SRU-K1-2014-4

Kantonrechter in Kort geding

A.R. no. 144268
7 oktober 2014

Vonnis in de zaak van

A. [eiseres A], en
B. [eiser B], beiden wonende te [district],
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat,
eisers in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende te [district],
procederend in persoon,
gedaagde in kort geding.

1. Het procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– het verzoekschrift, met producties, dat op 6 oktober 2014 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusies van antwoord, repliek en dupliek en uitlating productie zijdens eisers, aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van 6 oktober 2014.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Blijkens akte van 12 november 2007 hebben eisers van gedaagde geleend het bedrag van SRD. 3.000,=. In verband met de geldlening is op het ten rekeste vermeld perceel een hypotheek gevestigd.

2.2 Bij exploit van 5 augustus 2014 heeft gedaagde aan eisers betekend de grosse van de krediethypotheek, een saldo opgave en bevel gedaan om te betalen met aanzegging van de openbare verkoop welke zal plaatsvinden op dinsdag 7 oktober 2014 om 11.30 uur des voormiddags.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1. De vordering
Eisers vorderen, kort gezegd, dat de kantonrechter, bij vonnis in kortgeding, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:

  1. De stopzetting gelast van de openbare verkoop en voorts
  2. De doorhaling gelast van de hypothecaire inschrijving;

Subsidiair:

  1. De stopzetting gelast van de openbare verkoop totdat in een door eisers in te stellen bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan zal zijn beslist;
  2. De voortzetting van de openbare verkoop schorst;
  3. Gedaagde veroordeelt tot het betalen van een dwangsom en voorts
  4. Gedaagde veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2 De grondslag
Eisers hebben als grondslag voor hun vordering aangevoerd dat zij de hele schuld reeds hebben voldaan. Zij verwijzen daarbij naar de hypotheekakte, de daarin opgenomen termijn en de rente bepalingen. Voorts verwijzen zij naar een overzicht afkomstig van de Landbouwbank waarin vier betalingen zijn opgenomen voor een totaal bedrag van SRD 5.210,= op 24 december 2007, 31 maart 2008, 17 april 2008 en 2 mei 2008.

3.3. Het verweer
Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter, voor zover van belang, hierna terugkomt.

4. De beoordeling

4.1 Op de grondslag van eisers, namelijk dat zij de volledige schuld reeds hebben voldaan heeft gedaagde de volgende zaken als verweer aangevoerd: 1. Dat eisers het perceel inmiddels aan twee andere personen hebben verkocht. 2. Dat eisers op 4 februari 1998 een volmacht aan hem hebben verstrekt met betrekking tot het perceel; 3. Dat hij gelden heeft betaald om het perceel te kopen; 4. Dat de schuld nog niet volledig is voldaan en dat er wel betalingen zijn gedaan doch dat niet blijkt waarvoor er is betaald.

4.2 Eisers hebben op het verweer gereageerd en aangegeven dat het perceel wel is verkocht doch niet is geleverd en dat dat gegeven niets van doen heeft met de vordering; dat de volmacht van 1998 een ander perceel betreft en derhalve niet relevant is voor de beoordeling van de onderhavige vordering evenals de kwitantie van 1998; dat de schuld wel is voldaan, hetgeen blijkt uit de aflossingen die uit de Staat van de Landbouwbank blijken en ook uit de annuïteiten staat die eisers hebben overgelegd.

4.3 De kantonrechter overweegt dat, gelijk eisers stellen, het eventueel verkopen van het perceel geen relatie heeft met de vraag of de totale schuld is voldaan. Ook de volmacht en het bedrag dat is betaald, hebben geen relatie tot de vraag of de schuld is voldaan. Dat verweer moet dan ook worden verworpen.

4.4 Ten aanzien van het verweer dat de schuld niet is voldaan overweegt de kantonrechter dat eisers hun grondslag met de twee overgelegde documenten hebben onderbouwd. Gedaagde heeft bloot ontkend dat de schuld is voldaan doch geen specifiek verweer gevoerd ten aanzien van de documenten, terwijl in het document van de Landbouwbank melding wordt gemaakt van de overeenkomst tussen partijen.

4.5 Nu gedaagde de documenten niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft weersproken is aannemelijk geworden dat de schuld reeds volledig is voldaan.

4.6 Om die reden zal de kantonrechter de stopzetting gelasten van de veiling. De doorhaling zal worden afgewezen nu daarvoor geen spoedeisend belang is aangetoond en gedaagde heeft betwist dat het royement moet plaatsvinden.

4.7 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De Beslissing

5.1 Gelast de stopzetting van de openbare verkoop d.d. 7 oktober 2014 om 11.30 uur v.m., aangezegd bij exploit van 5 augustus 2014 van deurwaarder H.B. Verwey met exploitnummer 212, en verbiedt gedaagde nogmaals tot openbare verkoop van het onroerend goed op grond van de ten rekeste vermelde krediethypotheek over te gaan, totdat in een door eisers in te stellen bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan zal zijn beslist;

5.2 Veroordeelt gedaagde tot betaling van een dwangsom van SRD 1.000,= (eenduizend Surinaamse dollar) per dag, het maximum van SRD 500.000,= (vijfhonderdduizend Surinaamse dollar) niet te boven gaand, voor elke dag dat hij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde.

5.3 Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eisers gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 275,= (tweehonderd vijf en zeventig Surinaamse dollar);

5.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en uitgesproken door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatvervanger in kort geding ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 7 oktober 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

w.g. D. Ramdin w.g. A.C. Johanns

SRU-K1-1996-1

Kantonrechter Eerste Kanton
2 april 1996, A.R. 756323
(Mr. E.S. Ombre)

[eiser 1], weduwe van [naam], [eiser 2], [eiser 3], tijdelijk verblijfhoudende te [plaats] in [district 1], gemachtigde: Mr. R.W. van Ritter, advocaat, eisers,

tegen

[gedaagde], wonende te [district 2] aan [adres], gemachtigde: Mr. A.R. Baarh, advocaat, gedaagde,

De Kantonrechter spreekt in naam van de Republiek het navolgende vonnis uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Procesgang

    • Bij conclusie van eis overeenkomstig het op 31 oktober 1995 ingediende verzoekschrift hebben eisers, voor zoveel hier nog van belang, gevorderd:
    • om bij vonnis de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning staande en gelegen te [district 2] aan [adres] te ontbinden althans ontbonden te verklaren;
    • om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut gedaagde te veroordelen om binnen twee weken na de uitspraak, althans binnen een door de ’Rechter te bepalen redelijke termijn de woning staande op het perceel gelegen te [district 2] aan [adres] met alle van zijnentwege daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en deze ter algehele en vrije beschikking van eisers te stellen, met machtiging aan eisers om ter uitvoering van het vonnis de hulp van de Sterke Arm in te roepen;
    • bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om zolang hij nog in de woning zal verblijven maandelijks te rekenen van 1 november 1995 aan eisers te betalen de huur ad Nƒ 150,– (EENHONDERD EN VIJFTIG GULDEN NEDERLANDS COURANT) per maand, althans de tegenwaarde daarvan in Surinaams courant tegen de koers van de dag van betaling, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

De gemachtigde van gedaagde heeft een schriftelijke conclusie van antwoord genomen en heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers, althans tot ontzegging van de vordering.
Er is schriftelijk gerepliceerd en gedupliceerd.
De uitspraak van het vonnis is oorspronkelijk bepaald op 18 juni 1996, maar bij vervroeging op heden,

Motivering

  1. Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de overgelegde produkties, een en ander voor zover niet betwist, staat het volgende rechtens vast:
    1. eisers zijn de enige erfgenamen van [naam], nader te noemen [naam], overleden in [district 1] op 29 januari 1995.
    2. [naam] heeft op 7 december 1994 schriftelijk aan gedaagde verhuurd de aan hem in eigendom toebehorende woning gelegen te [district] aan [adres] voor de duur van twee jaren ingaande 1 januari 1995, en wel tegen een huurprijs van Nƒ 100,– per maand voor de periode 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1995 en tegen een huurprijs van Nƒ 150,– per maand voor de periode 1 juli 1995 tot en met 31 december 1996.
    3. [naam] was staflid van de [maatschappij] en had een dienstwoning toegewezen gekregen. Na het overlijden van haar man heeft eiseres sub 1 een schrijven van de [maatschappij] ontvangen d.d. 24 februari 1995, waarin zij wordt aangezegd om de dienstwoning uiterlijk 1 april 1995 te ontruimen. Bij schrijven van 25 september 1995 heeft genoemde maatschappij aan eiseres medegedeeld dat zij uiterlijk 31 oktober 1995 de woning zal dienen te ontruimen, aangezien de Maatschappij anders genoodzaakt zal zijn om de nieuwe bewoner op kosten van eiseres elders in [district 2] te huisvesten.
    4. Bij brief van 23 maart 1995 heeft Mr. R. van Ritter, namens eiseres sub 1, aan gedaagde een fotocopie van de hierboven genoemde brief van de [maatschappij] d.d. 24 februari 1995 doen toekomen en heeft aan gedaagde tot uiterlijk 30 juni 1995 gegund om het door hem gehuurde te ontruimen.
  2. Als door eisers gesteld en door gedaagde niet betwist staat vast dat in het huurcontract abusievelijk vermeld staat dat de huurovereenkomst op 31 december 1997 eindigt (en niet op 31 december 1996).
  3. Eisers vorderen thans, kort gezegd, de ontbondenverklaring van de hierboven onder 1.2 vermelde huurovereenkomst en de ontruiming van gedaagde op grond dat de woning aan [adres] het enige onroerend goed is waarover eisers beschikken en dat zij door het plotselinge overlijden van [naam] in een overmachtspositie zijn komen te verkeren en door nood gedwongen voor eigen gebruik over die woning dienen te beschikken.
  4. Eisers bedoelen met hun stelling dat zij in een overmachtspositie zijn komen te verkeren geen beroep te doen op overmacht, maar hebben daarmee kennelijk niets anders willen zeggen dan datgene wat zij verder op in het verzoekschrift ook stellen, te weten dat zij door het plotselinge overlijden van [naam] en als gevolg daarvan het opeisen van de door hen bewoonde dienstwoning door de [maatschappij], wat hun huisvesting betreft, in een noodsituatie zijn komen te verkeren.
    Het verweer van gedaagde dat eisers geen beroep kunnen doen op overmacht gaat aan het voorgaande voorbij en verder dan ook geen bespreking.
  5. Aan de orde is de vraag of eisers, wat hun huisvesting betreft, in een zodanige noodtoestand verkeren dat van gedaagde kan worden gevergd om het gehuurde te hunnen behoeve te ontruimen. Het feit dat eisers de door hen bewoonde dienstwoning moeten ontruimen en geen andere woning bezitten dan die welke aan gedaagde is verhuurd leidt tot de conclusie dat eisers die woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik .
    De omstandigheden die ertoe hebben geleid dat een verhuurder, wat zijn behoefte aan huisvesting betreft, in een noodtoestand is komen te verkeren kunnen ertoe leiden dat die verhuurder niet te goeder trouw een beroep op die noodtoestand kan doen. De geheel in het algemeen door gedaagde gestelde mogelijkheid van het overlijden van de verhuurder-rechtsvoorganger gedurende de loop van de huurovereenkomst is niet zo een omstandigheid.
    De vorderingen van eisers tot ontbondenverklaring van de huurovereenkomst en tot ontruiming van gedaagde kunnen dan ook worden toegewezen. Hieraan doet niet af dat de huur voor bepaalde tijd is aangegaan, omdat gedaagde wordt vermoed ermee bekend te zijn dat ook dergelijke huurovereenkomsten tussentijds kunnen worden opgezegd en hij derhalve, anders dan hij beweert, er niet op mocht rekenen dat hij tot het einde van de overeengekomen huurtermijn het genot van het gehuurde zou hebben.
    Ook doet daaraan niet af dat gedaagde het huis en het erf met toestemming van [naam] heeft aangepast “om aan het representatieve doel te voldoen”, aangezien uit gedaagde’s stellingen volgt dat die aanpassing enkel in zijn belang is geschied.
  6. Gelet enerzijds op de ernst van de aanmaning van de [maatschappij] aan gedaagde om de dienstwoning te ontruimen, zoals blijkt uit de brief van 25 september 1995, en anderzijds het feit dat gedaagde reeds langer dan een jaar ervan op de hoogte is dat de [maatschappij] bij eisers aandringt op ontruiming van de dienstwoning en eisers in verband daarmee over het gehuurde willen beschikken, zal de ontruimingstermijn worden bepaald op één maand na de betekening van dit vonnis.
  7. Er zijn geen feiten gesteld waaruit volgt dat er vrees bestaat dat gedaagde de te vervallen huurtermijnen niet zal voldoen, zodat de vordering om gedaagde te veroordelen die termijnen te voldoen niet kan worden toegewezen.
  8. De proceskosten zullen als hieronder volgt tussen partijen worden gecompenseerd, nu zij over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing

  • Verklaren voor ontbonden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres] te [district 2].
  • Veroordelen gedaagde om binnen EEN MAAND na de betekening van dit vonnis voormelde woning met alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en deze ter algehele en vrije beschikking van eisers te stellen.

Machtigen eisers om, indien .gedaagde in gebreke blijft aan voormelde veroordeling gevolg te geven, de ontruiming zelf ter hand te nemen en ter uitvoering van dit vonnis de hulp van de Sterke Arm in te roepen.

Verklaren dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Compenseren de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Wijzen af hetgeen meer of anders is gevorderd.

SRU-K1-1997-2

Kantonrechter Eerste Kanton
2 oktober 1997, A.R. 972251
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser], wonende aan [adres 1] te [district 1], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. E.C.M. Hooplot, advokaat, eiser in kort geding,

tegen

[gedaagde], wonende aan [adres 2] in [district 1], gedaagde in kort geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde zal worden veroordeeld binnen 1 (één) week na de uitspraak van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door Ons in goede justitie vast te stellen termijn de woning te [district 1] aan [adres 2], te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich van zijnentwege daarin mocht bevinden onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking te stellen van eiser;

Voorts eiser zal worden gemachtigd de ontruiming zelf uit te voeren indien gedaagde daarmede in gebreke blijft, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, advokaat Mr. Marica namens de gemachtigde van eiser en de gedaagde in persoon ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting Mr. Marica namens de gemachtigde van eiser overeenkomstig vermeld verzoekschrift voor eis heeft geconcludeerd.

Overwegende, dat gedaagde bij wege van mondelinge conclusie van antwoord heeft verklaard:

dat hij een halfbroer is van eiser;

dat hetgeen in het 3e “dat” van het verzoekschrift is gesteld niet juist is;

dat hij in december 1995 met [naam 1] een overeenkomst van huur en verhuur heeft gesloten betreffende de woning aan de [adres 2];

dat eiser bij het sluiten van de overeenkomst van huur en verhuur nog geen eigenaar was van de woning;

dat de woning niet grondig behoeft te worden gerepareerd;

Overwegende dat de proces gemachtigde van eiser een schriftelijke conclusie van repliek heeft genomen waarvan de inhoud hier als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij bij rolbeschikking de dato 14 augustus 1997 een comparitie van partijen hebben gelast;

Overwegende, dat Wij hierna bij rolbeschikking comparitie van partijen hebben bevolen, welke op 21 augustus 1997 is gehouden, ter welke comparitie zijn verschenen eiser bijgestaan door zijn gemachtigde en de gedaagde in persoon door Ons opgemaakt proces-verbaal staat gerelateerd, waarvan de inhoud als ingelast dient te worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat Wij op grond van de zich in het proces-dossier bevindende notariële akte de dato 2 mei 1996 gevoegd bij de aan Ons ter terechtzitting van 21 en 29 augustus 1997 verstrekte informaties, bewezen achten en als tussen partijen rechtens vaststaand aannemen, dat [naam 2], bij beschikking van de Minister van Natuurlijke Hulpbronnen de dato 15 maart 1984, [nummer], van welke beschikking een afschrift is overgeschreven ten hypoheekkantore op 5 april 1984 in register C927 onder [nummer], is verleend het recht van grondhuur – vervallende 5 april 2024 – op het perceelland groot 513,57 m2 gelegen in [district 2], thans [district 1] aan [adres 3] , van het zogenaamde [projekt], en nader aangeduid op de in viervoud overgelegde uitmetingskaart van de landmeter G.R. Liesdek de dato 28 november 1983, met de letters ABCD, voor de tijd van 40 jaren, gerekend vanaf 5 april 1984;

Overwegende, dat naar Wij veronderstellenderwijs van uitgaan, eiseres, nadat vorenomschreven perceelland haar in grondhuur was afgestaan, op dat perceelland heeft gebouwd althans laten bouwen een woning;

Overwegende, dat, naar voorts blijkt uit de zich in het procesdossier bevindende akte de dato 26 december 1995, [naam 1], zoon van [naam 2], de woning en het perceelland met ingang van 1 januari 1996 voor een periode van twee jaar en voor de prijs van ƒ 5000,– per maand aan gedaagde heeft verhuurd;

Overwegende, dat, naar wijders uit de eerder aangehaalde notarië1e akte blijkt, eiser door koop van en levering aan hem door [naam 2], op 20 september 1996 eigenaar is geworden van het recht van grondhuur op vorenomschreven perceelland met daaropstaande woning;

Overwegende, dat eiser stellend (7e “dat” van het verzoekschrift) dat gedaagde thans zonder recht of titel in de woning verblijft, heeft gevorderd, dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen, binnen 1 (één) week na de uitspraak van het in deze te wijzen, vonnis, althans binnen een door Ons in goede justitie vast te stellen termijn de woning aan de [adres 2] te [district 1], te ontruimen en te verlaten met al wie of wat zich van zijnentwege daarin mocht bevinden onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking te stellen van eiser; voorts eiser te machtigen de ontruiming zelf uit te voeren indien gedaagde daarmede in gebreke blijft, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Overwegende, dat Wij, uitgaande van de door Ons als tussen partijen rechtens vaststaand aangenomen feiten, opmerken, dat een algemene bepaling, dat de verhuurder eigenaar, of zakelijk of persoonlijk tot de zaak gerechtigd zou moeten zijn, onze wet niet kent;

dat de verhuurder geen eigenaar behoeft te zijn; niet alleen, dat een voorschrift als dat van artikel 1492 BW ten aanzien van de huur ontbreekt maar artikel 1580 BW duidelijk doet uitkomen, dat ook de niet eigenaar kan verhuren;

dat voorts ook een geheel onbevoegde als verhuurder kan optreden; wel behoeft in een dergelijk geval de eigenaar zich natuurlijk aan de huurovereenkomst niet te storen, maar deze laatste blijft alszodanig geldig en de huurder verhaal heeft op de verhuurder;

Overwegende, dat Wij wijders opmerken, dat de wetgever echter in enkele gevallen de bevoegdheid om te verhuren beperkt of uitgesloten heeft, doch dat nu geen van die gevallen zich in casu voordoet bespreking van die gevallen in dit proces achterwege behoort te blijven;

Overwegende, dat Wij, gegeven de door Ons als tussen partijen rechtens vaststaand aangenomen feiten, van oordeel zijn, dat ofschoon [naam 1] geheel onbevoegd was de woning aan de [adres 2] te [district 1] aan gedaagde te verhuren, die tussen hem en gedaagde gesloten huurovereenkomst als zodanig geldig is gebleven;

Overwegende evenwel, dat [naam 2], de vorige eigenares van het zakelijk recht van grondhuur op vorenomschreven perceelland met daaropstaande woning, zich in een dergelijk geval natuurlijk niet aan die huurovereenkomst behoefde te storen en eiser als rechtsverkrijger onder bijzondere titel van genoemde [naam 2] in casu evenmin, omdat artikel 1597 BW (vervreemding breekt geen huur) hier toepassing mist;

Overwegende, dat eiser dan ook terecht aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde thans zonder recht of titel in de woning verblijft;

Overwegende, dat gedaagde door te weigeren de litigieuze woning te ontruimen, inbreuk maakt op eisers eigendomsrecht op het zakelijk recht van grondhuur op vorenomschreven perceelland met daaropstaande woning en zich jegens eiser schuldig maakt aan een onrechtmatige daad met zijn schuld daaraan als gevolg waarvan eiser schade lijdt, ziende Wij in het instellen van de onderhavige vordering door eiser tegen gedaagde een door eiser getroffen maatregel die schade te beperken;

Overwegende dat Wij de van Ons verlangde voorziening verlenend, gedaagde desondanks een ontruimingstermijn zullen toestaan van twee maanden na dagtekening van deze uitspraak waarbij onder meer rekening gehouden is met de heersende woningnood hier te lande die hoe langer hoe hoger aan het worden is en er geen zicht op verbetering van deze situatie, ook niet op lange termijn, naar Ons voorkomt te verwachten is;

Overwegende, dat Wij gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen;

Rechtdoende in Kort Geding:

Veroordelen gedaagde binnen twee maanden na dagtekening van deze uitspraak de woning (en perceelland) aan [adres 2] te [district 1] met medeneming van alle van zijnentwege zich daarin bevindende personen en/of goederen, te ontruimen en te verlaten en door afgifte der sleutels daarvan ter vrije en algehele beschikking van de eiser te stellen; met machtiging op eiser om, indien gedaagde weigeren mocht te ontruimen, daartoe zelf over te gaan, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eisers zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 7.280,50 (zeven duizend tweehonderd en tachtig 50/100 gulden).

Weigeren het meer of anders gevorderde.

 

SRU-K1-2011-7

A.R. no. 110193
25 januari 2011

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],
wonende te [district],
eiser in conventie en gedaagde in reconventie in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat,

tegen

  • De Staat Suriname, met name het Ministerie van Transport Communicatie en Toerisme, rechtspersoon, in rechte vertegenwoordigd wordende door de procureur-generaal bij het Hof van Justitie,
    kantoorhoudende te Paramaribo,gemachtigde: mr. A.W. van der San, advocaat,
    gedaagde in kort geding,
  • Civil Aviation Safety Authority Suriname (Casas), rechtspersoon,
    gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
    gemachtigde: mr. S. Gopalrai, advocaat,
    gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in kort geding.

Partijen zullen voor het gemak worden aangeduid met [eiser], de Staat en Casas.

1. Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het verzoekschrift dat op 18 januari 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties zijdens de Staat,
– de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties zijdens Casas;
– de conclusie van repliek met producties zijdens [eiser];
– de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie zijdens [eiser];
– de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie zijdens Casas;
– de conclusie van dupliek zijdens de Staat;
– de conclusie van dupliek in reconventie zijdens [eiser].

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Casas is ingesteld bij de Wet Veiligheid en Beveiliging Burgerluchtvaart.

2.2 Artikel 4 lid 3 van voornoemde wet bepaalt dat Casas onder leiding staat van een directeur die wordt benoemd en ontslagen bij resolutie.

2.3 [eiser] is bij resolutie d.d. 20 juli 2000, als directeur benoemd van Casas.

2.4 Op 22 april 2004 is er en arbeidsovereenkomst tot stand gekomen tussen Casas en [eiser].

2.5 Uit artikel 1 lid 2 van deze arbeidsovereenkomst blijkt dat de dienstbetrekking tussen partijen wordt aangegaan voor een periode van 5 jaren, en wel met ingang van 1 januari 2004.

2.6 Artikel 1 lid 3 bepaalt voorts dat het salaris per 1 januari 2004 en over de daarop volgende jaren is vastgesteld in bijlage A, behorende bij de arbeidsovereenkomst. Voorts blijkt ook uit deze bijlage de bij het salaris behorende toelagen.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 [eiser] vordert in conventies bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • veroordeling van de Staat om binnen een uur na de uitspraak, dan wel binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, aan hem af te geven de resolutie van ontslag, daarin stellende dat hij eervol is ontslagen en wel met inachtneming van alle wettelijke regels ter zake;
  • veroordeling van Casas om binnen een uur na de uitspraak dan wel binnen de door de kantonrechter te bepalen termijn, over te gaan tot de ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden onder aanbieding van het loon en bijbehorende emolumenten over de resterende 36 maanden zijnde in totaal US$ 266.827,55;
  • veroordeling van Casas om binnen een uur na de uitspraak dan wel binnen de door de kantonrechter te bepalen termijn, met hem over te gaan tot de richtige overdracht door samen met hem het protocol van overdracht te tekenen;
  • veroordeling van de Staat om bij wege van dwangsom aan hem te betalen het bedrag van US$ 10.000,– voor elke dag of keer dat hij in strijd handelt met het onder sub a vermelde;
  • veroordeling van Casas om bij wege van dwangsom aan hem te betalen het bedrag van US$ 25.000,– voor elke dag of keer dat zij in strijd handelt met het onder sub b en c vermelde;

3.2 [eiser] heeft het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Tussen hem en Casas bestaat er een arbeidsovereenkomst welke op 31 december 2013 zal zijn beëindigd. In een onderhoud met de Vice-President van de Staat ia aan hem kenbaar gemaakt dat de wens bestaat om tussen partijen bestaande overeenkomst te ontbinden en wel met wederzijds goedvinden. Daarbij is toen afgesproken dat hij eervol zou worden ontslagen, de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden zou worden ontbonden onder aanbieding van het bedrag groot US$ 266.827,55. Voorts zou hij per protocol van overdracht de onderneming Casas overdragen aan de door de regering voorgedragen persoon. Op 12 januari 2011 heeft de Raad van Ministers, in afwijking van wat er tussen [eiser] en de Vice-President is besproken, besloten om hem te ontheffen uit zijn functie als directeur van Casas, zonder opgaaf van enige reden.Volgens [eiser] zijn de handelingen van Casas en de Staat onrechtmatig jegens hem, als gevolg waarvan hij schade lijdt.

3.3 Casas vordert in reconventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser] om binnen een uur na de uitspraak, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de zich in zijn bezit bevindende of onder diens controle zijnde goederen en bescheiden, welke aan haar toebehoren of op haar betrekking hebben, aan haar over te dragen zulks op straffe van een dwangsom van SRD 30.000,– voor iedere dag dat hij in strijd handelt met het vonnis.

3.4 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van de respectieve partijen in de beoordeling.

4. De beoordeling
In conventie en in reconventie

4.1 De Staat betwist het spoedeisend belang van [eiser].
De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer.Het spoedeisend belang blijkt uit de stellingen van [eiser], met name de directe invloeden van de recentelijk door de Staat gepleegde handelingen met betrekking tot de functie van [eiser], als gevolg waarvan hij schade meent te ondervinden.

4.2 Casas meent ten onrechte in het geschil betrokken te zijn geweest omdat er volgens haar geen rechtsrelatie bestaat tussen [eiser] en haar persoon. Zij betwist verder de inhoud van de arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser], aanvoerende dat uit de genoemde overeenkomst blijkt dat [eiser] met zichzelf heeft afgesproken dat hij in dienst treedt bij Casas. Zij voert voorts aan dat deze overeenkomst niet door of namens haar mocht worden aangegaan. Casas voert aan dat [eiser], met het voorgaande, de wettelijke vereisten heeft trachten te ontlopen. Anders dan Casas acht de kantonrechter wel aannemelijk dat er tussen haar en [eiser] een rechtsrelatie bestaat, en wel met name vanwege de genoemde arbeidsovereenkomst d.d. 22 april 2004.Alhoewel de inhoud van deze overeenkomst wordt betwist door Casas, is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat niet lichtvaardig met de inhoud daarvan kan worden omgegaan. Immers, dient [eiser] reeds langer dan 6 jaar in de functie van directeur onder deze overeenkomst en is die op geen enkele manier aangevochten door de betreffende instanties. Nu Casas de inhoud van de genoemde overeenkomst betwist, zal zij de rechtsgeldigheid daarvan moeten aanvechten bij de bodemrechter. De onderhavige procedure biedt daartoe geen ruimte, gezien het karakter van het kort geding.

4.3 Ook het verweer van Casas dat [eiser] vanwege de uitoefening van zijn functie als directeur in staat was de “onjuiste” situatie in stand te houden zal worden verworpen.Immers, bestond de mogelijkheid er om [eiser] bij resolutie te ontslaan indien er een oneigenlijke situatie was geconstateerd. [eiser] was dus niet zo onaantastbaar zoals wordt geïnsinueerd. Door de situatie te handhaven, kan dan ook niet te goede trouw een beroep op het voorgaande worden gedaan.

4.4 Casas voert verder aan dat in de genoemde resolutie (lees overeenkomst), zij niet is genoemd als subject waaraan verplichtingen werden toegekend, noch als vertegenwoordiger van de Staat noch als zelfstandig rechtspersoon. Dit verweer zou juist kunnen zijn, maar niettemin zal hieraan voorbij worden gegaan nu uit artikel 4 lid 1b van de Wet Veiligheid en de Beveiliging van de Burgerluchtvaart blijkt dat Casas een rechtspersoon is, zodat, nu niet anders is gebleken, ook ervan kan worden uitgegaan dat Casas als zelfstandig rechtspersoon is opgetreden.

4.5 Op grond van het voorgaande zal het verweer van Casas dat [eiser] de ambtenarenrechter dient te adiëren worden verworpen. Immers is voldoende aannemelijk gemaakt dat er wel een arbeidsrelatie bestaat tussen Casas en [eiser].Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook indien [eiser] een ambtenaar was in de zin van de Personeelswet, het nog maar de vraag is of de Personeelswet ruimte biedt voor een vordering als de onderhavige, waarin er nakoming van een afspraak (mondelinge overeenkomst) wordt gevorderd.Immers, is in artikel 79 van de Personeelswet limitatief opgenomen over welke geschillen de ambtenarenrechter de bevoegdheid heeft om te oordelen.Het antwoord op deze vraag zal in het midden worden gelaten, nu het in het onderhavig geschil overbodig wordt geacht.

4.6 Casas heeft verder aangevoerd dat de door [eiser] toegepaste berekeningen tot gevolg zouden hebben dat hij ook na het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd van 60 jaren aanspraak zou maken op loondoorbetaling, hetgeen niet past in hetgeen ambtenaren, arbeidscontractanten en zelfs werknemers toekomt.Eerder is reeds overwogen dat in het onderhavig geval wordt uitgegaan van een tussen [eiser] en Casas gesloten arbeidsovereenkomst. Uit tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst van 22 april 2004, blijkt dat die is aangegaan voor de duur van 5 jaren ingaande 1 januari 2004, met de mogelijkheid tot verlenging van dezelfde periode (vide artikel 1 lid2). Dit betekent dat deze overeenkomst tussen partijen in beginsel diende te eindigen per 1 januari 2009. Nu niet is gebleken van enige opzegging zijdens een der partijen dient ingevolge de overeenkomst ervan te worden uitgegaan dat de overeenkomst is verlengd met dezelfde duur van 5 jaar, dus tot en met 31 december 2013.Het kan dus nimmer zo zijn dat de overeenkomst zou eindigen op het moment waarop [eiser] de 60-jarige leeftijd zou hebben bereikt.Het verweer van Casas ter zake wordt derhalve verworpen.

4.7 Casas noch de Staat hebben gemotiveerd weersproken dat de Vice President afspraken met [eiser] heeft gemaakt ter zake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Casas, zodat daarvan kan worden uitgegaan. Ook is niet althans niet gemotiveerd weersproken de inhoud van de afspraken tussen de Vice President en [eiser] zoals vermeld door [eiser] en overwogen onder overweging 3.2 hiervoor. De kantonrechter acht het dan ook aannemelijk dat die afspraken zijn gemaakt.Thans ligt de vraag voor, of de Vice President afspraken met [eiser] mocht maken ter zake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Casas. Naar het oordeel van de kantonrechter, dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Aangezien rechtens tussen partijen vaststaat dat de directeur van Casas, in casu [eiser], per resolutie dient te worden ontslagen, mocht, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, de Vice President van de Staat wel afspraken maken met [eiser] ter zake het voorgaande. In ieder geval mocht [eiser] er gerechtvaardigd vanuit gaan dat de Vice-President bevoegd was daartoe.

4.8 Nu Casas noch de Staat hebben betwist dat aan [eiser] vanwege de Staat en de persoon van [naam] onder meer per email is bericht dat die [naam] thans waarneemt in de functie van directeur Casas, en [eiser] daarbij de bevoegdheid tot het betreden van het gebouw van Casas is ontzegd, staat dat rechtens vast tussen partijen.De kantonrechter concludeert hieruit dat hiermee dan ook een begin van uitvoering is gegeven om de dienstbetrekking van [eiser] met Casas te beëindigen, en is het alleszins gerechtvaardigd dat de afspraken zoals gemaakt tussen de Vice President en [eiser] ten uitvoer worden gebracht.De vordering met betrekking tot het ontslag zoals verwoord onder overweging 3.1 onder a zal daarom worden toegewezen als in het dictum te melden. De daaraan gekoppelde dwangsom zal worden gemitigeerd, nu die de kantonrechter bovenmatig voorkomt.

4.9 Voor wat betreft de vordering met betrekking tot het loon, zoals overwogen onder 3.1 onder b oordeelt de kantonrechter als volgt:
Volgens [eiser] heeft hij recht op 36 maanden loon ad US$ 4.400,= per maand met bijbehorende emolumenten en een minimale loonsverhoging van 10% per jaar.

Casas noch de Staat hebben weersproken dat het loon van [eiser] maandelijks bedraagt US$ 4.400,= en dat hij conform de gemaakte afspraken aanspraak maakt op 36 maanden loon (vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013), zodat dat rechtens vast staat tussen partijen.

Casas dient dus aan [eiser] te voldoen het bedrag van US$ 158.400,= (36 x US$ 4.400,=), waartoe zij ook zal worden veroordeeld. De hieraan gekoppelde dwangsom zal worden afgewezen nu dit niet op de wet is gegrond.

4.10 Casas heeft ten aanzien van de gevorderde emolumenten aangevoerd dat de emolumenten geen vaste betalingen zijn, maar deze betreffen kostenvergoedingen waartegenover aantoonbare uitgaven moeten staan.Uit de bij de arbeidsovereenkomst behorende bijlage A, zijn als emolumenten (toelagen) opgenomen:

  • Vergoeding van US$ 50,= voor telecommunicatieabonnementen en gespreksgelden nationaal en internationaal;
  • Representatietoelage van US$ 300,= per maand;
  • Uitrustingstoelage voor buitenlandse dienstreizen ad US$ 250,= voor perioden niet langer dan 14 dagen… etc.
  • Representatietoelagen gedurende buitenlandse dienstreizen met een duur van minimaal drie dagen ad US$ 250,=;
  • Kinderbijslag volgens de binnen Casas toepasselijke regeling.

De kantonrechter is het eens met Casas dat in ieder geval voor wat betreft de emolumenten zoals genoemd onder de punten a tot en met d, geen vaste betalingen zijn, maar deze betreffen kostenvergoedingen. Nu [eiser] per 1 januari 2011 wordt ontslagen, zullen de genoemde uitgaven niet worden gedaan en dient de vordering ten aanzien hiervan te worden afgewezen.Ook de toelage onder punt e, te weten kinderbijslag, zal worden afgewezen nu gesteld noch gebleken is hoe groot dat bedrag is.

4.11 De gevorderde minimale loonsverhoging van 10% per jaar, zal ook worden afgewezen, omdat niet is gebleken waarop dit gevorderde is gegrond.

4.12 De gevorderde overdracht zoals overwogen onder overweging 3.1 c zal worden toegewezen. Het is gerechtvaardigd dat de overdracht dient plaats te vinden nu [eiser] per 1 januari 2011 zal worden ontslagen. De hieraan gekoppelde dwangsom zal evenwel worden geweigerd aangezien Casas er alle baat bij heeft dat de overdracht plaatsvindt en het niet verwachtbaar is dat zij niet zal meewerken daaraan.

4.13 Op grond van hetgeen is overwogen onder 3.11 zal de vordering in reconventie tot afgifte van de zich onder [eiser] bevindende goederen en bescheiden worden afgewezen. Immers wordt ervan uitgegaan dat bij de overdracht door [eiser] aan Casas, ook de zich onder hem bevindende goederen en bescheiden toebehorende aan Casas zullen worden afgegeven door hem.

4.14 Casas en de Staat zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing
In conventie

5.1 Veroordeelt de Staat om binnen een maand na de uitspraak aan [eiser] af te geven de resolutie van ontslag, daarin stellende dat hij eervol is ontslagen en wel met inachtneming van alle wettelijke regels, onder verbeurte van een dwangsom van SRD 1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag tot een maximum van SRD 100.000,= (honderdduizend Surinaamse Dollar).

5.2 Veroordeelt Casas om over te gaan tot de ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden onder aanbieding van het loon ad US$ 158.400,= (honderd en achtenvijftigduizend vierhonderd Amerikaanse Dollar) aan [eiser].

5.3 Veroordeelt Casas om binnen een maand na de uitspraak met [eiser] over te gaan tot de richtige overdracht door samen met hem het protocol van overdracht te tekenen.

5.4 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.5 Veroordeelt Casas en de Staat in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen tot aan deze uitspraak begroot op SRD 550,=.

5.6 Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.7 Wijst de vordering af.

5.8 Veroordeelt Casas in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

In conventie en in reconventie

Dit vonnis is gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het eerste kanton van dinsdag 25 januari 2011 te Paramaribo door de kantonrechter-plaatsvervanger in kort geding, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. G.R. Mangal.

w.g. G. Mangal w.g. I. Lachitjaran

SRU-HvJ-1998-41

PRO JUSTITIA
Vonnis 1998 no.7

IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Het Hof van Justitie van Suriname;

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde vonnis, door de Kantonrechter-Plaatsver­vanger in het Derde Kanton, op 10 februari 1995 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte] alias [naam 1];
oud 26 jaar;
geen beroep;
geboren in Suriname;
wonende aan [adres 1] ([woonplaats 1]) in het [district 1], verdachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de Vervol­gingsambtenaar ingestelde hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsman, Mr. H.R. Schurman;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde en op belofte afge­legde verklaringen;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte zijn te laste gelegd, de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaar­ding, welke als hier geinsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter-Plaatsvervanger in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij het hem bij de betreffende inleidende akte van dagvaarding sub B te laste gelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders te laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter-Plaatsvervanger het bewezen aangenomen feit heeft gekwalificeerd als:

ZWARE MISHANDELING, DE DOOD TEN GEVOLGE HEBBENDE, misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 362 lid 1 juncto lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot:

gevangenisstraf voor de tijd van VIER JAREN en ZES MAANDEN, met bepaling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuit­voerlegging van deze uitspraak van 10 oktober 1994 af, voorlo­pig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal wor­den gebracht;

met bevel tot gevangenhouding van de verdachte;

Overwegende, dat het Hof zich met het beroepen vonnis kan verenigen,­ weshalve dit vonnis behoort te worden beve­s­tigd, met uitzondering van dat gedeelte, waarbij aan de ver­dachte straf werd opgelegd, op welk punt dit vonnis moet wor­den vernietigd, met dien verstande echter, dat de in het be­roepen vonnis opgenomen bewijsmiddelen dienen te worden aan­gevuld met de hierna te vermelden door de respectieve agenten van politie opgemaakte processen-verbaal ter zake kennisgeving van inbeslagneming en op belofte afgelegde getuigenverklaringen ter te­rechtzitting van:

  1. [getuige 1], 28 jaar oud, van beroep agent van politie, wonende aan [adres 2] te [woonplaats 2], in het [district 2], belijdende het geloof van Hindoeïsme;
  2. [getuige 2], 30 jaar oud, van beroep agent van politie, wonende aan de [adres 3] te [woonplaats 1], in het [district 1], belijdende het geloof van Isla­m;

luidende -zakelijk weergegeven-:

  1. [getuige 1]: Ik ben betrokken geweest bij het politioneel onderzoek in de onderhavige zaak. Uit het onderzoek is gebleken dat [verdachte] en het [slachtoffer] geworsteld heb­ben en vervolgens in een trens zijn terechtgekomen. Een scheldpartij was de aanleiding tot het gevecht tussen die twee. In de bewuste trens lag er een eindhout. Dit eindhout heb ik inbeslaggenomen. Op die bewuste dag ben ik naar de RGD-poli geweest en heb aldaar [verdachte], [naam 2] en het [slachtoffer] aangetroffen. Het [slachtoffer] vertoonde geen uitwendige bloedingen, doch was alstoen buiten bewust­zijn. Het [slachtoffer] is op die bewuste dag per ambu­lance naar E.H.B.O. vervoerd. Om 3.00 uur in de ochtend kregen wij van E.H.B.O. bericht, dat het [slac­htoffer] was overleden. Bij de sectie op het lijk van [slachtoffer] ben ik tegenwoordig geweest. Toen vernam ik dat [slachtoffer] een schedelbasisfrac­tuur had opgelopen.
  2. [getuige 2]: Ik heb tezamen met de onder-inspecteur [naam 3] het plaatselijk onderzoek verricht. Ter plaatse van het voorval heb ik vertrapt gras gezien. Uit het onderzoek is gebleken dat [naam 2] een woorden­wisseling met het [slachtoffer] had gehad. [verdachte] is op een gegeven moment te hulp geschoten. [naam 2] heeft alstoen het [slachtoffer] vastgegrepen. [verdachte] heeft vervolgens met een eindhout een slag op het hoofd van het [slachtoffer] toegebracht. Dit eindhout heb ik op aanwijzing van een van de verdachten inbeslaggenomen. [verdachte] was ten tijde van het voorval ietsje forser gebouwd dan het [slachtoffer].
  3. Een proces-verbaal, [nummer 1], van het Korps Poli­tie Suriname van het Gewest [district 1], ressort [woonplaats 1], ongeda­teerd, opgemaakt door [getuige 1], aspirant agent van politie, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van die verbalisant: dat hij op zondag 9 oktober 1994 aan de [adres 3] te [woonplaats 1] in het [district 1] een eindhout van ongeveer 90 centimeters lang en 7 centimeters dik in beslag heeft genomen.
  4. Een proces-verbaal, [nummer 1], van het Korps Poli­tie Suriname van het Gewest [district 1], ressort [woonplaats 1], ongeda­teerd, opgemaakt door [getuige 2], agent van politie, derde klasse, onder meer inhoudende, zakelijk weerge­geven: als relaas van die verbalisant: dat hij op donderdag 27 oktober 1994 in een goot op de hoek van [adres 4] in het [district 1] een eind, ruw hout met een lengte van ongeveer 1 1/2 (anderhalve) meter in beslag heeft genomen.

Overwegende, dat namens de verdachte door de raadsman is aangevoerd, dat het Openbaar Ministerie in de onderhavige strafzaak tegen de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden ver­klaard, daartoe stellende dat de behandeling van de onder­havige strafzaak in hoger beroep niet binnen de redelijke ter­mijn is geschied, nu het vonnis tegen de verdachte van 10 fe­bruari 1995 dateert, terwijl de behandeling eerst op 22 okto­ber 1997 in hoger beroep is aangevangen. Ter ondersteuning van dit betoog heeft de raadsman verwezen naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM), arti­kel 14 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (het BUPO-verdrag) en artikel 7 lid 5 van het American Convention on Human Rights (het OAS-verdrag), waarin bepaald is -kort gezegd- dat behandeling binnen een redelijke termijn dient te geschieden.

Het Hof is van oordeel dat, nu gebleken is dat, pas na onge­veer 2 jaar en 8 maanden de onderhavige strafzaak in hoger beroep in behandeling is genomen, terwijl niet blijkt van ver­tragende omstandigheden die voor rekening en risico van ver­dachte komen, er in casu sprake is van overschrijding van re­delijke termijn.

Het Hof zal, anders dan de raadsman voorstaat nl. de Vervol­gingsambtenaar niet-ontvankelijk te verklaren, de overschrij­ding van de redelijke termijn ten gunste van de verdachte verd­isconteren in de strafoplegging;

Overwegende, dat naar Hofs oordeel, het beroep namens de verdachte door de raadsman op noodweer c.q. noodweerexces gedaan geen doel treft, nu uit het voorhanden zijnde aanwezige bewijsmateriaal geen feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gekomen die een beroep op voormelde strafuitsluitings­gronden rechtvaardigen. Immers niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van het toebrengen van de -fatale- slag door de [ver­dachte], deze in een situatie heeft verkeerd, waa­rbij noodzakelijke verdediging van eigen of anders lijf tegen ogen­blikkelijke wederrechtelijke aanranding geboden was.

Het vorenstaande brengt met zich dat het beroep op noodweerex­ces eveneens faalt;

Overwegende, dat het Hof de navolgende straf in over­een­stemming acht met de ernst van het gepleegde feit, de om­stan­digheden waaronder dit werd gepleegd en de persoon van de ver­dachte; Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf neemt het Hof ­­­in het bijzonder in aanmerking het hierbo­ven overwogene aangaande de overschrijding van de redelijke termijn;

Gezien, de in het beroepen vonnis aangehaalde wetsarti­kelen;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Bevestigt, onder aanvulling der bewijsmiddelen als voormeld, het vonnis van 10 februari 1995 door de Kantonrech­ter-Plaatsvervanger in het Derde Kanton gewezen en uitgespro­ken tegen de [verdachte], waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf;

Vernietigt dit vonnis te dien aanzien;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:
Veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf van 3 (DRIE) JAREN;

Bepaalt dat de tijd door de veroordeelde voor de ten­uitvoerlegging van deze uitspraak van 10 oktober 1994 af, voo­rlopig in verzekerde bewaring doorgebracht bij de uitvoe­ring van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Stelt vast, dat de verdachte inmiddels op 18 februari 1998 door het Hof in vrijheid is gesteld;

Gelast de vernietiging van de inbeslaggeno­men stukken eindhout, gediend hebbende bij en/of tot het begaan van het stra­fbare mis­drijf.

Aldus gewezen door de heren: Mr. J.R. VON NIESEWAND, Vice-President, Mr. M.G. DE MIRANDA, en Mr. L.J. BUDHU LALL, leden-plaatsvervanger, ­die dit vonnis hebben ondertekend en door de Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOEN­SDAG 11 MAART 1998, ­in tegenwoor­digheid van Mr. M. TEDJOE, fungerend-Griffier.

SRU-K1-1997-1

Kantonrechter Eerste Kanton
18 december 1997, A.R. 972689
(Mr. J.R. von Niesewand)

[eiser], wonende aan [adres], in [district], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. S. Marica, advokaat, eiser in Kort Geding,

tegen

  1. N.V. Hotelmaatschappij Torarica, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo, aan de Rietbergplein no. 1, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advokaat,
  2. De Staat Suriname, m.n. Het Ministerie van Arbeid, in rechte vertegenwoordigd wordende door de Procureur-generaal, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. A.W. van der San, advokaat, gedaagden in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten
Overwegende, dat eiser bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in Kort Geding uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren.

  1. Het besluit van de gedaagde sub 1 d.d. 30 december 1996, HRM/[nummer 1], zal worden geschorst althans worden opgeschort totdat in rechte daaromtrent zal zijn beslist;
  2. De beschikking van de gedaagde sub 2 d.d. 10 januari 1997 [nummer 2], zal worden geschorst, althans worden opgeschort totdat in rechte daaromtrent zal zijn beslist;
  3. gedaagde sub 1, zal worden gelast om aan eiser uit te betalen zijn loon vanaf de laatste week van december 1996 totdat op rechtmatige wijze een einde zal zijn gekomen aan de arbeidsovereenkomsten tussen partijen bestaande.

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage partijen vertegenwoordigd door hun respectieve gemachtigden, advokaten, Mr. K. Brandon namens de gemachtigde van eiser en Mr. B.A. Halfhide namens de gemachtigde van gedaagde sub 1 en Mr. A.W. van der San van gedaagde sub 2 ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting Mr. K. Brandon namens de gemachtigde van eiser voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigden van eiser en gedaagde sub.1 ter terechtzitting van 19 november 1997 de zaak mondeling hebben bepleit en hebben verklaard gelijk in het daarvan door Ons opgemaakt en hier als ingelast te beschouwen proces-verbaal staat gerelateerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend althans niet c.q. niet gemotiveerd weersproken tussen partijen rechtens vaststaat, dat eiser op 28 april 1995 als contractorarbeider in dienst is getreden van gedaagde sub 1 in de functie van serveerder tegen een loon van f. 22.000,- per week; dat eiser op 30 december 1996., wegens dringende redenen opstaande voet is ontslagen; dat zijdens gedaagde sub.1 op 30 december 1996 het ontslag bij het Hoofd der Arbeidsinspectie onder opgave van de dringende redenen schriftelijk is gemeld; dat tegen de opgegeven redenen geen bezwaar is aangetekend, (vide beschikking van de Minister van Arbeid de dato 10 januari 1997);

Overwegende, dat Wij het terzake door de eiser gestelde in het 7e “sustenu” van het verzoekschrift in verband met het onder II van het petitum gevorderde, aldus opvatten, dat hij vooruitlopend op het tegen de beschikking van de Minister van Arbeid de dato 10 januari 1997 in te stellen beroep op de onafhankelijke, d.i. de gewone, rechter, Ons heeft geadieerd met het verzoek gemelde beschikking te schorsen althans op te schorten totdat in de bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zal zijn beslist;

Overwegende, dat Wij in verband met het zo juist overwogene opmerken, dat de wet het rechtsmiddel van beroep zou moeten aanwijzen dat tegen een ministeriële beschikking als de onderhavige zou kunnen worden aangewend; eveneens de vormen en termijnen, welke daarbij in acht genomen zouden moeten worden;

Overwegende, dat, naar Ons gebleken is, de wet, m.n. Decreet E-39A (S.B.1984, No. 102), evenwel geen rechtsmiddel(en) tegen de ministeriële beschikking van 10 januari 1997 [nummer 2] aanwijst noch de vormen en termijnen, welke daarbij in acht genomen zouden moeten worden, en nu de gewone rechter, zo de eiser van gemelde beschikking bij hem in beroep zou gaan, hem, eiser, in dat beroep, naar aan zekerheidgrenzende waarschijnlijkheid, niet zal ontvangen, zullen Wij de onder II van het petitum gevorderde voorziening weigeren;

Overwegende, dat de consequentie van voormelde beslissing is, dat de beschikking van de Minister van Arbeid de dato 10 januari 1997 [nummer 2] als onaantastbaar geheel in stand blijft;

Overwegende voorts, dat het de eiser met onmiddellijke ingang op 30 december 1996 verleend ontslag op grond van het zo juist overwogene zijn rechtskracht behoudt, wat tot gevolg heeft, dat de onder I en III van het petitum gevorderde voorzieningen eveneens dienen te worden geweigerd;

Overwegende, dat Wij de eiser als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit proces zullen laten dragen;

Rechtdoende in kort geding
Weigeren de van Ons verlangde voorzieningen;

Verwijzen de eiser in de kosten van dit proces, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot, op f. nihil.

SRU-K1-1998-3

Kantonrechter Eerste Kanton
31 juli 1998, A.R. 982104
(Mr. S. Gangaram Panday)

[eiseres], wonende te [district] aan [adres], voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. A.W. van der San, advokaat, eiseres in Kort Geding,

tegen

ABN-AMRO N.V., rechtspersoon, kantoorhoudende in Suriname aan het Kerkplein no. 1 te Paramaribo, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F. Kruisland, advokaat, gedaagde in Kort Geding,

De Kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort Geding uit:

Wij, Kantonrechter in het Eerste Kanton;

Gezien de stukken;
Gehoord partijen;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat eiseres bij het inleidend rekest op te dezer plaatse als ingelast te beschouwen gronden heeft gevorderd:

dat bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

  • De werking van het aan eiseres verleend ontslag zal worden geschorst althans zal worden opgeschort totdat door de rechter in de procedure in bodemgeschil daaromtrent onherroepelijk is beslist.
  • Gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres maandelijks aan het einde van de maand aanvangende en terugwerkend vanaf de maand maart 1998 het bedrag van het maandsalaris van eiseres te betalen totdat in de bodemprocedure onherroepelijk over de rechtsgeldigheid van bedoeld ontslag zal zijn beslist.
  • Gedaagde zal worden bevolen te gehengen en gedogen dat eiseres gebruik maakt van de voorzieningen waarop zij aanspraak maakt krachtens de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.
  • Gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van Sf.100.000,– voor iedere dag of keer dat zij in strijd handelt met de in punt III gestelde veroordeling.

Kosten rechtens.

Overwegende, dat te dienende dage, partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden, advokaten, Mr. A.W. van der San en Mr. B.A. Halfhide namens de gemachtigde van gedaagde ter terechtzitting zijn verschenen, op welke terechtzitting de gemachtigde van eiseres voor eis overeenkomstig vermeld verzoekschrift heeft geconcludeerd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagde een schriftelijke conclusie van antwoord heeft genomen, waarvan de inhoud hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat gemachtigde van partijen hierna nadere stukken hebben gewisseld, waarvan de inhoud eveneens hier als ingelast moet worden beschouwd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden.

Ten aanzien van het recht
Overwegende, dat het spoedeisend belang van de eiseres bij de vordering uit de stellingen van het inleidend rekest blijkt;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans als niet danwel onvoldoende gemotiveerd weersproken het navolgende tussen partijen rechtens vaststaat:

  1. dat de eiseres op 28 juli 1969 in dienst getreden is van de gedaagde en dat zij laatstelijk een salaris genoot van f.212.062,– (tweehonderd twaalfduizend en twee en zestig gulden) per maand;
  2. dat de eiseres op 23 december 1997 verlof heeft verkregen van de gedaagde, welk verlof zij in [land 1] heeft doorgebracht en dat zij op 23 januari 1998 zich weer op het werk diende aan te melden;
  3. dat zij wegens ziekte in [land 1] verlenging van het vakantieverlof van de gedaagde heeft verkregen en moest zij zich op 9 februari 1998 bij de gedaagde voor werkhervatting aanmelden, hetgeen echter niet plaatsgevonden heeft, hebbende zij zich pas op 23 februari 1998 daarvoor aangemeld met als opgave van redenen: ziekte in [land 1], blijkende hiervan uit een schrijven van M. v/d Weide, arts, gedagtekend [plaats] 23 februari 1998;
  4. dat de gedaagde bij schrijven d.d. 17 februari 1998 de eiseres wegens het niet tijdig aanmelden op het werk met onmiddellijke ingang (wegens dringende reden dus) ontslagen heeft, van welk schrijven zij een copie naar de Arbeidsinspectie verzonden heeft, terwijl van een reactie van deze dienst niet is gebleken;

Overwegende, dat de eiseres als reden voor de te late aanmelding voor de werkhervatting aangeeft dat zij ernstig ziek was en niet heeft kunnen afreizen naar [land 2] en dat aan ene [naam], ook in dienst bij de gedaagde, bericht heeft, doch ook als dit onjuist zou zijn en had de eiseres de mogelijkheid in kontakt met de direktie van de gedaagde te treden om haar van het voorgaande in kennis te stellen, dan nog is het middel van ontslag wegens dringende reden i.c. een veels te zware gelet op het ruim 27 jarig dienstverband van de eiseres met de gedaagde en uit het bekend zijn bij de gedaagde met het feit dat de eiseres wegens ziekte verhinderd was haar werkzaamheden op 23 januari 1998 te hervatten;

Overwegende, dat onder deze omstandigheden van een goede werkgeefster, als de gedaagde is, verlangd kan en mag worden dat zij eerst nagaat welke de redenen zijn dat de eiseres het werk niet als afgesproken hervat heeft en dan pas het ontslagbesluit neemt, hetgeen de gedaagde nagelaten heeft en nu de eiseres (achteraf) een verklaring van de medicus overgelegd heeft, waaruit blijkt dat zij ziek was, blijkt dat van een dringende reden voor het ontslag niet kan worden gesproken, terwijl een werknemer tijdens een ziekte niet zonder meer mag worden ontslagen;

Overwegende, dat ook al zou het hoofd van de Arbeidsinspektie geen bezwaren tegen de opgegeven ontslagreden i.c. hebben gemaakt door bijvoorbeeld binnen 14 dagen op de ontslagmelding niet te reageren, dan nog heeft de eiseres de mogelijkheid de rechter te adiëren (zie de toelichting op de decreten E 39 en E 39A, SB 1983, no. 10 en SB 1984, no. 102), omdat deze voor het geven van een oordeel niet uitgesloten is;

Overwegende, dat nu i.c. van de dringendheid van de dringende reden niet gebleken is, heeft de gedaagde de eiseres ten onrechte ontslagen en zal recht als na te melden worden gedaan, met veroordeling van de gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, in de gedingkosten;

Rechtdoende in kort geding

  • Schorsen het ontslag dat wegens dringende reden bij schrijven van 17 februari 1998 door de gedaagde aan de eiseres is verleend;
  • Veroordelen de gedaagde vanaf de maand maart 1998 het salaris aan de eiseres bij wege van voorschot te voldoen en dit te blijven doen totdat door de gewone rechter over de rechtsgeldigheid van het ontslag definitief is beslist;
  • Veroordelen gedaagde voorts om alle secundaire voorzieningen waarop de eiseres als werkneemster aanspraak maakt(e) ter hare beschikking te (doen) stellen;
  • Veroordelen gedaagde tot betaling van een dwangsom van f.100.000,– voor iedere dag of keer dat zij in strijd handelt met de in punt III genoemde veroordeling.

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Verwijzen gedaagde in de kosten van dit proces, aan eiseres haar zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op f.4.981,– (vierduizend negenhonderd een en tachtig gulden).

SRU-HvJ-1998-40

PRO JUSTITIA
IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Het Hof van Justitie van Suriname

Gezien de stukken van het geding, waaronder het in af­schri­ft overgelegde vonnis, door de Kantonrechter in het Tweede Kanton op 21 maart 1996 gewezen en uitgesproken tegen [verdachte] alias ”[alias verdachte]” (hierna ook te noemen: ”[alias verdachte]”), geboren in [Land] op [geboortedatum], van beroep restauranthou­der, wonende aan [adres] te [district], thans gevangengehouden ver­dachte;

Gelet op het tijdig door de verdachte en de vervolgings­ambtenaar ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Kan­tonrechter in het Tweede Kanton van 21 maart 1996;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijgestaan door zijn raadsman, Mr. R. van Ritter, advocaat bij het Hof van Justitie van Suriname;
Gelet op het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep;
Gehoord de getuigen in hun beëdigde en op belofte afgelegde verklaringen;
Gehoord de vordering van de waarnemend Procureur-Generaal,Mr. S. Punwasi, ertoe strekkende dat het bestreden vonnis on­der aanvulling van bewijsmiddelen worde bevestigd;

Overwegende, dat aan verdachte bij de inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij:
Op of omstreeks 10 oktober 1995, althans in het jaar 1995, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname,
A. tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met [medeverdachte 1] en/of een tot nog toe onbekend gebleven persoon, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende immers hij, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon (-nadat hij (zij) voornoemde [slachtoffer] had(den) opgebeld en voorge­houden dat hij (zij) water nodig had(den) voor zijn (hun) au­to de woning van [slachtoffer] betreden en/of (vervol­gens) opzettelijk gewelddadig [slachtoffer] in een wurg­greep gehouden en/of (vervolgens) met een (vuist)v­uurwapen, althans een op een (vuist)vuu­rwapen gelijkend voorwerp een of meer slagen op het (behaarde) hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer]toegebracht en/of (vervolgens) [slachtoffer] op de vloer laten liggen en/of (vervolgens) met een riem, althans een lang en/of zwiepend voorwerp en/of een kuns­tstofstrip, in ieder geval enig bindmiddel, de voeten (ter hoogte van de enkels) van [slachtoffer](va­st)gebonden en/of (vervolgens) met een eind touw, althans enig bindmiddel de polsen van [slachtoffer](vast)gebonden en/of (ver­volgens) met plakband, althans een kleefmiddel de ogen van [slachtoffer] dicht geplakt en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp (snijdend) en/of puntig voorwerp een steek toegebracht in de borst, althans in het lichaam van [slachtoffer] en/of (vervolgens) met een kapmes, althans een scherp (snijdend) en/of zwaar voorwerp 7 (zeven), althans een of meer malen gekapt in de hals, althans in het lichaam van [slachtoffer],
hebbende bovenomschreven handelingen zoniet in de volgorde als vermeld, dan in ieder geval in een andere volgorde plaats­gevonden,
h
ebbende [slachtoffer]tengevolge van vorenomschre­ven handelingen bekomen zodanig(e) letsel(s) als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door [pa­tholoog], van welk visum et repertum, een fotokopie aan deze dagvaarding is gehecht, welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening is gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,
zijnde [slachtoffer] (mede) tengevolge van een of meer dier letsels, in ieder geval door verstikking op basis van kapverwondingen overladen,
z
ijnde de hierboven omschreven door hem, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon, ge­pleegde doodslag alstoen aldaar voorafgaan en/of gevolgd en/of vergezeld van het door hem, verdachte, en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven per­soon, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, wegne­men van een of meer geldsbedragen (in U$ dollars), in ieder geval enig geld, toebehorende aan [slachtoffer] voornoemd, althans aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon,
welke (hierboven omschreven) doodslag werd gepleegd met het oogmerk om uitvoering van vorenomschreven diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon, hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
althans, indien en voorzover het onder A gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

B. tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met [medeverdachte 1] en/of een tot nog toe onbekend gebleven persoon, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,hebbende immers hij, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon (-Nadat hij (zij) voornoemde [slachtoffer] had(den) opgebeld en voo­rgehouden dat hij (zij) water nodig had(den) voor zijn (hun) auto-) de woning van [slachtoffer] betreden en/of (vervolgens) opzettelijk gewelddadig [slachtoffer] in een wurggreep gehouden en/of (vervolgens) met een (vu­ist)v­uurwapen, althans een op een (vuist)vuurwapen gelij­kend voorwerp een of meer slagen op het (behaarde) hoofd, al­thans het lichaam van [slachtoffer] toegebracht en/of (vervolgens) [slachtoffer] op de vloer laten liggen en/of (vervolgens) met een riem, althans een lang en/of zwie­pend voorwerp en/of een kunststofstrip, in ieder geval enig bindmiddel, de voeten (ter hoogte van de enkels) van [slachtoffer] (vast)gebonden en/of (vervolgens) met een eind touw, althans enig bindmiddel de polsen van [slachtoffer] (vast)gebon­den en/of (vervolgens) met plakband, althans een kleefmiddel de ogen van [slachtoffer] dicht geplakt en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp (snijdend) en/of puntig voorwerp een steek toegebracht in de borst, al­thans in het lichaam van [slachtoffer] en/of (vervol­gens) met een kapmes, althans een scherp (snijdend) en/of zwaar voorwerp 7 (zeven), althans een of meer malen gekapt in de hals, althans in het lichaam van [slachtoffer],
hebbende bovenomschreven handelingen zoniet in de volgorde als vermeld, dan in ieder geval in een andere volgorde plaats­gevonden,
hebbende [slachtoffer] tengevolge van vorenomschre­ven handelingen bekomen zodanig(e) letsel(s) als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door [pa­tholoog], van welk visum et repertum, een fotokopie aan deze dagvaarding is gehecht, welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening is gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,
zijnde [slachtoffer](mede) tengevolge van een of meer dier letsels, in ieder geval door verstikking op basis van kapverwondingen overleden.

althans, indien en voorzover het onder A en B gestelde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:­

C. tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en/of bewuste samenwerking) met [medeverdachte 1] en/of een tot nog toe onbekend gebleven persoon, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer gel­dsbedragen (in U$ dollars), althans enig geld, toebehorende aan [slachtoffer]althans aan een ander en/of anderen dan aan hem, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon,hebbende hij, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon (in het kader van bovenbedoelde afspraak en/of samenwerking) toen aldaar deze diefstal doen voorafgaan en/of vergezellen en/of volgen van geweld tegen [slachtoffer], welk feit (geweld) de dood van [slachtoffer], tengevolge heeft gehad,hebbende hij, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon (in het kader van bovenbedoelde afspraak en/of samenwerking) (-nadat hij (zij) voo­rnoemd [slachtoffer] had(­den) opgebeld en voo­rgehouden dat hij (zij) water nodig had(­den) voor zijn (hun) auto-) de woning van [slachtoffer] betreden en/of (vervolgens) opzettelijk gewelddadig [slachtoffer] in een wurggreep gehouden en/of (vervolgens) met een (vu­ist)v­uurwapen, althans een op een (vuist)vuurwapen gelijkend voorwerp een of meer slagen op het (behaarde) hoofd, althans het lichaam van [slachtoffer] toegebracht en/of (vervolgens) [slachtoffer] op de vloer laten liggen en/of (vervolgens) met een riem, althans een lang en/of zwiepend voorwerp en/of een kunststof­strip, in ieder geval enig bindmiddel, de voeten (ter hoogte van de enkels) van [slachtoffer] (vast)gebonden en/of (vervolgens) met een eind touw, althans enig bindmiddel de polsen van [slachtoffer] (vast)gebon­den en/of (vervol­gens) met plakband, althans een kleefmiddel de ogen van [slachtoffer] dichtgeplakt en/of (vervolgens) met een mes, althans een scherp (snijdend) en/of puntig voorwerp een steek toegebracht in de borst, althans in het lichaam van [slachtoffer] en/of (vervolgens) met een kapmes, althans een scherp (snijdend) en/of zwaar voorwerp 7 (zeven), althans een of meer malen gekapt in de hals, althans in het lichaam van [slachtoffer],
hebbende bovenomschreven handelingen zoniet in de volgorde als vermeld, dan in ieder geval in een andere volgorde plaats­gevonden,
hebbende [slachtoffer] tengevolge van vorenomschre­ven handelingen bekomen zodanig(e) letsel(s) als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door [pa­tholoog], van welk visum et repertum, een fotokopie aan deze dagvaarding is gehecht, welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening is gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,
zijnde [slachtoffer] (mede) tengevolge van een of meer dier letsels, in ieder geval door verstikking op basis van kapverwondingen overladen,
hebbende hij, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon bovenomschreven geweld gepleegd met het oogmerk om bovenomschreven diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, hetzij de vlucht mogelijk te ma­ken,hebbende hij, verdachte en/of die [medeverdachte 1] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon zich met medeneming van de weggenomen goederen, althans enig geld uit de voeten ge­maakt.

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daa­rin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat verdachte het hem bij inleidende akte van dagvaarding sub IA ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat hij:

Op of omstreeks 10 oktober 1995, althans in het jaar 1995, te Paramaribo, in ieder geval in Suriname,

A. tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en/of in gemeen overleg en/of in nauwe en bewuste samenwerking) met [medeverdachte 1] en/of een tot nog toe onbekend gebleven persoon, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,hebbende immers hij, verdachte en die [medeverdachte 1]Z en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon (-nadat hij (zij) voornoemd [slachtoffer] had(den) opgebeld en voorge­houden dat hij (zij) water nodig had(den) voor zijn (hun) au­to-) de woning van [slachtoffer] betreden en/of (vervol­gens) opzettelijk gewelddadig [slachtoffer] in een wurg­greep gehouden en met een (vu­ist) v­uurwapen, meer slagen op het (behaarde) hoo­fd, althans het lichaam van [slachtoffer] toegebracht en (vervolgens) [slachtoffer] op de vloer laten liggen en met een riem, ­in ieder geval enig bin­dmiddel, de voeten (ter hoo­gte van de enkels) van [slachtoffer] (va­st)gebonden en (vervolgens) met een eind touw, de polsen van [slachtoffer](va­st)ge­bonden en (vervolgens) met plakband, althans een kle­efmiddel de ogen van [slachtoffer] dicht geplakt en/of (vervol­gens) met een mes, althans een scherp (snijdend) en/of puntig voorwerp een steek toegebracht in de borst, althans in het lichaam van [slachtoffer] en (vervolgens) met een kap­mes, 7 (ZEVEN), malen gekapt in de hals, althans in het lic­haam van [slachtoffer],hebbende bovenomschreven handelingen zoniet in de volgorde als vermeld, dan in ieder geval in een andere volgorde plaats­gevonden,hebbende [slachtoffer] tengevolge van vorenomschre­ven handelingen bekomen zodanig(e) letsel(s) als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door [pa­tholoog], van welk visum et repertum, een fotokopie aan deze dagvaarding is gehecht, welke door steller dezer dagvaarding met haar handtekening is gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,zijnde [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, in ieder geval door verstikking op basis van kapver­wondingen overladen,zijnde de hierboven omschreven door hem, verdachte en/of die [verdachte – variant] en/of die tot nog toe onbekend gebleven per­soon, gepleegde doodslag alstoen aldaar voorafgaan en/of ge­volgd en/of vergezeld van het door hem, verdachte, en/of die [verdachte – variant] en/of die tot nog toe onbekend gebleven persoon, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, wegnemen van een of meer geldsbedragen (in U$ dollars), in ieder geval enig geld, toebehorende aan [slachtoffer] voornoemd, welke (hierboven omschreven) doodslag werd gepleegd met het oogmerk om uitvoering van vorenomschreven diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op he­terdaad aan zichzelve en die [verdachte – variant] en die tot nog toe onbekend gebleven persoon, hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
met vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als:
doodslag in vereniging, voorafgegaan, vergezeld en/of ge­volgd van diefstal en gepleegd met het oogmerk de uitvoe­ring van vorenomschreven diefstal voor te bereiden en ge­makkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

en hem te dier zake heeft veroordeeld tot:
levenslange gevangenisstraf

Overwegende dat het Hof zich niet kan verenigen met het bestreden vonnis, zodat dit moet worden vernietigd en opnieuw moet worden recht gedaan;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:

Overwegende, dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van het Hof op 13 augustus 1997 en 12 november 1997 -zakelijk wee­rgegeven- onder meer heeft verklaard:

Op maandag 9 oktober 1995 na elf uur ’s avonds is [persoon 1] (bedoeld word­t: [medeverdachte 1]) thuis bij mij gekomen en hij heeft mij gevraagd om naar ”Diamond” te gaan, alwaar hij een vriend van hem wilde ontmoeten. Verder zei [persoon 1] dat hij met mij iets wilde bespreken. In ”Diamond” hebben wij tezamen met [persoon 2] wat gedronken. Op een gegeven moment vroeg [persoon 2] aan mij om de persoon van [slachtoffer] ([slachtoffer – variant]), die een winkelzaak op de hoek van de [straat] en de [laan] heeft, te gaan beroven. [persoon 2] had het idee geopperd en [persoon 1] vond het goed.

Daarna hebben wij ons begeven richting Thalia en aldaar onze auto geparkeerd. [persoon 1] belde met zijn cellulair naar [slachtoffer] om een fles met water te vullen. Ik deed alles wat zij mij vroegen.

Wij zijn toen gelopen naar de deur van de woning van [slachtoffer] en na geroep maakte ze de deur open. Ik stapte naar binnen, [persoon 1] kwam als tweede en als derde [persoon 2]. Nadat wij de fles met water gevuld hadden en terug­liepen pakte [persoon 1] bij de deur [slachtoffer] vast. Toen heeft [persoon 1] haar vastgebonden. Hierna zijn wij naar boven gegaan, alwaar de brandkast lag. Deze werd ver­volgens opengemaakt.

Op een gegeven moment hebben [persoon 1]en [persoon 2] de vrouw naar beneden gebracht en haar bevolen op de grond te zitten. Ik heb de voeten van het slac­htoffer vastgehouden. [persoon 1] heeft haar daarna vastgebonden. [persoon 2] is op haar buik gaan zitten. Ik zat gehurkt voor het hoofd van het slachtoffer.

In de keuken was er een tafel en daarop lag er een kapmes. Ik ben dat kapmes gaan halen en voor [persoon 1] en [persoon 2] gelegd. Op een gegeven moment hoorde ik een gorgelend geluid en toen wist ik dat [slachtoffer]dood was. [persoon 2] had plakband gebruikt om de wond op het voorhoofd van [slachtoffer] te plakken. Het buitgemaakte geld is in de auto verdeeld door [persoon 1]. Ik heb U$ 1600 daaruit gehad. [persoon 2] en [persoon 1] hebben mij bij ”Diamond” afgezet, waarna ik met een taxi naar huis ben gegaan.

Overwegende, dat de [ambtenaar van politie], dienende in de rang van brigadier van poli­tie, ter te­rechtzitting in hoger beroep van het Hof op 12 no­vember 1997 – zakelijk weergegeven – onder meer heeft ver­klaa­rd:

Bij een huiszoeking d.d. 14 oktober 1995 bij [alias verdachte] hebben wij de volgende goederen inbeslaggenomen:

* twee vuistvuurwapens;

* twee luchtdruk pistoolbuksen;

* scherpe patronen en 2750 U$ dollars, 4500 Fr. fr. en 1700 U$ dollars;

* een groene trui, waaraan enkele roestbruine plekken za­ten, waarvan [alias verdachte] verklaarde dat de bloedvlekken waarmee zijn trui besmeurd was, van [slachtoffer] afkom­stig waren toen zij gedood werd;

* een blauwe jeans met roestbruine vlekken, waarvan [alias verdachte] verklaarde dat het bloedvlekken zijn van [slachtoffer] toen ze gedood werd.

Overwegende, dat het van de terechtzitting in eerste aanleg opgemaakte proces-verbaal d.d. 18 januari 1996 onder meer als opgave van de ver­dachte inhoudt -zakelijk weergegeven-:

In ”Diamond” deed [persoon 2] het voorstel om de vrouw (bedo­eld wordt [slachtoffer]) te beroven. Ik ben toen meege­gaan in de auto van [persoon 1]. [persoon 1] belde met zijn cel­lu­lair de vrouw en vroeg of hij langs kon komen om water te vullen voor de radiator van zijn auto. De vrouw opende de deur van haar woning en [persoon 1], [persoon 2] en ik gingen naar binnen. Nadat [persoon 1] de fles met water had gevuld, liepen wij met zijn vieren naar achteren. [persoon 1] zette de fles op de grond en wurgde de vrouw.
[persoon 2] bracht de vrouw met een pistool een slag toe. Ik pak­te een touw uit een door mij meegenomen sigarettendoos, waarna [persoon 1] de vrouw vas­tbond. [persoon 2] heeft de vrouw be­dreigd en de vrouw is naar boven gesleurd door [persoon 1] en [persoon 2]. De vrouw werd op haar rug op de grond geplaatst. Ik zag [persoon 2] steken toebrengen op het lichaam van de vrouw. Ik heb wel een rochelend geluid ge­hoord. Ik heb een nikkel­kle­urig kapmes op de tafel in de keuken ge­vonden en ik heb het op de tafel gelegd nadat een van de twee om het kapmes had gevraagd. Uit de buit heb ik 1700 U$ ontvan­gen.
De politie heeft kledingstukken, hemd en broek, bij mij inbeslaggenomen. Die beide kledingstukken hadden bloedvlek­ken. Toen wij in het huis waren, moest ik haar handen vast­binden, nadat zij een slag met het pistool had gehad.

Overwegende, dat een ambtsedig proces-verbaal ongenum­merd/­1995, opge­maakt, gesloten en ondertekend te Paramaribo op ­14 oktober 1995 door­­­ de [brigadier van politie], dien­stdoende aan het Bureau Rec­he­rche, onder meer inhoudt -zakelijk wee­rgegeven-:

als aan de verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [verdachte] alias [alias verdachte]:

Op maandag 9 oktober 1995 ben ik samen met mijn echtgenote en [medeverdachte 1] (bedoeld wordt [persoon 1]) naar een res­taurant gegaan, alwaar wij hebben gegeten. Na 23.00 uur verlieten wij het restaurant. [persoon 1]stelde voor om achter mij naar mijn woning te rijden, daar hij mij had gevraagd om met hem naar de nightclub ”Diamond” te gaan. [persoon 1] had mij gezegd dat hij iets met mij wilde be­spreken, reden waarom hij mij vroeg om naar ”Diamond” te gaan. Ik stapte in de auto van [persoon 1] om naar ”Diamond” te gaan. In ”Diamond” zei [persoon 1] dat hij van plan was met mij en [persoon 2] de persoon van [slachtoffer – variant] (bedoeld wordt [slachtoffer]), die een winkelzaak op de hoek van de [straat] en de [laan] heeft te gaan beroven. [persoon 1] zei dat hij haar zou vermoorden nadat wij de beroving gepleegd zouden hebben. Ik stemde in met dit plan. Even later kwam [persoon 2] in de club en sloot zich bij ons aan. Na 1.00 uur in de ochtend verlieten wij de club en begaven ons met de auto van [persoon 1] naar het woonadres van [slachtoffer – variant] (bedoeld wordt [slachtoffer]) aan de [straat]. [persoon 1] die een cellulair bij zich had, belde [slachtoffer – variant]op en vroeg of hij wat water voor de radiator van zijn auto kon krijgen. Toen wij daar aan­kwamen, heeft [slachtoffer – variant]de toegangsdeur van de winkelzaak langs de straatzijde op de begane grond opengemaakt. Wij zijn gezamenlijk het gebouw binnen gegaan. Nadat de anderen water in de door hen meegenomen fles hadden gevuld, liepen wij naar de deur terug.

Op een gegeven moment toen wij de deur genaderd waren gre­pen [persoon 1] en [persoon 2] haar vast. Ik zag dat [persoon 2] haar van achteren in een wurggreep vast hield, terwijl haar mond werd dichtgedrukt door [persoon 1] vlakke hand. Ik heb toen [slachtoffer – variant]met een touw vastgebonden. Dit touw was tezamen met een rol bruine plakband en een mes in een sigarettendoos geplaatst, welke ik meegenomen had. Ik hoor­de dat [persoon 1] tegen haar zei dat zij niet moest schr­ee­uwen anders zou hij haar vermoorden. Hierna drukte [persoon 1] haar mond weer dicht en wij gingen gezamenlijk naar de bovenverdieping. Hierna zag ik [slachtoffer – variant], die nog steeds door [persoon 1] en [persoon 2] werd vastgehouden, met deze twee in een der kamers gaan. Dit moet het slaapvertrek van [slachtoffer – variant]geweest zijn. Iets later kwamen zij terug met een sleutel en daarna werd de brandkast, die in een ander ver­trek stond, geopend. Nadat zij het geld uit de brandkast weggenomen hadden, ben ik naar beneden gegaan. [slachtoffer – variant] die nog steeds vastgehouden werd, werd naar beneden ge­bracht. Zij werd in de keuken gebracht en werd op de vloer geplaatst, zodat zij op haar rug kwam te liggen. Ik hield haar voeten aan elkaar vast, waarna [persoon 2] op haar buik is gaan zitten, dit terwijl [persoon 1] haar gebonden vast­hield. [persoon 2] haalde een mes uit zijn achterbroek te voorschijn en stak [slachtoffer – variant]daarmee. Ik zag hem ter hoogte van de borststreek van [slachtoffer – variant] de steek toe brengen. Zij spartelde hevig en ik moest haar nog steviger vasthouden.

Ik ben op vraag van [persoon 1] op zoek gegaan naar een kapmes. Ik trof in de keuken en wel op de keukenbank een nikkelkleurige metalen kapmes aan. Ik nam zulks en gaf die aan [persoon 1]. Het volgend moment zag ik [persoon 1] het kapmes met zijn hand opheffen en vervolgens hakte hij hier­mee in ter hoogte van de keel van [slachtoffer – variant]. Ik zag veel bloed uit de ontstane wond van [slachtoffer – variant] stromen en ik hoorde dat zij een rochelend geluid maakte. [persoon 1] heeft met het kapmes vele malen de keel van [slachtoffer – variant] inge­hakt. Op die bewuste dag was ik gekleed in een groe­ne trui en een blauwe jeans pantalon. Ook mijn kleren hadden bloed­vlekken. Het zijn dezelfde kledingstukken die door de poli­tie bij een huiszoeking is inbeslaggenomen.

Overwegende, dat een ambtsedig proces-verbaal, gewaarmerkt als A4 tot en met A6, opgemaakt, gesloten en ondertekend te Paramaribo, op 1 november 1995 door de [brigadier van politie] , dienstdoend aan het Bureau Rech­erche ondermeer inhoudt -zakelijk weergegeven-: als verklaring van de [verdachte] alias [alias verdachte] bij gelegenheid van een gehouden reconstructie d.d. 31 oktober 1995 aan de [straat] [no.]:

De [verdachte] (bedoeld wordt [alias verdachte]) wees de plaa­ts aan waar hij de sigarettendoos, waarin naderhand bindmateriaal en een mes bleek te zitten van [achternaam medeverdachte 1] (bedoeld wordt [persoon 1]) heeft gehad.

Hierna wees [achternaam verdachte] aan hoe hij met hun drieën naar de winkel­zaak in kwestie zijn binnengelopen. Voorts gaf hij, [achternaam verdachte], aan dat nadat zij de fles met water gevuld hadden, gekomen bij de uitgang, [persoon 2] en [persoon 1] de persoon van [slachtoffer] bij de deur hebben vastgepakt. Voorts ver­klaarde [achternaam verdachte] dat [slachtoffer]op de vloer werd gedrukt, waarna [persoon 2] haar met een vuistvuurwapen op haar hoofd sloeg, ten gevolge waarvan zij verwondingen opliep en begon te bloeden. [achternaam verdachte] verklaarde met een touw, die hij uit een sigarettendoos had weggehaald, de vrouw vastgebonden te hebben. Daarna zijn zij naar de bovenverdieping gegaan.

[persoon 2] en [persoon 1] zijn tezamen met [slachtoffer] naar het vertrek gegaan, alwaar de brandkast stond. Hierna is het slachtoffer naar de begane grond van het gebouw gebracht ge­worden en zij werd op de vloer van de keuken geplaatst. [achternaam verdachte] verklaarde dat in de keuken de handen van het slachtoffer strakker werd gebonden door [persoon 1], dit terwijl [persoon 2] haar benen vastbond. Door [persoon 1] werden de ogen van de vrouw met plakband dichtgeplakt en er werd een prop in de mond van de vrouw gestopt. [persoon 2] heeft haar met een mes ter hoogte van haar borststreek gestoken, waarna [persoon 1] aan [verdachte] om een kapmes vroeg. [achternaam verdachte] gaf daarna een kapmes, dat op een keukentafel lag, aan [persoon 1] die daarmee verschillende malen aan de hals van [slachtoffer] kapte, als gevolg waarvan zij veel uit de ontstane verwonding bloedde en rochelde. Hierna bewoog zij niet meer.

Overwegende, dat een obductie-rapport van het Pathologisch-Anatomisch laboratorium, uitgebracht door [patholoog], d.d. 7 november 1995 betreffende het lijk van [slachtoffer] zakelijk inhoudt:

De meeste afwijkingen werden gevonden aan de voorzijde van de hals met name een grote dwars verlopende gapende kapwond met aan de linkerbovenzijde van de wondranden een kartelig aspect. Er was sprake van doorsnijding van huid, spieren, luchtpijp en halsvaten. De kapverwonding tot op de voorzij­de van de halswervel waren er een 7-tal. Verder een steek­verwonding aan de rechterborst met perforatie van de boven­kwab van de rechterlong. De dood was het gevolg van ver­stikking op basis van doorsnijding van de luchtpijp op basis van kapverwondingen.

Overwegende, dat uit een uittreksel uit het register van overlijden van de Burgerlijke Stand van Paramaribo-Noord, af­gegeven door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Parama­ribo-Noord op 18 oktober 1995 blijkt, dat op tien oktober ne­gentienhonderd vijfennegentig is overleden [slachtoffer].

Overwegende, dat het Hof door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen en de daarin vervatte redengevende feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen acht dat de[verdachte]([alias verdachte]) het hem bij inleidende dagvaar­ding onder A telastegelegde heeft begaan met dien verstande dat hij:

Op 10 oktober 1995, te Paramaribo, tezamen en in vereniging (na een daartoe van tevoren gemaakte afspraak en in gemeen overleg en in nauwe en bewuste samenwerking) met [medeverdachte 1] en een tot nog toe onbekend gebleven persoon, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende immers hij, verdachte en die [medeverdachte 1] en die tot nog toe onbekend gebleven persoon (-nadat hij, [medeverdachte 1], voornoemde [slachtoffer] had­ opgebeld en voo­rgehouden dat hij water nodig had voor zijn auto-) de woning van die [slachtoffer] betreden en vervolgens opzette­lijk gewelddadig die [slachtoffer] in een wurggreep gehouden en vervolgens met een vuistv­uurwapen,­ een slag op het behaarde hoofd, van die [slachtoffer] toegebracht en ve­rvolgens die [slachtoffer] op de vloer laten liggen en vervolgens met en­­ig bin­dmiddel, de voeten ­van die [slachtoffer] va­stgebo­nden en vervolgens met een eind touw, de polsen van die [slachtoffer]va­stgebonden en vervolgens met plakband, ­de ogen van die [slachtoffer] dicht geplakt en vervolgens met een mes,­­ een steek toegebracht in de bor­st, ­en ve­rvolgens met een kapmes, 7 (zeven), in de hals­ van die [slachtoffer],
­­hebbende die [slachtoffer] tengevolge van vorenomschreven handelingen bekomen zodanige letsels als omschreven in het visum et repertum uitgebracht door [patho­loog], van welk visum et repertum, een fotokopie aan deze dag­vaarding is gehecht, welke door steller dezer dagvaarding met haar han­dtekening is gewaarmerkt en waarvan de inhoud als hier geinsereerd moet worden beschouwd,
zijnde die [slachtoffer] tengevolge van een of meer dier letsels, in ieder geval door verstikking op basis van kapver­wondingen overleden,
zijnde de hierboven omschreven door hem, verdachte en die [medeverdachte 1]en die tot nog toe onbekend gebleven persoon, gepleegde doodslag alstoen aldaar voorafgegaan van het door hem, verdachte, en die [medeverdachte 1] en die tot nog toe onbe­kend gebleven persoon, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, wegnemen van een gel­dbedrag in U$ dollars, toebe­horende aan [slachtoffer]voo­rnoemd,
welke hierboven omschreven doodslag werd gepleegd met het oog­merk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en die [medeverdachte 1] en die tot nog toe onbekend gebleven persoon, het­zij straffeloosheid, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Overwegende, dat niet bewezen is hetgeen de verdachte meer of anders is telastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vri­jgesproken.

Overwegende, dat het bewezene strafbaar is gesteld bij artikel 348 juncto artikel 347 en artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht en gekwalificeerd moet worden als in het dictum te vermelden.

­Overwegende, dat door de raadsman namens verdachte als -ofschoon niet uitdrukkelijk voorgedragen- verweer is gevoerd dat verdachte onder bedreiging met de dood zijdens die zekere [persoon 2] heeft deelgenomen aan de geincrimineerde handelin­gen.

Het Hof verwerpt reeds aanstonds dit verweer nu uit het onder­zoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden aan­nemelijk zijn geworden die een beroep op de gestelde bedrei­ging rech­tvaardigen. Immers de gestelde bedreiging door ver­dachte staat op zichzelf en vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Meer in het bijzonder is niet aannemelijk ge­worden dat voor verdachte feitelijke belemmeringen bestonden om zich te distantiëren van de geincrimineerde handelingen.

Overwegende, dat verdachte deswege strafbaar is, zijnde feiten of omstandigheden die verdachtes strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten niet aannemelijk geworden.

Overwegende, dat het Hof na te melden strafoplegging in overeenstemming acht met de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede daa­rbij in aanmerking genomen de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, wat de persoon van de verdachte betreft meer in het bijzonder zijn jeugdige leeftijd alsmede dat niet is gebleken dat hij reeds eerder terzake van misdrijf is veroordeeld.

Nog gelet, behalve op de reeds aangehaalde artikelen, op de artikelen 9, 11, 38, en 44 van het Wetboek van Straf­recht.

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis van 21 maart 1996 door de plaatsver­vangend Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitge­sproken tegen de [verdachte] alias ”[alias verdachte]”, waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:
Verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen hiervoren bewezen is geacht;

Kwalificeert het bewezen verklaarde als:
het medeplegen van doodslag, voorafgegaan van diefstal en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelve en zijn mededaders hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Verklaart het bewezen verklaarde feit en de verdachte des­wege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot:
een gevangenisstraf voor de tijd van TWINTIG JAREN, met bepa­ling dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerleg­ging van deze uitspraak van 10 oktober 1995 af, voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden ge­bracht;

Beveelt dat de verdachte gevangengehouden zal blijven;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door de heren: Mr. E.S. Ombre, fungerend-Presi­dent, Mr. W.R. Willemzorg en Mr. K. Pultoo, leden, in tegen­woordigheid van Mr. M. Tedjoe, fungerend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uitgesproken ter openbare te­rech­tzitting van het Hof van Justitie van woensdag, 4 maart 1998, door de fungerend-President voornoemd.

SRU-K1-1998-2

Kantonrechter Eerste Kanton
20 augustus 1998, A.R. 981537
(mr. J.R. von Niesewand)

Stichting R.K.S. rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Kwattaweg no. 97, voor wie als gemachtigde optreedt, Mr. F.F.P. Truideman, advokaat, eiseres in kort geding,

tegen

[gedaagde sub. a.] en

[gedaagde sub. b.] gehuwd [naam 1], wonende aan [adres] te [district], voor wie beide als gemachtigde optreedt, Mr. R.U.F. Truideman, advokaat, gedaagde in kort geding,

De kantonrechter spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in Kort geding uit:

Wij, kantonrechter in het Eerste Kanton;
Gezien de stukken, waaronder meer bepaald afschriften van d.d. 23 juli 1998 tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis;

Ten aanzien van de feiten

Overwegende, dat Wij hier overnemen, hetgeen daaromtrent in vermeld vonnis is overwogen;

Overwegende, dat ter terechtzitting van 23 juli 1998 ten dage voor overlegging produktie zijdens gedaagden bepaald, heeft de gemachtigde van gedaagden de van gedaagden gevraagde produktie overgelegd;

Overwegende, dat de gemachtigde van gedaagden zich ten aanzien van de overgelegde produktie aan Ons oordeel refereerd;

Overwegende, dat Wij hierna vonnis hebben bepaald op heden;

Ten aanzien van het recht

Overwegende, dat gedaagden, zich tegen verlening van de door eiseres van Ons verlangde voorziening verzettend, hebben aangevoerd, daarbij verwijzend naar het verstekvonnis dd. 14 december 1997 in de zaak tussen gedaagde sub.a als eiseres en [naam 2] en [naam 3] als gedaagden (AR No. 97/1025), welk vonnis door eiseres in het onderhavige geding is gebracht, dat bij dat vonnis voor recht is verklaard, dat de hypotheekakte dd. 29 november 1995 tussen gedaagden en eiser verleden ten overstaan van [notaris], althans diens waarneemster, nietig is;

Overwegende, dat gedaagden, op vermeld verweer nader ingaande, dat door eerder gemelde uitspraak zijn komen te vallen en de hypotheekakte dd. 29 november 1995 en de daarop gevolgde openbare verkoop van de in het tweede “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerende goederen, eertijds aan gedaagden toebehoord hebbend;

Overwegende, dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken zijdens gedaagde, rechtens vaststaat, dat eiseres op de op 17 februari 1998 ten overstaan van de te [district] residerende [notaris], heeft gekocht de in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerende goederen eiseres de eigendom verkreeg door overschrijving op 17 februari 1998 in [register deel en nummer 1] van het proces-verbaal van toewijzing;

Overwegende, dat de openbare verkoop plaatsgevonden heeft ten verzoek van [naam 2], ten behoeve van wie gedaagden een eerste hypotheek hadden doen vestigen op de in het 2e “dat” van het verzoekschrift omschreven onroerende goederen bij akte dd. 29 november 1995, verleden ten overstaan van de te [district] residerende [notaris],;

Overwegende, dat gedaagde sub.a, optredende in het proces, bekend onder A.R. No. 97/1025, als eiser, in dat proces aan zijn vordering- voor zover ten deze van belang- ten grondslag heeft gelegd dat de hypotheekakte dd. 29 november 1995 intellectueel vals is c.q. nietig;

Overwegende, dat gedaagde sub.a met betrekking tot zijn bewering, dat de hypotheekakte dd. 29 november 1995 nietig is naar Ons gebleken is, niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, hebbende hij immers zijn bewering terzake niet met feiten onderbouwd en zo in wezen elke mogelijkheid een onderzoek naar de juistheid van die bewering in te stellen, heeft uitgesloten; aan zijn stelplicht heeft gedaagde derhalve niet voldaan;

Overwegende, dat op grond van het zo juist overwogene het door gedaagde sub a alstoen gevorderde te weten voor recht te verklaren, dat de hypotheekakte nietig is, dan ook niet toegewezen had mogen worden;

Overwegende, dat gedaagde sub. a zijn bewering met betrekking tot de gestelde valsheid nader adstruerend heeft aangevoerd, dat het niet juist is dat hij [naam 2] en [naam 3] een bedrag van Nf. 200.000, — ter leen heeft gevraagd en/of van hen ter leen heeft ontvangen dan wel aan hen een dergelijk bedrag verschuldigd is; dat hij slechts weet dat hij van [naam 4] een hoeveelheid geld vreemde valuta heeft ontvangen, doch dat hij zich niet meer herinneren kon hoeveel dat precies was en in welke valuta en dat derhalve de hypotheekakte van 29 november 1995 intellectueel vals is; hebbende hij op grond van het zojuist overwogende gevorderd, dat voor recht zal worden verklaard, dat de hypotheekakte van 29 november 1995 tussen gedaagden en eiser verleden te overstaan van [notaris], althans dienswaarneemster, intellectueel vals is;

Overwegende, dat de Kantonrechter in het Eerste Kanton bij verstekvonnis, dd. 14 oktober 1997 (A.R. No. 97/1025) in ieder geval voor recht heeft verklaard, dat de hypotheekakte van 29 november 1995 tussen gedaagden en eiser verleden ten overstaan van [notaris], althans diens waarneemster, nietig is;

Overwegende, dat, naar als onweersproken tussen partijen rechtens vaststaat, tegen het verstekvonnis dd. 14 oktober 1997 verzet is aangetekend;

Overwegende, dat blijkens de literatuur onder een declaratoir vonnis, als door de Kantonrechter uitgesproken, wordt verstaan het vonnis waarin de rechter verklaart wat rechtens is;

Overwegende, dat opgemerkt zij, dat in artikel 1893 BW en in artikel 128;3 Rv. Het woord “vals” gebruikt wordt in tegenstelling tot “echt” en dat de bewering dat de in een akte opgenomen, verklaring onjuist is, de echtheid van de akte onaangetast laat (vgl. H.R. NJ 1953 No.3);

Overwegende, dat nu de bewering van gedaagde sub.a in het proces, bekend onder A.R. No. 97/1025, waarin hij als eiser is opgetreden, dat de notariële akte van geldlening met hypotheekstelling dd. 29 november 1995 intellectueel vals is, in navolging van gemeld arrest de echtheid van die akte onaangetast liet en laat, heeft de Kantonrechter bij verstekvonnis dd. 14 oktober 1997 eveneens geheel ten onrechte voor recht verklaard dat gemelde akte nietig is;

Overwegende, dat Wij, anticiperend op de beslissing in de verzetprocedure, er dan ook van uit zullen gaan, dat in die procedure, naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, het verstekvonnis dd. 14 oktober 1997 zal worden vernietigd en gedaagde sub. a. zijn vordering alsnog met een niet ontvankelijkheid zal worden begroet;

Overwegende, dat het zijdens gedaagden in het onderhavige proces terzake gevoerd verweer Ons dan ook voorkomt als te zijn ongegrond;

Overwegende, dat nu de aan eiseres haar vordering ten grondslag gelegde feiten, naar gebleken is onweersproken zijn gelaten en mitsdien rechtens tussen partijen zijn komen vast te staan, dient verlening van de van Ons verlangde voorziening te volgen als in het dictum van dit vonnis te melden, onder veroordeling van gedaagden als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit proces;

Rechtdoende in kort geding

Gelasten gedaagden binnen twee maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met medeneming van alle van hunnentwege zich daarop bevindende personen en goederen: het erf, met daarop staande gebouwen, gelegen te [district] aan [adres] bekend onder [wijk] letter A [nummer 2] en het hierachter gelegen en daarachter grenzend erf, met de daaropstaande gebouwen gelegen te [district] bekend onder [wijk] Letter A [nummer 3], welke beide percelen vermoedelijk groot zijn éénduizend zeshonderd vierkante meter thans bekend als [adres]; met machtiging op eiseres om, indien gedaagden ingebreke mochten blijven bedoelde woning en perceel c.q. onroerende goederen te ontruimen, daartoe zelf over te gaan, desnoods met behulp van de Sterke Arm;

Verklaren dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren;

Verwijzen gedaagden in de kosten van dit proces, aan eisers haar zijde gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op Sf 5.786, =

Weigeren het meer of anders gevorderde;

SRU-HvJ-1998-39

PRO JUSTITIA

Vonnis 1998 no.1 IN NAAM VAN DE REPUBLIEK!

Het Hof van Justitie van Suriname;
Gezien de stukken van het geding, waaronder het in afschrift overgelegde verkort vonnis, door de Kantonrechter in het Twee­de Kanton op 19 augustus 1996 gewezen en uitgesproken tegen:

[verdachte],
oud 22 jaar,
van beroep betonvlechter,
geboren te [district],
wonende aan [adres], verdachte,
in
middels door het Hof van Justitie ter terechtzitting van woen­sdag, 5 november 1997 in vrijheid gesteld;

Gelet op het tijdig door de verdachte en het Open­baar Ministerie ingesteld hoger beroep;
Gehoord de verdachte in zijn verdediging, daarin bijge­staan door zijn raadsman, Mr. H.R. Rodgers, advocaat bij het Hof van Justitie;
Gehoord de getuigen in zijn beedigde verklaringen;
Gehoord het Openbaar Ministerie;
Gelet op het onderzoek in beide instanties;

Overwegende, dat aan verdachte zijn telastegelegd de feiten zoals omschreven bij de inleidende akte van dagvaar­din­g, welke akte van dagvaarding als hier geinsereerd moet worden beschouwd;

Overwegende, dat de Kantonrechter in diens vonnis door de daarin vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, dat hij het hem bij inleidende akte van dagvaarding telastegelegde heeft begaan, zoals in voormeld vonnis is weergegeven;
met vrijspraak van het meer of anders telastege­leg­de;

Overwegende, dat de Kantonrechter het bewezen ver­klaarde heeft gekwalificeerd als: DIEFSTAL VERGEZELD VAN GE­WELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, GEPLEEGD OP EEN OPENBARE LANDWEG, mis­drijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 372 lid 1 jun­cto lid 2 sub 1o juncto artikel 370 van het Wetboek van Straf­recht, en de verdachte te dier zake heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van TWEE JAAR, met bepaling dat de tijd vanaf 19 juni 1996 voorlopig in verzekerde bewaring doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering is gebracht;

Overwegende, dat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij inleidende akte van dag­vaarding is telastegelegd, weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken en het vonnis a quo, moet worden vernie­tigd;

Overwegende, dat het Hof ter motivering van dit oor­deel erop wijst dat verdachte het hem telastegelegde steeds heeft ontkend, welke ontkentenis wordt versterkt door de ver­klaring van de [getuige 1] die onder ede ver­klaa­rd heeft dat hij, [getuige 1], en niet [verdachte] het aan, verdachte, verweten feit heeft begaan. Zulks wordt ook bevestigd door de afgelegde verklaring van de [getuige 2]. Nu het Hof de ter terechtzitting verschenen [getuige 1] zelf heeft aan­schouwd en daarbij geconstateerd heeft dat de [getuige 1] -qua uiterlijk- sterke gelijke­nissen vertoont met de verdachte voornoemd, is, naar het oor­deel van het Hof, redelijke twijfel ontstaan of verdachte vo­or­noemd daadwerkelijk het aan hem te­lastegelegde heeft ge­pleegd. Mitsdien moet verdachte worden vrijgesproken;

Gezien artikel 338 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering;

RECHTDOENDE IN HOGER BEROEP:
Vernietigt het vonnis dd. 19 augustus 1996 door de Kantonrechter in het Tweede Kanton gewezen en uitgesproken tegen de [verdachte], waarvan beroep;

EN ALSNU OPNIEUW RECHTDOENDE:
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij inleidende akte van dagvaarding is ten laste gelegd;
SPREEKT HEM DAARVAN VRIJ;

Aldus gewezen door de heren: Mr.P.G.WOLFF, fungerend-Pre­sident, Mr.M.G.DE MIRANDA en Mr.A.A.HERMELIJN, leden-plaats­ver­vanger, in tegenwoordigheid van Mr.M.TEDJOE, funge­rend-Griffier, die dit vonnis hebben ondertekend en uit­gespro­ken ter openbare terechtzitting van het Hof van Justitie van WOENSDAG, 21 JANUARI 1998 door de fungerend-Pre­sident voo­r­noemd.

w.g.M.TEDJOE

w.g.P.G.WOLFF
w.g.M.G.DE MIRANDA
w.g.A.A.HERMELIJN

Voor afschrift,
De Griffier van het Hof van Justitie,