SRU-K1-2022-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 21-3232
10 februari 2022
NNA

Vonnis in kort geding
in de zaak van:

A. [eiseres A], wonende aan de [adres 1] te [plaats] ,
B. [eiseres B], wonende aan de [adres 2] te [plaats] ,
C. [eiser C], wonende aan de [adres 3] te [plaats],
allen ten deze domicilie kiezende aan de Eduard J. Brumastraat no. 63 te Paramaribo bij het Advocatenkantoor Kraag,
eisers,
gemachtigde: mr. C.A.F. Meijnaar, advocaat,

tegen

HANDELSDRUKKERIJ EN UITGEVERIJ DE WEST,
kantoorhoudende aan de Mirandastraat no. 2-4 te Paramaribo,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.F. Chocolaad, advocaat.

1. Het verloop van het proces
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en – handelingen:
• het inleidend verzoekschrift dat op 08 oktober 2021 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend, met producties;
• de mondelinge conclusie van eis d.d. 21 oktober 2021;
• de conclusie van antwoord;
• de conclusie van repliek, met producties;
• de conclusie van dupliek, met producties;
• de conclusie tot uitlating producties.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Op de facebook pagina van Dagblad de West is op 25 september 2021 een artikel verschenen waarin het volgende staat vermeld:
‘Verdacht van deviezensmokkel. De bekende Surinaamse handelaar [naam 1]. is naar verluidt, gisteravond op de luchthaven van Miami door de Amerikaanse autoriteiten aangehouden op verdenking van deviezensmokkel. [naam 1]. was naar wij vernemen, voornemens met de American Airlines-vlucht naar Suriname te reizen. De echtgenote van [naam 1]. en zijn zus werden ook door de autoriteiten van de AA-vlucht afgehaald. Naar wij voorts vernemen, is de vlucht zonder hen richting Suriname vertrokken.’

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eisers vorderen dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagde zal veroordelen om binnen 2 dagen na ontvangst van deze brief bij de exploitanten van Facebook een schriftelijk verzoek in te dienen tot het verwijderen en verwijderd houden van de op Facebook gepubliceerde berichten zoals hierboven omschreven en alle reacties daarop en de procesgemachtigde van eisers gelijktijdig een afschrift van dat schriftelijk verzoek te doen toekomen;
b. gedaagde zal veroordelen gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag, gedurende twee maanden, op de eerst zichtbare pagina van een door gedaagde te (her) openen profiel op www.facebook.com, zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media, omgeven door een zwart kader, in zwarte letters, met lettertype Arial in punt grootte 12, op een witte achtergrond de volgende tekst te ondertekenen en te plaatsen, en eisers daarvan op elke kalenderdag gedurende genoemde periode per e-mail of per fax het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën) van onderstaande tekst te leveren:
‘RECTIFICATIE INZAKE SURINAAMSE-HANDELAAR-IN-MIAMI-AANGEHOUDEN
Het door het Dagblad De West geplaatst artikel op de Dagblad De West’s Post van 25 september 2021 berustte niet op waarheid en zijn de personen van [eiseres A], [eiseres B] EN [eiser C] niet in Amerika aangehouden op de vlucht van American Airlines van 24 september 2021 van Miami International Airport naar Suriname. Voorts waren voornoemde personen ook niet samen met [naam 1]. Hierbij rectificeren wij onze publicatie op Facebook en geven wij [eiseres A] e.a. onherroepelijke toestemming tot publicatie en verspreiding van deze rectificatie.
Paramaribo, d.d. …’;
c. het onder sub a en b gevorderde onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,= per dag voor elke dag waarop gedaagde nalatig mocht blijven aan het te wijzen vonnis uitvoering te geven;
d. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat het artikel (zoals weergegeven onder punt 2.1 van dit vonnis) zeer suggestief en bezijdens de waarheid is. Volgens eisers ondervinden zij als gevolg van het artikel onder andere last, hinder en ongerief. Gedaagde weigert het artikel te rectificeren, ondanks daartoe te zijn gesommeerd, aldus eisers. Derhalve handelt gedaagde in strijd met de wet, althans met het subjectief recht van eisers op bescherming van hun eer, goede naam en maatschappelijke reputatie.

3.3 Gedaagde voert verweer. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde voert aan dat zij geen persona standi in iudicio bezit hetgeen betekent dat zij niet de bevoegdheid heeft om in rechte op te treden, zodat eisers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

4.2 In reactie hierop hebben eisers erkend dat gedaagde geen persona standi in iudicio bezit. Volgens eisers is gedaagde een eenmanszaak die tezamen door [naam 2], [naam 3] en [naam 4] wordt geëxploiteerd. Ter onderbouwing hiervan hebben eisers een KKF uittreksel d.d. 09 november 2021 overgelegd.
Derhalve verzoeken eisers dat de naam van gedaagde wordt gerectificeerd met dien verstande dat het geding wordt voortgezet tegen:
a. [naam 2],
b. [naam 3],
c. [naam 4], allen handelende onder de naam HANDELSDRUKKERIJK EN UITGEVERIJ DE WEST, ten deze vertegenwoordigd door [naam 3].
Eisers stellen zich op het standpunt dat volgens de vaste rechtspraak te weten het vonnis van de Hoge Raad NJ 2008/10 en het vonnis van de Kantonrechter d.d. 02 maart 2015 AR.no. 13-2095, de aanduiding van een gedaagde als rechtspersoon en niet als eenmanszaak niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van hen moet leiden.

4.3 Gedaagde heeft zich verzet tegen de gevraagde rectificatie zich op het standpunt stellende dat de bedoeling van een rectificatie nimmer kan zijn dat er staande het geding plots 3 (drie) andere gedaagden ten processuele tonele worden opgevoerd. Bovendien zijn geen van door eisers opgevoerde gedaagden gedagvaard voor onderhavige procedure. Eisers kunnen geen beroep doen op de door hen overgelegde vonnissen omdat de situatie in voormelde zaken geheel anders is dan onderhavige.

4.4 Geoordeeld wordt dat het verzoek van eisers om de vordering voort te zetten op naam van a. [naam 2], b. [naam 3] en c. [naam 4], allen handelende onder de naam HANDELSDRUKKERIJK EN UITGEVERIJ DE WEST, ten deze vertegenwoordigd door [naam 3], niet kan worden toegestaan, nu zulks een wijziging van de partij is.
Het beroep van eisers op het vonnis van de Hoge Raad NJ 2008/10 en van de Kantonrechter d.d. 02 maart 2015 AR.no. 13-2095 gaat niet op omdat voormelde zaken wezenlijk verschillen met onderhavige. In het vonnis van de Hoge Raad NJ 2008/10 gaat het immers om een in hoger beroep gevorderde rectificatie van een aanvankelijk onjuiste partij aanduiding onder de gegeven omstandigheden dat het voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, terwijl in het vonnis van de Kantonrechter d.d. 02 maart 2015 AR.no. 13-2095 eisers zijn aangeduid als erfgenamen van een niet-overleden persoon en zijn dezelfde eisers later in het proces bij naam genoemd.

4.5 Gelet op het voorgaande zullen eisers niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

4.6 Eisers zullen, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld om op grond van het Procesreglement voor Civiele Zaken bij het Hof van Justitie en de Kantongerechten in Suriname een bedrag van SRD 7.500,= aan gedaagde te betalen, zijnde het salaris van de gemachtigde van gedaagde.
Eisers zullen tevens, als de niet ontvangen partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden tot op de dag van de uitspraak begroot op nihil.

5. De beslissing
De kantonrechter in kort geding
5.1 Verklaart eisers niet-ontvankelijk in de door hen gevraagde voorzieningen.

5.2 Veroordeelt eisers tot betaling van het bedrag van SRD 7.500,= (zevenduizend en vijfhonderd Surinaamse dollar) aan gedaagde, zijnde het salaris van de gemachtigde van gedaagde.

5.3 Verklaart hetgeen is beslist onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton, mr. I. Sonai, ter openbare terechtzitting op 10 februari 2022 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

SRU-HvJ-2021-31

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
G.R. no. 15612
3 december 2021

In de zaak van

[appellant],
wonende aan de [adres] te [plaats 1],
appellant in kort geding,
hierna te noemen: “[appellant]”,
gemachtigde: mr. R.E.W. Truideman, advocaat,

tegen

DE SURINAAMSE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende aan de mr. Jagernath Lachmonstraat no. 136 te Paramaribo,
geïntimeerde in kort geding,
hierna te noemen “de SLM”,
gemachtigde: mr. A.M. Linger, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 2 augustus 2018 bekend onder AR no. 182661 tussen [appellant] als eiser en de SLM als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op
17 oktober 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
– het doorlopend proces-verbaal van de terechtzitting van 15 november 2019, aangetekend op de kaft van het procesdossier, waaruit blijkt dat er recht op stukken is gevraagd.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 2 augustus 2018. Partijen zijn noch in persoon, noch bij gemachtigden bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen. Per griffiersbrief van 8 oktober 2018 is het vonnis aan partijen medegedeeld. [appellant] heeft op 17 oktober 2018 appèl aangetekend en is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] heeft gevraagd dat er recht op stukken wordt gedaan.

4. De beoordeling
4.1 Het Hof overweegt dat tegen het vonnis geen grieven zijn aangevoerd waardoor het Hof ambtshalve de vordering, de grondslag en de weren zal beoordelen en de uitspraak zal toetsen aan de regels van openbare orde, waaronder de regels van bevoegdheid en ontvankelijkheid.

4.2. Tegen de feiten zoals vastgelegd door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep zijn geen grieven aangevoerd. Het Hof zal dan ook van die feiten uitgaan.

4.3 Het Hof overweegt dat uit de gedingstukken blijkt dat [appellant] in maart 2009 in dienst is getreden van de SLM in de functie van steward. Op 27 december 2017 heeft [appellant] aangifte gedaan van een beroving in het Crown Plaza Hotel te [plaats 2], [land], alwaar [appellant] als steward verbleef in verband met zijn werk. In de aangifte wordt melding gemaakt van het feit dat [appellant] is beroofd door twee manspersonen met behulp van twee vrouwspersonen.

4.4 Na terugkeer in Suriname heeft [appellant] ten overstaan van het hoofd van de beveiligingsdienst van de SLM een verklaring afgelegd over het gebeuren op
27 december 2017. Aan [appellant] is medegedeeld dat het incident zal worden onderzocht. [appellant] is buiten functie gesteld gedurende de periode dat de SLM het incident onderzocht.

4.5 Op 17 mei 2018 is door de SLM een schrijven gestuurd naar de security medewerkers waarin aan hun wordt medegedeeld dat onder andere [appellant] per genoemde datum buiten functie is gesteld. Aan de security medewerkers wordt medegedeeld dat [appellant] met onmiddellijke ingang en tot nader order, de SLM terreinen niet mag betreden zonder toestemming van daartoe bevoegde functionarissen. Voor de goede orde is een foto van [appellant] en twee andere medewerkers in de brief opgenomen.

4.6 De SLM heeft na afronding van het onderzoek aan [appellant] medegedeeld dat uit het onderzoek zaken zijn gebleken die ertoe hebben geleid dat het vertrouwen in [appellant] ernstig is geschaad. De SLM heeft aan [appellant] medegedeeld dat er een ontslagvergunning aangevraagd zal worden.

4.7 [appellant] heeft gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld om de buitenfunctie- stelling binnen 24 uur in te trekken en hem in te roosteren op een vlucht. Voorts heeft hij gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld om het bericht van 17 mei 2018 waarin een foto van [appellant] is opgenomen in te trekken en een nieuw schrijven aan het personeel rond te sturen waarin is opgenomen dat [appellant] ten onrechte buiten functie was gesteld, beide zaken op straffe van een dwangsom. [appellant] heeft verder gevorderd dat de SLM wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant] van SRD.5.000,= zijnde de kosten voor rechtsbijstand, een schadevergoeding van USD.4.950,= en EUR.4.080,= en een vergoeding voor immateriële schade van USD.3.495,=.

4.8 [appellant] heeft als grondslag voor het gevorderde het volgende aangevoerd:
• de SLM handelt onrechtmatig jegens hem door hem vijf maanden na melding van het incident in [land] buiten functie te stellen; de zogenaamde tegenstrijdigheden die volgens de SLM tot de buitenfunctiestelling hebben geleid hadden sinds januari 2018 moeten opvallen en zij moest reeds toen maatregelen hebben getroffen indien zij daar gronden voor zag; de SLM wachtte echter vijf maanden voordat zij [appellant] buiten functie stelde;
• de buitenfunctiestelling is op onduidelijke gronden gestoeld; aan [appellant] wordt mondeling meegedeeld dat er een antecedentenonderzoek is verricht welke negatief is uitgevallen, doch hij wordt buiten functie gesteld wegens een intern onderzoek;
• de SLM stelt dat zij doende is een intern onderzoek uit te voeren doch geeft aan een ontslagvergunning te zullen aanvragen vanwege het resultaat van het antecedentenonderzoek;
• door [appellant] samen met twee andere medewerkers, die verdacht werden van misdrijven, buiten functie te stellen en in het schrijven van 17 mei 2018 te noemen, heeft de SLM doelbewust [appellant] in een kwaad daglicht gesteld; de SLM probeert [appellant] te criminaliseren zonder dat daar enige grond voor bestaat;
• de door de SLM genoemde gronden bij de ontslagvergunningsaanvraag zijn tegenstrijdig en ongegrond; hij is nimmer veroordeeld voor een misdrijf en de genoemde zaken betreffen incidenten uit zijn jeugd toen hij vijftien en zestien jaar oud was;
• het is niet juist dat de reputatie van de SLM is geschaad doordat [appellant] dames op zijn kamer heeft ontvangen; [appellant] mag zijn vrije tijd naar wens invullen; er is geen enkele regel in de CAO die stelt dat een medewerker geen derden op zijn kamer mag accommoderen; de SLM stelt dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met de regels doch stelt niet welke regels [appellant] zou hebben geschonden;
• de SLM stelt zich op het standpunt dat zij er niet van op de hoogte is dat er verdachten zijn aangehouden in [land] in verband met de beroving terwijl het politie onderzoek in [land] heeft geresulteerd in de aanhouding van vier verdachten en er ook een proforma zitting is gepland;
• [appellant], dreigt door dit handelen van de SLM zijn current status te verliezen met als gevolg dat hij niet meer kan vliegen;
• de SLM heeft zonder gronden een ontslagvergunning aangevraagd;
• [appellant] treft geen enkele blaam voor wat er in [land] is gebeurd;
• het handelen van de SLM is onrechtmatig, buitenproportioneel en laakbaar;
• [appellant] lijdt door dit handelen materiële en immateriële schade.

4.9 De SLM heeft als verweer onder andere aangevoerd dat [appellant] inderdaad melding heeft gemaakt van een voorval op 27 december 2017 in het hotel te [plaats], [land]. Vanwege de ongeloofwaardigheid van het verhaal van [appellant] met betrekking tot de vermeende roofoverval en de tegenstrijdige verklaringen in de processen-verbaal van de politie in [land] en de heer Kasijo van de veiligheidsdienst van de SLM, heeft de SLM een nader onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek bleken zaken die de SLM ertoe hebben bewogen om een antecedentenonderzoek te laten uitvoeren door de CIVD. Uit het antecedentenonderzoek bleek dat [appellant] in het verleden twee keer voor de strafrechter heeft moeten verschijnen. Na het uitgebreid onderzoek kon de SLM pas besluiten over de buitenfunctiestelling van [appellant]. Dat was in mei 2018. Het was toevallig dat in die periode ook ten aanzien van twee andere medewerkers het besluit was genomen tot buitenfunctiestelling. De SLM heeft niet moedwillig de naam van [appellant] in verband willen brengen met de twee andere medewerkers die buiten functie zijn gesteld.

4.10 De SLM heeft voorts naar voren gebracht dat [appellant] de bedrijfsregels heeft overtreden. De SLM verwijst naar de werk- en rusttijden regeling van de SLM die op [appellant] van toepassing is. [appellant] was niet in zijn vrije tijd in het hotel doch tijdens zijn rusttijd. De rusttijd is de tijd in klokuren die het bemanningslid verleend wordt teneinde voldoende uitgerust te zijn om een nieuwe vluchtdienst te kunnen aanvangen. Van vrije tijd kan slechts sprake zijn in Paramaribo, dat is de standplaats van de medewerker. Uit de bijzondere regelingen voor cabinepersoneel blijkt dat de hotelaccommodatie slechts beschikbaar is voor de werknemer. [appellant] heeft in strijd met de regels gehandeld. [appellant] heeft met het uitnodigen van de twee dames zichzelf in een situatie gebracht die riskant is. Dat blijkt uit zijn verklaring. Immers, indien hij zich aan de rusttijdenregeling had gehouden, dan hadden derden geen toegang gekregen tot zijn kamer.

4.11 De SLM heeft voorts aangevoerd dat [appellant] als medewerker van de SLM in het hotel was ondergebracht, op kosten van de SLM. Elke handeling van [appellant] werd dan ook in verband gebracht met de SLM. Aangezien het verhaal van [appellant] over de overval twijfelachtig is schaadt hij daarmee ook de goede naam van de SLM. [appellant] heeft om 03.20 uur in de nacht dames ontvangen op zijn kamer terwijl hij de volgende ochtend zou moeten vliegen. Hierdoor heeft hij de regels met betrekking tot de rust en slaap naast zich neergelegd. Hij heeft zichzelf dan ook willens en wetens in de situatie gebracht dat hij de volgende dag niet kon werken. Door het handelen van [appellant] en het feit dat uit het onderzoek blijkt dat hij in het verleden twee keer in aanraking is gekomen met de politie en dat niet heeft vermeld op zijn sollicitatie formulier, is er sprake geweest van gronden voor de buitenfunctiestelling.

4.12 Het Hof overweegt dat de vordering van [appellant] om in de gelegenheid gesteld te worden de bedongen arbeid te verrichten, beoordeeld dient te worden aan de hand van de algemene maatstaf van artikel 1614ij BW, die inhoudt dat een werkgever zich als een goed werkgever dient te gedragen (het beginsel van goed werkgeverschap). In zijn algemeenheid brengt deze maatstaf voor een dergelijke vordering met zich dat de toewijsbaarheid daarvan afhangt van de aard van de dienstbetrekking, de overeengekomen arbeid en de omstandigheden van het geval (vide ook: HR 27 mei 1983, NJ 1983, 758). Uitgangspunt daarbij is dat van een goed werkgever gevergd mag worden dat hij de werknemer tegen diens wil slechts de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten indien hij daarvoor een redelijke grond heeft en die grond voldoende zwaar weegt.

4.13 In casu betreft het de belangenafweging tussen enerzijds het belang van [appellant] om de bedongen arbeid te kunnen blijven verrichten, ook daar de maatregel van buitenfunctiestelling een diffamerend karakter heeft en [appellant] zijn current status dreigt te verliezen en anderzijds het belang van de SLM waarbij de maatregel zou mogen volgen indien de toelating van [appellant] op het werk aan de goede gang van zaken bij de SLM grote schade zou toebrengen of indien vanwege andere zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van [appellant] niet opwegen, in redelijkheid van de SLM niet gevergd kan worden dat zij [appellant] nog langer op het werk duldt.

4.14 Het Hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de overgelegde documenten wel aannemelijk is geworden dat [appellant] heeft verzwegen dat hij in het verleden twee keer met de strafrechter in aanraking is gekomen. Het feit dat dat op zijn zestiende of vijftiende was doet daar niets aan af. Het formulier is duidelijk. De vraag is of iemand in aanraking is gekomen met de justitie. Daarbij is ruimte open gelaten om dat nader te beschrijven. Daarbij zou kunnen worden vermeld dat [appellant] vrij is gesproken voor het eerste feit en voor het tweede feit, op zijn zestiende, slechts een berisping heeft ontvangen. Op die wijze had de werkgever de ruimte om zelf te overwegen of de feiten van dien aard zijn dat daar gevolgen aan verbonden had moeten worden of niet. Door de feiten te verzwijgen heeft [appellant], nu de zaken aan het licht zijn gekomen bij de werkgever, een vertrouwensbreuk veroorzaakt.

4.15 Het Hof is voorts van oordeel dat uit de overgelegde producties aannemelijk is geworden dat de bedrijfregels impliceren dat tijdens het verblijf in het hotel sprake is van rusttijd en dat uit de bepaling met betrekking tot de hotelkamer voortvloeit dat er geen handelingen gepleegd mogen worden die vraagtekens zouden kunnen doen ontstaan met betrekking tot de reputatie van de SLM en haar bemanningsleden. Immers, de regels zouden niet zodanig geinterpreteerd kunnen worden dat het toegestaan is dat de bemanningsleden regelmatig tijdens hun rusttijd in het hotel in de nachtelijke uren onbekende personen ontvangen of ten behoeve van onbekende personen andere kamers huren, met het risico, zoals thans uit de verklaringen van [appellant] zelf blijkt, dat deze personen ten behoeve van wie de kamer is gehuurd, misdrijven plegen of anderen in het hotel laten die misdrijven plegen tegen hotelgasten.

4.16 Het Hof is met de kantonrechter op grond van het voorgaande van oordeel dat de SLM aannemelijk heeft gemaakt dat door de hiervoor genoemde verzwijging en gedragingen van [appellant] een vertrouwenscrisis is ontstaan tussen partijen waardoor in redelijkheid niet van de SLM kan worden gevergd dat zij [appellant] nog langer op het werk duldt.

4.17 Het Hof overweegt dat verder uit de gedingstukken blijkt dat de kantonrechter bevoegd was kennis te nemen van de vordering en dat er geen sprake is van verkeerde toepassing van regelen van ontvankelijkheid, dan wel andere regels van openbare orde.

4.18 Op grond van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat het beroepen vonnis moet worden bevestigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

5. De beslissing in hoger beroep in kort geding
Het Hof
5.1 Bevestigt het vonnis in kort geding van 2 augustus 2018 bekend onder AR no. 182661, waarvan beroep;

5.2 Veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de SLM gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van
vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-30

6 augustus 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

HANDELSONDERNEMING SOLUTION CENTRE N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
verzoekster, hierna: ‘Solution Centre’,
gemachtigde: [naam], directeur van Solution Centre,

tegen

DE SURINAAMSE BANK N.V.,
gevestigd in Paramaribo,
verweerster, hierna: ‘DSB’,
gemachtigde: aanvankelijk mr. H.R. Schurman, thans mr. G.N. Best, advocaat,

inzake het request-civiel tegen het tussen partijen in kort geding in hoger beroep gewezen vonnis van dit Hof van 1 juni 2018 (G.R.No. 15165) tussen enerzijds verzoekster als appellante in kort geding en anderzijds verweerster als geïntimeerde in kort geding spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:
• het verzoekschrift van 23 januari 2019 met producties;
• het antwoord request-civiel met uitlating producties van 6 december 2019;
• de repliek request-civiel en uitlating producties van 15 mei 2020;
• de dupliek (lees: dupliek request-civiel) van 15 januari 2021.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het verzoek en het verweer

2.1 Bij bovengenoemd Hofvonnis (hierna: ‘het Hofvonnis’) heeft dit Hof het in die zaak door de kantonrechter in kort geding gewezen vonnis van 30 september 2016 (A.R.No. 16-3995) bevestigd, bij welk vonnis de vordering van Solution Centre tot deblokkering van een door haar bij DSB aangehouden bankrekening werd afgewezen.

2.2 Solution Centre heeft bij op 23 januari 2019 ingediende verzoekschrift een vordering tot herroeping van het Hofvonnis ingesteld. Zij heeft verzocht het Hofvonnis te herroepen en haar vordering tot deblokkering alsnog toe te wijzen, waarbij het rekeningsaldo vermeerderd wordt met de wettelijke rente.

2.3 DSB heeft verweer gevoerd met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van Solution Centre danwel ongegrondverklaring van haar verzoek.

3. Beoordeling
3.1 Het Hofvonnis is in laatste ressort gewezen. Nu Solution Centre in die zaak partij was, kan zij – mits daarvoor een wettelijke grond bestaat en mits binnen de voorgeschreven termijnen – daarvan herroeping vorderen.

3.2 Ingevolge artikel 292 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een vonnis worden herroepen om de volgende redenen:
1°. indien de beslissing berust op na de uitspraak ontdekt, in de procedure gepleegd bedrog of arglist van de wederpartij;
2°. indien de strafrechter een opgelegde eed heeft verklaard valselijk te zijn afgelegd, tenzij het geldt de beslissende eed, in artikel 1950, sub 1, van het Surinaams Burgerlijk Wetboek bedoeld;
3°. indien beslist is omtrent zaken, waarover een beslissing niet was geëist;
4°. indien meer toegewezen dan geëist werd;
5°. indien verzuimd is over een der onderdelen van de eis te beslissen;
6°. indien tussen dezelfde partijen, op dezelfde gronden en door dezelfde rechter tegenstrijdige vonnissen in het hoogste ressort zijn gewezen;
7°. indien in hetzelfde vonnis tegenstrijdige beschikkingen zijn vervat;
8°. indien gevonnist is op stukken, welke na het vonnis voor vals erkend of vals verklaard zijn;
9°. indien men na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft bekomen, welke door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

3.3 Blijkens artikel 295 Rv moet een request-civiel worden ingediend binnen drie maanden na de dagtekening van het vonnis. Echter bepaalt artikel 297 Rv in afwijking hiervan dat, indien het request-civiel is gegrond op bedrog of arglist of het ontdekken van nieuwe stukken, de termijnen slechts lopen vanaf de dag op welke het bedrog of de arglist bekend of de stukken ontdekt zijn, mits in die laatste gevallen die dag bij geschrifte kan worden bewezen.

3.4 Volgens Solution Centre is hier sprake van de in artikel 292 Rv onder 3°, 1° en 9° bedoelde gevallen. Deze grondslagen zal het Hof hierna in die volgorde bespreken.

3.5 Solution Centre stelt in de eerste plaats dat beslist is omtrent zaken, waarover een beslissing niet was geëist, zoals bedoeld in artikel 292 sub 3° Rv. Solution Centre stelt ter toelichting hierop dat de bedragen in het Hofvonnis ten onrechte de valuta-aanduiding SRD hebben, terwijl dit USD diende te zijn. Dit betreft wellicht een (kennelijke) fout in de motivering, maar geen beslissing op iets dat niet gevorderd was. Op deze grond kan van herroeping geen sprake zijn.

3.6 Bovendien is deze grond voor herroeping niet binnen de termijn van artikel 295 Rv aangevoerd: het Hofvonnis ten aanzien waarvan Solution Centre vertegenwoordigd aanwezig was bij de uitspraak is van 1 juni 2018, het verzoekschrift tot herroeping van 23 januari 2019.

3.7 Solution Centre stelt voorts dat haar na het Hofvonnis is gebleken dat DSB haar ter zake een op 12 januari 2016 gehouden executieveiling een bedrag van enkele honderdduizenden Amerikaanse dollars te veel aan veilingkosten in rekening heeft gebracht, waarmee de restschuld van Solution Centre bij DSB ten onrechte werd vergroot. Volgens Solution Centre heeft DSB daarmee frauduleus gehandeld. Het Hof kan uit de stellingen van Solution Centre echter niet opmaken in hoeverre deze veilingkosten volgens haar relevant waren in de zaak die tot het Hofvonnis heeft geleid en onderdeel hebben uitgemaakt van het in die zaak gevoerde debat. Reeds daarom kan niet worden geoordeeld dat het Hofvonnis berust op in die zaak op dit punt door DSB gepleegde bedrog als bedoeld in artikel 292 sub 1° Rv.

3.8 Bij het voorgaande komt nog dat niet is voldaan aan de door artikel 297 Rv gestelde eis dat de gestelde ontdekking van het bedrog of de arglist schriftelijk wordt bewezen. Solution Centre heeft zelfs niet gesteld op welke dag de ontdekking heeft plaatsgevonden. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat het verzoek tijdig is gedaan (vergelijk de uitspraak van dit Hof van 18 mei 2018, GR-15186, SRU-HvJ-2018-6). Ook om die reden kan het verzoek om herroeping wegens bedrog of arglist niet slagen.

3.9 Dit laatste geldt ook voor het beroep van Solution Centre op het achterhouden van beslissende stukken als bedoeld in artikel 292 sub 9° Rv: ook hier ontbreken schriftelijk bewijs en concrete stellingen met betrekking tot de datum van de ontdekking en kan gelet daarop niet geoordeeld worden het verzoek tot herroeping tijdig is gedaan.

3.10 Afgezien hiervan, zou ook deze laatste aangevoerde grond voor het herroepingsverzoek om inhoudelijke redenen niet kunnen slagen. Solution Centre verwijt DSB dat zij haar niet heeft voorzien van een bankafschrift waaruit de veilingkosten en de restschuld blijken. Dat Solution Centre een stuk in handen heeft gekregen als bedoeld in artikel 292 sub 9° Rv is niet gebleken, laat staan een stuk van beslissende aard voor de procedure dat tot het Hofvonnis heeft geleid.

3.11 Op grond van het voorgaande zal het verzoek van Solution Centre tot herroeping worden afgewezen. Hetzelfde lot treft haar overige vorderingen, die immers van het welslagen van de herroeping uitgaan.

3.12 De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking. Dat geldt, mede gelet op het inhoudelijke oordeel dat (ten overvloede) is gegeven over de aangevoerde gronden, ook voor Solution Centre’s opmerkingen over de datum van het opmaken van het Hofvonnis en de late ontvangst daarvan. Ten aanzien van de aanvullende stellingen van Solution Centre bij conclusie van repliek geldt bovendien dat artikel 300 Rv in de weg staat aan het aanvoeren van andere middelen dan vermeld in het verzoekschrift.

3.13 Solution Centre zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4. Beslissing in request-civiel

Het Hof:

wijst het verzoek tot herroeping af;

veroordeelt Solution Centre in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DSB begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, fungerend president, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de fungerend president bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 6 augustus 2021, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier,
mr. S.C. Berenstein BSc.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door [naam], gemachtigde van verzoekster en verweerster vertegenwoordigd door advocaat mr. P. Karg namens advocaat mr. G.N. Best, gemachtigde van verweerster, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

SRU-HvJ-2021-29

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R. no. 15591
3 december 2021

In de zaak van

[appellant],
wonende aan de [adres] te [Plaats],
appellant,
hierna te noemen “[appellant]”,
gemachtigde: mr. K. Bhoendie, advocaat,

tegen

N.V. SAAGAR’S CAR PALACE,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Kwattaweg no. 407 te Paramaribo,
geïntimeerde,
hierna te noemen: “de NV”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 12 juni 2018 bekend onder AR no. 130218 tussen [appellant] als eiser in conventie en gedaagde in reconventie en de NV als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– de verklaring van de griffier der kantongerechten waaruit blijkt dat [appellant] op 22 juni 2018 hoger beroep heeft ingesteld;
– de pleitnota gedateerd 4 april 2019;
– de antwoordpleitnota gedateerd 7 juni 2019;
– de repliekpleitnota gedateerd 19 juli 2019;
– de dupliekpleitnota gedateerd 17 juli 2020.
1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
2.1 Het beroepen vonnis is gedateerd 12 juni 2018.
2.2 [appellant] heeft op 22 juni 2018 appèl aangetekend.
2.3 De NV heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid als verweer aangevoerd dat [appellant] tardief is in het aanvoeren van grieven. De memorie van grieven had ingediend moeten worden binnen de voor het hoger beroep gestelde termijn van dertig dagen na de uitspraak.
2.4 Het Hof overweegt met betrekking tot dit verweer dat het in de rechtspraktijk reeds lang wordt toegestaan dat in de pleitnota grieven worden opgenomen. De geïntimeerde krijgt daarbij de gelegenheid om op de grieven te reageren. Het Hof overweegt dat het gebruik in de rechtspraktijk is ontstaan omdat na de uitspraak partijen vaak niet tijdig over een afschrift van het vonnis konden beschikken. Hierdoor was het niet mogelijk binnen de wettelijk vastgestelde termijn grieven tegen het beroepen vonnis te formuleren en een memorie van grieven in te dienen. Dat was een tekortkoming die niet kon worden afgewenteld op een appellerende partij.
Alhoewel het wettelijk grievenstelsel daardoor in de praktijk enigszins is uitgebreid, zal gezien het gebruik dat de afgelopen jaren is ontstaan, aan dat verweerpunt van de NV voorbij gegaan moeten worden.
2.5 Het Hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat [appellant] ontvankelijk is in het ingesteld hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
[appellant] vordert in hoger beroep:
vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 12 juni 2018 in de zaak bekend onder arno. 130218 in conventie en in reconventie en
opnieuw rechtdoende:
dat de vordering in conventie als gegrond en bewezen alsnog zal worden toegewezen en de vordering in reconventie als te zijn ongegrond en niet bewezen alsnog zal worden afgewezen.

4. De feiten
4.1 [appellant] heeft op 9 oktober 2012 met de NV een huurkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot een voertuig van het merk Toyota Ipsum, bouwjaar 2004, voor de koopprijs van USD.10.950,=. [appellant] heeft een aanbetaling gedaan van USD.7.500,=, latende een saldo van USD.3.450,=. Een deel van de aanbetaling is voldaan middels het inruilen van het oude voertuig van [appellant], welk oude voertuig voor het bedrag van USD.2.500,= is ingeruild. Het saldo van de koopsom diende binnen zes maanden te worden voldaan tegen de in de overeenkomst genoemde rente. De eerste aflossing is op 1 november 2012 voldaan.

4.2 Op 9 oktober 2012 is tevens door [appellant] een schuldbekentenis ondertekend voor het restant bedrag van USD.3.864,=, zijnde het saldo vermeerderd met de overeengekomen rente van 2% per maand, in welke schuldbekentenis het betalingsschema en de overige betalingscondities zijn opgenomen.

4.3 In oktober 2012 is het voertuig door de NV teruggenomen in verband met door [appellant] gemelde problemen, waarna het voertuig na enige tijd weer aan [appellant] is afgestaan.

4.4 Rond 16 november 2012 heeft [appellant] het voertuig aan een reparateur, handelende onder de naam Steve Automechanic, afgestaan voor een reparatie voor welke reparatie [appellant] het bedrag van SRD.5.556,= heeft betaald.

4.5 Bij schrijven van 6 december 2012, afkomstig van de gemachtigde van [appellant] en gericht aan de NV, heeft [appellant] aan de NV medegedeeld dat er gebreken zijn geconstateerd aan het voertuig en dat de communicatie omtrent de gebreken niet goed is verlopen. In het schrijven sommeert [appellant] de NV om hem het restant van de koopsom kwijt te schelden en de schade die [appellant] heeft geleden te betalen.

5. De beoordeling
5.1 Het Hof overweegt dat [appellant] in conventie primair vernietiging c.q. nietigverklaring van de huurkoopovereenkomst vorderde en vorderde dat de NV werd veroordeeld om het voertuig terug te nemen tegen teruggave van het betaalde voorschot. Voorts vorderde [appellant] dat de NV werd veroordeeld om de reparatiekosten ad. SRD.5.556,= aan [appellant] te vergoeden, alles onder verbeurte van een dwangsom. Subsidiair werd gevorderd dat de NV werd veroordeeld om onmiddellijk aan [appellant] te betalen het bedrag groot SRD.5.556,= en het restant van de koopsom ad. USD.3.864,= kwijt te schelden en voorts de NV te veroordelen in de proceskosten en de kosten van de advocaat zijnde SRD.3.000,=.

5.2 In reconventie werd door de NV gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om aan haar te betalen het bedrag van USD.3.220,= vermeerderd met de boeterente van 2.5% per maand met ingang van 1 december 2012, voorts dat het [appellant] wordt verboden om de NV te bekladden door middel van negatieve publiciteit in de media op straffe van een dwangsom en [appellant] te veroordelen in de kosten van het geding ten bedrage van SRD.4.000,=.

5.3 De kantonrechter heeft in conventie de NV veroordeeld tot betaling van het bedrag van SRD.5.560,=. Het overig gevorderde is afgewezen.

5.4 De kantonrechter heeft in reconventie [appellant] veroordeeld om aan de NV te betalen het bedrag van USD.3.220,= vermeerderd met de boeterente. Ook is het [appellant] verboden om de NV negatief in de publiciteit te brengen op straffe van een dwangsom. Voorts is [appellant] veroordeeld om de kosten van het geding ad.SRD.4000,= aan de NV te betalen.

5.5.1 [appellant] heeft in zijn pleitnota zes grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

Grief I : ten onrechte heeft de kantonrechter onder punt 3.1 van het bestreden vonnis bij de beoordeling gesteld dat [appellant] verklaard zou hebben dat hij eraan twijfelt of de NV kon hebben geweten dat het om een schadevoertuig gaat. Dit is pertinent niet waar en bezijdens de waarheid, immers heeft [appellant] vanaf de aanschaf van het voertuig gebreken aan het voertuig geconstateerd en het voertuig teruggebracht bij de NV om de gebreken op te heffen.

Grief II: ten onrechte heeft de kantonrechter bij de beoordeling onder punt 3.2 gesteld dat, gezien het lange tijdsverloop, het benoemen van een deskundige, na gehouden comparitie door [appellant] verzocht, overbodig zou zijn, omdat de deskundige niet in staat zou zijn een onderscheid te maken tussen vermeende schade aan het voertuig ten tijde van de aankoop en de eventueel later aangebrachte schade. Door een benoeming van een deskundige zou de waarheid aan het licht komen aan de hand van het reeds aanwezige bewijsmateriaal welke door [appellant] als bewijs is aangedragen. [appellant] heeft het rapport van AXA bemiddelingsbureau van Weerden d.d. 9 oktober 2012 met een tiental foto’s in het geding gebracht. De NV heeft geen enkel bewijs aangedragen dan slechts blote mededelingen dat er geen schade auto aan [appellant] is geleverd en dat er een verbod bestaat om uit Japan schade auto’s te importeren. De kantonrechter is niet deskundig en heeft niet objectief geoordeeld. De afwijzing van het verzoek tot benoeming van een deskundige is verder niet voldoende gemotiveerd.

Grief III: ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 3.3 van het vonnis overwogen dat de NV de stelling van [appellant], dat in casu sprake is van een schadevoertuig, gemotiveerd heeft weersproken. Niets is minder waar. De NV heeft slechts een blote mededeling gedaan terwijl [appellant] zijn stelling heeft onderbouwd met een deskundigenrapport en met documenten waaruit blijkt dat hij reparaties heeft moeten plegen aan het voertuig.
De overwegingen van de kantonrechter zijn bovendien tegenstrijdig omdat zij heeft overwogen dat, al zou komen vast te staan dat het een schadevoertuig betreft, niet aan de wettelijke vereisten voor dwaling wordt voldaan terwijl de kantonrechter de NV wel veroordeelt tot betaling van de reparatiekosten. De kantonrechter is voorts voorbij gegaan aan het feit dat [appellant] tijdens de comparitie van partijen foto’s van de schade heeft getoond op welke foto’s de NV geen enkele reactie heeft gegeven .

Grief IV: ten onrechte is de kantonrechter voorbij gegaan aan de beoordeling van de kortgedingrechter die heeft overwogen dat de NV de zorgplicht had om een in A1 conditie verkerende auto aan [appellant] te verkopen en geen schade auto.

Grief V: ten onrechte heeft de kantonrechter in punt 3.4 van het bestreden vonnis geoordeeld dat is komen vast te staan dat het litigieuze voertuig enkele gebreken vertoonde en dat de gebreken deels door de NV zijn opgelost en deels door een derde. Het is niet juist dat de NV de gebreken heeft opgelost of reparaties aan het voertuig heeft gepleegd.

Grief VI: ten onrechte heeft de kantonrechter in reconventie beslist tot veroordeling van [appellant] tot betaling van het bedrag van USD.3.220,= vermeerderd met de rente van 2.5% per maand met ingang van 1 december 2012, en beslist tot het verbieden van [appellant] om de NV negatief in de publiciteit te brengen. [appellant] heeft in zijn pleitnota hieromtrent onder andere aangegeven dat de veroordeling onder 4.3 met zich meebrengt dat hij in totaal voor het voertuig zal hebben betaald het bedrag van USD.17.240,50, namelijk de aanbetaling ad. USD.8.144,= vermeerderd met de te betalen restantkoopsom met rente, hetgeen neerkomt op USD.9.096,50. Dat zou neerkomen op bijna twee maal de koopsom, hetgeen door hem als onrechtvaardig wordt ervaren. Gezien het voorgaande had de kantonrechter niet tot de beslissing kunnen komen.

5.5.2 De NV heeft in haar antwoordpleitnota gereageerd op de grieven waarin zij het volgende heeft aangevoerd: 1. dat de kortgedingrechter in de zaak bekend onder arno. 125059 [appellant] bij vonnis van 10 april 2014 in reconventie reeds heeft veroordeeld tot betaling van de saldo koopsom; indien [appellant] daaraan had voldaan zou de rente niet zijn opgelopen; de veroordeling in de kortgedingzaak is gelijkluidend aan de veroordeling in de bodemzaak; 2. dat hetgeen de kortgedingrechter over de schade auto heeft overwogen is weg komen te vallen door de verklaring van [appellant] tijdens de comparitie van partijen op 14 oktober 2016 in de bodemzaak; [appellant] heeft toen verklaard dat hij eraan twijfelt dat de NV had kunnen weten dat het om een schadevoertuig gaat; hiermee heeft [appellant] erkend dat de NV niet weet en evenmin behoorde te weten dat er sprake was van een schadevoertuig en de NV geen enkel verwijt kon worden gemaakt; 3. dat de NV ontkent dat zij een schade voertuig aan [appellant] heeft verkocht; [appellant] verzuimt ook om op te geven wat de kenmerken zijn op grond waarvan een voertuig kan worden gekwalificeerd als een schade-voertuig; 4. dat uit het overgelegde rapport niet blijkt dat het een schadevoertuig betreft; ook wordt door de NV ernstig getwijfeld aan de objectiviteit van het rapport omdat de taxateur uitsluitend door [appellant] is aangetrokken; 5. dat [appellant] mankementen heeft aangegeven en daarmee naar de reparateur Steve Automechanic is geweest die het voertuig heeft hersteld; hierna heeft [appellant] het voertuig gehouden en is ermee blijven rijden omdat het voertuig in goede conditie verkeerde; [appellant] rijdt reeds zeven jaar in het voertuig zonder zich te houden aan de aflossingsverplichtingen; 6. dat de gebreken aan het onderstel en de starter door de NV zijn hersteld.

De beoordeling van grief I:
5.6.1 Het Hof overweegt dat [appellant] als grondslag voor de gevorderde vernietiging van de huurkoopovereenkomst heeft aangevoerd dat de NV essentiële informatie heeft verzwegen en [appellant] daardoor heeft misleid. De grondslag is derhalve dwaling ex artikel 1343 lid 1 BW. De essentiële informatie die de NV zou hebben verzwegen, welke verzwijging tot misleiding heeft geleid is de informatie dat het voertuig een schadevoertuig betreft. Uit de gedingstukken blijkt dat met een schadevoertuig door beide partijen wordt bedoeld een voertuig dat in het land van herkomst beschadigd is geraakt, daarna in het land van herkomst is gerepareerd en daarna door een importeur van tweedehandsvoertuigen wordt geïmporteerd om te worden verkocht. [appellant] voert in zijn grondslag aan dat de NV heeft verzwegen dat van een dergelijk voertuig sprake is, terwijl de NV daar wel van op de hoogte was.

5.6.2 Het Hof overweegt dat in het proces-verbaal van de comparitie van partijen van vrijdag 14 oktober 2016 door [appellant] alsvolgt is verklaard:
“Ik heb een auto gekocht bij gedaagde. Ik ging ervan uit dat ik een goede tweedehandsauto heb gekocht, maar achteraf blijkt dat ik een schade auto heb gekocht. Het rapport waarin dat staat dateert van 12 oktober 2012. De auto is op 9 oktober 2012 aangeschaft. Ik heb wel een testdrive gedaan voordat ik het voertuig heb aangeschaft. Dat was op 3 oktober 2012 en heb ik hun een week gegeven om de mankementen van de auto in orde te maken. …….Het voertuig is een schadevoertuig dat met schade is ingevoerd. Het is dan in Japan gerepareerd en ik twijfel eraan dat Saagar’s het had kunnen weten dat het om een schadevoertuig gaat. Nadat ik het voertuig gekocht heb en de mankementen heb doorgegeven, hebben zij mij naar Pari’s service gestuurd voor een onderstel check up. Daar heeft men niets gezien. Ik ben ergens anders geweest en naar mijn inzien is het een schade auto ……”

5.6.3 Het Hof overweegt dat uit het hiervoor genoemd proces-verbaal blijkt dat [appellant] wel heeft verklaard dat hij eraan twijfelt dat de NV had kunnen weten dat het om een schadevoertuig gaat. Om die reden is het niet onbegrijpelijk dat de kantonrechter dat in haar vonnis in 3.1 overweegt. Het Hof zal daarom voorbij gaan aan de eerste grief.

De beoordeling van grief II:
5.7.1 Het Hof overweegt dat, gelijk [appellant] stelt, in beginsel niet door de kantonrechter zou kunnen worden geoordeeld of een deskundige al dan niet in staat zal zijn om te onderzoeken of er sprake is van een schadevoertuig. Dat zou de kantonrechter aan de deskundige moeten overlaten. Tot zover is de grief dan ook gegrond. Echter heeft ook de NV gelijk wanneer deze stelt dat het standpunt van [appellant], dat hij eraan twijfelt dat de NV had kunnen weten dat het een schadevoertuig betreft, ertoe leidt dat de grondslag, dat er essentiële informatie is verzwegen, wegvalt. Immers, indien de NV niet op de hoogte is van het feit dat een voertuig een schadevoertuig is, kan de NV die informatie ook niet doorgeven. Op grond van het voorgaande is het niet onbegrijpelijk dat de kantonrechter uiteindelijk ervoor heeft gekozen geen deskundige te benoemen. Ook aan die grief gaat het Hof daarom voorbij.

De beoordeling van grief III
5.8.1 Het Hof overweegt dat met verwijzing naar de overwegingen bij de grieven I en II, voorbij gegaan zal worden aan de grieven met betrekking tot het feit dat het voertuig een schadevoertuig is nu ervan uitgegaan wordt dat de NV daar niet van op de hoogte was.

5.8.2 [appellant] heeft in de grief voorts aangevoerd dat de overwegingen van de kantonrechter tegenstrijdig zijn omdat zij heeft overwogen dat, al zou komen vast te staan dat het een schadevoertuig betreft, niet aan de wettelijke vereisten voor dwaling wordt voldaan terwijl de kantonrechter de NV wel veroordeelt tot betaling van de reparatiekosten.

5.8.3 Het Hof overweegt dat in overweging 3.4 van het beroepen vonnis door de kantonrechter wordt overwogen dat de reparatiekosten zijn toegewezen omdat de NV zich tijdens de comparitie van partijen bereid heeft verklaard de reparatiekosten te vergoeden. Van tegenstrijdigheid is derhalve geen sprake. Het Hof gaat daarom ook voorbij aan dat onderdeel van het gestelde in grief III.

De beoordeling van grief IV
5.9 Het Hof overweegt met betrekking tot de vierde grief dat die grief ook betrekking heeft op de stelling van [appellant] dat het voertuig een schadevoertuig is. Verwijzend naar de beoordeling van de grieven I, II en III zal ook aan deze grief voorbij gegaan worden.

De beoordeling van grief V
5.10 Het Hof overweegt dat, nu de NV is veroordeeld tot het vergoeden van de kosten die door [appellant] zijn gemaakt voor de reparatie, het niet meer relevant is of de NV wel of geen reparaties aan het voertuig heeft gepleegd. Om die reden zal het Hof ook voorbij gaan aan de vijfde grief.

De beoordeling van grief VI
5.11.1 Het Hof overweegt dat de grondslag die de NV in reconventie heeft aangevoerd wanprestatie betreft. De NV voert aan dat [appellant] weigert om aan zijn betalingsverplichtingen jegens de NV te voldoen. Ten tweede betreft de grondslag onrechtmatig handelen, en wel het feit dat [appellant] schade toebrengt aan de eer en goede naam van de NV door publiekelijk de NV uit te maken voor oplichter via radioprogramma’s en krantenberichten.

5.11.2 In reconventie heeft [appellant] in eerste aanleg als verweer aangevoerd dat hij inderdaad de saldokoopsom nog verschuldigd is doch dat de NV haar verplichtingen niet is nagekomen waardoor hij op grond van de exceptio non adimpleti contractus de betaling zou mogen uitstellen totdat de bodemrechter heeft beslist over de vraag of de NV haar verplichtingen is nagekomen. Voorts heeft [appellant] aangegeven dat hij wel via de radio, tv en krantenberichten kenbaar heeft gemaakt hoe de NV heeft gehandeld, echter betwist hij dat hij hen voor oplichters heeft uitgemaakt. De NV heeft ook niet aangetoond op welke wijze zij schade hebben geleden door de berichten.

5.11.3 Het Hof oordeelt met betrekking tot de in reconventie gevorderde rectificatie dat uit de stellingen en weren niet komt vast te staan dat [appellant] jegens de NV onrechtmatig heeft gehandeld. Immers, [appellant] betwist dat hij de leiding van de NV voor oplichter heeft uitgemaakt. De NV heeft verder de stelling niet onderbouwd met documenten waaruit de uitlatingen blijken. In de antwoordpleitnota heeft de NV niet gereageerd op het feit dat [appellant] in de zesde grief aanvoert dat de in punt 4.4 genomen beslissing, dat betreft het verbod om de NV negatief in de publiciteit te brengen, ten onrechte is genomen. Nu de NV hierop niet heeft gereageerd en de NV verder de stelling niet had onderbouwd, moet dat deel van grief VI als gegrond worden aangemerkt en zal dat deel van de reconventionele vordering worden afgewezen.

5.11.4 Het Hof oordeelt met betrekking tot de in punt 4.3 opgenomen veroordeling dat vast is komen te staan dat het voertuig na de reparatie, steeds bij [appellant] in gebruik is geweest. Het Hof is dan ook van oordeel dat [appellant] gehouden is de restant koopsom te voldoen.

5.11.5 Het Hof overweegt voorts dat [appellant] in zijn pleitnota heeft aangevoerd dat hij door het verloop van de tijd tijdens de rechtszaak en de koersontwikkeling in een nadelige positie is komen te verkeren door de veroordeling om de restant koopsom te voldoen.

5.11.6 Het Hof overweegt dat naar haar oordeel de overeengekomen rente van 2.5% per maand als excessief moet worden aangemerkt. Die rente zal worden gemitigeerd naar 6% per jaar, hetgeen redelijk wordt geoordeeld. Het Hof acht het voorts redelijk en billijk de te betalen reparatiekosten in verband te brengen met de nog te betalen saldokoopsom waarbij rekening gehouden zal worden met de ontwaarding van de Surinaamse dollar waardoor zoveel als mogelijk de zaak op een redelijke en billijke wijze zal worden verrekend. Het bedrag dat door de NV aan [appellant] betaald zou moeten worden voor de reparatiekosten bedraagt SRD.5.556,= hetgeen op grond van de in november 2012 geldende koers van de Centrale Bank van Suriname, namelijk SRD. 3.35 voor USD. 1,=, neerkomt op USD.1.658,=. Dit bedrag zal worden afgetrokken van de nog te betalen saldokoopsom namelijk USD.3.220,= waardoor het bedrag dat nog moet worden voldaan als saldo neerkomt op USD.1.562,=, vermeerderd met de rente van 6% per jaar vanaf 1 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Hierdoor zal de vordering in conventie worden afgewezen, immers, hiermee zullen de reparatiekosten die in eerste aanleg waren toegewezen, zijn verrekend met de nog te betalen koopsom.

5.12 Het Hof zal de kosten van dit geding, nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, compenseren tussen partijen in dier voege dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing
Het Hof
In conventie
6.1 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton gedateerd 12 juni 2018 in de zaak bekend onder arno. 130218, waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

6.2 Wijst af het gevorderde;

In reconventie
6.3 Vernietigt het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton gedateerd 12 juni 2018 in de zaak bekend onder arno. 130218, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

6.4 Veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de NV te betalen de som van USD.1.562,= (eenduizend vijfhonderd twee en zestig Noord-Amerikaanse dollar), vermeerderd met de boeterente ad. 6% per jaar, ingaande 1 december 2012, tot aan de algehele voldoening;

6.5 Wijst af het meer of anders gevorderde;

In coventie en reconventie
6.6 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris,
Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellant vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Bhoendie, gemachtigde van appellant en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van geïntimeerde, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

 

 

 

 

 

SRU-HvJ-2021-28

15 oktober 2021

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

STICHTING SOLUTION REAL ESTATE, hierna: ‘Solution Real Estate’,
gevestigd in Paramaribo,
appellante in kort geding,
gemachtigde: [naam], voorzitter van appellante,

tegen

1. FORDISTO VASTGOED N.V., hierna: ‘Fordisto’,
2. [geïntimeerde sub 2 ], hierna: ‘[geïntimeerde sub 2]’,
3. SATRAM, ShantieDebie, hierna: ‘de deurwaarder’,
gevestigd respectievelijk wonend in Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
gemachtigde van geïntimeerden sub 1 en 2: mr. D.C. Lala, advocaat,
gemachtigde van geïntimeerde sub 3: mr. M.A. Gout, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 19 juli 2018 bekend onder A.R. 18-0421 tussen Solution Real Estate als eiseres en Fordisto, [geïntimeerde sub 2] en de deurwaarder als gedaagden,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Procesverloop in hoger beroep

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken c.q. proceshandelingen:

• de verklaring van de griffier d.d. 29 augustus 2018 waaruit blijkt dat Solution Real Estate hoger beroep heeft ingesteld;
• de memorie van grieven van 29 augustus 2018;
• de pleitnota van Solution Real Estate van 17 mei 2019;
• de antwoordpleitnota van Fordisto en [geïntimeerde sub 2] (aangeduid als ‘memorie van antwoord’) van 21 juni 2019;
• de antwoordpleitnota van de deurwaarder van 19 juli 2019;
• de repliek pleitnota van Solution Real Estate van 18 oktober 2019;
• de dupliek pleitnota van Fordisto en [geïntimeerde sub 2] (aangeduid als ‘memorie van dupliek’) van 15 november 2019;
• de dupliek pleitnota van de deurwaarder van 15 november 2019.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Uit de aantekening van de griffier aan de voet van het vonnis waarvan beroep blijkt dat Solution Real Estate noch in persoon noch bij gemachtigde bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen. Het vonnis van de kantonrechter is bij griffiersbrief gedateerd 15 augustus 2018 aan Solution Real Estate meegedeeld. Solution Real Estate heeft op 29 augustus 2018 bij schriftelijke verklaring hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Solution Real Estate daarin kan worden ontvangen.

3. Feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

a. Op 12 januari 2016 heeft de hypothecaire veiling plaatsgevonden van het aan Solution Real Estate toebehorend recht van erfpacht op het perceelland groot 735m2 gelegen aan de [adres] te [Plaats], hierna: ‘het perceelland’.

b. Het hoogste bod op de veiling (bij afmijning) is gedaan door [geïntimeerde sub 2] . Het perceelland is vervolgens toegewezen aan Fordisto. Fordisto is op 12 februari 2016 als verkrijger van het perceelland geregistreerd.

c. Bij deurwaardersexploot van deurwaarder bij het Hof van Justitie Satram, S. van 19 augustus 2017, No. 160, is op verzoek van Fordisto aan (onder meer) Solution Real Estate bevel gedaan het perceelland te ontruimen, met de aanzegging dat bij niet-voldoening aan dat bevel de ontruiming door de deurwaarder zelf zou worden bewerkstelligd, desnoods met behulp van de sterke arm. Dit bevel is herhaald bij exploot No. 220.

d. Op 3 november 2017 is de deurwaarder in opdracht van Fordisto tot ontruiming van het perceelland overgegaan. Daarbij zijn de in het gebouw aangetroffen roerende zaken, buitengezet.

4. Het geding in eerste aanleg

4.1 In eerste aanleg heeft Solution Real Estate gevorderd om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:
a) de deurwaardersexploten no. 160 en no. 220 en de getuigenverklaring te schorsen c.q op te schorten in hun werking;
b) het gelasten van de afgifte van de aangegeven in bezit hebbende kopie authentieke notariële akte van kwijting verleden door notaris mr. J.G. Kemp op 28 januari 2016, zie exploit no. 160 d.d. 19 augustus 2017;
c) gedaagden sub A en B te gebieden geen daden van beschikking te verrichten m.b.t. het onroerend goed tot in bodemprocedure over de nietigheid van de exploten is beslist;
e) gedaagden te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van SRD 100.000,- voor iedere dag, uur en minuut dat zij niet aan hetgeen bovenvermeld is gevorderd mochten meewerken;
f) gedaagden te veroordelen om tegen behoorlijke kwijting aan eiseres te voldoen het bedrag van SRD 9.788,-, zijnde het honorarium aan de rechtsgeleerde, vermeerderd met omzetbelasting en kantoorkosten;
g) gedaagden te veroordelen in kosten van het geding;
h) gedaagden aansprakelijk te stellen voor de geleden schade, de schadeclaim te betalen o.b.v. wanprestatie en onrechtmatige daad ex artikel SBW 1386, ex art. Rv 64 en begroot op USD 181.675,66;
i) gedaagden te veroordelen bij wijze van voorschot te betalen 25% van de schadeclaim ad USD 181.675,66;
j) gedaagden te gebieden geen handelingen tijdens het proces te verrichten totdat in de bodemprocedure over de nietigheid is beslist;

Subsidiair:
a) gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan eiseres te voldoen het bedrag van SRD 9.400,-, zijnde het honorarium van de rechtsgeleerde;
b) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding;
c gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting bij wege van voorschot aan eiseres te voldoen 25% van de schadeclaim ad USD 181.675,66;
d) gedaagden sub A en B te gebieden geen daden van beschikking te verrichten tot in bodemprocedure de nietigheid van de exploiten is beslist.

4.2 Solution Real Estate heeft aan die vorderingen ten grondslag gelegd dat de deurwaardersexploten tal van gebreken vertoonden en dat de ontruiming zonder geldige titel geschiedde en onrechtmatig was. Zij stelt daardoor schade te hebben geleden.

4.3 Bij het bestreden vonnis van 19 juli 2018 heeft de kantonrechter de vordering van Solution Real Estate afgewezen, met haar veroordeling in de (op nihil begrote) kosten van het geding.

4.4 De kantonrechter overwoog daartoe onder meer het volgende:

‘4.2 (…)De kantonrechter constateert dat de ontruiming van eiseres uit het pand reeds bij de indiening van de onderhavige vordering een feit was en stopzetting daarvan niet meer mogelijk is. Overigens heeft eiseres in een eerder proces in de zaak bekend onder A.R. No. 173723 gepoogd de ontruiming te voorkomen, welke vordering door de kantonrechter is geweigerd. Nu de ontruiming reeds een feit is, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van onverwijlde spoed oftewel spoedeisend belang.
Of de ontruiming al dan niet onrechtmatig is geschied, zal in bodemprocedure vastgesteld moeten worden. Dit, omdat de ontruiming reeds een feit is en voor eiseres als enige optie nog openblijft het vorderen van een vergoeding van de schade die hij als gevolg van de vermeende onrechtmatige ontruiming mogelijk zou hebben geleden. Echter, zal eiseres deze vordering tot schadevergoeding ook in bodemprocedure dienen in te stellen en niet bij de kantonrechter in kortgeding, omdat een dergelijke vordering niet vatbaar is om in kortgeding genoegzaam te worden toegelicht.
4.3 Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, zal eiseres naar de gewone wijze van rechtspleging worden verwezen, hetgeen betekent dat de door eiseres gevraagde voorzieningen geweigerd zullen worden. Nu reeds op grond van het ontbreken van onverwijlde spoed, de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd, behoeven de stellingen van eiseres en de weren van gedaagden op deze stellingen geen bespreking, omdat deze tot geen enkel ander uitkomst in de onderhavige zaak in kortgeding zullen leiden.’

5. De beoordeling in hoger beroep

5.1 Solution Real Estate vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, met toewijzing van het door haar oorspronkelijk gevorderde. Fordisto, [geïntimeerde sub 2] en de deurwaarder hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

5.2 Het hoger beroep kan niet slagen. Het Hof neemt de hiervoor opgenomen overwegingen van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne.

5.3In aanvulling op de overwegingen van de kantonrechter overweegt het Hof nog het volgende.

5.4De door Solution Real Estate primair onder a) gevorderde schorsing c.q. opschorting van de ontruimingsexploten, wat daar verder van zij, kan geen effect sorteren. De ontruiming heeft immers al voor het instellen van deze vordering plaatsgehad. Het belang bij deze vordering ontbreekt dan ook.

5.5 De primair onder b) gevorderde afgifte van een kopie van de daar bedoelde akte van kwijting is evenmin toewijsbaar, nu het belang van Solution Real Estate daarbij in dit kort geding onvoldoende is gebleken. Het betreft immers een kwijting die zou zijn verleend door DSB als executant aan Fordisto als verkrijger. Op basis van hetgeen in dit kort geding is aangevoerd kan niet worden aangenomen dat deze akte of de inhoud daarvan relevant is voor de rechtspositie van Solution Real Estate.

5.6 Het primair onder c) en subsidiair onder d) gevorderde gebod niet over het perceelland te beschikken totdat in de bodemprocedure over de nietigheid van de ontruimingsexploten is beslist, stuit af op het feit dat de ontruimingsexploten niets kunnen afdoen aan het gegeven dat Fordisto voorafgaand aan en na de ontruiming als veilingkoper de rechthebbende was met betrekking tot het perceelland. Het Hof verwijst in dit verband naar de uitspraak die vandaag door het Hof is gedaan in de door Solution Real Estate tegen Fordisto aanhangig gemaakte bodemzaak met nummer A.R. 16-2371 – GR-15658, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij dat bodemvonnis is geoordeeld dat er geen gronden zijn te oordelen dat de verkrijging op 12 februari 2016 door Fordisto van het perceelland niet rechtsgeldig was. Als rechthebbende mag Fordisto over het perceelland beschikken, ongeacht de door Solution Real Estate gestelde (vorm)fouten bij de ontruiming.

5.7 De primaire vordering onder h) komt neer op een verklaring voor recht dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de door Solution Real Estate gestelde schade. Declaratoire beslissingen kunnen in kort geding niet worden gegeven.

5.8 De primaire vordering onder i) en de subsidiaire vordering onder c) lenen zich niet voor kort geding. Fordisto, [geïntimeerde sub 2] en de deurwaarder hebben niet alleen de door Solution Real Estate gestelde onrechtmatigheid van de ontruiming gemotiveerd betwist, maar ook de door Solution Real Estate opgevoerde schade. Voor toewijzing van een spoedeisende geldvordering in kort geding is slechts plaats als aangenomen moet worden dat die vordering in een bodemprocedure zal slagen. Dat is hier alleen al gelet op de gemotiveerde betwisting van de gestelde schade en van het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatigheden en de gestelde schade, niet het geval. Voor nader onderzoek naar de feiten, bijvoorbeeld door het horen van getuigen, leent de kortgeding procedure zich niet.

5.9 De primaire vordering onder j) is te onbepaald en stuit voorts af op hetgeen hiervoor onder 5.6 van dit vonnis is overwogen.

5.10 De overige vorderingen van Solution Real Estate (dwangsom, kosten rechtsbijstand, proceskosten) zijn gelet op hetgeen hiervoor is overwogen evenmin toewijsbaar.

5.11 Het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. Solution Real Estate zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in hoger beroep worden verwezen.

6. Beslissing in hoger beroep

Het Hof:

6.1 bevestigt het vonnis waarvan beroep;

6.2 veroordeelt Solution Real Estate in de kosten van het kort geding in hoger beroep aan de zijde van Fordisto, [geïntimeerde sub 2] en de deurwaarder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 15 oktober 2021, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier,
mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M.A. Gout, gemachtigde van geïntimeerde sub 3, terwijl appellante niet wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde.

 

SRU-HvJ-2021-27

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
Beschikking ex artikel 20 lid 5 Handelsregisterwet

In de zaak van:

DE VLIEGENDE EEND B.V., rechtspersoon,
kantoorhoudende in het district Wanica,
verzoekster,
gemachtigden: mr. E. Naarendorp en mr. M.T.M. Watchman, advocaten,

tegen

DE KAMER VAN KOOPHANDEL EN FABRIEKEN, rechtspersoon,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat.

1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en proceshandelingen:
• het beroepschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 6 november 2018 inzake G.R. no. 15555;
• het proces-verbaal van het verhoor van partijen d.d. 20 maart 2019;
• de conclusie tot overlegging van bescheiden ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 29 maart 2019 van de zijde van verweerder;
• de conclusie tot uitlating met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie van de zijde van verzoekster.

1.2 Vervolgens is bepaald dat beschikking zal volgen in de zaak.

2. Ontvankelijkheid
Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat verzoekster daarin kan worden ontvangen.

3. De feiten
3.1 Verzoekster is een buitenlandse rechtspersoon wiens filiaal per 31 maart 2009 in
het Handelsregister is ingeschreven onder dossiernummer 50289.

3.2 Verzoekster heeft de naam “Dommelsche Watermolen” op 25 april 2018 als
handelsnaam van één van haar ondernemingen doen inschrijven in het
Handelsregister. Eerder was in het Handelsregister de naam “Dommelsche
Watermolen Suriname N.V.” als handelsnaam van de gelijknamige naamloze
vennootschap ingeschreven.

3.3 De secretaris van verweerder heeft bij schrijven d.d. 30 juli 2018 het verzoek
gedaan aan de Handelsregistercommissie om de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” door te halen.
Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Handelsregistercommissie op 08 oktober 2018 de volgende beslissing genomen:
“Beslissing
Oordeelt het verzoek van de secretaris gegrond en beveelt onmiddellijke doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 uit het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister.”

4. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
4.1 Verzoekster vordert vernietiging van het besluit d.d. 8 oktober 2018 van de Handelsregistercommissie en opnieuw rechtdoende het verzoek van gedaagde af te wijzen en de ongedaanmaking van de doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 danwel het opnieuw doen inschrijven van de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” te gelasten in het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

4.2 Verzoekster stelt dat het besluit van de Handelsregistercommissie d.d. 8 oktober 2018 onrechtmatig is. De Handelsregistercommissie heeft miskend dat er aan alle drie voorwaarden van artikel 5 van de Handelsnaamwet moest zijn voldaan aleer er sprake is van overtreding daarvan en dientengevolge sprake is van strijd met de openbare orde.
De Handelsregistercommissie heeft slechts op basis van gelijkenis tussen de namen “Dommelsche Watermolen” en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” aangenomen dat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 5 Handelsnaamwet en de openbare orde. Daarnaast is de naam “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” geen handelsnaam en is niet gevoerd conform artikel 5 van de Handelsnaamwet. Zij heeft voor en na haar inschrijving in het handelsregister geen beschermingswaardige bekendheid onder het publiek verkregen. Daarnaast is “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” inactief en heeft zij geen vestigingsplaats.
Ook verschillen de aard van de ondernemingen. Verzoekster importeert grondstoffen voor het maken van dierenvoer terwijl “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” onder meer als doelstelling heeft import van diervoer en niet de grondstoffen daarvan.

4.3 Verweerder heeft verweer gevoerd. Het Hof komt, zover nodig, daarop terug in de beoordeling.

5. De beoordeling
5.1 Ingevolge van het bepaalde in artikel 5 van de Handelsnaamwet is het verboden een handelsnaam te voeren die, voordat de zaak onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide zaken en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die zaken te duchten is.

5.2 Vast staat dat verzoekster bij verweerder ter inschrijving heeft aangeboden de naam “Dommelsche Watermolen” als te zijn één van haar handelsnamen die zij wenst te voeren terwijl eerder in het Handelsregister ook de naam “Dommelsche
Watermolen Suriname N.V.” was ingeschreven.
Deze twee voormelde namen te weten “Dommelsche Watermolen” en “Dommelsche
Watermolen Suriname N.V.” wijken naar het oordeel van het Hof slechts in geringe mate af van elkaar.
Daarnaast wijken ook de doelstellingen van voormelde handelsnamen, naar het oordeel van Hof, in geringe mate van elkaar af. Immers de “Dommelsche Watermolen” heeft tot doel import van grondstoffen voor het maken van dierenvoer terwijl “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” onder meer als doelstelling heeft import van diervoer.

5.3 Het Hof gaat voorbij aan de stelling van verzoekster dat “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” inactief is nu uit artikel 5 van de Handelsnaamwet niet blijkt dat dat artikel slechts van toepassing is op “actieve” handelsnamen.
Het Hof gaat eveneens voorbij aan de stelling van verzoekster dat “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” geen vestigingsplaats heeft. Met de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, gaat het Hof ervan uit dat zowel “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” als “Dommelsche Watermolen” gevestigd zijn in Suriname.

5.4 Bij nadere conclusie heeft verzoekster nader gesteld dat zij en “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” twee verschillende rechtspersonen zijn met twee verschillende handelsnamen. Het Hof erkent het voorgaande. Evenwel staat rechtens tussen partijen vast dat één van de ondernemingen van verzoekster ook de handelsnaam “Dommelsche Watermolen” draagt. Deze naam, zoals eerder overwogen onder 5.2 van de beoordeling, wijkt echter in geringe mate af van “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.”, zodat in verband met de aard der beide zaken en de plaats waar zij gevestigd zijn, het gevaar voor verwarring bij het publiek niet irreëel is.

5.5 Nu er sprake is van minimale verschillen in de namen van “Dommelsche Watermolen Suriname N.V.” en “Dommelsche Watermolen”, terwijl ook de doelstellingen in geringe mate afwijken van elkaar, alsook dat de vestigingsplaatsen hetzelfde zijn, is het Hof van oordeel dat dit kan leiden tot verwarring bij het publiek.
Het besluit van de Handelsregistercommissie tot onmiddellijke doorhaling van de opgaaf d.d. 25 april 2018 uit het dossier 50289 van de Vliegende Eend B.V. in het Handelsregister is derhalve niet onrechtmatig en dient het onderhavige verzoek te worden afgewezen.

5.6 Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.7 Verzoekster zal, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten moeten dragen.

6. BESCHIKKENDE:
Het Hof:
6.1 Wijst af het verzoek van verzoekster.

6.2 Veroordeelt verzoekster in de proceskosten aan de zijde van verweerder gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gegeven door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en uitgesproken door de fungerend-president voornoemd, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 5 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. M.T.M. Watchman, mede namens mr. E. Naarendorp, gemachtigde van verzoekster, terwijl verweerder noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-26

A.C. G.R. no. 14942

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
16 juli 2021

in de zaak van

[appellant],
wonende te [plaats 1],
appellant, hierna aangeduid als [appellant],
gemachtigde: mr. B.A. Halfhide, advocaat,

tegen

[geïntimeerde],
wonende te [plaats 1],
geïntimeerde, hierna aangeduid als [geïntimeerde],
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de Kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 09 november 2010 bekend in het Algemeen Register onder no. 09-2416 tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.
In deze zaak is er reeds eerder door het Hof een tussenvonnis gewezen en uitgesproken op 04 mei 2018.

1. Het verdere procesverloop in hoger beroep
1.1 Dit blijkt uit de volgende proceshandelingen:
• het op 28 juni 2018 gehouden getuigenverhoor, zijnde daarvan door de griffier proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt;
• de op 15 februari 2019 door [appellant] genomen conclusie tot overlegging schriftelijk bewijs met bijbehorende producties;
• de op 05 april 2019 door [geïntimeerde] genomen conclusie tot uitlating omtrent schriftelijk bewijs;
• 1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was hierna aanvankelijk bepaald op 02 augustus 2019 doch nader op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil
2.1. Het Hof neemt over en volhardt bij al hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.2. Bij voormeld tussenvonnis d.d. 04 mei 2018 werd [appellant] opgedragen te bewijzen “ feit en/of omstandigheden waaruit blijkt dat niet [geïntimeerde] maar de vader van partijen de koopsom voor het recht van grondhuur op het perceelland, gelegen in het district [district] aan de [straatnaam] te [plaats 2], bekend als no. [nummer 1] (Kad. C 2241 no.[nummer 2]) uit diens vermogen heeft opgebracht en aan de verkoper [naam 1] heeft betaald.”

2.3. Ter gelegenheid van de ter uitvoering van voormeld vonnis gehouden enquête d.d. 28 juni 2018 heeft [appellant] 1 (èèn) getuige doen horen, te weten [naam 2] die onder meer – voor zover van belang – het navolgende heeft verklaard:” Ik ben bekend geweest met de vader van de partijen, nu wijlen. Ik kende hem als meneer [naam 3] aangezien hij bij mijn weten leerkracht van beroep was. Ik was indertijd een valutahandelaar. Ik was de enige valutahandelaar te [ressort] en omstreken. … De vader van de partijen kwam bijna elke dag in de winkel en hij wisselde wel eens Nederlandse guldens bij mij in tegen Surinaamse guldens…… Ik kan mij wel heugen dat er indertijd gelden vanuit [land 1] werden overgemaakt ten behoeve van meneer [naam 3] (vader van partijen). Deze gelden werden overgemaakt door ene [naam 4] uit [land 1] waarvan ik de initialen niet meer ken. Ik keerde dan de tegenwaarde in Surinaams courant uit aan de ontvanger in [land 2], in deze de heer [naam 3] voornoemd. Thans schiet het mij te binnen dat kennelijk in het jaar 1991 een bedrag van NF.1.000,- was gestort in [land 1] ten behoeve van meneer [naam 3]. Ik meen mij te heugen dat in het jaar 1991/1992 een bedrag van NF 10.000,- was gestort in [land 1] ten behoeve van meneer [naam 3] door ene [naam 4] waarvan ik de initialen niet ken…. Mr. Mangroelal houdt mij voor dat mevrouw [geïntimeerde] heeft aangegeven dat zij door tussenkomst van ene meneer [naam 5] in [gemeente] in [land 1] geld heeft overgemaakt voor haar vader in [land 2] en stelt aan mij de vraag wat ik daarop te zeggen heb. Ik antwoord daarop dat ik inderdaad een samenwerkingsverband had met ene [naam 5] in [gemeente] in [land 1] maar dat ik omtrent eventuele overmakingen van mevrouw [geïntimeerde] geen stukken ben tegen gekomen in mijn administratie. Voornoemde [naam 5] had ook een samenwerkingsverband met een broer van hem in [land 2] en indien die broer die gelden in [land 2] zou uitbetalen aan de vader van partijen dan heb ik daarop geen zicht.”

2.4. Voorts heeft de gemachtigde van [appellant] schriftelijke stukken in het geding gebracht ter staving van het probandum, welke documenten in het hierna volgende aan een bespreking zullen worden onderworpen. [appellant] heeft als schriftelijk bewijs in het geding gebracht een tweetal kwitanties voor een totaal bedrag van SF. 155.000,= afkomstig van [naam 1], waaruit volgens [appellant] zou moeten blijken dat niet [geïntimeerde] maar de vader van partijen [naam 3] de koopsom voor het litigieus recht van grondhuur uit diens vermogen heeft opgebracht en aan de verkoper, [naam 1] heeft betaald.

2.5. In de visie van het Hof blijkt uit de verklaring van de getuige [naam 2] niet dat de vader van partijen de koopsom voor de aankoop van het litigieus recht van grondhuur uit zijn eigen vermogen zou hebben betaald. Integendeel geeft de getuige aan dat hij niets daaromtrent wist en pas naderhand na het overlijden van de vader van partijen daarvan heeft vernomen. Tevens geeft de getuige aan dat ene [naam 4] wel gelden uit [land 1] overmaakte ten behoeve van de vader van partijen, maar dat hij zich de initialen van de verzender niet meer voor de geest kan halen en dat evenmin uit zijn administratie heeft kunnen traceren. Ten aanzien van het schriftelijk bewijs dat [appellant] in het geding heeft gebracht komt het Hof tot de slotsom dat op de kwitanties is aangegeven dat de vader van partijen de daarin vermelde bedragen aan de verkoper [naam 1] heeft betaald. Het voorgaande is buiten kijf en twisten partijen niet daarover. Evenwel blijkt uit voormelde kwitanties niet de herkomst van de daarin opgenomen bedragen, weshalve deze kwitanties niet kunnen bijdragen tot het bewijs van het probandum.

2.6. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd leidt in de visie van het Hof tot de slotsom dat [appellant] er niet in is geslaagd het bewijs van het probandum in rechte bij te brengen. De consequentie daarvan is dat het Hof het er in dit geding voor zal houden dat [geïntimeerde] de koopsom voor het litigieus recht van grondhuur in het district [district] uit eigen beurs ter hand heeft gesteld aan haar vader, [naam 3], teneinde daarmede de koopsom voor het litigieus recht van grondhuur te voldoen. De daartoe strekkende grondslag van de vordering van [geïntimeerde] is derhalve in rechte komen vast te staan. In het verlengde van deze vaststelling is in rechte derhalve eveneens komen vast te staan dat [appellant] conform de afspraak tussen zijn ouders en [geïntimeerde] het litigieus recht van grondhuur heeft overgedragen gekregen, met de bedoeling dat dat te zijner tijd aan [geïntimeerde] of aan een door haar op te richten stichting zou worden geleverd.

2.7. Het Hof zal ingaan op de grief van [appellant] dat betreft – kort gezegd – de vraag wat de rechtstitel tot overdracht is. In de visie van het Hof is de Kantonrechter daar voldoende duidelijk over geweest onder 4.4. van het beroepen vonnis waarin is overwogen – kort gezegd – dat het betreft een verbintenis die uit de wet voortvloeit. Voorts heeft de Kantonrechter onder 4.5. en 4.6. van het beroepen vonnis ambtshalve de rechtsgronden benoemd en aangevuld voor de onderhavige vordering zonder de feitelijke gronden aan te vullen, hetgeen ingevolge het bepaalde in art. 52 WvBRv rechtens geoorloofd is. De consequentie van het voorgaande is dat de daartoe strekkende grief zal worden verworpen.

2.8. Eveneens zal het Hof ingaan op de grief van [appellant] dat –zakelijk weergegeven- er op neer komt dat hij het recht van grondhuur niet kan overdragen zolang de Minister van ROGB daartoe geen toestemming heeft gegeven en hij derhalve niet kan voldoen aan het beroepen vonnis. Dit verweer faalt en treft geen doel daar [appellant] in het beroepen vonnis is veroordeeld om mee te werken aan de juridische levering van het litigieus recht van grondhuur en niet is veroordeeld om het litigieus recht van grondhuur aan [geïntimeerde] of een door haar aan te wijzen stichting over te dragen.

2.9. De grief dat ertoe strekt dat niet alleen [geïntimeerde] maar ook [naam 6] de onderhavige vordering mede diende in te stellen, haalt het evenmin in rechte. Inderdaad heeft de verkoper [naam 1] op 28 november 1988 last en volmacht gegeven aan de heer [naam 6] en [geïntimeerde] met betrekking tot het litigieus recht van grondhuur. Evenwel maakt voormeld gegeven alleen de heer [naam 6] niet tot medegerechtigde met betrekking tot het litigieus recht van grondhuur. Al hetgeen [appellant] dienaangaande heeft aangevoerd is derhalve gedoemd te stranden weshalve het Hof daaraan zal voorbij gaan.

2.10. Het beroepen vonnis zal gelet op al het voorgaande worden bevestigd en [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten.

2.11. Bespreking van de overige grieven en weren van partijen zal het Hof achterwege laten nu die niet tot een andersluidend oordeel aanleiding zullen geven.

3. De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

3.1. Bevestigt het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton de dato 09 november 2010, bekend in het Algemeen Register onder no. 09-2416, waarvan beroep;

3.2. Veroordeelt [appellant] in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. D.G.W. Karamat Ali, leden, en

w.g. Charan

door mr. D.D. Sewratan, fungerend-president bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 16 juli 2021 in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein BSc., fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. A.A.N. Codrington namens advocaat mr. B.A. Halfhide, gemachtigde van appellant terwijl geïntimeerde noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-25

GRNo. 14730

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

[appellante],
wonende te [plaats],
appellante,
verder te noemen: [appellante],
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,

tegen

a. [geïntimeerde sub a], wonende te [dorp], [land],
b. [geïntimeerde sub b], wonende te [gemeente]-[woonwijk], [land],
c. [geïntimeerde sub c], wonende te [plaats],
d. [geïntimeerde sub d], wonende te [gemeente], [land],
e. [geïntimeerde sub e], wonende te [plaats],
f. [geïntimeerde sub f], wonende te [plaats],
g. [geïntimeerde sub g], wonende te [plaats],
handelende voor zichzelf en als gemachtigde van de hiervoor onder a t/m f genoemde personen,
niet verschenen,

en

h. [geïntimeerde sub h], wonende in het [district],
verder te noemen [geïntimeerde sub h],
gemachtigde: mr. M.I. Vos, advocaat,

geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen ge-wezen en uitgesproken vonnis van 13 juli 2010 (A.R. No. 07-0859) tussen [appellante] als eiseres en geïntimeerden als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het tussenvonnis van het Hof van 4 mei 2018, waarbij aan appellante een bewijsopdracht is verstrekt;
• het proces-verbaal van enquête van 12 juli 2018;
• de conclusie na enquête van [appellante] van 15 februari 2019;
• de conclusie na enquête van [geïntimeerde sub h] van 5 april 2019.
De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

1. Bij het tussenvonnis van 4 mei 2018 is aan [appellante] opgedragen te bewijzen dat [geïnti-meerde sub h] aan hun vader [naam] (hierna: [naam]) een volmacht heeft gegeven om het aan partijen bekende perceelland tegen een prijs van Sf. 5.000,- aan [appellante] te verkopen en dat [naam] deze last heeft uitgevoerd.

2. [appellante] heeft daarop haar en [geïntimeerde sub h] zusters [geïntimeerde sub g] (hierna: [geïntimeerde sub g]) en [geïntimeerde sub c] (hierna: [geïntimeerde sub c]) (beiden tevens geïn-timeerden) als getuigen laten horen. In haar conclusie na enquête heeft [appellante] geconclu-deerd dat [naam] inderdaad aan [geïntimeerde sub h] last en volmacht heeft verstrekt om het perceelland in kwestie aan haar te verkopen. [geïntimeerde sub h] heeft bij zijn conclusie na en-quête ten eerste gesteld dat [geïntimeerde sub g] en [geïntimeerde sub c] rechtens ongeschikt zijn om als getuigen op te treden, omdat in deze procedure zelf procespartij zijn. Voorts heeft [geïn-timeerde sub h] geconcludeerd dat [appellante] niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.

3. Het Hof overweegt het volgende.

3.1 Het standpunt van [geïntimeerde sub h] dat [geïntimeerde sub g] en [geïntimeerde sub c], als partijen in deze procedure, ongeschikt zijn om als getuigen op te treden, berust niet op het recht. Het Hof verwerpt dit standpunt dan ook. Wel kunnen personen die bloedverwanten in de twee-de graad van een van de partijen zijn, zich van het afleggen van getuigenis verschonen. [geïnti-meerde sub g] en [geïntimeerde sub c] hebben echter uitdrukkelijk verklaard dat zij van dit ver-schoningsrecht afzien.

3.2 Vraag is of [appellante] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Daarbij is van belang, niet alleen of [geïntimeerde sub h] aan [naam] een volmacht tot verkoop heeft verstrekt, maar ook of [naam] deze volmacht heeft uitgevoerd.

3.3 Hierover heeft [geïntimeerde sub g], voor zover van belang, als volgt verklaard:
“Mijn vader had een volmacht van mijn broertje [geïntimeerde sub h] om te verkopen en te doen wat hij ermee wilde. Natuurlijk moest dat eerst met toestemming van [geïntimeerde sub h] […] [Ik] hoorde mijn vader een paar keer tegen [geïntimeerde sub h] zeggen: […] ‘[geïntimeerde sub h] waarom zet je dat perceel niet op naam van [appellante]. Mijn belofte moet je niet verbreken.’ Mijn vader heeft mij vaker gezegd: ‘ja ik heb een volmacht en ik mag stukjes van het perceel ver-kopen.’
[…] Ik heb die volmacht niet gezien. Maar mijn vader bleef zeggen dat hij een volmacht had. Ik weet dat hij niet zou jokken, want hij is een voorbeeldige figuur geweest. Op uw vraag waarom mijn vader niet gebruik heeft gemaakt van die volmacht om het perceel over te dragen, antwoord ik u dat hij aan [geïntimeerde sub h] bleef vragen wanneer [geïntimeerde sub h] zou overdragen. [geïntimeerde sub h] hield dat op de lange baan. […] Ik weet niet waarom mijn vader naar de notaris is geweest om de overdracht zelf te bewerkstelligen. Ik weet niet of die volmacht wel of niet bestond. ”

3.4 [geïntimeerde sub c] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:
“Mijn vader had een volmacht van [geïntimeerde sub h] om over alles te handelen met betrekking tot het verkopen van dit perceel. […] Die volmacht hield in dat zaken mocht doen. Hij mocht met die volmacht het perceel verkopen. […] Ik hoorde mijn vader en [geïntimeerde sub h] soms ook daarover praten wanneer ik bij vader was. […] Ik begrijp niet waarom het perceel niet op naam van [appellante] is gekomen. Volgens mij is [geïntimeerde sub h] later van mening veranderd. […] Op uw vraag waarom mijn vader toch niet de overdracht zelf heeft bewerkstelligd, antwoord ik u dat ik dan niet precies weet. […] Ik heb die volmacht niet gezien. Wanneer hij zei dat hij een volmacht had dan geloofde ik hem wel. […] Ik heb mijn vader vaker naar de notaris gebracht om de kwestie met betrekking tot de overdracht van dit perceel te regelen, misschien meer dan vijf keren, maar soms waren de medewerkers er niet en keerden wij dan naar huis terug. Geen van de keren heeft hij mij gezegd dat het in orde was. Hij zei wel dat het in orde zou komen. […] Ik weet niet waarom [geïntimeerde sub h] niet naar de notaris ging om zelf het perceel over te dragen aan [appellante]. Ik weet niet waarom er een volmacht daarvoor nodig was. Mijn vader heeft mij ver-teld dat hij met gebruikmaking van een volmacht dat perceel in kwestie aan [appellante] heeft verkocht. […] De hoogte van het bedrag weet ik niet.”

3.5 Aan deze verklaringen dient te worden toegevoegd dat het dossier een stuk getiteld “Koop-overeenkomst” bevat. Daarin staat, voor zover van belang:
“De ondergetekenden: [naam], […] als gevolmachtigde van […] [geïntimeerde sub h], […] blij-kende van gemelde lastgeving uit een onderhandse akte van volmacht de tiende februari negen-tienhonderd acht en tachtig getekend te Paramaribo, […] ter ener zijde en mevrouw [appellante] […] ter anderer zijde […]”
Voorts wordt in dit stuk, dat op 23 februari 1988 is gedateerd, maar niet is ondertekend, gerela-teerd dat [naam] het litigieuze recht van erfpacht voor Sf. 5.000,- aan [appellante] heeft verkocht.

3.6 De onderhavige procedure beoogt de medewerking van alle erfgenamen van de in 1995 over-leden [naam] aan de overdracht van het perceel, nu het hiervoor onder 3.5. genoemde stuk ge-naamd “Koopovereenkomst” de volgens [appellante] daaraan ten grondslag liggende titel is. [ge-intimeerde’s sub h] standpunt is dat het perceel in 1980 aan hem is verkocht en dat hij nooit aan [naam] een volmacht heeft verstrekt om het aan [appellante] te verkopen. Hij wijst erop dat de “Koopovereenkomst” niet is ondertekend en dat ook geen overdracht heeft plaatsgevonden.

3.7 Uit hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof af dat [geïntimeerde sub h] aan [naam] een volmacht heeft verstrekt om het litigieuze perceel voor Sf. 5.000,- aan [appellante] te verkopen. In het stuk genaamd “Koopovereenkomst”, dat kennelijk op het kantoor van Jadnanansing is opgemaakt, staat dat de notaris de volmacht daartoe van 10 februari 1988 heeft gezien (en heeft teruggegeven). Daarnaast verklaren [geïntimeerde sub g] en [geïntimeerde sub c] beiden dat [ge-intimeerde h] aan hun vader [naam] een volmacht tot die verkoop heeft verstrekt. Weliswaar hebben zij de volmacht nooit gezien, maar volgens hun verklaring heeft hun vader hun wel meermalen laten weten dat hij daarover beschikte. Mede gelet op de inhoud van het stuk ge-naamd “Koopovereenkomst” acht het Hof hun uitlatingen wat dat betreft geloofwaardig. [appel-lante] is dan ook in het eerste deel van het haar opgedragen bewijs geslaagd.

3.8 [appellante] is evenwel niet erin geslaagd te bewijzen dat [naam] aan de hem door [geïnti-meerde sub h] verstrekte volmacht uitvoering heeft gegeven. Gelet op de verklaringen van [geïn-timeerde sub g] en [geïntimeerde sub c] en de inhoud van het stuk genaamd “Koopovereen-komst” is hij wel bij de notaris geweest. Maar de volmacht is niet uitgevoerd, nu niet is gebleken dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen en deze vervolgens in een overdracht van het litigieuze perceel heeft geresulteerd.

3.9 Dit brengt mee dat [appellante] vordering tegen [geïntimeerde sub h] dient te worden afge-wezen en dat de kantonrechter haar terecht in haar vorderingen tegen de andere geïntimeerden niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu niet is gebleken dat zij in het perceel medegerechtigd waren of zijn.

3.10 Het vonnis van de kantonrechter zal dan ook, zij het op andere gronden, worden bevestigd, met veroordeling van appellante in de proceskosten, omdat zij voor het grootste deel in het onge-lijk is gesteld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 13 juli 2010 (A.R. No. 07-0859).

veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. R.G. Chatterpal en mr. M.V. Kuldip Singh, Leden en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 19 november 20021, in tegenwoordigheid van mr. M. Behari, Fungerend-Griffier.

w.g. M. Behari w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. S. Doelam namens advocaat mr. M.I. Vos, gemachtigde van geïntimeerden, terwijl appellante noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2021-24

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

G.R.no. 14670
03 december 2021
In de zaak van

A. N.V. NIEUWE HOUTONDERNEMING ANSOE, gevestigd en kantoorhoudende in het district [district],
B. [appellant B],
C. [appellant C],
D. [appellant D],
E. [appellant E],
F. [appellant F],
G. [appellant G],
H. [appellant H], allen erfgenamen van [naam 1] en [naam 2 ] en domicilie gekozen hebbend te [plaats],
appellanten in kort geding,
hierna te noemen: “de NV en [appellanten B tot en met H]”,
gemachtigde: mr. K. Baldew, advocaat,

tegen

A. [geïntimeerde A], wonende te [plaats],
B. DE STICHTING VIVAM, gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
C. DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, met name het Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, kantoorhoudende te Paramaribo,
geïntimeerden in kort geding,
hierna te noemen: “[geïntimeerde A], de Stichting en de Staat”,
gemachtigde voor geïntimeerde A: mr. E.K. Chotkanoe, advocaat,
gemachtigde voor geïntimeerden B en C: mr. J. Kraag, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton in kort geding uitgesproken vonnis van 6 mei 2010 in de zaak bekend onder AR no. 094565 tussen de NV en [appellanten B tot en met H] als eisers en [geïntimeerde A], de Stichting en de Staat als gedaagden in kort geding,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
• de verklaring van de griffier van de griffie der kantongerechten waaruit blijkt dat de NV en [appellanten B tot en met H] op 19 mei 2010 hoger beroep hebben ingesteld;
• de pleitnota gedateerd 17 februari 2012, met producties;
• de antwoordpleitnota zijdens [geïntimeerde A] gedateerd 18 mei 2012, met producties,
• de antwoordpleitnota zijdens de Stichting gedateerd 20 april 2012, met productie,
• de antwoordpleitnota zijdens de Staat, gedateerd 20 april 2012, met productie,
• de repliekpleitnota jegens [geïntimeerde A] gedateerd 1 juni 2012, met producties,
• de repliekpleitnota jegens de Stichting gedateerd 1 juni 2012, met producties,
• de repliekpleitnota jegens de Staat, gedateerd 1 juni 2012,
• de dupliekpleitnota zijdens de Stichting en de Staat, gedateerd 6 juli 2012,
• de dupliekpleitnota zijdens [geïntimeerde A] gedateerd 5 oktober 2012.
1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het beroepen vonnis is gedateerd 6 mei 2010. De NV en [appellanten B tot en met H] hebben op 19 mei 2010 appèl aangetekend. Door de NV en [appellanten B tot en met H] is derhalve tijdig hoger beroep aangetekend. Zij zijn dan ook ontvankelijk in hun hoger beroep.

3. De vordering in hoger beroep
De NV en [appellanten B tot en met H] vorderen in hoger beroep:
vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gedateerd 6 mei 2010 in de zaak bekend onder arno. 094565, en opnieuw rechtdoende de vordering alsnog toe te wijzen als zijnde gegrond en bewezen.

4. De feiten
4.1 De erflater van [appellanten B tot en met H], de heer [naam 1], heeft aan de Staat bij verzoekschrift van 27 mei 1964 het verzoek gedaan aan hem in erfpacht af te staan een perceelland groot 1200 vierkante meter. Op dat verzoek is bij beschikking van 30 augustus 1978 aan de erflater in erfpacht uitgegeven het ten rekeste vermeld perceelland groot 816,98 vierkante meter.

4.2 De erflater heeft voorts aan de Staat bij verzoekschrift van 9 juni 1989 het verzoek gedaan aan hem in grondhuur af te staan een perceelland groot 1000 vierkante meter, zulks ter uitbreiding van het reeds aan hem uitgegeven perceelland. Bij beschikking van 28 februari 1995 verkreeg hij het recht van grondhuur op een perceelland groot 826,08 vierkante meter.

4.3 Bij beschikking van 17 juni 2000 is door de Staat aan [geïntimeerde A] in grondhuur verstrekt het perceelland groot 1.049 vierkante meter.

4.4 Bij beschikking van 16 januari 2005 is door de Staat aan de Stichting in grondhuur uitgegeven het perceelland groot 1.117,83 vierkante meter.

5. De beoordeling
5.1 De NV en [appellanten B tot en met H] hebben in hun pleitnota vier grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter:

De beoordeling van de grieven I, II en III:
5.2.1 De NV en [appellanten B tot en met H] hebben in de grieven I, II en III aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de NV en [appellanten B tot en met H] geen spoedeisend belang hadden omdat zij voor de indiening van de vordering een jaar en vier maanden op de hoogte waren van het feit dat de percelen aan [geïntimeerde A] en de Stichting in grondhuur waren uitgegeven. Geïntimeerden hebben allen aangevoerd dat deze beoordeling juist is.

5.2.2. Het Hof overweegt dat, gelijk de NV en [appellanten B tot en met H] aanvoeren in hun grief, die beoordeling van de kantonrechter niet juist is en niet voldoende gemotiveerd, immers, het feit dat een partij reeds een jaar en vier maanden op de hoogte is van de uitgifte van een perceelland brengt nog niet met zich mee dat er zich geen omstandigheden kunnen voordoen die op het moment van de indiening van de vordering een spoedeisend belang met zich meebrengen. Zo zou er sprake kunnen zijn van omstandigheden waardoor ineens met spoed moet worden geoordeeld over de juistheid van de uitgifte. Daar heeft de kantonrechter geen uitsluitsel over gegeven.

5.2.3 Het Hof overweegt dat door de NV en [appellanten B tot en met H] in hun inleidend rekest onder de punten 12 en 13 is aangevoerd dat zij “onlangs hebben vernomen dat [geïntimeerde A] en de Stichting doende zijn de percelen te verkopen”. Deze omstandigheid kan worden aangemerkt als een omstandigheid die er toe leidt dat er een spoedeisend belang ontstaat bij het vorderen van een voorziening bij voorraad.

5.2.4 Het Hof overweegt dat op grond van het voorgaande de kantonrechter de vordering wel had moeten beoordelen, dan wel in elk geval had moeten onderzoeken of er daadwerkelijk sprake was van het voornemen om de onroerende goederen te verkopen. Dat heeft de kantonrechter niet gedaan waardoor de grief gegrond is.

5.2.5 Het Hof zal naar aanleiding van het voorgaande de vordering beoordelen.

5.2.6 De NV en [appellanten B tot en met H] vorderen dat de werking van de beschikkingen betreffende de verlening van het grondhuurrecht aan [geïntimeerde A] en de Stichting wordt geschorst totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid van de betreffende beschikkingen.
Zij hebben als grondslag voor het gevorderde aangevoerd dat de erflater van [appellanten B tot en met H] eigenlijk een groter perceel had aangevraagd doch steeds minder kreeg toegewezen dan hij heeft aangevraagd. Zij voeren aan dat de uitgifte van de percelen in grondhuur aan [geïntimeerde A] en de Stichting in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en wel om de volgende redenen. De erflater heeft in 1966 van de familie [naam 3] de beterschap van een huurperceel groot 1600 vierkante meter gekocht en heeft daarvan 1200 vierkante meter in cultuur gebracht. Hij heeft dat gedeelte in erfpacht aangevraagd. De Staat heeft pas na veertien jaar een deel van het aangevraagde perceel in erfpacht aan de erflater uitgegeven. Hierdoor heeft de Staat onrechtmatig gehandeld, immers, er was geen enkele reden om zo lang te wachten met het uitgeven van het perceel dat door de erflater werd bewerkt en er was ook geen reden om een kleiner perceel aan hem uit te geven. Hierna heeft de erflater nog een gedeelte in erfpacht verkregen, echter was dat ook een veel kleiner deel dan hij had aangevraagd en in cultuur had gebracht. Ook deze uitgifte was om die reden in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hierna is een deel van de gronden in die omgeving aan [geïntimeerde A] en de Stichting in grondhuur uitgegeven, waardoor de NV en [appellanten B tot en met H] opnieuw zijn benadeeld, immers, het was de erflater die de grond in cultuur heeft gebracht. De NV en [appellanten B tot en met H] hebben voorts als grondslag aangevoerd dat zij zich primair op verjaring beroepen ex artikel 26 van de Wet Uitgifte Domeingrond jo. artikel 1979 BW waarbij zij door verjaring het recht van grondhuur hebben verkregen.

5.2.7 [geïntimeerde A] en de Stichting hebben als verweer aangevoerd dat de uitgifte van de grond aan [geïntimeerde A] en de Stichting niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. [geïntimeerde A] en de Stichting voeren aan dat zij de grond conform de procedures hebben aangevraagd en in grondhuur verkregen. Zij betwisten dat er sprake is geweest van strijdigheid met de beginselen van behoorlijk bestuur. Ook voeren zij als verweer aan dat het recht van grondhuur niet door verjaring verkregen kan worden. [geïntimeerde A] heeft voorts aangevoerd dat hij jaren op het perceel woonachtig was en terecht na de aanvraag het perceel in grondhuur heeft verkregen. De procedure is conform de wet verlopen en als bewoner van het perceel maakte hij er aanspraak op om het perceel in grondhuur toegewezen te krijgen. [geïntimeerde A] en de Stichting hebben verder ontkend dat zij doende zijn de percelen te verkopen.

5.2.8 De NV en [appellanten B tot en met H] bespreken bij repliek de wijze waarop in 1996 aan de vrouw van [geïntimeerde A] toestemming is verleend om op het perceel te verblijven. Daarbij verwijzen zij naar enkele brieven waaruit volgens hen valt af te leiden dat er sprake is van corruptie en dat het onverklaarbaar is dat in 2000 de beschikking is getekend door een minister. Zij verwijzen voorts naar de verdwijning van het dossier van de erflater in 1996 waaruit eveneens blijkt dat er sprake is geweest van corruptie. Tenslotte beroepen zij erop dat de Stichting helemaal geen affiniteit zou hebben met de grond. Om die reden is het volgens de NV en [appellanten B tot en met H] ook duidelijk dat er sprake is van willekeur en machtsmisbruik. Volgens de NV en [appellanten B tot en met H] lijden zij door corruptie praktijken schade.

5.2.9 Nu de stellingen van de NV en [appellanten B tot en met H] gemotiveerde worden betwist zal diepgaand onderzoek noodzakelijk zij, welk onderzoek niet in de onderhavige kortgedingprocedure kan plaatsvinden gezien de aard van het kort geding. Immers, er zullen waarschijnlijk getuigen gehoord moeten worden die kunnen verklaren hoe de behandeling heeft plaatsgevonden van het verzoek van de erflater van 1964 en hoe de Staat is gekomen tot de uitgifte in 1978 en later in 2000 en 2005. De vordering zal op grond van het voorgaande dienen te worden geweigerd.

De beoordeling van grief IV
5.3.1 De NV en [appellanten B tot en met H] hebben in hun vierde grief aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de zaak te complex is om in kort geding te worden behandeld. De kantonrechter heeft deze overweging niet voldoende gemotiveerd.

5.3.2 Het Hof overweegt dat, zoals hierboven onder 5.2.9 reeds is aangegeven, inderdaad diepgaand onderzoek noodzakelijk is alvorens het gevorderde te kunnen beoordelen. Het oordeel van de kantonrechter is dan ook niet onbegrijpelijk. De NV en [appellanten B tot en met H] hebben in hun grief wel terecht gesteld dat de overweging gemotiveerd zou moeten worden, hetgeen de kantonrechter heeft nagelaten. Het Hof heeft dit hersteld in overweging 5.2.9.

5.4 Het Hof is van oordeel dat, alhoewel de grieven met betrekking tot de motivering gegrond waren, het Hof tot dezelfde beslissing komt als de kantonrechter, waardoor het beroepen vonnis zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden.

5.5 Bij brieven gedateerd 11 februari 2021 respectievelijk 5 augustus 2021 hebben de NV en [appellanten B tot en met H] het verzoek gedaan dat het Hof kennis neemt van de gevoegde zaken bekend onder AR-nummers 082769, 083122 en 094549. Dit ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen. Het verzoek van de NV en [appellanten B tot en met H] zal worden geweigerd nu niet is gesteld dat voormelde zaken ook bij het Hof in behandeling zan als de onderhavige. Naar het het Hof voorkomt – gelet op de opgegeven AR-nummers – zijn de voormelde zaken in behandeling bij de kantonrechter in eerste aanleg.

5.6 Het Hof vindt bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig.

5.7 De NV en [appellanten B tot en met H], zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. De beslissing
Het Hof
6.1 Bevestigt het vonnis van de kantonrechter in kort geding gewezen en uitgesproken op 6 mei 2010 in de zaak bekend onder AR no. 094565 in het eerste kanton, onder aanvulling van gronden;

6.2 Veroordeelt de NV en [appellanten B tot en met H] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep op nihil.

Aldus gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, leden en bij vervroeging uitgesproken door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag, 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Partijen, appellanten vertegenwoordigd door advocaat mr. K. Baldew, gemachtigde van appellanten en geïntimeerden B en C vertegenwoordigd door advocaat mr. R.C. Ghogli namens mr. J. Kraag, gemachtigde van geïntimeerden B en C, terwijl geïntimeerde A noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

SRU-HvJ-2021-23

GR-14633

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

a. Stichting Hon Min,
b. Stichting Jayco,
c. de erfgenamen van [appellant c],
d. [appellant d],
e. [appellant e],
f. [appellant f],
g. [appellant g],
h. [appellant h],
i. [appellant i],
j. [appellant j],
k. [appellant k],
l. [appellant l], en
m. [appellant m],
allen ten deze domicilie kiezende te Paramaribo aan de Watermolenstraat no. 36,
appellanten,
verder te noemen: appellanten,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat,

tegen

A. de Staat Suriname, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, kantoorhoudende te Paramaribo,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. G.R. Sewcharan, advocaat,
B. [geïntimeerde B],
wonende te [plaats],
verder te noemen: [geïntimeerde B],
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman en mr. B. Halfhide, advocaten,
geïntimeerden,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 9 december 2010 (A.R. No. 10-4357) tussen appellanten als eisers en de Staat en [geïntimeerde B] als gedaagden spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het proces-verbaal d.d. 17 december 2010 van de griffier der kantongerechten, waarin is ver-meld dat appellanten tegen voormeld vonnis hoger beroep hebben ingesteld;
• de pleitnota d.d. 21 oktober 2011;
• het antwoordpleidooi van [geïntimeerde B] d.d. 2 december 2011;
• het antwoordpleidooi van de Staat d.d. 3 februari 2012;
• het repliekpleidooi d.d. 2 maart 2012;
• het dupliekpleidooi van [geïntimeerde B] d.d. 4 mei 2012;
• de dupliekpleitnota van de Staat d.d. 4 mei 2012.
• de conclusie tot uitlating over stukken van [geïntimeerde B] d.d. 2 november 2012;
• de akte uitlating producties van de Staat d.d. 18 januari 2013.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling
1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellanten daarin kunnen worden ontvangen.

2. Tegen de feiten zoals vastgesteld door de kantonrechter zijn geen grieven aangevoerd. Het Hof zal van die feiten uitgaan. De zaak gaat over het volgende.

2.1 Bij beschikking van 18 november 2008 no. [nummer 1] is aan [geïntimeerde B] een vergunning verstrekt voor het bouwen van een winkel-woonhuis op het perceel gelegen te [plaats], op de hoek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] en bekend als Wijk H. no. [nummer 2] (hierna: het perceel). Aan het perceel is bij de beschikking tot uitgifte daarvan in erfpacht van de Landsminister van Financiën van 14 juni 1951 de bestemming bebouwing en bewoning gegeven.

2.2 Bij beschikking van 14 augustus 2009 no. [nummer 3] is de beschikking van 18 november 2008 met onmiddellijke ingang ingetrokken, omdat – zakelijk weergegeven – het perceel is verkregen ter bebouwing en bewoning en niet voor het opzetten van een handelszaak.

2.3 Bij beschikking van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer van 15 september 2009 LaD no. [nummer 4] is een verzoek van [geïntimeerde B] de bestemming te wijzigen geweigerd.

2.4 Bij vonnis van de kantonrechter van 22 juli 2010 (A.R. no. 09-5036) is aan [geïntimeerde B] onder verbeurte van een dwangsom verboden op het perceel enig ander gebouw dan een woning te bouwen.

2.5 Bij beschikking van de Directeur van Openbare Werken van 12 oktober 2010 no. [nummer 5] is de intrekkingsbeschikking van 14 augustus 2009 ongedaan gemaakt en is [geïntimeerde B] (alsnog) in de gelegenheid gesteld de bouwwerkzaamheden te hervatten.

2.6 Bij hun inleidend verzoekschrift hebben appellanten gevorderd de Staat te bevelen, kort gezegd, de beschikking van 12 oktober 2010 in te trekken en ongedaan te maken, subsidiair te schorsen. Tevens hebben zij gevorderd de Staat te verbieden aan [geïntimeerde B] een vergunning te (doen) verlenen op het perceel enig ander gebouw dan een woning neer te zetten. Ten slotte hebben zij gevorderd dat de Staat en [geïntimeerde B] de te geven beslissingen gehengen en gedogen.

2.7 De kantonrechter heeft deze voorzieningen geweigerd.

3.1 Appellanten hebben tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aangevoerd.

Grief 1: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur zou worden gehandeld, wanneer aan [geïntimeerde B] geen bouwvergunning voor een winkel/woonhuis zou worden verleend.

Grief 2: Ten onrechte heeft de kantonrechter het volgens appellanten onwetmatig handelen van de directeur van Openbare Werken (OW) gebillijkt met een beroep op diens vermeende bevoegdheid de bestemming van een perceel te wijzigen.

Grief 3: Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat appellanten tegen de handelsactiviteit van [geïntimeerde B] geen bezwaar zouden hebben gemaakt.

Grief 4: Ten onrechte heeft de kantonrechter het handelen van de directeur van OW aan de beginselen van behoorlijk bestuur getoetst en hem een bevoegdheid toegekend die bij wet aan de Minister van ROGB toekomt.

Grief 5: Ten onrechte heeft de kantonrechter daarmee getracht [geïntimeerde B] te beschermen.

Grief 6: Ten onrechte heeft de kantonrechter de belangen van [geïntimeerde B] boven die van appellanten laten prevaleren.

Ten slotte passen appellanten hun oorspronkelijke eis aan door in het petitum toe te voegen dat wordt gevorderd [geïntimeerde B] te verbieden op het perceel een winkel- of andere handelszaak te (doen) exploiteren.

3.2 De Staat en [geïntimeerde B] zijn het met het vonnis waarvan beroep eens en verzoeken het Hof dit te bevestigen.

4. Het Hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen en overweegt daartoe het volgende. Het Hof stelt daarbij voorop dat appellanten met hun grieven voldoende duidelijk maken waartegen hun bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep zijn gericht.

4.1 Uitgangspunt is dat aan [geïntimeerde B] bij beschikking van 18 november 2008 een vergunning voor het bouwen van een winkel-woonhuis is verleend en dat deze vergunning bij beschikking van 12 oktober 2010 is herleefd, doordat de Directeur van OW daarbij de intrekkingsbeschikking van 14 augustus 2009 ongedaan heeft gemaakt. Als gevolg van de beschikking van 12 oktober 2010 is elke betekenis aan het hiervoor onder 2.4 genoemde vonnis van de kantonrechter van 22 juli 2010 ontvallen.

4.2 Verder staat vast dat [geïntimeerde B] het perceel in eigendom heeft verworven met de bestemming bebouwing en bewoning, zoals vastgelegd ter gelegenheid van de uitgifte in erfpacht van het perceel in 1951. Anders dan appellanten menen, betekent “bebouwing en bewoning” niet dat het perceel uitsluitend voor bewoning mag worden bebouwd. De formulering laat de mogelijkheid open dat het perceel, naast bewoning, tevens voor een ander doel wordt bebouwd en gebruikt, zoals een combinatie van winkel en woonhuis. [geïntimeerde B] heeft dan ook onnodig om wijziging van de bestemming gevraagd. Dat dit verzoek bij de hiervoor onder 2.3 genoemde beschikking van 15 september 2009 is afgewezen, heeft dus geen betekenis. De bestemming van het perceel is niet gewijzigd.

4.3 Dat op percelen met de bestemming “bebouwing en bewoning” ook in de praktijk in veel gevallen een combinatie winkel-woonhuis wordt gebouwd, valt mede af te leiden uit het standpunt van de Staat in deze procedure, dat het bouwen van een handelszaak op erfpachtgronden met de voorwaarde bebouwing en bewoning voor de Staat geen reden is de vergunning te weigeren. Op pagina 6 van zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg voegt de Staat hieraan toe dat de weigering een dergelijke vergunning te verlenen in strijd met een of meer in het rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, zou komen. Het Hof deelt dit standpunt van de Staat.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat alle grieven falen. Het vonnis van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd. Aangezien appellanten in het ongelijk worden gesteld, zullen zij in de proceskosten in het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 9 december 2010 (A.R. No. 104537)

veroordeelt appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat en [geïntimeerde B] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en mr. A.C. Johanns, Leden en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

Bij de uitspraak ter terechtzitting is niemand verschenen.