SRU-HvJ-2022-11

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornamen], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Penitentiaire Inrichting Hazard te Nickerie,
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat,

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd 11 juli 2022, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 11 juli 2022;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 12 juni 2022 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 18 juli 2022 om 13.00 uur des namiddags;
1.3. voorts is bij beschikking van het Hof d.d. 18 juli 2022 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal worden uitgesteld naar de openbare zitting van het Hof van 03 augustus 2022 om 12.00 uur des middags;
1.4. vervolgens is bij beschikking van het Hof d.d. 03 augustus 2022 bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal worden uitgesteld naar de openbare zitting van het Hof van 15 augustus 2022 om 14.00 uur des namiddags;
1.5. de processen-verbaal gedateerd 18 juli 2022, 03 augustus 2022 en 15 augustus 2022 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.6. de uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 27 juli 2010 op verzoek van de Staat Suriname door de Nederlandse autoriteiten aangehouden en in verzekering gesteld;
2.2. [naam] is op 06 oktober 2011 door de Nederlandse autoriteiten uitgeleverd aan de Staat Suriname;
2.3. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 04 juli 2013 terzake het bij inleidende dagvaarding onder A ten laste gelegde (het medeplegen van moord) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht met bevel tot gevangenhouding;
2.4. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] op 05 juli 2013 appél ingesteld;
2.5. Op 24 oktober 2018 heeft het Hof het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 27 juli 2010 reeds twee/derde (2/3) deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij geen beschikking terzake zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.), heeft ontvangen en aanneemt dat het in casu gaat om een fictieve weigering. Volgens [naam] is het niet duidelijk wanneer de beroepstermijn van 14 dagen is verstreken. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en hem in aanmerking te doen komen voor V.I. [naam] heeft daartoe gesteld dat hij de laatste drie jaren in de Penitentiaire Inrichting Hazard in het district Nickerie ingesloten is geweest en binnen die inrichting geen tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen. [naam] heeft voorts gesteld dat hij zowel binnen als buiten de inrichting werkzaam is. Volgens [naam] heeft hij psychologische begeleiding gehad van de psycholoog en is thans voorbereid om in de samenleving terug te keren.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort en zakelijk weergegeven – gesteld dat [naam] op basis van artikel 29 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. [naam] was namelijk op 27 juli 2010 op verzoek van de Staat Suriname door de Nederlandse autoriteiten aangehouden. [naam] heeft zich in de Penitentiaire Inrichting te Santo Boma herhaaldelijk schuldig gemaakt aan misdragingen met als gevolg interne tuchtstraffen. Voorts is uit het verhoor van de psycholoog gebleken dat [naam] geen psychologische begeleiding heeft gehad. [naam] is recidivist en heeft zich aan een heel ernstig strafbaar feit schuldig gemaakt. Naar aanleiding van het bovenstaande heeft de Waarnemend Procureur-Generaal aan het Hof gevraagd om de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen zodat zij zich over de V.I. van [naam] kunnen buigen. Daarnaast heeft de Waarnemend Procureur-Generaal aan het Hof gevraagd om het bezwaar van [naam] ongegrond te verklaren.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
“De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.”
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 24 oktober 2018 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.).
In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. ervan uit dient te worden gegaan dat de V.I. geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling d.d. 27 juli 2010 heeft [naam] met de indiening van het bezwaarschrift op 11 juli 2022, terwijl hij op of omstreeks 27 juli 2022 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, in de visie van het Hof tijdig zijn bezwaarschrift ingediend. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat [naam] ontvankelijk is in zijn bezwaar.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr. op 27 juli 2022 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, doch is uit het onderzoek gebleken dat er in dit geval sprake is van weigeringsgronden ex artikel 30a lid 1 sub c en g Sr.
5.4.2. Het Hof overweegt dat de V.I. – onder het stellen van hetzij algemene voorwaarden, hetzij bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 30 Sr. – ingevolge het bepaalde in artikel 29 leden 1 en 2 Sr. imperatief is voorgeschreven, indien voldaan is aan de aldaar genoemde voorwaarde, met dien verstande dat de Minister na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling kan bepalen dat de V.I. wordt uitgesteld of achterwege gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. In casu is bij de behandeling van het bezwaarschrift gebleken dat [naam] zich gedurende zijn detentie herhaalde malen ernstig heeft misdragen.
5.4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat uit het onderzoek gebleken is dat [naam] zich gedurende zijn detentie niet goed heeft gedragen en herhaalde malen in de fout is gegaan, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irreëel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om [naam] thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Het Hof wenst te benadrukken dat de wetgever in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk heeft bepaald dat in de onder lid 1 sub g genoemde gevallen – onder andere moord (artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht) – voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten, indien de in artikel 30a van het Wetboek van Strafrecht genoemde gevallen zich voordoen.
Daarnaast merkt het Hof op dat er geen sprake is geweest van enige welgemeende spijtbetuiging zijdens [naam] in de richting van het slachtoffer casu quo de nabestaanden van het slachtoffer. [naam] wenst niet te worden geconfronteerd met het leed dat door zijn strafbare handelen is veroorzaakt en wil niet erover praten. In stede daarvan heeft [naam] gesteld dat hij dat gedeelte van zijn leven achter de rug heeft gezet; veel tijd in detentie heeft verloren en zijn aandacht niet wil vestigen op het leed dat door zijn handelen is veroorzaakt. Het voorgaande rechtvaardigt in de visie van het Hof de conclusie dat [naam] geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daad, hetgeen geen positief signaal oplevert
5.4.4. Het Hof ziet aanleiding om aan de vervolging te vragen om het daarheen te leiden dat [naam] in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan resocialisatieprogramma’s door een gedragsdeskundige zodat hij kan worden voorbereid op een eventuele terugkeer in de samenleving.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 12 oktober 2022.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2022-10

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. dinsdag 11 januari 2022 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 04 januari 2022 in verzekering gesteld terzake overtreding van artikel 20 lid 3 van de Rijwet 1971.

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 13 januari 2022 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van donderdag 13 januari 2022 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op vrijdag 14 januari 2022 om 12.00 uur des middags zal plaatsvinden. Op vrijdag 14 januari 2022 is de behandeling van het hoger beroep in raadkamer geschorst tot de zitting van maandag 17 januari 2022 om 14.00 uur ’s namiddags.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. C. Rasam, namens het Openbaar Ministerie;
• de raadsman, mr. D.E.R. Veira en
• de appellant.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd dinsdag 11 januari 2022. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op donderdag 13 januari 2022 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie. Hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl

De grieven van appellant
De raadsman heeft namens de appellant grieven opgeworpen met het verzoek om de beschikking van de Rechter-Commissaris te vernietigen en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat appellant zich als bestuurder van een vierwielige motorrijtuig op de openbare weg heeft begeven zonder te beschikken over een geldig rijbewijs. De appellant heeft vanwege een verkeerde manoeuvre een aanrijding veroorzaakt met een tegenligger, zijnde een bromfietser (hierna: het slachtoffer). De inverzekeringstelling is wel rechtmatig geschied, maar volgens appellant moest de belangenafweging beter worden gedaan. De appellant is first offender;
• dat appellant na de aanrijding meteen hulp heeft geboden aan het slachtoffer. Het linker bovenbeen van het slachtoffer is in gipsverband en appellant is bereid om alle medische kosten te betalen;
• dat het slachtoffer middels een schrijven de zaak heeft ingetrokken en verder geen strafrechtelijke vervolging van appellant wenst. De families hebben zich ook verzoend;
• dat appellant is gedagvaard voor de zitting van 27 januari 2022. Dat wil zeggen dat de vervolging het onderzoek reeds heeft afgerond. Er is dus geen sprake van een dringende noodzakelijkheid om appellant in detentie te houden.
Op grond van het bovenstaande verzoekt de verdediging het Hof om de beschikking van de rechter-commissaris te willen vernietigen en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat appellant onbevoegd en onbekwaam was om als bestuurder deel te nemen aan het verkeer. Voorts dat er in casu strafverzwarende omstandigheden aanwezig zijn. Het algemeen belang prevaleert boven het belang van appellant om in vrijheid te worden gesteld;
• dat het herstel van het slachtoffer volgens het visum van de orthopeed vier tot zes maanden lang kan duren;
• dat er met in achtneming van vergelding en preventie afspraken zullen worden gemaakt, omtrent de geleden schade, waaronder de schade die kan worden gevorderd door de vervolging;
• dat appellant reeds is gedagvaard voor de zitting van 27 januari 2022.
Op grond van het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie aan het Hof gevraagd om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 11 januari 2022 te willen bevestigen.

De beoordeling
Naar aanleiding van de grieven van de verdediging en het standpunt van het Openbaar Ministerie stelt het Hof het volgende voorop.

Het betreft in casu overtreding van artikel 20 lid 3 van de Rijwet 1971 welke appellant wordt verweten. Er kan niet aan het feit voorbij worden gegaan dat appellant als bestuurder van een motorrijtuig deel heeft genomen aan het verkeer terwijl hij niet over een geldig Surinaams rijbewijs beschikt. De appellant was dus niet bevoegd om als bestuurder van een motorrijtuig deel te nemen aan het verkeer. Het slachtoffer heeft bovendien door het handelen van appellant zwaar lichamelijk letsel bekomen en volgens het visum van de orthopeed kan het herstel vier tot zes maanden in beslag nemen. Voorts is gebleken dat appellant reeds is gedagvaard voor de zitting van 27 januari 2022 in eerste aanleg, hetgeen betekent dat de zaak reeds over enkele dagen zal worden behandeld.

Het Hof acht op grond van het hetgeen hierboven is overwogen dat de dringende noodzakelijkheid aanwezig is voor continuering van de inverzekeringstelling van appellant.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen zal het verzoek van appellant worden afgewezen en zal de gewraakte beslissing van de Rechter-Commissaris d.d. dinsdag 11 januari 2022 worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op dinsdag 11 januari 2022.

Wijst af het verzoek tot invrijheidstelling van appellant, [naam], in hoger beroep.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 17 januari 2022 door: mr. M.C. Mettendaf, Fungerend – President, mr. D.G.W. Karamat Ali, Lid en mr. J. Kasdipowidjojo, Lid – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. M.C. Mettendaf
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-51

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING IN RAADKAMER VOOR STRAFZAKEN
(Ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering)

OP HET HOGER BEROEP VAN DE APPELLANT, [naam 1], tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Kantongerechten d.d. woensdag 15 september 2021 terzake het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling (ex artikel 54c van het Wetboek van Strafvordering).

Grondslag van de inverzekeringstelling
Appellant voornoemd is op 17 augustus 2021 in verzekering gesteld terzake overtreding van de artikelen 349; 349 jo. 72; 349 jo. 73; 347; 347 jo. 72; 347 jo. 73 van het Wetboek van Strafrecht, welke inverzekeringstelling is verlengd d.d. 19 augustus 2021;

Het verloop van de behandeling
Het Hof heeft kennis genomen van het beroepschrift d.d. 16 september 2021 en de inhoud van het (voorlopig) strafdossier.

Vervolgens heeft het Hof bij beschikking van 16 september 2021 bepaald dat de behandeling van het hoger beroep in raadkamer op 17 september 2021 om 10.00 uur des voormiddags zal plaatsvinden.
Op de hiervoor vermelde datum heeft de behandeling van het hoger beroep in raadkamer plaatsgevonden, waarbij zijn gehoord:
• de Waarnemend Advocaat-Generaal, mr. N. Maikoe, namens het Openbaar Ministerie;
• de raadsman, mr. R. Denz;
• de appellant

Beschikking van de Rechter-Commissaris
Bij beschikking d.d. 15 september 2021 heeft de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten de inverzekeringstelling, alsmede de verlenging van de inverzekeringstelling van appellant rechtmatig verklaard. Daartoe heeft de Rechter-Commissaris, onder meer, overwogen:
“(…) dat in het strafdossier zich de verklaring van de medeverdachte [naam 2], afgelegd op 17 augustus 2021, bevindt. Deze verklaring werd afgelegd op een tijdstip na de eerste inverzekeringstelling van verzoeker/verdachte op 30 mei 2021. De Rechter-Commissaris is van oordeel dat deze verklaring als belastend kan worden gezien betreffende de mogelijkheid van verzoeker/verdachte bij de levensberoving van het slachtoffer. In het bijzonder betreft dit de passage waar de medeverdachte [naam 2] op de vraag van de verbalisant [verbalisant 1] of zij kan aangeven wat zij allemaal heeft verklaard in deze zaak, verklaart: “ Ja, dus net wat ik eerder al verklaard heb, is dat een hindoestaanse manspersoon die ik als [naam 3] ken mij had gevraagd om het slachtoffer [naam 4] te verleiden. [naam 3] had mij geld gegeven om een simkaart te kopen en had mij ook een cellulair toestel gegeven waarmee ik [naam 4] moest bellen. [naam 3] had mij ook het toestelnummer van [naam 4] gegeven. Zodoende belde ik [naam 4] en deed alsof ik verliefd was op hem en trapte hij erin. Ik maakte vervolgens een afspraak met [naam 4] voor het hebben van seks. Op die bewuste dag, ik kan mij de juiste datum thans niet meer heugen, heeft [naam 3] mij gebracht naar de omgeving van Paramaribo Zoo. Ik heb toen via een paadje gelopen naar de plek waar ik de afspraak had gemaakt met [naam 4]. Zoals afgesproken kwam [naam 4] aan en nam ik plaats in zijn auto. Ik zat nauwelijks in de auto van [naam 4] en kwam [naam 3] ook aan bij de auto van [naam 4]. Ik ben toen uitgestapt uit de auto van [naam 4] en heb de cellulair welke ik van [naam 3] had gehad teruggegeven aan hem en ben weggelopen van die plek. Terwijl ik wegliep hoorde ik een harde knal alsof er met een wapen was geschoten. Ik heb een taxi genomen en ben naar mijn huis gegaan. De volgende dag las ik op facebook dat er een lijk van een manspersoon in een auto nabij de Paramaribo Zoo was aangetroffen;
“(…) dat dit verhoor van de medeverdachte [naam 2] is afgenomen naar aanleiding van haar eerdere uitgebreid afgelegde verklaringen bij:
• de brigadier van politie, [verbalisant 2], d.d. 18 juni 2021;
• de agent van politie 1ste klasse, [verbalisant 3], d.d. 19 juni 2021 betreffende aanwijzing van [naam 1] uit een fotocollage als de persoon voor wie zij een simkaart moest kopen, het slachtoffer moest bellen en verleiden;
• de brigadier van politie, [verbalisant 2] d.d. 19 juni 2021 omstreeks 11.15 uur;
• de brigadier van politie, [verbalisant 2] d.d. 19 juni 2021 omstreeks 10.30 uur;
• de brigadier van politie, [verbalisant 2] in tegenwoordigheid van de inspecteur van politie 1ste klasse [verbalisant 4] d.d. 20 juni 2021.
Deze verklaringen waren nog niet afgelegd ten tijde van de eerste inverzekeringstelling van verzoeker/verdachte en kunnen derhalve naar het oordeel van de Rechter-Commissaris gezien worden als nieuwe feiten en/of omstandigheden terzake van de verdenking van betrokkenheid van verzoeker/verdachte bij de levensberoving;
“(…) De Rechter-Commissaris is van oordeel dat bij de tweede aanhouding en de daarop volgende tweede inverzekeringstelling voldoende feiten en omstandigheden uit het dossier zijn gebleken om redelijkerwijs te vermoeden dat verzoeker/verdachte zich aan een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk levensberoving, heeft schuldig gemaakt om hem in het belang van het onderzoek in verzekering te stellen en de inverzekeringstelling wegens dringende noodzakelijkheid te verlengen. Deze inverzekeringstelling en de verlenging van de inverzekeringstelling van verzoeker/verdachte hebben derhalve naar het oordeel van de Rechter-Commissaris op rechtmatige wijze plaatsgevonden.
“(…) Overwegende, dat op grond van het bovenstaande het verzoek tot invrijheidstelling zal worden afgewezen.

Ontvankelijkheid van appellant
De beschikking van de Rechter-Commissaris is gedateerd 15 september 2021. Het beroepschrift tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris is op 16 september 2021 ingediend bij de griffier van de Rechter-Commissaris, die het onmiddellijk heeft doorgeleid naar de griffier van het Hof van Justitie; hierdoor is het beroep binnen de in artikel 54c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering vastgestelde termijn ingediend, zodat appellant ontvankelijk is in het appèl.

De grieven van appellant
De raadsman heeft namens appellant grieven opgeworpen, met het oog op vernietiging van de beschikking van de Rechter-Commissaris en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant te gelasten.
De grieven van appellant komen – verkort en zakelijk weergegeven – op het volgende neer:
• dat de appellant op 30 mei 2021 is aangehouden en in verzekering gesteld terzake enkele strafbare feiten. Na de voorgeleiding bij de Rechter-Commissaris is zijn detentie onrechtmatig verklaard door de Rechter-Commissaris met als gevolg dat zijn invrijheidstelling werd gelast op 04 juni 2021. Tegen die beslissing van de Rechter-Commissaris heeft het Openbaar Ministerie geen hoger beroep aangetekend;
• dat er hierna nader is gerechercheerd en op basis van nieuwe feiten en omstandigheden is het Openbaar Ministerie op 17 augustus 2021 ertoe overgegaan om de appellant wederom aan te houden en in verzekering te stellen;
• dat de tweede aanhouding en in verzekering stelling onrechtmatig is, omdat het niet bij Wet is toegestaan;
• dat in casu de geestesgedachte van het rechtsbeginsel ‘ne bis in idem’ als uitgangspunt moest worden gehanteerd;
• dat de verdediging zich afvraagt of de huidige aanhouding en inverzekeringstelling, d.d. 17 augustus 2021, gevolgd door de verlenging van de inverzekeringstelling ingaande 24 augustus 2021 rechtmatig is?;
• dat de verdediging heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie het recht heeft om te vervolgen, maar dat zij hun recht tot aanhouding en inverzekeringstelling reeds hebben geëffectueerd;
• dat er ten aanzien van de appellant geen vluchtgevaar is en dat hij zijn volledige medewerking heeft verleend. Op basis van het bovenstaande vraagt de verdediging om de beschikking van de Rechter-Commissaris d.d. 15 september 2021 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de onmiddellijke invrijheidstelling van appellant te gelasten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de grieven, onder meer het volgende aangevoerd:
• dat de appellant terzake moord en doodslag is aangehouden;
• dat uit het onderzoek is gebleken dat er nieuwe feiten en omstandigheden aanwezig zijn om een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van appellant aan te nemen en die nieuwe feiten en omstandigheden waren ten tijde van de eerste inverzekeringstelling van appellant nog niet bekend;
• dat de nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken uit de afgelegde verklaringen van de medeverdachte, [naam 2], op 18, 19 en 20 juni 2021 bij processen-verbaal van de agenten van politie [verbalisant 2], en[verbalisant 3];
• dat de medeverdachte [naam 2], bij proces-verbaal d.d. 17 augustus 2021 aan Brigadier [verbalisant 1] heeft verklaard dat zij het slachtoffer, [naam 4], op instigatie van de appellant heeft verleid door te doen voorkomen alsof zij verliefd was op hem. [Naam 2] heeft een vertrouwde band met het slachtoffer opgebouwd en vervolgens heeft zij het slachtoffer op een bepaalde dag en tijdstip naar een bepaalde plaats uitgelokt om het strafbaar feit te plegen. Toen zij ter plekke aankwam, heeft de appellant zich bij hun gevoegd. Hierna ontstond er een ruzie tussen het slachtoffer en de appellant. Terwijl zij wegliep, hoorde ze een knal. Op een later tijdstip heeft ze via de media begrepen dat er op die plaats een lijk is aangetroffen. Deze verklaringen waren nog niet afgelegd ten tijde van de eerste inverzekeringstelling en kunnen derhalve gezien worden als nieuwe feiten en omstandigheden terzake verdenking van betrokkenheid van appellant bij de levensberoving;
• dat in de uitspraak van de rechtbank Maastricht, die bekend staat onder ECLI:NL:RBMAA:2012:BY5831, is overwogen dat een tweede inverzekeringstelling in het kader van onderzoeksbelang rechtmatig is, indien er voldoende nieuwe feiten en omstandigheden uit het onderzoek komen vast te staan om redelijkerwijs te vermoeden dat de verdachte zich aan een ernstig strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. In dat geval kan de inverzekeringstelling in het belang van het onderzoek plaatsvinden;
• dat in casu het onderzoeksbelang en een dringende noodzakelijkheid om de inverzekeringstelling van appellant te verlengen aanwezig is;
• dat er sprake is van vluchtgevaar; de appellant is notabene te Burnside aangehouden en het is niet uitgesloten dat hij zich via Nickerie naar Guyana zal begeven om zich te onttrekken aan zijn detentie en
• dat de invrijheidstelling van appellant kan zorgen voor bewijsvertroebeling. Op basis van het bovenstaande vraagt de vervolging om het verzoek van de appellant af te wijzen en de beschikking van de Rechter-Commissaris te bevestigen.

De beoordeling van het hoger beroep
Naar het oordeel van het hof is de rode draad in appèl of de Rechter-Commissaris terecht heeft geoordeeld dat de herhaalde toepassing van het dwangmiddel, met name de inverzekeringstelling, op basis van nieuwe feiten en omstandigheden rechtmatig is. Het Hof overweegt dat in het strafprocesrecht het adagium ‘nemo debit bis vexari pro una et eadem causa’ geldt. Dit beginsel houdt in dat niemand twee maal met hetzelfde dwangmiddel mag worden lastig gevallen ter zake van hetzelfde feit. Er valt aan toe te voegen: ‘rebus sec stantibus’, bij gelijkblijvende omstandigheden. Men kan dit beginsel opvatten als een uitwerking van het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging. Indien iemand eenmaal heeft moeten dulden dat op hem een dwangmiddel is toegepast, moet hij niet ten tweede male voor hetzelfde feitelijk gebeuren daaraan worden onderworpen, tenzij het belang van de strafvordering dringend eist dat het dwangmiddel ten tweede male wordt toegepast. Algemeen geformuleerd luidt het criterium voor de dringende eis dat: de nieuwe factor ten tijde van de eerste toepassing van het dwangmiddel bij de strafvorderlijke autoriteiten niet bekend was en deze hadden daarvan redelijkerwijze ook niet op de hoogte kunnen zijn. Als aan deze eis is voldaan, zal in beginsel ter zake van hetzelfde feit ten tweede male hetzelfde dwangmiddel mogen worden toegepast (vide voor een dergelijke opvatting: Corstens 1999, pg. 346-347).
In casu is gebleken dat de appellant na zijn eerste aanhouding en inverzekeringstelling op 04 juni 2021 in vrijheid is gesteld door de Rechter-Commissaris. De medeverdachte [naam 2], is na de invrijheidstelling van de appellant in beeld gebracht en heeft bij processen-verbaal gedateerd, 18, 19 en 20 juni 2021, belastende/bezwarende verklaringen afgelegd die ten tijde van de eerste inverzekeringstelling van appellant nog niet waren afgelegd. Naar het oordeel van het Hof kunnen deze belastende/bezwarende verklaringen, die bij proces-verbaal zijn afgelegd en waarvan gewag is gemaakt in de onderhavige beschikking van de Rechter-Commissaris, gezien worden als nieuwe feiten en/of omstandigheden terzake van de verdenking van de betrokkenheid van appellant bij de levensberoving. Bij de tweede aanhouding en inverzekeringstelling zijn er voldoende feiten en omstandigheden uit het dossier gebleken om redelijkerwijs te vermoeden dat appellant zich aan een ernstig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en hem in het belang van het onderzoek in verzekering te stellen. De tweede inverzekeringstelling van de appellant heeft derhalve naar het oordeel van het Hof op rechtmatige wijze plaatsgevonden.
Naast het redelijk vermoeden van schuld acht het Hof het onderzoeksbelang nog aanwezig, daar er nog enkele onderzoekshandelingen moeten worden gepleegd naar aanleiding van de afgelegde verklaringen van de medeverdachte [naam 2].
Nu het redelijk vermoeden van schuld en het onderzoeksbelang nog aanwezig worden geacht, acht het Hof de inverzekeringstelling van de appellant rechtmatig. Om die reden wordt het door appellant ingesteld hoger beroep ongegrond geacht en zal de beschikking van de Rechter-Commissaris worden bevestigd.

DE BESLISSING IN HOGER BEROEP

HET HOF:

Verklaart het beroep van appellant, [naam 1], ongegrond;

Bevestigt de beschikking van de Rechter-Commissaris gegeven op woensdag 15 september 2021.

Deze beschikking is gegeven te Paramaribo op vrijdag 17 september 2021 in raadkamer van het Hof van Justitie door:
• mr. I.H.M.H. Rasoelbaks, President;
• mr. M.K. Dayala, Lid – Plaatsvervanger;
• mr. D.M. Haakmat, Lid – Plaatsvervanger;
in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend – Griffier,

w.g. M. Behari w.g. I.H.M.H. Rasoelbaks
w.g. M.K. Dayala
w.g. D.M. Haakmat

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-K1-2022-7

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

AR no. 19-3497

Civar no. 2019-00168

08 november 2022

Vonnis in de zaak van:

HUSSAINALI-MATHOERA, KRISHNAKOEMARIE,

wonende in het district Wanica,

eiseres,

gemachtigde: voorheen mr. S.N. Essed, thans mr. G.R. Sewcharan, advocaten,

tegen

A. DOEKHIE, MOHAMED RACHIED, in privé,

B. DOEKHIE, MOHAMED RACHIED, in zijn hoedanigheid van hoofdbestuurslid van de Nationale Democratische Partij,

wonende in het district Nickerie,

C. DE VERENIGING NATIONALE DEMOCRATISHE PARTIJ,

gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,

gedaagden,

gemachtigde van allen: mr. N.U. van Dijk, advocaat.

  1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat op 5 september 2019 met producties op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de mondelinge conclusie van eis;
  • de akte rectificatie van de zijde van eiseres;
  • de conclusie van antwoord en uitlating producties met producties;
  • de conclusie van repliek en uitlating producties;
  • de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Op 30 april en 1 mei 2015 heeft gedaagde sub B een spreekbeurt gehouden op een bijeenkomst van gedaagde sub C te Nieuw Nickerie, waarbij onder meer de volgende uitspraken zijn gedaan tegen eiseres.

(…) deze crimineel Mathoera (…) genoeg geld heeft uit de drugswereld en wapensmokkel (…) die boten en die motoren die daar waren, waarop de naam van Mathoera (…) Mathoera die samen criminele activiteiten heeft ontplooid met Santhoki (…) eng masra beng de Husainali, hij leeft niet meer, hij was luitenant-kolonel (…) ze waren bezig die training te volgen in Bakhuisgebergte om Desi Delano Bouterse te elimineren (…) sang eng zoon doe, a kiri, vermoord en volgende ochtend a man verdwijn (…) Mathoera je weet toch dat jouw zoon een moord heeft gepleegd en de volgende dag via Cayenne naar Nederland is gegaan en joe rij eng go na Cayenne of Albina (…).

2.2 De door gedaagde sub B gedane uitspraken zijn daarna door verschillende media gepubliceerd en hebben ook anderen die uitspraken met derden gedeeld, waardoor die het grote publiek hebben bereikt.

2.3 Eiseres heeft bij verzoekschrift van 11 mei 2015, in de zaak bekend onder het A.R. no. 15-2150 een vordering tegen gedaagden in kortgeding ingesteld, waarbij bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad onder meer is gevorderd om gedaagden te veroordelen tot het afleggen van een verklaring die tevens moet worden gepubliceerd.

2.4 Bij vonnis van 27 juli 2017 heeft de kantonrechter in kortgeding in voormelde zaak onder meer overwogen dat “de door Doekhie aangevoerde weren en overgelegde producties als de door Hussainali-Mathoera daarop gegeven reactie diepgaand onderzocht moeten worden, alvorens een oordeel gegeven kan worden over de vraag in hoeverre de uitspraken van Doekhie onrechtmatig zijn” en de vordering afgewezen.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden te:

I. veroordelen om binnen een dag, 24 uren, na het te wijzen vonnis, op dezelfde wijze en plaats als die waarop de uitspraken in punt 3 zijn gedaan, het volgende te verklaren:

“Ik, Mohamed Rachied Doekhie, geboren op 16 januari 1955, heb ten onrechte mevrouw Krishnakoemari Hussainali-Mathoera een crimineel genoemd, ook heb ik haar ten onrechte beschuldigd van drugshandel en wapensmokkel, althans met woorden van gelijke strekking besproken, alsook haar overleden echtgenoot beschuldigd van het trainen van mannen om Desi Delano Bouterse te elimineren. Tevens heb ik, Mohamed Rachied Doekhie, ten onrechte publiekelijk gezegd: “dat die boten en motoren die daar waren, waren op naam van Mathoera” en dat: “Mathoera samen criminele activiteiten heeft ontplooid met Santokhi” alsook: “san eng zoon doe, a kiri, vermoord, en volgende ochtend a mang verdwijn (…) Mathoera je weet toch dat jouw zoon een moord heeft gepleegd en de volgende dag via Cayenne naar Nederland is gegaan en joe rij eng go na Cayenne of Albina”. Deze uitspraken van mij in het Nederlands en in het Sranang Tongo gedaan zijn in strijd met de waarheid. Zomaar mi tak den san disi en bied aan mevrouw Hussainali-Mathoera en al haar gezinsleden mijn oprechte en welgemeende verontschuldiging aan; ook aan het publiek zeg ik sorry, ik heb u onwaarheden verteld”;

II. gelasten dat zij in tenminste twee dagbladen, te weten De Ware Tijd en Times of Suriname alsook op twee radiostations, te weten Radio Apintie en Radio 10, onmiddellijk na de uitspraak in dezen, schriftelijk uitnodigen om de gelegenheid waarop gedaagde sub A de voormelde teksten zal uitspreken, bij te wonen;

III. gelasten de gelegenheid waarbij de onder I geformuleerde tekst wordt uitgesproken, te filmen en de opname binnen twee dagen te plaatsen op You Tube en die, de geformuleerde tekst, ter publicatie aan te bieden aan Starnieuws en tevens aan de presentator van het radioprogramma Bakana Tori schriftelijk het verzoek te doen de tekst in zijn programma te mogen uitspreken;

IV. alsook te bepalen dat als gedaagden nalaten c.q. nalaat aan het vonnis te voldoen, zij een dwangsom van SRD 10.000,- per dag aan eiseres moeten voldoen;

V. veroordelen, des de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, aan eiseres te betalen € 25.000,- schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente;

VI. veroordelen, des de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, aan eiseres te betalen SRD 8.000,- zijnde de advocaatkosten;

VII. in de kosten van het geding.

3.2 Daartoe stelt zij dat de door gedaagde sub B gedane uitspraken schadelijk zijn voor de goede naam en eer van haar en heeft gedaagde sub B zich schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad, waardoor zij schade lijdt. Naast materiele schade lijdt zij ingevolge artikel 1393 BW ook immateriële schade ten bedrage van € 25.000,-. Gedaagde sub B heeft die uitspraken als hoofdbestuurslid gedaan op een bijeenkomst van gedaagde sub C, waardoor gedaagden sub B en C medeverantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade.

3.3 Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen, voor zover van belang, zal nader worden ingegaan.

  1. De beoordeling

4.1 Eiseres heeft akte rectificatie verzocht van de tweede voornaam van gedaagde sub A, in dier voege dat in stede van “Rashied” wordt gelezen “Rachied”. Nu deze rectificatie verzocht is, voordat voor eis is geconcludeerd, wordt het verzoek ingewilligd en heeft de kantonrechter hiermee rekening gehouden in de aanhef van het vonnis.

4.2 Eiseres stelt dat gedaagde sub B de uitspraken heeft gedaan als hoofdbestuurslid op een bijeenkomst van gedaagde sub C, waardoor gedaagden sub B en C medeverantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade. Voor zover gedaagden sub B zich schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens eiseres, overweegt de kantonrechter – ten aan zien van de verantwoordelijk en aansprakelijkheid van gedaagde sub C – als volgt. Eiseres heeft haar vordering tegen gedaagde sub C ingesteld als “de vereniging Nationale Democratische Partij” (hierna: de NDP). Onweersproken staat dus vast dat de NDP een vereniging is. Ingevolge artikel 1671 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vereniging, voor handelingen waartoe de bestuurders onbevoegd waren, verbonden, slechts in zoverre hetzelve daardoor werkelijk is gebaat of die handelingen naderhand behoorlijk goedgekeurd zijn geworden. Nu gesteld noch gebleken is dat de NDP door de uitlatingen van gedaagde sub B gebaat is of die uitlatingen naderhand behoorlijk zijn goedgekeurd, is de kantonrechter van oordeel dat de NDP in casu niet medeverantwoordelijk dan wel medeaansprakelijk kan worden gesteld voor de uitlatingen van gedaagde sub B. Eiseres zal in haar vorderingen jegens gedaagde sub C dan ook niet ontvankelijk worden verklaard.

4.3 Gedaagden betogen bij conclusie van antwoord dat gedaagde sub B (hierna: Doekhie) gehandeld heeft in het algemeen belang. Doekhie heeft als volksvertegenwoordiger het woord gevoerd op de betreffende bijeenkomst en zich gericht tot het (Nickeriaans) volk namens wie hij optreedt. Als volksvertegenwoordiger is hij gehouden en verplicht om het volk te informeren over ernstige zaken die hij heeft geconstateerd. Daarnaast staat eiseres als politicus en publieke figuur in grotere mate bloot aan kritiek en behoort zij dit in grotere mate eveneens te accepteren dan wel te tolereren. Doekhie heeft getuigen die zelf bepaalde zaken hebben waargenomen. Er zijn zelf krantenartikelen die de verklaringen van deze getuigen ondersteunen. Het is meer dan duidelijk dat de door Doekhie gedane uitspraken op waarheid berusten, althans is het in voldoende mate aannemelijk dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en kunnen de door Doekhie gedane uitspraken niet als onrechtmatig worden bestempeld. Hierdoor is het duidelijk dat Doekhie die uitspraken heeft gedaan in het algemeen belang. Het recht van vrijheid van meningsuiting is één van de fundamentele pijlers van een democratisch bestel, in het bijzonder als het gaat om het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting van een volksvertegenwoordiger in het politiek debat. Politici genieten in het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting een nog krachtigere bescherming. Als waarborgen voor een democratische samenleving heeft de vrijheid van meningsuiting in een politiek debat niet alleen betrekking op de inhoud van de uitlating, maar ook op de vorm. Dat wil zeggen, en zo benoemde de Hoge Raad dat, dat de vorm van uiten zelfs offensief (aanvallend), choquerend (aanstootgevend) en verontrustend of hinderlijk mag zijn. Een politicus en nog meer een volksvertegenwoordiger moet zich boven de gemiddelde burger vrij kunnen uiten zonder lichtvaardige beperkingen opgelegd te krijgen. De Hoge Raad stelt zelf dat het politiek debat in beginsel op ‘het scherpst van de snede’ moet kunnen worden gevoerd. Mede gelet op het feit dat die uitspraken klaarblijkelijk in het algemeen belang zijn gedaan, is eveneens evident dat gedaagden geen enkel oogmerk om te lasteren hadden, aldus gedaagden.

4.4 Gedaagden hebben ter onderbouwing van hun standpunten een aantal producties in het geding gebracht. Het gaat, voor zover hier van belang, om de volgende stukken:

a. prod. 2: een verklaring van de heer [naam 1] (gewezen Hoofd van de Afdeling Onderzoeksdienst Recherche Nickerie) van 19 mei 2015, afgelegd ten overstaan van de notaris, mr. Drs. P. Bishoen;

b. prod. 3: een verklaring van de heer [naam 2] (werkzaam geweest bij Afdeling Narcotica van de Justitiele Dienst) van 20 mei 2015, afgelegd ten overstaan van de notaris, mr. G.H.B. Blom;

c. prod. 4: een verklaring van de heer [naam 3] (als politieambtenaar werkzaam geweest op de afdeling Recherche Nieuwe Haven) van 20 mei 2015, afgelegd ten overstaan van de notaris, mr. Drs. P. Bishoen;

d. prod. 8: een aantal krantenartikelen.

4.5 Aangezien de overige door gedaagde bij conclusie van antwoord overgelegde producties niet in verband staan met de door Doehie gedane uitlatingen, zullen die buiten beschouwing worden gelaten. Voor wat betreft de door gedaagden overgelegde drie getuigenverklaringen overweegt de kantonrechter als volgt. Ingevolge artikel 1895 BW worden deze verklaringen aangemerkt als een onderhands geschrift, waarop de kantonrechter op grond van artikel 1902 BW zodanig acht mag slaan als hij vermeent te behoren. Door het afleggen van deze verklaringen ten overstaan van een notaris worden die, in het kader van het bewijsrecht, geenszins verheven tot authentieke akten.

4.6 Bij conclusie van repliek ontkent en betwist eiseres de door gedaagden overgelegde verklaringen. Volgens eiseres heeft [naam 1] in zijn verklaring niet eens het telefoonnummer van “[naam 4]” noch van haar kunnen vermelden. Hierdoor is verificatie van mogelijk belverkeer tussen deze twee nummers alsook de tenaamstelling daarvan onmogelijk. Dit is kennelijk bewust gedaan, omdat het doel van Doekhie is geweest sensatie, schade en laster. Er is inderdaad een strafrechtelijk onderzoek geweest tegen de persoon van [naam 5], waarbij hij door de rechter is veroordeeld. Zij, noch haar echtgenoot hadden enige bemoeienis met deze zaak en zijn nimmer als verdachten gehoord. De verklaring van [naam 1] is een grove leugen. [naam 1] had conform artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie de taak en de plicht om als hoofd Onderzoeksdienst Recherche van Nickerie en als ambtenaar van politie deze kennis van mogelijke strafbare feiten schriftelijk te rapporteren aan zowel de Procureur-Generaal als de Korpschef. Hiervan heeft hij nimmer gewag gemaakt in zijn verklaring bij de notaris. [naam 2] heeft het in zijn verklaring over 1000 kg, zonder aan te geven van wat. Indien het ging om 1000 kg drugs, dan is het zeer ongebruikelijk om op de door hem gestelde wijze een inval te plannen en deze uit te voeren. Indien de informatie zou kloppen, dan moest betrokkene dat schriftelijk moeten hebben vastgelegd. Gedaagden worden gesommeerd die vastlegging in het geding te brengen. Blijkens het dagrapport van 21 april 2007 mocht [naam 2] ingaande 22 april 2007 geen invallen plannen en blijkt dat hij toch met twee verdachten is teruggekomen, waaruit de conclusie volgt dat zijn verklaring niet op waarheid berust. De informatie, zoals door [naam 3] is verklaard over de mogelijke betrokkenheid van haar en haar echtgenoot berust niet op waarheid. De zaak in kwestie is onderzocht en zijn alle daders veroordeeld. Verwezen wordt naar productie 8 die door gedaagden in het geding is gebracht “criminele organisatie krijgt rake klappen”, waarbij zij op de foto naast de PG zit. Haar zoon is nimmer betrokken geweest bij een aanrijding met dodelijke afloop en heeft zij haar zoon ook nooit weggebracht naar Cayenne. De aanrijding aan de Zonnebloemstraat was veroorzaakt door een zoon van een collega van haar die daarvoor is veroordeeld, aldus eiseres.

4.7 Overwogen wordt dat gedaagden, de door eiseres gemotiveerde betwisting van de verklaringen van de drie getuigen, bij conclusie van dupliek niet, althans niet beargumenteerd hebben weersproken. Gedaagden hebben volstaan door te stellen dat eiseres middels drogredenen heeft geprobeerd een volledig vertekend en misplaatst beeld te geven van de getuigenverklaringen en heeft getracht de getuigen in een kwaad daglicht te stellen. In dit verband merkt de kantonrechter op dat gedaagden evenmin een schriftelijke vastlegging van de informatie, zoals [naam 2] heeft verklaard, in het geding hebben gebracht, zoals door eiseres gesommeerd. Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat gedaagden met deze verklaringen niet het bewijs hebben geleverd van de door Doekhie gedane uitspraken. Aan deze verklaringen gaat de kantonrechter dan ook voorbij. Aan de overige door gedaagden overgelegde krantenberichten, wordt eveneens voorbij gegaan. Uit de inhoud van deze berichten blijkt immers niet dat de door Doekhie gedane uitspraken op waarheid zouden berusten.

4.8 Anders dan gedaagden betogen, volgt uit het voorgaande dat Doekhie de door hem gebezigde uitspraken dus niet zelf heeft geconstateerd en hebben gedaagden nagelaten te stellen, welke krantenartikelen die uitspraken ondersteunen, zoals door hen gesuggereerd. In casu lag het op de weg van gedaagden om, na de gemotiveerde betwisting van de zijde van eiseres van de verklaringen van de drie getuigen, bij conclusie van dupliek enige handen en voeten te geven aan de door gedaagde gedane uitlatingen, hetgeen zij niet hebben gedaan. Nu de uitspraken niet op waarheid berusten, wordt dan ook voorbij gegaan aan wat gedaagden betogen over het uitgangspunt van de Hoge Raad (dat het politiek debat offensief, choquerend en verontrustend of hinderlijk mag zijn). Gelet op de plaatst en omstandigheden alwaar de uitspraken zijn gedaan, betreft het bovendien geen politiekdebat, zoals gedaagden stellen.

4.9 Eiseres heeft haar vordering mede gestoeld op artikel 1393 lid 1 BW, inhoudende dat de burgerlijke rechtsvordering terzake belediging strekt tot vergoeding van de schade en tot betering van het nadeel in eer en goede naam geleden. In dit verband acht de kantonrechter het relevant om aandacht te vestigen op artikel 1397 BW (de vordering terzake belediging kan niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beledigen. Het oogmerk om te beledigen wordt niet aanwezig geacht, voor zover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging). Uit het voorgaande blijkt dat Doehkie geenzins heeft gehandeld in het algemeen belang noch tot noodzakelijke verdediging.

4.10 Eiseres gaat in casu uit van het recht van een goede naam en eer, terwijl Doekhie zich beroept op zijn recht van vrijheid van meningsuiting. Vraag is welke van deze wederzijdse belangen zwaarder wegen in het voorliggend geval. Bij de hier aan de orde zijnde vraag staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door uitlatingen en publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving kunnen raken blijven voortbestaan.

4.11 De kantonrechter vindt voor die beoordeling aansluiting bij in onderling verband te beschouwen omstandigheden zoals door de Hoge Raad der Nederlanden genoemd in zijn arrest van 24 juni 1983 (ECLI:NL:HR:1983:AD2221). Welke van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, en wel – in een situatie als de onderhavige – in het bijzonder van de volgende:

a. de aard van de gedane en gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben;

b. de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de uitlatingen aan de kaak beoogt te stellen;

c. de mate waarin de uitlatingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de uitlatingen, gezien in verhouding tot de onder (a) tot en met (c) bedoelde factoren;

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f. een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat de betreffende uitlatingen, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen;

g. de maatschappelijke positie van de betrokken persoon.

Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

4.12 Indachtig hetgeen onder 4.5 tot en met 4.9 van dit vonnis is overwogen, tegen de achtergrond van de zojuist onder 4.11 genoemde in onderling verband te beschouwen omstandigheden, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van eiseres zwaarder moet wegen dan dat van gedaagden. Op grond van het vorenstaande is komen vast te staan dat de door Doekhie gedane uitspraken niet op waarheid berusten. Nu deze uitspraken niet op waarheid berusten, gaat de stelling van gedaagden – dat gedaagde sub B gehandeld heeft in het algemeen belang – niet op.

4.13 Nu voor de uitspraken van Doekhie geen steun te vinden is in het beschikbare feitenmateriaal, zijn deze uitlatingen onweersprekelijk suggestief voor mogelijk strafbare handelingen die daarin besloten ligt, wat blijk geeft van een ernstige en ingrijpende aantijging tegen eiseres. Dit klemt te meer nu gedaagden het nodige feitenmateriaal voor die uitlatingen niet hebben aangedragen. De uitspraken van Doekhie als parlementariër en hoofdbestuurslid van de NDP hebben een relatief grote invloed gehad in de samenleving en had Doekhie moeten begrijpen wat het negatieve effect is van zijn uitspraken, die niet op waarheid berusten, over personen in het algemeen en parlementariërs in het bijzonder. Het voorgaande brengt met zich mee dat de door eiseres gestelde onrechtmatige daad in rechte is komen vast te staan. Door als zo te handelen, hebben gedaagden sub A en B gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en zullen de vorderingen als na te melden worden toegewezen.

4.14 Aangezien het door eiseres onder sub I en II van het petitum gevorderde zullen worden toegewezen zoals onder de beslissing geformuleerd, acht de kantonrechter het niet nodig om het onder sub III van het petitum gevorderde eveneens toe te wijzen. De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd.

4.15 Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade wordt als volgt overwogen. Eiseres onderbouwt het door haar gevorderde bedrag van € 25.000,- middels het vonnis van de Rechtbank Groningen van 5 december 2007 (ECLI:NL:RBGRO:2007:BB9514). Overwogen wordt dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het bepalen van de omvang van de vergoeding voor immateriële schade, die meebrengt dat hij onder omstandigheden een vergoeding geheel kan afwijzen. Hij dient de schade naar billijkheid vast te stellen. Daarbij moet hij met alle omstandigheden van het geval rekening houden en is hij niet gebonden aan de gewone regels inzake stelplicht en bewijslast. Te denken valt aan de mate waarin de benadeelde is getroffen, in geval van lichamelijk letsel in het bijzonder de aard en de ernst daarvan, de aard van de aan de gedaagde verweten gedraging (mate van verwijtbaarheid), de aard van de aansprakelijkheid en de economische omstandigheden van partijen (Tekst & Commentaar Nederlands BW, 7e druk, aantekening 4 op artikel 106 Nederlands BW). Nu in casu ook rekening moet worden gehouden met de economische omstandigheden van partijen, gaat de kantonrechter voorbij aan de door eiseres overgelegde vonnis van de Rechtbank Groningen.

4.16 In casu mag worden aangenomen dat de uitlatingen van Doekhie, mede bezien tegen het licht van de functie die eiseres heeft bekleed binnen het Korps Politie Suriname en de beschuldigingen naar haar zoon en overleden echtgenoot, eiseres in hoge mate hebben getroffen. Het doen van zulke zwaarwichtige en criminaliserende uitspraken, die niet op waarheid berusten, moeten Doekhie dan ook in hoge mate worden verweten. De kantonrechter zal derhalve naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een bedrag van € 5.000,- toewijzen voor de door eiseres geleden immateriële schade.

4.17 Gedaagden sub A en B zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

4.18 Gedaagden hebben geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden, die – indien bewezen – tot een andere beslissing zou kunnen leiden. Hun bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

  1. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 verklaart eiseres in haar vorderingen jegens gedaagde sub C niet-ontvankelijk;

5.2 veroordeelt gedaagden sub A en B om binnen een week na betekening van dit vonnis de navolgende rectificatie volledig en zonder aanpassingen te doen publiceren in De Ware Tijd en Times of Suriname alsook op Radio Apintie en Radio 10:

“Ik, Mohamed Rachied Doekhie, heb ten onrechte mevrouw Krishnakoemari Hussainali-Mathoera een crimineel genoemd, ook heb ik haar ten onrechte beschuldigd van drugshandel en wapensmokkel, althans met woorden van gelijke strekking besproken, alsook haar overleden echtgenoot beschuldigd van het trainen van mannen om Desi Delano Bouterse te elimineren. Tevens heb ik ten onrechte publiekelijk gezegd: “dat die boten en motoren die daar waren, waren op naam van Mathoera” en dat: “Mathoera samen criminele activiteiten heeft ontplooid met Santokhi” alsook: “sang eng zoon doe, a kiri, vermoord, en volgende ochtend a mang verdwijn … Mathoera je weet toch dat jouw zoon een moord heeft gepleegd en de volgende dag via Cayenne naar Nederland is gegaan en joe rij eng go na Cayenne of Albina”. Deze uitspraken van mij in het Nederlands en in het Sranang Tongo gedaan zijn in strijd met de waarheid. Zomaar mi tak den san disi, en bied aan mevrouw Hussainali-Mathoera en al haar gezinsleden mijn oprechte en welgemeende verontschuldiging aan; ook aan het publiek zeg ik sorry, ik heb u onwaarheden verteld.”;

5.3 veroordeelt gedaagden sub A en B tot het betalen van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse dollars) voor iedere dag dat zij weigeren te voldoen aan dit vonnis, met dien verstande dat het maximum te verbeuren dwangsom het bedrag van SRD 500.000,- (vijfhonderd duizend Surinaamse dollars) niet te boven gaat;

5.4 veroordeelt gedaagden sub A en B, des de één betaalt de andere zal zijn bevrijd, om aan eiseres te betalen het bedrag van € 5.000,- (vijfduizend Euro) zijnde immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente ad 6% per jaar vanaf 5 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5 veroordeelt gedaagden sub A en B, des de één betaalt de andere zal zijn bevrijd, om aan eiseres te betalen het bedrag van SRD 8.000,- (achtduizend Surinaamse dollars) zijnde advocaatkosten;

5.6 verklaart het onder 5.2 tot en met 5.5 besliste uitvoerbaar bij voorraad;

5.7 veroordeelt gedaagden sub A en B in de proceskosten aan de zijde van eiseres, tot aan deze uitspraak begroot op SRD 913,- (negenhonderd en dertien Surinaamse dollars);

5.8 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Bandhoe en uitgesproken door mr. R.M. Praag, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van dinsdag 8 november 2022 in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2023-2

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking op het verzoek tot wraking ex artikel 437
van het Wetboek van Strafvordering (Sv.)

Beschikkingno.: 02/2023
Parketnummer: 060/21

In de zaak van
[Naam],
verzoeker tot wraking,
raadslieden I.D. Kanhai BSc. en mr. B.A.H. Pick, advocaten

welk verzoek strekt tot wraking van
• mr. A. Charan, president van de Krijgsraad,

tezamen met kolonel G. Cooper en majoor J. Jones, leden van de Krijgsraad, belast met de behandeling van de tegen verzoeker bij de Krijgsraad aanhangige strafzaak, geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

1. Verloop van de procedure
Ter zitting van 14 oktober 2022 hebben de raadslieden namens verzoeker een schriftelijk verzoek tot wraking van mr. A. Charan, wnd. president van de Krijgsraad, ingediend en is dit verzoek vervolgens kort toegelicht door de raadsman I.D. Kanhai BSc. De inhoud van genoemde akte van wraking wordt als hier letterlijk herhaald en ingelast beschouwd. Het onderzoek is vervolgens geschorst tot de zitting van 11 november 2022 teneinde het besluit van mr. A. Charan ten aanzien van de wraking kenbaar te maken.
Op laatstvermelde zittingsdag is door mr. Charan, wnd. president aangegeven dat hij zich niet berust in de voorgedragen wraking.
Hierna is de behandeling van de zaak geschorst en is de zaak ingevolge artikel 439 lid 3 Sv. verwezen naar het Hof voor een beslissing op de wraking.

2. De grondslag van het verzoek
Voorafgaand aan onderhavige wraking
2.1.1 Verzoeker heeft – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek tot (eerste wraking).
Op de dag van de eerste behandeling van de zaak is er een exceptie opgeworpen betrekking hebbende op het niet voldoen aan de wettelijke vereisten van de dagvaarding, althans de akte van uitreiking ingevolge het bepaalde in artikel 517 Sv. De Krijgsraad – bestaande uit mr. A. Charan (wnd. President) en kolonel G. Cooper en majoor J. Jones, leden van de Krijgsraad – heeft het verweer verworpen. Door de Krijgsraad is daartoe geoordeeld dat het niet voldaan hebben aan de dwingende bepaling niet zo ernstig is dat de strafdreiging opgenomen in artikel 517 Sv. toegepast zal worden. Ook zou het geen vaste jurisprudentie zijn volgens de Krijgsraad dat in dergelijke gevallen de nietigheid van de dagvaarding wordt uitgesproken. Volgens verzoeker is deze beslissing van de Krijgsraad niet op de wet gestoeld en is hij van mening dat hij hierdoor aan het lot van de rechters wordt gelaten, die de wet verlaten en een beslissing hebben genomen niet overeenkomstig hetgeen de wet voorschrijft en hetgeen vaste jurisprudentie is.
Verzoeker stelt dat, het zich niet houden aan de wet door een rechter, een inbreuk is op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Daarnaast heeft hij, verzoeker, gebruik gemaakt van Surinaamse en Nederlandse jurisprudentie ter staving van zijn stellingen en voorts aangevoerd dat de beslissing van de Krijgsraad in strijd is met de Grondwet en verdragen. Dit is reden geweest voor verzoeker om de president en alle leden van de Krijgsraad te wraken en is daartoe door de raadsman van verzoeker I.D. Kanhai BSc. een akte van wraking d.d. 8 juli 2022 overgelegd. De Krijgsraad heeft zich niet berust in deze wraking en is deze wraking ingevolge het bepaalde in artikel 439 lid 3 Sv. voorgelegd aan het Hof van justitie.

2.1.2 Op deze wraking heeft de wrakingskamer van het Hof bij beslissing d.d. 16 september 2022 verzoeker niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat in artikel 438 lid 1 Sv. is voorgeschreven dat – “zo redenen van wraking ten aanzien van meer dan één rechter bestaan – een verdere wraking niet kan worden voorgedragen, dan nadat over de vroegere wraking is beslist”; en dat nu de wraking zich richt tegen de drie rechters tezamen, het Hof van oordeel is dat dit in strijd is met het bepaalde in artikel 438 lid 1 Sv.

De huidige wraking van mr. A. Charan, wnd. president van de Krijgraad.
2.2 Door de raadsman van verzoeker I.D. Kanhai BSc. wordt onder overlegging van wrakingsakte d.d. 14 oktober 2022 gesteld dat de beslissing van de wrakingskamer van het Hof van justitie d.d. 16 september 2022 waarbij verzoeker niet ontvankelijk is verklaard hem thans de ruimte biedt de wraking te doen van de leden van de Krijgsraad, nu één voor één zoals dat in artikel 438 Sv. is voorgeschreven. Hetgeen als grond in de eerste wrakingsakte is gesteld geldt ook bij deze wraking.

2.3 Mr. A. Charan, wnd. president van de Krijgsraad heeft ter terechtzitting van 11 november 2022 kenbaar gemaakt dat hij zich niet berust in deze wraking.

3. De beoordeling van de voorliggende wraking
3.1 Door de Krijgsraad voorgezeten door mr. A. Charan, wnd. President in de zaak tegen verzoeker is op het namens verzoeker opgeworpen excepties beslist dat het niet voldoen aan de wettelijke vereisten van de dagvaarding, althans de akte van uitreiking ingevolge het bepaalde in artikel 517 Sv. niet zo ernstig is dat de strafdreiging opgenomen in artikel 517 Sv. toegepast zal worden en voorts dat het geen vaste jurisprudentie is dat in dergelijke gevallen de nietigheid van de dagvaarding wordt uitgesproken.

3.2 Thans ligt de vraag ter beantwoording in hoeverre deze beslissing van de Krijgsraad op de opgeworpen excepties, tegen de achtergrond van hetgeen door verzoeker is aangevoerd, leidt tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 437 Sv.) In het licht van het voorgaande is van belang te begrijpen wat het doel is geweest van na te noemen strafvorderlijke bepalingen te weten de artikelen 515 Sv. tot en met 519 Sv. Deze luiden als volgt te weergeven, te weten:

Artikel 515
“In alle gevallen waarin dit Wetboek niet uitdrukkelijk een andere wijze van mededeling toelaat of voorschrijft, ge¬schieden de daarbij voorgeschreven betekeningen, dagvaardin¬gen, oproepin¬gen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen door uitreiking van een gerechtelijk schrijven.

Artikel 516
De uitreiking van het gerechtelijk schrijven geschiedt door een deurwaarder of een dienaar van de openbare macht.

Artikel 517
1. De uitreiking geschiedt:
a. aan hen die in verzekerde bewaring zijn: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of, te hunner woonplaats hier te lande of is deze niet bekend te hunner verblijfplaats hier te lande, aan een huisgenoot.

2. Is in het geval bedoeld in het voorgaande lid onder b, ook de verblijfplaats niet bekend, dan geschiedt de uitreiking ter griffie van het gerecht dat van de zaak moet kennisnemen dan wel het laatst kennisgenomen heeft; betreft het een mede¬deling omtrent een aangewend rechtsmiddel dan steeds ter griffie waar dit middel werd aangewend. Van de uitreiking wordt in deze gevallen door of vanwege de griffier, onder vermelding van de persoon voor wie het schrijven bestemd is, aan het gerechtsge-bouw aanplak¬king gedaan. Het uitgereikte schrijven wordt deze persoon zodra dit mogelijk is overgegaan of toegezonden.

3. Wordt in het geval bedoeld in het eerste lid onder b, noch de persoon voor wie het schrijven bestemd is, noch iemand van diens huisgenoten aan zijn woon- of verblijfplaats aangetroffen, of zijn deze personen niet bereid het schrijven in ontvangst te nemen, zo geschiedt de uitreiking aan het hoofd van het plaatse¬lijk bestuur of een door deze aangewezen ambtenaar, die het schrijven zo mogelijk alsnog aan de persoon voor wie het bestemd is, doet toekomen, zonder dat van dit laatste echter in rechte zal behoe¬ven te blijken.

4. Van iedere uitreiking wordt een akte van uitreiking opgemaakt, vermeldende:
1° de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat;
2° het nummer van het schrijven;
3° de persoon voor wie het schrijven bestemd is;
4° de persoon aan wie het is uitgereikt;
5° de plaats van uitreiking;
6° de dag en het uur van uitreiking.

5. De akte wordt door hem die de uitreiking bewerkstel¬ligde, zo spoedig moge¬lijk en persoonlijk op de eed afgelegd bij de aanvaarding zijner bediening, opgemaakt en terstond ondertekend. Is uitgereikt overeenkomstig het tweede of derde lid zo wordt in de akte vermeld, dat uitreiking overeenkomstig het eerste lid onder b niet mogelijk was.
6. Alles op straffe van nietigheid.

7. In de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, wordt bij bekende verblijf¬plaats buitenlands, tevens door de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat, een afschrift van de mededeling welke het schrijven bevat, bij aangetekende brief verzon-den aan hem voor wie het schrijven bestemd is.

Artikel 518
De nietigheid bij het voorgaande artikel gesteld, wordt door vrijwillige verschij¬ning gedekt.

Artikel 519
In de gevallen waarin dit Wetboek voorschrijft dat een oproeping, kennisgeving of andere mededeling schriftelijk ge¬schiedt kan deze plaatshebben:
a. bij gewone of aangetekende brief over de post;
b. per telegram;
c. door uitreiking van het stuk op andere wijze, doch dan aan de betrokkene in persoon of op andere voldoende wijze.”

3.3 Voor wat betreft de strekking van hiervoor opgesomde bepalingen overweegt het Hof dat uit de wetshistorie blijkt dat de ratio van het voorschrift in artikel 517 leden 4 en 5 is een waarborg te bieden dat de betrokken stukken tijdens de overbrenging niet verloren gaan en voorts te dienen als controlemiddel voor de rechter bij eventuele niet-verschijning van de verdachte, waarbij door de rechter, aan de hand van de akte van uitreiking, getoetst wordt of de mededeling conform de artikelen 515 Sv. e.v. is uitgereikt.
De akte van uitreiking vormt het bewijsstuk dat het stuk op de voorgeschreven wijze is uitgereikt.

3.4 In casu blijkt uit de akte van uitreiking opgemaakt op ambtsbelofte opgemaakt door de Korporaal der 1ste klasse der Militaire Politie [verbalisant] d.d. vrijdag 18 februari 2022 dat genoemde korporaal der 1ste klasse op vrijdag 18 februari 2022 de dagvaarding van de Auditeur-Militair bij de Krijgsraad te Paramaribo d.d. 18 februari 2022 voor de Krijgsraadzitting van vrijdag 25 februari 2022, in de zaak van de Auditeur-Militair contra de verdachte [naam], bestemd voor de verdachte [naam] voornoemd, wonende aan de [adres] te [plaats], heeft uitgereikt aan hem in persoon op het Centraal Penitentiaire Inrichting te Santo Boma. De verdachte heeft tevens toegestemd in de verkorting van de dagvaarding zoals bedoeld in artikel 246 Sv. en heeft ten blijke daarvan deze verklaring zijnerzijds ondertekend. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de verdachte/verzoeker die heeft ondertekend.

3.5.1 Uit de inhoud van de akte van uitreiking zoals in 3.4. weergegeven blijkt dat met uitzondering van het nummer van het schrijven de overige vereiste gegevens zijn vermeld op de akte van uitreiking. Vaststaat dat het nummer van het schrijven ontbreekt. De vraag rijst thans of aan deze omissie het gevolg vermeld in lid 6 van artikel 517 Sv verbonden dient te worden.

3.5.2 Het hof overweegt daartoe dat in het strafproces centraal staat dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zo recht spreekt in de concrete zaak.

3.5.3 Daarnaast berust de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden, en zo ja de wijze waarop dat gebeurt, in de kern op een afweging van belangen. Daarbij gaat het om de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder de belangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders van strafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhaving van grondrechten en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.

3.5.4 Aan de vaste rechtspraak over de verschillende rechtsgevolgen bij vormverzuimen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk is van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling.
3.5.5 Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetst kader is het hof van oordeel dat in casu de gewraakte rechter terecht tot het oordeel kon komen dat het niet vermelden van het nummer van de akte van uitreiking ingevolge het bepaalde in artikel 517 Sv. niet zo ernstig is dat de strafdreiging opgenomen in artikel 517 Sv. lid 6 toegepast zal worden en voorts dat het geen vaste jurisprudentie is dat in dergelijke gevallen de nietigheid van de dagvaarding wordt uitgesproken.
Dit oordeel leidt niet tot feiten en omstandigheden waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikel 437 Sv).

3.5.6 Een en ander brengt met zich dat onderhavige wraking van mr. A. Charan in diens hoedanigheid van wnd. president van de Krijgsraad als na te melden ongegrond dient te worden verklaard.

4. Beslissing
Het Hof:
4.1 verklaart de onderhavige wraking van mr. A. Charan in diens hoedanigheid van wnd. president van de Krijgsraad ongegrond;

4.2 bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van onderhavige wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en kolonel D. Kamperveen, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 januari 2023 te Paramaribo, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.E. Van Genderen-Relyveld.

w.g. M.E. Van Genderen-Relyveld. w.g. D.D. Sewratan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. D. Kamperveen

Voor afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2022-9

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Beschikking op het verzoek tot wraking ex artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.)

In de zaak van
[Naam]
verzoeker tot wraking,
raadslieden I.D. Kanhai BSc. en mr. B.A.H. Pick, advocaten

welk verzoek strekt tot wraking van
• mr. A. Charan, president van de Krijgsraad,
• Kolonel G. Cooper,lid van de Krijgsraad en
• Majoor J. Jones, lid van de Krijgsraad,
allen deel uitmakende van de Krijgsraad belast met de behandeling van de tegen verzoeker bij de Krijgsraad aanhangige strafzaak,hierna te noemen “de rechters”,geeft het Hof van Justitie, in Naam van de Republiek, de navolgende beschikking.

1. Verloop van de procedure
Ter zitting van 8 juli 2022 hebben de raadslieden namens verzoeker een schriftelijk verzoek tot wraking van de rechters gedaan.
De rechters hebben zich beraden over de wraking.
Naar het Hof begrijpt hebben de rechters zich niet berust in de wraking.
Hierna is de behandeling van de zaak geschorst en is de zaak ingevolge artikel 439 lid 3 Wetboek van Strafvordering (Sv.) verwezen naar het Hof voor een beslissing op de wraking.

2. De grondslag van het verzoek
2.1 Verzoeker heeft – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verzoek.
Op de dag van de eerste behandeling van de zaak is er een exceptie opgeworpen betrekking hebbende op het niet voldoen aan de wettelijke vereisten van de dagvaarding, althans de akte van uitreiking. De Krijgsraad – voorgezeten door de rechters – heeft het verweer verworpen.
Volgens verzoeker is de beslissing van de Krijgsraad niet op de wet gestoeld en is hij van mening dat hij hierdoor aan het lot van de rechter wordt gelaten, die de wet verlaat en een beslissing neemt. Verzoeker stelt dat, het zich niet houden aan de wet door een rechter, een inbreuk is op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.
Daarnaast heeft hij, verzoeker, gebruik gemaakt van Surinaamse en Nederlandse jurisprudentie. De Krijgsraad heeft daarop beslist dat er geen sprake is van vaste jurisprudentie, hetgeen in strijd is met de waarheid.
Verzoeker stelt voorts dat de beslissing van de Krijgsraad in strijd is met de Grondwet en verdragen.

3. De beoordeling
3.1 De Krijgsraad, in deze zaak bestaande uit de drie bovengenoemde rechters, heeft zich beraden over de voorgedragen wraking van de kamer. De Krijgsraad komt tot de conclusie dat de wraking niet gegrond is op grond van het bepaalde in artikel 438 lid 1 Sv.

3.2 Artikel 438 lid 1 Sv. schrijft voor dat – “zo redenen van wraking ten aanzien van meer dan één rechter bestaan – een verdere wraking niet kan worden voorgedragen, dan nadat over de vroegere wraking is beslist”.
Nu de wraking zich richt tegen de drie rechters tezamen, is het Hof van oordeel dat dit in strijd is met het bepaalde in artikel 438 lid 1 Sv. Verzoeker zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.

4. Beslissing
Het Hof:
4.1 verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek.

4.2 bepaalt dat de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en kolonel D. Kamperveen, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 september 2022 in tegenwoordigheid van
mr. Ch. Tamsiran, fg. griffier.

w.g. Ch. Tamsiran w.g. D.D. Sewratan
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. D. Kamperveen

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2021-50

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornamen] (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting te Santo Boma,
gemachtigde: mr. N.A.S. Ramnarain, advocaat.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift gedagtekend 04 mei 2021 met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 07 mei 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 27 mei 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 02 juni 2021 om 09.30 uur des voormiddags;
1.3. de behandeling is vervolgens vanwege de maatregelen in het kader van de Covid-19 pandemie verdaagd naar 16 juni 2021 en in verband met deze maatregelen heeft het Hof derhalve het Openbaar Ministerie (hierna: het O.M.) de gelegenheid geboden om haar reactie naar aanleiding van het bezwaarschrift op schrift te stellen, mondeling toe te lichten en ter zitting ten processe over te leggen, waarna het bezwaarschrift op de stukken is afgehandeld;
1.4. de beslissing is door het Hof op 16 juni 2021 in het openbaar uitgesproken.

2. De feiten
2.1. [naam] is bij vonnis de dato 23 juli 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.
2.2. Vervolgens is [naam] bij vonnis de dato 04 december 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar en 9 maanden.
2.3. Op 21 december 2013 is [naam] door de Kantonrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 05 jaar. Het Hof heeft bij vonnis d.d. 17 maart 2021 het vonnis waarvan beroep vernietigd, het ten laste gelegde onder I, II en III bewezen geacht en aan [naam] een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd en tevens begeleiding door het Bureau voor Alcohol en Drugs en psychologische begeleiding van [naam] gelast.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij ex artikel 29 en 30 Sr in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: V.I.) temeer hij gelet op de vermelde straffen daarvan reeds twee/derde deel heeft uitgezeten en wel zijn 2/3 deel eindigende op 21 april 2021. [naam] heeft meermalen via diens advocaat doen vragen om hem ex artikel 29 en 30 Sr voorwaardelijk in vrijheid te doen stellen; echter is daarop geen passend antwoord gegeven. Het O.M. heeft de advocaat verwezen naar Parketwacht en Parketwacht heeft op haar beurt aangegeven dat [naam] uit andere hoofde zou zijn aangehouden en derhalve nog niet in aanmerking kan komen voor V.I. Het vorenstaande is naar de mening van de verdediging niet juist en juridisch incorrect. [naam] heeft reeds zijn 2/3 uitgezeten en is niet gebleken dat op enig moment een gesprek met hem gevoerd is ter zake het advies in verband met de V.I. Door alzo te handelen wordt er een inbreuk gepleegd op het recht van [naam] zodat hij alle recht en belang heeft zich thans tot het Hof te wenden.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat zij zich verzet tegen het verzoek van de advocaat van de veroordeelde en het Hof vraagt om het verzoek van de advocaat af te wijzen vanwege het feit dat de veroordeelde een recidivist is (6 keren in totaal) en zich tevens schuldig heeft gemaakt aan interne tuchtstraffen binnen de Inrichting gedurende zijn detentie. Zulks in combinatie met de ernst van de strafbare feiten waarvoor [naam] in casu gevonnist is wordt door de vervolging gezien als valide grond om aan te geven dat [naam] nog niet gereed is voor zijn terugkeer in de samenleving.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 17 maart 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn. In dit specifiek geval wordt de zaak naar aanleiding van de maatregelen in verband het Covid-19 virus op de stukken afgedaan en is er op grond van klemmende redenen in het belang van de volksgezondheid in het algemeen afgeweken van de door de wetgever aangegeven wijze van behandeling van het bezwaarschrift.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ervan uit dient te worden gegaan dat de V.I. geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling op 11 oktober 2013 heeft [naam] op 07 januari 2021 reeds twee/derde deel van zijn straf uitgezeten. Het bezwaarschrift is op 07 mei 2021 ingediend en is derhalve de termijn van veertien dagen rijkelijk overschreden. Evenwel werd de strafzaak van [naam] in januari 2021 nog behandeld en is pas beëindigd middels een beslissing van het Hof op 17 maart 2021. Ingevolge de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht moet de termijn van veertien dagen door de rechter naar redelijkheid en billijkheid worden geïnterpreteerd en daartoe overgaand ziet het Hof aanleiding om [naam] ontvankelijk te verklaren. Immers betreft het in casu een fictieve weigering en wist [naam] in januari 2021 nog niet wat de uitkomst zou zijn van zijn strafzaak. Nu hij daar duidelijkheid over heeft verkregen in maart 2021 is hij niet tardief met het indienen van zijn bezwaarschrift in mei 2021.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Het Hof overweegt dat de V.I. achterwege wordt gelaten, op de gronden en in de gevallen genoemd in artikel 30a Sr. Daarnaast leidt een redelijke en billijke afweging van het belang van [naam] op terugkeer in de samenleving afgezet tegen het belang van beveiliging van de samenleving naar het oordeel van het Hof tot de slotsom dat [naam] in concreto thans nog geen aanspraak maakt op terugkeer in de samenleving.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat gebleken is dat één of meer van de in artikel 30a lid 1 Sr. genoemde gronden die aanleiding kunnen geven tot uitstel of achterwege laten van de V.I. zich voordoen, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu van recidivegevaar zijdens [naam] – mede gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – wel gebleken.
5.4.3. Gebleken is dat [naam] achtereenvolgens heeft uit te zitten drie gevangenisstraffen van in totaal 10 jaren, 10 maanden en 10 dagen en heeft hij ettelijke malen gerecidiveerd. Als klap op de vuurpijl heeft hij tijdens het uitzitten van zijn straf zich binnen de inrichting zeer ernstig misdragen door deel te nemen aan een gevangenisopstand waarbij ook de penitentiaire ambtenaren en de aangerukte politiemannen te verduren hebben gekregen. Daarnaast heeft [naam] ook verschillende malen interne tuchtstraffen moeten ondergaan ter zake van, onder andere, wangedrag, vechtpartij met een lotgenoot en zelfs ontvluchting uit post Houttuin.
5.4.4. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat het bezwaar van [naam] ongegrond is. Ingevolge het bepaalde in artikel 30a lid 1 sub c Sr. leveren ernstige misdragingen gedurende de detentie een weigeringsgrond op en is [naam] in de visie van het Hof terecht niet in aanmerking gekomen voor V.I.

6. De beslissing
Het Hof:

Verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 16 juni 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-49

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornamen] (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in het Huis van Bewaring te Santo Boma,
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat bij het Hof van Justitie.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd dinsdag 05 januari 2021, met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato dinsdag 05 januari 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. maandag 18 januari 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van maandag 01 februari 2021 om 10.00 uur des voormiddags;
1.3. het proces-verbaal gedateerd maandag 01 februari 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.4. de uitspraak heeft op 01 februari 2021 in het openbaar plaatsgevonden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 11 juli 2008 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk het hebben van vleselijke gemeenschap met een meisje die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van vijftien jaren had bereikt, voorzien en strafbaar gesteld bij de artikelen 297 en 298 van het Wetboek van Strafrecht en koppelarij, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 305 van het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 29 juli 2009 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 06 augustus 2009.
2.4. Het Hof heeft op 11 februari 2015 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en [naam] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren en zes (6) maanden. Het Hof heeft de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.
2.5. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling d.d. 11 juli 2008 heeft [naam] aldus op of omstreeks 11 januari 2018 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij niet in vrijheid is gesteld en dat hij er vanuit gaat dat zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (hierna: VI) aldus is geweigerd. Aan [naam] is nimmer enige beschikking of beslissing uitgereikt en is het voor [naam] niet duidelijk wanneer de beroepstermijn van 14 dagen is verstreken. [naam] heeft een briefje ontvangen van de directeur van de inrichting waar hij is ingesloten, waarbij uit de inhoud blijkt dat het om een fictieve afwijzing van zijn VI gaat.
[naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing casu quo weigering van zijn VI en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en te bepalen dat aan hem VI verleend dient te worden.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De Waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren en zes (6) maanden onder aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In het vonnis was er een bijzondere voorwaarde gesteld hetgeen inhoudt dat [naam] tijdens zijn detentie zowel psychologisch als psychiatrisch moet worden begeleid. Uit onderzoek is gebleken dat [naam] psychiatrisch helemaal niet is begeleid en dat hij de psycholoog slechts één keer heeft ontmoet voor een kennismakingsgesprek. Het feit dat [naam] niet voldoende is begeleid gedurende zijn detentie is volgens de vervolging een nalaten van de Staat geweest.
[naam] is op 11 juli 2008 in verzekering gesteld en op 11 januari 2018 heeft hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten. De wnd. directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting (CPI) heeft gesteld dat hij geen kennis draagt van een beschikking ten aanzien van [naam]. Op basis daarvan blijkt er sprake te zijn van een fictieve weigering tot het verlenen van VI. Voorts is uit verificatie gebleken dat [naam] zich binnen de inrichting goed heeft gedragen en geen interne tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen. Gelet op het voorgaande heeft de Waarnemend Procureur-Generaal aan het Hof gevraagd om het verzoek van [naam] toe te wijzen.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 11 februari 2015 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) jaren en zes (6) maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. ervan uit dient te worden gegaan dat de V.I. geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling d.d. 11 juli 2008 heeft [naam] met de indiening van het bezwaarschrift op 05 januari 2021 terwijl hij op of omstreeks 11 januari 2018 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, in de visie van het Hof tijdig zijn bezwaarschrift ingediend. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat [naam] ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Beoordeling van het bezwaarschrift
5.3.1. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr. reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten en uit het onderzoek niet is gebleken van een weigeringsgrond ex artikel 30a Sr.
5.3.2. Artikel 30a lid 1 sub g Sr. bevat een uitzondering op de regel dat de onherroepelijk veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer deze twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. Naar het oordeel van het Hof bevat artikel 30a lid 1 sub g Sr. geen absoluut verbod van V.I. voor personen die onherroepelijk veroordeeld zijn ter zake van de aldaar omschreven misdrijven. Ook voor deze gevallen bepaalt de aanhef in lid 1 van dit artikel dat de minister, in afwijking van artikel 29 leden 1 en 2 Sr., na daartoe strekkend advies van de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling, kan bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld of achterwege gelaten. Het Hof verwijst tevens naar het bepaalde in artikel 28a Sr. dat ook de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde, nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd, voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, indien naar het oordeel van het Hof van Justitie verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer heeft.
5.3.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat niet is gebleken dat één of meer van de in artikel 30a lid 1 Sr. genoemde gronden die aanleiding kunnen geven tot uitstel of achterwege laten van de V.I. zich voordoen, het Hof tot de slotsom komt dat het bezwaar gegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 Sr. voorwaardelijk in vrijheid dient te worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet gebleken.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar gegrond.

6.2. Gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr., onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van maandag 01 februari 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-48

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in het cellenhuis verbonden aan het politiebureau te Nieuwe Haven,
gemachtigde: mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift, gedateerd dinsdag 30 maart 2021, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato dinsdag 30 maart 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 07 april 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van woensdag 21 april 2021 om 13.15 uur des namiddags;
1.3. het proces-verbaal gedateerd woensdag 21 april 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.4. de uitspraak heeft op 21 april 2021 in het openbaar plaatsgevonden.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 31 maart 2019 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging, voorzien en strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton de dato 01 oktober 2019 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton heeft [naam] appél ingesteld op 15 oktober 2019.
2.4. Het Hof heeft op 20 januari 2021 het vonnis van de Kantonrechter in het Tweede Kanton bevestigd en de gevangenhouding van de veroordeelde gehandhaafd.
2.5. Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling d.d. 31 maart 2019 heeft [naam] aldus op of omstreeks 31 maart 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten.

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 31 maart 2019 reeds twee/derde (2/3) deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten en dat hij geen beschikking terzake zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.), heeft ontvangen en aanneemt dat het in casu gaat om een fictieve weigering. [naam] kan zich niet verenigen met de afwijzing van zijn Voorwaardelijke Invrijheidstelling (V.I.) en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. en verzoekt hem op grond van de Wet te horen en hem in aanmerking te doen komen voor V.I.

4. Het standpunt van de Waarnemend Advocaat-Generaal
De Waarnemend Advocaat-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren onder aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. [naam] is op 31 maart 2019 in verzekering gesteld en op 31 maart 2021 heeft hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf uitgezeten. De wnd. directeur van de Centrale Penitentiaire Inrichting (CPI) heeft na verificatie gesteld dat zij niet op de hoogte zijn geweest van het vonnis in hoger beroep en dat zij slechts beschikken over het vonnis dat in eerste aanleg is uitgesproken. Om die reden is de VI-procedure van [naam] niet opgestart. Voorts is uit verificatie gebleken dat [naam] zich goed heeft gedragen binnen de inrichting en geen interne tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen. Gelet op het voorgaande heeft de Waarnemend Advocaat-Generaal aan het Hof gevraagd om het verzoek van [naam] toe te wijzen.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 20 januari 2021 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de minister als bedoeld in de artikelen 30 (V.I.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel V.I. casu quo weigering V.I.) en 31 Sr. (herroeping V.I.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking of beslissing aan [naam] is uitgereikt weshalve ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. ervan uit dient te worden gegaan dat de VI geacht moet worden te zijn geweigerd. Uitgaande van de datum van de inverzekeringstelling d.d. 31 maart 2019 heeft [naam] met de indiening van het bezwaarschrift op 30 maart 2021, terwijl hij op of omstreeks 31 maart 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, in de visie van het Hof tijdig zijn bezwaarschrift ingediend. De consequentie van voorgaande vaststelling is dat [naam] ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Beoordeling van het bezwaarschrift
5.3.1. Het Hof overweegt dat [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr reeds twee/derde deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten en uit het onderzoek niet is gebleken van een weigeringsgrond ex artikel 30a Sr.
5.3.2. Het Hof overweegt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt en moet worden voorkomen dat er een uitzichtloze situatie ontstaat voor een veroordeelde. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Immers dienen de belangen van de veroordeelde afgewogen te worden tegenover de belangen van de maatschappij. Naar het oordeel van het Hof doet een redelijke en billijke belangenafweging als hiervoor aangegeven de balans in casu in de richting van [naam] uitslaan.
5.3.3. De slotsom waar al het voorgaande toe leidt is dat het bezwaar zijdens [naam] tegen de fictieve weigering gegrond is.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar gegrond.

6.2. Gelast de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 29 lid 2 Sr., onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen strafbaar feit zal begaan, noch zich op andere wijze zal misdragen.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend-Griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 21 april 2021.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-47

 

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

Uitspraak inzake

Het bezwaarschrift ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht (Sr.) van

[Naam, voornaam], (hierna aangeduid als [naam]),
thans ingesloten in de Centrale Penitentiaire Inrichting Santo Boma,
gemachtigde: mr. S.W. Amirkhan, advocaat.

1. Het procesverloop
Hiervoor wordt verwezen naar de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
1.1. het bezwaarschrift van februari 2021 met bijbehorende producties ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de dato 01 maart 2021;
1.2. bij beschikking van het Hof d.d. 03 maart 2021 is bepaald dat de behandeling van het bezwaarschrift zal plaatsvinden op de openbare zitting van het Hof van 24 maart 2021 om 09.00 uur des voormiddags;
1.3. het proces-verbaal gedateerd 24 maart 2021 van het verhandelde ter openbare zitting van het Hof;
1.4. de uitspraak is vervolgens bepaald op woensdag 31 maart 2021.

2. De feiten
2.1. [naam] is op 24 mei 2000 aangehouden en in verzekering gesteld ter zake strafbare feiten zoals gesteld in de tenlastelegging namelijk gekwalificeerde doodslag.
2.2. [naam] is bij vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton de dato 21 februari 2001 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding en psychologische en psychiatrische begeleiding tijdens de detentie.
2.3. Tegen dit vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton heeft de toenmalige advocaat van [naam] appél ingesteld op 05 maart 2001.
2.4. Het Hof heeft op 27 november 2012 het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton vernietigd en opnieuw rechtdoende [naam] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding en psychologische en psychiatrische begeleiding tijdens de detentie .

3. Het standpunt van [naam]
[naam] stelt dat hij uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling op 24 mei 2000 reeds 20 jaren van zijn opgelegde straf heeft uitgezeten. Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), waarin wordt aangegeven dat een veroordeelde die tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt, nadat de vrijheidsbeneming ten minste 20 jaren heeft geduurd, indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer heeft, tekent [naam] bezwaar aan tegen het uitblijven van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.). Immers is [naam] niet in vrijheid gesteld en gaat hij er derhalve van uit dat zijn v.i. aldus is geweigerd. Aan [naam] is nimmer enige beschikking of beslissing uitgereikt.
[naam] kan zich niet verenigen met de fictieve weigering van zijn v.i. en tekent bij het Hof bezwaar aan op grond van het bepaalde in artikel 33 Sr. (althans zo vat het Hof de inhoud van het schrijven van de advocaat van [naam] op). [naam] geeft aan dat hij verkeerd heeft gehandeld en dat hij heel veel spijt van het gebeurde heeft. Hij heeft de overtuiging dat hij klaar is om zijn leven weer op te pakken. Ingevolge het bepaalde in artikel 28a Sr. blijkt niet dat het de bedoeling is geweest dat [naam] nimmer in vrijheid zal worden gesteld.

4. Het standpunt van de Waarnemend Procureur-Generaal
De waarnemend Procureur-Generaal heeft – kort gezegd – aangegeven dat [naam] niet voor v.i. in aanmerking komt en dat zij bezwaar heeft tegen gegrondverklaring van het bezwaar. Uit een ingesteld onderzoek harerzijds is gebleken dat [naam] zich gedurende zijn detentie ettelijke keren ernstig heeft misdragen. En gelet op de belangenafweging waarbij het belang van de veroordeelde tegenover de belangen van de samenleving wordt afgezet, blijkt dat de veroordeelde nog steeds een gevaar vormt voor de samenleving, hetgeen zijn v.i. in de weg staat. Voorts geeft zij ter staving van haar standpunt aan dat er ook wordt gelet op het recidivegevaar zijdens de veroordeelde als weigeringsgrond.

5. De beoordeling
5.1. De bevoegdheid van het Hof
Artikel 33 lid 3 Sr. luidt als volgt:
De veroordeelde kan tegen beslissingen als bedoeld in de artikelen 30, 30a en 31 binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Hangende de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
Lid 4 van dit artikel bepaalt dat aan de veroordeelde ter gelegenheid van het indienen van een bezwaarschrift en voor de behandeling daarvan een raadsman wordt toegevoegd.
Aangezien de wetgever het in de tweede volzin van dit genoemd lid 3 heeft over de beslissing van het gerecht op het bezwaarschrift, brengt een redelijke en praktische uitleg van dit artikellid met zich dat het indienen van een bezwaarschrift bij de rechter die de vrijheidsstraf heeft opgelegd moet worden gelezen als het indienen van een bezwaarschrift bij het gerecht dat de vrijheidsstraf heeft opgelegd. Nu is gebleken dat [naam] bij vonnis van het Hof op 27 november 2012 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel tot gevangenhouding van de veroordeelde en met bepaling dat de verdachte gedurende zijn detentie psychologisch en psychiatrisch begeleid wordt, is in het onderhavige geval het Hof het bevoegd gerecht om kennis te nemen van en een beslissing te geven op het in artikel 33 lid 3 Sr. bedoelde bezwaarschrift. Het Hof is daarom bevoegd om kennis te nemen van het door [naam] ingediende bezwaarschrift.

5.2. Behandeling op de openbare zitting
Vanwege de toepasselijk verklaring in artikel 33a van artikel 25 leden 1 tot en met 5 en de artikelen 26 en 27 Sr., vindt het onderzoek naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift plaats ter openbare zitting en zijn zowel het Openbaar Ministerie als de veroordeelde bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden om bij het onderzoek aanwezig te zijn.

5.3. Ontvankelijkheid [naam]
Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat deze daarvan kennis heeft gekregen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen, tegen de beslissingen van de Minister als bedoeld in de artikelen 30 (v.i.-verlening, onder het stellen van voorwaarden), 30a (uitstel v.i. casu quo weigering v.i.) en 31 Sr. (herroeping v.i.). In casu betreft het een situatie waarbij er geen beschikking aan [naam] is uitgereikt weshalve ervan uit dient te worden gegaan dat de v.i. geacht moet worden te zijn geweigerd. Deze datum moet op of omstreeks 24 mei 2020 zijn geweest, uitgaande van de datum van zijn inverzekeringstelling, zijnde 24 mei 2000. Derhalve treedt het bepaalde in artikel 33 lid 1 Sr. tweede volzin in werking en wordt de v.i. van [naam] geacht te zijn geweigerd (fictieve weigering). Ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 3 Sr. diende [naam] binnen 14 dagen na 24 mei 2020 zijn bezwaarschrift tegen het uitblijven van v.i. bij het Hof in te dienen en diende aan hem ingevolge het bepaalde in artikel 33 lid 4 Sr. een raadsman van staatswege te worden toegevoegd. In casu heeft [naam] pas op 01 maart 2021 zijn bezwaarschrift ingediend en is er aan hem geen advocaat van staatswege toegevoegd. Conform hetgeen is aangegeven in de memorie van toelichting op het Wetboek van Strafrecht (blz. 164 laatste volzin) zal het Hof – nu het gaat om een fictieve weigering – die termijn naar redelijkheid en billijkheid interpreteren en [naam] ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar. Immers is de Staat Suriname ook in gebreke gebleven om [naam] tijdig van een advocaat te voorzien teneinde zijn belangen betreffende v.i. te behartigen.

5.4. Beoordeling van het bezwaarschrift
5.4.1. Thans zal het Hof overgaan tot de beoordeling van het bezwaar zijdens [naam]. Vooropgesteld wordt dat ingevolge het bepaalde in artikel 28a lid 1 en lid 2 Sr. de veroordeelde tot levenslange gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt, nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd en indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient. Het Hof neemt daarbij ten minste in zijn beschouwing de positie van het eventuele slachtoffer of directe nabestaanden en het gevaar dat de veroordeelde alsnog zal recidiveren. Artikel 30a Sr. geeft de uitstel- dan wel weigeringsgronden van v.i. aan. In artikel 30a lid 1 sub c Sr. is aangegeven dat een uitstel- casu quo weigeringsgrond aanwezig is indien is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf zeer ernstig heeft misdragen.
5.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat uit het onderzoek gebleken is dat [naam] zich gedurende zijn detentie niet goed heeft gedragen en herhaalde malen in de fout is gegaan, komt het Hof tot de slotsom dat het bezwaar ongegrond is. Het voorgaande heeft als consequentie dat [naam] niet voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld. In dit verband wijst het Hof erop dat artikel 14 van de Wet Delinquentenzorg bepaalt dat met handhaving van het karakter van de straf, tenuitvoerlegging van de straf “mede aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde in het maatschappelijk leven dienstbaar” wordt gemaakt. Het Hof ziet daarbij, onder andere, de beoordeling van de vraag of de veroordeelde, blijkens zijn gedrag in detentie, na zijn invrijheidstelling wel of niet zal recidiveren als belangrijk ijkpunt. Naar het oordeel van het Hof is in casu het risico van recidivegevaar zijdens [naam] – gelet op zijn gedrag gedurende de detentie – niet irrëeel gebleken en acht het Hof het niet raadzaam om [naam] thans voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Het voorgaande is eveneens ingegeven door het feit dat niet is gebleken dat [naam] gedurende zijn detentie heeft meegedaan aan eventuele resocialisatieprogramma’s dan wel anderszins heeft gewerkt aan verbetering van zichzelf teneinde gereed te zijn voor een probleemloze terugkeer in de samenleving. Van enige welgemeende spijtbetuiging zijdens [naam] in de richting van het slachtoffer dan wel diens nabestaanden is het Hof niet gebleken. In stede daarvan heeft [naam] volhard in zijn stellige ontkentenis hetgeen in de visie van het Hof de conclusie rechtvaardigt dat [naam] geen verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn daad, hetgeen geen positief signaal oplevert.
5.4.3. Het Hof ziet wel aanleiding om ingevolge het bepaalde in artikel 28a leden 3 en 4 Sr. de situatie na vijf jaren te evalueren en vraagt bij deze aan de vervolging om het nodige te doen teneinde te bewerkstelligen dat [naam] ten laatste zes maanden voor het verloop van de betrokken periode zal worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. Tevens vraagt het Hof aan de vervolging om [naam] in de tussenliggende periode psychologisch en psychiatrisch te laten begeleiden zoals het Hof in diens vonnis de dato 27 november 2012 heeft bepaald. Ook ziet het Hof aanleiding om aan de vervolging te vragen om het daarheen te leiden dat [naam] in de gelegenheid wordt gesteld om in de tussenliggende periode deel te nemen aan resocialisatieprogramma’s door een gedragsdeskundige zodat hij kan worden voorbereid op een eventuele terugkeer in de samenleving.

6. De beslissing
Het Hof:

6.1. Verklaart het bezwaar ongegrond.

6.2. Weigert de voorwaardelijke invrijheidstelling van [naam] ingevolge het bepaalde in artikel 28a Sr.

Aldus gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. F. Amirullah, fungerend-griffier, en uitgesproken door de Fungerend-President voornoemd te Paramaribo op de openbare zitting van het Hof van Justitie van woensdag 31 maart 2021.

w.g. F. Amirullah w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,

(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)