zou hebben   gehanteerd, terwijl daartoe, aldus verweerder, de noodzaak  ontbrak en zou hij een keer geslapen hebben in een dienstvoertuig. Verweerder concludeert dan dat deze zaken ernstig plichtsverzuim opleveren en  ontslaat verzoeker vervolgens uit vaste dienst.
  3. Zoals gesteld, is verzoeker het met het besluit en de aangehaalde gronden niet eens. Ten aanzien van de eerste grond is hiervoor  aangegeven dat het verwijt nog niet vaststaat, en derhalve niet aangewend kan worden voor het onderhavige  ontslag. Verzoeker is van mening dat bij behandeling van de zaak in hoger beroep  aan het licht zal komen dat hij niet betrokken is. Hij constateert daarom dat  verweerder in deze ten onrechte hem op grond van dat dossier en vonnis ontslaat.
  4. Voor wat betreft de hiervoor onder 2 aangehaalde gronden, is verzoeker  de mening toegedaan dat die  door verweerder enkel vermeld zijn om de eerder besproken grond aan te dikken. Echter vormen deze gronden afzonderlijk, noch  gezamenlijk voldoende grondslag voor het gegeven ontslag en rechtvaardigen daarom het ontslag ook niet.
  5. Voorts is het verzoeker bekend dat zijn medeverdachten in de betreffende  strafzaak niet zijn ontslagen en vermoedt hij dat  hem ontslag is aangezegd om  andere dan de in de beschikking vermelde redenen. Weshalve er volgens hem hier kennelijk sprake is  van misbruik van bevoegdheid.
  6. Tevens  is verzoeker van mening dat het besluit in strijd is met de wet en/of met een of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In ieder geval is het besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel nu zijn  medeverdachten niet, maar hem wel ontslag is aangezegd.
  7. Ook is volgens verzoeker het  besluit in strijd met het beginsel van belangenafweging. Verzoeker staat aan het hoofd van een gezin. Alszodanig is hij verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. De onder 2 van weergegeven gronden voor het gegeven ontslag, althans het  gestelde  plichtsverzuim, staan geenszins in verhouding tot de nadelige  gevolgen  van het ontslag voor verzoeker en zijn gezin.
  8. Op grond van al het voorgaande komt verzoeker tot de conclusie dat het gegeven ontslag ongeldig is en voor algehele nietigverklaring in aanmerking komt.

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis  uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de voormelde beschikking, althans het besluit, d.d. 4 maart 2005 met  [nummer 1], waarbij  verzoeker uit Staatsdienst (Korps Politie Suriname) is ontslagen, nietig zal worden verklaard;
  2. verweerder zal worden veroordeeld verzoeker weder tewerk te stellen, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,–, althans een door het Hof in goede  justitie te  bepalen bedrag, voor iedere dag dat verweerder weigert aan de uitvoering van het vonnis te voldoen;

III. met veroordeling van verweerder in de kosten van dit geding;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnengekomen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 6 oktober 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan heeft verklaard, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen bereiken;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 17 november 2006, de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan wederom heeft verklaard dat hij nog geen kontakt heeft gehad met zijn cliënt en dat zijn cliënt niet reageert op de oproep, doch hebben de gemachtigden van de procespartijen terzelfde terechtzitting gepersiteerd bij hun stellingen;

Overwegende, dat op de terechtzitting van 5 januari 2007, advokaat Mr.S.N.K.Woei A Sioe namens de gemachtigde van verzoeker, advokaat Mr.G.R.Sewcharan een onttrekkingsbrief heeft overgelegd, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat er een schrijven de dato 8 januari 2007 [nummer 3] (u) naar de verzoeker is verzonden op 9 januari 2007, [nummer 4];

Overwegende, dat ter terechtzitting van 19 januari 2007  geen enkel bericht van verzoeker is ontvangen, waarna het  Hof vonnis  heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar uit het procesdossier blijkt, verzoeker, agent van Politie 1ste klasse in vaste dienst bij het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie, bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie de dato 4 maart 2005 de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst is opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim;

Overwegende, dat, naar verzoeker in het verzoekschrift heeft gesteld voormelde beschikking op vrijdag, 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht;

Overwegende, dat, naar blijkt uit de aantekening van de Griffier van het Hof het verzoekschrift op 6 juni 2005 op de Griffie is ingekomen;

Overwegende, dat verzoeker in onderdeel 1 van het petitum van voormeld verzoekschrift vordert de nietigverklaring van voormelde beschikking, althans het besluit, de dato 4 maart 2005 [nummer 1], waarbij hij – verzoeker – uit Staatsdienst is ontslagen;

Overwegende, dat ingevolge artikel 80 lid 1, sub b van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985), vorderingen  als bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, niet ontvankelijk zijn, indien  zij zijn ingediend, meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de  belanghebbende is gebracht;

Overwegende, dat onder maand ingevolge artikel 1 van genoemde wet wordt verstaan: tijdvak van dertig dagen;

Overwegende, dat een besluit genomen  op grond van het bij of krachtens

de Personeelswet geacht wordt ter kennis van de belanghebbende te zijn gebracht op de dag waarop het stuk door het bevoegde gezag aan hem is overhandigd (artikel 5 lid 2 sub a van de Personeelswet); 

Overwegende, dat nu het besluit, naar verzoeker onweersproken heeft gesteld, op 6 mei 2005 te zijner kennis is gebracht en hij de onderhavige vordering pas op 6 juni 2005 tegen verweerder  heeft ingesteld, dus op de 32ste dag sedert 6 mei 2005, terwijl de wet slechts 30 dagen sedert 6 mei 2005 toestaat, rest het Hof niets anders dan hem – verzoeker – niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige  stellingen van verzoeker  als niet langer relevant, geheel in het midden latend; 

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk  in zijn vordering;

Aldus gewezen door de heren: Mr.J.R.Von Niesewand, Waarnemend-President, Mr.K.Pultoo en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de Waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag,2 februari 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh                      w.g.J.R.Von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advokaat Mr.H.H.Veldkamp, gemachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

 M.H.                                  

 

SRU-HvJ-2007-7

HET HOF VAN JUSTITIE  VAN SURINAME

A-625

 [Verzoeker], ten deze domicilie kiezende aan [adres] ten kantore van Mr.F.F.P.Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.F.F.P.Truideman, advokaat,
 verzoeker,

                                   t  e  g  e  n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat (voorheen Gravenstraat) no. 3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.R.Sohansingh, advokaat,
verweerder,

 

De President spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord de partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat  [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de verzoeker de volgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen de Staat Suriname, rechtspersoon, met name het Ministerie van Justitie en Politie, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat  no. 3, verweerder.
  2. dat de verzoeker ambtenaar van Politie is in de rang van Brigadier van Politie en tewerk gesteld bij de Parketwacht van het Ministerie van Justitie en Politie op wie de Personeelswet c.q. het Politiehandvest van toepassing is;
  3. dat de verzoeker vanwege het afbranden van zijn huis niet in de  gelegenheid was deel te nemen aan het examen dat op 22 oktober 2003 werd gehouden, door de korpsleiding in de gelegenheid werd gesteld een  inhaalexamen te maken voor de kaderopleiding tot brigadier der Politie,  gehouden op 2 februari 2004 en is de verzoeker voor dit inhaal examen geslaagd, zoals moge blijken uit het schrijven d.d. 2 augustus 2005, met het  verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  4. dat de verzoeker bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] te rekenen van 2 februari 2004 is bevorderd tot brigadier van politie, onder toekenning van een salaris van SRD 891,– (Achthonderd een en negentig Surinaamse dollar), met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  5. dat de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 2 augustus 2005 heeft bericht, dat zijn bevorderingsdatum niet goed is, daar de verzoeker geen herexamen heeft gedaan, maar een inhaalexamen en zijn bevorderingsdatum 22 oktober 2003 moet zijn en geen 2 februari 2004;
  6. dat de verzoeker opmerkt dat het standpunt van de Korpschef ingenomen in zijn brieven d.d. 29 juni 2005, [nummer 3] en 18 oktober 2005 [nummer 4] niet juist is eveneens het standpunt van de Minister van Justitie en Politie ingenomen in zijn schrijven d.d. 19 december 2006 [nummer 2], welk laatste schrijven kan worden aangemerkt als een besluit van de verweerder, met het verzoek de inhoud van deze brieven als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen;
  7. dat de verzoeker niet opmerkt dat hij vanwege een overmachtstoestand (afbranden van zijn woning) niet aan het examen op 22 oktober 2003 kon deelnemen en deze gelegenheid pas op 2 februari 2004 heeft gehad, zodat wat zijn bevorderingsdatum betreft hij niet achtergesteld kan worden bij zijn  groepsgenoten die op 22 oktober 2003 zijn geslaagd en terzake zijn  bevorderd, aangezien de verzoeker op geen enkele wijze aan deze vertraging schuld heeft;
  8. dat de verzoeker tenslotte opmerkt, dat de verweerder ten onrechte een beroep doet op artikel 56 van het Reglement Algemene Politie (S.B.1972 no.143), daar dit artikel 56 slechts van toepassing is, wanneer de verzoeker in verband met de bestaande formatie niet voor een bevordering in  aanmerking is gekomen, hetgeen hier niet het geval is, hetgeen de raadsman van de verzoeker de verweerder bij schrijven d.d. 10 oktober 2006 dan ook  heeft medegedeeld, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geinsereerd te willen beschouwen, maar desondanks blijft de verweerder zijn onjuist standpunt handhaven als vervat in zijn schrijven d.d. 19 december2006 [nummer 2] met bijlagen;
  9. dat de verzoeker onder de aandacht  van het Hof brengt, dat zijn verzoek  niet is gebaseerd op de bestaande formatie, maar dat zijn verzoek is  gebaseerd op het feit , dat hij vanwege overmacht niet aan het examen van 22 oktober 2003 kon deelnemen, maar pas op 2 februari 2004 en nu hij is geslaagd, hij dezelfde behandeling dient te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, zodat artikel 56 Reglement Algemene Politie hierbij geen enkele rol speelt;
  10. dat de verzoeker gerechtigd en bevoegd is het Hof van Justitie als  ambtenarenrechter (lees: ambtenarengerecht) te naderen, daar in artikel 79 lid 2 van de Personeelswet is bepaald:

Vatbaar voor nietigverklaring zijn besluiten betreffende salaris; en omdat de verzoeker geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering  tot brigadier van politie n.l. 22 oktober 2003 in plaats van 22 februari 2004 de verzoeker ernstig wordt aangetast in zijn salaris en derhalve met  toepassing van artikel 79 lid 1 van de Personeelswet bevoegd is het Hof te vragen  de verweerder te veroordelen die handelingen te verrichten, in die zin dat de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] KA 916 wordt gewijzigd en  wel dat daarin wordt gelezen 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, aangezien zijn verzoek binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend uitgaande uitgaande van 19 december 2006;

  1. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd:

 dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. zal worden vernietigd althans nietig zal worden verklaard het besluit van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2006 [nummer 2], waarbij afwijzend is  gereageerd om de datum van 2 februari 2004  te wijzigen in 22 oktober 2003;
  2. de verweerder zal worden veroordeeld  die handelingen te verrichten, waardoor  de beschikking d.d. 14 mei 2004 [nummer 1] wordt gewijzigd in die zin dat als  ingangsdatum voor de bevordering tot brigadier van politie van de verzoeker wordt vermeld 22 oktober 2003 in plaats van 2 februari 2004, Kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn een verweerschrift ter Griffie is binnengekomen, waarin het navolgende als verweer wordt aangevoerd:

  1. Verweerder ontkent en betwist al hetgeen verzoeker  heeft gesteld in zijn inleidend rekest, voorzover zij deze niet gaaf en onvoorwaardelijk heeft erkend, onder aanbod van  uitdrukkelijk bewijs van al haar stellingen door alle middelen rechtens, zonder onverplicht  bewijslast op zich te nemen.

FORMEEL VERWEER

Beklag verzoeker

  1. Krachtens  artikel 78 van de Personeelswet heeft verzoeker het recht om binnen een  maand schriftelijk beklag te doen bij het hoger gezag dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, behalve ingeval er binnen een maand een vordering wordt ingesteld. Verzoeker heeft een beklag dd. 02 augustus 2005 ingediend, doch is deze ten eerste te laat ingediend daar de beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei  2004. En ten tweede is dit beklag niet gedaan bij een hoger gezag, doch bij het zelfde orgaan die het besluit genomen heeft. Verzoeker dient reeds om deze redenen niet ontvankelijk verklaard te worden.

Besluit van de verweerder

  1. Verzoeker vermeldt in het 6e sustenu van zijn inleidend rekest dat het schrijven d.d.19 december 2006 van het Ministerie van Justitie en Politie als het besluit van verweerder kan worden aangemerkt. Verzoeker meent dat zijn verzoek, verwijzend naar de datum van  19 december 2006, binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend. Echter kan de brief d.d. 19 december 2006 niet als besluit in de zin van artikel 80 van de  Personeelswet worden aangemerkt.

Met “besluit” wordt hier bedoeld de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d.14 mei 2004, welke  beschikking reeds door verzoeker is overgelegd als produktie. In casu dient  verzoeker dan niet ontvankelijk verklaard te worden daar artikel 80 van vermelde wet duidelijk aangeeft dat vorderingen als bedoeld in artikel 79 lid 1 niet ontvankelijk zijn indien  zij zijn ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. De beschikking van de Minister van Justitie en Politie dateert van 14 mei 2004. Het is niet bekend wanneer verzoeker precies kennis heeft genomen van deze beschikking, doch op  2 augustus 2005 heeft hij zijn beklag ingediend, weshalve hij dus in ieder geval toen wel  kennis had genomen van de beschikking. Gezien de datum van onderhavige vordering is  verzoeker dan ook wel degelijk te laat met de indiening  hiervan en dient hij op grond van  artikel 80 van de Personeelswet niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn vordering.

MATERIEEL VERWEER

  1. Voor zover het Hof voorgaand formeel verweer niet juist acht wenst verweerder het volgend materieel verweer te voeren.

De Feiten

In confesso

  1. Verweerder kan hetgeen gesteld is in het 2e tot en met het 4e sustenu erkennen, weshalve dit rechtens vaststaat tussen partijen.

Overmachtsituatie niet af te wentelen

  1. Ingevolge artikel 49 lid 1 van het Reglement Algemene Politie komt de agent van politie der eerste klasse die in het bezit is van een brigadiersdiploma in aanmerking voor benoeming tot brigadier van politie.

Verzoeker heeft het examen tot het behalen van een brigadierdiploma op  02 februari 2004 met succes afgelegd. De datum van het slagen dus het behalen van de diploma is dus 02 februari 2004, hetgeen uiteraard ook op de diploma is vermeld. Vermelde datum wordt dan  ook gerekend  als ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie. De bewering van verzoeker dat hij geen juiste datum heeft wat betreft zijn bevordering tot  brigadier is dan ook onjuist. Verzoeker stelt dat hij als gevolg van een overmachtsituatie niet kon deelnemen aan het examen van 22 oktober 2003 maar deze pas op 02 februari 2004 heeft kunnen afleggen. Verzoeker wenst dan dezelfde behandeling te krijgen als de groep die op 22 oktober 2003 is geslaagd, doch onterecht. Verweerder betreurt het ten zeerste  dat verzoeker zijn woning is afgebrand en dat verzoeker als gevolg hiervan zijn  examen niet op 22 oktober 2003 heeft kunnen afleggen, doch kan deze overmachtsituatie van verzoeker niet toegerekend worden aan  verweerder. Echter is verweerder verzoeker juist tegemoet gekomen door hem in de gelegenheid te stellen een inhaalexamen te maken, gezien zijn situatie toen.

Doch dat het een datum van een inhaalexamen betreft, betekent niet dat de ingangsdatum van de bevordering van verzoeker met terugwerkende kracht moet worden vastgesteld tot 22 oktober 2003. Immers indien de ingangsdatum van de bevordering diende in te gaan op 22 oktober 2003,  betekent dit dat verzoeker nog bedoeld examen nog niet had afgelegd en de daarbij behorende diploma ook niet had gehaald en dus niet in aanmerking kwam voor de  bevordering. Dat zou dus betekenen dat hij bevorderd zou zijn zonder het afgelegd diploma en daarbij behorende diploma. Dit zou niet correct zijn. De ingangsdatum blijft de datum waarop het examen is afgelegd en behaald, zijnde 2 februari 2004.

  1. Verweerder dient te handelen krachtens de wet, meer nog daar een enkele  toestemming zal leiden tot ontevredenheid onder velen, dan wel tot meerdere dergelijke  gevallen waarbij geëist zal worden dat eens gelijk beslist moet worden. Verzoeker heeft op 02 februari 2004 zijn examen behaald, en wordt deze datum dus als zijn examendatum beschouwd;

Rangorde na examen

  1. Krachtens artikel 53 lid 4 van het Reglement Politie wordt bij de rangorde gelet op de ingangsdatum van de benoeming. Verzoeker heeft bedoelde opleiding op 02 februari  2004 met succes afgerond en heeft hiermee dus voldaan aan artikel 49 lid 1 van vermelde wet. Naar aanleiding hiervan is te rekenen van die datum de benoeming geschied. De ingangsdatum voor de bevordering tot Brigadier van Politie is derhalve 02 februari 2004.

Artikel 53 lid 3 van vermelde wet geeft voorts aan dat de rangorde in een rang of klasse door de aanvangsdatum van de anciënniteit (lees: ingangsdatum van de bevordering) wordt bepaald. Met andere woorden eerder geslaagden worden boven de later geslaagden geplaatst. De rangorde met betrekking tot verzoeker heeft dan ook krachtens de wet en zijn  examendatum plaats gevonden.

  1. Verwijzend naar artikel 56 van vermelde wet heeft verweerder hiermee gedoeld op lid 3, in welk artikel is aangegeven welke datum als examendatum geldt namelijk de op de diploma vermelde datum. Met de verwijzing naar artikel 56 heeft verweerder derhalve niet gemeend het eerste lid, doch de derde. Aan hetgeen verzoeker in het 8ste en 9e sustenu van  zijn inleidend rekest heeft gesteld, dient dus voorbij te worden gegaan.

Nietigverklaring besluit/Wijziging beschikking

  1. Het onder A en B  gevorderde kan niet worden toegewezen en wel om de volgende  redenen:
  2. dat verzoeker zijn examen op een latere datum heeft moeten afleggen, kan niet toegerekend worden aan verweerder,
  3. dat verzoeker een inhaalexamen heeft afgelegd, betekent niet dat de slagingsdatum met terugwerkende kracht wordt vastgesteld,
  4. het beklag van verzoeker is niet binnen het door de wet bepaalde termijn ingesteld,
  5. de brief dd. 19 december 2006 kan niet aangemerkt worden als besluit in de zin van  artikel 79 c.q. 80 Personeelswet. De beschikking dd. 14 mei 2004 is het besluit, 
  6. verweerder dient krachtens de wet en de examendatum te handelen bij de  rangordebepaling.

Overwegende dat verweerder op deze gronden heeft geconcludeerd:

dat verzoeker niet ontvankelijk  zal worden verklaard in zijn vordering, althans dat  zijn vordering zal worden afgewezen als te zijn ongegrond en onbewezen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hovens beschikking van 3 april 2007 ten dage voor verhoor van partijen bepaald in Raadkamer zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, advocaat Mr.F.F.P.Truidemanen, advokaat Mr.R.Sohansingh, gemachtigde van de Staat Suriname en mevr.Lucretia E.P.Redan, Hoofdinspecteur van Politie in de funktie van Human Resource Manager van het Korps Politie Suriname namens verweerder, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte  – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van partijen de zaak bij pleidooi nader hebben toegelicht en verdedigd, waarna het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof naar aanleiding van het zijdens verweerder gedaan beroep op het formeel verweer bij antwoord pleidooi de dato 16 juni 2007 opmerkt, dat beklag binnen de administratie één der rechtsmiddelen is van de landsdienaar c.q. ambtenaar tegen een administratieve handeling c.q. een administratief besluit; het Hof is geen enkele wettelijke bepaling bekend die de  landsdienaar zou verplichten van  voormeld rechtsmiddel in voorkomende gevallen gebruik te maken;

Overwegende, dat het Hof het formeel verweer van verweerder dan ook gelijk besproken heeft en het verwerpt;

Overwegende, wijders, dat hetgeen van het Hof van Justitie als gerecht in ambtenarenzaken kan worden gevorderd limitatief omschreven is in artikel 79 van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985);

Overwegende, dat het besluit van de Minister van Justitie en Politie de dato 19 december 2006 strekkende tot plaatsing van verzoeker op de ranglijst niet valt onder die limitatieve opsomming; toewijzing van het in onderdeel A van het petitum gevorderde kan daarom al niet volgen;

Overwegende, dat het Hof ten aanzien van het gevorderde in onderdeel B van het petitum opmerkt, dat het krachtens artikel 79 lid 1 sub a van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) wel de bevoegdheid zou hebben het ten aanzien van verzoeker als zodanig genomen besluit (gedateerd 14 mei 2004 [nummer 1]) als bedoeld in artikel 79 lid 2 nietig te verklaren en een termijn te stellen, waarbinnen een nieuw besluit overeenkomstig zijn uitspraak zou moeten worden genomen, indien deze vordering op de wijze zoals aangegeven en tijdig was ingesteld;

Overwegende, dat nu zulks  niet het geval is zal het Hof verzoeker niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, bespreking van de overige stellingen van partijen als niet langer relevant geheel in het midden latend;

 RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering;

 

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor en Mr.H.E.Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 3 augustus 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier. 

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh                w.g.J.R.Von Niesewand

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.R.Denz namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.F.F.P.Truideman en verweerder vertegenwoordigd door advokaat Mr.S.Bikharie namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.R.Sohansingh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

                                                                                               M.H.                                                                

 

SRU-HvJ-2007-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
A-629

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aan de Einaarstraat no. 8, ten kantore van mr. F.F.P. Truideman, voor wie als gemachtigde optreedt, mr. F.F.P. Truideman, advokaat,
verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo,
verweerder,

De President spreekt in deze zaak in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend) Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken;

Gehoord partijen;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Overwegende, dat [verzoeker] zich bij verzoekschrift tot het Hof heeft gewend, daarbij stellende:

  1. dat de verzoeker de navolgende rechtsvordering wenst in te stellen tegen De Staat Suriname, rechtspersoon, met name Het Ministerie van Openbare Werken, ten deze vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende aan de Henck Arronstraat no. 3 te Paramaribo, verweerder;
  2. dat de verzoeker sedert het jaar 1985 in dienst van de verweerder is getreden en dus ambtenaar is in de zin van de Personeelswet;
  3. dat de verzoeker de jure de functie heeft van Onder-Directeur Bouwkundige Werken, zoals moge blijken uit de resolutie d.d. 31 januari 1986 [nummer 1], maar reeds langer dan een jaar de functie waarneemt van Directeur Civieltechnische Werken en als zodanig reeds langer dan een jaar als zodanig is opgetreden, terwijl terzake wordt verwezen naar 2 stukken d.d. 30 december 1996 en 9 juli 1997, met het verzoek de inhoud van deze stukken als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  4. dat de verzoeker vanaf 17 september 1996 deze functie van Directeur Civieltechnische werken daadwerkelijk heeft waargenomen, zoals moge blijken uit het schrijven van de toenmalige Minister van Openbare Werken d.d. 17 september 1996 [nummer 2], met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen;
  5. dat de verzoeker de verweerder herhaalde malen heeft geschreven hem overeenkomstig artikel 22 lid 1 juncto artikel 22 lid 4 PW (lees: Personeelswet) in aanmerking te doen komen voor een waarnemingstoelage, laatstelijk nog bij schrijven van 5 juli 2006, met het verzoek de inhoud ervan als hier ingelast en geïnsereerd te willen beschouwen en heeft de verweerder desondanks nagelaten over te gaan om een waarnemingstoelage aan de verzoeker uit te keren overeenkomstig artikel 22 lid 1, juncto artikel 22 lid 4 van de PW, hetgeen een ernstige schending is van het beginsel van de rechtszekerheid, die eigen is aan de Personeelswet;
  6. dat de verzoeker dan ook gerechtigd is met toepassing van artikel 80 lid 2 onder c van de Personeelswet zich tot Uw Hof te wenden om de verweerder terzake te veroordelen, die rechtshandelingen te verrichten met betrekking tot het toekennen van een waarnemingstoelage aan de verzoeker, e.e.a. (lees: een en ander) overeenkomstig artikel 79 lid 1 onder b van de Personeelswet;
  7. dat het de verzoeker niet is gelukt de zaak minnelijk met de verweerder op te lossen;

Overwegende, dat verzoeker op deze gronden heeft gevorderd;

dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de verweerder zal worden veroordeeld om die handelingen te verrichten, waardoor de verzoeker over de periode 17 september 1996 tot het moment waarop de [naam 1] weer tot Directeur Civieltechnische Werken van het Ministerie van Openbare Werken is benoemd een waarnemingstoelage wordt toegekend, zijnde het verschil tussen zijn salaris en dat van het salaris verbonden aan functie van Directeur van het Ministerie met emolumenten; kosten rechtens;

Overwegende, dat van de Staat Suriname binnen de wettelijke gestelde termijn geen verweerschrift ter Griffie is binnengekomen;

Overwegende, dat ingevolge s’ Hoven beschikking van 1 augustus 2007, ten dage voor verhoor van partijen bepaald, in Raadkamer d.d. 17 augustus 2007 zijn verschenen, verzoeker in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. F.F.P. Truideman, advocaat, die hebben verklaard gelijk in het daarvan opgemaakte – hier als ingelast te beschouwen – proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat het Hof vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat, naar blijkt uit het procesdossier, verzoeker, gebruikmakend van het rechtsmiddel van beklag binnen de administratie, bij klaagschrift, gedateerd 5 juli 2006, op grond van feiten, daarin gesteld, de President van de Republiek Suriname als hoger gezag het verzoek heeft gedaan die handelingen te verrichten dat hem, verzoeker, conform het in artikel 22 lid 1 juncto artikel 22 lid 4 van de Personeelswet, over de periode 17 september 1996, tot de datum, waarop de direkteur van Openbare Werken, direktoraat civieltechnische Werken, [naam 1], zijn werkzaamheden zou hebben hervat, een waarnemingstoelage wordt toegekend;

Overwegende, dat, artikel 78 lid 2 sub b van de Personeelswet, waar klager naar verwezen heeft in het klaagschrift, ervan uitgaat dat een orgaan mede geacht wordt een besluit te hebben genomen indien het niet binnen zes maanden uitdrukkelijk heeft beslist op een ingediend verzoek;

Overwegende, dat het zojuist overwogene inhoudt dat de President van de Republiek Suriname beslist heeft en wel afwijzend, nu hij niet binnen de termijn van zes maanden na 5 juli 2006, en wel op 5 januari 2007, heeft beslist;

Overwegende, dat verzoeker van voormelde afwijzing welke als een beslissing van de President van de Republiek Suriname wordt aangemerkt, binnen een maand na 5 januari 2007, d.i. op 4 februari 2007, de burgerlijke rechter, met name het Hof van Justitie, had moeten adiëren;

Overwegende evenwel, dat het verzoekschrift blijkens aantekening van de Griffier pas op 15 februari 2007 op de Griffie van het Hof van Justitie is ingekomen, dus 11 dagen later;

Overwegende, dat het zo juist overwogene tot gevolg heeft dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn vordering;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn vordering.

Aldus gewezen door de heren: mr. J.R. von Niesewand, President, mr. D.D. Sewratan en mr. H.E. Struiken, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 19 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Brijobhokun, Fungerend-Griffier.

 

w.g. R.R. Brijobhokun w.g. J.R. von Niesewand

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen, advocaat mr. H.H. Veldkamp namens advocaat mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoeker, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiger is verschenen.

M.H.

Voor afschrift

De Griffier van het Hof van Justitie,

M.E. van Genderen-Relyveld.

 

SRU-HvJ-2007-4

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-568

[Verzoeker], wonende te [plaats] aan [adres], ten deze domicilie kiezende aldaar bij het Advokatenkantoor van Dijk-Silos, gevestigd aan de Prins Hendrikstraat no.40, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, advokaat,

verzoeker,

t e g e n

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Binnenlandse Zaken, ten deze vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te zijner Parkette aan de Henck Arronstraat no.3, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr.A.R.Baarh, advokaat,

verweerder,

De President spreekt in deze zaak in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit:

(Betalend)

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien `s Hovens interlocutoir vonnis van 5 mei 2006 tussen partijen gewezen en uitgesproken;

TEN AANZIEN VAN DE FEITEN:

Verwijzende naar en overnemende hetgeen bereids in ’s Hovens voormeld vonnis is overwogen en beslist en voorts;

Overwegende, dat de bevolen comparitie van partijen niet is gehouden, waarna de zaak verwezen is naar de rolzitting van 7 juli 2006 voor uitlating zijdens verzoeker;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 5 januari 2007, advokaat Mr.Dr.J.V.van Dijk-Silos, gemachtigde van verzoeker een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating onder overlegging van een produktie heeft genomen, waarvan de inhoud alsmede die van de overgelegde produktie hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 20 april 2007, advokaat Mr.A.R.Baarh, gemachtigde van verweerder een hier als geinsereerd aan te merken schriftelijke conclusie tot uitlating heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat het Hof hierna vonnis in de zaak heeft bepaald op heden.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT:

Overwegende, dat het Hof volhardt bij het tussenvonnis van 5 mei 2006 en hetgeen dienaangaande is overwogen;

Overwegende, dat nu partijen telkens ten dage waarop de bij gemeld tussenvonnis gelaste inlichtingen- en verenigingscomparitie van partijen moest worden gehouden niet zijn verschenen doch steeds bij monde van hun procesgemachtigden om uitstel vroegen blijkbaar om tot een schikking te geraken welk verzoeken – ook door het Hof werden ingewilligd, doch die schikking niet tot stand gekomen is zal het Hof thans aan het gedaan verzoek gevolg gevend, recht doen als na te melden;

Overwegende, dat verzoeker onder overlegging van een overzicht van zijn – verzoekers – tegoeden bij Conclusie tot vermindering van eis de dato 4 november 2005, van welk overzicht de inhoud als in dit vonnis letterlijk herhaald en geinsereerd wordt aangemerkt, gevorderd heeft verweerder te veroordelen tot betaling aan hem – verzoeker – van het bedrag van SRD 36.509.84,– aan salaris en emolumenten;

Overwegende, dat nog daargelaten dat, verweerder bij Conclusie tot Uitlating de dato 20 april 2007 niet slechts de juistheid van de door verzoeker gevolgde procedure in de onderhavige zaak doch ook zijn gehoudenheid tot betaling van het van hem gevorderde bedrag, als onjuist en in strijd met de terzake geldende wettelijke bepalingen heeft bestreden, het Hof ten aanzien van het van verweerder gevorderde bedrag bovendien nog opmerkt, dat het ingevolge artikel 79 lid 1 sub b van de Personeelswet (Geldende Tekst 1985) slechts bevoegd is tot kennisneming van vorderingen tot vergoeding van schade, welke voor een ambtenaar is voortgevloeid uit een besluit of handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde (cfm Hof van Just. 2 okt.1970 inz.Mol tegen Rijcksdeel Suriname);

Overwegende, dat nu verzoeker zodanig besluit of dergelijke handeling niet heeft gesteld en daarvan ook niet gebleken is, zal verzoeker in zijn daartoe strekkende vordering alsnog niet worden ontvangen;

RECHTDOENDE IN AMBTENARENZAKEN:

Verklaart verzoeker alsnog niet – ontvankelijk in zijn verminderde vordering;

Aldus gewezen door: Mr.J.R.Von Niesewand, President, Mr.K.Pultoo en Mr.Drs.C.C.L.A.Valstein-Montnor, Leden en door de President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 4 mei 2007, in tegenwoordigheid van Mr.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh, Fungerend-Griffier.

w.g.G.A.Kisoensingh-Jangbahadoersingh w.g.J.R.Von Niesewand

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advokaat Mr.J.C.P.Nannan Panday namens zijn gemachtigde, advokaat Mr.Dr.J.V.vanDijk-Silos en verweerder vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr.A.R.Baarh, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

M.H.