SRU-HvJ-2021-22

GR-14475

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

in de zaak van

Argema Slachthuis N.V.,
gevestigd te [plaats 1],
appellante,
verder te noemen: Argema,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

de Staat Suriname,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde,
verder te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen gewezen en uitgesproken vonnis van 7 februari 2006 (A.R. No. 03-3907) tussen Argema als eiseres en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Dit blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:
• het tussenvonnis van het Hof van Justitie d.d. 15 april 2011;
• de processen-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 juli 2011, 19 augustus 2011, 2 november 2011, 6 december 2011 en 3 februari 2012;
• de conclusie tot beraad contra-enquête d.d. 17 februari 2012;
• de conclusie na enquête van Argema d.d. 4 mei 2012;
• de conclusie na enquête van de Staat d.d. 1 juni 2012.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

De beoordeling

1. Bij het tussenvonnis is aan Argema opgedragen te bewijzen dat
a. de Staat heeft toegezegd, althans de verwachting heeft gewekt dat voor een bepaalde aanloopperiode alleen aan Argema, met uitsluiting van ieder ander slachthuis, een vergunning voor de exploitatie van een openbaar slachthuis zou worden verleend;
b. Argema door de heropening van het slachthuis te [plaats 2] schade heeft opgelopen;
c. de Staat Argema heeft verboden vlees te produceren voor de lokale markt.

2. Argema heeft de volgende getuigen doen horen:
• [naam 1]
• [naam 2]
• [naam 3]
• [naam 4].
De Staat heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

3.1 Met betrekking tot het onder 1 sub a opgedragen bewijs hebben de getuigen, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

(1) [naam 1] (onder meer mede-oprichter en aandeelhouder van Argema):
[naam 5], directeur van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) heeft ons meegedeeld dat de overheid het slachtwezen wilde afstoten aan particulieren en dat de mogelijkheid bestond twee vergunningen aan te vragen. [naam 5] heeft ons niet verklaard dat de vergunningen aan ons met uitsluiting van anderen zou worden verleend. Gezien de hoogte van de investeringen en de markt leefde bij ons de verwachting dat aan derden geen vergunning zou worden verleend of dat derden zelfs een vergunning zouden aanvragen. In de ons verleende vergunning voor de bouw van het runderslachthuis stond niet dat Argema met uitzondering van derden het recht verkreeg. Hiertegen hebben wij niet geprotesteerd.

(2) [naam 2] (destijds hoofd van de veterinaire dienst van LVV):
Voor zover mij bekend heeft de overheid nooit aan Argema gezegd het alleenrecht voor het slachthuis te zullen verkrijgen. Wel zou het oude slachthuis worden gesloten. Na ongeveer twee jaar heeft de overheid aan de Vereniging van Islamitische Slagers (VIS) vergunning verleend daar een abattoir te openen. Argema moest er dus op rekenen dat zij concurrentie zou krijgen.

(3) [naam 3] (vanaf augustus 2000 minister van LVV):
Zover ik me kan herinneren is mij niet gebleken dat aan Argema de toezegging was gedaan dat de vergunning die aan haar verleend zou worden, een exclusief karakter had. Ik weet wel dat de demissionaire minister van LVV op 25 mei 2000 aan de VIS toestemming heeft gegeven om het (oude) slachthuis weer in gebruik te nemen. Ik vond die beslissing niet wijs, omdat Argema zeer grote investeringen had gedaan.

(4) [naam 4] (projectontwikkelaar):
De overheid heeft nooit aan Argema de toezegging gedaan dat zij een monopoliepositie zou verkrijgen. Argema heeft dit ook nooit als eis gesteld.

3.2 Uit deze verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, valt af te leiden dat de Staat aan Argema geen exclusief recht op het exploiteren van een slachthuis heeft verleend. Dat betekent dat Argema niet in het onder 1 sub a opgedragen bewijs is geslaagd.

3.3 Met betrekking tot het onder 1 sub b opgedragen bewijs hebben de getuigen, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

(1) [naam 1]:
Vlak nadat wij met de productie waren begonnen, heeft de overheid aan een groep mohammedaanse slagers toestemming gegeven het oude slachthuis op te knappen en voor een periode van twee jaar te gebruiken. Bij mijn weten is het halalgeslachtgedeelte van de runderen ongeveer 50% van het totaal. Aangezien zij tegen gereduceerde kosten mochten slachten, konden wij daartegen niet concurreren. Nadat wij onder druk van de N.O.B. onze slachtprijs hebben moeten aanpassen, vond de heropening van het oude slachthuis plaats. Hierdoor verloren wij 50% van onze klandizie, waardoor wij ook niet meer aan onze verplichtingen jegens de bank konden voldoen.

(2) [naam 2]:
Ongeveer twee jaar nadat Argema met haar werkzaamheden was begonnen, is aan de VIS vergunning verleend om het abattoir te beginnen. Het is volgens mij voor de hand liggend dat Argema minder kon slachten en daardoor schade heeft geleden. Naar mijn inschatting hebben de islamitische slagers ongeveer 50% van de slacht van runderen enz. overgenomen. De vraag of de door Argema geleden schade aan de heropening van het slachthuis is toe te rekenen, is moeilijk te beantwoorden. Op de vraag of het niet kunnen aflossen van de schuld bij de N.O.B. door Arge-ma aan de Staat te wijten is, verklaar ik dat naar mijn mening Argema gedurende twee jaar de gelegenheid heeft gehad zaken op orde te stellen om aan de eisen te voldoen.

(3) [naam 3]:
Volgens mij heeft Argema geen schade geleden door de heropening van het slachthuis. Het slachthuis is in 2002 geopend en reeds in de loop van 2001 was Argema in de problemen. Er wa-ren toen sommaties aan haar uitgebracht. Indien de VIS vlak na de toestemming van 25 mei 2000 in productie was gegaan, mag worden aangenomen dat Argema als gevolg daarvan schade zou lijden. In werkelijkheid heeft de heropening in augustus 2002 plaatsgevonden.

3.4 Uit deze verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het Hof af dat Argema door de heropening van het oude slachthuis schade zou hebben geleden, als deze heropening direct na de vergunningverlening in 2000 zou hebben plaatsgevonden. Die heropening vond echter pas in augustus 2002 plaats. Nu Argema al in 2001 in betalingsproblemen was gekomen, is dan ook niet aannemelijk dat die problemen door de opening van het oude slachthuis zijn veroorzaakt. Dat brengt mee dat Argema ook niet in het onder 1 sub b opgedragen bewijs is geslaagd.

3.5 Met betrekking tot het onder 1 sub c opgedragen bewijs hebben de getuigen, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

(1) [naam 1]:
Het is mij niet bekend dat de Staat Argema ooit heeft verboden vlees voor de lokale markt te produceren. De Staat heeft wel geweigerd vergunning te verlenen dat verpakt vlees op de lokale markt werd afgezet.

(2) [naam 2]:
Argema zou belast zijn met het slachten van runderen ten behoeve van de slagers. Argema had een slachthuisvergunning, maar geen slagersvergunning (verwerking). Argema moet hebben begrepen dat zij in het belang van de bestaande slagers geen slagersvergunning behoefde te vragen. De overheid wilde niet dat Argema verpakt vlees aan de supermarkten leverde.

(3) [naam 3]:
Op de vraag of aan Argema een vergunning is verleend of geweigerd vlees op de lokale markt te verkopen, verklaar ik dat ik daar niks van afweet.

(4) [naam 4]:
Bij de voorbereidingen van het project is steeds een snijzaal in de plannen verwerkt. Deze snijzaal heeft tot doel het vlees te verwerken. Het lag vanaf het begin in de bedoeling dit verwerkte vlees te exporteren. Toen de export niet op gang kwam, hebben wij gevraagd het verwerkte vlees op de lokale markt te mogen afzetten. Dit is pertinent geweigerd bij monde van [naam 2]. Vanwege zijn opstelling heeft Argema geen vergunning terzake aangevraagd.

3.6 Uit deze verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, valt af te leiden dat het Argema niet werd toegestaan verpakt vlees aan de supermarkten te leveren. Zij mocht echter wel ten behoeve van de (lokale) slagers slachten. Dat brengt mee dat zij ook niet in het onder 1 sub c opgedragen bewijs is geslaagd.

4. De conclusie luidt dat Argema in geen van de drie onderdelen van het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Dit betekent dat de kantonrechter haar vorderingen terecht heeft afgewezen en dat het vonnis van de kantonrechter zal worden bevestigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Argema in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing in hoger beroep

Het Hof:

bevestigt het in deze zaak door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 7 februari 2006 (A.R. No. 03-3907),

veroordeelt Argema in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Charan, Fungerend-President, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran en mr. A.C. Johanns, Leden en

w.g. A. Charan

door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie op vrijdag 3 december 2021, in tegenwoordigheid van mr. C.R. Tamsiran-Harris, Fungerend-Griffier.

w.g. C.R. Tamsiran-Harris w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen advocaat mr. R.C. Ghogli namens advocaat mr. A.R. Baarh, gemachtigde van appellante, terwijl geïntimeerde noch bij gemachtigde noch bij vertegenwoordiging is verschenen.

SRU-HvJ-2011-6

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

In de zaak van

ARGEMA SLACHTHUIS N.V.,
gevestigd te [plaats 1],
appellante, hierna aangeduid als “Argema”,
gemachtigde: mr. A.R. Baarh, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
zetelende te Paramaribo,
geïntimeerde, hierna aangeduid als “de staat”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het eerste kanton uitgesproken vonnis van 7 februari 2006 (A.R. 033907) tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde,

spreekt de fungerend president, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
• de verklaring van de griffier waaruit blijkt dat Argema op 4 mei 2006 hoger beroep heeft ingesteld;
• pleidooi d.d. 19 maart 2010;
• antwoordpleidooi d.d. 16 april 2010;
• repliekpleidooi d.d. 15 oktober 2010;
• dupliekpleidooi d.d. 3 december 2010.

De beoordeling

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1. De staat heeft in het goedgekeurde Meerjaren Ontwikkelingsplan 1991-1995 aan de Vereniging van Slagerspatronen kenbaar gemaakt dat zij het slachtwezen wilde afstoten. Argema heeft in verband hiermee op een bepaald moment het besluit genomen een nieuw slachthuis te bouwen. Op 28 januari 1998 heeft Argema, door tussenkomst van de Nationale Ontwikkelingsbank (NOB) een overeenkomst tot geldlening gesloten met het Investeringsfonds Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname (IFONS).

1.2. Op 24 augustus 1998 heeft het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV), onder meer, het volgende aan Argema meegedeeld (productie 2 bij het inleidend verzoekschrift):
“In verband met Uw aktiviteiten voor het opzetten van slachthuisfaciliteiten kan ik U meedelen dat mede als voorwaarde voor het verkrijgen van de slachthuisvergunning, gesteld zal worden het beschikken over een adequate slachtafvalverwerking (Rendering plant) waarbij de milieu aspecten een belangrijk beoordelings facet zal zijn.”

1.3. Argema is begonnen met de bouw van de renderingplant. Tijdens de bouw is in Nederland de ziekte BSE uitgebroken onder runderen. In verband hiermee werd het gebruik van slachtafval in veevoer zowel in Nederland als in Suriname verboden. Hierdoor was het zinloos de renderingplant verder af te bouwen.

1.4. Het slachthuis van Argema is op 28 januari 2000 officieel geopend. Op 25 mei 2000 heeft de minister van LVV, op dat moment demissionair, een overeenkomst gesloten met de Vereniging van Islamitische Slagers tot hergebruik van het oude, openbare slachthuis te [plaats 2] .

1.5. De toenmalig Minister van LVV heeft in een brief d.d. 21 november 2002, onder meer, het volgende aan de toenmalig Minister van Financiën meegedeeld (productie 3 bij het inleidend verzoekschrift):
“Eind oktober jl heb ik uw bijzondere aandacht gevraagd voor de op handen zijnde veiling van ARGEMA N.V. in opdracht van de NOB N.V. als beheerder van het IFONS en de NHAS-middelen. Het verkoop-object werd tijdens de veiling niet toegewezen, omdat de aangeboden prijs te laag was. Wij hebben begrepen dat er een nieuwe veilingsdatum is bepaald op 23 december 2002.
Wij zijn op de hoogte dat ARGEMA door overmachtsituatie niet in staat is geweest haar aflossingsverplichtingen na te komen. Het gaat onder andere om het feit dat op 5 augustus 2000 in strijd met de gemaakte afspraken aan de Vereniging van Islamitische Slagers toestemming is gegeven het oude abbatoir te renoveren en daarna in gebruik te nemen, waardoor er sprake is van oneerlijke concurrentie.
Het Ministerie van LVV is samen met PAHO, IICA en CELOS bezig om het disease monitoring systeem in orde te maken. Ondanks het feit dat het afgelopen twee jaar grote vorderingen zijn gemaakt, is het punt nog niet bereikt dat we vlees kunnen exporteren. De verwachting is dat medio 2003 dit zover zal zijn. Hierdoor zal ARGEMA N.V. betere exportmogelijkheden hebben.
ARGEMA N.V. is het beste slachthuis in het Caraibisch gebied en heeft derhalve goede toekomstperspectieven en wij zien dit bedrijf dan ook als een ondersteuning voor de verdere ontwikkeling van de veeteeltsector.
(…)
Wij hebben ARGEMA N.V. voorgehouden bereid te zijn om de afvalverwerkingsunit (de renderingplant) in samenwerking met de overheid te exploiteren gelet op de volksgezondheid en de milieu eisen. Deze plant staat op het terrein van SAIL N.V. die bij het project ook betrokken is, evenals ons onderdirectoraat Visserij. Ter concretisering van het voorstel heb ik bij schrijven dd. 8 november 2002 de Ministers van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu en Volksgezondheid voorstellen gedaan. Het ligt in de bedoeling dat deskundigen van de 3 Ministeries met particuliere ondernemers de afvalverwerking zullen bespreken en de mogelijkheid bekijken om de rendering bij een aparte rechtspersoon onder te brengen al dan niet met medewerking van donoren.
Uit al het voorgaande blijkt dat er hard gewerkt wordt aan een duurzame oplossing van dit probleem. Tijdens de begrotingsbehandeling over het dienstjaar 2003 hebben diverse leden uit De Nationale Assemblee een beroep op de Regering gedaan om alles in het werk te stellen opdat ARGEMA N.V. behouden kan worden voor ons Land.
Ik doe daarom een dringend beroep op U om bij de NOB N.V. aan te dringen rekening te willen houden met bovengenoemde zaken, ARGEMA N.V. de ruimte te geven om uit de problematiek te geraken en de voorgenomen veiling geen voortgang te doen vinden.”

1.6. Op 23 december 2002 zijn de onroerende goederen van Argema bij een openbare veiling verkocht. NOB heeft de onroerende goederen opgekocht voor USD 850.000,00.

2.1. Argema heeft in eerste aanleg gevorderd dat de staat werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 2.852.631,00, vermeerderd met de wettelijke rente alsmede een boeterente ad 2% per maand over een bedrag van USD 1.075.600,00 en een rente ad 8,66% over een bedrag van USD 1.777.031,00, zulks voor wat betreft het bedrag van USD 1.075.600,00 vanaf 24 november 2003 zijnde de dag van rechtsingang en voor wat betreft het bedrag van USD 1.777.031,00 vanaf 23 december 2003, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de staat in de kosten van het geding.

2.2. De kantonrechter heeft het gevorderde afgewezen.

2.3. Argema concludeert in dit hoger beroep tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van haar vorderingen zoals in eerste aanleg ingesteld.

3.1. Uit de aantekening van de griffier op het vonnis van 7 februari 2006 volgt dat Argema noch in persoon, noch vertegenwoordigd door een gemachtigde bij de uitspraak in eerste aanleg aanwezig is geweest. Het vonnis is bij griffiersbrief van 28 april 2006 aan partijen meegedeeld. Nu uit de aantekening van de griffier volgt dat Argema op 4 mei 2006 hoger beroep heeft ingesteld, is dit tijdig geschied.

3.2. Argema voert, kort gezegd, aan dat het opzetten van het nieuwe slachthuis niet rendabel is geweest, doordat de staat bepaalde toezeggingen niet is nagekomen. Hierdoor is Argema er niet in geslaagd haar aflossingsverplichting tegenover NOB na te komen, aldus Argema. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De renderingplant

3.3.1. Argema voert aan dat de staat in 1998 de eis heeft gesteld dat Argema een afvalverwerkingsfabriek zou opzetten (de renderingplant) als oplossing voor het slachtafval. Dit hield in dat het slachtafval werd verwerkt tot veevoer. Door de uitbraak in Nederland van de runderziekte BSE in 1998 heeft de Surinaamse overheid de verwerking van slachtafval in veevoer echter verboden. Hierdoor was het zinloos de renderingplant verder af te bouwen, waardoor Argema schade heeft geleden, aldus Argema.

3.3.2. Het hof is van oordeel dat de uitbraak van BSE, waardoor een verbod op de verwerking van dierlijk materiaal in veevoer noodzakelijk was, een onvoorziene omstandigheid is, die niet aan de staat kan worden toegerekend. De daaruit voortvloeiende schade kan in zoverre niet op de staat worden verhaald. Argema voert evenwel aan dat de staat heeft toegezegd dat zij de renderingplant en de schuld die is ontstaan door de ontwikkeling van de plant zou overnemen, welke toezegging zij niet is nagekomen. Enige onderbouwing van deze toezegging ontbreekt echter. Uit de brief van 21 november 2002 van de Minister volgt weliswaar dat de Minister zijn bereidheid heeft uitgesproken om de renderingplant te gaan exploiteren, maar ook dat hiervoor nog een voorstel moest worden gedaan aan de Ministers van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu en Gezondheid. Dat deze overname daadwerkelijk tot stand zou komen, was op dat moment dan ook allerminst zeker. Nu Argema voor het overige geen omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zij heeft kunnen afleiden dat de staat een toezegging heeft gedaan, heeft Argema niet voldaan aan haar stelplicht. Er is dan ook geen grond om haar toe te laten tot bewijslevering op dit punt. De schade die Argema stelt te hebben geleden dient in zoverre voor haar rekening te blijven.

Export van vlees en Disease Monitoring and Surveillance System

3.3.3. Argema voert aan dat NOB als voorwaarde voor het verkrijgen van een lening heeft gesteld dat Argema deviezen zou genereren en aldus vlees zou exporteren. Gesteld noch gebleken is echter dat de staat, althans het Ministerie van LVV, deze voorwaarde heeft gesteld. Argema voert voorts aan dat zij er niet in is geslaagd om vlees te exporteren, doordat het vereiste Disease Monitoring and Surveillance System (DMSS) nimmer door de staat is opgezet. Dit betreft een systeem om de veiligheid van het vlees te kunnen garanderen. Uit de brief van de Minister van LVV van 21 november 2002 volgt dat de staat zich bezig heeft gehouden met het opzetten van dit systeem. Naar het oordeel van het hof volgt uit de brief dat de staat zich heeft ingespannen om het systeem in te voeren. Gesteld noch gebleken is echter dat de staat heeft toegezegd dat dit systeem binnen een bepaalde tijd zou functioneren. Het enkele feit dat Argema het slachthuis is opgestart in samenspraak met de staat en dat de staat wist dat Argema gehouden was te exporteren om een lening te krijgen, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat Argema ervan uit mocht gaan dat de staat ervoor zou zorgen dat het systeem binnen een bepaalde periode ingevoerd zou zijn. Het had op de weg van Argema gelegen nader aan te geven uit welke omstandigheden zij zulks heeft afgeleid. De brieven van 31 oktober 1994 en 31 mei 2001, waarnaar zij in de conclusie van repliek heeft verwezen, zijn niet in het geding gebracht, terwijl Argema evenmin heeft aangevoerd wat de inhoud van deze brieven is en wat zij daaruit heeft afgeleid. Uit het voorgaande volgt dat Argema niet heeft voldaan aan haar stelplicht, zodat zij niet wordt toegelaten tot bewijslevering.

Slachthuis [plaats 2]

3.3.4. Argema voert aan dat de staat de verwachting heeft gewekt dat het openbare slachthuis te [plaats 2] definitief zou worden gesloten en dat – binnen een bepaalde aanloopperiode – aan geen enkele andere slachterij een vergunning zou worden verleend. Vaststaat dat de staat in het Meerjaren Ontwikkelingsplan 1991-1995 kenbaar heeft gemaakt dat zij voornemens was om het slachtwezen af te stoten. Argema voert aan dat zij naar aanleiding hiervan gesprekken is aangegaan met de staat om een particulier slachthuis in Suriname op te zetten. Vaststaat dat de Minister van LVV in mei 2000 de Vereniging van Islamitische Slagers toch een vergunning heeft verleend om het slachthuis te [plaats 2] wederom te gaan exploiteren. Argema voert aan dat zij hierdoor schade heeft geleden. De staat betwist dat zij aan Argema heeft toegezegd, althans bij haar de verwachting heeft gewekt dat zij het enige slachthuis zou zijn dat een vergunning zou krijgen. Gelet op deze betwisting wordt Argema, conform haar aanbod, in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren als na te melden.

3.3.5. Voor zover Argema mocht slagen in haar bewijsopdracht als hiervoor omschreven, overweegt het hof thans reeds als volgt. Vooralsnog staat naar het oordeel van het hof onvoldoende vast dat Argema door de heropening van het slachthuis te [plaats 2] schade heeft geleden. Hiervoor dient immers vast te staan dat in dit slachthuis concurrerende werkzaamheden werden verricht. Argema heeft aangevoerd dat zij zich voornamelijk of geheel richtte op de export van vlees, omdat zij deviezen moest genereren. Gesteld noch gebleken is echter dat de islamitische slagers hun vlees eveneens exporteerden. Dit ligt naar het oordeel van het hof ook niet voor de hand, aangezien het slachthuis te [plaats 2] is gesloten, omdat het sterk was verouderd en bovendien vaststaat dat het DMSS-systeem nimmer van de grond is gekomen, zodat export vanuit Suriname sowieso niet mogelijk was. Daarnaast heeft de staat aangevoerd dat [plaats 2] eerst in augustus 2002 is heropend. Op dat moment verkeerde Argema al in betalingsproblemen. Gelet op deze omstandigheden acht het hof voorshands onvoldoende aannemelijk dat het produceren voor de lokale markt de betalingsproblemen van Argema had kunnen tegengaan, nu Argema de lening diende af te betalen door middel van deviezen, welke niet op de lokale markt kunnen worden gegenereerd. Argema dient dan ook, conform haar aanbod, bewijs te leveren van haar stelling dat zij door de heropening van het slachthuis te [plaats 2] schade heeft geleden. Uit proceseconomisch oogpunt wordt zij daartoe thans reeds in de gelegenheid gesteld.
Argema voert voorts aan dat de staat haar heeft verboden te produceren voor de lokale markt, hetgeen de staat betwist. Zij wordt in de gelegenheid gesteld ook van deze stelling bewijs te leveren.

3.3.6. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing in hoger beroep

Het hof:

draagt Argema op om door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, bewijs te leveren van haar stelling:

a. dat de staat heeft toegezegd, althans de verwachting heeft gewekt dat voor een bepaalde aanlooppperiode alleen aan Argema, met uitsluiting van ieder ander slachthuis, een vergunning voor de exploitatie van een openbaar slachthuis zou worden verleend;
b. dat Argema door de heropening van het slachthuis te [plaats 2] schade heeft geleden;
c. dat de staat Argema heeft verboden vlees te produceren voor de lokale markt;

bepaalt dat het getuigenverhoor wordt gehouden op Vrijdag 17 juni 2011 om 11.00 uur in raadkamer van het hof zitting houdende aan de Grote Combéweg 2 te Paramaribo;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door: mr. R.G. Rodrigues, Fungerend-President, mr. A. Charan, Lid en mr. S.S.S. Wijnhard, Lid-Plaatsvervanger en door de Fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van Vrijdag, 15 april 2011, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein w.g. R.G. Rodrigues

Partijen, appellante vertegenwoordigd door zijn gemachtigde advocaat, mr. Baarh en geïntimeerde vertegenwoordigd door advocaat mr. Peterhof namens zijn gemachtigde, advocaat mr. Truideman, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,
mr. M.E. van Genderen-Relyveld.

SRU-HvJ-2021-21

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 70 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 70 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 27 mei 2021 door mr. A. Ramlakhan, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om conform art. 70 WvSv de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd te willen schorsen en de onmiddellijke invrijheidstelling te willen gelasten van de verzoeker eerder genoemd;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 27 mei 2021, waarbij de behandeling van dit verzoek is bepaald voor woensdag 02 juni 2021 om 11.30 uur des voormiddags, welke datum en tijdstip naderhand is gewijzigd naar woensdag 16 juni 2021 om 11.30 uur;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Ramlakhan, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, als Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. 16 juni 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog primair heeft aangegeven –verkort en zakelijk weergegeven- dat de raadsman een verzoek ex artikel 70 WvSv heeft gedaan bij het Hof terwijl artikel 74 lid 2 WvSv expliciet aangeeft dat het verzoek tot schorsing van een bevel tot bewaring of tot verlenging van de bewaring, daar waar het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen, gegeven wordt door de Rechter-Commissaris. In casu zit de verdachte thans in de bewaringsfase en zal er spoedig een vordering tot verlenging van de bewaring worden gevorderd door de vervolgingsambtenaar. Derhalve kan gesteld worden dat de verzoeker bij de Rechter-Commissaris zijn verzoek moest hebben gedaan in stede van het Hof. De vervolging vraagt derhalve om de verzoeker niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek. Secundair voert de vervolging aan dat de ernstige bezwaren aanwezig zijn, er gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid bestaan en de rechtsorde geschokt is door de handelingen van verzoeker terwijl verzoeker reeds eerder in aanraking is gekomen met de Nederlandse politie ter zake het telen van marihuana. De vrees voor herhaling wordt dus aanwezig geacht door de vervolging;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op 11 april 2021 is aangehouden en in verzekering is gesteld ter zake verdenking van het hebben begaan van strafbare feiten zoals genoemd in de artikelen 2 lid 1a en b sub A, B en C; art. 2 lid 1a en b sub A, B en C jo 11 van de Wet Verdovende Middelen. Verzoeker zit derhalve al bijkans twee maanden in detentie en de kern van zijn betoog strekt ertoe dat uit een telefonisch gesprek tussen de Hulp Officier van Justitie, Inspecteur Toluud, en de kantoorgenoot van de advocaat van verzoeker, is gebleken dat verzoeker positief is getest op het Corona virus, echter kan voornoemde hulpofficier daarvoor geen schriftelijk bescheid geven omdat hij de bevoegdheid mist, hetgeen ook is mede gedeeld aan de piket Officier mr. Gravenbeek, namelijk dat drs. Moenisser bij verzoeker heeft vastgesteld dat hij Covid besmet is. Het is een feit van algemene bekendheid dat genezing van deze virusbesmetting, slechts in isolatie kan geschieden hetgeen onmogelijk is in het cellenhuis, immers is er een poging ondernomen om deze positieven onder te brengen in een van de cellenhuizen; echter is dit geweigerd zoals gemeld in de dagbladen. Een tweede poging om deze positieven in een ander cellenhuis onder te brengen is tot nog toe, althans bij het schrijven van dit verzoekschrift niet gelukt. Dit verzoekschrift heeft mede ten doel om het vervolgingsrecht van het OM niet illusoir te maken, immers de dood van de verdachte kan resulteren in een niet ontvankelijkheid van het OM.;

Overwegende, dat naar het oordeel van het Hof het primair verweer van de vervolging doel treft. Immers blijkt uit het onderzoek in raadkamer dat verzoeker zich nog in de bewaringsfase bevindt en diende verzoeker derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 74 lid 2 WvSv het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis te richten tot de rechter-commissaris als bevoegde rechter en heeft verzoeker derhalve bij het Hof aan het verkeerde loket aangeklopt;

Het Hof is van oordeel dat – gelet op al het voorgaande – verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek. Aan bespreking van hetgeen voorts is aangevoerd door de verdediging en de vervolging komt het Hof niet toe;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker, [Naam], niet ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 juni 2021 door: mr. A. Charan, fungerend – president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden – plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc fungerend-griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-20

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 04 juni 2021 door mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om met toepassing van artikel 61 SV zijn onmiddellijke invrijheidstelling te gelasten, daar er geen gronden aanwezig zijn voor het verleende bevel tot bewaring;

Gelet op ’s Hofs beschikking waarbij de behandeling van dit verzoekschrift is bepaald voor woensdag 16 juni 2021 om 12.00 uur des middags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Rambharos, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, als Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. 16 juni 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat verzoeker op 09 maart 2021 in verzekering is gesteld terzake de strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70; 347 jo 70; 362; 362 jo 70; 360 van het Wetboek van Strafrecht. Op 15 maart 2021 is de inverzekeringstelling van verzoeker verlengd met dertig dagen ingaande 16 maart 2021. Vervolgens is er een bevel bewaring verleend door de rechter-commissaris voor de duur van dertig dagen;

Overwegende, dat het Hof tot de slotsom komt dat uit het ingesteld politioneel onderzoek is gebleken dat verzoeker erkent een schot te hebben gelost in de richting van het lichaam van het latere slachtoffer ten gevolge waarvan die letsel heeft bekomen. De omstandigheden waaronder hij tot deze daad is overgegaan plaatst verzoeker in een bepaalde feitelijke context hetwelk noodweer casu quo noodweerexces zou rechtvaardigen. Evenwel blijken de ooggetuigen deels de verklaring van verzoeker te ondersteunen terwijl er ook ooggetuigen zijn die een relaas geven die haaks op de verklaring van verzoeker staan. Het voorgaande rechtvaardigt in de visie van het Hof het oordeel dat het een en ander nader dient te worden onderzocht op de terechtzitting terwijl vooralsnog de ernstige bezwaren aanwezig worden geacht. De raadkamerprocedure biedt in dit kader geen ruimte voor uitgebreid feitenonderzoek. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd rechtvaardigt in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom dat een onverwijlde continuering van verzoeker’s vrijheidsbeneming gerechtvaardigd is

Gelet op voormelde overwegingen zal het Hof het verzoek afwijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel;

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek van de verzoeker, [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 16 juni 2021 door: mr. A. Charan, fungerend – president, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, leden – plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc fungerend – griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-19

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 30 maart 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoekster, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoekster voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 06 april 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 april 2021 om 12.00 uur des middags;

Gehoord de verzoekster, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. S. Mahadew, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 april 2021;

Overwegende, dat de verzoekster in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en haar raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoekster op 18 juli 2019 in verzekering is gesteld. De verzoekster is op 13 juli 2002 door de Kantonrechter in het Tweede en het Derde Kanton veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren terzake overtreding Wet Verdovende Middelen. Volgens de vervolging zal verzoekster pas in november 2022 twee/derde deel van de opgelegde straf hebben uitgezeten. De verzoekster heeft onder overlegging van een medische verklaring aangegeven dat zij gezondheidsproblemen heeft en dat haar detentie een negatieve invloed heeft op haar nogal zeer kritieke gezondheidstoestand. Voorts is gebleken dat verzoekster sinds 04 december 2020 naar de dermatoloog was verwezen, maar pas op 11 maart 2021 naar de dermatoloog is gebracht. Op 23 maart 2021 moest verzoekster voor de tweede keer een operatie ondergaan en is tot heden niet naar de ziekenhuis gebracht. In detentie krijgt verzoekster behalve pijnstillers en paracetamol geen andere medicatie toegediend en wanneer zij recepten krijgt, dan duurt het een tijdje voordat zij van medicijnen wordt voorzien. In de visie van het Hof heeft verzoekster voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gezondheidsproblemen heeft die maken dat zij heel moeilijk de detentie kan ondergaan aangezien de gezondheidszorg in detentie, gelet op haar aandoeningen, niet adequaat genoemd kan worden. Eveneens heeft verzoekster gesteld dat zij is verzekerd via het Staatsziekenfonds en haar medische behandelingen sneller en op tijd kan laten doen als haar voorlopige hechtenis wordt opgeheven;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat – gelet op al het voorgaande – het verzoek van verzoekster op basis van humanitaire gronden voor toewijzing in aanmerking komt.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoekster [Naam];

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 april 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-18

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op donderdag 05 augustus 2021 door mr. K. Bhoendie, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 10 augustus 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor maandag 16 augustus 2021 om 12.30 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. K. Bhoendie, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. maandag 16 augustus 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de verdediging in zijn verzoekschrift heeft aangegeven dat de verzoeker op 16 februari 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden onder aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest is doorgebracht. Voorts geeft de verdediging aan dat de verzoeker op 27 augustus 2021 twee/derde deel van de opgelegde straf zal hebben uitgezeten. De verdediging vraagt om het verzoek tot voorlopige hechtenis toe te wijzen op basis van humanitaire redenen en om handlichting te verlenen aan verzoeker, daar er geen hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter.

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat er geen hoger beroep is aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Op basis daarvan vraagt de Waarnemend Procureur – Generaal om verzoeker niet ontvankelijk te verklaren;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker op 16 februari 2021 door de kantonrechter in het Derde Kanton is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden onder aftrek van de tijd die reeds door hem in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 01 november 2020, doch heeft de verzoeker tegen het vonnis van de kantonrechter in het Derde Kanton geen hoger beroep aangetekend met als gevolg dat het voornoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

Overwegende, dat verzoeker in de visie van het Hof thans bezig is de door de kantonrechter in het Derde Kanton opgelegde straf uit te zitten, tegen welk vonnis er geen hoger beroep is aangetekend waardoor dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Om deze reden komt aan verzoeker geen recht toe om een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis te doen op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, nog daar gelaten het antwoord op de vraag of verzoeker al dan niet reeds twee/derde deel van de aan hem in het Derde Kanton opgelegde straf heeft uitgezeten. Verzoeker zal weshalve niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het door hem gedane verzoek;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op maandag 16 augustus 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-17

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op maandag 19 juli 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. vrijdag 23 juli 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 juli 2021 om 14.15 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. C. Rasam, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 juli 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de verdediging in haar verzoekschrift heeft gesteld dat de verzoeker op 08 juli 2021 door de kantonrechter is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Daarnaast heeft de verdediging gesteld, dat de verzoeker hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de kantonrechter en tot heden geen zicht heeft op behandeling van de zaak in hoger beroep. Vervolgens geeft de verdediging aan dat de verzoeker reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten. Op basis van het voorgaande vordert de verdediging opheffing van de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd;

Overwegende, dat de vervolging tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat zij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek van de verzoeker, daar hij reeds twee/derde deel van de opgelegde straf heeft uitgezeten en er nog geen zicht is op behandeling van zijn zaak in hoger beroep.

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker door de kantonrechter is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die door hem reeds in voorarrest was doorgebracht, te weten vanaf de dag van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2019. Voorts is gebleken dat verzoeker tegen voormelde vonnis, het rechtsmiddel van hoger beroep heeft aangewend en tot op heden geen zicht heeft op de behandeling van de zaak in hoger beroep.

Overwegende, dat volgens de vaste gedragslijn van het Hof een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt ingewilligd, indien er nog geen zicht is op de behandeling van de zaak in hoger beroep en verzoeker reeds twee/derde deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten, ongeacht of de gronden van het bevel tot voorlopige hechtenis nog aanwezig worden geacht;

Overwegende, dat ten tijde van de behandeling in Raadkamer de verzoeker reeds twee derde deel van de aan hem opgelegde straf heeft uitgezeten, terwijl er geen zicht is op behandeling van de zaak in Hoger Beroep. Naar het oordeel van het Hof is de consequentie van het voorgaande volgens de vaste gedragslijn van het Hof dat het verzoek voor toewijzing in aanmerking dient te komen.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker [Naam];

Heft op het bevel tot gevangenhouding van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 juli 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-16

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op dinsdag 09 februari 2021 door mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen en hem onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. woensdag 10 februari 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 17 februari 2021 om 14.30 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. G. Paragsingh, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 17 februari 2021;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;
Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal in haar mondelinge reactie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek van de verzoeker, daar hij voldoende is gestraft en zich in detentie moeilijk kan verplaatsen;

Overwegende, dat uit het onderzoek in Raadkamer is gebleken dat verzoeker op 10 november 2020 in verzekering is gesteld en reeds is gedagvaard voor de zitting in eerste aanleg op 04 februari 2021. Achteraf is de datum van eerste behandeling uitgesteld met een tussenpoos van bijkans twee maanden tot de zitting van 01 april 2021. Voorts is gebleken dat verzoeker twee inschoten in zijn bovenbeen en een uitschot in zijn bekken heeft gehad waardoor hij zich in detentie moeilijk kan verplaatsen en veel last heeft van pijnen. Tevens is gebleken dat er geen dringende redenen van maatschappelijke veiligheid of gevaar voor vlucht aanwezig zijn, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verzoeker vorderen. In de visie van het Hof heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat hij gezondheidsproblemen heeft die maken dat hij de detentie heel moeilijk kan ondergaan. Het Hof heeft eveneens acht geslagen op de jeugdige leeftijd van verzoeker;

Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat – gelet op al het voorgaande – het verzoek van verzoeker op basis van humanitaire gronden voor toewijzing in aanmerking komt.

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst toe het verzoek van de verzoeker [Naam];

Heft op het bevel tot gevangenhouding van [Naam];

Gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 17 februari 2021 door: mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc Fungerend – Griffier, mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2021-15

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het schrijven ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie op woensdag 31 maart 2021 door mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoekster, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoekster voornoemd op te heffen en om haar onmiddellijk lijfelijk in vrijheid te doen stellen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. dinsdag 06 april 2021, waarbij de behandeling van het verzoek is bepaald voor woensdag 28 april 2021 om 11.00 uur des voormiddags;

Gehoord de verzoekster, bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. M.C.M. Nibte, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. A. Niamat, Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. woensdag 28 april 2021;

Overwegende, dat de verzoekster in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens haar ingediende verzoekschrift en haar raadsvrouw eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud hier als geïnsereerd beschouwd;
Overwegende, dat de waarnemend Procureur – Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoekster overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Overwegende, dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de zaak reeds in behandeling is bij Kantonrechter in eerste aanleg. Het Hof is van oordeel dat ten aanzien van de door verzoekster aangevoerde punten betreffende de twijfels omtrent de geloofwaardigheid van het obductierapport, deze bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aan de orde dienen te worden gesteld en zich er niet voor lenen om in raadkamer naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering te worden onderzocht en/of beoordeeld. Ook het in de wet verankerde anticipatiegebod leidt niet tot toewijzing van het verzoek;

Overwegende, dat het Hof voorts van oordeel is dat – mede gelet op het voorgaande – het verzoek van de verzoekster dient te worden afgewezen aangezien de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd nog bestaan;

Overwegende, dat het Hof dan ook geen grond aanwezig acht voor opheffing van de voorlopige hechtenis;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 28 april 2021, door mr. A. Charan, Fungerend – President, mr. S. Punwasi en mr. J. Kasdipowidjojo, Leden – Plaatsvervangers, bijgestaan door mr. M. Behari, ad hoc Fungerend – Griffier.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. S. Punwasi
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)

SRU-HvJ-2020-50

HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

BESCHIKKING INZAKE VERZOEK EX ARTIKEL 61 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Gelezen het verzoekschrift ex artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend ter Griffie van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) op 02 december 2020 door mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie, namens de verzoeker, [Naam], met het verzoek om de voorlopige hechtenis van verzoeker voornoemd op te heffen;

Gelet op ’s Hofs beschikking d.d. 03 december 2020, waarbij de behandeling van dit verzoekschrift is bepaald voor maandag 14 december 2020 om 15.00 uur des namiddags;

Gehoord de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.R. Lobo, advocaat bij het Hof van Justitie;

Tevens gehoord mr. G. Paragsingh, als Waarnemend Procureur-Generaal, namens het Openbaar Ministerie;

Gezien de overige zich in het raadkamerdossier bevindende bescheiden, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek in raadkamer d.d. 14 december 2020;

Overwegende, dat de verzoeker in het kader van het verhoor in Raadkamer heeft gepersisteerd bij de inhoud van het namens hem ingediende verzoekschrift en zijn raadsman eveneens, na die te hebben toegelicht, zoals in het opgemaakt proces-verbaal is gerelateerd, wordende de inhoud daarvan hier als geïnsereerd beschouwd;

Overwegende, dat de Waarnemend Procureur-Generaal tijdens haar betoog heeft aangegeven – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – dat de ernstige bezwaren ten aanzien van verzoeker overeind staan weshalve de vervolging zich verzet tegen het inwilligen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling;

Overwegende, dat uit het politiestrafdossier is gebleken dat verzoeker op 15 oktober 2020 in verzekering is gesteld terzake de strafbare feiten zoals genoemd in de artikelen 372 jo 72 jo 73; 381; 382 van het Wetboek van Strafrecht. Op 21 oktober 2020 is de inverzekeringstelling van verzoeker verlengd met dertig dagen ingaande 22 oktober 2020. Vervolgens is er op 20 november 2020 een bevel bewaring verleend door de rechter-commissaris met ingang van 21 november 2020 voor de duur van dertig dagen;

Overwegende, dat het Hof kennis heeft genomen van het politiestrafdossier en tot de slotsom is gekomen dat er ernstige bezwaren tegen verzoeker zijn gerezen die een continuering van de vrijheidsbeneming van verzoeker rechtvaardigen. Immers waren er al indicaties dat de verklaringen van verzoeker hiaten vertoonden en niet synchroon liepen met de verklaringen van de aangever en diens echtgenote. Vervolgens bleek dat de camerabeelden bij Yokohama N.V. en het Safe Cityproject niet overeen komen met de inhoud van de verklaringen die de verzoeker bij de politie heeft afgelegd omtrent de gevolgde route met het door hem bestuurde voertuig. Daarnaast blijkt verzoeker ook getracht te hebben de artsen te bewegen om hun bevindingen synchroon te laten lopen met zijn relaas. Het door de politie opgemaakt aanvullend dossier heeft geen materiaal opgeleverd dat de verklaring van verzoeker dat hij zelf slachtoffer zou zijn geweest van een beroving in enige mate ondersteunt.

Overwegende, dat het door verzoeker gedaan beroep op humanitaire gronden evenmin tot honorering van het verzoek aanleiding geeft. Een afweging van de in geding zijnde belangen, te weten het individueel (gezondheids-)belang van verzoeker afgezet tegen het algemeen belang van de samenleving bij normhandhaving door berechting, doet de balans vooralsnog in de visie van het Hof in de richting van de samenleving uitslaan. Niet is gebleken dat verzoeker momenteel fysiek niet in staat is om de detentie te ondergaan.

Overwegende, dat al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, in de visie van het Hof vooralsnog de slotsom rechtvaardigen dat er ernstige bezwaren zijn gerezen ten aanzien van verzoeker welke een onverwijlde continuering van zijn vrijheidsbeneming rechtvaardigen;
Gelet op voormelde overwegingen zal het Hof het verzoek van verzoeker afwijzen;

Gezien het betrekkelijke wetsartikel;

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek van de verzoeker, [Naam];

Aldus gegeven te Paramaribo in Raadkamer van het Hof van Justitie op dinsdag 15 december 2020 door: mr. A. Charan, fungerend – president, mr. D.G.W. Karamat Ali, lid en mr. J. Kasdipowidjojo, lid – plaatsvervanger, bijgestaan door de ad hoc fungerend-griffier mr. M. Behari.

w.g. M. Behari w.g. A. Charan
w.g. D.G.W. Karamat Ali
w.g. J. Kasdipowidjojo

Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,
(mr. M.E. van Genderen – Relyveld)