SRU-K1-2009-3

In naam van de Republiek
Arno. 990474

Kantongerecht in het Eerste Kanton

A.R. no. 990474
10 november 2009

Vonnis in de zaak van

N.V. BILLITON MAATSCHAPPIJ SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: Mr. F. Kruisland, advocaat,
eiseres,

tegen

DE STAAT SURINAME, rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: Mr. J. Kraag, advocaat,
gedaagde.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 25 april 2006.

1. Het verdere procesverloop:
1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– De conclusies tot uitlating na gehouden enquete, zijdens partijen.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan

Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovengenoemd tussenvonnis.

3. De beoordeling:

3.1 De kantonrechter volhardt bij hetgeen is overwogen in het bovenvermeld tussenvonnis.

3.2 De kantonrechter heeft bij bovenvermeld tussenvonnis gelast dat partijen zich alsnog uitlaten na de gehouden enquete.

3.3 In haar tussenvonnis van 11 oktober 2005 heeft de kantonrechter onder 3.6 overwogen dat, uitgaande van de overgelegde producties, aangevende de omschrijving van de begrippen lokale schulden c.q. schulden, wordt geoordeeld dat eiseres voorshand het gelijk aan haar zijde heeft. Nu gedaagden hebben gesteld dat, de gemaakte afspraken afwijken van de tekst van de overeenkomst, zullen zij overeenkomstig hun verzoek tot bewijsaanbod in de gelegenheid gesteld worden het tegenbewijs te leveren.

3.4 Tijdens de enquete gehouden op 3 april 2006 en 4 december 2006 zijn twee getuigen gehoord te weten mw. drs. [naam 1] en de heer drs. [naam 2]. Er is geen contra-enquete gehouden.

3.5 Eiseres heeft in haar uitlating na gehouden enquete naar voren gebracht dat uit de verklaringen van bovenvermelde getuigen niet is gebleken dat bij het verlijden van de akte van 15 januari 1993 partijen aan het woord “schulden” de betekenis toekenden van “slechts de schulden bij de banken en de verzekeraars”.

3.6 Gedaagde heeft in haar uitlating aangegeven dat met de twee getuigenverklaringen het bewijs zoals in het probandum bedoeld, ruimschoots is geleverd.

3.7 De kantonrechter overweegt dat bewezen moest worden dat, in tegenstelling tot hetgeen uit de formulering van de overeenkomst en de bijlage met nr. 9 begrepen kan worden, tussen partijen een andere, eventueel nadere afspraak was gemaakt over de betekenis van het woord “schulden”, waarbij moest zijn afgesproken tussen partijen dat met “schulden” bedoeld zou worden “slechts de schulden bij de banken en bij de verzekeraars”en verder geen andere schulden in Suriname of in Surinaams courant.

3.8 De getuige [naam 1] heeft ten aanzien van de uitleg van de punten 3 en 4 van bijlage 9 het volgende verklaard: “…deel ik u mede dat ik punt 3 uitleg als een voorziening in die zin dat als de Staat later zou aflossen de koers nog altijd gefixeerd zou worden op de koers van 1 op 8. Voorts bevestig ik naar aanleiding van de vraag van laatstgenoemde advocaat niet aanwezig te zijn geweest in de eindfase van de opstelling en ondertekening van de onderhavige overeenkomsten”. De kantonrechter overweegt dat uit de verklaring de getuige [naam 2] geen informatie kan worden verkregen over eventuele nadere afspraken over de betekenis die partijen aan het woord “schulden” zou hebben gemaakt.

3.9 De getuige [naam 2] heeft ten aanzien van de betekenis die aan het woord “schulden” moest worden toegekend het volgende verklaard: “Ik deel u mede dat ik 1 tot 2 gesprekken met de heer [naam 3] heb gevoerd en hij daarbij heeft aangegeven dat de schulden bedroegen, de schulden bij banken en verzekeringsmaatschappijen zoals hij dat eerder heeft aangegeven”. Echter blijkt uit zijn verklaring tevens dat hij in augustus 1993 een schrijven heeft gestuurd aan de Billiton waarin voorkomt: “U heeft een lening bij de Shell Suriname Verkoopmaatschappij. Voor de aflossing daarvan moet u dollars binnenbrengen conform artikel 9 van de bauxiet overeenkomst”. Voorts heeft de getuige [naam 2] over de formulering van de overeenkomst en de bijlage no. 9 aangegeven dat hij niet gevallen was over die formulering omdat voor hem duidelijk was wat de interpretatie ervan was, namelijk die welke tussen hen was overeengekomen.

3.10 De kantonrechter overweegt dat uit de verklaring van de getuige [naam 2] wel blijkt welke interpretatie bij aan het woord “schulden”gaf, doch niet blijkt dat partijen dat daadwerkelijk waren overeengekomen bij nadere afspraak. Om die reden zal de kantonrechter uitgaan van de overeenkomst en de bijlage met nummer 9 waarin geen beperking is aangegeven voor wat betreft de “schulden”.

3.11 De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde haar verweer niet heeft kunnen bewijzen waardoor het gevorderde als gegrond zal worden toegewezen, met dien verstande dat de beschikking en de uitspraak zoals gevorderd zullen worden toegewezen.

3.12 De kantonrechter zal op de overige stellingen en weren van partijen niet verder ingaan nu deze niet langer relevant zijn en gedaagde, als de in het ongelijke gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

4.1 Vernietigt de beschikking van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 24 februari 1997 waarbij aan eiseres een definitieve aanslag voor het jaar 1993 met het no. AI481669 voor de inkomstenbelasting werd opgelegd ten bedrage van USD. 15.611.100,= (vijftien miljoen zeshonderd elfduizend eenhonderd Noord-Amerikaanse dollars);

4.2 Vernietigt de uitspraak van de Inspecteur der Directe Belastingen d.d. 8 december 1998 op het bezwaarschrift van eiseres d.d. 27 maart 1997 tegen de definitieve fiscale aanslag voor het jaar 1993 met het no. AI481669 ten bedrage van USD.15.611.100,= (vijftien miljoen zeshonderd elfduizend eenhonderd Noord-Amerikaanse dollars);

4.3 Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4 Verklaart voor recht dat eiseres over het jaar 1993 voor de inkomstenbelasting slechts een bedrag van USD. 2.394.390,= (twee miljoen driehonderd vierennegentigduizend driehonderd negentig Noord-Amerikaanse dollars), althans niet meer dan dat bedrag is verschuldigd;

4.5 Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van eiseres gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 20,- (twintig Surinaamse dollar).

Aldus gewezen door mr. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, en bij vervroeging uitgesproken door mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, kantonrechter-plaatsvervanger, ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het eerste kanton te Paramaribo van dinsdag 10 november 2009, in tegenwoordigheid van mr. G. Mangal, fungerend-griffier.

w.g. G. Mangal w.g. A.C. Johanns
w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2013-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

AR no. 13-3715
05 september 2013

Vonnis in kort geding inzake

1. [verzoeker sub 1],
2. [verzoeker sub 2], echtelieden, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, wonende aan [adres] te [district],
3. [verzoeker sub 3],
verzoeker in kort geding in personen en als gemachtigde van verzoekers sub 1 en sub 2,
gemachtigde: mr. J.M. Nibte, advocaat

tegen

STICHTING SOTHAL, rechtspersoon, domicilie gekozen hebbende aan de Mahonylaan no. 22, te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. G.A.T.T. Sitaram, advocaat.

Partijen zullen hierna worden aangeduid bij hun respectieve achternamen, als de [eisers sub 1 en 2] dan wel gezamenlijk als de eisers enerzijds en als Stichting Sothal anderzijds.
De kantonrechter in het eerste kanton heeft, in naam van de Republiek, het navolgend vonnis in kort geding uitgesproken.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van het geding blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met producties op 30 augustus 2013 ter griffie ingediend met producties zijdens de eisers;
– de beschikking d.d. 02 september 2013 zijdens de kantonrechter dat de zaak in kort geding zal dienen op 02 september 2013;
– de conclusie van antwoord zijdens Stichting Sothal met producties d.d. 03 september 2013;
– de mondelinge conclusie van repliek d.d. 04 september 2013 zijdens eisers;
– de mondelinge conclusie van dupliek d.d. 04 september 2013 zijdens Stichting Sothal.

1.2 Tenslotte is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden 05 september 2013.

2. Feiten
2.1 Blijkens de overgelegde notariële akte d.d. 20 februari 1995 (productie 1 bij het inleidend rekest) hebben de [eisers sub 1 en 2] aan [verzoeker sub 3] last en volmacht gegeven om namens de [eisers sub 1 en 2], rechtshandelingen te verrichten betrekking hebbende op twee percelen gelegen in [district] nader aangeduid in voornoemde akte en in sub 5 van het verzoekschrift en zonder nadere omschrijving bij partijen bekend.

2.2 Blijkens de overgelegde onderhandse en gelegaliseerde akte van koop en verkoop d.d.20 februari 1995 (productie 2 bij het inleidend rekest) hebben de [eisers sub 1 en 2] voornoemde twee percelen aan [verzoeker sub 3] verkocht. De juridische overdracht heeft niet plaatsgevonden.

2.3 Blijkens de overgelegde notariële akte van geldlening en hypotheekstelling d.d. 14 mei 2001 verleden bij de notaris R. Ramautar (productie 3 bij het inleidend rekest) heeft [verzoeker sub 3], handelende als gevolgmachtigde van de [eisers sub 1 en 2] krachtens voornoemde akte van lastgeving, met Stichting Sothal een geldleenovereenkomst gesloten ten bedrage van Nf 200.000,-. Tot zekerheid van de betaling heeft [verzoeker sub 3] hypotheek doen vestigen op de twee voornoemde percelen ten gunste van Stichting Sothal.

2.4 Blijkens het overgelegde exploit van de deurwaarder D.E. Hew A Kee d.d. 12 juli 2013 onder no. 182 (productie 4 bij het inleidend rekest) zijn de [eisers sub 1 en 2] aangezegd dat Stichting Sothal op donderdag 05 september 2013 te 10.00 uur des voormiddags zal overgaan tot openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen.

2.5 Het dispuut betreft de vraag of de voorgenomen executie onrechtmatig is.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

De eisers vorderen om bij vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren:

3.1
Primair:
a. de stopzetting c.q. opschorting te gelasten van de door Stichting Sothal voor donderdag 05 september 2013 aangekondigde openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen genoemd onder sub 5 van het verzoekschrift, totdat in en door de eisers aanhangig te maken rechtsgeding zal zijn beslist;
b. Stichting Sothal te veroordelen in de proceskosten.

Subsidiair:
a. de stopzetting c.q. opschorting te gelasten van de door Stichting Sothal voor donderdag 05 september 2013 aangekondigde openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen genoemd onder sub 5 van het verzoekschrift, totdat door Stichting Sothal op rechtsgeldige wijze de akte van geldlening en hypotheekstelling is betekend zijnde het bedrag groot Nf. 200.000,- althans de tegenwaarde in euro’s vermeerderd met een rente van 2% per maand vanaf 14 mei 2001 tot en met 14 mei 2002 conform de akte van geldlening;
b. Stichting Sothal te veroordelen in de proceskosten.

De eisers stellen daartoe het volgende:
3.2 De eisers moesten het ter leen ontvangen bedrag terugbetalen binnen een jaar met bijbetaling van rente. Niet is overeengekomen dat de eisers na het verstrijken van de termijn van 1 jaar tevens rente verschuldigd zijn. Partijen hebben bovendien uitdrukkelijk de afspraak gemaakt dat na het verstrijken van het jaar geen rente zal zijn verschuldigd.

3.3 Na het verstrijken van de overeengekomen termijn heeft [verzoeker sub 3] de betalingen van het geleend bedrag aan Stichting Sothal aangeboden, echter deze heeft het bedrag niet geaccepteerd stellende dat zij tezijnertijd zou aangeven wanneer zij behoefte had aan het geldbedrag.

Stichting Sothal verweert zich als volgt:
3.4 Formeel verweer: [verzoeker sub 3] is onbevoegd onderhavige vordering in te stellen omdat de volmacht gedateerd 20 februari 1995 sedert 23 maart 2009 bij notariële akte is ingetrokken.

3.5 Materieel verweer: De rentevergoeding loopt door totdat de hoofdsom integraal is afgelost.

3.6 Op verdere stellingen van de eisers en weren van Stichting Sothal komt de kantonrechter hierna, voor zover nodig, terug.

4. De beoordeling van de vordering

4.1 Het spoedeisend belang van de eisers bij de ingestelde vordering is in voldoende mate gebleken uit zijn stellingen nu het betreft een op handen zijnde openbare verkoop.

4.2 Tijdens het mondeling afpleiten ter terechtzitting hebben eisers aanvulling van hun eis gevorderd en wel met bovenstaande genoemd onder 3.1 onder de kop: subsidiair. Stichting Sothal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter overweegt ter zake het volgende. Het artikel 109 Rv. biedt de eiser de bevoegdheid om tot de afloop van de zaak zijn eis te wijzigingen of te verminderen. Deze mogelijkheid van wijziging van eis wordt begrensd door de eisen van een goede procesorde. De wederpartij kan bezwaar maken tegen een eiswijziging als hij vindt dat die grens overschreden wordt. De rechter kan die grens ook ambtshalve bewaken. De gedaagde kan zich tegen een wijziging of vermeerdering verzetten wanneer hij daardoor in zijn verdediging onredelijk wordt bemoeilijkt of het geding daardoor onredelijk wordt vertraagd.

4.3 De kantonrechter oordeelt ter zake dat Stichting Sothal niet in haar verdediging onredelijk is bemoeilijkt of dat het geding daardoor onredelijk is vertraagd. Voorts verbiedt het voornoemd artikel de eiser nochtans het onderwerp van de eis te veranderen of te vermeerderen. Aan dit laatste bezondigen de eisers zich niet doordat de grondslag van hun eis, zijnde de vermeende onrechtmatigheid van de voor handen zijnde openbare verkoop, ongewijzigd is gebleven. Het verzoek van de eiser tot wijziging van het petitum zal als zijnde niet strijdig met de wet en niet strijdig met een goede procesorde, toegewezen worden.

4.4 Ter zake het door Stichting Sothal gevoerd formeel verweer betrekking hebbende op de onbevoegdheid van [verzoeker sub 3] om de vordering in te stellen overweegt de kantonrechter het volgende. Blijkens de door Stichting Sothal overgelegde en niet door de eisers betwiste notariële akte d.d. 23 maart 2009 verleden bij notaris J.R.K. Vishnudatt, hebben de [eisers sub 1 en 2] alle volmachten, meer in het bijzonder de volmacht van 20 februari 1995, per voornoemde datum ingetrokken. Vermeende onbekendheid van [verzoeker sub 3] hiermee doet hieraan niet af. Vanwege de ingetrokken volmacht ontbeert [verzoeker sub 3] de bevoegdheid namens de [eisers sub 1 en 2] de vordering in te stellen. Hij zal voor wat betreft die vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

4.5 Ter zake de vraag of [verzoeker sub 3] wel bevoegd is in persoon de vordering in te stellen overweegt de kantonrechter dat [verzoeker sub 3] door de koop een relatief recht heeft verkregen dat hij als koper alleen tegen de verkopers kan inroepen. Bij de levering zou hij een zakelijk recht in dezen het eigendomsrecht verkrijgen en wel – ex het artikel 670 BW– op het moment van het doen overschrijven van de koopakte in de daartoe bestemde openbare registers van het hypotheekkantoor. De levering van de gekochte onroerende goederen heeft echter niet plaatsgevonden. In deze kan worden gesproken van het verkrijgen van economische eigendom hetgeen aan [verzoeker sub 3] toekomt welke moet worden onderscheiden van het juridisch eigendom dat nog in handen is van de [eisers sub 1 en 2]. Volgens de Hoge Raad (HR 5 maart 2004, NJ 2004, 316) wordt met het begrip doorgaans gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben. Als economische eigenaar die recht heeft op de levering en er belang bij heeft dat de door hem opgekochte percelen niet in het openbaar worden verkocht dient [verzoeker sub 3] geacht te worden een legitiem belang te hebben bij het instellen van de vordering en dient hij daarin in persoon procederende dan ook ontvankelijk verklaard te worden. Temeer daar hij te kennen heeft gegeven de leensom te willen betalen en het voor Stichting Sothal niet uitmaakt wie deze betaalt.

4.6 Thans de vraag wat uitgaande van de geldleenovereenkomst met hypotheekstelling aan Stichting Sothal dient te worden betaald. In de litigieuze notariële akte van geldlening en hypotheekstelling d.d. 14 mei 2010 is voor zover van belang het volgende opgenomen: “1. dat de gemelde som van Nf. 200.000,- zal worden terugbetaald binnen een jaar na heden met bijbetaling ener rentevergoeding berekend tegen twee (2) procent per maand. Echter dient de rente elke maand te worden voldaan…”. De opvatting van [verzoeker sub 3] is dat niet is overeengekomen dat de eisers na het verstrijken van de termijn van 1 jaar tevens rente verschuldigd zijn. De kantonrechter overweegt ten aanzien hiervan dat nu onduidelijk is welke renteverplichtingen uit de overeenkomst voortspruiten, nagegaan dient te worden welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de contractsbepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De kantonrechter is van oordeel dat het ongebruikelijk is dat partijen overeenkomen dat rentevergoeding slechts voor een beperkte periode geldt en niet tot wanneer de lening volledig is afbetaald. Daarenboven zouden partijen volgens [verzoeker sub 3] uitdrukkelijk de afspraak hebben gemaakt dat na het verstrijken van het jaar geen rente verschuldigd zou zijn. Na de betwisting van dit laatste door Stichting Sothal heeft [verzoeker sub 3] dit niet aannemelijk kunnen maken. Aan dit verweer dient derhalve voorbij gegaan te worden. Gegeven het bovenstaande mocht Stichting Sothal in redelijkheid ervan uitgaan dat de rentevergoeding verschuldigd was totdat de hoofdsom was afgelost en redelijkerwijs verwachten dat dat ook de zienswijze van [verzoeker sub 3] was.

4.7 Aan de stelling van [verzoeker sub 3] dat na het verstrijken van de overeengekomen termijn hij de betalingen van het geleend bedrag aan Stichting Sothal heeft aangeboden echter dat deze het bedrag niet accepteerde kan worden voorbijgegaan. [verzoeker sub 3] heeft geen verificatoren aangeboden om dit aannemelijk te maken en heeft ook niet, nadat het hem bekend was dat hij in elk geval tot betaling diende over te gaan – in elk geval na de aanzegging tot openbare verkoop – de betaling verricht van minstens de geldsom waarvan hij de mening was toegedaan dat hij dat bedrag wel aan Stichting Sothal verschuldigd was. De stelling van [verzoeker sub 3] dat hij onbekend was met eerdere aanzeggingen om tot openbare verkoop over te gaan, gaat niet op. Blijkens de overgelegde aanzeggingen (productie 3, 4 en 5 van de conclusie van antwoord) zijn deze aan [verzoeker sub 3] (productie 4) en aan de [eisers sub 1 en 2] (productie 3 en 5) betekend. Evenwel was de betekening aan [verzoeker sub 3] niet van node nu hij zelf geen partij was bij de geldleenovereenkomst – de overeenkomst is niet mede in persoon gesloten – en hij geen juridische eigenaar van de percelen was en is.

4.8 Nu vaststaat – als bovenoverwogen – dat leensom aangevuld met rente uitgaande van de geldleenovereenkomst met hypotheekstelling niet is afbetaald – ook niet het bedrag dat [verzoeker sub 3] erkent – komt Stichting Sothal het recht toe om overeenkomstig het artikel 1207 BW tot openbare verkoop over te gaan en zullen de vorderingen van [verzoeker sub 3] ter zake stopzetting c.q. opschorting van de door Stichting Sothal voor donderdag 05 september 2013 aangekondigde openbare verkoop van de litigieuze onroerende goederen, worden afgewezen.

4.9 De kantonrechter zal gegeven het bovenstaande op de overige stellingen en weren van partijen niet ingaan nu deze hem niet langer relevant voorkomen en [verzoeker sub 3] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen overeenkomstig artikel 59 juncto 61 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. De beslissing in kort geding
De kantonrechter:

5.1 verklaart [verzoeker sub 3] niet ontvankelijk in zijn vordering ingesteld in de hoedanigheid van gemachtigde van de [eisers sub 1 en 2];

5.2 wijst de vorderingen van [verzoeker sub 3] in persoon ingesteld, af;

5.3 veroordeelt [verzoeker sub 3] in de proceskosten aan de zijde van Stichting Sothal gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 200,- (tweehonderd Surinaamse dollar).

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op woensdag 05 september 2013 door de kantonrechter, het lid-plaatsvervanger van het Hof van Justitie in het eerste Kanton mr. R.M. Praag te Paramaribo in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. S.P. Andea.

w,g, S.P. Andea w.g. R.M. Praag

SRU-K1-2016-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

E.K.-A.R.no. 14-5347
23 mei 2016

Vonnis inzake:

[eiseres],
wonende aan de [adres 1] in het [district],
eiseres,
gemachtigde: I.D. Kanhai, BSc., advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende aan de [adres 2] in het [district],
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.S.N. Adhin, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis uit.

1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 11 december 2014 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de mondelinge conclusie van eis;
– de schriftelijke conclusie van antwoord;
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusie van dupliek met een productie;
– de schriftelijke conclusie tot uitlating productie;
– de rolbeschikking d.d. 25 januari 2016 gegeven, waarbij een comparitie van partijen is gelast voor het inwinnen van inlichtingen;
– het proces-verbaal van de gehouden comparitie van partijen d.d. 14 maart 2016;
– de conclusies tot uitlating na gehouden comparitie van partijen.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. De feiten
2.1 Partijen zijn op 09 mei 2013 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met elkaar in het district Saramacca bij akte no. 10, folio no. 19/20.

2.2 Door het huwelijk tussen partijen is het navolgend thans nog minderjarig kind gewettigd:
– [naam], geboren op 11 december 2012 te [district].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer
3.1 Eiseres vordert – kort samengevat – dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– de echtscheiding zal worden uitgesproken tussen partijen, met alle wettelijke gevolgen van dien, met bepaling van plaats en tijd waar en waarop het familieverhoor zal plaatsvinden en de hoogte van de door gedaagde te betalen alimentatie zal worden vastgesteld;
– de scheiding en deling te gelasten van de huwelijksgoederengemeenschap, met de gebruikelijke nevenvoorzieningen.

3.2 Eiseres legt aan haar vordering, naast voormelde feiten, ten grondslag –zakelijk weergegeven en in zoverre ten deze van belang- dat voornoemd huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht vanwege het feit dat er reeds geruime tijd spanningen zijn gerezen tussen partijen door de schuld van gedaagde en dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan overspel, waardoor het contact tussen partijen dusdanig is verstoord dat samenwonen met gedaagde onmogelijk is geworden. Partijen wonen aldus vanaf 14 november 2014 niet meer samen. Eiseres stelt voorts dat zij behoeftig is en gerechtigd is van gedaagde te vorderen dat hij alimentatie betaalt ter voorziening in het levensonderhoud van het minderjarig kind.

3.3 Gedaagde heeft verweer gevoerd op welk verweer de kantonrechter –voor zover voor de beslissing van belang- in het hierna volgende zal terug komen.

4. De beoordeling
4.1 Gedaagde ontkent dat de gestelde duurzame ontwrichting aan hem gelegen is, aangezien hij zowel tijdens de samenwoningsrelatie als tijdens het huwelijk tussen partijen, zich altijd alle inspanningen heeft getroost om datgene te doen wat van een verantwoorde, liefdevolle partner/echtgenoot verwacht kan/mag worden, doch veranderde op gegeven moment de houding van eiseres tegenover hem. Hiertoe voert hij aan dat eiseres het stuk terrein waarop de echtelijke woning is opgezet uit een lening waarbij gedaagde zijn moeders woning is bezwaard en waarop aflossingen worden gepleegd door gedaagde middels maandelijkse inhouding op zijn salaris, door aar ouders aan eiseres is geschonken onder het beding van uitsluiting uit de huwelijksgoederengemeenschap. Ook voert eiseres heimelijke gesprekken met haar mobiel en verstuurd zij berichtjes naar een voor gedaagde onbekende persoon. Voorts heeft een DNA-onderzoek uitgewezen dat het minderjarig kind niet zijn biologisch kind is, terwijl eiseres zelf ook een baan heeft bij Staatsolie, zodat zij niet behoeftig is. Op grond van het voorgaande dient de vordering van eiseres volgens gedaagde ingevolge artikel 263 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden afgewezen, nu de ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate aan haar te wijten is geweest.

4.2 Eiseres ontkent dat de duurzame ontwrichting aan haar gelegen is onder aanbod van bewijs, omdat het volgens haar gedaagde is die reeds enige tijd de echtelijke woning heeft verlaten. Hiermee is volgens eiseres ook de schuldvraag beantwoord. Het overig door gedaagde aangevoerde is volgens eiseres niet relevant in casu. Eiseres voert verder aan dat gedaagde dient te weten welke actie hij moet ondernemen indien hij van mening is dat hij niet de biologische vader van het kind is. Tot dan rust op hem de zorgplicht.

4.3 Gedaagde persisteert bij het door hem aangevoerde bij conclusie van antwoord en beroept zich uitdrukkelijk op artikel 263 BW. Gedaagde voert aan dat de gestelde feiten en omstandigheden hem ertoe hebben genoopt om de echtelijke woning te verlaten, zodat dit niets te maken heeft met de schuldvraag. Gedaagde ontkent dat hij voor het huwelijk wist dat het minderjarig kind niet van hem was. Zulks heeft zij moedwillig voor hem verzwegen om dan in het huwelijksbootje met hem te stappen, maar niet voordat ze hem ertoe heeft gekregen de minderjarige eerst te erkennen. Gedaagde voert ten slotte aan dat hij maandelijks reeds USD 362,- van zijn salaris wordt ingehouden voor de aflossing van de schuld en dient hij ook in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

4.4 Eiseres voert hiertegen aan dat vaststaat dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht, weshalve er voor partijen geen weg terug meer mogelijk is, terwijl gedaagde er niet in is geslaagd het door hem gestelde, als zou de ontwrichting in overwegende mate aan eiseres te wijten zijn geweest, aan te tonen. Het beroep op artikel 263 BW gaat derhalve volgens eiseres niet op.

4.5 De vrouw stelt zich op het standpunt dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht omdat de man de echtelijke woning heeft verlaten, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat hij de echtelijke woning heeft verlaten door toedoen van de vrouw, omdat zij met name voor hem had verzwegen dat het minderjarig kind niet van hem was. De kantonrechter overweegt dat uit de comparitie van partijen is gebleken dat partijen vanaf 2009 samenwoonden en dat het kind geboren is op 11 december 2012, terwijl partijen zijn gehuwd op 09 mei 2013. Tevens is komen vast te staan dat de man de echtelijke woning heeft verlaten op of omstreeks 14 november 2014, terwijl de man de vaderschapstest heeft laten uitvoeren op 30 juni 2014. Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van het bovenstaande komen vast te staan dat de man de echtelijke woning heeft verlaten nadat hij bekend was geworden met het feit dat hij niet de verwekker van het minderjarig kind was, waardoor naar het oordeel van de kantonrechter is komen vast te staan dat de spanningen tussen partijen zijn ontstaan als gevolg van handelingen van de vrouw, weshalve de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen in overwegende mate te wijten is geweest aan de vrouw.

4.6 Nu de vrouw na gehouden comparitie van partijen blijft persisteren dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan haar te wijten is geweest, omdat de man vanaf het begin c.q. vóór het huwelijk tussen partijen, wist dat het minderjarig kind niet van hem was althans niet door hem verwekt was en hij ook op de hoogte was van de relatie van de vrouw met de verwekker van het minderjarig kind, zal zij conform bewijsaanbod worden toegelaten tot tegenbewijs, door alle middelen rechtens, zoals geformuleerd in de beslissing.

4.7 Hangende de bewijsopdracht zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing
De Kantonrechter:

5.1 Laat gedaagde toe tot bewijs, door alle middelen rechtens meer in het bijzonder door getuigenverhoor, van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen niet in overwegende mate aan haar te wijten is geweest, omdat de man vanaf het begin c.q. vóór het huwelijk tussen partijen, wist dat het minderjarig kind niet van hem was althans niet door hem verwekt was en hij ook op de hoogte was van de relatie van de vrouw met de verwekker van het minderjarig kind.

5.2 Bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden op maandag 13 juni 2016, om 11.00 uur des voormiddags in de enquêtezaal in het gebouw van de griffie der kantongerechten aan de Grote Combéweg no. 2 te Paramaribo.

5.3 Bepaalt dat indien de te horen getuigen de Nederlandse taal niet machtig zijn, partijen er zorg voor dienen te dragen dat een beëdigde tolk ter enquête aanwezig is om hen bij te staan voor de vertolking van al hetgeen ter enquête wordt verklaard in een voor hun verstaanbare taal.

5.4 Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.S. Nanhoe-Gangadin, kantonrechter in het Eerste Kanton, lid-plaatsvervanger, ter terechtzitting te Paramaribo van maandag 23 mei 2016, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. O.S. Apai.

SRU-K1-2009-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 062745
14 april 2009

Vonnis in de zaak van:

– [eiser 1];
– [eiser 2];
– [eiser 3];
– [eiser 4];
allen wonende in het [district],
eisers;
gemachtigde: mr. E.A. Glunder, advocaat,

ca

A. DE STAAT SURINAME, met name het Ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen thans geheten Ruimtelijke Ordening Grondbeleid en Bosbeheer, vertegenwoordigd wordende door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie,
kantoorhoudende te Paramaribo,

B. [gedaagde sub B],
wonende in het [district],
gedaagden,
gemachtigde voor gedaagde sub A: mr. A. Mangroelal, advocaat,
gemachtigde voor gedaagde sub B: mr. M. Tjon Jaw Chong, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

– het verzoekschrift dat op 6 juli 2006 ter Griffie der Kantongerechten is ingediend;

– de conclusies van antwoord zijdens gedaagden;

– de conclusie van repliek met producties;

– de conclusies van dupliek zijdens gedaagden.

1.2 De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 Eisers zijn erfgenamen van de op 29 januari 1966 overleden [naam 1] (hierna de erflater).

2.2 Bij overeenkomst gedateerd 17 mei 1952 is aan de erflater in huur afgestaan het perceelland groot 2,3 ha gelegen te [plaats] in het [district], bekend als serie [nummer 1].

2.3 Gedaagde sub A heeft aan gedaagde sub B delen van het voornoemd perceel in grondhuur afgestaan te weten:

– bij beschikking dd. 24 januari 2006 [nummer 2]: het perceeland groot 0,3433 ha gelegen in het [district] aan de [weg] te [plaats] en deel uitmakende van het perceel bekend als [plaats] Serie [nummer 1], thans bekend als [plaats] serie [nummer 3] en

– bij beschikking dd. 24 januari 2006 [nummer 4]: het perceelland groot 1013,26 m² gelegen aan de [weg] te [plaats] in het [district] en deel uitmakende van het perceelland bekend als [plaats] Serie [nummer 1], thans bekend als [plaats] serie [nummer 5].

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 Eisers vorderen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging van eis: voor recht te verklaren dat zij door erfopvolging huurpachters zijn geworden van het perceel.

3.2 Eisers stellen dat zij reeds langer dan 54 jaar het perceelland bewonen en bewerken. Zij betogen dat door de uitgifte van delen van het perceel aan gedaagde sub B, gedaagde sub A onzorgvuldig heeft gehandeld jegens hen en voorts ook in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het hoorbeginsel.

3.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van de gedaagden in de beoordeling.

4. De beoordeling

4.1 Terecht wordt door gedaagde sub B aangevoerd dat het recht van huur, een persoonlijk recht is en dus niet vatbaar is voor vererving. Immers ingevolge artikel 10 lid d van de onder 2.2. genoemde overeenkomst eindigt die onder meer bij het overlijden van de huurder, in casu de erflater. Aangezien tussen partijen rechtens vast staat dat de erflater is overleden, is hiermee ook komen vast te staan dat de huurovereenkomst tussen partijen (de Staat en de erflater) is beëindigd. Het gevolg is dat het perceel terugkeert in de boezem van gedaagde sub A, en is laatstgenoemde in beginsel dus vrij om het perceel aan een derde (ook al is die geen erfgenaam) af te staan. In dit geval zou gedaagde sub A slechts gehouden zijn de waarde van de beterschap op het perceel te vergoeden aan de erfgenamen. In het onderhavig geval, zal daarop niet worden ingegaan aangezien dat geen deel uitmaakt van het gevorderde.

4.2 Anders zou het zijn indien blijkt dat erfgenamen op een eerder moment dan die derde het perceel in grondhuur zou hebben aangevraagd, en gedaagde sub A zonder een daartoe verontschuldigbare reden, toch ertoe zou zijn overgegaan om het perceel aan die derde af te staan. Gesteld noch gebleken is dat in casu er sprake is daarvan, zodat van het tegendeel wordt uitgegaan.

4.3 Het voorgaande brengt met zich mee dat het gevorderde dient te worden afgewezen. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

5. De beslissing

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt eisers in de proceskosten aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspaak begroot op nihil.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op dinsdag 14 april 2009 door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier, mr. J. Dipokromo-Foort.

w.g. J. Dipokromo-Foort. w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran

SRU-K1-2011-4

KANTONRECHTER IN KORT GEDING

A.R. no. 094228
10 maart 2011

Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van

N.V. GRANAAT, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
gemachtigde: mr. L.E. Palmburg, advocaat,
eiseres in conventie en gedaagde in reconventie in kortgeding,

tegen

[gedaagden],
wonende te [district],
gedaagden in conventie en eisers in reconventie in kortgeding,
gemachtigde: mr. dr. J.V. van Dijk-Silos, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 15 april 2010.

1. Het verdere proces verloop:

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:
– Het procesverbaal van de terechtzittingen van 17 augustus – 7 oktober – en 2 december 2010, aangetekend op de kaft van het proces-dossier;
– De conclusie tot uitlating schikking zijdens gedaagde in conventie.

1.2 De uitspraak van het vonnis in kortgeding is nader bepaald op heden.

2. De feiten, de vordering en de grondslag daarvan

Hiervoor verwijst de kantonrechter naar bovenvermeld tussenvonnis.

3. De beoordeling

3.1 De kantonrechter overweegt dat gedaagden in conventie, na de brief van 17 augustus waarin eiseres in conventie haar vordering intrekt een conclusie hebben genomen, waarin zij aangaven dat zij niet accoord gaan met de intrekking. Hierna heeft eiseres in conventie op 2 december 2010 een conclusie genomen, waarin zij zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechter omtrent de intrekking.

3.2 De kantonrechter overweegt dat partijen thans twisten over de vraag of eiseres de zaak mag intrekken zonder dat gedaagden daar toestemming voor geven. Indien ervan uit zou worden gegaan dat eiseres met “intrekken” bedoelt dat zij afstand doet van instantie, dan zou het volgende gelden: (Vide: het handboek Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht Hugenholtz/Heemskerk, 13e druk, 1982, pagina 162 § 158) “Heeft gedaagde voor antwoord geconcludeerd dan kan eiser niet meer eigenmachtig afstand van instantie doen. De toestemming van gedaagde is daarvoor nodig. Gedaagde zal die doorgaans wel geven op voorwaarde dat eiser zijn kosten betaalt. Hij kan echter ook verlangen dat er een vonnis wordt gewezen. Afstand van instantie is een intrekking en ongedaanmaking van de ingestelde rechtsvordering. De afstand heeft van rechtswege herstel van de toestand voor de dagvaarding tot gevolg.”

3.3 De kantonrechter overweegt dat uit de conclusie van eiseres echter begrepen moet worden dat zij geen afstand van instantie doet doch haar “vordering intrekt”.

3.4 De kantonrechter overweegt met betrekking tot ”de intrekking van de vordering” dat die proces-handeling niet in de wet is geregeld, doch wel door de rechtspraak wordt erkend en zich ook in de rechtspraak heeft ontwikkeld, in die zin dat in de rechtspraak is afgebakend wat onder “intrekking van de vordering” moet worden verstaan en wat de rechtsgevolgen van deze rechtshandeling zijn. Deze rechtshandeling heeft als voornaamste verschil met de afstand van instantie, dat bij de afstand van instantie herstel komt in de oude toestand tussen partijen, als vóór de dagvaarding en dat bij een intrekking van de vordering, de toestand tussen partijen er één wordt waarbij de eiseres nimmer meer een dergelijke vordering tegen gedaagden mag indienen, waarbij eiseres haar rechten voor wat de vordering betreft prijsgeeft.

3.5 De kantonrechter overweegt dat in de rechtspraak (vide NJ 1948 no. 753) aan het intrekken van de vordering de volgende consequentie is verbonden: “deze intrekking verstaat als een verklaring van eiseres, dat zij de gronden waarop haar in conventie gedane vordering steunt, niet verder handhaaft”; en in 1958 (NJ 1958, 519): “dat …. de rechtbank deze intrekking zo opvat, dat de vrouw de gronden waarop haar vordering steunt niet langer handhaaft en derhalve haar vordering moet worden ontzegd”. De kantonrechter verwijst ook naar NJ. 1965, 396”…dat het de man gedurende het geding vrijstond afstand te doen van zijn vorderingsrecht, hetgeen hij naar het oordeel van de Rb. heeft gedaan; dat zulks andere rechtsgevolgen medebrengt dan het doen van afstand van instantie; dat zijn vordering, nu hij die niet gehandhaafd heeft, hem dient te worden ontzegd”. De kantonrechter verwijst ook naar NJ.1965, 396: “…dat het de man gedurende het geding vrijstond afstand te doen van zijn vorderingsrecht, hetgeen hij naar het oordeel van de Rb. heeft gedaan; dat zulks andere rechtsgevolgen medebrengt dan het doen van afstand van instantie; dat zijn vordering, nu hij die niet gehandhaafd heeft, hem dient te worden ontzegd. Tenslotte verwijst de kantonrechter naar het Compendium van het Burgerlijk Procesrecht (6e druk, mr. P.A. Stein, 1985 pag. 107 e.v.): “Heeft de eiser afstand van instantie gedaan, dan kan hij dezelfde kwestie opnieuw door dagvaarding aanhangig maken. Heeft hij echter, na de conclusie van antwoord, de eis zonder toestemming van de gedaagde ingetrokken, dan kan hij niet opnieuw in dezelfde kwestie dagvaarden, daar hij geacht moet worden door zodanige intrekking voorgoed zijn recht te hebben prijsgegeven.”

3.6 Gezien de wijze waarop door de rechtspraak met de rechtshandeling “intrekking van de vordering” omgaat zal de kantonrechter over de gevraagde intrekking positief beslissen en de consequentie daaraan verbinden die de rechtspraak heeft verbonden, namelijk dat de intrekking wordt verstaan als een verklaring van eiseres dat zij de gronden waarop haar vordering steunt niet langer handhaaft, waardoor de kantonrechter haar de vordering zal ontzeggen.

3.7 De kantonrechter zal de overige stellingen en weren van partijen niet verder bespreken nu deze niet langer relevant zijn en eiseres veroordelen in de kosten van het geding.

4. De beslissing
In het incident

4.1 Verstaat dat eiseres haar vordering heeft ingetrokken;

In de hoofdzaak
In conventie

4.2 Ontzegt eiseres het gevorderde;

4.3 Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding aan de zijde van gedaagden gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus in kortgeding gewezen door me. A.C. Johanns, kantonrechter-plaatsvervanger in kortgeding, en uitgesproken door mr. R.G. Rodrigues, kantonrechter in het eerste kanton te Paramaribo van donderdag 10 maart 2011, in tegenwoordigheid va mr. L.J. Bossé, substituut-griffier.

 

w.g. L.J. Bossé, w.g R.G. Rodrigues

SRU-K1-2011-3

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 113114
24 november 2011

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiseres],
wonende te [district],
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. K.J. Kraag-Brandon, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. S. Marica, advocaat.

1. Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken:

– het verzoekschrift dat op 19 juli 2011 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

2.1 Eiseres vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagde:

  • om binnen 2 dagen na de uitspraak bij de exploitanten van facebook een schriftelijk verzoek ingediend te hebben tot het verwijderen en verwijderd houden van de op facebook gepubliceerde berichten zoals in het verzoekschrift omschreven en alle reacties daarop, en de procesgemachtigde van eiseres gelijktijdig afschrift van dat schriftelijk verzoek te doen;
  • om gedurende 24 uur per dag op elke kalenderdag gedurende twee maanden op de eerst zichtbare pagina van een door gedaagde te (her)openen profiel op ….., zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media, omgeven door een zwart kader, in zwarte letters met het lettertype Arial in puntsgrootte 12 op een witte achtergrond de volgende tekst te ondertekenen en te plaatsen en eiseres daarvan op elke kalenderdag gedurende genoemde periode per e-mail of per fax het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën) van onderstaande tekst te leveren:“RECTIFICATIE INZAKE [eiseres]
    Ik ben gebruiker van een Facebook profiel. Mijn naam is [gedaagde], wonende aan de [adres] te [district]. In een publicatie op mijn Facebookprofiel heb ik in april 2011 [eiseres], studente, opzettelijk ervan beschuldigd een buitenechtelijke relatie met mijn echtgenoot te onderhouden. Ook de overige opmerkingen en insinuaties jegens [eiseres] zijn onjuist en onwaar, althans berusten niet op waarheid en vormen en maken een ernstige inbreuk op de eer, goede naam en maatschappelijke reputatie van [eiseres]. Hierbij rectificeer ik mijn publicatie op facebook en geef ik [eiseres] onherroepelijk toestemming tot publicatie en verspreiding van deze rectificatie.Paramaribo, dd. …..”
  • tot betaling van een dwangsom van SRD 2.000,= per dag voor elke dag waarop gedaagde nalatig mocht blijven aan het vonnis te voldoen.

2.2 Eiseres heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag:

Gedaagde is op 27, 28 en 29 april 2011 publiekelijk op het internet in een weblog op haar, gedaagdes, Facebookprofiel een lastercampagne tegen eiseres begonnen door berichten en uitlatingen over haar te plaatsen en heeft derden de gelegenheid geboden daarop te reageren. Met de door haar gedane uitlatingen op facebook heeft gedaagde de kennelijke bedoeling gehad de goede naam en maatschappelijke reputatie van eiseres aan te tasten. Niet alleen de door gedaagde gedane uitlatingen worden als vernederend en beledigend door eiseres ervaren, maar ook de door gedaagde daarbij uitgelokte reacties op facebook. Eiseres is van mening dat gedaagde door haar handelingen zich heeft schuldig gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens haar.

2.3 De kantonrechter komt indien nodig terug op het verweer van gedaagde.

3. De beoordeling

3.1 Het spoedeisend karakter blijkt uit de stellingen van eiseres en het door haar gevorderde.

3.2 Als enerzijds gesteld en niet, althans niet gemotiveerd, weersproken staat rechtens tussen partijen vast:

– dat gedaagde onder meer de volgende passages heeft geplaatst op haar facebook profiel:

“[Eiseres] schatje, je kan liever een man zoeken die vrijgezel is, ipv eentje die getrouwd is en een gezin heeft kindje. Heb een beetje meer respect voor jezelf. Gewoon posten of fb dan weet iedereen wie wie is.

Hoe zijn jullie zo agressief dames? Ik sla of schiet niemand…..geen behoefte. Ik zei alleen alles op FB! Love it…

Don’t be so hard on the kid. Ze is de wereld aan het ontdekken en ik waarschuw haar alleen maar. Zo kunnen we voorkomen dat gezinnen kapot gaan en kinderen daar de prijs voor betalen.

Dames takroe maniri na dresi. Ze zoeken, zoeken, en zoeken maar tot ze een slachtoffertje hebben gevonden die ze kunnen plunderen. En als ze 1 vinden met 5 cent meer, zijn ze weer vertrokken… ze belde… Waarschijnlijk ivm mijn actie of FB. Maar niet te woord gestaan want wat heb ik haar te zeggen? Guess what.. Slettelientjes zijn niet van mijn niveau, ze is geen gesprekspartner voor mij…”

– Dat op de door gedaagde geplaatste passages ondermeer de volgende reacties zijn gekomen:

“Hoe heet ze???? [eiseres] Hossel-bitch”.

Kinderen worden steeds meer brutaler en vrij(er)postiger!. Ze kunnen nog niet eens een pot met water koken, willen ze in je keuken komen kijken.. stuur ze om lonka te kopen bij omu snesi hoor!!!

Palm wassie no go yep a disi.

[gedaagde] zullen we een billboard maken van haar met I’m desperate en ben haastig op zoek naar een getrouwde man! Dan hoef ze geen reclame meer te maken voor Digicel (ze is nl op e billboard samen met haar mams. Ik denk dat t s a d [locatie]….”.

3.3 Toewijzing van de vorderingen van eiseres, waaronder die tot het plaatsen van een rectificatie, zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke beperking is ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 genoemde belangen, waaronder de bescherming van de goede naam of rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn.

4.4 Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van gedaagde onrechtmatig zijn in de zin van artikel 1386 BW (Burgerlijk Wetboek). Bij beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, dienen alle omstandigheden van het betrokken geval in ogenschouw te worden genomen.

Eiseres heeft gesteld dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld aangezien (zo begrijpt de kantonrechter dat) de beschuldigingen aan haar adres een aantasting vormen van haar reputatie.

Gedaagde betoogt – zover van belang – dat zij toen zij merkte dat haar echtgenoot in het geheim mailtjes verstuurde naar eiseres en ook zeer in het geheim met eiseres telefoongesprekken pleegde, ter noodzakelijke verdediging van zich zelf en de rest van haar gezin, haar facebook vrienden de inhoud van de mailtjes van eiseres heeft doen lezen en haar vrije mening geuit tegenover haar vrienden.

Uit de berichten blijkt onder meer dat eiseres voor “slettelientje”en “Hosselbitch”wordt uitgemaakt, zonder dat dit steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Ook indien het verweer van gedaagde dat, haar echtgenoot in het geheim mailtjes verstuurde naar eiseres en ook zeer in het geheim met eiseres telefoon gesprekken pleegde, op waarheid zou berusten, kunnen deze berichten niet worden gerechtvaardigd.

Dergelijke beschuldigingen kunnen zonder enige twijfel als een aantasting van eiseresses reputatie worden aangemerkt.

Voldoende aannemelijk is dat eiseres door de berichten, meer in het bijzonder door de hiervoor genoemde woorden, schade heeft geleden en voor zover deze nog steeds op het facebook profiel van gedaagde te zien zijn, nog lijdt. Een rectificatie van de berichten is dan ook op zijn plaats. De kantonrechter zal afwijken van de door eiseres opgegeven rectificatie, en wel zoals in het dictum te melden. In het licht van de af te wegen belangen wordt dat in de gegeven omstandigheden een proportionele maatregel geacht. Het belang van gedaagde om niet te worden beknot in haar vrijheid van meningsuiting weegt, mede in het licht van de beperkte strekking van de te plaatsen rectificatie, in dit geval niet op tegen het belang van eiseres om gevrijwaard te blijven van ongegronde beschuldigingen.

4.5 Het verweer van gedaagde dat haar facebook vrienden niet behoren tot het publiek, maar slechts een besloten kring is, wordt eveneens gepasseerd.

Gedaagde heeft niet weersproken dat haar facebook vriendenkring bestaat uit meer dan 1900 personen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dit aantal meer dan voldoende om te worden gerekend tot het publiek.

4.6 Naast rectificatie heeft eiseres verwijdering van de berichten gevorderd. Gezien de strekking van de inhoud van de berichten, waarbij eiseres voor onder meer “slettelientje” en “Hosselbitch” wordt uitgemaakt, wordt de inhoud van het artikel onrechtmatig jegens eiseres geacht en is ook de gevorderde verwijdering toewijsbaar als na te melden.

4.7 Op grond van het voorgaande behoeven de overige stellingen en weren van partijen geen nadere bespreking.

4.8 De gevorderde dwangsom zal worden gemitigeerd en gemaximeerd nu deze de kantonrechter bovenmatig voorkomt.

5. De beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis bij de exploitanten van facebook een schriftelijk verzoek in te dienen tot het verwijderen en verwijderd houden van de op facebook gepubliceerde berichten en alle reacties daarop, betrekking hebbende op eiseres.

5.2 Veroordeelt gedaagde om binnen 7 dagen na het verzoek zoals omschreven onder 5.1 hiervoor een afschrift van dat verzoek toe te zenden aan de gemachtigde van eiseres.

5.3 Veroordeelt gedaagde om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis gedurende 24 uur per dag op elke achtereenvolgende kalenderdag gedurende twee maanden op de eerst zichtbare pagina van een door gedaagde te (her)openen profiel op ….., zonder pop-ups en zonder enig commentaar op internet of in de gedrukte media in zwarte letters, met lettertype Arial in puntsgrootte 12 de volgende tekst te ondertekenen en te plaatsen en eiseres of diens gemachtigde op iedere kalenderdag gedurende genoemde periode per e-mail of per fax het bewijs van plaatsing (digitale screenshots of papieren kopieën), van onderstaande tekst te leveren:

RECHTIFICATIE INZAKE [eiseres]

Ik ben gebruiker van een facebook profiel. Mijn naam is [gedaagde]. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 24 november 2011 geoordeeld dat de door mij geplaatste berichten op mijn facebook profiel en de daarop gekomen reacties betrekking hebbende op [eiseres] onrechtmatig zijn jegens [eiseres], aangezien daarin de suggestie wordt gewekt dat zij een slet is. Deze suggestie vindt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen steun in het beschikbare feitenmateriaal.

Paramaribo, dd. …

[gedaagde]

5.4 Veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen bij wege van dwangsom een bedrag van SRD 1.000,= (duizend Surinaamse Dollar) per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen tot een maximum van SRD 50.000,= (vijftigduizend Surinaamse Dollar).

5.5 Verklaart het vonnis zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.

5.6. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter in kortgeding in het eerste kanton, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, en uitgesproken te Paramaribo ter openbare terechtzitting van donderdag 24 november 2011 door de kantonrechter in kort geding in het eerste kanton mr. A. Charan, in tegenwoordigheid van de fungerend-griffier mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. I.S. Chhangur-Lachitjaran
w.g. A. Charan

 

 

 

 

 

SRU-K1-2006-3

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. 021626
17 oktober 2006
S.S.H.W.

Vonnis inzake:

[eiser],
wonende te [district].
eiser,
gemachtigde: mr. B.A. HALFHIDE, advocaat

tegen

[gedaagde],
wonende te [district].
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.P. BOLDEWIJN, advocaat.

Dit vonnis bouwt voort op het vonnis gewezen en uitgesproken op 19 oktober 2004.

1. De verdere loop van de procedure

1.1 Die blijkt uit de volgende processtukken / – handelingen
– de comparitie van partijen gehouden op 21 december 2005 en de voortzetting daarvan op15 februari 2006,
– benoeming en beëdiging taxateur,
– overlegging taxatierapport,
– uitlating zijdens gedaagde m.b.t. overgelegde taxatierapport met productie,
– uitlating zijdens eiser m.b.t. overgelegde taxatierapport en uitlating overgelegde productie.

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Wanprestatie

Verbouwingen
2.1.1 Uit de stelling van eiser dat partijen waren overeengekomen dat gedaagde gedurende de eerste 5 jaren van de huurovereenkomst was vrijgesteld van verhoging van de huurpenningen om hem zodoende in de gelegenheid te stellen zijn investering in het gehuurde terug te verdienen, leidt de kantonrechter af dat er terzake de verbouwingen c.q. gepleegde renovatie wel sprake is geweest van goedkeuring c.q. medeweten van de rechtsvoorganger van eiser, ook indien deze toestemming achteraf zou zijn gegeven.De kantonrechter is het overigens eens met het verweer van gedaagde dat eiser bovendien niet heeft duidelijk gemaakt over welke verbouwingen hij zich beklaagt en of deze betrekking hebben op de periode voor of nadat hij eigenaar is geworden.Hierdoor heeft eiser dus niet voldaan aan zijn stelplicht. De kantonrechter gaat daarom aan deze stelling van eiser voorbij.Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen sprake van wanprestatie wegens handelen door gedaagde in strijd met artikel 6 van de huurovereenkomst.

Achterstand betaling huurpenningen
2.1.2 Eiser heeft, nadat gedaagde ontkende bij gebrek aan verificatoren een achterstand in de betaling te hebben van Nf. 673,37, zijn stellingen terzake niet nader gemotiveerd of onderbouwd. Dit mocht van hem worden verwacht nu onweersproken is dat eiser reeds bij schrijven van 11 maart 2002 aan gedaagde heeft gevraagd hem een officieel overzicht van de op de data van betaling gehanteerde koers van De SURINAAMSCHE BANK te doen toekomen, hetgeen hij heeft nagelaten, ook nadat gedaagde ten processe dat verzoek heeft herhaald. Hierdoor heeft eiser niet voldaan aan zijn stel- en motiveringsplicht en is niet komen vast te staan dat gedaagde over de periode 1997 tot en met 2000 de gestelde achterstand in de betaling heeft, welke achterstand zou zijn ontstaan door koersverschillen en onjuiste betalingen.Van wanprestatie zijdens gedaagde is ook op dit punt dan ook geen sprake.De kantonrechter overweegt bovendien dat, ook indien er sprake zou zijn van een achterstand als vermeld, deze wanprestatie van te geringe betekenis zou worden geacht om de ontbinding van de tussen partijen bestaande overeenkomst van huur en verhuur te kunnen rechtvaardigen.

2.1.3 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de primaire vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming worden afgewezen.

2.2 Huurprijs.

De verhoging
2.2.1 Partijen zijn in artikel 1 van de huurovereenkomst overeengekomen dat de maandelijkse huur van Nf. 200,- – per maart 2001 zou worden herzien. Gedaagde vordert dan ook met recht herziening van de huurprijs en wel met ingang van maart 2001. De kantonrechter zal krachtens artikel 7 van de Huurbeschermingswet 1949 de huurprijs vaststellen.

2.2.2 De benoemde deskundige adviseert in zijn rapport dat de huurprijs kan worden vastgesteld op US$. 900,- per maand.

Eiser vindt dit bedrag te laag doch refereert zich ten aanzien daarvan aan het oordeel van de kantonrechter. Gedaagde voert aan slechts Nf. 800,- per maand aan huur te kunnen betalen.

Nu partijen in hun overeenkomst de betaling van de huurpenningen in Nederlandse Gulden zijn overeengekomen en partijen op grond van deze overeenkomst hun rechtsrelatie voortzetten zal de kantonrechter de huurprijs in de thans geldende Nederlandse munteenheid uitdrukken.

Argumenten rapport deskundige.
Bijbouw / renovatie
2.2.3 De deskundige vermeldt in zijn rapport dat, voor wat betreft de staat waarin het gebouw zich bevond op het moment van de verhuur, er tussen partijen geen verschil van mening bestaat dat het pand is verhuurd zonder bijbouw aan de westelijke zijde van het gebouw, de nieuwe keuken op de begane grond en de door gedaagde aangelegde vloer van de tweede etage. Deze bijbouw is volgens de deskundige in overleg met partijen, bij het opmaken van het rapport, buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat de door gedaagde aangebrachte objectieve verbeteringen niet in de bepaling van de huurprijs zijn betrokken. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het bezwaar van gedaagde tegen het rapport dat de deskundige er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat het totale gebouw door hem is gerenoveerd.

Goodwill
2.2.4 Gedaagde voert tevens als argument aan dat de deskundige er ten onrechte van is uitgegaan dat de ”benefit die hij uit de exploitatie van het pand haalt, beïnvloed wordt door de naam Combe Bazaar” omdat die zaak reeds acht jaren gesloten was. Van overgenomen goodwill is dus geen sprake, aldus gedaagde. Eiser weerspreekt dit argument van gedaagde stellende dat de toen bestaande Combe Bazaar 5 jaren voordat de huurovereenkomst tussen partijen is aangegaan, is gesloten en dat de naam Combe Bazaar van het jaar haar 75 jarig bestaan zal vieren. De naam Combe Bazaar is gedurende deze jaren een begrip in de samenleving, aldus eiser.

Het argument van gedaagde terzake is niet steekhoudend. Immers gedaagde heeft zijn bedrijf opgezet onder de reeds door de rechtsvoorganger van eiser gebruikte naam ”Combe Bazaar”. De kantonrechter leidt hieruit af dat gedaagde met deze naamkeuze de bedoeling heeft gehad te profiteren van de goodwill van die zaak , ook indien deze reeds enige tijd was gesloten.

Marketing Mix
2.2.5 Het argument van gedaagde dat de bouw van Royal Torarica niet mag worden meegenomen bij de bepaling van de huurprijs snijdt hout nu vaststaat dat 7 jaar na aanvang van de huurovereenkomst nog geen aanvang is gemaakt met de bouw van dit hotel. De kantonrechter ziet hierin reden voor een beperkte afwijking van het deskundig advies.

2.3 Voor het overige zijn de aangevoerde argumenten voor afwijking van het deskundig advies niet steekhoudend.

2.4 Op grond van de rechtsoverwegingen onder 2.2 en rechtsoverweging 2.3 zal het subsidiair gevorderde in voege als na te melden worden toegewezen.

2.5 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen

3. De beslissing

3.1 Wijst af het gevorderde onder primair.

3.2 Veroordeelt gedaagde om met ingang van 1 maart 2001 met betrekking tot het pand gelegen aan de Kleine Combeweg no. 9 te Paramaribo, maandelijks tot aan het einde van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst van 7 november 1996, aan eiser te betalen het bedrag van Euro. 625 (zeshonderd en vijfentwintig Euro).

3.3 Verklaart dit vonnis tot zover vermeld sub 3.2 uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD. 40,75 (veertig Surinaamse Dollars en vijfenzeventig dollarcent).

3.5 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op dinsdag 17 oktober 2006 door de kantonrechter in het eerste kanton mr. D.D. SEWRATAN in tegenwoordigheid van de fungerend Griffier.

SRU-K1-2012-7

KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. 104963
24 april 2012

Beschikking inzake:

De naamloze vennootschap
DE SURINAAMSCHE BANK N.V
gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo,
hierna te noemen: DSB,
verzoekster,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

tegen

[gedaagde],
wonende te [district],
hierna te noemen [gedaagde],
verweerder,
gemachtigden: mr. F.F.P. Truideman en mr. N.B. Sang A Jong, advocaten.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:

  • het verzoekschrift dat op 30 november 2010 ter griffie der kantongerechten is ingediend;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • de conclusie van repliek met producties;
  • de rolbeschikking de dato 5 augustus 2011 waarbij er een verhoor van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de op 13 december 2011 gehouden verhoor, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van DSB en [gedaagde] bijgestaan door mr. N.B. San A Jong, één harer gemachtigden;
  • de conclusie tot uitlating zijdens DSB over het door [gedaagde] overgelegd exploit de dato 28 augustus 2009;
  • de conclusie tot overlegging overzicht netto loontegoeden zijdens [gedaagde];
  • de rolbeschikking de dato 10 april 2012 waarbij er een nader verhoor van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van de op 10 april 2012 gehouden nader verhoor, waarbij aanwezig waren [naam 1] namens de gemachtigde van DSB, [naam 2] en [naam 3], respectievelijk Human Resource Oficer en Legal Officer van DSB en [gedaagde] bijgestaan door mr. N.B. San A Jong, één harer gemachtigden;
  • de conclusie tot uitlating DSB met productie;
  • de conclusie tot uitlating productie zijdens [gedaagde].

1.2 De uitspraak van deze beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1 [gedaagde] was in dienst van gedaagde,

2.2 Bij vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 26 mei 2010 is DSB veroordeeld om de dienstbetrekking met [gedaagde] te herstellen met ingang van de datum van betekening van het vonnis en verder om aan [gedaagde] te betalen het salaris en de overige emolumenten totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd.

2.3 Voormeld vonnis is op 26 november 2010 bij exploit no. [nummer] van de deurwaarder bij het Hof van Justitie J.E. Febis aan DSB betekend.

3. De vordering, de grondslag daarvan en het verweer

3.1 DSB vordert dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 1615t lid 3 van het Burgerlijk Wetboek een afkoopsom zal worden vastgesteld ten bedrage van SRD 35.000,–. Voorts is gevorderd dat [gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten.

3.2 DSB heeft aan haar vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag gelegd dat nu het vonnis de dato 26 mei 2010 op 26 november 2010 aan haar is betekend, zij gehouden is de dienstbetrekking met [gedaagde] te rekenen vanaf 26 november 2010 te herstellen. Binnen de organisatie van DSB is er echter geen enkele functie beschikbaar waarin [gedaagde] zou kunnen worden aangesteld, temeer niet omdat zij zich een onbetrouwbare medewerker heeft getoond door schending van een belangrijk voorschrift.

3.3 Op het verweer van [gedaagde] komt de kantonrechter voor zover nodig terug.

4. De beoordeling

4.1 Waar het in deze procedure om gaat is dat DSB met een beroep op artikel 1615t lid 3 van het Burgerlijk Wetboek het verzoek doet voor het doen vaststellen van een afkoopsom

4.2 De kantonrechter merkt op dat het vonnis van de kantonrechter in het eerste kanton de dato 26 mei 2010 waarbij DSB is veroordeeld om de dienstbetrekking met [gedaagde] te herstellen met ingang van de datum van betekening van het vonnis en verder om aan [gedaagde] te betalen het salaris en de overige emolumenten totdat de dienstbetrekking op rechtmatige wijze zal zijn beëindigd voor de eerste maal op 28 augustus 2009 aan DSB is betekend. Aangezien partijen ten aanzien van deze betekening te kennen hebben gegeven dat zij na de betekening in onderhandeling waren en overeengekomen waren het vonnis de dato 27 mei 2009 niet uit te voeren, behoeven de eventuele rechtsgevolgen voortvloeiende uit deze betekening geen bespreking.

4.3 DSB heeft haar voorstel voor de hoogte van de afkoopsom herzien. In de conclusie gedateerd 10 april 2012 bevestigt DSB bereid te zijn een afkoopsom van SRD 100.000,– uit te keren aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft bij de conclusie de dato 17 april 2012 verklaard akkoord te gaan met de afkoopsom van SRD 100.000,–. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag der afkoopsom en deze de kantonrechter naar de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, zal deze worden vastgesteld op het bedrag van SRD 100.000,–.

4.4 Aangezien de wet in artikel 1615t lid 3 tevens bepaalt dat het verzoek tot het vaststellen van een afkoopsom, door de tot herstel veroordeelde partij ingediend, de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst, voor zover het betreft de veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking, totdat op het verzoek is beslist, met dien verstande dat wanneer het verzoek is ingediend door de werkgever, deze in ieder geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen, heeft de kantonrechter DSB in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het loon welke [gedaagde] zou verdienen, bij het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst met dezelfde voorwaarden en met dezelfde inhoud als de beëindigde. Aan partijen is tevens kenbaar gemaakt dat alhoewel de vordering hierover niet rept, gelijk in deze procedure een beslissing hieromtrent zal worden gegeven.

4.5 DSB heeft opgemerkt dat de wettelijke regeling in strijd is met artikl 1614a van het Burgerlijk Wetboek, omdat het loon slechts verschuldigd is gedurende de dienstbetrekking en er gedurende de schorsing geen dienstbetrekking is, doch heeft zich bereid verklaard op grond van de ter zake geldende wettelijke bepaling het loon te voldoen vanaf het moment van de schorsing van de dienstbetrekking tot en met april 2012.

4.6 De kantonrechter overweegt dat er van verschuldigdheid van loon inderdaad geen sprake kan zijn zolang het herstel van de dienstbetrekking niet heeft plaatsgevonden, doch dat de bepaling zo moet worden verstaan dat DSB over de periode tussen de indiening van het verzoek tot het vaststellen van een afkoopsom en de beslissing van de rechter een bedrag gelijk aan het loon, dat bij herstel van de dienstbetrekking en dus bij het aangaan van de nieuwe arbeidsovereenkomst met dezelfde voorwaarden en dezelfde inhoud als de beëindigde, aan [gedaagde] moet betalen.

4.7 DSB heeft een berekening van het loon gepresenteerd. Uit de ter zake overgelegde productie zijn er voor het totaal inkomen twee bedragen opgebracht: SRD 68.873,67 en SRD 65.257,82. De kantonrechter begrijpt dat het bedrag van SRD 68.873,67 inclusief het bedrag van pensioenpremie ten bedrage van SRD 3.615,85 is.

4.8 DSB heeft voorgesteld het werknemersaandeel van de pensioenbijdrage in het pensioenfonds te storten, wanneer [gedaagde] hiermee akkoord gaat. Als [gedaagde] hiermee niet akkoord gaat, aanvaardt zij haar pensioenbreuk. Nu [gedaagde] expliciet heeft aangegeven de pensioenbreuk te aanvaarden, zal de kantonrechter het punt van de pensioenbreuk onbesproken laten en wordt ervan uitgegaan dat geen der partijen een pensioenbijdrage in het pensioenfonds hoet te storten. Het aan [gedaagde] verschuldigde bedrag gelijk aan het loon gedurende de periode van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis is derhalve SRD. 65. 257,82.

4.9 De kantonrechter zal voorbij gaan aan het voorstel van [gedaagde] om de kinderbijslag bij te berekenen. Indien [gedaagde] van oordeel is dat zij zulks nog te vorderen heeft, staat zulks haar vrij.

4.10 De proceskosten zullen worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. Beschikkende

5.1 Stelt de afkoopsom ingevolge artikel 1615t lid 3 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek vast op het bedrag van SRD 100.000,– (eenhonderdduizend Surinaamse dollar).

5.2 Bepaalt dat DSB aan [gedaagde] het bedrag van SRD 65.257,82 (vijfenzestigduizend tweehonderd zevenenvijftig 82/100 Surinaamse dollar) gelijk aan het loon gedurende de periode van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis verschuldigd is.

5.3 Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voeg dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo op dinsdag 24 april 2012 door de kantonrechter-plaatsvervanger in het eerste kanton mr. R.G. Chatterpal in tegenwoordigheid van de fungerend griffier.

w.g. G.R. Mangal w.g. R.G. Chatterpal

 

 

SRU-K1-2010-2

KANTONGERECHT IN HET EERSTE KANTON

A.R. no. 10-3362
25 augustus 2010

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres],
wonende aan [adres], te [district],
eiseres in kort geding,
gevolmachtigde: de heer Marnix Hugo Visser,

tegen

HANDELS- KREDIET EN INDUSTRIEBANK N.V., afgekort de Hakrinbank N.V.,
gevestigd te Paramaribo,
gedaagde in kort geding,
gemachtigde: mr. E.C.M. Hooplot, advocaat.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton heeft, in naam van de Republiek het navolgende vonnis uitgesproken.

1. Het verloop van het geding

1.1 Hiervan blijkt uit de volgende processtukken/- handelingen:
– het verzoekschrift met bijbehorende producties dat op 20 augustus 2010 ter griffie der Kantongerechten is ingediend;
– de schriftelijke conclusie van antwoord onder overlegging van producties;
– de mondelinge conclusie van repliek en uitlating producties;
– de mondelinge conclusie van dupliek;

1.2 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Motivering

2.1 Alvorens op de stellingen en weren van partijen in te gaan zal de Kantonrechter allereerst het preliminair (exceptief) verweer van gedaagde onder de loep plaatsen. Dienaangaande heeft gedaagde aangevoerd dat het primair gevorderde sub A, B en C niet in kort geding kan worden toegewezen omdat deze vorderingen definitief van aard zijn en geen steun vinden – evenmin als het subsidiair gevorderde – in de stellingen van het inleidend rekest. De Kantonrechter is het in zoverre eens met gedaagde dat het primair gevorderde onder sub A hetwelk een declaratoire beslissing oplevert niet in kort geding voor toewijzing in aanmerking kan komen. Evenwel ligt dat naar dezerzijds oordeel anders met betrekking tot het gevorderde onder sub B en C van het primair gevorderde. De doorhalingen zoals daarin gevorderd zouden, afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van elk geval, naar dezerzijds oordeel wel voor toewijzing in aanmerking kunnen komen.

2.2 Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat nu eiseres heeft erkend dat zij geen erfgenaam van [persoon] is, zij niet bevoegd noch gerechtigd is de onderhavige vordering tegen gedaagde in te stellen. Zelfs wanneer zij op het litigieuze onroerend goed een persoonlijk gebruiksrecht zou hebben wordt zij daarin niet geschaad door het enkele feit dat gedaagde gebruik maakt van haar executierecht ex artikel 1207 BW. Derhalve doet gedaagde een nadrukkelijk beroep op de exceptie “point d’interêt, point d’action”. De Kantonrechter komt tot de slotsom dat het exceptief verweer van gedaagde opgeld doet en doel treft. Ter staving van haar bevoegdheid om als procespartij in rechte op te treden heeft eiseres een beroep gedaan op een vermeend gebruiksrecht van de litigieuze woning. Los van voormeld gebruiksrecht heeft eiseres ruiterlijk erkend dat zij geen wettelijke erfgenaam is van de heer [persoon] voornoemd (nu wijlen). Nu zij geen andere feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen die zouden moeten maken dat zij gerechtigd zou zijn om als procespartij in rechte op te treden, zal de Kantonrechter ervan uitgaan in dit geding dat zij zich uitsluitend baseert op haar vermeend gebruiksrecht. Nu eiseres bloot heeft aangevoerd zichzelf als lastgever op te werpen en zelfs na de uitdrukkelijke vraag van de Kantonrechter in gebreke gebleven is om de grondslag daarvan te staven zal de Kantonrechter daaraan voorbijgaan.

2.3 Gelet op al het voorgaande komt de Kantonrechter tot de slotsom dat eiseres de bevoegdheid mist om in dit geding als procespartij op te treden. Een emotionele binding met de erflater en een persoonlijk recht van gebruik van het litigieus object zijn naar dezerzijds oordeel onvoldoende om eiseres de status van procespartij te bezorgen. Derhalve zal de Kantonrechter het exceptief verweer gegrond achtend, de eiseres wegens gemis aan belang niet ontvankelijk verklaren in de ingestelde vordering.

2.4 Eiseres zal, als de niet ontvangen partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van gedaagde gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten.

2.5 Aan bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de Kantonrechter derhalve niet toe.

3. De beslissing in kort geding

3.1 Verklaart eiseres niet ontvankelijk in de ingestelde vordering.

3.2 Veroordeelt eiseres in de proceskosten aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan deze begroot op nihil.

Dit vonnis in kort geding is gewezen en uitgesproken door de Kantonrechter in het Eerste Kanton, mr. A. Charan ter openbare terechtzitting van het kantongerecht in het Eerste Kanton te Paramaribo van woensdag 25 augustus 2010, in tegenwoordigheid van de substituut-griffier, mr. S. Tika.

w.g. S. Tika w.g. A. Charan

SRU-K1-2012-6

DE KANTONRECHTER IN HET EERSTE KANTON

A.R. No. 12-2446
05 juli 2012

Vonnis in kort geding inzake:

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP DE SURINAAMSCHE BANK N.V.,
gevestigd te Paramaribo en kantoorhoudende aldaar aan de Henck Arronstraat no. 26-30,
eiseres in kort geding,
gemachtigde: mr. F. Kruisland, advocaat,

tegen

A. [gedaagde A],
wonende aan de [adres] te [district],
gemachtigde: mr. S. Mangroelal, advocaat,

en

B. [gedaagde B],
wonende te [district]
en kantoorhoudende aldaar aan de [adres] te [district],
procederende in persoon,
gedaagden in kort geding.

De Kantonrechter in het Eerste Kanton spreekt in deze zaak, in Naam van de Republiek, het navolgende vonnis in kort geding uit:

Partijen worden in het hierna volgende gemakshalve (ook) aangeduid als respectievelijk DSB, [gedaagde A] en [gedaagde B];

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen:
– het inleidend rekest met bijlagen hetwelk op 15 juni 2012 op de griffie der kantongerechten is ingediend;
– de schriftelijke conclusie van eis behelzende een aanvulling van punt 9 van het inleidend rekest alsmede een wijziging en aanvulling van het petitum voor wat betreft het onder “subsidiair1” gevorderde;
– de schriftelijke conclusies van antwoord in de hoofdzaak, onder overlegging van een productie zijdens [gedaagde B] alsmede een incidentele conclusie van eis zijdens [gedaagde B];
– de schriftelijke conclusie van repliek;
– de schriftelijke conclusies van dupliek.

1.2 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis was vervolgens aanvankelijk bepaald op 04 juli 2012 doch de kantonrechter heeft ambtshalve bij rolbeschikking een comparitie van partijen gelast, welke op dezelfde dag is gehouden, zijnde daarvan proces-verbaal opgemaakt hetwelk zich onder de processtukken bevindt;

1.3 De gemachtigde van DSB heeft hierna een schriftelijke conclusie tot uitlating genomen;

1.4 De rechtsdag voor de uitspraak van het vonnis is hierna bepaald op heden.

2. Waarvan kan worden uitgegaan

2.1 Bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, [gedaagde B], d.d. 15 december 2010 no. 1434, heeft [gedaagde A] executoriaal beslag gelegd, althans doen leggen op een aantal roerende goederen in eigendom toebehorende aan DSB, zoals in voormeld exploit is omschreven, onder meer 3 (DRIE) schilderijen, een kast, 2 (TWEE) vazen, een tweezits bankstel, 2 (TWEE) bureaustoelen, 1 (EEN) vergadertafel, 6 (ZES) bureaustoelen en een fotokopieermachine, 2 (TWEE) filekasten, een faxapparaat, een bloembak en nog enkele ander goederen, waarvan de omschrijving niet verstaanbaar is, al welke goederen zich bovendien in het gebouw aan de Henck Arronstraat no. 26-30, waarin het hoofdkantoor van DSB is gevestigd en deel uitmaken van de uitrusting van dat kantoor;

2.2 Voormeld beslag is gelegd, zoals uit het aldaar vermelde exploit blijkt, uit kracht van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton op 26 mei 2009 tussen partijen gewezen, waarbij DSB is veroordeeld om de dienstbetrekking met [gedaagde A] te herstellen;

2.3 In voormeld exploit is tevens vermeld dat DSB zou zijn veroordeeld bij voormeld vonnis om aan [gedaagde A] te betalen het salaris en overige emolumenten over de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 vormende een totaal bedrag van SRD 175.808,58 en dat mede op grond van die veroordeling voormeld beslag is gelegd;

2.4 Wijders is:

  • Door [persoon 1], bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, Radjinderkoemar Bhoelan, d.d. 9 juni 2010 no. 77 onder handen van DSB, conservatoir beslag gelegd op alle gelden en/of geldswaarden en/of goederen welke zij, DSB, aan [gedaagde A] verschuldigd mocht zijn en/of worden en/of van haar onder zich heeft of zal verkrijgen;
  • Door [persoon 2], bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, Rawan Sontono, d.d. 31 mei 2010 no. 208 onder handen van DSB, conservatoir beslag gelegd op alle gelden en/of geldswaarden en/of goederen, welke zij, DSB, aan [gedaagde A] verschuldigd mocht zijn en/of worden en/of onder zich mocht hebben en/of verkrijgen;

2.5 Inmiddels is echter gebleken, zulks na het instellen van de onderhavige vordering op 15 juni 2012, dat [gedaagde A] bij exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, René Kappel, d.d. 18 juni 2012 no. LL-0086, de aanzegging van openbare verkoop als vorenbedoeld op 27 juni 2012 heeft ingetrokken, althans doen intrekken en dat bij dat exploit opnieuw is aangezegd voor 5 juli 2012.

3. De standpunten van partijen

3.1 DSB vordert – kort samengevat – primair opheffing van voormeld executoriaal beslag en subsidiair een verbod voor gedaagden om over te gaan tot de executoriale openbare verkoop van voornoemde goederen, totdat omtrent de rechtskracht van het vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton d.d. 26 mei 2009 tussen partijen gewezen, uiteindelijk is beslist en/of voormelde onder 2.4 omschreven beslagen zijn opgeheven dan wel DSB in de naar aanleiding van die beslagen aangespannen verklaringsprocedure zal zijn veroordeeld tot afgifte van het daarin vermelde bedrag aan [gedaagde A], op straffe van een dwangsom ten aan aanzien van [gedaagde B], SRD 25.000,00 per keer;

3.2 Naast voormelde vaststaande feiten legt DSB aan haar vordering ten grondslag dat een veroordeling zoals vermeld in voormeld exploit d.d. 15 december 2010 in voormeld vonnis in het geheel niet te vinden is en dat ingevolge het bepaalde in artikel 1409 B.W. DSB aan [gedaagde A] niets vermag te betalen en/of af te geven, totdat voormelde beslagen, die nog steeds van kracht zijn, zijn opgeheven of hun rechtskracht rechtens hebben verloren. De aanzegging van voormelde openbare verkoop is – aldus DSB – uiteraard onrechtmatig tegenover DSB;

3.3 [gedaagde A] en [gedaagde B] hebben verweer gevoerd en de kantonrechter zal daarop in het hierna volgende – voor zover van belang – terug komen.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Het spoedeisend belang van DSB bij de ingestelde vordering vloeit voort uit de stellingen van het inleidend rekest;

4.2 [gedaagde B] heeft een incidentele conclusie van eis genomen waarbij hij tegen [gedaagde A], [naam 1] en [naam 2] een vordering heeft ingesteld strekkende enerzijds tot vrijwaring van hem tegen elke veroordeling of verbod, welke hij bij vonnis in de hoofdzaak mocht ervaren en anderzijds veroordeling van hen tot betaling aan hem van het bedrag van SRD 800,= uit hoofde van gemaakte deurwaarderskosten. Op deze incidentele conclusie hebben de overige partijen in dit geding niet gereageerd terwijl evenmin is gebleken van een oproeping van [naam 1] en [naam 2] voornoemd in rechte. Evenmin is [gedaagde B] daarop teruggekomen bij de voortzetting van het geding. Derhalve zal de kantonrechter het er in dit geding voor houden dat [gedaagde B] zijn vordering in het incident niet langer handhaaft en zal de kantonrechter dat passeren. Immers is de afspraak gemaakt met partijen dat er bij de griffier zou worden afgeconcludeerd en het nemen van een incidentele conclusie van eis mede ten aanzien van personen die niet eerder in dit geding waren betrokken en het daarop niet voortborduren door [gedaagde B], zal de kantonrechter opvatten als een kennelijke misslag zijdens [gedaagde B] en daaraan voorbijgaan;

4.3 Voorts is gebleken – gaandeweg dit geding – dat thans een andere deurwaarder de executerende deurwaarder is instede van [gedaagde B]. Derhalve ontgaat het de kantonrechter welk belang DSB thans nog heeft bij het mede in rechte betrekken van [gedaagde B] en zal de kantonrechter DSB niet ontvankelijk verklaren in de mede tegen [gedaagde B] ingestelde vordering;

4.4 De kantonrechter heeft ambtshalve bij rolbeschikking een comparitie van partijen gelast tot het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van de mogelijkheden ener minnelijke regeling. Daarbij is DSB deugdelijk vertegenwoordigd verschenen alsmede [gedaagde A] en [gedaagde B] in persoon, die de nodige inlichtingen hebben verschaft doch is een minnelijke regeling niet tot stand gekomen omdat daarvoor de standpunten van partijen te ver uiteen lagen;

4.5 Thans zal de kantonrechter overgaan tot het bespreken van de grondslag van de vordering van DSB. De kantonrechter destilleert dat DSB eerstens heeft aangevoerd dat de grondslag van de beslaglegging d.d. 15 december 2010 onjuist is aangezien in het vonnis d.d. 26 mei 2009 er geen gewag wordt gemaakt van een veroordeling tot betaling van het salaris en overige emolumenten over de jaren zoals bij de beslaglegging aangegeven. [gedaagde A] onderkent dit wel doch geeft aan dat ook rekening moet worden gehouden met de beschikking van de kantonrechter d.d. 24 april 2012 waarin wel bedragen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de kantonrechter komt voormelde grondslag van de vordering van DSB wel in rechte vast te staan. Simpele nalezing van het dictum van voormeld vonnis d.d. 26 mei 2009 leidt tot de vaststelling dat dit behelst herstel van de dienstbetrekking en geen veroordeling tot doorbetaling salaris. Hetgeen [gedaagde A] heeft aangevoerd en strekkende tot rekening houden met het bepaalde in de beschikking van de kantonrechter d.d. 24 april 2012 doet aan het voorgaande niet af. Immers was dat ten tijde van de beslaglegging nog toekomstmuziek;

4.6 Ten tweede heeft DSB aangevoerd – althans zo vat de kantonrechter dat op – dat zij niet in weerwil van de gelegde conservatoire derdenbeslagen onder haar ten laste van [gedaagde A], zoals hiervoor weergegeven onder 2.4 van dit vonnis, tot betaling aan [gedaagde A] kan overgaan. Ook deze grondslag komt naar het oordeel van de kantonrechter vast te staan. Immers zou die betaling dan ingevolge het bepaalde in artikel 1409 van het Surinaams Burgerlijk Wetboek niet zonder consequenties kunnen blijken te zijn ten aanzien van DSB. Immers is de ratio van het uitdrukken van de som, waarvoor het beslag wordt gedaan, in het beslagexploit deze dat de debiteur daardoor in staat wordt gesteld door het aanbieden van een equivalente zekerheid of van de uitgedrukte of begrote som opheffing van het beslag te bekomen. Dit houdt in dat de derde in de beperking, welke de uitdrukking der som bevat niet de vrijheid kan vinden om hetgeen hij méér onder zich heeft uit te keren aan de beslagdebiteur, zijn crediteur. Deze heeft af te wachten tot welke betaling hij zal worden veroordeeld nadat hij zijn verklaring zal hebben afgelegd; het staat immers niet aan de derde ter beoordeling welke vermogensbestanddelen hij voor het doel van het arrest zal aanwenden en welke daarbuiten zullen blijven (vide Mr. F.M.J. Jansen, Executie- en Beslagrecht, vierde druk, pagina 379 e.v.);

4.7 Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat voormelde beslaglegging ten aanzien van DSB onrechtmatig is en zal het primair gevorderde derhalve worden toegewezen;

4.8 [gedaagde A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de gedingkosten aan de zijde van DSB gevallen en zoals hierna in het dictum te begroten;

4.9 Bespreking van de overige stellingen en weren van partijen zal de kantonrechter derhalve – als zijnde niet langer relevant – achterwege laten.

5. De beslissing in kort geding

De Kantonrechter:

5.1 Verklaart DSB niet ontvankelijk in de mede tegen [gedaagde B] ingestelde vordering;

5.2 Veroordeelt DSB in de gedingkosten aan de zijde van [gedaagde B] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

5.3 Gelast de opheffing van het exploit van de deurwaarder bij het Hof van Justitie van Suriname, [gedaagde B], d.d. 15 december 2010 no. 1434 gelegd executoriaal beslag op de aan DSB in eigendom toebehorende in dat exploit omschreven roerende goederen;

5.4 Verklaart dit vonnis voor zover nodig uitvoerbaar bij voorrad;

5.5 Veroordeelt [gedaagde A] in de gedingkosten aan de zijde van DSB gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op SRD 150,= (Eenhonderd en Vijftig Surinaamse Dollars);

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken te Paramaribo door mr. A. Charan, Kantonrechter in het Eerste Kanton in kort geding, op de terechtzitting van donderdag 05 juli 2012, in tegenwoordigheid van de fungerend griffier, mr. D. Ramdin.

w.g. D. Ramdin w.g. A. Charan