SRU-HvJ-2021-52

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking inzake beklag ex artikelen 460 en 475 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering

Gelezen het klaagschrift ex artikelen 460 en 475 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna WSv.) welke namens de klager, [klager], wonende aan de [adres 1] in [land], door de raadsman mr. V.V.C. Piqué is ingediend op 8 april 2021.

Het klaagschrift betreft het bevel de dato 30 september 2019 van de hoofdofficier van justitie (mr. C. Klein) aan de gerechtsdeurwaarder (de heer R. Sontono) tot het onverwijld leggen van beslag tot bewaring van het recht tot verhaal ten laste van [klager] op:
1. Het perceelland groot tweehonderd zeven en zeventig, een/tiende vierkante meter (277,1 m²) gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 1], ten westen van de [straatnaam 2] aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ing. H. Kalloe de dato twee november tweeduizend negen vervaardigd met gebruikmaking van de gegevens voorkomende op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig, met de letters ABCD en het nummer [nummer 1], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEF.

2. Het perceelland, groot tweehonderd tweeëntachtig, vijfenveertig/honderdste, gelegen in het [district], thans [plaats], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig aangeduid met het nummer [nummer 2], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABab, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van enkele gedeelten van gelegen in het [district], thans [plaats], deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK Straatregister [registernummer].

Het (bevel tot) beslag is gegrond op:
• De tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname geldende overeenkomst betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (’s-Gravenhage, 27 augustus 2976).
• Het protocol houdende bijzondere voorzieningen inzake de op 27 augustus 1976 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken (’s-Gravenhage, 18 mei 1993)
• Het rechtshulpverzoek van de Nederlandse officier van justitie te Den Haag van 27 mei 2019, betreffende de strafzaak tegen [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [klager], die verdacht worden van witwassen en handel in verdovende middelen. In dit verzoek, dat een aanvulling is op het rechtshulpverzoek van 18 oktober 2017 (Lurisnummer: [nummer 3]) dat was gesplitst in 3 delen (A, B, C), wordt o.a. verzocht om ten laste van [klager] beslag te leggen op het onroerend goed gelegen aan de [adres 2], 282 m² groot te [plaats] en op het onroerend goed gelegen aan de [adres 3], 277 m² groot te [plaats] welk beslag dient ter zekerheidstelling van het recht tot verhaal van een uiteindelijk door de strafrechter aan de verdachte op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
• De artikelen 82 lid 1, 82 a onder 3 en 91 lid 2 Wetboek van Strafvordering (SB 2002 no. 67.

Blijkens exploit nummer 30 van R. Sontono, deurwaarder bij het Hof van Justitie, is op 10 januari 2020 het hierboven aangehaalde, op naam van de klager staand, onroerende goederen met al hetgeen daarop staat, in conservatoir beslag genomen. Vermits klager binnen Suriname noch een bekende woonplaats, noch een werkelijk verblijf heeft en daarbuiten een bekende woonplaats heeft, is een afschrift van de door de deurwaarder d.d. 10 januari 2020 opgemaakt proces-verbaal van inbeslagneming betekend aan de Procureur – Generaal.

Grondslag van het beklag:
• De klager is van oordeel dat de litigieuze beslagen onrechtmatig zijn jegens hem, daar de vervolgingsambtenaar c.q. het Openbaar Ministerie niet bevoegd was om zonder toestemming van de rechter-commissaris in Suriname, bevel tot beslaglegging te geven. In dit kader zijn volgens klager o.a. van belang de artikelen 91, 473 en 474 van het WSv.
• Klager voert aan dat het Openbaar Ministerie mede verwijst naar artikel 82a onder 3 als grondslag voor (het bevel tot) de beslaglegging. Dit artikel geeft volgens klager slechts aan dat de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder noodzakelijk is voor wat betreft beslag op onroerende registergoederen, maar geeft niet aan welke instantie bevoegd is de gerechtsdeurwaarder de opdracht te geven tot het leggen van beslag en welke procedure gevolgd dient te worden.
• Het door het Openbaar Ministerie aangehaalde artikel 91 lid 2 WSv. dat mede ten grondslag is gelegd aan het (bevel tot) beslag, geeft slechts aan dat behalve de voorwerpen genoemd in artikel 82 WSv. ook de daarin aangeduide voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Echter heeft dit artikel betrekking op inbeslagname door de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek.
• Verder is er jegens klager niet voldaan aan de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, met name het motiveringsbeginsel c.q. de motiveringsplicht en het rechtszekerheidsbeginsel.

Op grond van het bovenstaande wordt aan het Hof van Justitie verzocht de gelegde beslagen op de onroerende goederen, welke in eigendom toebehoren aan de klager, op te heffen en teruggave te gelasten aan de klager en de vervolgingsambtenaar c.q. het Openbaar Ministerie te verbieden in de toekomst op basis van het litigieus rechtshulpverzoek, wederom beslagen te leggen c.q. te laten leggen op bedoelde onroerende goederen.

Het verweer van het Openbaar Ministerie
De vervolgingsambtenaar geeft aan dat de beslagen berusten op een geldig rechtshulpverzoek en haar grondslag vindt in artikel 10 e.v. van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de Uitlevering en Rechtshulp in strafzaken en de artikelen 467 e.v. van ons Wetboek van Strafvordering.

Voorts geeft de vervolging aan dat zij haar bevoegdheid ontleent aan de artikelen 82 lid1, 82 a onder 3 en 91 lid 2 van het WSv. betreffende de wettelijke procedure regels bij beslaglegging.

Klager is in Nederland aangehouden in 2018. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek en vervolging in Nederland is er een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld, na machtiging verkregen te hebben van de rechter-commissaris in Nederland.

Bij het strafrechtelijk financieel onderzoek is de rechter-commissaris in Nederland in beeld gekomen. De officier van justitie, mr. B de Jonge, heeft op 22 maart 2018 conform artikel 103 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering de rechter-commissaris in de strafzaak betrokken door een vordering handhaving conservatoir beslag in te stellen, welke vordering aan hem d.d. 26 maart 2018 is verleend.

Klager is noch door Nederland noch door Suriname onwetend gelaten omtrent de beslagleggingen ten laste van klager. De beslagleggingen zijn, conform de regels van strafvordering in Suriname, rechtmatig geschied. Het bevel van het conservatoir beslag is ook door de deurwaarder, op bevel van het Openbaar Ministerie in Suriname, d.d. 17 januari 2020, aan klager betekend.

Onder verwijzing naar artikel 473 van ons WSv. merkt de vervolging op dat de gang naar de rechter-commissaris bij inbeslagneming en onttrekking van het wederrechtelijk verkregen voordeel meestal plaatsvindt wanneer het gaat om een gerechtelijk vooronderzoek, waarbij er o.a. getuigen moeten worden gehoord en huiszoekingen moeten plaatsvinden.

De vervolging is conform het tweede lid van artikel 473 van het Wetboek van Strafvordering niet verplicht om het verzoek van een buitenlandse autoriteit in handen van de rechter-commissaris te stellen. Er is dus conform de procedurele regels van strafvordering gehandeld.

De beoordeling door het Hof
Artikel 460 WSv. luidt:
Lid 1. De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teuggave, over een voornemen als bedoeld in artikel 105, derde lid, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 88, 89 en 101, over een beslag op verbeurd te verklaren vorderingen of over het voortduren van zodanig beslag.

Lid 2. Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk ingediend ter griffie van het gerecht waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

Lid 3. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaar na de inbeslagneming der voorwerpen of de kennisneming der gegevens, ingediend ter griffie van het kantongerecht, binnen welks rechtsgebied de inbeslagneming of kennisneming is geschied. De kantonrechter is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.

Artikel 475 lid 4 WSv. luidt: Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 102-105, 107, 460, 462-464 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in artikel 460 bedoelde klaagschrift wordt ingediend bij en behandeld door het Hof van Justitie.

Bevoegdheid van het Hof van Justitie
Het conservatoir beslag waartegen de klacht is gericht, is gelegd in het kader van een rechtshulpverzoek. Op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 4 van het WSv. is het klaagschrift terecht ingediend bij de griffie van het Hof van Justitie en is het Hof van Justitie bevoegd het klaagschrift te behandelen.

De ontvankelijkheid van klager
Als eigenaar van de onroerende goederen, waarop de conservatoire beslagen zijn gelegd, is klager belanghebbende als bedoeld in artikel 460 lid 1 WSv.
Aangezien onderhavige inbeslagneming is geschied in het kader van een rechtshulpverzoek in verband met een strafzaak tegen de klager in Nederland en tegen klager geen strafvervolging plaatsvindt in Suriname, acht het Hof van Justitie de in lid 3 van artikel 460 van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn voor de indiening van het klaagschrift van uiterlijk binnen drie jaar, in casu van toepassing.
Er doen zich overigens geen (andere) gronden voor die zich verzetten tegen de indiening van het klaagschrift. Klager is dus ontvankelijk.

De beoordeling van de juridische grondslag van het bevel tot beslaglegging
Ingevolge de artikelen 468 en 469 van het Wetboek van Strafvordering komt aan de Procureur-Generaal de centrale positie als rechtshulp autoriteit toe. Alle verzoeken die niet zijn gericht aan de Procureur – Generaal moeten onverwijld aan hem worden doorgezonden. De Procureur-Generaal beslist in het belang van een spoedige afdoening onverwijld omtrent het aan het verzoek te geven vervolg.

Artikel 473 lid 1 W v Sv. bepaalt dat de Procureur – Generaal
• een voor inwilliging vatbaar
• en op een verdrag gegrond verzoek
• van een buitenlandse rechterlijke autoriteit

in handen dient te stellen van de rechter-commissaris:
a. indien het strekt tot het horen van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;
b. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring of om een verklaring afgelegd ten overstaan van een rechter;
c. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen tegen de wil van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.

De gevallen waarin de rechter-commissaris in de zaak wordt betrokken hebben hoofdzakelijk te maken met de gewenste toepassing van dwangmiddelen. Anders dan in het commune strafprocesrecht heeft de vervolgingsambtenaar in geval van de kleine rechtshulp, daartoe geen bevoegdheden uit eigen hoofde.

Lid 2 en lid 3 van artikel 473 Sv. bepalen dat in andere dan in het eerste lid genoemde gevallen de Procureur-Generaal het verzoek van de buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris kan stellen bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.

Artikel 474 lid 1 WSv. bepaalt dat voor zover de in artikel 473 WSv. bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, de vordering dezelfde rechtsgevolgen heeft als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek onder meer voor wat betreft de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking en het in beslag nemen van stukken van overtuiging.

Anders dan de bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming krachtens artikel 91 WSv. tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, strekt de competentie van de rechter-commissaris zich krachtens lid 2 van artikel 474 WSv. uitsluitend tot inbeslagneming van stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn.

Het derde lid van artikel 474 WSv. bepaalt onomstotelijk: Ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp kan, anders dan overeenkomstig de voorgaande leden van dit artikel, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.

In het kader van de kleine rechtshulp heeft de vervolgingsambtenaar geen bevoegdheden op basis waarvan hij zelfstandig inbreuk mag maken op de rechten van burgers. Als hij het verzoek eigenhandig afdoet, is hij aangewezen op de vrijwillige medewerking van betrokkenen. Ontbreekt die vrijwilligheid, dan dient de rechter-commissaris te worden ingeschakeld door middel van de in artikel 473 WSv. bedoelde vordering.

Het Hof vermag niet in te zien hoe de vervolging haar bevoegdheid tot het uitvaardigen van het bevel tot inbeslagname kan ontlenen aan een bevoegdheid die ingevolge artikel 91 lid 2 WSv. uitsluitend is toebedeeld aan de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek.

Het Hof merkt ten overvloede op dat zowel de Surinaamse strafvordering (artikel 82 WSv.) als de Nederlandse strafvordering (artikel 94 Ned. Sv.) het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen als grond voor inbeslagneming kent.

In tegenstelling tot de Nederlandse strafvordering (artikel 94 a NSv.) kent de Surinaamse strafvordering geen bepaling dat in geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen inbeslaggenomen kunnen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor:
• een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete;
• een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 103 Ned. Sv. bepaalt dat beslag op grond van artikel 94a Ned. Sv. slechts kan worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.

Het bevel tot beslaglegging van de Hoofdofficier van Justitie mr. C. Klein d.d. 30 september 2019 aan de gerechtsdeurwaarder de heer Rawan Sontono tot het onverwijld leggen van beslag tot bewaring van het recht tot verhaal op het aan [klager] toebehorende onroerende goederen vindt geen grondslag in de Surinaamse strafvordering en is in strijd met het in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering vervatte legaliteitsbeginsel.

Het onderhavige rechtshulpverzoek is niet voor inwilliging vatbaar en dient daaraan geen gevolg te worden gegeven. Om die reden komt het niet in aanmerking om op grond van artikel 473 lid 1 WSv. in handen van de rechter-commissaris te worden gesteld, wat in casu ook niet is geschied.

Het bevel is bovendien strijdig met artikel 10 van de tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname geldende overeenkomst betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken, waarbij de Overeenkomst sluitende partijen zich verbinden om, overeenkomstig de regels van de Overeenkomst en met inachtneming van hun nationale wetgeving elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen.

Om redenen als hiervoor vermeld acht het Hof het door de hoofdofficier van justitie d.d. 30 september 2019 uitgevaardigde bevel tot beslaglegging, e.e.a. zoals omschreven in voormeld bevel, onrechtmatig. Het Hof zal daarom de doorhaling gelasten van het ten laste van klager gelegde conservatoire beslagen op de onroerende goederen, zoals in het dictum vermeld.

De vordering tot verbod van het Openbaar Ministerie om in de toekomst op basis van het litigieuze rechtshulpverzoek wederom beslag te leggen c.q. te laten leggen op bedoelde onroerende goederen is niet voor toewijzing vatbaar.

De beslissing
Het Hof:
I. verklaart het klaagschrift van de klager gegrond

II. verklaart het door de hoofdofficier van justitie d.d. 30 september 2019 uitgevaardigde bevel tot beslaglegging tot bewaring van het recht tot verhaal en het, ter uitvoering van dat bevel door de gerechtsdeurwaarder gelegde conservatoire beslagen op het in het bevel vermelde onroerende goederen van de klager onrechtmatig.

III. beveelt de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 10 januari 2020 no. 30, ten laste van klager gelegde conservatoir beslag op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot tweehonderd zeven en zeventig, een/tiende vierkante meter (277,1 m²) gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 1], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter Ing. H. Kalloe de dato twee november tweeduizend negen vervaardigd met gebruikmaking van de gegevens voorkomende op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig, met de letters ABCD en het nummer [nummer 1], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABba, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK.

IV. beveelt de doorhaling van het bij exploit van deurwaarder R. Sontono d.d. 10 januari 2020 no. 30, ten laste van klager gelegde conservatoir beslag op het perceelland, met al hetgeen daarop staat, groot tweehonderd tweeëntachtig, vijfenveertig/honderdste, gelegen in het [district], thans [plaats], ten westen van de [straatnaam 2], aangeduid op de uitmetingskaart van de landmeter A.E. Calor de dato drie en twintig juli negentienhonderd twee en zestig aangeduid met het nummer [nummer 2], benevens het deel van de daarvoor lopende weg, op voormelde kaart aangeduid met de letters ABab, welk perceel deel uitmakende van het perceelland, groot drie hectaren en één en twintig aren gelegen te [plaats] ten westen van de [straatnaam 3], aangeduid op de kaart van de landmeter A.E. Calor de dato negen mei negentienhonderd twee en zestig, vervaardigd naar de kaart van landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig met de letters ABCDEF, deel uitmakende van enkele gedeelten van gelegen in het [district], thans [plaats], deel uitmakende van de [plantage] op de kaart van de Landmeter F. Emmanuels de dato vijftien september negentienhonderd drie en vijftig aangeduid met de letters ABCDEFGHK Straatregister [registernummer].

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 03 mei 2021 door mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-K1-2023-1

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR 202203882

13 januari 2023

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[naam] h.o.d.n. [bedrijf], gevestigd aan de [adres] in het district [plaats] ten deze domicilie kiezende te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: [eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. M.A. Gout, advocaat,

gevolmachtigde: [naam 2],

tegen

DE STAAT SURINAME, m.n. de Ministeries van Economische Zaken Ondernemerschap en Technologische Innovatie en van Financiën vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende aan de Limesgracht no. 92 te Paramaribo,

hierna te noemen: “de staat”,

gedaagde,

gevolmachtigden:

  • mr. V. Jules-October, verbonden aan het bureau landsadvocaat;
  • M.A. Abdoel, jurist op het Ministerie van Financiën & Planning;
  • S. Bansropansingh, wnd. Hoofd IUD van het Ministerie van Economische Zaken, Ondernemerschap en Technologische Innovatie;
  • R.S. Kalka, verificateur 1e klasse.
  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 30 december 2022 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 06 januari 2023;
  • de conclusie van antwoord met productie;
  • het proces-verbaal van de op 06 januari 2023 gehouden comparitie van partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 [eiser] heeft medio 2022 van de in Japan gevestigde bedrijven AA Japan Ltd. 11 (elf) en Autocom Japan Inc. 6 (zes) gebruikte personenauto’s gekocht, welke personenauto’s in oktober 2022 in Suriname arriveerden.

2.2. [eiser] heeft de invoerrechten van de betreffende personenauto’s in november 2022 voldaan aan de staat voor een bedrag van SRD 1.121.076,50 (een miljoen een honderd eenentwintigduizend zesenzeventig Surinaamse dollar en vijftig dollarcent).

2.3. De Staat weigert de personenauto’s aan [eiser] af te staan zich op het standpunt stellende dat de personenauto’s ouder zijn dan 8 (acht) jaar.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) de staat veroordeelt om aan hem af te staan de 17 (zeventien) in het inleidend verzoekschrift omschreven personenauto’s, bij gebreke waarvan aan de staat een dwangsom wordt opgelegd van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) per personenauto’s per dag indien de staat geen uitvoering geeft aan het in deze te wijzen vonnis.

b) de staat veroordeelt om, bij wijze van voorschot, aan hem te betalen het bedrag van SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse dollar) zijnde de verschuldigde opslagkosten aan VSH Shipping NV, vermeerderd met de wettelijke rente van 6% per jaar te rekenen van 30 december 2022.

c) de staat veroordeelt om, bij wijze van voorschot, aan hem te betalen het bedrag van SRD 200.000, – (tweehonderdduizend Surinaamse dollar) zijnde de verschuldigde opslagkosten over de periode 01 november 2022 tot aan de dag van de afgifte van de personenauto’s.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de staat ten onrechte weigert de 17 (zeventien) door hem ingevoerde gebruikte personenauto’s aan hem af te staan.

3.3 De staat heeft verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voorzover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

  1. De beoordeling

4.1 [eiser] stelt dat de staat ten onrechte weigert de door hem ingevoerde gebruikte personenauto’s aan hem af te staan. [eiser] stelt dat de verkopers van de gebruikte personenauto’s als uitgangspunt voor het vaststellen van de ouderdom van een gebruikte personenauto’s hanteren het jaar van de eerste registratie van de personenauto’s. Dat in het Besluit Negatieve Lijst 2003 (S.B. 2003 no. 74) is bepaald dat het verboden is om tweedehandse personenauto’s ouder dan 8 (acht) jaar in te voeren zonder dat is aangegeven wat het uitgangspunt is voor het bepalen van de ouderdom van een personenauto. De staat stelt dat de door [eiser] ingevoerde personenauto’s ouder zijn dan 8 (acht) jaar uitgaande van het jaar waarin de personenauto’s zijn gefabriceerd (bouwjaar).

4.2 De kantonrechter constateert dat ten aanzien van het bepalen van de ouderdom van gebruikte personenauto’s er verwarring is ontstaan omdat er twee verschillende uitgangspunten worden gehanteerd, welke uitgangspunten tot verschillende uitkomsten kunnen leiden ten aanzien van de vaststelling welke voertuigen al dan niet voldoen aan de voorwaarden gesteld in de negatieve lijst van goederen die ingevoerd mogen worden. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het een feit van algemene bekendheid dat met bouwjaar slechts wordt aangegeven in welk jaar een personenauto is geproduceerd en het registratiejaar het jaar waarin de personenauto in gebruik wordt genomen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het een feit van algemene bekendheid dat niet alle personenauto’s die in een bepaald jaar zijn geproduceerd ook in dat jaar voor gebruik worden geregistreerd. Het voorgaande heeft tot gevolg dat personenauto’s die in een bepaald jaar zijn geproduceerd en in hetzelfde jaar in gebruik worden genomen, het productiejaar in overeenstemming is met het registratiejaar. Bij personenauto’s van een bepaald productiejaar die bijvoorbeeld 2 (twee) jaar na productie in gebruik zijn genomen, het productiejaar niet in overeenstemming is met het jaar waarin de personenauto in gebruik is genomen en dus wordt geregistreerd. In het eerste geval valt het aantal jaren dat de personenauto in gebruik is samen met het jaar dat de personenauto is geregistreerd. In het tweede geval valt het registratiejaar niet samen met het productiejaar waardoor de periode waarin de auto voor gebruik wordt geregistreerd op een later tijdstip aanvangt dan het jaar van productie. In het Besluit Negatieve Lijst 2003 is bepaald dat de grondslag voor het verbod op de invoer van tweedehandse personenauto’s is de bescherming van het milieu. Uitgaande van de door de wetgever bepaalde grondslag voor het verbod is de kantonrechter van oordeel dat de wetgever het gebruik van personenauto voor ogen heeft gehad. De registratiedatum, zijnde de datum waarop het gebruik van de personenauto is aangevangen moet naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter als uitgangspunt worden gebruikt. Gelet op het voorgaande voldoen de in het geding betrokken personenauto’s, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aan de in de wet gestelde eis om ingevoerd te kunnen worden. De kantonrechter zal daarom de vordering tot afgifte van de personenauto’s toewijzen. De gevorderde dwangsom zal door de kantonrechter worden gemitigeerd, omdat die hem bovenmatig voorkomt.

4.3. De vordering van [eiser] tot schadevergoeding zal worden afgewezen, omdat in kort geding een veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding niet aan de orde kan komen, omdat er in het algemeen geen spoedeisend belang zal zijn en de kantonrechter geen definitieve beslissing geeft over de vraag of [eiser] daarop recht heeft. Wel is mogelijk het toekennen van een voorschot op een eventueel door de gewone rechter vast te stellen schadevergoeding, waarbij [eiser] wel een spoedeisend belang kan hebben.

4.4 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.5 De staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld, welke tot aan de uitspraak is begroot op SRD 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1. veroordeelt de staat om binnen 01 (één) werkdag na de betekening van dit vonnis aan [eiser] af te staan de in de onderstaande lijst opgenomen personenauto’s, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan dit vonnis met een maximum van SRD 1.000.000, – (een miljoen Surinaamse dollar),

No. Personenauto Chassisnummer Bouwjaar Registratiejaar
1. Toyota Vitz NSP130-2097716 2012 2014
2. Toyota Vitz NSP130-2086208 2012 2014
3. Toyota Vitz NSP130-2033445 2013 2014
4. Toyota Vitz NCP131-2015168 2012 2014
5. Toyota Noah ZRR70-0436410 2011 2014
6. Toyota Ractis NCP120-2005665 2010 2014
7. Toyota Vanguard GSA33-5104238 2011 2014
8. Toyota Vanguard ACA38-5226147 2012 2014
9. Toyota Vanguard ACA38-5217962 2011 2014
10. Toyota RAV4 ACA36-5028756 2011 2014
11. Mercedes Benz WDD1760422J096967 2013 2014
12. Toyota Vitz NSP130-2090784 2012 2014
13. Toyota Vitz NSP130-2029336 2011 2014
14. Toyota Vanguard ACA38-5174167 2010 2014
15. ToyotaVanguard ACA38-5199466 2011 2014
16. Toyota Rush J200E-2002039 2013 2014
17. Toyota Vitz NSP130-2040622 2011 2014

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. veroordeelt de staat in de proceskosten die aan de zijde van [eiser] zijn gevallen en tot aan deze uitspraak zijn begroot op SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar),

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken te Paramaribo door mr. C.A. Wallerlei op vrijdag 13 januari 2023, in aanwezigheid van de griffier.

 

SRU-HvJ-2022-18

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN,
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten d.d. 04 oktober 2022 ter zake het verzoek tot invrijheidstelling (ex artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is in verzekering gesteld op 07 juli 2022 ter zake overtreding van de artikelen 349; 347; 363 lid 2; 362 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 15 van de Vuurwapenwet.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 05 oktober 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking d.d. 05 oktober 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op donderdag 06 oktober 2022 om 12.00 uur des middags zal plaatsvinden.

Op de hiervoor vermelde datum en tijdstip heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. A. Niamat, namens het Openbaar Ministerie;
• de advocaat, mr. G.M. Leter en
• de appellant (telefonisch).

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. 04 oktober 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van Strafzaken bij de Kantongerechten het verzoek tot invrijheidstelling van appellant afgewezen. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, het volgende overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
“(…) dat uit de aanwezige processen-verbaal, welke vooraf zijn gegaan aan de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte, voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken, welke een redelijk vermoeden van schuld opleveren tegen verdachte voor de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde strafbare feiten;
“(…) dat onderzoeksbelang aanwezig wordt geacht;
“(…) dat de inverzekeringstelling rechtmatig dient te worden verklaard en het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 04 oktober 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op 05 oktober 2022 omstreeks 12.15 uur des namiddags ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het op 05 oktober 2022 omstreeks 13.00 uur des namiddags heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep dus binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appél.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant in verzekering is gesteld op basis van de verklaringen van vier getuigen terwijl deze getuigen niet hebben gezien op welke wijze het strafbaar feit is gepleegd;
• dat het Openbaar Ministerie sinds de inverzekeringstelling van appellant tot heden de door haar genoemde onderzoekshandelingen niet heeft gepleegd; de camerabeelden zijn niet veiliggesteld en de getuigen zijn niet geconfronteerd met appellant;
• dat er tijdens de huiszoeking en het onderzoek in de auto van appellant geen bewijsmiddelen en wapen zijn aangetroffen;
• dat de verdenking slechts is gebaseerd op de getuigenverklaringen van de buurtbewoners terwijl appellant geen band met hun heeft. Het Openbaar Ministerie heeft de verklaringen van appellant niet in ogenschouw genomen;
• dat er in casu geen bewijsmiddelen zijn die de appellant bezwaren. Het dossier bestaat slechts uit getuigenverklaringen die niet getoetst kunnen worden op waarheid en
• dat er inderdaad een paar keren in de woning van appellant is ingebroken. Men heeft de verdenking in casu op de appellant gelegd, omdat hij bepaalde uitspraken zou hebben gedaan, maar er zijn geen bewijzen die de appellant bezwaren.
Op basis van het bovenstaande heeft de verdediging aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant te bevelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
• dat appellant slachtoffer is geworden van woninginbraak en op zoek is gegaan naar de dader. De buurtbewoners van appellant hebben aangegeven dat ene [bijnaam slachtoffer] de inbraak heeft gepleegd. Volgens de buurtbewoners heeft appellant steeds de uitlating gedaan dat hij [naam 2] van het leven gaat beroven;
• dat appellant niet slechts op basis van getuigenverklaringen in verzekering is gesteld, maar ook op basis van bezwarende feiten en omstandigheden;
• dat appellant, volgens de verklaring van een getuige, met zijn auto met gierende banden van huis is vertrokken nadat er was geschoten op het slachtoffer. Het slachtoffer lag niet ver van de woning van appellant op het wegdek. Deze verklaring is bevestigd door een tweede getuige die ook een vuistvuurwapen bij appellant heeft gezien;
• dat de derde getuige heeft gesteld dat hij heeft gezien dat appellant op het slachtoffer heeft geschoten;
• dat appellant heeft gesteld dat hij het slachtoffer niet kent, maar de getuigen hebben verklaard dat hij het slachtoffer wel kent. De appellant zou opmerkingen hebben gemaakt en uitlatingen hebben gedaan dat hij het slachtoffer, [naam] meergenoemd ‘[bijnaam slachtoffer], gaat doodschieten, omdat er vaak is ingebroken in zijn woning;
• dat appellant aan bepaalde buurtbewoners heeft gezegd: ‘Laat mij zien wie die [bijnaam slachtoffer] is hoor, want mo kir a mang disi.’. Twee goede vrienden van appellant hebben bevestigd dat appellant inderdaad deze uitlating heeft gedaan;
• dat appellant heeft geweigerd om mee te werken aan de confrontatieverhoren met de getuigen en
• dat er in casu sprake is van onderzoeksbelang; twee getuigen moeten nog worden gehoord, het confrontatieverhoor tussen de getuigen en de appellant moet nog plaatsvinden en er zal via de camerabeelden van Safe City worden nagegaan wat de route van appellant na het schietincident is geweest en of hij het wapen heeft weggemaakt. In dat kader zijn er reeds instructies gegeven en het Openbaar Ministerie is in afwachting van het bericht van de politie.
Op basis van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om het verzoek van appellant af te willen wijzen en om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het Hoger Beroep
Naar aanleiding van de grieven van appellant en het standpunt van het Openbaar Ministerie op de grieven stelt het Hof het volgende voorop.
Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.

Met de vervolging is het Hof van oordeel dat er wel feiten en omstandigheden zijn gebleken uit het onderzoek die een redelijk vermoeden van schuld tegen appellant construeren. Het betreft in casu doodslag, moord, zware mishandeling, zwaar lichamelijk letsel met de dood als gevolg en overtreding van de Vuurwapenwet welke appellant verweten wordt. Uit de getuigenverklaringen van de verschillende buurtbewoners, behelsende onder andere de uitlatingen van de appellant aan het adres van het slachtoffer, en het feit dat appellant, nadat er op het slachtoffer was geschoten, met zijn auto met gierende banden van huis is vertrokken terwijl het slachtoffer niet ver van zijn woning op het wegdek lag, is naar het oordeel van het Hof een redelijk vermoeden van schuld gebleken. Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. De appellant dient onder andere nog te worden geconfronteerd met de getuigen die bezwarende verklaringen jegens hem hebben afgelegd. Daarnaast moeten twee andere getuigen nog worden gehoord. Voorts, moeten de camerabeelden veilig worden gesteld waaruit het handelen van appellant na het schietincident kan worden blootgelegd. Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt de appellant niet in de door hem opgeworpen grieven. Op grond van het voorgaande zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022 worden bevestigd.

Gezien de betrekkelijke wetsartikelen.

DE BESLISSING

HET HOF:

Verklaart het beroep van appellant, [naam 1], ongegrond.

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 04 oktober 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 06 oktober 2022 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. S. Punwasi, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-17

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, VAN [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. woensdag 15 juni 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 11 juni 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 9; 15 jo. 22 van de Vuurwapenwet.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. woensdag 15 juni 2022; het beroepschrift d.d. donderdag 16 juni 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 16 juni 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 17 juni 2022 om 12.00 uur des middags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de raadslieden, mr. R. Denz en mr. R.R. Lobo en
• de Wnd. Procureur-Generaal, mr. N. Maikoe, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd woensdag 15 juni 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 16 juni 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten aangezien het bevel tot inverzekeringstelling onrechtmatig is.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant als wapenliefhebber één jachtgeweer, vuistvuurwapens en vijf alarmpistolen voorhanden heeft gehad zonder daartoe in het bezit te zijn geweest van een bijzondere volmacht. De appellant heeft foutief gehandeld;
• dat het voorhanden hebben van een vuurwapen zonder een machtiging vijftien of zestien jaren geleden van een overtreding is omgezet tot een misdrijf aangezien het aantal berovingen middels vuurwapens toenam;
• dat er gevallen zijn geweest waarbij verdachten, die zwaardere wapens voorhanden hadden, binnen één of twee weken in vrijheid zijn gesteld. Op basis van de soort wapens die bij appellant in beslag zijn genomen had hij al lang op vrije voeten moeten worden gesteld;
• dat er geen misdrijven zijn gepleegd met de wapens die bij appellant zijn aangetroffen;
• dat er geen sprake is van vluchtgevaar. De appellant heeft zijn bestaan in Suriname opgebouwd en heeft een gezin;
• dat de appellant first offender is en zijn volledige medewerking verleent bij het onderzoek;
• dat de detentie van appellant in casu niet noodzakelijk is;
Op grond van het bovenstaande heeft de appellant aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om de invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat er één jachtgeweer, 3 Glock pistolen, gasbuksen, alarmpistolen en een aantal verschillende formaten patronen in het bezit van appellant zijn aangetroffen zonder dat appellant over een vergunning beschikt;
• dat de appellant heeft verklaard dat hij eerst een persoonlijk wapen in Frans-Guyana heeft gekocht waarna hij voor de tweede keer naar Frans-Guyana is geweest om een heel assortiment aan wapens van ene [naam 2] te kopen. Hiermee is hij naar Suriname teruggekeerd. De appellant kan de nadere omschrijving van [naam 2] en zijn contactnummer niet aangeven;
• dat appellant steeds van verklaring verandert. In eerste instantie heeft hij gezegd dat [naam 2] contact met hem heeft gemaakt en hierna heeft hij verklaard dat zijn vriend hem in Frans-Guyana in contact heeft gebracht met [naam 2]. Volgens appellant kent hij [naam 2] verder niet. De appellant heeft tot nu toe geen duidelijke verklaring gegeven waaruit blijkt op welke wijze hij de vuurwapens in zijn bezit heeft gekregen;
• dat de telefoon waarin eventuele informatie zou zijn opgeslagen ook niet is gevonden. De appellant heeft wel een telefoonnummer doorgegeven en dat moet nog worden uitgewerkt;
• dat er ook een onderzoek moet worden gedaan naar de ‘online shop’ van appellant om te kijken wat hij ten verkoop aanbiedt en of hij wapens ten verkoop heeft aangeboden. Voorts zal [naam 2] worden opgespoord en zal er in de buurt ook onderzoekingen worden verricht door de politie;
• dat de huisgenoten van appellant, waaronder zijn moeder, zus en vrouw niet eens wisten dat appellant een wapenliefhebber is. Dat was een verrassing voor een ieder. De verklaring van de appellant heeft dus geen enkele ondersteuning gevonden in de verklaringen die zijn afgelegd door zijn familieleden;
• dat alle wapens gevaarlijk zijn. Het is niet van belang of het een zwaar wapen of een minder zwaar wapen is. Dat is ook niet van belang bij het kopen van een wapen, want de wet maakt dat onderscheid niet;
• dat het noodzakelijk is dat appellant in detentie blijft, want als hij in vrijheid wordt gesteld dan zou hij in contact kunnen treden met mensen die als mede verdachten kunnen worden aangemerkt;
• dat er vrees voor vluchtgevaar bestaat;
• dat er in casu sprake is van een redelijk vermoeden van schuld, dringende noodzakelijkheid voor continuering van de detentie en onderzoeksbelang;
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. woensdag 15 juni 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
Appellant komt op tegen de beschikking die door de rechter-Commissaris is gegeven in het kader van de rechtmatigheidstoets en waarbij de inverzekeringstelling rechtmatig is getoetst. Het Hof dient derhalve te toetsen of de inverzekeringstelling al dan niet terecht rechtmatig is verklaard en of er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van feiten en omstandigheden op grond waarvan een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de appellant ontstaat met betrekking tot een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast zal ook bekeken worden of er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat appellant verschillende wapens en verschillende formaten munitie voorhanden heeft gehad zonder daartoe in het bezit te zijn geweest van een vergunning. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk vermoeden van schuld uit het bovenstaande komen vast te staan. Op grond van hetgeen zijdens het Openbaar Ministerie is aangevoerd met betrekking tot het verder onderzoek, acht het Hof tevens het onderzoeksbelang nog aanwezig.
In de visie van het Hof moet er – gelet op de vele meedogenloze gewapende roofovervallen – aan het Openbaar Ministerie de ruimte worden geboden om te onderzoeken wat de werkelijke bedoeling van het in het bezit hebben van de verschillende wapens en verschillende formaten munitie is geweest. Er mag redelijkerwijs niet van het Openbaar Ministerie worden verwacht dat zij genoegen neemt met de bewering dat appellant een wapenliefhebber is, nu hij geen vergunning heeft voor het voorhanden hebben van wapens en hij die ook niet heeft aangevraagd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek van appellant te worden verworpen en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. 15 juni 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam 1], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 15 juni 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op vrijdag 17 juni 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. M.V. Kuldip Singh, Lid en mr. L. Ravenberg Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. M.V. Kuldip Singh
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-16

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 21 juli 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 19 juli 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 186 en 414 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 21 juli 2022, het beroepschrift d.d. maandag 25 juli 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van dinsdag 26 juli 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op woensdag 27 juli 2022 om 09.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden. De behandeling van de zaak is op woensdag 27 juli 2022 uitgesteld naar donderdag 28 juli 2022.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de advocaat, mr. M.C.M. Nibte;
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant (telefonisch).

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 21 juli 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op maandag 25 juli 2022 in de dropbox van het Hof van Justitie achtergelaten. De griffier van de Rechter-Commissaris heeft het beroepschrift op dinsdag 26 juli 2022 doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Ter beoordeling van de ontvankelijkheid dient vast te staan wanneer de gewraakte beslissing aan appellant is betekend en niet de datum waarop de beslissing de verdediging ter ore is gekomen. Gelet op het feit dat het tijdens de behandeling van de zaak in raadkamer niet duidelijk is geworden wanneer de beslissing van de Rechter-Commissaris aan appellant is betekend, zal in zijn voordeel worden beslist. Appellant wordt derhalve geacht ontvankelijk te zijn in zijn beroep.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en om appellant op basis van het gelijkheidsbeginsel onmiddellijk in vrijheid te stellen.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• appellant is betrokken in een boedelkwestie en is door middel van de sterke arm uit de woning ontruimd. De volgende dag heeft appellant zich wederom de toegang tot de woning verschaft door de slot van de voordeur kapot te slaan. Naar aanleiding daarvan is appellant in verzekering gesteld terzake huisvredebreuk en vernieling;
• de broer van appellant is ook in de ontruimde woning geweest en is er daarbij een vechtpartij ontstaan. De broer van appellant was terzake huisvredebreuk, vernieling en mishandeling in verzekering gesteld, maar is door de Rechter-Commissaris reeds in vrijheid gesteld terwijl het verzoek van appellant door een andere Rechter-Commissaris is afgewezen;
• appellant is bereid de kosten van het slot te vergoeden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven van appellant, onder meer, het volgende aangevoerd:
• het gaat in casu niet simpelweg om huisvredebreuk en vernieling, omdat appellant de woning is binnengedrongen nadat hij was ontruimd;
• door appellant zijn een aantal mensen in beeld gebracht waaronder de oom van appellant die de sloten kapot zou hebben gemaakt;
• appellant en zijn broer worden overigens niet verweten zich tezamen en in vereniging schuldig te hebben gemaakt aan de strafbare handelingen.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof verzocht om het verzoek van appellant af te willen wijzen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
In casu is appellant met behulp van de sterke arm ontruimd en heeft zich hierna wederom de toegang tot de woning verschaft door het slot kapot te slaan, hetgeen niet is weersproken door de appellant. De appellant heeft zich bereid verklaard om de kosten van het slot te vergoeden. Uit het onderzoek in raadkamer is verder gebleken dat appellant reeds is verhuisd. Het Hof is – gelet op de geschetste situatie – van oordeel dat er onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er in casu sprake is van een onderzoeksbelang dat noopt tot verdere vrijheidsbeneming van de appellant. Nu het onderzoeksbelang niet is komen vast te staan, is het Hof van oordeel dat er in dit stadium van het onderzoek geen dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van appellant. De gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 21 juli 2022 dient derhalve te worden vernietigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 21 juli 2022.

En opnieuw rechtdoende:
Verklaart het ingesteld hoger beroep gegrond;

Verklaart de continuering van de inverzekeringstelling van appellant, [naam], onrechtmatig;

Wijst toe het verzoek tot invrijheidstelling van appellant, [naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant, [naam], voornoemd.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op donderdag 28 juli 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. D. Nanhoe en mr. L. Ravenberg, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-15

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 09 juni 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 15 mei 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 362; 362 jo. 70 en 360 van het Wetboek van Strafrecht, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 17 mei 2022 en ingaande op 22 mei 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 09 juni 2022, het beroepschrift d.d. vrijdag 10 juni 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van maandag 13 juni 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op dinsdag 14 juni 2022 om 11.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de raadsman, mr. D.E.R. Veira;
• de Wnd. Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie en
• de appellant.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 09 juni 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op maandag 13 juni 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Aangezien de beslissing van de Rechter-Commissaris op vrijdag 10 juni 2022 kenbaar was gemaakt, wordt het beroep geacht op tijd te zijn aangetekend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadsman heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en de invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant op de zondag samen met zijn vrouw aan de openbare weg langs de Tourtonnelaan bezig was een tent op te zetten om goederen ten verkoop aan te bieden. De appellant bevond zich daarbij een pand verwijderd van het pand van Yokohama;
• dat de bewakers van Yokohama op een gegeven moment naar appellant zijn toegelopen en op een denigrerende wijze aan hem hebben gezegd dat hij zich van die plek moest verwijderen. Toen de appellant daaraan geen gevolg gaf is één van de bewakers ertoe overgegaan om de tent zelf af te breken en heeft daarbij vernielingen aangebracht;
• dat de bewaker de tent heeft vernield en niet als verdachte is aangemerkt;
• dat de appellant vanwege de ontstane situatie, waaronder de dreigende houding en het, verschil in lichaamsbouw, genoodzaakt was om steeds stappen achteruit te doen. De appellant heeft de bewaker verscheidene malen te kennen gegeven dat hij politieambtenaar is. Desondanks bleef de bewaker een dreigende houding aannemen. Op een bepaald moment kwam de appellant te vallen. Vanwege de afstand van één en een halve meter tussen de bewaker en de appellant was appellant niet in de gelegenheid om zich veilig te verplaatsen en om een waarschuwingsschot te lossen. De appellant was daardoor genoodzaakt om vuurwapen geweld aan te wenden en heeft de bewaker aan zijn been geschoten;
• dat appellant in een geheel andere situatie zou zijn beland, indien hij geen vuurwapengeweld had toegepast. De omstandigheid dat appellant zodanige slagen zou hebben moeten incasseren met het risico dat hij het ziekenhuis kon belanden, was daarbij niet uitgesloten;
• dat appellant in de hoedanigheid van politieambtenaar bevoegd was om bij constatering van het strafbaar feit op heterdaad, de verdachte aan te houden en
• dat er getuigen zijn die verklaringen in het voordeel van appellant hebben afgelegd en dat er geen noodzaak bestaat om de detentie van appellant te handhaven;
Op grond van het bovenstaande heeft de appellant aan het Hof verzocht om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en de invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat de bewaker aan appellant heeft gezegd dat zijn tent deels op het terrein van Yokohama is geplaatst en heeft gevraagd om de tent van het terrein te verwijderen. De appellant heeft toen pertinent geweigerd om zijn tent te verplaatsen. De bewaker heeft geantwoord dat hij die tent zelf gaat verwijderen. Terwijl de bewaker bezig was de tent weg te halen heeft appellant hem een klap gegeven waarna de bewaker hem heeft gestoten. Op een bepaald moment is appellant uitgegleden en heeft zijn dienstwapen tevoorschijn gehaald. Vervolgens heeft appellant gericht geschoten op het been van de bewaker;
• dat appellant in zijn nader verhoor heeft gezegd dat hij heeft gezien dat de bewaker geen wapen bij zich had. De bewaker had slechts een gummistok bij zich die aan zijn riem was bevestigd;
• dat de appellant een pas op de plaats had moeten maken en een collega had moeten vragen om de zaak over te nemen aangezien het in casu ging om zijn persoonlijk belang;
• dat er geen getuigenverklaringen in het voordeel van appellant zijn afgelegd. Een getuige heeft verklaard dat appellant op een provocerende wijze heen en weer liep nadat hij het wapen uit zijn schoudertas had gehaald;
• dat er in casu geen sprake is van noodweer zijdens de appellant, omdat de dreiging zich niet had gemanifesteerd en het was niet van dien aard dat appellant zo disproportioneel hoefde te handelen.
Op grond van het bovenstaande vraagt het Openbaar Ministerie om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. donderdag 09 juni 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar het oordeel van het Hof is de rode draad in de grieven in casu dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding welke aanranding verdediging noodzakelijk en geboden maakte.
Het Hof heeft uit de geschetste situatie geconstateerd dat de bewaker niet gewapend was en dat zijn gummistok aan zijn riem was bevestigd. Bovendien heeft de appellant in zijn verhoor d.d. 15 mei 2022 aan de verbalisant verklaard dat hij geen wapen bij de bewaker heeft gezien. Op basis daarvan is komen vast te staan dat tussen de bewaker en de appellant er geen sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar, dat appellant noodzaakte met zijn vuistvuurwapen gericht te schieten op de bewaker.
Het Hof overweegt voorts dat appellant als ambtenaar van politie is getraind om met agressie om te gaan, ingeval daarvan sprake is. De appellant was aangezegd om de opgezette tent te verwijderen en heeft geweigerd om daaraan gevolg te geven. In casu gaat het niet om geweld aangewend in de uitoefening van zijn beroep zoals de verdediging het doet voorkomen, maar om een geval waarbij appellant als burger in een woordenwisseling en handgemeen is geraakt met een bewaker die op dat moment wel in de uitoefening van zijn taak als beveiliger ter plekke aanwezig was.
Gelet op de geschetste situatie en het geïndiceerd onderzoeksbelang is het Hof van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek er een dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant. Om die reden dient het door appellant gedane verzoek afgewezen te worden en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 09 juni 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam], in hoger beroep;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 09 juni 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op dinsdag 14 juni 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. L. Ravenberg
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-14

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. vrijdag 11 maart 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 16 februari 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 189; 362; 362 jo 70 en 360 van het Wetboek van Strafrecht, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 21 februari 2021;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 15 maart 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 15 maart 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op 16 maart 2022 om 09.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar Ministerie;
• de raadslieden, mr. Ch. Algoe en mr. E.M. Redjopawiro en
• de appellant.

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. 11 maart 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten de inverzekeringstelling, alsmede de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan;

“(…) dat de raadslieden concluderen dat er sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid, zo verzoeker/verdachte zich aan het strafbaar feit schuldig heeft gemaakt uitsluiten. Voorts dat het onderzoeksbelang zich niet verzet tegen de invrijheidstelling van verzoeker/verdachte;

“(…) dat uit de processen-verbaal voorkomende in het politie dossier blijkt dat tijdens een voetbalwedstrijd een gevecht uitbrak waarbij voetballers en publiek met elkaar slaags raakten. Dat op enig moment uit de groep der vechtenden zich een deel waaronder het latere slachtoffer zich verwijderde door weg te rennen van het “strijdtoneel” en wel richting kantlijn. Verzoeker/verdachte stond met een glas in zijn hand en voelde zich genoodzaakt volgens zijn zeggen zijn hand uit te strekken om zichzelf te beschermen, omdat hij bang zou zijn geworden;

“(…) dat uit niets bleek dat verzoeker/verdachte betrokken was bij het vechten zo ook bleek uit niets dat de personen die wegrenden van het “strijdtoneel” de intentie hadden om verzoeker/verdachte aan te vallen. Zij renden richting kantlijn teneinde zich te verwijderen van het “strijdtoneel”. Uit niets blijkt dat verzoeker/verdachte door dit wegrennen zich bevreesd zou moeten voelen. Hij behoorde immers niet tot de groep vechtenden;

“(…) dat uit verklaringen van gehoorde getuigen is gezegd dat verzoeker/verdachte een slaande beweging heeft gemaakt richting het latere slachtoffer en dat uit videomateriaal deze verklaringen (enige) ondersteuning vindt. De bewering van verzoeker/verdachte dat hij zijn handen heeft opgeheven ter bescherming van zijn zelf klinkt derhalve minder geloofwaardig;

“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 11 maart 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op 15 maart 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Aangezien de beschikking, welke nog niet was uitgereikt aan de appellant, door de advocaat op 14 maart 2020 is opgehaald, wordt het beroep geacht op tijd te zijn aangetekend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadslieden hebben namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen c.q. ongedaan te maken en om de inverzekeringstelling van de appellant althans de verlenging daarvan onrechtmatig te oordelen.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat uit het videobeeld is gebleken dat de verzoeker aan de kantlijn stond en dat het slachtoffer, met nog één of twee perso(o)n(en) achter zich, met een hoge snelheid recht op hem is afgekomen. Dit is zowel op het eerste als op het tweede videobeeld te zien;
• dat het niet is gebleken dat verzoeker slagen heeft toegebracht aan het slachtoffer. De verzoeker heeft slechts een verdedigingshandeling gepleegd terwijl hij een glas in zijn handen had en het slachtoffer is daartegen aangelopen;
• dat getuige genaamd [naam 2] heeft verklaard dat hij wel heeft gezien wie de slagen aan het slachtoffer heeft toegebracht. De appellant heeft verklaard dat hij vanuit de plek waar hij stond kon zien dat de getuige [naam 2] op het veld aan het bemiddelen was. De getuige [naam 2] bevond zich dus op het veld en kon niet van die plek zijn weggegaan om vervolgens naar de uitgang toe te rennen. Hij was gelet op zijn leeftijd verantwoordelijk voor de spelers. De getuige [naam 2] is de enige die beweert dat het slachtoffer opzettelijk en met kracht zou zijn geslagen door appellant. De verklaring van de getuige [naam 2] kan dus niet kloppen en de politieambtenaren hebben ten aanzien hiervan geen verdere onderzoekshandelingen gepleegd;
• dat de verzoeker op 15 februari 2022 was opgeroepen op het politiebureau en toen gelijk heeft aangeboden om de medische kosten van het slachtoffer te dekken, maar niemand heeft naar hem geluisterd. Ook de rechter-commissaris heeft niet naar hem geluisterd. Er is wel ettelijke malen aangeboden om de medische kosten van het slachtoffer te dekken;
• dat in casu het opzetelement ontbreekt en er geen dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verlenging van de inverzekeringstelling;
• het slachtoffer is inmiddels genezen en neemt normaal deel aan voetbalwedstrijden;
• dat de Nederlandse strafzaak, die bekend staat onder ECLI:NL:RBMAA:2012:BY3137, gaat over een toeschouwer van een voetbalwedstrijd die een agent met een kruk heeft geslagen. Daarbij is er een beroep gedaan op de overmacht situatie en de rechtbank heeft beslist dat het bewezen verklaarde geen strafbare feit oplevert en is de verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen. Gelet op de feiten en omstandigheden is in casu gebleken dat er een handeling is gepleegd naar aanleiding van een hevige gemoedstoestand;
• dat de videobeelden sinds meet af aan beschikbaar waren. De vervolging vindt dat verzoeker nog moet worden geconfronteerd met de videobeelden terwijl hij inmiddels reeds een maand in detentie zit. De verzoeker is reeds geconfronteerd met de videobeelden en als de vervolging vindt dat het onderzoeksbelang daaruit blijkt, dan zal die stelling geen stand houden.
• dat het dossier volledig is en de videobeelden zijn veilig gesteld. Daarnaast is het slachtoffer gehoord. Het visum van de arts maakt ook deel uit van het dossier. Er kan geen sprake zijn van bewijsvertroebeling.
Op grond van het bovenstaande verzoekt de verdediging het Hof om de beschikking van de rechter-commissaris te willen vernietigen en de verlenging van de inverzekeringstelling van de verzoeker onrechtmatig te willen verklaren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat het slachtoffer op 31 januari 2022 aangifte heeft gedaan tegen appellant;
• dat het slachtoffer heeft verklaard dat er op een gegeven moment onenigheid is ontstaan tussen twee spelers van de verschillende voetbalteams. Dat mondde uit in een gevecht waarbij de toeschouwers van het ene voetbalteam de spelers van het andere voetbalteam aanvielen;
• dat de getuige [naam 2] heeft verklaard dat zij op gegeven moment in de richting van de uitgang zijn gerend en dat hij daarbij heeft gezien dat een onbekende man van Javaanse afkomst één van zijn groepsleden, genaamd [naam 3], opzettelijk en met kracht en met behulp van een voorwerp een slag aan zijn gezicht toebracht. De getuige [naam 2] kon niet aangeven om welke voorwerp het ging. Dit gegeven wordt ondersteund door een aantal videobeelden. Op het eerste videobeeld valt te zien dat de appellant aan de kantlijn staat naar de wedstrijd te kijken. Op het tweede videobeeld valt te zien dat de appellant aan het slachtoffer opzettelijk en met kracht een slag toebrengt met behulp van een glazenvoorwerp terwijl het slachtoffer voorbij de appellant rent;
• dat het visum van de arts aangeeft dat het slachtoffer 8 maal multipele snijwonden heeft overgehouden en is doorverwezen naar de plastische chirurg. Een vervolg visum maakt gewag van genezing binnen onbepaalde tijd;
• dat, indien de appellant de medische kosten had willen dekken, hij sinds zijn inverzekeringstelling op 16 februari 2022 daartoe de gelegenheid heeft gehad;
• dat er een dringende noodzakelijkheid is dat appellant blijft aangehouden, omdat er nog onderzoekshandelingen moeten worden gepleegd, waaronder confrontatie met de videobeelden. Daarnaast kan er sprake zijn van bewijsvertroebeling, omdat de appellant vader is van één van de spelers van de tegenpartij;
• dat de verzoeker sinds meet af aan ontkennende verklaringen heeft afgelegd. In casu is niet gebleken van enige gemoedstoestand waarin de verzoeker verkeerde.
Op grond van het bovenstaande vraagt het Openbaar Ministerie om de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 11 maart 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar het oordeel van het Hof is de rode draad in casu of er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding welke aanranding verdediging noodzakelijk en geboden maakt.
Het Hof heeft tijdens het bekijken van de videobeelden geconstateerd dat appellant aan de kantlijn stond toen het slachtoffer hem voorbij rende. Het slachtoffer rende dus, anders dan appellant heeft verklaard, niet in zijn richting op en ook niet op hem af. Toen het slachtoffer de appellant voorbij rende was er geen sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar, een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een noodzakelijke verdediging.
De appellant heeft verder verklaard dat hij hevig was geschrokken toen hij zag dat het slachtoffer op hem afrende. Volgens appellant kon hij niets anders doen dan zichzelf beschermen. Ter bescherming van zijn gezicht en lichaam had hij zijn hand, waarin hij het glas hield, voor zich uitgestrekt. Uit de videobeelden is gebleken dat er geen sprake was van een dreigend gevaar toen het slachtoffer appellant voorbij rende waardoor verdediging niet geboden was.
De appellant heeft verklaard dat het glas door de botsing met het slachtoffer is gevallen en is stukgegaan en heeft het slachtoffer daardoor letsel opgelopen. Uit de videobeelden is ook komen vast te staan dat toen het slachtoffer appellant voorbij rende, de appellant zijn arm waarin hij het glas vasthield opzettelijk voor zich heeft uitgestrekt. Het slachtoffer is op dat moment gewond geraakt en heeft multipele snijwonden aan zijn gelaat opgelopen. Kortom, het slachtoffer rende voorbij de appellant en heeft geen confrontatie met de appellant opgezocht. De handeling van appellant jegens het slachtoffer kan als aanvallend worden gezien. Gelet op het bovenstaande is in casu in voldoende mate komen vast te staan dat er geen sprake is geweest van een noodsituatie waartegen verzoeker zich hoefde te verdedigen.
Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. Appellant dient onder andere nog te worden geconfronteerd met de videobeelden.
Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. Om die reden wordt het door appellant gedane verzoek afgewezen en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Wijst af het verzoek van appellant, [naam 1];

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op vrijdag 11 maart 2022.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 maart 2022 door: mr. I.S. Chhangur – Lachitjaran, Fungerend – President, mr. L. Ravenberg en mr. S. Punwasi, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. I.S. Chhangur – Lachitjaran
w.g. L. Ravenberg
w.g. S. Punwasi

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-13

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. dinsdag 17 mei 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 08 mei 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 371 jo. 72; 371 jo. 72 jo. 73; 370 jo. 72; 370 jo. 72 jo. 73 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 20 mei 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van vrijdag 20 mei 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op maandag 23 mei 2022 om 08.45 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de appellant en
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. dinsdag 17 mei 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten de inverzekeringstelling, alsmede de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 17 mei 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op vrijdag 20 mei 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De advocaat heeft namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant, een jeugdige, tezamen met twee zeer jeugdige vrienden twee kaaimannen uit de ZOO van Paramaribo heeft gesnaaid en heeft opgegeten. De appellant en de medeverdachten hebben het strafbare feit toegegeven;
• dat volgens de appellant het niet in de bedoeling lag om de kaaimannen van de ZOO te vangen. Uiteindelijk hebben zij dat toch gedaan. Het was gewoon als een ‘kiek’ bedoeld;
• dat het niet gaat om een ernstig strafbaar feit waardoor de rechtsorde is geschokt. Het gaat om jeugdige onbezonnenheid en geen ‘die-hard’ criminelen met wie niets meer mee te beginnen valt;
• dat de vader van appellant heeft gesproken tot de directeur van de ZOO en bereid is om nieuwe kaaimannen voor de ZOO te leveren en de overige schade te vergoeden;
• dat de appellant in de examenklas van de MULO school zit en vandaag een schoolonderzoek zou moeten maken, maar de kans daartoe niet heeft gehad;
• dat het noch dringend noodzakelijk noch wenselijk is om appellant langer in detentie te houden;
• dat het jachtgeweer niet aan hem toebehoort. Het jachtgeweer is van een 27-jarige vriend van de appellant die wel in het bezit is van een machtiging en
• dat appellant verkeerd heeft gehandeld en spijt heeft van hetgeen hij heeft gedaan;
Op basis van het bovenstaande vraagt de verdediging om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 17 mei 2022 te vernietigen en om de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant onrechtmatig te verklaren.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer, het volgende aangevoerd:
• dat er in casu drie jeugdigen, waaronder appellant, betrokken zijn. Zij hebben bekend waaraan zij zich schuldig hebben gemaakt. De appellant is ingesloten te Post Geyersvlijt;
• dat appellant de nodige pedagogische begeleiding zal krijgen. Er zal een verslag worden gemaakt en appellant zal in het begeleidingstraject worden meegenomen. Bij Opa Doeli zal het onderwijs normaal voortgang vinden en appellant zal in de gelegenheid worden gesteld om zijn schoolonderzoeken te maken. Het is van belang om verzoeker de nodige aandacht en begeleiding te geven;
• dat appellant en de medeverdachten hebben aangegeven op welke wijze zij de kaaimannen hebben meegenomen en hebben mishandeld met een hooivork en een balk. Zij hebben de buik van de kaaimannen opengereten en hebben de eieren eruit gehaald. In casu is er sprake van baldadigheid. Op basis van dierenbescherming en het welzijn van dieren worden deze feiten onder een aparte titel ondergebracht en
• dat het Hof toetst op basis van rechtmatigheid en doelmatigheid.
Op basis van het bovenstaande vraagt de vervolging om het verzoek van de appellant af te wijzen en om de beschikking van de Rechter-Commissaris te bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang.
Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.
In casu heeft de appellant een volmondige bekentenis afgelegd en verklaard dat hij zich tezamen met zijn jeugdige vrienden wel schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten strafbare feiten. Voorts is het Hof – gelet op de geschetste situatie – van oordeel dat er onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er in casu sprake is van een onderzoeksbelang dat noopt tot verdere vrijheidsbeneming van de appellant. Nu het onderzoeksbelang niet is komen vast te staan is het Hof van oordeel dat er in dit stadium van het onderzoek geen dringende noodzakelijkheid bestaat voor de verdere continuering van de vrijheidsbeneming van de appellant.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen slaagt de verdediging in de door hem opgeworpen grieven en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. 17 mei 2022 worden vernietigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Vernietigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op dinsdag 17 mei 2022.

En opnieuw rechtdoende:

Verklaart het ingesteld hoger beroep gegrond;

Verklaart de continuering van de inverzekeringstelling van appellant, [naam], onrechtmatig;

Wijst toe het verzoek tot invrijheidstelling van appellant, [naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant, [naam], voornoemd.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 23 mei 2022 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. D. Nanhoe en mr. L. Ravenberg, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D. Nanhoe
w.g. L. Ravenberg

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-12

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. donderdag 19 mei 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 29 april 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 188; 279; 279 jo. 72; 279 jo. 73; 278; 2 78 jo. 72; 278 jo. 73 en 229 van het Wetboek van Strafrecht; artikelen 1; 2 en 3 van de Wet Strafbaarstelling Money Laundering; artikelen 11; 14 en 17 van de Deviezenregeling; artikelen 1; 2 en 3 van de Wet Tegengaan Smokkelen jo. artikelen 1 lid 1 sub 5 en sub 20; 2; 3 en 4 van de Wet Economische Delicten, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 04 mei 2022, ingaande op 06 mei 2022;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 20 mei 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van vrijdag 20 mei 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op maandag 23 mei 2022 om 08.30 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;
• de raadslieden, mr. C.A.F. Meijnaar; mr. B.A.H. Pick en mr. Ch. Algoe;
• de appellant;

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. donderdag 19 mei 2022 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten de inverzekeringstelling, alsmede de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, overwogen:
“(…) dat de inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden in het belang van het onderzoek naar strafbare feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
“(…) dat er thans dringende noodzakelijkheid tot verlenging van de inverzekeringstelling aanwezig wordt geacht en de verdere vrijheidsbeneming in het belang van het onderzoek is, waardoor het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen;

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd donderdag 19 mei 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op vrijdag 20 mei 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadslieden hebben namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat de rechter-commissaris niet heeft gemotiveerd op basis waarvan het verzoek ex artikel 54a Sv. is afgewezen. De gronden die hebben geleid tot de afwijzing van het verzoekschrift zijn geen redelijke gronden;
• dat bij de verlenging van de inverzekeringstelling het onderzoeksbelang nog steeds aanwezig moet zijn en volgens de wet moet er ook een dringende noodzakelijkheid zijn om die persoon langer in detentie te houden. Volgens de vervolging moeten er nog enkele onderzoekshandelingen worden gepleegd en blijkt die dringende noodzakelijkheid uit het confronteren van getuigen met appellant en het opsporen van een voortvluchtige verdachte. Op grond daarvan vindt de vervolging dat het noodzakelijk is om de inverzekeringstelling althans de verlenging daarvan te blijven handhaven;
• dat appellant reeds is gedagvaard voor de zitting van 31 mei 2022 om een aanvang te maken met de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg. Dat wil zeggen dat de vervolging het onderzoek heeft afgerond en dat er verder geen onderzoeksbelang aanwezig is. Wanneer er geen onderzoeksbelang is dan zou het Hof moeten vaststellen dat de inverzekeringstelling danwel de verlenging daarvan ten onrechte wordt voortgezet;
• dat aan appellant in het Tweede Kanton valsheid in geschrifte is ten laste gelegd. De appellant zou gebruik hebben gemaakt van een vervalste H-formulier en zou redelijkerwijs daarvan op de hoogte moeten zijn geweest. Een burger, die bij elke douanier of douanepost een getekend en gestempeld H-formulier kan ophalen, kon niet hebben geweten dat het H-formulier vervalst was;
• dat er nooit een rapport van forensische opsporing is geweest waaruit kan blijken dat er sprake is van valsheid. Het originele formulier is nooit aangetroffen, omdat het bij wijlen inspecteur [naam 2] was achtergelaten. Er is wel een foto van het H-formulier, maar daarmee kan geen valsheid in geschrifte worden vastgelegd;
• dat dit niet de eerste keer is dat de appellant geld heeft weggebracht. De appellant heeft een vuilniszak vol met dergelijke formulieren thuis liggen. Dus, als hij het formulier wilde vervalsen, dan had hij het correcter kunnen vervalsen. De appellant heeft verklaard dat hij meer dan 100 keren met geld in zijn trolley is weggegaan;
• dat appellant wel een H-formulier bij de hand had met opgave van het juiste bedrag. Echter had hij op die dag minder geld bij zich, maar hij had het opgegeven bedrag niet overschreden. Bovendien had de appellant het land op die dag ook niet verlaten;
• dat de trolley van appellant vier keren door de scanner is gegaan. De eerste twee keren zijn er geen foto’s gemaakt. Toen appellant en [naam 3] uit het toilet kwamen is de trolley wederom gescand en plotseling was er geld erin. [naam 2] kende de volgorde van de foto’s niet, omdat hij niets te maken had met appellant. De appellant kende de volgorde van de foto’s wel en heeft naar de camerabeelden gekeken. Hij heeft gezegd dat de foto’s in het dossier in een verkeerde volgorde voorkomen. Tijdens de eerste en tweede scan zijn er geen foto’s gemaakt van de trolley. De derde keer heeft de politie de trolley zonder geld gefotografeerd en de vierde keer is de tas met geld in de trolley gezet waarna er wel foto’s zijn gemaakt;
• dat er op geen enkel moment is komen vast te staan dat er enige overdracht heeft plaatsgehad tussen [naam 2], [naam 3] en appellant. Men zit te gissen. Er kan alleen worden gekeken naar de Wet Economische delicten als er een economisch delict aanwezig is en als er een strafbaar feit is gepleegd. Dat is thans niet aan de orde;
• dat aan appellant in het Derde Kanton onder IA is ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met [naam 2] , thans wijlen, en [naam 3], zonder in het bezit te zijn van een vergunning van het daartoe bevoegd gezag, Euro 524.000,- zou hebben uitgevoerd;
• dat mevrouw [naam 4] van de Deviezencommissie in haar verklaring duidelijk heeft gesteld dat de oude commissie het H-formulier had gewijzigd en aangepast middels een algemene beschikking. De algemene beschikking zou op 15 januari 2020 in werking treden, maar was middels een bekendmaking in de media aangehouden. Toen was het niet duidelijk welk formulier rechtsgeldig was. De wetgever heeft dus de werking van een algemene beschikking zelf terzijde gelegd. In dat geval hoefde niemand een vergunning te hebben om het land met deviezen te verlaten. Om die reden kan aan appellant geen enkel verwijt worden gemaakt dat hij zou hebben gesmokkeld, omdat de algemene beschikking oftewel het nieuwe formulier waarbij er een vergunning vereist was door de Deviezencommissie was aangehouden. Het H-formulier was dus niet komen te vervallen;
• dat het onderzoek duidelijk heeft uitgewezen dat drukkerij Leo Victor voor het laatst in 2009 H-formulieren heeft gedrukt. De Deviezencommissie heeft binnen haar administratie de formulieren vanaf 2017 tot en met 2022 onderzocht en nagetrokken of zij de vergunning zou hebben verstrekt. Daarbij is de deviezencommissie het serienummer niet tegengekomen. In 2019 zijn de laatste formulieren van drukkerij Leo Victor door de Deviezencommissie ontvangen. Men zou het onderzoek vanaf 2009 tot en met 2022 moeten doen, omdat de vergunningen in die periode zijn verstrekt. Diegene die de formulieren heeft gedrukt heeft gezegd dat het wel lijkt op iets wat zij hebben gedrukt en dat zij het serienummer niet kennen, omdat het niet door hun wordt bijgehouden. Nu er gerede twijfel bestaat gaat de vervolging nooit kunnen bewijzen dat het om een vervalste H-formulier gaat;
• dat de Deviezencommissie heeft geantwoord dat zij het H-formulier niet heeft afgegeven aan appellant, maar sluit niet uit dat het H-formulier aan appellant zou zijn verstrekt door een daartoe bevoegde autoriteit. De Deviezencommissie kan dus niet uitsluiten dat het van hun afkomstig is en drukkerij Leo Victor kan niet uitsluiten dat zij het H-formulier wel hebben uitgegeven. Het is belangrijk om te weten dat appellant het H-formulier van de daartoe bevoegde autoriteit heeft gehad. Het voorgaande word niet betwist.
Op basis van het bovenstaande vraagt de verdediging om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 19 mei 2022 te vernietigen, omdat de beslissing niet gemotiveerd is danwel ondeugdelijk gemotiveerd is en om de gronden die hebben geleid tot de inverzekeringstelling danwel de verlenging van de inverzekeringstelling onrechtmatig te verklaren met als gevolg de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat op de camerabeelden valt te zien dat [naam 2] vermoedelijk het geldbedrag in het damestoilet heeft gebracht. Hierna komen appellant en [naam 3] in beeld. Vervolgens wordt er aan appellant, [naam 3] en [naam 2] verzocht om het damestoilet te verlaten. De personen die de bagages hebben gescand en de personen van het BID-team hebben gesteld dat er bij de eerste scan niets te zien was. Nadat appellant, [naam 3] en [naam 2] uit het damestoilet waren gekomen zijn de bagages wederom gescand en daarop was het geld wel te zien. De appellant heeft verklaard dat hetgeen in de trolley van [naam 3] is aangetroffen aan hem toebehoort. Toen is het H-formulier door appellant getoond;
• dat er op basis van de Deviezenregeling sprake is van een algemene beschikking die aangeeft welk bedrag fysiek uitgevoerd mag worden. Er mocht een bedrag tussen de Euro/USD 10.000,- en Euro/USD 50.000,- worden uitgevoerd. Het H-formulier was vanwege de algemene beschikking komen te vervallen. Indien men een bedrag boven de Euro/USD 50.000,- wil uitvoeren dan moet men een vergunning van de Deviezencommissie hebben. Op basis van de algemene beschikking hebben mevrouw [naam 4] en mevrouw [naam 5], die werkzaam zijn bij de Deviezencommissie, aan appellant voorgesteld om het geld giraal over te maken. Zij hebben hem op basis van de algemene beschikking afgeraden om fysiek met het geld weg te gaan;
• dat het in casu gaat om een vervalste H-formulier waarvan er een foto is gemaakt. Uit de foto is gebleken dat het om een replica gaat. Op basis van de innerlijke en de uiterlijke kenmerken kan worden aangetoond dat het gaat om valsheid in geschrifte. De stempelafdruk op het H-formulier, die door de appellant is getoond, heeft een ovale vorm en de benaming ‘invoerrechten’ is in contrario met de authentieke stempel niet afgekort. In de authentieke stempel is het woord ‘invoerrechten’ afgekort met ‘inv.’. Ook de benaming in het midden van de stempelafdruk is verschillend met de authentieke stempel. De bewijsoverwegingen zullen op de zitting ter sprake worden gebracht;
• dat de handtekening op de stempel ook niet is herkend door meneer [naam 6] en het serienummer op het H-formulier klopt ook niet en
• dat de beschikking die op 15 januari 2020 in werking zou treden, was aangehouden. Mevrouw [naam 4] heeft aan appellant verteld wat de algemene beschikking inhoudt en heeft eveneens de geest van de wet aan appellant voorgehouden. De appellant kan dus niet stellen dat hij daarvan niet op de hoogte was. Het H-formulier is pas getoond toen men het geld in de trolley had gevonden. Op het H-formulier was het bedrag van Euro 524.000,- vermeld, maar appellant heeft gezegd dat hij slechts Euro 50.000,- bij zich heeft. De appellant wist dat hij een vergunning nodig heeft om meer dan Euro 50.000,- fysiek weg te brengen. In casu is er slechts een geobjectiveerd redelijk bewijs nodig voor het vermoeden. Ook al is de bewaring niet gevorderd dan nog word de ruimte geboden om verdere onderzoekshandelingen te plegen;
Op basis van het bovenstaande vraagt de vervolging om het verzoek van de appellant af te wijzen en om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 19 mei 2022 te bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.
Bij de behandeling van een verzoekschrift tot invrijheidstelling van een verdachte in de fase van de inverzekeringstelling toetst het Hof of de inverzekeringstelling al dan niet rechtmatig is en als er aan de eisen van de inverzekeringstelling is voldaan. Er dient dan sprake te zijn van een verdenking die voldoende was voor de aanhouding van verdachte, welke voorts betrekking dient te hebben op een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast moet er sprake zijn van onderzoeksbelang. Bij een verlengde inverzekeringstelling wordt tevens de dringende noodzaak van continuering van de detentiemaatregel getoetst.
Het Hof zal zich derhalve moeten toespitsen op de hiervoor vermelde criteria.
Uit de aan het verzoekschrift aangehechte bijlagen behelzende de bij processen-verbaal afgelegde verklaringen van de getuigen, waaronder de douaneambtenaar, [getuige 1], en de werknemers van de deviezencommissie, mevrouw [naam 5] en mevrouw [naam 4], is er naar het oordeel van het Hof een redelijk vermoeden van schuld gebleken. Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig. De appellant dient onder andere nog te worden geconfronteerd met de getuigen. Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. In het verlengde daarvan acht het Hof tevens de dringende noodzaak van de continuering van de detentiemaatregel ten aanzien van appellant geïndiceerd. Immers heeft appellant zich gedurende een langere periode voor de justitiële autoriteiten onvindbaar gehouden hoewel er een algemene opsporingsbericht ten name van hem was gelanceerd. Hetgeen de verdediging voorts heeft aangevoerd dient in de visie van het Hof bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de zitting aan de orde te worden gesteld, weshalve het Hof daaraan zal voorbijgaan.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt de appellant niet in de door hem opgeworpen grieven. Op grond van het voorgaande zal het ingestelde hoger beroep ongegrond worden verklaard en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. 19 mei 2022 worden bevestigd, onder aanvulling van de gronden als hiervoor vermeld.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het door appellant, [naam 1], ingestelde hoger beroep ongegrond;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op donderdag 19 mei 2022, onder aanvulling van de gronden als hiervoor gegeven;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 23 mei 2022 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. M.C. Mettendaf, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. M.C. Mettendaf
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2022-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornamen], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Penitentiaire Inrichting Hazard te Nickerie,
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat,

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd 11 juli 2022, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 11 juli 2022;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 12 juni 2022 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 18 juli 2022 om 13.00 uur des namiddags;
1.3. voorts is bij beschikking van het Hof d.d. 18 juli 2022 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal worden uitgesteld naar de openbare zitting van het Hof van 03 augustus 2022 om 12.00 uur des middags;
1.4. vervolgens is bij beschikking van het Hof d.d. 03 augustus 2022 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal worden uitgesteld naar de openbare zitting van het Hof van 15 augustus 2022 om 14.00 uur des namiddags;
1.5. de processen-verbaal gedateerd 18 juli 2022, 03 augustus 2022 en 15 augustus 2022 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.6. de uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 27 juli 2010 op verzoek van de Staat Suriname door de Nederlandse autoriteiten aangehouden en in verzekering gesteld;
2.2. [naam] is op 06 oktober 2011 door de Nederlandse autoriteiten uitgeleverd aan de Staat Suriname;
2.3. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 04 juli 2013 terzake het bij inleidende dagvaarding onder A ten laste gelegde (het medeplegen van moord) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding;
2.4. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] op 05 juli 2013 appél ingesteld;
2.5. Op 24 oktober 2018 heeft het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 27 juli 2010 reeds twee/derde (2/3) deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij geen beschikking terzake zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.), heeft ontvangen en aanneemt dat het in casu gaat om een fictieve weigering. Volgens [naam] is het niet duidelijk wanneer de beroepstermijn van 14 dagen is verstreken. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en hem in aanmerking te doen komen voor V.I. [naam] heeft daartoe gesteld dat hij de laatste drie jaren in de Penitentiaire Inrichting Hazard in het district Nickerie ingesloten is geweest en binnen die inrichting geen tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen. [naam] heeft voorts gesteld dat hij zowel binnen als buiten de inrichting werkzaam is. Volgens [naam] heeft hij psychologische begeleiding gehad van de psycholoog en is thans voorbereid om in de samenleving terug te keren.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort en zakelijk weergegeven – gesteld dat [naam] op basis van artikel 29 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. [naam] was namelijk op 27 juli 2010 op verzoek van de Staat Suriname door de Nederlandse autoriteiten aangehouden. [naam] heeft zich in de Penitentiaire Inrichting te Santo Boma herhaaldelijk schuldig gemaakt aan misdragingen met als gevolg interne tuchtstraffen. Voorts is uit het verhoor van de psycholoog gebleken dat [naam] geen psychologische begeleiding heeft gehad. [naam] is recidivist en heeft zich aan een heel ernstig strafbaar feit schuldig gemaakt. Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Waarnemend Procureur-Generaal aan het Hof gevraagd om de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen zodat zij zich over de V.I. van [naam] kunnen buigen. Daarnaast heeft de Waarnemend Procureur-Generaal aan het Hof gevraagd om het bezwaar van [naam] ongegrond te verklaren.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
“De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.”
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 24 oktober 2018 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.).
In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. ervan uit dient te worden gegaan dat de V.I. geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling d.d. 27 juli 2010 heeft [naam] met de indiening van het bezwaarschrift op 11 juli 2022, terwijl hij op of omstreeks 27 juli 2022 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, in de visie van het Hof tijdig zijn bezwaarschrift ingediend. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat [naam] ontvankelijk is in zijn bezwaar.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr. op 27 juli 2022 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, doch is uit het onderzoek gebleken dat er in dit geval sprake is van weigeringsgronden ex artikel 30a lid 1 sub c en g Sr.
5.4.2. Het Hof overweegt dat de V.I. – onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr. – ingevolge het bepaalde in artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarde, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de V.I. wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. In casu is bij de behandeling van het bezwaarschrift gebleken dat [naam] zich gedurende zijn detentie herhaalde malen ernstig heeft misdragen.
5.4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat uit het onderzoek gebleken is dat [naam] zich gedurende zijn detentie niet goed heeft gedragen en herhaalde malen in de fout is gegaan, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irreëel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om [naam] thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Het Hof wenst te benadrukken dat de wetgever in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk heeft bepaald dat in de onder lid 1 sub g genoemde gevallen – onder andere moord (artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht) – voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten, indien de in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht genoemde gevallen zich voordoen.
Daarnaast merkt het Hof op dat er geen sprake is geweest van enige welgemeende spijtbetuiging zijdens [naam] in de richting van het slachtoffer casu quo de nabestaanden van het slachtoffer. [naam] wenst niet te worden geconfronteerd met het leed dat door zijn strafbare handelen is veroorzaakt en wil niet erover praten. In stede daarvan heeft [naam] gesteld dat hij dat gedeelte van zijn leven achter de rug heeft gezet; veel tijd in detentie heeft verloren en zijn aandacht niet wil vestigen op het leed dat door zijn handelen is veroorzaakt. Het voorgaande rechtvaardigt in de visie van het Hof de conclusie dat [naam] geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daad, hetgeen geen positief signaal oplevert
5.4.4. Het Hof ziet aanleiding om aan de vervolging te vragen om het daarheen te leiden dat [naam] in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan resocialisatieprogramma’s door een gedragsdeskundige zodat hij kan worden voorbereid op een eventuele terugkeer in de samenleving.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 12 oktober 2022.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)