SRU-HvJ-2020-49

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het schrijven afkomstig van verzoeker hetwelk het Hof heeft opgevat als een verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 1 december 2020 door de verzoeker [Naam], met het verzoek om persoonlijk uitgenodigd te worden om de ingediende klacht mondeling met onderliggende stukken te motiveren;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 2 december 2020, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 9 december 2020 om 14.45 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 9 december 2020;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het door hem ingediend schrijven, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat verzoeker op 27 augustus 2020 door de kantonrechter is veroordeeld. Tegen voormeld vonnis heeft de verzoeker hoger beroep aangetekend op 3 september 2020;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde punten betreffende het bewijs, deze bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde dienen te worden gesteld en zich er niet voor lenen om in raadkamer op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering te worden onderzocht en/of beoordeeld;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoeker dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor onderbreking van de detentiemaatregel zoals door verzoeker is verzocht. Het Hof vindt aanleiding in hetgeen bij de behandeling in raadkamer aan de orde is gesteld om de griffier te vragen om door tussenkomst van de Griffie der Kantongerechten te bewerkstelligen dat het appeldossier in deze zaak ten spoedigste naar het Hof zal worden opgestuurd.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het gedane verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 9 december 2020 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. I.S. Chhangur -Lachitjaran, lid en mr. J. Kasdipowidjojo, lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. I.S. Chhangur -Lachitjaran
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-14

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op vrijdag 28 mei 2021 door mr. H.H. Vreden, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam 1], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op de mededeling van het Hof waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 16 juni 2021 om 13.00 uur des namiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, waarvan de verdediging kopielezer is gemaakt, van welke gelegenheid de verdediging heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadsvrouw en de reactie op het voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in haar verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 16 september 2020 in verzekering is gesteld terzake strafbare feiten, omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 280; 279; 278; 386; 280 jo. 73, 279 jo. 73, 278 jo. 73, 386 jo. 73 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging geeft aan dat verzoeker een first offender is en dat zijn recht op een eerlijk proces op een niet mis te verstane wijze is veronachtzaamd doordat niet alle processen-verbaal, waaronder het proces-verbaal gedateerd 23 september 2020, tijdig zijn verstrekt. Indien het voormeld proces-verbaal tijdig was verstrekt, dan zou er geen enkele valide reden aanwezig zijn geweest om het ingediend verzoek tot invrijheidstelling ex. artikel 54a van het Wetboek van Strafvordering op 05 oktober 2020 af te wijzen. Voorts is door de verdediging gesteld dat de verzoeker de Nederlandse taal niet beheerst; hij heeft slechts tot de tweede klas van de lagere school onderwijs genoten waardoor hij niet kan lezen en schrijven. De verzoeker moest in opdracht van [Naam 2] een uur lang oefenen om een handtekening op naam van [Naam 3] na te bootsen. De verzoeker heeft geen betrokkenheid gehad bij het beramen van het plan en was ook niet bekend met het plan van [Naam 4] en [Naam 2] om de percelen te verkopen. Volgens de verdediging sluiten de handelingen van verzoeker niet aan op de in de dagvaarding opgenomen delictsomschrijvingen. Tot slot geeft de verdediging aan, dat verzoeker een dagvaarding, gedateerd 20 januari 2021 heeft ontvangen, om op donderdag 04 februari 2021 te 08.30 uur ’s morgens ter terechtzitting van de kantonrechter in het Tweede Kanton te verschijnen;

Overwegende, dat de vervolging in haar antwoord heeft aangegeven dat de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die strafbaar zijn gesteld in de artikelen 280; 278 en 279 van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien verzoeker een first offender is, zal de vervolging daar rekening mee houden bij de formulering van de strafeis. De vervolging geeft verder aan, dat de verdediging ten onrechte stelt dat het proces-verbaal niet tijdig is verstrekt, daar het proces-verbaal, gedateerd 23 september 2020, op de dag waarop het strafdossier aan de verdediging ter beschikking was gesteld, nog niet was ontvangen door het Openbaar Ministerie. Voorts, dat de ernstige bezwaren overeind staan, daar de benadeelde haar percelen is kwijt geraakt door het handelen van de verzoeker. Verzoeker heeft verklaard dat hij had geoefend om de handtekening ten name van [Naam 3] na te bootsen en dat hij wist dat het om een vervalste ID-kaart ging. De benadeelde lijdt als gevolg daarvan grote financiële verliezen en de rechtsorde is ernstig geschokt. Daarnaast zijn er concrete feiten en omstandigheden die de vrees voor bewijsvertroebeling rechtvaardigen. Op 04 februari 2021 is er in eerste aanleg een aanvang gemaakt met de behandeling van de zaak en op de terechtzitting van 03 juni 2021 heeft de kantonrechter op basis van de feiten en het procesdossier bepaald dat de voorlopige hechtenis van verzoeker zal worden gecontinueerd. De vervolging acht het prematuur om de voorlopige hechtenis van verzoeker, in de fase waarin de zaak zich nu bevindt, op te heffen. Ook bestaat er een vrees voor collusie, daar het verdachte- en getuigenverhoor nog moet plaatsvinden. Het bovenstaande in aanmerking nemend, heeft de vervolging gevraagd om het verzoek van verzoeker af te wijzen.
Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de kantonrechter reeds een aanvang heeft gemaakt met de behandeling van de zaak in eerste aanleg, waarbij de voortzetting van de behandeling in eerste aanleg is bepaald voor 19 augustus 2021. De kantonrechter heeft op de terechtzitting van 03 juni 2021 bepaald dat de ernstige bezwaren, die een onverwijlde continuering van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen, in casu aanwezig zijn;

Overwegende, dat de kantonrechter in eerste aanleg – gelet op de stand waarin deze zaak zich bevindt – in de visie van het Hof beter in staat is om te beoordelen of er al dan niet gronden aanwezig zijn voor continuering van de detentie van verzoeker. Immers beschikt de kantonrechter over het volledig dossier en is inhoudelijk op de hoogte van de zaak;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 juni 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-13

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het schrijven ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 15 maart 2021 door mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 30 maart 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 31 maart 2021 om 10.30 uur des voormiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 31 maart 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn advocaat eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenìs;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat ten aanzien van de door verzoeker aangevoerde punten betreffende hetgeen hem verweten wordt, deze bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde dienen te worden gesteld en zich er niet voor lenen om in raadkamer naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering te worden onderzocht en/of beoordeeld. Ook het in de wet verankerde anticipatiegebod leidt niet tot toewijzing van het verzoek;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoeker dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor opheffing van de voorlopige hechtenis;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 31 maart 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-12

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKELEN 70 JO. 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikelen 70 jo. 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 09 juni 2021 door I.D. Kanhai BSc. en mr. B.A.H. Pick, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, ANGNOE, ASHWEEN RYAN, met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd conform de artikelen 70 jo. 61 Sv. op te willen heffen onder door het Hof te stellen voorwaarden en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te willen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 22 juni 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 30 juni 2021 om 09.30 uur des voormiddags;

Gehoord de raadslieden, I.D. Kanhai BSc. en mr. B.A.H. Pick, advocaten bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. S. Mahadew, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 30 juni 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadslieden eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op of omstreeks 10 februari 2020 is aangehouden en in verzekering is gesteld, één en ander op verdenking van het hebben begaan van strafbare feiten zoals is omschreven in de verlenging van de inverzekeringstelling. Eveneens is gebleken dat op of omstreeks 07 februari 2020 en 13 februari 2020 er een gerechtelijk vooronderzoek is gestart, welk onderzoek op 05 mei 2020 door de rechter-commissaris is afgesloten. De behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is op 04 juni 2020 aangevangen;

Overwegende, dat het Hof na kennisname van het bezwaar van verzoeker en het standpunt van de vervolging daaromtrent tot de slotsom is gekomen dat er wel ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker zijn gerezen die een continuering van de vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Daarbij heeft het Hof eveneens acht geslagen op de maatschappelijke ‘impact’ die het aan het rollen komen van deze zaak heeft veroorzaakt en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd rechtvaardigen in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom dat er ernstige bezwaren zijn gerezen ten aanzien van verzoeker welke een continuering van zijn vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Bovendien is de Kantonrechter – in de visie van het Hof – beter in staat om te oordelen omtrent de strafwaardigheid van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en dat in samenhang te bezien met de eventuele continuering van de detentie van de verzoeker;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling van de zaak in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, ANGNOE, ASHWEEN RYAN;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 30 juni 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-11

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKELEN 70 JO. 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikelen 70 jo. 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 09 juni 2021 door I.D. Kanhai BSc. en mr. J. Kraag, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, VAN TRIKT, ROBERT-GRAY, met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd conform de artikelen 70 jo. 61 Sv. op te willen heffen onder door het Hof te stellen voorwaarden en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te willen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 22 juni 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 30 juni 2021 om 09.30 uur des voormiddags;

Gehoord de raadslieden, I.D. Kanhai BSc. en mr. J. Kraag, advocaten bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. S. Mahadew, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 30 juni 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadslieden eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op of omstreeks 06 februari 2020 is aangehouden en in verzekering is gesteld, één en ander op verdenking van het hebben begaan van strafbare feiten zoals is omschreven in de verlenging van de inverzekeringstelling. Eveneens is gebleken dat op of omstreeks 07 februari 2020 en 13 februari 2020 er een gerechtelijk vooronderzoek is gestart, welk onderzoek op 05 mei 2020 door de rechter-commissaris is afgesloten. De behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is op 04 juni 2020 aangevangen;

Overwegende, dat het Hof na kennisname van het bezwaar van verzoeker en het standpunt van de vervolging daaromtrent tot de slotsom is gekomen dat er wel ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker zijn gerezen die een continuering van de vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Daarbij heeft het Hof eveneens acht geslagen op de maatschappelijke ‘impact’ die het aan het rollen komen van deze zaak heeft veroorzaakt en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd rechtvaardigen in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom dat er ernstige bezwaren zijn gerezen ten aanzien van verzoeker welke een continuering van zijn vrijheidsbeneming rechtvaardigen. Bovendien is de Kantonrechter – in de visie van het Hof – beter in staat om te oordelen omtrent de strafwaardigheid van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en dat in samenhang te bezien met de eventuele continuering van de detentie van de verzoeker;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is, dat gelet op de behandeling van de zaak in Raadkamer, het verzoek dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog recht overeind staan;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, VAN TRIKT, ROBERT-GRAY;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 30 juni 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-10

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 21 juni 2021 door I.D. Kanhai BSc. en mr. Ch. Algoe, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om conform art. 61 van het Wetboek van Strafvordering het verzoek gedaan door de Surinaamse autoriteiten om verzoeker aan te houden en uit te leveren te willen opheffen, althans de aanhouding (lees voorlopige hechtenis) te willen opheffen en de onmiddellijke invrijheidstelling te willen verzoeken aan de Nederlandse autoriteiten.

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 25 juni 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 14 juli 2021 om 12.30 uur des namiddags;

De verzoeker is niet gehoord vanwege zijn detentie in Nederland;

Gehoord de Waarnemend Procureur-Generaal, mr. S. Mahadew, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 14 juli 2021;

Grondslag van het verzoek:
Naar de mening van de verdediging van verzoeker [Naam] is de akte van uitreiking in Nederland en als gevolg daarvan ook de uitgereikte dagvaarding nietig. Art. 517 lid 4 van het WSv schrijft dwingend en nadrukkelijk voor dat de autoriteit (de vervolgingsambtenaar) van wie het gerechtelijk schrijven uitgaat en het parket nummer van het (gerechtelijk) schrijven, te weten het nummer 1, moeten worden vermeld in de akte van uitreiking. In de akte van uitreiking wordt vermeld “akte van uitreiking van de dagvaarding van de Kantonrechter in het Derde Kanton” en als nummer wordt vermeld [nummer].

Naar de mening van de verdediging is het Nederlands recht niet toepasselijk en zelfs als het toepasselijk zou zijn, dan nog is er sprake van nietigheid van de dagvaarding zoals verwoord in artikel 517 WSv en artikel 588 Ned. WSv. Voorts is ex art. 2 WSv het Surinaams recht toepasselijk.

Nu er, aldus de raadsman, sprake is van een nietige dagvaarding heeft de vervolging naar de mening van de verdediging niet voldaan aan art. 365 Sv en heeft zij haar vervolgingsrecht verspeeld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Primair vraagt de vervolgingsambtenaar dat het Hof zich onbevoegd verklaart om te beslissen over de aanhouding (als opgeëiste persoon) ten behoeve van de uitlevering van verzoeker. De opgeëiste persoon is (voorlopig) aangehouden op grond van de artikelen 1 en 21 van de Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken juncto artikel 13 van de Nederlandse Uitleveringswet. Onder verwijzing naar artikel 31 lid 1 van de Nederlandse Uitleveringswet krachtens welk tegen de uitspraak van de rechtbank door de opgeëiste persoon beroep in cassatie kan worden ingesteld, concludeert het Openbaar Ministerie dat verzoeker niet de juiste instantie heeft geadieerd met zijn verzoek tot opheffing van diens voorlopige aanhouding als opgeëiste persoon.
Voorts is de vervolging van mening dat het verzoek om de dagvaarding nietig te verklaren zich niet leent voor een verzoek ex artikel 61 WSv. Een dergelijk preliminair verweer dient aan de orde te worden gesteld bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de Kantonrechter, hetgeen ook reeds is geschied. De Kantonrechter neemt daaromtrent een beslissing op 19 juli 2021.

Subsidiair vraagt het Openbaar Ministerie het verzoek ex art. 61 WSv, dat gegrond is op de door verzoeker beweerde nietigheid van de akte van uitreiking en dientengevolge van de dagvaarding, af te wijzen. De ernstige bezwaren waarvoor verzoeker (voorlopig) is aangehouden ter uitlevering ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek staan nog recht overeind.

De vervolging verwijst voorts naar art. 517 lid 7 WSv op grond waarvan bij bekende verblijfplaats buitenlands van de te dagvaarden persoon, door de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat, tevens een afschrift van de mededeling welke het schrijven bevat (in casu de dagvaarding), bij aangetekende brief wordt verzonden aan hem voor wie het schrijven bestemd is. De niet-naleving van de voorschriften in de leden 1 tot en met 5 van artikel 517 WSv is in lid 6 van dit artikel bedreigd met nietigheid. De sanctie van nietigheid heeft geen betrekking op het bepaalde in lid 7 van het artikel.

Art. 588 lid 2 van het Nederlandse WSv bevat een soortgelijke bepaling met betrekking tot de wijze van uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, namelijk door toezending van de mededeling door het Openbaar Ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.

De beoordeling door het Hof:
Art. 517 van het Surinaamse WSv bepaalt dat in de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid, bij bekende verblijfplaats buitenlands, tevens door de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat, een afschrift van de mededeling welke het schrijven bevat, bij aangetekende brief wordt verzonden aan hem voor wie het schrijven bestemd is.

Art. 588 lid 1 onder a van het Nederlandse WSv luidt: De uitreiking geschiedt aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen, in persoon.

Blijkens de overgelegde Akte van Uitreiking welke op ambtseed (ambtsbelofte) is opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Nederlandse autoriteit (instantie), is de gerechtelijke brief, inhoudende de dagvaarding van verzoeker [Naam] om te verschijnen in de verzet strafzaak die wordt behandeld op 15 maart 2021 om 08.30 uur aan de Mgr. Wulfinghstraat no 5 te Paramaribo, op 25 februari 2021 aan verzoeker, verblijvende in Nederland, in persoon uitgereikt. Het Hof stelt vast dat de uitreiking in persoon is geschied op grond van art. 588 lid 1 van het Nederlandse WSv.

Het verzoek tot uitreiking is gebaseerd op de Overeenkomst tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken. Artikel 10 van de Overeenkomst bepaalt: “De Overeenkomst sluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels van deze overeenkomst en met inachtneming van hun nationale wetgeving elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten, waarvan de bestraffing, op het tijdstip waarop de rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteit van de verzoekende partij”.

Zowel in de nationale wetgeving van Suriname (art. 476 lid 1 WSv) als in de Nederlandse nationale wetgeving (art. 552q lid 1 Ned. WSv) ) is in overeenstemming met art. 10 van de Overeenkomst tussen Suriname en Nederland gelijkluidend bepaald dat het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van Surinaamse respectievelijk Nederlandse stukken van vergelijkbare strekking.

Op grond van art. 10 uit de Overeenkomst tussen Suriname en Nederland en art. 552q Ned, WSv is de Nederlandse autoriteit belast met de uitreiking van de gerechtelijke brief betreffende de dagvaarding aan verzoeker in Nederland, gehouden aan de ter zake in Nederland geldende wettelijke voorschriften.

Dit is ook in overeenstemming met de “interne soevereiniteit” van landen om hun rechtsorde in het algemeen, maar zeker hun strafvordering, naar eigen opvattingen in te richten. De uitvoering van een rechtshulpverzoek wordt in de regel beheerst door het recht van de aangezochte staat. Wederzijdse rechtshulpverlening is mede gebaseerd op het vertrouwensbeginsel dat inhoudt dat de betrokken landen in principe niet treden in de beoordeling van de rechtmatigheid van elkaars strafvorderlijk optreden, in casu de rechtmatigheid van de akte van uitreiking in Nederland van de gerechtelijke brief betreffende de dagvaarding aan verzoeker volgens de in Nederland geldende wettelijke voorschriften. Het Hof gaat derhalve voorbij aan het door de raadslieden van verzoeker gevoerde verweer met betrekking tot vermelding van het nummer en van “akte van uitreiking van de dagvaarding van de kantonrechter in het Derde Kanton” in de akte van uitreiking.

Op grond van het hier voren gestelde oordeelt het Hof dat het namens verzoeker gevoerde verweer m.b.t. de akte van uitreiking en de daaraan gekoppelde inroeping van de nietigheid van de uitgereikte dagvaarding ongegrond is. Het Hof zal het daartoe strekkend verweer dan ook verwerpen.

De consequentie van voorgaande slotsom is dat het Hof niet toekomt aan de beoordeling van het op het verweer gebaseerde verzoek ingevolge artikel 61 WSv tot opheffing van het door de Surinaamse autoriteiten gedaan verzoek om verzoeker aan te houden en uit te leveren, althans de aanhouding (voorlopige hechtenis) op te heffen en de onmiddellijke invrijheidstelling te verzoeken aan de Nederlandse autoriteiten, nog daargelaten de vraag of art. 61 WSv zich leent voor (inwilliging van) een dergelijk verzoek.

De beslissing
Het Hof:

Verklaart het verzoek ongegrond.

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 14 juli 2021 door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

 

SRU-HvJ-2021-9

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 21 juli 2021 door mr. R.R. Lobo en mr. M.C.M. Nibte, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 23 juli 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor maandag 02 augustus 2021 om 12.00 uur des middags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. A. Niamat, waarnemend Advocaat-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. maandag 02 augustus 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Advocaat – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de kantonrechter reeds een aanvang heeft gemaakt met de behandeling van de zaak in eerste aanleg, waarbij de eerste behandeling in eerste aanleg is bepaald voor maandag 02 augustus 2021.

Overwegende, dat de kantonrechter in eerste aanleg – gelet op de stand waarin deze zaak zich bevindt – in de visie van het Hof beter in staat is om te oordelen omtrent de strafbaarheid van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en dat in samenhang te bezien met de eventuele continuering van de detentie van de verzoeker;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoeker dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor opheffing van de voorlopige hechtenis;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 02 augustus 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden-Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend-Griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-8

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op vrijdag 11 juni 2021 door mr. Ch. Algoe en mr. E.M. Redjopawiro, advocaten bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op de mededeling van het Hof waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 23 juni 2021 om 10.00 uur des voormiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, waarvan de verdediging kopielezer is gemaakt, van welke gelegenheid de verdediging heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadslieden en de reactie op voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in zijn verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 30 september 2020 in verzekering is gesteld en op 20 april 2021 door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht. Verzoeker moest dus ingevolge voormelde veroordeling een onvoorwaardelijk deel van 12 maanden gevangenisstraf uitzitten. Blijkens mededeling van verzoeker heeft de vervolging hoger beroep ingesteld tegen voormelde veroordeling en wel op 21 april 2021. Voorts, dat verzoeker op 30 mei 2021 reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten;

Overwegende, dat de vervolging in haar reactie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek van de verzoeker. Immers heeft hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf, hetgeen gelijk is aan 8 maanden, op 30 mei 2021 uitgezeten. Voorts, vanwege het feit dat er nog geen zicht is op behandeling van zijn zaak in hoger beroep en verzoeker geen nadeel mag ondervinden van het aangewende rechtsmiddel van hoger beroep, terwijl hij tijdens de detentieperiode geen tuchtstraffen opgelegd heeft gekregen;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, onder aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 30 september 2020. Voorts is gebleken dat de vervolging op 21 april 2021 tegen voormeld vonnis, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat, gelet op de datum van het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton er – anders dan door de verdediging en vervolging wordt gesteld – redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat er geen zicht is op behandeling van de zaak in hoger beroep. Immers dateert het vonnis van de kantonrechter van vrij recente datum en is het in de Surinaamse rechtspraktijk algemeen bekend dat de op de zaak in eerste aanleg betrekkelijke stukken niet binnen twee maanden naar het Hof worden opgestuurd. De daartoe strekkende grondslag van het verzoek haalt het derhalve niet in rechte en zal worden verworpen;

Overwegende, dat gelet op het feit dat verzoeker voornoemd bijkans twee/derde deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten, het belang bij het nog langer voortduren van de voorlopige hechtenis afgezet tegen het belang van de vervolging om tegen de beslissing van de kantonrechter op te komen, tot de slotsom leidt, dat verzoeker in casu onevenredig nadeel ondervindt door het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep door de vervolging, hetgeen nimmer de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Immers is het verwachtbaar dat tegen de tijd dat de op de strafzaak in eerste aanleg betrekking hebbende stukken het Hof zullen hebben bereikt de verzoeker inmiddels de door de kantonrechter opgelegde gevangenisstraf volledig zal hebben uitgezeten;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof de consequentie van het voorgaande is dat het verzoek voor toewijzing in aanmerking dient te komen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker [Naam];

Heft op het bevel tot gevangenhouding van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 23 juni 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-7

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 19 juli 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 23 juli 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 juli 2021 om 13.30 uur des namiddags;
Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 juli 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de verdediging in haar verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 08 juli 2021 door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en drie maanden met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Daarnaast heeft de verdediging gesteld, dat de verzoeker hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter. Vervolgens geeft de verdediging aan dat de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. Op basis van het voorgaande vordert de verdediging opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd;

Overwegende, dat de vervolging tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat het recidivegevaar ten aanzien van verzoeker te groot is, daar hij zich reeds vier keren schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De vervolging heeft tevens gesteld dat het Hof bij eerdere verzoeken ex. artikel 33 Sr. afwijzend heeft beslist vanwege het recidivegevaar. Op basis van het voorgaande vraagt de vervolging aan het Hof om het verzoek van de verdediging af te wijzen;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter op 08 juli 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren en drie (3) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend. Op 18 juni 2021 heeft de verzoeker voornoemd reeds twee/derde deel van de aan hem opgelegde straf uitgezeten. Vervolgens is uit het onderzoek in Raadkamer gebleken dat verzoeker zich ettelijke malen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

Overwegende, dat een redelijke en billijke afweging van het belang van verzoeker op terugkeer in de samenleving afgezet tegen het belang van beveiliging van de samenleving naar het oordeel van het Hof tot de slotsom leidt dat verzoeker in concreto thans nog geen aanspraak maakt op terugkeer in de samenleving.

Overwegende, dat het Hof aanleiding vindt in hetgeen bij de behandeling in raadkamer aan de orde is gesteld om de griffier te vragen om door tussenkomst van de Griffie der Kantongerechten te bewerkstelligen dat het appeldossier in deze zaak ten spoedigste naar het Hof zal worden opgestuurd.

Gelet op voormelde overwegingen zal het Hof het verzoek van verzoeker afwijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 juli 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

 

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-6

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 04 mei 2021 door mr. A. Ramlakhan, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen conform artikel 61 SV en verzoeker onmiddellijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 05 mei 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 26 mei 2021 om 13.00 uur des namiddags;

In navolging van de door het Hof getroffen maatregelen in verband met de covid-19 pandemie zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun respectieve standpunten schriftelijk aan het Hof voor te leggen, waaraan zij hebben voldaan.

De verdediging is in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst uit te laten omtrent de reactie van de vervolgingsambtenaar, van welke gelegenheid de verdediging kopielezer is gemaakt, heeft aangegeven geen gebruik te willen maken.

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het verzoekschrift van de raadsman en het antwoord op het voormeld verzoekschrift zijdens de vervolging.

Overwegende, dat de verdediging in zijn verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 18 juni 2020 door de kantonrechter in het Tweede Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden en in het Derde kanton tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden. Daarnaast heeft de verdediging gesteld, dat de verzoeker hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter in zowel het Tweede als het Derde Kanton. Vervolgens geeft de verdediging aan, dat de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten terwijl er geen zicht is op behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Op basis van het voorgaande vordert de verdediging opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd;

Overwegende, dat de vervolging in haar antwoord heeft aangegeven dat de verzoeker op 18 juni 2020 door de kantonrechter in zowel het Tweede als het Derde Kanton is veroordeeld. Voorts, dat de verzoeker slechts tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton hoger beroep heeft aangetekend met als gevolg dat het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton in kracht van gewijsde is gegaan. Aangezien het vonnis van de Kantonrechter in het Derde Kanton in kracht van gewijsde is gegaan, dient de verzoeker de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden uit te zitten. Op basis van het voorgaande vraagt de vervolging aan het Hof om het verzoek van de verdediging af te wijzen;

Overwegende, dat de verdediging reeds op 15 maart 2021 het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, conform artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, had gedaan, doch heeft het Hof afwijzend beslist op voormeld verzoek van de verdediging;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter in het Tweede Kanton op 18 juni 2020 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 05 februari 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en tot op heden geen zicht heeft op behandeling van de zaak in hoger beroep;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker eveneens op 18 juni 2020 door de kantonrechter in het Derde Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, doch heeft de verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton geen hoger beroep aangetekend met als gevolg dat het voornoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

Overwegende, dat zich in casu het geval voordoet dat verzoeker zowel in het Tweede Kanton als in het Derde Kanton is veroordeeld door de kantonrechter. Verzoeker is aangehouden en in verzekering gesteld op 05 februari 2019. Op 18 juni 2020 is verzoeker in het Tweede Kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van (20) maanden onder aftrek van het voorarrest. In het Derde Kanton is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden. Verzoeker heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter in het Tweede Kanton. De vraag die rijst is of de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten;

Overwegende, dat nu verzoeker bijkans twee (2) jaren en twee (2) maanden in detentie heeft doorgebracht verzoeker in de visie van het Hof de volledige straf in het Tweede Kanton heeft uitgezeten en thans bezig is de door de kantonrechter in het Derde Kanton opgelegde straf uit te zitten, tegen welk vonnis er geen hoger beroep is aangetekend waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Om deze reden komt aan verzoeker geen recht toe om een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis te doen op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, nog daar gelaten het antwoord op de vraag of verzoeker al dan niet reeds twee/derde deel van de aan hem in het Derde Kanton opgelegde straf heeft uitgezeten. Verzoeker zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het door hem gedane verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 26 mei 2021, door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Fungerend – President,  mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari        w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
                               w.g. S. Punwasi
                               w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)