SRU-HvJ-2021-46

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in het Huis van Bewaring (HvB),
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift gedagtekend 06 mei 2021 ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 07 mei 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 27 mei 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 02 juni 2021 om 10.00 uur des voormiddags;
1.3. de behandeling is vervolgens vanwege de maatregelen in het kader van de Covid-19 pandemie verdaagd naar 16 juni 2021 en in verband met deze maatregelen heeft het Hof derhalve het Openbaar Ministerie (hierna: het O.M.) de gelegenheid geboden om haar reactie naar aanleiding van het bezwaarschrift op schrift te stellen, mondeling toe te lichten en ter zitting ten processe over te leggen, waarna het bezwaarschrift op de stukken is afgehandeld;
1.4. de beslissing is door het Hof op 16 juni 2021 in het openbaar uitgesproken.

2. De feiten
2.1. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter d.d. 24 maart 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht.
2.2. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter heeft de advocaat van [naam] appèl ingesteld en is op 21 mei 2018 door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren.
2.3. Voorts is [naam] bij de Kantonrechter d.d. 12 juni 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar onvoorwaardelijk. Ook tegen dit vonnis heeft [naam] appèl ingesteld en is door het Hof op 17 maart 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar.
2.4. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling heeft [naam] reeds twee/derde deel van zijn straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij niet in vrijheid is gesteld en dat hij er van uit gaat dat zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (hierna: V.I.) aldus is geweigerd. Aan [naam] is nimmer enige beschikking of beslissing uitgereikt en is het voor hem niet duidelijk wanneer de beroepstermijn van 14 dagen is verstreken. [naam] heeft een briefje ontvangen van de directeur van de inrichting waar hij is ingesloten, waarbij uit de inhoud blijkt dat het om een fictieve afwijzing van zijn V.I. gaat. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing casu quo weigering van zijn V.I. en komt daartoe bij het Hof in beroep op grond van artikel 33 Sr. en dient daartoe dit bezwaarschrift in.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat zij zich verzet tegen het verzoek van de advocaat van de veroordeelde en het Hof vraagt om het verzoek van de advocaat af te wijzen vanwege het feit dat de veroordeelde een recidivist is en zich tevens schuldig heeft gemaakt aan interne tuchtstraffen binnen de Inrichting gedurende zijn detentie. Zulks in combinatie met de ernst van de strafbare feiten waarvoor [naam] in casu gevonnist is, wordt door de vervolging gezien als valide grond om aan te geven dat [naam] nog niet gereed is voor zijn terugkeer in de samenleving.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 17 maart 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn. In dit specifiek geval wordt de zaak naar aanleiding van de maatregelen in verband het Covid-19 virus op de stukken afgedaan en is er op grond van klemmende redenen in het belang van de volksgezondheid in het algemeen afgeweken van de door de wetgever aangegeven wijze van behandeling van het bezwaarschrift.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ervan uit dient te worden gegaan dat de V.I. geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling op 21 januari 2013 heeft [naam] op 31 mei 2020 reeds twee/derde deel van zijn straf uitgezeten. Immers is twee derde van de opgelegde straf gelijk aan 7 jaren en 4 maanden. Het bezwaarschrift is op 07 mei 2021 ingediend en is derhalve de termijn van veertien dagen rijkelijk overschreden. Evenwel werd de strafzaak van [naam] in mei 2020 nog behandeld en is pas beëindigd middels een beslissing van het Hof op 17 maart 2021. Ingevolge de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht moet de termijn van veertien dagen door de rechter naar redelijkheid en billijkheid worden geïnterpreteerd en daartoe overgaand ziet het Hof aanleiding om [naam] ontvankelijk te verklaren. Immers betreft het in casu een fictieve weigering en wist [naam] in mei 2020 nog niet wat de uitkomst zou zijn van zijn strafzaak. Nu hij daar duidelijkheid over heeft verkregen in maart 2021 is hij niet tardief met het indienen van zijn bezwaarschrift in mei 2021.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Het Hof overweegt dat de V.I. achterwege wordt gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. Daarnaast leidt een redelijke en billijke afweging van het belang van [naam] op terugkeer in de samenleving afgezet tegen het belang van beveiliging van de samenleving naar het oordeel van het Hof tot de slotsom dat [naam] in concreto thans nog geen aanspraak maakt op terugkeer in de samenleving.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat gebleken is dat één of meer van de in artikel 30a lid 1 Sr. genoemde gronden die aanleiding kunnen geven tot uitstel of achterwege laten van de V.I. zich voordoen, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu van recidivegevaar zijdens [naam] – mede gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – wel gebleken.
5.4.3. Gebleken is dat [naam] achtereenvolgens heeft uit te zitten twee gevangenisstraffen van in totaal 11 jaren (respectievelijk acht om drie jaren) en is [naam] een recidivist. Als klap op de vuurpijl heeft hij tijdens het uitzitten van zijn straf zich binnen de inrichting zeer ernstig misdragen door deel te nemen aan een gevangenisopstand waarbij ook de penitentiaire ambtenaren en de aangerukte politiemannen te verduren hebben gekregen. Daarnaast heeft [naam] ook verschillende malen interne tuchtstraffen moeten ondergaan ter zake van, onder andere, wangedrag, bedreiging casu quo vechtpartij en mishandeling van een lotgenoot en zelfs opstandig gedrag.
5.4.4. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat het bezwaar van [naam] ongegrond is. Ingevolge het bepaalde in artikel 30a lid 1 sub c Sr. leveren ernstige misdragingen gedurende de detentie een weigeringsgrond op en is [naam] in de visie van het Hof terecht niet in aanmerking gekomen voor V.I.

6. De beslissing
Het Hof:

Verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 16 juni 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-8

Beslissing

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige strafkamer
Parketnummer: [nummer]
Beslissing van 31 augustus 2022

Op het verzoek tot herziening ingediend door:

[Naam 1],
wonende aan de Kokospalmstraat no. 18 te Paramaribo,
verzoeker,
mr. N.A.S. Ramnarain, advocaat bij het Hof van Justitie,

Het verzoek tot herziening is gericht tegen het (verkort) vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 23 februari 2021 (hierna: het vonnis), waarbij verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat verzoeker zich voor het einde van een hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat de tijd die door verzoeker vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 14 juli 2018 tot en met 19 juli daaraanvolgend, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Vervolgens heeft de Kantonrechter de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag ad SRD 1.500, – aan de benadeelde en de gevangenneming van verzoeker bevolen.

1. Procesverloop
1.1. Verzoeker heeft op 23 februari 2022 het verzoekschrift strekkende tot herziening van het vonnis ingediend bij het Hof van Justitie (hierna: het Hof).
1.2. Vervolgens heeft het Hof op heden beschikking gegeven.

2. Het standpunt van de verzoeker
2.1. Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – kort gezegd – het volgende aangevoerd:
• verzoeker is ter zake artikel 371 jo 72 Sr en/of artikel 371 jo 72 Sr aangehouden en in verzekering gesteld en alzo is de vervolging tegen verzoeker ingezet;
• verzoeker is reeds bij de voorgeleiding ten overstaan van de officier van Justitie in vrijheid gesteld althans is de aan hem opgelegde vrijheidsbenemende maatregel opgeschort jegens verzoeker. En is verzoeker steeds verschenen op de zitting behoudens overmacht, hetzij door ziekte of door het feit dat de Kantonrechter de zitting had uitgesteld;
• zeer opmerkelijk is dat de toenmalige behandelende Kantonrechter, mr. S. Wijnhard, op de zitting, waarbij het getuigenverhoor van de verbalisant [naam 2] gehouden is, betrokkene na het doen van diens verklaring aan de Kantonrechter in verband met de opsporingshandeling door hem verricht ook de nodige reprimande ter terechtzitting gegeven door de Kantonrechter voornoemd, temeer deze getuige aan de Kantonrechter te kennen heeft gegeven dat verzoeker in beeld is gebracht omdat hij bekend zou zijn bij de verbalisant en niet op grond van feiten en/of omstandigheden die sterk het vermoeden doen rijzen dat hij daadwerkelijk had deelgenomen aan de ten laste gelegde feiten;
• enerzijds worden de medeverdachten in deze zaak op verzoek van het Openbaar Ministerie ook vrijgesproken terwijl verzoeker anderzijds op grond van de verklaringen afgelegd door bedoelde medeverdachten wel gebruikt als steekhoudend en overtuigend bewijs ten aanzien van de persoon van verzoeker;
• pas in de maand maart 2021 en wel na het verstrijken van de vervaldag voor het indienen van Hoger Beroep is aan de advocaat van verdachte medegedeeld wat de uitspraak is en dat de uitspraak is gewezen op 23 februari 2021, onder meer inhoudende dat verdachte veroordeeld is geworden tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, teruggave van het voertuig en betaling van SRD 1.500,- aan de benadeelde. Hiermede is dan het grondrecht van de verzoeker op een eerlijk proces hem ontnomen door hem veel te laat te melden wat de uitspraak van de Kantonrechter is;
• letten we op de uitspraak van de Kantonrechter d.d. 23 februari 2021 betreffende het voertuig van verzoeker dan merkt verzoeker op dat het voertuig reeds hangende het onderzoek ter terechtzitting op last van de Kantonrechter en dus ruim vooraf aan de uitspraak in deze zaak, reeds aan hem is teruggegeven. Dit impliceert dat de Kantonrechter geheel ten onrechte in haar uitspraak vervat de teruggave van het voertuig aan verzoeker. Derhalve behoeft deze misvatting casu quo rechtsdwaling van de Kantonrechter herziening;
• Daarnaast legt verzoeker over foto’s in kleur van zijn voertuig dat op last van de Kantonrechter mr. S. Wijnhard ruim vooraf aan de datum van uitspraak aan hem is teruggegeven. Uit deze foto’s is duidelijk waarneembaar dat het voertuig een bruine dan wel lichtbruine voorstoot balk heeft en geen zwarte voorstootbalk als de verbalisant in de processen-verbaal heeft vermeld. Dit geheel in tegenstelling met de uiterlijke kenmerken van het voertuig die door verbalisant zijn vermeld op grond waarvan verzoeker als verdachte in beeld zou zijn gebracht. Het opmerkelijke is dat de kleur zwart verschilt van de kleur bruin. Derhalve kan dit laatste dan ook niet als steekhoudend bewijs dienen. Daarenboven kan het nimmer zo zijn dat verzoeker op de PD aanwezig was temeer de gesignaleerde beelden en verklaringen van getuigen alsook de verbalisant aangeven dat er sprake moet zijn geweest van een voertuig betrokken bij de diefstal voorzien van een zwart gelakte voorstoot balk en dus duidelijk geen bruine voorstootbalk;
• daarnaast is in het strafdossier door de verbalisant voornoemd melding gemaakt dat hij van getuigen zou hebben vernomen dat de gestolen buitenboord motor aan ene [naam sloperij] sloperij zou zijn verkocht. Uit het proces-verbaal van plaatselijk onderzoek waar de ene [naam sloperij] sloperij volgens de verbalisant zou moeten zijn gevestigd blijkt dat de verbalisant te kennen geeft dat die [naam sloperij] sloperij niet bestaat althans gesloten zou zijn en niemand aldaar is aangetroffen. Zeer opvallend is dat deze verbalisant er niet voor kiest een nader onderzoek te verrichten. Verzoeker heeft de nodige verificatie gepleegd en uit het bijgaande KKF-uittreksel is duidelijk dat aan de [straatnaam], alwaar de verbalisant in het proces-verbaal aangeeft dat de sloperij [naam sloperij] is gezocht, slechts een winkel van auto onderdelen staat ingeschreven alwaar de verbalisant naar zijn proces-verbaal vermeldt, het plaatselijk onderzoek zou hebben gedaan. Deze onderdelenzaak bestaat vanaf juli 2014 en er zijn geen andere sloperijen in de betrekkelijke buurt. Aldaar is er geen [naam sloperij] sloperij zodat de verklaring van de verbalisant reeds op grond hiervan ter zake het plaatselijk onderzoek geen doel treft dan wel in strijd met de waarheid is;
• gelet op het vorenstaande dienen de vermelde feiten en omstandigheden als een novum ex artikel 368 WSr te worden aangemerkt zodat het verzoek tot herziening in het onderhavige gegrond dient te worden verklaard. Immers, de medeverdachten zijn op grond van dezelfde gebezigde bewijsmiddelen in deze zaak vrijgesproken, terwijl verzoeker anderzijds wel wordt veroordeeld op grond van die bedoelde bewijsmiddelen en tegenstrijdigheden in het strafdossier. Een dergelijke beslissing van de Kantonrechter is zoals eerder gesteld in strijd met de wet en biedt ex artikel 368 lid 1 WSr grond op voor herziening van het vonnis;
Op basis van het bovenstaande heeft de verzoeker zich tot het Hof gewend met het verzoek om het revisieverzoek van het vonnis ongegrond te verklaren en opnieuw rechtdoende verzoeker, vanwege het niet wettig en overtuigend bewezen achten van zijn aandeel in de ten laste gelegde feiten en/of omstandigheden, van de gehele tenlastelegging vrij te spreken.

3. De beoordeling
3.1. De strafkamer van het Hof gaat uit van de volgende feiten:
3.1.1. Verzoeker is op 14 juli 2018 in verzekering gesteld en vervolgens op 19 juli 2018 in vrijheid gesteld;
3.1.2. Het Openbaar Ministerie heeft verzoeker vervolgens gedagvaard voor de terechtzitting d.d. 1 november 2018 ter zake van het medeplegen van gekwalificeerde diefstal dan wel medeplichtigheid daaraan;
3.1.3. De Kantonrechter heeft op 23 februari 2021 uitspraak gedaan in de strafzaak waarbij verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat verzoeker zich voor het einde van een hierbij op 3 jaren bepaalde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Voorts heeft de Kantonrechter bepaald dat de tijd die door verzoeker vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak vanaf 14 juli 2018 tot en met 19 juli daaraanvolgend, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Vervolgens heeft de Kantonrechter de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag ad SRD 1.500, – aan de benadeelde en de gevangenneming van verzoeker bevolen.
3.2. Het Hof begrijpt dat verzoeker een beroep doet op het bepaalde in artikel 386 WvSv en vat het beroep van verzoeker op het bepaalde in artikel 368 WvSr op als een kennelijke verschrijving. In artikel 386 WvSv zijn de gronden van het buitengewoon rechtsmiddel van herziening aangegeven. In casu beroept verzoeker zich op een novum casu quo rechtsdwaling casu quo misvattingen zijdens de Kantonrechter. Ingevolge het bepaalde in artikel 388 WvSv dient het verzoek te vermelden de omstandigheid waarop zij steunt met opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken;
3.3. Naar het oordeel van het Hof is in casu niet voldaan aan hetgeen in artikel 386 WvSv is aangegeven met betrekking tot de gronden voor herziening van een vonnis. Hetgeen verzoeker als novum kwalificeert verdient in de visie van het Hof niet de kwalificatie van een novum en evenmin blijkt er sprake te zijn van bewezenverklaringen welke niet overeen zijn te brengen. Rechtsdwaling casu quo misvattingen zijdens de Kantonrechter leveren geen grond op voor herziening van een vonnis. Al hetgeen verzoeker in het verzoekschrift heeft aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet gecategoriseerd worden onder het bepaalde in artikel 386 WvSv;
3.4. De slotsom waar al het voorgaande toe leidt is dat het verzoek tot herziening van het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 23 februari 2021 ongegrond is en dient te worden afgewezen.

4. Beslissing
4.1. Wijst af het verzoek tot herziening;

Aldus gegeven te Paramaribo in raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 31 augustus 2022 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2022-7

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING EX ARTIKEL 24 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het bezwaarschrift met bijagen d.d. 11 juli 2022 afkomstig van de advocaat van de klager, mr. B.A.H. Pick, namens de klager [naam] en gericht aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) en ertoe strekkende om op grond van het bepaalde in artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de beslissing d.d. 07 juli 2022 van de officier van justitie te vernietigen en te bevelen dat aan de verdachte casu quo zijn raadsman volledige afschriften van alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden verstrekt;

Gelezen de schriftelijke reactie van de vervolgingsambtenaar d.d. 15 juli 2022 waarin die primair concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van klager en secundair concludeert tot afwijzing van het beklag/verzoek van de advocaat van de verdachte Bilici, Mehmet (die illegaal in het land vertoeft);

Overwegende, dat uit het bezwaarschrift en uit de door de klager overgelegde documenten het volgende is gebleken:

1. klager is op 23 juni 2022 in verzekering gesteld;

2. op 24 juni 2022 heeft de raadsman van klager zich schriftelijk als raadsman gesteld en tevens het verzoek gedaan om te kunnen beschikken over volledige afschriften van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waarop niet is gereageerd door de vervolging;

3. op 04 juli 2022 is een rappelschrijven naar de vervolging verzonden met het dringend verzoek de volledige afschriften alsnog op te sturen;

4. Bij schrijven d.d. 07 juli 2022 heeft de vervolgingsambtenaar ex artikel 22 Sv aan klager en zijn raadsman aangegeven dat in het belang van het onderzoek de aan de raadsman verstrekte stukken niet volledig zijn;

Overwegende, dat bovenvermeld bezwaar is gebaseerd op het bepaalde in artikel 24 Sv. en de vervolgingsambtenaar heeft in haar schriftelijke reactie primair aangegeven dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek omdat hij de beroepstermijn van 3 dagen, zoals vastgelegd in artikel 24 Sv heeft overschreden. Secundair heeft de vervolging geconcludeerd tot afwijzing van het beklag/verzoek van klager;

Overwegende, dat het Hof met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervolging tot de slotsom komt dat door de vervolging niet middels verificatoiren is onderbouwd dat de advocaat van klager op 07 juli 2022 reeds over de beslissing ex artikel 22 Sv beschikte. De advocaat daarentegen heeft aangevoerd dat hij op 08 juli 2022 de beslissing heeft ontvangen. In casu zal het Hof het ervoor houden dat de advocaat van klager op 08 juli 2022 de beslissing ex artikel 22 Sv heeft ontvangen nu er geen indicaties voor het bewijs van het tegendeel aanwezig zijn dan een blote mededeling zijdens de vervolging. Met de indiening van het bezwaarschrift op 11 juli daaraanvolgend is klager derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar. Het daartoe strekkend verweer van de vervolging zal worden verworpen;

Overwegende, dat bij de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, naar het oordeel van het Hof de vervolging in casu voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in het belang van het onderzoek en van de waarheidsvinding en mede gelet op de fase waarin het onderzoek zich thans bevindt, afgezet tegen de aard en ernst van de beschuldigingen aan het adres van klager, de genomen beslissing door de vervolging tot het (gedeeltelijk) onthouden van processtukken aan de verdediging gerechtvaardigd is. Het daartoe strekkend bezwaar zijdens de verdediging is derhalve naar het oordeel van het Hof ongegrond gebleken. Immers betreft het ingevolge het bepaalde in artikel 22 lid 2 Sv een schriftelijke mededeling aan de verdediging en behoeft dat in de visie van het Hof niet nader gemotiveerd te worden. Daarnaast heeft de klager aangevoerd dat er vertrouwen bij hem is gewekt dat hij over alle processtukken zou kunnen beschikken nu er alleen een beperking ex artikel 40 lid 4 Sv was opgelegd. Naar het oordeel van het Hof dient voormeld vertrouwen als ongerechtvaardigd gekwalificeerd te worden aangezien een beperking ex artikel 40 lid 4 Sv een beslissing ex artikel 22 Sv niet uitsluit. Het Hof acht voormelde grondslag voor het bezwaar ongegrond;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen, met name artikel 24 Sv;

BESCHIKKENDE:

Verklaart het bezwaar van klager ongegrond;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie van Suriname op woensdag 20 juli 2022 door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-45

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd 19 mei 2021, met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 21 mei 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 27 mei 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 02 juni 2021 om 11.00 uur des voormiddags;
1.3. de behandeling ter openbare zitting is vanwege bijzondere omstandigheden aangehouden tot 16 juni 2021;
1.4. het proces-verbaal gedateerd 16 juni 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.5. de uitspraak heeft op 16 juni 2021 om 11.00 uur des voormiddags in het openbaar plaatsgevonden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 28 juni 2011 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk diefstal middels geweldpleging de dood ten gevolge hebbende, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 en 2 sub 2 en lid 3 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 07 mei 2012 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 08 mei 2012.
2.4. Het Hof heeft op 11 januari 2016 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.
2.5. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling d.d. 28 juni 2011 heeft [naam] aldus op of omstreeks 03 mei 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 28 juni 2011 reeds twee/derde (2/3) deel van zijn opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij een beschikking, gedateerd 01 november 2020, heeft ontvangen afkomstig van de Minister van Justitie en Politie met als onderwerp “Afwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling”. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en hem in aanmerking te doen komen voor V.I.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] al twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. [naam] was op 29 april 2013 uit detentie ontvlucht en werd wederom aangehouden op 06 november 2013. [naam] heeft dus de straf voor de duur van bijkans 6 maanden en 7 dagen niet aaneensluitend uitgezeten. Vanwege de ontvluchting is de V.I. datum verschoven naar 03 mei 2021. Gelet op het feit dat [naam] reeds vijf maal is veroordeeld door de kantonrechter en mede gelet op zijn inlichtingenstaat gedurende zijn detentie in de verschillende inrichtingen, heeft de Waarnemend Procureur-Generaal primair aan het Hof gevraagd om [naam] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en secundair het verzoek tot het verlenen van V.I. af te wijzen, daar [naam] meer tijd nodig heeft om te werken aan zijn resocialisatie om deviant gedrag terug te dringen.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 11 januari 2016 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie ex artikel 30a Sr. waarbij er wel een beslissing aan [naam] is uitgereikt en diende [naam] derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. binnen veertien dagen daarna een bezwaarschrift in te dienen bij het Hof. Nu [naam] de beslissing van de Minister van Justitie en Politie heeft ontvangen op 06 november 2020 en het bezwaarschrift pas op 21 mei 2021 de griffie van het Hof heeft bereikt is [naam] in beginsel tardief met het aantekenen van bezwaar. Evenwel diende ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 4 Sr. aan [naam] een raadsman te worden toegevoegd hetgeen in casu niet heeft plaatsgevonden. Tijdens de behandeling van het eerste bezwaarschrift, gedateerd 06 januari 2021 had de advocaat mr. S.W. Amirkhan, die in de hoedanigheid van waarnemer van mr. M.C.M. Nibte ter openbare zitting aanwezig was, aangevoerd dat de verzoeker toen niet over de financiële middelen beschikte om een advocaat in de arm te nemen. Aangezien de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafrecht aangeeft dat het voor de hand ligt dat de rechter de termijn van veertien dagen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren, is het Hof van oordeel dat in casu naar redelijkheid en billijkheid is voldaan aan de voor indiening van het bezwaarschrift gestelde termijn. Indien de Staat zich aan de wet had gehouden en dienovereenkomstig tijdig aan [naam] een advocaat had toegevoegd was het bezwaarschrift kennelijk wel binnen de door de wetgever gestelde termijn ingediend. Door dit na te laten kan de Staat (lees: het Openbaar Ministerie) zich in de visie van het Hof niet met succes beroepen op overschrijding van de wettelijke termijn. Gelet op al het voorgaande is [naam] derhalve ontvankelijk in het bezwaarschrift.

5.4. Beoordeling van de bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr. reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, doch is uit het onderzoek gebleken dat er in dit geval sprake is van weigeringsgronden ex artikel 30a lid 1 sub c en d Sr.
5.4.2. Het Hof overweegt dat de V.I. – onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr.- ingevolge het bepaalde in artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarden, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de V.I. wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. In casu is bij de behandeling van het bezwaarschrift gebleken dat [naam] zich gedurende zijn detentie herhaaldelijk ernstig heeft misdragen in zowel HvB Santo Boma als in PID alsmede in C.P.I.
5.4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat uit het onderzoek gebleken is dat [naam] zich gedurende zijn detentie niet goed heeft gedragen en herhaalde malen in de fout is gegaan, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irreëel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om [naam] thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

6.2. Weigert de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam].

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 16 juni 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-44

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat,

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd 27 december 2020, met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 06 januari 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 18 januari 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 01 februari 2021 om 09.30 uur des voormiddags;
1.3. vervolgens is bij beschikking van het Hof d.d. 01 februari 2021 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 17 februari 2021 om 12.00 uur des middags;
1.4. de processen-verbaal gedateerd 01 februari 2021 en 17 februari 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.5. de uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 28 juni 2011 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk diefstal middels geweldpleging de dood ten gevolge hebbende, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 en 2 sub 2 en lid 3 juncto artikel 370 van het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 07 mei 2012 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 08 mei 2012.
2.4. Het Hof heeft op 11 januari 2016 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 28 juni 2011 reeds twee/derde (2/3) deel van zijn opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij recentelijk een schrijven heeft ontvangen afkomstig van de Minister van Justitie en Politie met als onderwerp “Afwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling”. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. [naam] heeft daartoe aangegeven dat zijn gedrag goed is geweest tijdens zijn detentie en dat hij binnen de inrichting de rol van voeding corveeër vertolkt. Daarnaast heeft [naam] gesteld dat hij binnen de inrichting als een voorbeeldfiguur wordt gezien.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] nog geen twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. [naam] was op 29 april 2013 uit zijn detentie ontvlucht en werd wederom aangehouden op 06 november 2013. Deze omstandigheid heeft geleid tot de verschuiving van de datum van zijn V.I. Vanwege de ontvluchting is de V.I. datum van [naam] verschoven naar 27 mei 2021.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 11 januari 2016 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie ex artikel 30a Sr. waarbij er wel een beslissing aan [naam] is uitgereikt en diende [naam] derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. binnen veertien dagen daarna een bezwaarschrift in te dienen bij het Hof. Nu [naam] de beslissing van de Minister van Justitie en Politie heeft ontvangen op 06 november 2020 en het bezwaarschrift pas op 06 januari 2021 de griffie van het Hof heeft bereikt is [naam] in beginsel tardief met het aantekenen van bezwaar. Evenwel diende ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 4 Sr. aan [naam] een raadsman te worden toegevoegd hetgeen in casu niet heeft plaatsgevonden. De advocaat mr. S.W. Amirkhan, die in de hoedanigheid van waarnemer van mr. M.C.M. Nibte ter openbare zitting aanwezig was, heeft aangevoerd dat de verzoeker toen niet over de financiële middelen beschikte om een advocaat in de arm te nemen. Aangezien de Memorie van Toelichting op het Wetboek van Strafrecht aangeeft dat het voor de hand ligt dat de rechter de termijn van veertien dagen naar redelijkheid en billijkheid zal interpreteren, is het Hof van oordeel dat in casu naar redelijkheid en billijkheid is voldaan aan de voor indiening van het bezwaarschrift gestelde termijn. Indien de Staat zich aan de wet had gehouden en dienovereenkomstig tijdig aan [naam] een advocaat had toegevoegd was het bezwaarschrift kennelijk wel binnen de door de wetgever gestelde termijn ingediend. Door dit na te laten kan de Staat (lees: het Openbaar Ministerie) zich in de visie van het Hof niet met succes beroepen op overschrijding van de wettelijke termijn. Gelet op al het voorgaande is [naam] derhalve ontvankelijk in het bezwaarschrift.

5.4. Beoordeling van de bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Het Hof overweegt dat de V.I. – onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr.- ingevolge het bepaalde in artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarde, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de V.I. wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. In dit geval heeft [naam] nog geen twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten. Hij is in verzekering gesteld op 28 juni 2011 en is uit zijn detentie ontvlucht op 29 april 2013. [naam] heeft zich dus onttrokken aan zijn detentie voor de duur van bijkans 6 maanden en 7 dagen. Vanwege de ontvluchting van [naam] is zijn V.I. datum thans gesteld op 03 mei 2021 in plaats van 26 oktober 2020.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

6.2. Weigert de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam].

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 17 februari 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING EX ARTIKEL 475 LID 2 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 afkomstig van de Rechter-Commissaris en gericht aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) om op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 2 Wetboek van Strafvordering en het bepaalde in artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976), verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van in beslag genomen stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers, als vermeld in het verzoek, (het Hof begrijpt: aan de Procureur-Generaal) ter beschikking te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten.

Overwegende, dat uit het door de Rechter-Commissaris overgelegde aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 het volgende is gebleken:
– dat de Rechter-Commissaris bij schrijven d.d. 06 juni 2022 aan het Hof had verzocht om op basis van het bepaalde in artikel 475 lid 2 Wetboek van Strafvordering en het bepaalde in artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten. Aan voornoemd schrijven waren de hierna volgende fotokopieën gehecht, te weten:
1. Het rechtshulpverzoek d.d. 22 maart 2022, afkomstig van de officier van justitie, mr. B.S. van Unnik, van het Landelijk Parket Rotterdam in de strafzaak tegen de verdachte [naam];
2. Het referte proces-verbaal betreffende doorzoeking in de woning van de verdachte [naam] alias [bijnaam] aan de [adres 1] op maandag 16 mei 2022, opgemaakt door de inspecteur van politie [verbalisant 1];
3. Het referte proces-verbaal betreffende doorzoeking in de woning van de verdachte [naam] alias [bijnaam] aan de [adres 1] d.d. 16 mei 2022, opgemaakt door de agent van politie tweede klasse, [verbalisant 2];
4. Het referte proces-verbaal opgemaakt op maandag 16 mei 2022 betreffende doorzoeking van het pand/winkelpand van de familie [naam A] aan de [adres 2], waarvan het vermoeden bestond dat [naam] meergenoemd [bijnaam] enige betrekking mee heeft, opgemaakt door de brigadier van politie [verbalisant 3];
5. Het referte proces-verbaal betreffende de overdracht van de in beslag genomen goederen aan de afdeling Financieel Onderzoek Team van het Korps Politie Suriname d.d. 21 mei 2022, opgemaakt door de brigadier van politie [verbalisant 4];
6. Twee processen-verbaal van de doorzoeking (huiszoeking) ter inbeslagneming van 16 mei 2022;
7. De staat van inbeslagname tijdens de doorzoeking op 16 mei 2022;
– dat de Rechter-Commissaris middels het aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 aan het Hof heeft verzocht om alsnog verlof te verlenen om de in de bijlage opgenomen in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht aan de Nederlandse autoriteiten en
– dat het ten aanzien van de in beslag genomen Ipad R 4e generatie, de Toshiba laptop en Dell laptop slechts gaat om het verlenen van verlof tot overdracht van de data en niet het apparatuur aan de Nederlandse autoriteiten.

Overwegende, dat bovenvermeld rechtshulpverzoek is gegrond op:
– de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) en
– het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage,18 mei 1993);

Overwegende, dat voormelde doorzoekingen op 16 mei 2022 ingevolge het bepaalde in artikel 474 Wetboek van Strafvordering zijn verricht door de Rechters-Commissarisen mr. R.H. Elgin en mr. I. Sonai, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt;

Overwegende, dat daarbij met toestemming van de Rechter-Commissaris goederen, documenten en gegevensdragers in beslag zijn genomen, één en ander zoals is verwoord in de bijgevoegde kopie(ёn) van proces(sen)-verbaal van inbeslagname. In casu is ook voldaan aan het bepaalde in artikel 474 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering;

Overwegende, dat het Hof op basis van het referte proces-verbaal betreffende de overdracht van de in beslag genomen goederen aan de afdeling Financieel Onderzoek Team van het Korps Politie Suriname d.d. 21 mei 2022, opgemaakt door de brigadier van politie [verbalisant 4], bij beschikking d.d. 13 juni 2022 verlof heeft verleend om de in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht aan de Nederlandse autoriteiten. Het gaat om de op het adres aan de [adres 1] in beslag genomen goederen, te weten:
a. BB BB Q10 toestel (11.1);
b. BB P9983 toestel (11.5);
c. BB P9983 toestel (11.6);
d. BB Z30 toestel (11.7);
e. BB P9982 toestel (11.8);
f. BB Z10 toestel (11.9A);
g. BB Z10 toestel (11.9B) en
h. 1 x Ipad-PRO gsm 12 inch 1e generatie (11.13);

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris middels het aanvullend verzoek met bijlagen d.d. 26 augustus 2022 aan het Hof heeft verzocht om alsnog verlof te verlenen om de in de bijlage opgenomen in beslag genomen goederen ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht aan de Nederlandse autoriteiten nu er daarvoor bij beschikking d.d. 13 juni 2022 geen verlof is verleend;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof het onderhavige rechtshulpverzoek voor inwilliging vatbaar is, aangezien nòch verdragsrechtelijk (art. 10 lid 2 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken), nòch volgens de nationale wetgeving (art. 471 Wetboek van Strafvordering), er sprake is van een (imperatieve) weigeringsgrond;

Overwegende, dat er naar het oordeel van het Hof geen bezwaar bestaat tegen inwilliging van het aanvullend verzoek van de Rechter-Commissaris d.d. 26 augustus 2022 tot het verlenen van verlof om de door de Rechter-Commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten. Het voorgaande zal echter geschieden onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten zal worden bedongen dat de stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen, met name artikel 475 van het Wetboek van Strafvordering;

BESCHIKKENDE:

A. Verleent verlof aan de Rechter-Commissaris om de hieronder vermelde in beslag genomen stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten:
– De op het adres aan de [adres 1] in beslag genomen goederen en/of gegevensdragers, te weten:

1. zwart verkaste router van het merk COMTREND en adapter en een wit
verkaste wifi versterker van het merk AMPLIFI;
2. 1 USB-stick grijs van het merk KINGSTON;
3. 1 DVD schijf + hoes van familia MULEKAGEM;
4. 1 nota met beschrijving +58417917068, stulo whatsapp;
5. document betaling Jet Lee;
6. document 3635.000;
7. document USD 470000 (loodjes);
8. BB Z10 doos;
9. BB Z30 doos;
10. BB Z10 doos;
11. BB 9983 doos;
12. 1 x doos Nokia 3310 met simkaarthouder 895970306112169813;
13. usb-stick Kingston DTSE9 2gb zilver;
14. usb-stick Kingston DTSE9 2gb zilver;
15. usb-stick Kingston DTSE9 2gb zilver;
16. usb-stick DG. Technology blauw;
17. usb-stick DG. Technology blauw;
18. usb-stick ADATA 8 gb zwart/rood;
19. usb-stick SanDisk 16 gb zwart/rood;
20. usb-stick DT101 2 gb groen/zwart;
21. usb-stick slingshot rose;
22. usb-stick DataTraveler G3 8 gb wit/geel;
23. usb-stick Enfain 8 gb groen/zilver;
24. simkaarthouder Tu Tajeta 645610511, pin 3139, puk 35413698;
25. 1 x doos Nokia telefoon 10;
26. simkaarthouder Telesur 89597020250007750561;
27. simkaarthouder Digicel 895970306112667513;
28. 1 x USB stick Kingston 4 gb;
29. 1 x USB stick Sandisk 16 gb;
30. 1 x simkaart 8959703061;
31. 1 x simcard puk 468754601, 27429420, pin 8486, 8628;
32. 1 x doos Iphone XS;
33. 1 x satelite phone Seat Code 270126srw9360 (delen van) en
34. groen kattebelletje met daarop 5 adressen en
35. de data van het apparatuur:
• Ipad R 4e generatie;
• Toshiba laptop en
• Dell laptop.

B. Bepaalt dat voormeld verlof slechts wordt verleend onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken van overtuiging, data en/of gegevensdragers zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie van Suriname op woensdag 07 september 2022 door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. D. Nanhoe en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

 

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D. Nanhoe
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Substituut-Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. E. Ommen-Dors)

SRU-HvJ-2022-5

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING EX ARTIKEL 475 LID 2 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoek d.d. 06 juni 2022 afkomstig van de Rechter-Commissaris en gericht aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) om op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 2 Wetboek van Strafvordering en het bepaalde in artikel 9 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, verlof te verlenen tot het ter beschikking stellen van in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers, als vermeld in het verzoek, (het Hof begrijpt: aan de Procureur-Generaal) ter beschikking te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten.

Overwegende, dat uit de door de Rechter-Commissaris overgelegde stukken het volgende is gebleken:
– Op 13 mei 2022 is op het kabinet van de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten een vordering van de Surinaamse vervolgingsambtenaar mr. M. van Dijk d.d. 12 mei 2022 ingekomen.
De vervolgingsambtenaar heeft daarbij, onder overlegging van het rechtshulpverzoek d.d. 22 maart 2022, afkomstig van mr. B.S. van Unnik, officier van justitie van het Landelijk parket te Rotterdam, Lurisnummer [nummer], gevorderd dat de Rechter-Commissaris zal overgaan tot het verrichten van de doorzoekingen (huiszoekingen) in de strafzaak tegen de verdachte [naam], in de panden op de navolgende adressen, te weten: [adres 1] en [adres 2];

Overwegende, dat bovenvermeld rechtshulpverzoek d.d. 22 maart 2022 is gegrond op:
– de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage, 27 augustus 1976) en
– het Protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ‘s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (‘s-Gravenhage,18 mei 1993);

Overwegende, dat voormelde doorzoekingen op 16 mei 2022 zijn verricht door de Rechters-Commissarisen mr. R.H. Elgin en mr. I. Sonai, zijnde daarvan processen-verbaal opgemaakt;
Overwegende, dat daarbij met toestemming van de Rechter-Commissaris goederen, documenten en gegevensdragers in beslag zijn genomen, één en ander zoals is verwoord in de bijgevoegde kopie(en) van proces(sen)-verbaal van inbeslagname;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof het onderhavige rechtshulpverzoek voor inwilliging vatbaar is, aangezien nòch verdragsrechtelijk (art. 10 lid 2 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken), nòch volgens de nationale wetgeving (art. 471 Wetboek van Strafvordering), er sprake is van een (imperatieve) weigeringsgrond;

Overwegende, dat de Rechter-Commissaris ingevolge het bepaalde in artikel 474 Wetboek van Strafvordering, op grond van de vordering van de vervolgingsambtenaar mr. M. van Dijk, bevoegd is tot het doen van doorzoekingen (huiszoekingen) en het in beslag nemen van goederen, documenten en gegevensdragers;

Overwegende, dat in casu ook voldaan is aan het bepaalde in artikel 474 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering;

Overwegende, dat er naar het oordeel van het Hof geen bezwaar bestaat tegen inwilliging van het verzoek van de Rechter-Commissaris tot het verlenen van verlof om de door de Rechter-Commissaris in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten. Het voorgaande zal echter geschieden onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten zal worden bedongen dat de documenten zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt;

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen, met name artikel 475 van het Wetboek van Strafvordering;

BESCHIKKENDE:

1. Verleent verlof aan de Rechter-Commissaris om de hieronder vermelde in beslag genomen stukken van overtuiging en/of gegevensdragers ter beschikking van de Procureur-Generaal te stellen ten behoeve van de overdracht daarvan aan de Nederlandse autoriteiten:
– De op het adres [adres 1] in beslag genomen goederen en/of gegevensdragers, te weten:
a. BB Q10 toestel (11.1);
b. BB P9983 toestel (11.5);
c. BB P9983 toestel (11.6);
d. BB Z30 toestel (11.7);
e. BB P9982 toestel (11.8);
f. BB Z10 toestel (11.9A);
g. BB Z10 toestel (11.9B);
h. 1 x Ipad-PRO gsm 12 inch 1e generatie (11.13);

2. Bepaalt dat voormeld verlof slechts wordt verleend onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat bij de afgifte aan de Nederlandse autoriteiten wordt bedongen dat de documenten zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie van Suriname op maandag 13 juni 2022 door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. D. Nanhoe en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervangers, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D. Nanhoe
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2023-1

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige wrakingskamer

Parketnummers: 3975/3976/3979/3986/3991

Beslissing van 05 januari 2023

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

1. BOUTERSE, DESIRE DELANO,
2. BRONDENSTEIN, BENNY STUART,
3. DENDOE, STEPHANUS,
4. DIJKSTEEEL, IWAN LEENDERT,
5. GEFFERIE, ERNST OTTO,
verzoekers,
advocaat: I.D. Kanhai, BSc.,

Het verzoek is gericht tegen:
Kolonel D. Kamperveen,
hierna te noemen: de rechter,

1. Procesverloop
1.1. Verzoekers hebben op 16 december 2022 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij het Hof aanhangige strafzaken met als parketnummers: 3975/3976/3979/3986/3991, hierna te noemen: de hoofdzaak, waarin de rechter als lid van een meervoudige kamer optrad.
1.2. De advocaat van verzoekers heeft het verzoek ter zitting de dato 16 december 2022 toegelicht, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt.
1.3. De rechter heeft zich niet in de wraking berust en heeft bij schrijven de dato 19 december 2022 zijn standpunt toegelicht en op 28 december 2022 zijn reactie mondeling nader uiteengezet ten overstaan van de wrakingskamer, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt.
1.4. De uitspraak van de beslissing is bepaald op heden.

2. Het standpunt van verzoekers
2.1. Verzoekers hebben ter onderbouwing van het verzoek – zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd:
2.1.1. Na de eerste behandeling, althans na de laatste zitting, bedoeld wordt de descante (het Hof begrijpt: descente), zijn vrij recent enkele feiten en omstandigheden met betrekking tot de persoon van de rechter bekend geworden, en dat die feiten en omstandigheden ook bestaan, waardoor de eerder genoemden genoodzaakt zijn de rechter te wraken, nu die feiten en omstandigheden de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen toebrengen.
2.1.2. De door verzoekers aangevoerde gronden:
a. De rechter is een volle neef van een van de personen die betrokken zijn geweest in de subversieve activiteiten, te weten Andre Kamperveen. Ter nadere adstructie hiervan het volgende. De moeder van Andre Kamperveen en de vader van de rechter zijn neven en nichten van elkaar. De eerder genoemde Andre Kamperveen en de rechter hebben een gemeenschappelijke grootvader lees stamvader.
b. De rechter heeft tijdens de gehouden descente blijk gegeven hoe nauw het hemd is, immers tijdens de vragenronde was hij slechts geïnteresseerd in waar Andre gezeten zou hebben toen hij de brief schreef en hoe hij verder was.
c. In dit proces kan niet worden uitgesloten dat er tevens sprake is van daadwerkelijke vooringenomenheid van de rechter (subjectieve partijdigheid) en niet slechts de schijn daarvan. De rechter heeft vermoedelijk veel informatie over deze kwestie van zijn familieleden gekregen welke informatie niet beoordeeld kan worden. In ieder geval is er sprake van vooringenomenheid reeds in de voorfase. Het is dan ook niet mogelijk dat informatie verkregen in deze fase geen invloed zal hebben op de oordeelsvorming van de rechter. De aldus – geheel buiten onderhavige rechtsgeding – verkregen wetenschap draagt de rechter immers met zich mee en kan hij die menselijkerwijs niet wegvagen uit zijn geheugen. Verzoekers stellen dan ook met klem vast dat deze uitzonderlijke omstandigheden zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat er sprake is van vooringenomenheid van de rechter.

2.2. Tevens heeft de advocaat van verzoekers de toepasselijke rechtsregels aangehaald in de akte van wraking, te weten artikel 10 van de Grondwet van de Republiek Suriname, artikel 437 van het Surinaams Wetboek van Strafvordering, artikel 8 lid 1 van de Amerikaanse Conventie voor de Rechten van de Mens, artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten alsmede jurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

3. De reactie van de rechter
3.1. De rechter heeft betwist partijdig dan wel vooringenomen te zijn, of de schijn te hebben gewekt dat te zijn.
3.2. De rechter heeft, onder overlegging van een schriftelijk stuk waarin de familierelatie tussen de rechter en het slachtoffer Kamperveen Rudie Andre is geschetst, in zijn schriftelijke reactie – voor zover van belang – het navolgende aangegeven (begin citaat): “ Dat in het wrakingsverzoek het vermoeden wordt opgeworpen, dat het lid Kolonel D. Kamperveen een volle neef is van slachtoffer Rudie Andre Kamperveen en de moeder van Rudie Andre Kamperveen en de vader van het lid Kolonel D. Kamperveen neven en nichten van elkaar zijn. Verder dat het slachtoffer Rudie Andre Kamperveen en het lid Kolonel D. Kamperveen een gemeenschappelijke grootvader (lees: stamvader) hebben.
Hierboven vermelde vermoeden van bloedverwantschap tussen het lid Kolonel D. Kamperveen en het slachtoffer Rudie Andre Kamperveen is onjuist.
Het lid Kolonel D. Kamperveen is 6e graads neef van het slachtoffer Rudie Andre Kamperveen en ze hebben dezelfde overgrootvader. De moeder van Rudie Andre Kamperveen en de vader van Dennis Kamperveen hebben dezelfde grootvader maar niet dezelfde grootmoeder (zie bijlage schema bloedverwantschap).
In het wrakingsverzoek verder wordt gesuggereerd dat het lid Kolonel D. Kamperveen tijdens de gehouden openbare strafzitting/descente in het Fort Zeelandia van 29 november 2022 blijk heeft gegeven “hoe nauw het hemd is, immers tijdens de vragenronde was hij slechts geïnteresseerd in waar Rudie Andre Kamperveen gezeten zou hebben, toen hij de brief schreef en hoe hij verder was”.
Hierboven aangehaalde suggestie is onjuist. Voor de strafzitting/descente van 29 november 2022 waren 4 (vier) getuigen á charge opgeroepen, t.w.: 1. Chotkan, Rudy Johan, 2. Djojoatmo, Jatiman, 3. Flohr, Onno Ludwig en 4. Jankipersadsingh Birendresingh. Alle getuigen waren aanwezig met uitzondering van Chotkan, Rudy Johan. Van de fungerend Griffier (f.g.z.)…………. van het Hof heeft het lid Kolonel Kamperveen D. ter bestudering voor deze strafzitting van 29 november 2022 van de 4 getuigen á charge processen-verbaal heeft ontvangen. Na bestudering van de processen-verbaal heeft het lid Kolonel Kamperveen D. tijdens de strafzitting aan de getuigen á charge Jankipersadsingh Birendresingh en Flohr, Onno vragen gesteld. Bij het stellen van de vragen aan de getuige á charge Flohr, Onno heeft het lid Kolonel D. Kamperveen aan de hand van het proces-verbaal de dato 12 december 2002, betreffende zijn verhoor afgenomen door eerste luitenant Ristie, Tjark een alinea geciteerd uit dit proces-verbaal. Daaruit kan geenszins geconcludeerd worden dat er een schijn van partijdigheid zou zijn. Ik verwijs verder naar het proces-verbaal van de gerechtelijke plaats opneming in het Fort Zeelandia no 4 parketnummer: 3975 van dinsdag 29 november 2022.
In het wrakingsverzoek “met betrekking tot de subjectieve partijdigheid van het lid Kolonel Kamperveen D. is aangevoerd dat hij vermoedelijk veel informatie over deze kwestie van familieleden gekregen heeft welke informatie niet beoordeeld kan worden.”
Van een rechter moet uit hoofde van zijn aanstelling worden uitgegaan dat hij onpartijdig is en dat het tegendeel aannemelijk moet worden gemaakt; voorts, waar hier slechts een vermoeden wordt geuit en niet concreet wordt aangegeven om welke informatie het gaat, deze wrakingsgrond onjuist is. Dat bovendien het lid Kolonel Kamperveen D. geen persoonlijk contact heeft met de nabestaanden van wijlen het slachtoffer Rudie Andre Kamperveen.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat er geen grond is voor het oordeel dat er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden
Uitgaande van het voorgaande berust het lid KOLONEL D. Kamperveen zich niet in de wraking.” (einde citaat).
3.3. Ten overstaan van de wrakingskamer heeft de rechter op 28 december 2022 – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – aangegeven dat hij geen band heeft gehad met wijlen Andre Kamperveen en evenmin een band heeft met de nabestaanden van wijlen Andre Kamperveen voornoemd. Voorts heeft de rechter aangegeven dat hij nimmer met enig familielid heeft gesproken over deze zaak.

4. De beoordeling
4.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de strafzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoekers is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.
4.2. Ten eerste is aangevoerd dat wijlen Andre Kamperveen en de rechter volle neven van elkaar zijn. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de rechter in zijn reactie voldoende aannemelijk gemaakt dat hij en wijlen Kamperveen, Andre geen volle neven van elkaar zijn, zoals wordt gesuggereerd. Hetgeen de advocaat dienaangaande heeft aangevoerd is op grond van het voorgaande derhalve feitelijk onjuist gebleken en zal de wrakingskamer dat verwerpen. In de visie van de wrakingskamer is wel aannemelijk geworden dat de rechter en wijlen Kamperveen, Andre zesde graads neven van elkaar zijn geweest. Het voorgaande staat echter in ver verwijderd verband en vormt derhalve geen beletsel voor de rechter om van de hoofdzaak kennis te nemen, deel uit te maken van de behandelende kamer en te participeren in de oordeelsvorming omtrent de onderhavige hoofdzaak. Ook is niet gebleken dat er een zodanige band bestond casu quo bestaat met het slachtoffer respectievelijk de familie van het slachtoffer, die een beletsel zouden vormen voor de rechter om deel uit te maken van de behandelende kamer in hoger beroep.
4.3. Evenmin is in de visie van de wrakingskamer aannemelijk geworden het door de advocaat opgeworpen vermoeden dat er in familieverband zou zijn gesproken over de hoofdzaak waardoor er bij de rechter een vooringenomenheid zou bestaan. Deze stelling van verzoekers is niet nader onderbouwd en niet geconcretiseerd weshalve de wrakingskamer daaraan zal voorbijgaan.
4.4. De hiervoor geschetste objectieve toets onder 4.1. leidt derhalve tot het oordeel dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter.
4.5. In de visie van de wrakingskamer leidt de hiervoor geschetste subjectieve toets onder 4.1. tot de uitkomst dat de aangevoerde vooringenomenheid zijdens de rechter niet aannemelijk is geworden. Immers heeft de rechter in zijn reactie weersproken het in familieverband te hebben gehad over de dood van wijlen Kamperveen, Rudie Andre en heeft hij ook aangegeven geen nauwe band met wijlen Kamperveen, Rudie Andre en of diens nabestaanden te hebben gehad.
4.6. Ten slotte rest nog de schijn van partijdigheid/vooringenomenheid zijdens de rechter. Immers geldt: “ Justice must not only be done but also seem to be done ”. Dienaangaande is de wrakingskamer van oordeel dat daaromtrent slechts overeind staat het feit dat zowel de rechter als één der slachtoffers dezelfde familienaam dragen en zesde graads neven van elkaar blijken te zijn geweest. In de visie van de wrakingskamer is het voorgaande op zichzelf beschouwd en zonder nadere onderbouwing onvoldoende om de schijn van vooringenomenheid casu quo partijdigheid te kunnen schragen. De aangehaalde gevoelens van onbehagen aan de zijde van verzoekers (althans zo vat de wrakingskamer dat op) omtrent een vermeende vooringenomenheid van de rechter leiden in de visie van de wrakingskamer niet tot de conclusie dat er sprake is van feiten en/of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid zijdens de rechter opleveren. Ten aanzien van de vraagstelling zijdens de rechter tijdens de gehouden descente de dato 29 november 2022 is de wrakingskamer van oordeel dat na het doornemen van het proces-verbaal daarvan blijkt dat zaken kennelijk uit hun verband zijn gehaald. Het was de waarnemend Procureur-Generaal die het eerst vragen stelde aan de getuigen Jankipersadsingh, Birendresingh en Flohr, Onno Ludwig, die in hun antwoord op de gestelde vragen, onder meer, het slachtoffer Andre Kamperveen hebben genoemd. Hierna hebben de overige leden van de kamer belast met de behandeling van onderhavige zaken vragen gesteld, waaronder de rechter. De rechter was evenwel niet alleen geïnteresseerd in waar Andre Kamperveen gezeten zou hebben toen hij de brief schreef en hoe hij verder was maar heeft nog andere vragen gesteld in verbinding met het proces-verbaal opgemaakt door Ristie, Tjark Eugene de dato 12 december 2002. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd en dat er op neer komt dat de rechter slechts geïnteresseerd was in de toestand van wijlen Kamperveen, Rudie Andre is derhalve feitelijk onjuist gebleken. De daartoe strekkende grondslag van het wrakingsverzoek haalt het derhalve niet in rechte;
4.7. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de wraking ongegrond dient te worden verklaard en dat dientengevolge de behandeling van de hoofdzaak wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

5. De beslissing

5.1. Verklaart de wraking ongegrond.

5.2. Bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven te Paramaribo in raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 05 januari 2023 door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-president voornoemd in het openbaar uitgesproken op de terechtzitting van donderdag 05 januari 2023, in tegenwoordigheid van mevrouw F.G.Z. Chandoe, LLM, Fungerend-Griffier.

w.g. F.G.Z. Chandoe w.g. D.D. Sewratan
w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
Namens deze,

(mr. E.M. Ommen-Dors, Substituut-Griffier)

SRU-HvJ-2021-43

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op vrijdag 05 februari 2021 door mr. R. Denz en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [naam 1], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 17 februari 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 24 februari 2021 om 14.30 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, mr. R. Denz en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. G. Paragsingh, waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 24 februari 2021;

Overwegende, dat de verdediging in het verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker in verzekering is gesteld terzake een aantal feiten die nog niet zijn komen vast te staan. Het is niet bewezen dat verzoeker een rugtas onder zijn jacket had. Volgens de vervolging had de verzoeker vermoedelijk een rugtas bij zich. Toen het geld in de koffers van de verdachten [naam 2] en [naam 3] werd aangetroffen, heeft men een link tussen hun en verzoeker gelegd. Die link betreft een hypothese die twee maanden na aanhouding van verzoeker nog steeds niet gematerialiseerd is. De verzoeker is reeds twee maanden in detentie en de verdachten [naam 2] en [naam 3] zijn nog steeds niet opgespoord terwijl zij alleen kunnen verklaren of verzoeker hand en spandiensten heeft verleend en of er vooraf geld in hun koffer was en niet is gezien. De verdachten hadden een H-formulier bij de hand. Dat wil zeggen dat men het land mag verlaten als zij geld bij zich hebben. De verzoeker heeft het H-formulier nimmer gezien. De douaneambtenaar gaf aan dat het H-formulier volgens hem niet meer wordt gebruikt. Hierna heeft de verzoeker geprobeerd om contact op te nemen met meneer [naam 4]. Echter was meneer [naam 4] niet bereikbaar. De verzoeker heeft hierna een foto van het H-formulier gemaakt. Als hij van plan was om hand en spandiensten te verlenen, dan zou hij die foto niet hebben gemaakt. Aangezien verzoeker ook twijfels had omtrent het H-Formulier heeft hij [naam 2] en [naam 3] op die dag niet laten afreizen. Aan verzoeker is geen valsheid in geschrifte ten laste gelegd. Ten aanzien van de overige feiten zijn er geen bewijzen, omdat verzoeker op basis van een aantal hypothesen is aangehouden. Op basis van het bovenstaande heeft de verdediging verzocht om verzoeker in vrijheid te willen stellen;

Overwegende, dat de vervolging in haar antwoord heeft aangegeven dat de verzoeker op 21 december 2020 in verzekering gesteld terzake een aantal strafbare feiten, waaronder overtreding van de artikelen 188, 426, 427, 429a en 241 van het Wetboek van Strafrecht, overtreding van de Deviezenregeling, overtreding van de Wet Tegengaan Smokkelen en overtreding van de Wet Economische Delicten. Op 9 december 2020 is er een geldbedrag van Euro 524.000, – aangetroffen in de trolley van een passagier genaamd [naam 2]. [naam 2] zou op die dag samen met [naam 3] en [naam 5] naar Miami gaan. Bij het inchecken was er niets bij hun aangetroffen. Hierna kwam de verzoeker aan en ging voorbij de securityguard en de scanner. Hij had een jacket aan en onder zijn jacket had hij vermoedelijk een rugtas om, want zijn rug was bol. Aan verzoeker werd gevraagd of hij een rugtas onder zijn jacket had. De verzoeker gaf daarop te kennen dat hij niet ver zou gaan, maar het bleek dat verzoeker toch verder liep dan de screeningspost en op een gegeven moment het damestoilet in de vertrekhal binnenliep. Toen hij terugkwam was het opmerkelijk dat zijn jacket niet meer bol was en dat gaf aanleiding tot verder onderzoek.
Op de camerabeelden is te zien dat [naam 2], [naam 3] en [naam 5] inchecken en plaatsnemen in de vertrekhal. Hierna is te zien dat verzoeker in de vertrekhal gaat en regelrecht naar het damestoilet loopt. Hierna valt te zien dat [naam 2] naar het damestoilet gaat. Kort hierna gaat [naam 3] met een trolley naar het damestoilet. Op het moment dat de verzoeker uit het damestoilet komt is zijn rug niet meer bol. Toen [naam 2] naar het damestoilet ging had hij geen tas of trolley bij zich, maar wanneer [naam 2] uit het damestoilet komt heeft hij wel een rugtas bij de hand. Meneer [naam 3] is wel met een trolley uit het damestoilet gekomen. Hierna zijn [naam 2] en [naam 3] naar het herentoilet gegaan. Wanneer [naam 2] en [naam 3] uit het herentoilet komen, dan heeft [naam 2] geen rugtas meer in zijn hand. Toen de trolley wederom werd gescand en het geld tevoorschijn kwam, toonde [naam 2] een H-formulier aan de douane. Aan hun is toen voorgehouden dat het H-formulier, de stempel en de handtekening niet meer gebruikt worden.
De verzoeker weet hoe er in dergelijke gevallen gehandeld moet worden, want op 17 november 2020 en 01 december 2020 waren er ook mensen op de luchthaven die veel meer geld bij zich hadden dan was toegestaan. In die gevallen had verzoeker de gelden overgedragen aan de afdeling Fraude.
Het is niet waar dat er een foto is gemaakt van het H-formulier en dat er is gebeld met meneer [naam 4]. De verzoeker heeft verklaard dat hij [naam 2] en [naam 3] heeft laten gaan en dat hij geen geld bij hun had aangetroffen. Volgens procedure moest de rugtas van verzoeker worden gescand. De verzoeker gaf aan dat hij zich op dat moment niet bewust was van de rugtas en daardoor was doorgelopen. Hierna is hij gaan urineren en is hij teruggekeerd naar kantoor. Het is opvallend dat hij helemaal naar de vertrekhal is gegaan om te urineren. De inspecteur van politie, meneer [naam 6], heeft gezegd dat de gezondheid van verzoeker stabiel is en dat hij nimmer klachten heeft doorgegeven. Het bovenstaande in aanmerking nemend, heeft de vervolging gevraagd om het verzoek van verzoeker af te wijzen.

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof een behandeling van een verzoek op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering zich in beginsel niet ervoor leent om op grond van bewijswaarderingspunten nu reeds een oordeel te geven en dat te relateren aan het al dan niet opheffen van een bevel tot voorlopige hechtenis. In de visie van het Hof zal het één en ander bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak nader uitgediept en onderzocht dienen te worden;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;
Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 24 februari 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur -Lachitjaran
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-42

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Meervoudige raadkamer
Datum: 05 juli 2021

Beslissing van 05 juli 2021,
inzake het verzoek van [klager 1], wonende aan de [adres 1] te [plaats] en [klager 2], wonende aan de [adres 2] te [district], klagers, bijgestaan door hun raadsman, mr. B.A.H. Pick, advocaat bij het Hof van Justitie om het Openbaar Ministerie te bevelen tot het instellen van strafrechtelijke vervolging tegen de heer [naam], hierna te noemen beklaagde.

1. Procesverloop
1.1. De Klagers hebben op 06 april 2021 het beklagschrift ingediend, waarin zij hebben verzocht dat op basis van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), – zakelijk weergegeven en samengevat – het Openbaar Ministerie zal worden bevolen om een nader strafrechtelijk onderzoek in te stellen en de Procureur-Generaal te bevelen tot strafrechtelijke vervolging over te gaan van voornoemde beklaagde.

1.2. Voormeld beklagschrift is in behandeling genomen op maandag 05 juli 2021 waarbij de klagers en de waarnemend Procureur-Generaal zijn gehoord, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt welke zich onder de processtukken bevindt.

1.3. Vervolgens is bepaald dat in deze zaak beschikking zal volgen.

2. Het standpunt van klager
2.1. De klagers hebben ter onderbouwing van hun beklag – kort en zakelijk weergegeven – en onder overlegging van stukken/bijlagen het volgende aangevoerd:
• dat zij sinds 2011 worden geteisterd doordat zakken met vruchten regelmatig worden gestolen van het perceel aan de [adres 2]. Naar aanleiding daarvan is er ettelijke malen aangifte gedaan bij de politie. De politie is van oordeel dat zij niets voor klagers kunnen betekenen zolang zij niemand op heterdaad betrappen.
• dat de verdachte op 20 februari 2019 op heterdaad is betrapt door de arbeiders van de klagers. Zij hebben de verdachte staande gehouden waarna de politie werd ingeschakeld. De klagers hebben tot hun verbazing moeten ervaren dat de verdachte na een paar dagen op vrije voeten was.
• dat er een schrijven is gericht aan het Openbaar Ministerie en dat schrijven is aangehecht aan het verzoekschrift. De vervolgingsambtenaar heeft geantwoord dat de zaak tegen de verdachte, [naam], voorwaardelijk is geseponeerd. De klagers zijn hieromtrent niet geïnformeerd door de politie, terwijl zij heel veel last hebben ondervonden en nog steeds ondervinden en schade lijden door de diefstallen. Deze zaak is heel principieel voor de klagers omdat er heel veel wordt geïnvesteerd op de landerijen.
• dat er bij de aanhouding zes volle zakken met mandarijnen en niet slechts 45 stuks klaarstonden om mee te worden genomen. Het gaat om diefstallen die jarenlang plaatsvinden.
• dat de klagers ettelijk malen aangifte hebben gedaan en ook hebben aangegeven op wie de verdenking rust. Klagers vragen zich af of dit wel in het dossier is vermeld. Op basis van het bovenstaande vorderen de klagers de strafrechtelijke vervolging van de beklaagde.

3. De reactie van de Waarnemend Procureur – Generaal
De vervolging gaf, zakelijk weergegeven de volgende reactie:
• dat de heer [klager 2] de rechtmatige eigenaar is van het desbetreffend perceel. Wellicht kan de heer [klager 1] aangeven in hoeverre hij ook belanghebbende is in deze zaak. De verdachte is door de werknemer van de benadeelde op heterdaad betrapt en het onderzoek heeft uitgewezen dat het in casu gaat om [naam].
• dat de 45 stuks mandarijnen zijn teruggeven aan de benadeelde. Gelet op de kleine hoeveelheid mandarijnen en het feit dat de verdachte op heterdaad is betrapt heeft de vervolgingsambtenaar besloten om deze zaak voorwaardelijk te seponeren. Op basis van de belangenafweging is de zaak dus voorwaardelijk geseponeerd.
• dat de overige aangiften betrekking hebben op diefstallen die zijn gepleegd door onbekende daders. Vooralsnog heeft het resultaat van de onderzoekshandelingen niet uitgewezen dat de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Ten aanzien van de overige aangiften hebben wij het politioneel dossier ook nog niet ontvangen. De aangiften zijn wel opgenomen, maar er kan nog geen dader worden aangewezen.
• de nodige onderzoekshandelingen zijn wel verricht door het Openbaar Ministerie en de politie, echter zijn de daders ten aanzien van de vorige diefstallen niet bekend. Ik wil u vragen om het verzoek van de verdediging af te wijzen.
• volgens de verklaring van de verdachte had hij de mandarijnen, waarmee hij een zak voor driekwart had gevuld, in de middaguren op zijn eigen perceel geplukt. Die zak werd in zijn auto aangetroffen. De verdachte had 45 stuks mandarijnen uit de boom van de benadeelde geplukt.
• de telefonische melding is op 20 februari 2020 om 21.00 uur ’s avonds gedaan en de verdachte was toen op heterdaad betrapt. De vervolging verzoekt u om het verzoek/beklag van de klagers af te wijzen.

4. De beoordeling
4.1. Vooropgesteld dat art. 4 Sv. lid 1 als volgt luidt: “Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de belanghebbende daarover beklag doen bij het Hof van Justitie. Het Hof kan de Procureur-Generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts bevelen, dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet”.

4.2. Nu klagers een beroep doen op het bepaalde in artikel 4 Sv. is het Hof bevoegd kennis te nemen van het beklag.

4.3. Uit de verklaring van klager [klager 1] en het overgelegd rapport is genoegzaam komen vast te staan dat klagers gezamenlijk aan landbouw doen, waarbij de totale financiering voor rekening van [klager 1] is. De Klagers zijn ontvankelijk in hun beklag, daar zij rechtstreeks belanghebbenden zijn in de zin van artikel 4 Sv.

4.4. Als niet weersproken is komen vast te staan dat klagers reeds een aantal keren aangifte hebben gedaan vanwege benadeling die zij ondervinden door diefstallen van hun gewassen/fruit. Klagers hebben een rapport overgelegd waarin is vastgelegd wanneer en bij welke ambtenaar van politie de aangiften zijn gedaan. Vanwege sporen die ook zijn waargenomen door de politie bestond er wel een vermoeden wie de dader kon zijn. Het is begrijpelijk dat de politie niet zondermeer tot aanhouding kan overgaan. Wanneer op een gegeven moment de vermoedelijke dader op heterdaad wordt betrapt, is het wel in het belang van de klagers, dat de zaak serieus wordt afgehandeld. Of de op heterdaad betrapte zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan de vorige diefstallen, doet er niets van af. Er mag niet aan voorbij gegaan worden dat klagers al vaker aangifte hebben gedaan en veel verlies lijden. Het nadeel voor klager [klager 2] is ernstig nu hij met de opbrengsten zijn pensioen van SRD 726,09 aanvult. De op heterdaad betrapte [naam] heeft overigens niet geschroomd tegen [klager 2] te zeggen “joe no mang doe neks”, toen die hem aansprak.

4.5. Op grond van het bovenstaande oordeelt het Hof dat de klagers een rechtstreeks belang hebben bij het verdere onderzoek.

5. BESCHIKKENDE

Het Hof:
Gelast de Procureur-Generaal het strafrechtelijk onderzoek en vervolging tegen beklaagde [naam] voort te zetten.

Aldus gegeven in Raadkamer te Paramaribo, op heden maandag 05 juli 2021 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)