SRU-K1-2025-10

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR no. 202504949

31 december 2025

 

vonnis in de kort geding zaak van:

a. PINNACLE TIMBER PRODUCTS NV,

b. GREEN WOOD WORLD NV,

c. HARMONY TIMBER NV,

d. WINTRIP INTERNATIONAL NV,

e. BAKHUIS FOREST NV,

f. ATLANTIC ASIA RESOURCES NV

allen gevestigd te Paramaribo en in het district Wanica,

hierna te noemen: Pinnacle Timber Products NV e.a.,

gemachtigden: mr. drs. Boedhoe, Shiraz en mr. Joan M. Nibte

 

tegen

 

DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, VEETEELT EN VISSERIJ, in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, gevestigd te Paramaribo te diens Parkette aan de Limesgracht no 92

gevestigd te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat.

gemachtigden: S. Nanda LLB en mr. D. Jairam, verbonden aan het Bureau Landsadvocaten.

  1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en/of handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 29 december 2025 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 30 december 2025;
  • de mondelinge akte van eiswijziging;
  • de mondelinge conclusie van antwoord en uitlating eiswijziging;
  • het proces-verbaal van het mondeling afpleiten van de gemachtigden van partijen d.d. 30 december 2025.

1.2. De uitspraak is hierna bepaald op heden.

  1. De feiten

2.1 Pinnacle Timber Products NV e.a. zijn professionele houtexporteurs, die reeds jaren structureel rondhout exporteren naar India. Voor de uitvoer van hout naar India is het fytosanitaire certificaat een essentiële en onmisbare schakel in de exportketen.

2.2 Zonder een door het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (voortaan LVV) afgegeven fytosanitaire certificaat is het voor Pinnacle Timber Products NV e.a. onmogelijk om bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken (voortaan KKF) een Certificaat van Oorsprong te verkrijgen. Dit document is nodig voor internationale handel en inklaringen in India.

2.3 De Staat met name LVV heeft gedurende de afgelopen jaren aan houtexporteurs die daaraan voldoen, i.c. aan Pinnacle Timber Products NV e.a. een fytosanitair certificaat afgegeven, voor de export van verschillende houtspecies. Op het fytosanitaire certificaat werden de verschillende houtspecies aangeduid met de verzamelterm ”Mora roundlogs”.

2.4 LVV weigert thans de afgifte van het fytosanitaire certificaat aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de jarenlang gehanteerde benaming ”Mora roundlogs” te verstrekken. Pinnacle Timber Products NV e.a. kregen op 27 oktober 2025 een schriftelijke mededeling van de Staat, waarin o. a. is aangegeven dat ter waarborging van de integriteit van de National Plant Protection Organization (verder NPPO) van Suriname, met ingang van die datum bepaalde vereisten voor de export van hout en houtproducten, s  trikt nageleefd dienen te worden. Als gevolg hiervan kunnen Pinnacle Timber Products NV e.a. geen Certificaat van Oorsprong van KKF verkrijgen. De inklaring van het rondhout in India kan zonder een fytosanitair certificaat niet plaatsvinden.

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Pinnacle Timber Products NV e.a. verzoeken de kantonrechter – na eiswijziging – om in vonnis in kort geding:

Primair:

a. de Staat te veroordelen, c.q. te gelasten om binnen één (1) x 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de vereiste fytosanitaire certificaten eenmalig ter beperking van de door Pinnacle Timber Products NV e.a. te lijden schade af te geven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. voor alle reeds uitgevoerde en thans onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India;

b. te bepalen dat deze certificaten, conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, worden afgegeven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de benaming ”Mora roundlogs”;

c. aan het gevorderde onder a en b een dwangsom te verbinden van SRD 5.000.000,- (vijf miljoen Surinaamse Dollar) per uur en of elke keer dat de Staat hierin weigerachtig of nalatig is;

Subsidair:

a. de Staat te veroordelen c.q. te gelasten om binnen één (1) x 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, schriftelijk vast te stellen dat de graceperiode voor houtexporten onder de naam Mora roundlogs” wordt verlengd tot en met 15 januari 2026 of tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn;

b. aan het gevorderde onder a en b een dwangsom te verbinden van SRD 5.000.000,- (vijf miljoen Surinaamse Dollar) per uur en of elke keer dat de Staat hierin weigerachtig of nalatig is;

Primair en subsidiair:

a. de Staat te veroordelen in de proceskosten;

b. indien nodig, een of meer beslissingen te nemen zoals het de kantonrechter geraden voorkomt desnoods met aanvulling van de rechtsgronden;

c. het vonnis tot uitvoerbaar bij voorraad te verklaren op de minuut en op alle dagen en uren.

3.2 Pinnacle Timber Products NV e.a. leggen – zakelijk weergeven – aan hun vorderingen ten grondslag dat door de Staat Suriname, in het bijzonder LVV, gedurende langere periode een consistent, kenbaar en ononderbroken beleid is gevoerd, waarbij aan Pinnacle Timber Products NV e.a. en andere exporteurs in gelijke positie, fytosanitaire certificaten zijn afgegeven voor de export van rondhout naar India, onder de benaming ”Mora roundlogs”. Deze langdurige en consequente praktijk kan als bestendig gebruik worden gekwalificeerd en heeft bij Pinnacle Timber Products NV e.a. een opgewekt en gerechtvaardigd vertrouwen doen ontstaan, dat ook bij voortzetting van hun reguliere exportactiviteiten, zoals bij alle voorgaande exporten, door de Staat wederom de vereiste fytosanitaire certificaten zouden worden verstrekt.

3.3 Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben hun bedrijfsvoering, internationale contracten en financiële verplichtingen aantoonbaar afgestemd op dit bestendig overheidsoptreden. Onder deze omstandigheden mochten zij er redelijkerwijs op vertrouwen dat de Staat dit beleid niet plotseling, zonder voorafgaande aankondiging, zonder deugdelijk grondslag en zonder overgangsregeling, zou wijzigen.

3.4 Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben elk de vereiste Mora-certificaten zoals gebruikelijk bij LVV aangevraagd, doch de Staat weigert thans om de benodigde certificaten onder de zogeheten naam “Mora roundlogs” af te geven. Een reeds maandenlang voorbereide en uitgevoerde verscheping die thans onderweg is naar India, met een volume van 15.380,485 kubieke meter rondhout zal op 01 januari 2026 in de haven van India te Deendayal Port Kandla aankomen, zonder een fytosanitair certificaat. Die lading zal niet kunnen worden ingeklaard met als gevolg veel schade voor Pinnacle Timber Products NV.

3.5 Bij dat besluit van de Staat is totaal geen rekening gehouden met de op dat moment reeds gepleegde voorbereidingen door Pinnacle Timber Products NV e.a. in verband met de verscheping van het rondhout naar India, welke voorbereidingen ruim vóór 27 oktober 2025 zijn gepleegd en niet zonder meer kunnen vallen onder deze abrupte beleidsinstructie van de Staat. Zo heeft bijvoorbeeld Green Wood World NV op 25 augustus 2025 een exportcontract gesloten met een koper. Een voorschot van de koper werd ontvangen op 15 september 2025, waarna deze koper alle voorbereidingen heeft getroffen om volgens het exportcontract een schip bij een reder te huren. Op 6 november 2025 werd een Letter of Credit (LC) geopend. De LC fungeert als bankgarantie waarbij betaling plaatsvindt, zodra de exporteur de vereiste documenten via zijn bank overlegt aan de bank van de koper. Omdat de fytosanitaire certificaten en Certificaten van Oorsprong ontbreken, is niet voldaan aan de documentvoorwaarden en is betaling tot op heden uitgebleven, ondanks het feit dat het schip reeds op 1 januari 2026 zal aankomen in Deendayal Port (Kandla), India. De LC heeft hierdoor feitelijk zijn functie verloren.

3.6 Lopende internationale verplichtingen die Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben kunnen niet worden nagekomen. Grote investeringen die Pinnacle Timber Products NV e.a. reeds hebben gepleegd dreigen verloren te gaan en reeds voorbereide exporten raken totaal gefrustreerd. Pinnacle Timber Products NV e.a. lijden op deze wijze grote schade waardoor de continuïteit van hun ondernemingen in groot gevaar komt te staan. Ook hebben deze exporteurs reeds maanden terug substantieel geïnvesteerd in het oogsten, verwerken en gereedmaken van houtblokken voor export. Als zij deze lading niet tijdig kunnen exporteren, c.q. leveren aan de koper, dan kunnen zij daardoor niet beschikken over hun eigen gelden, hetgeen leidt tot ernstige liquiditeitsproblemen en financiële druk.

3.7 Het spoedeisend belang is evident en actueel, nu Pinnacle Timber Products NV e.a. door het uitblijven van de certificering direct worden geconfronteerd met ernstige economische schade, contractuele aansprakelijkheid en onomkeerbare reputatieschade, alsook dreigende faillissementen. Het niet kunnen inklaren leidt tot contractbreuk jegens vaste afnemers, het ontstaan van boetes en schadeclaims, alsmede het reële risico van internationale geschillen en arbitrageprocedures. Vanwege het ontbreken van de vereiste fytosanitaire certificaten zal er geen inklaring kunnen plaatsvinden, waardoor dagelijks demurragekosten van $ 16.500,- per dag in rekening zullen worden gebracht.

3.8 Pinnacle Timber Products NV e.a. wensen alleen voor deze keer in het bezit gesteld te worden van een fytosanitair certificaat vanwege de reeds voorbereide en verscheepte hoeveelheid rondhout. Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben deze kwestie uitvoerig besproken met de Staat, o.a. de minister van LVV die geen oor heeft voor het nijpend en acuut probleem waarmee Pinnacle Timber Products NV e.a. thans te kampen hebben. Er rest Pinnacle Timber Products NV e.a. niets anders dan een vordering in kort geding tegen de Staat in te stellen met het verzoek een voorziening te treffen ter beperking van hun te lijden aanzienlijke en onomkeerbare schade.

3.9 Gelet op deze omstandigheden hebben Pinnacle Timber Products NV e.a. er spoedeisend belang bij dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt gegeven.

3.10 De Staat voert verweer stellende – zakelijk weergegeven – dat ze op 27 oktober 2025 een schriftelijke algemene bekendmaking stuurde naar alle houtexporteurs waarin o. a. is aangegeven dat ter waarborging van de integriteit van de NPPO van Suriname, met ingang van die datum bepaalde vereisten voor de export van hout en houtproducten, strikt nageleefd dienen te worden.

3.11 Op de verdere stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter hierna, zover nodig ingaan.

  1.  De beoordeling

Spoedeisend belang en noodzaak verkort vonnis 

4.1 Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 226 lid 1 Rv). Hiervan is sprake als er onmiddellijke maatregelen nodig zijn en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Pinnacle Timber Products NV e.a. hebben hun spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering ter zitting voldoende onderbouwd. Zij hebben onder meer gesteld dat hun vrachtschip met hun lading aan hout praktisch voor de haven in India voor anker ligt en dat dit ingeklaard moet worden. Indien de vereiste documenten niet vóór 01 januari 2026 voorhanden zijn, zullen Pinnacle Timber Products NV e.a. grote schade lijden waardoor de continuïteit van hun ondernemingen in groot gevaar komt te staan. Aangezien het spoedeisend belang gemotiveerd is gesteld en niet is betwist, worden Pinnacle Timber Products NV e.a. in hun vordering in kort geding ontvangen.

4.2 Gegeven het gesteld en niet betwist spoedeisend belang is beslist om op de dag van de behandeling van onderhavige zaak op 30 december 2025 een uitspraak te doen bij wege van gelijk te verstrekken verkort vonnis, in het belang van een voorspoedige executie van het vonnis. Aldus geschiedde en wordt hier het vonnis met de overwegingen voltooid.

De regels en procedures werden niet strikt nageleefd

4.3 Voor de export van planten en plantaardige producten vanuit Suriname is volgens de Plantenbeschermingswet van Suriname van S.B. 2020 no. 78 een fytosanitair certificaat vereist. Pinnacle Timber Products NV e.a. zijn houtexporteurs, die reeds jaren rondhout exporteren naar India. Voor de uitvoer van hout naar India is dus dat fytosanitaire certificaat een noodzakelijke vereiste. De Staat weigert thans de afgifte van het fytosanitaire certificaat aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de jarenlang gehanteerde benaming ”Mora roundlogs” te verstrekken.

4.4 Volgens Pinnacle Timber Products NV e.a. gebeurt het al langer dan 15 jaar dat de Staat het fytosanitaire certificaat aan houtexporteurs afgeeft waarbij verschillende houtsoorten aangeduid werden met de verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood”. Volgens de Staat gebeurde dat inderdaad maar is de periode korter en wel 5 tot 6 jaar. Tevens is er volgens de Staat een document inhoudende 289 houtsoorten en houtproducten die naar India geëxporteerd mogen worden. Daarvan komen maar vier in Suriname voor en wel Mora wood (Maclura tinctoria), Groenhart, Purperhart en Mahoniehout. Echter worden andere houtsoorten al vele jaren naar India verscheept onder de verzamelterm “Mora wood” terwijl dat niet toegestaan is. In het jaar 2022 heeft de NPPO van India op een vraag van de NPPO van Suriname daarover, bevestigd dat de wetenschappelijke naam Maclura tinctoria alleen wordt gebruikt voor Mora Wood en niet voor andere houtsoorten. In hun e-mailbericht gedateerd 01 september 2020 meldt die NPPO althans “India’s Ministry of Agriculture & Farmers Welfare” dat er geen verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood” bestaat. De Staat concludeert dan ook dat de andere houtsoorten die onder die (verzamel)benaming naar India worden verscheept daar verboden houtsoorten zijn althans die mogen daar niet geïmporteerd worden.

4.5 Het is daarom de vraag waarom deze werkwijze, met name het hanteren van de verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood” ook voor andere houtsoorten, al jaren wordt gehanteerd door de houtexporteurs maar ook door de Staat. Want na het e-mailbericht van 01 september 2020 (zie 4.4.) van de counterpart van NPPO Suriname in India, is die werkwijze van het naar India verschepen van diverse houtsoorten onder de verzamelterm “Mora wood” onverkort voortgezet en zijn er dus fytosanitaire certificaten onder die benaming aan houtexporteurs verstrekt.

4.6 Bijkans een jaar na voornoemde verduidelijking van NPPO India stuurt de Staat een brief aan de houtexporteurs en wel van 08 augustus 2023 ondertekend door de Waarnemend Directeur Landbouwkundig Onderzoek, Afzet en Verwerking. Daarin wordt vermeld dat LVV heeft besloten voor houtexporten naar India onder de naam ”Mora”, een graceperiode in te stellen en wel tot en met 31 oktober 2023. Daarmee bevestigt de Staat dat de houtexporten niet volgens de regels of officiële procedures plaatsvonden en meer nog, stelt hij een overgangsperiode in waarbij de houtexporteur tijdelijk worden ontzien en waarin de houtexportregels en/of sancties (nog) niet strikt zullen worden toegepast. Feit is dat in die graceperiode, de status-quo van het “niet volgens boekje” handelen van zowel de Staat als houtexporteurs mocht worden gecontinueerd en dus mochten in die periode, houtexporten doorgaan onder die voornoemde verzamelterm.

4.7 Echter bleek dat de overgangsperiode, die naar haar aard tijdelijk had moeten zijn, een permanent karakter kreeg. Dit kwam doordat houtexporten, op de hierboven geschetste wijze, onverminderd bleven plaatsvinden. De Staat heeft na het verstrijken van de graceperiode de gehanteerde werkwijze voortgezet, zonder daaraan paal en perk te stellen. Dit terwijl de in zijn schrijven van 8 augustus 2023 genoemde respijtperiode, juist bedoeld was om de houtbranche te reguleren en dus de gewraakte werkwijze te beëindigen.

De bevoegdheid van de Staat om ordening brengen

4.8 De voornoemde door de Staat en de houtexporteurs gehanteerde werkwijze verdient juridisch geen schoonheidsprijs nu blijkt dat al jaren houtexporten plaatsvonden onder de verzamelterm ”Mora roundlogs of Mora Wood” terwijl het schijnbaar (ook) om andere houtsoorten ging. Het is daarom volkomen begrijpelijk dat de Staat hierin ordening wilde brengen. De kantonrechter stelt voorop dat de Staat bevoegd is regelgeving te maken ter ordening van de houtsector. Deze bevoegdheid ontslaat de Staat echter niet van de plicht de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen.

Vertrouwensbeginsel

4.9 Bij schrijven van de Staat gedateerd 27 oktober 2025 aan Pinnacle Timber Products NV e.a. bericht de Staat de houtexporteurs dat de reeds geldende regels en procedures voor de export van hout en houtproducten strikt zullen worden nageleefd en gehandhaafd. Hij bericht verder dat deze bepalingen reeds van kracht waren maar dat in de praktijk bleek dat de uitvoering niet conform de vereisten plaatsvond. Vaststaat dat de Staat gedurende lange periode (zie 2.3.) actief fytosanitaire certificaten aan Pinnacle Timber Products NV e.a. heeft verstrekt onder de benaming ”Mora roundlogs”. Door deze consistente handelwijze heeft de Staat bij Pinnacle Timber Products NV e.a. het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hun exportactiviteiten op die wijze voortgang konden vinden dan wel dat ze net als eerder, een graceperiode zou hanteren. De abrupte beëindiging van deze werkwijze, zonder adequate overgangsregeling is daarmee in strijd met het vertrouwensbeginsel. Niet is gesteld of gebleken dat de Staat bij de abrupte beëindiging van de door beide partijen gehanteerde werkwijze, rekening heeft gehouden met reeds op dat moment gepleegde voorbereidingen door Pinnacle Timber Products NV e.a. in verband met de verscheping van het rondhout naar India, welke voorbereidingen mogelijk ruim vóór 27 oktober 2025 zijn gepleegd. Niet is gebleken dat de Staat zich er van heeft vergewist welke gevolgen (schade, contractbreuk etc.) een dergelijke abrupte beëindiging van de gehanteerde werkwijze, voor de houtexporteurs zou kunnen hebben. De maatregel leidt tot onevenredige gevolgen voor houtexporteurs met reeds lopende verplichtingen. De kantonrechter oordeelt dat een dergelijke abrupte beëindiging van een jarenlange bestendige praktijk zonder overgangsregeling niet als redelijk kan worden aangemerkt. 

Zorgvuldigheidsbeginsel

4.10 Niet is gebleken dat de Staat voorafgaand aan zijn besluit een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Niet is gebleken dat de relevante en legitieme belangen van houtexporteurs systematisch zijn geïnventariseerd, dat rekening is gehouden met lopende contracten en transporten of dat alternatieven zijn onderzocht (gefaseerde invoering, uitzonderingen, schadebeperking). Daarmee is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

Rechtszekerheidsbeginsel

4.11 Na een jarenlange bestendige praktijk mochten houtexporteurs van de Staat verwachten dat beleidswijzigingen tijdig aan hen kenbaar zou worden gemaakt en met een redelijke overgangstermijn zouden worden ingevoerd. Gezien de aard van internationale houtexport is dit nalaten van de Staat desastreus voor de houtexporteurs en ondermijnt de rechtszekerheid.

Evenredigheidsbeginsel

4.12 De abrupt door de Staat getroffen maatregel treft houtexporteurs met reeds onomkeerbare investeringen, maakt geen onderscheid tussen nieuwe en lopende transacties die al in volle gang zijn en leidt tot grote financiële schade. Pinnacle Timber Products NV e.a. heeft twee brieven beide gedateerd 29 december 2025 overgelegd. In die twee, niet door de Staat betwiste brieven, wordt door twee verschepers van de lading gemeld dat het fytosanitaire certificaat nodig is, afgegeven voor de houtsoort Mora, de verzamelnaam voor alle houtsoorten die worden gebruikt voor Surinaamse houtblokken die naar India worden geëxporteerd. De brieven vermelden verder:

Dit is al meer dan 15 jaar een gangbare praktijk in de houthandel tussen India en Suriname. Bij uitblijven van de voornoemde fytosanitaire certificaten zal door de Indiase autoriteiten geen toestemming worden gegeven om aan te meren of de lading te lossen. Zonder deze certificaten zal het schip voor onbepaalde tijd voor anker moeten blijven liggen. Dit zal leiden tot hoge demurragekosten (noot van de rechter: dit zijn kosten die in rekening worden gebracht wanneer een schip, langer dan afgesproken wordt opgehouden in een haven) van USD 16.500,- per dag die voor rekening zijn van de verlader. Indien niet binnen enkele dagen een reactie wordt ontvangen, zal de lading terug naar Suriname moeten worden gedeporteerd of in zee gedumpt. Het terugbrengen naar Suriname, kan resulteren in een vrachtprijs van ongeveer USD 200 per m³ of meer, aangezien het moeilijk is om schepen te vinden die naar het Caribisch gebied varen vanwege de huidige oorlogssituatie tussen de VS en Venezuela. Wij verzoeken u uw overheid te verzoeken om een ​​eenmalige vrijstelling voor de reeds geladen boomstammen op het schip. We kunnen alle toekomstige zendingen naar India stopzetten totdat we goedkeuring krijgen voor de nieuwe soort, conform het beleid van LVV Suriname.

De kantonrechter stelt vast dat Pinnacle Timber Products NV e.a. als rechtstreeks gevolg van het besluit aanzienlijke schade zullen lijden, welke schade het normale ondernemersrisico te boven gaat. Daarmee staat het middel (onmiddellijke stopzetting) niet in redelijke verhouding tot het doel (ordening van de houtsector).

Slotsom

4.12 Het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en kan in deze vorm geen stand houden. De kantonrechter zal daarom de Staat gelasten om binnen één (1) x 24 uur na betekening van dit vonnis, de vereiste fytosanitaire certificaten eenmalig af te geven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. voor alle reeds uitgevoerde en thans onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India, ter beperking van de door hen te lijden schade. Tevens dat deze certificaten, conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, moeten worden afgegeven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de benaming ”Mora roundlogs” dit alles onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000.000,- (een miljoen Surinaamse dollar) als in het dictum te melden.

De proceskosten

4.13 Gelet op de uitkomst van de procedure zal de Staat worden veroordeeld om aan Pinnacle Timber Products NV e.a. te betalen het bedrag van SRD 13.350,- aan proceskosten en gemachtigdensalaris (SRD 50,- aan vastrecht, SRD 5.800,- aan oproepingskosten en SRD 7.500,00 aan liquidatietarief bij korte gedingen).

  1.  De beslissing

5.1 gelast de Staat om binnen één (1) x 24 uur na betekening van dit vonnis, de vereiste fytosanitaire certificaten eenmalig af te geven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. voor alle reeds uitgevoerde en thans onderweg zijnde houtladingen bestemd voor India, ter beperking van de door hen te lijden schade;

5.2 bepaalt dat deze certificaten, conform het jarenlang gevoerde en bestendige gebruik, worden afgegeven aan Pinnacle Timber Products NV e.a. onder de benaming ”Mora roundlogs”;

5.3 veroordeelt de Staat tot het betalen van een dwangsom van SRD 1.000.000,- (een miljoen Surinaamse dollar) per uur voor elke keer dat de Staat weigerachtig of nalatig is te voldoen aan het besliste onder 5.1. en 5.2.

5.4 veroordeelt de Staat om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Pinnacle Timber Products NV e.a. te betalen het bedrag van SRD 13.350,- (dertienduizend driehonderdvijftig Surinaamse dollar) aan proceskosten en gemachtigdensalaris uitgaande van het liquidatietarief bij korte gedingen;

5.5 verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

5.6 weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken op woensdag 31 december 2025 te Paramaribo door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton, mr. R.M. Praag, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2025-9

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR NO. 202501387

10 juli 2025

 

Vonnis in de kort geding zaak van:

AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ BAITALI N.V.,

gevestigd te Paramaribo,

eiseres,

hierna te noemen: “Baitali”

gemachtigde: mr. G.N. Best, advocaat,

 

tegen

 

DE STAAT SURINAME, met name het MINISTERIE VAN OPENBARE WERKEN, 

in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie, 

zetelende te Paramaribo,

gedaagde,

hierna te noemen: “de Staat”,

gevolmachtigde: mr. E. Mohangoo, jurist verbonden aan het Bureau ‘sLandsadvocaten,

  1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 07 april 2025 is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de akte eiswijzing;
  • de conclusie van dupliek;
  • de uitlating eiswijzing.

1.2 De datum voor de uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

  1. De feiten 

2.1 De Staat heeft in oktober 2024 bekend gemaakt dat hij van plan is een openbare aanbesteding te houden voor het aanleggen van nieuwe wegen aan de Van ’t Hogerhuysstraat en de Slangenhoutstraat te Paramaribo, die hij gaat financieren uit een lening.

2.2 Ingevolge de geldleenovereenkomst van Improving Logistics and Competitiveness in Suriname is de Staat met de Inter-American Development Bank (hierna IDB) overeengekomen dat bij de aanbestedingsprocedures de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank (IDB) GN 2349-15 (May 2019) wordt gevolgd. 

2.3 De toepasselijke regels van de IDB inzake openbare aanbesteding van het werk zijn deels vervat in het Bidding Document for the Procurement of Works, die naast regels over de openbare aanbesteding, ook regels bevat over het bestek en de aannemingsovereenkomst die de Staat zal aangaan met de inschrijver aan wie het werk zal worden gegund. De regels betreffende aanbesteding waaraan de Staat als aanbesteder en de inschrijvers zich moeten houden, zijn vervat in The Instruction to Bidders (hierna ITB).

2.4 Baitali heeft zich ingeschreven op de openbare aanbesteding.

2.5 In ITB 27.1 staat onder meer:

“To assist in the examination, evaluation, and comparison of the bids, and qualification of the Bidders, the Employer may, at its discretion, ask any Bidder for a clarification of its bid. Any clarification submitted by a Bidder in respect to its bid that is not in response to a request by the Employer shall not be considered. The Employer’s request for clarification and the response shall be in writing. No change in the prices or substance of the bid shall be sought, offered, or permitted, except to confirm the correction of arithmetic errors discovered by the Employer in the evaluation of the bids, in accordance with ITB 31.”

2.6 In 28.1 van de ITB staat onder meer:

During the evaluation of the bids, the following definitions apply:

(…)

(c) “Omissions” is the failure to submit part or all the information or documentation required in the bidding document.”

2.7 In ITB 29.2 staat onder meer:

“If a bid is not substantially responsive to the bidding document, it shall be rejected by the Employer and may not subsequently be made responsive by correction of the material deviaition, reservation, or omission.”

2.8 In ITB 29.4 en 30.1 staat onder meer:

“A substantially responsive bid is one that conforms to all the terms, conditions, and specifications of the bidding document without a material deviation, reservation, or omission. A material deviation, reservation, or omission is one that: 

Provided that a bid is substantially responsive, the Employer may waive any nonconformities in the bid that do not constitute a material deviation, reservation or omission.”

2.9 In ITB 30.2 staat onder meer:

“Provided that a bid is substantially responsive, the Employer may request that the Bidder submit the necessary information or documentation, within a reasonable period of time, to rectify nonmaterial nonconformities in the bid related to documentation requirements. Requesting information or documentation on such nonconformities shall not be related to any aspect of the price of the bid. Failure of the Bidder to comply with the request may result in the rejection of its bid.”

2.10 In ITB 35.1 staat onder meer:

“The Employer shall use the criteria and methodologies listed in this instruction. No other evaluation criteria or methodologies shall be permitted.”

2.11 In ITB 42.1 staat onder meer dat de aanbesteder het werk alleen mag gunnen aan een inschrijver nadat de standstill period is verstreken die 10 werkdagen duurt. Op grond van ITB 46 kan deze periode worden verlengd.

2.12 Op grond van ITB 43.1 is de aanbesteder verplicht aan iedere inschrijver een Notification of Intention to Award the Contract te sturen, die onder andere dient te bevatten een verklaring van de redenen waarom de inschrijver niet in aanmerking komt voor gunning van het werk, tenzij de reden is gelegen in de hoogte van de prijs, en instructies over de wijze waarop om een debriefing kan worden verzocht en/of een bezwaarschrift kan worden ingediend gedurende de standstill period

2.13 In ITB 44.1 staat onder meer:

“Subject to ITB 41, the Employer shall award the Contract to the Bidder offering the Most Advantageous Bid. The Most Advantageous Bid is the Bid of the Bidder that meets the qualification criteria and whose Bid has been determined to be:

  • substantially responsive to the bidding document; and
  • the lowest evaluated cost.”

2.14 In ITB 46.1 staat onder meer dat de afgewezen inschrijver het recht heeft om de aanbesteder binnen 3 werkdagen na het bericht van voornemen tot gunning te verzoeken om een debriefing. De debriefing kan zowel schriftelijk als mondeling geschieden.

2.15 In ITB 46.2 staat onder meer dat de aanbesteder verplicht is iedere afgewezen inschrijver die binnen de termijn daarom verzoekt de debriefing binnen vijf dagen te geven, tenzij de aanbesteder beslist de debriefing buiten de termijn van vijf werkdagen te geven, in welk geval de standstill period automatisch wordt verlengd tot vijf dagen, nadat de debriefing is gegeven. Ingeval van verlenging van de standstill period is de aanbesteder verplicht dit per ommegaande aan alle inschrijvers mee te delen.

2.16 Artikel 2.80 van de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank bepaalt dat, indien de aanbesteder gedurende de standstill period een bezwaarschrift ontvangt, hij niet mag overgaan tot het gunnen van het werk, zolang niet op het bezwaarschrift is beslist.

2.17 In de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 staat dat inschrijvers die voornemens zijn meer dan 10% van het werk uit te besteden aan onderaannemers, in hun Letter of Bid moeten aangeven welke onderdelen van hun werk zullen worden uitbesteed, aan welke onderaannemers en wat hun kwalificaties en ervaring is.

2.18 In paragraaf 2.5 van de in de Bidding document opgenomen Evaluation and Qualification criteria is opgenomen dat de projectmanager minimaal 15 jaar werkervaring moet hebben, terwijl de site manager over minimaal 10 jaar werkervaring moet beschikken.

2.19 Op grond van 3.1 sub (iii) van de Eligibility and Qualification Criteria is vereist dat inschrijvers aantonen dat zij over de laatste vijf jaren, te weten van 2017 tot en met 2023, met uitzondering van de jaren 2020 en 2021 waarin er sprake was van de covidpandemie, een minimale gemiddelde jaaromzet uit aannemingswerk hebben behaald van USD 12.900.000,-. Blijkens de submission requirement behorende bij dit artikel moeten de inschrijvers aantonen hieraan te voldoen door het invullen van een formulier met de aanduiding Form FIN-3.2. Baitali heeft dit formulier ingevuld.

2.20 Krachtens het formulier Form AR Anticipated Risk moet de inschrijver een risicoregister indienen van de voorzienbare risico’s gedurende de uitvoering van de overeenkomst. Ieder risico moet bevatten: een beschrijving van het risico, een inschatting van de mogelijke invloed van het risico op gezondheid en veiligheid, milieu, kosten, het programma en een risicobeheersingsstrategie.

2.21 Baitalie heeft de laagste prijs aangeboden van alle inschrijvers die hebben meegedaan aan de openbare aanbesteding, namelijk USD 19.323.391,33. De inschrijver aan wie de Staat het werk wil gunnen heeft de vierde laagste prijs, zijnde USD 22.711.967,35. 

2.22 De Staat heeft Baitali op 12 maart 2025 bericht dat haar inschrijving is afgewezen en dat hij voornemens is het werk te gunnen aan een andere inschrijver. Als reden voor de afwijzing heeft de Staat aangegeven dat de inschrijving van Baitali non responsive is. Ter onderbouwing hiervan heeft de Staat onder meer aangevoerd dat:

(a) de inschrijving niet voldoet aan de financiële kwalificatiecriteria, zoals vermeld in Section III van de Bidding Documents for the Procurement of Works

(b) uit de inschrijving van Baitali zou blijken dat zij 11,63% van het werk wil uitbesteden aan onderaannemers, terwijl Baitali, in strijd met ITB 34.2, geen aanvullende informatie daarover in haar Letter of Bid heeft vermeld; 

(c) het risicoregister van Baitali niet-toegestane risico’s vermeldt, te weten financiële risico’s van de inschrijver die geen projectrisico’s zijn; 

(d) de voorstelde projectmanager en sitemanager niet zouden voldoen aan de eisen met betrekking tot werkervaring;

(e) de Work Method Statement van Baitali niet voldoet aan de toepasselijke technische specificaties.

2.23 De Staat heeft Baitali in het in 2.22 genoemde schrijven erop gewezen dat zij gedurende de standstill period het recht heeft tot uiterlijk 27 maart 2025 een debriefing aan te vragen oftewel een bezwaarschrift in te dienen tegen het voornemen om het werk aan een ander te gunnen.

2.24 Op 12 maart 2025 heeft Baitali de Staat verzocht om een mondelinge debriefing. In reactie hierop heeft de Staat Baitali bij schrijven van 17 maart 2025 geïnformeerd dat de debriefing schriftelijk zal geschieden. Op 19 maart 2025 heeft de Staat Baitali een schriftelijke debriefing gestuurd, die erop neerkomt dat:

(a) het uitbesteed werk niet is gespecificeerd;

(b) de sitemanager en projectmanager onvoldoende ervaring hebben;

(c) de Work Method Statement niet aan de technische specificaties voldoet;

(d) de jaarrekeningen niet zijn gecontroleerd;

(e) de jaaromzet van het aannemingswerk niet is aangetoond;

(f) het registerrisico niet aan de vereisten voldoet.

2.25 Op 25 maart 2025 heeft Baitali een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van haar inschrijving. De Staat heeft op 27 maart 2025 op het bezwaarschrift van Baitali beslist en onder meer dezelfde punten als in 2.22 en 2.24 aangevoerd waarom Baitali, alhoewel zij het laagste bod heeft gedaan, niet in aanmerking komt.

2.26 Bij brief van 27 maart 2025 heeft Baitali, op grond van paragraph 2.82 and Apendix III, Numeral 15 of the IDB Procurement Framework (GN-2349-15) de Staat te kennen gegeven een bijeenkomst met de IDB te willen. Aangezien dit geen nieuwe klacht is, heeft de IDB de Staat aangegeven dat de standstill period per 27 maart 2025 is verstreken en dat de Staat de Letter of Acceptance mag uitschrijven en versturen naar de in aanmerking komende bieder.

2.27 Baitali heeft notulen van 28 juni 2024 overgelegd waarin onder meer staat:

“ (…)

  1. Voorstel Directie inzake oplevering jaarrekening 2023

In de vergadering heeft de directie van AMB aangegeven dat door bijzondere omstandigheden met betrekking tot het doorvoeren van de functionele valutawijziging ingaande 1 januari 2023 alsook de werkzaamheden met betrekking tot de IFRS transitie, voor vertraging zorgt bij de afronding van de jaarrekening over de periode 2023. Volgens de wet op de jaarrekening moet de jaarrekening van 2023 per 1 juli 2024 beschikbaar zijn. De directie vraagt hierbij goedkeuring voor verlenging van de oplevertermijn van de jaarrekening.

  1. Goedkeuring van het Directievoorstel m.b.t. oplevering jaarrekening 2023. 

De AvA heeft notitie genomen van de aangehaalde punten en verleent toestemming om de oplevertermijn met 6 maanden te verlengen.”

  1. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop

3.1 Baitali vordert, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

A. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt;

B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden.

C. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

SUBSIDIAIR

D. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst op schort, totdat de Staat het werk aan hem heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

E. De Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR

F. Bij wege van onmiddellijke voorziening, de Staat bij uw aanvullende oproepbeschikking verbiedt de aanbestedingsprocedure voort te zetten of het werk te gunnen of met betrekking tot dat werk een aannemingsovereenkomst aan te gaan dan wel de Staat beveelt iedere uitvoering van een aannemingsovereenkomst met betrekking tot dat werk te staken, totdat de kantonrechter vonnis zal hebben gewezen in onderhavige rechtszaak;

G. De Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die hij aan haar zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder de punten A. tot met F. van het petitum gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod;

H. De Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 Baitali legt aan haar vordering ten grondslag dat de Staat haar inschrijving in zijn Notification of Intention to Award en Debriefing onterecht als non-responsive heeft aangemerkt. Volgens haar wordt die term in de ITB’s uitsluitend gebruikt in geval de geldigheidsperiode korter is dan vereist en indien de inschrijving niet gepaard is gegaan met een toepasselijke garantieverklaring. Buiten deze twee gevallen om wordt deze term niet in de aanbestedingsdocumenten gebruikt, zodat de afwijzing door de Staat in strijd is met artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank. Naar Baitali betoogt blijkt niet uit de Notification of Intention to Award noch de debriefing dat de Staat de toepasselijke standaard uit artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Goods and Works Financed by the Inter-American Development Bank en ITB 29.2 heeft gebruikt om haar inschrijving te beoordelen en af te wijzen. De Staat heeft ook niet in de Notification of Intention to Award noch de debriefing melding van gemaakt dat de door hem geconstateerde afwijkingen in haar inschrijving materiële afwijkingen zijn in de zin van ITB 29.4, zodat de Notifiction of Intention to Award behalve in strijd met artikel 2.55 van de Policies of Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank ook in strijd met ITB 29 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel. Door de toepassing van een verkeerde maatstaf bij de beoordeling van haar inschrijving, is de Notifiction of Intention Award ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Gelet op het feit dat haar bod lager is dan het bod van de inschrijver aan wie de Staat het werk wil gunnen, is het niet logisch dat de Staat geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden van ITB 27.1 en 30.2 om haar een nadere toelichting te vragen dan wel haar in de gelegenheid heeft gesteld om de niet-materiële non-conformiteiten binnen een redelijke termijn te rectificeren, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met value for money ex artikel 1.4(a) van de General Consideration and Core Procurement Principles. In de beslissing op het bezwaarschrift heeft de Staat niet uitgelegd waarom de door hem geconstateerde non-conformiteiten materiële afwijkingen zijn zoals bedoeld in ITB 29.4, zodat het bezwaarschrift ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het motiveringsbeginsel. De Staat verwijst volgens Bailtali wat het te besteden werk betreft naar ITB 34.2. In de toelichting daarop in de nota van toelichtingen verwijst de Staat naar ITB 35.2, zijnde een bepaling die niets van doen heeft met de verplichting tot het geven van een nadere specificatie indien meer dan 10% van het werk zal worden uitbesteed. De Staat is niet ingegaan op het feit dat in de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 staat vermeld wat moet worden verstaan onder total volume of works, namelijk total contract amount. Het totaalbedrag van uitbesteed werk moet worden gedeeld door het bedrag waarvoor zij zich op de aanbesteding heeft ingeschreven. De Staat heeft in stede hiervan het totaalbedrag van uitbesteed werk door een lager bedrag gedeeld, waardoor het percentage van uitbesteed werk hoger is uitgevallen.  Het door haar uit te besteden werk bedraagt 5.2%, zodat de nadere toelichting van de Bid Data Sheet, niet op haar van toepassing is. Verder blijkt nergens uit paragraaf 2.5 van de in het Bidding document opgenomen Evaluation and Qualification Criteria dat de werkervaring van de sitemanager vooral on-site moet zijn en dat die van de projectmanager vooral uit ervaring met urban road works zou moeten bestaan. Door aanvullende of nadere voorwaarden te stellen en haar inschrijving op basis daarvan af te wijzen, terwijl die niet worden genoemd in de Evaluation and Qualification Criteria, maakt de Staat zich schuldig aan willekeur en heeft hij in strijd met het motiveringsbeginsel gehandeld. In de Technical Specifications is als vereiste gesteld dat bij alle culvert and pipe bedding areas moet worden voldaan aan een compactiegehalte van 95%, hetgeen zij heeft erkend en geïncorporeerd. Voor de components of initial backfill worden geen expliciete compactiegehalte gehanteerd en zij heeft ten aanzien hiervan in haar Work Method Statement een minimaal compactiegehalte van 90% voorgesteld. Het standpunt van de Staat dat er sprake is van 90% compactie above and at pipe levels, waardoor niet aan de gestelde technische vereisten is voldaan, is ondeugdelijke gemotiveerd. Wat betreft de jaarrekeningen stelt de Staat zich op het standpunt dat die van 2017, 2018 en 2023 niet zijn gecontroleerd. De Staat erkent wel dat hij bij de eerste aanbesteding van het jaar 2022 door IDB gefinancierde aanbesteding in het kader van hetzelfde ITLCS-project dezelfde jaarrekeningen van 2017 en 2018 heeft geaccepteerd. De jaarrekening van het laatste afgesloten boekjaar had zij voorafgaand aan de aanbesteding niet overgelegd en desondanks heeft de Staat het werk toen aan haar gegund. In de prekwalificatie voor het werk in oktober 2022 had zij de jaarrekeningen over de boekjaren 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 overgelegd. Ook bij deze aanbestedingsprocedure had zij de jaarrekening over het boekjaar 2021 niet overgelegd. Ook in dit geval had de Staat haar jaarrekeningen geaccepteerd en is hij in de prekwalificatieronde gekomen. De Staat stelt zich thans op het standpunt dat hij bij onderhavige aanbesteding niet langer genoegen neemt met dezelfde jaarrekeningen, maar een strengere uitleg geeft, omdat Baitali bij de uitvoering van het eerdere aan haar gegunde werk als gevolg van het uitblijven van de betaling zich beriep op haar opschortingsrecht. Hiermee erkent de Staat dat hij artikel 3.1 Eligibility and Qualification Criteria strenger heeft uitgelegd dan bij een eerdere aanbesteding, terwijl deze strengere uitleg niet vooraf is bekend gemaakt. Deze handelswijze is in strijd met het verbod van willekeur en het rechtszekerheidsbeginsel; de Staat had immers dezelfde jaarrekeningen geaccepteerd en zij mocht erop vertrouwen dat de Staat dezelfde interpretatie zou geven aan artikel 3.1 Eligibility and Qualification Criteria. Alhoewel de jaarrekeningen over de boekjaren 2017 en 2018 van de voetnoot “unaudited” zijn voorzien, heeft de accountant een samenstellingsverklaring gegeven zoals ook het geval is bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2019,2020,2021 en 2022, die wel zijn geaccepteerd. Door te stellen dat de jaarrekeningen over het boekjaar 2017 en 2018 niet door een accountant zijn gecontroleerd, miskent de Staat daarnaast dat de verplichting tot het uitvoeren van een accountantscontrole op grond van artikel 24 lid 3 Wet op de jaarrekening pas na een periode van twee jaar moest worden voldaan vanaf de inwerking, te weten 06 oktober 2017. De wettelijke verplichting gold dus pas vanaf 06 oktober 2019, waardoor deze pas over het jaar 2020 moest worden toegepast, zodat de jaarrekeningen niet gecontroleerd hoefden te worden. De Staat is niet ingegaan op haar standpunt dat in het kader van hetzelfde project bij eerdere aanbestedingen het artikel zodanig was uitgelegd dat het niet verplicht was om de jaarrekening over te leggen over het laatste afgesloten boekjaar, zodat er sprake is van willekeur en de Staat in strijd heeft gehandeld met het motiveringsbeginsel. Met betrekking tot de gemiddelde jaaromzet heeft de Staat de vraag of zij, Baitali, aan 3.2 van de Eligibility and Qualification Criteria voldoet, ten onrechte beantwoord aan de hand van de overgelegde jaarrekeningen, terwijl hieraan moest worden voldaan door het invullen van een formulier met de aanduiding Form Fin -3.2, hetgeen zij ook heeft gedaan. Het is niet mogelijk de omzet te beoordelen aan de hand van jaarrekeningen, daar uit een jaarrekening de verschillende bronnen van omzet niet blijkt. Op haar bezwaar hiertegen heeft de Staat simpelweg verwezen naar twee screenshots, waarvan een niets van doen heeft met de gemiddelde jaaromzet van aannemingswerk, maar met de te overleggen jaarrekeningen. De beslissing van de Staat op dit punt bevat geen enkele andere onderbouwing, zodat het bezwaarschrift ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd is met het motiveringsbeginsel. De Staat is ten slotte niet ingegaan op haar argumenten dat de in het risicoregister vermelde financiële risico’s daarin vermeld hadden mogen worden, daar zij vallen binnen de reikwijdte van risico’s die een invloed kunnen hebben op de in het formulier met de aanduiding Form AR Anticipated Risks genoemde kosten en het programma. Volgens haar had de Staat ook niet aangegeven dat sommige risico’s niet in het register opgenomen hadden mogen worden, zodat de Staat bij de beoordeling dit niet als nadere eis mag stellen. Op grond hiervan handelt de Staat in strijd met het verbod van willekeur en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De beslissing op het bezwaarschrift is op grond van al het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met het motiveringsbeginsel. De Notifiction of Intention to Award is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids-, en het motiveringsbeginsel, zodat de Staat een onrechtmatige daad jegens haar pleegt, waardoor zij schade lijdt bestaande uit het mislopen van de omzet en winst die zij zou behalen indien het werk aan haar was gegund. 

3.3 De Staat heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het bij aanbestedingen niet zonder meer is dat de laagste bieder de gunning krijgt. Ingevolge ITB 44.1 moet de gunning worden toegekend aan de inschrijver met het meest voordelige bod. Voorts dat de in 2.22 ontvangen brief geen nieuwe complaint was, waardoor de IDB aangaf dat de stanstill period per 27 maart is verlopen, zodat hij de Letter of acceptance mocht uitschrijven en versturen naar the first ranked company. De verwijzing van Baitali naar de Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN2350-15) is niet correct aangezien het in dit geval een aanbesteding van werken betreft. Door publicatie van de documenten in de media heeft Baitali de principles of integrity van de Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN2350-15) geschonden. Volgens hem heeft hij nimmer in de brieven aangegeven dat het bod van Baitali niet aan ITB 29.4 voldoet; de evaluatie van de aanbieding heeft conform ITB 135 Evaluation of Bids plaatsgevonden. Artikel 2.55 van de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank en ITB 29 zijn niet de reden waarom de inschrijving van Baitali substantially not-responsive is bevonden. Met betrekking tot de stelling van Baitali dat hij, de Staat, nagelaten heeft haar in de gelegenheid te stellen om opheldering te verschaffen en afwijkingen te herstellen voert hij aan dat het de taak is van de inschrijver om ervoor zorg te dragen dat de inschrijving compleet is. Het is een recht van hem als aanbesteder om opheldering te vragen indien zij dat nodig acht en dat heeft niet plaatsgevonden, omdat er geen reden daartoe was. Bovendien zou de aangehaalde niet-materiële non-conformiteiten onder de noemer van omissions vallen, die op grond van ITB 29.2b niet zijn toegestaan. De verwijzing van Baitali naar 1.4 van de General Considerations and Core Procurement Principles is niet correct, aangezien die clausule betrekking heeft op Policies for the selection and contracting of Consultants financed by the Inter-American Development Bank (GN 2350-15). Waarnaar verwezen moet worden is clausule 1.2. Policies for the Procurement of Goods and Works financed by the Inter- American Development Bank (IDB) GN 2349-15. Wat het percentage van het uit te besteden werk betreft heeft hij gewerkt met informatie zoals die is aangeboden. Met betrekking tot the work method verdedigt hij zich met de stelling dat in de technische specificatie van het aanbestedingsdossier is opgenomen dat alle compactie boven 95% dient te zijn. In de Work Method Statement van Baitali is aangegeven dat er een minimum compactie van 90% wordt toegepast. Conform de Technische Specificatie wordt elke compactie onder 95% afgewezen. Wat betreft de stelling dat de Staat de jaarrekeningen van 2017 en 2018 in een ander project had geaccepteerd en dat de Staat thans een andere interpretatie geeft aan de Eligibility and Qualification Criteria voert de Staat aan dat de inschrijving van Baitali bij de aanbesteding voor de bouw van de brug aan de van ’t Hogerhuysstraat substantially non-responsive is verklaard op basis van het feit dat de letter of bid incompleet was, zodat de financiële evaluatie niet had plaatsgevonden. De accountant heeft verder in zijn Practioner Compilation report duidelijk aangegeven dat hij geen audit heeft uitgevoerd, zodat de stelling van Baitali dat de accountant een samenstellingsverklaring heeft gegeven, niet op gaat. Vanwege de omvang en complexiteit van onderhavige aanbesteding en de geannuleerde aanbesteding heeft de IDB de instructies gegeven om niet af te wijken van de financiële controle van de jaarrekeningen (audited financial statements). Dit zijn geen nieuwe eisen; zij zijn vervat in form Fin 3.1, die nodig is voor de evaluatie van de financiële bid zoals vervat in Eligibility and Qualification Criteria. De criteria zijn enkel aangescherpt, waarbij de hoogte van de cashflow en de annual turnover zijn verhoogd, gelet op de omvang en complexiteit van het werk. Met betrekking tot het boekjaar 2023, zou conform de wet op jaarrekening de jaarrekening binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar moeten worden opgemaakt. Aan de aanbieding van Baitali is een engagement letter toegevoegd daterende 6 december 2024, afgetekend op 9 december 2024 door Baitali, zijnde een dag voor de dag van de inschrijving voor de aanbesteding. De informatie verschaft door Baitali in Form Fin 3.2 moet getoetst worden op waarheid en correctheid en zulks kan enkel geschieden op basis van informatie verschaft in gecontroleerde jaarrekeningen. De informatie regarderende annual construction turnover bij Baitali heeft hij niet kunnen traceren. Baitali geeft zelf aan dat haar inkomsten uit verschillende bronnen komt en dat het aannemingswerk niet te onderscheiden is. Hierdoor heeft hij de controle niet kunnen uitvoeren. De Staat betwist dat er andere criteria dan in de Bidding document is vervat zijn toegepast. Naar aanleiding van het afgelaste aanbestedingsproces heeft de IDB besloten om geen afwijking meer toe te staan bij het evalueren van de eisen die gesteld worden aan onder andere financiële aanbiedingen. Volgens hem zijn de evaluatiecriteria ongewijzigd gebleven en de jaarrekeningen moeten conform de instructies ingediend worden. Hij betwist dat er sprake is van willekeur. Hij heeft nimmer aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. In de debriefing is aangegeven dat de door Baitali genoemde risico’s betrekking hebben op de aannemer en niet project gerelateerd zijn. De aanbestedingsprocedure van de IDB is gevolgd en hij heeft voor alle stappen de goedkeuring van de IDB ontvangen. De Notification of Intention to Award is pas na verkregen toestemming van de IDB verstuurd. Het onethisch gedrag van Baitali blijkt uit haar stelling dat zij informeel van derden heeft vernomen dat een inschrijver de Letter of Acceptance heeft ontvangen. De Staat betwist ten slotte dat Baitali schade heeft geleden.

In het incident

3.4 Baitali heeft bij akte eiswijziging verzocht haar eis te wijzigen, in dier voege dat het petitum thans komt te luiden: dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

A. De Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance intrekt dan wel de Staat beveelt de Notification of Intention to Award, het besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance in te trekken;

B. de Staat beveelt de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden;

C. de Staat beveelt het werk aan hem te gunnen;

D. de Staat beveelt om, terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst en de gunning van het werk aan hem terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

SUBSIDIAIR

E. de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op zijn bezwaarschrift, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst opschort, totdat het Ministerie van Openbare Werken het werk aan Baitali heeft gegund dan wel een nieuw besluit heeft genomen op zijn bezwaarschrift, welk besluit dient te voldoen aan de materiële aanbestedingsregels van de IDB en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

F. de Staat beveelt om terstond na kennisneming van het in deze te wijzen vonnis, de opschorting van de Notification of Intention to Award, de Letter of Acceptance en de aannemingsovereenkomst terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

ZOWEL PRIMAIR ALS SUBSIDIAIR

G. de Staat veroordeelt tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000.000,- per dag, die de Staat aan haar zal verbeuren voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het onder de punten A. tot met F. van het petitum gevorderde, waarbij zal gelden dat enige dwangsomveroordeling telkens afzonderlijk wordt opgelegd voor elke overtreding van enig ge- of verbod.

H. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

3.5 Baitali heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de Staat niet bij de debriefing noch bij de beslissing op het bezwaarschrift en het antwoord heeft kunnen aangegeven op welke inhoudelijke gronden haar inschrijving niet de most advantageous bid is, zodat het werk op grond van de aanbestedingsregels aan hem moet worden gegund.

3.6 De Staat heeft, zakelijk weergegeven, als verweer aangevoerd dat toewijzing van de gewijzigde eis zal inhouden dat de inschrijving van Baitali aangevuld dan wel een wijziging moet ondergaan, hetgeen in strijd is met het transparantiebeginsel.

3.7 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

  1. De beoordeling

Vooraf

4.1 Per 1 mei 2025 is het nieuwe Burgerlijk Wetboek ingevoerd. Uit artikel 2 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Overgangswet) volgt dat de nieuwe wet van het tijdstip van inwerkingtreding van toepassing is, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door haar voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de Overgangswet iets anders voortvloeit. In grote lijnen betekent dit dat onmiddellijke werking het uitgangspunt is, met eerbiediging van nader bepaalde rechten en overige bepalingen. Waar nodig zal hierna op het toepasselijk recht nader worden ingegaan.

4.2 Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van Baitali en het door haar gevorderde.

In het incident

4.3 Ingevolge artikel 109 van het oud Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een eiswijziging tot de afloop van de zaak mogelijk, mits daardoor het onderwerp van de eis niet verandert of vermeerdert. Nu het onderwerp van de eis niet verandert en de Staat niet in zijn verdediging is geschaad, zal de eiswijziging worden toegestaan, zodat het petitum onder 3.1 zal komen te luiden zoals onder 3.4 van dit vonnis. 

Het verzoek van Baitali om mondelinge behandeling

4.4 Nadat de Staat zijn conclusie van dupliek heeft genomen, heeft Baitali bij schrijven gedateerd 24 april 2025 aan de kantonrechter verzocht om de zaak ex artikel 117 Rv mondeling te bepleiten. De Staat heeft zich verzet tegen dit verzoek, aanvoerende dat artikel 117 Rv betrekking heeft op het moment van de eerste behandeling van de zaak, waarbij na afroeping tot mondelinge behandeling wordt overgegaan. Volgens de Staat hanteert ons rechtssysteem het proces van uitwisseling van conclusies, hetgeen reeds heeft plaatsgevonden en aldus partijen zijn uitgeprocedeerd. De Staat betoogt voorts, dat voor zover Baitali om valide en gegronde redenen het nodig acht om de zaak mondeling te behandelen, daartoe de mogelijkheid wordt geboden in artikel 114 Rv. Nu partijen reeds zijn uitgeprocedeerd en de Staat diepgaand is ingegaan op de vordering en de standpunten kenbaar zijn gemaakt, ziet hij geen reden om in deze fase een mondelinge behandeling te doen plaatsvinden. Bovendien, zo stelt de Staat, is Baitali tardief met haar verzoek, welke ingevolge artikel 114 Rv bij de eerste behandeling al had moeten plaatsvinden. 

4.5 Artikel 117 luidt als volgt:

“De behandeling van de zaak geschiedt mondeling ter terechtzitting, onverminderd de bevoegdheid van partijen om aldaar door hen of hun gemachtigden dan wel raadslieden ondertekende schrifturen in te dienen. Deze schrifturen worden evenals de vordering en het antwoord, indien het schriftelijk is ingediend, ter terechtzitting voorgelezen.”

De kantonrechter overweegt dat bij aanvang van onderhavige zaak bij aanvullende beschikking een afconcludeerschema is bepaald zoals gebruikelijk is in de kortgeding procedure. Conform dit schema heeft ook de conclusiewisseling van partijen plaatsgevonden. Nu in onderhavige zaak de behandeling reeds schriftelijk heeft plaatsgevonden, is er op grond van voormeld artikel geen ruimte meer voor een mondelinge behandeling. De wens van Baitali om de zaak mondeling te behandelen diende zij reeds bij aanvang van de procedure kenbaar te maken. Haar verzoek is derhalve tardief en zal daarom niet worden ingewilligd. 

In de hoofdzaak

4.6 Voorop wordt gesteld dat op de aanbestedingsprocedure de regels van de IDB, waaronder de Policies for Procurement of Works and Goods Financed by the Inter-American Development Bank (IDB) GN 2349-15 van toepassing zijn. De kantonrechter is echter van oordeel dat het voorgaande niet wegneemt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn, daar die immers voor elk overheidshandelen c.q. besluit gelden. Indien en voorzover de Staat met de betwisting dat de notification of intention to award een bestuursbesluit is en zijn stelling dat voor de aanbestedingsprocedure de aanbestedingsregels van de IDB van toepassing zijn zich erop beoogt te beroepen dat enkel en alleen de aanbestedingsregels van toepassing zijn, wordt dat verweer verworpen. 

4.7 De kantonrechter constateert dat de Staat de inschrijving van Baitali als substantially not responsive heeft beoordeeld op grond van het volgende:

  1. het uit te besteden werk is niet gespecificeerd;
  2. onvoldoende werkervaring van zowel de site- als de projectmanager;
  3. de work method statement voldoet niet aan de technische specificaties;
  4. jaarrekening niet gecontroleerd;
  5. de jaaromzet is niet aangetoond;
  6. het risicoregister voldoet niet aan de vereisten.

In het hierna volgende zal op elk van de hierboven genoemde afwijzingsgronden worden ingegaan.

Het uit te besteden werk is niet gespecificeerd 

4.8 Tussen partijen staat vast dat de inschrijver die voornemens is meer dan 10% van het werk uit te besteden aan onderaannemers conform de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2, in de Letter of Bid moet aangeven welke onderdelen van het werk zullen worden uitbesteed, aan welke onderaannemers en wat hun kwalificaties en ervaring is. Ook staat tussen partijen vast dat Baitali hieraan niet heeft voldaan, daar zij naar zij betoogt voornemens is slechts 5.20% van het werk uit te besteden. De Staat stelt zich daarentegen op het standpunt dat Baitali 11,63% van het werk wil uitbesteden, zodat Baitali niet aan de vereisten heeft voldaan. Bij conclusie van antwoord heeft de Staat ten aanzien van de berekening van het percentage aangevoerd dat hij heeft gewerkt met de informatie die Baitalie heeft verstrekt. Bij conclusie van dupliek verdedigt de Staat zich met de stelling dat Baitali niet in de intended suncontractors table noch de staat van hoeveelheden een onderscheid heeft gemaakt in de onderdelen van de intelligent trafic system die door Swarco en Baitali zouden worden uitgevoerd. Volgens de Staat heeft de evaluatiecommissie op basis van de aanbieding haar evaluatie uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat de Swarco de ITS in zijn volledigheid zou uitvoeren. Naar de Staat betoogt zou de evaluatiecommissie, indien er onduidelijkheid zou zijn opheldering daarvan hebben gevraagd. Op basis van de door Baitali ingediende documenten bestond er volgens de Staat geen twijfel over de informatie ten aanzien van Swarco. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. 

4.9 De Staat heeft de stelling van Baitali dat hij, de Staat, bedragen bij de berekening heeft betrokken die niet zien op uit te besteden werk, waardoor de Staat rekenfouten heeft gemaakt en op een hoger percentage is uitgekomen, niet weersproken. Uit de stelling van de Staat dat Baitali geen onderscheid heeft gemaakt in de onderdelen van de intelligent trafic system die door Swarco en Baitali zouden worden uitgevoerd leidt de kantonrechter af dat het voor de Staat niet duidelijk was welke werkzaamheden door Swarco zou worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter had het dan ook op de weg van de Staat gelegen, zoals de Staat zelf betoogt, om Bailtali op grond van ITB 30.2 duidelijkheid hierover te vragen in plaats van zelf een conclusie te trekken. Bovendien heeft de Staat dit verweer pas bij conclusie van dupliek gevoerd, waardoor Baitali bij die stand van het geding hierop niet heeft kunnen reageren. Hieruit volgt dat Baitali naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat van verkeerde bedragen is uitgegaan bij de berekening van het percentage uit te besteden werk. Dit brengt mee dat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van het percentage uit te besteden werk van 5,20%, zodat de nadere toelichting van de Bid Data Sheet bij ITB 34.2 niet op Baitali van toepassing is. 

Onvoldoende werkervaring van zowel de site- als de projectmanager

4.10 Tussen partijen staat vast dat in paragraaf 2.5 van de in de Bidding document Evaluation and Qualification de criteria zijn opgenomen waaraan de projectmanager en de site manager moeten voldoen. De Staat is niet ingegaan op de stelling van Baitali dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de werkervaring van de projectmanager niet alleen zou mogen bestaan uit desk job exeprience en die van de sitemanager vooral zou moeten bestaan uit ervaring met urban road works. Bij conclusie van dupliek heeft de Staat slechts aangevoerd dat Baitali zowel in de Notification of Intention to Award, de debriefing en de reactie op het bezwaarschrift omstandig is geïnformeerd over de gronden van de afwijzing. De Staat laat na uit te leggen wat de omstandige informatie inhoudt. Hieruit volgt dat de Staat de stellingen van Baitali niet gemotiveerd heeft weersproken. Nu de Staat de stellingen van Baitali niet gemotiveerd heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van Baitali, zodat hieruit de conclusie volgt dat de Staat in strijd met ITB 35.1 en ITB 35.2 heeft gehandeld door andere criteria te hanteren die niet genoemd zijn in de Evaluation and Qualifiction Criteria.

De work method statement voldoet niet aan de technische specificaties

4.11 Tussen partijen is niet in geschil dat er aan een compactiegehalte van 95% voor de bedding layer moet worden voldaan. De Staat voert ten aanzien hiervan aan dat Baitali in haar work method statement aangeeft dat haar compactiegehalte minimaal 90% is terwijl de technische specificatie aangeeft dat elk compactiegehalte beneden 95% onherroepelijk wordt afgewezen. Bij conclusie van repliek betoogt Baitali dat zij in de work method statement het compactiegehalte van 90% als technische aanbeveling heeft gepresenteerd voor een specifieke backfill zone. Bovendien was die aanbeveling volgens Baitali niet bindend en kon na gunning worden voorgelegd aan de directievoering ter goedkeuring of aanpassing. Naar Baitali betoogt konden eventuele onduidelijkheden met een verzoek om opheldering worden weggenomen of, voorzover sprake zou zijn van een non-conformiteit zou die kunnen worden hersteld, nu het een niet-materiële afwijking betreft. De Staat is op deze stellingen van Baitali bij conclusie van repliek geponeerd niet ingegaan. Bij conclusie van dupliek heeft de Staat slechts een weergave gegeven van het document dat door Baitali is ingediend. Uit de bewoordingen van de weergave “basis of our compaction proposal” leidt de kantonrechter in elk geval af dat die de stelling van Baitali ondersteunt dat het een voorstel is. Bovendien stelt de Staat zelf dat Baitali het in haar document heeft over een minimum compactiegehalte. Hieruit volgt dat Baitali voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Staat ten onrechte van mening is dat zij niet aan het vereiste compactiegehalte heeft voldaan.

De jaarrekeningen zijn niet gecontroleerd

4.12 Wat betreft de niet gecontroleerde jaarrekeningen het volgende. Tussen partijen staat vast dat op grond van 3.1 sub (iii) van de Eligibility and Qualification Criteria is vereist dat gecontroleerde jaarrekeningen, of indien dat niet wettelijk vereist is, andere jaarrekeningen worden overgelegd over de afgelopen vijf jaar, waaruit blijkt dat de inschrijver financieel gezond is. Volgens de Staat zijn de jaarrekeningen van Baitali van 2017, 2018 en 2023 niet door een accountant gecontroleerd. Baitali betoogt dat de jaarrekeningen van 2017 en 2018 op grond van de Wet op de Jaarrekening niet door een accountant gecontroleerd behoefden te worden. Wat de jaarrekening van 2023 betreft stelt Baitali bij conclusie van repliek dat zij ingevolge de wet evenmin verplicht was een gecontroleerde jaarrekening over dat boekjaar te hebben. Op grond van artikel 5 lid 1 jo. van de Wet op de jaarrekening moet de jaarrekening binnen zes maanden na afloop van het boekjaar worden opgemaakt, maar deze termijn mag onder bijzondere omstandigheden met ten hoogste zes maanden worden verlengd. De algemene vergadering van aandeelhouders van Baitali heeft de termijn voor het opmaken van de jaarrekening met zes maanden verlengd, zodat zij op 10 december 2024 niet wettelijk verplicht was een door een accountant gecontroleerde jaarrekening te hebben. Ter onderbouwing daarvan legt zij de in 2.27 genoemde notulen over. De Staat heeft de stelling van Baitali dat zij ingevolge de wet geen verplichting had de jaarrekeningen over het jaar 2017 en 2018 te laten controleren bij conclusie van dupliek niet weersproken. Met betrekking tot de stelling van Baitali over de jaarrekening van 2023 voert de Staat slechts aan dat het nieuwe informatie betreft die niet bij de inschrijving is ingediend, zodat die geen onderdeel maakt van de aanbieding. Nu de Staat de notulen niet van valsheid heeft beticht en evenmin inhoudelijk op de stellingen van Baitali is ingegaan, heeft Baitali voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen gecontroleerde jaarrekeningen behoefde over te leggen.

De jaaromzet is niet aangetoond

4.13 Vast staat dat Baitali over de laatste vijf jaren, met uitzondering van 2020 en 2021 een jaaromzet van USD 12.900.000,- moest aantonen door invulling van het form fin – 3.2, hetgeen zij ook heeft gedaan. In reactie op de stelling van de Staat dat de jaaromzet van Baitali uit aannemingswerk niet kon worden gecontroleerd, heeft Baitali bij conclusie van repliek betoogd dat de inhoud van de Form Fin 3.2 niet op basis van de jaarrekeningen moest worden beoordeeld, daar het form fin 3.2 formulier als zelfstandig evaluatie-instrument is voorgeschreven. Volgens Baitali is niet vereist dat er verificatoren worden overgelegd voor de beoordeling van de omzet en indien de Staat de omzetten wilde beoordelen, had hij gebruik moeten maken van de aan hem toekomende bevoegdheid om opheldering te vragen. 

4.14 De kantonrechter volgt de Staat in haar standpunt dat de omzet zoals opgenomen in het form fin 3.2 formulier uit de jaarrekeningen controleerbaar moet zijn en dat die controle door middel van de jaarrekeningen moet geschieden. Immers, Baitali geeft zelf aan dat haar inkomsten uit verschillende bronnen afkomstig zijn. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat de Staat niet heeft gesteld dat dit een materiële afwijking betreft die niet mocht worden hersteld of opheldering over mocht worden gevraagd. De Staat voert bij dupliek slechts aan dat er sprake zou zijn van willekeur indien hij Baitali om opheldering had gevraagd, omdat Baitali de informatie welwillend moet aanleveren. Deze stelling van de Staat is naar het oordeel van de kantonrechter te mager om gehonoreerd te worden. De Staat komt de bevoegdheid om opheldering te vragen immers op grond van ITB 27.1 toe. Bovendien heeft de Staat ook niet concreet uitgelegd hoe gebruikmaking van deze bevoegdheid willekeur met zich zou brengen. Baitali hoefde immers, zoals uit rechtsoverweging 4.10 blijkt, geen gecontroleerde jaarrekeningen over te leggen. Hieruit volgt dat de Staat ten onrechte heeft geoordeeld dat de jaaromzet niet is aangetoond.

Het risicoregister voldoet niet aan de vereisten

4.15 Ingevolge het Form AR Anticipated Risks formulier dient Baitali als inschrijver een risicoregister in te dienen van de voorzienbare risico’s gedurende de uitvoering van de overeenkomst. Volgens de Staat heeft hij nimmer aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. De door Baitali opgenomen risico’s hebben naar de Staat betoogt betrekking op Baitali als aannemer doch zijn niet project gerelateerd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat het risicoregister van Baitali wel aan de vereisten voldoet. Het valt voor de kantonrechter niet te rijmen waarom de inschrijving van Baitali mede op basis hiervan is afgewezen als de Staat van oordeel is dat zij nimmer heeft aangegeven dat het risicoregister niet aan de vereisten voldoet. Voorts heeft de Staat nagelaten uit te leggen waarom de door Baitali opgenomen risico’s niet project gerelateerd zijn. Op grond van het voorgaande heeft Baitali naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan dit vereiste heeft voldaan.

4.16 Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat de beoordeling van de inschrijving van Baitali onjuistheden bevat en zij onterecht als not sustantially responsive is beoordeeld. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de Staat heeft nagelaten om opheldering te vragen aan Baitali ten aanzien van gerezen onduidelijkheden, welke bevoegdheid hem toekomt, met als gevolg dat er door de Staat zaken verkeerd zijn geïnterpreteerd. De reden van dit nalaten is niet duidelijk geworden, nu de Staat heeft volstaan met de stelling dat zij zulks niet nodig achtte. Het verzoek tot opheldering was, naar het oordeel van de kantonrechter op zijn plaats, gezien Baitali de laagste bieder was en hoewel dat voor de gunning niet het enige vereiste was, was het in kader van besteding van staatsmiddelen wel gepast en geboden daar voldoende rekening mee te houden. Zulks, temeer de opheldering van Baitali mogelijk tot een ander oordeel van haar inschrijving zou hebben geleid. De kantonrechter vermag niet in te zien op welke wijze de opheldering door Baitali zou kunnen leiden tot wijziging van haar inschrijving zoals door de Staat is betoogd. Opheldering betekent verduidelijking van wat onduidelijk is gebleken, doch biedt niet de ruimte voor wijziging van de inschrijving waardoor het beginsel van gelijke behandeling zou worden geschonden.

Het primair gevorderde komt derhalve voor toewijzing in aanmerking, doch met uitzondering van het onder sub c gevorderde. De Staat zal in plaats daarvan worden veroordeeld tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als in het dictum te melden.

4.17 De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Aan de zijde van Baitali worden deze kosten tot aan deze uitspraak begroot op SRD 10.550,-. Dit bedrag omvat het vastrecht ad SRD 50,-, de oproepingskosten ad SRD 2.500,- en het gemachtigdensalaris ad SRD 7.500,-.

4.18 Aan de overige stellingen en weren wordt voorbijgegaan, nu die niet tot een andersluidend oordeel zullen leiden.

  1. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 beveelt de Staat om binnen twee (2) dagen na betekening van dit vonnis de Notification of Intention to Award, het besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance in te trekken;

5.2 beveelt de Staat om over te gaan tot herbeoordeling van de inschrijving van Baitali, met inachtneming van dit vonnis;

5.3 beveelt de Staat om de uitvoering van een reeds aangegane aannemingsovereenkomst terstond te staken en gestaakt te houden, totdat de herbeoordeling van de inschrijving van Baitali heeft plaatsgevonden; 

5.4 beveelt de Staat om, na de intrekking van de Notification of Intention to Award, het door de Staat genomen besluit op het bezwaarschrift van Baitali en de Letter of Acceptance alsook de staking en het gestaakt houden van de uitvoering van de reeds aangegane aannemingsovereenkomst, zulks terstond bekend te maken aan alle inschrijvers;

5.5 veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van SRD 5.000,- (vijfduizend Surinaamse dollar) per dag voor iedere dag dat de Staat in strijd handelt met hetgeen in 5.1 tot en met 5.4 van dit vonnis is beslist, tot een maximum van SRD 10.000.000,- (Tien miljoen Surinaamse dollar);

5.6 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7 veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van Baitali tot op heden begroot op SRD 10.550,- (Tienduizend vijfhonderd en vijftig Surinaamse dollar);

5.8 wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Haakmat-Sniphout en uitgesproken door mr. S. M. M. Chu, Kantonrechters in het Eerste Kanton, ter openbare terechtzitting te Paramaribo van 10 juli 2025, in aanwezigheid van de griffier. 

 

SRU-HvJ-2025-13

2020H00039

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME
VONNIS
In de zaak van

HOEFDRAAD, Gillmore André,
wonend te Paramaribo,
appellant (hierna: Hoefdraad),
gemachtigde: mr. M. Dubois, advocaat,

tegen

A. DE STAAT SURINAME, met name HET MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN,
B. DE STAAT SURINAME, met name DE NATIONALE ASSEMBLĖE,
C. DE STAAT SURINAME, met name HET OPENBAAR MINISTERIE,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie van Suriname,
kantoorhoudend te zijner Parkette te Paramaribo,
geïntimeerden (hierna afzonderlijk te noemen respectievelijk BIZA, DNA en OM, en tezamen de Staat),
gemachtigde van BIZA en OM: mr. G.R. Sewcharan,
gemachtigde van DNA: mr. M.G.A. Vos,

inzake het hoger beroep van het door de kantonrechter in het Eerste Kanton tussen partijen in kort geding gewezen en uitgesproken vonnis van 17 december 2020 (A.R. No. 20-2038) tussen Hoefdraad als eiser en de Staat als gedaagde spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

Het procesverloop in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken en/of handelingen:

  • het proces-verbaal van 18 december 2020 van de griffier der kantongerechten, waarin is vermeld dat Hoefdraad tegen genoemd vonnis hoger beroep heeft ingesteld;
  • de pleitnota van 18 februari 2022;
  • de antwoordpleitnota van 6 mei 2022 van BIZA en OM, met producties;
  • het antwoordpleidooi van 6 mei 2022 van DNA, met producties;
  • de repliekpleitnota van 21 oktober 2022 ten aanzien van BIZA en OM;
  • de repliekpleitnota van 21 oktober 2022 ten aanzien van DNA;
  • de dupliekpleitnota van 2 december 2022 van DNA;
  • de brief van 5 mei 2023, waarin mr. Sewcharan namens BIZA en OM laat weten dat de Staat persisteert bij al hetgeen bij antwoordpleitnota is gesteld.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

De beoordeling in hoger beroep
1. Het beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Hoefdraad daarin kan worden ontvangen.

2. In zijn inleidend verzoekschrift heeft Hoefdraad gevorderd, zakelijk weergegeven, dat het advies c.q. het besluit van de hoorcommissie van DNA en het eindbesluit van de openbare vergadering van DNA van 6 augustus 2020, waarbij Hoefdraad op tweede vordering van de Procureur-generaal in staat van beschuldiging is gesteld, wordt opgeschort, c.q. geschorst, dat BIZA, DNA en OM elk voor zich worden gelast het vonnis te gehengen en te gedogen, en dat het OM uitdrukkelijk wordt veroordeeld het eindbesluit te gehengen en te gedogen en wordt verboden tot enige daad van vervolging tegen Hoefdraad over te gaan, alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten. De kantonrechter heeft de gevorderde voorzieningen geweigerd, met veroordeling van Hoefdraad in de proceskosten.

3. Hoefdraad voert tegen het vonnis waarvan beroep de volgende grieven aan:
Grief 1: De kantonrechter is ten aanzien van de toepassing van het beginsel van ne bis in idem van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.

Grief 2: De kantonrechter heeft het beginsel van ne bis in idem ten onrechte niet op het tweede verzoek van de Procureur-generaal (hierna: het tweede verzoek) toegepast.

Grief 3: De kantonrechter heeft ten onrechte niet overwogen dat Hoefdraad, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, op het tweede verzoek had moeten worden gehoord.

Grief 4: De kantonrechter heeft ten onrechte niet overwogen dat het beginsel van hoor en wederhoor aan een (gewezen) politieke ambtsdrager toekomt.

4. De Staat kan zich met het vonnis waarvan beroep verenigen en verzoekt het Hof het vonnis te bevestigen en Hoefdraad in zijn vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen.
Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd. Het gaat in deze zaak, zakelijk weergegeven, om het volgende. Hoefdraad was van 2015 tot 2020 Minister van Financiën. Op 23 april 2020 heeft de Procureur-generaal bij het Hof van Justitie (hierna: de PG) op grond van artikel 2 lid 1 van de Wet in Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (hierna: WBVPA) bij DNA een vordering ingediend om Hoefdraad in staat van beschuldiging te stellen. Nadat DNA een hoorcommissie had benoemd en Hoefdraad een verweerschrift had ingediend, heeft DNA de vordering van de PG afgewezen. Op 20 juli 2020 heeft de PG bij DNA een hernieuwde, gelijkluidende vordering ingediend (hierna: de tweede vordering). Hoefdraad is daarvan op 22 juli 2020 in kennis gesteld. Bij brief van 28 juli 2020 heeft Hoefdraad tegen de tweede vordering een verweerschrift bij DNA ingediend. Op 6 augustus 2020 heeft DNA de tweede vordering toegewezen. Hierna is de vervolging van Hoefdraad aangevangen, Hoefdraad is in eerste aanleg door het Hof van Justitie bij vonnis d.d. 17 december 2021 bij verstek wegens, kort gezegd, ambtsmisdrijven tot een gevangenisstraf van 12 jaren en een geldboete van SRD 500.000,- veroordeeld. Thans wordt de strafzaak in hoger beroep behandeld.

5. Alvorens in te kunnen gaan op de opgeworpen grieven is, naar het het Hof voorkomt, aan de orde de vraag in hoeverre de civiele rechter in kort geding in het algemeen mag oordelen over de rechtsgeldigheid van een strafprocessuele fase in een strafzaak en zo ja, of dat ook kan onder de in dit geding gegeven omstandigheden.
In dit verband overweegt het Hof dat een besluit genomen door DNA op het verzoek van de Procureur-generaal tot het in staat van beschuldiging stellen van een politieke ambtsdrager zoals bedoeld in artikel 140 van de grondwet en de Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers niet een bestuursbesluit betreft. Het is een parlementair besluit met juridische gevolgen, dat de weg opent voor vervolging bij het Hof van Justitie. De Nationale Assemblee is immers geen bestuursorgaan doch het wetgevend orgaan bij uitstek die ingevolge meergenoemd grondwetsartikel 140 een rol toebedeeld heeft gekregen in het strafproces tegen politieke ambtsdragers indien zij ervan worden verdacht in die betrekking een misdrijf te hebben gepleegd.

6. Het systeem van het strafproces in een strafzaak in het algemeen en dat van een strafzaak tegen een politieke ambtsdrager als bedoeld in artikel 140 van de Grondwet in het bijzonder, ziet er in grote lijnen als volgt uit:

Fasen van een strafproces in het algemeen opsporingsfase
1. Verdenking van een misdrijf in de opsporingsfase
2. Vooronderzoek / Voorbereiding van de zaak
aanvang vervolgingsfase
3. Eventueel een gerechtelijk vooronderzoek
4. Dagvaarding
5. Behandeling ter terechtzitting
6. Vonnis
7. Eventueel aanwenden van rechtsmiddelen (optioneel)

Fasen van een strafproces voor Politieke Ambtsdragers in Suriname
opsporingsfase
1. Verdenking van een ambtsmisdrijf in de opsporingsfase
2. Vordering tot in staat van beschuldigingstelling bij DNA
3. Besluit door DNA
4. Vooronderzoek / Voorbereiding van de zaak
aanvang vervolgingsfase
5. Eventueel een gerechtelijk vooronderzoek
6. Dagvaarding
7. Behandeling ter terechtzitting
8. Vonnis
9. Eventueel aanwenden van rechtsmiddelen (optioneel)

7. In de onderhavige zaak wordt aan de civiele rechter in kort geding gevraagd om over de rechtsgeldigheid van stap drie van het strafproces in een zaak tegen een politieke ambtsdrager te oordelen en gevorderd wordt – verkort weergegeven – dat het besluit, genoemd in stap drie, door de civiele kortgedingrechter wordt geschorst, dat de civiele kortgedingrechter de vervolging een verbod oplegt om over te gaan tot enige daad van opsporing en vervolging en de civiele rechter de vervolging gelast reeds aangevangen daden van opsporing en vervolging onmiddellijk te staken.

Het Hof overweegt hiertoe dat het Openbaar Ministerie (OM) een (grond)wettelijk verankerde bevoegdheid heeft om zelfstandig opsporingsonderzoeken te starten. Die bevoegdheid vloeit voort uit de Grondwet, de wet (waaronder het wetboek van strafvordering) en de rol van het OM als vervolgingsinstantie binnen de trias politica. Immers is ingevolge het bepaalde in artikel 145 lid 1 van de Grondwet het Openbaar Ministerie met uitsluiting van elk ander orgaan verantwoordelijk voor de opsporing en belast met de vervolging van alle strafbare feiten.

Anders dan bij vervolging van politieke ambtsdragers – indien zij ervan worden verdacht dat zij in die betrekking een misdrijf hebben gepleegd – is voor het starten van een opsporingsonderzoek geen rechterlijke toestemming of een besluit van DNA tot in staat van beschuldigingstelling vereist. Rechtsmiddelen zoals bezwaar, klacht of beroep op verweren kunnen pas worden ingezet nadat het OM de vervolgingsfase heeft aangevangen dan wel dwangmiddelen heeft toegepast. Als er sprake is van selectieve vervolging met name dat een burger van mening is dat hij ten onrechte wordt vervolgd zoals in onderhavige zaak, of bij klacht over een ander strafprocessueel verweer zoals misbruik van bevoegdheid, kan dit in een later stadium bij de rechter-commissaris dan wel bij de strafrechter in eerste aanleg en in hoger beroep worden opgeworpen, waarna betreffende rechterlijke autoriteit daarop een beslissing geeft.

8. Naar Hoven’s oordeel kan de civiele rechter in kort geding in beginsel zich niet zonder meer begeven op straf(proces)rechtelijk terrein, hij zal een oplossing van het geschil in kwestie moeten overlaten aan de rechters belast met de behandeling van strafzaken. De kortgedingrechter vervult de functie van restrechter, die voorziet in rechtsbescherming in gevallen dat de strafwet of het strafproces geacht wordt leemten te bevatten en alleen als er echt geen andere mogelijkheden zijn of deze niet kunnen worden afgewacht. Aangezien het Wetboek van Strafvordering een uitputtend systeem van rechtsbescherming biedt, zullen niet snel leemten in dat systeem kunnen worden aangenomen.

9. Het Hof overweegt met betrekking tot het onderhavige verzoek dat niet gebleken is dat Hoefdraad in de strafzaak in eerste aanleg een beroep heeft gedaan op het naar zijn mening niet rechtsgeldig zijn van het tweede besluit van DNA. In het hoger beroep van de strafzaak heeft Hoefdraad dit verweer opgeworpen bij het Hof van Justitie. Dit Hof in hoger beroep inzake politieke ambtsdragers heeft bij tussenvonnis van 20 mei 2024 (vide de op de uitspraken databank van de website “www.rechtspraak.sr” gepubliceerde uitspraak https://rechtspraak.sr/sru-hvj-2024-3/) inhoudelijk hierover geoordeeld en heeft beslist tot verwerping van dat opgeworpen verweer.

10. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de wetgeving betrekking hebbende op het strafproces in de zaak van Hoefdraad in diens hoedanigheid van politieke ambtsdrager een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt, waarvan door Hoefdraad ook gebruik is gemaakt. Om die reden zal hij in zijn vordering in kort geding niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

11. Het Hof komt hierdoor niet toe aan de bespreking van de aangevoerde grieven. Hoefdraad zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, inclusief de liquidatiekosten in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van de Staat gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD.15.000,=.

12. Het vonnis in prima zal worden vernietigd en het Hof zal, opnieuw rechtdoende, Hoefdraad niet ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen.

De beslissing in hoger beroep
Het Hof:
– Vernietigt het door de kantonrechter tussen partijen gewezen vonnis van 17 december 2020 bekend onder A.R. No. 20-2038, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

– Verklaart Hoefdraad niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
– Veroordeelt Hoefdraad in de proceskosten aan de zijde van de Staat gevallen in eerste aanleg en in hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op SRD.15.000,= (vijftienduizend Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. S.S.S. Wijnhard en mr. A.C. Johanns, leden, en

door mr. A.C. Johanns uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 17 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mevr. S. Kesharie, LL.B.

Bij de uitspraak ter terechtzitting zijn verschenen advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. M. Dubois en advocaat mr. M.G.A Vos, gemachtigde van appellant en geïntimeerde sub B en advocaat A.J. Heath, LL.M namens mr. G.R. Sewcharan, gemachtigde van geïntimeerden sub A en sub C.

 

 

SRU-K1-2025-8

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON
Vonnis in kort geding in de zaak van

CIVAR no. 202503419
15 september 2025

WINTER, GIOVANNI GEROLD,
wonende te Paramaribo,
eiser, hierna: Winter,
gemachtigde: mr. E.K. Chotkanoe, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME M.N. HET MINISTERIE VAN GRONDBELEID EN BOSBEHEER,
in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal, zetelende te Paramaribo,
gedaagde, hierna: de staat,
gemachtigde: mr. J. Kraag, advocaat,

1. Het verloop van het proces
Het verloop van het proces blijkt uit de volgende processtukken en/of -handelingen:

  • het inleidend verzoekschrift dat met producties op 2 september 2025 op de Griffie der Kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • de mondelinge conclusie van repliek, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 9 september 2025 en de daarbij overgelegde producties;
  • de mondelinge conclusie van dupliek en uitlating producties, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 9 september 2025.

De datum voor de uitspraak is hierna nader bepaald op vandaag.

2 De feiten
2.1 Winter is beëdigd landmeter in Suriname.

2.2 Een brief van de Minister van Grondbeleid en Bosbeheer (hierna: de minister) van 25 augustus 2025 gericht aan de voorzitter van het Tuchtcollege voor Landmeters, vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Onderwerp: Klacht ex artikel 49 GLIS-wet tegen beëdigd landmeter
de heer Giovanni Gerold Winter

Paramaribo, 25 augustus 2025

Geachte voorzitter,
In de hoedanigheid van Minister van Grondbeleid en Bosbeheer wendt ondergetekende zich tot u met een formele klacht tegen beëdigd landmeter de heer Giovanni Gerold Winter.

Op 16 februari 2023 heeft de GLIS-landmeter in een advies aan de toenmalige minister zelf reeds aangegeven dat er ernstige bezwaren bestaan tegen zijn beëdiging en beroepsuitoefening. Inmiddels zijn er meerdere signalen, meldingen en concrete casussen aan het licht gekomen die deze bezwaren bevestigen en verzwaren.

Artikel 49 GLIS-wet voorziet in de mogelijkheid om tegen een beëdigde landmeter tuchtmaatregelen te treffen, waaronder schorsing, indien sprake is van misbruik, nalatigheid of onzorgvuldig handelen. De wijziging van het Decreet rechtstoestand vóór 1 juli 1982 uitgegeven gronden bepaalt dat:

  • de Minister pas op een aanvraag kan beslissen nadat een onderzoek door de Dienst Grondinspectie en het Districtscommissariaat heeft plaatsgevonden
  • gewezen titelhouders altijd eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om grondhuur aan te vragen voordat een titel aan derden wordt gegeven

Deze kaders beogen transparantie, rechtszekerheid en bescherming van gerechtigden. Van een beëdigde landmeter mag daarom gelet op zijn rol binnen dit stelsel en de zorgvuldigheidsplicht worden verwacht dat hij zich strikt conformeert aan deze wettelijke regels.

Uit intern onderzoek en externe meldingen is gebleken dat de heer Winter structureel in strijd met bovengenoemde bepalingen en beginselen heeft gehandeld.

A. Schending van zorgvuldigheid en belangenverstrengeling

In de kwestie Reeberg is vastgesteld dat de heer Winter kaarten heeft vervaardigd zonder zelf ter plaatse te zijn geweest, ten behoeve van personen die geen rechtmatige aanspraak hadden op de betrokken percelen.

B. Andere klachten van burgers

Naast Reeberg zijn er diverse klachten van burgers binnengekomen, waaronder betwiste kaartvervaardiging, vermeende manipulatie van perceelsgrenzen en twijfelachtige betrokkenheid bij titelaanvragen. Deze zaken worden nader onderzocht, maar schetsen samen een patroon dat de geloofwaardigheid van het beroep ernstig schaadt.

C. Overschrijding wettelijke kaders

Door het vervaardigen van kaarten en ondersteunen van aanvragen in strijd met de wettelijke regels (S.B. 2019 no. 120), heeft de heer Winter bijgedragen aan onjuiste of onrechtmatige procesvoering binnen het grondbeleid.

Dit handelen:

  • ondermijnt de rechtszekerheid van burgers;
  • tast het vertrouwen in het GLIS-systeem en de overheid ernstig aan;
  • schaadt de beroepsgroep van landmeters in haar geheel.

Dientengevolge verzoekt ondergetekende het Tuchtcollege met klem om:

  1. een onafhankelijk tuchtonderzoek in te stellen naar het handelen van de heer Winter, inclusief de Reeberg-kwestie en de overige klachten die momenteel in behandeling zijn.
  2. op basis van dit onderzoek de heer Giovanni Gerold Winter op grond van artikel 49 GLIS-wet te schorsen.
  3. kennis te nemen van het feit dat beleidsmatig reeds is bepaald dat aanvragen waarin kaarten van de heer Winter zijn betrokken voorlopig niet in behandeling worden genomen, teneinde verdere schade te voorkomen en de integriteit van het proces te waarborgen.

Het is in het belang van goed bestuur, transparantie en de geloofwaardigheid van de beroepsgroep dat tegen dergelijk handelen krachtig en zichtbaar wordt opgetreden. Alleen zo kan het vertrouwen van burgers in het grondbeleid worden hersteld.”

2.3 Een circulaire van de minister d.d. 25 augustus 2025 gericht aan “de Onderdirecteuren” en “de Dienst- en afdelingshoofden” (hierna ook aangeduid als: de circulaire) vermeldt, voor zover van belang, het volgende.

Naar aanleiding van de integriteitskwesties omtrent de beëdigde landmeter de heer G.G. Winter, waaronder de kwestie Reeberg, en de lopende klachtprocedure bij het Tuchtcollege van Landmeters, wordt hierbij de volgende beleidsinstructie vastgesteld, welke per heden van kracht is.

  • Alle aanvragen waarin kaarten van landmeter Winter voorkomen, worden niet in behandeling genomen.
  • Reeds in behandeling zijnde dossiers met kaarten van Winter worden onmiddellijk aangehouden tot nader order.
  • De Dienst der Domeinen en de afdeling Grondinspectie voeren een uitgebreide controle naar alle gevallen waarbij gebruik is gemaakt van kaarten afkomstig van Winter.

in alle twijfelgevallen: de behandeling van desbetreffende dossiers aanhouden.

  • Alle dossiers waarin kaarten van Winter voorkomen, direct rapporteren aan de minister met vermelding van:

perceelnummer & locatie (adres en coördinaten),

naam aanvrager,

aard van de aanvraag.

  • Aanvragers ontvangen bericht dat hun aanvraag tijdelijk wordt aangehouden wegens integriteitsonderzoek.

Er worden geen persoonlijke uitspraken gedaan over Winter; er wordt verwezen naar de beleidsinstructie.

Deze instructie blijft van kracht totdat het Tuchtcollege een definitieve uitspraak heeft gedaan of de minister anders beslist.

2.4 Op de Facebookpagina van het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer is eveneens op 25 augustus 2025 de volgende bekendmaking geplaatst.

Officiele Bekendmaking

Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer

Paramaribo, 25 augustus 2025

Het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) maakt hierbij bekend dat naar aanleiding van integriteitskwesties rondom de beëdigde landmeter Giovanni Gerold Winter, het volgende beleid van kracht is gegaan:

  1. Aanvragen waarin gebruik wordt gemaakt van kaarten van landmeter Winter, zullen voorlopig niet in behandeling worden genomen.
  2. Reeds in behandeling zijnde dossiers met kaarten van Winter worden onmiddellijk aangehouden tot nader order.
  3. De Dienst der Domeinen en de Afdeling Grondinspectie zullen extra controles uitvoeren bij alle gevallen waarin kaarten van Winter zijn gebruikt.

– In twijfelgevallen worden de dossiers aangehouden.

4. Alle dossiers waarin kaarten van Winter voorkomen, worden afzonderlijk gerapporteerd aan de minister met vermelding van:

  • perceelnummer en locatie (adres en coördinaten);
  • naam van de aanvrager,
  • aard van de aanvraag.

5. Aanvragen die tijdelijk zijn aangehouden worden pas verder behandeld nadat het Tuchtcollege van Landmeters een definitieve uitspraak heeft gedaan of de minister anders beslist.

Wij rekenen op uw begrip en medewerking. 

De Minister van Grondbeleid en Bosbeheer

(…)”

2.5 Een artikel gepubliceerd op de website van het nieuwsmedium Starnieuws op 25 augustus 2025, vermeldt onder de kop “Minister Soeropawiro dient klacht in tegen landmeter Giovanni Winter”, voor zover van belang, het volgende:

Het ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) is opgetreden tegen beëdigd landmeter Giovanni Winter. Minister Stanley Soeropawiro heeft bij het Tuchtcollege voor Landmeters een officiële klacht ingediend op grond van artikel 49 van de GLIS-wet.

De klacht volgt na ernstige onregelmatigheden, waaronder de kwestie-Reeberg, en meerdere klachten van burgers die momenteel worden onderzocht. 

Tegelijkertijd heeft de minister een beleidsinstructie uitgevaardigd om burgers direct te beschermen:

  • Aanvragen met kaarten van Winter worden niet behandeld.
  • Lopende dossiers worden onmiddellijk aangehouden.
  • Ambtenaren hebben meldplicht bij elk betrokken dossier.

Minister Soeropawiro: “Grond is van het volk. Wie misbruik maakt, schaadt het vertrouwen van het volk. Dat zal ik nooit toelaten.” Met deze ingreep wil de bewindsman de volledige bescherming van burgers waarborgen en het vertrouwen in het grondbeleid herstellen.”

2.6 In de editie van 26 augustus 2025 heeft het dagblad Times of Suriname onder de kop, “Onderzoek ingesteld naar werk landmeter Winter

Ook vakbondsleden zouden gronden hebben gehad”, een artikel gepubliceerd, luidende, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) heeft een onderzoek ingesteld naar het werk van beëdigd landmeter Giovanni Gerold Winter. Alle landkaarten die door hem zijn vervaardigd, worden voorlopig aangehouden en niet meer in behandeling genomen. Minister Stanley Soeropawiro bevestigde dit maandag tijdens een regeringsconferentie en sprak van een noodzakelijke ingreep om de integriteit van het gronduitgifteproces te waarborgen. Dit besluit is genomen naar aanleiding van de misstanden die de afgelopen periode zijn gemeld over de gronduitgifte te Reeberg.

(…)

Minister Soeropawiro zegt dat er ernstige twijfels zijn ontstaan over de juistheid en betrouwbaarheid van landkaarten die Winter heeft aangeleverd. Uit interne onderzoeken en rapporten van externe partijen blijkt dat de landmeter zich niet altijd aan de geldende normen heeft gehouden, waardoor burgers benadeeld zouden zijn. “De maatschappelijke verontwaardiging is groot en deze casus is daarom voorgelegd aan de Tuchtraad voor Landmeters”, verklaarde Soeropawiro.

Het ministerie heeft inmiddels een beleidsinstructie uitgevaardigd die op alle lopende en toekomstige aanvragen van toepassing is. De maatregelen luiden als volgt: nieuwe aanvragen waarbij kaarten van Winter voorkomen, worden niet behandeld. Reeds lopende dossiers worden onmiddellijk aangehouden. De Dienst der Domeinen en Afdeling Grondinspectie voeren verscherpte controles uit op alle gevallen waarin kaarten van Winter zijn gebruikt. In twijfelgevallen wordt de behandeling automatisch stilgelegd. Alle dossiers met kaarten van Winter moeten afzonderlijk aan de minister worden gerapporteerd, met vermelding van perceelnummer, locatie, aanvrager en aard van de aanvraag. Pas na een uitspraak van het Tuchtcollege van Landmeters, of na een nieuwe beslissing van de minister, kan de behandeling van aanvragen worden hervat. 

De kwestie treft niet alleen individuele burgers die wachten op hun grondaanvraag, maar ondermijnt ook de geloofwaardigheid van het totale gronduitgiftebeleid. Onbetrouwbare kaarten kunnen leiden tot dubbele toewijzingen, rechtszaken en verlies van vertrouwen in de overheid. Soeropawiro erkende dat de situatie pijnlijk is voor de betrokken burgers, maar benadrukte dat zorgvuldigheid nu zwaarder weegt dan snelheid. “We kunnen geen risico nemen dat de burgers grondpapieren ontvangen op basis van onjuiste of betwiste gegevens”, zei de minister. De minister sluit niet uit dat er een nieuwe procedure komt, waarbij percelen opnieuw worden gemeten door andere beëdigde landmeters. “We wachten het oordeel van het Tuchtcollege af. Daarna bekijken we of er herziening van aanvragen nodig is”, aldus Soeropawiro.” 

  1. Winter heeft bij brief van 26 augustus 2025 de minister als volgt aangeschreven.

Betreft: Schending van mijn rechten, o.a. van hoor- en wederhoor en zorgvuldigheidsbeginsel

Geachte Minister GBB,

Hierbij nader ik de heer Winter, Giovanni Gerold u met het volgende. Dat ik uit een circulaire d.d. 25 augustus 2025 no 2024-25/MinGBB en uit de media, onder andere Starnieuws d.d. 25 augustus 2025 heb vernomen, dat u een tuchtklacht tegen mij in mijn hoedanigheid als beedigde landmeter in Suriname heeft ingediend, bij het Tuchtcollege voor landmeters in Suriname. Hierbij heeft u het volgende verzoek aan het Tuchtcollege voor landmeters in Suriname gedaan:

  • Een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar het handelen van de heer Winter, inclusief de Reeberg-kwestie en de overige klachten die momenteel in behandeling zijn.
  • Op basis van dit onderzoek de heer Giovanni Gerold Winter op grond van artikel 49 van de GLIS-wet te schorsen.
  • Kennis te nemen van het feit dat beleidsmatig reeds is bepaald dat aanvragen waarin kaarten van de heer Winter zijn betrokken voorlopig niet in behandeling worden genomen, teneinde verdere schade te voorkomen en de integriteit van het proces te waarborgen.

Dat het mij zeer verbaast dat u mij omtrent het bovenstaande niet eerst heeft opgeroepen voor verhoor, noch heeft gehoord en vervolgens mij ook niet in de gelegenheid heeft gesteld om mij te verweren voor vermeende handelingen op grond waarvan u mij verwijten heeft gemaakt, c.q. op grond waarvan u een tuchtklacht tegen mij heeft ingesteld. Dit houdt in dat het beginsel van hoor- en wederhoor in de bovenstaande kwestie van de tuchtklacht door u ernstig is geschonden. Verder is hiermee ook het zorgvuldigheidsbeginsel door u geschonden en heeft u, zonder mij eerst op de door u gedane verwijten te laten verweren, in de circulaire en in de media allerlei beschuldigingen gedaan over mijn functioneren als landmeter, waardoor u mijn naam, eer en integriteit ernstig heeft geschaad.

Op grond van het voorgaande, met name op grond van de schending van het beginsel van hoor- en wederhoor en het zorgvuldigheidsbeginsel, waarmee schade aan mij is toegebracht, doe ik u thans het verzoek om mij binnen twee (2) dagen na heden voor een persoonlijk gesprek te ontvangen, zodat diepgaand over de door u gedane beschuldigingen omtrent mijn functioneren als landmeter besproken wordt en waarnodig de noodzakelijke correcties uwerzijds worden gedaan, alsook om de tuchtklacht tegen mij in te trekken, totdat ik door u op behoorlijke wijze in de gelegenheid ben besteld [de kantonrechter: gesteld] om mij schriftelijk te verweren, over handelingen waarover [de kantonrechter: men] mij meent te willen verwijten.”

Wachtende op een spoedige uitnodiging uwerzijds, verblijf ik inmiddels.”

2.8 In reactie op voormelde brief heeft de minister bij brief van 27 augustus 2025 Winter, voor zover van belang, als volgt bericht:

Geachte heer Winter,

Hierbij bevestig ik ontvangst van uw brief d.d. 26 augustus 2025.

Het indienen van een klacht bij het Tuchtcollege voor landmeters vloeit rechtstreeks voort uit mijn wettelijke bevoegdheid als minister van Grondbeleid en Bosbeheer. De inhoudelijke beoordeling en behandeling van deze klacht berust uitsluitend bij het Tuchtcollege, dat u de gelegenheid zal bieden tot verweer conform het beginsel van hoor- en wederhoor.

De tijdelijke beleidsinstructie met betrekking tot door u vervaardigde kaarten is een noodzakelijke beheersmaatregel in het belang van goed bestuur en blijft van kracht totdat het Tuchtcollege uitspraak heeft gedaan.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer daarop
in conventie
3.1 Winter vordert, zakelijk weergegeven dat de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de staat veroordeeld:

  1. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de tuchtklacht in te trekken of ongedaan te maken;
  2. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de circulaire in te trekken of ongedaan te maken en daarover mededeling te doen aan allen tot wie voormelde circulaire bedoeld was;
  3. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, via de media met name Starnieuws en het dagblad Times of Suriname mededeling te doen, dat de eerder gedane beschuldigingen, respectievelijk verschenen op 25 en 26 augustus 2025 met betrekking tot het functioneren van Winter als beëdigde landmeter in Suriname, onterecht zijn en niet op waarheid berusten en dat de staat Winter daarvoor excuses aanbiedt voor het daarbij ontstane ongerief;
  4. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, aan Winter ineens vergoed, de door hem geleden schade voorlopig begroot op SRD 125.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van indiening tot aan die der algehele voldoening en incassokosten groot 15%;
  5. binnen 1 x 24 uur na betekening van dit vonnis of binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, bij wege van schadevergoeding aan Winter te betalen, de gemaakte kosten begroot op SRD 2.250,- aan vastrecht en oproepingskosten en USD 2.000 of de tegenwaarde daarvan in SRD volgens de verkoopkoers van de Centrale Bank van Suriname op de dag der voldoening aan advocaatkosten;
  6. één of meer beslissingen te nemen die de kantonrechter geraden acht, zo nodig onder aanvulling van de rechtsgronden.

3.2 Winter stelt daartoe dat de staat, kort weergegeven, onrechtmatig tegen hem heeft gehandeld en wel als volgt.
3.2.1 De staat heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, door hem niet te horen of hem in de gelegenheid te stellen zich te verweren tegen de hem verweten handelingen alvorens de tuchtklacht in te dienen. De beschuldigingen zijn niet bewezen en zijn niet eens onderzocht door de staat.

3.2.2 De staat heeft door aldus te handelen en in de circulaire en in de media beschuldigingen te uiten over het functioneren van hem en over vermeende handelingen van hem en voorts door alle door hem vervaardigde en bij GLIS ingediende landkaarten voor goedkeuring aan te houden en niet verder te behandelen het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

3.2.3 De beleidsinstructies en de tuchtklacht zijn ongegrond en onrechtmatig. De tuchtklacht is bovendien te algemeen, niet goed gemotiveerd en is gelet op de formulering daarvan geen klacht maar een verzoek om onderzoek. Dit strookt niet met artikel 49 GLIS-wet, waarin aan het Tuchtcollege niet een onderzoeksbevoegdheid is verleend maar een bevoegdheid tot het beoordelen van een klacht.

3.2.4 Hij heeft de minister schriftelijk gevraagd om uitgenodigd te worden om het een en ander diepgaand te bespreken en om de tuchtklacht in te trekken, totdat hij in staat is gesteld zich te verweren bij de staat. Echter heeft de staat bij de onder sub 2.8 geciteerde brief, kort weergegeven, geweigerd daaraan gevolg te geven en hem bericht dat de beleidsinstructie van kracht blijft totdat het Tuchtcollege uitspraak heeft gedaan.

3.3 Door het aanhouden van de door hem ingediende kaarten en door negatieve berichten via circulaires en de media (Starnieuws en Times of Suriname) in de publiciteit te brengen, zijn de goede naam, eer en integriteit van hem geschonden en wordt hij in de samenleving gezien als een landmeter die onbetamelijk en onzuiver heeft gehandeld bij het vervaardigen van landkaarten. Daardoor eisen zijn klanten restitutie van voorschotbetalingen, waardoor hij schade lijdt welke wordt begroot op SRD 125.000,-.

3.4 Als de onrechtmatige gedragingen niet worden gestaakt zal de schade aanzienlijk hoger zijn, aangezien verwachtbaar is dat steeds meer klanten hem als onbetrouwbaar en niet integer zullen beschouwen en hun opdrachten zullen intrekken en betaalde voorschotten zullen terugeisen. Een voorziening in kort geding is dus noodzakelijk.

3.5 Zijn schade bestaat ook uit kosten voor het instellen van de onderhavige vordering, bestaande uit vastrecht, oproepingskosten en advocaatkosten. 

3.6 De staat voert, voor zover van belang, het volgende verweer.

3.6.1 Het spoedeisend belang ontbreekt. Voor toewijzing in kort geding is vereist dat sprake is van een concreet en acuut gevaar voor onomkeerbare schade dat een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Winter heeft geen concreet feit of omstandigheid aangevoerd waaruit een dergelijk spoedeisend belang volgt. Het enkele beroep op reputatieschade is onvoldoende, nu Winter de rechtsgang bij het Tuchtcollege ter beschikking heeft waarin hij zich kan verweren. De eventuele negatieve gevolgen die hij stelt te ondervinden zijn niet onomkeerbaar. Indien de klacht ongegrond wordt verklaard door het Tuchtcollege, zal dit oordeel reeds leiden tot herstel van zijn positie en reputatie.

3.6.2 De staat, in deze de minister, is belanghebbende in de zin van artikel 49 lid 6 van de GLIS-wet.

3.6.3 De minister heeft geen beschuldigingen tegen Winter geuit in het publieke debat: de staat/de minister heeft niet via Starnieuws of Times of Suriname een publicatie doen plaatsen met de bedoeling Winter’s naam of reputatie te schaden. Uit het bericht van Starnieuws blijkt dat niet, noch dat de minister de media actief heeft bezocht. Er zijn regeringspersconferenties gehouden, maar die hadden te maken met het publieke debat, de transparantie en de rechtszekerheid. Van de minister wordt verwacht dat hij duidelijkheid verschaft over de ingediende klacht en dat heeft hij gedaan. De enkele mededeling van hem gedaan op 27 augustus 2025 aan de pers voorafgaand aan de vergadering van de Raad van Ministers, hield slechts in dat er een klacht bij het tuchtcollege was ingediend.

3.6.4 Met de publieke mededeling van de minister heeft hij of de staat niet vooruitgelopen op de beoordeling van de klacht door het Tuchtcollege en is geen waardeoordeel gegeven over Winter.

3.6.5 Dat de circulaire later via de media bekend is geworden, kan de staat niet worden verweten alsof hij dat heeft gelekt. De circulaire was uitsluitend gericht aan onderdirecteuren en de dienst- en afdelingshoofden onder het gezag van de minister en strekte tot beleidsinstructies. Dat de media erover hebben gepubliceerd, betekent niet dat de staat het oogmerk had Winter in diskrediet te brengen. Het verwijt dat de staat dat oogmerk had wordt betwist. Zo ook het verwijt dat de staat in de media of circulaires beschuldigingen heeft geuit, wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing.

3.6.6 Zelfs al zou de mededeling of duidelijkheid die de minister heeft verschaft omtrent de ingediende klacht door Winter als verontrustend of kwetsend zijn ervaren, valt dat nog binnen de grenzen van het publiek debat (Arrest Hoge Raad 18 oktober 2022 ECLI:NL:HR:2022:1468) en vloeit dat juist voort uit de verantwoordelijkheid van de minister om in het algemeen belang transparantie en duidelijkheid te verschaffen. In dat licht kan het optreden van de staat niet worden gezien als onrechtmatig of beschuldigend.

3.6.7 Het is logisch dat na of gelijktijdig met het indienen van de klacht het beleid binnen het ministerie wordt aangepast en dat de verschillende afdelingen, onderdirecteuren en afdelingshoofden worden geïnformeerd en geïnstrueerd. Dit is noodzakelijk om de interne organisatie duidelijkheid te verschaffen en ervoor te zorgen dat men weet hoe om te aan met de nieuwe situatie, steeds met het oog op transparantie, rechtszekerheid en het vertrouwen van het publiek.

3.6.8 De klacht is niet vexatoir en levert geen misbruik van recht op.

3.6.9 Het verwijt het beginsel van hoor en wederhoor te hebben geschonden is ongegrond. Winter is geen ambtenaar in dienst van de staat. De minister is niet wettelijk verplicht Winter te horen alvorens een klacht in te dienen bij het Tuchtcollege. Het Tuchtcollege, niet de staat zal hem de gelegenheid bieden zich te verweren.

3.6.10 Hetgeen Winter als verweer tegen de klacht heeft aangehaald is niet ter beoordeling van de kortgedingrechter, maar van het Tuchtcollege.

3.6.11 De gevorderde schade ad SRD 125.000,- is niet onderbouwd. Het vastrecht en de advocaatkosten zijn niet verschuldigd.

3.7 Op de stellingen van partijen, wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
Het spoedeisend belang
4.1 Uit de onder sub 3.3 en 3.4 weergegeven stellingen van Winter blijkt in voldoende mate het spoedeisend belang bij het gevorderde. Winter is daarom ontvankelijk in het ingestelde kort geding.

De tuchtklacht
4.2 Het gevorderde zoals onder 3.1 onder a weergegeven is niet toewijsbaar. Dit onderdeel van de vordering steunt, zoals de kantonrechter de stellingen van Winter opvat, op het volgende:

  1. vermeende inhoudelijke ondeugdelijkheid van de klacht (het betreft niet een klacht maar een verzoek tot onderzoek en de klacht mist een deugdelijke feitelijke grondslag);
  2. de staat is geen belanghebbende in de zin van artikel 49 lid 6 GLIS-wet;
  3. de staat heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. 

Ingevolge artikel 49 lid 6 GLIS-wet is het Tuchtcollege belast met de beoordeling van het gedrag van een beëdigde landmeter, wanneer hierover een klacht is ingediend. Een oordeel over de tuchtklacht van de staat en de hiervoor door Winter aangevoerde gronden, hetwelk ook de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de tuchtklacht bestrijkt, is dan ook uitsluitend aan het Tuchtcollege voorbehouden. De kantonrechter kan daarom niet oordelen tot intrekking van de tuchtklacht of deze ongedaan maken.

Het standpunt dat de staat Winter moest hebben gehoord voorafgaand aan indiening van de klacht faalt. Gelijk de staat heeft aangevoerd rust op de staat geen verplichting daartoe.

Kernvragen

4.3 In dit geding staan de volgende vragen centraal.

  1. Heeft de staat maatschappelijk onbetamelijk gehandeld jegens Winter door het uitvaardigen van de circulaire door de minister met de daarin vervatte beleidsinstructies?
  2. Heeft de staat met de bekendmaking op zijn Facebookpagina en de op Starnieuws respectievelijk in Times of Suriname verschenen artikelen onrechtmatig (in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid) gehandeld jegens Winter?

Uitgangspunt is dat de staat aansprakelijk kan worden gesteld voor handelingen van de minister, nu de minister in casu als orgaan van de staat heeft gehandeld.

De circulaire
4.4 Het maatschappelijk onbetamelijk handelen bestaat volgens Winter uit schending van het hoor- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hoorbeginsel is volgens hem geschonden, doordat de staat hem niet heeft gehoord en hem geen verweermogelijkheden heeft geboden alvorens de beleidsinstructie uit te vaardigen en het zorgvuldigheidsbeginsel door in de circulaire en in de media beschuldigingen te uiten zonder voorafgaande verweermogelijkheid voor hem.

4.5 De kantonrechter oordeelt als volgt. Aan de minister is discretionaire bevoegdheid verleend en heeft hij beleidsvrijheid om in concrete gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen betreffende grondaanvragen (zie artikel 1 lid I onder a, jo. de artikelen 5, 6, 8, 9 en 10 van het Decreet Uitgifte Domeingrond) In dat kader is de minister bevoegd met inschakeling van de daarvoor aangewezen organen en volgens de daarvoor bestemde procedures grondhuuraanvragen te (doen) onderzoeken en daartoe beleidsinstructies te geven, zoals de omstreden beleidsinstructie. De aan de minister toekomende beleidsvrijheid laat slechts marginale toetsing toe van de beleidsinstructie, zoals toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Het hoorbeginsel
4.6 Tegen het verwijt het hoorbeginsel te hebben geschonden, heeft de staat opgeworpen, hetgeen onder sub 3.6.9 is weergegeven. Dit verweer is in zoverre geslaagd dat niet de landmeter de rechtstreeks belanghebbende is in de kwesties van de aangehouden grondhuuraanvragen die een beroep kan doen op het hoorbeginsel (met andere woorden, die behoorde te worden gehoord over de aanhouding van die aanvragen), maar de desbetreffende aanvragers. Tevens kan de staat worden gevolgd in zijn standpunt dat een procesgang voor handen is, waar de landmeter kan/zal worden gehoord (het tuchtrechtelijk proces van art 49 lid 6 GLIS-wet). Het had de minister wel gesierd de landmeter te horen om zijn kant van het verhaal te horen bij de beoordeling van de desbetreffende grondhuuraanvragen (voor een volledig beeld van de gang van zaken) alvorens de circulaire uit te vaardigen, maar dat gaat niet zover dat nalaten daarvan tot onzorgvuldig handelen leidt jegens de landmeter.

Het zorgvuldigheidsbeginsel
4.7 De staat heeft het verwijt het zorvuldigheidsbeginsel te hebben geschonden gemotiveerd weersproken. De kantonrechter oordeelt als volgt. In de circulaire staat slechts de volgende zinsnede met betrekking tot de integriteit van de landmeter, namelijk: “Naar aanleiding van de integriteitskwesties omtrent de beëdigde landmeter de heer G.G. Winter, waaronder de kwestie Reeberg (…)”. Deze zinsnede suggereert slechts dat de integriteit van Winter ter discussie is bij de minister. Nu in de circulaire niet nader is ingegaan op die vermeende integriteitissues, die zouden kunnen worden opgevat als beschuldigingen aan het adres van Winter, is naar het oordeel van de kantonrechter, geen sprake van beschuldigingen van Winter in de circulaire op zich.

4.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van Winter op schending van het hoor- en het zorgvuldigheidsbeginsel faalt, zodat niet aannemelijk is geworden dat de staat maatschappelijk onbetamelijk heeft gehandeld jegens Winter door het uitvaardigen van de circulaire. Het gevorderde sub 3.1 onder b is daarom niet toewijsbaar

De publicaties op de Facebookpagina, op Starnieuws en in Times of Suriname
4.9 Vooropgesteld zij ten aanzien van de gevorderde publiekelijke verontschuldiging (zie 3.1 onder c) dat het in rechte afdwingen van excuses, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, niet mogelijk is, daar excuses te beschouwen zijn als een uiting van persoonlijke gevoelens van spijt, die naar hun aard niet door de rechter kunnen worden opgelegd. Dit onderdeel van de vordering is reeds hierom niet toewijsbaar.

4.10 Bij de beantwoording van de vraag of de publicaties op de Facebookpagina en op Starnieuws, alsook in Times of Suriname onrechtmatig zijn jegens Winter (ingevolge artikel 6:162 BW), staan naar vaste jurisprudentie tegenover elkaar het recht op uitingsvrijheid en, onder meer, het recht op bescherming van eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer. Het is een hoogwaardig maatschappelijk belang dat een burger of een bedrijf niet door publicaties in de pers of online wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het is echter evenzeer een hoogwaardig maatschappelijk belang dat gepubliceerd wordt over verdenkingen van misstanden die de samenleving raken, om te voorkomen dat deze laatste kunnen blijven voortbestaan doordat zij niet bekend zijn bij het grote publiek. Welk belang voorrang dient te hebben, hangt af van de omstandigheden, die daartoe in onderling verband moeten worden bezien. Gaat het om publicatie van een negatief waardeoordeel, dan is niet beslissend of dat oordeel juist kan worden bevonden. Relevante omstandigheden bij de beoordeling kunnen zijn, onder meer:

  1. de aard van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene wie deze verdenkingen betreffen;
  2. de ernst van de misstand die de publicatie bekend wil maken;
  3. de steun die de verdenkingen ten tijde van de publicatie vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;
  4. de waarschijnlijkheid dat het met de publicatie beoogde doel langs een voor de burger of het bedrijf minder schadelijke weg, met redelijke kans op spoedig resultaat, zou kunnen zijn bereikt;
  5. de kans dat de desbetreffende informatie ook zonder de omstreden publicatie in de publiciteit zou zijn gekomen.

Hiermee is het kader waarbinnen de publicaties geplaatst en beoordeeld moeten worden geschetst.

4.11 Alvorens tot die beoordeling over te gaan merkt de kantonrechter op dat de staat tegen het verwijt van Winter zijn goede naam, eer en integriteit te hebben geschonden, waardoor hij in de samenleving gezien wordt als een landmeter die onbetamelijk en onzuiver heeft gehandeld bij het vervaardigen van landkaarten, onder meer het verweer heeft gevoerd zoals is weergegeven onder sub 3.6.3 tot en met 3.6.5 (zie randnummer 5 van antwoord).

4.12 Winter heeft hiertegen bij repliek opgeworpen dat de staat de beschuldigingen wel openbaar heeft gemaakt door publicatie op de Facebookpagina van het ministerie (ter onderbouwing waarvan hij een uitdraai van de publicatie overlegt) en door middel van een persconferentie van de minister. De staat heeft dit niet bestreden, zodat dit is komen vast te staan.

4.13 Het verweer van de staat faalt. In het onder sub 2.6 geciteerde artikel uit Times of Suriname staat onder meer:
“(…) Minister Soeropawiro zegt dat er ernstige twijfels zijn ontstaan over de juistheid en betrouwbaarheid van landkaarten die Winter heeft aangeleverd. Uit interne onderzoeken en rapporten van externe partijen blijkt dat de landmeter zich niet altijd aan de geldende normen heeft gehouden, waardoor burgers benadeeld zouden zijn.”

Deze passage is op zichzelf beschouwd en in onderling verband gelezen met de publicatie op de Facebookpagina zonder meer een beschuldiging van Winter en bevat een waardeoordeel over hem als landmeter. Weliswaar is het artikel gepubliceerd door gemeld dagblad, maar nu de minister een persconferentie heeft gehouden over het onderwerp, moest de staat redelijkerwijs verwachten dat voormelde passage in de publiciteit zou belanden. Deze publicatie kan de staat derhalve worden toegerekend.

4.14 De hiervoor in rechtsoverweging 4.10 bedoelde beoordeling leidt tot de volgende conclusies.
De aard van de gepubliceerde verdenkingen
4.14.1 De circulaire en de publicaties suggereren dat Winter geen integere landmeter is, althans niet integer heeft gehandeld bij de vervaardiging van landkaarten.

De ernst van de te verwachten gevolgen voor degene wie deze verdenkingen betreffen
4.14.2 De ernst van de te verwachten gevolgen voor Winter is dat hij publiekelijk is neergezet als een landmeter, die niet integer is, de wettelijke regels met betrekking tot zijn beroepsuitoefening niet naleeft en in strijd met de regels kaarten vervaardigt, althans heeft vervaardigd ten behoeve van personen die geen recht hebben op de desbetreffende percelen.

De ernst van de misstand die de publicatie bekend wil maken
4.14.3 De misstand die aan de kaak wordt gesteld is ernstig. Het betreft misstanden in grondkwesties en de gronduitgifte, zoals dubbele uitgiftes van gronden en grensgeschillen, en de rol van landmeters daarbij. Het is van bijzonder belang en daarmee in het algemeen belang dat de samenleving ervan op de hoogte wordt gesteld dat ook landmeters zich schuldig maken aan frustratie van de gronduitgifte en corruptie bij grondaanvragen. Het zou ernstig zijn als het publiek niet deelgenoot wordt gemaakt van dergelijke informatie.

De steun die de verdenkingen ten tijde van de publicatie vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal
4.14.4 De vraag die hierbij voor ligt is of de staat feiten had die de verdenkingen ten tijde van de publicatie ondersteunden. De staat voert aan bij conclusie van antwoord, voor zover van belang, dat de aanleiding voor de klacht tegen Winter was dat er onregelmatigheden en gebreken zijn geconstateerd bij werkzaamheden van Winter. Deze constateringen riepen vragen op die een tuchtrechtelijke beoordeling vereisten. De klacht is gebaseerd op feitelijke bevindingen en steunt op de bevoegdheid van de staat als belanghebbende. Uit het klachtschrift kan verder worden afgeleid dat de staat aan de klacht en aldus aan de beschuldigingen van Winter ten grondslag legt, onder meer dat Winter structureel in strijd handelt met voorschriften en beginselen vervat in het Decreet Rechtstoestand voor 1 juli 1982 uitgegeven gronden en het Decreet Uitgifte Domeingrond. Voorts zou hij in een zogenoemde Reeberg-kwestie kaarten van percelen voor personen hebben vervaardigd die geen rechten hadden op de desbetreffende percelen en zonder op die percelen te zijn geweest. Ook zouden er klachten van burgers zijn ontvangen door het ministerie, over onder meer betwiste kaartvervaardiging, manipulatie van perceelgrenzen en twijfelachtige betrokkenheid bij titelaanvragen.

Winter heeft deze beschuldigingen betwist, onder meer stellende dat deze niet onderbouwd zijn met feiten, dat onduidelijk is wat bedoeld wordt met de Reeberg-kwestie en dat ook niet duidelijk is welke de in het klachtschrift bedoelde klachten zijn van burgers. Volgens Winter is voorts de bij het Tuchtcollege ingediende klacht vaag. Tevens werpt hij op dat organen van het ministerie die betrokken zijn bij grondaanvragen niets wordt verweten.

De kantonrechter is van oordeel dat de staat de hierboven aangegeven gronden voor de beschuldigingen aan het adres van Winter niet heeft onderbouwd met feiten en/of stukken. Winter heeft deze in zijn algemeenheid weersproken, maar heeft evenmin zijn stellingen toegelicht, zoals de stelling dat organen van het ministerie die bij grondaanvragen betrokken zijn niets wordt verweten. Kortom, het debat van partijen biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de toets of er deugdelijke feiten voor handen waren voor de beschuldigingen van de staat ten tijde van de publicaties en of de beschuldigingen steun vonden in die feiten. Dat is nodig voor de beoordeling welk van de onder rechtsoverweging 4.10 bedoelde belangen moet prevaleren. Derhalve zal een diepgaand onderzoek moeten plaatsvinden naar hetgeen partijen hebben aangevoerd. Voor dat onderzoek is in dit kort geding echter geen ruimte, zodat de zaak zal worden verwezen naar de gewone wijze van rechtspleging. Hierom hoeft beoordeling van de overige in rechtsoverweging 4.11 bedoelde omstandigheden niet meer, zo ook bespreking van de overige stellingen van partijen.

4.15 De slotsom is dat Winter naar de gewone wijze van rechtspleging zal worden verwezen. Dat betekent dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.16 Winter zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld ter grootte van het gemachtigdensalaris ad SRD 7.500,- conform het liquidatietarief.

5 De beslissing
De kantonrechter in kort geding:

5.1 weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2 veroordeelt Winter in de proceskosten, aan de zijde van de staat tot aan deze uitspraak begroot op SRD 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen en ter openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, mr. A. Adelaar, op 15 september 2025, in aanwezigheid van de griffier.

SRU-K1-2024-4

HET KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

CIVAR No. 202400786
16 mei 2024

Vonnis in kort geding in de zaak van:

A. STICHTING GI JESI NA LELLIE (St. Gi Jesi);
B. STICHTING MARRON PLATFORM SURINAME (St. Marron platform);
C. VERENIGING ORGANISATIE VAN INHEEMSEN IN SURINAME (O.I.S.);
D. STICHTING KAMPOS SAMENWERKINGSVERBAND VAN TRIBALE VOLKEN IN SURINAME (St. Kampos);
E. [Eiser sub E], allen gevestigd of wonende te Paramaribo,
hierna gezamenlijk te noemen: “St. Gi Jesi e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “St. Gi Jesi, St. Marron platform, O.I.S, St. Kampos en [eiser sub E]”,
eisers,
gemachtigde: mr. A.C.A. Karg, advocaat,

tegen

A. STAAT SURINAME voornamelijk de ministeries van Grondbeleid & bosbeheer (GBB) en van Landbouw Veeteelt & Visserij (LVV). , in rechte vertegenwoordigd door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gevolmachtigde van LVV: mevr. S. Nanda LL.B;
B. TERRA INVEST SURINAME & GUYANA NV,
gevestigd in het district Saramacca,
gemachtigde: mr. R.C. Ghogli, advocaat,
C. STICHTING KOVU & KIARA,
gevestigd in het district Wanica,
D. AGRICULTURE REINLAND NV,
gevestigd in het district Saramacca,
gemachtigde: mr. R.C. Ghogli, advocaat,
E. [NAAM], eenmanszaak
gevestigd in het district Wanica,
F. STICHTING TOGLIATTI VERMOGENSBEHEER,
G. SITCHTING GAZIANTEP VERMOGENSBEHEER;
H. STICHTING BRAEBURN APPLE, allen gevestigd in het district Wanica,
hierna gezamenlijk te noemen: “Staat e.a.”,
hierna afzonderlijk te noemen: “staat, Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn”,
gedaagden,

1. Het verloop van het proces

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

  • het verzoekschrift dat met producties op 22 februari 2024 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van eis d.d. 14 maart 2024;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van de staat in het bijzonder LVV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Terra invest NV;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van Reinland NV;
  • het tegen St. Kovu, [naam], St. Togliatti, St. Gaziantep en St. Braeburn verleent verstek.
  • de akte tot wijziging van de conclusie van eis, waarin St. Gi Jesi e.a. de gronden waarvan zij menen dat de bestemming wordt gewijzigd heeft aangegeven.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

St. Gi Jesi e.a. zijn organisaties die onder andere tot doel hebben de belangen te
behartigen van personen met een achterstand, tot slaaf gemaakten en inheemsen.
[eiser sub E] heeft een persoonlijk belang vanwege zijn inheemse achtergrond.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 St. Gi Jesi e.a. vorderen dat de kantonrechter in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

a. de staat en Terra invest NV gelast om, binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zich te onthouden van gedragingen welke de strekking heeft wijziging van de bestemming van de onderstaande perceellanden:

  • groot 37046 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Maratakka- en de Nickerierivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCD;
  • groot 35194 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier en aan de noorderzijde van de weg naar west-Suriname, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKL;
  • groot 6533 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier ten westen van de Tibitirivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKLM;
  • groot 404,06 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Coppenamerivier en aan de noordzijde van de weg naar west-Suriname, nader aangeduid op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 15 mei 2023 met de letters ABCDE.

b. de staat verbiedt tot uitgifte in grondhuur van de omschreven perceellanden aan Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn tot in een bodemprocedure definitief over de rechtsgeldigheid van een dergelijke uitgifte beslist zal zijn.
c. de staat e.a. veroordeelt tot een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij weigeren of nalaten uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
d. de staat e.a. veroordeelt om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.
e. de staat e.a. veroordeelt in de kosten van het geding inclusief het liquidatietarief.

Subsidiair

a. de staat gelast om, binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zich te onthouden van gedragingen welke de strekking heeft wijziging van de bestemming van de onderstaande perceellanden:

  • groot 37046 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Maratakka- en de Nickerierivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCD;
  • groot 35194 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier en aan de noorderzijde van de weg naar west-Suriname, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKL;
  • groot 6533 ha gelegen in het district Sipaliwini ten oosten van de Coppenamerivier ten westen van de Tibitirivier, op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 10 augustus 2022 aangeduid met de letters ABCDEFGHIJKLM;
  • groot 404,06 ha gelegen in het district Sipaliwini ten westen van de Coppenamerivier en aan de noordzijde van de weg naar west-Suriname, nader aangeduid op de kaart van landmeter C.A. Cairo Lcs de dato 15 mei 2023 met de letters ABCDE, totdat conform artikel 22 van de Milieu Raamwet de milieu effecten analyse zal zijn voltooid en informed consent zal zijn verkregen van de inheemsen en de in stam verband levende belanghebbenden.

b. de staat verbiedt tot uitgifte in grondhuur van de omschreven perceellanden aan Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn, dan wel het gebruik daarvan door hen of derden toe te staan, totdat conform artikel 22 van de Milieu Raamwet de milieu effecten analyse zal zijn voltooid en informed consent zal zijn verkregen van de inheemsen en de in stam verband levende belanghebbenden.
c. de staat e.a. veroordeelt tot een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat zij weigeren of nalaten uitvoering te geven aan het in deze te wijzen vonnis.
d. de staat e.a. veroordeelt om het in deze te wijzen vonnis te gehengen en te gedogen.
e. de staat e.a. veroordeelt in de kosten van het geding inclusief het liquidatietarief.

3.2 St. Gi Jesi e.a. leggen aan hun vordering ten grondslag dat de staat voornemens is om 456.238 ha bos te bestemmen voor de landbouw en heeft ondanks de verstrekkende gevolgen van de bestemmingswijziging geen transparantie of openbaarheid van bestuur betracht door de volledige informatie en documentatie openbaar te maken of toe te lichten.

3.3 de staat, Terra Invest NV en Reinland NV hebben verweer gevoerd. De kantonrechter komt op dit verweer, voor zover voor de beslissing van belang, hierna in de beoordeling terug.

4. De beoordeling

4.1 St. Gi Jesi e.a. stellen dat de staat voornemens is om 456.238 ha bos te bestemmen voor de landbouw en heeft ondanks de verstrekkende gevolgen van de bestemmingswijziging geen transparantie of openbaarheid van bestuur betracht door de volledige informatie en documentatie openbaar te maken of toe te lichten. De staat in het bijzonder LVV stelt dat zij onder andere als taak heeft het identificeren van grond dat geschikt is voor de landbouw. Dat LVV de bevoegdheid mist om grond uit te geven. Terra Invest NV en Reinland NV stellen dat zij, met in achtneming van de wettelijke regels en procedures, een aanvraag hebben gedaan tot het verkrijgen van het recht van grondhuur. Dat Terra Invest NV slechts beschikt over een bereidverklaring de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter uitoefening van de landbouw. Dat Terra Invest en Reinland NV geen landbouwactiviteiten ontplooien op voormelde grond. Dat zij thans bezig zijn invulling te geven aan de eisen die de Milieu Raamwet stelt en zich houden aan de terzake geldende procedures. Dat zij erkende rechten van de tribale volken wensen te eerbiedigen, mits deze groepen, door de wet en jurisprudentie, erkend zijn als te zijn in stam verband wonende tribale volken. Dat volgens de Tingi en Saramaka People v. Suriname vonnissen er stringente voorwaarden c.q. factoren worden gesteld voor het toekennen van collectieve rechten aan inheemsen en tribale volken op een bepaald grondgebied. Dat er geen wettelijke basis is voor collectieve rechten in Suriname, omdat er naar Surinaams recht geen sprake is van collectieve rechtspersoonlijkheid. Dat St. Gi Jesi e.a. geen binding hebben met de grond omdat zij verzuimd hebben over te leggen een aanvraag tot het verkrijgen van het recht van grondhuur of enige titel en moeten op die grond niet ontvankelijk worden verklaard. Dat St. Gi Jesi zich beroepen op artikel 4 van het Decreet Beginselen Grondbeleid, waarin is opgenomen dat bij het beschikken over domeingrond de rechten van in stamverband levende bosnegers en indianen op hun dorpen, nederzettingen en kostgronden geëerbiedigd moeten worden, voorzover het algemeen belang zich daartegen verzet. Dat onder het algemeen belang mede moet worden begrepen de uitvoering van een project in het kader van een goedgekeurde ontwikkelingsplan. Dat het ontplooien van landbouwactiviteiten geen ingrijpende gevolgen en of schadelijke risico’s voor het milieu met zich zal mee brengen. Dat het algemeen bekend is dat de levenswijze van de in stamverband levende volken, zoals het jagen, ontbossen, houtkap, veeteelt, landbouw en visvangst, om in hun levensbehoefte te voorzien, door het ontplooien van landbouwactiviteiten nadelige gevolgen zal ondervinden. Dat de door hen te ontplooien landbouwactiviteiten meer voordelen dan nadelen zal opleveren voor de ontwikkeling van Suriname als ook het creëren van werkgelegenheid voor deze in stamverband levende volken zoals is gebleken in de mijnbouwsector. Dat zij de inhoud van de kaart “massive planned deforestation in Amazon of Suriname” de dato januari 2024 omdat het slechts een kaart betreft en geen deskundige rapportage van een onafhankelijke deskundige. Dat de kaart niet betreft de conform de richtlijnen van de Milieu Raamwet of enig milieueffecten analyse (MEA) door de Nationale Milieu Autoriteit in de zin van artikel 2 van de Milieu Raamwet. Dat zij door St. Gi Jesi e.a. niet in gebreke zijn gesteld of aangemaand dan wel vooraf in kennis zijn gesteld van de kaart en St. Gi Jesi e.a. hen niet de gelegenheid hebben geboden om binnen een redelijke termijn nader onderzoek te doen. Dat de bereidverklaring welke aan Terra Invest NV is gegeven op 07 maart 2024 is verlopen.

4.2 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland NV dat St. Gi Jesi e.a. niet bevoegd zijn om vorderingen in te stellen voor de inheemsen en in stamverband levende volken omdat het Surinaams recht geen collectieve rechtspersoonlijkheid kent. De kantonrechter sluit aan bij de door het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten gehuldigde opvatting in het Samaaka v. Suriname vonnis waarin zij ten aanzien hiervan het volgende overwoog.

“At the current stage of the evolution of the Inter-American system for the protection of human rights, the empowerment of the alleged victims, their next of kin or representatives to submit pleadings, motions and evidence autonomously must be interpreted in accordance with their position as titleholders of the rights embodied in the Convention and as beneficiaries of the protection offered by the system. Nevertheless, there are certain limits to their participation in these proceedings, pursuant to the Convention and in the exercise of the Court’s jurisdiction. That is, the purpose of the representatives´ brief containing pleadings, motions and evidence is to give effect to the procedural attribute of locus standi in judicio that this Court has already recognized, in its jurisprudence, to the alleged victims, their next of kin or their representatives.”

4.3 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland NV dat St. Gi Jesi e.a. geen binding hebben met de grond omdat zij verzuimd hebben over te leggen een aanvraag tot het verkrijgen van het recht van grondhuur of enige titel. De kantonrechter volstaat met de herhaling van wat het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten heeft overwogen ten aanzien van de locus standi in judicio van de vertegenwoordigers van de inheemsen en in stamverband wonende volken.

4.4 De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Terra Invest NV en Reinland dat zij niet in gebreke is gesteld of aangemaand dan wel vooraf in kennis zijn gesteld van de kaart en hen niet de gelegenheid is geboden om binnen redelijke termijn nader onderzoek te doen. De verplichting tot het betrekken van de tribale en in stamverband levende volken betreft een verplichting van de staat alvorens zij beslissingen neemt om enige vorm van economische activiteit in hun woongebied toe te laten. Het Free Prior Informed Consent principe uit het internationaal recht met betrekking tot inheemsen en tribale volken behelst de manier waarop de staat de inheemsen en tribale volken dient te betrekken in de besluitvorming, met betrekking tot activiteiten binnen hun woongebied. De inheemsen en tribale volken kunnen slechts op basis van gedegen informatie, de gebruikelijke processen van besluitvorming en vrije wil een weloverwogen besluit nemen of zij enige vorm van economische activiteit in hun woongebied toelaten. In die situaties waar er sprake is van een rechtstreeks belang voor de inheemsen en tribale volken binnen hun woongebied en waarbij aan personen vergunningen en/of concessies worden gegeven of besluiten worden genomen over het gebruik van hun woongebied, is de toestemming van de inheemsen en tribale volken vereist alvorens door de staat een besluit wordt genomen. In die gevallen waar het overheidsprojecten betreft opgenomen in door de volksvertegenwoordiging goedgekeurde beleidsprogramma’s moeten de inheemsen en tribale volken vooraf worden geconsulteerd alvorens enig recht aan derden wordt verleend.
Het feit dat de aan Terra Invest NV bij beschikking de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter
uitoefening van de landbouw verstrekte bereidverklaring reeds vervallen is, niet weg neemt dat de inheemsen of in stamverband levende volken een vordering tegen de staat kunnen instellen ter voorkoming dat de staat wederom ertoe overgaat om zonder aan haar verplichtingen tot consultatie van deze groepen te voldoen beslissingen neemt over de toekenning van het recht van grondhuur aan Terra Invest NV, op gronden waarin hun dorpen, kostgronden en jachtgebieden voorkomen en daarmee een bedreiging te vormen voor hun levenswijze en hun middelen van bestaan.

4.5 Het kort geding is bij uitstek het middel om een voorlopige voorziening te vorderen, in gevallen van verzuim van de staat om te voldoen aan haar verplichting tot consultatie van de inheemsen of tribale volken alvorens zij een besluit neemt over het gebruik van hun woongebied voor economische of andere activiteiten, welke activiteiten een impact kunnen hebben op hun leefwijze en middel van bestaan. In kort geding kan door St. Gi Jesi e.a. worden gevorderd hetzij een verbod op herhaling in de toekomst, hetzij tot herstel van een onrechtmatig verstoorde toestand. Niet gesteld noch gebleken is dat de staat alvorens een bereidverklaring af te geven aan Terra Invest NV bij beschikking de dato 07 september 2023 [nummer 1], [nummer 2] voor 404,06 ha in de omgeving van Witagron ter uitoefening van de landbouw, zij aan haar verplichting tot consultatie van de inheemsen dan wel de tribale volken in het Witagron gebied heeft voldaan, de staat zal worden veroordeeld om in de toekomst te voldoen aan haar consultatie verplichting van de inheemsen en tribale volken, ter verkrijging van een free informed consent, alvorens zij een beslissing neemt om het recht van grondhuur te verlenen aan derden in het woon- en jachtgebied van de inheemsen en tribale volken. De vordering van St. Gi Jesi om de staat te veroordelen om alvorens zij een beslissing neemt over het laten ontplooien van economische activiteiten in het woon- en jachtgebied van de inheemsen of tribale volken zij eerst informed consent moet hebben verkregen zal worden toegewezen.

4.6 De vorderingen tegen Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn zullen worden afgewezen nu het niet een verplichting tot consultatie van hen betreft voor het verkrijgen van informed consent.

4.7 De kantonrechter acht de bespreking van de overige stellingen en weren van
partijen overbodig, daar zij niet tot een andere uitkomst in de onderhavige zaak zullen leiden.

4.8 De staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde St. Gi Jesi e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 50, – vastrecht, SRD 2.106, – kosten voor oproeping en SRD 7.500, – (zevenduizend vijfhonderd Surinaamse dollar) zijnde het liquidatietarief. Totaal SRD 9.656, – (negenduizend zeshonderd zesenvijftig Surinaamse dollar).

5. De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1 wijst af het tegen Terra Invest NV, Reinland NV, St. Kovu, St. Togliatti, St. Gaziantep, [naam] en St. Braeburn gevorderde,

5.2 veroordeelt de staat om, alvorens zij een besluit neemt om derden het recht van grondhuur te verstrekken om economische activiteiten in woon- en jachtgebieden van inheemsen en of tribale volken te ontplooien, deze te betrekken in de besluitvorming ter verkrijging van informed consent, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 10.000, – (tienduizend Surinaamse dollar) voor iedere dag dat de staat in gebreke blijft om te voldoen aan haar consultatie verplichting met een maximum van SRD 10.000.000, – (tienmiljoen Surinaamse dollar),

5.3 verklaart dit vonnis ten aanzien van het bepaalde in 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,

5.4 veroordeelt de staat in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van St. Gi Jesi e.a. welke tot op heden is begroot op SRD 9.656, – (negenduizend zeshonderd zesenvijftig Surinaamse dollar).

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in het eerste kanton mr. C.A. Wallerlei en ter
openbare terechtzitting uitgesproken door de kantonrechter in het eerste kanton
mr. S.M.M. Chu op donderdag 16 mei 2024 te Paramaribo in aanwezigheid van de griffier.

 

 

SRU-HvJ-2019-65

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME IN AMBTENARENZAKEN

A-825

In de zaak van:

[Verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. R.D. Neslo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Volksgezondheid,
Afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG),
rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door
de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te diens Parket aan de Limesgracht no. 92
te Paramaribo,
verweerder,
gevolmachtigde: mr. M. E. Danning, Substituut Officier van Justitie,
spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis bij vervroeging uit.
Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als [verzoekster] respectievelijk de Staat;

1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met bijbehorende producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie d.d. 17 oktober 2013;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 02 december 2013;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 04 december 2013, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 04 december 2013 is verlengd met zes weken;
  • het verzoek tot verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift d.d. 13 januari 2014;
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 15 januari 2014, waarbij de termijn voor indiening van het verweerschrift met ingang van 15 januari 2014 voor de laatste maal is verlengd met zes weken;
  • het verweerschrift zijdens de Staat ingediend op 24 februari 2014; 
  • de beschikking gegeven door het Hof van Justitie op 09 mei 2014, waarbij het verhoor van partijen in raadkamer is bepaald op 06 juni 2014;
  • het proces-verbaal van het op 06 juni 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat de dato 04 juli 2014;
  • de conclusie tot uitlating omtrent de door de Staat overgelegde stukken zijdens Naarden;

1.2. De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 16 januari 2015 en vervolgens nader op 21 februari 2020 doch bij vervroeging op heden.

2. De feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dan wel op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast:

2.1. [verzoekster] is per 16 juni 1977 in dienst getreden van het toenmalige Ministerie van Opbouw en tewerkgesteld bij het zogeheten Houtskoolproject;
2.2. [verzoekster] is per 1 januari 1980 overgeplaatst naar het Ministerie van Volksgezondheid, afdeling Bureau Openbare Gezondheidszorg (BOG), eerstens in de functie van schoonmaakster en later in de functie van telefoniste;
2.3. [verzoekster] heeft over de periode van haar tijdelijk dienstverband, gelegen tussen 16 juni 1977 en 31 juli 1980 pensioenrechten ingekocht en heeft daardoor vanaf 16 juni 1977 haar pensioenaanspraken opgebouwd;
2.4. [verzoekster] heeft in haar privé-leven nogal wat tegenslagen te verwerken gehad, hetgeen geleid heeft tot afwezigheid (het hof begrijpt: op de werkplek) wegens ziekte;

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1. [verzoekster] vordert –zakelijk weergegeven- dat de Staat zal worden veroordeeld om de dienstbetrekking met haar met terugwerkend te herstellen en aan haar de achterstallige bezoldiging, inclusief onder andere vakantietoelage vanaf de stopzetting daarvan aan haar uit te betalen. Voorts vordert zij veroordeling van de Staat om haar conform de FISO-bezoldiging in een vergelijkbare loongroep te doen inschalen:
3.2. [verzoekster] heeft –zakelijk weergegeven- naast voormelde vaststaande feiten aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar ziekteverzuim permanent middels doktersattesten gedekt waren. Desondanks werd zij bij hervatting van haar werkzaamheden door de Onderdirekteur Administratieve Diensten van het BOG namens de Direkteur van het BOG aangezegd vooruitlopend op een te nemen beslissing thuis te blijven. Zij heeft met klem tegen delen van de brief van de Direkteur van het BOG gericht aan de Direkteur van het Ministerie van Volksgezondheid gereageerd omdat zij nimmer ongeoorloofd heeft verzuimd en haar afwezigheid wegens ziekte altijd gedekt is geweest middels doktersattesten. Zij heeft zich nimmer ingevolge het bepaalde in artikel 42 van de Personeelswet in opdracht van of op verzoek van het BOG gedurende haar afwezigheid wegens ziekte, noch na haar herstel, aan een geneeskundige controle moeten onderwerpen. Na aanzegging in 2003 door de Direkteur van het BOG heeft zij zich overduidelijk en gemotiveerd wegens vermeend plichtsverzuim verweerd. Op voormeld verweer van haar is zijdens het Ministerie van Volksgezondheid, hoewel onterecht, nimmer zoals artikel 61 van de Personeelswet voorschrijft op schrift een tuchtstraf opgelegd doch heeft de leiding van het BOG het haar constant onmogelijk gemaakt haar werkzaamheden te continueren en zulks ondanks zij zich steeds aanmeldde om haar werkzaamheden te hervatten. Zij bleef door middel van brieven en bezoeken tevergeefs aan het BOG verzoeken haar werkzaamheden te mogen hervatten en kreeg zij in oktober/november 2004 op haar woonadres bezoek van het Hoofd Algemene Zaken van het BOG voor het in ontvangst nemen van een voor haar bestemde brief waarvan de inhoud niet werd medegedeeld. Zij heeft geweigerd de zojuist aangehaalde brief in ontvangst te nemen maar was daartoe op kantoor wel bereid om de dienstbrief, na over de inhoud daarvan geïnformeerd te zijn, in ontvangst te nemen. Zij beschikt niet over een ontslagbeschikking en voorzover die er mocht zijn heeft de Staat de voorgeschreven ambtelijke procedures niet in acht genomen;
3.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Het hof komt –voor zover nodig- daarop terug in de beoordeling;

4. De beoordeling
Bevoegdheid
4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 79 van de PW is het Hof van Justitie (hierna: het hof) optredende als gerecht in ambtenarenzaken slechts bevoegd om kennis te nemen van de navolgende vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven; dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens deze wet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald;

4.2. Hetgeen [verzoekster] heeft gevorderd valt naar het oordeel van het hof niet te categoriseren onder de limitatieve opsomming van voormelde wetsbepaling. Immers vordert [verzoekster]– kort gezegd -herstel van de dienstbetrekking met terugwerkende kracht en betaling van het achterstallig salaris alsmede inschaling in een vergelijkbare loongroep conform de Fiso-bezoldiging. Het hof heeft derhalve geen andere keus dan om – zoals de Staat terecht heeft aangevoerd – zich onbevoegd te verklaren om van het gevorderde kennis te nemen. Het daartoe strekkend verweer zijdens de Staat is derhalve gegrond gebleken;

4.3. Nu [verzoekster] door het in het onderhavige geding gebracht Certificaat van Onvermogen d.d. 30 april 2013 genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt niet bij machte te zijn de kosten van dit proces te bestrijden, zal het Hof het ter zake door haar gedaan verzoek inwilligend verstaan, dat haar is vergund ten deze kosteloos te procederen;

4.4. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen en zal beslissen als in het dictum te melden;

5. De beslissing
Het hof:

5.1. Verstaat dat aan [verzoekster] is vergund om ten deze kosteloos te procederen;

5.2. Verklaart zich onbevoegd om van het gevorderde kennis te nemen;

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo op vrijdag 02 augustus 2019, in tegenwoordigheid van de Fungerend-Griffier, mr. S.C. Berenstein.

w.g. S.C. Berenstein       w.g. D.D. Sewratan

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. K.J. Kraag-Brandon namens advocaat mr. R.D. Neslo, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door mr. R. Gravenbeek namens mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

SRU-HvJ-2019-64

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-824

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende te Amsterdam in Nederland,
thans tijdelijk verblijf houdende in Suriname,
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: voorheen mr. S. Marica (wijlen), vervolgens mr. V.V.C. Piqué, advocaten,
thans mr. J. Kraag, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Buitenlandse Zaken,
in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: voorheen mr. A.R. Autar, thans mr. M.E. Danning, officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 11 oktober 2013;
  • het verweerschrift d.d. 14 februari 2014 met producties;
  • de beschikking van het hof van 07 april 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 16 mei 2014, welk verhoor is verplaatst naar 18 juli 2014;
  • het proces-verbaal van het op 18 juli 2014 gehouden verhoor van partijen; 
  • de pleitnota d.d. 03 oktober 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘antwoordpleitnota’;
  • de antwoordpleitnota, met een productie, overgelegd op 07 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘reactie pleitnota’;
  • de repliekpleitnota d.d. 21 november 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als ‘dupliekpleitnota’;
  • het bij schriftelijke rolbeschikking d.d. 03 juni 2016 gelasten van een comparitie van partijen ter verkrijging van inlichtingen en/of beproeving van een minnelijke regeling;
  • het proces-verbaal van de op 05 mei 2017 gehouden comparitie van partijen;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal waaruit blijkt dat de comparitie van partijen op 19 mei 2017 is voortgezet;
  • de conclusie tot overlegging van relevante stukken zijdens de Staat d.d. 01 december 2017, met producties;
  • het schrijven van mr. Piqué d.d. 18 mei 2018, waaruit blijkt dat hij zich als gemachtigde van [verzoeker] aan de zaak heeft onttrokken;
  • de pleitnota tot uitlating producties zijdens [verzoeker] d.d. 06 juli 2018.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 07 december 2018, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoeker] is op basis van een arbeidsovereenkomst met ingang van 01 december 2006 als chauffeur op de ambassade van de Republiek Suriname te Den Haag (Nederland) in dienst getreden van de Staat, onder toekenning van een bezoldiging van SRD 650,- per maand conform de schaal verbonden aan de rang van ambtenaar B 2e klasse (bezoldigingsschaal 6). Blijkens artikel VIII van deze overeenkomst is het dienstverband aangegaan voor de duur van een jaar, eindigende op 30 november 2007.

2.2 Artikel IX van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat deze door elk der partijen schriftelijk en per aangetekend schrijven zal worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand en voorts dat bij tussentijdse opzegging partijen een opzeggingstermijn van twee maanden in acht zullen nemen.

2.3 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 27 september 2009 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Kraag-Keteldijk, L.Y., meegedeeld:
“Op 21 september 2007 werd ik ontboden door de kanselier Dhr. Nooitmeer die mij namens de ambassadeur mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werd beëindigd. Ik heb tot op heden geen brief ontvangen zoals mij dat werd toegezegd dat ik ontslagen ben. (…)
Tot mijn verbazing werd mijn salaris per 1 november 2007 stopgezet (…).
Ik verzoek u het daarheen te willen leiden dat ik mijn salaris met terugwerkende kracht alsnog mag ontvangen. Ik ga er nog steeds vanuit dat ik in dienst ben van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (…).”

2.4 Bij schrijven d.d. 20 juli 2011 is namens de waarnemend directeur van Buitenlandse Zaken het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:
“Naar aanleiding van uw recentelijk verzoek met betrekking tot een mogelijke vordering uwerzijds bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, wordt uw aandacht erop gevestigd dat deze aangelegenheid aan een beschouwing is onderworpen.
Aan u kan worden medegedeeld dat het onderzoek niet heeft uitgewezen dat er een dienstverband met u bestaat op grond waarvan aanspraken uwerzijds voortvloeien.”

2.5 [Verzoeker] heeft bij schrijven d.d. 11 januari 2012 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken, Lackin, W., meegedeeld:
“Ik heb mijn werk altijd tot volle tevredenheid verricht en was daarom zeer verrast toen ik op 21 september 2007 door de kanselier, de heer Nooitmeer, werd ik ontboden, die mij namens de ambassadeur zonder enige reden mededeelde dat mijn werkzaamheden op deze afdeling per direct werden beëindigd. Tot op heden heb ik geen schrijven hieromtrent ontvangen, dan wel ontslag verkrijgen of een ontslagvergunning althans ontslagbeschikking ontvangen.
Tot mijn grote verbazing werd mijn salaris per 01 november 2007 stopgezet (…). Sindsdien heb ik diverse brieven verzonden naar het ministerie tot opheldering en doorbetaling van mijn salaris, helaas zonder succes. (…)
Gelet op het bovenstaande wordt u verzocht het daarheen te leiden dat ik mijn salaris sinds 01 november 2007 doorbetaald krijg, totdat de dienstbetrekking tenminste op richtige wijze is beëindigd.”

2.6 [Verzoeker] heeft bij schrijven van zijn toenmalige procesgemachtigde, mr. Marica, d.d. 02 april 2013 onder meer het volgende aan de minister van Buitenlandse Zaken meegedeeld:
“Tot mij heeft zich gewend mijn client, de heer D.H. [verzoeker] die mij om juridische bijstand vroeg.
(…)
Op 21 september 2007 werd client ontboden door de Kanselier Nooitmeer die hem mede deelde dat zijn werkzaamheden beëindigd waren zonder enig opgaaf van redenen. En per 1 november 2007 werd zijn salaris stopgezet ook zonder redenen.
Client heeft vele malen geprobeerd de zaak minnelijk op te lossen het laatst op 11 januari 2012 per schrijven aan u gericht zonder enig bericht uwerzijds.
(…)
Gaarne verneem ik van u per ommegaande wat de rechtspositie van client is en bij welke funktionaris hij zich moet aanmelden.
Indien ik geen voor client bevredigend bericht van u mocht ontvangen heb ik opdracht om na zeven dagen van ontvangst van dit schrijven de rechter te adiëren.”

2.7 Op het schrijven d.d. 02 april 2013 is geen reactie van de minister ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoeker] vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verzoeker];
B. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] te betalen zijn loon over de afgelopen tien maanden, zijnde in totaal SRD 6.500,-;
C. de Staat zal worden veroordeeld om aan [verzoeker] per maand te betalen zijn loon ad SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) vanaf ultimo april 2013 en voorts voor iedere maand SRD 6.50,- (lees kennelijk: SRD 650,-) totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd.

3.2 [Verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Op 21 september 2007 heeft de kanselier, dhr. Nooitmeer, [verzoeker] mondeling meegedeeld dat zijn werkzaamheden beëindigd waren per 01 november 2007 zonder opgaaf van redenen. Het salaris van [verzoeker] werd per laatstgenoemde datum niet meer uitbetaald. Bij schrijven noch bij beschikking is een reden voor zijn ontslag opgegeven. Door het uitblijven van enige reactie van de minister op het in 2.6 vermeld schrijven, heeft de Staat in strijd gehandeld met het beginsel van correcte bejegening, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en het beginsel van deugdelijke besluitvorming. Op grond van deze beginselen is sprake van willekeur zijdens de Staat, hetgeen verboden is. De Staat handelt onrechtmatig jegens [verzoeker], als gevolg waarvan [verzoeker] schade lijdt in de zin van loonderving.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het hof stelt voorop dat de Staat in de loop van dit geding een schikkingsvoorstel heeft gedaan aan [verzoeker], inhoudende dat de Staat aan [verzoeker] zal betalen het loon over tien maanden, in totaal SRD 6.500,-, met de aantekening dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 30 november 2007 van rechtswege is geëindigd overeenkomstig artikel VIII van genoemde overeenkomst. [Verzoeker] heeft dit schikkingsvoorstel afgewezen. Nu er tussen partijen geen schikking is bereikt, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.2 Het hof constateert dat de Staat abusievelijk niet in de gelegenheid is gesteld om te dupliceren. De Staat zal evenwel niet alsnog daartoe in de gelegenheid worden gesteld, nu de Staat, gelet op het in 4.4.2 overwogene, naar het oordeel van het hof, daardoor niet in zijn belang wordt geschaad.

Bevoegdheid
4.3.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] arbeidscontractant is (geweest) in de zin van artikel 1 van de Personeelswet (Pw). Deze wet is dan ook op [verzoeker] van toepassing. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.3.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Het in 3.1 onder A gevorderde, te weten de verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [Verzoeker], kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder B en C gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het besluit om vanaf november 2007 geen salaris aan [verzoeker] te betalen. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om van dit deel van het gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.4.1 De Staat heeft als meest verstrekkend verweer, naar het hof begrijpt, aangevoerd dat [verzoeker] tardief is in zijn vordering en dientengevolge daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Staat heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] pas in oktober 2013 een vordering heeft ingesteld, terwijl de Staat [verzoeker] reeds op 20 juli 2011 in kennis had gesteld van zijn besluit.

4.4.2 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 80 lid 2 sub b Pw een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 79 lid 1 sub b Pw niet-ontvankelijk is, indien zij is ingesteld meer dan een maand nadat een genomen besluit, in casu het besluit tot stopzetting van de betaling van het loon aan [verzoeker], ter kennis van de belanghebbende is gebracht.
[Verzoeker] heeft bij pleitnota terecht gesteld dat de Staat op 20 juli 2011 (zie 2.4) geen enkel besluit heeft genomen met betrekking tot het dienstverband. De Staat heeft echter reeds bij zijn verweerschrift aangevoerd dat [verzoeker] op 08 november 2007 door de toenmalige ambassadeur is bericht dat zijn dienstbetrekking met de Staat ingaande 01 oktober 2007 was beëindigd en dat hij vanaf laatstgenoemde datum derhalve geen salaris meer zal ontvangen.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat [verzoeker] op 21 september 2007 was meegedeeld dat zijn werkzaamheden zouden worden beëindigd per 01 november 2007, dan wel dat hij op 08 november 2007 in kennis is gesteld van het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris. [Verzoeker] heeft gesteld dat zijn salaris vanaf november 2007 niet meer werd betaald. Het hof overweegt dat [verzoeker] derhalve reeds in december 2007 had kunnen constateren dat het besluit tot stopzetting van de betaling van zijn salaris daadwerkelijk was genomen. Nu [verzoeker] pas op 11 oktober 2013 – na bijna 6 jaren – zijn vordering bij het hof heeft ingesteld, is hij daarin tardief, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het gevorderde in 3.1 onder B en C. Het daartoe strekkend verweer slaagt.
Het hof gaat voorbij aan het betoog van [verzoeker], kort gezegd, dat de Staat gehouden was hem voor te houden dat er een beperkte termijn geldt voor het instellen van een vordering bij het hof, nu dit betoog is gedaan bij pleitnota tot uitlating producties – het laatste processtuk – en de Staat geen gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Ten overvloede wordt overwogen dat voormeld betoog, ook al had het hof dat wel betrokken bij zijn beslissing, [verzoeker] niet kan baten en wel om de volgende reden. Anders dan [verzoeker] meent, brengt geen enkel algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de door hem bedoelde verplichting van de Staat met zich mee. Een andere opvatting zou meebrengen dat iedere landsdienaar die tardief is met het instellen van een vordering tegen de Staat en die zich niet op overmacht ex artikel 80 lid 4 Pw kan beroepen, zich met vrucht zou kunnen beroepen op de omstandigheid dat de Staat hem niet in kennis heeft gesteld van de in artikel 80 Pw genoemde termijn voor het instellen van een vordering bij het hof. Dit betekent dat deze termijn, welke van openbare orde is, zou verworden tot een dode letter.

4.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt het hof niet toe.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het gevorderde in 3.1 onder A.

5.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder B en C.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door mr. K.J. Kraag-Brandon namens mr. J. Kraag, gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens
mr. M.E. Danning, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

 

SRU-HvJ-2019-63

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-820

In de zaak van

[Verzoeker], ten rechte geheten [verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: mr. R.R. Lobo, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer in het bijzonder het Ministerie van Justitie en Politie,
zetelende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. B. Tjin Liep Shie, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis door het Hof van Justitie in deze zaak gewezen op 03 februari 2017.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verdere procesverloop blijkt uit:

  • het proces-verbaal van het op 03 maart 2017 gehouden getuigenverhoor zijdens de Staat;
  • de aantekening op het doorlopend proces-verbaal d.d. 21 juli 2017 waaruit blijkt dat [verzoeker] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 02 februari 2018, doch nader op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Het hof volhardt in hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen.

2.2 Bij ongedateerde akte van rectificatie, overgelegd ter terechtzitting van 07 februari 2014, heeft [verzoeker] verzocht dat in het verzoekschrift in stede van [VERZOEKER], zal worden gelezen [VERZOEKER]. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoeker] ter zake daarvan akte zal worden verleend.

2.3 Een vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag vanaf welke dag [verzoeker] kennis droeg van het ontslagbesluit. Bij het tussenvonnis van 03 februari 2017 is de Staat toegelaten bewijs te leveren van zijn stelling dat [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis had van het ontslagbesluit.

2.4 De Staat heeft als productie 1 bij zijn verweerschrift overgelegd een door de onderinspecteur van politie Heinze, Lloyd F.J. (hierna: Heinze) opgemaakt resumé d.d. 26 november 2013, waarin laatstgenoemde, kort gezegd, het volgende heeft vermeld. Op maandag 13 mei 2013 heeft Heinze zich samen met brigadier van politie Baboeram, I. (hierna: Baboeram) begeven naar de woning van [verzoeker] teneinde een voor [verzoeker] bestemde envelop, met daarin de ontslagbeschikking, aan hem uit te reiken. [Verzoeker] was niet thuis en zijn broer [naam] heeft voormelde envelop in ontvangst genomen. Heinze heeft in tegenwoordigheid van Baboeram aan voormelde broer van [verzoeker] gevraagd om aan [verzoeker] door te geven dat hij zo gauw mogelijk contact moest opnemen met de afdeling Interne Tuchtzaken. De volgende dag, dinsdag 14 mei 2013, heeft [verzoeker] inderdaad telefonisch contact gemaakt met bovengenoemde afdeling, waarbij Heinze hem te woord heeft gestaan. [Verzoeker] heeft toen bevestigd de ontslagbeschikking te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben genomen. Hij vroeg wanneer het ontslag zou ingaan. Heinze heeft hem toen meegedeeld dat het ontslag ingaat op de dag volgende op die waarop [verzoeker] van de ontslagbeschikking kennis heeft genomen. [Verzoeker] heeft Heinze vervolgens te kennen gegeven dat hij het heeft begrepen.

2.5.1 Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft de Staat twee getuigen, te weten Heinze en Baboeram, doen horen. Ter gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor heeft Heinze hetgeen hij in voormeld resumé heeft vermeld, bevestigd. Heinze heeft tevens verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat hij met [verzoeker] zelf heeft gesproken. Hij heeft de stem van [verzoeker] kunnen herkennen, omdat hij vaker met hem in contact is geweest. [Verzoeker] is namelijk vaker op de afdeling Interne Tuchtzaken geweest, alwaar Heinze toen werkzaam was, aldus Heinze. Volgens Heinze heeft hij [verzoeker] vaker ontmoet en gesproken, ook over straat. Heinze heeft ten slotte verklaard dat de stem van [verzoeker] verschilt met die van zijn broer.

2.5.2 Ook Baboeram heeft ter gelegenheid van gehouden getuigenverhoor de inhoud van voormeld resumé bevestigd. Baboeram heeft daarbij, zakelijk weergeven, tevens het volgende verklaard. Op de dag volgende op die waarop Heinze en Baboeram de envelop met daarin de ontslagbeschikking hadden afgegeven aan de broer van [verzoeker] op het adres van [verzoeker], waren zij, Heinze en Baboeram, op de afdeling Interne Tuchtzaken aanwezig. Baboeram begreep op een gegeven moment van Heinze dat hij aan de telefoon was met [verzoeker]. Baboeram heeft het gesprek gevolgd. Tijdens het gesprek noemde Heinze de naam van [verzoeker]. Baboeram hoorde Heinze telefonisch doorgeven dat het ontslag zou ingaan de dag nadat kennis was genomen van de ontslagbeschikking.

2.5.3 Het hof acht de Staat geslaagd in het bewijs. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het hof acht de door Heinze en Baboeram onder ede afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Hieraan doet niet af de stelling van [verzoeker], wat daarvan overigens zij, dat hij zich, ten tijde van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer, in het binnenland bevond en hij dientengevolge van voormelde afgifte niet op de hoogte was en derhalve geen contact kon hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag. Immers, het zich in het binnenland bevinden brengt, gezien de ontsluiting van grote delen van het binnenland op het gebied van de telecommunicatie, niet automatisch mee dat [verzoeker] niet telefonisch bereikbaar was voor zijn broer en dat [verzoeker] geen telefonisch contact had kunnen maken met de afdeling Interne Tuchtzaken. In het licht van de verklaringen van Heinze en Baboeram, had het op de weg van [verzoeker] gelegen om tegenbewijs aan te bieden, met name dat hij zich, op de dag van de afgifte van de ontslagbeschikking aan zijn broer en de dag waarop hij telefonisch contact zou hebben opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken, in het binnenland bevond en wel op een plek waar hij verstoken was van elke vorm van communicatie met de buitenwereld. [Verzoeker] heeft dit echter nagelaten en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat bewezen is dat [verzoeker] op 14 mei 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met de afdeling Interne Tuchtzaken omtrent zijn ontslag en derhalve dat hij op voormelde datum kennis droeg van het ontslagbesluit.

2.6 Nu [verzoeker] op 14 mei 2013 kennis droeg van het ontslagbesluit en hij de vordering strekkende tot nietigverklaring van dit besluit op 03 september 2013, derhalve meer dan een maand na 14 mei 2013, bij het hof heeft ingesteld, dient hij daarin op grond van artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat het ontslagbesluit in stand blijft en dat dientengevolge de grondslag aan het mede gevorderde, te weten: de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang, met toekenning van de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 49 van het Politiehandvest, alles onder verbeurte van een dwangsom, is komen te ontvallen, zodat dit dient te worden afgewezen.

3. De beslissing

Het hof:

3.1 Verleent aan [verzoeker] akte van rectificatie als verzocht.

3.2 Verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de ontslagbeschikking vervatte ontslagbesluit.

3.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van vrijdag 21 juni 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein               w.g. D.D. Sewratan

Bij de uitspraak ter terechtzitting is verschenen mr. R. Koendan namens mr. B. Tjin Liep Shie, gevolmachtigde van verweerder, terwijl verzoeker noch in persoon noch bij gemachtigde is verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

 

 

SRU-HvJ-2019-62

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-818

In de zaak van

[Verzoeker],
verzoekster, hierna aangeduid als “[verzoekster] ”,
gemachtigde: mr. F.F.P. Truideman, advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
met name het Ministerie van Justitie en Politie,
te dezen vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Jhinkoe, substituut officier van justitie,

spreekt de Fungerend-President, in Naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met een productie ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 19 augustus 2013;
  • het verweerschrift met producties ingediend op 11 november 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 januari 2014 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de pleitnota, met een productie, d.d. 07 maart 2014;
  • de antwoordpleitnota d.d. 04 april 2014;
  • de repliekpleitnota, met een productie, d.d. 02 mei 2014;
  • de dupliekpleitnota d.d. 06 juni 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 21 november 2014, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [Verzoekster] is op 17 april 2000 in dienst getreden van het Korps Politie Suriname van het Ministerie van Justitie en Politie. Zij is thans in vaste dienst bij de afdeling Algemene Dienst van voormeld ministerie.

2.2 [Verzoekster] is te rekenen van 01 juni 2008 bevorderd tot agent van politie 2e klasse.

2.3 [Verzoekster] is bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. no. [kenmerk 1] (hierna ook: de bevorderingsbeschikking) te rekenen van 01 juni 2011 bevorderd tot agent van politie 1e klasse. Daartoe is onder meer overwogen dat [verzoekster] gunstig is beoordeeld en dat zij voldoet aan de criteria zoals vastgesteld in artikel 48 van het Reglement Algemene Politie.

2.4 Bij beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie no. [kenmerk 2] (hierna ook: de intrekkingsbeschikking), is besloten de bevorderingsbeschikking in te trekken en [verzoekster] weer aan te stellen als agent van politie 2e klasse, te rekenen van de dag waarop dit besluit tot haar kennis wordt gebracht. Daartoe is overwogen:
“- dat de Agent van Politie [VERZOEKSTER] (…) bij beschikking de dato 17 januari 2012 just. no. [kenmerk 1] te rekenen van 1 juni 2011 is bevorderd tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat er abusievelijk een bevorderingsbeschikking voor mej. [VERZOEKSTER] is opgemaakt tot Agent van Politie 1e klasse;
– dat mej [VERZOEKSTER] was overgeplaatst naar het Ministerie van Regionale Ontwikkeling in de periode 26 april 2010 tot en met 01 oktober 2010 en dus een diensttijdonderbreking heeft gehad;
– dat mej. [VERZOEKSTER] aan een ernstige slaapstoornis lijdt;
– dat betrokkene als gevolg van haar ziektebeeld slechts met administratieve werkzaamheden wordt belast en niet van een dienstvuurwapen wordt voorzien;
– dat de beoordeling waarop de bevordering gebaseerd is, onjuist is bevonden;
– dat betrokkene niet voldoet aan de eisen van benoembaarheid vastgesteld in artikel 48 lid 5 van het Reglement Algemene Politie en de betreffende bevorderingsbeschikking dient te worden ingetrokken.”

2.5 [Verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [Verzoekster] vordert, na rectificatie van het petitum, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard de intrekkingsbeschikking, waarbij de Staat de beschikking tot bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse heeft ingetrokken, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft aan de uitvoering van het vonnis gevolg te geven. [verzoekster] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [Verzoekster] heeft, zakelijk weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de Staat in strijd met het bepaalde in artikel 24 lid 3 van de Personeelswet (Pw) de bevorderingsbeschikking heeft ingetrokken.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 [Verzoekster] heeft bij pleitnota akte van rectificatie verzocht, in die zin dat in het petitum van het verzoekschrift in stede van ‘agent van politie 2e klasse’ zal worden gelezen: agent van politie 1e klasse. De Staat heeft zich daartegen niet verzet, zodat aan [verzoekster] ter zake daarvan akte zal worden verleend, zoals reeds in 3.1 tot uitdrukking is gebracht.

Bevoegdheid
4.2.1 Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.2.2 De vordering van [verzoekster] strekt tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse, en weder aanstelling van [verzoekster] als agent van politie 2e klasse. [Verzoekster] heeft aan deze vordering een dwangsom gekoppeld. Voormeld besluit behelst naar het oordeel van het hof de verlaging van de rang van [verzoekster] van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw dan ook bevoegd om van het gevorderde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.3 Op grond van artikel 80 lid 1 sub b juncto artikel 79 lid 2 sub b Pw is een vordering tot nietigverklaring van een besluit tot verlaging van rang niet-ontvankelijk, indien deze is ingesteld meer dan een maand nadat het besluit ter kennis van de belanghebbende is gebracht. [Verzoekster] heeft de intrekkingsbeschikking op 26 juli 2013 ontvangen. Nu zij het verzoekschrift op 19 augustus 2013 heeft ingediend, derhalve binnen de termijn van een maand, is zij ontvankelijk in haar vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit behelzende de verlaging van haar rang van agent van politie 1e klasse naar agent van politie 2e klasse.

4.4.1 Partijen twisten onder meer over de vraag of de bevorderingsbeschikking aan [verzoekster] is uitgereikt of niet. [Verzoekster] heeft gesteld dat de bevorderingsbeschikking aan haar is uitgereikt, terwijl de Staat, naar het hof begrijpt, heeft aangevoerd dat bedoelde uitreiking nimmer heeft plaatsgevonden zodat het besluit tot de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse niet formeel te harer kennis is gebracht en [verzoekster] zich ook niet daarop kan beroepen.

4.4.2 Het hof begrijpt uit de stellingen van [verzoekster], die niet door de Staat zijn weersproken, dat zij de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft ontvangen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat [verzoekster] in de rang van agent van politie 1e klasse op de ‘Ranglijst KPS Politiepersoneel 2013’ nog voorkomt onder [nummer]. Op grond van het voorgaande wordt [verzoekster] geacht kennis te hebben genomen van het besluit tot haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. In dit licht kan het naar het oordeel van het hof in het midden blijven of de bevorderingsbeschikking al dan niet aan [verzoekster] is uitgereikt. Voor zover de Staat een andere mening is toegedaan, gaat hij uit van een onjuist standpunt.

4.5.1 Ingevolge artikel 24 lid 1 en 2 Pw kan het bevoegde gezag een ambtenaar, die daarvoor op grond van zijn geschiktheid, bekwaamheid, betrouwbaarheid en ervaring in aanmerking komt, tot een hogere rang bevorderen en worden nadere algemene vereisten voor bevordering bij staatsbesluit vastgesteld.
De Staat heeft aangevoerd dat [verzoekster] abusievelijk is bevorderd tot agent van politie 1e klasse te rekenen van 01 juni 2011. De Staat heeft daartoe onder meer verwezen naar de redenen vermeld in de, hierboven in 2.4 genoemde, intrekkingsbeschikking, waaronder het niet voldoen van [verzoekster] aan de in artikel 48 lid 6 van het Reglement Algemene Politie genoemde vereisten voor benoeming tot agent van politie 1e klasse – [verzoekster] heeft volgens de Staat niet vier jaren gediend in de rang van agent van politie 2e klasse noch ten minste twee jaren daarvan gediend buiten de gewesten Paramaribo en Suriname (Wanica) – en het lijden van [verzoekster] aan een ernstige slaapstoornis, te weten narcolepsie, als gevolg waarvan het dienstwapen van [verzoekster] werd ingenomen en [verzoekster] uiteindelijk slechts werd belast met administratieve werkzaamheden. Nu voormelde bevordering abusievelijk heeft plaatsgevonden, is deze conform wet en recht teniet gedaan middels de intrekkingsbeschikking, aldus de Staat.

4.5.2 De bevoegdheid tot intrekking van een besluit tot bevordering van een ambtenaar is neergelegd in artikel 24 lid 3 Pw. Dit artikel schrijft voor dat een besluit tot bevordering, nadat dit ter kennis van de ambtenaar is gebracht, niet meer wegens strijd met een bepaling, vastgesteld bij of krachtens de voorgaande leden van dit artikel, kan worden ingetrokken of buiten werking gesteld.
Het hof is van oordeel dat, gelijk [verzoekster] heeft betoogd, het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking in strijd met artikel 24 lid 3 Pw is genomen. Dit besluit is immers genomen nadat [verzoekster] reeds kennis droeg van haar bevordering tot agent van politie 1e klasse. Het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking komt derhalve reeds wegens strijd met voormelde bepaling voor nietigverklaring in aanmerking. Daarbij komt dat de Staat pas elf maanden na de bevordering van [verzoekster] is overgegaan tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, overigens zonder voor het lange tijdsverloop een verklaring te geven. Voorts is [verzoekster], naar zij ter gelegenheid van het gehouden verhoor van partijen onweersproken heeft gesteld, voorafgaand aan de intrekking van de bevorderingsbeschikking niet door de Staat gehoord. Verder is gesteld noch gebleken dat [verzoekster] voorafgaand aan vorenbedoelde intrekking ten minste van het voornemen van de Staat daartoe op de hoogte is gesteld. Daarenboven staat als onweersproken in rechte tussen partijen vast dat [verzoekster] gedurende twee jaren met de onderscheidingstekens behorende bij de rang van agent van politie 1e klasse heeft rondgelopen, terwijl de Staat niet heeft aangevoerd dat hij op enig moment voormelde onderscheidingstekens vanwege de naar zijn mening onterechte bevordering van [verzoekster] heeft teruggenomen en zulks ook niet anderszins is gebleken.
Aan het oordeel van het hof dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, doen niet af de door de Staat aangevoerde en in de intrekkingsbeschikking opgesomde redenen tot ongedaanmaking van de bevordering van [verzoekster] tot agent van politie 1e klasse.

4.6.1 [verzoekster] heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Staat heeft daartegen aangevoerd dat [verzoekster] weet dat zij niet voldoet aan de vereisten voor haar benoeming tot agent van politie 1e klasse en dus ook weet dat zij geen aanspraak maakt op de bevordering, zodat er van een daartoe strekkend gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake kan zijn.

4.6.2 Nu is overwogen dat het besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking reeds wegens strijd met artikel 24 lid 3 Pw voor nietigverklaring in aanmerking komt, kan een bespreking van het beroep van [verzoekster] op het vertrouwensbeginsel achterwege blijven.

4.7 Uit hetgeen hierboven in 4.5.2 is overwogen volgt dat de vordering strekkende tot nietigverklaring van het in de intrekkingsbeschikking vervatte besluit tot intrekking van de bevorderingsbeschikking, zal worden toegewezen.

4.8 De mede gevorderde dwangsom is niet gekoppeld aan het verder achterwege laten van een besluit of handeling dan wel het voortzetten of herhalen van een handeling in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde, zodat deze ingevolge artikel 79 lid 1 sub c van voormelde wet als ongegrond zal worden afgewezen.

4.9 De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis zal eveneens worden afgewezen, nu het hof in eerste en hoogste aanleg beslist.

4.10 Ook de gevorderde veroordeling van de Staat in de proceskosten zal worden afgewezen, nu dit gevorderde niet op de wet is gestoeld.

4.11 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing

Het hof:

5.1 Verleent aan [verzoekster] akte van rectificatie als verzocht, zoals overwogen in 4.1 van de beoordeling.

5.2 Verklaart nietig het in de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 19 december 2012, Justitie no. [kenmerk], vervatte besluit tot intrekking van de beschikking van de Minister van Justitie en Politie d.d. 17 januari 2012, Just. no. [kenmerk], waarbij [verzoekster] is bevorderd tot agent van politie 1e klasse.

5.3 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, Fungerend-President, mr. A. Charan en
mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, Leden, en door de Fungerend-President bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 19 juli 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, Fungerend-Griffier.

w.g. S.C. Berenstein          w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, verzoekster vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat
mr. F.F.P. Truideman, gemachtigde van verzoekster en verweerder vertegenwoordigd door
mr. R. Gravenbeek namens mr. R. Jhinkoe, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

mr. M.E. van Genderen-Relyveld

SRU-HvJ-2019-61

HET HOF VAN JUSTITIE VAN SURINAME

A-809

In de zaak van

[Verzoeker],
wonende in het [district],
verzoeker, hierna aangeduid als “[verzoeker]”,
gemachtigde: l.D. Kanhai BSc., advocaat,

tegen

DE STAAT SURINAME,
meer precies het Ministerie van Justitie en Politie,
ten rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,
verweerder, hierna aangeduid als “de Staat”,
gevolmachtigde: mr. R. Autar, waarnemend substituut officier van justitie,

spreekt de fungerend-President, in naam van de Republiek, het navolgende door het Hof van Justitie, op de voet van artikel 47 van het Politiehandvest juncto artikel 79 van de Personeelswet als rechter in ambtenarenzaken, gewezen vonnis uit.

1. Het procesverloop

1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift met producties ingediend ter griffie van het Hof van Justitie op 12 juni 2013;
  • het verweerschrift ingediend op 27 augustus 2013;
  • de beschikking van het hof van 03 oktober 2013 waarbij het verhoor van partijen is bepaald op 15 november 2013, welk verhoor is verplaatst naar 07 februari 2014;
  • het proces-verbaal van het op 07 februari 2014 gehouden verhoor van partijen;
  • de conclusie tot aanbieding van aanvullende processtukken, met producties, zijdens de Staat overgelegd op 21 februari 2014;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 04 april 2014;
  • de pleitnota d.d. 02 mei 2014;
  • de antwoordpleitnota overgelegd op 06 juni 2014;
  • de repliekpleitnota d.d. 18 juli 2014;
  • de dupliekpleitnota, met producties, overgelegd op 15 augustus 2014, kennelijk abusievelijk aangeduid als: reactie op pleitnota;
  • de conclusie tot uitlating zijdens [verzoeker] d.d. 21 november 2014.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was aanvankelijk bepaald op 03 april 2015, doch nader op heden.

2. De feiten

2.1 [verzoeker] is omstreeks 2001 in dienst getreden bij het Korps Politie Suriname (KPS) van het Ministerie van Justitie en Politie. Hij was laatstelijk in vaste dienst bij het KPS in de rang van agent van politie 1e klasse.

2.2 [verzoeker] heeft in de ochtend van 11 mei 2012 meerdere schoten met zijn dienstvuistvuurwapen afgevuurd op de woning van zijn directe chef, de inspecteur van politie 3e klasse [naam] (hierna: [naam]). [verzoeker] is hiervoor strafrechtelijk vervolgd.

2.3 [verzoeker] is blijkens het strafdossier no. 91/2012 van de afdeling OPZ wegens verdenking van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven en strafbaar gesteld in de artikelen 349 jo 70 jo 69, 347 jo 70 jo 69, 414, 345 van het Surinaams Wetboek van Strafrecht, ingaande 11 mei 2012 bij beschikking van de toenmalige waarnemend korpschef, H.A. Tjin Liep Shie, te rekenen van even vermelde datum buiten functie gesteld en op basis van artikel 66 lid 2 sub a van de Personeelswet (Pw) geschorst in zijn ambt.

2.4 [verzoeker] is op 12 december 2012 in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld zich te verweren. [verzoeker] heeft ter gelegenheid van het op 10 januari 2013 gehouden korpsrapport mondeling verweer gevoerd.

2.5 Bij beschikking van de minister van Justitie en Politie d.d. 11 maart 2013, Justitie no. J.13/02769, K.A. no. 1300/13 (hierna: de ontslagbeschikking), is aan [verzoeker] wegens ernstig plichtsverzuim ingevolge artikel 40 lid 1 onder j van het Politiehandvest de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst opgelegd. Daartoe is onder meer overwogen:

“(…);

dat de agent van politie 1e klasse [verzoeker], op dinsdag 08 mei 2012 is gerapporteerd terzake het niet in dienst verschijnen door zijn toenmalige afdelingshoofd de inspecteur van politie 3e klasse [naam];

dat agent [verzoeker], in de vroege ochtend van vrijdag 11 mei 2012 omstreeks 02:00 uur, met de aan hem vanwege de dienst in bruikleen afgestane dienstvuistvuurwapen van het merk Glock GCP 369, schoten afvuurde op de woning van de inspecteur van politie 3e klasse [naam], zijnde zijn afdelingshoofd;

dat op dat moment de inspecteur voornoemd en zijn gezin zich in de woning bevonden;

dat agent [verzoeker] met zijn handelingen niet alleen vernielingen heeft aangebracht aan de woning van inspecteur [naam], doch ook het risico heeft genomen dat de afgevuurde projectielen de inspecteur en zijn gezin dodelijk geraakt konden hebben, danwel letsels konden hebben veroorzaakt;

dat agent [verzoeker] daarbij onder invloed van inwendig gebruik van alcoholhoudende dranken verkeerde en zijn voertuig naar en van de woning heeft bestuurd, hetgeen in strijd is met de verkeersregels;

(…);

dat tijdens de voorgeleiding van agent [verzoeker], hij had toegegeven de schoten te hebben gelost omdat hij gefrustreerd was geraakt;

(…);

dat de gedragingen gepleegd door agent [verzoeker] niet alleen onrechtmatig zijn, doch ook in strijd zijn met de ambtsinstructies zoals ondermeer vervat in de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82, de gedragscode en schaden deze het imago van het Korps Politie Suriname ernstig;

dat het voorgaande ernstig plichtsverzuim oplevert voor de heer [verzoeker] voornoemd weshalve hij bij schrijven van de toenmalige waarnemend korpschef, thans de korpschef, de hoofdcommissaris van politie, H.A. Tjin Liep Shie, de dato 12 december 2012 terzake ingebreke werd gesteld en derhalve in de gelegenheid werd gesteld zich te verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn schrijven de dato 27 december 2012 heeft aangegeven zich mondeling te zullen verweren;

dat agent [verzoeker] in zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013 het volgende heeft verklaard: ‘ik bied mijn verontschuldigingen hierbij aan en verklaar dat het geenszins mijn bedoeling was om zulke handelingen te plegen. Ik raakte gefrustreerd en kon met niemand erover praten ondanks vele pogingen daartoe. Ik ben daarom emotioneel geraakt en heb mij tegoed gedaan aan alcohol en raakte daardoor dronken. Toen ik langs de woning van inspecteur [naam] reed heb ik mijn dienstvuistvuurwapen gespannen en geschoten op de woning van genoemde inspecteur zonder verder na te denken. [naam] deed al een hele tijd een aanzoek bij mij en maakte seksistische opmerkingen naar mij toe, doch gaf ik hem te kennen dat ik geen homo ben en geen relatie met hem wilde aangaan. Ik heb echter willen praten met de hoofdinspecteur van politie A. Chin, doch is het niet gelukt’;

dat agent [verzoeker] in strijd heeft gehandeld met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie G.B. 1972 no. 82 luidende ‘de ambtenaar van politie gedraagt zich onder andere te allen tijde en onder alle omstandigheden zodanig, dat aan de waardigheid van zijn ambt geen afbreuk wordt gedaan en het aanzien van de politie niet wordt geschaad’;

dat agent [verzoeker] ook in strijd heeft gehandeld met de gedragscode voor ambtenaren van politie onder andere luidende ‘elk korpslid is eerlijk en oprecht, is betrouwbaar en straalt gezag uit, gedraagt zich als een voorbeeldfiguur onder andere door het Korps en het overheidsgezag op een positieve manier uit te dragen en zich niet schuldig te maken aan strafbare feiten en overtredingen’;

dat de beschuldigingen tegen agent [verzoeker] uitermate ernstig zijn en de commotie die door deze zaak is ontstaan het vertrouwen in de politie ernstig heeft ondermijnd;

dat gelet op al het gebeurde de Korpsleiding geen vertrouwen meer heeft in de agent van politie 1e klasse [verzoeker],;

dat de zaak ter terecht zitting dient;

dat op grond van het door agent [verzoeker], gepleegd plichtsverzuim, de argumenten aangehaald in zijn schrijven de dato 27 december 2012 en zijn mondeling verweer op het gehouden korpsrapport de dato 10 januari 2013, wegens ernstig plichtsverzuim de tuchtstraf van ontslag uit Staatsdienst aan hem dient te worden opgelegd;”

2.6 [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [verzoeker] vordert, zakelijk weergegeven, dat bij vonnis:
a. de ontslagbeschikking zal worden vernietigd, althans nietig zal worden verklaard;
b. de Staat zal worden gelast [verzoeker] te rehabiliteren in de rang waarin hij diende voor de ontslagbeschikking;
c. [verzoeker] in de gelegenheid zal worden gesteld de bedongen arbeid op de normale wijze en in de functie die hij heeft bekleed voor de ontslagbeschikking te kunnen vervullen zonder enige hinder zijdens de Staat;
d. de Staat zal worden gelast het salaris aan [verzoeker] zoals door hem verdiend voor de ontslagbeschikking uit te betalen en daarmee voort te gaan;
e. de Staat zal worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van SRD 10.000,- voor iedere keer of dag dat hij in strijd met het hierboven gevorderde mocht handelen.
[verzoeker] vordert tevens veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2 [verzoeker] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [verzoeker] is ambtenaar in de zin van de Personeelswet (Pw). Zijn directe chef heeft een homo sensuele (het hof begrijpt: homoseksuele) relatie met hem willen aangaan en heeft hem vaker op de werkplek aangeraakt en betast. De tegen [verzoeker] ingestelde strafzaak ter zake van zijn handeling genoemd in 2.2 is nog in behandeling bij de strafrechter. De ontslagbeschikking berust op onware feiten. De ontslagbeschikking is daarenboven in strijd met het beginsel van een deugdelijke motivering, hetgeen uit het volgende blijkt: de rechtvaardigingsgrond voor het ontslag van [verzoeker] is niet gemotiveerd in de beschikking aangegeven, er is ook niet aangegeven waarom zo lang is gewacht met het ontslag, er is geen onderzoek gedaan naar de seksuele handelingen van zijn chef en het is nog de vraag of sprake is van plichtsverzuim zoals bedoeld in de artikelen 61, 63 en 66 Pw, aangezien uit het psychologisch rapport blijkt dat aan de handeling van [verzoeker] frustraties zijn voorafgegaan. De echtgenote van [verzoeker] had al vernomen dat hij een relatie met zijn chef was begonnen, hetgeen een gerucht betreft dat door de chef zelf is verspreid. Het ontslag is voorts niet in overeenstemming met de door [verzoeker] gepleegde handeling en de omstandigheden waaronder die is begaan en wel om de volgende redenen: [verzoeker] is nooit meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag, in het psychologisch rapport en het mondeling verweer is nadrukkelijk aangegeven onder welke omstandigheden het feit is gepleegd en voorts is in dit rapport nadrukkelijk aangegeven dat het korps geen mogelijkheden heeft deze persoonlijke omstandigheden op te vangen, er is niet aangegeven waarom het verweer van [verzoeker] niet steekhoudend is en er is geen onderzoek gedaan ter zake van de aantijgingen en het molest op de werkvloer en ten slotte blijkt uit de ontslagbeschikking niet dat de gevoelens van de procureur-generaal zijn gevraagd en overwogen, terwijl artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest nadrukkelijk bepaalt dat alvorens wordt overgegaan tot het opleggen van een tuchtstraf de gevoelens van de procureur-generaal daaromtrent moeten worden meegenomen. De ontslagbeschikking is tevens in strijd met de wet omdat het ontslag in geen enkele evenredigheid staat met het verwijt en de diensttijd van [verzoeker]. Om voormelde redenen komt de ontslagbeschikking voor vernietiging in aanmerking.

3.3 De Staat heeft verweer gevoerd. Op dit verweer en op de overige standpunten van partijen wordt in de beoordeling, voor zover nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.1 Rechtens staat tussen partijen vast dat [verzoeker] ambtenaar van politie in de zin van artikel 1 van het Politiehandvest is geweest. Blijkens artikel 47 lid 1 van het Politiehandvest strekt, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, de rechtsmacht van de gewone rechter in ambtenarenzaken – dit is het Hof van Justitie – zich mede uit tot zaken betreffende ambtenaren van politie. Op grond van artikel 79 lid 1 Pw oordeelt het hof in eerste en hoogste aanleg over vorderingen:
a. tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een daarvoor vatbaar – ten aanzien van een ambtenaar of gewezen ambtenaar als zodanig genomen – besluit, wegens strijd met een wettelijk voorschrift of wegens kennelijk ander gebruik van een bevoegdheid dan tot het doel waartoe die bevoegdheid is gegeven, dan wel wegens strijd met enig in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur;
b. tot vergoeding van de schade, welke voor een ambtenaar of gewezen ambtenaar, dan wel voor diens nagelaten betrekkingen, is voortgevloeid uit een besluit of uit het niet, of niet tijdig, nemen van een besluit, dan wel uit het verrichten of nalaten van een handeling, in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde;
c. tot oplegging van een dwangsom voor het verder achterwege laten van een besluit of handeling – dan wel voor het voortzetten of herhalen van een handeling – in strijd met hetgeen bij of krachtens de Personeelswet ten aanzien van ambtenaren, gewezen ambtenaren en hun nagelaten betrekkingen is bepaald.
Volgens artikel 79 lid 2 Pw zijn vatbaar voor nietigverklaring besluiten:
a. betreffende salaris, verlofsbezoldiging, pensioenen of wachtgeld;
b. tot verlaging van rang;
c. betreffende vrijstelling van dienst, verlof of non-activiteit;
d. waarbij een tuchtstraf, anders dan een betuiging van ontevredenheid of een berisping, is opgelegd;
e. tot schorsing of ontslag.
Gelet op artikel 79 lid 5 Pw is het hof niet bevoegd kennis te nemen van andere vorderingen dan de in lid 1 van dit artikel limitatief opgesomde.

4.1.2 Gezien het voorgaande is het hof als ambtenarenrechter slechts bevoegd om in de in artikel 79 Pw genoemde gevallen besluiten van overheidsorganen te vernietigen, schade-vergoeding toe te kennen en dwangsommen op te leggen. Ten aanzien van vorderingen met een andere strekking dient het hof zich onbevoegd te verklaren.
Op grond van artikel 79 lid 1 juncto lid 2 Pw is het hof dan ook bevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder a en e gevorderde, respectievelijk de vordering strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij aan een ambtenaar van politie de tuchtstraf van ontslag is opgelegd, als waarvan hier sprake is, en de vordering tot oplegging van een dwangsom.
Het in 3.1 onder b en c gevorderde, te weten, kort gezegd, de rehabilitatie van [verzoeker] in zijn oude rang en zijn wedertewerkstelling, kan niet worden gecategoriseerd onder de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw, zodat het hof niet bevoegd is daarvan kennis te nemen. Het hof overweegt ten overvloede dat de gevorderde rehabilitatie, indien het hof wel bevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen, niet zou kunnen worden toegewezen vanwege de onduidelijkheid van deze vordering. Immers, in geval het hof een besluit tot ontslag van een ambtenaar nietig verklaart, wordt dit ontslag geacht nimmer te zijn verleend en dient betrokkene weer in zijn oude rang. Het hof vermag in een dergelijk geval derhalve niet in te zien welke handeling dan nog van de Staat wordt verwacht.
Het hof begrijpt het in 3.1 onder d gevorderde aldus dat [verzoeker] tevens betaling van (achterstallig) salaris vordert. Een vordering tot betaling van salaris is niet opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 79 lid 1 Pw. Het hof is op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw wel bevoegd om te oordelen over een vordering tot vergoeding van schade die is voortgevloeid uit een besluit in strijd met het bij of krachtens de Personeelswet bepaalde. Het hof acht gronden aanwezig het verzoekschrift zo uit te leggen dat [verzoeker] geen betaling van achterstallig salaris vordert, maar schadevergoeding als gevolg van het niet tijdig betalen van salaris ter hoogte van het achterstallige salaris, aldus vergoeding van schade voortvloeiende uit het nietig te verklaren ontslagbesluit. Het hof acht zich op grond van artikel 79 lid 1 sub b Pw derhalve bevoegd om ook van deze vordering kennis te nemen.

Ontvankelijkheid
4.2 Ingevolge artikel 47 lid 4 sub a van het Politiehandvest zijn vorderingen tot nietigverklaring van een besluit tot oplegging van een tuchtstraf, als bedoeld in artikel 40 lid 1 onder e tot en met j van voormeld handvest – hieronder valt de tuchtstraf van ontslag – niet-ontvankelijk, indien zij zijn ingesteld meer dan een maand, nadat het besluit ter kennis van de gestrafte is gebracht, dan wel hij geacht kan worden daarvan kennis te hebben genomen. [verzoeker] heeft de ontslagbeschikking op 07 juni 2013 ontvangen. Nu hij het verzoekschrift op 12 juni 2013 heeft ingediend, derhalve binnen voormelde termijn van een maand, is hij ontvankelijk in het gevorderde in 3.1 onder a en derhalve ook in het gevorderde in 3.1 onder d en e dat als een sequeel daarvan heeft te gelden.

4.3 Het hof volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat het ontslagbesluit op onware feiten berust. [verzoeker] heeft immers toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan de aan hem verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging, te weten: het op 11 mei 2012 afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam].

4.4 Beoordeeld moet worden of de aan [verzoeker] verweten gedraging ernstig plichtsverzuim oplevert, of dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend en of de opgelegde straf evenredig is te achten aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.5 Naar het oordeel van het hof kon de minister de aan [verzoeker] verweten en in de ontslagbeschikking vermelde gedraging bezwaarlijk anders dan als ernstig plichtsverzuim aanmerken. Met deze gedraging die zo zeer indruist tegen de kerntaak van de politie heeft [verzoeker] ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van zijn ambt en het aanzien van de politie ernstig geschaad alsmede zich schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, zulks in strijd met artikel 10 van de Instructie Ambtenaren van Politie en de gedragscode voor ambtenaren van politie. Het hof verwerpt derhalve de stelling van [verzoeker] dat het ontslagbesluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert.

4.6 Ten aanzien van de vraag of het plichtsverzuim [verzoeker] kan worden toegerekend overweegt het hof als volgt. Vooropgesteld wordt dat bij de vraag of sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim van belang is of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Naar het hof begrijpt betoogt [verzoeker] dat hij tot de aan hem verweten gedraging is overgegaan uit frustratie ter zake van het door hem gestelde seksueel molest zijdens [naam] en het nalaten van de korpsleiding om naar aanleiding van de klacht van [verzoeker] hierover, maatregelen tegen [naam] te treffen. [verzoeker] verwijst in dit kader naar het door hem in het geding gebrachte psychologisch rapport, opgemaakt door drs. H.E. Essed in opdracht van het openbaar ministerie, waarin ten aanzien van [verzoeker] onder meer het volgende wordt geconcludeerd: “Hij heeft zich danig gefrustreerd gevoeld om tot zulk ondoordacht, agressief en weinig effectief gedrag over te gaan. Van de ervaren politieman mocht een andere wijze van oplossen van zijn probleem verwacht worden. Toch zijn er verzachtende omstandigheden te vinden, in de situatie van onzakelijke en subjectieve gedragsuitingen zijdens zijn meerdere, waaraan hij werd blootgesteld indien zo. Indien schuldig bevonden aan het ten laste gelegde zou dat hem op grond van het bovenstaande mogen in iets verminderde mate mogen worden aangerekend.”
Naar het oordeel van het hof vindt het door [verzoeker] gestelde ten aanzien van het seksueel molest zijdens [naam] geen ondersteuning in het politie- noch het procesdossier. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat de Staat geen onderzoek heeft gedaan naar zijn aantijgingen jegens [naam], nu het op de weg van [verzoeker] had gelegen om het bestaan van verzachtende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarbij komt, naar het oordeel van het hof, dat uit het psychologisch rapport niet is gebleken van een zodanige stoornis als gevolg waarvan [verzoeker] de ontoelaatbaarheid van het afvuren van schoten met zijn dienstvuistvuurwapen op de woning van [naam] niet heeft kunnen inzien of niet in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de conclusie uit het psychologisch rapport dat [verzoeker] in iets verminderde mate toerekenbaar zou zijn. Dit leidt tot de slotsom dat het plichtsverzuim volledig aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Hieraan doet niet af dat [verzoeker] ten tijde van de aan hem verweten gedraging in beschonken toestand verkeerde, nu dit op zichzelf geen verontschuldigende factor bij de beoordeling van onder invloed daarvan gepleegd plichtsverzuim vormt.

4.7 Het hof acht het opgelegde strafontslag niet onevenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het gericht met een vuistvuurwapen schieten op de woning van [naam], waarin hij en zijn gezin op het moment van de beschieting aanwezig waren, is immers zo een ernstig vergrijp dat de zwaarste tuchtstraf van ontslag zonder meer gerechtvaardigd is. [verzoeker] mag van geluk spreken dat er geen slachtoffers zijn gevallen. [verzoeker] heeft door zijn handelwijze in ernstige mate inbreuk gemaakt op de integriteit van het korps en het aanzien en de betrouwbaarheid van het korps in de ogen van het publiek in ernstige mate in gevaar gebracht. Het hof kent verder grote betekenis toe aan het feit dat van [verzoeker] als ambtenaar van politie mag worden verwacht dat hij van onbesproken gedrag is. [verzoeker] had als ambtenaar van politie beter moeten weten. Het hof heeft bij zijn oordeel tevens betrokken dat de discipline onder de ambtenaren van politie, zoals [verzoeker], conform artikel 37 lid 1 van het Politiehandvest in militaire trant wordt gehandhaafd. De door [verzoeker] gestelde aanleiding tot de aan hem verweten gedraging, wat overigens daarvan zij, kan niet tot een ander oordeel leiden evenmin als de diensttijd van [verzoeker]. Hij kan in alle redelijkheid niet verlangen dat hij als ambtenaar van politie wordt gehandhaafd.

4.8 Het hof gaat voorbij aan de stelling van [verzoeker] dat hem nooit is meegedeeld dat hij conform artikel 66 Pw is geschorst omdat er termen aanwezig zijn om hem voor te dragen voor ontslag. Deze stelling is immers niet van belang voor de beoordeling of het ontslagbesluit al dan niet nietig verklaard moet worden.

4.9 Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat in de ontslagbeschikking niet is aangegeven waarom zijn verweer niet steekhoudend is bevonden. Dit kan echter niet leiden tot nietigverklaring van het ontslagbesluit. De minister hoefde, naar het oordeel van het hof, in hetgeen [verzoeker] in zijn mondeling verweer heeft aangevoerd, geen aanleiding te vinden om tot een ander besluit te komen.
Aan [verzoeker] kan tevens worden toegegeven dat de ontslagbeschikking er geen blijk van geeft dat de procureur-generaal conform artikel 44 lid 2 van het Politiehandvest in de gelegenheid is gesteld om zijn gevoelens omtrent een op te leggen tuchtstraf te doen kennen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. De aan [verzoeker] verweten gedraging levert zo ernstig plichtsverzuim op dat de procureur-generaal, naar het oordeel van het hof, niet anders dan tot het ontslag van [verzoeker] zou zijn gekomen. Vorenbedoelde nalatigheid kan in dit specifieke geval derhalve niet tot nietigverklaring van het ontslagbesluit leiden.

4.10 Uit hetgeen in 4.7 is overwogen volgt dat het beroep van [verzoeker] op de onevenredigheid van het ontslag aan het plichtsverzuim, geen doel treft. Van strijd met artikel 79 lid 3 Pw, als waarvan [verzoeker] kennelijk uitgaat, is dan ook geen sprake.
Het beroep van [verzoeker] op het motiveringsbeginsel treft evenmin doel, aangezien de ontslagbeschikking genoegzaam blijk geeft van de aan hem verweten gedraging die aan zijn ontslag ten grondslag is gelegd.
Voor zover [verzoeker] betoogt dat het ontslagbesluit wegens onzorgvuldigheid nietig verklaard moet worden omdat de besluitvorming veel te lang heeft geduurd, volgt het hof hem niet daarin. Immers zijn tussen de dag waarop [verzoeker] ter gelegenheid van het gehouden korpsrapport mondeling verweer heeft gevoerd, zijnde 10 januari 2013, en de dag waarop het ontslagbesluit is genomen, zijnde 11 maart 2013, amper twee maanden verstreken.

4.11 Uit al het voorgaande volgt dat er geen grond is voor nietigverklaring van het ontslagbesluit. Dit leidt tot de slotsom dat het gevorderde in 3.1 onder a zal worden afgewezen.

4.12 Nu het ontslagbesluit in stand blijft, zal het in 3.1 onder d en e gevorderde, dat als een sequeel van het gevorderde in 3.1 onder a heeft te gelden, eveneens als ongegrond worden afgewezen.

4.13 De overige stellingen en weren van partijen behoeven, nu deze niet tot een ander oordeel leiden, geen nadere bespreking.

5. De beslissing
Het hof:

5.1 Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het in 3.1 onder b en c gevorderde.

5.2 Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door: mr. D.D. Sewratan, fungerend-President, mr. A. Charan en mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, leden, en door de fungerend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie te Paramaribo van vrijdag 18 oktober 2019, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Berenstein, fungerend-griffier.

w.g. S.C. Berenstein          w.g. D.D. Sewratan

 

Partijen, verzoeker vertegenwoordigd door advocaat mr. M.A. Guman namens advocaat
I.D. Kanhai, BSc., gemachtigde van verzoeker en verweerder vertegenwoordigd door mevrouw Jules namens mr. A. Autar, gevolmachtigde van verweerder, zijn bij de uitspraak ter terechtzitting verschenen.

Voor afschrift
De Griffier van het Hof van Justitie,

Mr. M.E. van Genderen-Relyveld